Het calvinistisch beginsel in zijn wording door Calvijn

door Ds. J. D. Barth te Alphen aan de Rijn

met voorwoord van Ds. G. H. Kersten te Rotterdam

 

 

Voorwoord

Inleiding

Calvijns jeugd en bekering

Calvijn te Bazel en reis naar ItaliÎ

Calvijn te GenËve

Calvijns verbanning

Calvijns terugroeping naar GenËve

Calvijns tweede verblijf te GenËve

 

Voorwoord

L.S.

Graag voldoe ik aan het verzoek van de uitgever, een kort voorwoord te schrijven bij het thans in boekvorm verschijnen van de zozeer gewaardeerde artikelen, die van de hand van Ds. J. D. Barth, Christelijk Gereformeerd predikant te Alphen aan de Rijn verschenen in de Banier, het orgaan der Staat kundig Gereformeerde Partij.

Zoiets, dan mag het kennen van de beginselen, verkondigd door de grote Hervormer van GenËve, in onze droeve dagen noodzakelijk worden geacht. Een politiek is gevoerd, die meer en meer uitliep op verslapping van het leven uit de principes in Gods Woord gegrond, en die ons volk onberekenbare schade berokkende. Te zeer sliepen wij in. Van Calvijn hoorde ieder. Gewis! Doch wie las zijn werken? Tot wie drongen door de door hem ontwikkelde beginselen? Wij Calvinisten, zo roemden velen, edoch wat Calvijn beleed met name voor het staatkundig leven, werd deels als verouderd, en als op deze tijd niet meer van toepassing geacht; deels, bij het volk althans, begraven in onwetendheid.

Een studie over "Het Calvinistisch beginsel in deszelfs wording door Calvijn" is onder ons zeer de aandacht waard, en ik twijfel niet of velen zullen zich verheugen over de uitgave in de hier geboden vorm.

Na een Inleiding handelt de schrijver over:

Calvijn' s jeugd en bekering;

Calvijn te Bazel en zijn reis naar ItaliÎ

Calvijn te GenËve;

Calvijns verbanning;

Calvijns terugroeping naar GenËve;

Calvijns tweede verblijf te GenËve.

Door deze studie, die licht spreidt over zo menig vraagstuk van onze dagen, heeft de schrijver de partij aan zich verplicht, temeer wijl hij ze gaf tot zulk een lagen prijs, dat zij binnen ieders bereik valt.

De Heere zegene dit werk, opdat het middel mag zijn tot opening van veler ogen voor het zeer droef algemeen verval, opdat het ook ons volk de weg doe terugvinden, waarin gerechtigheid bloeie en vrede verkregen wordt.

Kersten.

Rotterdam, Oktober 1926.

 

Inleiding

Johannes Calvijn. - Bij het horen van deze naam denken we tegelijk aan de plaats, waar deze grote reformateur heeft geleefd; waar hij zijn krachten heeft verteerd; waar hij geleden en gestreden heeft; waar hij de grondslag gelegd heeft voor die beginselen, welke. tot op het huidige ogenblik mogen worden geroemd en gewaardeerd, terwijl de handhaving dier beginselen tot heil van volken en naties strekt, deszelfs beleving werkelijke vrucht afwerpt.

Johannes Calvijn, de reformateur van GenËve, de stad gelegen in het bekoorlijke Zwitserland, kruispunt van vier heirwegen, middenpunt van de handel. Maar ook van losbandigheid en schromelijke lichtzinnigheid. "Laat ons eten en drinken en vrolijk zijn want morgen sterven wij", was het parool van de bewoners dier stad, eer Johannes Calvijn haar binnentrad.

Welk een ruime en brede plaats heeft GenËve. in de historie der volken, in het bijzonder in de geschiedenis der kerk van God, verkregen. Hoe komt, zo wordt door zeker schrijver (Hoogleraar E. Doumergue) gevraagd, GenËve der 16e eeuw ons voor? Als een nietig plekje, maar waarheen van alle zijden onafzienbare karavanen van reizigers van allerlei rang en ' stand en van verschillende naties heentrekken, geleerden en ongeleerden, aanzienlijken en geringen.

GenËve - gedenkwaardig toevluchtsoord der arme gelovigen - "de rustige en veilige haven temidden van storm en onweer". Een Engels bisschop noemt deze stad: "een wonder der wonderen", dat van alle zijden mensen naar GenËve trekken als naar een "vrijstad", niet om zich te verrijken, maar om gebrek te hebben, Niet om gelukkiger te zijn, maar om veel ellende te lijden. GenËve, een stad waar men zich heen spoed, niet om winst te maken, maar om te verliezen, om in de plaats van de schatten der wereld die van de hemel te verwerven. Is het geen groot wonder, als men ziet, dat velen vrijwillig hun grote staat, rijkdommen en waardigheden verlaten, om de hark te hanteren, in de grond te graven en metselaars te helpen?

Groepen van zwakke vrouwen waagden het, uit het Zuiden van Frankrijk op te trekken naar GenËve, de gevaren en vermoeienissen van een lang reis niet achtend, om Calvijn en zijn kerk, de moeder en het model van de kerken van Frankrijk, te leren kennen. We laten hier volgen een gedeelte van "BaduÎl", die genaamd wordt: de glorie en het sieraad van de Universiteit van Nimes.

Deze geleerde schrijft aan Calvijn:

"De vrouwen, die voornemens zijn u deze brief te overhandigen zijn met mij verenigd door een band van vriendschap, die niet nauwer en heiliger kan zijn. Zeer graag ware ik ook zelf meegegaan, als mijn beroep en mijn dagelijkse lessen mij niet hadden weerhouden en indien ik mij niet aan de andere zijde voorbereidde, niet enkel om u te bezoeken, maar ook om bij U te komen wonen, om bij u te leven en te sterven. Ik verzoek u dus in de naam van Jezus Christus, onze Meester en Heere, onze zusters met die liefde en welwillendheid te ontvangen, waarmee gij gewoon bent de heilige mannen en vrouwen die God vrezen te omringen, en door uw liefde en troost en goede zorg uit te werken, dat zij in hun land bij de hunnen de vrucht der vertroosting meebrengen. Het zou de hartelijkste en uitnemendste vrucht zijn, als zij, tot ons weergekeerd, met beslistheid de Heere Jezus Christus belijden, de antichrist en zijn gehele goddeloze en misdadige synagoge verfoeien, zodat zij begeren tot u weer te keren, om er altijd te blijven en te rusten in de boezem en in de gemeenschap van uw beminnenswaardige kerk".

Zo dacht en schreef men in die dagen over Rome en noemde men de Paus met zijn aanhang:. "de antichrist met zijn goddeloze en misdadige synagoge".

In onze tijd gaat een storm van revolutie over de wereld. Europa wordt in al haar voegen geschud. Het is de herleving van het heidendom. De soevereiniteit des mensen erkend, gehuldigd, aangebeden als het hoogste goed. Gods Soevereiniteit verloochend, verworpen, vertreden en dat driest en onbeschaamd. Dezelfde geest van revolutie kwam op in de 15e eeuw. Heeft Rome hem kunnen beteugelen? Immers neen! Veeleer het tegendeel. Rome heeft ten kwade geholpen en heeft in menig opzicht voor de geest der revolutie het pad gebaand, omdat zij was en evenzeer nog is: "een goddeloze en misdadige synagoge".

Door de reformatie der 16e eeuw heeft God het genadig voorzien dat de geest der revolutie niet is doorgebroken als een alles vernielende stroom. Het rampzalig beginsel der revolutie is als toen nog gestuit, neergeworpen voor een tijd door de machtige rij der reformatoren, aan wier hoofd Johannes Calvijn mag worden geplaatst.

Wat was het toen? Hoe kenmerkte zich de strijd? Hoe graag noemt men Joh. Calvijn: "de antirevolutionair der 16e eeuw". En zeker we twijfelen er geen ogenblik aan. Hij was het. Hij was het in merg en been. Geen ander beginsel beleed hij, beleefde hij, beoefende hij: "Gods Woord, de heilige schrift onvoorwaardelijk in ere en tot heerschappij te brengen op alle terreinen. des levens". Een beginsel, dat hij handhaafde tegen Rome, dat de Heilige Schrift verwierp; dat hij verdedigde tegen de libertijnen, de revolutionairen, die de Waarheid bespotten. Welk een worstelaar was hij. Hoe nauwkeurig, hoe zorgzaam legde hij een vast fondament, wetende, dat elke afwijking onberekenbare schade zou teweegbrengen en verslapping der lendenen zou bewerken.

Hij wist van geen afbuigen der beginsellijn, nog van vermenging met hen, die van de Waarheid Gods afweken. Onvervaard was, zijn strijd "tegen Rome en het Heidendom beide". Hoe werd door hem het woord, door Groen van Prinsterer uitgesproken, in volle kracht gehandhaafd: zuiver, eerlijk, zonder om te zien naar anderen: In mijn isolement is mijn kracht.

Godvruchtig strijder was Calvijn tegen Romanisme en Libertinisme, onvervaard scherp met de pen; neerwerpend en verpletterend door woord en daad. Dat heeft hij gedaan met helderheid en kracht in de volle bewustheid dat hij de goedkeuring des Heeren aan zijn zijde had, Die Zijn Waarheid zou doen zegevieren. Hoe, wel zwak naar het lichaam, door vele krankheden geplaagd, heeft hij in geheel zijn leven nooit anders beleden en daarin zijn leven gezocht en gesmaakt, want zijn belijdenis wortelde in zijn leven, in zijn leven, in de Waarheid Gods - dat God in Zijn hoge Soevereiniteit en heilige rechten alleen gelden moet in de, regering des lands, in die van de kerk en de school, in nering en hantering, in al de voegen en samenbindsels der maatschappij; in, huisgezin, in elk mens naat lichaam en naar ziel.

Wanneer wij het optreden van Calvijn uit dit oogpunt beschouwen, dan levert het ook voor onze tijd hoogst gewichtige opmerkingen. Onze tijd lijdt in vele opzichten aan gelijke kwalen en heeft in meer dan ene betrekking dezelfde behoeften als die van Calvijn. Ongeloof en bijgeloof verheffen het hoofd, met niet minder kracht en boosheid.

Leefde daartegenover het beginsel van Calvijn weer op in deszelfs fierheid en, kracht, getrouwheid en zuiverheid, om pal te staan tegen allen en alles wat afwijkt van de levende Waarheid, om daarvoor te strijden niet op een enkel punt maar over de gehele linie. Calvijn was zich bewust dat het revolutionaire beginsel der humanisten en libertijnen alle wezenlijke vrijheid doodt en in plaats van vrijheid niets dan slavernij aanbrengt. Calvijn was zich evenzeer bewust dat Rome in zijn misdadig en afgodisch beginsel niet minder alle vrijheid rooft en neerwerpt en tot slavernij brengt aan de pauselijke stoel. Daarom Calvijn, de antirevolutionair der 16e eeuw, slagvaardig aan alle zijden, tegen alle vijanden, onvoorwaardelijk, wetende dat zo God voor ons is, alles niet ons is.

GenËve - "gedenkwaardig toevluchtsoord der arme gelovigen", waarheen "grote karren vol afvalligen uit dorpen en steden, zich heen begaven".

Wij hebben er slechts een klein begrip van, wat het zegt, alles te moeten verlaten, als ballingen voortgedreven, als een weerloze kudde schapen, gestadig door vijanden omgeven, janus onbegaanbare wegen, steeds in gevaar van te verdwalen of jammerlijk om te komen in diepe ravijnen of door koude en honger machteloos neer te zinken. Wie beschrijft, wat er in de harten zal omgegaan zijn, als men eenmaal na zoveel bangen tegenspoed de torens der stad, GenËve aanschouwde? Hoeveel knieÎn werden dan gebogen; hoeveel vreugdetranen geschreid en aangeheven, als men niet geheel door aandoeningen. was overstelpt:
'k Hef mijn ziel, o God der goden
Tot U op; Gij zijt mijn. God!

GenËve - stad van Calvijn en daarmee, vrede, vrijheid en het zalig evangelie in de plaats van de slavernij en bedriegerij van Rome.

Hoe kunnen de kerken van GenËve getuigen van de gruwelijke bedriegerijen van Rome, voor Calvijns komst daar.

Daar is b.v. de St. Gervaiskerk. Toen de priesters zagen dat hun gezag aan het wankelen was gebracht strooiden zij in de stad uit, dat elke kerstnacht de heilige lichamen van de St. Gervais zongen en zich beklaagden, dat men de mis had afgeschaft. De goegemeente twijfelde daaraan niet. Er was dan ook in het altaar boven de grafkelder waarin de heiligen begraven waren, een gat, door hetwelk men de rozenkransen liet zakken en als men ze weer wilde terugtrekken, was dit niet mogelijk zo goed werden ze door de heiligen vastgehouden. En als men goed luisterde kon men uit het gat een stem horen. Dit was de stem der heiligen die hun protest indienden.

Maar toen op 8 Dec. 1535 de Raad der stad vergaderd was, kwamen zij, die de kerk schoongemaakt hadden tot de raad om een eigenaardige ontdekking mee te delen. Zij hadden het altaar verzet en toen zij de opening onderzochten, hadden zij opgemerkt, dat het gemaakt was uit een rotssteen gehouwen met scherpe punten. Daaraan, bleven de rozenkransen haken en konden niet teruggetrokken worden. Maar dit was niet alles. In de ruimte onder het altaar werden twee aarden potten gevonden, aan elkaar verbonden door een soort pijp met gaten. Het minste tochtje van de wind deed door deze pijp een geluid geven als een gedruis van sprekende mensen. Hierdoor werd dus het klagen der heiligen verklaard.

Dit is een der duizenden bedriegerijen van Rome. Rome, dat nog evenmin veranderd, is en dat nog vloekt tegen de Waarheid. Dat van het Antirevolutionaire beginsel der 16e eeuw, zoals het door Calvijn geworden is, niets moet hebben. Daartegenover dit beginsel haat, evenzeer als het door allen die de revolutie prediken wordt gehaat.

Wij erkennen, schrijft bisschop Rijan 15 juli 1886, dat de kerk van Rome onverdraagzaam is, d.i. dat zij elk middel in haar macht te baat neemt om de ketterij uit te roeien. Maar haar onverdraagzaamheid is het gevolg van haar onfeilbaarheid. Zij alleen heeft het recht onverdraagzaam te zijn, omdat zij alleen de Waarheid heeft. De kerk verdraagt de ketters waar zij verplicht is zulks te doen, maar zij haat hen met een dodelijke haat en bezigt al haar macht om ze te vernietigen.

Indien ooit de Rooms-katholieken ene aanzienlijke meerderheid zouden worden, hetwelk met de tijd zeker het geval wezen zal, dan is het uit met de godsdienstige vrijheid. Onze vijanden weten hoe zij in de middeleeuwen de ketters behandelden en hoe zij heden ten dage het doet, waar ze de macht heeft.

Kerk van Gervais. Hoeveel herinneringen zijn aan haar verbonden, heter dan die der afgodische priesters van Rome, sinds Calvijn, Farel en Viret hier 't Woord Gods onvervalst hebben gepredikt.

 

Calvijns jeugd en bekering

Johannes Calvijn - de antirevolutionair der 16e eeuw - wiens levensbeginsel is geweest, dat bij uitgedragen heeft met kracht: "Staat en Kerk onvoorwaardelijk onderworpen aan Gods getuigenis; het gehele leven beheerst door de beginselen der Heilige Schrift.

Hoewel velen van onze lezers er mee bekend zullen zijn, is het toch niet ondienstig iets te melden van de jeugd van Calvijn.

Hij is geboren Fransman. Te Noyon in PicardiÎ, in het Noorden van Frankrijk, zag hij het levenslicht. Noyon de stad van kerken en kloosters, daarom genaamd "de heilige stad".

Calvijn was nog slechts een knaap van 8 jaren oud, toen Maarten Luther op de 31ste Oktober 1517 aan de slotkerk te Wittenberg zijn bekende 95 stellingen aansloeg. Hij was ruim 25 jaren jonger dan Luther. Werd deze 10 November 1483 te Eisleben, geboren, Johannes Calvijn 10 juli 1509.

Hoewel bij dus niet behoort onder de eerste reformatoren, mag hij nochtans onder de voornaamste gerekend worden.

Zijn vader was Gerard Cauvin, die zich te Noyon in Frankrijk als procureur gevestigd had en zich zozeer de gunst der geestelijkheid verwierf dat hij tot de rang van procureur fiscaal opklom. Hij werd een geacht burger dier plaats Zijn moeder was Jeanne (Johanna) Lefrave, een niet onbemiddeld burgerdochter. Uit dit huwelijk zijn drie zonen geboren, waarvan de tweede was Johannes, die gedoopt werd in een der bedehuizen aan de heilige Godeberta gewijd. Het is de leugenachtige roomse geestelijkheid die, waar deze Johannes straks de Roomse kerk in al haar voegen heeft doen schudden, en de stroom der reformatie in de rechte bedding heeft geleid, de legende heeft verspreid, dat de geboorte van hem is aangekondigd geworden door een menigte grote vliegen, wat een bewijs zou zijn geweest, dat hij voor lasteraar en leugenaar in de wieg was gelegd.

