Des zondaars heiligdom

of

ontdekking van de heerlijke voorrechten, aangeboden aan de boetvaardigen en gelovigen onder het Evangelie

Veertig predikaties over Rom. 8:1-15

door

Mr. Hugo Binning

in leven bedienaar van het Heilig Evangelie

te Goven in Schotland

Uit het Engels vertaald door Jacobus Koelman

Opnieuw uitgegeven onder toezicht van J. Nieuwland

Met een voorwoord van J. W. Felix, predikant te Heeg

Inhoud

 

Voorwoord *

Des zondaars heiligdom *

1e Predikatie, Rom. 8:1 *

2e Predikatie, Rom. 8:1 *

3e Predikatie, Rom. 8:1 *

4e Predikatie, Rom. 8:1 *

5e Predikatie, Rom. 8:1 *

6e Predikatie, Rom. 8:1 *

7e Predikatie, Rom. 8:2 *

8e Predikatie, Rom. 8:2 *

9e Predikatie, Rom. 8:2 *

10e Predikatie, Rom. 8:3 *

11e Predikatie, Rom. 8:3 *

12e Predikatie, Rom. 8:3 *

13e Predikatie, Rom. 8:3 *

14e Predikatie, Rom. 8:4 *

15e Predikatie, Rom. 8:4 *

16e Predikatie, Rom. 8:4 *

17e Predikatie, Rom. 8:5 *

18e Predikatie, Rom. 8:5 *

19e Predikatie, Rom. 8:6 *

20e Predikatie, Rom. 8:7 *

21e Predikatie, Rom. 8:7 *

22e Predikatie, Rom. 8:8 *

23e Predikatie, Rom. 8:9 *

24e Predikatie, Rom. 8:9 *

25e Predikatie, Rom. 8:9 *

26e Predikatie, Rom. 8:9,10 *

27e Predikatie, Rom. 8:10 *

28e Predikatie, Rom. 8:10 *

29e Predikatie, Rom. 8:10 *

30e Predikatie, Rom. 8:11 *

31e Predikatie, Rom. 8:11 *

32e Predikatie, Rom. 8:12. *

33e Predikatie, Rom. 8:12 *

34e Predikatie, Rom. 8:13 *

35e Predikatie, Rom. 8:13,14 *

36e Predikatie, Rom. 8:14,15 *

37e Predikatie, Rom. 8:15 *

38e Predikatie, Rom. 8:15 *

39e Predikatie, Rom. 8:15 *

40e Predikatie, Rom. 8:15 *

 

 

Voorwoord

Het grote einde, waartoe de Heere hier op aarde Zijn gelovigen roept, is gemeenschap met Hem te oefenen. De zonde was een scheur geworden tussen de Schepper en Zijn schepsel, en had elke oefening van gemeenschap onmogelijk gemaakt; want bij de gevallen mens bestond geen weg om tot God te gaan: in zijn geweten was geen aanmoediging om zich voor God te vertonen; in zijn hart was geen liefde, door welke hij in gemeenschap met God wandelen kon. Maar wat onder de bediening van de Wet (die door de zonde krachteloos was geworden, om het geringste goed in ons te verwekken) onmogelijk was geworden, dat heeft God gedaan door de oprichting van het verbond der genade, waarin Hij alles oplegde, wat nodig was tot een eeuwige gemeenschapsoefening tussen Zich en de grootsten van de zondaren.

Die gemeenschap ontstaat ten eerste uit de bekendmaking en prediking van het Evangelie van de genade, voor zover de Persoon van Christus daardoor gelovig wordt aangenomen. Dit verklaart Johannes (1e brief 1:3) "hetgeen wij dan gezien en gehoord hebben, dat verkondigen wij u, opdat ook gij met ons gemeenschap zoudt hebben, en deze onze gemeenschap ook zij met de Vader en met Zijn Zoon Jezus Christus". In een ander werkje heeft de schrijver van dit boek, uitmuntend aangetoond, hoe de verklaring, welke God van Zichzelf gegeven heeft in het aangezicht van Christus Zijn Zoon, niet slechts voor alle arme zondaren een grond van vrijmoedigheid is, om tot deze heerlijke God te komen en in Hem te geloven; maar tegelijk een zekere grond, om hier reeds als schuldige en onbekwame zondaren met God, als een verzoende Vader gemeenschap te oefenen. Het Woord is hierin de spiegel van het eeuwige Woord Jezus; het is de schilderij waarin Jezus’ bloed ons dagelijks als een verse en levendige weg wordt afgebeeld; het is de welgebaande weg, waarin God Zijn aangezicht, ja zelfs Zijn hart ons komt ontdekken; het is de beloften bundel die God de arme zondaar toereikt, opdat hij daarin door het geloof alles zou vinden, wat hij tot gemeenschap met God behoeft.

Evenwel is het Woord op zichzelf ongenoegzaam om ons in de gemeenschap met de Driemaal Heilige God te herstellen. Want gelijk die gemeenschap een bloem is, die in het slijk van de zonde niet groeit, zo kan elke bespatting van dat slijk haar kelk sluiten. Daarom is er toe nodig een nieuwe natuur, geschapen door de Heilige Geest in onze harten, en bij die nieuwe natuur een geestelijke wandeling in de doding van de zonde, en in de gedurige afwassing van alle zondenvuil. En dit is het voornamelijk wat Hugo Binning in dit werk voorstelt. De noodzakelijkheid van een geestelijk leven en van een geestelijken wandel, om te genieten de gemeenschap met God. Hier aanvankelijk door de Geest der hoop, en hiernamaals door de Geest der heerlijkheid. De lezer kan daaruit afleiden de waarde van dit werk.

Ik behoef niet te zeggen, wie Binning was, want zijn spraak heeft hem openbaar gemaakt, aan allen, in wier hart iets van de wegen Gods gevonden wordt. Ik behoef ook Binning niet aan te prijzen. Want men heeft mij gevraagd een voorwoord te schrijven, en ik heb dat toegestemd, omdat ik daardoor openlijk betuigen wil, dat ik Binning lief heb; dat ik van hem heb mogen leren; dat ik menigwerf met hem, de nu reeds lang overledene, in zijn schriften een innige gemeenschap heb mogen oefenen; en dat ik van God bid, dat de wetenschappelijke dwaasheden van onzen tijd toch eens plaats maakten voor de grondige, geestelijke onderzoekingen in ‘s Heeren getuigenissen, waarin ook een Binning, als jongeling gestorven, vele zogenaamde vaderen van latere leeftijd beschaamd maakt.

Niemand zoeke hier een optelling van enige geestelijke werkzaamheden en bevindingen, om daaruit de kleinmoedigen te ondersteunen; dat zou hij hier niet vinden, want het is Binnings gewoonte niet, de gelovigen te troosten met zichzelf, zijn staat en zijn ontvangen genaden; maar hij troost overal de arme zondaar met God en met de volheid van waarheid, trouw en genade welke er in die God is. Daartoe opent hij ook hier de fontein van Gods Woord, en doet ons Zijn levend water, klaar als kristal, niet slechts aanschouwen, maar zo voorbij onze voeten vloeien, dat de dorstigen er als vanzelf van beginnen te drinken en verkwikt worden.

Zij, die als nieuwgeboren kinderen begerig zijn naar de redelijke en onvervalste melk, om daarin te mogen opwassen, zullen het zich niet beklagen wanneer zij dit werk eenmaal en andermaal biddend lezen. De Heere geve, dat er de zodanige velen mogen zijn, en meerderen mogen worden toegebracht; opdat Nederlands volk niet verloren ga, uit gebrek aan kennis van de rechte wegen van onze God. Daartoe beveel ik u, waarde lezer, aan de onderwijzende genade van de Heilige Geest, Die ook door dit middel u in Zijn waarheid leiden kan.

 

Heeg,

December 1857,

J. W. Felix.

Des zondaars heiligdom

1e Predikatie, Rom. 8:1

Zo is er dan nu geen verdoemenis voor degenen, die in Christus Jezus zijn, die niet naar het vlees wandelen, maar naar de geest.

Drie dingen zijn er, die samen komen, om de mens ellendig te maken: zonde, verdoemenis en verdrukking. Elkeen kan het opmerken, dat de mens tot moeite is geboren, gelijk de sprankelen zich verheffen tot vliegen; dat zijn dagen weinig en boos zijn; maanden van ijdelheid hem ten erve zijn geworden, en nachten van moeite hem zijn voorbereid (Joh. 5:7; 7:3), hij is kort van dagen, en zat van onrust, Job 14:1. De Heidenen hebben zich als uitgedacht over de ellende van het leven van de mensen, en zij zijn het merendeel van de Christenen daarin voorbij gelopen. Wij erkennen alleen enige verdrukkingen en moeilijkheden onder onze ellenden, namelijk: armoede, ziekte, smaad, banning en dergelijke; maar zij hebben ook zelfs de natuurlijke noodzakelijkheden van de mens onder zijn ellenden geteld: dat men zo gedurig omdraait in zo’n cirkel van eten, drinken en slapen etc. Welk een last zou het voor een onsterfelijke ziel zijn, dat rad gedurig om te draaien? Wij maken meer werk van het lichaam, dan van de ziel; zij hebben dit lichaam gerekend als een last te zijn voor de ziel; zij stelden de voorspoed, eer, vermaak en dergelijke dingen, daar de mensen hun gehele ziel uitlaten, onder de grootste ellenden van de mensen, als zijnde ijdelheid en kwelling in zichzelf, beide in het genot en het verlies ervan.

Maar helaas! Zij kenden de fontein van al die ellenden niet, de zonde, en het volkomen volmaken van die ellenden, de verdoemenis; zij dachten dat de moeite uit de aarde en uit het stof voortsproot, of door een natuurlijke noodzakelijkheid, of bij geval geschiedde. Maar het Woord Gods ontdekt ons de grond ervan. De grondoorzaak en het begin van de ellende, was de afwijking van de mens van God, en zijn wandelen naar het vlees; en daaruit zijn al de zwarigheden en de stromen van ellende in deze wereld ontstaan. De ellende is niet alleen tot de mensen gekomen, maar ook tot het gehele schepsel; het is daardoor aan de ijdelheid onderworpen geworden, naar vs. 20. Niet alleen zult gij, o mens! (zegt de Heere tot Adam) uw brood in droefheid eten, maar uw vloek is ook over de aarde, en gij die onsterfelijk was, zult tot dat stof keren, hetwelk gij boven uw ziel verkozen hebt. Gen. 3:17. Haar het einde is overeenkomstig en passende op het begin. Het begin had alle kwaad van de zonde in zich en het einde heeft alle kwaad van de straf in zich; die stromen van de ellenden van dit leven lopen in een oneindige, peilloze en grondeloze oceaan van eeuwige toorn. Indien gij naar het vlees leeft, zo zult gij sterven: dat is, niet alleen de dood hier, maar de eeuwige dood hiernamaals.

Zo zijn dan de ellenden van dit tegenwoordige leven geen straf, die geëvenredigd is naar de zonde, zij zijn slechts een onderpand, op hand gegeven voor die grote som, die in de dag des oordeels betaald zal worden, en dat is de verdoemenis, het eeuwige verderf van het aangezicht des Heeren, en van de heerlijkheid Zijner sterkte.

Nu, gelijk de wet de volmaakte ellende van het menselijk geslacht openbaart, zo heeft het Evangelie het volmaakte geneesmiddel voor al deze ellende aan de dag gebracht. Jezus Christus is geopenbaard geworden, om de zonden weg te nemen; en daarom is Zijn Naam Jezus, omdat Hij zijn volk zal zalig maken van hun zonden. Dit is het Lam Gods, hetwelk de zonden van de wereld wegneemt. Het oordeel is door één gekomen over allen tot verdoemenis. Maar nu is er geen verdoemenis voor degenen, die in Christus Jezus zijn; zo zijn die kwaden geweerd, die waarlijk alle kwaad in zich hadden. Hij neemt de vloek van de wet weg, zijnde onder de wet, en de vloek ervan geworden, en dan neemt Hij de zonde tegen de wet weg, door Zijn Heilige Geest. Hij heeft een tweeërlei kracht; want "Hij kwam door bloed en water," l Joh. 5:6. "Door bloed," om de schuld van de zonde af te wassen, en "door water," om ons van de zonde zelf te reinigen.

Maar ondertussen zijn er vele verdrukkingen en ellenden op ons, die wij met andere mensen gemeen hebben; en waarom zijn die ook door Christus niet weggenomen? Ik antwoord, het kwade ervan is weggenomen, hoewel de verdrukkingen zelf blijven; de dood is niet weggenomen, doch de prikkel van de dood is geweerd; de dood, verdrukkingen en alle kwellingen zijn overwonnen door Jezus Christus, en zo zijn ze zijn dienstknechten gemaakt om ons goed te doen; het kwade ervan is Gods toorn en de zonde, en die zijn door Jezus Christus weggenomen. Nu, ook die verdrukkingen zouden weggenomen worden, indien het niet goed was, dat zij bleven, want "alle dingen werken mee ten goede dengenen, die God liefhebben," vs. 28. Zo hebben wij dan een zeer volmaakte verlossing in de uitbreiding, maar niet in de trappen. De zonde blijft in ons, maar niet in de heerschappij en kracht, de toorn ontsteekt soms wegens de zonde, doch zij kan niet toenemen, noch branden tot een eeuwige gloed. Verdrukkingen en ellenden veranderen haar namen, en worden tuchtigingen en beproevingen genoemd, goed en niet kwaad. Maar Christus heeft de volle en volmaakte verlossing tot een andere dag bewaard, die daarom genoemd wordt: "de dag van de volkomen verlossing"; en dan zullen alle zonden, alle toorn, alle ellenden een einde hebben, en door het leven en de onsterfelijkheid verslonden worden: 2 Kor. 5:4.

Dit is de som van het Evangelie, en dit is de hoofdinhoud van dit hoofdstuk. Daar is een drieërlei troost, beantwoordende onze drieërlei kwaden. "Er is geen verdoemenis voor degenen, die in Christus Jezus zijn." Hier is een lieflijk woord voor de verlorenen, zelfs veroordeelde zondaars, die dat vonnis binnen in hun gemoed hebben. Dit was het einde van Christus komen en sterven, op dat Hij ons zou verlossen, zowel van de zonde als van de dood, en opdat de gerechtigheid der wet in ons vervuld zou worden; en daarom heeft Hij de Heilige Geest gegeven, en Hij woont in ons door de Geest om ons levend te maken, die dood waren in zonden en misdaden. O wat zal dit een troost zijn voor zielen, die het lichaam des doods binnen in hen, aanzien als de grootste ellende; en die met Panlus zuchten: "ik ellendig mens," enz. Rom. 7:24. Dit wordt voorgehouden vanaf het begin, tot vs. 17.

Maar omdat er vele gronden van bezwaar en droefenis in deze wereld zijn, daarom stelt het Evangelie tegen die allen, aan de ene zijde onze verwachting, die wij hebben van die zalige toekomende hoop, waarvan wij zo zeker zijn, dat ons niets daarvan kan ontzetten; en aan de andere zijde, de hulp die wij ondertussen krijgen van de Geest, om onze zwakheden te dragen, en alles ons ten goede te doen medewerken; van vs. 17—29. En uit al deze heeft de gelovige in Jezus Christus grond om te triomferen en te roemen over de volkomen overwinning, gelijk Paulus doet in de naam van de gelovigen, van vs. 31 tot het einde. Op die beschouwingen is het, dat hij, die niet lang geleden, uitriep: "Ik ellendig mens, wie zal mij verlossen?" nu uitroept, "wie zal mij verdoemen?" De ellendige worstelaar wordt een roemrijk triomfeerder; de geslagen soldaat wordt meer dan een overwinnaar.

Och! Dat uw harten overreed werden, om naar dit vrolijk geklank te luisteren, om de Heere Jezus te omhelzen, om genade en zaligheid te verkrijgen! Hoe ras zou er een gezang van in Hem te zullen triomferen, al uw tegenwoordige jammerklachten en gekerm verzwelgen en wegnemen!

Al de klachten onder de mensen kunnen tot één van deze drie gebracht worden. Ik hoor het grootste gedeelte van de mensen zich aldus beklagen. Helaas! Wat zijn er ellenden in dit leven, wat is dit een kwade wereld! Helaas, welk een armoede lijd ik, welk een verachting draag ik, aan welk een ziekte en smart ben ik onderworpen. Och ellendig mens! die ik ben, wie zal deze ziekte van mij wegnemen? "Wie zal mij enig goed doen zien," enig tijdelijk goed? Ps. 4:6. Doch indien gij uw laatste einde kende en goed bedacht, gij zoudt nog meer roepen, ja gij zoudt weigeren getroost te worden, al waren ook uw ellenden geweerd. Maar ik hoor enigen zich nog droeviger beklagen: zij hebben de wet gehoord, en het vonnis van de verdoemenis binnen in hen; de wet is tot hen gekomen, en heeft hen gedood. "Och!" zeggen zij, "wat zal ik doen, om zalig te worden? Wie zal mij van de toekomende toorn verlossen?" Wat is alle tegenwoordige verdrukking en ellende ten opzichte van de eeuwigheid! Doch daar is nog een geklag en gejammer boven die alle. Wanneer de ziel het vonnis van vrijspreking in Jezus Christus bevindt, en zij heeft nu gekregen geopende ogen, om te zien het lichaam des doods en der zonde binnen in zich, die volkomen mens der zonde, door al haar leden verspreid, dan beklaagt zij zich met Paulus: "Och ik ellendig mens! wie zal mij verlossen van dit lichaam des doods?" Rom. 7:24. Ik ben van de verdoemenis van de wet verlost, maar wat troost is het, zolang als de zonde zo krachtig in mij is? Ja dit maakt, dat ik dikwijls mijn verlossing van toorn en vloek verdacht houd, vermits de zonde zelf niet weggenomen is.

Nu, zo gijlieden overreed kunt worden, om naar Jezus Christus te luisteren, en om dit Evangelie te omhelzen, o! welk een overvloedige vertroosting zoudt gij hebben? welk een volmaakt antwoord op al uw klachten? zij zouden verslonden worden in zulk een zegepraal, gelijk het hier met Paulus is; dit zou u een volmaakt geneesmiddel tegen de zonde en ellende aanwijzen. dat gij niet meer klagen zoudt, althans niet meer als degenen, die zonder hoop zijn. Gij zult nooit een geneesmiddel hebben voor uw tijdelijke ellende, zo gij hier niet aan de eeuwige begint om die voor te komen. Zoekt eerst het Koninkrijk Gods, en alle andere dingen zullen u toegeworpen worden; zoekt eerst te vlieden van de toekomende toorn, en gij zult die ontkomen, en daar benevens zal het kwaad van de verdrukkingen in de tijd geweerd worden; doet eerst de grootste klachten over de zonde en verdoemenis weg, en hoe licht is het dan, al het beklag van dit leven te beantwoorden, en om u te doen vrolijk zijn in het midden ervan!

In dit vers zijn drie dingen van groot gewicht op te merken: Het groot en dierbaar voorrecht de was natuur, en de bijzondere eigenschap van een Christen. Het voorrecht is een van het grootste in de wereld, wegens het eeuwig gevolg en zielsbelang ervan. De natuur van de Christen is zeer Goddelijk; hij is een die in Jezus Christus is, en Hem ingeplant door het geloof; zijn onderscheidende eigenschap is heerlijk, overeenkomstig met zijn natuur en voorrechten; hij wandelt niet, gelijk de wereld, naar zijn vlees en lusten, maar naar de Geest. Alle die drie zijn van één en dezelfde wijdte, niet één ervan reikt verder dan de ander: Dat rijke voorrecht en die zoete eigenschap komt in één middelpunt, in één mens samen, namelijk in de mens, die in Jezus Christus is. Al wie in de Heere Jezus Christus komt te zijn, en in Hem blijft, die ontmoet deze twee dingen, rechtvaardigmaking en heiligmaking; die zijn nergens anders, en ze zijn daar samen bij één.

Indien gij de natuur en de eigenschappen van een Christen kende, gij zoudt ze lief krijgen om hun zelfs wil: maar indien deze u om huns zelfs wil niet lokken, zo let op dit onvergelijkelijke voorrecht, dat hij boven alle anderen heeft, opdat gij mag verlieven op de natuur van een Christen. Laat deze liefde tot uzelf en tot uw eigen welzijn u drijven naar Jezus Christus, opdat gij mag wandelen, gelijk Hij wandelde. En ik verzeker u, indien gij eens in Christus Jezus was, gij zoudt de natuur zelf, en de wandel van een Christen liefhebben, niet zozeer om de vrijspreking en zaligheid, die er mee verzegeld gaat, als wel om de eigen zoetigheid ervan en voortreffelijkheid boven alle andere; gij zoudt niet meer (gelijk het volk van Samaria) geloven om het zeggen en gerucht van uw eigen nood en ellende; maar gij zoudt in Jezus Christus geloven, en wandelen naar de Geest, wegens hun eigen getuigenis, dat ze hebben in uw gewetens. Ge zoudt niet meer gelokt worden enkel door de voorrechten ervan om het Christendom te omhelzen, maar gij zoudt het Christendom als het grootste voorrecht achten; en een loon voor zichzelf. De Godzaligheid is in zichzelf een groot gewin, al had ze zulke zalige gevolgen, of metgezellen niet.

Opdat gij dit voorrecht mag kennen, zo merkt op de staat, waarin alle mensen van nature zijn. Paulus drukt het in het kort uit, Rom. 5:12, 18: "Door de misdaad van één is de schuld gekomen over alle mensen tot verdoemenis"; en de reden daarvan is: "door één mens is de zonde over allen gekomen, en door de zonde de dood: want de dood is tot allen overgegaan, omdat ze allen gezondigd hebben." Ziet daar dan, hoe alle mensen onder één vonnis van de verdoemenis zijn. Dit vonnis is de vloek van de wet: "Vervloekt is een ieder, die niet blijft in al wat geboden is, Om Dat te doen." Indien gij wist wat deze vloek was, gij zoudt het waarlijk een voorrecht rekenen, om daarvan verlost te worden. De zonde is van oneindige verdienste, omdat ze tegen een oneindige God is begaan; het is een belediging van een oneindige Majesteit, en daarom bevat de vloek over een zondaar een eeuwige straf in zich. Och! wat een gewicht is er in dat woord. 2 Thess. 1:9, "zij zullen tot straf lijden het eeuwig verderf van het aangezicht des Heeren, en van de heerlijkheid Zijner sterkte!" Indien het naar behoren beseft werd, het zou de ziel van een mens doen neerzinken, en hem bezwaard maken tot de dood. Deze verdoemenis sluit in zich, een straf van verlies en van gevoelen, en beide zijn ze oneindig in zichzelf, en eeuwig van duur. Hoe onvermakelijk en bitter zou het leven zijn van hem, die op een koninkrijk door geboorte recht had, en nochtans daaruit gebannen werd en het verloor. Maar welk een onvergelijkelijk verlies is het, te vervallen van een Hemels koninkrijk, hetwelk geen hart kan begrijpen in zijn heerlijkheid en dat dan nog voor eeuwig. Daar is een leven in Gods gunst, en in Zijn tegenwoordigheid zijn er rivieren van lieflijkheden eeuwiglijk en altoos. Daar uw kleine verliezen van enige penningen, uw geesten zozeer bedroeven, wat zou het behoorlijk besef van zo’n groot verlies niet teweeg brengen? Zou het niet een dood voor u zijn, ja meer dan de dood, van dit leven afgescheiden, en eeuwiglijk verbannen te worden van de tegenwoordigheid van deze heerlijkheid?

Indien er geen andere straffen zouden wezen, dan deze alleen, dat de goddelozen voor eeuwig op aarde dit verlies zouden dragen, hoe ondraaglijk zou het zijn, indien de vromen, die gij veracht en bespot hebt, ten hemel opgenomen werden; wat een kwelling zou het voor uw zielen zijn, te denken aan die gelukzaligheid, die zij daar boven genieten, en hoe dwaas gij u daarvan hebt laten ontzetten, om een zaak van geen waardij? Wat zou al het voordeel en de winst van een rijke voor hem zijn, als hij aanmerkte, welk een oneindig verlies hij gedaan heeft? Hoe hij een koninkrijk voor een mesthoop verkocht heeft? Indien er nu nog enige hoop was, dat zijn verbanning uit de hemel na enige jaren mocht eindigen, die kon hem verkwikken; maar daar is niet één druppel van zulke vertroosting. Hij is verbannen, ja, eeuwiglijk verbannen van dat heerlijke leven in de tegenwoordigheid Gods, hetwelk dezen genieten, en hij verachtte.

