Des zondaars heiligdom
of
ontdekking van de heerlijke voorrechten, aangeboden aan de boetvaardigen en gelovigen onder het Evangelie
Veertig predikaties over Rom. 8:1-15
door
Mr. Hugo Binning
in leven bedienaar van het Heilig Evangelie
te Goven in Schotland
Uit het Engels vertaald door
Jacobus KoelmanOpnieuw uitgegeven onder toezicht van J. Nieuwland
Met een voorwoord van J. W. Felix, predikant te Heeg
Inhoud
Voorwoord
*Des zondaars heiligdom
*1e Predikatie, Rom. 8:1
*2e Predikatie, Rom. 8:1
*3e Predikatie, Rom. 8:1
*4e Predikatie, Rom. 8:1
*5e Predikatie, Rom. 8:1
*6e Predikatie, Rom. 8:1
*7e Predikatie, Rom. 8:2
*8e Predikatie, Rom. 8:2
*9e Predikatie, Rom. 8:2
*10e Predikatie, Rom. 8:3
*11e Predikatie, Rom. 8:3
*12e Predikatie, Rom. 8:3
*13e Predikatie, Rom. 8:3
*14e Predikatie, Rom. 8:4
*15e Predikatie, Rom. 8:4
*16e Predikatie, Rom. 8:4
*17e Predikatie, Rom. 8:5
*18e Predikatie, Rom. 8:5
*19e Predikatie, Rom. 8:6
*20e Predikatie, Rom. 8:7
*21e Predikatie, Rom. 8:7
*22e Predikatie, Rom. 8:8
*23e Predikatie, Rom. 8:9
*24e Predikatie, Rom. 8:9
*25e Predikatie, Rom. 8:9
*26e Predikatie, Rom. 8:9,10
*27e Predikatie, Rom. 8:10
*28e Predikatie, Rom. 8:10
*29e Predikatie, Rom. 8:10
*30e Predikatie, Rom. 8:11
*31e Predikatie, Rom. 8:11
*32e Predikatie, Rom. 8:12.
*33e Predikatie, Rom. 8:12
*34e Predikatie, Rom. 8:13
*35e Predikatie, Rom. 8:13,14
*36e Predikatie, Rom. 8:14,15
*37e Predikatie, Rom. 8:15
*38e Predikatie, Rom. 8:15
*39e Predikatie, Rom. 8:15
*40e Predikatie, Rom. 8:15
*
Het grote einde, waartoe de Heere hier op aarde Zijn gelovigen roept, is gemeenschap met Hem te oefenen. De zonde was een scheur geworden tussen de Schepper en Zijn schepsel, en had elke oefening van gemeenschap onmogelijk gemaakt; want bij de gevallen mens bestond geen weg om tot God te gaan: in zijn geweten was geen aanmoediging om zich voor God te vertonen; in zijn hart was geen liefde, door welke hij in gemeenschap met God wandelen kon. Maar wat onder de bediening van de Wet (die door de zonde krachteloos was geworden, om het geringste goed in ons te verwekken) onmogelijk was geworden, dat heeft God gedaan door de oprichting van het verbond der genade, waarin Hij alles oplegde, wat nodig was tot een eeuwige gemeenschapsoefening tussen Zich en de grootsten van de zondaren.
Die gemeenschap ontstaat ten eerste uit de bekendmaking en prediking van het Evangelie van de genade, voor zover de Persoon van Christus daardoor gelovig wordt aangenomen. Dit verklaart Johannes (1e brief 1:3) "hetgeen wij dan gezien en gehoord hebben, dat verkondigen wij u, opdat ook gij met ons gemeenschap zoudt hebben, en deze onze gemeenschap ook zij met de Vader en met Zijn Zoon Jezus Christus". In een ander werkje heeft de schrijver van dit boek, uitmuntend aangetoond, hoe de verklaring, welke God van Zichzelf gegeven heeft in het aangezicht van Christus Zijn Zoon, niet slechts voor alle arme zondaren een grond van vrijmoedigheid is, om tot deze heerlijke God te komen en in Hem te geloven; maar tegelijk een zekere grond, om hier reeds als schuldige en onbekwame zondaren met God, als een verzoende Vader gemeenschap te oefenen. Het Woord is hierin de spiegel van het eeuwige Woord Jezus; het is de schilderij waarin Jezus’ bloed ons dagelijks als een verse en levendige weg wordt afgebeeld; het is de welgebaande weg, waarin God Zijn aangezicht, ja zelfs Zijn hart ons komt ontdekken; het is de beloften bundel die God de arme zondaar toereikt, opdat hij daarin door het geloof alles zou vinden, wat hij tot gemeenschap met God behoeft.
Evenwel is het Woord op zichzelf ongenoegzaam om ons in de gemeenschap met de Driemaal Heilige God te herstellen. Want gelijk die gemeenschap een bloem is, die in het slijk van de zonde niet groeit, zo kan elke bespatting van dat slijk haar kelk sluiten. Daarom is er toe nodig een nieuwe natuur, geschapen door de Heilige Geest in onze harten, en bij die nieuwe natuur een geestelijke wandeling in de doding van de zonde, en in de gedurige afwassing van alle zondenvuil. En dit is het voornamelijk wat Hugo Binning in dit werk voorstelt. De noodzakelijkheid van een geestelijk leven en van een geestelijken wandel, om te genieten de gemeenschap met God. Hier aanvankelijk door de Geest der hoop, en hiernamaals door de Geest der heerlijkheid. De lezer kan daaruit afleiden de waarde van dit werk.
Ik behoef niet te zeggen, wie Binning was, want zijn spraak heeft hem openbaar gemaakt, aan allen, in wier hart iets van de wegen Gods gevonden wordt. Ik behoef ook Binning niet aan te prijzen. Want men heeft mij gevraagd een voorwoord te schrijven, en ik heb dat toegestemd, omdat ik daardoor openlijk betuigen wil, dat ik Binning lief heb; dat ik van hem heb mogen leren; dat ik menigwerf met hem, de nu reeds lang overledene, in zijn schriften een innige gemeenschap heb mogen oefenen; en dat ik van God bid, dat de wetenschappelijke dwaasheden van onzen tijd toch eens plaats maakten voor de grondige, geestelijke onderzoekingen in ‘s Heeren getuigenissen, waarin ook een Binning, als jongeling gestorven, vele zogenaamde vaderen van latere leeftijd beschaamd maakt.
Niemand zoeke hier een optelling van enige geestelijke werkzaamheden en bevindingen, om daaruit de kleinmoedigen te ondersteunen; dat zou hij hier niet vinden, want het is Binnings gewoonte niet, de gelovigen te troosten met zichzelf, zijn staat en zijn ontvangen genaden; maar hij troost overal de arme zondaar met God en met de volheid van waarheid, trouw en genade welke er in die God is. Daartoe opent hij ook hier de fontein van Gods Woord, en doet ons Zijn levend water, klaar als kristal, niet slechts aanschouwen, maar zo voorbij onze voeten vloeien, dat de dorstigen er als vanzelf van beginnen te drinken en verkwikt worden.
Zij, die als nieuwgeboren kinderen begerig zijn naar de redelijke en onvervalste melk, om daarin te mogen opwassen, zullen het zich niet beklagen wanneer zij dit werk eenmaal en andermaal biddend lezen. De Heere geve, dat er de zodanige velen mogen zijn, en meerderen mogen worden toegebracht; opdat Nederlands volk niet verloren ga, uit gebrek aan kennis van de rechte wegen van onze God. Daartoe beveel ik u, waarde lezer, aan de onderwijzende genade van de Heilige Geest, Die ook door dit middel u in Zijn waarheid leiden kan.
Heeg,
December 1857,
J. W. Felix.
Zo is er dan nu geen verdoemenis voor degenen, die in Christus Jezus zijn, die niet naar het vlees wandelen, maar naar de geest.
Drie dingen zijn er, die samen komen, om de mens ellendig te maken: zonde, verdoemenis en verdrukking. Elkeen kan het opmerken, dat de mens tot moeite is geboren, gelijk de sprankelen zich verheffen tot vliegen; dat zijn dagen weinig en boos zijn; maanden van ijdelheid hem ten erve zijn geworden, en nachten van moeite hem zijn voorbereid (Joh. 5:7; 7:3), hij is kort van dagen, en zat van onrust, Job 14:1. De Heidenen hebben zich als uitgedacht over de ellende van het leven van de mensen, en zij zijn het merendeel van de Christenen daarin voorbij gelopen. Wij erkennen alleen enige verdrukkingen en moeilijkheden onder onze ellenden, namelijk: armoede, ziekte, smaad, banning en dergelijke; maar zij hebben ook zelfs de natuurlijke noodzakelijkheden van de mens onder zijn ellenden geteld: dat men zo gedurig omdraait in zo’n cirkel van eten, drinken en slapen etc. Welk een last zou het voor een onsterfelijke ziel zijn, dat rad gedurig om te draaien? Wij maken meer werk van het lichaam, dan van de ziel; zij hebben dit lichaam gerekend als een last te zijn voor de ziel; zij stelden de voorspoed, eer, vermaak en dergelijke dingen, daar de mensen hun gehele ziel uitlaten, onder de grootste ellenden van de mensen, als zijnde ijdelheid en kwelling in zichzelf, beide in het genot en het verlies ervan.
Maar helaas! Zij kenden de fontein van al die ellenden niet, de zonde, en het volkomen volmaken van die ellenden, de verdoemenis; zij dachten dat de moeite uit de aarde en uit het stof voortsproot, of door een natuurlijke noodzakelijkheid, of bij geval geschiedde. Maar het Woord Gods ontdekt ons de grond ervan. De grondoorzaak en het begin van de ellende, was de afwijking van de mens van God, en zijn wandelen naar het vlees; en daaruit zijn al de zwarigheden en de stromen van ellende in deze wereld ontstaan. De ellende is niet alleen tot de mensen gekomen, maar ook tot het gehele schepsel; het is daardoor aan de ijdelheid onderworpen geworden, naar vs. 20. Niet alleen zult gij, o mens! (zegt de Heere tot Adam) uw brood in droefheid eten, maar uw vloek is ook over de aarde, en gij die onsterfelijk was, zult tot dat stof keren, hetwelk gij boven uw ziel verkozen hebt. Gen. 3:17. Haar het einde is overeenkomstig en passende op het begin. Het begin had alle kwaad van de zonde in zich en het einde heeft alle kwaad van de straf in zich; die stromen van de ellenden van dit leven lopen in een oneindige, peilloze en grondeloze oceaan van eeuwige toorn. Indien gij naar het vlees leeft, zo zult gij sterven: dat is, niet alleen de dood hier, maar de eeuwige dood hiernamaals.
Zo zijn dan de ellenden van dit tegenwoordige leven geen straf, die geëvenredigd is naar de zonde, zij zijn slechts een onderpand, op hand gegeven voor die grote som, die in de dag des oordeels betaald zal worden, en dat is de verdoemenis, het eeuwige verderf van het aangezicht des Heeren, en van de heerlijkheid Zijner sterkte.
Nu, gelijk de wet de volmaakte ellende van het menselijk geslacht openbaart, zo heeft het Evangelie het volmaakte geneesmiddel voor al deze ellende aan de dag gebracht. Jezus Christus is geopenbaard geworden, om de zonden weg te nemen; en daarom is Zijn Naam Jezus, omdat Hij zijn volk zal zalig maken van hun zonden. Dit is het Lam Gods, hetwelk de zonden van de wereld wegneemt. Het oordeel is door één gekomen over allen tot verdoemenis. Maar nu is er geen verdoemenis voor degenen, die in Christus Jezus zijn; zo zijn die kwaden geweerd, die waarlijk alle kwaad in zich hadden. Hij neemt de vloek van de wet weg, zijnde onder de wet, en de vloek ervan geworden, en dan neemt Hij de zonde tegen de wet weg, door Zijn Heilige Geest. Hij heeft een tweeërlei kracht; want "Hij kwam door bloed en water," l Joh. 5:6. "Door bloed," om de schuld van de zonde af te wassen, en "door water," om ons van de zonde zelf te reinigen.
Maar ondertussen zijn er vele verdrukkingen en ellenden op ons, die wij met andere mensen gemeen hebben; en waarom zijn die ook door Christus niet weggenomen? Ik antwoord, het kwade ervan is weggenomen, hoewel de verdrukkingen zelf blijven; de dood is niet weggenomen, doch de prikkel van de dood is geweerd; de dood, verdrukkingen en alle kwellingen zijn overwonnen door Jezus Christus, en zo zijn ze zijn dienstknechten gemaakt om ons goed te doen; het kwade ervan is Gods toorn en de zonde, en die zijn door Jezus Christus weggenomen. Nu, ook die verdrukkingen zouden weggenomen worden, indien het niet goed was, dat zij bleven, want "alle dingen werken mee ten goede dengenen, die God liefhebben," vs. 28. Zo hebben wij dan een zeer volmaakte verlossing in de uitbreiding, maar niet in de trappen. De zonde blijft in ons, maar niet in de heerschappij en kracht, de toorn ontsteekt soms wegens de zonde, doch zij kan niet toenemen, noch branden tot een eeuwige gloed. Verdrukkingen en ellenden veranderen haar namen, en worden tuchtigingen en beproevingen genoemd, goed en niet kwaad. Maar Christus heeft de volle en volmaakte verlossing tot een andere dag bewaard, die daarom genoemd wordt: "de dag van de volkomen verlossing"; en dan zullen alle zonden, alle toorn, alle ellenden een einde hebben, en door het leven en de onsterfelijkheid verslonden worden: 2 Kor. 5:4.
Dit is de som van het Evangelie, en dit is de hoofdinhoud van dit hoofdstuk. Daar is een drieërlei troost, beantwoordende onze drieërlei kwaden. "Er is geen verdoemenis voor degenen, die in Christus Jezus zijn." Hier is een lieflijk woord voor de verlorenen, zelfs veroordeelde zondaars, die dat vonnis binnen in hun gemoed hebben. Dit was het einde van Christus komen en sterven, op dat Hij ons zou verlossen, zowel van de zonde als van de dood, en opdat de gerechtigheid der wet in ons vervuld zou worden; en daarom heeft Hij de Heilige Geest gegeven, en Hij woont in ons door de Geest om ons levend te maken, die dood waren in zonden en misdaden. O wat zal dit een troost zijn voor zielen, die het lichaam des doods binnen in hen, aanzien als de grootste ellende; en die met Panlus zuchten: "ik ellendig mens," enz. Rom. 7:24. Dit wordt voorgehouden vanaf het begin, tot vs. 17.
Maar omdat er vele gronden van bezwaar en droefenis in deze wereld zijn, daarom stelt het Evangelie tegen die allen, aan de ene zijde onze verwachting, die wij hebben van die zalige toekomende hoop, waarvan wij zo zeker zijn, dat ons niets daarvan kan ontzetten; en aan de andere zijde, de hulp die wij ondertussen krijgen van de Geest, om onze zwakheden te dragen, en alles ons ten goede te doen medewerken; van vs. 17—29. En uit al deze heeft de gelovige in Jezus Christus grond om te triomferen en te roemen over de volkomen overwinning, gelijk Paulus doet in de naam van de gelovigen, van vs. 31 tot het einde. Op die beschouwingen is het, dat hij, die niet lang geleden, uitriep: "Ik ellendig mens, wie zal mij verlossen?" nu uitroept, "wie zal mij verdoemen?" De ellendige worstelaar wordt een roemrijk triomfeerder; de geslagen soldaat wordt meer dan een overwinnaar.
Och! Dat uw harten overreed werden, om naar dit vrolijk geklank te luisteren, om de Heere Jezus te omhelzen, om genade en zaligheid te verkrijgen! Hoe ras zou er een gezang van in Hem te zullen triomferen, al uw tegenwoordige jammerklachten en gekerm verzwelgen en wegnemen!
Al de klachten onder de mensen kunnen tot één van deze drie gebracht worden. Ik hoor het grootste gedeelte van de mensen zich aldus beklagen. Helaas! Wat zijn er ellenden in dit leven, wat is dit een kwade wereld! Helaas, welk een armoede lijd ik, welk een verachting draag ik, aan welk een ziekte en smart ben ik onderworpen. Och ellendig mens! die ik ben, wie zal deze ziekte van mij wegnemen? "Wie zal mij enig goed doen zien," enig tijdelijk goed? Ps. 4:6. Doch indien gij uw laatste einde kende en goed bedacht, gij zoudt nog meer roepen, ja gij zoudt weigeren getroost te worden, al waren ook uw ellenden geweerd. Maar ik hoor enigen zich nog droeviger beklagen: zij hebben de wet gehoord, en het vonnis van de verdoemenis binnen in hen; de wet is tot hen gekomen, en heeft hen gedood. "Och!" zeggen zij, "wat zal ik doen, om zalig te worden? Wie zal mij van de toekomende toorn verlossen?" Wat is alle tegenwoordige verdrukking en ellende ten opzichte van de eeuwigheid! Doch daar is nog een geklag en gejammer boven die alle. Wanneer de ziel het vonnis van vrijspreking in Jezus Christus bevindt, en zij heeft nu gekregen geopende ogen, om te zien het lichaam des doods en der zonde binnen in zich, die volkomen mens der zonde, door al haar leden verspreid, dan beklaagt zij zich met Paulus: "Och ik ellendig mens! wie zal mij verlossen van dit lichaam des doods?" Rom. 7:24. Ik ben van de verdoemenis van de wet verlost, maar wat troost is het, zolang als de zonde zo krachtig in mij is? Ja dit maakt, dat ik dikwijls mijn verlossing van toorn en vloek verdacht houd, vermits de zonde zelf niet weggenomen is.