Door de gewichtige betrekkingen die, Gerard Cauvin bekleedde" alsook door de achting, die hij genoot bij velen van de voornaamste burgers zijner stad, was hij in, staat aan zijn kinderen goed onderwijs te verschaffen.

Daardoor werd ook voor de kleinen Johannes de weg gebaand dat hij met de zonen uit de deftige stand in kennis kwam en, uit kracht van zijn grote geestesgaven en verstandsontwikkeling, reeds vroeg in veler toegenegenheid deelde. Hoe spoedig werd hij de gunsteling van de Picardische edelman Montinor. Welk een ruime plaats ontving Johannes in diens woning. Hoe mocht de toekomstige reformateur hetzelfde onderwijs genieten, dat de adellijke zoon des huizes, Claude, ontving. Zo werd de jeugdige Calvijn niet alleen met taal en letterkunde bekend gemaakt, maar ook voor de meer ontwikkelde samenleving in de hogere klasse van het volk, hetwelk hem straks zoozeer te stade kwam, gevormd.

Het mag onze aandacht niet ontgaan hoe er min of meer enige overeenstemming is tussen de opvoeding van Mozes aan het hof van Farao in Egypte en die van de jeugdigen Calvijn te Noyon. God voert Zijn vrije en alwijze raad uit. En nu was het voor de Heere niets om het einddoel van Zijn eeuwige raad te bereiken, zonder dat hij daartoe mensenkinderen wilde gebruiken. Het behaagt hem evenwel dit te doen. De Heere werkt door middelen, om daardoor de eer van Zijn Naam te handhaven; de vijanden het meest te beschamen en Zijn kinderen te bemoedigen en te versterken.

Het is des Heeren bijzondere Voorzienigheid, dat Mozes komt aan het hof van Farao, en daar een opleiding ontving, welke in overeenstemming was met de taak, waartoe God hem op tachtigjarige leeftijd riep. God zelf geeft IsraÎl enen Verlosser in Mozes.

Dit moet met nadruk op de voorgrond gesteld. Waarom, zo vraagt gij? Wij antwoorden: op het gebied der wereld en van menselijke grootheid worden "de grote mannen" verheerlijkt als: "de vruchten van hun tijd". Maar in het Koninkrijk der hemelen is dit niet geldig, neen dan zijn zij die God gebruiken wil tot bijzondere doeleinden, ter bestemder tijd "door Gods hand verwekt". Zijn voorzienig bestel gaat over hun geboorte en door Gods eigen zorgende hand en wijsheid worden de werktuigen Zijns raads toebereid.

Sions wachters, Sions grote mannen zijn van boven; naar het welbehagen Gods worden zij op de rechte tijd verwekt en worden op dat pad geleid, dat God voor hen heeft uitgestippeld. Dan is het geen toeval; en is het nimmer waardeloos te, achten, dat Mozes in al de wijsheid der Egyptenaren wordt onderwezen.. Het is Gods eigen hand, dat het hof van Farao moet dienen om de verstandelijke vermogens van Mozes te ontwikkelen en hem de gelegenheden te openen, die hoedanigheden zich eigen te maken, die hem straks zouden bekwamen om "voorganger te kunnen zijn van de twaalf stammen IsraÎls".

Die opleiding was nodig. Wordt de koning van Egypte door Satan voortgedreven om Gods voornemen van genade te verijdelen, God gebruikt hem nochtans om IsraÎls Verlosser op te voeden. De vijand zelf moet de roede snijden waarmee hij straks geslagen wordt. Zo is de Heere wonderlijk van raad en machtig van daad. Hij weet ook de kennis en wetenschap te gebruiken in Zijn Koninkrijk. Werd dit meer bedacht door hen, die helaas, zich maar al te zeer stoten aan de opleiding van hen, die God roept tot wachters op Sions muren.

Zeker het is waar, we ontkennen het niet, de wetenschap op zichzelf zonder genade, is niet genoeg, ja in vele opzichten gevaarlijk, waar ze de hoogmoed des mensen streelt en alsdan van God afvoert. Het was het treffelijkste, dat God met Zijn genade Mozes nabij was en hem met de vrees Zijns Naams, als het beginsel der wijsheid, omtuinde. Daardoor werd Mozes bekwaamd, door het geloof, de versmaadheid van Christus meerdere rijkdom te achten, dan de schatten van Egypte. Maar diezelfde genade Gods deed hem de wetenschap, waarin hij was onderwezen, in Egypte, niet verachten, maar veeleer in aanbiddelijke verwondering des Heeren weg en leiding erkennen.

Zo was Gods bijzondere voorzienigheid met Mozes; eeuwen later met Paulus die opgevoed en onderwezen is aan de voeten van GamaliÎl, en we zeggen toch waarlijk niet te veel, dat het diezelfde hand van Gods bijzondere Voorzienigheid is geweest, die ook de jeugdige Johannes Calvijn zodanig ene opvoeding deed geworden, welke voor hem noodzakelijk was, om straks dat grote werk te doen, waartoe de Heere hem riep.

Met voorbeeldige ijver legde de jeugdige Calvijn zich op de studie toe. Reeds op twaalfjarigen leeftijd ontving hij de tonsuur (geschoren kruin der roomse priesters) en werd tot kapelaan aangesteld. Nauwelijks twee jaar later kwam er een grote omwending in zijn leven, waar hij door zijn, vader naar Parijs werd gezonden, om daar aan de Universiteit verder te worden onderwezen.

Door Prof. Doumergue wordt deze Universiteit "een wormstekige poort" genaamd, omdat daar op de leerstoelen ijdele sofistische drogredenen de overhand hadden verkregen. Toch zou het verblijf van Calvijn te Parijs voor hem niet vruchteloos zijn.

Hij kwam daar op het college de la Marche, waar de beroemde professor Mathurin Cordier onderwijs gaf en de jonge Calvijn in de geheimen der Latijnse en Franse taal inleidde. Hieraan is het te danken, dat Calvijn later op zo gemakkelijke wijze zijn gedachten in die beide talen kon weergeven en op schrift stellen.

Ten tijde dat Calvijn met de geleerden professor in aanraking kwam, waren leraar en kwekeling nog geheel vreemd van de Waarheid Gods en de enige verzoeningsweg in Christus Jezus. Hoe ver was hij er toen nog vanaf van die beginselen, die later zijn ziel geheel hebben. ingenomen: het onvoorwaardelijk gezag der Heilige Schrift en de rechtvaardiging van een zondaar voor God alleen door het geloof.

Leraar en kwekeling waren beiden Rooms; evenwel was Cordier de humanistische richting toegedaan en zocht ook de denkbeelden dier richting in de jeugdigen scholier over te planten. Het humanisme zocht zijn kracht in algemene beschaving, naar heidens model met verwerping van kerk en godsdienst. Zo kwam Calvijn op jeugdigen leeftijd in aanraking met die verderfelijke geestesrichting, welke volstrekt van God afvoert en strikt genomen zich stelde tegen het ware beginsel: "de Soevereiniteit Gods.". Goddelijke genade heeft hem behoed; en waar deze later aan hem verheerlijkt is geworden, hem ook bekwaamd om dien kwade geest van humanisme en libertinisme met alle kracht zowel op wetenschappelijk als op praktisch terrein te bestrijden.

Slechts korte tijd kon Calvijn het onderwijs van Cordier genieten, daar hij spoedig naar het college Montaignu werd overgeplaatst, dat stond onder leiding van Beda, Spanjaard van geboorte, een hartstochtelijke aanhanger van het pausdom, heftig tegenstander der hervorming, die met voldoening opmerkte hoe zijn leerling niet ene mis of processie naliet. Men sprak het openlijk, uit, dat men zulk een vroom leerling in lange tijd niet gekend had.

Het is wel opmerkelijk dat de reformatoren, zoals Luther, Faret en zo ook Johannes Calvijn tot de meest ijverige aanhangers der Roomse kerk hebben behoord, eer God hen de ogen door genade opende. Calvijn zegt zelf: "ik was zo hardnekkig overgegeven aan de bijgelovigheden van het pausdom, dat het onmogelijk scheen, dat men mij uit dien modderpoel kon uittrekken."

Zo heeft Calvijn ene treffelijke letterkundige opleiding genoten, welke nog vermeerderd werd door de studie der rechtswetenschap. Hadden zijn ouders hem eerst voor de dienst der Roomse kerk bestemd, hierin kwam ene wending waar zijn vader de, begeerte koesterde, dat hij in de rechten zou gaan studeren. Gehoorzaam aan het bevel zijns vaders, verliet hij Parijs en begaf zich naar Orleans en daarna naar Bourges, waar hij weldra boven anderen uitmuntte en hem het doctoraat werd toegekend.

En toch, met al deze veelzijdige wetenschap en ontwikkeling was Johannes Calvijn nog arm. Nauwgezet van geweten, onberispelijk in wandel, ijverig in de plichten van de roomse godsdienst, kende hij de waren vrede der ziel niet. De rechtvaardigmaking van een zondaar voor God uit loutere genade door de bloeden kruisverdiensten van Christus Jezus, door het geloof omhelsd was hem ten enenmale vreemd. Gebonden in Rome's valse leer, miste hij de ware vrijheid en al zijn kennis en wetenschap, zijn gehele veelzijdige en zorgvuldige opleiding maakte hem niet tot een reformateur. Gods hand was nodig hem uit de duisternis van het pausdom te trekken en hem te geven die wijsheid, die van boven is. Het zou ons te lang ophouden indien wij zouden vermelden de worstelingen zijner ziel in de jaren 1523 tot 1533, toen het licht der Waarheid in zijn binnenste met kracht en helderheid doorbrak. Genoeg zij het er op te wijzen, hoe ongetwijfeld diepe indrukken zijn geest innamen door de verspreiding van Luther's leer te Parijs, en Jean Vallieres, de eerste getuige uit de hoofdstad, de marteldood onderging, die op de achtste Aug. 1523 werd verbrand.

Die indrukken zijn zeker versterkt toen hij in aanraking kwam met zijn neef Olivetanus, de vriend zijner jeugd, in wie de overtuiging levendig was, dat niets dan genade de mens verlossen kan.

"Er zijn vele valse godsdiensten", zo sprak deze, "er is slechts ÈÈn ware. De valse zijn die, welke de mensen hebben uitgevonden, en zeggen, dat wij door onze eigen verdiensten kunnen behouden worden. De ware is die, welke van God. komt en ons leert, dat onze behoudenis. alleen uit genade van boven gegeven, wordt!"

En wat antwoordde. Calvijn op deze en meer dergelijke. woorden? Ik wil niets te maken hebben met uw leerstellingen. Haar nieuwigheid kwetst mij; ik kan u niet aanhoren. Waant gij, dat ik mijn gehele leven in dwaling ben opgevoed? Neen! ik zal uw aanvallen moedig weerstaan.

Zo stonden deze beide neven tegenover elkaar. Calvijn was nog geheel in de strikken van eigengenoegzaamheid verward en gevangen, en werd voortgedreven door die gedachte, dat "hij voor zichzelf moest zorgen, op zichzelf moest passen, en zichzelf moest helpen."

Toch was de omgang met zijn neef oorzaak, dat Calvijn meer onrustig werd.. Hoe menigwerf sloot hij zich op, in zijn studeervertrek, onderzocht zichzelf; vroeg zich af, wat hij was, waar hij heenging terwijl de schuld zijner zonde. hem verschrikte en benauwde. Hij snakte naar licht, naar de ware rust en vrede zijner ziel; riep de alwetendheid des Heeren in. "Gij weet het, zo riep hij uit, ik belijd het christelijk geloof, zoals ik het van mijn kindsheid af geleerd heb, en toch ontbreekt mij iets."

En toch gevoelde hij zich gebonden aan Rome's kerk; kweet zich des te ijveriger van "de voldoeningen door Rome's priester hem opgelegd. Gods hand was nodig hem uit de verduisterde en afgodische kerk van Rome te bevrijden.

"Het Evangelie is het enige, maar ook afdoende middel voor de kwalen van deze eeuw. Geen dode orthodoxie, maar oprecht geloof, persoonlijke bekering, onderwerping aan Gods Woord en Wet, aan elke Waarheid uit Gods Woord afgeleid, aan elk gezag van Gods gezag ontleend, hartelijke omhelzing en beleving van de onveranderlijke Waarheden der Hervorming."

Zo sprak Groen van Prinsterer eens. En we mogen op elk van deze woorden wel de nadruk leggen, inzonderheid in deze eeuw, zo rijk aan dode orthodoxie, waarin soms een blote toestemming aan de historische Waarheid zonder meer als "een oprecht geloof verheerlijkt wordt; een soort uitwendige, vormelijke dienst doorgaat voor "persoonlijke bekering en, onderwerping aan Gods Woord en Wet, en de blote belijdenis der lippen wordt genaamd: hartelijke omhelzing en beleving der Waarheid."

Waar is de ware vrees Gods? Waar de tedere Godsvrucht, waarin de kracht der Reformatie schuilt? Halen duizenden, die in hun vaandel schrijven: "wij Calvinisten" niet verachtelijk de schouders op, als men spreekt van en aandringt op "de beleving der eeuwige Waarheid?" Hoezeer is het nodig te onderzoeken hoe de grote Hervormers, hoe ook Johannes Calvijn, door Gods hand is getrokken uit de duisternis tot Gods wonderbaar licht en lot kennis der Waarheid gebracht. Hoe hij niet alleen "tot de beleving der Waarheid is geleid, maar ook "hoe" hij ze beleefd heeft; ze ervaren heeft in zijn ziel en uit kracht daarvan de onvermoeide strijder geworden is voor de Waarheid' Gods en de wezenlijke vrijheid van de Christen.

Zeer ijverig was Calvijn om door middel van boetedoeningen de rust en vrede zijns harten te verkrijgen. Het was echter vruchteloos. Steeds meer werd hij verontrust en met droefheid vervuld. Door de schuld zijner zonden werd bij langs zo meer neergedrukt en door de ontdekking van Gods heiligheid en rechtvaardigheid verschrikt. Daardoor werd hij tot de overtuiging gebracht dat geen boetedoening noch aanroeping der heiligen hem baten konden en hem de gewenste zielsvrede konden geven. Klaar leerde hij het inzien dat de paus hem niet behouden kon; maar Hem, Die het alleen doen kon, Christus Jezus kende hij niet. Deze moest hem geopenbaard worden. Hoe duidelijk en krachtig heeft Calvijn het ervaren, dat een arm zondaar alleen uit een geopenbaarde en geschonken Zaligmaker kan leven.

Steeds meer werd hij gedreven tot een naarstig onderzoek der Heilige Schrift. Zich niet tevreden stellende met het oor te lenen aan hetgeen zijn vrienden tot hem zeiden, speurde hij de Heilige Schriften na als verborgen schatten, hetwelk een rijke vrucht voor hem afwierp.

"Ik zie zeer duidelijk, dat de wezenlijke orde der kerk is verloren gegaan; dat de sleutels, die de tucht moeten, bewaren, vervalst zijn; dat de christelijke vrijheid is omver gestoten; dat het Koninkrijk van Christus vernietigd is, waar de paus zich tot vorstelijke waardigheid verheven heeft." Zo getuigde hij. Alzo zonk het pausdom weg voor de geest van de toekomstige hervormer en werd Christus Jezus aan hem geopenbaard als het enige Hoofd en Koning Zijner kerk.

Te Orleans was het, dat Calvijn in aanraking kwam met Melchior Wolmar. De omgang met deze geleerde werd voor Calvijn zeer gezegend. Niet alleen werd hij ingeleid in de geheimen der Griekse taal, waardoor hij later de machtige uitlegger der Heilige Schrift is geworden, - welk een profijt heeft de studie, en de kennis der oude talen toch afgeworpen - maar waar Wolmar de beginselen der reformatie was toegedaan en zijn enige troost vond in de leer der vrije genade Gods, daar zocht en begeerde hij, dat ook zijn leerling daarin, in die gezegende weldaad, delen mocht. Het waren vooral de brieven van de Apostel Paulus, die Wolmar aan zijn leerling verklaarde en duidelijk de hoofdinhoud dier brieven, inzonderheid van die aan de Romeinen, naar voren bracht, n.l. "de vrije rechtvaardigmaking van de zondaar voor God' uit loutere genade door de toegerekende gerechtigheid van Christus zonder enige verdienste des mensen."

Dit alles en nog veel meer dan we vermelden kunnen, heeft moeten dienen in het hart van Calvijn die vastheid van overtuiging te werken, welke hem later kenmerkte in zijn ontzaggelijke reformatorische arbeid. Wie heeft, meer dan hij de stormen en aanvechtingen gekend, die de, ziel tot in de diepste afgronden beroeren? "Ik voel mij geraakt," zo, riep hij uit, "hevig gekwetst door het oordeel van God. Ik heb een aanhoudende strijd, ik word besprongen en geschokt, gelijk een krijgsman in de hitte van de strijd genoodzaakt is enige schreden achterwaarts te gaan." Zo snakte hij naar licht; dat de glans der Waarheid over hem in kracht mocht opgaan. Hoe kende hij zich als een ongelukkige in een lage gevangenis opgesloten. Hoe had hij te verduren de haat en vijandschap van sommige leraren en studenten die hem brandmerkten als "een afvallige, die zich afscheidde van de kerk". Aan wat beroering en angst was hij daarom ten prooi.

