zijnde een uittreksel uit de bevinding van de onwaardige schrijver.
Met voorrede van William Huntington
Vertaald door Bernhard van Woerden
Komt, hoort toe, o allen gij, die God vreest, en ik zal vertellen, wat Hij aan mijn ziel gedaan heeft. Ps. 66:16
Ik loof U, omdat ik op een heel vreselijke wijze wonderbaarlijk gemaakt ben; wonderlijk zijn Uw werken! ook weet het mijn ziel zeer wel. Ps. 139:14
Inhoud
Aan zijn ten zeerste geachte en hoog geëerde vriend, de Heer Nicholas Skinner, koopzoon te Londen.
Waarde en Geachte Heer.
Het lofwaardige karakter u door enige dienaars van Christus en andere goede zielen, welke naar ik in liefde hoop en geloof God nu in de heerlijkheid loven, toegeschreven, maar in het bijzonder het krachtige bewijs, dat ik zelf van uw goedheid ondervonden heb, sedert de Voorzienigheid mij zo, gelukkig maakte mij met u in kennis te stellen, hebben mij bemoedigd uw waarden en verdienstelijken naam boven deze kleine verhandeling te plaatsen, welker bestemming en voornaamste strekking is om arme verslagene zielen onder de verbergingen van Gods aangezicht aan te moedigen om zich op de nimmer falende goedheid van God in Christus te werpen, totdat Gods bestemde tijd ter uitredding aanbreekt. Tevens om geoefende, en bevestigde gelovigen op te wekken tot ene betamelijke aanbidding en verheerlijking van die wonderwerkende Voorzienigheid van de heerlijke en vreselijke Jehovah, welke op zulk ene klaarblijkelijke wijze gezien werd in de door mij ondervonden uitreddingen, zowel met betrekking tot mijn ziel als mijn lichaam, door mij, die zijn. arme nieteling ben, en die tot op de huidige dag in het leven ben behouden, en bewaard door Gods eigen onderhouding, zowel tot verwondering van mij zelf als van deze godzalige zielen, welke mijn tegenwoordige omstandigheden en Gods handelingen met mij kennen. Vele jaren geleden ben ik op ene meer dan ordinaire wijze aangezocht geworden, zowel door godzalige predikanten als door zulke ijverige christenen, als gij er een bent, datgene uit te geven, waarmee ik mij nu verstout heb het op te dragen aan zulk een waardig en verdienstelijk vriend, als waarvoor gij goed bekend bent, beide van Gods waarheid en van zulken, die, in enige mate het gezegende beeld van Zijn Zoon dragen. De voornaamste beweegreden van hun verzoek aan mij om dit uit te geven was d-, vreemde, invloed, die de mondelinge meedeling hier van op hun eigen geest had, zodat zijde uitwerking er van niet konden verbergen, daar tranen van vreugde op ene verwonderlijke manier uit hun ogen gutsten, terwijl zij ogen en handen naar de hemel ophieven en met aanbidding zich verwonderden over Gods wonderen aan mij bewezen. Zij beleden en verklaarden, dat zij in hun tijd nimmer zoveel van Gods goedheid en genade, verleend aan een arm verloren zondaar, gehoord hadden als aan mij onwaardige bewezen en geschonken was. Dit maakte, dat verscheidene godzalige predikanten, in het bijzonder de Heer Noah Brijan, Timotheüs Taylor, Samuël Matter en de geliefde heer Nathaniel Zatter, welke nu allen met Christus zijn, beleden, dat zij nog nimmer van een zondaar gehoord of een gekend hadden, die zoveel met Paulus overeenkwam als ik, wat betreft de wijze waarop God in hem werkte en met hem handelde, zowel in als na zijn bekering. Daarom oordeelden zij eenparig, dat het mijn plicht was dezelve te laten drukken, niet twijfelende, dat hetzelve ten hoogste nuttig zou zijn in verscheidene opzichten, zowel voor de heiligen als zondaars. De van harte oprechte en getrouwe Nathaniel Matter, laatst te Pinner Hall heeft mij verscheidene malen bestraft om mijn nalatigheid in zulk een noodzakelijk en nuttig werk. Een weinig voor zijn dood sprak hij er weer met mij over en onderzocht de gronden van mijn nalatigheid hierin. Mijn antwoord aan hem. was, dat twee zaken mij tot hiertoe teruggehouden hadden mijn ondervinding uit te geven. In welke mate de satan hier zijn hand in heeft kan ik niet bekijken.
De eerste zaak is de moeite, welke het mij kost om de werking van de Geest der aanneming, in het ontdekken en toepassen van Christus aan mij, neer te schrijven, daar de herinnering hier aan mij dermate verzwelgt en doet smelten, dat ik mijn papier niet meer kan zien vanwege de tranen van vreugde, welke mijn gezichtsvermogen verduisteren. Hierop was zijn antwoord, dat het jammer zou zijn, dat iets mij in zulk een goed en nuttig werk zou verhinderen.
De tweede zaak is, dat ik vreesde, dat de mensen het verslag hiervan, ingeval hetzelve indruk gegeven werd, niet zouden geloven, want, zei ik, het merendeel der belijders zijn zulke volslagen vreemdelingen van de natuur der ware wedergeboorte, en wel in het bijzonder, wanneer zij op zulk ene wijze in de zondaar gewerkt wordt, als God dit in mij deed, dat zij de waarheid van hetgeen ik meedeel eerder zullen wantrouwen en betwijfelen, dan dat zij God zouden loven of hetzelve tot hun eigen nut en geestelijk voordeel zouden gebruiken. Het antwoord hierop was, dat Satan altijd klaar stond om een goed werk, hetwelk maar enigszins Gods ere en der zielen heil bedoelt, te verhinderen.
Nadat hij heengegaan was kwamen de gedurige verzoeken van de hierboven aangehaalde leraars mij weer vers in het geheugen en deze, tezamen met de herhaalde aanzoeken van verscheidene godzalige en ijverige, nu nog in leven zijnde christenen, zijn mij te sterk geworden, zodat ik alle mij voorkomende moeilijkheden ter zijde gesteld heb. De uitkomst van mijn tegenwoordige onderneming laat ik over aan Gods krachtige Voorzienigheid, opdat die haar in derzelver bestemming mag bekronen Van hart vraag ik u om vergeving voor de wijze waarop ik mijn erkentenis getoond heb voor de grote vriendelijkheid en achting, die gij, als een godzalig en waarlijk edelmoedig mens, aan de geringste en onwaardigste van Christus verachte afgezanten, betoond hebt. Ik twijfel niet of gij zult bevinden, dat hetzelve in de hemel opgetekend is door mijn Heere en Meester, als een klaar bewijs van uw geloof in en uw ongeveinsde liefde tot Hem, zijn zaak en zijn belangen hier op aarde. Waarde heer, laten de vooroordelen, waaronder ik leg, vanwege de schandelijke lasteringen, door boze geesten op mij gehoopt uw hoop op ene heerlijke vergelding des loons niet verminderen, daar dezelve door Hem, die niet liegen kan, beloofd is op al uw werk en al uw arbeid der liefde aan mij en anderen van Gods kinderen om Christus wil, bewezen. Ik betwijfel niet dat Hij, die er acht op slaat als men enen discipel ene beker koud water geeft, in de naam eens discipels, in de hemel aangetekend heeft, hoe gij mij meer dan eens aan uw tafel door wijn verfrist hebt, als ook het goud en zilver, dat u mij gezonden en gegeven hebt, waardoor ik en mijn gezin bewaard gebleven zijn van in het stof te verzinken.
En al ware het, dat ik in dien groten dag des oordeels een verworpeling van Christus zou blijken te zijn, waarvoor ik echter door oneindige genade evenmin bevreesd ben als dat ik vrees, dat God zou ophouden God te zijn, zo zal nochtans uw getrouwheid en oprechtigheid, die gij om Christus wil aan mij bewezen hebt, niet alleen bekend gemaakt maar ook genadig en overvloedig vergolden worden. En vergis ik mij niet, dan is het. de leiding der Voorzienigheid, die mijn gedachten op u vestigde, als zijnde de geschiktste en waardigste persoon, aan wie ik dit kleine uittreksel uit mijn veelvuldige ondervindingen, welke ik van Gods onbegrijpelijke goedheid en van zijn oneindige algenoegzaamheid in het zaligen van een verloren zondaar gehad heb, kon opdragen. Ik beschouw deze opdracht, als of dezelve een voorloper ware van de openlijke bekendmaking en vergeldingvan deze uw werken van liefde en barmhartigheid door Christus; van deze werken, die gij zo in het verborgen aan Hem in mijn persoon hebt bewezen; aan mij, die de geringste en onwaardigste van zijn vertegenwoordigers hier op aarde ben, volgens Spr. 19: 17. Matth. 6: 4; 25: 45; Hebr. 6: 10.
De Doorzoeker van het hart is het bekend, dat ik er ver van ben om u te willen vleien, in hetgeen ik van u in deze opdracht zeg: Hij, die u hier zulk een gezegende staat geschonken heeft en uw getrouwe en edelmoedige ziel met zulk ene overvloed van hemelse wijsheid en zaligmakende genade verrijkt heeft, als u bewaart om opgeblazen te worden door trots en inbeelding over hetgeen hij u gemaakt heeft, volmake zijn eigen gezegend werk in u begonnen, tot op de dag Van Christus. Mag dit ook het deel zijn, van uw deugdzame en godzalige huisvrouw en van uw geliefd zaad; dit is waarde en geëerde heer de oprechte wens en het zal de hartelijke bede zijn van
Uw u innig liefhebbende en
ten hoogste verplichten vriend
en dienaar in de beste en sterkste
der banden (namelijk in de
liefde des evangelies.)
James Barry
De corrector groet al degenen, die onze Heere Jezus Christus lief hebben in onverderfelijkheid.
Geliefde Broederen.
Van deze schrijver zal ik 'niet zeggen, hetgeen Claudius Lysias van Paulus zei; namelijk, dat hij van de Joden gegrepen was en van haar omgebracht zou geworden zijn, ware ik daar niet overgekomen met het krijgsvolk en had ik hem haar niet ontnomen, maar dit wil ik zeggen, dat hij door het geloof zulk een getuigenis nagelaten heeft, dat velen in onze dagen het verstandig geoordeeld zouden hebben om het in de bouwvallen van het huis achter te laten of het voor de mollen en vleermuizen te laten liggen, liever dan een getuigenis te herzien, dat hun grond tot de hals toe ontbloot. Hab. 3: 19.
De schrijver van dit verhaal was de zoon van een Protestants Bisschop, de neef van een edelman. Hij werd opgeleid voor het leraarsambt en men verwachtte,. dat hij geen slechte figuur zou maken in dezelfde kerk, waarover zijn vader bisschop was. God kwam echter met een leger van verschrikkingen en met enige pijlen uit zijn pijlkoker bereidde hij hem voor zijn doel en maakte hem een zoon der vertroosting voor de uitverkoren broederschap van Christus Jezus.
Tengevolge zijner opvoeding was hij (even goed als ik) een vurig en blind ijveraar voor de Engelse Staatskerk, en toen hij ene ontwaakte consciëntie kreeg, zoals hij ons meedeelt, toetste hij haar bisschoppen, de muren harer hoofdkerken, haar liturgie, het gebedenboek, de ceremoniën en haar geestelijkheid in de kleinste bijzonderheden, en kwam, tot het besluit, waar hij ook eerlijk voor uitkwam, dat zij niets dan ijdelheid, en voor een door God gewonde zondaar, kwelling des geestes waren.
Hij onderzocht grondig die vermaarde boeken, (aan welke gewoonlijk een hartelijker ontvangst dan aan de Bijbel ten deel valt), namelijk: de beoefening der Godzaligheid, op aanraden van enen bisschop; de gehele "Plicht des Mensen" stelde hij tot zijn leefregel en Baxters Roepstem aan de onbekeerden" maakte hij tot zijn boezemvriend en werkte zichzelf in zulk ene bekering als die Authem beschrijft. Maar toen God het gericht naar het richtsnoer en de gerechtigheid naar het paslood stelde, veegde de hagel deze toevlucht des leugens weg. Jes. 28: 17.
De "Beoefening der Godzaligheid", liet hem in het bezit van al zijn goddeloosheid; de gehele Plicht des Mensen liet hem alleen staan om door zijn dode werken te staan of te vallen, terwijl Baxters roepstem hem een vreemdeling liet aan de hemelse en geen wonder, daar Baxters roepstem en de roepingen Gods hemelsbreed verschillen.
Van velen heb ik de zogenaamde levensbeschrijving en bekering gelezen, maar weinigen onder tien kwamen zover, in hetgeen men een werk der genade noemt, als deze schrijver in de staat der natuur kwam. In hun belijdenis kwamen zij niet ver genoeg om te weten of er al dan niet zo iets als een geest der dienstbaarheid was; veel minder kwamen zij tot ene zaligmakende bekering uit de dienstbaarheid tot vrijheid. Maar toen deze schrijver ontwaakt was, bracht hij het zover in ene reformatie, en (naar hij dacht, ook in de bekering) en begon er zulk een hoge mate van vertrouwen in te stellen, dat zijn hoogheid tot de hemel opklom, en zijn hoofd tot aan de wolken raakte. Job 20: 6.
Maar toen het gebod kwam werd zijn vertrouwen uit zijn tent uitgerukt en dit deed hem tot de koning der verschrikking treden. Job 18. 14. Zodra de wet kwam, niet alleen de letter, maar de wet in haren gehele omvang, haar letter, haar geest, haar dienstbaarheid, haar toorn, met haar uitgestrekte eisen, en haar donderende vervloeking; (want dat is de wet), toen werd de zonde weer levendig, en hij zag en gevoelde de noodzakelijkheid van ene volmaakte gelijkvormigheid aan de wet.
Dientengevolge maakte hij dezelve tot zijn enige regel des levens, niet alleen in woord maar inderdaad en in waarheid: hij vastte, hij bad, hij vervulde zijn godsdienstplichten, hij waakte, bij werkte, hij onthield zich van allen schijn van kwaad, gaf alles wat hij had, om de armen te voeden, verloochende zichzelf en gaf nauwlettend acht zowel op de geboden als op de verboden dier wet, om te zien wat hij door dien regel kon doen. En ter toets gebracht bevond hij, dat ze zijn zonde in zulk ene vreselijke mate ontdekte, dat de duivel zelf op hem aanviel, de toorn Gods hem vervolgde, de wanhoop hem deed verzinken, de gramschap des Almachtigen zijn geest uit dronk, zijn lichaam door een hevige ontsteking aangegrepen werd, zijn ogen dof werden, zijn smaak en reuk hem verlieten, zelfs zijn gehoor aangedaan werd, zijn lichaam gebogen werd onder de ondraaglijke last zijner zonden en zijn doodsbleek gelaat vreselijk was om te aanschouwen, in zulk ene mate, dat vleselijke mensen zeiden dat hij van boze geesten bezeten was.
Zoals bij beleed was dit alles wat de wet voor hem kon doen en hij verklaart, dat dit de dwaasheid van die mensen is, die de letter der wet tegenover de geest ervan stellen, die echter nimmer van elkaar afgescheiden moeten worden, daar wij weten dat de waarheid zegt, dat de wet tot dienstbaarheid baart, waarom niemand de letter der wet van haren barenden geest mag ontdoen. Zulke mensen als onze Auteur verstaan de wet en gebruiken die wettelijk. Maar wat zulken betreft, die in ene preekstoel gaan en het volk vertellen, dat zij even liever iemand zouden horen vloeken en zweren, dan dat zij hem zouden horen zeggen: de wet is geen regel des levens dezen weten noch wat zij zeggen noch wat zij bevestigen. Bovendien die personen, die arme, boetvaardige zondaren, welke genade ontvangen hebben, beliegen en belachelijk maken en begrippen voorstaan, die zij niet kunnen bewijzen, vertonen zeer weinig kenmerken, dat zij enigszins acht slaan op de regel voor welke zij strijden. Het tegenstaan der waarheid, het beliegen en belasteren van de rechtvaardige en het beledigen van hen in hun goede naam en in het werk des Heeren kan niet genoemd worden zijn naaste lief te hebben als zichzelf. Iedereen weet, dat die genen, die de rechtvaardige haten, schuldig verklaard zullen worden, daar toorn en haat in Gods ogen als moord geacht worden; en wij weten dat geen doodslager het eeuwige leven heeft in hem blijvende. Daarom is het spreken van zulke personen over de wet als hun regel des levens niets dan wat klanken en het dient nergens toe dan om de onwetenden te blinddoeken.
Toen de heer, ten wiens huize het evangelie te Peckham verkondigd wordt, mij deze verhandeling bracht en zijn verlangen te kennen gaf, dat ik dezelve zou laten drukken, zeggende dat het ene was waar ik hartelijk mee instemde; toen kon ik onder het aandachtig lezen er van niet nalaten met Naomi uit te roepen en te zeggen: Deze man is mijn nabestaande; hij is er een van mijn bloedvriendschap. Gij zult de Neef van de Kolendrager genaamd worden; gij bent mijn medestudent, op dezelfde hogeschool opgeleid, onder dezelfde voogd, in dezelfde smeltkroes gelouterd en door dezelfde bisschop geordend. Gij zult niet tussen twee rijgen van stenen liggen of een buit voor de vleermuizen worden maar gij zult worden, als vleugelen van een duif overdekt met zilver en welker vederen zijn met uitgegraven en geluwen goud en gij zult rondvliegen als in de oude tijden en der dochteren Zions vertellen wat God deed in uw dagen en in de dagen vanouds.