Indien iemand zijn gehele leven was opgesloten, om nooit weer het licht te zien, zou dit niet kwelling genoeg voor hem zijn? Maar als daar nu bij dit verlies nog komt een ondraaglijke pijn; zodat hij al die tijd van binnen gekweld wordt door de knagende worm, en van buiten door een vuur; zodat die zinnen, die zo gretig jaagden naar vergenoeging voor zichzelf, nu al zo gevoelig zijn in het gevoelen van pijn en kwelling. En als hier geen einde aan gemaakt zal worden, maar eeuwig zal wezen, o! wiens hart kan dit aanmerken zonder schrik? Het is hier een troost en verlichting van lichamelijke pijnen, dat zij in de dood zullen eindigen. Het verderf verderft zichzelf door het lichaam te verderven: maar hier is een onsterfelijke ziel, daar het verderf op knagen zal; en eindelijk zal het lichaam ook onsterfelijk zijn, zodat het verderf u niet geheel zal kunnen verderven; maar het zal een eeuwigdurend verderf en een levend dood zijn.

Dit is het vonnis, hetwelk eens in het Woord Gods tegen ons uitgesproken is; en niet een jota van dit woord zal er op de aarde vallen. hemel en aarde zullen eer voorbijgaan. Gijlieden zoudt het een onherroepelijk besluit achten, indien al de volken op aarde en al de engelen hier boven samen vergaderd, om iemand ter dood te veroordelen, het vonnis over hem gestreken hadden. Maar toch, dit Woord, hetwelk dagelijks tot u gesproken wordt, en hetwelk dit vonnis over u allen velt, is nog zekerder; en dit vonnis des doods moet uitgevoerd worden, behalve als gijlieden onder die zalige uitzondering die hier en elders in het Evangelie gemaakt wordt, gevonden wordt.

Ik bid ulieden, bedenk wat het is, zulk een Rechter te hebben, die ulieden verdoemt. Zou niet een ieder van u bevreesd zijn, indien u onder het vonnis van een koning was? Indien dat vonnis boven uw hoofd stond, wie van ulieden zou in vrede en rust neerzitten? Wie zou niet vlieden voor de toorn van een koning, dat is als het brullen van een leeuw; maar daar is een vonnis van de Koning der koningen en der volkeren, boven uw hoofden. "Wie zou U niet vrezen, daar het toekomt, o Koning! der volkeren?" Hij die tegen u is, is niet een groot mens, die uw lichaam kan doden, het is niet een mens, die macht heeft om u te doden, en die ook een grote begeerte heeft om dat te doen. Dit was inderdaad veel, om te vrezen; maar het is de grote en eeuwige Jehovah, die zijn hand ten hemel opheft en zweert, dat Hij leeft tot in eeuwigheid. Hij is tegen u; Hij die alle macht over lichaam en ziel heeft, is tegen u; en zo is Hij verbonden, om zijn almachtigheid tegen u te gebruiken. "Hij kan ziel en lichaam doden, en die in de hel werpen." En uit kracht van deze vloek zal Hij u niet sparen, maar al de vloeken uitstorten die in dit boek geschreven zijn. Gij zoudt geen vrede hebben, indien u voor een rebel verklaard was door de koning en het gouvernement; maar helaas! dat is een kleine zaak; zij kunnen maar uw lichaam raken; ja, dat kunnen zij nog altijd niet eens doen; u kunt van hen wegvlieden; maar waar kunt u van Hem vlieden? Gij kunt u uit Zijn gebied niet verwijderen: want de aarde is Zijne, en de zee, en al wat er in is; de duisternis kan u voor Hem niet verbergen; Hij mag u lang sparen, omdat Hij zeker kan bereiken en vatten, als het Hem behaagt; mensen zouden u niet zo sparen omdat zij geen zekerheid hebben, dat zij zullen vinden.

Ik bid u dan, merk hier goed op: het is van zielsbelang. En wat heeft een mens gewonnen, indien hij de wereld wint, en hij verliest zijn ziel? Indien de winnaar verloren is, wat is er gewonnen? En het is van eeuwig gevolg. Nu wat zijn vele duizend jaren tegen de eeuwigheid. Gij kunt die alle voorbij en ten einde zien, en u mag u troosten op hoop; maar hiervan kunt u het einde niet zien, steeds is er meer vooruit dan er verleden is, ja daar is niet verleden, het is gedurig als beginnend.

Och, dat u deze vloek Gods recht wilde aanmerken, die tegen ons alle getekend, en in geschrift staat. Wat had hij bittere uitwerkselen in Christus, toen Hij dezelve droeg? Hij maakte Zijn ziel bedroefd tot van de dood; het was een drinkbeker, die Hij bezwaarlijk drinken kon. Hij die het gestel van deze wereld ondersteunde, was bijna aan het bezwijken onder het gewicht van deze toorn; hij deed Hem bloed zweten in de hof. Hij die alles kon doen, en alles kon spreken, was daartoe gebracht, dat Hij zeide: Wat zal Ik zeggen? Aangezien deze verdoemenis zo vreselijk was voor Hem, Die de Held was bij Wie alle hulp besteld was, wat zal het dan voor ulieden zijn? Niemands droefheid was ooit gelijk de Zijne; geen pijn ooit gelijk Zijn pijn, al werden al de verstrooide kwellingen tot één pijn verenigd; maar omdat Hij God was, zo overwon Hij ze, en kwam van onder dezelve.

Maar wat denkt ulieden, zal de staat zijn van hen, welke diezelfde kwellingen zullen dragen, en dat niet voor drie dagen, of drie jaren, of enige duizenden jaren, maar boven alle verbeelding, tot in alle eeuwigheid.

Ik bid ulieden, let op deze verdoemenis, waartoe u veroordeeld bent, en legt er u niet onder neer. Denkt u, dat gij kunt dragen, hetgeen Christus verdroeg? Meent u, dat u Gods toorn dragen kunt naar dat Gods kracht en rechtvaardigheid groot is? Nochtans is de schuld en het oordeel over alle mensen gekomen tot deze verdoemenis. Haar helaas! wie vreest Hem naar dat Zijn toorn is? wie kent de kracht Zijner verbolgenheid? Gijlieden slaapt zorgeloos, alsof alles voorbij was, en alsof het kwaad uw hoofd gepasseerd was. Wij verklaren ulieden in des Heeren Naam, dat deze verdoemenis nog boven uw hoofd staat, omdat u uzelf niet geoordeeld hebt. Zij wordt ulieden gepredikt, opdat u er van weg mocht vlieden: maar omdat u uzelf niet wilt veroordelen, zal deze rechtvaardige Rechter u verdoemen. Nademaal het dan nu zo is, dat zo’n verdoemend vonnis over alle mensen gestreken is; wat moet het dan een voorrecht wezen daarvan verlost te zijn; en dat vonnis wederroepen en te niet gedaan te krijgen door een nieuwe daad van Gods barmhartigheid en gunst? David roept het uit voor een gelukzalige man, wiens zonden vergeven en bedekt zijn; en gewis, hij is gelukzalig, al wie die put van het eeuwig verderf ontgaat, al was er niets meer; al was er geen titel of recht aan een erfenis en koninkrijk daar boven; verlost te worden van de toorn, die over de kinderen der ongehoorzaamheid komen zal, dat is meer geluk dan de genieting van alle aardse vermakelijkheden. Wat zou een mens wel willen geven tot lossing voor zijn ziel? Huid om huid, en al wat een mens heeft zal hij geven voor zijn leven. Deze rijkdommen, voordelen, en vermakelijkheden, om welke de mensen al hun arbeid doen, van die allen zullen zij scheiden willen in zo’n gevaar. De gierigaard wil zijn koffer overboord werpen, eer hij zijn leven verliest; de wellustige wil pijn en kwelling lijden, door een lid af te snijden, eer hij de dood zou sterven. Doch indien de mensen hun zielen kenden, en wat een onsterfelijkheid en eeuwigheid hun te wachten staat, zij zouden niet alleen huid om huid geven, en al wat zij hebben voor hun ziel, maar ook, gijlieden zoudt liever verkiezen, duizend doden te sterven, om deze eeuwige dood te ontgaan.

Maar wat zal een mens geven tot lossing zijner ziel? Matth. 16:26. Al wilde hij geven, wat heeft hij te geven? Twee dingen zijn er, die een voorrecht aan ons zeer waardig maken, en de prijs daarvan verhogen. De noodzakelijkheid en de kostelijkheid en die twee zijn hier op een uitmuntende wijze. Is het niet noodzakelijk, dat men leeft, dat men aanwezen heeft? Alle mensen oordelen zo, wanneer zij al wat zij hebben, geven, om zichzelf te lossen, alle andere dingen zijn bij hen toevallig; zij zijn zichzelf de naaste, daarom moet alles liever gaan, dan zij zelf; maar ik zeg, het is veel nodiger eeuwig wel te zijn, dan enkel te zijn, de verdoemenis te ontgaan, dan bestaan te hebben. En dit zal waar gemaakt worden in de laatste dag, als de mensen zullen roepen tot de bergen en heuvelen, dat zij op hun mochten vallen, en hen verbergen voor de toorn des Lams, Openb. 6:16; de mensen zullen veeleer verkiezen niet te zijn, dan te vallen onder die toorn. O! hoe aangenaam zal de mens niet verleden staat voor hem zijn, in die grote dag des toorns? Wie zal bekwaam zijn om op die te bestaan? Wanneer koningen en vorsten, dienstbaren en vrijen, grote en kleinen, liever zullen wensen dat de bergen hun tot poeder vergruizen, dan dat vonnis van de verdoemenis aan te horen, en nochtans zullen zij tevergeefs daar naar wensen. Gijlieden vermoeit en kwelt uzelf, en u slijt uw tijd omtrent dat lichaam en leven, maar hoe kostelijk zij u nu ook mogen zijn, u zoudt ze op een dag willen wisselen voor vrijheid en ontkoming van deze toorn en vloek.

O welgelukzalig zijn allen, die op Hem vertrouwen, wanneer Zijn toorn maar een weinig ontstoken is! Hoe zal het die mens duidelijk worden, dat de snoeren hem gevallen zijn in liefelijke plaatsen? Hoe zal hij de heerlijkheid van aardse koninkrijken verachten, al waren zij allen ineen gesmolten, die in zijn hart aanmerkt, hoe alle koningen, alle tongen en natten voor de rechterstoel Gods moeten staan, en de boeken van Zijn wet geopend worden, om hen daarnaar te oordelen, gelijk ook de boeken van hun gewetens, om de beschuldiging te bevestigen, en hun eigen vonnis te verhaasten? En als dan in het openbaar gezicht van alle kinderen Adams en van de engelen, al de geheimen zullen voor de dag gebracht worden, hun beschuldiging, zo lang als hun levenstijd was, gelezen zal worden, en zoveel vloeken tegen iedereen uitgesproken worden, als er verbrekingen van Gods wet waren, waaraan zij schuldig bevonden zijn; en dat die allen dan zullen lopen in hoeken en holen, en roepen tot de bergen, maar dat er geen verberging is voor Zijn aangezicht!

Wat dunkt u, dat die mens bij zichzelf zal denken, die voor God staande in het gericht vrijgesproken zal worden door Jezus Christus, niettegenstaande zijn overtredingen boven velen van die zijn geweest? Wat zal dan een koning denken van zijn kroon en heerschappij, als hij zijn gedachten daarover laat gaan? Wat zal die arme vervolgde christen dan denken van al de heerlijkheid en volmaaktheid van deze wereld, als hij daar op terug ziet? O weet, u arme dwaze mensen! Welk een uitzinnigheid het is, uw zielen te wagen voor beuzelingen; u loopt gevaar aan al de grootste dingen, voor een ogenblik arm genoegen. Gijlieden zult het u te laat beklagen, en u zult wijs worden, om uzelf dwaas te oordelen, als er geen plaats zal zijn om het te verbeteren.

Maar dit voorrecht is even kostelijk als het nodig is. Uw zielen worden nu gevangen gehouden onder dat vonnis van eeuwige gevangenis; gijlieden bent allen gevangenen, en u weet er niets van. Wat zult u geven tot lossing van uw zielen? Uw zonden en ongerechtigheden hebben u als kwaaddoeners verkocht aan de rechtvaardige Rechter van de ganse aarde, en Hij heeft een vonnis geveld van uw eeuwige gevangenis onder de bewaring van de satan in de hel. Nu wat wilt gijlieden geven, om uw zielen te verlossen uit die put. Hoe weinigen schatten de waardij van hun zielen? Dus offeren zij aan God iets van hun rijkdom voor dezelve. Menen niet velen van ulieden, dat u voor de zonden voldaan hebt, indien u een burgerlijke munt aan de rechter betaalt? Velen menen, dat hun tranen en droefheid voor hun zonden een prijs kunnen zijn aan de gerechtigheid, vooral als dat samengevoegd is met verbetering in de toekomende tijd; en zo begrijpen de mensen, dat hun zonden vergeven en hun zielen verlost zijn.

Maar helaas! de verlossing van de ziel is te kostelijk, ja zij houdt in eeuwigheid op; al het goed van uw huis zal ten enenmale veracht worden, al bood u dat aan; en hoe weinigen van ulieden zouden zoveel geven willen voor uw zielen? En nochtans, al gaf u het, het zal niet helpen, u moet de uitersten kwadrantpenning betalen, of het is niets; uwe droefheid en verbeteringen zullen de som niet volmaken, ja ook niet een begin van de betaling kunnen zijn. Al wies gij u met salpeter, en gebruikte veel zeep, zo is toch uw ongerechtigheid voor Mijn aangezicht getekend, zegt de HEERE. Daar blijft nog steeds verdoemenis voor u. Al kwam de gehele wereld ook samen over deze zaak, om een losprijs voor een mens uit te vinden: veronderstelt, men doorzocht al de schatten van de vorsten, de mijnen en binnenste ingewanden van de aarde, en de koffers van de rijke lieden; Ja, laat de aarde, de zee, de hemelen, de zon en maan ten hoogste gewaardeerd worden; voeg daarbij alle verdiensten van de engelen boven, en van de mensen beneden al hun goede daden en hun lijden;—toch zou de som, die uit al die bijvoegingen ontstaat, niet de minste penning van al deze schuld betalen; de aarde zou zeggen, het is bij mij niet, de hemel moest ook zo antwoorden; de engelen en mensen mochten zeggen, wij hebben er van gehoord, maar het is verborgen voor alle levenden. Waar is dan deze verlossing van de vloek? Waar zal er een rantsoen gevonden worden? Gewis, God heeft ze uitgevonden; zij is bij Hem; Hij heelt Zijn Zoon tot een rantsoen voor velen gezonden, en Zijn bloed is kostelijker dan de zielen, laat staan dan goud en zilver. Is dit dan niet een groot voorrecht, nademaal, indien alle koninkrijken van de wereld op het duurste verkocht werden, zij nochtans het niet zouden kunnen kopen? Wat is dit een juweel? Wat is dit een parel? Al wie onder ulieden deze toorn ontkomen is, merkt op wat uw voordeel en voorrecht is! O let op de waardigheid, waar u toe verhoogd bent, opdat u uw harten aan Hem mag verbinden, om de Zijne te zijn, geheel de Zijne; want u bent met een prijs gekocht, en u bent uws zelfs niet meer; Hij gaf Zichzelf voor ulieden en werd een vloek om u van de vloek te verlossen. O hoe behoorde gijlieden te wandelen, als bevoorrechte mensen, als verlosten!

Ik bid u allen, dat u uw aandacht zoekt op te scherpen, om te overwegen en te letten op dit vonnis, dat tegen ons gestrekt is; nu is er nog hoop daarvan verlost te worden, indien u het op uzelf wilt toepassen; maar indien u steeds wilt voortgaan in de wegen van de zonde, zonder terug te keren, weet dit, dat u niet anders doet, dan die vloeken te vermenigvuldigen, vele touwen wevende van uw ongerechtigheden om u in enige ketenen te binden; gijlieden doet niets anders, dan een put te graven voor uw zielen, daar u die in uw zonden zweet, en veel arbeid doet, en dit aangeboden rantsoen niet wilt omhelzen; de sleutel en het slot van deze put is eeuwige wanhoop. O merk op! hoe ras zullen uw vermaken en winsten ten einde zijn; trek enige van uw gedachten van de tegenwoordige dingen af, om die te geven aan de eeuwigheid, die draad die uitgesponnen wordt tot in alle eeuwigheden, hetwelk is de lengte van de dagen van de ouden der dagen, die geen begin der dagen noch einde van tijd heeft. Gedenk er nu aan, opdat u niet zolang ellendig wordt als God gelukzalig is, en dat is voor eeuwig.

Alle mensen zouden wel wensen voorrechten te hebben boven anderen; maar daar is er een, die het grote voorrecht wegdraagt van de gehele wereld, en dat is de gelovige in Christus Jezus, die gezegd wordt in Christus te zijn, Hem ingeplant door het geloof, als een levend lidmaat van dat lichaam, de kerk; en dit Hoofd deelt het leven mee aan al de leden, want "Hij vervult alles in allen," daar is een machtig werkende kracht in het Hoofd, welke zich door al de leden verspreidt, Ef. 1:19,22,23.

Daar zijn vele uitdrukkingen van vereniging tussen Christus en de gelovigen: niet een nauwe samenvoeging is er onder de mensen, of deze geestelijke vereniging van Christus met de gelovigen is er ons onder vertoond; het fondament en het gebouw hebben een nauwe afhanging, de hoeksteen en de muur zijn zeer ineen geschikt. En Christus Jezus is het fondament en de uitersten hoeksteen, op Wie het gehele gebouw bekwamelijk is samengevoegd, en opwast tot een heilige tempel, Ef. 2:20,21. Het hoofd en de leden zijn nauw verenigd, zo is Christus en de gelovigen: zij "groeien op in Hem," Ef. 4:15. Ouders en kinderen zijn bijna één; zo is Christus de eeuwige Vader, en Hij toont aan de Vader de kinderen, die Hij Hem gegeven heeft; wij zijn Zijn broederen, en Hij schaamt zich niet, ons zo te noemen. Maar wat nog meer is: wij zijn één vlees met Hem; daar is een huwelijk tussen Christus en de gemeente, en dit is de grote stof en betrachting van het Hooglied van Salomo. Hij is de wijnstok en wij zijn de ranken Hem ingeplant. Ja deze vereniging is zo nauw, dat ze wederzijds is: "Ik ben in hen, en zij in Mij." Christus woont in ons door het geloof, door te maken, dat wij in Hem geloven en Hem liefhebben. Christus Jezus is ons huis, waarin wij van alles verzorgd worden; Hij is ons magazijn en schatkamer, onze plaats van sterkte en vermaak, een stad van de toevlucht, een sterke toren, en een vermakelijke rivier om ons te verkwikken. Wij zijn wederom Zijn woning, waarin Hij door Zijn Geest woont; wij zijn Zijn werkhuis, waarin Hij alle zijn kostbare stukken van het nieuwe schepsel werkt, formerende het tot de trouwdag, de grote dag der verlossing.

Dit geeft ons ook te verstaan, wat wij eertijds waren: wij moeten hier staan en terug zien naar onzen vorigen staat, en vinden daar stof tot vermaak en droefheid: wij waren eertijds zonder Christus in de wereld, en indien zonder Christus, zo waren wij "zonder God, en zonder hoop in de wereld." Ef. 2:12. Ik wenste dat dit in het hart van de mensen gegraveerd mocht zijn, dat zij buiten Jezus Christus geboren zijnde, wilde olijfbomen zijn, opgroeiende op de stam van de ontaarde Adam. Adam was weleer een edele wijnstok, maar hoe ras verkeerde hij in een ontaarde plant, en in plaats van druiven brengt hij wilde en zure beziën voort. Wij groeien allen op een ólijfboom die van nature wild is," Rom. 11:24. Zij groeit buiten de hof van god, in de onvruchtbare woestijn, en zij is nergens toe bekwaam dam om dode vruchten te dragen, om uitgehouwen en in het vuur geworpen te worden. Het is een boom die de Heere vervloekt heeft, zeggende: "dat voortaan nooit meer vrucht van u kome."

Och dat u uw natuurstaat recht wilde kennen! Hoe al uw goede genegenheden, toestand, gemoedsstemming en opvoeding, uw stam noch uw vrucht goed kunnen maken. "Efraïm is een ledige wijnstok", dit is onze naam. Ja, maar velen menen dat zij vrucht dragen. Hebben de heidenen niet hun takken uitgebreid en vele lieflijke vruchten gedragen van lijdzaamheid, matigheid, kloekmoedigheid, voorzichtigheid en dergelijke? Doe niet vele burgerlijke mensen veel daden van burgerlijkheid, die nuttig zijn voor de mensen? Is er niet menig mens die van zijn jeugd af bidt en de Schrift leest? Ja, het is zo, dit zijn vruchten; maar ondanks dat is hij een ledige wijnstok: want "hij brengt vrucht voor zich": en zo is hij (gelijk het in de oorspronkelijke taal is) een wijnstok, die de vrucht die ze geeft, ontledigt, Hos. 10:1. Al die vruchten zijn maar voor hemzelf, en van hemzelf; hij weet die niet te reinigen tot Gods eer, maar tot zijn eigen lof en voordeel, om die te maken tot zijn eigen sieraad. En hij kent zijn eigen ledigheid niet, om al zijn bekwaamheid en sap bij een Ander te zoeken.

Wat waren al die fraaie bloesems en vruchten van de heidenen? Waarlijk zij waren iets meer en beter, dan hetgeen nu de menigte van de belijdende christenen voortbrengen; en nochtans, die allen waren maar blinkende zonden. Wat is al uw bidden en vasten? Het is slechts voor uzelf, gelijk de Heere zijn volk beschuldigde, Zach. 7:5. "Hebt gij Mij enigszins gevast?" Neen, u doet het voor uzelf. Dit is de wildheid en ontaardheid van uw natuur; of u brengt zeer bittere vruchten voort; als onmatigheid, gierigheid, twistlust, ijdel zweren, enz.; of andere vruchten, die maar een schone buitenzijde hebben, gelijk de appelen van Sodom, die schoon zijn aan de boom (zegt men), maar gehanteerd wordende, zijn ze tot as geworden, zo is er niets aan dezelve van God, of voor God.

Ik denk, dat bijna iedereen die heimelijke inbeelding in zijn boezem voedt, dat, schoon ook zijn natuur zwak moge wezen, zij evenwel niet goddeloos is, zij kan verholpen worden door de opvoeding, zorg en vlijt, en zo toebereid tot dat ze God behaagt en aan de anderen nuttig zij. Wie is in zijn hart overreed, dat hij een vijand van God is, en dat hij zich aan Zijn wet niet kan onderwerpen. Wie gelooft dat zijn hart dodelijk en radeloos boos is? Och het is inderdaad bedrieglijk boven alle dingen, en in deze allerbedrieglijkst, dat het ulieden wijs maakt, dat u een goed hart omtrent God hebt. Zullen niet goddeloze mensen, van wie de handen besmet zijn, de oprechtheid van hun harten staande houden?

Ik bid u, merkt eens op, dat u buiten Christus geboren bent. Gij meent, dat u als Christenen geboren, en zo opgevoed bent; u hebt die naam van uw eerste kindsheid, en u bent gedoopt; maar ik vraag u over de zaak: de waterdoop, plant u die in Jezus Christus? Ja het geeft u zoveel te kennen, dat u van nature ver van Christus af bent en geheel bevlekt, en al uw inbeeldingen van het harten alleenlijk boos zijn. Nu, ik bid u, hoe kwam de verandering, of is er wel een verandering? Zijn niet de meeste mensen nog de oude mensen, geen nieuwe schepselen? "Die in Christus is, is een nieuw schepsel," staat er 2 Kor. 5:14. Gij hebt uw Adams natuur, die u eerst had; gijlieden draagt het beeld van de aardse, en bent u nog zodanig niet, die steeds zo aards bent? Meent u dan, dat u het koninkrijk Gods kunt beërven? Kunt u van een staat van de verdoemenis overgaan tot de staat dos levens, zonder een verandering? Neen, gelooft het, u kunt geen onverderfelijkheid beërven met vlees en bloed, waar u mee geboren bent. Gijlieden moet in de tweede Adam overgeplant werden en Zijn beeld dragen, eer u kunt zeggen, dat u Zijn zegeningen deelachtig bent, 2 Kor. 15:47 etc. Nu, ik geve het u op uw gewetens, hoe velen van ulieden zijn er veranderd? Zijn niet het grootste gedeelte van u, gelijk u van uw kindsheid was? Bedriegt u niet, u bent nog vervreemd van Gods beloften en zonder deze hoop in de wereld.

 

2e Predikatie, Rom. 8:1

Zo is er dan nu geen verdoemenis voor degenen, die in Christus Jezus zijn, die niet naar het vlees wandelen, maar naar den Geest.