Nu, zo gijlieden overreed kunt worden, om naar Jezus Christus te luisteren, en om dit Evangelie te omhelzen, o! welk een overvloedige vertroosting zoudt gij hebben? welk een volmaakt antwoord op al uw klachten? zij zouden verslonden worden in zulk een zegepraal, gelijk het hier met Paulus is; dit zou u een volmaakt geneesmiddel tegen de zonde en ellende aanwijzen. dat gij niet meer klagen zoudt, althans niet meer als degenen, die zonder hoop zijn. Gij zult nooit een geneesmiddel hebben voor uw tijdelijke ellende, zo gij hier niet aan de eeuwige begint om die voor te komen. Zoekt eerst het Koninkrijk Gods, en alle andere dingen zullen u toegeworpen worden; zoekt eerst te vlieden van de toekomende toorn, en gij zult die ontkomen, en daar benevens zal het kwaad van de verdrukkingen in de tijd geweerd worden; doet eerst de grootste klachten over de zonde en verdoemenis weg, en hoe licht is het dan, al het beklag van dit leven te beantwoorden, en om u te doen vrolijk zijn in het midden ervan!
In dit vers zijn drie dingen van groot gewicht op te merken: Het groot en dierbaar voorrecht de was natuur, en de bijzondere eigenschap van een Christen. Het voorrecht is een van het grootste in de wereld, wegens het eeuwig gevolg en zielsbelang ervan. De natuur van de Christen is zeer Goddelijk; hij is een die in Jezus Christus is, en Hem ingeplant door het geloof; zijn onderscheidende eigenschap is heerlijk, overeenkomstig met zijn natuur en voorrechten; hij wandelt niet, gelijk de wereld, naar zijn vlees en lusten, maar naar de Geest. Alle die drie zijn van één en dezelfde wijdte, niet één ervan reikt verder dan de ander: Dat rijke voorrecht en die zoete eigenschap komt in één middelpunt, in één mens samen, namelijk in de mens, die in Jezus Christus is. Al wie in de Heere Jezus Christus komt te zijn, en in Hem blijft, die ontmoet deze twee dingen, rechtvaardigmaking en heiligmaking; die zijn nergens anders, en ze zijn daar samen bij één.
Indien gij de natuur en de eigenschappen van een Christen kende, gij zoudt ze lief krijgen om hun zelfs wil: maar indien deze u om huns zelfs wil niet lokken, zo let op dit onvergelijkelijke voorrecht, dat hij boven alle anderen heeft, opdat gij mag verlieven op de natuur van een Christen. Laat deze liefde tot uzelf en tot uw eigen welzijn u drijven naar Jezus Christus, opdat gij mag wandelen, gelijk Hij wandelde. En ik verzeker u, indien gij eens in Christus Jezus was, gij zoudt de natuur zelf, en de wandel van een Christen liefhebben, niet zozeer om de vrijspreking en zaligheid, die er mee verzegeld gaat, als wel om de eigen zoetigheid ervan en voortreffelijkheid boven alle andere; gij zoudt niet meer (gelijk het volk van Samaria) geloven om het zeggen en gerucht van uw eigen nood en ellende; maar gij zoudt in Jezus Christus geloven, en wandelen naar de Geest, wegens hun eigen getuigenis, dat ze hebben in uw gewetens. Ge zoudt niet meer gelokt worden enkel door de voorrechten ervan om het Christendom te omhelzen, maar gij zoudt het Christendom als het grootste voorrecht achten; en een loon voor zichzelf. De Godzaligheid is in zichzelf een groot gewin, al had ze zulke zalige gevolgen, of metgezellen niet.
Opdat gij dit voorrecht mag kennen, zo merkt op de staat, waarin alle mensen van nature zijn. Paulus drukt het in het kort uit, Rom. 5:12, 18: "Door de misdaad van één is de schuld gekomen over alle mensen tot verdoemenis"; en de reden daarvan is: "door één mens is de zonde over allen gekomen, en door de zonde de dood: want de dood is tot allen overgegaan, omdat ze allen gezondigd hebben." Ziet daar dan, hoe alle mensen onder één vonnis van de verdoemenis zijn. Dit vonnis is de vloek van de wet: "Vervloekt is een ieder, die niet blijft in al wat geboden is, Om Dat te doen." Indien gij wist wat deze vloek was, gij zoudt het waarlijk een voorrecht rekenen, om daarvan verlost te worden. De zonde is van oneindige verdienste, omdat ze tegen een oneindige God is begaan; het is een belediging van een oneindige Majesteit, en daarom bevat de vloek over een zondaar een eeuwige straf in zich. Och! wat een gewicht is er in dat woord. 2 Thess. 1:9, "zij zullen tot straf lijden het eeuwig verderf van het aangezicht des Heeren, en van de heerlijkheid Zijner sterkte!" Indien het naar behoren beseft werd, het zou de ziel van een mens doen neerzinken, en hem bezwaard maken tot de dood. Deze verdoemenis sluit in zich, een straf van verlies en van gevoelen, en beide zijn ze oneindig in zichzelf, en eeuwig van duur. Hoe onvermakelijk en bitter zou het leven zijn van hem, die op een koninkrijk door geboorte recht had, en nochtans daaruit gebannen werd en het verloor. Maar welk een onvergelijkelijk verlies is het, te vervallen van een Hemels koninkrijk, hetwelk geen hart kan begrijpen in zijn heerlijkheid en dat dan nog voor eeuwig. Daar is een leven in Gods gunst, en in Zijn tegenwoordigheid zijn er rivieren van lieflijkheden eeuwiglijk en altoos. Daar uw kleine verliezen van enige penningen, uw geesten zozeer bedroeven, wat zou het behoorlijk besef van zo’n groot verlies niet teweeg brengen? Zou het niet een dood voor u zijn, ja meer dan de dood, van dit leven afgescheiden, en eeuwiglijk verbannen te worden van de tegenwoordigheid van deze heerlijkheid?
Indien er geen andere straffen zouden wezen, dan deze alleen, dat de goddelozen voor eeuwig op aarde dit verlies zouden dragen, hoe ondraaglijk zou het zijn, indien de vromen, die gij veracht en bespot hebt, ten hemel opgenomen werden; wat een kwelling zou het voor uw zielen zijn, te denken aan die gelukzaligheid, die zij daar boven genieten, en hoe dwaas gij u daarvan hebt laten ontzetten, om een zaak van geen waardij? Wat zou al het voordeel en de winst van een rijke voor hem zijn, als hij aanmerkte, welk een oneindig verlies hij gedaan heeft? Hoe hij een koninkrijk voor een mesthoop verkocht heeft? Indien er nu nog enige hoop was, dat zijn verbanning uit de hemel na enige jaren mocht eindigen, die kon hem verkwikken; maar daar is niet één druppel van zulke vertroosting. Hij is verbannen, ja, eeuwiglijk verbannen van dat heerlijke leven in de tegenwoordigheid Gods, hetwelk dezen genieten, en hij verachtte.
Indien iemand zijn gehele leven was opgesloten, om nooit weer het licht te zien, zou dit niet kwelling genoeg voor hem zijn? Maar als daar nu bij dit verlies nog komt een ondraaglijke pijn; zodat hij al die tijd van binnen gekweld wordt door de knagende worm, en van buiten door een vuur; zodat die zinnen, die zo gretig jaagden naar vergenoeging voor zichzelf, nu al zo gevoelig zijn in het gevoelen van pijn en kwelling. En als hier geen einde aan gemaakt zal worden, maar eeuwig zal wezen, o! wiens hart kan dit aanmerken zonder schrik? Het is hier een troost en verlichting van lichamelijke pijnen, dat zij in de dood zullen eindigen. Het verderf verderft zichzelf door het lichaam te verderven: maar hier is een onsterfelijke ziel, daar het verderf op knagen zal; en eindelijk zal het lichaam ook onsterfelijk zijn, zodat het verderf u niet geheel zal kunnen verderven; maar het zal een eeuwigdurend verderf en een levend dood zijn.
Dit is het vonnis, hetwelk eens in het Woord Gods tegen ons uitgesproken is; en niet een jota van dit woord zal er op de aarde vallen. hemel en aarde zullen eer voorbijgaan. Gijlieden zoudt het een onherroepelijk besluit achten, indien al de volken op aarde en al de engelen hier boven samen vergaderd, om iemand ter dood te veroordelen, het vonnis over hem gestreken hadden. Maar toch, dit Woord, hetwelk dagelijks tot u gesproken wordt, en hetwelk dit vonnis over u allen velt, is nog zekerder; en dit vonnis des doods moet uitgevoerd worden, behalve als gijlieden onder die zalige uitzondering die hier en elders in het Evangelie gemaakt wordt, gevonden wordt.
Ik bid ulieden, bedenk wat het is, zulk een Rechter te hebben, die ulieden verdoemt. Zou niet een ieder van u bevreesd zijn, indien u onder het vonnis van een koning was? Indien dat vonnis boven uw hoofd stond, wie van ulieden zou in vrede en rust neerzitten? Wie zou niet vlieden voor de toorn van een koning, dat is als het brullen van een leeuw; maar daar is een vonnis van de Koning der koningen en der volkeren, boven uw hoofden. "Wie zou U niet vrezen, daar het toekomt, o Koning! der volkeren?" Hij die tegen u is, is niet een groot mens, die uw lichaam kan doden, het is niet een mens, die macht heeft om u te doden, en die ook een grote begeerte heeft om dat te doen. Dit was inderdaad veel, om te vrezen; maar het is de grote en eeuwige Jehovah, die zijn hand ten hemel opheft en zweert, dat Hij leeft tot in eeuwigheid. Hij is tegen u; Hij die alle macht over lichaam en ziel heeft, is tegen u; en zo is Hij verbonden, om zijn almachtigheid tegen u te gebruiken. "Hij kan ziel en lichaam doden, en die in de hel werpen." En uit kracht van deze vloek zal Hij u niet sparen, maar al de vloeken uitstorten die in dit boek geschreven zijn. Gij zoudt geen vrede hebben, indien u voor een rebel verklaard was door de koning en het gouvernement; maar helaas! dat is een kleine zaak; zij kunnen maar uw lichaam raken; ja, dat kunnen zij nog altijd niet eens doen; u kunt van hen wegvlieden; maar waar kunt u van Hem vlieden? Gij kunt u uit Zijn gebied niet verwijderen: want de aarde is Zijne, en de zee, en al wat er in is; de duisternis kan u voor Hem niet verbergen; Hij mag u lang sparen, omdat Hij zeker kan bereiken en vatten, als het Hem behaagt; mensen zouden u niet zo sparen omdat zij geen zekerheid hebben, dat zij zullen vinden.
Ik bid u dan, merk hier goed op: het is van zielsbelang. En wat heeft een mens gewonnen, indien hij de wereld wint, en hij verliest zijn ziel? Indien de winnaar verloren is, wat is er gewonnen? En het is van eeuwig gevolg. Nu wat zijn vele duizend jaren tegen de eeuwigheid. Gij kunt die alle voorbij en ten einde zien, en u mag u troosten op hoop; maar hiervan kunt u het einde niet zien, steeds is er meer vooruit dan er verleden is, ja daar is niet verleden, het is gedurig als beginnend.
Och, dat u deze vloek Gods recht wilde aanmerken, die tegen ons alle getekend, en in geschrift staat. Wat had hij bittere uitwerkselen in Christus, toen Hij dezelve droeg? Hij maakte Zijn ziel bedroefd tot van de dood; het was een drinkbeker, die Hij bezwaarlijk drinken kon. Hij die het gestel van deze wereld ondersteunde, was bijna aan het bezwijken onder het gewicht van deze toorn; hij deed Hem bloed zweten in de hof. Hij die alles kon doen, en alles kon spreken, was daartoe gebracht, dat Hij zeide: Wat zal Ik zeggen? Aangezien deze verdoemenis zo vreselijk was voor Hem, Die de Held was bij Wie alle hulp besteld was, wat zal het dan voor ulieden zijn? Niemands droefheid was ooit gelijk de Zijne; geen pijn ooit gelijk Zijn pijn, al werden al de verstrooide kwellingen tot één pijn verenigd; maar omdat Hij God was, zo overwon Hij ze, en kwam van onder dezelve.
Maar wat denkt ulieden, zal de staat zijn van hen, welke diezelfde kwellingen zullen dragen, en dat niet voor drie dagen, of drie jaren, of enige duizenden jaren, maar boven alle verbeelding, tot in alle eeuwigheid.
Ik bid ulieden, let op deze verdoemenis, waartoe u veroordeeld bent, en legt er u niet onder neer. Denkt u, dat gij kunt dragen, hetgeen Christus verdroeg? Meent u, dat u Gods toorn dragen kunt naar dat Gods kracht en rechtvaardigheid groot is? Nochtans is de schuld en het oordeel over alle mensen gekomen tot deze verdoemenis. Haar helaas! wie vreest Hem naar dat Zijn toorn is? wie kent de kracht Zijner verbolgenheid? Gijlieden slaapt zorgeloos, alsof alles voorbij was, en alsof het kwaad uw hoofd gepasseerd was. Wij verklaren ulieden in des Heeren Naam, dat deze verdoemenis nog boven uw hoofd staat, omdat u uzelf niet geoordeeld hebt. Zij wordt ulieden gepredikt, opdat u er van weg mocht vlieden: maar omdat u uzelf niet wilt veroordelen, zal deze rechtvaardige Rechter u verdoemen. Nademaal het dan nu zo is, dat zo’n verdoemend vonnis over alle mensen gestreken is; wat moet het dan een voorrecht wezen daarvan verlost te zijn; en dat vonnis wederroepen en te niet gedaan te krijgen door een nieuwe daad van Gods barmhartigheid en gunst? David roept het uit voor een gelukzalige man, wiens zonden vergeven en bedekt zijn; en gewis, hij is gelukzalig, al wie die put van het eeuwig verderf ontgaat, al was er niets meer; al was er geen titel of recht aan een erfenis en koninkrijk daar boven; verlost te worden van de toorn, die over de kinderen der ongehoorzaamheid komen zal, dat is meer geluk dan de genieting van alle aardse vermakelijkheden. Wat zou een mens wel willen geven tot lossing voor zijn ziel? Huid om huid, en al wat een mens heeft zal hij geven voor zijn leven. Deze rijkdommen, voordelen, en vermakelijkheden, om welke de mensen al hun arbeid doen, van die allen zullen zij scheiden willen in zo’n gevaar. De gierigaard wil zijn koffer overboord werpen, eer hij zijn leven verliest; de wellustige wil pijn en kwelling lijden, door een lid af te snijden, eer hij de dood zou sterven. Doch indien de mensen hun zielen kenden, en wat een onsterfelijkheid en eeuwigheid hun te wachten staat, zij zouden niet alleen huid om huid geven, en al wat zij hebben voor hun ziel, maar ook, gijlieden zoudt liever verkiezen, duizend doden te sterven, om deze eeuwige dood te ontgaan.
Maar wat zal een mens geven tot lossing zijner ziel? Matth. 16:26. Al wilde hij geven, wat heeft hij te geven? Twee dingen zijn er, die een voorrecht aan ons zeer waardig maken, en de prijs daarvan verhogen. De noodzakelijkheid en de kostelijkheid en die twee zijn hier op een uitmuntende wijze. Is het niet noodzakelijk, dat men leeft, dat men aanwezen heeft? Alle mensen oordelen zo, wanneer zij al wat zij hebben, geven, om zichzelf te lossen, alle andere dingen zijn bij hen toevallig; zij zijn zichzelf de naaste, daarom moet alles liever gaan, dan zij zelf; maar ik zeg, het is veel nodiger eeuwig wel te zijn, dan enkel te zijn, de verdoemenis te ontgaan, dan bestaan te hebben. En dit zal waar gemaakt worden in de laatste dag, als de mensen zullen roepen tot de bergen en heuvelen, dat zij op hun mochten vallen, en hen verbergen voor de toorn des Lams, Openb. 6:16; de mensen zullen veeleer verkiezen niet te zijn, dan te vallen onder die toorn. O! hoe aangenaam zal de mens niet verleden staat voor hem zijn, in die grote dag des toorns? Wie zal bekwaam zijn om op die te bestaan? Wanneer koningen en vorsten, dienstbaren en vrijen, grote en kleinen, liever zullen wensen dat de bergen hun tot poeder vergruizen, dan dat vonnis van de verdoemenis aan te horen, en nochtans zullen zij tevergeefs daar naar wensen. Gijlieden vermoeit en kwelt uzelf, en u slijt uw tijd omtrent dat lichaam en leven, maar hoe kostelijk zij u nu ook mogen zijn, u zoudt ze op een dag willen wisselen voor vrijheid en ontkoming van deze toorn en vloek.