In een woord: men vindt in dit verhaal de herhaalde kreten van een uitverkoren vat als zuigeling, als kind en als jongeling, terwijl Gods voorzienigheid hen voortdurend beantwoord Ten tweede ontmoet men er de Farizeeër uit de Farizeeën of wat men de ware kerkmens noemt. Ten derde vindt men er de ware discipel van Mozes in al zijn verrichtingen; de gevoelige zondaar in al de angsten der verdoemden en ene rijke tentoonspreiding van goddelijke genade zonder het gebruik der middelen. Ten vierde zien wij dat zijn oom, de edelman, zijn vader, de bisschop en al zijn vrienden hem verloochenen en hem voor altijd uitwerpen, omdat hij, zoals zij het gelieven te noemen, een dweper en scheurmaker, geworden was, dat hij ook een dissenter van Gods eigen maaksel werd en tevens omdat hij God diende overeenkomstig de Geest, dien hij ontving en de waarheid die God aan zijn ziel toepaste. En ten laatste ontmoeten wij een gelukkig mens, de ware bekeerde en de gezonde Christen, een volkomen afscheid nemende van ouders, betrekkingen en de wereld en verkiezende liever op ene mesthoop te sterven dan zijn consciëntie te bezoedelen door weer te keren tot ene godsdienst, die door mensen geboden geleerd is. Indien dit het werk des Heeren is, indien dit de ware bekering is, indien dit het ware getuigenis van het geloof is, waardoor de overleden Auteur nog spreekt en indien dit goed gerucht een weerklank is van het bloed der besprenging, dat in zijn consciëntie betere dingen sprak dan het bloed van Abel; waar legeren dan die legioenen van onze predikers, die hun. geboorte, en bloedverwantschap wilden verloochenen en ene opvoeding nabootsen, teneinde het gebedenboek in te kunnen voeren en het gewaad en de waardigheid van een predikant uit de Engelse Staatskerk te verkrijgen? waar deze Auteur van ontledigd was door ene bijna vier jaar lang tucht onder de verschrikkingen der verdoemden.
Lezer, dit getuigenis heb ik de wereld ingezonden met het titelblad en de datum des jaars, waarin het voor de eerste maal gedrukt werd, ongeveer zoals ik het zelf vond. Alleen veranderde ik hier en daar ene fout, welke naar mijn gedachte op rekening des drukkers moet gesteld worden. Ook voegde ik de titel en deze voorrede aan dit werk toe; eilieve, vergeelt mij dit ongelijk en tevens voegde ik hier en daar ene kleine aantekening bij met de beginletters van W. H. S. S. er onder, welke zijn de tekens in iedere zendbrief, alzo schrijf ik. Dat gij het mag lezen om er nut uit te trekken en door het lezen er voordeel uit mag genieten is de bede en wens van de neef van deze auteur en van uw dienstwillige dienaar.
William Huntington
Postern-Road, Tower Hill
24 Nov. 1788.
Een verlevendigende hartsterking voor ene ziel die wanhoopt vanwege de zonde ten tijde der verzoeking
Waarin aangetoond worden de zonderlinge werken der Voorzienigheid door mij te behoeden in de vele doodsgevaren, door welke ik ben bedreigd geweest.
Het eerste van de vele wonderen, welke Gods aanbiddelijke voorzienigheid werkte, om mij voor de dood te behoeden, was als volgt. In de vervolgingstijd van 1641 was ik bij een Ierse papist uitbesteed geworden; in dien tijd, namelijk toen Ierland nog niet tot onderwerping was gebracht. Het was in het laatst van Januari, dat mijn voedster mij op ene mesthoop wierp, omdat zij, zoals zij ten minste voorgaf, voor de woede der Ierse soldaten vreesde, opdat zij mij niet op ene onmenselijke wijze zouden slachten, of beter gezegd, dat zij haar en haren echtgenoot niet zouden doden, omdat zij op zich genomen hadden het kind van enen ketter, zoals men mij noemde, op te voeden. Er lag ene grote massa sneeuw, en ik zou ongetwijfeld omgekomen zijn ware de Voorzienigheid niet juist op de rechte tijd gekomen om mij te verlossen. Dit gebeurde op de volgende wijze: Ter zelfder tijd, dat ik in dien allerbeklagelijkste toestand in de sneeuw lag, terwijl geen oog medelijden met mij had, was er juist een van mijns vaders ondergeschikten in die streek, om enige zaken voor hem te doen. Weer op de terugreis zijnde, in plaats van zijn gewone route te nemen, ging hij enen weg langs, die door het dorp voerde, waar ik uitbesteed was. In het minst kon hij geen reden vinden, waarom hij de groten weg, die hij altijd langs ging, zou verlaten en door dat dorp gaan; alleen door een vreemde aandrang in zijn gemoed besloot hij er toe. Toen hij de straat langs ging tussen het huis, waar ik uitgeworpen was en de mesthoop, waar ik op lag, hoorde hij het erbarmelijke en klaaglijke geschrei van een klein kind, dat volgens zijn gissing buitenshuis was. Hij hield zijn paard in om te zien waar het kind was, maar daar de sneeuw zeer hoog lag, en het toen zeer hard sneeuwde, kon hij niets bespeuren. Echter op het geluid van het geschrei afgaande, kwam hij op de plaats, waar ik lag. Op staande voet begaf bij
zich naar het naastbij zijnde huis, om te onderzoeken, wie de wrede onnatuurlijke moeder van dat arme, stervende kind op de mesthoop kon zijn, of anders om iemand tot medelijden te bewegen met zulk een beklaaglijk voorwerp. Mijn voedster deelde de man mijn afkomst mee, en welke mijn omstandigheden waren. Toen hij hoorde wie ik was, liep hij dadelijk naar de plaats waar ik lag, nam mij op, wikkelde mij in zijn mantel en bracht mij bij mijn ouders thuis. Vijftien mijlen moesten wij afleggen zonder dat ik in het geheel enig voedsel kreeg voor de onderhouding van mijn verzwakte natuur. Gedurende die vijftien mijlen, de tijd er niet bij gerekend, welke ik op de mesthoop doorbracht, welke volgens de verklaring van mijn voedster, ongeveer vijf uren was, hield ik niet op mijn treurige klaagtonen te verheffen, welke zich uitten in hartroerend geschreeuw en erbarmelijk geween en dat de gehelen dag, zodat de man elk ogenblik verwachtte, dat ik de adem uit zou blazen. In deze toestand gaf hij mij als een treurig schouwspel aan mijn ouders over, terwijl hij hun bekendmaakte hoe en waar hij mij gevonden had en dat hij niet wist waarom hij zijn gewone weg verlaten had om dien weg langs te gaan, waar hij mij vond. Dadelijk werd ene bode afgezonden, naar drie of vier van de voornaamste geneesheren, welke toen in Dublin, dat ongeveer twee en een halve mijl van ons aflag, gevestigd waren. Onmiddellijk haastten zij zich naar het huis mijns vaders en beproefden al hun kunst en wijsheid om mij op dat ogenblik te helpen en te verlichten; alles was echter tevergeefs.
Mijn lichaamstoestand was zo netelig, dat dezelve al hun kunst teleurstelde en verijdelde. Daar zij geen waarschijnlijkheid zagen om mij op ene redelijke wijze te genezen, zo gaven zij mij op en verzekerden mijn betrekkingen, dat ik het niet te boven zou komen. Nadat de dokters mij verlaten hadden, werden mij andere middelen toegediend door oude mannen en vroedvrouwen, die een goed oordeel en veel ervaring schenen te hebben in het genezen van kinderen. Ook dit baatte echter niets. Aldus maakte God al datgene wat die mensen deden vruchteloos, opdat zij het middel zouden zijn om enen weg te banen voor zijn zegen en die middelen, welke Hijzelf verkoren had tot mijn krachtdadige genezing, opdat zij aangetekend zouden worden tot eeuwige lof van zijn eigen wonderwerkende Voorzienigheid, als later zal blijken. Alle middelen, tot mijn genezing en mijn herstel aangewend werden door Gods krachtdadige Voorzienigheid gebruikt als middelen om de ongesteldheid, welke mijn leven bedreigde, te doen verergeren, hetwelk zover ging, dat allen ten laatste dachten, dat ik dood was. Daar er geen beweging van leven meer in mij te bespeuren was, werd ik afgelegd, werd mij het doodshemd aangedaan en werd ik gekist. Toen vrienden en buren juist de deur uit zouden gaan om mij naar mijn laatste rustplaats te brengen, bemerkte de persoon die de kist droeg, dat ik mij bewoog en tevens hoorde hij mij schreien, waarover allen zich niet weinig verbaasden en enige zo bevreesd maakte, dat zij hard wegliepen.
Het was ongeveer twee maanden later, dat ik ten tweede male voor dood gehouden werd door geheel de familie. Weer werd ik afgelegd en mij het doodshemd aangedaan, maar opdat men nu niet weer te haastig met het begraven zou zijn, werd nodig geoordeeld bij mij te waken. Dit is een gebruik in Ierland om de gehele nacht bij het lijk op te zitten, terwijl er dan in die kamer vele lichten branden. Het behaagde God echter, dat degenen die mij bewaakten omtrent middernacht zagen, dat ik tot hun grote verbazing, het laken oplichtte.
Niettegenstaande deze zonderlinge en onverwachte herlevingen was ik mijn ouders en anderen leden in de familie toch tot grote smart en last, omdat mijn pijn en ellende aanhield, daar geen menselijke pogingen mij enig nut deden.
Mijn ziekte nam met de jaren toe, ja werd ten laatste zo hevig, dat mijn lichaampje zeer dik en wanschapen werd. Mijn buik kreeg de omvang van ene gewone kuip of trommel, terwijl mijn benen mijn afgetobd lichaam niet meer konden dragen. Aldus was ik niet alleen anderen maar ook mijzelf tot last, totdat het God behaagde de ongemakken en ongesteldheden mijns lichaams te beteugelen en te bedwingen, welke mij anders in het stof zouden hebben doen neerdalen.
Het middel waardoor ik weer herstelde, was als volgt. Op zekere dag, toen ik in de armen van een dienstmaagd lag, wier enige werk het was, op mij te passen en mij te verzorgen, zag ik op de grond, voor de deur enige gespikkelde schelpslakken liggen, welke uit ene lading brem, die voor de deur stond, vielen. Ik schreeuwde, dat ik ze verlangde te hebben. De meid, mijn verlangen graag willende bevredigen, raapte er zo velen op, als zij maar kon vinden. Hiermee vermaakte ik mijn verbeelding, totdat ik vermoeid van spelen was. Hierop wierp ik de slakken in het vuur en na enige tijd, toen ik dacht, dat zij gebraden zouden zijn, schreeuwde ik om ze opnieuw te hebben. De meid en al de anderen, die het zagen, waren ten zeerste benieuwd, wat ik met hen zou doen. Zo spoedig had ik er de schelpen niet afgedaan, of, tot grote verbazing der aanschouwers, begon ik hen op te eten, en wel met zulk ene voldoening, dat, toen ik dezelve eens geproefd had, ik een geruime tijd niet overgehaald kon worden ander vlees te gebruiken. Deze nieuwe eetregel, waartoe ik noch door enig verzoek noch door het voorbeeld van anderen was overgehaald, was mij, onder Gods zegen, zowel tot voedsel als tot medicijn, want hier door werd ik ten zeerste gevoed en wat mijn gezondheid betreft ging ik ook zichtbaar vooruit, tot grote verbazing van degenen, die mij kenden. Korte tijd nadat ik begonnen was met het eten van slakken, nam het opzwellen mijns lichaams af, terwijl ik het gebruik van mijn ledematen terugkreeg. Daar ik met dit nieuwe dieet begonnen was hield ik hiermee vol tot ik volkomen genezen was, tot grote verwondering en verbazing zowel van hen. die mij dit hadden zien doen als van hen, die er van gehoord hadden.
Velen, zowel vrienden als vreemdelingen, kwamen uit stad en land om mij te zien en te horen, daar zij de wonderlijkheid en zeldzaamheid van mijn toestand vernomen hadden, ja ook de dokters, die mij vroeger opgegeven hadden. Toen zij eerst hoorden, dat er hoop was, dat ik weer zou herstellen, konden zij dit niet geloven, maar daar het met de grootste zekerheid bevestigd werd, zo bepaalde zij een zekere tijd om over te komen, om zich persoonlijk te komen overtuigen of hetgeen van mijn herstelling verhaald werd, waar was. Zij verwonderden zich ten hoogste, toen zij het zo bevonden, zowel door het zien als het onderzoeken van mijn lichaam, als ook door de inlichtingen, welke mijn ouders hen verstrekten, aangaande het middel van mijn genezing, en wel door zulke middelen, welke ik uit eigen beweging genomen had. Zij bewonderden het uitermate, en besloten eenparig, dat dit onmiddellijk door Gods Geest gewerkt was en beslist een wonder genaamd kon worden. Zo hebben mijn vrienden en . betrekkingen mij dit meegedeeld, die zowel oor als ooggetuigen geweest zijn van hetgeen ik hier verhaald heb. Maar opdat niemand aan de waarheid hiervan twijfelt, zo zal ik er nog kort twee zaken bijvoegen, welke mijn eigen ziel ten volle van de waarheid hiervan overtuigen.
De eerste zaak is, dat ik mij nog zeer goed herinner hoe ik, toen ik nog een klein kind was, dikwijls slakken at.
Ten tweede ben ik zeer dikwijls ja zelfs door mijn eigen familie bespot en uitgelachen, sedert wij verschil over de godsdienst kregen, die, als zij mijn verlaten van de kerk bespraken, mij, bij wijze van beschimping dikwijls verweten hebben, hetgeen ik als kind was. Hoe dat ik op ene mesthoop geworpen was, hoe ik naderhand in de kist gelegd was, hoe mijn graf gemaakt was en ik al weggedragen werd om begraven te worden. En helaas! wat hen het meeste smartte was, dat ik toen niet levend begraven werd, hetwelk zij liever gehad hadden, dan dat ik nu als enen dweper bleef leven, om aldus een smet en blaam. op de hele familie te werpen, daar er voor mij nimmer enen dweper in de familie geweest was.
Aldus heb ik zo beknopt als mij mogelijk was een onpartijdig verslag gegeven van de eerste zonderlinge uitredding aan mij gewrocht door de heilige en alwijze werking der voorzienigheid Gods.
Mijn tweede ontkoming aan de dood nog een kind zijnde had op de volgende wijze plaats. Op zekere nacht toen ik op bed, vast lag te slapen, had de meid, die mij verzorgde en altijd bij mij sliep, verzuimd om de kaars uit te blussen, toen zij zich neerlegde. De kandelaar was zo door de meid geplaatst, dat de kaars, doordien zij bijna tot in de pijp brandde, of doordien de meid in haren slaap ene toevallige beweging maakte, in bed terecht kwam, waardoor de lakens en het overige beddengoed vuur vatten. Het vuur verbreidde zich dermate, dat het bed, de lakens, de dekens en de vloermat geheel bedorven werden en later nimmer meer konden gebruikt worden.
Daar de meid en ik vast sliepen en wij beiden onbewust waren van het dreigende gevaar, waarin wij verkeerden, zo behaagde het God, dat mijn vader die in bed wakker geworden was, rook dat er brand was. Het veroorzaakte zulk ene hitte in zijn neus, dat hij voor brandgevaar vreesde, daar het in het holst van de nacht was. Daar het gehele gezin, hij alleen uitgezonderd, vast sliep, zo kon hij zich niet weer ter ruste leggen, waarom hij in zijn nachtgewaad opstond, en alle kamers begon te doorzoeken om te zien of hij de brand ook kon ontdekken. Toen hij eindelijk in de kamer kwam, waar ik lag, zag hij dat de gehele kamer vol rook was, dat het bed en de laken in brand stonden en wij vast sliepen. Het eerste wat mijn vader deed was om mij uit het bed te smijten; doordien ik zo plotseling uit mijn slaap opgewekt werd en door het zien van het vuur, verschrikte ik dermate, dat ik begon te schreien. Daar mijn vader vreesde, dat mijn moeder hier door enig kwaad zou geschieden, omdat zij ten dien tijde nabij de tijd haren bevalling was, zo legde hij zijn hand op mijn mond en droeg mij in zijn armen naar het mouthuis, dat vlak bij ons huis stond en waarin een Engels gezin woonde, dat van het mout maken leefde. In overhaasting wierp hij mij bij hen op bed, terwijl hij hen opdroeg mij warm te houden en mij te stillen. Mij aldus in veiligheid gebracht hebbende, liep hij opstaande voet weer naar de brand terug en bevond, dat de meid nog vast sliep. Hij was niet in staat haar wakker te krijgen, totdat zij eindelijk opsprong, doordien het vuur haar vlees begon te verbranden. Zij was uitermate verbaasd, daar zij zichzelf geheel door vuur omgeven zag, mij niet in bed vond en mijn vader bezig zag het vuur te blussen, waarom zij luidkeels begon te roepen. Mijn vader hield haren mond dadelijk dichten vertelde haar hoe de zaken stonden en dat het kind in veiligheid was. Toen zij weer tot zichzelf kwam, stond zij op en hielp mijn vader het vuur te blussen, opdat er geen andere onheilen door veroorzaakt werden. Ik laat 't aan het oordeel van de bescheiden lezer over, hoe dicht ik ditmaal bij de dood geweest ben.