Al de beloften zijn ja en amen in Christus Jezus; zij komen allen in Hem samen, en van Hem worden zij tot ons afgeleid. Toen de mens in de staat der volmaaktheid was, was hij met God en in God, en dat onmiddellijk, zonder de tussenkomst van een Middelaar; maar ons afvallen van God heeft ons zonder God gemaakt, en de tussenstand is zo groot, gelijk Abraham tot de rijke man spreekt, dat noch die boven zijn tot hem kunnen komen, noch hij tot hen afkomen. Daar is een kloof van afscheiding tussen God en ons, zodat er geen ontmoeting kan zijn. En zo is het, dat wij, die zonder God zijn, ook zonder hoop zijn in de wereld, Ef. 2:12; daar is geen hoop van ooit meer toegang tot God te hebben, gelijk tevoren. Do boom des levens is rondom bezet mot een vlammend vuur en zwaard; God is een verterend vuur voor ons geworden, zodat niemand tot die eeuwige gloed kan naken, veel minder daarbij wonen. Omdat er dan aldus geen samenkomst kan zijn, zo heeft God de weg uitgevonden, hoe zondaars tot Hem zullen komen, en niet verteerd worden. Hij wil ons tegemoet komen in Jezus Christus, die levende Tempel; en dit is de plaats van ontmoeting, waar de zondaar bij God komt. Het was een noodzakelijkheid, dat deze Middelaar zou komen om het verschil weg te nemen; Hij moest een brug maken over die kolk van scheiding, opdat wij tot God zouden komen; en dat is de menselijke natuur, "de nieuwe en levende weg, het voorhangsel van zijn vlees." God is derhalve in "Christus, de wereld met zichzelf verzoenende." Al het licht van troost en zaligheid, dat van God komt is geheel in deze Zon der gerechtigheid als ingelijfd: al de stromen van de genade en van de barmhartigheid lopen in het kanaal van zijn geliefden Zoon.

Zo volgt dan, dat God niet buiten Jezus Christus te vinden is, en al wie "zonder Christus is, is zonder God in de wereld; God is in Christus de wereld verzoenende," en daarom, "is er geen verdoemenis voor degenen, die in Christus zijn;"’ maar God is buiten Christus de wereld verdoemende, en daarom is de verdoemenis over allen, die niet in Christus zijn. Wanneer al de kinderen van Adam rebellen verklaard worden, wegens zijn en hun eigen weerspannigheid, heeft de Heere een stad van toevlucht gesteld, opdat een ieder, die door de bloedwreker nagejaagd wordt, daar in zou gaan, en bescherming en veilige bewaring verkrijgen. Buiten Christus is niets anders dan het zwaard van de wreker, omdat de gerechtigheid voorts de gehele wereld over regeert; maar binnen deze stad mag de gerechtigheid Gods niet ingaan, om iemand ter verdoemenis daaruit te nemen; en daarom de zielen, "die de toevlucht nemen, om de hoop (die hen in Jezus Christus is voorgesteld) vast te houden," die mag de gerechtigheid vervolgen tot de poorten van de stad, de verdoemenis mag hun snel op de hielen volgen, tot dat zij daar ingaan, maar binnen de poorten van de stad mogen de gerechtigheid en verdoemenis niet ingaan.

Wat zijn dan die zielen in een ellendigen staat, die in hun eigen natuur, in het open veld liggen buiten deze stad? Hoe vele dwaze mensen beseffen geen gevaar, maar zij spelen omtrent de poorten van de stad van toevlucht, en zij willen er niet ingaan. O! de bloedwreker zal u overkomen, eer u het weet; en indien hij u buiten de stad vindt, wee u! al uw gebeden en smekingen zullen niets vermogen; de gerechtigheid is blind en doof, zij kan niet partijdig handelen, of de persoon van de mens aanzien; zij kan uw smekingen niet horen. Het is wonder, dat de mensen met andere onopmerkelijke dingen zijn ingenomen, en dat zij verzuimen te weten, wat het is in Jezus Christus te zijn. waar hun zaligheid van afhangt.

Het geloof in Jezus is de zielevlucht in de stad van toevlucht, de vrijstad; niemand vliedt, dan wanneer hij gevaar beseft, of nagejaagd wordt; en dit gevaar, dat een ziel beseft, is te vergaan, en voor eeuwig verdoemd te worden. De vervolger of najager is de Wet Gods en Zijn rechtvaardigheid, die hebben een zwaard in hun hand: de vloek Gods, en het vonnis van de verdoemenis. God richt een vierschaar op in zijn Woord, waarin Hij de mensen oordeelt. Al degenen, tot wie Hij een voornemen heeft van goedwilligheid, daar laat Hij de Wet inkomen in hun gewetens, opdat de zonde overvloedig moge zijn; Hij zendt ook een gerechtsbode van verdrukking of overtuigingen, om hen voor de rechterstoel te brengen, en hun beschuldiging te horen voorlezen. Daar staat de ziel bevende, en het geweten getuigt en keurt goed het woord van de beschuldiging; zodat de mond van de zondaar gestopt is, en geen verontschuldiging kan inbrengen tegen die beschuldiging. Dan spreekt de Rechter het vonnis over de schuldige personen: "vervloekt is een ieder, die niet blijft in alles," etc. De ziel roept: schuldig ben ik, o Heere! schuldig; ik heb in waarheid de vloek verdiend; och! wat zal ik doen, om zalig te worden? Dan ziet de ziel uit ter rechter- en ter linkerhand, om een toevlucht te zoeken, maar daar is er geen. Waar zal hij heen vlieden van de Heere; hij zoekt in zichzelf, en ziet: daar is niets binnen in hem, dan de beschuldigende en getuigende consciëntie, die hem pijnigt; het vuur is daar binnen ontstoken, hetwelk zijn voedsel ontleent uit de ontelbare zonden.

Nu is de ziel bijna overstelpt, en zij ziet uit of er enige plaats is, om van zichzelf en van die toorn weg te vlieden En ziet, de Heere ontdekt en wijst aan een stad van toevlucht, die niet ver is, en waar geen verdoemenis is, namelijk Jezus Christus, Die de vloek gedragen heeft, opdat Hij er ons van verlossen zou. Hier is het gezicht des vredes, en daarheen vliedt de ziel van zichzelf en van de gerechtigheid, naar die geopenbaarde gerechtigheid van Christus; en hoe dan de zonde meer overvloedig is geweest, hoe nu de genade meer dan overvloedig wordt, zodat er nu geen verdoemenis meer voor hem is.

Ik bid u, let hier op, en laat het op de tafelen van uw harten geschreven zijn. Daar zijn twee rechterstoelen waar God op zit, de ene is buiten Christus, de andere is in Christus. Daar is een troon van gerechtigheid, waar alleen de zuivere, ongemengde gerechtigheid vonnis velt, zonder enig inmengsel van barmhartigheid; en daar moeten alle mensen eens voor verschijnen. Gij weet welk een verbond der werken God eens met ons gemaakt heeft: "indien u deze dingen doet, zo zult u leven, zo niet, zo zult u de dood sterven;" naar de inhoud hiervan moeten wij eens geoordeeld worden, opdat de gerechtigheid geen nadeel lijdt. Daarom spreekt God in zijn Wet op zijn troon, de taal van de berg Sinaï. Hij leest onze beschuldiging voor; en omdat de gehele wereld schuldig is, zo wordt het vonnis des doods eens over allen geveld.

Nu een ieder van ulieden, die tot deze rechterstoel komt om geoordeeld te worden, weet dit, dat het is een lager en ondergeschikter vierschaar; daar is een hoger hof van barmhartigheid en oordeel, gerechtigheid en barmhartigheid samen gemengd, hoewel de barmhartigheid de overhand heeft: "gerechtigheid en gericht is de woning ervan, maar barmhartigheid en waarheid gaan voor het aangezicht van de Rechter heen," en zij komt het naast tot de zondaars, om hen toegang te geven. Tot deze rechterstoel mag u heen gaan, en u beroepen wegens die vierschaar van de gerechtigheid; "maar daar is vergeving bij U, (zegt David,) op dat Gij gevreesd wordt," Ps. 130:4,5; en al wie hier komt, die bevindt, dat Christus zit op deze troon, om hem van dat vonnis vrij te spreken.

Indien u vraagt, wat billijkheid is daar in? is het niet van de rechtvaardigheid nadelig, en een gruwel voor de Heere, de goddeloze en snode zondaar te rechtvaardigen? Ik antwoord: het is geen ongerechtigheid, omdat Jezus Christus de prijs voor ons betaald heeft, een "vloek voor onze zonden is geworden," opdat wij zouden zijn gerechtigheid Gods in Hem; en daarom is het recht bij God, de zonden te vergeven, en die zondaar vrij te maken van de verdoemenis der Wet, welke tot Jezus Christus vliedt. Gijlieden mag de gerechtigheid aldus antwoorden: ik wil dit niet voor Gods laatste woord nemen; ik hoor, dat het laatste oordeel aan de Zoon is toebetrouwd, opdat Hij het leven geve, aan wie Hij wil; Hij roept mij, en tot Hem zal ik gaan, want Hij heeft de woorden des eeuwige levens, Hij zal rechtvaardigen, en wie zal verdoemen? Nu, zo iemand zich nu niet beschuldigen wil voor de rechterstoel van Gods gerechtigheid, indien hij geen nauw onderzoek wil doen naar zijn schuldigheid, totdat zijn mond gestopt is, en hij zijn vonnis van verdoemenis hoort lezen en het toestemt; die mens kan tot Jezus Christus niet komen, om vrijgesproken te worden; want Hij rechtvaardigt niemand, dan de zichzelf veroordelende en verloren zondaars; zodat hun dag nog te komen staat, wanneer zij de gerechtigheid zullen moeten antwoorden; de rechterstoel van barmhartigheid zal weggenomen worden, en Christus zal op een troon van zuivere gerechtigheid zitten, om diegenen te oordelen, die zichzelf niet oordeelden.

Helaas! welk een verlies zullen de meesten van ulieden ondervinden! Ik beklaag u: gijlieden leeft in grote vrede en gerustheid, buiten de poorten van de stad van toevlucht. Wij verklaren ulieden in de naam des Heeren, u bent onder de vloek Gods; wilt u nog zorgeloos neerzitten, en de boze dag ver van u stellen? och! verstoor liever uw vrede voor een tijd, door de aanmerking van uw zonden; gaat in het gericht met uzelf, totdat u niet anders in uzelf ziet, als dat u vergaat. Er is geen gevaar in zo te doen: want hier is u de zaligheid nabij gebracht in het Evangelie. Indien u de onrust van uzelf te oordelen hier ontziet zo zult u geoordeeld worden, als er geen Middelaar is, om voor u te pleiten, en niemand op wie u zich beroepen kunt.

Maar al degenen, die het vonnis van de verdoemenis op zich nemen, en de rechtvaardigheid van des Heeren vloek over hen ondertekenen, zulken nodigen wij allen in des Heeren Naam, herwaarts te komen, namelijk tot Jezus Christus; "daar is geen verdoemenis voor degenen, die in Hem zijn." Indien u zwarigheid maakt, en vele vragen doet in een zaak van zo grote noodzakelijkheid, zo verongelijkt u uw eigen ziel, en u onteert Hem; weet dit, dat "God was in Christus de wereld met Zichzelf verzoenende;" daarom mag u veroordeelde zondaar, tot God in Christus komen. Indien u naar enige grond verder vraagt, wij oordelen, dat men zulke vragen niet behoort te doen, daar u in zo’n grote nood bent. Indien iemand buiten de stad van honger stierf, en hem werd gezegd, dat er binnen de stad overvloed van brood was, was hij niet een dwaas, die nog iets meer zou willen doen, dan te trachten naar binnen te gaan. Dit is genoeg, om al uw eigen tegenwerpingen op te lossen: u bent in de uiterste nood, en blijkbaar omkomende in uzelf, nu "Hij is machtig, volkomen zalig te maken, al degenen, die tot Hem komen," wat zou er meer nodig zijn? laat er dan een samenvoeging zijn tussen dringende nood, en genoegzame bekwaamheid, om zalig te maken.

Wilt u nog staan en redeneren buiten de stad, daar de bloedwreker boven uw hoofd is? Indien u wilt aandringen, op nog meer fondement en grond om te geloven, zo zal ik u zeggen al wat ik weet, dat in het Woord is, tot een grond voor het geloof: u hebt grote ellende en nood binnen in u, dat erkent u, en het is uw klacht; Christus heeft barmhartigheid en genoegzame genade in zich, "Hij kan volkomen zalig maken," dat kunt u niet loochenen; maar ik doe er dit derde bij: Hij is ook gewillig om u te behouden, ja al wie maar gewillig is, om door Hem behouden te worden, ja, Hij is gewilliger dan u bent; indien gij hier aan twijfelt, zo verzoek ik u, dat u maar let op de gehele voorstelling en inhoud van het Evangelie:—hoe veel overtredingen? hoe veel beloften zijn er voor degenen, die komen? ja hoe veel bevelen zijn er, en dat zeer dringend en volstrekt, opdat u in Hem zoudt geloven? Ja hoe vele bedreigingen zijn er tegen u, indien u niet tot Hem wilt komen, opdat u het leven hebt?

Heeft Hij zichzelf gegeven voor de zonden van de wereld, en zou Hij niet gewillig zijn, dat de zondaars zouden deelachtig worden, hetgeen Hij met zoveel smarten verkregen heeft? Meent u, dat Christus zou tevreden zijn, dat Zijn dood tevergeefs zou wezen? en Hij zou tevergeefs zijn, indien Hij de grootste der zondaren niet verwelkomde, ja Hij zou tevergeefs zijn, indien Hij hen niet tot zich trok, en ze gewillig maakte.

Maar daar benevens heeft Hij zo vast beloofd, en zo vrijwillig en volkomen toegezegd, dat men zich geen uitzondering verbeelden kan: hem die tot Mij komt, en zal ik geenszins uitwerpen." Joh. 6:37. Waarom verbeeld! u zich enige uitzondering, daar Christus geen uitzondering maakte, waarin Hij zou uitsluiten? waarom zondigt gij tegen uw eigen ziel? och, indien ik van Christus was, zegt gij, dan zou ik wel zijn; en och, dat hij zo’n zondaar wilde verwelkomen! Christus antwoordt u in uitdrukkelijke termen: "al wie wil, die neem, en drink om niet." Gij verklaart uw gewilligheid zo te spreken, en Hij verklaart Zijn gewilligheid zo te beloven, ja uw zien naar Hem van ver is een vrucht van Zijn gewilligheid. "Gij hebt Mij niet uitverkoren, maar Ik heb u uitverkoren, en Ik heb u eerst lief gehad;" indien u dit niet wilt geloven, zo ziet op zijn gebod: "dit is Zijn gebod, dat gij gelooft in de Zoon," 1 Joh. 3:23. Wat grond hebt u om enige plicht te doen, die Hij gebiedt? En waarom trekt u dit meer in twijfel? Is dit niet zijn gebod? en is het niet een dringend gebod, omdat het een nieuw gebod en Zijn laatste gebod is, te meer, daar Hij ons als met zorg drijft naar zijn Zoon, "opdat wij het leven mogen hebben?" Och! wie zou de onbeschaamdheid hebben, om Zijn gewilligheid nog meer in twijfel te trekken? Ik ken geen andere gronden dan deze; en ik oordeel, zo iemand tot Christus komt, of voorgeeft te komen op andere gronden, dat hij niet recht komt. Indien de heiligste mens niet inkomt onder de goddeloze zondaars; indien hij niet wandelt en te werk gaat op de gronden van zijn eigen dringende nood en Christus’ algenoegzaamheid, zo kan hij tot Jezus Christus niet komen.

Daar is een inbeelding onder het volk, die, indien zij niet zo algemeen was doorgedrongen, ik niet zou verhalen vanwege haar bespottelijkheid: "hoe kan ik tot Christus komen, zo onrein en zo schuldig, daar niets dan verdoemenis in mij is? Indien ik zo en zo was, ik zou tot Hem komen." Helaas! daar kan niets ongerijmder ingebeeld worden, of strijdiger, zelfs tegen de rede en het gevoel. Indien u zo en zo was, gelijk gij u verbeeldt dat u zijn moest, zo zou u tot Christus niet komen, u zou Hem niet nodig hebben. Datgene, wat u voorgeeft als een reden waarom u niet zou komen, is de grote reden, die in het Evangelie aangedrongen wordt, waarom u zou komen.

Wat een uitzinnigheid is dat? Ik ben zo onrein, daarom zal ik tot de fontein niet komen om mij te wassen! Waartoe was de fontein geopend, dan tegen de zonde en onreinheid? En hoe meer onreinheid, hoe meer men de fontein nodig heeft, hoe meer redenen er zijn om te komen. De nood is een grote reden, en onze reden is een genoegzame grond. Ik word nagejaagd door de wet, ik heb verdoemenis binnen in mij, en niets dan verdoemenis; wel, kom dan tot Christus Jezus, de Stad der toevlucht, waar geen verdoemenis is. Waartoe was die Stad geordineerd, indien niet tot dit einde?

Ik bidt u, een ieder van u, die zo redeneert en deze tegenwerpingen maakt, en een soort van vermaak daarin neemt: weet, wat dezelve in hebben, hoe zij uw eigen zielen verongelijken, hoe zij Christus onteren, en zo meteen God de Vader; ja hoe dwaas en bespottelijk zij zijn; zodat, indien zij u niet waarlijk bedwelmden, zij geen antwoord zouden verdienen, maar een bestraffing of stilzwijgen. Ik heb mensen gezien, die vermaak schepten om tegenwerpingen te maken tegen de Waarheid; ja, die ook ernstig hun hoofd braken, om tegenwerpingen te stellen tegen het antwoord, dat hun van de Waarheid gegeven werd. Helaas! u bent zeer bezig, tot uw eigen belediging: u bent op een weg, die u nooit enige hoop zal geven, maar uw ziel zal afhouden van bevestigd te worden, gelijk een golf op en neer gedreven. Indien gij niet gelooft, maar redetwist, gij zult niet bevestigd worden.

Maar ik wilde hier een woord spreken tot degenen, die geloofd hebben, die hun toevlucht tot Christus genomen hebben. Och! het betaamt u het meest van alle mensen, dat gij deze verdoemenis poogt te kennen, daar u van verlost bent, opdat u dankbaar mag zijn, en u nauw bewaren mocht binnen deze Stad. Ik zeg, daar is niet een mens in de wereld, die meer gedachten diende te hebben, of dieper en ernstiger overpeinzing van de vloek en toorn Gods, dan diegenen, die er door Christus van verlost zijn; en mijn reden is, opdat u mag weten, hoe grote zaligheid u ontvangen hebt, en hoe grote verdoemenis u ontvloden bent, en dat u voorts mag wandelen als degenen, die met een dure prijs gekocht bent. Uw schepping maakt, dat u niet uw eigen, maar de Zijne bent, omdat Hij u het aanzijn gaf: maar uw verlossing moest tweemaal maken, dat u de Zijne en niet de uwe zou zijn, omdat Hij, wanneer uw wezen erger was, dan indien het niet was geweest, u wederbaarde; zodat u tweemaal de Zijne bent: eerst, maakte Hij u met een woord, maar nu heeft Hij u "gekocht met een prijs," ja een dure prijs:—Zijn Eigen bloed.

Wederom, als u deze vloek altijd voor u houdt, en de toepassing daarvan maakt op uw zonden, zo zal dit maken, dat u Christus veel gebruiken zult. O hoe zult u menigmaal tot deze Stad vluchten? Ik acht die de grootste vijanden van Jezus Christus en van Zijn genade, die willen, dat de gelovigen geen gebruik meer zouden maken van de Wet. Ik weet niet, wie de Wet kan gebruiken, indien hij het niet doet; ik weet niet, wie de wet kan toepassen op Christus, het einde der Wet, dan hij; gewis, hij heeft niet alleen het gebruik van de geboden tot een regel van gehoorzaamheid, maar ook van de vloek; niet om hem wederom te doen vrezen tot dienstbaarheid, neen; maar om hem altijd te doen zien, dat hij Jezus Christus meer nodig heeft, opdat hij bij Hem herberging neme, en "in Hem wone."

 

 

3e Predikatie, Rom. 8:1

Zo is er dan nu geen verdoemenis voor degenen, die in Christus Jezus zijn, die niet naar het vlees wandelen, maar naar den Geest.

Het is moeilijk te bepalen, welke van deze twee het grootste voorrecht van een Christen is, dat hij verlost is van de verdoemenis, of dat hij bekrachtigd is om te wandelen naar de Geest, en is geworden een nieuw schepsel? Of wij Christus meer schuldig zijn wegens onze rechtvaardigmaking, of heiligmaking? Want Hij is het beide voor ons geworden. Maar het is zekerder ze samen te voegen, dan bij elkaar te vergelijken, en het ene: verlost te worden van de toorn, is niet meer noodzakelijk, dan het andere: te wandelen naar de Geest. Ik oordeel dit als een bewijs, dat een ziel de verdoemenis is ontgaan, wanneer de grote stroom en vloed van Zijn genegenheden en pogingen naar heiligmaking zijn, niet opdat zij bij God aangenaam mocht worden, maar omdat zij van God aangenomen is.

Hier staat niet, dat er niets verdoemelijks is in degenen, die in Christus zijn. Maar, "daar is geen verdoemenis voor hen." Gewis, er is binnen hen een lichaam des doods en een wet der zonde; een natuur die besmet is met oorspronkelijke onreinheid, en met vele stromen daarvan afvloeiende, die door de besprenging van Christus’ bloed in de rechtvaardigmaking niet weggenomen worden. "Indien iemand zegt, dat hij geen zonde heeft, die is een leugenaar; en de waarheid is in hem niet;" maar hier is de genade en de barmhartigheid Gods in Christus Jezus, dat Hij de vloek wegneemt, waar de zonde is, en dat Hij de verdoemenis wegneemt, waar alles is, wat de verdoemenis waardig is. En dus gaat de rechtvaardigmaking van de ziel in een rechte lijn met Christus verdoemenis: in Hem was niets verdoemelijke, geen zonde, geen onrecht in Zijn mond; en nochtans was er verdoemenis voor Hem, omdat Hij in de plaats van zondaren was: onze ongerechtigheden zijn op Hem aangelopen, zij waren niet in Hem: "Hij, die geen zonde gekend hoeft, is voor ons een vloek geworden, opdat wij zouden worden gerechtigheid Gods in Hem." Zo dan de ziel, die tot Jezus Christus’ gerechtigheid vliedt, al heeft hij alles in zich wat de verdoemenis verdient, nochtans is er geen verdoemenis voor haar, omdat Zijn gerechtigheid op haar gelegd is, en Christus heeft de vloek weggenomen. De onschuldige Zoon van God werd verdoemd, daarom worden schuldige zondaars vrijgesproken. De vloek werd toegepast op Hem, die geen zonde had, maar alleen tot zonde gemaakt werd, of de zonde werd op Hem gelegd; en daarom is het vonnis van vrijspreking van de vloek toegepast op hen, die geen gerechtigheid hebben, maar die gerechtigheid Gods gemaakt worden, door vrije en genadige toerekening.

Dit spreek ik, vanwege dat er in dit losse en ongebonden geslacht, vele ongezoute en ongezonde uitdrukkingen zijn, als dat er geen zonde is in de gerechtvaardigden, en dat de rechtvaardigmaking de zonde zo wegneemt, alsof zij er nooit geweest was. Ik zeg: gelijk de verdoemenis van Jezus Christus Zijn onnozelheid en heiligheid, die in Hem waren, niet uitwist, maar alleen de gerechtigheid Hem in die opzichte aanmerkt als een overtreder, die toch in Zichzelf het heilige en vlekkeloze Lam Gods was; zo van hetzelfde: de rechtvaardigmaking van een zondaar voor God, doet niet weg, dit wist niet uit de verdorvenheid en besmetting van onze natuur, maar zij schrapt alleen onze naam uit van de rol van zijn schuldenaars, als hebbende voldaan in onze Borg; en zij merkt ons in dat opzicht aan, als rechtvaardigen voor God.

En dit spreek ik meteen ook tot uw gebruik, opdat u zo aan uzelf een walg en gruwel mag hebben in uzelf, ofschoon u rein gemaakt bent door het bloed van Jezus Christus, alsof u niet gewassen was. Ja u behoort uw zonden zoveel temeer te gedenken, omdat Hij ze niet meer gedenkt als een schuld; en u moet er temeer over beschaamd en schaamrood zijn, omdat zij vergeven zijn.

Het is een gewoonte bij de zielen, dat zij zichzelf aanzien met een oog van meer welbehagen in zichzelf, als zij beseffen en opmerken, dat God gunstig op hen ziet; maar ik denk niet, dat enige zielen wellicht goed beseffen, dat God in genade op hen in Christus Jezus ziet, of zij zullen temeer van zichzelf walgen; maar dit vind ik algemeen: dat slordige en onbedachtzame gedachten van vergeving, voortbrengen de zoetsappige zelfbehagende beseffingen in de harten van de mensen. En dat is ook zelfs de zonde van Gods kinderen; daar komt een weinig vermindering van ons afgrijzen van onszelf, als ons vrees en gunst toegesproken is. Maar ik bid een ieder, die gelooft dat er geen verdoemenis voor hem is, dat hij oplet, dat alles in hem is hetwelk de verdoemenis waardig is, ja niet anders, dan hetgeen die waardig is; en derhalve laat dat lieflijk aanschouwen van God op u, in u voortbrengen een walging en zelfverfoeiing: hoe meer u begrijpt, dat Hij een welbehagen in u heeft, wees u temeer mishaagd met uzelf, omdat het niet in u is, dat Hij zo’n welbehagen heeft, maar in Zijn Eigen geliefde Zoon.