Maar ook die haat en vijandschap dreef hem temeer uit, de Schriften te onderzoeken en inzonderheid de Psalmen Davids na te speuren. Hoe gezegend werd dat onderzoek voor hem. Hoe vond hij in de worstelingen Davids zijn benauwdheden en strijd weer.

"Ach!" zei hij, "de Heilige Geest geeft hier een levendige schildering van al de smarten, droefenissen, benauwheden, twijfelingen, verwachtingen, zorgen en zelfs van de verwardste ontroeringen, waardoor mijn geest zozeer bewogen wordt. Dit boek is ene ontleding van al de delen der ziel. Er is geen enkele aandoening in de mens, die niet daarin, als in een spiegel is voorgesteld."

En hoe kenmerkend is zijn woord: "van zoveel zwakheden waaraan wij onderworpen zijn, en van zoveel ondeugden, waarvan, wij vol zijn, moet geen enkele verborgen blijven. Het is een groot voordeel als al de schuilhoeken ontdekt zijnde, het hart wordt opengelegd en goed gezuiverd van elke huichelarij en van elke boze smet".

Terecht tekent de historieschrijver Merle d'AubignÈ hierbij aan, dat dit "de beginselen" zijn, waardoor de Hervorming heeft gezegepraald, n.l. dat de harten, zouden gezuiverd van elke bozen smet, en alles schade en drek moet geacht worden voor de uitnemendheid van de kennis van Christus.

Waarlijk, de. beginselen der Reformatie zijn gefundeerd in het onbedrieglijke werk van de Heilige Geest. Daaruit zijn de lijnen getrokken en uitgestippeld om en kerk en staat en maatschappij in de ware bedding te leiden.

Het is opmerkelijk hoe de hervormers en inzonderheid ook Calvijn hebben ingeleefd in hetgeen de Heidelb. Catech. als eerste stuk stelt, nodig te weten tot zaligheid: "hoe groot mijn zonde en ellende zij." Ze hebben hun verloren staat voor God leren kennen en innemen en kunnen getuigen van de smarten der wedergeboorte,. Zijn uitgeledigd van alles wat geen wezen is om in de Volheid en Algenoegzaamheid van Christus en Dien gekruist enig en alleen hun leven te vinden, ontdekt in het Woord der Waarheid, toegepast aan hun zielen door de Heilige Geest.

Hoe nodig dit een weinig naar voren te brengen en daaraan te herinneren omdat dit de grondslag en het fundament is: het wederbarende, hartveranderende en vernieuwende, bevindelijke werk van de Heilige Geest, waarop alle arbeid der grote reformatoren is gebouwd.

Het is naar onze bescheiden mening ene en we zouden haast zeggen de voornaamste oorzaak ook in het christelijk staatkundig leven, dat de vastheid en de lijnen, der Christelijke, der zuiver reformatorische beginselen in zovele opzichten zijn zoek geraakt en men in de sporen der revolutiebegrippen min of meer gezwenkt is, dat het waarachtig fundament, het krachtige grondbeginsel, zozeer zoek is: "de ware en wezenlijke ontdekking van een zondaar voor God, het innemen van onze verloren staat voor God, om alleen uit louter genade uit de volheid van. de Zaligmaker bediend te worden en in de toegerekende gerechtigheid, van Christus door het geloof omhelsd ons enig leven, rust en vrede te zoeken."

"Hoe bent u ontdekt aan uw verloren staat; hoe in uw schuld ingedompeld; hoe is Christus u noodzakelijk geworden; hoe is Hij u ontdekt in Woord en Waarheid; hoe u dierbaar en hoe langs hoe meer u onmisbaar geworden; hoe is Hij u toegepast; hoe hebt u geleerd uit een geschonken zaligheid te leven? Dit zijn vragen, die door de grote menigte van zich noemende Calvinisten met minachting en een spotlach worden beantwoord; die zich tevreden stellen met een geloof van eigen maaksel en een bekering en wedergeboorte naar hun mening en een Christus naar eigen bedorven gedachte, maar niet gefundeerd in het onbedrieglijke werk van de Heilige Geest.

Ach, welk een luchthartigheid thans; welk een ijdel juichen. en roemen zonder ooit de diepte van het waarachtig beginsel te hebben gepeild.

Hoe hebben we het gehoord uit de mond! van hen van wie we betere dingen mochten verwachten, voorgangers van het volk, die zich beroemden tot de vooraanzittenden, min of meer, te behoren der Christelijke partijen, dat men de mensen met die zware dingen niet moest verontrusten. Antirevolutionairen, Christelijk Historischen van onze tijd, gaat ter school bij Calvijn, die voor alle dingen alle nadruk heeft gelegd op: "oprecht geloof, persoonlijke

bekering, levende ervaring der eeuwige Waarheid".

Staatkundig Gereformeerden, overdenkt dit fundament: het beginsel, het ware grondbeginsel, opdat ook wij ons niet vergissen.

De reformatie der zestiende eeuw en de beginselen die zij openbaarde, is niet de vrucht ener afgetrokken redenering. Zij is het werk Gods. Ze is geboren uit de geestelijke strijd. In de smeltkroes der beproeving werd Calvijn gelouterd. Als de Apostel Johannes schrijft: wij hebben Hem lief omdat Hij ons eerst heeft lief gehad, bleef dit voor Calvijn geen vreemde taal. Hoort zijn belijdenis in ene uur, toen hij der wereld de scheidbrief gaf, hoewel bij van toen af haar vijandschap heeft moeten verduren: "ik heb U o God, niet door mijn liefde aangespoord; maar Gij hebt mij liefgehad. 0 Christus, Gij hebt geschitterd voor mijn ziel en van toen af is alles, wat mijn oog .verblindde verdwenen. Nu wit ik liever ontbloot zijn van alles, wat ik had, dan van U beroofd te zijn. Liever wil ik arm, en ellendig leven dan met mijn rijkdommen verdrinken. Wat ik in U vind is geen gering en vuil gewin, ik vind er alle dingen.

Goddelijke genade heeft zich verheerlijkt in het hart van Calvijn. Enige omstandigheden voorbijgaande, zoals het sterven zijns vaders, brak in 1533 het allesbeslissende uur voor hem aan. De kluisters van Rome met haar gruwelijke dwaalleer waren verbroken. De zon van Gods genade in Christus Jezus scheen met klaarheid in zijn binnenste. Het heilgeheim der zaligheid was voor zijn zielsoog ontsluierd. De poel der dwalingen was door hem ontdekt. Met wat hete tranen heeft hij beweend zijn vorig leven; maar heeft evenzeer gesmaakt de vergevende liefde Gods in Christus. Deze werd zijn deel in leven en in sterven. De ere des Heeren bovenal werd het paroot van geheel zijn volgend leven; de roemtaal van de Apostel Paulus, zijn enige sterkte en. kracht: "zo God voor ons, is, wie zal tegen ons zijn".

We vinden Calvijn te Parijs. Hij zou er echter niet lang vertoeven. Ene merkwaardige gebeurtenis had er plaats. Het was de 1e November 1533. De gewoonte der Universiteit van Parijs riep de rector om op die dag in een der kerken de openingsrede uit te spreken. De rector was Nikolaas Cop, vriend van Calvijn. Calvijn was van oordeel, dat deze gelegenheid zeer geschikt was, om het Evangelie te verkondigen. Zulks geschiedde. Met grote pracht vergaderde de Universiteit. Rome spitste het oor, om de rede aan te horen, door Calvijn op verzoek van de rector opgesteld en door deze uitgesproken.

Het was een merkwaardig stuk. Nooit had de Universiteit iets dergelijks gehoord. Niet ten onrechte werd het genaamd de tegenhanger van de 95 stellingen van Luther en een manifest van de Hervorming. Hoe krachtig was de taal en hoe werd daarin openbaar wat leefde in het binnenste van hem, van wie Theodorus Beza heeft gezegd dat hij was: "de uiterste schrik van het zinkende Rome." Zag men hier en daar tekenen, van goedkeuring, nog veel meer zag men de toorn oprijzen op het gelaat van monniken en priesters. En het gevolg was, dat een storm van verontwaardiging opstak en weldra ene vervolging uitbarstte tegen de belijders der nieuwe leer. Ternauwernood ontkwam de rector Cop door de vlucht en ook Calvijn was genoodzaakt Parijs te verlaten. Hij leerde door eigen ondervinding, wat het kenmerk is der ware kerk van Christus. "Wij zouden tijd verliezen', zei hij, wanneer wij Christus van Zijn kruis wilden scheiden. En het is natuurlijk, dat de wereld Christus haat, zelfs in Zijn leden" Na veel omzwervingen, verliet Calvijn Frankrijk en kwam in 1535 te Bazel.

 

Calvijn te Bazel en reis naar ItaliÎ

Calvijn te Bazel! Hoe zou in deze stad openbaar worden, welk een instrument God zich bereid had, om het getuigenis Zijner eeuwige Waarheid als een heldere lamp te doen schijnen tegenover de duisternis van Rome's kerk, dat zich in leugen en afgoderij en bijgeloof genesteld had en de rechten der consciÎnties van hen, die God wilden dienen naar de spraak Zijns Woords, wreedaardig vertrapte. Rome, dat het bloed der heiligen als water heeft vergoten en de gruwelijkste tormenten en de vreselijkste martelingen heeft uitgedacht om de beminnaars van Gods Waarheid te verdelgen van de aardbodem; dat op de huidige dag nog niets liever wenst en begeert in alle landen, ook in ons Vaderland, de afgoderij hersteld te zien en daartegenover de Waarheid Gods vertreden en verbannen. Rome vergist zich nimmer in zijn plan en streeft met onbezweken volharding altijd naar hetzelfde doel. Ontziet zich niet, indien het dit in zijn belang acht en de gelegenheid daartoe gekomen acht, dezelfde wapenen der vervolging en uitroeiing ter hand te nemen tegen allen, die niet buigen willen voor deszelfs afgoderij.

Calvijn te Bazel! Daar was het, dat hij met grote ijver en gezette ernst dat boek heeft beÎindigd en het licht deed zien, dat voor duizenden tot een onberekenbare zegen is geweest en waarin die beginselen zijn ontvouwd, welke, zuiver aan de Heilige Schrift ontleend, van zo rijke betekenis zijn geweest voor kerk, staat en maatschappij. Het is zijn Institutie of onderwijzing in de Christelijke Godsdienst. Geen geschrift dat door Rome .meer is gevreesd, ijveriger bestreden en scherper vervolgd, omdat het geheel Rome's leer ontmaskert en tot ene ruÔne maakt en de grondslagen ontvouwt van het waarachtig Christendom.

Te AngoulÈme, de geboorteplaats van Margaretha van Navarra, had Calvijn met dit zijn hoofdwerk een aanvang gemaakt op de studiekamer van zijn vriend Louis du Tillet, waar meer dan 3000 boekdelen op de planken prijkten.

Calvijn had behoefte aan afzondering en rust en tegelijk opende zich een nieuw tijdperk voor hem. Hier in hete bijzonder werd hij toegerust om weldra de fakkel der Waarheid helder te doen branden. Inwendige vreugde en zalige vrede in God ondervond hij hier, zoals hij die nog nimmer gekend had.

"Doxpolis." noemde hij deze stad, dat is: "stad van heerlijkheid". Ze was zijn Patmos, zijn Wartburg.

"Hier was de smidse", gelijk een der grootste vijanden der Hervorming later uitriep, "waar deze nieuwe vulkaan", zoals hij Calvijn noemde, "de bliksemen op het aambeeld smeedde, die hij van toen af naar alle zijden slingerde."

Te Bazel werd dit werk voltooid en uitgegeven. Het mag aangemerkt worden als de eerste, grote reformatorische daad van Calvijn en een enige gebeurtenis in de geschiedenis van de kerk van Christus. Waarlijk, hierin ontdekt zich een man. van onwankelbare overtuiging en vaste zekerheid, die weet door genade in het bezit van de Waarheid Gods te zijn en de kracht dier Waarheid te kennen voor eigen hart en leven; die leeft en zich beweegt in de zake Gods als de zijn. Die beginselen ontvouwt en naar voren brengt louter en alleen ontleend aan het tuighuis der Heilige Schrift; die verpletterend zijn voor on en bijgeloof; verterend zo voor Rome's kerk, als voor de opkomende revolutionaire beginselen van het verderfelijk humanisme.

"Alles voor de ere Gods"; het is het parool van Calvijn, de geur en kracht van zijn innerlijk leven, de geheel enige inhoud van zijn "Institutie"; "men voelt zijn, hart kloppen in de Theologie."

Hoezeer, doch geheel ten onrechte, heeft men Calvijn beschuldigd, dat bij de Godsdienst heeft "geintellectualiseerd", dat hij een Godsdienst heeft gemaakt, wiens werking zich alleen bepaalt tot de redeneerenden mens; een Godsdienst alleen voor het verstand en niet voor het hart.

Waarlijk, Calvijn heeft ook in dit opzicht de smaad en laster niet ontgaan. Doch luister naar enige van zijn eigen woorden: "God acht de ceremoniÎn geen strohalm waard te zijn, maar Hij ziet op geloof en waarheid van het hart. De ijver voor het huis Gods, die het hart van al Zijn gelovigen moet verteren, is geen zwakke aandoening."

Calvijn legde allen nadruk op het geloof van het hart. Wie was meer overtuigd dan hij, dat de Godsdienst van een beredeneerd verstand zonder meer geen nut doet?

Men moet niet denken", schrijft hij, "dat het christelijk geloof een blote kennis Gods is of een verstaan der Heilige Schrift, welke naar het hoofd vliegt zonder het hart te raken,. Het is een vast en krachtig vertrouwen van het hart.

Het ware christelijk geloof is niet tevreden met een blote kennis der historie, maar neemt zijn zetel in het hart der. mensen. Het geloof gaat boven alle menselijke begrip. En zelfs is het niet genoeg, dat het verstand verlicht wordt door de Geest Gods, als niet het hart door Zijn kracht wordt bewerkt."

Calvijn veroordeelt allen, die leren, dat het geloof louter zou bestaan in ene blote toestemming van het Woord Gods.

"Indien het Woord Gods alleen in het hoofd vliegt", zegt hij, "wordt het nog niet recht ontvangen; maar alleen dan, wanneer het in het diepst van het hart wortelt. Het is moeilijker, verzekering aan het hart te geven, dan het verstand te onderwijzen; daarom dient de Heilige Geest als tot cm zegel om in onze harten dezelfde belofte te verzegelen."

Calvijn merkt het aan als een der grofste dwalingen van, hen, die menen, dat het geloof is ene blote en koude kennis. "Het geloof is geen blote kennis", zegt hij, "die naar het hoofd vliegt, maar het brengt met zich ene levende liefde van het hart".

In een der eerste uitgaven zijner "Institutie" had Calvijn geschreven:, "wij zijn geleid tot ene kennis Gods, die niet alleen in ene ijdele bespiegeling ligt, maar die nuttig en vruchtbaar is, als zij eenmaal door ons begrepen wordt. Het is ene praktische kennis."

Maar dit was hem later niet genoeg. In 1559 veranderde hij dit aldus: "wij zijn gebracht tot de kennis Gods, niet gelijk velen denken, die al speculerende naar de hersenen vliegt, maar welke ene grote vastheid bezit en haar vrucht voortbrengt, namelijk wanneer zij recht door ons wordt begrepen en in ons hart geworteld is. Wij stemmen God meer toe met het hart dan met het hoofd, en met de genegenheid meer dan met het verstand.

En we kunnen niet nalaten ook het volgende getuigenis van Calvijn naar voren te brengen: "Ongetwijfeld heeft men voor het gezag van de Bijbel redenen en bewijsgronden, om de vijanden op hun plaats te zetten,. Maar dit alles is onmachtig om in het hart een zodanige zekerheid van het geloof in te prenten, gelijk de vrees Gods eist. Opdat de consciÎntie niet wankele, is het nodig, dat de overtuiging hoger oorsprong heeft dan menselijke reden of oordeelvellingen, te, weten het inwendig getuigenis van de Heilige Geest. Zo moet dan. dezelfde Geest, die door de mond der Profeten gesproken heeft, tot onze harten indringen., om ons te overtuigen, dat zij getrouw voortgebracht hebben hetgeen hun van God bevolen was."

Het rechtvaardigmakend geloof doet ons Christus kennen, opdat Zijn gerechtigheid ons toegerekend worde, niet van ver of buiten ons beschouwen, maar omdat wij Hem aandoen en in Zijn lichaam ingelijfd zijn. Daarom wordt het wonen van Christus in onze harten en de geestelijke vereniging, waardoor wij van Hem genieten, door ons op de, hoogste trap gesteld."