De derde maal, dat ik door de goddelijke voorzienigheid bewaard werd, was, dat ik door dezelve bewaard werd, dat een hond mij niet doodde. Dit had aldus plaats. Op zekere morgen stond ik naast ene tafel in het raadhuis, waaraan een heer, die keukenmeester was bij de familie mijns vaders, zat te ontbijten, waarna hij van plan was, naar de markt te gaan om provisie voor het huis op te doen. Ik herinner mij nog zeer goed, dat hij vis zat te eten, welke in de boter gebakken was. Daar ik verwachtte en hoopte, dat hij mij ook een stukje vis zou geven, ging ik tegen over hem staan, terwijl ik hem aanzag en met mijn vingers op de rand der tafel steunde. Toen de heer bemerkte in welke houding ik stond, reikte hij het bord met een gedeelte der vis aan mij over, hetwelk ik gretig aannam. Er lag een grote bulhond, welks gelijke in grote en kwaadheid ik nimmer zag, onder de tafel en toen die zag, dat ik mijn hand naar het bord uitstrekte sprong hij plotseling onder de tafel weg, pakte mij beet, en trok mij bij hem onder de tafel. Daarna greep hij mijn hoofd beet, hetwelk met één hap tot aan mijn strot in zijn bek ging. Deze heer was hier zeer verschrikt over, daar hij de aard en onhandelbaarheid van deze hond goed kende. Hij wist, dat er slechts een was voor wien de hond bevreesd was. Dit was de kok, waarom hij in alle haast Richard de kok ging roepen, zeggende, dat de hond Lion mij bezig was te worgen in het raadhuis. Toen de kok eindelijk in de kamer kwam, welke hem door de heer was aangewezen, begon hij met ene bel te luiden, hetwelk zijn gewoonte was als hij de hond bestraffen wilde, en riep met ene vervaarlijke stem: Lion, kom hier lummel! De. grote hond, die bijna een einde aan mij gemaakt had, liet mij los, terwijl ik in mijn bloed badende bleef liggen. Mijn hoofd, maar in het bijzonder mijn gelaat, was geheel in bloed geverfd, hetwelk allen, die mij in dien toestand zagen ten zeerste deed vrezen, dat mijn ogen uitgebeten waren. Toen men echter, mijn gezicht afgewassen had, bevond men, dat mijn ogen ongedeerd waren. Allen verklaarden, dat de reden hiervan zijn moest, dat mijn hoofd zover in de muil van de hond gegaan was, dat zijn tanden mijn ogen niet bereiken konden. Aldus bewaarde en behoedde God mij in dit dodelijke en dreigende gevaar, en hield ik er geen andere littekens van over, dan enige gaten of indrukken, door de tanden van de hond in mijn neus en andere gedeelten van mijn gelaat gemaakt, welke het graf alleen zal kunnen uitwissen en doen verdwijnen.
De vierde maal werd ik door de goddelijke voorzienigheid voor verdrinken bewaard. Dit droeg zich aldus toe: Eens was ik in gezelschap met mijn tante, in het park, waar zich ene grote poel bevindt, de Paardenpoel genaamd, omdat men gewoon was de paarden daar te drenken. Mijn tante was ijverig bezig met het maken van een klein werkje (als ik mij nog goed herinner een soort bedsprei), waarom zij mij maar liet rondspringen, terwijl zij met haar eigen werk bezig was. Zo kwam ik bij de poel, waar ik op de kant des oevers ging liggen met mijn gelaat naar het water gekeerd. Ik zag toen in het water enige kleine diertjes, kruipen zo klein als paardenhaartjes, en dacht dat ik ze met mijn armen wel zou kunnen grijpen daar ik er enige van wilde pakken, stak ik mijn, handen in liet water, om ze te grijpen, waardoor ik zover voor over heide, dat ik het evenwicht verloor en kopje onder ging, terwijl mijn hielen boven het water uitstaken en hierdoor kreeg ik natuurlijk ook zeer veel water in. Toen mijn tante mij miste, zag zij om zich heen heen en begon om mij te roepen, maar daar zij mij noch zag, noch hoorde, liet zij haar werk in de steek en liep hard naar de poel, waar zij het eerste overdacht.
Daar gekomen ziet zij mijn voeten boven het water uitsteken, terwijl ik zover van de kant geraakt was, dat zij mij nog maar nauwelijks kon: bereiken. Hierdoor dodelijk verschrikt zijnde, sprong zij in het water, waardoor zij zelf groot gevaar liep. Zij pakte mij bij een van mijn benen vast, trok mij naar zich toe en haalde mij zo uit het water. Zij had echter weinig hoop, dat ik nog leefde, want ik had zo lang in het water gelegen en had tevens zoveel water ingekregen, dat het een geruime tijd duurde eer zij de minste adem in mij bemerkte, waarom zij tot het besluit kwam, dat ik dood was. Het behaagde God echter, dat ik weer opleefde. Waarde lezer, overweeg nu eens ernstig in uzelf, hoe weinig het scheelde, dat ik van de ene diepte naar ene andere verhuisd was, namelijk vanuit die diepe waterpoel naar die bodemloze diepte van ene nimmer eindigende eeuwigheid. 0, die aanbiddelijke en ondoorgrondelijke diepte van Gods onbegrijpelijke Voorzienigheid" 0, denk aan van deze Voorzienigheid en geef deze God van mijn ziel de ere van mijn uitredding.
Op ene andere keer werd ik op ene vreemde wonderlijke wijze gered, toen ik bijna door een
zwijn verscheurd werd. Het geschiedde aldus: Op zekere dag wandelde ik met mijn oudsten broeder, die naderhand een rechtsgeleerde werd, maar nu al in de eeuwigheid is, naar het strand. Wij hadden een hazewindhond bij ons, daar wij van plan waren op de konijnen jacht te gaan. Onderweg zag de hazewind een biggetje, hetwelk behoorde tot de kudde zwijnen mijns vaders. Daar het zelf voor de hazewind hard wegliep, ging deze het achterna en pakte het beet, waarop dit begon te schreeuwen. De gehele kudde, er waren bijna tachtig stuks, kwam nu aanlopen om het biggetje te ontzetten, waarop ik mij haastte om te beproeven of ik er de hond door roepen en slaan niet weg kon krijgen. Hoe meer ik echter tobde om de hond er weg te krijgen, hoe vaster hij zijn prooi beet hield. Toen ik zag, dat ik door de gehele kudde omringd was, die met geopende muil mij en de hond insloot, begon ik enige vrees te koesteren. Ten laatste, terwijl ik nog bezig was de hond af te ranselen, liep de grote beer met geopende muil op mij af, zette zijn voorpoten tegen mijn borst op en wierp mij op mijn rug juist tussen twee voren in.
Toen de beer aldus boven op mij stond, terwijl hij met zijn snuit en slagtanden beproefde om mijn ingewanden uit mijn lijf te halen, liet de hazewind, welke ik met geen mogelijkheid zover kon krijgen het varken los te laten, hetzelve uit eigen beweging gaan en kwam nu tot mijn bijstand aanlopen, door de beer, welke bovenop mij stond, stevig vast te grijpen. Toen de beer voelde, dat de hond hem begon te bijten, keerde hij zich woedend om naar de hond, terwijl hij mij in de steek liet. Alleen de ene zijde van mijn jas, scheurde hij geheel weg, hetwelk hij tussen zijn tanden had, toen hij zich tot de hond keerde. Zodra ik gevoelde, dat hij van mij afsprong, stond ik op in ene hevige ontsteltenis en ontvluchte door hard weg te lopen, terwijl ik de beer en de hond uit liet vechten. Aldus werd ik door Gods Voorzienigheid bewaard, die beval dat de hond, welke ik met al mijn kunst en kracht niet weg kon krijgen, het biggetje zou loslaten en de grote beer, welke op mij stond, zou aanvallen, welke anders zonder twijfel de ingewanden uit mijn lichaam gescheurd zou hebben. 0! wonderbare Voorzienigheid!
Ene andere bijzondere uitredding, door Gods voorzienigheid aan mij bewezen, was, dat zij mij bewaarde, dat ik niet door middel van een paard omkwam. Dit geschiedde aldus. Eens had men mij uitgekozen om een paard te berijden, hetwelk aan ene harddraverij moest deelnemen. De grond was, bepaald en uitgemeten, terwijl de twee partijen,. welke hoofdzakelijk in de wedstrijd betrokken waren, het in de overige zaken, welke er betrekking op hadden, eens geworden waren. Toen wij afgingen deed iedere partij zijn uiterste best voor te blijven, hetwelk mij gelukte, wat het winnen van de wedloop betreft. Toen ik het eerst aan de eindpaal kwam werd ik luide toegejuicht, hetwelk mij met geen geringe en verwaande inbeelding vervulde, dat de behaalde overwinning toegeschreven moest worden aan enige persoonlijke voortreffelijkheid, welke ik bezat. Mijn trots verging echter spoedig, want daar er tussen de stad en de plaats waar de wedren gehouden werd, ene rivier lag, zo kon ik mijn paard, dat ofschoon klein, zeer tomeloos en bovendien vurig en gezwind was, met al mijn vernuft en kracht, die ik bezat, niet tot staan brengen, nadat het de eindpaal had bereikt. In volle gang liep het recht op de stad aan en sprong in de rivier, die het van zijn tehuis scheidde. Zodra kwam het niet in de diepte, of zijn gang verminderde en het begon nu zo te spartelen, dat ik er door uit het zadel geworpen werd, waartoe ook veel bijdroeg, dat ik mijn zinnen door uitgeputheid bijna verloren had. Ik kwam aan de linkerzijde van het paard terecht, maar ongelukkigerwijze bleef mijn voet in de stijgbeugel haken, zodat ik niet kon loskomen. Toen het paard voelde, dat het over de rivier was, begon het zo hard mogelijk te draven, terwijl mijn hoofd de grond raakte. Door het draven slingerde en sloeg mijn hoofd voordurend tussen de poten van het paard en tussen de stenen en het kiezelzand van de hoogte, welke het opliep van de rivier naar het mouthuis mijns vaders, hetwelk ongeveer enen afstand van 140 meters geweest zal zijn. Deze gehelen afstand werd ik door het paard meegesleept, met mijn hoofd in de hierboven vermeldde houding.
Aan de overzijde der rivier hief men een groot geroep en geschreeuw aan. Toen het paard nog in volle draf was, behaagde het God, dat mijns vaders naaste buurman het geweldige en aanhoudende geschreeuw hoorde. Hij stond van zijn werk op, deed de deur aan de straatzijde open, om te zien wat er aan de hand was en juist toen hij buiten de deur keek, zag hij het paard in volle draf aan komen rennen, terwijl het zijn berijder meesleepte. Juist toen het de deur voorbij ging, liep de man er onmiddellijk voor, daar de doortocht hier nauw was en deed wat hij kon om het paard tot staan te brengen. Door genade gelukte hem dit en ware dit ook niet het geval geweest, dan zou die loop een einde aan mijn loopbaan gemaakt hebben. Het paard stond doodstil, terwijl ik uit mijn treurige positie verlost werd. Al degenen, die mij zagen, riepen uit: Het is met hem gedaan! Het is met hem gedaan! Het is met hem gedaan! Er is geen hoop of verwachting van zijn leven. Mijn hoofdhaar was één klomp geronnen bloed er op mijn handen en mijn gelaat zag men niets dan bloed. En wat allen ten zeerste verbaasde was, dat ik mijn hals en ledematen niet gebroken had.
Ene andere zonderlinge uitredding, welke ik met een paard ondervond, was aldus. Op zekere dag gebeurde het, dat ik deelnam aan de voornaamste en beste harddraverij, welke in het koninkrijk Ierland bekend was. Juist op het ogenblik toen ik ene poort binnenreed, welke aan de hoofdweg lag, vloog een kleine vogel uit de heg, welke aan de binnenzijde der poort was. Hierdoor schrok mijn paard en begon terzelfder tijd te steigeren en te slaan, alles beproevende om mij af te werpen. Daar ik zonder zadel reed, een grote lantaren onder mijn linkerarm had en wist, dat het paard zeer wild en vurig en ongeveer vijftien palmen hoog was begon ik enige vrees te gevoelen, dat het mij zou afwerpen. Tengevolge van de lantaren en het ontbreken van een zadel, had ik het paard niet zo goed in mijn macht en kon ik het ook niet zo goed besturen. Ik stelde alles in het werk om het door schone en zachte middelen deze wilde en schichtige streken af te leren, maar het hielp allemaal weinig. Ik besloot toen om een ander middel te gebruiken; ik liet namelijk de teugels loshangen en drukte de sporen in zijn zijde, hopende dat het hierdoor op zou houden te steigeren en beginnen te draven, maar dit werkte ook niets uit. Ik twijfel er niet aan, dat deze zaak aldus in de raad van de hemel besloten was, opdat deze nauwelijkse ontkoming opgetekend zou worden onder al zijn wonderen, welke aan mij arm en onwaardig schepsel in de bewaring mijns levens bewezen zijn, opdat Gods zoete en ondoorgrondelijke Voorzienigheid tot in alle eeuwigheid er de ere van zou krijgen. Met alle geweld wilde het mij zandruiter maken, waarom het op zijn voorste poten recht overeind ging staan, waardoor ik achteruit geworpen werd. Hierop werd ik weer naar voren geworpen, hetwelk op zijn minst tien of twaalf maal herhaald werd en dan op ene dolle manier. Toen het ten laatste bevond, dat hij mij door zijn steigeren en zijn van voren naar achteren werpen niet van zich af kon krijgen, sprong het op zijn vier poten ene aanmerkelijke hoogte van de grond en door die onverwachte beweging wierp het mij hoog boven zich uit. Toen ik op de grond neerkwam, stond ik recht op mijn voeten, juist zoals ik met de lantaren onder mijn arm gezeten had. Toen het paard bemerkte, dat het overwinnaar gebleven was, sloeg het op eens achteruit, juist daar ik nedergekomen was. Daar het vorstig weer was, had het een paar dagen geleden ijsnagels onder gekregen, en in de hoed, dien ik toen droeg, liet het de indrukken van de ijsnagels achter, nog niet de dikte van een halve kroon van mijn voorhoofd af en zonder mijn hoofd of enig ander gedeelte mijns lichaams te raken en ook kreeg mijn lichaam door het schokken en heen en weer werpen in het minst geen letsel. Dat ik maar waarlijk gevoelig en bestendig aangedaan mocht zijn in de overweging der goddelijke Voorzienigheid!
Op enen anderen tijd werd ik door de goede Voorzienigheid Gods uit de handen van enen Engelsman gered, die met enige Ierse papisten ene samenzwering tegen mijn leven beraamd had. Dit droeg zich op de volgende wijze toe. Deze Engelsman (zijn naam is Evan Grundy en het was iemand uit Lancashire) was enige jaren in dienst geweest bij John Preston, wethouder van de stad Dublin, een zeer goed en begenadigd mens en onlangs overleden. De hierboven genoemde Evan Grundy was reeds verscheidene malen bij hem weggelopen en wel met medeneming van aanzienlijke sommen geld. Tengevolge van zijn oneerlijke en bedrieglijke praktijken durfde de wethouder preston hem het ontvangen der pacht, die nog al aanmerkelijk was, (daar zijn jaarlijks inkomen bijna vierentwintig duizend gulden bedroeg,) niet langer toe te vertrouwen. Daar de wethouder beslist iemand nodig had aan wie hij het bestuur zijner goederen kon opdragen, en hij mij, mijn familie en de omstandigheden, daar ik destijds in verkeerde, kende, sloeg hij mij voor om mij ene aanzienlijke beloning te geven, indien ik op mij wilde nemen om (als zijn Agent) zijn bezitting te besturen. Ik nam dit aan en vervulde deze betrekking tussen de vier en vijf jaar, echter niet zonder vele moeilijkheden, welke mij in hoofdzaak door de genoemde Evan Grundy berokkend werden, daar deze dag noch nacht rust had in het zoeken van een middel om de wethouder tegen mij op te kunnen hitsen. Door dat middel hoopte hij mij de voet te lichten en zelf weer in mijn plaats te treden. Daar deze Evan Grundy bij de wethouder diep in schulden stak, had ik order gekregen hem in hechtenis te nemen op een rechterlijk bevelschrift en beslag te leggen (ten bate van de wethouder) op al de roerende goederen, welke voornoemden Evan Grundy in werkelijkheid bezat. Graag zou ik deze zaak geweigerd hebben en verzocht de wethouder dan ook om er iemand anders voor te nemen en wel omdat ik voor uit zag, welke kwade gevolgtrekking er door de landheren uitgemaakt zou worden, die, daar zij de naijver en ruzie tussen ons beiden kenden, al ras zouden besluiten, dat ik dit als ene wraakoefening deed, omdat hij elke dag probeerde mij die betrekking te ontnemen. En besloot ik dan zouden al die onreine rechters en andere personen in die streek, welke bekend stonden als vijanden van de naam en kracht van de zuiverheid van het evangelie als een enig man de godsdienst tegenstaan en dien daad ten zeerste overdrijven om dezelve als een wapen tegen de dissenters te gebruiken. zoals ik gevreesd had viel het naderhand ook uit. De wethouder weigerde mijn toch zeer redelijk verzoek in te willigen, als reden voor zijn weigering bijbrengende, dat hij behalve mij niemand kende, welke hij in ene dergelijke zaak kon vertrouwen.
Toen ik zag, dat mijn pogingen om de wethouder over te halen mij van dien dienst te verschonen of te ontslaan, niets uitwerkten en daar hij zijn strenge bevelen gedurig vernieuwde, werd er een bevelschrift betekend, waarop de voornoemde Grundy, toen hij hier van kennis kreeg, zich voor enige tijd uit de voeten maakte. Hierop nam ik de twee bijzondere gerechtsdienáren die het bevelschrift uit moesten voeren, en negen of tien personen uit zijn woonplaats, met mij mee naar het huis, om te getuigen, dat ik op al de goederen, welke in huis waren, beslag legde ten behoeve van de wethouder Preston en wel omdat hij geen pacht betaalde.