O welgelukzalig zijn allen, die op Hem vertrouwen, wanneer Zijn toorn maar een weinig ontstoken is! Hoe zal het die mens duidelijk worden, dat de snoeren hem gevallen zijn in liefelijke plaatsen? Hoe zal hij de heerlijkheid van aardse koninkrijken verachten, al waren zij allen ineen gesmolten, die in zijn hart aanmerkt, hoe alle koningen, alle tongen en natten voor de rechterstoel Gods moeten staan, en de boeken van Zijn wet geopend worden, om hen daarnaar te oordelen, gelijk ook de boeken van hun gewetens, om de beschuldiging te bevestigen, en hun eigen vonnis te verhaasten? En als dan in het openbaar gezicht van alle kinderen Adams en van de engelen, al de geheimen zullen voor de dag gebracht worden, hun beschuldiging, zo lang als hun levenstijd was, gelezen zal worden, en zoveel vloeken tegen iedereen uitgesproken worden, als er verbrekingen van Gods wet waren, waaraan zij schuldig bevonden zijn; en dat die allen dan zullen lopen in hoeken en holen, en roepen tot de bergen, maar dat er geen verberging is voor Zijn aangezicht!
Wat dunkt u, dat die mens bij zichzelf zal denken, die voor God staande in het gericht vrijgesproken zal worden door Jezus Christus, niettegenstaande zijn overtredingen boven velen van die zijn geweest? Wat zal dan een koning denken van zijn kroon en heerschappij, als hij zijn gedachten daarover laat gaan? Wat zal die arme vervolgde christen dan denken van al de heerlijkheid en volmaaktheid van deze wereld, als hij daar op terug ziet? O weet, u arme dwaze mensen! Welk een uitzinnigheid het is, uw zielen te wagen voor beuzelingen; u loopt gevaar aan al de grootste dingen, voor een ogenblik arm genoegen. Gijlieden zult het u te laat beklagen, en u zult wijs worden, om uzelf dwaas te oordelen, als er geen plaats zal zijn om het te verbeteren.
Maar dit voorrecht is even kostelijk als het nodig is. Uw zielen worden nu gevangen gehouden onder dat vonnis van eeuwige gevangenis; gijlieden bent allen gevangenen, en u weet er niets van. Wat zult u geven tot lossing van uw zielen? Uw zonden en ongerechtigheden hebben u als kwaaddoeners verkocht aan de rechtvaardige Rechter van de ganse aarde, en Hij heeft een vonnis geveld van uw eeuwige gevangenis onder de bewaring van de satan in de hel. Nu wat wilt gijlieden geven, om uw zielen te verlossen uit die put. Hoe weinigen schatten de waardij van hun zielen? Dus offeren zij aan God iets van hun rijkdom voor dezelve. Menen niet velen van ulieden, dat u voor de zonden voldaan hebt, indien u een burgerlijke munt aan de rechter betaalt? Velen menen, dat hun tranen en droefheid voor hun zonden een prijs kunnen zijn aan de gerechtigheid, vooral als dat samengevoegd is met verbetering in de toekomende tijd; en zo begrijpen de mensen, dat hun zonden vergeven en hun zielen verlost zijn.
Maar helaas! de verlossing van de ziel is te kostelijk, ja zij houdt in eeuwigheid op; al het goed van uw huis zal ten enenmale veracht worden, al bood u dat aan; en hoe weinigen van ulieden zouden zoveel geven willen voor uw zielen? En nochtans, al gaf u het, het zal niet helpen, u moet de uitersten kwadrantpenning betalen, of het is niets; uwe droefheid en verbeteringen zullen de som niet volmaken, ja ook niet een begin van de betaling kunnen zijn. Al wies gij u met salpeter, en gebruikte veel zeep, zo is toch uw ongerechtigheid voor Mijn aangezicht getekend, zegt de HEERE. Daar blijft nog steeds verdoemenis voor u. Al kwam de gehele wereld ook samen over deze zaak, om een losprijs voor een mens uit te vinden: veronderstelt, men doorzocht al de schatten van de vorsten, de mijnen en binnenste ingewanden van de aarde, en de koffers van de rijke lieden; Ja, laat de aarde, de zee, de hemelen, de zon en maan ten hoogste gewaardeerd worden; voeg daarbij alle verdiensten van de engelen boven, en van de mensen beneden al hun goede daden en hun lijden;—toch zou de som, die uit al die bijvoegingen ontstaat, niet de minste penning van al deze schuld betalen; de aarde zou zeggen, het is bij mij niet, de hemel moest ook zo antwoorden; de engelen en mensen mochten zeggen, wij hebben er van gehoord, maar het is verborgen voor alle levenden. Waar is dan deze verlossing van de vloek? Waar zal er een rantsoen gevonden worden? Gewis, God heeft ze uitgevonden; zij is bij Hem; Hij heelt Zijn Zoon tot een rantsoen voor velen gezonden, en Zijn bloed is kostelijker dan de zielen, laat staan dan goud en zilver. Is dit dan niet een groot voorrecht, nademaal, indien alle koninkrijken van de wereld op het duurste verkocht werden, zij nochtans het niet zouden kunnen kopen? Wat is dit een juweel? Wat is dit een parel? Al wie onder ulieden deze toorn ontkomen is, merkt op wat uw voordeel en voorrecht is! O let op de waardigheid, waar u toe verhoogd bent, opdat u uw harten aan Hem mag verbinden, om de Zijne te zijn, geheel de Zijne; want u bent met een prijs gekocht, en u bent uws zelfs niet meer; Hij gaf Zichzelf voor ulieden en werd een vloek om u van de vloek te verlossen. O hoe behoorde gijlieden te wandelen, als bevoorrechte mensen, als verlosten!
Ik bid u allen, dat u uw aandacht zoekt op te scherpen, om te overwegen en te letten op dit vonnis, dat tegen ons gestrekt is; nu is er nog hoop daarvan verlost te worden, indien u het op uzelf wilt toepassen; maar indien u steeds wilt voortgaan in de wegen van de zonde, zonder terug te keren, weet dit, dat u niet anders doet, dan die vloeken te vermenigvuldigen, vele touwen wevende van uw ongerechtigheden om u in enige ketenen te binden; gijlieden doet niets anders, dan een put te graven voor uw zielen, daar u die in uw zonden zweet, en veel arbeid doet, en dit aangeboden rantsoen niet wilt omhelzen; de sleutel en het slot van deze put is eeuwige wanhoop. O merk op! hoe ras zullen uw vermaken en winsten ten einde zijn; trek enige van uw gedachten van de tegenwoordige dingen af, om die te geven aan de eeuwigheid, die draad die uitgesponnen wordt tot in alle eeuwigheden, hetwelk is de lengte van de dagen van de ouden der dagen, die geen begin der dagen noch einde van tijd heeft. Gedenk er nu aan, opdat u niet zolang ellendig wordt als God gelukzalig is, en dat is voor eeuwig.
Alle mensen zouden wel wensen voorrechten te hebben boven anderen; maar daar is er een, die het grote voorrecht wegdraagt van de gehele wereld, en dat is de gelovige in Christus Jezus, die gezegd wordt in Christus te zijn, Hem ingeplant door het geloof, als een levend lidmaat van dat lichaam, de kerk; en dit Hoofd deelt het leven mee aan al de leden, want "Hij vervult alles in allen," daar is een machtig werkende kracht in het Hoofd, welke zich door al de leden verspreidt, Ef. 1:19,22,23.
Daar zijn vele uitdrukkingen van vereniging tussen Christus en de gelovigen: niet een nauwe samenvoeging is er onder de mensen, of deze geestelijke vereniging van Christus met de gelovigen is er ons onder vertoond; het fondament en het gebouw hebben een nauwe afhanging, de hoeksteen en de muur zijn zeer ineen geschikt. En Christus Jezus is het fondament en de uitersten hoeksteen, op Wie het gehele gebouw bekwamelijk is samengevoegd, en opwast tot een heilige tempel, Ef. 2:20,21. Het hoofd en de leden zijn nauw verenigd, zo is Christus en de gelovigen: zij "groeien op in Hem," Ef. 4:15. Ouders en kinderen zijn bijna één; zo is Christus de eeuwige Vader, en Hij toont aan de Vader de kinderen, die Hij Hem gegeven heeft; wij zijn Zijn broederen, en Hij schaamt zich niet, ons zo te noemen. Maar wat nog meer is: wij zijn één vlees met Hem; daar is een huwelijk tussen Christus en de gemeente, en dit is de grote stof en betrachting van het Hooglied van Salomo. Hij is de wijnstok en wij zijn de ranken Hem ingeplant. Ja deze vereniging is zo nauw, dat ze wederzijds is: "Ik ben in hen, en zij in Mij." Christus woont in ons door het geloof, door te maken, dat wij in Hem geloven en Hem liefhebben. Christus Jezus is ons huis, waarin wij van alles verzorgd worden; Hij is ons magazijn en schatkamer, onze plaats van sterkte en vermaak, een stad van de toevlucht, een sterke toren, en een vermakelijke rivier om ons te verkwikken. Wij zijn wederom Zijn woning, waarin Hij door Zijn Geest woont; wij zijn Zijn werkhuis, waarin Hij alle zijn kostbare stukken van het nieuwe schepsel werkt, formerende het tot de trouwdag, de grote dag der verlossing.
Dit geeft ons ook te verstaan, wat wij eertijds waren: wij moeten hier staan en terug zien naar onzen vorigen staat, en vinden daar stof tot vermaak en droefheid: wij waren eertijds zonder Christus in de wereld, en indien zonder Christus, zo waren wij "zonder God, en zonder hoop in de wereld." Ef. 2:12. Ik wenste dat dit in het hart van de mensen gegraveerd mocht zijn, dat zij buiten Jezus Christus geboren zijnde, wilde olijfbomen zijn, opgroeiende op de stam van de ontaarde Adam. Adam was weleer een edele wijnstok, maar hoe ras verkeerde hij in een ontaarde plant, en in plaats van druiven brengt hij wilde en zure beziën voort. Wij groeien allen op een ólijfboom die van nature wild is," Rom. 11:24. Zij groeit buiten de hof van god, in de onvruchtbare woestijn, en zij is nergens toe bekwaam dam om dode vruchten te dragen, om uitgehouwen en in het vuur geworpen te worden. Het is een boom die de Heere vervloekt heeft, zeggende: "dat voortaan nooit meer vrucht van u kome."
Och dat u uw natuurstaat recht wilde kennen! Hoe al uw goede genegenheden, toestand, gemoedsstemming en opvoeding, uw stam noch uw vrucht goed kunnen maken. "Efraïm is een ledige wijnstok", dit is onze naam. Ja, maar velen menen dat zij vrucht dragen. Hebben de heidenen niet hun takken uitgebreid en vele lieflijke vruchten gedragen van lijdzaamheid, matigheid, kloekmoedigheid, voorzichtigheid en dergelijke? Doe niet vele burgerlijke mensen veel daden van burgerlijkheid, die nuttig zijn voor de mensen? Is er niet menig mens die van zijn jeugd af bidt en de Schrift leest? Ja, het is zo, dit zijn vruchten; maar ondanks dat is hij een ledige wijnstok: want "hij brengt vrucht voor zich": en zo is hij (gelijk het in de oorspronkelijke taal is) een wijnstok, die de vrucht die ze geeft, ontledigt, Hos. 10:1. Al die vruchten zijn maar voor hemzelf, en van hemzelf; hij weet die niet te reinigen tot Gods eer, maar tot zijn eigen lof en voordeel, om die te maken tot zijn eigen sieraad. En hij kent zijn eigen ledigheid niet, om al zijn bekwaamheid en sap bij een Ander te zoeken.
Wat waren al die fraaie bloesems en vruchten van de heidenen? Waarlijk zij waren iets meer en beter, dan hetgeen nu de menigte van de belijdende christenen voortbrengen; en nochtans, die allen waren maar blinkende zonden. Wat is al uw bidden en vasten? Het is slechts voor uzelf, gelijk de Heere zijn volk beschuldigde, Zach. 7:5. "Hebt gij Mij enigszins gevast?" Neen, u doet het voor uzelf. Dit is de wildheid en ontaardheid van uw natuur; of u brengt zeer bittere vruchten voort; als onmatigheid, gierigheid, twistlust, ijdel zweren, enz.; of andere vruchten, die maar een schone buitenzijde hebben, gelijk de appelen van Sodom, die schoon zijn aan de boom (zegt men), maar gehanteerd wordende, zijn ze tot as geworden, zo is er niets aan dezelve van God, of voor God.
Ik denk, dat bijna iedereen die heimelijke inbeelding in zijn boezem voedt, dat, schoon ook zijn natuur zwak moge wezen, zij evenwel niet goddeloos is, zij kan verholpen worden door de opvoeding, zorg en vlijt, en zo toebereid tot dat ze God behaagt en aan de anderen nuttig zij. Wie is in zijn hart overreed, dat hij een vijand van God is, en dat hij zich aan Zijn wet niet kan onderwerpen. Wie gelooft dat zijn hart dodelijk en radeloos boos is? Och het is inderdaad bedrieglijk boven alle dingen, en in deze allerbedrieglijkst, dat het ulieden wijs maakt, dat u een goed hart omtrent God hebt. Zullen niet goddeloze mensen, van wie de handen besmet zijn, de oprechtheid van hun harten staande houden?
Ik bid u, merkt eens op, dat u buiten Christus geboren bent. Gij meent, dat u als Christenen geboren, en zo opgevoed bent; u hebt die naam van uw eerste kindsheid, en u bent gedoopt; maar ik vraag u over de zaak: de waterdoop, plant u die in Jezus Christus? Ja het geeft u zoveel te kennen, dat u van nature ver van Christus af bent en geheel bevlekt, en al uw inbeeldingen van het harten alleenlijk boos zijn. Nu, ik bid u, hoe kwam de verandering, of is er wel een verandering? Zijn niet de meeste mensen nog de oude mensen, geen nieuwe schepselen? "Die in Christus is, is een nieuw schepsel," staat er 2 Kor. 5:14. Gij hebt uw Adams natuur, die u eerst had; gijlieden draagt het beeld van de aardse, en bent u nog zodanig niet, die steeds zo aards bent? Meent u dan, dat u het koninkrijk Gods kunt beërven? Kunt u van een staat van de verdoemenis overgaan tot de staat dos levens, zonder een verandering? Neen, gelooft het, u kunt geen onverderfelijkheid beërven met vlees en bloed, waar u mee geboren bent. Gijlieden moet in de tweede Adam overgeplant werden en Zijn beeld dragen, eer u kunt zeggen, dat u Zijn zegeningen deelachtig bent, 2 Kor. 15:47 etc. Nu, ik geve het u op uw gewetens, hoe velen van ulieden zijn er veranderd? Zijn niet het grootste gedeelte van u, gelijk u van uw kindsheid was? Bedriegt u niet, u bent nog vervreemd van Gods beloften en zonder deze hoop in de wereld.
Zo is er dan nu geen verdoemenis voor degenen, die in Christus Jezus zijn, die niet naar het vlees wandelen, maar naar den Geest.
Al de beloften zijn ja en amen in Christus Jezus; zij komen allen in Hem samen, en van Hem worden zij tot ons afgeleid. Toen de mens in de staat der volmaaktheid was, was hij met God en in God, en dat onmiddellijk, zonder de tussenkomst van een Middelaar; maar ons afvallen van God heeft ons zonder God gemaakt, en de tussenstand is zo groot, gelijk Abraham tot de rijke man spreekt, dat noch die boven zijn tot hem kunnen komen, noch hij tot hen afkomen. Daar is een kloof van afscheiding tussen God en ons, zodat er geen ontmoeting kan zijn. En zo is het, dat wij, die zonder God zijn, ook zonder hoop zijn in de wereld, Ef. 2:12; daar is geen hoop van ooit meer toegang tot God te hebben, gelijk tevoren. Do boom des levens is rondom bezet mot een vlammend vuur en zwaard; God is een verterend vuur voor ons geworden, zodat niemand tot die eeuwige gloed kan naken, veel minder daarbij wonen. Omdat er dan aldus geen samenkomst kan zijn, zo heeft God de weg uitgevonden, hoe zondaars tot Hem zullen komen, en niet verteerd worden. Hij wil ons tegemoet komen in Jezus Christus, die levende Tempel; en dit is de plaats van ontmoeting, waar de zondaar bij God komt. Het was een noodzakelijkheid, dat deze Middelaar zou komen om het verschil weg te nemen; Hij moest een brug maken over die kolk van scheiding, opdat wij tot God zouden komen; en dat is de menselijke natuur, "de nieuwe en levende weg, het voorhangsel van zijn vlees." God is derhalve in "Christus, de wereld met zichzelf verzoenende." Al het licht van troost en zaligheid, dat van God komt is geheel in deze Zon der gerechtigheid als ingelijfd: al de stromen van de genade en van de barmhartigheid lopen in het kanaal van zijn geliefden Zoon.