We hebben ons de moeite getroost, deze verschillende getuigenissen naar voren te brengen, zoals ze ons door Prof. Dournergue worden meegedeeld, om ons de man te doen kennen, door wie God zo grote en krachtige daden heeft verricht. Alsook om ons een denkbeeld te geven op welk fundament Calvijn stoelde en vanwaar bij de lijnen zijner beginselen heeft getrokken, welke zich uitgestrekt hebben over alle verhoudingen van het menselijk leven. Het Woord Gods was de bron, waaruit hij putte; dat bij aanmerkt als te staan boven kerk en staat en waaraan dan ook kerk en staat zich onvoorwaardelijk hebben te onderwerpen. Dat Woord Gods, dat de juiste verhoudingen tekent, waarin kerk en staat tot elkaar behoren te staan, namelijk; een vrije kerk in een vrijen staat; dat noch de kerk over de staat heb te heersen, noch de staat over de kerk; nochtans, hoewel twee onderscheiden lichamen, die beiden hun eigen terrein hebben, beiden gebonden aan het Woord van God en in dit opzicht elkaar tot steun, zonder dat de een ingrijpe in de regering des anderen; beiden hebbende hun eigen vrije ontwikkeling in gebondenheid echter aan het Woord van God. Dit is het machtig beginsel van Calvijn, en waarin hij Luther, hoezeer ook als een groot Hervormer geacht, nochtans ver heeft overtroffen. We stippen dit slechts even aan, om wellicht later daar nader op terug te komen. Alleen dit zij nog vermeld. In de grond der zaak is het beginsel der Hervormers, zoals van Luther, Zwingli en Calvijn ÈÈn en gaan zij allen uit dat het Woord van God bovenal moet geacht als de enige rechtbank van beroep, doch Calvijn, is de man, die dit met meer beslistheid naar voren brengt. Luther hecht zich meer vast aan de antropologie (dat is de leer van de mens) en stelt als grondartikel vast de rechtvaardiging door het geloof.

Doch Calvijn daarentegen hecht zich meer aan de theologie (de leer van God) en predikt bovenal de behoudenis van een zondaar door de soevereiniteit van de genade Gods. "Hoe wordt de mens zalig", was het parool van Luther, maar miste daarin de reformatorische kracht om de juiste verhoudingen te verkondigen naar het woord van God tussen kerk en staat; men was met de verkondiging des Evangelies tevreden; er was geen doorzetten van de reformatorische beginselen naar het Woord Gods in kerk en staat. En we menen ons niet te vergissen dat het beginsel van Luther daarom heeft geleid tot meer gemoedelijke vroomheid, dan wel tot een zich krachtig ontplooiend, positief Christendom. Tot dit laatste is Calvijn verwekt, wiens parool was: "hoe komt God aan Zijn eer", en die dit beginsel heeft uitgedragen en toegepast op alle verhoudingen des levens.

Merkwaardig zijn de brieven, die Calvijn geschreven heeft op zijn reis naar ItaliÎ.

Alvorens wij er toe overgaan te bezien hoe het er te GenËve uitzag voor de komst van Calvijn, is het niet van belang ontbloot een paar brieven te vermelden, die de Hervormer geschreven heeft op zijn reis naar ItaliÎ en zijn verblijf bij de hertogin van Ferrara. Ze doen ons een blik slaan in het hart van Calvijn. Ze openbaren. en bewijzen zijn onwrikbaar "beginsel en standpunt", n.l. dat men zich steeds en op alle terrein heeft te hoeden voor enige de minste vermenging of samengaan met het heiligschennend Rome, en belijdenis en leven vrucht moet zijn van de ware Godzaligheid." Het beginsel van Gods vrees moet er zijn, zal belijdenis en. leven waar zijn.

Het opschrift van de eerste brief luidt: "hoe men de ceremoniÎn. en de pauselijke superstitiÎn moet vermijden en over de zuivere oefening van de Christelijke godsdienst. Jan Calvijn aan N., een zeer rechtschapen man, zijn bijzondere vriend, Salut."

"De Roomse kerk is, dat Egypte waarin zoveel monsters, afgoden en afgoderijen de aanblik kwetsen, waarin de zo verfoeilijke, heiligschennende zaken, bevlekkingen en vuilheden van Babylon overvloeien.

Er is maar ÈÈn middel om er zich niet mee te bevlekken, nl. door er van stonde aan weerstand aan te bieden en daarover zelfs niet te redetwisten. Want indien wij ons veroorloven ons er eerst over te beraden, dan gaan wij reeds daarin de perken te buiten. Men mag geen duimbreed wijken van de gehoorzaamheid aan onze Vader."

Vlijmend scherp valt hij die Roomse, ceremoniÎn aan, als bij handelt over de aflaat, welke hij "ene, slechtheid en verfoeilijke kermis" noemt; als bij schrijft van het wijwater, dat gewijd is door bezweringen en duivelse betoveringen."

Maar inzonderheid stelt hij zich tegen het misoffer. Hoe toornt Calvijn daartegen.

" Wanneer zij daar komen," schrijft hij "vergeten zij, dat zij komen om getuigen te zijn van ene afschuwelijke komedie. Geen gelovige kan het onbekend zijn dat reeds de naam van offerande, gelijk de priesters de mis noemen, het kruis van Christus afschaft. Het is afschuwelijke afgoderij, want men wil doen geloven, dat het brood God is. Een stuk brood of ouwel wordt getoond, aangebeden, aangeroepen en voor God gehouden. Dit is nooit aan de heidenen omtrent hun afgoden geleerd. Waar de Heere Zijn lichaam aan Zijn gelovigen, die eerbiedig gedachtenis vieren van Zijn dood, geeft, zou daaruit volgen, dat Hij Zichzelf aan, stinkende en schaamteloze priesters overgeeft, om geofferd er ter dood gebracht te worden zo dikwijls dit hun behaagt? Of dat wij moeten denken, dat er zulk een kracht is in de stinkende olie, waarmee de priester is gewijd, dat zij alle handen die zij gezalfd heeft, bekwaam maakt om Christus voort te brengen?

Of dat wij zouden. moeten geloven, dat de wil of gril van een.: mispriester het gezag en krediet van, een hemels besluit heeft, pm Christus aanstonds tegenwoordig te doen zijn, zo menigmaal als het de mispriester behaagt Hem uit de hemel te doen neerdalen; of dat wij enige toverkracht toekennen moeten aan de woorden van Christus, welke slechts nagemompeld moeten worden, om hun kracht te tonen? Niets, van dit alles.

Het is duidelijk, dat de god, dien de priester al schertsende toont en draait en keert rondom het altaar, niet uit de hemel, gehaald is, gelijk zij ons willen doen geloven; maar dat hij is, gelijk hij van een molen komt."

Met wat krachtige woorden eindigt hij deze brief.

Wat! Zullen wij nog met grote moeiten overtuigd worden, dat deze dingen zo groot zijn, dat wij daarvoor ons leven verliezen en ons bloed vergieten, als het nodig was? Voorwaar, wij achten de korte duur van dit ellendig leven te hoog, indien wij het zozeer verheffen, dat het verzekerd moet zijn door het loon van zulk ene goddeloosheid. De dood is slechts een overgang van een kort gevoel van smart tot een onsterfelijk leven en gelukkige rust.

Ik twijfel er niet aan, in welk gevaar ik mocht komen of ingewikkeld mocht worden, Hij (de Heere) in mij tot mijn laatste snik de moed bewaren en sterken zal. Ik stel u niet alleen voor wat ik in mijn studeercel voor mij zelf overdenk, maar ook wat de onoverwinnelijke martelaren Gods zich altijd temidden van hun rampen, het kruis dat hun opgelegd werd en de brandstapels en slachtingen waaraan zij door wilde beesten werden overgeleverd, voor ogen stelden. Indien zij niet door in gedachtenis houden, van deze zaken waren aangezet en geprikkeld geworden, zo zouden zij gemakkelijk de eeuwige waarheid Gods hebben verloochend, welke zij nu gedurig met hun bloed ondertekenden. Maar zij zijn niet voorgegaan als een voorbeeld van standvastigheid en als handhavers, der waarheid, opdat wij de waarheid zouden laten waar zij is, welke zij ons aldus gegeven, bekrachtigd en ondertekend hebben; maar zij hebben ons datgene geleerd, waardoor wij, geholpen door de kracht des Heeren, kunnen staande blijven tegen het gehele leger van de dood, de hel, de wereld en satan?

Op deze eerste brief volgde een tweede, beide door Prof. Doumergue aan de vergetelheid ontrukt. Uit die tweede nemen wij alleen dit gedeelte over: "onder de wolven versta ik twee soorten van mensen. Vooreerst de verachters van allen Godsdienst, die, wijl de gehele Heilige Schrift hun als een fabel en, een belaching is, er behagen in scheppen hun venijn te werpen op de eenvoudigen en tevreden zijn als het hun gelukt het gewetens met verachting van God en verwerping van Zijn Woord te besmetten.

Vervolgens versta ik ook daaronder: de valse profeten en geveinsden, die niet aflaten de ware en zuivere Godsdienst door hun dromerijen en afschuwelijke leugens te verdonkeren, haar te verderven, door hun valse leringen., haar in stukken te scheuren door hun twistgeschreeuw.

Als we deze regelen uit zijn brieven onbevooroordeeld lezen, hoe blijkt dan ten zeerste hoe Calvijn is: de vurige en krachtige strijder der Reformatie,. Dat "het ongeloof" en "het bijgeloof en afgoderij" twee synonieme, dat is nauw aan elkaar verwante, begrippen en beginselen zijn, die op dezelfde wortel stoelen namelijk vijandschap tegen God en Zijn Waarheid. We brengen in herinnering wat we vroeger hebben geschreven, hoe Ds. Hendrik de Cock in zijn brief gericht aan Zijn Majesteit de koning schreef: "de geschiedenis, Sire, is het onderwijshoek der volken".

Waar dit zo is, laat ons dan bij Calvijn ter schole gaan.

Hij onderschatte de macht des ongeloofs niet welke in die dagen opkwam en stelde er zich onwrikbaar tegen om het te weerstaan. Dit hebben de libertijnen, de vrijdenkers te GenËve, geweten. Terecht is later opgemerkt dat de revolutie, dat de macht des ongeloofs in die dagen is, gebreideld door het stoere, onvervalste beginsel der reformatie; dat beginsel, dat geworteld is in de waarachtige vrees Gods, en van Zijn hoge Soevereiniteit; in de bewustheid van de ere Gods en de glorie van Zijn Naam. De macht des ongeloofs en revolutie is het beest uit de afgrond, waartegen onvervaard de, strijd moet worden aangebonden.

Maar evenmin onderschatte Calvijn de macht van bijgeloof en afgoderij, het beginsel van het Roomse Babylon, dat hij niet minder acht te zijn het beest uit de afgrond, dat dronken is van het bloed der heiligen. De macht des ongeloofs en der revolutie, de vertreders en verachters van Gods Waarheid noemt Calvijn wolven. Zo ook Rome, dat de Waarheid door de leugen verdonkert, de Waarheid verderft en in stukken scheurt, ook dat Rome noemt hij een wolf. Hij stelt beide 'beginselen op ene lijn en dat terecht, want het gaat bij beiden om "de Waarheid Gods van de aarde te verbannen, Gods kerk en volk te verdelgen, en de eer en de glorie van God te vertreden en die van de nietige mens in deszelfs plaats te stellen."

Alles voor de eer Gods! Het was het beginsel, het leven van Calvijn, dat hij geen ogenblik uit het oog verloor en dat hij over de gehele linie handhaafde tegen ongeloof en bijgeloof. Hij wist van geen wijken; hij wist van geen vermengen; hij wist van geen samengaan met de een om de ander te bestrijden. Hij leefde in de volle bewustheid dat het afgodisch Rome met zijn vervloekte afgoderij nooit een dam kon zijn tegen het opkomend ongeloof. Hij leefde in de volle overtuiging dat de ere Gods ten diepste gekrenkt werd aan, de ene. zijde door de God verzakers en hun satanisch beginsel; anderzijds door de afgodendienaars en hun satanisch beginsel. En daarom stelt hij zich onvervaard tegen beiden en heeft door Gods genade beide duistere machten: Rome en het ongeloof in een hoek gedrongen en de reformatorische beginselen onbezoedeld doen zegevieren, tot ere en glorie van God.

O Calvijn! Calvijn! leefde gij nu nog. Hoe zoudt u van heilige toorn zieden tegen de ontzettende machtsontwikkeling van ongeloof en revolutie, dat alle ordeningen Gods driest verwerpt.

Maar ook evenzeer zoudt u van heilige toorn zieden tegen het afgodische Rome, tegen "de paapse stoutigheden", waarvan in de week van 22-29 juli 1924 opnieuw het bewijs geleverd is; van heilige toom zieden tegen de eis van deze verscheurenden wolf, om "de afgoden" openlijk hersteld te zien, in een land dat zijn vrijheid heeft gekocht met het bloed der martelaren.

Maar niet minder zoudt u in heiligen toorn ontbranden tegen allen, die zich beroemende, uw navolgers te zijn, die nochtans het bijgelovige en afgodische Rome in het gevlei nemen en menen "dat het Eucharistisch wereldcongres nog wel als een dam tegen de geest des ongeloofs ten goede kan werken". Dat we die wolf over de kerkmuren heen de hand kunnen reiken, en het bij het christenvolk in Nederland nog een oorzaak van blijdschap kan zijn, als daar nog zovele duizenden worden gevonden, die met innige vroomheid vervuld, zich ootmoedig buigen voor de broodgod (die afgoderij, die zelfs onder de heidenen niet genoemd wordt) wijl daardoor de macht des ongeloofs nog gefnuikt kan worden.

O, Calvijn! Calvijn! Waar is uw beginsel! Uw beginsel: "alles voor de ere Gods!" Hoe bezoedeld en verscheurd, hoe bemodderd is het neergehaald. De ere Gods, die zowel vertreden wordt door ongeloof en bijgeloof en afgoderij, maar niet minder ook door allen, die zonder protest het Eucharistisch congres toelaatbaar achten. Wij schromen ons niet dit uit te spreken. Dan mag men ons noemen: antipapist en zeggen, dat we onze tijd drie eeuwen ten achter zijn. Doet niets ter zake. Voor, ons staat het positief beginsel dat de ere Gods en de verheerlijking van, Gods Naam elk Christen de gebiedenden eis oplegt zich met Calvijn fe stellen tegen het ongoddelijk ijdel roepen; zich te stellen tegen ongeloof en revolutie; zich te stellen tegen afgoderij en bijgeloof tegen elke poging van die zijde en elke eis om eerherstel der afgoderij. De openbare propaganda, van socialist en communist is een schandvlek voor het christelijk Nederland; het brengt verwoesting over de volken. De eis van herstel der afgoderij; het Eucharistisch congres met "de opruiende taal" daar gevoerd, gelijk Docent de Bruin terecht heeft opgemerkt, is niet minder een schandvlek, een slag in het aangezicht van het christelijk Nederland, een diepe versmading van de ere Gods en van Zijn Waarheid, en kan, nog mag in het allerminst in het gevlei genomen worden, en het is voor ons onverklaarbaar, dat mannen, die zich beroepen Calvinist te zijn van onvervalst bloed, het durven zeggen over de kerkmuren Rome de hand te geven en 'niets liever zagen, dan dat men van het Eucharistisch congres ten enenmale het zwijgen toedeed.

Daarom blijven wij Staatkundig-Gereformeerden vooralsnog in oprechtheid betreuren de diepe afwijking van het Calvinistische beginsel: alles voor de ere Gods, met bestrijding van wat zich daartegen verheft: de wolven van ongeloof, 'bijgeloof en afgoderij naar het woord van Calvijn.

Het is Calvijn, die ontwijfelbaar door God met grote genade is bedeeld geworden. Moet van de profeet DaniÎl gezegd worden, dat de Heere hem, benevens ene tedere vrees voor Zijn Naam, ook wijsheid en kloek verstand gegeven had, het mag ook van Calvijn worden gezegd. Wat groot voorrecht is het, als een volk zodanige mannen bezit, met wijsheid en verstand bedeeld, die tegelijk door de vrees Gods worden omtuind en beheerst.

Calvijn is het, die de lijnen van kerk en staat heeft uitgestippeld en de juiste verhouding tussen staat) en kerk, heeft getekend. Die zich met volle kracht gesteld heeft tegen, het papale stelsel van Rome, hetwelk eist, de onvoorwaardelijk onderwerping der Staten aan de Paus.

Ongeveer in de 8ste eeuw is deze gedachte opgekomen, doch, na de opheffing van de kerkelijke staat in 1870, is dit beginsel nog veel meer op de voorgrond getreden en nog krachtiger uitgesproken.