Alle goederen liet ik echter op de plaats waar ik dezelve vond, opdat de wethouder er zelf over zou beschikken. Dadelijk hierop beraamde deze goddeloze man met enige paapse booswichten een complot tegen mij, hetwelk hierin bestond, dat ik toen ik op zekere dag in zijn huis beslag legde op zijn goederen ten behoeve van een zekere wethouder Preston, ik een kabinet zag, waarvan ik het slot verbrak en er vijf en veertig gulden uitstal, hetwelk zijn getuigen zouden bezweren, dat zij het mij hadden zien nemen, tellen en in mijn zak steken. Op staande voet rijdt hij naar een gerechtshof om een bevel van mijn inhechtenisneming, terwijl hij de Justitie met de gehele zaak in al haar omstandigheden bekend maakte. De rechter, hoewel hij wat de godsdienst aanging, een grote vijand was, zei eenvoudig tot hem; dat hij nimmer zou toestaan, dat er een bevel van inhechtenisneming tegen mij uitgevaardigd werd, al zou hij er ook zes duizend gulden mee kunnen verdienen. Daarop ging hij naar een ander en zo vervolgens naar een derde en vierde met dezelfde boodschap, maar bij geen hunner kon hij een bevel tot mijn inhechtenisneming krijgen, daar zij toen allen bang waren zich met mij te bemoeien. Of dit voortvloeide uit vrees voor mijn oom, dien te dien tijde opperrechter in het koninkrijk Ierland was, of uit enig bedwang door God op hun zielen gelegd, dit weet ik niet.,
Toen hij zag, dat al zijn hoop vervlogen was om mij voor altijd in ongenade te brengen, indien hij mij om mijn gedrag niet voor het gerecht kon dagen, maakte hij een akte van beschuldiging klaar om mij voor de rechtbank van mijn oom te kunnen dagen, op de hierna volgende gronden.
Ik moet bekennen, dat deze aanval groter beproeving was van het beetje geloof en geduld, hetwelk de gave Gods in het ogenblik der wedergeboorte aan mijn arme ziel geschonken had, dan ik ooit later heb ondervonden. Soms heb ik met de heilige David gedacht, dat mijn berg, wat betreft inwendige en vaste vrede der consciëntie, nimmer geschud of bewogen zou worden, tot dat deze storm opkwam. En hoewel het mijn ziel niet inwendig aandeed om mijn vertroosting en mijn vertrouwen in God te doen wankelen, daar God en mijn eigen consciëntie mijn onschuld in de mij ten laste gelegde zaak kenden, zo kan nochtans niemand ten volle begrijpen, welke ongerustheden schaamte zich in mijn borst zetelden, als ik overwoog, hoe hierdoor naar alle waarschijnlijkheid Gods naam, zijn evangelie en volk gelasterd zouden worden en welke blaam en smet het op mijn gehele familie zou werpen.
0! hoe werd mijn geest geschokt en heen en weer geschud! Heere! dacht ik, waar zal dit op uitlopen? Gij kent mijn onschuld in deze zaak. De wereld zal echter geredelijk geloven, dat ik schuldig ben. Hierdoor zullen uw allerheiligste en vreselijke naam en uw evangelie, welke ik oneindig meer acht dan mijn leven en de gehele wereld, gelasterd en gesmaad worden. De ware godzaligen en vromen, in dewelken alleen mijn lust is, zullen er dikwijls met bedroefde harten overdenken, hoe zij, zich in mij vergist hebben. Om te veronderstellen dat deze storm op ene andere wijze zou eindigen als ik reeds verklaard heb, daar kon ik mij niet in begeven. Ik kwam tot de gevolgtrekking, dat de schuldeloze schaamte, welke zich om deze rede dagelijks op mijn gelaat aftekende, voor allen, die mij zagen een bewijs van mijn schuld zou zijn. De gedachten aan het naderend proces vermeerderden de onrust mijns gemoeds en hoe bloosde mijn gelaat, als ik bedacht, dat ik om ene zware misdaad terecht moest staan voor ene rechtbank als ook voor mijn overige betrekkingen, die mij nog slechts weinige jaren geleden eenparig gecensureerd, veroordeeld en uit hun gunst en genegenheid geworpen hadden, omdat ik een dweper was, zoals de waarheid en evangelie godsdienst door hen genaamd werd. Hoe raakt dit aan het hart! In stilte wenste ik, echter met een nederige onderworpenheid aan God, dat het Hem behagen mocht. óf dit afschuwelijk complot te verbreken, eer het zover kwam, dat ik in het openbaar als een misdadiger voor het gerecht moest komen, óf anders mij door de dood weg te nemen, hetwelk ik ver verkoos boven het leven om ene oorzaak te zijn, dat de naam en godsdienst van de allerhoogste God gelasterd en gesmaad werden. Toen de gerechtsdag zeer nabij kwam en de verschillende en rusteloze slingeringen mijns gemoeds dientengevolge toenamen, kwam God. die oneindig wijs en immer getrouw aan Zijn woord is; die het beste weet hoe en wanneer de uitredding moet plaats grijpen, deze netten verbreken, waarin de vijanden de onschuldigen hoopten te vangen. Zeer korte tijd, voor de gerichtsdag aanbrak bracht God de schuld thuis op het geweten van deze goddelozen man, hetwelk hem zo hevig aangreep, dat al de kracht zijner rede, ja de hoop, welke hij inwendig koesterde van mij voor immer in ongenade gebracht te zien, indien niet afgesneden, niet in staat was hem te weerhouden, dat hij de weg van Judas opging. Hij neemt een touw, gaat in de schemering van de avond in zijn eigen tuin en juist toen hij het touw om zijn hals vastgemaakt had en bezig was het einde er van om de tak van enen boom te doen, waaraan hij van plan was zich op te hangen, zagen zijn vrouw en zijn knecht toevallig, wat hij van plan was.
Dadelijk werd alarm gemaakt en geschreeuw aangeheven, dat al de buren in een ogenblik bij hem waren, die, door zich meester van hem te maken, zijn voornemen verhinderden. Maar hoewel zij het touw afsneden, zo konden zij nochtans geen vat krijgen op zijn schuldige consciëntie, om de verschrikkelijke en zelf veroordelende angsten te verdrijven of te doen bedaren, welke hem evenals rusteloze golven en baren, verbijsterden en kwelden. Nadat hij niet geweld op bed gebracht was en met hetzelfde touw, waarmee hu zich op had willen hangen, op het bed vastgebonden was, kreeg hij zulke hevige en woedende vlagen, evenals iemand die van de duivel bezeten was, dat hij zijn hoofd met al zijn kracht tegen de bedstede aansloeg, waardoor het schuim hem op de mond kwam, terwijl hij zo snel als hij kon en met ene zonderlinge hevigheid, waardoor al de omstanders bevreesd werden, deze woorden uitte: Ik drijf koeien weg; ik verkoop koeien. Neen ik dreef geen koeien weg; ik verkocht geen koeien. Roger Eckersleg en kapitein Stofford willen er hun hand opgeven, dat ik een eerlijk man ben. Aldus blies hij in woedende dolheid de laatste adem uit, terwijl zijn stervende mond deze worden sprak: Ik dreef geen koeien weg; ik verkocht geen koeien; hetwelk de laatste woorden waren, die hij sprak.
De lezer moet weten, dat voor dit complot, hetwelk tegen mijn leven en goede naam gericht was, dezelfde arme ellendeling een rechtsgeding tegen mij begon, waar voor hij geen de minste schijn van reden had, maar hij en enige anderen, die even goddeloos waren als hij, hadden het beraamd, en lieten het door een Iers papist als getuige voor het gerechtshof in dat graafschap gehouden stout bezweren dat het waar was, waarvoor hij slechts een halve fles bier kreeg. God weet, dat ik van datgene, waarvan hij mij in zijn akte van aanklacht beschuldigde, evenmin iets wist als van de vijf en veertig gulden, waarvoor hij mij voor de rechtbank wilde dagen. Maar aldus geschiedde: op het stellig zweren van de getuige werd ik veroordeeld tot de betaling van vier en tachtig gulden, welke som hij in zijn aanklacht vermeld had. In strijd met de gelofte werd het vonnis terstond uitgevoerd, terwijl ik voor zaken op reis was. Zeven van mijn beste melk koeien, welke ik bezat, werden mij ontnomen binnen een half uur werden ze geschat en voor 84 gulden verkocht, ofschoon de koeien, volgens het oordeel van allen, die ze kenden en die verstand van vee hadden, in werkelijkheid een handelswaarde van 560 gulden vertegenwoordigden.
En aldus behaagde het God in Zijn wonderwerkende Voorzienigheid deze netten te verbreken, welke, de duivel door middel van zijn werktuigen voor mij gespannen had, om niet alleen mijn leven maar ook mijn vertrouwen en goede naam aan te tasten. Ik twijfel er in het minst niet aan, dat het grootste voordeel, hetwelk de duivel meende zullen behalen, door deze booswichten aan het werk te stellen om mijn naam en persoon in de grootste verachting te brengen, was, dat hij daardoor de krachtdadigheid van mijn bediening zou omver werpen, wanneer ik eens daartoe geroepen zou zijn, want de duivel wist zeer goed hoe sterk godzalige leraars en anderen bij mij aandrongen, dat ik dat gewichtige werk der bediening op mij zou nemen. En zonder twijfel had hij ook pijnlijke vermoedens hoe zeer ik gebruikt zou worden in het afbreken van zijn koninkrijk, daar ik in ene grote mate bekend gemaakt was met zijn listige streken vele jaren voor men mij overgehaald had zulk een gewichtig en heilig werk der bediening te aanvaarden.
Nog vele andere zonderlinge uitreddingen heb ik, arm onwaardig schepsel van de goddelijke Voorzienigheid ondervonden, doch ben genoodzaakt die weg te laten, daar ik vrees, dat mijn boek anders een te grote omvang zal krijgen. Van hart wens ik, dat zowel ik als anderen, die zullen lezen wat ik getrouw en onpartijdig verhaald heb van de wonderen van Gods Voorzienigheid jegens mij, op zulk ene rechte wijze mochten aangedaan zijn door het geen ik verhaald heb, dat God de glorie en roem van zijn eigen werken mocht krijgen en door het lezen er van opgewekt en aangemoedigd mochten worden voor immer hun vertrouwen te stellen in die aanbiddelijke Voorzienigheid van de hemel, welke diegenen, welke een eigendom van Christus zijn, nimmer zal ontbreken.
Een verslag van Gods wonderlijke handelingen met mij wat betreft de belangen van mijn ziel, enige jaren voordat ik door, de geest der dienstbaarheid aangegrepen werd.
Toen ik tussen de veertien en vijftien jaar oud was of daar omtrent voor zover ik het mij nog herinner, behaagde het de Heere de beginselen van ene overtuiging in mijn ziel te werken, hetwelk op de volgende wijze geschiedde: op zekere Sabbatdag, als ik inet enige ruwe en onwetende papisten bezig was des Heeren heiligen dag in de hoogste mate te onheiligen, werd dit vermoeden, en deze gedachte als een bliksemstraal van boven in mijn consciëntie geworpen, namelijk, dat ik óf bekeerd moest worden óf anders naar de hel zou gaan om verdoemd te worden. Daar deze pijl geschoten werd van de boog van Hem die het doel nimmer mist, waarop hij schiet, trof dezelve mij op de rechte plaats; maar wat ik er van maken moest of wat de bedoeling er van was, ja, dit wist ik evenmin als een beest, zo onwetend en onvernuftig was ik, de Heere is het bekend! Maar ofschoon ik niet wist waar ze weg kwam noch ook haar strekking kende, zo liet zij zich nochtans niet verdrijven, daar ze ene bode Gods was; zij volgde mij op de hielen, vergezelde mij overal waar ik ging, deed mij soms het zweet uitbreken, deed mij soms inwendig beven en vervulde mij soms met overstelpende en verwarde overdenkingen en gedachten, wat het zijn kon. Naar de hel gezonden worden, dacht ik; Heere! wat is dat toch? En verdoemd te worden; is het mogelijk, dacht ik; wat zou dat zijn om verdoemd te worden? Ja, waarde lezer, ik verzeker u, dat ik in de Heilige Schrift wel de woorden hel en verdoemd gelezen had, als ook de uitdrukking bekeerd, maar van de zin of de mening van deze drie woorden verstond ik evenmin iets als een beest. Ten laatste begon ik mij enig denkbeeld te vormen van hetgeen deze vreemde zaak was of betekende en kwam tot deze uitkomst, dat de hel en de verdoemden enige lelijke, verschrikkelijk een gevaarlijke dingen waren, die mij als ik erheen gebracht zou worden mij voor eeuwig een beklaaglijk en ellendig schepsel zouden maken. Wat het andere betreft, namelijk de bekering, daarvan dacht ik waarlijk, dat het niets meer betekende, dan een verlaten of nalaten van deze zotte en jeugdige vermaken van het ontheiligen van de Zondag, zo noemde ik de dag des Heeren toen, en van vele andere snoodheden, waaraan ik bijzonder en goddeloos verkleefd was, en dat men in plaats van deze ijdele en goddeloze daden een ernstig en ingetogen leven ging leiden, en besloot dat ik beide zowel door mijn vrije wil als eigen natuurkrachten ten volle kon uitwerken.
Dientengevolge zette ik mij aan het werk en ter gelijkertijd verliet ik mijn goddeloze vrienden, mijn zeer geliefde vermaken en zondige tijdkortingen. Met de grootste ijver en ernst begon ik toen de Bijbel en "de beoefening der godzaligheid," een boek waar ik zeer veel van hield te onderzoeken. En daar ik ten volle besloten was om een degelijk werk der bekering te maken, opdat ik daardoor de hel en mijn verdoemenis ontgaan en ontkomen mocht, zo werd ik zeer leergierig en waar ik ook kwam doorsnuffelde ik bijna elk boek of het mij soms ook enige hulp konden verschaffen, die mij in mijn nieuwe manier van godsdienst kon voorthelpen. Onder de boeken, welke ik in handen kreeg was ook Baxters "Roepstem, aan de onbekeerden," zodra had ik het niet opengeslagen of het titelblad maakte zulk enen indruk op mijn gemoed, dat ik het terstond tot mijn boezemvriend verkoos en wenste mij zelf met dat boek meer geluk dan ik het met enig ander had gedaan. Hoe meer en hoe vaker ik het las, hoe meer ik er door bekoord werd, tot ik het ten laatste zelfs boven Gods eigen geheiligd Boek verkoos, zo gepast was het voor het doel, daar ik mij toen mee bezig hield namelijk om zelf en in mijn eigen kracht dat grote werk. der bekering uit te werken. Bij mijn dagelijkse taak van lezen en bidden, volgens de vorm aangegeven in het algemeen Gebedenboek, en de Beoefening, der Godzaligheid, voegde ik nog zeer nauwgezet, en streng vasten, een vast besluit nemende, dat ik op de plechtigste wijzen twee dagen in de week, namelijk Woensdag en Zaterdag zou vasten. Hier gaf ik gevolg aan en wel tot zulk ene hoogte van Farizeïsche strengheid, dat ik mijn lichaam bijna onbekwaam maakte enig werk te verrichten. Bekeerd moest ik echter worden en bekeerd zou ik ook worden, wat het mij ook zou kosten, waarom ik mijn godsdienstige plichten, met zulk ene bestendige. en ijverige nauwgezetheid vervulde, dat ik in waarheid geloof dat het de grootste moeite zou kosten onder de Roomse monniken een te vinden, die mij in alle opzichten kon evenaren of overtreffen, in mijn pogingen om God te dienen in dien weg, waartoe ik verviel.
Het kan nauwelijks meegedeeld, nog veel minder geloofd worden, welk een groten ijver ik voor God had en hoe onvermoeid mijn levendige en werkende geest was om met hem in de hemel te zijn, ofschoon ik noch God kende volgens de waarheid noch de weg om Hem te vinden, evenmin als een arme heiden, die nooit van Hem hoorde. Zulke lage, ruwe en vleselijke gedachten had ik van de Godheid dat ik wel durf te beweren, dat zelfs de heidenen hoger en verhevener bevattingen hadden van hun nagemaakte goden, dan ik had van dien ontzaggelijken en onbegrijpelijk heerlijke God, dien ik zo in onwetendheid vereerde. In al mijn godsdienstige verrichtingen, welke ik te dien tijde onderhield, was ik bijzonder ijverig, zowel in het verborgen als in het openbaar. In mijn afgezonderde plichten was ik buitengewoon afgetrokken en geheim, daar ik vol vrees was, dat aan mijn gestrenge en nauwgezette levenswijze, door allerlei soort van mensen een verkeerde uitlegging gegeven zou worden. En om deze plichten beter te kunnen vervullen, zocht ik ene zeer geschikte plaats op, en wel een klein kamertje boven in het kasteel, waarin mijn vader woonde, en dacht nooit ene plaats te zullen vinden, die beter voor mijn doel geschikt was In die kamer bracht ik het grootste gedeelte van mijn tijd door met vasten, bidden en het lezen van mijn boeken en wel in het bijzonder, mijn lievelingsboek en dat ik het meeste bewonderde, Baxters Roepstem aan de onbekeerden. Als ik door het lezen zeer vermoeid was, was ik gewoon mij soms te ontspannen door een wandeling te maken op het platte dak van het kasteel, gedurende welke uitspanning ik dikwijls de kreten en het aanlokkende geroep van mijn goddeloze makkers hoorde om mij weer terug te brengen naar mijn pas verlatene uitspanningen en zondige tijdkortingen.