Zo volgt dan, dat God niet buiten Jezus Christus te vinden is, en al wie "zonder Christus is, is zonder God in de wereld; God is in Christus de wereld verzoenende," en daarom, "is er geen verdoemenis voor degenen, die in Christus zijn;"’ maar God is buiten Christus de wereld verdoemende, en daarom is de verdoemenis over allen, die niet in Christus zijn. Wanneer al de kinderen van Adam rebellen verklaard worden, wegens zijn en hun eigen weerspannigheid, heeft de Heere een stad van toevlucht gesteld, opdat een ieder, die door de bloedwreker nagejaagd wordt, daar in zou gaan, en bescherming en veilige bewaring verkrijgen. Buiten Christus is niets anders dan het zwaard van de wreker, omdat de gerechtigheid voorts de gehele wereld over regeert; maar binnen deze stad mag de gerechtigheid Gods niet ingaan, om iemand ter verdoemenis daaruit te nemen; en daarom de zielen, "die de toevlucht nemen, om de hoop (die hen in Jezus Christus is voorgesteld) vast te houden," die mag de gerechtigheid vervolgen tot de poorten van de stad, de verdoemenis mag hun snel op de hielen volgen, tot dat zij daar ingaan, maar binnen de poorten van de stad mogen de gerechtigheid en verdoemenis niet ingaan.
Wat zijn dan die zielen in een ellendigen staat, die in hun eigen natuur, in het open veld liggen buiten deze stad? Hoe vele dwaze mensen beseffen geen gevaar, maar zij spelen omtrent de poorten van de stad van toevlucht, en zij willen er niet ingaan. O! de bloedwreker zal u overkomen, eer u het weet; en indien hij u buiten de stad vindt, wee u! al uw gebeden en smekingen zullen niets vermogen; de gerechtigheid is blind en doof, zij kan niet partijdig handelen, of de persoon van de mens aanzien; zij kan uw smekingen niet horen. Het is wonder, dat de mensen met andere onopmerkelijke dingen zijn ingenomen, en dat zij verzuimen te weten, wat het is in Jezus Christus te zijn. waar hun zaligheid van afhangt.
Het geloof in Jezus is de zielevlucht in de stad van toevlucht, de vrijstad; niemand vliedt, dan wanneer hij gevaar beseft, of nagejaagd wordt; en dit gevaar, dat een ziel beseft, is te vergaan, en voor eeuwig verdoemd te worden. De vervolger of najager is de Wet Gods en Zijn rechtvaardigheid, die hebben een zwaard in hun hand: de vloek Gods, en het vonnis van de verdoemenis. God richt een vierschaar op in zijn Woord, waarin Hij de mensen oordeelt. Al degenen, tot wie Hij een voornemen heeft van goedwilligheid, daar laat Hij de Wet inkomen in hun gewetens, opdat de zonde overvloedig moge zijn; Hij zendt ook een gerechtsbode van verdrukking of overtuigingen, om hen voor de rechterstoel te brengen, en hun beschuldiging te horen voorlezen. Daar staat de ziel bevende, en het geweten getuigt en keurt goed het woord van de beschuldiging; zodat de mond van de zondaar gestopt is, en geen verontschuldiging kan inbrengen tegen die beschuldiging. Dan spreekt de Rechter het vonnis over de schuldige personen: "vervloekt is een ieder, die niet blijft in alles," etc. De ziel roept: schuldig ben ik, o Heere! schuldig; ik heb in waarheid de vloek verdiend; och! wat zal ik doen, om zalig te worden? Dan ziet de ziel uit ter rechter- en ter linkerhand, om een toevlucht te zoeken, maar daar is er geen. Waar zal hij heen vlieden van de Heere; hij zoekt in zichzelf, en ziet: daar is niets binnen in hem, dan de beschuldigende en getuigende consciëntie, die hem pijnigt; het vuur is daar binnen ontstoken, hetwelk zijn voedsel ontleent uit de ontelbare zonden.
Nu is de ziel bijna overstelpt, en zij ziet uit of er enige plaats is, om van zichzelf en van die toorn weg te vlieden En ziet, de Heere ontdekt en wijst aan een stad van toevlucht, die niet ver is, en waar geen verdoemenis is, namelijk Jezus Christus, Die de vloek gedragen heeft, opdat Hij er ons van verlossen zou. Hier is het gezicht des vredes, en daarheen vliedt de ziel van zichzelf en van de gerechtigheid, naar die geopenbaarde gerechtigheid van Christus; en hoe dan de zonde meer overvloedig is geweest, hoe nu de genade meer dan overvloedig wordt, zodat er nu geen verdoemenis meer voor hem is.
Ik bid u, let hier op, en laat het op de tafelen van uw harten geschreven zijn. Daar zijn twee rechterstoelen waar God op zit, de ene is buiten Christus, de andere is in Christus. Daar is een troon van gerechtigheid, waar alleen de zuivere, ongemengde gerechtigheid vonnis velt, zonder enig inmengsel van barmhartigheid; en daar moeten alle mensen eens voor verschijnen. Gij weet welk een verbond der werken God eens met ons gemaakt heeft: "indien u deze dingen doet, zo zult u leven, zo niet, zo zult u de dood sterven;" naar de inhoud hiervan moeten wij eens geoordeeld worden, opdat de gerechtigheid geen nadeel lijdt. Daarom spreekt God in zijn Wet op zijn troon, de taal van de berg Sinaï. Hij leest onze beschuldiging voor; en omdat de gehele wereld schuldig is, zo wordt het vonnis des doods eens over allen geveld.
Nu een ieder van ulieden, die tot deze rechterstoel komt om geoordeeld te worden, weet dit, dat het is een lager en ondergeschikter vierschaar; daar is een hoger hof van barmhartigheid en oordeel, gerechtigheid en barmhartigheid samen gemengd, hoewel de barmhartigheid de overhand heeft: "gerechtigheid en gericht is de woning ervan, maar barmhartigheid en waarheid gaan voor het aangezicht van de Rechter heen," en zij komt het naast tot de zondaars, om hen toegang te geven. Tot deze rechterstoel mag u heen gaan, en u beroepen wegens die vierschaar van de gerechtigheid; "maar daar is vergeving bij U, (zegt David,) op dat Gij gevreesd wordt," Ps. 130:4,5; en al wie hier komt, die bevindt, dat Christus zit op deze troon, om hem van dat vonnis vrij te spreken.
Indien u vraagt, wat billijkheid is daar in? is het niet van de rechtvaardigheid nadelig, en een gruwel voor de Heere, de goddeloze en snode zondaar te rechtvaardigen? Ik antwoord: het is geen ongerechtigheid, omdat Jezus Christus de prijs voor ons betaald heeft, een "vloek voor onze zonden is geworden," opdat wij zouden zijn gerechtigheid Gods in Hem; en daarom is het recht bij God, de zonden te vergeven, en die zondaar vrij te maken van de verdoemenis der Wet, welke tot Jezus Christus vliedt. Gijlieden mag de gerechtigheid aldus antwoorden: ik wil dit niet voor Gods laatste woord nemen; ik hoor, dat het laatste oordeel aan de Zoon is toebetrouwd, opdat Hij het leven geve, aan wie Hij wil; Hij roept mij, en tot Hem zal ik gaan, want Hij heeft de woorden des eeuwige levens, Hij zal rechtvaardigen, en wie zal verdoemen? Nu, zo iemand zich nu niet beschuldigen wil voor de rechterstoel van Gods gerechtigheid, indien hij geen nauw onderzoek wil doen naar zijn schuldigheid, totdat zijn mond gestopt is, en hij zijn vonnis van verdoemenis hoort lezen en het toestemt; die mens kan tot Jezus Christus niet komen, om vrijgesproken te worden; want Hij rechtvaardigt niemand, dan de zichzelf veroordelende en verloren zondaars; zodat hun dag nog te komen staat, wanneer zij de gerechtigheid zullen moeten antwoorden; de rechterstoel van barmhartigheid zal weggenomen worden, en Christus zal op een troon van zuivere gerechtigheid zitten, om diegenen te oordelen, die zichzelf niet oordeelden.
Helaas! welk een verlies zullen de meesten van ulieden ondervinden! Ik beklaag u: gijlieden leeft in grote vrede en gerustheid, buiten de poorten van de stad van toevlucht. Wij verklaren ulieden in de naam des Heeren, u bent onder de vloek Gods; wilt u nog zorgeloos neerzitten, en de boze dag ver van u stellen? och! verstoor liever uw vrede voor een tijd, door de aanmerking van uw zonden; gaat in het gericht met uzelf, totdat u niet anders in uzelf ziet, als dat u vergaat. Er is geen gevaar in zo te doen: want hier is u de zaligheid nabij gebracht in het Evangelie. Indien u de onrust van uzelf te oordelen hier ontziet zo zult u geoordeeld worden, als er geen Middelaar is, om voor u te pleiten, en niemand op wie u zich beroepen kunt.
Maar al degenen, die het vonnis van de verdoemenis op zich nemen, en de rechtvaardigheid van des Heeren vloek over hen ondertekenen, zulken nodigen wij allen in des Heeren Naam, herwaarts te komen, namelijk tot Jezus Christus; "daar is geen verdoemenis voor degenen, die in Hem zijn." Indien u zwarigheid maakt, en vele vragen doet in een zaak van zo grote noodzakelijkheid, zo verongelijkt u uw eigen ziel, en u onteert Hem; weet dit, dat "God was in Christus de wereld met Zichzelf verzoenende;" daarom mag u veroordeelde zondaar, tot God in Christus komen. Indien u naar enige grond verder vraagt, wij oordelen, dat men zulke vragen niet behoort te doen, daar u in zo’n grote nood bent. Indien iemand buiten de stad van honger stierf, en hem werd gezegd, dat er binnen de stad overvloed van brood was, was hij niet een dwaas, die nog iets meer zou willen doen, dan te trachten naar binnen te gaan. Dit is genoeg, om al uw eigen tegenwerpingen op te lossen: u bent in de uiterste nood, en blijkbaar omkomende in uzelf, nu "Hij is machtig, volkomen zalig te maken, al degenen, die tot Hem komen," wat zou er meer nodig zijn? laat er dan een samenvoeging zijn tussen dringende nood, en genoegzame bekwaamheid, om zalig te maken.
Wilt u nog staan en redeneren buiten de stad, daar de bloedwreker boven uw hoofd is? Indien u wilt aandringen, op nog meer fondement en grond om te geloven, zo zal ik u zeggen al wat ik weet, dat in het Woord is, tot een grond voor het geloof: u hebt grote ellende en nood binnen in u, dat erkent u, en het is uw klacht; Christus heeft barmhartigheid en genoegzame genade in zich, "Hij kan volkomen zalig maken," dat kunt u niet loochenen; maar ik doe er dit derde bij: Hij is ook gewillig om u te behouden, ja al wie maar gewillig is, om door Hem behouden te worden, ja, Hij is gewilliger dan u bent; indien gij hier aan twijfelt, zo verzoek ik u, dat u maar let op de gehele voorstelling en inhoud van het Evangelie:—hoe veel overtredingen? hoe veel beloften zijn er voor degenen, die komen? ja hoe veel bevelen zijn er, en dat zeer dringend en volstrekt, opdat u in Hem zoudt geloven? Ja hoe vele bedreigingen zijn er tegen u, indien u niet tot Hem wilt komen, opdat u het leven hebt?
Heeft Hij zichzelf gegeven voor de zonden van de wereld, en zou Hij niet gewillig zijn, dat de zondaars zouden deelachtig worden, hetgeen Hij met zoveel smarten verkregen heeft? Meent u, dat Christus zou tevreden zijn, dat Zijn dood tevergeefs zou wezen? en Hij zou tevergeefs zijn, indien Hij de grootste der zondaren niet verwelkomde, ja Hij zou tevergeefs zijn, indien Hij hen niet tot zich trok, en ze gewillig maakte.
Maar daar benevens heeft Hij zo vast beloofd, en zo vrijwillig en volkomen toegezegd, dat men zich geen uitzondering verbeelden kan: hem die tot Mij komt, en zal ik geenszins uitwerpen." Joh. 6:37. Waarom verbeeld! u zich enige uitzondering, daar Christus geen uitzondering maakte, waarin Hij zou uitsluiten? waarom zondigt gij tegen uw eigen ziel? och, indien ik van Christus was, zegt gij, dan zou ik wel zijn; en och, dat hij zo’n zondaar wilde verwelkomen! Christus antwoordt u in uitdrukkelijke termen: "al wie wil, die neem, en drink om niet." Gij verklaart uw gewilligheid zo te spreken, en Hij verklaart Zijn gewilligheid zo te beloven, ja uw zien naar Hem van ver is een vrucht van Zijn gewilligheid. "Gij hebt Mij niet uitverkoren, maar Ik heb u uitverkoren, en Ik heb u eerst lief gehad;" indien u dit niet wilt geloven, zo ziet op zijn gebod: "dit is Zijn gebod, dat gij gelooft in de Zoon," 1 Joh. 3:23. Wat grond hebt u om enige plicht te doen, die Hij gebiedt? En waarom trekt u dit meer in twijfel? Is dit niet zijn gebod? en is het niet een dringend gebod, omdat het een nieuw gebod en Zijn laatste gebod is, te meer, daar Hij ons als met zorg drijft naar zijn Zoon, "opdat wij het leven mogen hebben?" Och! wie zou de onbeschaamdheid hebben, om Zijn gewilligheid nog meer in twijfel te trekken? Ik ken geen andere gronden dan deze; en ik oordeel, zo iemand tot Christus komt, of voorgeeft te komen op andere gronden, dat hij niet recht komt. Indien de heiligste mens niet inkomt onder de goddeloze zondaars; indien hij niet wandelt en te werk gaat op de gronden van zijn eigen dringende nood en Christus’ algenoegzaamheid, zo kan hij tot Jezus Christus niet komen.
Daar is een inbeelding onder het volk, die, indien zij niet zo algemeen was doorgedrongen, ik niet zou verhalen vanwege haar bespottelijkheid: "hoe kan ik tot Christus komen, zo onrein en zo schuldig, daar niets dan verdoemenis in mij is? Indien ik zo en zo was, ik zou tot Hem komen." Helaas! daar kan niets ongerijmder ingebeeld worden, of strijdiger, zelfs tegen de rede en het gevoel. Indien u zo en zo was, gelijk gij u verbeeldt dat u zijn moest, zo zou u tot Christus niet komen, u zou Hem niet nodig hebben. Datgene, wat u voorgeeft als een reden waarom u niet zou komen, is de grote reden, die in het Evangelie aangedrongen wordt, waarom u zou komen.
Wat een uitzinnigheid is dat? Ik ben zo onrein, daarom zal ik tot de fontein niet komen om mij te wassen! Waartoe was de fontein geopend, dan tegen de zonde en onreinheid? En hoe meer onreinheid, hoe meer men de fontein nodig heeft, hoe meer redenen er zijn om te komen. De nood is een grote reden, en onze reden is een genoegzame grond. Ik word nagejaagd door de wet, ik heb verdoemenis binnen in mij, en niets dan verdoemenis; wel, kom dan tot Christus Jezus, de Stad der toevlucht, waar geen verdoemenis is. Waartoe was die Stad geordineerd, indien niet tot dit einde?
Ik bidt u, een ieder van u, die zo redeneert en deze tegenwerpingen maakt, en een soort van vermaak daarin neemt: weet, wat dezelve in hebben, hoe zij uw eigen zielen verongelijken, hoe zij Christus onteren, en zo meteen God de Vader; ja hoe dwaas en bespottelijk zij zijn; zodat, indien zij u niet waarlijk bedwelmden, zij geen antwoord zouden verdienen, maar een bestraffing of stilzwijgen. Ik heb mensen gezien, die vermaak schepten om tegenwerpingen te maken tegen de Waarheid; ja, die ook ernstig hun hoofd braken, om tegenwerpingen te stellen tegen het antwoord, dat hun van de Waarheid gegeven werd. Helaas! u bent zeer bezig, tot uw eigen belediging: u bent op een weg, die u nooit enige hoop zal geven, maar uw ziel zal afhouden van bevestigd te worden, gelijk een golf op en neer gedreven. Indien gij niet gelooft, maar redetwist, gij zult niet bevestigd worden.