Rome leert:

"De paus mag geen onderdaan geacht van enig Vorst, mag niet gerekend worden tot enig volk of natie te behoren; of enige nationaliteit te dragen. De paus is wereldlijk vorst en heel de wereld is zijn domein. Hij is de eigenlijke soeverein van de gehele aarde en deelt de koninkrijken uit naar zijn welgevallen. Koningen en vorsten zijn niet anders dan zijn ministers, die zich onvoorwaardelijk aan hem hebben te onderwerpen en hun landswetten hebben te regelen in overeenstemming met de begeerten en rechten van de paus." Uit dit alles blijkt de allesbeheersende en overheersende plaats welke Rome's kerk inneemt. Daarin verandert ze niet, ja wordt driester. De Roomse kerk is een monarchie, een staat, waaivan de paus het hoofd is. Diens regering is absoluut monarchaal, na 1870 zelfs niet meer gebonden door het gezag van bisschoppen, zelfs in het minst niet meer gebonden aan de Heilige Schrift, waar de, paus zich boven dezelve stelt en de Schrift, aan zijn onfeilbare uitlegging onderworpen is. Zo treedt hoe langs 'hoe meer het Anti-Christelijk beginsel in Rome's kerk op de voorgrond. "Uit een eigen, ongoddelijk beginsel heeft Rome gen eigen stelsel of beginsel van het staatsleven opgebouwd, waardoor de tronen der Vorsten evenmin veilig zijn, als door de verwoestende beginselen der revolutie, tenzij een Vorstenhuis zich onvoorwaardelijk onderwerpt aan de absolute macht van de paus". In dit opzicht, sprekende niet over personen, maar "uit de beginselen hebben wij het recht te beweren, dat de vastheid van de troon van Oranje in ons Vaderland evenmin gewaarborgd is, door de vertegenwoordigers der Roomse fractie, als door de vertegenwoordigers van socialisme en communisme, tenzij onze hoge Landsvrouwe onvoorwaardelijk buigt voor de stoel van Rome. Naar het beginsel van Rome mogen Rooms-Katholieke kamerleden er geen beslist eigen mening en oordeel op nahouden, maar zijn in al hun denken en doen onwrikbaar gebonden aan de pauselijke stoel. Ze zijn de vazallen en knechten in de eerste plaats van hun soeverein, de paus.

Het is enige jaren geleden in een Amerikaans blad zo juist weergegeven. Daarin stond: Hoor wat de paus zegt: wij vermanen alle Katholieken, die met opmerkzaamheid de politieke zaken wensen gade te slaan, om een werkzaam deel te nemen in alle stedelijke zaken en zich bovenal te vertonen op de stemdagen, om "hun, invloed te laten gevoelen om het beginsel der kerk te bevorderen, op alle publieke samenkomsten en vergaderingen. Alle Katholieken moeten zich laten gevoelen als werkelijke elementen in het dagelijkse politieke leven, in de plaatsen waar zij wonen. Zij moeten onophoudelijk de uiterste waakzaamheid aan de dag leggen, in de belangen van de kerk. Alle Katholieken moeten streven, zoveel in hun macht is, om de constituties van Staten en wetgevende kamers "gevormd" te krijgen naar "het beginsel der ware kerk". Alle Katholieke schrijvers van dagbladen moeten geen ogenblik laten voorbijgaan, zonder het bovenstaande in acht te nemen".

Dit is het beginsel van Rome waarin het nimmer verandert.

En dat beginsel is niet minder te vrezen, dan het heilloze beginsel van het ongeloof en der revolutie en dat temeer, omdat Rome een macht geworden is, in de loop der tijden daarin geoefend, welke al zijn kracht zoekt in sluwe berekeningen.

Tegenover dit roomse staatsrecht heeft Calvijn een eigen stelsel van het staatsleven opgebouwd, en heeft zich van meet af geplaatst op de bodem der Heilige Schrift.

Rome leert dat de kerk macht heeft over de staat, de overheid in alles aan de paus onderdanig; die macht mag ene "indirecte" macht genaamd worden, zij betekent niet anders, dan dat de kerk het recht heeft die overheid te ontslaan, die zich niet onderwerpt aan de kerk en alle wetten en handelingen der overheid te vernietigen, welke met haar beginsel niet in overeenstemming zijn. En nu mag Rome belijden, dat het gezag der overheid van God is, van Goddelijke oorsprong, nooit echter zal het erkennen dat de overheid onmiddellijk haar gezag van God ontleent, van Gods soevereiniteit en daarom onmiddellijk regeert "bij de gratie Gods". Rome verloochent de soevereiniteit Gods voor de soevereiniteit van. de paus. Daarom kan Rome nooit onderschrijven deze regel: "Wij, Wilhelmina, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden" enz.

Het ongeloof of de geest der revolutie, moet daarvan in het geheel niet weten. Alle gezag vloeit uit de soevereiniteit van de mens en daarom geen regering "bij de gratie Gods". Rome zet er voor in de plaats: Bij de gratie van de paus.

Hier tegenover stelt zich Calvijn. Stelt zich met alle macht tegenover het heilloze beginsel der revolutie, welke stoelt op de soevereiniteit van de mens, maar ook niet minder tegenover het beginsel van Rome dat stoelt op de soevereiniteit van de paus, dus evenzeer op de soevereiniteit van een mens, die het zich aanmatigt de soevereiniteit Gods aan zich te trekken.

Calvijn is het, die uit een eigen beginsel, dat geboren is uit, dat steunende is op en in overeenstemming is met de Heilige Schrift, een begrip van het staatsleven heeft uitgestippeld en de verhouding van staat en kerk en beider roeping naar voren gebracht heeft. We menen niet te veel gezegd te hebben als we beweren, dat hij de grondslag gelegd heeft voor het beginsel: een vrije kerk in een vrije staat. Het zijn twee lichamen, beiden door God verordend, wier bestaansrecht beiden in de Heilige Schrift of liever "onmiddellijk" in de soevereine wil van God is geworteld, en daarom ook beiden aan die wil van God zijn onderworpen en aan de rechten en inzettingen van Zijn Woord. Vandaar moet ook beider regering en inrichting van bestuur en wetten geregeld naar en in overeenstemming zijn met dat getuigenis. Uit de Heilige Schrift heeft Calvijn ene presbyteriale kerkregering opgebouwd, soeverein in eigen kring, om haar eigen geestelijk karakter te bewaren en te handhaven. Hij heeft geworsteld voor de zelfstandigheid der kerk, de zuiverheid van haar bediening en tucht, niet aan de staat onderworpen, niet over de staat heersende, nochtans elkaar ondersteunen.

Hij heeft het gezag der overheid onmiddellijk afgeleid van God en Diens soevereiniteit zonder tussenkomst van de paus en vandaar gelijk de staat niet het recht heeft in het inwendig bestuur der kerk in te dringen, zo ook moet de eis van het kerkelijk gezag om. in de zaken van de staat zeggenschap te hebben. worden afgewezen. De geest of het beginsel des ongeloofs is dat de kerk slavin zij, gans onderworpen aan de staat; het is de geest of het beginsel van Rome de staat slavin of onderworpen te doen zijn aan de kerk. Calvijn gaat uit van het beginsel twee onderscheiden machten, beide onderworpen aan Gods Woord, naar dat Woord, een ieder zijn eigen vrijheid van regering en volgens dat getuigenis elkaar steunende tot ere Gods en het heil der natie.

Waartoe is de overheid verordend? Wat is haar taak? Calvijn leert het ons. Treffend schildert hij haar roeping, om in geheel haar wetgeving, regering en rechtspraak de ere Gods te bevorderen. Die met aandacht de Institutie van Calvijn leest, zal reeds in de voorrede of in de brief, aan koning Frans I van Frankrijk gericht, opmerken, dat hij de koning beschouwt als een dienaar Gods, die regeren moet tot Zijn eer en in alles aan, de Heilige Schrift is onderworpen en zich daarom door dat Woord moet laten leiden. Doch. inzonderheid in zijn 4e boek Hoofdstuk XX leert hij "dat de uitwendige regering is verordend om zolang wij onder de mensen verkeren, de uiterlijke Godsdienst te onderhouden en te beschermen, de gezonde leer der Godzaligheid voor te staan alsook de staat der kerk. De burgerlijke regering dient niet alleen, opdat de mensen mogen leven, eten, drinken en onderhouden worden, maar ook opdat er geen afgoderij noch lastering tegen Gods Naam en Zijn Waarheid of andere dergelijke ergernissen tegen de Godsdienst openlijk zouden ontstaan en onder het volk gezaaid worden; opdat de algemene rust niet worde verstoord, ieder het zijn ongestoord en onverkort zou bezitten en de eerbaarheid en zedigheid aangekweekt." Calvijn bewijst dat de staat een eigen terrein heeft, geen autoriteit in geloofszaken en niet mag heersen over het gewetens der mensen; maar toch moet ook hij op zijn wijze niet achter blijven om te arbeiden aan de komst van het Godsrijk op aarde; daarom geroepen de zuivere leer voor te staan, alle afgoderij te beletten en voor de naleving te waken zowel van de eerste, als van de tweede tafel der wet.

"Die burgerlijke verordening keur ik goed", schrijft hij, "die daarnaar tracht dat de ware Godsdienst, die in Gods wet begrepen is, niet onbeschaamd door openbare goddeloosheden ongestraft geschonden en verontreinigd worde."

Hoe krachtig bewijst hij hoe de overheid door God geroepen is en haar aanstelling van God heeft en van Godswege met gezag bekleed is, ja in de Naam Gods regeert. Wiens plaats zij enigerwijze vervullen. In des Heeren Naam en in Zijn plaats bier op aarde regerende merkt Calvijn de overheid aan als stedehouderes Gods, Wien zij van de waarneming harer bediening eenmaal rekenschap zal moeten geven. De overheid heb zich in de uitoefening harer macht te onderwerpen aan Christus, Wien alle macht gegeven is in hemel en op aarde, opdat Hij alleen boven allen verheven zij.

Waar dus de overheid zich heeft te onderwerpen in de uitoefening harer macht aan Christus, daar wijst Calvijn met evenveel nadruk aan, dat al de wetten, die door de Overheid worden uitgevaardigd, moeten gebouwd op de wet Gods, de wet der zeden, in twee hoofddelen vervat, van welke (om Calvijns eigen woorden te gebruiken) het een, gebiedt God te dienen door een zuiver geloof en reine Godsvrucht en het andere de mensen met ene oprechte liefde te beminnen als de ware en eeuwige regel der gerechtigheid, gegeven aan de mensen uit alle volken en van alle tijden.

Om niet meer te noemen: dit was het beginsel van Calvijn, dat hij met stoere kracht te GenËve heeft toegepast, dat, alles wat voor God strafbaar is, ook in een Christelijke Staat, voor zover het ter kennis van de Overheid komt, als misdadig moet gestraft worden. De ere Gods moet even goed als de veiligheid der mensen in bescherming worden. genomen en dat volgens de wet der zeden, want de Goddelijke wet en deze alleen moet het doel, de regel en het einde zijn van alle wetten.

Op dit fundament grondt Calvijn, dat de wetten van de Staat moeten ingericht zijn, dat zij het leven, het goed en de eer der onderdanen in bescherming moeten nemen volgens de tweede tafel der Wet en dus doodslag, dieverij, ontucht en valse getuigenis hebben te straffen.

Maar evenzeer is de Overheid geroepen in haar wetgeving met .al haar ten dienste staande middelen de eerste tafel der wet te handhaven en naar recht en billijkheid evenzeer voor "die ere Gods" te waken als voor de veiligheid der mensen. Hoezeer was Calvijn hiervan doordrongen, dat de Overheid geroepen was Gods dag in bescherming te nemen en de ontheiliging daarvan strafbaar te stellen. Dat de Overheid geroepen was Gods heiligen Naam in bescherming te nemen en de ontheiliging daarvan strafbaar te stellen.

Maar op hetzelfde fundament grondt Calvijn, dat de Overheid geroepen is de Eer en de Hoogheid van het Goddelijk Wezen in bescherming te nemen en niet te dulden de openbare verloochening van Hem, door dat in de plaats van de enige Waarachtige God andere goden zouden worden geÎerd. Daarom naar recht en billijkheid geroepen de afgoderij te weren, de openbare ontheiliging van de levende God door middel van de afgoderij strafbaar te stellen. Onder de afgoderij werd ook, en dat terecht, begrepen: de paapse mis, die afgoderij, die zelfs, zegt Calvijn, onder de heidenen niet genoemd is geworden. Het is dit laatste het wezen der afgoderij, volgens de wet van God en de ere en de Hoogheid van Zijn Wezen, dat in deze tijd in het gedrang komt; dat als kettervervolging wordt gebrandmerkt en als een verstard dogma wordt uitgekreten. De vrijheid der consciÎntie moet worden hoog gehouden en naar het beginsel: gelijk recht voor alle gezindten, mag de vrijheid van andersdenkenden, ook wat betreft de afgoderij van de paapse mis, niet worden belemmerd.

Maar wij moeten hier wel opmerken, dat Calvijn in de eerste plaats niet redeneerde uit het beginsel van: de vrijheid der consciÎntie, maar uit het beginsel van eer Gods en de Hoogheid van Zijn Wezen, waaraan de "vrijheid van consciÎntie" ondergeschikt is. Niemand zal toch durven zeggen dat "de ere Gods en de vrijheid der consciÎntie" twee gelijkstaande dogma's of begrippen zijn en dat nog veel minder "de vrijheid der consciÎntie" boven "eer Gods" moet of mag worden verheven, maar dat "de vrijheid der consciÎntie ondergeschikt is aan de ere des Heeren en de Hoogheid van Zijn Wezen."

En we zijn vast overtuigd, indien dat beginsel van Calvijn nog predomineerde en niet als een oud, versleten en verstard dogma werd geacht, men een geheel ander standpunt zou hebben ingenomen tegenover het tegenwoordig opnieuw gehuldigd gezantschap bij de paus.

Waar het beginsel van Calvijn: dat de Overheid geroepen is zowel te waken voor de eer en de Hoogheid van Gods Wezen, zowel als voor de openbare eerbiediging van Zijn Naam 'en Dag, ik zeg, waar dat eerste ondergeschikt wordt gemaakt aan de vrijheid der consciÎntie en dit begrip een eerste plaats inneemt, daar wordt, en wij kunnen het niet anders bezien, te kort gedaan aan de Hoogheid Gods; wordt Zijn eer verloochend en moet volgen, dat, waar de vrijheid der consciÎntie het allesbeheersend beginsel is en niet de ere Gods, de roomse processies evenzeer moeten worden toegelaten. Het is het noodzakelijk gevolg van het beginsel "de vrijheid van het geweten in zijn algemene doorvoering losgemaakt van en niet meer ondergeschikt aan het positieve en volstrekte beginsel van Gods heilige Wet, ja, waarop de gehele wet Gods steunt, benevens de gehele inhoud der Heilige Schrift en dat volgens Augustinus en Calvijn de eerste en hoogste plaats heeft in te nemen: de Eer en de Hoogheid van het Goddelijk Wezen.

Het wordt een fout, het wordt in deze zogenaamde verlichte eeuw de dwaling der reformatoren der 16 eeuw genaamd, dat zij zich plaatsende allereerst op het fundament van "de ere Gods" en "de Hoogheid' van Zijn Wezen", en daaraan ondergeschikt: "de vrijheid der consciÎntie" in hun banier hebben opgenomen te waken voor dat dogma volgens de eerste tafel der wet en de Overheid geroepen is, zowel "de Ere Gods, evengelijk als Zijn Naam en Dag in bescherming te nemen en de ontheiliging daarvan strafbaar te stellen en de openbare afgoderij te weren."

Wat leert Calvijn: gelijk de eerste tafel der wet de ere Gods handhaaft en de tweede tafel, steunende op de eerste, de vrijheid der mensen en hieruit vloeit dat de vrijheid der consciÎntie ondergeschikt is aan de ere God, en niet gelijk gesteld kan noch mag worden, daar moeten de wetten der Overheid dat karakter hebben en behouden.

Dat: a. op grond van de eerste tafel de ere Gods moet worden gehandhaafd en door de Overheid in bescherming genomen en daarom de afgoderij, ontheiliging van Zijn Naam en Dag moet worden strafbaar gesteld.

Dat: b. op grond van de tweede tafel der wet het leven, het goed, de eer en de vrijheid der mensen moet worden gehandhaafd en door de Overheid in bescherming genomen en daarom doodslag, dieverij, ontucht en valse getuigenis moet worden strafbaar gesteld, opdat alzo het waarachtig welzijn van een volk worde beoogd en voorgestaan.

Dat: c. waar de Overheid is Gods dienares, regerende bij de gratie Gods zij niet heeft te heersen over de kerk, alsook de kerk niet over de Staat, doch twee lichamen staande onder de Soevereiniteit Gods, hebbende elk haar eigen vrijheid en nochtans elkaar tot steun, de Overheid zich heeft te wapenen enerzijds: tegen de geest des ongeloofs en revolutie, welke wil, dat de kerk slavin zij van de Staat, doch daarin niet anders: bedoelt dan uitroeiing van de Godsdienst en huldiging van de soevereiniteit van de mens, anderzijds tegen de geest des bijgeloofs of de geest van Rome's kerk, welke, zich als een monarchie willende ontplooien, wil, dat de Staat slavin zij van de kerk en daarin niet anders beoogt dan de uitroeiing van de ware godsdienst en huldiging van de soevereiniteit van de paus.

Calvijn is de man, wien de ere des Heeren bovenal teer op het hart lag en die naar onze bescheiden mening naar de wijsheid hem van boven gegeven de lijnen zo juist getekend heeft.

Neen! Calvijn heeft geen blind antipapisme gekweekt; niet op de hartstochten der mensen gewerkt; geen inquisitie bedoeld in de vorm van Rome, maar een vast fundament gelegd, ontleend aan Gods eer en gezag, ontleend aan Zijn heilige wet, waarop, de gehele wetgeving van een Christelijke Staat moet worden gebouwd.