De dag van de verlossing staat te komen, wanneer er geen verdoemenis voor u, noch iets verdoemelijks in u zal wezen; in de hemel zult u zodanig zijn, maar zolang u hier bent, is dit de gewichtigste plicht, waartoe u geroepen wordt: een "walging van uzelf te hebben, vanwege al uw gruwelen, en omdat God verzoening voor u gemaakt heeft, over al hetgeen u gedaan hebt." Ezech. 16:63,31; 20:43. Er is een nieuwe en vreemde doding waar velen voor pleiten, van welke de hoogste vordering bestaat in geen zonde te gevoelen, te kennen of te belijden, maar aan het gevoelen en de overtuiging ervan gestorven te zijn. Helaas; is dit de vrucht van hervormen? Is dit niet de geest van de antichrist. Ik beken, het is een doding van godzaligheid, en een kruisiging van bekering en heiligheid, een kruisiging van de nieuwe mens; doch het is een levendmaking van de ouden mens in de begeerlijkheden ervan; het is een leven tot de zonde. Dit is een deel van dat nieuwe doch vals zogenaamde Evangelie, hetwelk door sommigen verkondigd wordt, hetwelk wij niet behoren te geloven, al bracht ook een Engel van de hemel het ons. Een ander fondament kan niemand leggen, dan hetgeen reeds gelegd is, waarop de profeten en apostelen gebouwd zijn en gebouwd hebben, namelijk: Jezus Christus. De Heere geve de Geest, om te verstaan deze verborgenheden, die al ontdekt zijn, maar Hij beware ons voor de nieuwe lichten en ontdekkingen. Hetgeen wij ontvangen hebben, is machtig om ons volmaakt te stellen tot zaligheid.

Een ieder geeft voor, dat zij recht en deel hebben aan dit voorrecht van de Christenen, van vergeving te hebben, en vrijgesproken te zijn van de verdoemenis; hij wil er niet aan twijfelen hoewel ondertussen hun ongerechtigheden tegen hen getuigen, en hun overtredingen zeggen in het hart van een godzalige, dat er geen vreze Gods voor hun ogen is. Daarom beschrijft de apostel degene, die in Jezus Christus is, dat hij zo een is, "die niet wandelt naar het vlees, maar naar de Geest." En dat niet alleen, opdat elk zich wachten zou voor de vermetele inbeelding van degenen, die in hun zonden levende en evenwel voorgeven, te hopen op de hemel: maar om alle gerechtvaardigde zielen op te wekken tot een nieuwe wandel, omdat zij in Christus Jezus zijn.

Wij zouden graag een weinig uit deze woorden spreken tot twee dingen, eerst: dat de Schrift merk- en kentekenen geeft van gerechtvaardigde en verzoende mensen, opdat zij daardoor beide aan hen en aan anderen bekend zouden zijn. Ten andere, dat de Christen, die de verdoemenis ontkomen is, een nieuwe wijze van wandelen heeft, en een nieuw schepsel is in Christus.

Het kon een vreemde zaak schijnen, dat dit eerste in twijfel getrokken wordt door dit geslacht, (indien anders een van de klaarste en gewichtigste waarheden voorbijgaan kon, zonder beredetwist te worden) aangezien de inhoud van de gehele Schriftuur zoveel daarvan te kennen geeft. Ik verwonder mij, hoe iemand daar nog aan twijfelen kan, die dit hoofdstuk of de brieven van Jacobus en Johannes leest. "Hierdoor weten wij, dat wij Hem kennen, zo wij zijn geboden bewaren," 1 Joh. 2:3. Blijkt het daar niet uit, dat het een besluit is van onze staat, dat onze wandel overeen komt met de wil van God? Van welke Goddelijke waarheid kunnen wij zeker zijn, indien dit onzeker is? Daar de geliefde discipel, die wel wist, hoe men Christus prediken moest, en het bevestigt in uitgedrukte woorden, 1 Joh. 5:13. "Deze dingen heb ik u geschreven, die gelooft in de naam des Zoons van God; opdat u weet, dat u het eeuwige leven hebt, en opdat u gelooft in de Naam des Zoons Gods." Dit is eigenlijk het grote oogmerk en teken van deze Evangelische en Goddelijke brief.

Ik bevind, dat de Antinomianen verwarring maken omtrent deze vraag, opdat zij in hun duisternis des te meer voordeel zouden hebben. De vraag is niet aangaande de gronden, waarop een mens in Christus gelooft, maar aangaande onze zekerheid of kennis van hetgeen dat wij geloven. Daar is een grote misvatting in de praktijk van de Christenen, als zij deze twee dingen ondereen mengen; het maakt de Christenen zeer onredelijk in hun twijfelingen en sukkelingen: laat men ons dit dan voor ogen houden.

Het geloof in zijn eerste en zuivere werking is veeleer een aankleving van een verloren ziel aan Christus, dan een blijk van zijn deel aan Hem, of van zijn eeuwige liefde. Gijlieden weet allen wel, dat het iets anders is, een zaak te weten en te beminnen, en wat anders, daar op terug te zien en te weten, dat ik iets ken en bemin. Johannes schreef aan de gelovigen, opdat zij mochten weten, dat zij geloofden, en opdat zij nog meer zouden geloven. Deze twee dingen zijn afgescheiden van elkaar, de een is later dan de andere: "nadat u geloofd hebt, bent u verzegeld," staat er, Ef. 1:13. De verzekering van Gods liefde en van ons deel aan Christus, is het zegel des Geestes, dat op onze ziel gezet is. Hier is nu een onderlinge of wederzijdse verzegeling: de ziel, door te geloven en op Jezus Christus te vertrouwen, zet haar zegel daaraan, "dat God waarachtig is," gelijk Johannes spreekt, Joh. 3:33. Wanneer God in zijn wet spreekt, zo ontvangt de ziel die getuigenis van rechtvaardigheid en heiligheid, zij ondertekent de billijkheid en rechtvaardigheid van het vonnis, door zichzelf te veroordelen. En wanneer Christus in het Evangelie spreekt, dan verzegelt de ziel die leer van de vrije zaligheid, door de aanbieding met haar ganse hart goed te keuren en toe te stemmen; zij ondertekent de weg der zaligheid in Christus, en de waarheid Zijner beloften, en ons wordt de waarheid Gods in Christus verzegeld door het geloven van de ziel. Dan is het daarna, dat de Geest van Jezus Christus, als het Hem belieft, de ziel bestraalt en beschijnt, en die dingen openbaart, die hun van God geschonken zijn: en Hij getuigt aan de consciëntie van de gelovigen, dat hij een kind Gods is. Dus verzegelt de Geest de gelovigen, en geeft aan Zijn waarheid getuigenis.

En indien wij spreken van de grond van het eerste, namelijk van te geloven in Christus tot zaligheid: — ik ken er geen, dan die aan de zondaars bekend is en in het Evangelie aan allen in het algemeen voorgehouden wordt, te weten: onze zonde, ellende, en volstrekte nood, en Christus’ nodiging van allen, om te komen en Zijn volle en volmaakte zaligheid aan te nemen. Ik oordeel, dat een mens niets behoorde te zoeken in zichzelf, waar op hij zijn komen tot Christus zou bouwen. Hoewel het waarachtig is, dat niemand tot de Zaligmaker kan komen, voordat hij overtuigd is van zonde en ellende; nochtans behoorde niemand overtuigingen te zoeken, als een grond om tot Christus ter zaligheid te komen. Die ernstig denkt omtrent deze vraag: hoe zal ik zalig worden? die behoorde volgens mijn oordeel geen tijd te verliezen, om op zichzelf terug te zien, en te onderzoeken of hij iets in zichzelf vindt, dat wat goeds belooft; maar hij zou, zodra hij zijn zonde en ellende gezien heeft, overgaan tot de genade en barmhartigheid van Christus, zonder enig tussenkomend onderzoek naar iets in zichzelf, om hem grond te geven om te komen. Daar behoort niets te wezen voor het oog van de ziel, dan zonde en ellende en dringend noodzakelijkheid, vergeleken met meer dan overvloedige genade en gerechtigheid in Christus; en alsdan werpt zich de ziel over op Christus en ontvangt Hem, als om niet aangeboden, zonder geld en zonder prijs.

Ik weet, dat het niet mogelijk is, dat een ziel Christus kan aannemen, voor dat er enig voorbereidend en overtuigend werk van de Wet is, om zonden en ellenden aan haar te ontdekken; maar dit houd ik voor zeker, dat op dusdanige voorbereiding te zien, en een moedgeving of beweegreden daaruit te trekken, om in Christus te geloven, inderdaad is, Hem een prijs te geven voor Zijn om niet aangeboden wateren en wijn; het is Christus en de Wet ondereen te mengen in onze aanneming bij God. En zo wanneer zielen werk maken voorbereidingen te zoeken, besluitende voor een tijd, de belofte van het Evangelie, geheel niet aan te merken, totdat zij dezelve—en vergenoegen in dezelve gevonden hebben, dit is niets anders, dan "zijn eigen gerechtigheid te gaan oprichten, niet kennende de gerechtigheid van Christus." En daarom verderven sommigen de eenvoudigheid des Evangelie, door strenge afvorderingen van voorbereiding, en van zulke of zulke mate ervan, en door die te maken tot voorwaarden of bepalingen van Evangelische bevelen en beloften gelijk in dat woord: "komt u allen, die vermoeid zijt," daaruit willen zij inderdaad degenen die zo niet gesteld zijn, uitsluiten, van een grond te hebben om te geloven; — helaas! het is een grote misvatting van deze en dergelijke woorden; want gewis, die zijn niet voorgesteld met opzet om iemand die komen wil, uit te sluiten, want, nee, "ieder die wil, laat hem komen, en nemen om niet," maar veeleer om zulke vermoeide en verbroken zielen aan te moedigen, welke denken, dat zij de enigste personen zijn, die uitgesloten worden; en om ons enigermate te verklaren de natuur van het ware geloof, dat namelijk de ziel uit zichzelf moet gedreven zijn, eer zij tot Christus kan komen.

Daarom besluit ik, dat het een belachelijke en dwaze gedachte van vele Christenen is, die tegenwerpingen plegen te maken tegen het geloof, en te zeggen: indien ik zulk of zo een was, indien ik God lief had, indien ik die vruchten des Geestes had, indien ik naar de Geest wandelde, dan zou ik geloven. Helaas, hoe recht strijdig is dit tegen de condities van het Evangelie? Ik zeg: indien u uw genoegen in die voorbereiding neemt, en uit die grond tot Jezus komt, dan komt u niet dadelijk tot Hem, maar u bevestigt waarlijk uwe eigen gerechtigheid. Meent u, dat enig vroom mens, hoe heilig hij ook zij, zich aanmerkt onder zulke bevattingen van genade, wanneer hij komt om gerechtvaardigd te worden? Gewis neen; maar veeleer als een goddeloos mens, hij moet dat alles verloochenen, al bezat hij het. Daarbenevens is het onredelijk en onvoeglijk, de vruchten te zoeken eer de boom geplant is, en te weigeren de boom te planten, voor dat u er vruchten van ziet. Maar ook is het strijdig tegen de vrije en troostelijke leer van het Evangelie, dat de ziel iets anders dan zonde zoekt in zichzelf te ontdekken, eer zij zich naar Jezus Christus begeeft.

Ik zeg dan, daar moet enig gevoel van zonde zijn, anders heeft men de zonde niet recht gezien: maar een ziel heeft geen moeite te doen, om dat gevoelen van de zonde zodanig aan te merken en uit te vinden, dat ze het een beweegreden zou maken, om in Christus te geloven. Hij moet recht toe naar Christus gaan, en niet wederkeren wanneer hij gaat; hij moet, het is waar, zichzelf goed onderzoeken, maar het is niet, om zichzelf te bevinden een gevoelig en verootmoedigd zondaar, opdat hij daarin grond zou hebben om te geloven, maar opdat hij zich bevindt een verloren en vergaande zondaar, zonder alle genade en goedheid te zijn, opdat hij temeer mocht bevinden, dat hij Jezus Christus ten hoogste nodig heeft. En aldus meen ik, dat de veelvoudige twisten over voorbereidingen, of over condities, die tot het geloof voorbereiden, zouden neergelegd worden.

Maar indien nu de vraag is (gelijk dat in waarheid is) over de gronden van onze verzekering, en over de kennis van ons eigen geloof, dan is het zeker zo klaar als de middag, dat gelijk de goede boom gekend wordt door zijn vruchten, en het vuur door zijn hitte, ook alzo de inwoning van het geloof in het hart bekend wordt, door de reiniging ervan van het hart en werking door de liefde; zij maakt de mens een nieuw schepsel, zodat hij en anderen het onderscheid kunnen zien. En dit is niet tot vermindering van de eer van de vrije genade van Christus, of een bevestiging van onze eigen gerechtigheid (tenzij dat de mensen zo bevreesd zijn hun eigen gerechtigheid te bevestigen, dat zij geheel geen heiligheid willen hebben, maar die ten enenmale laten varen, uit vrees van daar op te vertrouwen, hetwelk een geneesmiddel is, dat erger is dan de ziekte;) omdat ik het geen grond maak, waarom ik bij God aangenaam zou zijn, maar alleen als een bewijs van mijn geloof in Christus, en dat ik door God ben aangenomen; dewijl het bekend is, dat deze dingen een noodzakelijke samenhechting met elkaar hebben in de Schriftuur, en het ook wel bekend is, dat het één kennelijker en lichter te bemerken is, dan het andere. Voorzeker, het boek des levens des Lams is een grote verborgenheid; en indien dit niet, waarover wij spreken, toegestaan wordt, zo zie ik niet, of de wedergeboorte en verandering van ieder zal alzo donker en verborgen zijn, als de verborgen en geheime besluiten van Gods verkiezing: want de Geest kan de een en de ander onmiddellijk openbaren. Is het een verkleining van de genade Gods, dat wij weten, wat ons vrijelijk geschonken is? Prijst het de genade niet veel meer aan wanneer een ziel zichzelf aanziet, als schoongemaakt door Zijn heerlijkheid en versierd met Zijn genade, en zichzelf verfoeit, en met walging aanziet, als in zichzelf, en zij schrijft al de eer en lof aan Hem toe? Is het niet meer tot verongelijking van de fontein en volheid van de genade in Christus, geheel niet te zien de stromen ervan, noch die aan te merken, dan te beschouwen de stromen van de genade, die uit deze fontein vloeien, als komende uit dezelve? Ik geloof, dat de Christenen kunnen genegen zijn, om een afgod en middelaars te maken van hun genaden, als zij bekeerd zijn; maar is het wel een goed geneesmiddel voor dit kwaad, dat men alle gezicht en kennis van die dingen, die ons van God geschonken zijn, laat varen? Zullen wij van de vrijheid van de genade niet spreken, omdat de verdorvenheden de genade verkeren in vleselijk vrijheid en dartelheid? Indien deze genaden in ons zijn, voorzeker het is geen deugd daarvan geen kennis te dragen, maar het is veeleer een zwakheid en duisternis. Het moet dan wezen het licht en de genade Gods, dezelve te kennen, en daaruit te besluiten, die verzekerdheid des geloofs, die niet is een opgedrongen, ongegronde en ijdele inbeelding, zonder enige redenen daarvan opgemerkt te hebben; gewis, het is de raad van de apostels, dat wij "onze verkiezing zeker maken, door onze roeping zeker te maken."

Hoe zou iemand het ondernemen die geheimen in te zien van het boek des levens des Lams, en daar zijn naam te lezen? ongetwijfeld behoren die verborgen dingen niet tot ons; zij zijn een ontoegankelijk licht, hetwelk hun meer zal bedwelmen en verdonkeren; derhalve moest een ieder, die zijn verkiezing wil weten volgens de Schrift, het afschrift en de kopie lezen van het Boek des levens, die in de harten en zielen van de uitverkorenen geschreven is. Gods gedachten zijn in Zijn werken geschreven op de harten van de mensen; Zijn verkiezing heeft daar een zegel op: "De HEERE kent degenen, die de Zijne zijn." En wie kan dit zegel openbreken? "Wie heeft de zin des Heeren verstaan?" Niemand kan het doen, tenzij de Heere Zijn gedachten in enige karakters van Zijn Geest en van het nieuwe schepsel overschrijft, in enige trekken en schetsen van Zijn beeld, opdat het bekend wordt, dat zij zijn "een brief van Christus, geschreven niet met inkt op papier, maar door de Geest des levenden Gods, niet in stenen tafelen, maar in vlezen tafelen des harten." 2 Kor. 3:3. Christus schrijft Zijn eeuwige gedachten van liefde en goedwilligheid jegens ons in deze brief. En opdat wij niet zouden denken, dat dit het schepsel verhoogt en Christus verlaagt, zo wordt er bij gedaan, vs. 5: "Niet dat wij van onszelf bekwaam zijn, iets te denken, als uit onszelf, maar onze bekwaamheid is uit God." Het zien van de genade in onszelf, doet geen nadeel aan Gods genade, tenzij wij die zagen als onafhankelijk van de fontein, en wij de rechte oorsprong ervan niet bemerkten, anderszins zien wij. dat wij geen stof tot roem hebben in onszelf.

Het is geen veilige weg, om de zon te beschouwen door recht daarnaar op te zien; want zij brengt te grote duizeling op onze zwakke ogen; u kunt ze zo niet goed zien; maar de beste weg is, dat wij de zon aanzien in het water, dan zullen wij ze gestadiger aanschouwen. Gods eeuwige liefde en de verlossing door Jezus Christus is een al te heerlijk voorwerp, dan dat het met de ogen van het vlees te beschouwen was; zulke voorwerpen moeten de geesten van de mensen verbazen, en terneer slaan door hun overklimmende glans; daarom moeten wij op de stralen van deze zon zien, zoals zij weerkaatsing in onze harten hebben, en zo de overeenkomst van onze zielen met Gods wil te beschouwen, door zijn Geest gewerkt; en dan zullen wij de gedachten van Zijn ziel naar ons weten.

Indien de mensen op de eerste vlucht zo hoog zoeken te klimmen, dat zij verzekerd willen zijn van Gods eeuwige liefde en van Christus’ dood voor hen in het bijzonder, dan kunnen zij niets meer doen, dan hun vleugelen te verzengen, en de was ervan te doen smelten. totdat zij van de hemel van hun ongegronde verzekering neervallen in een put van wanhoop. De Schriftuurlijke weg is, dat men eerst naar omlaag gaat, opdat men mag opgaan. Ga eerst neer in uzelf, en maak uw roeping zeker, en dan mag u opklimmen tot God, en maken uw verkiezing zeker; u moet door deze cirkel komen; men kan niet door een rechte lijn of rechtdoor gaan, of het moest zijn door de onmiddellijke openbaring van de Geest, welke niet gewoon noch gestadig is, en daarom mag men niet voorgeven die te hebben.

Ik beken, dat de Geest soms aan de ziel Gods gedachten naar hen over hun staat en gelegenheid, door een onmiddellijk overmachtigend getuigenis, kan bekend maken, hetwelk alle twijfelingen en tegenwerpingen doet zwijgen, en hetwelk geen ander werk of merkteken nodig heeft, om de oprechtheid en dadelijkheid van die staat te bewijzen; dat licht des Geestes zal in zijn eigen licht gezien worden, en het heeft niet nodig, dat er iemand van getuigt. De Geest Gods kan soms tot een ziel spreken: "Zoon! weest wel gemoed, uw zonden zijn u vergeven;" en het kan in de ziel inbreken als een straal, van de hemel geschoten, zonder opzicht op enig werk van de Geest op het hart, of zonder woord van de Schrift, als een middel om het toe te passen, maar dit is buitengewoner; de gewone getuigenis des Geestes is zeker samengevoegd met de getuigenis van onze eigen gewetens, Rom. 8:16. Onze gewetens geven getuigenis van het werk des Geestes in ons, hetwelk de Geest ontdekt te zijn naar het Woord; de Geest maakt ons "de dingen" bekend, "die ons geschonken zijn," doch "door geestelijke dingen met geestelijke te vergelijken." 1 Kor. 2:12,13. De vruchten in het bijzondere werk van de Heilige Geest in ons, is het middel, en het licht van de Geest bestraalt en beschijnt het, en maakt, dat de harten het duidelijk zien; want al zijn wij kinderen des lichts, zo heeft toch ons licht zoveel duisternis, dat er een bijkomend licht over moet komen, omdat licht aan ons te ontdekken. Nu, wat is dit alles voor ons? Ik vrees, dat er vele ongegronde verzekeringen onder ons zijn, en dat velen bouwen op een zandgrond, namelijk een sterke mening dat het goed met hen is, zonder enig onderzoek van hun zielen en wandel naar het Woord, doch dit zal zeker niet bestaan, wanneer de stormen zullen komen.

Sommigen leren dat niemand in twijfel behoorde te trekken of hij geloofde of niet, maar dat hij maar terstond zou geloven. Ik oordeel, dat niemand te spoedig geloven kan, het is altijd op de rechte tijd; nooit is het geloven te laat, ten opzichte van de belofte, en het is nooit te vroeg, ten opzichte van iemands staat en gelegenheid, maar ik kan niet oordelen, dat iemand geloven kan voor dat de Geest hem overtuigd heeft van zijn ongeloof; en daarom zou ik denken, dat de meeste mensen nader aan het geloof in Jezus Christus zouden zijn, indien zij wisten, dat hun geloof ontbreekt; ja het is een deel van het geloof, en van het geloof in God en op Zijn Woord, en van het zegel daar op te zetten, dat God waarachtig is, wanneer een mens zijn ongeloof en zijn natuurlijke onbekwaamheid, ja afkerigheid daarvan erkent. Ik zou denken, dat diegenen, die niet in Christus konden geloven, omdat zij eer van elkaar zochten, en Hem trachtten te doden, goed zouden gedaan hebben, dat zij die beschuldiging van Christus hadden aangenomen? En indien de mensen hun zonde op hun geweten moeten nemen, dan behoren zij hun zonde te onderzoeken en na te sporen, opdat zij die mogen uitvinden, om zich daaraan schuldig te kennen.

Ik verwonder mij, dat de Antinomianen, aangezien zij het ongeloof als de enigste zonde in de wereld stellen, de ontdekking en belijdenis daarvan niet kunnen verdragen; dus schijnt het niet, dat zij het voor zulke gruwelijke zonde rekenen. Ik beken, niemand behoorde met opzet te onthouden van in Christus te geloven, tot dat hij uitgevonden had of hij geloofd heeft of niet; maar wat er ook van geweest zij, hij is gehouden terstond het geloof in Jezus Christus te oefenen, tot Hem te vlieden, als een verloren zondaar tot een zaligmakende Middelaar. Maar dat een iegelijk zou verbonden zijn zich in het eerst te verzekeren, dat God hem heeft liefgehad, en dat Christus hem verlost heeft, dat is de hoop van de huichelaar, gelijk het web van een spin, hetwelk, zo iemand daarop leunt, niet bestaan zal; de verwachting van die mens zal vergaan, hij heeft sprankelen vuur van zichzelf aangestoken, het is wild vuur, hij wandelt niet in het ware licht van het Woord, en zo moet hij neerliggen in droefenis.

Velen van ulieden bedriegen zichzelf, en niemand kan u overreden, dat u zichzelf bedriegt, zo groot is de kracht van dat bedrog en van die droom. Het is een groot deel van de bedrieglijkheid van het hart, dat men zichzelf vleit in zijn ogen, en dat men maakt, dat men goed van zichzelf en van zijn hart denkt. Ik bid u, waagt uw zielzaligheid niet op zulke ongegronde meningen; als men de zaak nooit in twijfel stelt, dan laat men ze altijd in het onzekere. Indien u zich naar de Schrift wilde oordelen, het zou bevonden worden, dat velen van u de merktekenen hebben van degenen, die buiten de stad van toevlucht zijn gevonden, en die hun deel zullen hebben in de poel des vuurs.