Maar ik wilde hier een woord spreken tot degenen, die geloofd hebben, die hun toevlucht tot Christus genomen hebben. Och! het betaamt u het meest van alle mensen, dat gij deze verdoemenis poogt te kennen, daar u van verlost bent, opdat u dankbaar mag zijn, en u nauw bewaren mocht binnen deze Stad. Ik zeg, daar is niet een mens in de wereld, die meer gedachten diende te hebben, of dieper en ernstiger overpeinzing van de vloek en toorn Gods, dan diegenen, die er door Christus van verlost zijn; en mijn reden is, opdat u mag weten, hoe grote zaligheid u ontvangen hebt, en hoe grote verdoemenis u ontvloden bent, en dat u voorts mag wandelen als degenen, die met een dure prijs gekocht bent. Uw schepping maakt, dat u niet uw eigen, maar de Zijne bent, omdat Hij u het aanzijn gaf: maar uw verlossing moest tweemaal maken, dat u de Zijne en niet de uwe zou zijn, omdat Hij, wanneer uw wezen erger was, dan indien het niet was geweest, u wederbaarde; zodat u tweemaal de Zijne bent: eerst, maakte Hij u met een woord, maar nu heeft Hij u "gekocht met een prijs," ja een dure prijs:—Zijn Eigen bloed.
Wederom, als u deze vloek altijd voor u houdt, en de toepassing daarvan maakt op uw zonden, zo zal dit maken, dat u Christus veel gebruiken zult. O hoe zult u menigmaal tot deze Stad vluchten? Ik acht die de grootste vijanden van Jezus Christus en van Zijn genade, die willen, dat de gelovigen geen gebruik meer zouden maken van de Wet. Ik weet niet, wie de Wet kan gebruiken, indien hij het niet doet; ik weet niet, wie de wet kan toepassen op Christus, het einde der Wet, dan hij; gewis, hij heeft niet alleen het gebruik van de geboden tot een regel van gehoorzaamheid, maar ook van de vloek; niet om hem wederom te doen vrezen tot dienstbaarheid, neen; maar om hem altijd te doen zien, dat hij Jezus Christus meer nodig heeft, opdat hij bij Hem herberging neme, en "in Hem wone."
Zo is er dan nu geen verdoemenis voor degenen, die in Christus Jezus zijn, die niet naar het vlees wandelen, maar naar den Geest.
Het is moeilijk te bepalen, welke van deze twee het grootste voorrecht van een Christen is, dat hij verlost is van de verdoemenis, of dat hij bekrachtigd is om te wandelen naar de Geest, en is geworden een nieuw schepsel? Of wij Christus meer schuldig zijn wegens onze rechtvaardigmaking, of heiligmaking? Want Hij is het beide voor ons geworden. Maar het is zekerder ze samen te voegen, dan bij elkaar te vergelijken, en het ene: verlost te worden van de toorn, is niet meer noodzakelijk, dan het andere: te wandelen naar de Geest. Ik oordeel dit als een bewijs, dat een ziel de verdoemenis is ontgaan, wanneer de grote stroom en vloed van Zijn genegenheden en pogingen naar heiligmaking zijn, niet opdat zij bij God aangenaam mocht worden, maar omdat zij van God aangenomen is.
Hier staat niet, dat er niets verdoemelijks is in degenen, die in Christus zijn. Maar, "daar is geen verdoemenis voor hen." Gewis, er is binnen hen een lichaam des doods en een wet der zonde; een natuur die besmet is met oorspronkelijke onreinheid, en met vele stromen daarvan afvloeiende, die door de besprenging van Christus’ bloed in de rechtvaardigmaking niet weggenomen worden. "Indien iemand zegt, dat hij geen zonde heeft, die is een leugenaar; en de waarheid is in hem niet;" maar hier is de genade en de barmhartigheid Gods in Christus Jezus, dat Hij de vloek wegneemt, waar de zonde is, en dat Hij de verdoemenis wegneemt, waar alles is, wat de verdoemenis waardig is. En dus gaat de rechtvaardigmaking van de ziel in een rechte lijn met Christus verdoemenis: in Hem was niets verdoemelijke, geen zonde, geen onrecht in Zijn mond; en nochtans was er verdoemenis voor Hem, omdat Hij in de plaats van zondaren was: onze ongerechtigheden zijn op Hem aangelopen, zij waren niet in Hem: "Hij, die geen zonde gekend hoeft, is voor ons een vloek geworden, opdat wij zouden worden gerechtigheid Gods in Hem." Zo dan de ziel, die tot Jezus Christus’ gerechtigheid vliedt, al heeft hij alles in zich wat de verdoemenis verdient, nochtans is er geen verdoemenis voor haar, omdat Zijn gerechtigheid op haar gelegd is, en Christus heeft de vloek weggenomen. De onschuldige Zoon van God werd verdoemd, daarom worden schuldige zondaars vrijgesproken. De vloek werd toegepast op Hem, die geen zonde had, maar alleen tot zonde gemaakt werd, of de zonde werd op Hem gelegd; en daarom is het vonnis van vrijspreking van de vloek toegepast op hen, die geen gerechtigheid hebben, maar die gerechtigheid Gods gemaakt worden, door vrije en genadige toerekening.
Dit spreek ik, vanwege dat er in dit losse en ongebonden geslacht, vele ongezoute en ongezonde uitdrukkingen zijn, als dat er geen zonde is in de gerechtvaardigden, en dat de rechtvaardigmaking de zonde zo wegneemt, alsof zij er nooit geweest was. Ik zeg: gelijk de verdoemenis van Jezus Christus Zijn onnozelheid en heiligheid, die in Hem waren, niet uitwist, maar alleen de gerechtigheid Hem in die opzichte aanmerkt als een overtreder, die toch in Zichzelf het heilige en vlekkeloze Lam Gods was; zo van hetzelfde: de rechtvaardigmaking van een zondaar voor God, doet niet weg, dit wist niet uit de verdorvenheid en besmetting van onze natuur, maar zij schrapt alleen onze naam uit van de rol van zijn schuldenaars, als hebbende voldaan in onze Borg; en zij merkt ons in dat opzicht aan, als rechtvaardigen voor God.
En dit spreek ik meteen ook tot uw gebruik, opdat u zo aan uzelf een walg en gruwel mag hebben in uzelf, ofschoon u rein gemaakt bent door het bloed van Jezus Christus, alsof u niet gewassen was. Ja u behoort uw zonden zoveel temeer te gedenken, omdat Hij ze niet meer gedenkt als een schuld; en u moet er temeer over beschaamd en schaamrood zijn, omdat zij vergeven zijn.
Het is een gewoonte bij de zielen, dat zij zichzelf aanzien met een oog van meer welbehagen in zichzelf, als zij beseffen en opmerken, dat God gunstig op hen ziet; maar ik denk niet, dat enige zielen wellicht goed beseffen, dat God in genade op hen in Christus Jezus ziet, of zij zullen temeer van zichzelf walgen; maar dit vind ik algemeen: dat slordige en onbedachtzame gedachten van vergeving, voortbrengen de zoetsappige zelfbehagende beseffingen in de harten van de mensen. En dat is ook zelfs de zonde van Gods kinderen; daar komt een weinig vermindering van ons afgrijzen van onszelf, als ons vrees en gunst toegesproken is. Maar ik bid een ieder, die gelooft dat er geen verdoemenis voor hem is, dat hij oplet, dat alles in hem is hetwelk de verdoemenis waardig is, ja niet anders, dan hetgeen die waardig is; en derhalve laat dat lieflijk aanschouwen van God op u, in u voortbrengen een walging en zelfverfoeiing: hoe meer u begrijpt, dat Hij een welbehagen in u heeft, wees u temeer mishaagd met uzelf, omdat het niet in u is, dat Hij zo’n welbehagen heeft, maar in Zijn Eigen geliefde Zoon.
De dag van de verlossing staat te komen, wanneer er geen verdoemenis voor u, noch iets verdoemelijks in u zal wezen; in de hemel zult u zodanig zijn, maar zolang u hier bent, is dit de gewichtigste plicht, waartoe u geroepen wordt: een "walging van uzelf te hebben, vanwege al uw gruwelen, en omdat God verzoening voor u gemaakt heeft, over al hetgeen u gedaan hebt." Ezech. 16:63,31; 20:43. Er is een nieuwe en vreemde doding waar velen voor pleiten, van welke de hoogste vordering bestaat in geen zonde te gevoelen, te kennen of te belijden, maar aan het gevoelen en de overtuiging ervan gestorven te zijn. Helaas; is dit de vrucht van hervormen? Is dit niet de geest van de antichrist. Ik beken, het is een doding van godzaligheid, en een kruisiging van bekering en heiligheid, een kruisiging van de nieuwe mens; doch het is een levendmaking van de ouden mens in de begeerlijkheden ervan; het is een leven tot de zonde. Dit is een deel van dat nieuwe doch vals zogenaamde Evangelie, hetwelk door sommigen verkondigd wordt, hetwelk wij niet behoren te geloven, al bracht ook een Engel van de hemel het ons. Een ander fondament kan niemand leggen, dan hetgeen reeds gelegd is, waarop de profeten en apostelen gebouwd zijn en gebouwd hebben, namelijk: Jezus Christus. De Heere geve de Geest, om te verstaan deze verborgenheden, die al ontdekt zijn, maar Hij beware ons voor de nieuwe lichten en ontdekkingen. Hetgeen wij ontvangen hebben, is machtig om ons volmaakt te stellen tot zaligheid.
Een ieder geeft voor, dat zij recht en deel hebben aan dit voorrecht van de Christenen, van vergeving te hebben, en vrijgesproken te zijn van de verdoemenis; hij wil er niet aan twijfelen hoewel ondertussen hun ongerechtigheden tegen hen getuigen, en hun overtredingen zeggen in het hart van een godzalige, dat er geen vreze Gods voor hun ogen is. Daarom beschrijft de apostel degene, die in Jezus Christus is, dat hij zo een is, "die niet wandelt naar het vlees, maar naar de Geest." En dat niet alleen, opdat elk zich wachten zou voor de vermetele inbeelding van degenen, die in hun zonden levende en evenwel voorgeven, te hopen op de hemel: maar om alle gerechtvaardigde zielen op te wekken tot een nieuwe wandel, omdat zij in Christus Jezus zijn.
Wij zouden graag een weinig uit deze woorden spreken tot twee dingen, eerst: dat de Schrift merk- en kentekenen geeft van gerechtvaardigde en verzoende mensen, opdat zij daardoor beide aan hen en aan anderen bekend zouden zijn. Ten andere, dat de Christen, die de verdoemenis ontkomen is, een nieuwe wijze van wandelen heeft, en een nieuw schepsel is in Christus.
Het kon een vreemde zaak schijnen, dat dit eerste in twijfel getrokken wordt door dit geslacht, (indien anders een van de klaarste en gewichtigste waarheden voorbijgaan kon, zonder beredetwist te worden) aangezien de inhoud van de gehele Schriftuur zoveel daarvan te kennen geeft. Ik verwonder mij, hoe iemand daar nog aan twijfelen kan, die dit hoofdstuk of de brieven van Jacobus en Johannes leest. "Hierdoor weten wij, dat wij Hem kennen, zo wij zijn geboden bewaren," 1 Joh. 2:3. Blijkt het daar niet uit, dat het een besluit is van onze staat, dat onze wandel overeen komt met de wil van God? Van welke Goddelijke waarheid kunnen wij zeker zijn, indien dit onzeker is? Daar de geliefde discipel, die wel wist, hoe men Christus prediken moest, en het bevestigt in uitgedrukte woorden, 1 Joh. 5:13. "Deze dingen heb ik u geschreven, die gelooft in de naam des Zoons van God; opdat u weet, dat u het eeuwige leven hebt, en opdat u gelooft in de Naam des Zoons Gods." Dit is eigenlijk het grote oogmerk en teken van deze Evangelische en Goddelijke brief.
Ik bevind, dat de Antinomianen verwarring maken omtrent deze vraag, opdat zij in hun duisternis des te meer voordeel zouden hebben. De vraag is niet aangaande de gronden, waarop een mens in Christus gelooft, maar aangaande onze zekerheid of kennis van hetgeen dat wij geloven. Daar is een grote misvatting in de praktijk van de Christenen, als zij deze twee dingen ondereen mengen; het maakt de Christenen zeer onredelijk in hun twijfelingen en sukkelingen: laat men ons dit dan voor ogen houden.
Het geloof in zijn eerste en zuivere werking is veeleer een aankleving van een verloren ziel aan Christus, dan een blijk van zijn deel aan Hem, of van zijn eeuwige liefde. Gijlieden weet allen wel, dat het iets anders is, een zaak te weten en te beminnen, en wat anders, daar op terug te zien en te weten, dat ik iets ken en bemin. Johannes schreef aan de gelovigen, opdat zij mochten weten, dat zij geloofden, en opdat zij nog meer zouden geloven. Deze twee dingen zijn afgescheiden van elkaar, de een is later dan de andere: "nadat u geloofd hebt, bent u verzegeld," staat er, Ef. 1:13. De verzekering van Gods liefde en van ons deel aan Christus, is het zegel des Geestes, dat op onze ziel gezet is. Hier is nu een onderlinge of wederzijdse verzegeling: de ziel, door te geloven en op Jezus Christus te vertrouwen, zet haar zegel daaraan, "dat God waarachtig is," gelijk Johannes spreekt, Joh. 3:33. Wanneer God in zijn wet spreekt, zo ontvangt de ziel die getuigenis van rechtvaardigheid en heiligheid, zij ondertekent de billijkheid en rechtvaardigheid van het vonnis, door zichzelf te veroordelen. En wanneer Christus in het Evangelie spreekt, dan verzegelt de ziel die leer van de vrije zaligheid, door de aanbieding met haar ganse hart goed te keuren en toe te stemmen; zij ondertekent de weg der zaligheid in Christus, en de waarheid Zijner beloften, en ons wordt de waarheid Gods in Christus verzegeld door het geloven van de ziel. Dan is het daarna, dat de Geest van Jezus Christus, als het Hem belieft, de ziel bestraalt en beschijnt, en die dingen openbaart, die hun van God geschonken zijn: en Hij getuigt aan de consciëntie van de gelovigen, dat hij een kind Gods is. Dus verzegelt de Geest de gelovigen, en geeft aan Zijn waarheid getuigenis.
En indien wij spreken van de grond van het eerste, namelijk van te geloven in Christus tot zaligheid: — ik ken er geen, dan die aan de zondaars bekend is en in het Evangelie aan allen in het algemeen voorgehouden wordt, te weten: onze zonde, ellende, en volstrekte nood, en Christus’ nodiging van allen, om te komen en Zijn volle en volmaakte zaligheid aan te nemen. Ik oordeel, dat een mens niets behoorde te zoeken in zichzelf, waar op hij zijn komen tot Christus zou bouwen. Hoewel het waarachtig is, dat niemand tot de Zaligmaker kan komen, voordat hij overtuigd is van zonde en ellende; nochtans behoorde niemand overtuigingen te zoeken, als een grond om tot Christus ter zaligheid te komen. Die ernstig denkt omtrent deze vraag: hoe zal ik zalig worden? die behoorde volgens mijn oordeel geen tijd te verliezen, om op zichzelf terug te zien, en te onderzoeken of hij iets in zichzelf vindt, dat wat goeds belooft; maar hij zou, zodra hij zijn zonde en ellende gezien heeft, overgaan tot de genade en barmhartigheid van Christus, zonder enig tussenkomend onderzoek naar iets in zichzelf, om hem grond te geven om te komen. Daar behoort niets te wezen voor het oog van de ziel, dan zonde en ellende en dringend noodzakelijkheid, vergeleken met meer dan overvloedige genade en gerechtigheid in Christus; en alsdan werpt zich de ziel over op Christus en ontvangt Hem, als om niet aangeboden, zonder geld en zonder prijs.
Ik weet, dat het niet mogelijk is, dat een ziel Christus kan aannemen, voor dat er enig voorbereidend en overtuigend werk van de Wet is, om zonden en ellenden aan haar te ontdekken; maar dit houd ik voor zeker, dat op dusdanige voorbereiding te zien, en een moedgeving of beweegreden daaruit te trekken, om in Christus te geloven, inderdaad is, Hem een prijs te geven voor Zijn om niet aangeboden wateren en wijn; het is Christus en de Wet ondereen te mengen in onze aanneming bij God. En zo wanneer zielen werk maken voorbereidingen te zoeken, besluitende voor een tijd, de belofte van het Evangelie, geheel niet aan te merken, totdat zij dezelve—en vergenoegen in dezelve gevonden hebben, dit is niets anders, dan "zijn eigen gerechtigheid te gaan oprichten, niet kennende de gerechtigheid van Christus." En daarom verderven sommigen de eenvoudigheid des Evangelie, door strenge afvorderingen van voorbereiding, en van zulke of zulke mate ervan, en door die te maken tot voorwaarden of bepalingen van Evangelische bevelen en beloften gelijk in dat woord: "komt u allen, die vermoeid zijt," daaruit willen zij inderdaad degenen die zo niet gesteld zijn, uitsluiten, van een grond te hebben om te geloven; — helaas! het is een grote misvatting van deze en dergelijke woorden; want gewis, die zijn niet voorgesteld met opzet om iemand die komen wil, uit te sluiten, want, nee, "ieder die wil, laat hem komen, en nemen om niet," maar veeleer om zulke vermoeide en verbroken zielen aan te moedigen, welke denken, dat zij de enigste personen zijn, die uitgesloten worden; en om ons enigermate te verklaren de natuur van het ware geloof, dat namelijk de ziel uit zichzelf moet gedreven zijn, eer zij tot Christus kan komen.