Voor dit beginsel heeft hij al zijn krachten veil gehad; daarvoor gebeden; daarvoor gestreden en geworsteld en in GenËve, de stad van Calvijn, zoeken te handhaven. Zonder dit beginsel zou nimmer GenËve zijn geworden de stad der reformatie. En wie zal kunnen beschrijven de uitnemende en zegenrijke vruchten, die uit de wording en beleving van dit beginsel onder de zegen Gods over de Christelijke Staten van Europa zijn gevloeid? En wat bovenal moet gezegd, is, dat de goedkeuring en zegen des Almachtigen dit beginsel heeft vergezeld.

Op dit fundament, door Calvijn gelegd, hebben voortgebouwd ene rij van achtenswaardige, Godvruchtige mannen, die evengelijk Calvijn, de ere en de hoogheid Gods hebben liefgehad en de vrijheid des gewetens daaraan ondergeschikt gemaakt. Welk ene wolk van getuigen staan ons ten dienste. We noemen u mannen als Beza, Bogerman, Voetius.

En zal ik u herinneren aan de gebroeders Erskine uit Schotland, wier geschriften tot op de huidige dag nog tot onderwijs, vertroosting en bemoediging verstrekken van 's Heeren volk op aarde; mannen van naam, die voor de ere Gods en het heil van land en volk, staat en kerk in de bres hebben gestaan. Laten wij deze aanhaling mogen doen uit: "De vervallen hut of tabernakel Davids.".

"Soms is het net zo vol van kwade vissen, kwade leraars, kwade magistraten en kwade belijders, die de dwaling, de ongerechtigheid, de profaniteit en schandelijke ergernissen veeleer begunstigen en beschermen, dan dat dezelve verboden en uitgeroeid zouden worden, door degenen wier ambt hen verplicht, om voor de groten. God, volgens hun commissie, uit te komen. Wanneer deze dingen nu verzuimd worden door mensen, die macht en gezag hebben, of door wereldlijke en kerkelijke vierscharen. Wanneer schandelijke dwalingen, goddeloosheden en gruwelen niet uitgeroeid worden, door degenen wier ambt het is om zulks te doen, dan neemt God het werk zelf in handen. Hij zal Zijn beurt niet laten, voorbijgaan." Maar dan wijst Erskine erop, dat als God het werk begint, het een vreselijk werk zal zijn. Zie bladz. 15 en 16. En bladz. 32: de tabernakel Davids is vervallen, wanneer de God des tabernakels niet gediend wordt volgens Zijn eigen instelling. Wanneer "de afgoderij" enz. de plaats inneemt van de zuivere, geestelijke Godsdienst. Is dit tegenwoordig onder ons niet het geval? De afgoderij van de paapse mis wordt in het openbaar beleden; de protestanten door de paapse bespot, wanneer de eerste opgaan naar Gods huis en de anderen naar de mis. De publieke schriften geven ons de vele vergaderingen in Engeland tot viering van de mis klaar te kennen. En het is bekend hoe in Engeland de valse of superstitieuze godsdienst door de wet bevestigd en in Schotland toegelaten, wordt, strijdig tegen de plechtige eden Gods, die op deze landen liggen. In de dagen van onze reformatie van het pausdom is de tabernakel Gods volgens het Woord onder ons opgericht, vastgesteld en bezworen om bewaard en bevestigd te worden tot in alle volgende geslachten. Tot dat einde zijn er akten door publieke burgerlijke en kerkelijke autoriteiten gemaakt tot deszelfs bewaring. Maar nu is het land bevlekt wegens zijn inwoners, omdat wij de wetten overtreden, de inzettingen veranderd en het eeuwige verbond vernietigd hebben."

Neen, geen hartstochtelijke papenhaat predikt Erskine, maar staat voor het beginsel van de ere Gods, waaraan de vrijheid der gewetens moet onderworpen zijn, op het voetspoor van Calvijn.

Voorzeker, Schotland is het land waar het beginsel: "een vrije kerk in een vrije staat" diepe wortelen heeft geschoten. Wat banen strijd heeft de kerk in Schotland daarom gestreden om dit beginsel te handhaven en, daarvoor goed en bloed veil te hebben. Wat sprak Erskine van Dun' tot de Engelsen regent: "er is een geestelijk rechtsgebied en ene geestelijke macht, door God aan Zijn kerk gegeven en aan hen, die daarvan de dienaars zijn; en er is een wereldlijk rechtsgebied en ene wereldlijke macht, door God gegeven aan koningen en burgerlijke overheden. Beide die machten zijn van God, en, meest geschikt om de ene de andere te ondersteunen, zo zij goed gebruikt worden. Maar wanneer de zondige mens zijn eigen wil daarbij volgt, wanneer hij de beide machten verwart, zichzelf aanmatigt, wat hij verkiest, en de goede ordening, door God ingesteld niet eerbiedigt, dan moet wanorde algemeen worden. De kerk van God moet alle wettig gezag en macht, aan de burgerlijke overheid toekomende, ondersteunen, omdat het ene instelling is van God. Maar zodra de burgerregent de palen van zijn ambt te buiten gaat, en zich waagt in het heiligdom des Heeren, zich bemoeiende met de dingen, die uitsluitend aan de bedienaars der kerk toekomen, dan behoren 's Heeren knechten zijn onrechtvaardige handelingen te weerstaan, want zodanig zijn zij van God bevolen".

Daar in Schotland was het, waar de Presbyteriale kerkregering zich krachtig ontplooide, het Koningschap van Christus hoog geÎerd werd, maar ook nergens meer dan daar de paapse mis gehouden werd voor "een vervloekte afgoderij" en daarom tot wering van dezelve, strenge bepalingen werden gemaakt en opgenomen in de burgerlijke wetten. En we ontveinzen ons niet hoe de Heere Schotland rijk gezegend heeft, waar het naar alle zijden op het voetspoor van Calvijn, de ere des Heeren handhaafde ten koste van goed en bloed.

Welk ene tegenstelling dan met Engeland, waar de reformatorische beweging uitging van de koning; vele roomse gebruiken en instellingen bleven gehandhaafd, doch hetwelk de grondslag gelegd heeft, dat Rome's invloed zich immer gelden deden vooral in de laatste tijden.

In 1845 schreef de welbekende historieschrijver Merle d'AubignÈ: "het gevaar, dat thans de kerk van Engeland bedreigt is een der grootste waaraan zij ooit is blootgesteld geweest. Sommigen harer eerste zonen buigen voor Rome de knie. Velen laten zich, al is het ook dat zij nog protesteren tegen Rome, door zoveel dat van menselijke uitvinding is, meeslepen, dat zij toch reeds Rome halfweg tegemoet gaan".

Moet dit, helaas, niet gezegd van zovelen in ons Vaderland, die zich beroemen Calvinistisch te zijn, die voorname plaatsen innemen in de regeringen des lands; doch Rome halfwee tegemoet gaan?

Merle d' AubignÈ vervolgt: "De regering van Engeland wil het pausdom een gelijke plaats vergunnen onder de overige godsdiensten". (Dus gelijk recht voor alle gezindten). "Maar indien men weet dat "het Evangelie" slechts een volk welvarend kan maken, hoe kan men dan in verbond treden met zijn ergste vijand? Worden niet de hoofdleringen van het Christendom zoals: het Woord van God allÈÈn; de genade van Christus allÈÈn, de wedergeboorte door de Heilige Geest allÈÈn," volstrekt door het pausdom verworpen? Wat is bij Rome hoofdzaak: de uitwendige kerk, de paus en de betrekkingen met de paus.

Dat de Staat van Engeland op zijn hoe de zij! Het pausdom is minder ene "godsdienst" dan wel een "Staat". Overal tracht de priesterschap zich zelf tot een Staat in de Staat te maken. En de protestanten zelf beijveren zich om de baan voor Rome klaar te maken. Met Staatsmannen, op dit punt zo kortzichtig, zal het pausdom met reuzenschreden voorwaarts gaan. De Staat spreekt van een nieuwe "bondgenoot" te vinden, maar hij zal in plaats daarvan een "meester" krijgen.

Moet dit helaas niet gezegd van menig protestants Staatsman in Nederland? Men mag uitroepen op publieke vergaderingen: we worden voor te Rooms gehouden. Maar, hebt u ooit gehoord, dat een Calvinist rooms geworden is? Wij antwoorden rnet Merle d' AubignÈ: "de Calvinisten zelf beijveren zich om de baan voor Rome klaar te maken." Maar dan zullen we het ook ondervinden, dat we in plaats van een "bondgenoot" een "meester" zullen vinden.

"De phalanx van Rome (dat is het leger of de slagorde) rukt in alle landen voorwaarts en vertoont een dreigend front", zo gaat M. d' A. voort. Zal de kerk alleen strijden? Is ook niet de Staat geroepen Rome te weerstaan? Kunnen en mogen wij wel anders doen, dan een vijand het hoofd te bieden, die nimmer ophoudt ons aan te tasten? Het is beklaaglijk en verontrustend te zien, dat de Staatsmannen van Engeland in het ongelukkige denkbeeld verkeren, dat Rome zijn heerszucht zou hebben afgelegd; zijn ontwerpen opgegeven zou hebben en niet langer te mistrouwen zou zijn. Nooit is er onbegrijpelijker verblinding op te merken geweest. Dat de Staat van Engeland ontwake en op de gegrondheid zijner rechten Rome in bedwang houd. Laat Staat en kerk elk op eigen grond, moedig de vijand weerstaan."

Het is wel opmerkelijk hoe ook de bekende Da Costa te dierzelfder tijd een ernstig bezwaar opperde, dat de Staat van Engeland algehele politieke gelijkstelling van alle godsdiensten zou invoeren.

Ook in ons Vaderland heeft het beginsel van Calvijn diepe wortelen geschoten. Is elders de kerk opgenomen door de Staat; hier, is de republiek niet slechts met de kerk verenigd, maar zij is geboren uit de belijdenis der kerk. 'In andere landen mag het volk protestants geworden zijn, in Nederland is door de samenvloeiing van velen uit andere gewesten een protestants volk geboren. De Geref. Kerk was de kern en het middelpunt der natie. (Gr. van Prinsterer).

En de Staat? De Overheid? Wat was haar roeping? Ze werd geacht onderworpen te zijn, niet aan de kerk, maar aan het Hoofd der kerk, Christus Jezus, wiens gezag verbindend is ook over de koningen der aarde. Daarom verantwoordelijk alleen aan God, en Zijn Woord en Wet te achten als de eerste grondwet van de Staat.

De heiligheid der Goddelijke wet werd grondslag der burgerlijke wetgeving en naar 't beginsel van Calvijn de ere Gods zowel als het welzijn der onderdanen in bescherming genomen. Daarom werd geen afgoderij geduld; de ontheiliging van Gods Naam en dag strafbaar gesteld zowel als doodslag, dieverij, ontucht en vals getuigenis.

Door het Calvinisme is de Nederlandse Staat gesticht en is, het beginsel van GenËve's Hervormer in het Staatsrecht vastgelegd'.

Niet te verwonderen is het dan ook, dat, dit beginsel in de Nederlandse confessie, in art. 36 is omschreven. Een artikel, niet ontstaan uit papenhaat, maar gegrond in het grote Calvinistische beginsel van de ere Gods, dat de Overheid geroepen is, krachtens de wet van God te weren en uit te roeien alle afgoderij en valse godsdienst en het rijk van de Antichrist te gronde te werpen". Het is bekend hoe de Gereformeerde Kerken deze regel uit de belijdenis hebben geschrapt, hoewel tegen de adviserende stem van twee leden en met een betrekkelijke meerderheid van 24 tegen 16 stemmen. Wij achten dit een bedenkelijk verschijnsel en dat temeer omdat de Geref. Kerken hierin hebben gehandeld zonder andere binnen of buitenlandse Geret. Kerken te hebben gehoord. Zonder daarop nader in te gaan kunnen wij, wat betreft de opheffing van dit deel van onze belijdenis, het niet anders bezien, dan dat daardoor een der hoekstenen van het Calvinistische, reformatorische beginsel is losgewoeld en de ombuiging naar Rome hoe langs hoe meer vaster vormen aanneemt en men Rome steeds meer in het gevlei komt. Maar dit niet alleen, maar boven alle dingen de Ere en de Hoogheid Gods verloochend en vertreden wordt.

 

Calvijn te GenËve

Gedurende een reeks van jaren werd GenËve bestuurd door ene drievoudige macht, nl. de Bisschop, de Graaf, en de burgers. De Bisschop werd geacht de vorst der stad te zijn, die bij ede op zich nam, de rechten der stad te eerbiedigen en als soeverein erkend werd. De, Graaf droeg de titel van "vidomme", (onderheer) en oefende de rechterlijke macht uit, terwijl het volk. eenmaal per jaar vier gemachtigden verkoos, aan wie de Bisschop en Graaf moesten zweren, dat zij de rechten en vrijheden der stad zouden eerbiedigen.

Ontstonden uit deze drievoudige regeermacht dikwijls velerlei moeilijkheden, deze namen niet weinig toe, toen het huis van Savoye zijn heerszucht over GenËve wilde uitbreiden en de grafelijke macht aan zich trok en met alle macht de rechten en vrijheden der stad zocht te ondermijnen. Had nu de Roomse kerk in zijn Bisschop, die, gelijk wij zeiden als soeverein erkend werd, de zijde van het volk gekozen om te waken voor deszelfs rechten, dan hadden GenËves burgers wellicht niet zo ras zich afgescheiden van Romes kerk. Maar toen de Bisschop zich in de armen wierp van het huis van Savoye, brak hoe langs hoe meer de strijd los van GenËves inwoners zowel tegen de heerszucht van de Hertog van Savoye als tegen de trouweloosheid van de Bisschop. Bang is de strijd geweest die de inwoners van GenËve hebben gevoerd om hun vrijheid en zelfstandigheid te behouden, welke in dubbele mate is bekroond en geleid heeft tot staatkundige en godsdienstige vrijheid, dank zij de opoffering en heldenmoed van mannen als Bonivard, Berthelier en LÈvrier. Zij hebben voor de rechten en vrijheden van GenËve hun bloed veil gehad.

Zo werd de zaak der reformatie voorbereid, doordat de Roomse kerk en uit een staatkundig en uit een zedelijk oogpunt ten val neigde. In 1522 werd het Evangelie gepredikt, dat vooral toenam door het bondgenootschap met Bern, dat de reformatie was toegedaan. Het jaar 1530 kenmerkte zich door grote beroering; het verzet en verwerping van Romes dienst nam toe en openbaarde zich in daden van geweld. De kruisen werden verbrijzeld en de afkeer tegen de bedorven Roomse geestelijkheid was zo groot, dat deze in liet openbaar in hun geestelijk gewaad niet durfden verschijnen. De ketenen van Rome werden hoe langs hoe meer verbroken en dat vooral toen de vurige en onvermoeide Farel in Zwitserland en ook te GenËve verscheen om er de strijd met het pausdom aan te binden. Farel "de gesel der priesters", die niet zijn medestrijders Sauvier, Froment en Petrus Viret mogen genaamd de eerste hervormers van GenËve te zijn. Inzonderheid beefde Rome voor Farel, de onvervaarde die voor niemand terugweek. Waar hij predikte, waren strijd en beroering onafwendbaar. Gescholden werd hij door de priesters van Rome voor een duivel, die de gehele wereld beroerde. Maar Farel antwoordde: "Ik ben geen duivel, maar predik Christus Jezus en ben bereid om rekenschap te geven van mijn geloof en van mijn leer en haar te handhaven tot in de dood. Ik heb de wereld en deze stad niet beroerd, maar gij en de uwen hebben niet alleen deze stad, maar de gehele wereld in beroering gebracht door uw overleveringen, mensenvonden en uw ongebonden leven."

Zo werd het zaad des Evangelies gestrooid en hoe langs hoe meer verbreid.

Op de 21 Mei 1536 was de reformatie officieel door liet volk van GenËve, in algemene raad samengekomen, aangenomen. In het openbaar met opsteken der handen werd besloten en aan God beloofd en gezworen, dat allen eendrachtig met de hulp Gods willen leven voor het Woord Gods, willende laten varen alle missen. en andere ceremoniÎn en roomse misbruiken, beelden en afgoderijen en dat dit alles er toe kon leiden om in enigheid en gehoorzaamheid aan het recht te leven.

Men moet echter niet menen, dat nu de zaak der Hervorming, in GenËve er gunstig voorstond. Men stond voor ontzettende moeilijkheden. Immers de reformatie was voor velen in GenËve slechts een vrijmaking geweest van het juk van de Roomse kerk. Men wilde vrijheid voor zichzelf in de eerste plaats; de vrijheid der Christelijke Kerk was van minder belang. Ruw waren de zeden; onkunde, bandeloosheid en zedeloosheid tierden welig. Temidden van al die moeilijkheden arbeidde Farel, maar hoezeer een vurig prediker, hem ontbrak het organiseerend talent. Hij was meer geschikt om te veroveren, dan om te organiseren.

Een krachtige hand was nodig zou GenËve voor de Reformatie behouden blijven, en de verkregen staatkundige en godsdienstige vrijheid in de juiste bedding geleid. Gods genadige Voorzienigheid waakte over GenËve en zond Calvijn.

Deze was op reis naar Straatsburg en waar de naaste weg daartoe versperd was, zag hij zich genoodzaakt over GenËve te reizen, doch in die stad niet langer dan ÈÈn nacht te vertoeven. Toen had de welbekende ontmoeting plaats tussen Farel en Calvijn.