Is er geen verdoemenis voor ulieden, die nooit uzelf veroordeeld hebt? Gewis, hoe afkeriger u bent van uzelf te verdoemen, hoe de verdoemenis u vaster aankleeft; u bent allen niet in Christus; zij zijn niet allen Israël die uit Israël zijn. Velen, het grootste gedeelte, zijn maar Christenen in naam, zij hebben geen ware vereniging met Christus, noch beginsel van Hem ontvangen; uw liefde, die u tot uzelf hebt, doet u licht het goede van uzelf geloven; weet, dat eigenliefde de ogen kan verblinden, en u doen inbeelden, dat God u ook lief heeft; ja een ieder kan zich al ras inbeelden, datgene te zijn, hetgeen hij begeert te zijn. Ik bid u, let er op, of u enige andere grond voor uw hoop en vertrouwen hebt, dan alleen de zodanige, die u niet altijd zullen ondersteunen. Het zou geen schade zijn, zo uw hoop terdege geschud werd, opdat u in plaats van een ijdele vermetele inbeelding, het anker van de hoop mocht hebben, die binnen het voorhangsel zal gevestigd blijven.

Ik oordeel, dat één ding de mensen ver van het Koninkrijk Gods houdt, namelijk, omdat zij niet weten, dat zij in Hem niet geloven. Wij hadden veel grond op ulieden door het Woord gewonnen, indien wij u konden overreden, dat gijlieden niet gelooft, en niet geloofd hebt van uw kindsheid af; wij konden dan tot u zeggen, gelijk Christus tot Zijn discipelen zeide: "gij gelooft in God, geloof in Mij:" gijlieden hebt aan God de Rechter en Wetgever geloof gegeven, als Hij een vloek over u uitsprak, en een vonnis, dat gijlieden wonderlijk goddeloze harten hebt; nu "geloof ook in Mij, de Verlosser." Gijlieden hebt in de Wet geloofd, zover als u zichzelf geoordeeld hebt, onder de zonde en onder de Wet te zijn, nu, geloof Mij in het Evangelie, hetwelk u een rantsoen en verlossing brengt van de toorn, en een geneesmiddel voor de zonde. Dit ongeloof is het eigenlijk, hetwelk de oorzaak is, dat de wereld vergaat: — ongeloof van wet en Evangelie. Gijlieden merkt niet op, dat u onder de verdoemenis van de Wet bent; gijlieden gelooft niet, dat u nog niet tot Jezus Christus gevloden bent, om de verdoemenis te ontgaan; en die twee dingen houden de ziel in een doodslaap, totdat het oordeel hen wakker maakt.

Maar ik wilde aan een ieder van ulieden deze besturing geven; dat niet het nalaten van het onderzoek van hetgeen u bent, u hindert in datgene, hetwelk uw voorname plicht is, en zijn voornaam gebod, namelijk: van in Hem te geloven. Ik weet dat vele Christenen bedwelmd zijn omtrent hun deel, en twijfelen daar altijd aan, omdat zij meer ingenomen zijn met hetgeen slechts een stof is van troost en blijdschap, dan met hetgeen zijn grootste eer en heerlijkheid is. Ik zeg u, het is de gewichtigste stof van het Evangelie, te letten op de dierbare beloften, te geloven de voortreffelijkheid en kracht van Jezus Christus, en Hem lief te hebben van harte, en u in Hem te verlustigen; ja, uit uzelf dagelijks tot Zijn volheid te gaan, te trachten nieuwe ontdekkingen te krijgen, van uw eigen snoodheid, en van Zijn genade, dat is het nieuw en groot gebod van het Evangelie; de gehoorzaamheid aan dat is het wezenlijkste deel van een Christelijke wandel.

Nu wederom, het is maar een stof van troost en van een tweede aangelegenheid, duidelijk te weten, dat gij gelooft, en verzekerd bent van uw deel aan Christus, daarom zeg ik, wanneer u nooit klaar kunt zijn in dit, dan behoort u zich altijd te oefenen in het eerste; want het is datgene, waartoe wij eerst geroepen zijn; en ingeval de zielen meer op die wijze geoefend waren, in de aanmerking en in het geloven, zelfs van de algemene waarheden en beloften van het Evangelie, ik twijfel niet of het licht ervan zou hun bijzonder deel daaraan, op de rechte tijd opklaren: "Deze dingen moesten gedaan, en de anderen niet nagelaten worden." Het is altijd het veiligst, dat u de vraag van uw deel ontwijkt, wanneer het u neerwerpt, omdat het u van uw bijzondere plicht aftrekt, en dat oogmerk heeft de satan daar in. Het was beter, indien u er aan twijfelt, dat u terstond geloofde en in Hem bleef, totdat het buiten onrust en twijfel gebracht werd.

 

4e Predikatie, Rom. 8:1

Die niet naar het vlees wandelen, maar naar de Geest.

Christus is ons van God geworden tot rechtvaardigheid en heiligmaking, en daarom, degenen die in Christus zijn, ontgaan niet alleen de verdoemenis, maar "zij wandelen naar de Geest en niet naar het vlees." Die twee zaken zijn de somma van het Evangelie. Er is geen grotere beweegreden, tot een heilige wandel, dan deze: er is geen verdoemenis voor u; ook is er geen groter blijk van dat een ziel de verdoemenis ontgaan is, dan het wandelen naar de Geest.

Wij hebben iets in het algemeen gesproken van het bewijs, dat een mens kan hebben van zijn staat, uit zijn wandel en uit het werk des Geestes in Hem. Nu wilden wij spreken van de samenvoeging van die twee zaken, en van de invloed, welke dat voorrecht heeft op deze plicht, en iets van de natuur van deze beschrijving, "die niet wandelen naar het vlees, maar naar de geest."

In de schepping van de mens was de mens samengesteld uit ziel en lichaam; er was een rechte orde en ondergeschiktheid tussen die, die gevoeglijk was naar hun natuur: in zijn ziel was hij de engelen boven in de hemel gelijk; in zijn lichaam was hij gelijk de beesten hier beneden; en dit deel, zijn vlees, was een dienaar voor de ziel, en werd bewogen en aangedaan naar de begeerte en beweegreden van de ziel. Maar de zonde inkomende, heeft niet alleen alle schoonheid van de schepping mismaakt, en de mens misplaatst, en hem uitgedreven van die behoorlijke lijn van ondergeschiktheid aan God zijn Maker (want wij willen God even gelijk geweest zijn), maar zij heeft ook die schone orde in de mensen omver geworpen, en die recht anders gekeerd, en gemaakt dat de knecht te paard rijdt, en de prins te voet wandelt.

Dit is de rechtvaardige straf van onze eerste zonde; Adams ziel was door de schepping alleen onder het gebod van zijn Schepper gesteld boven al de schepselen, en boven zijn eigen zinnen, maar in één zonde verhief hij zich trots boven God, en onderwierp zichzelf jammerlijk aan en onder zijn zinnen, door te luisteren naar hun overreding; hij zag dat de vrucht goed was, en hij prees het, en zij was zoet, en zo at hij er van. Wat was dit een vreemde weg! Om God gelijk te zijn, maakt hij zich ongelijk aan zichzelf, en meer gelijk aan de ellendige beesten. Nu ik zeg, dit is de verdiende straf van de mens: zijn ziel, die een vrije vorst was, is een gebonden slaaf geworden van de lusten van zijn vlees; het vlees heeft de troon ingenomen, behoudt die, en het heerst over de gehele mens.

Daarom is het, dat de gehele onherboren mens vlees genoemd wordt, alsof hij geen onsterfelijke geest had, Joh. 3:6: "Hetgeen uit vlees geboren is, dat is vlees;" en vs. 8 van dit hoofdstuk is een beschrijving van natuurlijke mensen, "die in het vlees zijnd," omdat het vlees het overheersende deel is, hetwelk des mensen rede en wil gevangen genomen heeft; ja niet alleen staan onder die naam de grovere verdorvenheden in een mens, die hun gebruik en zitplaats hebben in zijn vlees en lichaam, maar zij neemt de gehele natuur van de mens, hetgeen allervoortreffelijkst in hem is, zijn ziel en geest, zijn licht en verstand, en de zuiverste grondbeginselen van zijn wandel, die allen zijn nu maar vlees. Ja, niet alleen zulke natuurlijke gaven en verlichtingen, maar ook het licht van het Evangelie en van de Wet Gods, hetwelk enigerwijze in zijn ziel ingaat, verandert zijn natuur en naam, het is alles maar duisternis en vlees in hem, omdat het vlees over dat alles heerschappij heeft; de wolken en dampen, die van het vlees ontstaan, benevelen en verdonkeren die alle; de verdorvenheden van de ziel worden hierin zeer gesterkt en uitgelaten; de zonden worden aan het vlees natuurlijk, en zo wordt een mens door het vlees verstrikt, en aan de zonde onderworpen. Christus bevat al onze voorrechten en bekwaamheden onder dit woord: "geboren niet uit vlees en bloed," Joh. 1:13, en, "vlees en bloed heeft u deze dingen niet geopenbaard," Matth. 16:17; zelfs de uitwendigheden van de godsdienst, en al de algemene voorrechten van de Christenen kunnen vlees genoemd worden. Wat heeft Abraham verkregen naar het vlees? Rom. 4:1; Phil. 3:3, hetwelk zoveel te kennen geeft, dat al die uiterlijke voorrechten, veelvuldige verlichtingen en verbeteringen kunnen zo ver met de verdorvenheid van des mensen natuur bestaan en zich daarmee zo verenigen, dat zij een naam daarmee hebben, dat is: dat ze vlees genoemd worden; zij allen zijn niet bekwaam, om ons vlees te overwinnen, maar veeleer ons vlees overwint die alle, en maakt dat het er van gediend wordt, totdat een sterkere komt, namelijk de Geest, om het vlees ten onder te brengen, en het huis uit te werpen. Aldus is Gods beeld in de mens uitgewist; ja zelfs het beeld en de natuur van de mens als mens, is verdorven; de eerste schepping is door de zonde mismaakt en in wanorde gesteld. Nu, wanneer deze tweede schepping, de wedergeboorte, komt, dan wordt het schepsel vernieuwd, en door de krachtige Geest van Jezus Christus wederom geformeerd; deze verandering wordt er gemaakt: het vlees wordt van de troon gesteld, als een ongerechtigde, en ‘s mensen geest en ziel wordt boven het op een troon gesteld, doch wordt volgens zijn behoorlijke orde geplaatst onder een heilige en geestelijke Wet Gods; en zo is Jezus Christus de Toemaker van de bressen, en de Hersteller van de oude paden en de verwoeste plaatsen, om er in te wonen. Nu heeft de ziel een nieuwe regel gekregen, om daarnaar te werken, en nieuwe grondbeginselen, om daaruit te werken. Hij, wiens gewone wandel was naar de verdorven ingevingen en bevelen van zijn vleselijk genegenheden, en niet hoger klom dan zijn sprankels van de natuur en van verkregen licht hem wilden leiden, heeft in zich een nieuwe regel bevestigd gekregen: de Geest sprekende in het Woord tot hem, en hem zijn weg aanwijzende; en daar is een nieuw grondbeginsel: die Geest, hem leidende in alle waarheid, en hem levendmakende om in de waarheid te wandelen.

Nu dit is de volmaakte vrijheid van de ziel: verlost te zijn van onder de heerschappij van de zonde en van de begeerlijkheden, en dus maakt de Zoon de Zijnen waarlijk vrij door de vrijmoedige Geest. De Zoon was tot een dienstknecht gemaakt, opdat wij zouden vrij worden, en niet meer dienstknechten van de zonde in de begeerlijkheden ervan; en alwaar de Geest des Heeren komt daar is vrijheid: daar wordt de geest, de redelijk ziel des mensen, verheven tot haar eerst aangeboren waardigheid; daar wordt het lage vlees van de troon gesteld en daartoe gebracht, dat het de geest en ziel in de mens dient.

Christus is waarlijk de grootste vriend van de mensen, voor zoveel zij mensen zijn: de zonde maakt ons beesten. Christus maakt ons mensen. Ongelovigen zijn onredelijke mensen, beestachtig, ja enigerwijze beesten; dat is een gewone benoeming in de Schriftuur; het geloof maakt een mens redelijk, het geeft een zaligmakend en geheiligd gebruik van de rede. Het is een schande voor ieder mens, een slaaf van zijn lusten en hartstochten te zijn; het is het merkteken van een beest op hem: hij die geleid wordt door zijn zinnen en hartstochten, is ontaard van de menselijke natuur, en nochtans zijn allen die buiten Christus zijn de zodanigen; de zonde heerst in hen, en het vlees heerst, doch de grondbeginsels van licht en rede binnen in de mens zijn gevangen gehouden, en in een hoek van zijn hart gekerkerd. Wij zien, dat de algemene aangenomen waarheden onder de mensen, van dat er een God is, dat Hij heilig, rechtvaardig en goed is, dat er een hemel en hel is, ten enenmale krachteloos zijn, en geen invloed hebben op de wandel van de mens, even weinig alsof ze niet bekend waren, en dat vanwege de waarheid in ongerechtigheid ten onder gehouden wordt. De verdorvenheden van het vlees van de mens zijn zo weelderig, dat ze al dit zaad van de waarheid overgroeien en verstikken, gelijk de doornen het zaad deden, Matth. 13:7.

Wat ulieden belangt, die geroepen bent van Jezus Christus! o weet, waartoe u geroepen bent; het is waarlijk een vrijheid, een waarachtig voorrecht, u bent niet meer schuldenaars aan het vlees; Christus heeft die verbintenis van slaafse dienstbaarheid daaraan losgemaakt. O! laat het u een schaamte zijn, die Christenen bent, dat u ooit zo zoudt wandelen, en dat gij ooit meer verstrikt zoudt worden in dat juk van de dienstbaarheid: "hij die over zijn geest heerst, is groter dan de sterke, ja dan hij, die een stad inneemt." Dus zijn wij geroepen, om meer dan overwinnaars te zijn. Anderen wanneer zij de wereld overwinnen, zijn slaven van hun eigen begeerlijkheden. maar laat het ver van u zijn zodanig te wezen; gijlieden behoort uzelf te overwinnen, hetwelk meer is dan de wereld te overwinnen; het is niet alleen voor een Christen onbetamelijk, dat hij door zijn lusten en begeerlijkheden geleid zou worden, maar het is beneden een mens, indien maar de mensen door de zonde, niet waren beneden de beesten. Ik bid u, staat er naar, en houdt vast de vrijheid, die Christus voor u verkregen heeft; schikt u niet meer naar de vorige begeerlijkheden, weet, dat u mensen bent, dat u een redelijke en onsterfelijke geest in u hebt! Waarom wilt u dan wandelen gelijk beesten? Verstaat dit, o onredelijken! en u zotten! wanneer zult u wijs worden? Maar ik zeg nog meer: weet, dat u Christenen bent, en dat is meer, dan een mens te zijn, het is een Goddelijk mens te zijn: iemand die van de Goddelijke natuur deelachtig is, en die dan ook zo wandelen moet. Christenen zijn geroepen tot een nieuwe wijze van wandelen; en dat wandelen in een vrucht, die uit de wortel des geloofs komt, waardoor zij in Christus ingeplant zijn.

Gij ziet, deze dingen stemmen wel samen overeen; "degenen, die in Christus Jezus zijn, wandelen niet naar het vlees," etc. Wandelen naar het vlees is de gewone wandel van de wereld, die buiten Christus en zonder God is. Maar Christus geeft geen ruimte tot zo’n wandel. In Christus te zijn, is een nieuwe natuur, en daarom moet zij nieuwe werkingen hebben, namelijk, te "wandelen naar de geest." Terwijl wij op de wandel van het merendeel van de mensen zien, kunnen zij ons verstrekken tot een uitlegging, om de woorden te verklaren, wat het is, te wandelen naar het vlees. "De werken van het vlees (zegt de apostel Gal. 6:19,) zijn openbaar;" en waarlijk zij zijn klaarblijkelijk, omdat ze in grote letters geschreven zijn op de buitenste zijde van velen in de zichtbare kerk, zodat zij die voorbij lopen, ze lezen kunnen; leest maar dat register bij Paulus, Gal. 6, en komt en ziet dezelve dan in de gemeente. Het is geen twijfelachtige en niet te onderkennen zaak, dat velen nog buiten de vrijstad zijn; u kunt het merk op hun voorhoofd zien. Is niet dronkenschap, die zo gemeen is, een tastelijke blijk daar van? alzo is uw nijdigheid, smading, toorn, tweedracht, oproerigheid, hoererij, en dergelijke.

Och bedriegt uzelf niet, daar is geen plaats in Jezus Christus voor zulke onreinheden en goddeloosheden. Binnen deze stad en in dit Koninkrijk wordt geen zonde geduld; het is waar, zondaars krijgen hier vergeving, ja zij worden ontvangen en verwelkomd; dronkaards, onkuise mensen, enz., worden niet uitgesloten, dat zij in deze stad niet zouden mogen gaan; maar dit is er van: zij moeten deze begeerlijkheden verlaten, indien zij hier willen verblijven. Christus wil ze beide niet behouden, of hij moet die zonde uitwerpen, of de zondaar met de zonde, indien hij er niet van scheiden wil. Ik bid u, neemt kennis, waarnaar u wandelt; het vlees is uw leidsman; en waar zal het naar toe leiden? Och het is droevig, daaraan te denken, het is tot het verderf, vs. 23: "Indien gij naar het vlees leeft, zo zult gij sterven." Gij meent dat het vlees uw grote vriend is; gij doet al wat u kunt, om het genoegen te geven en te behagen. En hoe vermakelijk is u de inwilliging van het vlees? Gij meent, het is vrijheid het vlees te volgen, en ai, acht het banden en koorden, daarvan weerhouden te worden. Maar och! weet en merk, dat vlees zal u a afleiden van het Koninkrijk; die leidsman op uw weg, aan wie u zich overgegeven hebt, zal u van de hemel afleiden, Gal. 5:21; het is een blinde leidsman; verdorvenheid, eigen zin en eigen wil, hebben geen ogen, om die put van eeuwige ellende te onderkennen: zij kiezen de weg die het meest betreden is, die lichtst is, en daar de meesten op wandelen, en dat zal u zeker recht toe in die put van de duisternis leiden.

Laat u afroepen van deze weg, van het opvolgen van blinde lusten, en laat ze liever gekruist worden; wreekt uzelf daarover wegens uw twee ogen, die zij u uitgestoken hebben, en wegens hun verraderlijk handelen met u, in u te leiden op de hoge weg naar het verderf.

Komt in tot Christus Jezus, en u zult een nieuwe leidsman krijgen: de Geest, Die zal u in alle waarheid leiden, tot het zalige en eeuwige leven. Christus is de weg, waar wij op moeten wandelen, en het leven, daar wij op het einde van onze weg moeten ingaan, en de waarheid, naar welke wij moeten wandelen. Nu, Hij heeft Zijn Geest, de Trooster, gegeven, om onze Leidsman op deze weg te zijn, naar deze regel en dit voorbeeld tot het leven. Met één woord, de Geest zal u rechtuit tot Christus leiden, u zult in Hem beginnen en in Hem eindigen; Hij zal u leiden van genade tot de heerlijkheid. De Geest, Die van de hemel afkwam, zal u terug naar de hemel leiden. Al uw wandel is binnen het bestek van Christus, buiten Hem is er geen weg ten hemel.

Maar wij moeten dit zo grof niet nemen, alsof het wandelen naar het vlees niets anders was, dan de grove gruwelen onder de mensen; hoewel ook die een groot getal zullen uitmaken, van die niet in Christus Jezus zijn. Maar het moet verder uitgebreid worden tot de bewegingen en genegenheden van de onvernieuwde geest, en tot de algemene grondbeginsels, naar welke wij leven. En daarom noemt de apostel vele dingen onder de werken van het vlees, en leden van de oude mens, (Gal. 5. Col. 3.) welke ik twijfel of velen daar wel onder rekenen zouden: zoals sommige natuurlijke hartstochten, die wij niets achten, omdat zij algemeen zijn, gelijk toorn, gramschap, gierigheid. Welk mens is onder ons, in wie niet enige van de genoemde zich bewegen? De harten en ogen van velen van ulieden zijn genegen tot geldgierigheid; uw zielen buigen neerwaarts, gelijk uw lichamen doen, en veeltijds eerder dan uw lichamen. Is niet het hart van de mensen op deze wereld gezet, en het kan zich niet naar boven opheffen tot een schat in de hemel? En daarom hebben uw beroepen, zijnde anderszins wettig, en uw moeiten en pogingen in daarin, dit zegel van het vlees op hen gestempeld, en zij worden niet anders bij God gerekend.

Wij zien hoe weelderig de verdorvenheden van de mensen opschieten, de toorn in hen heerschappij voerende, en hen menigmaal gevangen leidende, en dit wordt als een lichte zaak gerekend; maar zo wordt het in de Schrift niet geacht. Hoe menigmaal wordt het voor dwaasheid gebrandmerkt door de wijze man? En deze dwaasheid is de natuurlijke, vleselijke verdorvenheid zelf, waarmede de mensen geboren zijn. In hoeveel mensen komt het tot de hoogte van boosheid, haat en andere verdorvenheden? Dan draagt het eerder de naam van duivel, dan van menselijke zwakheid.

En indien wij al stellen, dat een mens niet veel tot een van deze genegen is, nochtans, wat een geest van hoogmoed en eigenliefde is er in een ieder mens, zelfs in degenen, die het laagste zeil voeren, en zich onder de mensen het geringste aanstellen; degenen, die vriendelijk en beleefd zijn, en degenen, die zich schijnen te buigen naar hen die lager zijn of even gelijk; nochtans, helaas! dit kwaad is zeer diep in de mens gegraveerd. Zo iemand maar over zijn hart kon waken, en letten op de verborgen inkeringen ervan, op al de vergelijkingen, die het maakt, op al de begeerten naar toejuiching en gunst onder de mensen, op al de nadenkingen en opwekkingen van de geest over een belediging, o! wat zou hij duivelse hoogmoed ontdekken; die zonde is meer natuurlijk en ingeboren, omdat het onze moederzonde is, die ons van onze voortreffelijkheid beroofde; dit onkruid groeit op een glazen venster, en op een mesthoop; het woont in paleizen, en in arme hutten; ja het zal ontstaan en opgroeien uit een voorgewende nederigheid en lage gedraging. Met één woord, de eerzuchtige oogmerken van de mensen, de wijde begeerte naar aardse dingen, de laatdunkende gedachten van onszelf en liefde tot onszelf, de opkomst van onze hartstochten zonder een regel te houden op ongeoorloofde voorwerpen, of op een ongeoorloofde wijze, die allen zijn aan de mensen algemeen, en de mensen wandelen ernaar. Een ieder heeft enige overheersende zonde of afgod, die hem meest bezig houdt: sommigen zijn fijner en geslepener dan anderen, sommigen hebben het in de vermakelijkheden en winsten buiten hen, anderen in hun bekwaamheden binnen in hen; maar beiden zijn ze voor God even hatelijk, en beiden zijn ze voor Hem zinnelijk vlees en verdorvenheid.

Er zijn twee dwalingen onder de mensen, aangaande de geestelijke wandel: de ene is de lering van sommige in deze dagen; de andere is de practicale dwaling van velen van ons

Velen, die voorgeven enige ontdekkingen te hebben, die hoog en van nabij zijn, en dat aangaande Christus en de Geest, zijn gevallen op het meest gezuiverde en vergeestelijkt vlees, in plaats van waarlijk de Geest te hebben; ze scheiden de Geest van het Woord, en ze rekenen het Woord en de Wet Gods, die een lamp was voor Davids voeten, onder de vleselijke eerste beginselen van de wereld; maar "indien zij niet spreken naar de wet en naar de getuigenis," zegt Jesaja, "het is, omdat er geen licht in hen is." Dus is hun nieuw licht maar een oude duisternis, welke zelfs het donkere licht van de profeten niet kon verdragen. Indien zij niet spreken naar dit woord, het is omdat er geen geest in hen is; hun geest is niet de Geest, de Trooster, welke Christus beloofde te zenden over de apostelen, en over allen, die door het Woord geloven zouden in Zijn Naam, want die Geest was "een Geest der waarheid, Die in alle waarheid zou leiden;" en opdat niemand zijn eigen inbeeldingen aan de Geest Gods zou toeschrijven, voegt Christus er bij: "Hij zal u alle dingen weer in gedachtenis brengen," dat zijn deze dingen, die Christus heeft gesproken, en die wij hier in schrift hebben. De heilige apostel Paulus, Col. 3, als hij de werken van het vlees bestraft en verklaart, dat de gelovigen die afgelegd hebben, prijst hun aan, in tegenstelling ervan: "het woord van Christus wone rijkelijk in u, in alle wijsheid. Leert en vermaant elkander met Psalmen, en lofzangen, en geestelijke liederen, zingende de Heere met aangenaamheid in uw hart." vs. 16. Hier is de Geest, niet die het Woord uitbrengt, maar die het overvloedig inbrengt, en daarmee liefelijk overeen komt. De Geest, Die Christus zond, stelde de mensen niet boven de ingestelde middelen, maar boven de verdorvenheden, en boven het lichaam des doods in hen. Het is een slechte en lichte overwinning, de genade en de middelen van de genade onder de voet te krijgen; ieder slaaf van de duivel doet dat, maar ik vrees, dat gelijk de mensen en engelen vervielen van hun waardigheid, door hoger te willen worden, zo ook deze, die niet tevreden willen zijn met de staat van Christus en zijn apostelen, maar hoger willen vliegen in de Geest, en die de predikdienst en de bediening des Geestes met voeten treden als vleselijk, — ik vrees, zeg ik, dat ze van Jezus Christus afvallen, en tot groter verdoemenis komen.