Daarom besluit ik, dat het een belachelijke en dwaze gedachte van vele Christenen is, die tegenwerpingen plegen te maken tegen het geloof, en te zeggen: indien ik zulk of zo een was, indien ik God lief had, indien ik die vruchten des Geestes had, indien ik naar de Geest wandelde, dan zou ik geloven. Helaas, hoe recht strijdig is dit tegen de condities van het Evangelie? Ik zeg: indien u uw genoegen in die voorbereiding neemt, en uit die grond tot Jezus komt, dan komt u niet dadelijk tot Hem, maar u bevestigt waarlijk uwe eigen gerechtigheid. Meent u, dat enig vroom mens, hoe heilig hij ook zij, zich aanmerkt onder zulke bevattingen van genade, wanneer hij komt om gerechtvaardigd te worden? Gewis neen; maar veeleer als een goddeloos mens, hij moet dat alles verloochenen, al bezat hij het. Daarbenevens is het onredelijk en onvoeglijk, de vruchten te zoeken eer de boom geplant is, en te weigeren de boom te planten, voor dat u er vruchten van ziet. Maar ook is het strijdig tegen de vrije en troostelijke leer van het Evangelie, dat de ziel iets anders dan zonde zoekt in zichzelf te ontdekken, eer zij zich naar Jezus Christus begeeft.
Ik zeg dan, daar moet enig gevoel van zonde zijn, anders heeft men de zonde niet recht gezien: maar een ziel heeft geen moeite te doen, om dat gevoelen van de zonde zodanig aan te merken en uit te vinden, dat ze het een beweegreden zou maken, om in Christus te geloven. Hij moet recht toe naar Christus gaan, en niet wederkeren wanneer hij gaat; hij moet, het is waar, zichzelf goed onderzoeken, maar het is niet, om zichzelf te bevinden een gevoelig en verootmoedigd zondaar, opdat hij daarin grond zou hebben om te geloven, maar opdat hij zich bevindt een verloren en vergaande zondaar, zonder alle genade en goedheid te zijn, opdat hij temeer mocht bevinden, dat hij Jezus Christus ten hoogste nodig heeft. En aldus meen ik, dat de veelvoudige twisten over voorbereidingen, of over condities, die tot het geloof voorbereiden, zouden neergelegd worden.
Maar indien nu de vraag is (gelijk dat in waarheid is) over de gronden van onze verzekering, en over de kennis van ons eigen geloof, dan is het zeker zo klaar als de middag, dat gelijk de goede boom gekend wordt door zijn vruchten, en het vuur door zijn hitte, ook alzo de inwoning van het geloof in het hart bekend wordt, door de reiniging ervan van het hart en werking door de liefde; zij maakt de mens een nieuw schepsel, zodat hij en anderen het onderscheid kunnen zien. En dit is niet tot vermindering van de eer van de vrije genade van Christus, of een bevestiging van onze eigen gerechtigheid (tenzij dat de mensen zo bevreesd zijn hun eigen gerechtigheid te bevestigen, dat zij geheel geen heiligheid willen hebben, maar die ten enenmale laten varen, uit vrees van daar op te vertrouwen, hetwelk een geneesmiddel is, dat erger is dan de ziekte;) omdat ik het geen grond maak, waarom ik bij God aangenaam zou zijn, maar alleen als een bewijs van mijn geloof in Christus, en dat ik door God ben aangenomen; dewijl het bekend is, dat deze dingen een noodzakelijke samenhechting met elkaar hebben in de Schriftuur, en het ook wel bekend is, dat het één kennelijker en lichter te bemerken is, dan het andere. Voorzeker, het boek des levens des Lams is een grote verborgenheid; en indien dit niet, waarover wij spreken, toegestaan wordt, zo zie ik niet, of de wedergeboorte en verandering van ieder zal alzo donker en verborgen zijn, als de verborgen en geheime besluiten van Gods verkiezing: want de Geest kan de een en de ander onmiddellijk openbaren. Is het een verkleining van de genade Gods, dat wij weten, wat ons vrijelijk geschonken is? Prijst het de genade niet veel meer aan wanneer een ziel zichzelf aanziet, als schoongemaakt door Zijn heerlijkheid en versierd met Zijn genade, en zichzelf verfoeit, en met walging aanziet, als in zichzelf, en zij schrijft al de eer en lof aan Hem toe? Is het niet meer tot verongelijking van de fontein en volheid van de genade in Christus, geheel niet te zien de stromen ervan, noch die aan te merken, dan te beschouwen de stromen van de genade, die uit deze fontein vloeien, als komende uit dezelve? Ik geloof, dat de Christenen kunnen genegen zijn, om een afgod en middelaars te maken van hun genaden, als zij bekeerd zijn; maar is het wel een goed geneesmiddel voor dit kwaad, dat men alle gezicht en kennis van die dingen, die ons van God geschonken zijn, laat varen? Zullen wij van de vrijheid van de genade niet spreken, omdat de verdorvenheden de genade verkeren in vleselijk vrijheid en dartelheid? Indien deze genaden in ons zijn, voorzeker het is geen deugd daarvan geen kennis te dragen, maar het is veeleer een zwakheid en duisternis. Het moet dan wezen het licht en de genade Gods, dezelve te kennen, en daaruit te besluiten, die verzekerdheid des geloofs, die niet is een opgedrongen, ongegronde en ijdele inbeelding, zonder enige redenen daarvan opgemerkt te hebben; gewis, het is de raad van de apostels, dat wij "onze verkiezing zeker maken, door onze roeping zeker te maken."
Hoe zou iemand het ondernemen die geheimen in te zien van het boek des levens des Lams, en daar zijn naam te lezen? ongetwijfeld behoren die verborgen dingen niet tot ons; zij zijn een ontoegankelijk licht, hetwelk hun meer zal bedwelmen en verdonkeren; derhalve moest een ieder, die zijn verkiezing wil weten volgens de Schrift, het afschrift en de kopie lezen van het Boek des levens, die in de harten en zielen van de uitverkorenen geschreven is. Gods gedachten zijn in Zijn werken geschreven op de harten van de mensen; Zijn verkiezing heeft daar een zegel op: "De HEERE kent degenen, die de Zijne zijn." En wie kan dit zegel openbreken? "Wie heeft de zin des Heeren verstaan?" Niemand kan het doen, tenzij de Heere Zijn gedachten in enige karakters van Zijn Geest en van het nieuwe schepsel overschrijft, in enige trekken en schetsen van Zijn beeld, opdat het bekend wordt, dat zij zijn "een brief van Christus, geschreven niet met inkt op papier, maar door de Geest des levenden Gods, niet in stenen tafelen, maar in vlezen tafelen des harten." 2 Kor. 3:3. Christus schrijft Zijn eeuwige gedachten van liefde en goedwilligheid jegens ons in deze brief. En opdat wij niet zouden denken, dat dit het schepsel verhoogt en Christus verlaagt, zo wordt er bij gedaan, vs. 5: "Niet dat wij van onszelf bekwaam zijn, iets te denken, als uit onszelf, maar onze bekwaamheid is uit God." Het zien van de genade in onszelf, doet geen nadeel aan Gods genade, tenzij wij die zagen als onafhankelijk van de fontein, en wij de rechte oorsprong ervan niet bemerkten, anderszins zien wij. dat wij geen stof tot roem hebben in onszelf.
Het is geen veilige weg, om de zon te beschouwen door recht daarnaar op te zien; want zij brengt te grote duizeling op onze zwakke ogen; u kunt ze zo niet goed zien; maar de beste weg is, dat wij de zon aanzien in het water, dan zullen wij ze gestadiger aanschouwen. Gods eeuwige liefde en de verlossing door Jezus Christus is een al te heerlijk voorwerp, dan dat het met de ogen van het vlees te beschouwen was; zulke voorwerpen moeten de geesten van de mensen verbazen, en terneer slaan door hun overklimmende glans; daarom moeten wij op de stralen van deze zon zien, zoals zij weerkaatsing in onze harten hebben, en zo de overeenkomst van onze zielen met Gods wil te beschouwen, door zijn Geest gewerkt; en dan zullen wij de gedachten van Zijn ziel naar ons weten.
Indien de mensen op de eerste vlucht zo hoog zoeken te klimmen, dat zij verzekerd willen zijn van Gods eeuwige liefde en van Christus’ dood voor hen in het bijzonder, dan kunnen zij niets meer doen, dan hun vleugelen te verzengen, en de was ervan te doen smelten. totdat zij van de hemel van hun ongegronde verzekering neervallen in een put van wanhoop. De Schriftuurlijke weg is, dat men eerst naar omlaag gaat, opdat men mag opgaan. Ga eerst neer in uzelf, en maak uw roeping zeker, en dan mag u opklimmen tot God, en maken uw verkiezing zeker; u moet door deze cirkel komen; men kan niet door een rechte lijn of rechtdoor gaan, of het moest zijn door de onmiddellijke openbaring van de Geest, welke niet gewoon noch gestadig is, en daarom mag men niet voorgeven die te hebben.
Ik beken, dat de Geest soms aan de ziel Gods gedachten naar hen over hun staat en gelegenheid, door een onmiddellijk overmachtigend getuigenis, kan bekend maken, hetwelk alle twijfelingen en tegenwerpingen doet zwijgen, en hetwelk geen ander werk of merkteken nodig heeft, om de oprechtheid en dadelijkheid van die staat te bewijzen; dat licht des Geestes zal in zijn eigen licht gezien worden, en het heeft niet nodig, dat er iemand van getuigt. De Geest Gods kan soms tot een ziel spreken: "Zoon! weest wel gemoed, uw zonden zijn u vergeven;" en het kan in de ziel inbreken als een straal, van de hemel geschoten, zonder opzicht op enig werk van de Geest op het hart, of zonder woord van de Schrift, als een middel om het toe te passen, maar dit is buitengewoner; de gewone getuigenis des Geestes is zeker samengevoegd met de getuigenis van onze eigen gewetens, Rom. 8:16. Onze gewetens geven getuigenis van het werk des Geestes in ons, hetwelk de Geest ontdekt te zijn naar het Woord; de Geest maakt ons "de dingen" bekend, "die ons geschonken zijn," doch "door geestelijke dingen met geestelijke te vergelijken." 1 Kor. 2:12,13. De vruchten in het bijzondere werk van de Heilige Geest in ons, is het middel, en het licht van de Geest bestraalt en beschijnt het, en maakt, dat de harten het duidelijk zien; want al zijn wij kinderen des lichts, zo heeft toch ons licht zoveel duisternis, dat er een bijkomend licht over moet komen, omdat licht aan ons te ontdekken. Nu, wat is dit alles voor ons? Ik vrees, dat er vele ongegronde verzekeringen onder ons zijn, en dat velen bouwen op een zandgrond, namelijk een sterke mening dat het goed met hen is, zonder enig onderzoek van hun zielen en wandel naar het Woord, doch dit zal zeker niet bestaan, wanneer de stormen zullen komen.
Sommigen leren dat niemand in twijfel behoorde te trekken of hij geloofde of niet, maar dat hij maar terstond zou geloven. Ik oordeel, dat niemand te spoedig geloven kan, het is altijd op de rechte tijd; nooit is het geloven te laat, ten opzichte van de belofte, en het is nooit te vroeg, ten opzichte van iemands staat en gelegenheid, maar ik kan niet oordelen, dat iemand geloven kan voor dat de Geest hem overtuigd heeft van zijn ongeloof; en daarom zou ik denken, dat de meeste mensen nader aan het geloof in Jezus Christus zouden zijn, indien zij wisten, dat hun geloof ontbreekt; ja het is een deel van het geloof, en van het geloof in God en op Zijn Woord, en van het zegel daar op te zetten, dat God waarachtig is, wanneer een mens zijn ongeloof en zijn natuurlijke onbekwaamheid, ja afkerigheid daarvan erkent. Ik zou denken, dat diegenen, die niet in Christus konden geloven, omdat zij eer van elkaar zochten, en Hem trachtten te doden, goed zouden gedaan hebben, dat zij die beschuldiging van Christus hadden aangenomen? En indien de mensen hun zonde op hun geweten moeten nemen, dan behoren zij hun zonde te onderzoeken en na te sporen, opdat zij die mogen uitvinden, om zich daaraan schuldig te kennen.
Ik verwonder mij, dat de Antinomianen, aangezien zij het ongeloof als de enigste zonde in de wereld stellen, de ontdekking en belijdenis daarvan niet kunnen verdragen; dus schijnt het niet, dat zij het voor zulke gruwelijke zonde rekenen. Ik beken, niemand behoorde met opzet te onthouden van in Christus te geloven, tot dat hij uitgevonden had of hij geloofd heeft of niet; maar wat er ook van geweest zij, hij is gehouden terstond het geloof in Jezus Christus te oefenen, tot Hem te vlieden, als een verloren zondaar tot een zaligmakende Middelaar. Maar dat een iegelijk zou verbonden zijn zich in het eerst te verzekeren, dat God hem heeft liefgehad, en dat Christus hem verlost heeft, dat is de hoop van de huichelaar, gelijk het web van een spin, hetwelk, zo iemand daarop leunt, niet bestaan zal; de verwachting van die mens zal vergaan, hij heeft sprankelen vuur van zichzelf aangestoken, het is wild vuur, hij wandelt niet in het ware licht van het Woord, en zo moet hij neerliggen in droefenis.
Velen van ulieden bedriegen zichzelf, en niemand kan u overreden, dat u zichzelf bedriegt, zo groot is de kracht van dat bedrog en van die droom. Het is een groot deel van de bedrieglijkheid van het hart, dat men zichzelf vleit in zijn ogen, en dat men maakt, dat men goed van zichzelf en van zijn hart denkt. Ik bid u, waagt uw zielzaligheid niet op zulke ongegronde meningen; als men de zaak nooit in twijfel stelt, dan laat men ze altijd in het onzekere. Indien u zich naar de Schrift wilde oordelen, het zou bevonden worden, dat velen van u de merktekenen hebben van degenen, die buiten de stad van toevlucht zijn gevonden, en die hun deel zullen hebben in de poel des vuurs.
Is er geen verdoemenis voor ulieden, die nooit uzelf veroordeeld hebt? Gewis, hoe afkeriger u bent van uzelf te verdoemen, hoe de verdoemenis u vaster aankleeft; u bent allen niet in Christus; zij zijn niet allen Israël die uit Israël zijn. Velen, het grootste gedeelte, zijn maar Christenen in naam, zij hebben geen ware vereniging met Christus, noch beginsel van Hem ontvangen; uw liefde, die u tot uzelf hebt, doet u licht het goede van uzelf geloven; weet, dat eigenliefde de ogen kan verblinden, en u doen inbeelden, dat God u ook lief heeft; ja een ieder kan zich al ras inbeelden, datgene te zijn, hetgeen hij begeert te zijn. Ik bid u, let er op, of u enige andere grond voor uw hoop en vertrouwen hebt, dan alleen de zodanige, die u niet altijd zullen ondersteunen. Het zou geen schade zijn, zo uw hoop terdege geschud werd, opdat u in plaats van een ijdele vermetele inbeelding, het anker van de hoop mocht hebben, die binnen het voorhangsel zal gevestigd blijven.
Ik oordeel, dat één ding de mensen ver van het Koninkrijk Gods houdt, namelijk, omdat zij niet weten, dat zij in Hem niet geloven. Wij hadden veel grond op ulieden door het Woord gewonnen, indien wij u konden overreden, dat gijlieden niet gelooft, en niet geloofd hebt van uw kindsheid af; wij konden dan tot u zeggen, gelijk Christus tot Zijn discipelen zeide: "gij gelooft in God, geloof in Mij:" gijlieden hebt aan God de Rechter en Wetgever geloof gegeven, als Hij een vloek over u uitsprak, en een vonnis, dat gijlieden wonderlijk goddeloze harten hebt; nu "geloof ook in Mij, de Verlosser." Gijlieden hebt in de Wet geloofd, zover als u zichzelf geoordeeld hebt, onder de zonde en onder de Wet te zijn, nu, geloof Mij in het Evangelie, hetwelk u een rantsoen en verlossing brengt van de toorn, en een geneesmiddel voor de zonde. Dit ongeloof is het eigenlijk, hetwelk de oorzaak is, dat de wereld vergaat: — ongeloof van wet en Evangelie. Gijlieden merkt niet op, dat u onder de verdoemenis van de Wet bent; gijlieden gelooft niet, dat u nog niet tot Jezus Christus gevloden bent, om de verdoemenis te ontgaan; en die twee dingen houden de ziel in een doodslaap, totdat het oordeel hen wakker maakt.