Het was geen geringe zaak om aan de werkingen der natuur en de hevige verzoekingen des duivels het hoofd te bieden, daar beiden samenspanden in het beweren en het bijbrengen van argumenten om mij over te halen aan deze roepstemmen en uitnodigingen een gewillig en gereed gehoor te geven, temeer daar ik ze lief had, evengoed als de, dagelijkse spijze waar ik bij leefde. 0! de vreemde werkingen welke ik gedurende deze strijd in mij gewaar werd! De goddelozen, wier gezelschap ik, bemind en mijn vermaak zozeer in geschept had, riepen en nodigden mij uit; de trekking en neiging van mijn vlees trokken mij, terwijl een listige en heftige duivel mij verzocht en trachtte over te halen om terug te keren. Wat! zoudt gij uw geliefde makkers en uw zoete en aangename vermaken en genoegens op deze wijze verlaten?
Wat! zoudt gij nimmermeer spelen of u met uitspanningen vermaken? Helaas! arme ellendeling" wat voor nut zoudt gij er toch uit trekken door ti; over te geven aan zulk ene peinzende, treurige en zwaarmoedige levenswijze? De zoetheid en aangenaamheid van dien weg van leven, welke gij nu bezig bent te verlaten, hebt gij ondervonden, terwijl de vele en zware ellendes en moeiten, welke verbonden zijn aan deze nieuwe levenswijze, waar gij zo op verzot bent en waar gij u zo met alle beslistheid op toe legt, nog niet in hun zwartste en verschrikkelijkste kleuren aan u verschenen zijn. Gebruik daarom uw verstand nu het nog tijd is, en keer terug tot uw makkers, die gij verlaten hebt en omhels uit eigen beweging de vermaken, welke gij de rug toegekeerd hebt eer gij in deze moeilijken en gevaarlijke weg, waar u ingekomen bent, te ver gegaan zult zijn. of anders zult gij het u te laat berouwen. Behalve deze aanvallen des duivels en de aanhoudende opwellingen van mijn stinkende en vuile natuur, welke mij veelvuldig met nieuwe en verse aanvallen omringden om terug te keren, begonnen mijn betrekkingen mij ook nog op ene onverwachte wijze te ontmoedigen. Toen zij de vreemde en grote omkeer, welke duidelijk in mij te bespeuren was, gewaar werden, vielen zij de zwakke en armzalige beginselen van mijn vroomheid en godsdienst dikwijls aan met harde woorden en onbetamelijke taal tegen die precieze en gestrenge levenswijze, welke ik pas omhelsd had, mij plechtig verzekerende, dat ik mijzelf stapelgek zou maken als ik door bleef gaan met zoveel in de Schrift te lezen.
Merk in het voorbij gaan op, lezer, welk een af keer de duivel en de onwedergeboren zondaar van de Heilige Schriften hebben, hetwelk een zeker bewijs is, dat zij het zuivere en onfeilbare Woord Gods Zijn. Deze zaken gepaard gaande met ontelbare bespottingen, beschimpingen en smaadredenen, mijn naam en daden bij elke voorkomende gelegenheid aangedaan, veroorzaakten, dat ik mij bij ogenblikken afgeschrikt en verontmoedigd gevoelde.
De vaste gedachte echter, die ik had, dat ik de hel niet ontgaan zou, ingeval ik geen bekeerde werd en bleef, bracht al de tegenstand, welke ik, in mijn nauwgezette en godsdienstige levenswijze ontmoette, in ruime mate ten onder. Voort ging ik, ofschoon de gedurige en grote tegenstand, waar ik mij van omringd zag, toenam en vermeerderde, liever dan te verminderen of te verslappen, zowel in mijn plichten als in de vurige ijver, waarmee ik hen verrichtte. Mijn bedrevenheid in de zedigheid en de vorderingen, welke ik maakte in ijver voor de kerk en haar liturgie en dienst waren zo in het oog lopend en openbaar, dat door allerlei soort van lieden over mij gesproken werd en wel meest door hen, die aan mij verwant waren. Brieven en personen, die heen en weer ging en maakten in stad en land bekend, welk ene vreemde verandering en verbazende omkeer in hun neef J. Barry zich openbaarde en welk een grote en wonderlijke beoefenaar der godzaligheid hij geworden was. Dit werd zo algemeen ruchtbaar, dat ik nauwelijks mijn hoofd buiten de deur kon steken, of bij lieden in of uitgaan, of er werd iets in het gesprek gemengd over mijn voortvarendheid en ijver in de godsdienst. En hoewel ik ten dien tijde maar een huichelachtig vormdienaar en een geschilderde wetdienaar was, niets wetende van Jezus Christus en het verbond der genade, ja er zelfs geen denkbeeld van had, zo maakte het mij toch dikwijls droevig en uitermate beschaamd, dat ik moest horen, dat men over mijn vlijt en ijver in het dienen en vereren van God sprak, zo ver was ik er vandaan, dat mijn bedoeling of wens zou zijn om de wereld bekend te maken met mijn voornemen om naar de hemel te gaan.
En beschouwt men de tijdelijke en plaatselijke omstandigheden, dan maakt dit de zaak nog zonderlinger, daar zij niets bezaten, dat men als de minste beweegoorzaak zou kunnen bijbrengen; ook was er geen middel, dat mij zou kunnen aanzetten om naar bekering om te zien of er over te denken, daarin die streek geen verkondiging des Woords was, welke toch het gewone middel is, waardoor overtuigingen, voorafgaande aan geloof en bekering, gewerkt worden; evenmin had ik het voorbeeld, de raad of onderrichting van enig persoon, welke zulke gedachten of zielswerkzaamheden in mij konden veroorzaken.
In deze weg ging ik nog ongeveer zes of zeven jaar na mijn eerste ontwaking door; ik was een getrouw bezoeker van de kerk en haren ingestelde dienst en werd langzamerhand blind in Farizeïsche ijver voor de zedelijke wet, en het kerkboek; tot ik ten laatste, in mijn eigen schatting en verbeelding zulk een hoge trap van volmaaktheid bereikt had, dat ik ontegenzeggelijk in waarheid bekeerd was en dus ook zalig zou worden en naar de hemel gaan. Ja, dikwijls maakte ik bij mij zelf deze rekening op, dat indien erin de wereld maar twee mensen waren, die naar de hemel zouden gaan, ik er zeker een van zou zijn, en wel omdat ik vast bekeerd was en zoveel en zulk ene grote moeite gedaan had om het goede te doen en het kwade te vermijden. Ik koesterde geen vrees of achterdocht of God mijn persoon wel zou aannemen en acht zou slaan op mijn ontelbare en ijverige plichtsbetrachtingen, zowel in het verborgen, als openbaar.
Mijn buitengewone genegenheid tot de bediening, en die weergaloze ijver voor de kerk, welke in mij doorstraalden, die liefde en eerbied welke ik had voor haar liturgie, plechtigheden en geestelijkheid en in het bijzonder voor haar prelaten, vervulden mijn vader en andere betrekkingen met de grootste hoop, dat ik ene eer zou zijn voor de familie en een man van buitengewone naam in de schoot der kerk.
Waarin aangetoond wordt de wijze, waarop de geest der dienstbaarheid mij aangreep toen ik het toppunt van zelfvertrouwen bereikt had, dat ik in enen goede staat der zaligheid verkeerde; hoe treurig het er toen bij mij uit kwam te zien en welke middelen ik toen aanwendde tot hulp en verlichting onder zijn dodend en neerdrukkend gewicht.
Toen ik ongeveer de leeftijd van een en twintig jaar bereikt had, en op het aller ijverigst die gerechtigheid najoeg, welke bestaat in die negatieve en positieve gehoorzaamheid, die de zedelijke wet vereist en beveelt als de voorwaarde van leven en zaligheid, behaagde het God de geest der dienst baarheid uit te zenden om mij aan te grijpen, opdat ik daardoor mocht geleerd en ten volle overtuigd worden hoe ijdel mijn vertrouwen was, dat ik in dien zelfbehagenden weg van wettische gerechtigheid zalig zou worden en naar de hemel gaan. Hetwelk aldus geschiedde: Op zekere Paas-Maandag vervulde ik mijn godsdienstplichten in de Christus kerk te Dublin, ene plaats daar ik bestendig de morgen en avonddienst bijwoonde en welke plaats ik ook meer liefhad en vereerde dan enige andere plaats in de wereld, want ik beschouwde haar werkelijk als de ingang van de hemel. Nadat de dienst geëindigd was predikte een zekere dominee Golborn: zijn tekst was uit Ef.5:14.Daarom zegt hij: Ontwaakt gij die slaapt en staat op uit de doden en Christus zal over u lichten.
Een goede en uitgezochte tekst, maar ik moet bekennen, dat ik te dien tijde geen bevoegd rechter was om te kunnen beoordelen of ze goed of wel verkeerd behandeld werd. In het midden van de predikatie, voor zover ik gissen kan, werd mij deze droevige en dodende gedachte ingeworpen, namelijk, dat ik de vorige dag het sacrament onwaardig ontvangen had, welke treurige gedachten achtervolgd werd door 1 Cor. 11: 29. Want die onwaardig eet en drinkt, die eet en drinkt hemzelf een oordeel, Wet onderscheidende het lichaam des Hegren.
Het was niet door middel van enig woord door de predikant gesproken, dat mijn gemoed aangegrepen en de geest der dienstbaarheid op mij losgelaten werd, maar deze treurige en droevige gedachte, welke, zoals ik reeds zei, door de pas aangehaalde tekst achtervolgd werd, was er de oorzaak van.
Zodra had ik deze voorloper van de geest der dienstbaarheid niet bemerkt, deze vergelijkende met de reeds vermelde plaats, of ik beschouwde mijzelf als een verloren en ellendig mens. Mijn gemoed werd zo van schrik vervuld en ik werd zo uitermate verbijsterd, toen ik bedacht, dat het onwrikbaar vast was, dat ik verdoemd zou worden, dat ik in waarheid begon te denken, dat al de lieden een zwerm of legioen van duivelen waren, welke God in zijn wrekende toorn uit de bodemlozen put had doen komen om mijn schuldige ziel daar heen te brengen en te geleiden.
Door de vrees welke ik koesterde om verdoemd en naar de hel verwezen te worden, werd mijn geest zo gepijnigd en gekweld, dat ik niet instaat was te blijven tot de predikatie geëindigd was. Ik maakte dat ik wegkwam, om, zoals ik toen dacht die zwerm duivels te ontgaan, welke mij naar mijn vaste gedachte naar de helle moesten voeren.
Thuisgekomen, ik woonde toen bij the Lord van Santry in, ging ik met een treurig en bezwaard hart naar mijn kamer, dit is God bekend! Ik viel op mijn knieën met een voornemen om te bidden, of er ook nog één straaltje hoop mocht zijn, dat ik de eeuwige verdoemenis ontgaan kon. Maar helaas! welke tong of pen is bij machte te beschrijven in welk een toestand en engte ik toen verkeerde. Het was als of mijn verstand, mijn consciëntie, ja, zelfs mijn spraak in de afgrond van wanhoop gestort en verzonken waren. In het gebed kon ik geen woord voortbrengen en evenmin kon ik bedenken wat ik tot verlichting mijner bloedende ziel in die zware benauwdheid zou aanvangen. In mijn kamer durfde ik niet blijven, daar ik vreesde, dat de duivel mij in levenden lijve zou komen halen.
In deze gesteldheid ging ik naar de predikant der parochie, uit wiens handen ik de vorige dag het sacrament ontvangen had; niet wetende of hij aan iemand, die in een toestand als de mijn verkeerde, enige verlichting zou kunnen schenken. Toen hij mijn doodsbleek gelaat zag vroeg hij naar de reden hiervan. Hierop kon ik geen antwoord geven. Toen hij echter bleef aanhouden, deelde ik hem ten laatste in korte en afgebroken zinnen mee, dat ik vreesde een verdoemd mens te zijn, dat er voor mij geen hoop van genade was. De leraar enigszins verwonderd over zulk ene plotselinge en grote omkeer, en wel eerst sedert de vorigen dag, begon te onderzoeken aan welke zware zonden iemand van mijn jaren en in zulke gunstige omstandigheden zich kon schuldig gemaakt hebben, dat ik er zo door in de wanhoop gebracht was. Hij noemde enige schriftuurteksten, in de hoop mijn vermoeide en versmachtende ziel daardoor enige verlichting te schenken. Alles was echter tevergeefs, daar Gods tijd om mij te helen, nog niet was aangebroken. Toen hij uit mijn gedurig terugkomen bemerkte, hoe weinig zijn arbeid bij mij uitwerkte, raadde hij mij tenslotte aan om mijn ouders, die buiten woonden een bezoek te, gaan brengen, om daar door zulke genoegens als jagen en schieten in welke genoegens ik vroeger mijn vermaak gezocht had, mijn zwaarmoedige gedachten te verdrijven. Het verblijdde mij dit te horen, daar mijn begeerten hier juist naar uitgingen. Om verlof te krijgen wendde ik mij tot de huishoudster van mijn Lord, haar verzoekende hem
er mee bekend te willen maken, dat mij wegens ongesteldheid aangeraden was mijn ouders te gaan bezoeken en ik graag zijn toestemming zou hebben als ook een paard om de voorgenomen reis uit te kunnen voeren. Toen hij mijn verzoek gehoord had riep hij mij bij zich op zijn kamer. Dit horende brak het zweet mij uit, en begon ik hevig te beven. Bij hem boven gekomen zijnde deed hij de deur op slot, waarna hij zich in zijn stoel neerzette. Enige tijd keek hij mij met een ernstig en doordringend oog aan, eer hij één woord sprak, gedurende welke tijd ik stond te zweten en te beven. Eindelijk ving hij aldus aan: wat scheelt u Jakob? Wat mankeert er aan? Ik hoor dat gij in het geheim predikanten bezoekt. Er moet iets zijn dat u deert. Wat is het? Toen ik uit de woorden van mijn meester opmaakte, dat de leraar hem mijn toestand had bekend gemaakt, gevoelde, ik mij nog veel minder op mijn gemak. Mijn meester bemerkende, dat mijn ontroering toenam, herhaalde hij zijn vraag en zei: Wat scheelt u Jakob? "Deel mij de zaak mee." Mijn geest was dermate overstelpt dat mijn woorden als opgezwolgen waren, als men kan lezen in Job 6: 3.
Daar mijn meester echter niet van mij af liet maar er ernstig bij mij op aan bleef dringen hem mee te delen wat er aan haperde, schreeuwde ik ten laatste uit alsof mijn ingewanden uit mijn lichaam zouden barsten. 0 goede meester! o lieve, meester! ik vrees dat ik een verloren schepsel ben, ik ben een verdoemd man, voor mij is geen genade". In deze toestand was ik gelijk aan een arm veroordeeld misdadiger, die aan een zijden draad boven de mond der hel hangt. Mijn meester aan mijn blikken en spraak bemerkende, dat ik in waarheid krachtdadig gewond was, begon hij zich met tranen in de ogen en de grootste belangstelling als mijn geestelijken geneesmeester voor te doen. In grote ernst vroeg hij mij, aan welke grote en roepende zonden, als overspel, moord en dergelijke, iemand van mijn jaren toch schuldig kon zijn, dat ik er zo door in wanhoop gestort was. En, zei my lord, veronderstel dat gij aan zulke en veel groter gruwelen schuldig was, welke reden is er dan dat gij tot wanhoop zoudt vervallen? Gij moet weten dat Jezus Christus, Gods Zoon in de wereld kwam, niet om u een last op te leggen, maar om de last van uw schouders af te nemen, komt herwaarts tot mij al die vermoeid, en belast bent en ik zal u rust geven. Matth. 11: 28.
Met vele andere schriftuurplaatsen en troostelijke uitdrukkingen, beproefde hij mijn belaste en zinkende ziel verlichting en verademing te schenken, maar alles was tevergeefs, daar Gods tijd om mijn vreselijke en diepe wond te helen, nog niet aangebroken was. Omtrent mijn voornemen om mijn ouders te bezoeken, zei mijn Lord tot mij, dat hij mij verlof gaf, dat hij echter van oordeel was dat het voor mij beter zou zijn, indien ik niet ging, om reden het zeer nadelig voor mijn studiën zijn zou. Nadat hij uitgesproken was zei ik tot hem, dat ik besloten was zijn raad op te volgen, hetwelk ik ook deed.
Mijn hand was dag en nacht aanhoudend uitgestrekt en liet niet af. Ja mijn ziel weigerde getroost te worden, volgens de woorden van de Psalmist in dezelfde toestand: "Ten dage mijner benauwdheid zocht ik de Heere; mijn hand was des nachts uitgestrekt en liet niet af, mijn ziel weigerde getroost te worden." Ps. 77: 3.
Mijn studiën volgde en behartigde ik meer, omdat het zo hoorde en uit vrees, dat mijn vader en lord zouden denken, dat ik de ledigheid beminde, dan wel uit enige liefde, welke ik er voor had of uit enige verwachting, dat het mij of anderen nog eens ten goede zou komen.
Zag ik soms eens een boek in, dan was het oog van mijn knagende en schuldige consciëntie immer gevestigd op de vele zonden, welke ik tegen God bedreven had, in plaats dat ik acht sloeg op hetgeen ik las. Dit ging zover, dat al de zonden, welke ik in mijn jeugd bedreven had, mij in al hun zwaarte en verzwarende omstandigheden als in enen spiegel voorgehouden werden, om mij te tonen welk een monsterachtig zondaar ik was, volgens de bevinding van David in Ps. 51: 5. Want ik ken mijn overtredingen en mijn zonden zijn steeds voor mij.