Het is wel waar, "de letter doodt," 2 Kor. 3:6, dat is, het verbond der werken predikt nu niets dan verdoemenis aan de mensen, maar de Geest van het Evangelie geeft het leven; ja ook zelfs het Evangelie, afgescheiden van de Geest des levens in Christus Jezus, is maar een reuk des doods voor de zielen. Zullen wij dan de Geest afscheiden van het Evangelie en van het Woord, omdat het Woord alleen ons niet levend kan maken? David wist hoe hij deze twee zaken verenigen zou: "maak mij levend o Heere! naar uw woord." Ps. 119:25. "Uw goede Geest leide mij in een effen land; o HEERE! maakt mij levend." Ps. 143:10,11. Het Woord was zijn regel, en de Geest paste die regel aan zijn ziel toe. Het Woord stelt ons voor het tegenwoordige Voorbeeld, waaraan wij gelijkvormig moeten zijn; nu indien er niet meer was, dan kon een mens al zijn dagen daar op zien, en evenwel niet veranderd worden; maar de Geest hervormt en verandert de ziel van de mens tot meerdere gelijkvormigheid aan dit voorbeeld, door op het te zien. Indien iemand zijn ogen zou sluiten omtrent het voorbeeld, dan kan hij niet weten wat hij is en behoort te zijn; zo hij alleen op het werk des Geestes binnen in hem ziet, en dat tot zijn regel maakt, neemt hij een onvolmaakte regel en een onvolkomen kopie; nochtans dit zou het hoogste zijn, waartoe deze zouden komen, die zo naar nieuw licht staan: zij hebben het Woord als hun regel verlaten en in plaats daarvan hebben zij een andere wet binnen in hen, zoveel als reeds geschreven is in hun harten, hetwelk in de hoofdzaak dit is, (gelijk zij denken): ik ben niet verbonden meer te doen, dan ik reeds krachten heb om te doen; ik moet niet streven naar meer heiligheid, dan ik reeds heb. Deze mensen zijn hier in hun eigen begrip waarlijk volmaakt, zij kennen niet ten dele en geloven niet ten dele, omdat zij gekomen zijn tot betrachting van hun wet en regel; doch hun regel is geen volmaakte regel. Met Paulus was het anders, welke vergetende hetgeen achter hem was, en gedurig zocht verder te komen.

Mijn broeders! laat ons niet iedere geest en iedere leer geloven, die onder de naam van geest tot ons komt. Christus heeft ons tevoren gewaarschuwd; laat ons bidden om meer van die Geest, die het Woord aan ons en onszelf levend kan maken, om het Woord te gehoorzamen Daar moet een onderlinge levendmaking zijn: het Woord moet gemaakt worden tot de bediening des levens, door de Geest van Jezus, Die het kan gebruiken als een zwaard, om de ziel en geest te verdelen, en wij moeten levend gemaakt worden tot de gehoorzaamheid aan de waarheid, in het Woord. Het Woord is het onverderfelijke zaad; maar het kan ons niet wederbaren, of een beginsel van een nieuw leven binnen in ons zijn, tenzij de levendmakende Geest daarmee in onze harten komt. Weet dat het Woord uw voorbeeld en regel is, de Geest uw Leider en Helper, Wiens invloed en kracht u aan die regel gelijkvormig moet maken. Petrus voegt deze twee samen: de zuivering en reiniging van de ziel in de gehoorzaamheid van de waarheid door de Geest. 1 Petr. 1:12. Christus schrijft de reiniging aan het Woord toe:" Gijlieden zijt rein door het Woord, dat Ik tot u gesproken heb." Joh. 15:3. Petrus schrijft het aan de Geest toe, als werken naar het voorbeeld van de waarheid.

Het is waar, de Geest Gods heeft geen voorbeeld nodig, om er naar te zien. Doch wij moeten het hebben, en ons oog daarop slaan, anders onderkennen wij de Geest der waarheid niet van de leugen en bedrog; wij kunnen de geesten niet beproeven, dan door deze regel. En het is door ons gestadig te doen zien op dat heerlijke voorbeeld in het Woord, en op het voorbeeld van het leven van Jezus Christus, dat wij Christus gelijkvormig worden, "als door des Heeren Geest." 2 Kor. 3:18. Gewis het moet een vleselijke wandeling zijn, waardoor men veeleer aan de inbeeldingen van zijn eigen hart gelijkvormig wordt, dan aan de gezegenden wil van God, in Zijn Woord geopenbaard. Kan zo’n wandel God behagen, wanneer een mens niet zoveel wil doen, dat hij luistert naar wat Gods wil en welbehagen is? Gelijk andere ketterijen, zo is ook deze een werk van het vlees.

Nu, er is een ander grondbeginsel in velen van ons. Wij achten het een geestelijken wandel, afgescheiden te zijn van de grove besmettingen van de wereld, en een onberispelijk gedrag voor de mensen te hebben; dit is het begrip, dat velen daarvan maken in hun inbeelding. Laat u niet bedriegen; u kunt de berisping van allen ontgaan, en onberispelijk onder hen zijn, en nochtans niet anders dan wandelen naar het vlees. Hetgeen u voor de wereld bent, dat is niet hetgeen u kan bewijzen geestelijke mensen te zijn, hoewel het bewijzen kan, dat er van ulieden vleselijk zijn; ja gewis, uw buitenste zijde kan van velen van u bewijzen dat u naar het vlees wandelt, en indien u het niet wilt geloven, vraag ik u, of gij denkt dat dronken drinken, wandelen naar de Geest is? Meent u, dat gij de Geest Gods volgt in onkuisheid? Is het niet die Heilige Geest, die van alle vuilheid zuivert? Zie maar naar uw wandel, u die niet zo ver komt, dat u aan de letter van het Woord in enige zaak gelijkvormig bent, u die geen werk maakt van de Schrift te lezen en daarover te peinzen. Is dit wandelen naar de Geest der waarheid? Indien dronkenschap, spotten, twisten, toornigheid, nijdigheid en dergelijke, de weg des Geestes is, dan beken ik dat velen van ulieden naar deze geest wandelen; maar als deze de openbare werken van het vlees zij, en zij klaarblijkelijk uw weg en uw werk zijn, waarom droomt u dan dat u Christenen bent?

Veronderstel nu, dat u van geen van deze uiterlijke dingen beschuldigt kon worden; dat u een gedaante van godzaligheid en godsdienstigheid hebt, nochtans zeg ik, al wat zichtbaar is voor de mensen, kan niet bewijzen, dat u geestelijke wandelaars bent. Bedenkt, het is een Geest, naar welke u moet wandelen. Nu, wat zal dan hier de voorname werker zijn? Gewis niet het lichaam; — wat voor gemeenschap kan uw lichaam hebben met Hem, die een Geest is? Het is waar, het lichaam kan die eeuwige Geest dienen, bewogen zijnde door de Geest, maar ik zeg, dat alleen kan nooit bewijzen, da u Christenen bent; zo moeten wij dan hier een getal van belijders terzijde stellen, die geen andere gronden van vertrouwen hebben dan zulke dingen, die van de mensen gezien kunnen worden. Doch indien zij in hun hart wilden inkeren, hoeveel ijdele gedachten herbergen daar? Hoe weinig is daar van God? God is bijna nooit in hun gedachten; zij geven Hem enige morgen- en avondgroeten; maar de ganse dag denken zij niet meer aan God. Is dit wandelen naar de Geest, hetwelk immers een gestadigheid te kennen geeft! En welk deel zou het meest voor God gespaard kunnen worden, dan de geest van een mens? Het lichaam is met andere noodwendige dingen bezig, maar wij moesten altijd onze zielen voor God sparen. Aldus behoort een mens dat gebod te gehoorzamen: "bid zonder ophouden." Het is onmogelijk, dat hij niets anders dan in een uitdrukkelijke formele wijze zou doen dan bidden, maar het wandelen van de ziel met God, tussen de tijden van bidden, zou dat vergoeden; en alzo wordt het gebed achtervolgd, hoewel niet in zichzelf, nochtans in het denken aan God, hetwelk in zich bevat het zaad van alle godsdienst, en is in nadruk bidden en danken, en alle plichten.

Laat ons dan opmerken, indien onze lichamen niet meer geoefend worden in de godsdienst dan onze zielen, ja, indien zij niet de voornaamste werkers zijn, hoe vele ongeregeldheden, afzwervingen en afdwalingen zijn er dan doorgaans in het merendeel van onze wandel, indien dezelve niet onheilig is, dan is hij ijdel, dat is: onnut in de wereld, hij maakt ons niet geestelijker noch verheerlijkt God, en is bijna nergens toe dienende; en dit is genoeg, om het geheel vlees te maken. En wat onze gedachten aangaan, hoe gaan die onbepaald en zonder inbinding, gelijk een woudezel, die zijn wegen kruist, men ziet her- en derwaarts, ja op alles, behalve op God. Indien het een geestelijke dienst is, behoort dezelve dan niet het zegel van onze geest en genegenheid op zich te dragen? Helaas! Velen zijn als zo vele schaduwen, zij wandelen als schilderijen en beeltenissen van Christenen, zonder de ziel en het leven ervan, welke bestaat in de geschiktheid en de heenwending van de geest en de ziel tot God.

 

5e Predikatie, Rom. 8:1

Die niet naar het vlees wandelen, maar naar den Geest.

Het is geen wonder, dat wij omtrent deze stof niet recht kunnen spreken, en dat u niet met vrucht kunt horen; omdat zij in waarheid een verborgenheid is voor ons oordeel, en een grote vreemdeling voor onze praktijk. Er is zo weinig van de Geest, beide, in de leraars en in hen die komen om geleerd te worden, dat wij daarvan niet kunnen spreken, dan als van een onbekende zaak, en wij het u niet kunnen bekend maken in het levendige begrip, zoals het is. Alleen kunnen wij in het algemeen zeggen: het is zeker iets Goddelijks, en iets anders, dan onze gewone en godsdienstige wandel. Wij hebben weinig ervaring, en zouden wij het daarvan weten? Maar zoveel behoorden wij ervan te weten, dat het iets anders is, dan hetgeen wij verkregen hebben; het is boven ons verheven, en toch iets zodanigs, dat wij geroepen worden daarnaar te staan.

Behoorde het niet een heilig vuur van eerzucht in ons te verwekken, om zo’n zaak te bekomen, wanneer wij horen, dat het te verkrijgen is? Wanneer Christus ons tot zich roept, opdat wij met Hem mogen wandelen! Ik wil, dat de Christenen lieden zullen zijn van grote en hoge betekenis en besluiten, van hoge en onbepaalde begeerten, niet vergenoegd zijnde met hetgeen zij verkregen hebben, maar steeds hijgende naar meerdere gelijkvormigheid met Gods wil. naar meer wandelen naar de Geest, naar meerdere afscheiding van de loop van de wereld; en dat is waarlijk van een Goddelijke geest te zijn; de Goddelijke natuur is hier, als het ware, in een staat van geweld, buiten haar element; doch hierdoor wordt zij gekend, indien zij zich steeds naar boven beweegt, geen rust nemende in deze plaats en in deze mate en trap, maar gedurig in beweging naar haar eigen middelpunt, naar God, Zijn heiligheid en Zijn Geest.

Wij zouden graag een weinig spreken over deze drie zaken. 1. Van de natuur van deze geestelijke wandeling. 2. Van de samenknoping en vereniging ervan met die zalige staat van geen verdoemenis. 3. Van de orde hiervan, hoe het voortvloeit van dat een mens één plant geworden is met Christus Jezus; welke drie zaken in de woorden op te merken zijn.

Deze geestelijke wandeling is, vooreerst, naar een geestelijke regel, uit geestelijke grondbeginselen, tot geestelijke einden. Als deze recht bevestigd zijn, dan is deze wandel de beweging van een Christen binnen het bestek van dezelve; hij is naar het Woord als de heilige regel, hij is uit geloof en liefde tot Jezus Christus, als de overheersende grondbeginselen; ja hij is van de Geest Jezus, levende in het hart door het geloof, en wonende daarin door de liefde, als het eerste rad van deze beweging; en gelijk die wandel in de Geest begint, zo eindigt hij daar in de eer van Jezus Christus en van onze hemelse Vader.

Let hier dan op: het is geen losse, ongeregelde wandel; hij is naar de regel, en de regel is volmaakt, het is een beweging naar de volmaaktheid toe, en niet een rust in hetgeen nu al verkregen is. De loopbaan van deze wereld is de weg en regel van de kinderen van de ongehoorzaamheid; Ef. 2:2; daar is wel een geest die in hen werkt, en een regel naar welke die werkt, maar die geest is de boze geest, recht strijdig tegen de Heilige Geest Gods, en u kunt weten welke geest het is, die er werkt, door de weg waarlangs hij de mensen leidt, de brede weg, die gebaand en betreden wordt door vele reizigers; het is des konings hoge weg, de algemene weg, alwaar het merendeel op wandelt, zoals hun geburen en gelijk de grote menigte doet. Maar die koning is de overste van deze wereld, de satan, die de ogen van velen verblindt, opdat zij die put van hun ellende voor zich niet zouden zien, tot welke die weg hen leidt.

Een Christen moet een soort van zonderlingheid hebben, niet in denkbeelden, maar veeleer in de praktijk, namelijk, dat hij heiliger is en gespeender wandelt van de droesem van de wereldse besmetting; dit is een Goddelijke zonderlingheid en afgezonderdheid. Gewis, de mensen mogen zich wel verdacht houden, die zich van de vromen in gevoelens afscheiden, en zij hebben reden, om nog meer jaloers over zichzelf te zijn, als zij zich ergeren en stoten aan de rechtvaardigen, maar indien de poging, strijd en oogmerk van de vromen waren, omdat zij de grote menigte, ja de menigte van de belijders zeer ongelijk te zijn in de genegenheid en praktijk van heiligheid, nederigheid en geestelijken wandel, ik oordeel, dat dit een te prijzen, hoewel een zonderlinge weg zou zijn. De mensen mogen staan naar zulk een groot verschil van wandel en praktijk van anderen als mogelijk is, indien er slechts een uitstrekking zij naar meerdere gelijkvormigheid met het Woord, zijnde de regel van alle praktijk: "de Wet is geestelijk en heilig," zegt Paulus, maar "ik ben vleselijk."

Dit was een geestelijke wandeling, wanneer wij die voortreffelijke geestelijke regel voor ogen stelden, opdat wij, die vleselijk zijn, van gedaante mochten veranderen, en gevormd worden tot meerdere gelijkheid aan die heilige en geestelijke wet. Indien een mens niet een onvolmaakter regel van zijn eigen inbeelding voor ogen had, hij zou niet zo tevreden zijn met hetgeen hij reeds verkregen had, maar hij zou met Paulus vergeten wat achter is, en steeds zich verder uitstrekken naar hetgeen voor is, omdat er zo’n grote lengte voor ons is, welke al onze voortgang als verzwelgen kan:—dit zou de beweging gestadig en uitgestrekt maken; nooit zou dan een mens zeggen: "Meester, het is goed dat wij hier zijn; laat ons tabernakelen maken;" neen gewis, want men zou zien, dat de woonplaats en rust daar boven is. Zolang een mens zoveel aan zijn weg had te volbrengen, zou hij niet neerzitten bij hetgeen hij al afgedaan en verkregen heeft, hij zou zich bij anderen niet vergelijken, noch zich boven anderen verheffen; en waarom niet? Omdat er steeds een grotere afstand tussen hem en zijn regel is, dan tussen hem en dengenen die allertraagst wandelt. Dit maakte Paulus gevoeliger omtrent een lichaam des doods, Rom. 7, dan wel veel geringere Christenen zijn. Het terugzien naar hetgeen men verkregen heeft, en vergelijking maken met anderen, hetwelk zo dikwijls het werk van onze geesten is, is achterwaarts gaan, het vordert niet op de weg, maar het verslijt tijd, het is een teruglopen, daar wij gedurig rechtuit moesten gaan.

Ik bid u, Christenen! let op wat u doet, indien u in waarheid wilt tonen, dat u Christenen bent, en ik weet niet hoe u het beter kunt doen blijken, dan door Zijn Woord en Zijn geboden te eren en te schatten als uitnemend wijd en dierbaar, en dat er geen einde is aan de volmaaktheid ervan. Het Woord wordt in het gevoelen van velen laag gesteld, maar het wordt ook in de praktijk van de meesten al zo weinig geacht, gewis er is weinig van God, waar dit Woord niet wordt geëerd en groot gemaakt; daar moet duisternis op die weg zijn waar deze kaars, die voor Davids voeten een lamp was, niet schijnt. Sommigen beroven Gods vrijheid, maar zelf zijn zij dienstknechten van de verdorvenheid. Het is geen vrijheid, boven alle wet en regel te zijn; het was de vrijheid van Adam in zijn volmaaktheid, eenswillend te zijn met een heilig en rechtvaardig gebod; Ja, dit was zijn sieraad. De Geest geeft wel vrijheid waar Hij is, maar dit is een vrijheid van onze zonden en verdorvenheden, niet tot de zonden; zij maakt de ketenen van de verdorven begeerlijkheden van de mens van hem los, om op de weg van Zijn geboden vrij te wandelen; de Geest verwijdt het hart van de gevangenen, en dan loopt hij toch niet in het wilde, maar in de weg van Zijn geboden, Ps. 119:32. Het was onze dienstbaarheid te zijn als de wilde ezels, onze wegen verdraaiende en veranderende, te haken naar buiten, her en derwaarts. Nu, hier is de vrijheid van de Geest, ons te brengen op de weg, en die weg is maar een.

Laat ons dan dit ene grondbeginsel leren: het Woord moet de regel zijn van onze wandel, zowel in onze gewone als in de godsdienstige daden. Helaas! Het is geen geestelijk wandelen, als wij onze godsdienstigheid bepalen tot enige godsdienstige plichten; gedenkt eraan, het is een wandel, een gedurig achtereenvolgende zaak, zonder afbreking tussenbeide, derhalve behoort uw gehele wandel te zijn, als zoveel stappen, voortgaande naar de hemel. Uw beweging moest niet zijn alleen te beginnen als u gaat aan het bidden, aan het lezen, of horen, gelijk vele mensen doen: zij hebben een geheel verscheidene weg en bestaan, als zij uit hun burgerlijke beroepingen stappen in de godsdienstige inzettingen en betrachtingen. Maar Christenen! Uw beweging behoorde als een draad te zijn, voortgaande in uw eten, drinken, slapen, en werken in uw beroepingen, opdat wanneer u komt te bidden, of te lezen, u maar kunt voort stappen op de weg, uit een duisterder pad in een veel gebaander weg.

Bedenk, dat dit woord u kan volkomen maken tot zaligheid. Het is een grondbeginsel in de harten van het volk, hetwelk nu door velen geuit wordt: dat het woord niet betreft hun bijzondere gedragingen en omgang in burgerlijke zaken; die dingen stelt men te zijn buiten het bereik en de omtrek van het Woord; terwijl men de leraars gewoonlijk tegenspreekt, met te zeggen: bemoeit u zich met het Woord en met geestelijke zaken; en niet met onze zaken. Waarlijk, ik oordeel, indien wij deze dingen van het Woord scheiden, en zulke werkingen en bezigheden buiten het hof of de vierschaar van de geweten gesloten worden, dan zullen wij ras alle godsdienstigheid van zulke daden weren: want geweten, godsdienst en het Woord zijn even wijd van macht. Daarom bid ik een ieder van ulieden, neemt het Woord tot regel en bestuur van uw beroep en wandel onder de mensen; strekt het Woord uit tot al uwe daden, opdat u in al deze als Christenen mag handelen, zowel als mensen. Het is gewisselijk de ongebondenheid van ‘s mensen geest, welke niet kan verdragen, dat het Woord toegepast wordt op hun bijzondere daden, handel en wandel.

Nu ten andere, deze geestelijke wandel komt voort uit geestelijke grondbeginsels. Het is zeker, dat het de Geest van Jezus Christus is, in Wie wij op een geestelijke wijze leven, ons bewegen, en ons bestaan hebben; zonder Hem kunnen wij niets doen, en daarom behoren de Christenen met zo’n ondergeschiktheid en afhanging van Hem te leven, alsof zij enkel instrumenten en lijdende werktuigen waren in zijn hand, hoewel ik oordeel, dat ze ten opzichte van pogende werkzaamheid zich behoorden op te wekken en alle vlijt aan te wenden, alsof zij onafhankelijk van de Geest werkten. Maar ten opzichte van de verloochening van zichzelf en van de afhanging van de Geest, behoorde een ieder te werk te gaan, alsof hij geheel met al niet werkte maar de Geest alleen in hem werkte.

Dit is de godgeleerdheid van Paulus; "Ik heb," zegt hij, "meer gearbeid dan zij allen, doch niet ik, maar de genade Gods, die met mij is; ik leef, doch niet meer ik, maar Christus leeft in mij." O! welk een moeilijke zaak is het, die twee in de praktijk van de Christenen met elkaar verenigd te houden! Nochtans zo zij niet samen zijn, kunnen zij niet dadelijk aanwezig zijn.

Het is gewis een van de grootste verborgenheden van het Christendom, onze macht en werkzaamheid van een ander te halen, op onszelf en op ons werk te zien als hetgeen tot niets nut is, als ledige wijnstokken, en dat niettegenstaande al de ingestorte en verkregen grondbeginselen. Wat wij ook behoren te doen, naar onze staat te oordelen en te onderkennen, ben ik toch verzekerd, dat de Christenen in de beoefening en praktijk van de godzaligheid, zichzelf behoorden aan te zien, als zonder enig grondbeginsel in zichzelf, om te doen of te denken; "niet dat wij uit onszelf bekwaam zijn iets te denken," zegt Paulus. De vorderende en groeiende Christen, behoort zo weinig op zijn genegenheden en hebbelijkheden te zien, alsof hij er geen had, hij heeft zich te beschouwen als een goddeloze, waar geen vrucht uit voort kan komen, een, die niet bidden kan zoals hij in zichzelf is.

Maar helaas! wij komen tot de plichten in het vertrouwen op onze bekwaamheden tot plichten; wij werken met meer vertrouwen in de plichten, omdat wij er aan gewend zijn, en zo maken wij de genade en godsdienst tot een soort van kunst en wetenschap; waartoe de gewoonte en ondervinding een mens bekwaam maakt. Leert nu dit een, hetwelk ons in plaats van vele regelen en leringen zou zijn, uit uw oog verliezen: sluit de aanmerking van hetgeen u bent door gaven, genade of ervaring buiten; ziet daar niet op, maar vestigt veeleer uw ogen op de genade van Jezus Christus, en op de kracht en hulp van de Heilige Geest, Die u in belofte gegeven is, opdat, wanneer u ook de weg voor u allerlichtst vindt, beide door vermaak en gewoonte, u nochtans dezelve ten opzichte van uwe natuurlijke bekwaamheden zo onbegaanbaar vinden mag als in het begin; en dat u steeds mag roepen: "trek mij, en ik zal U nalopen, leid mij en ik zal met U wandelen;" meet niet uwe roeping tot de plichten naar de sterkte, die u in uzelf vindt, maar zie op naar Hem, die ons met alle kracht versterkt.

Nu de Geest werkt in ons door ondergestelde geestelijke grondbeginsels; als namelijk: door in Christus te geloven, en door Hem lief te hebben als onze Heere en Zaligmaker, en die twee daden zijn voor een ziel een zoete drijfveer op de weg van de gehoorzaamheid. De vreze, waar ze in haar werkingen niet gemengd is met geloof en liefde, is een geest van dienstbaarheid; maar de Christen behoort te wandelen naar de Geest der aanneming tot kinderen, welke roept: Abba Vader; doch hoeveel Christenen worden er meer op een slaafse en dienstbare wijze door verschrikkingen en kastijdingen tot hun plicht gedreven, dan door de liefde. Daar een vrijheid merkelijk is in de Christelijke vrijheid, wanneer er op de geest geen wederhouding is door deze slaafse vrees; dit, zeg ik, betaamt niet dengenen, die in Christus Jezus zijn; gijlieden behoort de Geest van uw Vader te hebben tot uw Leidsman en Bestuurder.