Maar ik wilde aan een ieder van ulieden deze besturing geven; dat niet het nalaten van het onderzoek van hetgeen u bent, u hindert in datgene, hetwelk uw voorname plicht is, en zijn voornaam gebod, namelijk: van in Hem te geloven. Ik weet dat vele Christenen bedwelmd zijn omtrent hun deel, en twijfelen daar altijd aan, omdat zij meer ingenomen zijn met hetgeen slechts een stof is van troost en blijdschap, dan met hetgeen zijn grootste eer en heerlijkheid is. Ik zeg u, het is de gewichtigste stof van het Evangelie, te letten op de dierbare beloften, te geloven de voortreffelijkheid en kracht van Jezus Christus, en Hem lief te hebben van harte, en u in Hem te verlustigen; ja, uit uzelf dagelijks tot Zijn volheid te gaan, te trachten nieuwe ontdekkingen te krijgen, van uw eigen snoodheid, en van Zijn genade, dat is het nieuw en groot gebod van het Evangelie; de gehoorzaamheid aan dat is het wezenlijkste deel van een Christelijke wandel.
Nu wederom, het is maar een stof van troost en van een tweede aangelegenheid, duidelijk te weten, dat gij gelooft, en verzekerd bent van uw deel aan Christus, daarom zeg ik, wanneer u nooit klaar kunt zijn in dit, dan behoort u zich altijd te oefenen in het eerste; want het is datgene, waartoe wij eerst geroepen zijn; en ingeval de zielen meer op die wijze geoefend waren, in de aanmerking en in het geloven, zelfs van de algemene waarheden en beloften van het Evangelie, ik twijfel niet of het licht ervan zou hun bijzonder deel daaraan, op de rechte tijd opklaren: "Deze dingen moesten gedaan, en de anderen niet nagelaten worden." Het is altijd het veiligst, dat u de vraag van uw deel ontwijkt, wanneer het u neerwerpt, omdat het u van uw bijzondere plicht aftrekt, en dat oogmerk heeft de satan daar in. Het was beter, indien u er aan twijfelt, dat u terstond geloofde en in Hem bleef, totdat het buiten onrust en twijfel gebracht werd.
Die niet naar het vlees wandelen, maar naar de Geest.
Christus is ons van God geworden tot rechtvaardigheid en heiligmaking, en daarom, degenen die in Christus zijn, ontgaan niet alleen de verdoemenis, maar "zij wandelen naar de Geest en niet naar het vlees." Die twee zaken zijn de somma van het Evangelie. Er is geen grotere beweegreden, tot een heilige wandel, dan deze: er is geen verdoemenis voor u; ook is er geen groter blijk van dat een ziel de verdoemenis ontgaan is, dan het wandelen naar de Geest.
Wij hebben iets in het algemeen gesproken van het bewijs, dat een mens kan hebben van zijn staat, uit zijn wandel en uit het werk des Geestes in Hem. Nu wilden wij spreken van de samenvoeging van die twee zaken, en van de invloed, welke dat voorrecht heeft op deze plicht, en iets van de natuur van deze beschrijving, "die niet wandelen naar het vlees, maar naar de geest."
In de schepping van de mens was de mens samengesteld uit ziel en lichaam; er was een rechte orde en ondergeschiktheid tussen die, die gevoeglijk was naar hun natuur: in zijn ziel was hij de engelen boven in de hemel gelijk; in zijn lichaam was hij gelijk de beesten hier beneden; en dit deel, zijn vlees, was een dienaar voor de ziel, en werd bewogen en aangedaan naar de begeerte en beweegreden van de ziel. Maar de zonde inkomende, heeft niet alleen alle schoonheid van de schepping mismaakt, en de mens misplaatst, en hem uitgedreven van die behoorlijke lijn van ondergeschiktheid aan God zijn Maker (want wij willen God even gelijk geweest zijn), maar zij heeft ook die schone orde in de mensen omver geworpen, en die recht anders gekeerd, en gemaakt dat de knecht te paard rijdt, en de prins te voet wandelt.
Dit is de rechtvaardige straf van onze eerste zonde; Adams ziel was door de schepping alleen onder het gebod van zijn Schepper gesteld boven al de schepselen, en boven zijn eigen zinnen, maar in één zonde verhief hij zich trots boven God, en onderwierp zichzelf jammerlijk aan en onder zijn zinnen, door te luisteren naar hun overreding; hij zag dat de vrucht goed was, en hij prees het, en zij was zoet, en zo at hij er van. Wat was dit een vreemde weg! Om God gelijk te zijn, maakt hij zich ongelijk aan zichzelf, en meer gelijk aan de ellendige beesten. Nu ik zeg, dit is de verdiende straf van de mens: zijn ziel, die een vrije vorst was, is een gebonden slaaf geworden van de lusten van zijn vlees; het vlees heeft de troon ingenomen, behoudt die, en het heerst over de gehele mens.
Daarom is het, dat de gehele onherboren mens vlees genoemd wordt, alsof hij geen onsterfelijke geest had, Joh. 3:6: "Hetgeen uit vlees geboren is, dat is vlees;" en vs. 8 van dit hoofdstuk is een beschrijving van natuurlijke mensen, "die in het vlees zijnd," omdat het vlees het overheersende deel is, hetwelk des mensen rede en wil gevangen genomen heeft; ja niet alleen staan onder die naam de grovere verdorvenheden in een mens, die hun gebruik en zitplaats hebben in zijn vlees en lichaam, maar zij neemt de gehele natuur van de mens, hetgeen allervoortreffelijkst in hem is, zijn ziel en geest, zijn licht en verstand, en de zuiverste grondbeginselen van zijn wandel, die allen zijn nu maar vlees. Ja, niet alleen zulke natuurlijke gaven en verlichtingen, maar ook het licht van het Evangelie en van de Wet Gods, hetwelk enigerwijze in zijn ziel ingaat, verandert zijn natuur en naam, het is alles maar duisternis en vlees in hem, omdat het vlees over dat alles heerschappij heeft; de wolken en dampen, die van het vlees ontstaan, benevelen en verdonkeren die alle; de verdorvenheden van de ziel worden hierin zeer gesterkt en uitgelaten; de zonden worden aan het vlees natuurlijk, en zo wordt een mens door het vlees verstrikt, en aan de zonde onderworpen. Christus bevat al onze voorrechten en bekwaamheden onder dit woord: "geboren niet uit vlees en bloed," Joh. 1:13, en, "vlees en bloed heeft u deze dingen niet geopenbaard," Matth. 16:17; zelfs de uitwendigheden van de godsdienst, en al de algemene voorrechten van de Christenen kunnen vlees genoemd worden. Wat heeft Abraham verkregen naar het vlees? Rom. 4:1; Phil. 3:3, hetwelk zoveel te kennen geeft, dat al die uiterlijke voorrechten, veelvuldige verlichtingen en verbeteringen kunnen zo ver met de verdorvenheid van des mensen natuur bestaan en zich daarmee zo verenigen, dat zij een naam daarmee hebben, dat is: dat ze vlees genoemd worden; zij allen zijn niet bekwaam, om ons vlees te overwinnen, maar veeleer ons vlees overwint die alle, en maakt dat het er van gediend wordt, totdat een sterkere komt, namelijk de Geest, om het vlees ten onder te brengen, en het huis uit te werpen. Aldus is Gods beeld in de mens uitgewist; ja zelfs het beeld en de natuur van de mens als mens, is verdorven; de eerste schepping is door de zonde mismaakt en in wanorde gesteld. Nu, wanneer deze tweede schepping, de wedergeboorte, komt, dan wordt het schepsel vernieuwd, en door de krachtige Geest van Jezus Christus wederom geformeerd; deze verandering wordt er gemaakt: het vlees wordt van de troon gesteld, als een ongerechtigde, en ‘s mensen geest en ziel wordt boven het op een troon gesteld, doch wordt volgens zijn behoorlijke orde geplaatst onder een heilige en geestelijke Wet Gods; en zo is Jezus Christus de Toemaker van de bressen, en de Hersteller van de oude paden en de verwoeste plaatsen, om er in te wonen. Nu heeft de ziel een nieuwe regel gekregen, om daarnaar te werken, en nieuwe grondbeginselen, om daaruit te werken. Hij, wiens gewone wandel was naar de verdorven ingevingen en bevelen van zijn vleselijk genegenheden, en niet hoger klom dan zijn sprankels van de natuur en van verkregen licht hem wilden leiden, heeft in zich een nieuwe regel bevestigd gekregen: de Geest sprekende in het Woord tot hem, en hem zijn weg aanwijzende; en daar is een nieuw grondbeginsel: die Geest, hem leidende in alle waarheid, en hem levendmakende om in de waarheid te wandelen.
Nu dit is de volmaakte vrijheid van de ziel: verlost te zijn van onder de heerschappij van de zonde en van de begeerlijkheden, en dus maakt de Zoon de Zijnen waarlijk vrij door de vrijmoedige Geest. De Zoon was tot een dienstknecht gemaakt, opdat wij zouden vrij worden, en niet meer dienstknechten van de zonde in de begeerlijkheden ervan; en alwaar de Geest des Heeren komt daar is vrijheid: daar wordt de geest, de redelijk ziel des mensen, verheven tot haar eerst aangeboren waardigheid; daar wordt het lage vlees van de troon gesteld en daartoe gebracht, dat het de geest en ziel in de mens dient.
Christus is waarlijk de grootste vriend van de mensen, voor zoveel zij mensen zijn: de zonde maakt ons beesten. Christus maakt ons mensen. Ongelovigen zijn onredelijke mensen, beestachtig, ja enigerwijze beesten; dat is een gewone benoeming in de Schriftuur; het geloof maakt een mens redelijk, het geeft een zaligmakend en geheiligd gebruik van de rede. Het is een schande voor ieder mens, een slaaf van zijn lusten en hartstochten te zijn; het is het merkteken van een beest op hem: hij die geleid wordt door zijn zinnen en hartstochten, is ontaard van de menselijke natuur, en nochtans zijn allen die buiten Christus zijn de zodanigen; de zonde heerst in hen, en het vlees heerst, doch de grondbeginsels van licht en rede binnen in de mens zijn gevangen gehouden, en in een hoek van zijn hart gekerkerd. Wij zien, dat de algemene aangenomen waarheden onder de mensen, van dat er een God is, dat Hij heilig, rechtvaardig en goed is, dat er een hemel en hel is, ten enenmale krachteloos zijn, en geen invloed hebben op de wandel van de mens, even weinig alsof ze niet bekend waren, en dat vanwege de waarheid in ongerechtigheid ten onder gehouden wordt. De verdorvenheden van het vlees van de mens zijn zo weelderig, dat ze al dit zaad van de waarheid overgroeien en verstikken, gelijk de doornen het zaad deden, Matth. 13:7.
Wat ulieden belangt, die geroepen bent van Jezus Christus! o weet, waartoe u geroepen bent; het is waarlijk een vrijheid, een waarachtig voorrecht, u bent niet meer schuldenaars aan het vlees; Christus heeft die verbintenis van slaafse dienstbaarheid daaraan losgemaakt. O! laat het u een schaamte zijn, die Christenen bent, dat u ooit zo zoudt wandelen, en dat gij ooit meer verstrikt zoudt worden in dat juk van de dienstbaarheid: "hij die over zijn geest heerst, is groter dan de sterke, ja dan hij, die een stad inneemt." Dus zijn wij geroepen, om meer dan overwinnaars te zijn. Anderen wanneer zij de wereld overwinnen, zijn slaven van hun eigen begeerlijkheden. maar laat het ver van u zijn zodanig te wezen; gijlieden behoort uzelf te overwinnen, hetwelk meer is dan de wereld te overwinnen; het is niet alleen voor een Christen onbetamelijk, dat hij door zijn lusten en begeerlijkheden geleid zou worden, maar het is beneden een mens, indien maar de mensen door de zonde, niet waren beneden de beesten. Ik bid u, staat er naar, en houdt vast de vrijheid, die Christus voor u verkregen heeft; schikt u niet meer naar de vorige begeerlijkheden, weet, dat u mensen bent, dat u een redelijke en onsterfelijke geest in u hebt! Waarom wilt u dan wandelen gelijk beesten? Verstaat dit, o onredelijken! en u zotten! wanneer zult u wijs worden? Maar ik zeg nog meer: weet, dat u Christenen bent, en dat is meer, dan een mens te zijn, het is een Goddelijk mens te zijn: iemand die van de Goddelijke natuur deelachtig is, en die dan ook zo wandelen moet. Christenen zijn geroepen tot een nieuwe wijze van wandelen; en dat wandelen in een vrucht, die uit de wortel des geloofs komt, waardoor zij in Christus ingeplant zijn.
Gij ziet, deze dingen stemmen wel samen overeen; "degenen, die in Christus Jezus zijn, wandelen niet naar het vlees," etc. Wandelen naar het vlees is de gewone wandel van de wereld, die buiten Christus en zonder God is. Maar Christus geeft geen ruimte tot zo’n wandel. In Christus te zijn, is een nieuwe natuur, en daarom moet zij nieuwe werkingen hebben, namelijk, te "wandelen naar de geest." Terwijl wij op de wandel van het merendeel van de mensen zien, kunnen zij ons verstrekken tot een uitlegging, om de woorden te verklaren, wat het is, te wandelen naar het vlees. "De werken van het vlees (zegt de apostel Gal. 6:19,) zijn openbaar;" en waarlijk zij zijn klaarblijkelijk, omdat ze in grote letters geschreven zijn op de buitenste zijde van velen in de zichtbare kerk, zodat zij die voorbij lopen, ze lezen kunnen; leest maar dat register bij Paulus, Gal. 6, en komt en ziet dezelve dan in de gemeente. Het is geen twijfelachtige en niet te onderkennen zaak, dat velen nog buiten de vrijstad zijn; u kunt het merk op hun voorhoofd zien. Is niet dronkenschap, die zo gemeen is, een tastelijke blijk daar van? alzo is uw nijdigheid, smading, toorn, tweedracht, oproerigheid, hoererij, en dergelijke.
Och bedriegt uzelf niet, daar is geen plaats in Jezus Christus voor zulke onreinheden en goddeloosheden. Binnen deze stad en in dit Koninkrijk wordt geen zonde geduld; het is waar, zondaars krijgen hier vergeving, ja zij worden ontvangen en verwelkomd; dronkaards, onkuise mensen, enz., worden niet uitgesloten, dat zij in deze stad niet zouden mogen gaan; maar dit is er van: zij moeten deze begeerlijkheden verlaten, indien zij hier willen verblijven. Christus wil ze beide niet behouden, of hij moet die zonde uitwerpen, of de zondaar met de zonde, indien hij er niet van scheiden wil. Ik bid u, neemt kennis, waarnaar u wandelt; het vlees is uw leidsman; en waar zal het naar toe leiden? Och het is droevig, daaraan te denken, het is tot het verderf, vs. 23: "Indien gij naar het vlees leeft, zo zult gij sterven." Gij meent dat het vlees uw grote vriend is; gij doet al wat u kunt, om het genoegen te geven en te behagen. En hoe vermakelijk is u de inwilliging van het vlees? Gij meent, het is vrijheid het vlees te volgen, en ai, acht het banden en koorden, daarvan weerhouden te worden. Maar och! weet en merk, dat vlees zal u a afleiden van het Koninkrijk; die leidsman op uw weg, aan wie u zich overgegeven hebt, zal u van de hemel afleiden, Gal. 5:21; het is een blinde leidsman; verdorvenheid, eigen zin en eigen wil, hebben geen ogen, om die put van eeuwige ellende te onderkennen: zij kiezen de weg die het meest betreden is, die lichtst is, en daar de meesten op wandelen, en dat zal u zeker recht toe in die put van de duisternis leiden.
Laat u afroepen van deze weg, van het opvolgen van blinde lusten, en laat ze liever gekruist worden; wreekt uzelf daarover wegens uw twee ogen, die zij u uitgestoken hebben, en wegens hun verraderlijk handelen met u, in u te leiden op de hoge weg naar het verderf.
Komt in tot Christus Jezus, en u zult een nieuwe leidsman krijgen: de Geest, Die zal u in alle waarheid leiden, tot het zalige en eeuwige leven. Christus is de weg, waar wij op moeten wandelen, en het leven, daar wij op het einde van onze weg moeten ingaan, en de waarheid, naar welke wij moeten wandelen. Nu, Hij heeft Zijn Geest, de Trooster, gegeven, om onze Leidsman op deze weg te zijn, naar deze regel en dit voorbeeld tot het leven. Met één woord, de Geest zal u rechtuit tot Christus leiden, u zult in Hem beginnen en in Hem eindigen; Hij zal u leiden van genade tot de heerlijkheid. De Geest, Die van de hemel afkwam, zal u terug naar de hemel leiden. Al uw wandel is binnen het bestek van Christus, buiten Hem is er geen weg ten hemel.