Aan het tobben, en worstelen van mijn vermoeide ziel van de ene treurige verlegenheid en wanhopige gedachte onder ene andere, kwam geen einde. Ontelbaar waren de droevige gebeden en andere plichten, welke Ik dagelijks verrichtte, om mijn wanhopende ziel boven te houden en verademing aan te brengen, maar alles tevergeefs. Dit deed mij besluiten, dat ik in mijn werk nog veel tekort geschoten was, en dat ik, indien dit niet het geval geweest ware, nu reeds vrede en troost gevonden zou hebben. Hierop begon ik weer te werken, het besluit nemende om alles te doen, wat ik door lezen en horen wist, mijn plicht te zijn, onder anderen: bidden uit het Algemeen Gebedenboek, daar ik geen betere kende; lezen, vasten en het opgaan onder de predikanten, die in mijn schatting het levendigst waren; het veelvuldig gebruiken der sacramenten, het geven van aalmoezen aan de armen van het geld, dat ik van mijn Lord en van andere betrekkingen ontving. Die plaats in Dan. 4, Breekt uw zonden al door gerechtigheid en uw ongerechtigheden door genade te bewijzen aan de ellendige, was dikwijls in mijn gedachten, daar ik alles wat ik ontving weg gaf, ja zo genegen was ik om de armen en nooddruftigen te helpen, dat ik gewoon was om zelfs mijn kleding weg te geven als ik geen geld had. En dit alles sproot voort uit ene Farizeïsche en bijgelovige inbeelding, dat ik door deze plichtsbetrachtingen God voldoen zou voor die zonden, welke even als een molensteen op de rug eens mans, mijn ziel in de afgrond van wan hoop deden verzinken.
Meer en meer nam ik toe in nauwgezette en omzichtige wandel, volgens de conditie en voorwaarde van het werkverbond: "Doe dat en gij zult leven", onder welk verbond ik in arbeid was om het leven te verdienen. Hoe meer plichten ik vervulde, hoe meer ik begon te gevoelen, dat ik de vrede miste, hetwelk mij deed besluiten, dat ik zonder twijfel in een hopeloze toestand verkeerde, als nooit iemand te beurt gevallen was en geloofde, dat nooit een van Gods kinderen in zulk een toestand als ik verkeerd had.
Ik vatte mijn oude gewoonte van het bezoeken van leraars weer op, hen bekendmakende met de beklagenswaardige en treurige toestand, waarin ik mij bevond. Ernstig smeekte ik hen om raad en onderricht, wat iemand in mijn omstandigheden het beste doen kon, om, indien het mogelijk ware, de eeuwige verdoemenis te ontgaan. 0, dat woord verdoemenis! Als ik het hoorde, las of er aan dacht, hoe pijnigde en kwelde het dan mijn geest! Vrezende dat het mijn deel van God eeuwig zijn zou.
Daar het beginsel, waaruit ik werkte om heling en genezing niets was dan doe en leef en deze geestelijke heelmeesters' tot wie ik mij wendde om raad en vertroosting in mijn zielswanhoop van de verborgenheid der wedergeboorte even onwetend waren als eertijds Nicodemus. Joh. 3: 4, zo zetten zij mij nog meer aan tot die plichten, waar ik al geruime tijd onder gezwoegd had, zelfs tot bezwijken toe. De namen van die waardigheidbekleders der kerk, tot welke ik mij wendde, als ook hetgeen zij tot mij zeiden, zal ik hier voorbij gaan, daar het te langdradig zou zijn dit alles te vermelden. Echter komt het mij niet ongepast voor om de lezer bekend te maken met de grote en buitengewone scherpzinnigheid en de ongewone vernuftigheid welke een hunner, boven al de andere verkregen had, om ene door de zonden zieke ziel te helen, dit moet tot zijn eeuwige roem gezegd worden. De zaak droeg zich aldus toe:
Nadat ik de bisschop, (want het was niemand minder dan hij) met mijn treurige en beklaaglijke zielstoestand bekend gemaakt had, raadde hij mij aan om te trachten een zeker boek te bekomen, hetwelk de titel droeg "de gehele Plicht des Mensen" en als ik het gevonden had moest ik hem om verder onderricht komen vragen. Toen ik het bewuste boek in mijn bezit had begaf ik er mij terstond mee naar de bisschop. Hij nam het mij uit de hand en sloeg een gebed op, dat bestemd was om des avonds gebeden te worden en gebood mij met de grootste ernst dat gebed bij het naar bed gaan op te zeggen. Dit deed ik, maar ik laat het aan de oordeelkundige en ervaren Christen over om te beoordelen, wat dit uitwerkte.
Nadat ik mij aldus tot zeven of acht van de bekwaamste en beroemdste vaders en waardigheidbekleders der Engelse staatskerk in Dublin gewend had en ik door droevige en treurige ervaring ondervond hoe weinig zij van mijn toestand begrepen en hoe uitermate onbekwaam zij bleken te zijn om mij in mijn ellende te helpen, maakte ik het besluit op, dat mijn toestand buiten hoop was.
Tong noch pen kan uitdrukken welke zielestrijd en zieleangst mij vergezelden, waar ik mij ook heen wendde of wat ik ook deed: ja zo ver ging het, dat ik er zelfs 's nachts in gezichten door gekweld werd. Dikwijls gebeurde het, dat ik in deze korte en kwellende sluimeringen in mijn verbeelding de duivel, de hel en de verdoemenis zag en hoe de goddelozen daar gepijnigd werden. Ja soms droomde ik, dat ik al bij de verdoemden in de hel was en dat ik steeds dieper en dieper wegzonk zonder een bodem te gevoelen. Menigmaal bracht. mij dit Jobs toestand te binnen, waar hij bitterlijk klaagt: "Wanneer ik zeg: Mijn bedstede zal mij vertroosten, mijn leger zal van mijn klachten wat weg nemen, dan ontzet gij mij met dromen en door gezichten verschrikt gij mij. Job 7: 13.. 14.
Evenals met Job was dit ook met mij het geval., Als ik des daags door strijd en verzoekingen bijna bezweken was, dacht en hoopte ik soms, dat mijn bed en slaap mijn moeite en inwendige gemoedsangst ten minste een weinig zouden wegnemen en verzachten. Maar helaas! 's nachts werd ik door het rusteloos om en omwenden vanwege die dromen en gezichten, die de zaken als het ware in werkelijkheid aan mij voorstelden, nog meer af gemat dan door de vermoeienissen van de dag. Dikwijls werd ik door de verbijstering waarin ik door deze zielsbedroevende gezichten gebracht werd, in mijn slaap opgeschrikt. Rusteloos verlangde ik dan, dat het daglicht maar mocht aanbreken, omdat ik mijn gedachten slechts op zulke zaken kon vestigen, waardoor mijn wanhoop en ellende toenamen. Zij waren dan gevestigd op de zonden van mijn jeugd, er over peinzende hoe menigvuldig en hoe gruwelijk zij waren. Ik bracht mij te binnen welke vordering ik eertijds in de weg van nauwgezette, en ijverige godsdienst gemaakt had en hoe ik alle middelen gebruikt had om genezing en vertroosting te vinden, maar hoe alles tevergeefs geweest was en niets had uitgewerkt. En besloot ik, dit was omdat God mij overgegeven had om ene prooi voor de vijand te worden. Hoorde ik 's nachts als het koud was de honden janken en huilen, dan was dit volgens mijn veronderstelling ene levendige afbeelding van de kreten en het schreeuwen der verdoemden in de hel. Aldus zijn zij in die eeuwige vlammen waar ook ik binnenkort eens komen zal 10, kon ik maar één schemering van het morgenlicht ontdekken, maar wee mij! die door Godverlaten en overgegeven ben! Eer de morgen aangebroken is zal ik reeds bij de verdoemden in die plaats der pijniging zijn! Het licht zal ik nimmermeer aanschouwen! Werden mijn dwaze en goddeloze gedachten en verwachtingen niet vervuld, maar ging het morgenlicht weer over mij op, dan begon ik gewoonlijk met mijzelf te redekavelen wat ik de vorige dag zo ernstig gewenst had. De dag der genade is voor mij zeker voorbij, aan zulk enen als ik ben, kan geen genade meer bewezen worden; al de genademiddelen, welke voor anderen tot een bijzondere zegen geweest zijn, zijn voor mij slechts tot enen vloek! Ik ben een verworpeling! Wat baat het mij nog langer te bidden! Waarom zou ik nog meer tijd met mijn godsdienst doorbrengen? Welke treurige ervaring heb ik er van opgedaan! Onder deze last lag ik gewoonlijk in bed en besloot dan dat het mij niets zou geven als ik nog opstond om de een of andere plicht te vervullen.
Deze verzoeking kreeg zo ver de overhand, dat ik gedurende enige tijd het gebed geheel naliet en andere godsdienstplichten verwaarloosde. Mijn gevolgtrekking, dat ik God niet toebehoorde. maakte mij gelijk aan een dood blok, als of er leven noch ziel in mij was overgebleven. Ieder uur, ja iedere minuut, ja bij iedere ademtocht was van mijn zekere verwachting, dat ik met geweld naar de plaats en het gezelschap der verdoemden gesleept zou worden. Dit verwekte zulk ene verbijstering en ongewone vrees in mij, dat ik gewoonlijk als een veroordeeld misdadiger in een hoek bij de schoorsteenmantel kroop temidden van het gezelschap; besluitende daar zolang te vertoeven als er nog iemand aanwezig was, en wel met het doel om die ververdoemde geesten, welke ik elke oogwenk dacht te zullen zien, te vermijden en te ontgaan.
Temidden van mijn droevige en wanhopige gedachten betreffende de krachteloosheid van alle middelen en plichten om mij enig nut doen, kwam mij ene passage te binnen, welke ik in zekere schrijver, wiens naam ik vergeten ben, gelezen had, en wel: Dat er onder de verdoemden in de hel verschillende trappen van pijnigingen zijn. Met deze zaak hielden mijn gedachten zich zo lang bezig, tot ik er de gevolgtrekking uit maakte, dat dit de grond moest zijn, dat er verschillende trappen van pijniging in de hel zijn, omdat de ene verdoemde de anderen in zonden te boven gaat en dat hoe minder zonden ik bedreef mijn pijnigingen in de hel ook zo veel kleiner zijn zouden. En zei ik, alle plichtsverzuim, als ook datgene te doen wat in de zedelijke wet ten strengste verboden is, is zonde tegen God. Hierom maakte ik het vaste besluit om alle bekende zonden na te laten, om daardoor mijn ketenen in hel zo licht mogelijk te maken.
En weer begon ik te werken; hiervoor in mij zelf geen andere beweegoorzaak kunnende vinden, alleen, dat ik verwachte en hoopte, dat door deze middelen mijn verblijf in de hel dragelijker gemaakt zou worden dan dat van andere verworpelingen. Hieruit zal men gemakkelijk kunnen afleiden, hoe ik volgens mijn eigen gedachten en vermoeden der volkomen wanhoop nabij was.
Echter onder al de aanvechtingen en worstelingen, welke ik in de tijd van mijn dienstbaarheid doorgeraakte, waren er geen welke mijn geest in zulk een mate pijnigden en kwelden, dan die verfoeilijke gedachten, welke evenals vurige en vergiftige pijlen door de duivel in mijn gemoed geworpen werden.
Soms waren ze gericht tegen de Heilige Schrift; alsof dat Gods Woord niet zijn zou, maar slechts de list en politieke uitvinding van mensen, door enige verzonnen en samengesteld om anderen in vrees en onderworpenheid te houden. Door deze verzoeking werd ik in mijn gemoed niet weinig beroerd en ontsteld; zij duurden echter niet lang; want hoe treurig en boe wanhopig ik ook dacht, dat mijn toestand was, zo werd ik toch bekwaam gemaakt om te bedenken, welke ene verbazend kracht van de Schrift uitging in het ontdekken van mijn geheimste verdorvenheden en in het leggenvan ene zodanige vrees op mijn geest en geweten voor hetgeen mij overkomen zou, in geval ik hen niet beleed en liet. Ja deze overweging, dat het Woord, hetwelk mij mijn ijdele en zondige gedachten ontdekte en het zondige leven, dat ik geleid. had, veroordeelde en mij onder zulk een schrik en vrees bracht, ja dit moest noodzakelijk het Woord zijn van een oneindig, alwetend en almachtig God, en dit overwon en keerde deze verzoeking af.
Zodra was deze eerste verzoeking niet voorbij, of onmiddellijk volgde ene tweede, welke was, dat er in de natuur niet zo iets als een God is en dat. der mensen geloof en belijdenis, dat er een God is, meer voortsproot uit het gebruik der gewoonte en uit de sterke werking der verbeelding, dan wel uit ene wezenlijke waarheid, op gevoelige ervaring gegrond.
0! hoe weide de krachten der natuur hier doorgeschokt! Het had zulk ene wonderlijke invloed, op mij dat ik plechtig verklaar, dat ik een gevoel, had alsof ik tegen de grond zou slaan. Het klamme zweet bedekte mij, terwijl ik in al de delen van ziel en lichaam beefde en schudde. Ik liep, echter naar een venster toe, dat op een prachtige tuin uitzag, en leunde met mijn ellebogen op het kozijn, waardoor ik voorkwam, dat ik neerviel, daar mijn lichaam anders ongetwijfeld onder die last door deze verzoeking veroorzaakt, zou neergezonken zijn. Dit verschrikkelijke beven en deze verbazende verwarring van mijn geest duurde een korte tijd. Ik keek door het raam in de tuin en begon op de volgende wijze bij mijzelf te overwegen en te redeneren. Waardoor zouden deze bomen hier toch op zulk ene ordelijke wijze groeien? Wie heeft deze prachtige gebouwen hier gesticht en gebouwd? Het is zeker dat ze dit zelf niet gedaan hebben. Wel nu dacht ik als zij niet door zichzelf zijn, dan moet er ook noodzakelijk een oorzaak zijn die hoger en edeler is dan zij, namelijk de mens. Van de beschouwing van bomen en gebouwen vestigde ik mijn gedachten op de mens en andere levende schepselen, aldus denkende: En hoe zouden de mensen en deze andere levende schepselen een aanzijn gekregen hebben? Het is zeker, dacht ik, dat zij zichzelf niet konden formeren noch levend maken. En is dit het geval dan moet de oorzaak van hun zijn en leven noodzakelijk hoger en voortreffelijker zijn dan hijzelf en gebruik ik mijn verstand, dan kan dit niemand anders zijn dan een oneindig heerlijk God. En zei de rede in mij, dit kan niet alleen bewezen worden door de beschouwing van de reeds aangehaalde bijzonderheden, maar ook als men het samenstel der wereld overdenkt en hoe alle dingen daar in op ene zonderlinge wijze in stand gehouden worden, als ook de wonderlijke besturing van de tweede oorzaken, waarvan de wereld is overvloeiende.
Deze en verscheidene andere hiermee overeenstemmende argumenten bleken zo sterk en krachtig te zijn om mij van de noodzakelijkheid te overtuigen, dat er een God moest zijn, dat deze verzoeking hierdoor langzamerhand verdween.
Toen de duivel bemerkte, dat hij in deze poging niet geslaagd was, viel hij mij op een hevige wijze aan met godslasterlijke gedachten. Hij stelde mij God in zulke verachtelijke gedaanten voor en werkte zulke goddeloze en lage gedachten van Hem in mijn gemoed, dal ik zoals ik nederig hoop, al moest ik ook de uiterste ellende ondergaan, welke een schepsel kan dragen of ik in staat ben te lijden, in Christus' kracht liever zou wensen om geradbraakt te worden, dan ze zelf maar te noemen, zo goddeloos, gruwelijk en verschrikkelijk waren dezelve. Zij sproten meer voort uit de boosaardige en wraakzuchtige vijandschap des duivels tegen de majesteit van God, dan uit de verdorvenheid en snoodheid der natuur.
Deze zaken stip ik niet aan, omdat de herinnering er aan mij enig genoegen verschaft, maar eerder met het oogmerk, dat ene arme, verzochte, wanhopige ziel, die met dezelfde vurige aanvallen te strijden heeft er enige troost uit mocht scheppen, wanneer hij in zichzelf denkt, gelijk bij mij dikwijls het geval was, dat niemand die een eigendom Gods is, ooit met zulke zondige en droevige gedachten bezet kan zijn. 0, hoe vreselijk ontroerde ik door deze duivelse inwerpingen! Hoe deden zij mij het zweet uitbreken en maakten zij mij zelfs het leven tot een last! En was dit niet een zeker en overtuigend bewijs, dat zij onmiddellijk van de duivel kwamen en van niemand anders, daar de zonden, welke uit de verdorvenheid van onze natuur voortspruiten onze natuur eerder aangenaam en vermakelijk zijn dan dat zij verwarring en ontsteltenis zouden teweeg brengen.