In de avond begaf Farel zich naar de plaats waar Calvijn vertoefde. Hij zette hem de toestand van GenËve uiteen en drong er op aan, dat hij daar zou blijven, om hem te helpen., Calvijn weigerde in het eerst. Hoe meer Farel aandrong, hoe meer Calvijn terugbeefde voor de taak hem voorgesteld. Hierop stond Farel op, en riep met zijn zware stem: "en ik, in de naam van de Almachtige God, verklaar, uw studiÎn zijn een voorwendsel. Indien gij weigert u met ons aan dit werk des Heeren te geven, God zal u vervloeken, want gij zoekt uzelf en niet Christus".

Nu was Calvijn overwonnen, alzo dat hij afzag van zijn voorgenomen reis, "niet zozeer omdat, gelijk hij het uitdrukte, "mij een raad en ene vermaning was toegediend, als wel door ene schrikwekkende bezwering, alsof God uit de hoge Zijn hand over mij had uitgestrekt om mij vast te houden".

Indien ooit op ene roeping het zegel Gods gezet is, dan is het wel op deze. De Heere zij geloofd, dat Hij door Zijn genade ongedacht hem deed ontmoeten en dat Hij hem, ondanks hetgeen bij overlegd had, te GenËve heeft laten vasthouden". Zo kon Farel terecht later schrijven.

GenËve, stad van Calvijn, waar deze rusteloos heeft gearbeid vanaf zijn komst in 1536 tot zijn overlijden in 1564, uitgezonderd zijn gedwongen verblijf in Straatsburg van 1538-1541.

Ontzaggelijk is de arbeid van Calvijn geweest, welke bestond in de reformatie in de rechte bedding te leiden; haar te handhaven en vast te maken; anderzijds had zijn arbeid betrekking op het Staatkundige leven in het grondvesten en ordenen van een Christelijke Staat, waarin de wet van God als de onveranderlijke grondwet werd gehuldigd en alle wetten en besluiten daarop gebouwd. Ten derde heeft hij gestreden voor de juiste verhouding van kerk en staat in het beginsel: "een vrije kerk in een vrije staat".

Hoe heeft Calvijn gearbeid? Waarin zocht hij zijn kracht? Is het niet in het gebed en smeking? Is het niet in onderwerping aan Gods Woord? Dit was het beginsel van Calvijn te GenËve, waarmee hij de strijd aanbond tegen; alles wat zich daartegen stelde: tegen Rome en Libertijnen en de valse geest van het Humanisme; tegen ongeloof en bijgeloof en alle revolutionair beginsel en dat alles voor de ere Gods.

Zo was dan Calvijn te GenËve. Met goedvinden van Farel begaf hij zich korte tijd naar Bazel om er zijn zaken te regelen. Teruggekeerd, begon hij tegen het einde van Augustus op te treden als Hoogleraar onder de titel van: Prof. der Heilige Schrift. in de. kerk van GenËve. In de St. Pieterskerk begon hij "met grote lof en tot groot nut" de brieven van Paulus te verklaren. Werd door Farel op de 5den September daarvan meedeling gedaan aan de Raad der stad, toch haastte deze zich niet om in het levensonderhoud van Calvijn te voorzien, want ongeveer vijf maanden daarna werden hem zes gouden kronen toegelegd.

Zo vestigde Calvijn zich te GenËve. Wonderlijk was het van de zijde Gods; bijna onopgemerkt van de zijde der mensen, zegt Prof. Doumergue terecht. Doch weldra zou de aandacht van GenËve en omgeving op hem gevestigd zijn.

Bern had besloten een openbaar twistgesprek te houden tussen de Roomsen en de Gereformeerden te Lausanne. Op de eerste Oktober nam dit een aanvang met een prediking van Farel. Deze had ook een tiental stellingen ontworpen, waarvan "de rechtvaardigmaking door het geloof", en "de lichamelijke tegenwoordigheid" de voornaamste onderwerpen waren, waarover zou worde gedisputeerd. Er waren 337 Roomse priesters uitgenodigd, waarvan er 174 verschenen waren, van welk aantal slechts enkelen hun geloof zochten te verdedigen. Van 10 kloosters waren er vertegenwoordigers waarvan slechts ÈÈn het woord nam. Zo ook van de Kanunniken was er slechts ÈÈn die sprak.

Farel riep uit: "het is u geoorloofd vrijuit te spreken; men disputeert hier niet met takkenbossen, noch met brandstapel, zwaard, gevangenis of pijnbanken, beulen doen hier geen dienst, maar de waarheid der Schrift en de Waarheid is krachtig genoeg tegenover de leugen. Indien gij de waarheid hebt, komt er dan mee voor de dag!"

Tot 5 Oktober had Calvijn gezwegen, omdat Farel en Viret afdoende antwoorden gaven. Maar toen stond een der Roomsen op met een lang, doorwrocht stuk, om Farel en Viret te weerstaan, en te beschuldigen, dat zij in zake de werkelijke tegenwoordigheid van Christus bij het Avondmaal de oude leraars der kerk: verachtten.

Nu kwam Calvijn naar voren om deze beschuldiging te weerleggen en dat op zulk een wijze, dat allen verbaasd stonden. Hij bracht, en dat voor de vuist, de gevoelens van verschillende oudvaders naar voren en bewees, dat de Gereformeerden hun geschriften beter kenden dan de Roomsen en eindigde met de woorden aangaande het Avondmaal: "het is ene geestelijke gemeenschapsoefening, door welke Christus krachtig en daadwerkelijk ons deelgenoot maakt van alle genade, die wij uit Zijn lichaam en bloed kunnen ontvangen, alles geestelijk, d.w.z. door de band van Zijn Geest".

Verrassend was de uitwerking. Een Fransiscaner monnik sprong op en verklaarde dat hij nu zich verlicht gevoelde en overtuigd van de waarheid der leer, die men naar het Evangelie onderwezen had. Hij vroeg vergeving aan God, tegen Wien hij gezondigd, aan het volk, dat hij misleid had en, verklaarde, dat hij de regel, het kleed en de orde de Fransiscanen liet varen, om als Christen te gaan leven.

Farel riep uit: "O, wat is God groot, wijs en goed! Hij heeft medelijden gehad met het arme schaap, dat in de woestijn dwaalde en heeft het in de heilige stal gebracht."

In drie maanden tijd verlieten meer dan 80 monniken en meer dan 120 pastoors de Roomse kerk en gingen tot de Reformatie over. De raad van Lausanne besloot, dat de huizen van ontucht zouden worden afgebroken en de ontuchtige vrouwen uit de stad gejaagd zouden worden; de Roomse godsdienst zou worden afgeschaft en alle beelden en altaren in de kerken en kloosters "zonder tumult" neergeworpen worden.

Dit alles was oorzaak, dat Calvijn algemeen als leider erkend werd. Hij schreef aan zijn vriend DaniÎl dat men op vele plaatsen begonnen was de afgodsbeelden en altaren omver te werpen en voegt er bij: "God geve, dat de afgoderij uit aller harten weggedaan worde."

Was Calvijn feitelijk een vreemdeling voor de stad GenËve; was de verwachting jegens hem in het begin niet hoog gespannen, spoedig zou openbaar worden, dat GenËve "een krachtig profeet in haar midden had".

Machtig was de strijd van Calvijn om de verhouding van Kerk en Staat naar de Heilige Schrift vast te stellen, de kerk te organiseren en te bepalen welke gedragslijn men naar het Woord Gods te volgen had.

Al zijn krachten en gaven heeft hij ten koste gelegd om de juiste verhouding te verkrijgen tussen kerk en staat. Een arbeid welke gans niet gemakkelijk was. Had voorheen Romes kerk in haar bisschop het oppergezag in handen, heerste dus de kerk over de Staat, toen dat bisschoppelijk gezag begon te wankelen en de roomse hiÎrarchie werd afgeschud, trok de magistraat of burgerlijke regering van GenËve, dat gezag naar zich toe en meende zeggingsschap te hebben over de kerk, dus juist het tegenovergestelde dan tevoren. Nu ontstond het gevaar, dat de Staat over de kerk zou gaan heersen. En hiertegen bond Calvijn de strijd aan en het heeft hem zelfs zijn 2,5 jarige verbanning uit GenËve berokkend.

Met vaste hand toog hij aan 't werk om de kerk te organiseren. Verschillende artikelen werden opgesteld over "de regering der kerk" en aan de overheid aangeboden en op 10 Nov. 1536 gelezen en aangenomen. In die artikelen werd het doel aangegeven, waarvoor zij opgesteld waren, "nu het God behaagd had" Zijn rijk iets beter te GenËve te vestigen", n.l. welke gedragslijn men te volgen had, volgens het Woord van God. Dit was het richtsnoer van Calvijn, gelijk het dit altijd zal behoren te zijn, zal het een volk welgaan. Het Goddelijk getuigenis is de onveranderlijke grondwet van het koninkrijk der hemelen, waarop alle wetten in kerk en staat hebben te steunen; daaruit getrokken, daarop gebouwd.

Breedvoerig spreken die artikelen van het Heilig Avondmaal, door Christus ingesteld tot een voortdurende oefening van ons geloof en van onze liefde, en waaruit de gelovigen zo grote vertroosting ontvangen. Dat ingesteld is om de leden van Christus met hun hoofd en onderling in ÈÈn lichaam en ÈÈn geest te verenigen. Daarom mag het niet verontreinigd worden door hen, die door ongerechtig leven zich openbarend, geen deel aan Christus hebben. Want door de ontheiliging van Zijn Sacrament wordt de Heere zeer onteerd. Door onze nalatigheid mag zulk ene ontering Gods niet plaats hebben, daar de Apostel een zwaar oordeel zulken aanzegt, die dit sacrament onwaardig gebruiken. Het is daarom nodig, dat zij, die de macht daartoe hebben, er orde op stellen, dat zij, die tot deze gemeenschapsoefening komen, "geijkte leden van Jezus Christus zijn".

Daarom heeft de Heere in Zijn kerk de tucht en de ban ingesteld, door welke zij, die onchristelijk wandelen en die na vermaan weigeren tot de rechte weg terug te keren, uit het lichaam der kerk worden geworpen en afgesneden als verrotte leden, totdat zij tot verootmoediging en tot erkentenis hunner schuld en ellende komen.

Men merkt hier aanstonds uit, hoe Calvijn de organisatie der kerk met vaste hand aangrijpt. Het recht van uitvoering van tucht en kerkelijke ban werd der kerk toegestaan; verder mag de kerk niet gaan. "Maar indien er onverlaten waren, die er mee lachen, dat zij in de ban werden gedaan en die er zich niet over bekommerden, in zulk een verwerping te leven en te sterven, dan zou het aan de Overheid staan om te oordelen, of men op de duur zulk een verachting en zulk ene bespotting van God en zijn Evangelie mocht dulden en ongestraft laten?

Het recht der tucht behoort dus aan de kerk, leerde Calvijn. Diep verschil was er des aangaande tussen de tucht, door Calvijn ingesteld, en die van Bazel of Bern. Bij de tucht in die stede werd de ban of afsnijding eerst betwist, daarna verworpen. Volgens Calvijn Moest deze gehandhaafd worden. Daarbij werd te Bazel en elders het recht van de Staat tot het uitoefenen van tucht erkend. Calvijn daarentegen kon dit niet toegeven. Waarlijk niet gering was zijn strijd, waar verschillende synoden uit die tijd niet in zijn inzichten deelden. Zo de Synode van Aarau, welke het recht der kerk betwistte tot uitvoering van de ban op grond, dat de Roomse kerk het misbruikt had en de kerken voortaan onder christelijke overheidspersonen zouden staan.

Hoge eerbied had Calvijn voor het Heilig Avondmaal. Voor het heilig houden van dat Sacrament moest "de Kerk" waken. Dit mocht de Staat of de overheid niet doen. Dit zou heiligschennis zijn. In hetgeen Calvijn leerde des aangaande is dan ook dat beginsel geboren, dat de staat niet bevoegd is, noch middellijk, noch onmiddellijk, zich te mengen in de dingen van de Kerk.

Behalve de artikelen over de regering der kerk verscheen ook weldra ene Catechismus tot onderwijzing van de jeugd. De Roomse kerk had ook dit op droeve wijze verwaarloosd. Trouwens, het is het heilloze beginsel van Rome de leken zoveel mogelijk blind en onkundig te houden van de Waarheid. Hoe kunnen die landen daarvan spreken, waar Rome de heerschappij in handen heeft. De fakkel der Waarheid zet het onder een korenmaat. Rome kan de Waarheid niet dulden, noch verdragen, ook nu nog niet.

Het gehele onderwijs der jeugd, voor de reformatie, bestond in niet meer, dan dat aan de doopvaders de plicht opgelegd werd' de kinderen, het "Onze Vader" en "de 12 Artikelen" te leren. Moesten nu de kinderen van hun zevende jaar ter biecht gaan, dan werden zij ondervraagd over het "Onze Vader" en "de 12 Art." Zo had dus de biecht de catechisatie vervangen.

De reformatie bracht daarin grote verandering. De instelling van het catechetisch onderwijs is waarlijk niet de geringste vrucht van het grote werk der reformatie. De reformatoren stelden zich ook hierin op de grondslag der Heilige Schrift. Want "het catechetisch onderwijs is naar de Schrift en uitdrukkelijk van God geboden". Met nadruk mag dit gezegd. Noodzakelijk daaraan te worden herinnerd, waarin deze jammerlijke tijden niet alleen door zovele jonge mensen dat onderwijs wordt verwaarloosd; aan spel en zingenot, aan voetbalveld en bioscoop de voorkeur gegeven wordt, maar ook, helaas, zovele ouders zich slap aanstellen jegens hun kinderen.

God gaf aan Abraham bevel zijn huis te catechiseren.

In 1537 verscheen de eerste Franse Catechismus van GenËves kerk, en in 1541 een tweede. Hoe komt ook in de Catechismus het krachtige beginsel van Calvijn uit. "Het getuigt van overweldigenden, doordringenden ernst, die nooit koud wordt" schrijft Prof. Doumergue.

Treffend is het begin: "dat alle mensen geboren zijn om God te kennen. Daar het alzo is, dat men geen mens vindt, hoe barbaars en wild bij zij, of bij heeft enige kennis van religie, zo is het duidelijk, dat wij allen geschapen zijn om de Majesteit van onze Schepper te kennen, en om, als wij die leerden kennen, Hem boven alles te achten en Hem te eren met alle ontzag, liefde en eerbied, die in ons zijn.

Maar, de ongelovigen latende rusten, die alles doen om uit hun gedachtenis de kennis Gods, die in hen geplant is, weg te doen, moeten wij dit belijden, dal wij, God vrezende, denken, dat dit broze leven, dat weldra zal eindigen, niets anders mag zijn dan het bedenken van de eeuwige dingen. Nu kan men het onsterfelijke en onvergankelijke leven alleen in God vinden. Daarom moet het onze voornaamste zorg zijn, in dit leven God te zoeken, met al de liefde van ons hart naar Hem uit te gaan, om alleen in Hem te rusten."

Hoe treffend is dit begin. Hoe nadrukkelijk en ernstig het woord, dat dit broze en kortstondige leven slechts een bedenken van de eeuwige dingen mag zijn.

Op niet minder schone wijze omschrijft Calvijn de ware Godsvrucht.

"De ware Godsvrucht is niet gelegen in de vrees voor het oordeel Gods, maar bestaat veeleer in een zuivere ijver, om God als zijn Vader te beminnen en evenzeer te eren als de Heere; Zijn rechtvaardigheid te omhelzen en meer een afkeer te hebben van Hem te beledigen dan van te sterven."

En van het geloof verklaart hij, dat God niet wil, dat wij tot wanhoop zullen vervallen, en dat "in Christus Zijn aangezicht glanst vol van genade en welbehagen", terwijl hij vervolgens met allen nadruk er opwijst, dat geloof is een zaak des harten, en niet een blote kennis, welke naar de hersenen vliegt zonder het hart te raken, maar een standvastig en sterk vertrouwen van het hart".

Spreekt Calvijn van het gebed, hoe dit "ene zuivere neiging van ons hart" behoort te zijn dan is daarin bijzonder aantrekkelijk wat hij van de 4e bede verklaart van het gebed des Heeren: "geef ons heden ons dagelijks brood".

"Door deze bede", zegt hij, "bevelen wij ons aan de Goddelijke Voorzienigheid aan, en geven wij ons aan zijn zorg over, opdat Hij ons voede, onderhoude en beware. Want de goede God versmaadt het niet, ook ons lichaam onder Zijn hoede te nemen, om ons vertrouwen op Hem door lichte en kleine zaken te oefenen opdat wij van Hem al wat wij nodig hebben zouden wachten, n.l. tot het minste kruimpje brood en een droppel water".