Maar wij moeten dit zo grof niet nemen, alsof het wandelen naar het vlees niets anders was, dan de grove gruwelen onder de mensen; hoewel ook die een groot getal zullen uitmaken, van die niet in Christus Jezus zijn. Maar het moet verder uitgebreid worden tot de bewegingen en genegenheden van de onvernieuwde geest, en tot de algemene grondbeginsels, naar welke wij leven. En daarom noemt de apostel vele dingen onder de werken van het vlees, en leden van de oude mens, (Gal. 5. Col. 3.) welke ik twijfel of velen daar wel onder rekenen zouden: zoals sommige natuurlijke hartstochten, die wij niets achten, omdat zij algemeen zijn, gelijk toorn, gramschap, gierigheid. Welk mens is onder ons, in wie niet enige van de genoemde zich bewegen? De harten en ogen van velen van ulieden zijn genegen tot geldgierigheid; uw zielen buigen neerwaarts, gelijk uw lichamen doen, en veeltijds eerder dan uw lichamen. Is niet het hart van de mensen op deze wereld gezet, en het kan zich niet naar boven opheffen tot een schat in de hemel? En daarom hebben uw beroepen, zijnde anderszins wettig, en uw moeiten en pogingen in daarin, dit zegel van het vlees op hen gestempeld, en zij worden niet anders bij God gerekend.
Wij zien hoe weelderig de verdorvenheden van de mensen opschieten, de toorn in hen heerschappij voerende, en hen menigmaal gevangen leidende, en dit wordt als een lichte zaak gerekend; maar zo wordt het in de Schrift niet geacht. Hoe menigmaal wordt het voor dwaasheid gebrandmerkt door de wijze man? En deze dwaasheid is de natuurlijke, vleselijke verdorvenheid zelf, waarmede de mensen geboren zijn. In hoeveel mensen komt het tot de hoogte van boosheid, haat en andere verdorvenheden? Dan draagt het eerder de naam van duivel, dan van menselijke zwakheid.
En indien wij al stellen, dat een mens niet veel tot een van deze genegen is, nochtans, wat een geest van hoogmoed en eigenliefde is er in een ieder mens, zelfs in degenen, die het laagste zeil voeren, en zich onder de mensen het geringste aanstellen; degenen, die vriendelijk en beleefd zijn, en degenen, die zich schijnen te buigen naar hen die lager zijn of even gelijk; nochtans, helaas! dit kwaad is zeer diep in de mens gegraveerd. Zo iemand maar over zijn hart kon waken, en letten op de verborgen inkeringen ervan, op al de vergelijkingen, die het maakt, op al de begeerten naar toejuiching en gunst onder de mensen, op al de nadenkingen en opwekkingen van de geest over een belediging, o! wat zou hij duivelse hoogmoed ontdekken; die zonde is meer natuurlijk en ingeboren, omdat het onze moederzonde is, die ons van onze voortreffelijkheid beroofde; dit onkruid groeit op een glazen venster, en op een mesthoop; het woont in paleizen, en in arme hutten; ja het zal ontstaan en opgroeien uit een voorgewende nederigheid en lage gedraging. Met één woord, de eerzuchtige oogmerken van de mensen, de wijde begeerte naar aardse dingen, de laatdunkende gedachten van onszelf en liefde tot onszelf, de opkomst van onze hartstochten zonder een regel te houden op ongeoorloofde voorwerpen, of op een ongeoorloofde wijze, die allen zijn aan de mensen algemeen, en de mensen wandelen ernaar. Een ieder heeft enige overheersende zonde of afgod, die hem meest bezig houdt: sommigen zijn fijner en geslepener dan anderen, sommigen hebben het in de vermakelijkheden en winsten buiten hen, anderen in hun bekwaamheden binnen in hen; maar beiden zijn ze voor God even hatelijk, en beiden zijn ze voor Hem zinnelijk vlees en verdorvenheid.
Er zijn twee dwalingen onder de mensen, aangaande de geestelijke wandel: de ene is de lering van sommige in deze dagen; de andere is de practicale dwaling van velen van ons
Velen, die voorgeven enige ontdekkingen te hebben, die hoog en van nabij zijn, en dat aangaande Christus en de Geest, zijn gevallen op het meest gezuiverde en vergeestelijkt vlees, in plaats van waarlijk de Geest te hebben; ze scheiden de Geest van het Woord, en ze rekenen het Woord en de Wet Gods, die een lamp was voor Davids voeten, onder de vleselijke eerste beginselen van de wereld; maar "indien zij niet spreken naar de wet en naar de getuigenis," zegt Jesaja, "het is, omdat er geen licht in hen is." Dus is hun nieuw licht maar een oude duisternis, welke zelfs het donkere licht van de profeten niet kon verdragen. Indien zij niet spreken naar dit woord, het is omdat er geen geest in hen is; hun geest is niet de Geest, de Trooster, welke Christus beloofde te zenden over de apostelen, en over allen, die door het Woord geloven zouden in Zijn Naam, want die Geest was "een Geest der waarheid, Die in alle waarheid zou leiden;" en opdat niemand zijn eigen inbeeldingen aan de Geest Gods zou toeschrijven, voegt Christus er bij: "Hij zal u alle dingen weer in gedachtenis brengen," dat zijn deze dingen, die Christus heeft gesproken, en die wij hier in schrift hebben. De heilige apostel Paulus, Col. 3, als hij de werken van het vlees bestraft en verklaart, dat de gelovigen die afgelegd hebben, prijst hun aan, in tegenstelling ervan: "het woord van Christus wone rijkelijk in u, in alle wijsheid. Leert en vermaant elkander met Psalmen, en lofzangen, en geestelijke liederen, zingende de Heere met aangenaamheid in uw hart." vs. 16. Hier is de Geest, niet die het Woord uitbrengt, maar die het overvloedig inbrengt, en daarmee liefelijk overeen komt. De Geest, Die Christus zond, stelde de mensen niet boven de ingestelde middelen, maar boven de verdorvenheden, en boven het lichaam des doods in hen. Het is een slechte en lichte overwinning, de genade en de middelen van de genade onder de voet te krijgen; ieder slaaf van de duivel doet dat, maar ik vrees, dat gelijk de mensen en engelen vervielen van hun waardigheid, door hoger te willen worden, zo ook deze, die niet tevreden willen zijn met de staat van Christus en zijn apostelen, maar hoger willen vliegen in de Geest, en die de predikdienst en de bediening des Geestes met voeten treden als vleselijk, — ik vrees, zeg ik, dat ze van Jezus Christus afvallen, en tot groter verdoemenis komen.
Het is wel waar, "de letter doodt," 2 Kor. 3:6, dat is, het verbond der werken predikt nu niets dan verdoemenis aan de mensen, maar de Geest van het Evangelie geeft het leven; ja ook zelfs het Evangelie, afgescheiden van de Geest des levens in Christus Jezus, is maar een reuk des doods voor de zielen. Zullen wij dan de Geest afscheiden van het Evangelie en van het Woord, omdat het Woord alleen ons niet levend kan maken? David wist hoe hij deze twee zaken verenigen zou: "maak mij levend o Heere! naar uw woord." Ps. 119:25. "Uw goede Geest leide mij in een effen land; o HEERE! maakt mij levend." Ps. 143:10,11. Het Woord was zijn regel, en de Geest paste die regel aan zijn ziel toe. Het Woord stelt ons voor het tegenwoordige Voorbeeld, waaraan wij gelijkvormig moeten zijn; nu indien er niet meer was, dan kon een mens al zijn dagen daar op zien, en evenwel niet veranderd worden; maar de Geest hervormt en verandert de ziel van de mens tot meerdere gelijkvormigheid aan dit voorbeeld, door op het te zien. Indien iemand zijn ogen zou sluiten omtrent het voorbeeld, dan kan hij niet weten wat hij is en behoort te zijn; zo hij alleen op het werk des Geestes binnen in hem ziet, en dat tot zijn regel maakt, neemt hij een onvolmaakte regel en een onvolkomen kopie; nochtans dit zou het hoogste zijn, waartoe deze zouden komen, die zo naar nieuw licht staan: zij hebben het Woord als hun regel verlaten en in plaats daarvan hebben zij een andere wet binnen in hen, zoveel als reeds geschreven is in hun harten, hetwelk in de hoofdzaak dit is, (gelijk zij denken): ik ben niet verbonden meer te doen, dan ik reeds krachten heb om te doen; ik moet niet streven naar meer heiligheid, dan ik reeds heb. Deze mensen zijn hier in hun eigen begrip waarlijk volmaakt, zij kennen niet ten dele en geloven niet ten dele, omdat zij gekomen zijn tot betrachting van hun wet en regel; doch hun regel is geen volmaakte regel. Met Paulus was het anders, welke vergetende hetgeen achter hem was, en gedurig zocht verder te komen.
Mijn broeders! laat ons niet iedere geest en iedere leer geloven, die onder de naam van geest tot ons komt. Christus heeft ons tevoren gewaarschuwd; laat ons bidden om meer van die Geest, die het Woord aan ons en onszelf levend kan maken, om het Woord te gehoorzamen Daar moet een onderlinge levendmaking zijn: het Woord moet gemaakt worden tot de bediening des levens, door de Geest van Jezus, Die het kan gebruiken als een zwaard, om de ziel en geest te verdelen, en wij moeten levend gemaakt worden tot de gehoorzaamheid aan de waarheid, in het Woord. Het Woord is het onverderfelijke zaad; maar het kan ons niet wederbaren, of een beginsel van een nieuw leven binnen in ons zijn, tenzij de levendmakende Geest daarmee in onze harten komt. Weet dat het Woord uw voorbeeld en regel is, de Geest uw Leider en Helper, Wiens invloed en kracht u aan die regel gelijkvormig moet maken. Petrus voegt deze twee samen: de zuivering en reiniging van de ziel in de gehoorzaamheid van de waarheid door de Geest. 1 Petr. 1:12. Christus schrijft de reiniging aan het Woord toe:" Gijlieden zijt rein door het Woord, dat Ik tot u gesproken heb." Joh. 15:3. Petrus schrijft het aan de Geest toe, als werken naar het voorbeeld van de waarheid.
Het is waar, de Geest Gods heeft geen voorbeeld nodig, om er naar te zien. Doch wij moeten het hebben, en ons oog daarop slaan, anders onderkennen wij de Geest der waarheid niet van de leugen en bedrog; wij kunnen de geesten niet beproeven, dan door deze regel. En het is door ons gestadig te doen zien op dat heerlijke voorbeeld in het Woord, en op het voorbeeld van het leven van Jezus Christus, dat wij Christus gelijkvormig worden, "als door des Heeren Geest." 2 Kor. 3:18. Gewis het moet een vleselijke wandeling zijn, waardoor men veeleer aan de inbeeldingen van zijn eigen hart gelijkvormig wordt, dan aan de gezegenden wil van God, in Zijn Woord geopenbaard. Kan zo’n wandel God behagen, wanneer een mens niet zoveel wil doen, dat hij luistert naar wat Gods wil en welbehagen is? Gelijk andere ketterijen, zo is ook deze een werk van het vlees.
Nu, er is een ander grondbeginsel in velen van ons. Wij achten het een geestelijken wandel, afgescheiden te zijn van de grove besmettingen van de wereld, en een onberispelijk gedrag voor de mensen te hebben; dit is het begrip, dat velen daarvan maken in hun inbeelding. Laat u niet bedriegen; u kunt de berisping van allen ontgaan, en onberispelijk onder hen zijn, en nochtans niet anders dan wandelen naar het vlees. Hetgeen u voor de wereld bent, dat is niet hetgeen u kan bewijzen geestelijke mensen te zijn, hoewel het bewijzen kan, dat er van ulieden vleselijk zijn; ja gewis, uw buitenste zijde kan van velen van u bewijzen dat u naar het vlees wandelt, en indien u het niet wilt geloven, vraag ik u, of gij denkt dat dronken drinken, wandelen naar de Geest is? Meent u, dat gij de Geest Gods volgt in onkuisheid? Is het niet die Heilige Geest, die van alle vuilheid zuivert? Zie maar naar uw wandel, u die niet zo ver komt, dat u aan de letter van het Woord in enige zaak gelijkvormig bent, u die geen werk maakt van de Schrift te lezen en daarover te peinzen. Is dit wandelen naar de Geest der waarheid? Indien dronkenschap, spotten, twisten, toornigheid, nijdigheid en dergelijke, de weg des Geestes is, dan beken ik dat velen van ulieden naar deze geest wandelen; maar als deze de openbare werken van het vlees zij, en zij klaarblijkelijk uw weg en uw werk zijn, waarom droomt u dan dat u Christenen bent?
Veronderstel nu, dat u van geen van deze uiterlijke dingen beschuldigt kon worden; dat u een gedaante van godzaligheid en godsdienstigheid hebt, nochtans zeg ik, al wat zichtbaar is voor de mensen, kan niet bewijzen, dat u geestelijke wandelaars bent. Bedenkt, het is een Geest, naar welke u moet wandelen. Nu, wat zal dan hier de voorname werker zijn? Gewis niet het lichaam; — wat voor gemeenschap kan uw lichaam hebben met Hem, die een Geest is? Het is waar, het lichaam kan die eeuwige Geest dienen, bewogen zijnde door de Geest, maar ik zeg, dat alleen kan nooit bewijzen, da u Christenen bent; zo moeten wij dan hier een getal van belijders terzijde stellen, die geen andere gronden van vertrouwen hebben dan zulke dingen, die van de mensen gezien kunnen worden. Doch indien zij in hun hart wilden inkeren, hoeveel ijdele gedachten herbergen daar? Hoe weinig is daar van God? God is bijna nooit in hun gedachten; zij geven Hem enige morgen- en avondgroeten; maar de ganse dag denken zij niet meer aan God. Is dit wandelen naar de Geest, hetwelk immers een gestadigheid te kennen geeft! En welk deel zou het meest voor God gespaard kunnen worden, dan de geest van een mens? Het lichaam is met andere noodwendige dingen bezig, maar wij moesten altijd onze zielen voor God sparen. Aldus behoort een mens dat gebod te gehoorzamen: "bid zonder ophouden." Het is onmogelijk, dat hij niets anders dan in een uitdrukkelijke formele wijze zou doen dan bidden, maar het wandelen van de ziel met God, tussen de tijden van bidden, zou dat vergoeden; en alzo wordt het gebed achtervolgd, hoewel niet in zichzelf, nochtans in het denken aan God, hetwelk in zich bevat het zaad van alle godsdienst, en is in nadruk bidden en danken, en alle plichten.
Laat ons dan opmerken, indien onze lichamen niet meer geoefend worden in de godsdienst dan onze zielen, ja, indien zij niet de voornaamste werkers zijn, hoe vele ongeregeldheden, afzwervingen en afdwalingen zijn er dan doorgaans in het merendeel van onze wandel, indien dezelve niet onheilig is, dan is hij ijdel, dat is: onnut in de wereld, hij maakt ons niet geestelijker noch verheerlijkt God, en is bijna nergens toe dienende; en dit is genoeg, om het geheel vlees te maken. En wat onze gedachten aangaan, hoe gaan die onbepaald en zonder inbinding, gelijk een woudezel, die zijn wegen kruist, men ziet her- en derwaarts, ja op alles, behalve op God. Indien het een geestelijke dienst is, behoort dezelve dan niet het zegel van onze geest en genegenheid op zich te dragen? Helaas! Velen zijn als zo vele schaduwen, zij wandelen als schilderijen en beeltenissen van Christenen, zonder de ziel en het leven ervan, welke bestaat in de geschiktheid en de heenwending van de geest en de ziel tot God.
Die niet naar het vlees wandelen, maar naar den Geest.
Het is geen wonder, dat wij omtrent deze stof niet recht kunnen spreken, en dat u niet met vrucht kunt horen; omdat zij in waarheid een verborgenheid is voor ons oordeel, en een grote vreemdeling voor onze praktijk. Er is zo weinig van de Geest, beide, in de leraars en in hen die komen om geleerd te worden, dat wij daarvan niet kunnen spreken, dan als van een onbekende zaak, en wij het u niet kunnen bekend maken in het levendige begrip, zoals het is. Alleen kunnen wij in het algemeen zeggen: het is zeker iets Goddelijks, en iets anders, dan onze gewone en godsdienstige wandel. Wij hebben weinig ervaring, en zouden wij het daarvan weten? Maar zoveel behoorden wij ervan te weten, dat het iets anders is, dan hetgeen wij verkregen hebben; het is boven ons verheven, en toch iets zodanigs, dat wij geroepen worden daarnaar te staan.
Behoorde het niet een heilig vuur van eerzucht in ons te verwekken, om zo’n zaak te bekomen, wanneer wij