Deze treurige toestand duurde zo lang, totdat zij zelfs mijn geest uitdronk en de natuurlijke sappen mijns lichaams verteerd waren, door die brandende ontsteking, welke ik in dadelijkheid in mijn lichaam gevoelde. Hoe beklaaglijk en,. ellendig was mijn toestand, waar ik in verkeerde, zowel met betrekking tot mijn ziel, welke naar ik bevond met de verschrikkingen Gods vervuld was, omdat ik zijn koninklijke wet verbroken had, en welke ik waarlijk besloot door God in een rechterlijke weg aan de Satan overgegeven was om door hem bezeten te worden, als ook met betrekking tot mijn lichaam, waarin naar ik dacht, de voorboden van mijn naderende verdoemenis ieder uur meer te voorschijn kwamen, en wel, omdat de brandende ontsteking, waar ik reeds van sprak, meer en meer toenam en aangroeide. Mijn gezicht verviel dermate, dat ik op vijf en twintig jarigen leeftijd reeds ene bril nodig had en ook verloor ik mijn reuk en smaak voor de tijd van drie maanden, terwijl mijn gehoor in grote mate afnam. Zo naar kwam ik eruit te zien, dat ik ene verwondering werd voor mijn ganse familie. Sommigen zeiden, dat ik door mijn veelvuldig vasten verhongerd was, terwijl weer anderen zeiden, dat ik van boze geesten bezeten werd, die mij zulk een spookachtig aanzien gaven en mijn lichaam neerbogen als of ik gebocheld was, ja, zo zwaar en ondraaglijk was de last waar onder ik. gebukt ging.
Waarin verhaald wordt hoe de geest der aanneming over de geest der dienstbaarheid triomfeerde en welke heerlijke gevolgen dit had.
Op de laatste dag van mijn staat der dienstbaarheid, toen ik niets anders voor ogen zag, dan dat ik in die onbegrijpelijke verschrikking en verbazende verwarring mijns geestes tot in de nederste hel zou neerzinken, was deze schriftuurplaats mij nimmer uit de gedachten: Ik, ik ben het die uw overtredingen uitdelge om mijnentwil en ik gedenke van uw zonden niet. Door deze tekst werden mijn gemoed en mijn gedachten zo vervuld, dat ofschoon ik er op die dag de mening van Gods Geest evenmin in verstond of wist hoe ze in mijn gemoed kwam, als een heiden, die nimmer enige kennis van de ware God had, zo kon ik echter mijn gedachten dien dag nergens anders op vestigen als op die tekst. Aanhoudend herhaalde ik de blote woorden van deze tekst in mijn gedachten. Dit duurde zo voort, totdat de tijd aanbrak om naar bed te gaan. Ik verbaasde mij enigermate over de verandering, welke ik in mijn binnenste gewaar werd, wat betreft mijn gedachten over de Schrift, want terwijl ik in de staat van mijn geestelijke dienstbaarheid, welke tussen de drie en vier jaar duurde, slechts die teksten kon bedenken, die handelden over de verdoemenis, over het afvallen en het zondigen tegen de Heilige Geest, welke zaken ik altijd op mijzelf toepaste, terwijl ik in wanhoop besloot, dat in die vreselijke Schriften niets dan mijn eigen doemvonnis uitgedrukt en ontdekt was, zo vergat ik dien dag deze schrikverwekkende schriftuurplaatsen en kon, zoals ik reeds zei, slechts aan de hierboven aangehaalde plaats uit Jes. 43: 25 denken, zonder dat ik in het minste vermoedde, wat de mening des Geestes in deze woorden zijn zou en hoe of waarom deze schriftuurplaats zulk een krachtdadige toegang tot mijn gemoed en gedachten vond, dat die andere vreesverwekkende schriftuurplaatsen er door uit mijn gedachten en herinnering verdreven en gebannen werden, door welke verkeerde toepassing mijn staat en toestand in mijn eigen ogen met die der verdoemden overeenkwam.
Toen my lord het avondmaal genuttigd had en de ondergeschikten van het huis hiermee bezig waren, nam ik de gelegenheid te baat, daar ik niet wilde, dat iemand wist waar ik was of wat ik deed. Ik ging dan naar boven zonder ene kaars mee te nemen, daar de maan helder scheen. Ik was met zweet bedekt en ook overviel mij ene vreemde angst, veroorzaakt door dien ik mij verbeelde, dat de duivel mij naar boven volgde en meende zeker, dat ik hem met mij de trappen hoorde opgaan. Ik sloot mijn ogen, uit vrees dat ik hem anders in ene zichtbare gedaante zou zien. Toen ik de kamer deur ontsloot namen de vrees en verschrikking waar ik onder verkeerde in grote mate toe, daar de duivel mij inwierp, dat hij mij zou verhinderen de kamer binnen te gaan of mij anders in de kamer zou vergezellen om daar mijn voorgenomen godsdienstplicht te verstoren. Dit alles had plaats terwijl ik nog steeds met de boven aangehaalde teksten in mijn gedachten rond liep. Met zweet overdekt en in ene ongewone geestverwarring mijn kamer binnen getreden zijnde ging ik voor het bed staan, waar ik gewoon was mijn knieën te buigen. Mijn ogen gesloten hebbende als ik bidden zou, trachtte ik mijzelf te herinneren, waar ik dien dag geweest was, met welk gezelschap ik omgegaan had, welke plichten ik met opzet verzuimd had en aan welke onbetamelijkheden ik mijn toestemming gegeven had. Plotseling werden toen de ogen mijns verstands zo klaar verlicht, dat ik de mening van die schriftuurplaats, waarmee ik de gehelen dag had omgelopen kreeg in te zien en te verstaan. In het gehele Woord van God kon toen geen enkele tekst gevonden worden, die gepaster voor dat doel was, hetwelk was, om het schepsel te verlagen en de genade en barmhartigheid van de Allerhoogste Jehovah groot te maken en te verheffen, die met buitensluiting van alle andere, God is over alles en tot in eeuwigheid geloofd.
Vanaf de tijd van mijn eerste ontwaken was ik van gedachte dat de bekering bestond in ene uitwendige of uiterlijke hervorming des levens en dat het in de macht van het schepsel lag dezelve uit te werken. En wel door een bekering van de verleden dwaasheden der jonkheid door in de toekomst ijverig en bestendig te wandelen naar de voorschriften der zedelijke wet, zowel naar de ontkennende als stellige. Ik lag toen onder de heerschappij van een wettische geest en lag besloten, onder het verbond der werken, daar ik met de kinderen van de dienstbare mijn rechtvaardigmaking en het eeuwige leven in de weg der goede werken zocht. Ik dacht dat de enige zekere en veilige weg om de zaligheid te kunnen verwachten was als ik de voorwaarden van het werk verbond vervulde, en toenam in zulke persoonlijke volmaaktheden, die mij bij God aangenaam konden maken. Ja dikwijls dacht ik, dat ik er zo vele bezat als iemand die toen in leven was.
Over deze inklevende volmaaktheden zal ik niet in bijzonderheden treden, daar ik geloof, dat ik daarin de strengste zedenmeester, nog in zijn natuurstaat zijnde, evenaarde, indien niet overtrof.
In het kort ik was buitengewoon ijverig in de wet, hoewel ik er het minst de geestelijke mening niet van verstond, of wist hoe vreselijk ongelukkig ik was vanwege haar veroordeelend vonnis, niet alleen over mijn slechte maar ook over mijn beste zedige daden. De letter der wet stelde ik toen tegen over de geest der wet, zoals nog veel te veel in deze dagen van evangelisch licht plaatsheeft.
Maar het behaagde God, daar Hij mij bekwaam maakte om de mening des geestes in die tekst te verstaan, dat ik spoedig overtuigd werd, dat ik een verkeerde weg ingeslagen was om van onder de vloek der wet verlost te worden en ene gevestigde vrede in mijn binnenste te ontvangen. Ik zag, dat de weg, welke ik ingeslagen was om aan mijn gewonde en zinkende geest enige verlichting toe te brengen, regelrecht inliep tegen de evangelische weg waarin verloren zondaars gezaligd worden. Ik had niets op het oog dan doen en werken, en hoe meer werken ik deed, hoe vei der ik mijzelf van de ware vrede en troost vervreemd zag. Nu was mijn voornaamste en enige werk om in de Zoon van god te geloven, in wie alleen die gerechtigheid gevonden kan worden, welk een zondaar met een beledigd God verzoend. Door de hierboven aangehaalde tekst werd het verbond van de vrije genade Gods in Christus aan mij verklaard en voor de ogen van mijn verlicht verstand geopend en ik bevond dat de voorwaarden van het verbond zo verschillend waren van en tegenstrijdig waren met de weg waar het verbond der werken heen wijst om het eeuwige leven te verkrijgen als het oosten van het westen of de hemel van de hel.
Het werk des geestes in de ontdekking van Christus aan mij uit dien tekst en zijn trekking van mij om Christus aan te grijpen, zoals hij ontdekt was, bracht mij dermate in verwondering en opgetogenheid der ziel, dat ik hier evenmin een verklaring van kan geven als ik in staat ben de afmeting der zon uit te drukken of een juist verslag te doen van het aantal sterren.
Er werd in mijn ziel als het ware een hof van onderzoek gehouden De Heilige Geest, de Geest der liefde en vrijheid, verloste mij van dien wettische geest der dienstbaarheid, waardoor ik aan het verwondende, dodende en vreselijke vloekvonnis der wet gekluisterd was. Als de Geest der aanneming werkte Hij om een aangenaam en gezegend huwelijk te voltrekken tussen de Heere Jezus Christus, Gods eniggeboren Zoon door ene eeuwige en onuitsprekelijke generatie, en een arm verloren en ellendig doorbrenger, die als een kind Adams geboren was als een erfgenaam van de vloek en die ene natuur omdroeg zo goddeloos en besmet als zelfs de hel dezelve zou kunnen maken en wiens staat en toestand, wat betreft de inwendige. zielsangsten volgens zijn gedachten slechts weinig verschilde met dien der verdoemden in de hel.
Door deze gezegenden Geest der aanneming werden zes zaken gewerkt om dit huwelijk te voltrekken.
Ten eerste: ontdekte Hij mij en maakte Hij mij bekend, wie de Heere Jezus, zoals Hij in het evangelie voorgesteld is; was; vanwaar Hij kwam en tot welk einde de Vader Hem gezonden had.
Ten tweede: ontdekte Hij mij klaar hoe almachtig Christus was om de goddelooste der zondaren te zaligen en met God te verzoenen en dat de gerechtigheid, welke Hij als Middelaar tussen God en de zondaar gewerkt had, de enige gerechtigheid is door welke een zondaar voor God gerechtvaardigd en door Hem aangenomen kan worden. Ook zag ik dat God in een weg van geloof, hoewel niet om het geloof, maar alleen om de verdiensten van Zijns Zoons gehoorzaamheid aan de wet, zowel zijn dadelijke als lijdelijke gehoorzaamheid, de overtredingen van een arm oproerling tegen de zedelijke wet begaan uit genade en om niet vergeefs, als of hij ze nimmer had bedreven, terwijl Hij de gehele gerechtigheid van Christus, zowel zijn dadelijke als lijdelijke, zo waarachtig de zondaar toerekent, als of hij dezelve persoonlijk vervuld had en dat alleen door vrije toerekening.
Ten derde: overreedde Hij mijn hart, dat God de Vader, tegen wiens wet ik gezondigd had, om welke reden ik zijn toorn en vloek duchtte, in waarheid gewillig en verlangend was, dat ik met Hem verzoend werd en wel door de verdiensten van Zijns Zoons Middelaarschap. En verder dat ik door mij tot Hem te begeven en mijn vermoeide en zinkende ziel op Hem te werpen in Zijn tegenwoordigheid toegelaten zou worden en ook dat ik door de meedeling van zijn vlekkeloze bevalligheid, beminnelijk en aannemelijk in Gods ogen mocht zijn.
Ten vierde: ontdekte Hij mij en overreedde mijn hart van de volmaakte voorziening die God gemaakt en in het verbond der genade geopenbaard heeft, dat die zielen, welke bekwaam gemaakt worden in Christus Jezus te geloven ten leven en zaligheid en zich aan Hem toe te vertrouwen, volkomen en voor eeuwig zalig zouden zijn.
Met betrekking tot deze en hiermee overeenstemmende ontdekkingen, welke de Heilige Geest in de krachtdadige roeping aan de uitverkorenen doet en ook tussen deze roeping en hun aankomst in de heerlijkheid wordt Hij genaamd de Geest der Openbaring, volgens 1 Cor. 12: 7. Joh. 16: 14 en 17: 6 en Ef. 1: 17.
Ten vijfde: deed Hij mijn ziel de volgende vragen:
1. Bent gij in waarheid en in de grond gevoelig en overtuigd geworden, dat gij door het verlaten van God en het zondigen tegen Hem een verloren, ellendig en schuldig schepsel bent, dat gij zijn gezegend beeld verloren hebt, dat in de eerste schepping in Adam als uw natuurlijk en verbondshoofd, was ingedrukt? Ook dat gij nu onderworpen geworden bent aan Gods vloek en aan Zijn toekomende toorn; dat gij nu in ene zodanige geestelijke onmacht terneder ligt, welke u volkomen onbekwaam maakt om iets te doen, waardoor gij uit uw huidige verloren toestand verlost zoudt kunnen worden? Bent gij uzelf bewust, dat gij u deze ellende zelf op de hals hebt gehaald?
De zondaar antwoordt: 0, gij allerheiligste, rechtvaardige en vreselijke God, door het licht, dat nu van u afstraalt in mijn duistere ziel, die de bron bent van alle licht, zie ik klaar welk een ellendeling ik geworden ben, en dat ik in geen dele meer ben zoals Gij mij in Adam geschapen hebt. Eveneens ben ik ten volle overtuigd, dat deze mijn ellende mij overkomen is door mijn vrijwillige opstand en afval, toen ik nog in Adams lendenen was opgesloten en ik voor het eerst aan de beweging mijns gemoed toegaf.
2. Bent gij overtuigd, wat uw ware verdienste is voor uw zondigen tegen een heilig en rechtvaardig God? Wat kunt gij er tegen inbrengen als God u in de hel werpt voor deze uw helse opstand tegen Zijn heilige en rechtvaardige wet?
De zondaar antwoordt: 0, gij allerheiligst een tot in eeuwigheid rechtvaardige God, die met geen mogelijkheid ook in één zaak met uw schepselen verkeerd kunt handelen. Door de overtuigende kracht uws Heilige Geestes ben ik gevoelig gemaakt, dat ik door u te verlaten en tegen uw Majesteit te rebelleren, dat recht, dat ik in Adam had op alle geestelijk en tijdelijk goed verbeurd heb. En indien Gij mij in de hel zoudt willen werpen en mij mijn deel zoudt willen geven bij de gevallen engelen, wier gedrag en goddeloos voorbeeld ik gevolgd heb toen ik U mijn rug toekeerde, dan bent Gij een rechtvaardig, heilig en allerbillijkst God en dit zult Gij ook tot in alle eeuwigheid zijn en blijven. Mijn ellende heb ik mijzelf berokkend en zo ver ben ik er vanaf om u van onrecht te beschuldigen, dat zoudt Gij mij voor eeuwig van uw aangezicht willen verwerpen, dan zou ik mij slechts verbazen en verwonderen, dat ik nog niet voor lang in de hel geworpen was, in die plaats waar ik soms zelfs verlangde te zijn om te beproeven of er ook enig werkelijk onderscheid was tussen de tormenten en ellendes van die plaats en tussen hetgeen ik in mijn binnenste gevoelde, toen ik in de kerker der wet en onder haar scherpe en doden de tucht besloten was.
3. Hebt gij dien Middelaar, welke ik u voorgesteld en in het evangelie geopenbaard heb, beschouwd en er acht op geslagen? Gelooft gij en bent gij er vast van overtuigd, dat Hij uw werk voor u kan volbrengen en u van de vloek en toekomende toorn kan verlossen? En niet alleen dat, maar u ook weer kan herstellen en in de gunst en gemeenschap Gods kan terugbrengen? Ziet gij in Hem ene bekwame gepastheid om aan al uw noden te beantwoorden?
De zondaar antwoordt: 0, Heere! Mijn ogen zijn dermate op dien Middelaar gericht en gevestigd, dat het mij onmogelijk is om mijn tijd door te brengen met op enig ander voorwerp in hemel of aarde te zien. Nooit konden mensen of engelen, buiten Hem zulk een voorwerp zien of aanschouwen. De engelen en al de heerlijkheid der ganse schepping zijn niets dan duisternis en mismaaktheid, vergeleken met zijn alles overtreffende en onvergelijkelijke beminnelijkheid en lieflijkheid. Sedert ik het eerste blinkje van Hem had, zoals Hij door de goddelijke en krachtdadige openbaring getoond werd en ontdekt, heb ik mijn ellende vergeten. En ook die vreselijke gedachten over de hel en de verdoemenis zijn verzwolgen door overdenking en beschouwingen welke ik heb van zijn gepastheid om de behoeftigen toestand van zulk een zondaar als ik ben te vervullen.
4. Hebt gij Hem dermate gezien en beschouwd, dat gij Hem begeert en Hem voor uw Verzoener en Zaligmaker kiest? Wat zegt gij arm zondaar? Wilt gij Hem als de uw hebben? Het is het persoonlijk bezit van Hem die de overdenkingen en beschouwingen van Hem voor eeuwig bekoorlijk en verrukkelijk maken.
De zondaar antwoordt: 0, ontzaggelijke en verbazingwekkende verborgenheid der goddelijke genade in de uitzending door de Vader en de Zoon van dien Heilige Geest der belofte, opdat ik door Zijn verlichtende genade en levendmakende kracht zulk een zaligmakend gezicht van Christus de zaligmaker zou hebben, dat daardoor in mij gewrocht werd niet alleen ene begeerte tot Zijn Persoon, maar ook een brandend verlangen om met Hem verenigd en getrouwd te worden. Ja, ik ben waarlijk krank van liefde tot Hem en mijn verlangens gaan dermate naar Hem uit, dat mijn dorstende ziel alleen verzadigd kan worden door een verborgen vereniging met zijn allerheiligste en heerlijke Persoon.