En zijn laatste slotwoord is, dat de opbouwing in het ware geloof alleen te bereiken is door "een, ernstige vrees Gods; oprechte Godsvrucht en reinheid van zeden, die geen huichelarij is". Hoe ontdekt zich in dit leerboek, het stoere Calvinisme, het echte reformatorische beginsel, dat beslag legt op de gehele mens in zijn wezen of zijn en in zijn openbaring. Afschrikwekkend is Calvijn voor allen, die een valse vroomheid najagen; voor allen die het leven uit een geschonken geloof verachten; voor allen, die zich wel tooien met de naam van navolgers van Calvijn, maar een afkeer hebben van de ware vrees Gods. Laat men in onze dagen eens weer een aanvang maken met het beginsel van Calvijn na te speuren; hoeveel, dat nu met de naam van "Gereformeerd" wordt bestempeld, zal dan verdorren.

De macht des ongeloofs is niet gering te achten; het revolutionaire beginsel kankert voort. Duizenden worden daardoor meegesleurd ten verderve; alle grondslagen der menselijke samenleving naar het Woord Gods, worden daardoor ondermijnd en verbroken. We ontveinzen het niet: die macht is te vrezen, niet minder dan Rome. Maar evenzeer zijn we overtuigd dat dit rampzalige en verdervende beginselen van ongeloof en bijgeloof alleen zijn te bestrijden, en wel met vrucht door het beginsel, dat door Calvijn gedurig en in al zijn werken naar voren wordt gebracht.

Hebben Godsvrucht, goede trouw, ingetogenheid en matigheid ons volk niet groot gemaakt? "Godsvrucht", die in alles doet vragen naar de rechten des Heeren, om ze te 'belijden en te beleven goede trouw" die zich kennen deed in de gehele samenleving en in alle maatschappelijke verhoudingen. Ingetogenheid, het sieraad van Nederlands jongelingschap, van de zonen als ook van de dochteren der verenigde Nederlanden, "matigheid" dat ons gehele volksleven karakteriseerde, toen de vrees des Heeren als het beginsel van alle ware wijsheid het heersende beginsel was. Dit is het Calvinisme in zijn kracht, in zijn geur, in zijn bloei, in zijn vruchtdragend karakter, tot heil van kerk, staat en maatschappij. Calvijn heeft door Goddelijke genade van boven verlicht, deze beginselen uitgestippeld.

Vergelijkt er onze tijd mee, en wie moet het niet droef te moede zijn?

Was de Catechismus bestemd voor het opkomend geslacht, men had ook het oog op de volwassenen. Men kwam voor de vraag te staan: wie moet men tot leden der kerk aannemen en wie afwijzen? De "artikelen" antwoordden hierop, dat alle inwoners der stad belijdenis hadden te doen en rekenschap van hun geloof te geven, om te weten, wie het Evangelie toestemmen en wie daarentegen begeren tot het rijk van de paus dan tot het Koninkrijk van Jezus Christus te behoren.

Hoe krachtig doet Calvijn in deze laatste zin opnieuw uitkomen de grote tegenstelling tussen "het rijk van de paus en het koninkrijk van Christus." Die onderdaan is in het rijk van de paus, is vijand van Christus en Zijn Evangelie. Een ieder, die dan ook in coalitie treedt met Rome, het gezantschap van de paus handhaaft, er geen gevaar in ziet dat Rome zijn processies houdt, verloochent het Calvinistisch beginsel, doet het koninkrijk van Christus oneer en smaadheid aan, ja, breekt het koninkrijk van Christus af en steunt de macht der duisternis. Onbegrijpelijk is het hoevelen zijn verblind en door het sirenengezang van Rome in slaap gewiegd. Ontzettend noemen wij het, hoe de Gereformeerde jeugd in ons vaderland wordt bearbeid en geleerd wordt. Het is nog maar kort geleden, dat schrijver van deze artikelen met enige kinderen, doopleden der Gereformeerde Kerken, in aanraking kwam in een van onze grote steden; jongens en meisjes van 12-16 jaar en zonder dat schrijver van deze art. er de geringste aanleiding toe gaf, begonnen te spreken over de Rooms-katholieke kerk en - de coalitie. "Rome was niet meer het Rome der 16e eeuw. Het had zich in vele opzichten hervormd en verbeterd. Het gevoelt zeer veel voor onze kerken en onze leer. Het belijdt met ons een Drie-enig God. In de hoofdpunten der leer is de Rooms Katholieke kerk het met ons eens. Wij behoren daarom samen te gaan om te strijden tegen het socialisme en het communisme. Dit zijn onze vijanden," enz. Commentaar overbodig. Wie moet zich niet ontzetten en tegelijk smartelijk bedroefd zijn, als Nederlands Gereformeerde jongelingschap en Nederlands dochterenschaar aldus gaat spreken; zodanige gedachten en zodanige beginselen in hun zielen gekweekt worden? Dit moet uitlopen op de ondergang van het Protestantisme en een zee van ellende brengen over ons vaderland. Ach, wanneer zal men ontwaken. Is het niet vreselijk en tegelijk onbegrijpelijk, dat degenen, die roepen tegen zulk een treurige afglijding, tegen zulk ene verbastering; die roepen: wees op uw hoede voor Rome; blijft staan, keert terug met uw beide voeten op de zuiver Calvinistische grondslag, op fundament van Gods getuigenis, dat deze uitgescholden worden voor antipapisten, beroerders van ons volk, dwepers en dompers, die hun tijd twee eeuwen achter zijn, die hun tijd niet begrijpen en daarom met hun tijd niet meedoen?

Neen, voor de zoveelste maal herhalen wij, dat wij de gevaren der revolutionaire partij niet onderschatten, de beginselen der revolutie vreselijke verwoestingen over de wolken brengt en reeds heeft gebracht. Maar evenzeer zijn wij overtuigd, dat het beginsel van Romes kerk niet minder verwoestend is. Het zijn beiden openbaringen van de macht der duisternis, welke zich stelt tegen het koninkrijk van Christus.

Waarlijk, Rome is niet veranderd. Het streeft met onbezweken volharding naar hetzelfde doel; beoogt niet anders dan ons de Waarheid Gods, de zaligheid van onze ziel. onze heiligste rechten en vrijheden te roven. Nooit heeft het de reformatie erkend als liet werk Gods, maar gebrandmerkt, ook nu nog, als des duivels werk. Nooit herroepen de gruwelen en martelingen onze vaderen aangedaan; 'het heeft nog altijd de vervolging der Christenen goedgekeurd en ware het in zijn macht, het zou zich niet minder verlustigen in het branden en blakeren der Christenen en in het wassen hunner handen in het Geuzenbloed.

Rome werkt door. De "paapse stoutigheden" verdubbelen. Het grijpt naar de macht. Het zoekt het protestantisme te verpletteren. Hoe driest treden de heren Dominicanen op, allerwege in ons land. Grote conferenties zoekt men te houden op onderscheiden plaatsen, aangekondigd door publieke strooibiljetten onder het sirenenliedje, dat aan zodanig optreden elke agressieve bedoeling vreemd is en men geen krenking van iemands overtuiging bedoelt; ja, eendracht en godsdienstige verdraagzaamheid zoekt te behouden. Geen agressieve bedoeling. We weten, wat dit woord van Roomse lippen gesproken bedoeld, en dat temeer als we de lijst van onderwerpen nagaan, waarover de paters Dominicanen zullen spreken, zoals:

a. Gewetensvrijheid en Rooms leergezag.

b. Rome en Bijbel.

c. De onfeilbaarheid van de paus.

d. Roomse gebruiken.

e. De biecht.

f. Mariaverering.

Wat beoogt dit anders dan een beroving van onze heiligste belangen? Een versmaden en verwerpen van Gods getuigenis? Een in de plaats stellen van het woord eens mensen? Een verheerlijken van het pausdom? Waarlijk, waar zodanige vergaderingen worden belegd en nadrukkelijk "alleen toegankelijk voor niet-katholieken", dan behoeven we inderdaad niet veel woorden te verspillen, om aan te duiden dat aan zodanige conferenties wel terdege een agressieve bedoeling ten grondslag ligt.

Wanneer zal Nederland ontwaken? Wanneer de dag aanbreken, dat het Calvinistische beginsel naar het Woord Gods zich weer fier en fris zal ontplooien en de strijd aanbinden op het heilig erf over de gehele linie tegen de machten der duisternis?

Christenheid van Nederland wordt wakker! Gij, die God vreest, ontwaakt! Inzonderheid, indien gij voorgangers van het volk bent. Of gaat U de ere des Heeren niet ter harte? Bekreunt u zich niet over de vertroebÈling der beginselen? Schaart u met ons onder biddend opzien tot God, die Wonderlijk is van raad en machtig van daad. Hoe menigwerf heeft de Heere verlossing gewerkt vanouds af en dat door geringe beginselen. Al zijn we dan klein en veracht, al worden we gesmaad, zo God voor ons is, wie zal tegen ons zijn? Ach, dat God gave dat de eenheid van het ware! Gereformeerde volk hersteld werd, om, als in de dagen vanouds, de vlag der aloude, beproefde, reformatorische beginselen te ontplooien.

Zo werd dus de catechismus gevolgd door een stuk, getiteld: "belijdenis van het geloof, welke alle burgers en inwoners van GenËve moeten bezweren te bewaren en te houden, getrokken uit het onderwijs, dat men in de kerk gebruikt".

Aan de Overheid werd het volgende voorgesteld: "het zou ene handeling, een christelijke magistraat waardig, zijn, indien gij, heren van de raad, in uw raad belijdenis deed, waardoor men verstond, dat de leer van uw geloof waarlijk die is, door welke alle gelovigen in ÈÈn kerk verenigd zijn. Want door uw voorbeeld zoudt gij tonen, wat ieder te doen had, die u vervolgde, om daarna enkelen van uw college te ordonneren om in vereniging met de een of anderen Dienaar des Woords, van ieder te eisen hetzelfde te doen, en dit zou slechts voor die leer zijn, voor zover men nog niet weet, welke leer ieder is toegedaan, hetgeen het rechte begin van een kerk is".

Uit deze woorden wordt duidelijk, hoe Calvijn zich spitste op dat grondbeginsel: "dat de kerk rust op de particuliere of individuele belijdenis van het geloof".

In de uitvoering hiervan werd duidelijk hoezeer de organisatie der kerk en de verhouding van Staat en Kerk al te zeer werden dooreen gemengd, waaruit weldra een bittere strijd zou ontstaan. Men moet zich verplaatsen in de tijd, waarin men leefde. Het roomse juk was afgerekend; maar nu trok de overheid die macht naar zich toe, om op haar beurt over de kerk te heersen. Niet aanstonds werd die strijd openbaar, maar weldra zou de vlam uitslaan. Hoewel de grootste meerderheid van het volk tot de belijdenis van het geloof toetrad, waren er onderscheidenen, die het niet deden, maar hun tijd afwachtten om Calvijn en Farel te weerstaan.

Grote moeilijkheden ontstonden door de verschijning der Wederdopers te GenËve, dra gevolgd door de aanklacht van Caroli, die de reformatoren beschuldigde van Arianisme. Maar dit was nog maar een begin. Er waren andere verschijnselen, veel meer onrustbarend te achten. Het was de Libertijnse geest.

Calvijn had een raad gehad, die, wat de belijdenis betrof, naar hem horen wilde; wat de tucht betreft, kreeg hij met een weerbarstige raad, met ene onwillige overheid te doen. GenËve wilde de bisschop niet meer terug hebben en verlangde daarom het Protestantisme te belijden. Dit doel was bereikt door de belijdenis van het geloof. Maar waren "daarom" de mannen van GenËve waarlijk "Gereformeerd"? Ver van dien. Inzonderheid bleek dit bij velen van de Overheid. Men betrad een dubbelzinnig pad. Men kon strenge kerkelijke bepalingen ten opzichte van de tucht goedkeuren, en tegelijk was men het heimelijk eens met hen, die volstrekt afkerig waren van Calvijn en van een strenge tucht over "leer en leven beide" niet gediend waren. Hun gedachten waren, dat een zwartgallig man gelijk Calvijn de "genoegens" van een gehele stad niet mocht bederven. Deze partij wilde slechts "in schijn", doch niet in "waarheid" gereformeerd zijn. Men verlangde geen kerkelijke tucht. Calvijn wilde met volle hart, dat zedelijkheid en Godsdienst, leer en leven hand aan hand zouden gaan, en dat de kerk vrij, onafhankelijk zou zijn, door geen macht of Overheid gebonden. Voor deze twee zaken heeft hij zijn leven opgeofferd.

GenËve was een stad, waarin men van allerlei vermaken hield; van spel en dans, enz.; vooral was dit met de Libertijnen het geval. Deze in Calvinisten om te zetten, wie vermocht dit? De vrijheidszucht van de vrije mens moest behouden blijven. Maar de Libertijn zette die vrijheid maar al te zeer om in losbandigheid en daartegen bond Calvijn de strijd aan. Dit doel had Calvijn helder voor ogen.

Want, schrijft hij: "daar het God behaagde ons uit de duisternis te verlossen, waarin wij waren, en Hij ons wilde verlichten, om ons de weg des heils te doen kennen, zo zijn wij des te geschreven schuldiger, wanneer wij onze plicht verzuimen, gelijk geschreven is: de dienstknecht, die de wil van zijn Meester geweten heeft, en niet gedaan zal hebben, zal met dubbele slagen geslagen werden. Daarom moeten wij niet verwonderd zijn, als de Heere ons bezoekt. Wee de Christenen, die van Christus niets anders hebben dan de naam. Het Evangelie is geen leer voor de tong, maar voor het leven. Men moet allen die er genoeg aan hebben het Evangelie in de mond te hebben en het door hun leven verachtelijk verwerpen, gans verfoeien."

Zo wilde Calvijn leer en leven ÈÈn hebben. Een waarlijk Christelijke Staat; een, christelijke stad, een, christelijk huis en, christelijke mensen. Zo bouwde hij GenËve.

 

Calvijns verbanning

Het werd een zware strijd te GenËve. Een moeilijke tijd zou aanbreken voor Calvijn. Harde woorden werden er tegen de predikanten gesproken,. Werd door deze bepaald, dat "degenen, die bij de eenheid der gelovigen, een wanklank zijn, en die verdeeldheid zaaien, niet aan het H.. Avondmaal mochten komen", daar stelde de raad zich daartegen en verklaarde, dat men niemand het Avondmaal weigeren zou. Zo ontbrandde de strijd over de kerkelijke tucht, waarbij kwam, dat men de predikanten niet wilde toestaan dat zij in hun prediking de Overheid zouden berispen en hun handelwijze zouden bekritiseren. In het kort gezegd: de Predikanten moesten een kniebuiging doen voor de Overheid en zich aan haar onderwerpen, het zich laten welgevallen, dat deze zeggingschap had in het inwendig bestuur der kerk.

De opwinding nam steeds toe. De tweedracht ontvlamde. Men dreef de spot met de predikanten, inzonderheid met Calvijn en Farel. Een vriend van Calvijn schreef hem: "Ik zie de storm" ik zie het onweer opkomen; satan is woedend; hij is u aan het ziften. Ik zie dat de Raad niet oprecht is en dat de steun der Berners niet getrouw is."

En Calvijn? Hoort wat hij schrijft: "Deze zeer ellendige toestand is te wijten aan het feit, dat er geen tucht is. Wij zullen geen duurzame kerk hebben, zolang de oude, dat is de Apostolische tucht, niet hersteld is, waarvan het gemis zich in vele opzichten doet gevoelen."

De storm stak op. Zes leden, die aan de zijde der predikanten stonden werden uit de raad geworpen onder voorgeven, dat zij verraad gepleegd hadden, hoewel zij onschuldig waren. Zij vielen als offer van partijhaat.

Het grote beginsel van Calvijn was, dat de kerk vrij zou zijn in het handhaven der tucht naar het Woord Gods, en ook, dat men op de kansel vrij zou zijn om te spreken, te getuigen tegen de zonde en Overheid en onderdaan wijzen op hun schuldige plicht. Calvijn is het, die naar onze bescheiden mening, het fundament gelegd heeft, dat de kerk onafhankelijk moet zijn van de Staat, en niet belemmerd mag worden in haar inwendig bestuur en wetten. Een kerk, waarvan de Staat de deur opent of sluit, is geen kerk.

Bij de reeds genoemde geschillen kwam nog de strijd over de feesten. Te Bern vierde men Kerstmis, Pasen, Hemelvaartsdag en Pinksteren, terwijl te GenÈve de feestdagen waren afgeschaft. Nu wilde de raad van GenËve, dat de predikanten zich zouden voegen naar het ceremonieel van Bern. Dat de raad dit wilde, was niet uit behoefte, maar veel meer uit het beginsel dat de Overheid zeggingschap had over de kerk.

De grote dag brak aan, de 19e April. De raad van GenËve is vergaderd en heeft de missive van Bern; toont deze aan Farel en Calvijn, leest haar voor en zonder zich te storen aan de, vraag der predikanten., om geen nieuwe zaak te willen doen, voor de synode van Zurich, verklaart de raad zich meester van de predikstoel, alsook van de Avondmaalstafel. Een ambtgenoot van Farel en Calvijn, Coraud genaamd, (een gewezen augustijner monnik, in 1534 uit Parijs ontvlucht en te Bazel aangekomen, waar hij het gezicht verloor; daarna te, GenËve, prediker), deze Coraud werd door de raad verboden te prediken, omdat hij de regering beledigd had, totdat er recht gedaan zou zijn over de woorden, die hij gebruikte. Bepaal