O hoe zoet en tegelijk ook zeker, zou dit wandelen zijn! De liefde van Christus zou een beginsel van beweging wezen, en zou uw geestelijke werkingen zo ligt en vermakelijk maken, gelijk natuurlijke bewegingen zijn. Vrees is maar een geweldig beginsel, het is gelijk de aandrijving van een steen, die naar omhoog geworpen is: zolang als de uitwendige indruk duurt, beweegt zij, maar steeds al slapper en slapper, en eindelijk verdwijnt het. Naar indien u in Hem geloofde, en uwe harten waren aangezet, om Hem lief te hebben, o hoe vermakelijk en natuurlijk zou het zijn, op Zijn weg te wandelen, gelijk een steen neerwaarts gaat.

Let wel op uwe grondbeginsels, die u aanzetten in en tot de zaken en plichten van godsdienst. Velen zijn er, in welke het onderscheid van hun werk niet blijkt voor de aanschouwers buiten hen; maar o welk een groot onderscheid werkt God in hen? Men kan door fabriek- en kunstwerk wel levenloze en dode voorwerpen zo doen bewegen en wandelen, als voorwerpen die leven; maar wij weten, dat hier het beginsel van deze beweging een groot verschil maakt; het ene wordt bewogen van buiten, het andere uit zichzelf: het grootste gedeelte van de belijders werken als onredelijke beesten in de godsdienst, ja zij wandelen als zielloze en ongevoelige schepselen; de een of andere beschouwing buiten hen is het, die hen beweegt: de gewoonte, de bestraffing, de opvoeding en dergelijke. Ach dit zijn de grondbeginselen van hun godsdienstigheid! Hoe velen zouden geen godsdienst, ja geen gedaante daarvan hebben, waren zij niet onder zo’n gezelschap; en daarom zien wij, dat velen hun godsdienst veranderen naar de gezelschappen bij welke zij zijn, gelijk de buitenste gedaante van een vis verandert naar de kleur, die er het dichts bij is. Hoe velen zouden dingen doen, die zij nu niet durven doen uit vrees voor de straf en bestraffing; en om dezelfde reden andere dingen niet durven nalaten? Met één woord, de meesten van onze zijn zodanig, dat zij in geen pad van godzaligheid zouden wandelen, indien het de gewoonte van de tijd niet was, en de vrees voor mensen, hen daartoe aanzette.

Maar mijn broeders! laat het zo onder ulieden niet zijn, die in Christus Jezus zijn; laat dit de overheersende reden in uw hart zijn, die u dringen, om niet voor uzelf, maar voor God te leven, namelijk: dat u gelooft, dat Christus voor zondaren is gestorven, opdat zij van de zonden afgescheiden, voor Hem zouden leven: en laat hieruit uw hart ontstoken worden met Zijn liefde, opdat die u voert in een zoete en zalige noodzakelijkheid; laat de aanmerking van Zijn liefde u een drang opleggen, maar een drang van gewilligheid, om Hem te leven, die u liefgehad heeft.

Maar ten derde, gelijk het grondbeginsel geestelijk is, zo moet ook het einde zodanig zijn; en ik acht, dat deze twee de verborgenheid van de praktijk van de christelijkheid volmaken, te werken uit een ander beginsel, en tot een ander einde; even gelijk die twee opmakende verborgenheid van de ongerechtigheid in onze harten, te werken uit onszelf en voor onszelf. Elk mens maakt natuurlijk een god van zichzelf, hij is zijn eigen alpha en omega, het begin van zijn daden, en het einde ervan, hetwelk eigen is aan God. Gelijk de val alleen de ondergeschiktheid van de ziel aan God in haar daden zo heeft afgesneden, dat zij nu niet alles kan afhalen uit die gezegende Fontein van alle wezen en welzijn, zo is ook dit kanaal van de toebrenging van al onze daden tot God gestopt, zodat zij niet strekken tot Hem, gelijk ze van Hem niet zijn afgekomen, en zo keren ze weer tot deze mensen zelf terug. Daar is een punt van het eigen zelf, en van de beoging en zoeking van zichzelf, waar velen mogelijk geen acht op geven. Het is onze gewoonte, dat wij werken en wandelen in de christelijke plichten, om onze zaligheid of het eeuwige leven te verkrijgen, als ons voornaamste en enigste doel, hetwelk toch maar een laag doeleinde is; want wij behoorden niet voornamelijk en enig te wandelen naar het gebod, om het leven en om de hemel; maar op de weg van de geboden moeten wij gaan ten leven en ten hemel.

Onze geestelijke wandel kan ons nooit het recht verwerven van de minste van Zijn weldaden; wanneer wij alles gedaan hebben, zou de taal van onze zielen zijn: "wij zijn onnutte dienstknechten; onze gerechtigheid strekt zich niet uit tot God; wat winst is het voor de Almachtigen, dat u rechtvaardig bent?" nochtans maken de meesten van ons hun wandel als een huurloon. Het verbond der werken, het werken om het leven te hebben, dat is onze harten enigszins natuurlijk ingeprent, en wij kunnen nauwelijks iets doen, of wij zouden het leven wel willen verkrijgen door daden; wij kunnen niet wandelen in alle welbehagelijkheid Gods, of wij zouden ook wel willen wandelen, om God te bevredigen. Eigengerechtigheid is de grootste afgod van de mensen, welke zij, nadat alle lagere en grovere afgoden neergeworpen zijn, nog steeds proberen op te richten.

Maar Christenen! let op dit kwaad in u zelf, en laat deze verborgenheid der godzaligheid in u gewerkt worden: het verlagen en het verloochenen van uzelf. Ik wilde, dat u heden ten opzichte van vlijtigheid en ernst, werkte, wandelt en liep alsof u daardoor alleen zoudt zalig worden; maar wederom, moet u dat alles zo verloochenen, en niet meer aanmerken noch gewicht daarop leggen, alsof u niets moest doen, of niets deed. Maar uw doeleinden moeten Goddelijk en hoog zijn, gelijk uw natuur is, te weten: "God verheerlijken in uw sterfelijke lichamen, omdat u de Zijne bent, en u met een dure prijs gekocht bent." O u behoorde niet uw eigen te zijn! Het grote voornemen van uwe gehoorzaamheid diende te zijn, een verklaring van uw gevoelen van Zijn liefde en van uw verbintenis aan Hem. Gij behoort op Zijn weg te wandelen, omdat u de verdoemenis ontkomen en door Hem zalig gemaakt bent, en niet enkel opdat u zoudt zalig worden. Het is de eer van onze hemelse Vader en de eer van Christus de Verlosser, dat Christenen wandelen gelijk Hij gewandeld heeft, en dat zij Zijn voetstappen volgen; dat dient zeer tot aanprijzing van de genade van Jezus Christus. Daarom kan het niet zijn, of dit moet de keuze en het vermaak van een gelovige ziel zijn, te wandelen in alle welbehagelijkheid Gods, en Zijn eer te beogen, als zijn groot voornemen en opzet. Wij plegen in gehoorzaamheid aan God te wandelen, opdat wij God voor ongehoorzaamheid zouden bevredigen; maar laat een Christen een gruwel van zulke gedachten hebben; het bloed van Christus moet bevredigen, maar het wandelen van Zijn kind behaagt Hem in Zijn veel geliefden Zoon. Wanneer Hij eens over de zonde bevredigd is, wanneer Hij eens uw personen aanneemt, dan zijn uwe verrichtingen zijn lust en vermaak. Nu dit diende het grote oogmerk van een ziel te zijn, dat alle krachten ervan mochten gevestigd zijn, om Hem te behagen, en voor Hem te leven.

Nu, wanneer deze drie zaken bevestigd zijn, moeten wij in acht nemen, dat de voorname werker in deze wandel geestelijk moet zijn; daarom zijn de lichamen van de mensen niet bekwaam tot deze wandel in de Geest op een voorname wijze; de uitwendige ingestelde middelen zijn slechts de schil, waarin de kern en het pit moet ingesloten zijn: al ons wandelen, dat voor de mensen zichtbaar is, is gelijk aan een geschilderd en gegraveerd beeld, hetwelk geen adem noch leven in zich heeft, tenzij de Geest het bezielt en levend maakt. Ik spreek dit niet alleen van de Geest Gods, maar ook van de geest en de ziel van de mensen; want de onmiddellijke en Goddelijke werkingen van de Geest zijn op zo’n gevoeglijk onderwerp, als de onsterfelijke ziel is, zeker de geest die in een mens is, en de inblazing des Almachtigen maakt hem verstandig.

Wij moeten de inwendige vorm niet teniet doen, omdat hij enige goddelijkheid in zich heeft, namelijk een stempel van Gods gezag; derhalve, allen die opgezwollen zijn boven de ingestelde godsdiensten, ik vrees voor hen, dat zij afschuwelijke Christenen zijn. De mens bestaat uit een geest en uit een lichaam, hetwelk door die geest wordt bewogen en levend gemaakt, zonder een van die beiden is het geen volkomen mens; zo zeg ik ook, hij is geen Christen, die God niet dient, beide in Geest en in waarheid; en het is geen godsdienst, die òf inwendige zielsgemeenschap met God, òf de uiterlijke ordonnantie en instelling van God uitsluit. Maar helaas! het mag onze klacht zijn: wij komen en dienen God, en wij naderen Hem met onze lichamen, maar onze harten zijn ver van Hem. Hier is de dood van de godsdienst van vele mensen; de ziel van het lichaam gescheiden, dit zijn maar schilderijen en beeltenissen van Christenen. Wij hebben monden en aangezichten van heiligen; maar, o hoe weinig Goddelijke genegenheden en zielsbegeerten ademen er in ons! wij zijn verloochenaars van de kracht van de godzaligheid, door in een vorm en gedaante te berusten, dit is de grootste zonde van dit tegenwoordig geslacht; de wezenlijkheden en de levende geesten van Christelijkheid zijn uitgeput en er blijven slechts dorre beenderen over; gelijk een geraamte van een Christen.

Ik bid u, vergadert uw geesten tot deze geestelijke wandeling, die alleen kunnen de Geest volgen; uwe lichamen zijn aards en traag, en de weg is geheel naar boven, de heilige berg op. Zie naar binnen, en meet uzelf alzo; de uiterlijke schijn is geen rechte maat, keer u naar binnen in uwe zielen, stel die zo aan tot oefening en geef die tot deze beweging over, zo zullen uwe geesten zachtkens en zeker uw lichamen en uitwendigheden doen werken in alle zaken van de godzaligheid.

 

6e Predikatie, Rom. 8:1

Die niet naar het vlees wandelen, maar naar de Geest.

Het is een van de grootste verborgenheden in de praktijk van de Christen, die twee zaken samen te voegen, welke het Evangelie heeft samengevoegd, namelijk: rechtvaardigmaking en heiligmaking, en ze te plaatsen in hun rechte orde. In beiden wordt veel gemist, of zij worden vaneen gescheiden, of zij worden misplaatst; maar in waarheid, zij kunnen niet dadelijk zijn, tenzij dat zij samen zien; ja menigmaal gebeurt het, dat zij in het doel en pogen van de mensen vaneen zijn gescheiden.

Dit was dan het bewijs van een levende Christen: het streven naar heiligheid te voegen met de oefening van het geloof in Christus, tot vergeving van de zonde en rechtvaardigmaking, en niet alleen dat samen te voegen, maar ook de heiligmaking af te halen van dat grondbeginsel; daar is tussen die twee een vereniging en orde bevestigd in de Schrift. Het merendeel van degenen, die het Evangelie belijden, zijn van twee soorten, of zij scheiden de heiligmaking van de toegerekende gerechtigheid, of zij scheiden Christus’ gerechtigheid van de heiligheid.

Ik zeg niet, dat iemand waarlijk zoekt met Jezus Christus’ gerechtigheid bekleed te worden, en zijn zonden uit genade vergeven te krijgen, die ook niet meteen tracht te wandelen voor God in alle welbehagelijkheid; maar dit is zeker: velen geven voor en belijden, dat zij de zaligheid en vergeving in Christus bloed zoeken, zij hebben Gods barmhartigheid en Christus’ verdiensten steeds in hun mond, of hoewel ze door hun wandel te kennen geven, dat zij niet zoveel doen, om te begeren of zich voor te nemen naar heiligheid te zoeken. Ik spreek dit niet van degenen, die Antinomianen zijn in de belijdenis, maar een grote menigte in de zichtbare kerk, die dadelijker, dat is: in de praktijk Antinomianen zijn, dan het merendeel van hen die dat zijn in de belijdenis.

Gijlieden hoort allen van de vrije genade en vrije verlossing in Jezus Christus, van de innerlijke en duurzame barmhartigheden van God, en dit neemt u voor het gehele Evangelie, en terstond als gij barmhartigheid en genade bevat, besluit u, niet alleen dat u een vrijheid van alle bedreigingen van het Woord en van de hel hebt, maar u roept ook voor uzelf heimelijk in uw harten een vrijheid uit, om zoveel te geruster te zondigen. De genade in het Evangelie is open gezet, en de vrije toegang tot Christus daarin geopenbaard, dat wordt door de verdorvenheden die in ons zijn de gelegenheid, waarop velen hun lust en vrijheid vergunnen, en de hervorming en bekering tot God uitstellen. Gij allen belijdt, dat u zoekt door Jezus Christus gerechtvaardigd en zalig gemaakt te worden; ja u verzekert zichzelf, dat u de verdoemenis door Christus ontvloden bent, nu dan, voegt die belijdenis en die verzekering bij uw wandel, en hoe recht strijdig zult u die tegen elkaar vinden? "Uw geloof is ijdel, want gij zijt nog in uwe zonden." De genade Gods, die aan sommigen krachtdadig verschenen is, leert hen de goddeloosheid en de wereldse begeerlijkheden te verzaken, en matig, rechtvaardig en godzalig te leven." Tit. 2:11,12. Maar indien wij mogen gissen naar uw leer door uw wandel, dan schijnt het, dat het begrip genade en van het Evangelie, dat in uw gemoed gevestigd is, u een andere leer geleerd heeft, te weten: de goddeloosheid te belijden en de wereldse begeerlijkheden te volgen.

Is er niet zoveel als een schaduw van deze geestelijke wandel in velen? Ik beken, het is een ieder mens natuurlijk zijn eigen gerechtigheid te zoeken, en het is de arm Gods, die de mensen moet buigen, om zich aan Christus toegerekende gerechtigheid te onderwerpen; evenwel, het merendeel van de mensen schijnen zo ver te zijn van enige gerechtigheid te zoeken, dat zij eerder hun vleselijk begeerlijkheden zoeken te vervullen, werkende de goddeloosheid met gretigheid, niet bekommerd, hoe weinig zij ook hebben om er hun vertrouwen op te zetten, en nochtans is het zeker, dat hoe veel een mens ook bereikt van een gedaante van de godzaligheid, of van burgerlijke eerlijkheid, hij gereed en genegen is om er zijn vertrouwen op te zetten en om er het gewicht zijner ziel op te laten leunen Maar aangezien het u allen natuurlijk is de hemel door daden en werken te zoeken, verwonder ik mij, dat u niet meer doet. Hoe stelt u uw gewetens tevreden in de verwachting van de hemel, u, die zo weinig moeite doet in het stuk van godsdienst, en zo los en onheilig bent in uw wandel?’ Ik verwonder mij, aangezien het in uw harten natuurlijk gegraveerd is, uwe eigen gerechtigheid te bevestigen, dat u niet arbeidt om meer daarvan te bezitten, om uw oog daarmee te vullen.

Maar wederom aan de andere kant, zijn er sommigen die een gedaante van godsdienst hebben, en naar een onberispelijke wandel onder de mensen streven, die zich mogelijk wijs maken, dat zij de heiligheid zoeken, en geestelijk wandelen; maar helaas! Men kan het bevinden niet anders dan een geschilderde en schijngodsdienst te wezen, die een gruwel is voor God, omdat het voor hen de enigste grond is, waarop zij hopen aangenomen te worden bij God. Indien ooit deze vraag in ulieden opkwam, wat zal ik doen om zalig te worden? gij begaf u, om die te beantwoorden, tot zo’n wandel, tot zo’n belijdenis. Het ia natuurlijk, dat zelfs degenen, die de minste schijn hebben van godzaligheid, dat zij de hemel zoeken door Gods wil te doen; degenen, die niet meer hebben om van te spreken dan hun doop, of het ontvangen van het Avondmaal des Heeren, ofwel het waarnemen van de plechtige vergaderingen, zullen hun hoop en zaligheid op deze dingen stellen; hoe veel meer zullen burgerlijke en eerlijke mensen (gewoonlijk zo genoemd), die bidden en lezen en de godzaligheid belijden, — hoe veel temeer zeg ik, zullen zij, hetgeen zij verkregen hebben, bevestigen tot de grond van hun vertrouwen voor God!

Nu dit is een algemeen onbekend kwaad, hetwelk de wereld verderft; en hoe weinigen zijn van de moeilijkheid en zwaarheid overtuigd, uit zichzelf gedreven te worden, en het leven in een ander te zoeken. Och weet! dat het is enigerwijze de kruisiging van de mens, zo zichzelf te verloochenen een soort van gerechtigheid te hebben, en er niet op te vertrouwen. Wie is er, die het niet dulden kan, dat hij op zichzelf zou zien wegens zijn zedelijke snoodheid? Helaas! de mensen vleien zichzelf in hun ogen; zij zien met een veel gunstiger oog op zichzelf, dan zij moesten. Wie is er die een afgrijzen van zichzelf heeft wegens zijn gruwelijke werken; maar wie zal bevonden worden, van zichzelf een gruwel te hebben, wegens zijn godsdienstige en beste daden? Wie werpt deze uit zijn gezicht als onreine en maanstondige dingen?

Daarom zeg ik, al was uwe gerechtigheid zo groot als, ja overtreffende die van de Farizeeën zo zou u niet in de hemel kunnen gaan; de gerechtigheid van de arme tollenaar, die een snood en goddeloos zondaar was, overtrof die van de Farizeeën: al had hij geen gerechtigheid, zo had hij toch een onbevlekte gerechtigheid door Christus verworven, zijnde door het geloof gevloden naar de barmhartigheid Gods in en door een Middelaar. Het is niet het enkele doen, meer bidden en nauwkeuriger wandelen dan de goddelooste en ellendigste zondaar, hetwelk u in Gods achting rechtvaardiger kan maken, ten opzichte van de vrijspreking van de verdoemenis der wet, maar hoe lager en geringer gij in uwe eigen ogen bent, hoe meer u van uwe ogen zoekt weg te doen, en op uwe onreinheden te zien, en uzelf naar Christus en Zijn onbesmette en volmaakte gerechtigheid begeeft, des te eerwaardiger en kostelijker bent u in Zijn ogen. Daarom wordt God gezegd te wonen in het hart van een nederige en verslagene, niet wegens de waardigheid van zijn nederigheid en boetvaardigheid, neen, maar wegens het welbehagen dat Hij heeft in de gerechtigheid van Zijn veel geliefden Zoon; en dat is ook het schone kleed alleen in de ogen van een verootmoedigde ziel, die niets begeerlijks in zichzelf ziet.

Daarom wens ik, dat deze samenvoeging, die in het Evangelie gemaakt wordt, ook in uw hart en praktijk gegraveerd was, dat is: dat u naar de heiligmaking jaagde, zonder welke niemand God zal zien; zoek volkomen te zijn in de vreze Gods, maar niet alsof u daardoor zou gerechtvaardigd worden; zoek heiligheid, met die vlijt en ernstige poging, alsof u er door zou behouden worden; doch zoek ze evenwel zo, dat u zich verloochent aan uwe vlijtigheid, alsof u ze geheel niet zocht. Welk een zoete samenvoeging zou het in de praktijk van de Christen wezen, zodanig te wandelen en te lopen naar de prijs, alsof zijn wandel die zou verkrijgen, en nochtans zodanig op zijn wandel te zien, alsof zij niet met al was! Uw vlijtigheid en godzaligheid moet steeds toenemend zijn, alsof het doen u zou zalig maken; nochtans moet u dit alles zo verloochenen, en naar de gerechtigheid van een Ander zien, alsof er niets door u gedaan was. Hoe verenigt Paulus deze dingen in zijn praktijk, Philip. 3:8, "Ik acht alle dingen schade en drek, om in Christus gevonden te worden, niet hebbende mijn eigen gerechtigheid," en nochtans, "ik strek mij uit tot hetgeen voor is," en ik jaag naar de volmaaktheid, al had ik nog niets verkregen.

Een van deze twee is de oorsprong van vele struikelingen en afzwervingen op onze christelijke weg. Òf daar ligt geen noodzaak of drang op de zielen van velen, om in alle welbehagelijkheid voor God te wandelen, en de heiligmaking te voleinden in de vreze Gods. Men ziet er op als op een middelmatige zaak, die bepaald moet worden naar de mate door ons van God ontvangen, of men ziet er op, als een zaak, die allen niet veel aangaat, maar behoort tot de leraars, of tot de uitmuntende belijders; en daaruit ontstaat veel vleselijk vrijheid in het wandelen buiten de lijn van de christelijke vrijheid, omdat er in hun geest een onverschilligheid is, welke ruimte geeft in het wandelen. Òf anders, daar is niet dat najagen van heiligmaking op zo’n wijze, welke met het bevestigen van Christus’ gerechtigheid bestaan kan. Er is in onze daden geen verloochening van onszelf; wij werken alsof wij uit onszelf genoegzaam bekwaam waren, en wij wandelen alsof wij daardoor gerechtvaardigd worden, wij prijzen onszelf God aan in onze gewetens; wanneer wij maar wegens het goeddoen de getuigenis van onze gewetens kunnen hebben. Nochtans, door dit middel wordt de Heere vertoornd; omdat wij de Zoon niet eren, acht Zich de Vader gesmaad, en de Geest wordt bedroefd en verzocht om weg te gaan, en ons aan onze inbeeldingen over te laten, totdat onze afgod, die wij opgericht hebben, neervalt, en ons verstand weer tot ons komt.

Gelijkerwijs het van groot gewicht zou zijn tot de vrede van de Christenen, en tot bevordering in heiligheid, indien zij die vereniging van rechtvaardigmaking en heiligmaking op hun harten gedrukt hadden; zou het inzonderheid op een uitnemende wijze dienen om hun gewetens aan te wakkeren en te vertroosten, wanneer zij de rechte Evangelische manier en orde op hun harten hadden gedrukt; gelijk er niets is, dat de geesten van de vromen zo dodig, duister en droevig maakt, als duisternis in deze. De onkunde en misvatting van de wijze en orde van dat welgeordineerde verbond, moet zeker zeer nadelig en schadelijk zijn voor het leven en voor de troost, die door het Evangelie wordt aangeboden.

Deze geestelijke wandel vloeit voort uit de staat des geloofs, van geen verdoemenis te hebben in Christus Jezus; en dan wandelt hij naar de Geest van Christus. Gij zoudt een dood beeld kunnen doen wandelen door middel van instrumenten, maar het kan vanzelf niet wandelen, voordat het een beginsel van het leven in zich heeft. Wandelen is een van de werkingen van het leven, hetwelk uit een inwendig beginsel vloeit; en zo is deze geestelijke wandel en beweging van een Christen op zijn loopbaan, de eigenwerking van de nieuwe natuur, die hij deelachtig is in Christus Jezus. Gelijk u dan weet, dat het onmogelijk is, dat er een ware en ongeveinsde wandeling kan zijn waar geen leven, geen beginsel van binnen is, om het schepsel aan de beweging te stellen, hoewel een mens door kunst en enige uiterlijke aandrijving een stuk hout of steen zodanig kan doen bewegen, dat het u een wandeling zou toeschijnen als van levendige schepselen, want het is niet mogelijk, dat iemand van de kinderen Adams, zijnde van nature dood in de zonden, geestelijk kan wandelen, voordat hij met Christus Jezus verenigd is, door in Hem te geloven tot rechtvaardigheid en zaligheid.

Daar kan zulk een wandel zijn van vleselijk onherboren mensen, die al de zinnen en het oordeel van de aanschouwers zal bedriegen. Mensen kunnen in zaken van de godsdienst door lage uitwendige grondbeginsels bewogen worden en werken, zodat een aanschouwer geen onderscheid zal merken tussen hen en anderen in welke Christus leeft en wandelt; maar voor God is het niet anders dan een kunstig nagemaakte wandel, een geschilderd en dood werk; de geest die Christus opgewekt heeft, beweegt in hen niet; zij zijn geen levende leden van dat Hoofd, hetwelk allen levend maakt; zij zijn uit hun eigen gerechtigheid niet uitgedreven naar Christus, de Stad van toevlucht; hun grondbeginselen zijn niet hoger, dan dat ze werken en wandelen om zaligheid en aanneming bij God te verkrijgen op een wettische wijze; zij wandelen om voordeel op de weg te verkrijgen; zij wandelen op de weg naar de gewoonte en naar de opvoeding; dit zijn geen levendige grondbeginselen.