5. Bent gij gewillig dat deze Middelaar al de eer zal hebben in u zalig te maken door zijn eigen Middelaarsgerechtigheid? Want daar geen gerechtigheid van een bloot schepsel voor de vierschaar van Gods oneindige en onbegrijpelijke heiligheid bestaan kan en ook de proef niet kan doorstaan als zijnde geschikt en voldoende om een zondaar voor God te rechtvaardigen, ziende dat de gerechtigheid aan welke zulk een eer wordt toegekend de gerechtigheid Gods en tevens van een mens zonder zonde moet zijn, zo zal deze middelaar nimmer een zaligmaker worden van diegenen, die iets van zichzelf of van andere schepselen bij Zijn volmaakte en algenoegzame gerechtigheid willen voegen. Het gehele werk der verzoening en zaliging van zondaars is alleen aan Hem opgedragen, In dit werk, waarin de Vader Hem geroepen en gezalfd heeft, zal Hij geen mededinger dulden en als Borg voor Gods uitverkorenen heeft Hij ook op Zich genomen het teneinde te brengen en uit te werken. Zondaar! wat zegt gij hierop? Bent gij gewillig om u hieraan te onderwerpen?
De zondaar antwoordt: 0, Gij Heilige der Heiligen! Zo weinig noodzakelijkheid zie ik er in om iets van mijn of anderer schepselen gerechtigheid bij die volkomen en volmaakte gerechtigheid van deze Middelaar te voegen, dat ik ten vaste besloten ben om nergens anders om te zien naar enige gerechtigheid, waardoor ik gerechtvaardigd en gezaligd mocht worden. Ik ben ten volle overtuigd, dat Hij in het werk der zaliging van zondaars geen medehelpers nodig heeft, daar Hij de Heilige en Almachtige God is, die in staat is volkomen zalig te maken Ook kan ik noch in mij zelf noch in enig ander schepsel enige wettische gerechtigheid vinden, welke beantwoorden kan aan de eis van Gods strenge en rechtvaardigt, wet. Daarom wat ook de duivel of het vleselijk verstand tegen deze zijn gerechtigheid mogen inbrengen of tegenwerpen, al-, ongenoegzaam om zalig te maken, zo ben ik toch door kracht uit der hoogte ten vaste besloten om mijn vermoeide en bloedende ziel erop te werpen, wat er het gevolg ook van zijn mag,
6. Gij moet op kruis rekenen, indien gij het besluit genomen hebt niet Christus te leven en hiernamaals met Hem in de hemel te regeren. Van alles dat u in deze wereld na en geliefd is moet gij u om Zijns naams wille en om der wil van het evangelie afscheiden. Uw goede naam en vertrouwen moet gij onder de mensen opofferen,
Gij moet er voor over hebben dat, men u een dwaas, een gek, een uitzinnige, een vijand des keizers en ten verlater der kerk noemt. Nooit moet gij er op rekenen, dat gij verheven zult worden tot wereldse rijkdom en voorspoed, als gij in die voetstappen van Christus wilt wandelen, welke naar de hemelse heerlijkheid leiden. Hij. voer naar de hemel, verloochend aan deze ijdele wereld, waarin gij nu verkeert en hierin moet gij Hem volgen, indien gij Hem in de hemel wenst te ontmoeten. Gij moet niets anders verwachten, dan dat de gehele wereld zich tegen u zal stellen, omdat gij de waarheid getuigenis geeft en de dwalingen en goddeloosheid der wereld veroordeelt. Gij moet er op rekenen, dat uw vader en uw verdere vleselijke betrekkingen u zullen verstoten om zijnentwil en om der wil van het evangelie.
Door de grootste Farizeeën die er zijn zult gij een huichelaar, een verwaande en zichzelf ven rechtvaardigende dweper en een trotse Farizeeër genaamd worden, omdat gij Christus in de wegen der heiligheid volgt. Al de machten der duisternis zullen tegen u samenspannen om u aan te vallen en tegen u te strijden en zelfs zal het gelaat der Voorzienigheid u fronsend voorkomen en u zwart aanzien om u te beproeven of gij Christus en de evangelie getrouw zult blijven. En ten laatste als God u roept om alles te verlaten en liever uw leven af te leggen, dan Christus te verzaken en te verliezen, dan moet gij alles onder uw voeten vertreden en Christus verkiezen boven vader, moeder, broeders, vrouwen, kinderen, al hebt gij hen nog zo lief, ja zelfs uw leven moet gij er voor over hebben. Wat zegt gij hierop zondaar? Waagt gij het er op om Christus op deze voorwaarden te bezitten en aan te nemen?
De zondaar antwoordt: Voor eeuwig gezegende heilige Heere God! Gij weet hoe moeilijk deze taak voor vlees en bloed is en niet alleen moeilijk maar zelfs onmogelijk.
Maar als ik de volstrekte noodzakelijkheid van de keuze mij nu voorgesteld overweeg en als ik die, goddelijke kracht gevoel, waardoor mijn hart gewillig gemaakt is Christus op die voorwaarden aan te nemen, dan is mijn wens om Hem te kiezen en te bezitten. Indien God mij Christus slechts geeft, laat Hij dan met mij en allen die mij lief zijn maar doen hetgeen Hem behaagt. Ik heb zulke indrukken van de aangename en ziels verrijkende voorde. len, welke het kruis vergezellen, dat ik er niet graag van verschoond zou blijven, indien het in mijn keuze staat. Daarom geef ik mijn vrije en volle toestemming aan dit weergaloze huwelijks verbond, door de genadige kracht van de Heilige Geest die mij hiertoe bekwaam maakt, en werp ik mij zelf op Hem om dadelijk aan hem getrouwd zijnde in een weg van nederige afhankelijkheid van Hem sterkte en kracht te ontvangen om overeenkomstig mijn verplichting te handelen en lijden wat er ook van discipel en volgeling worden mag. En ach! dat God in der hoogte met Christus en de Heiligen Geest, hier amen op mag zeggen!
Toen de zaken aldus door de Heilige Geest voorgesteld waren en ik, die van de zondaren de goddelooste en onwaardigste ben om gezaligd te worden door hem met kracht begiftigd was om de voorgestelde zaken in te willigen, gevoelde ik op het zelfde ogenblik, dat mijn gehele hart en ziel binnen in mij verlevendigd werden en dat ze uitgehaald werden tot ene krachtdadige vereniging met Christus in de aanbiedingen van het evangelie. Ik was gelijk aan een schip, dat in het zand vast zat en door geen menselijke kracht of kunst vlot gebracht kon worden, tot dat de springvloed komt, haar afbrengt en haar de brede oceaan invoert. De levendig makende kracht van de Heilige Geest en de trekkende kracht van de Heere Jezus trokken mij om in Hem te geloven. Mijn ziel riep uit met ene zachte en stille stem: Mijn Heere en mijn God. Gij bent de mijn, om mij zalig te maken en ik ben de uw om u te dienen. Hierop gevoelde ik, dat er als het ware een anderen Geest in mij werd ingestort, waardoor ik bekwaam gemaakt werd om liet oogmerk van de groten God in die grote verandering aan mij bewezen te verstaan en te kennen.
Toen de heilige Geest binnen in mij getuigenis gaf aan zijn eigen werk, dat Hij in mijn ziel gewrocht had en Hij mij tot de dag der verlossing verzegelde, gevoelde ik dat er zulk een stroom van onuitsprekelijke vreugde van boven in mij afdaalde en dat op zulk ene wijze, en in zulk ene mate, dat ik niet geloof dat er in de hemel één heilige of engel is, die het zou kunnen voorstellen of uitdrukken, zoals ik het gevoelde.
Ik geraakte hierop in ene heilige opgetogenheid, en goddelijke verrukking van onuitsprekelijke vreugde; terwijl ik in mijn gemoed aldus me dit eerde:
0, welk ene verandering is dit, die ik nu gevoelig ondervind? Een dode zondaar die weer levendig is geworden; een opstandeling tegen en een vluchteling van God weer tehuis gebracht en verzoend door het bloed des Lams; een gevangene en gebonden, die zolang onder dodende verschrikkingen der wet verkeerd heeft en de onbarmhartige kwellingen en helse aanvallen van de machten der duisternis zolang te verduren heeft gehad nu in vrijheid gesteld en uit de dienstbaarheid verlost door de Verlosser van Gods uitverkorenen.
Een ellendig verloren zondaar, die besloten was onder de macht des ongeloofs en die nog korte tijd geleden van God wilde vlieden en Hem ontwijken, als hij wist op welke wijze, omdat hij zijn toorn en de vloek die hij verdiend had door het verbreken Zijner wet, vreesde, kan zich nu in de hemel binnensluiten en als een kind schreien, tot hij in de boezem van Gods liefde opgenomen wordt.
0, mijn ziel! Wie kon dit gedacht hebben ten tijde toen gij geketend zat in de boeien van de gestrengheid der wet en gij niets anders dacht dan een verworpeling en een van God verlatene te zijn, hetwelk u der wanhoop nabij bracht, ja zelfs tot het voorportaal en de poorten der hel! Waar ben ik? Wat is er toch gebeurd? Wat doe ik? Wat! zo iemand als ik gezaligd? Is het mogelijk? Kan het waar zijn? Verkeer ik niet in een duivelse droom of misleiding? Heere: maak mij toch bekend of ik mij ook misleid en onderricht mij dan.
Hier wist ik voor een korte poos niet wat te doen, omdat ik mij voor de geest riep welk een bedrieglijke vijand de duivel is en hoe juist hij de Geest Gods kan nabootsen in het veroorzaken van flikkeringen van vreugde in de ziel van een ontwaakt zondaar en dacht ik terzelfder tijd, dit zou bij mij ook het geval kunnen zijn.
De Geest der aanneming, die zijn goed en gezegend werk in mijn ziel begonnen had, liet mij niet in deze wolk, maar door zijn opklarende en hartdoorzoekende kracht bracht Hij mij al de tegenwerpingen te binnen, welke zowel de duivel als mijn vleselijk verstand met enige mogelijkheid tegen mijn zaliging door Christus konden inbrengen.
Ook openbaarde hij mij des Vaders besluit en voornemen aangaande mij in de eeuwigheid, legde mij de natuur en het oogmerk van het genadeverbond bloot en ook hoe algenoegzaam de Heere Jezus was om het werk, dat Hij voor mij op zich genomen had, teneinde te brengen. Alle tegenwerpingen beantwoordde Hij volledig en weerlegde de valse en wijsgerige redeneringen door de Satan en mijn verdorven rede ingebracht tegen mijn zalig worden, daar Hij mij op de krachtdadigste wijze overtuigde van zonde en ellende, welke ik mij daar door op de hals had gehaald. Hij onderrichtte mij, dat Hij mij met dienstbaarheid getuchtigd had om mij een geschikt onderwerp te maken voor de groten Medicijnmeester en dat Hij mij eveneens als de Geest der aanneming krachtdadig overtuigde van de vlekkeloze en eeuwigdurende gerechtigheid van de Middelaar, God - Mens, door en om wie ik in de Persoon van mijn Borg gerechtvaardigd was, toen God de Vader Hem bij zijn opstanding van alle schuld der zonde rechtvaardigde en ontsloeg, welke schuld Hij onderworpen en onderhevig geworden was toen Hij zich bij de Vader verbond om voor mi en de overige uitverkorenen als Borg op te treden.
Van de twaalf volgende zaken werd ik op ene bijzondere wijze verzekerd en wel zo ten volleen zo gevoelig als ik ooit in de natuur het licht en de duisternis met bewustheid zag.
Ten eerste verzekerde Hij mij, dat ik één van dat getal was, die God de Vader zich in Christus uitverkoren en zich ten eigendom verkozen had uit de verdorven menigte van het gevallen menselijk geslacht en wel voor de aanvang des tijd en dat mijn naam in de hemel in het Boek des levens des Lams stond opgetekend.
Ten tweede verzekerde Hij mij, dat mijn zonden en overtredingen, die ik tegen de wet en Majesteit van de hemel bedreven had, door God de Vader alle op Christus gelegd waren en dat Hij dezelve als mijn Borg en Middelaar gedragen en er voor voldaan had. Hij verzoende de ongerechtigheid en bracht ene eeuwige gerechtigheid aan.
Ten derde verzekerde Hij mij, dat de schuld waartoe ik mij zowel in Adam, als mijn natuurlijk en verbondshoofd als in mijn eigen persoon verbonden had, door Christus mijn Losser en Borg ten volle betaald en wezenlijk voldaan was, daar Hij de wet voor mij volkomen gehoorzaamd en gehouden had en Hij in mijn natuur de vloek en toorn Gods, welke ik door de zonde onderworpen geworden was, gedragen en ondergaan had, zodat Hij mij verloste van alle ongerechtigheid en van de vloek der wet, een vloek geworden zi nde voor mij.
Ten vierde, verzekerde Hij mij, dat God de Vader met die gehoorzaamheid van Zijn eigen Zoon, zowel met zijn dadelijke als lijdelijke, ten volle bevredigd was en dat het om de waardij en verdienste van die gehoorzaamheid is, dat God mij en de overige uitverkorenen, als Hem welbehaaglijk, rechtvaardigt en aanneemt en dat die gehoorzaamheid ook alleen voor hen opgebracht was, gelijk geschreven is: Maar in de Heere zullen gerechtvaardigd worden en zich beroemen het gehele zaad Israëls.
5. Hij verzekerde mij dat al mijn zonden, hoe vele en hoe groot dezelve ook waren, uit vrije genade vergeven en uitgedelgd zijn, als of ik ze nimmer bedreven had en dat niet omdat ik er iets voor gedaan had of om mijn geloof in Christus; noch ook om mijn berouw over de zonde of de smarten en ellende, welke ik ondervonden had, toen ik onder de geest der dienstbaarheid verkeerde; ja ook niet om enige dienst, waar ik toe geroepen zou zijn toen ik in een strijdenden toestand was; neen het was alleen om zijn eigen naam en ere, om hetgeen Zijn Zoon, mijn Middelaar en Borg, voor mij gedaan en geleden had.
6. Hij verzekerde mij, dat God de Vader mij reeds lief had, met ene ware uitnemende liefde, eer ik uit de staat der natuur geroepen was en dat de oorzaak waarom Hij mij door de Geest der dienstbaarheid zo hard behandelde niet was omdat Hij mij enige haat toedroeg, hetwelk de duivel en mijn vleselijk verstand mij influisterden; noch ook niet om Zijn naar wraak dorstende gerechtigheid vanwege mijn zonden enigszins te bevredigen, daar dit reeds geschied was aleer ik een persoonlijk aanzijn had; maar alleen, opdat Hij mij nog meer mocht doen gevoelen hoe hatelijk de zonde Hem is, daar dezelve geheel in strijd is met zijn reine, vlekkeloze en gezegende natuur en ook niet bestaanbaar met zijn heilige, goede en allerrechtvaardigste wet. En verder hoe verderfelijk zij is voor zijn uitverkorenen, die Hij zo teer bemint en dat ik verder zou leren kennen en er altijd een indruk van omdragen hoe onuitsprekelijk ellendig en beklagenswaardig die staat en toestand is, waarin de mens zichzelf door de zonde gestort heeft en waaruit ook geen geschapen macht hem met enige mogelijkheid zou kunnen verlossen en redden. Ook opdat ik de zonde voor altijd als het grootste kwaad zou haten en verafschuwen en een gedurig besef mocht krijgen van de grootheid, goedheid, liefde, barmhartigheid, wijsheid en de onbegrijpelijk3 en oneindige algenoegzaamheid van de verheven en vreselijke Jehovah, Vader, Zoon en gezegende Geest, die zelf, zonder raad of hulp van schepselen, zulk enen weg uitgedacht heeft, waardoor Zijn uitverkorenen en gekozenen in Christus weer in zijn verloren gunst hersteld konden worden, welke weg noch zij noch de engelen ooit' uitgevonden zouden hebben. En eindelijk dat door Zijn scherpe behandeling in mijn ziel enen weg gemaakt mocht worden voor de openbaring van Zijn grote en onuitsprekelijke liefde, waarmee Hij mij in Christus lief heeft, opdat die er zou inkomen en voor altijd woning maken en ik door de ervaring, die ik nu gekregen heb, zowel daar God mij door de Geest der dienstbaarheid wondde als dat Hij mij door de Geest der aanneming heelde en vertroostte, ik zeg, opdat ik daar door bekwaam mocht zijn om bevindelijk te kunnen spreken zowel tot de verschrikte en ontwaakte als tot de geruste en vermetele zondaars. Dat ik nog eens een middel mocht zijn om arme, gewonde en bloedende zondaars die in de diepten der wanhoop en twijfelmoedigheid verzinken, te helen en te vertroosten, daar God mij arme zondige nieteling met de uitgestrekte arm van Zijn genade en almacht uit deze diepten verlost en bevrijd heeft, volgens de heiligen Paulus: Doch het zij dat wij verdrukt worden, het is tot uw vertroosting en zaligheid. 2 Kor. 1: 6.
Ten zevende verzekerde hij mij, dat ik nu in een gerechtvaardigde, geheiligde en aangenomen staat was, daar het verloren beeld Gods door Zijn heilige werking in zekere mate in mijn ziel hersteld werd; gelijk geschreven is: Opnieuw geschapen in Christus, naar het evenbeeld desgenen, die hem geschapen heeft in ware rechtvaardigheid en heiligheid.
Ten achtste verzekerde hij mij, dat ik in de staat der genade staande gehouden zou worden en zou v