Maar wanneer een ziel eens Jezus Christus binnen in zich omhelsd heeft, wordt Christus enigerwijze tot een ziel voor haar, om de zelf werkzaam en levendig te maken. Hij bezielt en beweegt ze op Gods wegen, volgens het Verbond der genade: "Ik zal Mijn Geest in het binnenste van u geven, en Ik zal u doen wandelen in mijn wegen," eerst is er levendmaking, dan wandeling. "Hij heeft ulieden, die dood was in zonden, mede levend gemaakt met Christus." Ef. 2:5. En dan volgt: "Ik zal u doen wandelen in mijn wegen." Ezech. 36:27. Christus komt in het hart om er te wonen, en dan "wandelt Hij in het midden ervan." 2 Kor. 6:16. En wat is het, dat Christus in de gelovigen wandelt? Het is niets anders, dan dat Christus hen door Zijn Geest doet wandelen op Zijn weg. Er is zo weinig in ons om een geestelijke daad te kunnen voortbrengen! Zelfs nadat wij vernieuwd en levend gemaakt zijn, dienden wij onszelf niet zozeer aan te zien als medewerkers met Hem, maar als zijnde door Hem bewerkt; wij dienden op ziel en lichaam te zien als stukken leem, die tot instrumenten gemaakt zijn, welke zich niet verder kunnen bewegen, dan zij door Hem als de ziel en het leven ervan bewogen zijn; zodat een Christen, volgens de wijze van spreken van de Schrift, niets anders is, dan Christus levende en wandelende in zo’n persoon. Dit is hetgeen, waarvan Christus bij Zijn heengaan uit de wereld, Zijn discipelen onderwijst, Joh. 16:1: Hij is de wijnstok, en wij zijn de ranken." De rank moet eerst met de stam verenigd zijn en daarop ingeënt worden, eer zij vrucht draagt; buiten de wijnstok verdort ze: alzo moet een ziel eerst in Jezus Christus gegrift zijn, en in Hem geënt door het geloof in Zijn dood en lijden, eer zij kan opgroeien in de gelijkheid Zijner opstanding, of wandelen in nieuwigheid des levens," gelijk Paulus spreekt, Rom. 6:4,5, "Zonder Mij," zegt Christus, "kunt gij niets doen." Gij moet eerst met Hem één zijn, door in Hem te geloven en Hem aan te nemen als een volkomen Zaligmaker, en dan vloeit het sap en de kracht van de stam in de dode rank, en zij schiet op, en bloeit, en draagt vrucht.

En ingeval deze leer van Christus en zijn apostelen behoorlijk was overwogen, en geloofd, o! welk een verandering zou zij maken op de levens en geesten van de Christenen! Aangezien dit de orde is, die in het Evangelie bevestigd is, een orde, die recht gevoeglijk en passend is op Zijn genade en op onze nood (gelijk alles wat er in is, te kennen geeft een voortreffelijke Uitvinder): wanneer wij dan onze zielen trachten te bevestigen in een andere orde, hoe kan het anders wezen, of wij zullen onze zielen ijdel vermoeien en kwellen? Hoe kunnen wij anders, dan onszelf pijnigen, en meer en meer onszelf verstrikken? Onze weg en wijze is recht daar tegen strijdend: wij bekommeren onze zielen hoe wij vruchten van de Geest van Christus zullen vinden, hoe wij naar de Geest zullen wandelen, zonder ons eerst oprecht met Christus Zelf te verenigen; wij pijnigen onszelf om de werkingen van een geestelijk leven te vinden, eer wij Christus aangrijpen, Die het leven van onze zielen is.

Velen maken het tot een reden om zich te weerhouden van in Christus te geloven, omdat zij dat geestelijke leven niet werkend in zich vinden. Hoe strijdig is dit tegen de zin van Christus, die in het Evangelie verklaard wordt! Het kan niet anders of het moet de geest meer verduisteren, en de invloeden van de Geest Gods meer opdrogen, omdat het u afhoudt van de fontein aller vertroosting. Gij kunt uwe zielen wel door dit middel verontrusten, maar u zult dus doende nooit voordeel doen: zonder Hem kunt u niets doen, en nochtans wilt u niet tot Hem komen, omdat u niets gedaan hebt; u zou zich verwonderen hoe weinig reden daarin ia, indien uw ogen slechts geopend waren. Gij weigert of stelt uit in de wijngaard te blijven, totdat u eerst vrucht draagt, en u kunt geen vrucht dragen voordat u in de Wijnstok bent; u wilt wandelen, en u wilt het leven niet hebben waaruit u moet wandelen; Paulus leefde, het is waar, maar welk een leven? — "Het leven dat ik leef," zeide hij, "is door het geloof des Zoons Gods," het geloof in Christus voerde hem buiten zichzelf naar Christus, of het nam Christus in zijn ziel op; en Christus in zijn ziel zijnde was het leven van zijn ziel, Gal. 3:20. Uw wandelen is gelijk een dode wilde die beproeft te gaan; zal men vijgen lezen van doornen, of druiven van distelen?"

Ik bid u, merkt op, wat een ongelijk u zichzelf aandoet, mitsgaders aan Christus: u verongelijkt uzelf omdat u in de weg staat, en verhindert het goede dat u krijgen kunt; u staat af van uw leven van Hem, "Die de Weg, de Waarheid, en het Leven is." Gij wilt op de weg wandelen, maar niemand kan er op wandelen, dan door deze weg. Christus moet u levend maken, om in Hem te leven en te wandelen; u moet in Hem het leven verkrijgen, en niet het brengen. Gij bent in vergeefse verwachting van vruchten uit uzelf, zij zullen nooit de zon zien; en als u zich in zo’n ijdele poging afgesloofd hebt, moet u eindelijk toch komen en hier beginnen. Ook verongelijkt u Christus’ genade en barmhartigheid; deze orde is met wijsheid en wetenschap zo geschikt naar onze wanhopige staat, en nochtans vermeet u zich het te verwerpen en een andere te zoeken; u schrijft iets voor aan uwe kunstige en ontfermende Medicijnmeester, hetwelk u in het verderf zou brengen.

Ik bid u, ken de oorsprong van uwe ellenden, twijfelingen, onvruchtbaarheid en duisternis. Hier is zij: u houdt u gedurig op met genaden en plichten, en hoe u uw oog daarmede zoudt vervullen en voldoen; en u verzuimt Christus als uwe Gerechtigheid, als Een die gestorven en weer opgestaan Is, en nu voor ons ter rechterhand Gods zit, aan te nemen. Met Hem moet u zich eerst verenigen, en Hem omhelzen als een goddeloze. Al was u godzalig, moet u toch uwe ogen sluiten voor al het goede dat u hebt; u moet de levende Jezus op uw dood en ongevoelig hart leggen, en al uwe beschuldigingen met zijn vrijspreking verantwoorden, en staan voor God in Zijn klederen; doet aan Zijn kleed onmiddellijk op uwe naaktheid en walgelijkheid, wij kunnen u dan verzekeren, het zal u overvloedige vertroosting en leven geven. "Omdat Hij leeft, zult u leven," en wandelen.

Indien u meermalen en ernstiger bezig was in de beschouwing van Zijn voortreffelijke majesteit, en van Zijn schone en beminnelijke hoedanigheden, als de Middelaar voor zondaren; indien u meer lette op de dierbare beloften, die allen Ja en Amen zijn, en in Hem bevestigd zijn, en wat anders dacht over die ijdele en onnutte redeneringen van eigen belang en dergelijke, ik verzeker mij, gijlieden zoudt vruchtbaarder Christenen zijn. Het is niet een werk, dat men eens op een heilige dag doet, zodat u doen zoudt op uw eerste komen tot Hem, en niet meer: neen, maar het moet uw gehele leven door geschieden: de oude en ervaren Christenen moeten ook als goddeloze zondaar komen tot een gezegende en levende Zaligmaker, en niet hebben enige andere grond van roem of vertrouwen voor God, dan Christus Jezus, en Die gekruist.

 

7e Predikatie, Rom. 8:2

Want de wet des Geestes des levens in Christus Jezus heeft mij vrijgemaakt van de wet der zonde en des doods.

U weet, daar zijn twee voorname zaken in het voorgaande vers, namelijk het voorrecht van een Christen, en de eigenschap of het merkteken van een Christen: hij is een mens, die in geen verdoemenis komt: "die gelooft, zal niet verloren gaan," Joh. 3:15, en dan, hij is een, die niet naar het vlees wandelt," hoewel hij in het vlees is, maar hij wandelt op een verhevener weg boven de mensen, naar het bestuur en de geleide van de Heilige Geest Gods. Nu kon er in de gewetens van velen tegengeworpen worden; hoe kunnen deze dingen zijn? Hebben zij niet allen gezondigd, en derven de heerlijkheid Gods? En is alzo de gehele wereld niet voor God schuldig geworden? Ligt niet ieder de mens onder een vonnis des doods? "Vervloekt is een ieder, die niet blijft in alles," enz. hoe kan hij dan de verdoemenis ontgaan? Wederom, gij spreekt van naar de Geest te wandelen, als eigen aan de Christen; maar van wie is de wandel is niet vleselijk? Wie is er, die niet menigmaal terzijde aftreedt van de weg, en het geleide en de raad van vlees en bloed volgt? Is niet de zonde hier wonend in onze sterfelijke lichamen? Wie kan zeggen, mijn hart of weg is rein? zo schijnt dan dit voorrecht en deze eigenschap van een Christen slechts hoge woorden te zijn, doch niets dadelijke.

En waarlijk, ik beken, de meeste mensen hebben hier geen ander gevoelen van, dan alsof het verbeelding of ingebeelde zaken waren. Weinigen geloven hetgeen het Evangelie verhaalt aangaande de zaligheid van de uitverkorenen; en weinigen verstaan, wat deze geestelijke wandel is. Velen denken, dat het geen zaak is, die past aan mensen, welke door hartstochten en neigingen omgeleid worden, maar veeleer aan mensen, of geesten van volmaakt rechtvaardigen.

Doch wij hebben in deze woorden een antwoord, om beide die tegenwerpingen te voldoen. De apostel geeft, op een ingewikkelde wijze, iets toe, namelijk: het is wel zo, de Christenen zijn onder een tweeërlei wet gevangen, en gebonden aan dezelve. 1. Een wet van de zonde in hun leden, brengend in hen onderwerping aan de begeerlijkheden van het vlees; de zonde heeft een krachtige heerschappij en tirannie over ieder mens van nature, zij heeft een soort van recht en kracht over hem. 2. Elk mens is onder een wet des doods, onder Gods wet, hem vervloekend en vonnissend ter verdoemenis wegens de zonde. Deze twee waren beide tegelijk overwinnaars van het gehele menselijke geslacht; maar, zegt hij, daar is een verlossing van deze dienstbaarheid, daar wordt vrijheid verkregen voor de gelovigen door Jezus Christus, en "zo is er geen verdoemenis voor degenen, die in Christus zijn," en zo wandelen zij niet naar het geleide en bestuur van die wet van de zonde, die in hen is, maar naar de leiding van onze gezegenden Voogd, de Geest Gods.

Indien u vraagt hoe dit geschiedt; op wiens gezag, wet of kracht, wordt deze vrijheid en losmaking verkregen? Hier is het antwoord: "door de wet des Geestes des levens, die in Christus is." Christus is geen onwettige, of onrechtvaardige Overwinnaar! Hij heeft een goede wet voor wat Hij doet, zo ook die wetten die de ongelovigen in slavernij houden. Daar is een hogere en lagere wet aan Zijn zijde, en Hij heeft macht en sterkte om Zijn plan te volbrengen. Hij stelt wet tegen wet, leven tegen dood, Geest tegen vlees, een wet van de zonde en van het vlees, tegen een wet des levens en een wet des doods. Met één woord, het Evangelie of Verbond der genade tegen de wet of het verbond der werken; de krachtige en levendige Geest der genade, die krachtig in Hem wrocht, wordt gesteld tegen de kracht van de zonde en des satans, in ons en tegen ons: de ene geeft Hem recht en gezag om te overwinnen, de andere maakt Hem volkomen bekwaam tot het werk; en door deze twee worden de gelovigen in Jezus Christus vrij gemaakt, die eertijds slaven waren.

Hetgeen dan waar wij van willen spreken over deze woorden, is het algemene lot van alle mensen van nature, te weten: dat ze onder de macht van de zonde en onder het vonnis des doods zijn; en dan van de bijzondere uitredding van de gelovigen in Christus, en van hun vrijheid en vrijmaking; en eindelijk van de ware grond en oorzaak van deze verlossing uit die slavernij; welke drie zaken in de woorden vervat zijn. Het is waarlijk een stof van een hoge natuur en van hoog gewicht voor ons allen; ons leven en dood is er in opgewonden. Gij mag vele dingen graag horen, maar zo gij dit kende, was er niets zo voordelig. Derhalve, laat ons onze aandacht zoeken te verzamelen tot de opmerking van deze bijzonderheden.

Wat het eerste aangaat. 1. Alle mensen zijn onder de dienstbaarheid van een tweeërlei wet, "de wet der zonde" binnen hen, en "de wet des doods," buiten hen. De mens werd rechtvaardig geschapen, maar zegt de wijze man, "hij heeft vele vonden gezocht." Waarlijk een droevige vond: hij die vrij en gelukzalig geschapen was, verwierf voor zich ellende en slavernij! Zijn vrijheid en gelukzaligheid moest zijn in onderdanigheid aan zijn Maker, onder de rechtvaardige en heilige geboden van zijn Heere, die hem de adem en het wezen gegeven had. Het was geen gevangenis noch inbinding, rondom omringd te zijn met omtuiningen van des Heeren heilige wet, evenmin als het een inbeelding van de vrijheid van de mens was, zijn weg afgeschut te hebben, waar hij veilig kon wandelen, opdat hij zich op die beware voor putten en strikken aan alle kanten verspreid.

Maar helaas! (indien ik mag zeggen, helaas, wanneer wij zo’n verlossing in Jezus Christus hebben!) —Adam was niet tevreden met die gelukzaligheid, maar meerdere vrijheid zoekende, verkocht hij zich in de handen van vreemde heren, eerst van de zonde, en daarna van de dood. "Andere heren, behalve Gij, o HEERE! hebben over ons geheerst." Jes. 26:13. Dit is al te waarachtig in deze zin: Adam zoekend te wezen gelijk de Heere Zelf, verloor zijn heerschappij over al de werken van Gods handen, en werd een slaaf van het snoodste en gruwelijkste van allen, en hetgeen voor God allerhatelijkst is,—van de zonde en de dood. En dit is de staat waarin wij nu geboren worden. Ik bid u, let er op, u bent als gevangenen en slaven geboren, zelfs de allerliefste en vrijgeborenste en rechtvaardigste van ons allen. Paulus spreekt er van als een voorrecht, vrijgeboren en een vrij burger te zijn; en het wordt als een waardigheid gerekend, een vrij burger van een stad te zijn.

Vrijheid is dat grote voorrecht, daar het volk heden ten dage zo naar staat; en gewis, het is een groot voordeel voor een volk, dat moedervoorrecht en dat geboorterecht te genieten. Maar helaas! Wat is dit alles, een vrijgeborene te zijn in een burgerlijke maatschappij! Het is maar de staat van een mens onder de mensen, het reikt niet verder dan de uiterlijke mens, zijn leven of staat. Maar hier is een stof van groter gewicht; weet gijlieden wel in welk een staat uw zielen zijn? Uw zielen zijn onvergelijkelijk waardiger dan uw lichamen, zoveel als de eeuwigheid deze vingerbreed tijd, of de onsterfelijkheid de sterfelijkheid te boven gaat. Uw zielen zijn in waarheid uzelf, uw lichamen zijn maar uw huis of tabernakel, daar u voor een tijd in huisvest. Nu ik bid u dan, vraagt: of u vrij geboren bent of niet? Indien uwe zielen slaven zijn, zo bent u in waarheid slaven; want zo veranderen de Evangelisten deze woorden: Mattheüs zegt, Hoofst. 16:26: "wat baat het een mens, zo hij de gehele wereld gewint, en lijdt schade zijner ziel;" en Lukas zegt, Hoofd. 9:25: "indien hij zichzelf verliest?" Derhalve bent u niet dadelijk vrij, tenzij uwe zielen vrij zijn. Ei lieve! wat is het toch, vrijheid onder de mensen te genieten? Ik vraag u, wat bent u voor God, dienstbaar of vrij? Dat is de rechte zaak.

De Farizeeën gaven voor dat zij recht en deel hadden aan de vrijheid en het voorrecht van zonen en kinderen Abrahams te zijn; zij dachten dat zij daaruit konden besluiten, dat zij Gods kinderen waren. Maar onze Heere Jezus ontdekt deze misvatting, wanneer Hij tot hen spreekt van een vrijheid, die Hij kwam uitroepen voor de mensen, om die voor hen te verwerven en aan hen te geven; maar zij stootten zich aan deze leer. Wij zijn Abrahams zaad," zeiden zij, "en hebben nooit iemand gediend; hoe zegt Gij dan: u zult vrij worden." Dit is ook de taal van het hart van velen van u, wanneer wij u zeggen, dat u erfgenamen van Gods toorn, slaven van de zonde, en uit de satan geboren bent, dan komt hierop een heimelijke tegenspreking in de harten, zeggende: wij zijn Abrahams zaad, wij zijn nooit aan iemand dienstbaar geweest: wij zijn gedoopte Christenen, wij hebben een kerkstaat, wij hebben voorrechten en vrijheden, niet alleen van onderdanen in de staat, maar ook lidmaten in de kerk; waarom zegt u dan dat wij slaven zijn? Ik zou wel wensen, dat u allen waarlijk vrij was; maar dat kan niet zijn, voordat u uw dienstbaarheid kent. Merk dan op, bid ik u, dat u wel vrije onderdanen in een staat, en vrije lidmaten in een kerk kunt zijn, en desniettemin in dienstbaarheid onder de wet der zonde en des doods kunt wezen. Dit was de misvatting die de grond van de verwaande inbeelding van de Joden was, en dit veroorzaakte hun aanstoot aan deze steen van de zaligheid, die in Zion gelegd is. Gij meent ook, dat u kerkelijke voorrechten hebt, en wat is er meer nodig? Bedriegt u niet, u bent dienaars van de zonde, en daarom niet vrij.

Er zijn tweeërlei soort, of liever rangen, van mensen in Gods huis: zonen en slaven; de zoon blijft eeuwig in het huis, de slaaf maar voor een tijd; als de tijd verlopen is, dan moet hij eruit gaan, of eruit geworpen worden. De kerk is Gods huis, maar velen zijn er in, die er niet in zullen wonen; velen hebben de uiterlijke vrijheden van dit huis, die geen deel hebben aan de bijzondere weldaden en goedertierenheden, die aan de kinderen eigen zijn. De tijd zal komen, dat het merendeel van de zichtbare kerk, die gedoopt zijn, en met Christus gegeten hebben aan Zijn tafel, en hier een soort van vriendschap, met Hem hadden, als slaven zullen uitgeworpen worden, en Izak alleen, de zoon van de belofte, zal er binnen gehouden worden. Het huis dat hier is, heeft een inwendig heiligdom en enige voorhoven; en tot deze hebben velen de toegang, die nooit in des Heeren verborgen plaats ingaan, en dus zullen zij niet boven wonen. Het is zozeer de zaak niet, wie zal opgaan op de heilige berg? Als wel, wie zal daar staan en wonen?

De dag des oordeels zal een grote dag van uitsluiting wezen. O! hoe vele duizenden zullen er dan uit de gemeente van de levende God uitgeworpen, en aan de satan overgeleverd worden, omdat zij inderdaad onder zijn macht waren, terwijl ze leden van de kerk en Abrahams kinderen genoemd werden. Laat mij u dan zeg gen, dat wij allen eens waren in deze staat van de dienstbaarheid, daar Christus van spreekt, een iegelijk, "die de zonde doet, is een dienstknecht der zonde," Joh. 8:34, "en blijft niet eeuwiglijk in het huis," zodat ik vrees, dat velen van ons, die in de zichtbare kerk zijn, en in deze vergadering staan, geen vrijheid zullen hebben, om in de vergadering van de eerstgeborenen te staan, wanneer al de zonen bijeen verzameld zullen worden in het nieuwe Jeruzalem. De zonde heeft een recht over ons, en daarom wordt zij een wet van de zonde genoemd. Er is een zeker gezag, dat zij over ons heeft, uit kracht van Gods rechtvaardigheid, en onze eigen vrijwillige toestemming.

De Heere heeft alle nakomelingen van Adam in Zijn rechtvaardigheid, wegens de zonde die hij bedreef overgegeven, als een algemeen persoon ons aanvallend en vertonend. Hij heeft ons allen overgegeven aan de macht van een lichaam des doods binnen in ons. Omdat de mens heeft verkozen, van zijn Heere af te wijken, heeft Hij hem rechtvaardig overgeleverd in de handen van een vreemden heer om over hem. heerschappij te hebben. Zo’n oorspronkelijke besmetting tot alle mensen over te zetten, is een daad van heerlijke gerechtigheid. Gelijk Hij nu in Zijn rechtvaardigheid de mensen overgeeft aan de lusten van hun eigen hart, wegens het volgen van die lusten, die recht strijdig zijn tegen Zijn wil, zo was het ook in het eerst: "door de ongehoorzaamheid van één mens, zijn velen tot zondaars gesteld geworden," en dat naar Gods heilige gerechtigheid. De zonde kwam in de wereld, en had toelating van God om de gehele wereld aan zich te onderwerpen en te overwinnen, omdat de mens aan God niet onderworpen wilde zijn.

Maar gelijk het door de rechtvaardigheid Gods is, zo is het ook onze vrijwillige keuze, die de zonde macht over ons geeft. Wij kiezen een vreemde heer, en hij heerst over ons met kracht. Wij zeggen tegen onze begeerlijkheden, regeer gij ons! Wij onderwerpen onze rede, ons geweten en alles aan de besturing en leiding van onze blinde neigingen en hartstochten. Wij verkiezen onze dienstbaarheid voor vrijheid, en zo heeft de zonde een soort van wet over ons, door onze eigen toestemming. Het oefent een rechtsgebied uit, en als zij eens in macht is gesteld en daarmee bekleed is, dan valt het moeilijk de zonde weer van die troon te zetten. Er is, (om zo te spreken) een samenspanning van deze twee, om het gebied en gezag van de zonde over ons volkomen te maken. Wij verkiezen de ongerechtigheid, en God geeft er ons aan over. Wij stellen onszelf en geven ons over aan de zonde, Rom. 6:16,19; "wij stellen onze leden om dienstbaar te zijn aan de ongerechtigheid;" een weinig vermaak of gemak is het aas, hetwelk ons daartoe verlokt. Wij geven onszelf over aan onze afgoden, en God bekrachtigt en bevestigt het op enigerlei wijze, en tekent zo’n vonnis: "laat ze varen," zegt Hij; "gaat heen, en dient een ieder zijn drekgoden", ook hierna, omdat ulieden naar Mij niet hoort," Ezech. 20:39, gaat heen, dient uwe afgoden, ziet of zij u betere heren zullen zijn dan Ik; ziet welk loon zij u geven zullen.

Nu laat ons weer gaan opmerken, welke kracht de zonde heeft, nadat zij dus met een zeker gezag sterk bekleed is. O! Die is geweldig sterk, en zij werkt krachtig in de mensen; zij heerst in onze sterfelijke lichamen, Rom. 6:12. Hier is de troon van de zonde gevestigd, namelijk in de lusten en genegenheden van het lichaam, en vandaar laat zij haar wetten en inzettingen uit, en zendt bevelen tot de ziel en tot de gehele mens. De mens verkoos in het eerst te luisteren naar de raad van zijn zinnen, welke zeiden: het is vermakelijk en goed te eten van de verboden vrucht; maar die raad is nu gekeerd in een gebod, de zonde heeft daar de scepter gekregen om te heersen over de geest, die als een vrije vorst geboren is. De zonde heeft al onze sterkte overwonnen, of wij hebben al onze kracht daar aan overgegeven; ja zoveel waarheid er in de geweten is, zoveel kennis van God en van de godsdienst, dit alles is in de gevangenis gesteld, het wordt ten ondergehouden in een kerker van onrechtvaardige genegenheden, daar de zonde vele sterkten en bolwerken in ons vlees heeft, en door deze geeft zij bevelen aan de geest en ziel in de mens, en zij legt iedere gedachte gevangen aan de gehoorzaamheid van het vlees.

Gij weet hoe sterk de zonde in Paulus was, Rom. 7. Welk een machtige strijd en worsteling had hij, en hoe nabij hij aan de bezwijming en overgeving was. Wat moet de zonde dan een volstrekte en alleenheersende heerschappij hebben over de mensen, die geheel in de natuur zijn! Omdat er van nature geen tegenbeginsel in hen is, om er tegen te strijden. Zij heerst zonder enige tegenspraak of toezicht; daar mogen enige overtuigingen van de consciëntie, en enige sprankelen van licht zijn tegen de zonde; ze worden ras uitgeblust en begraven; ja al die grondbeginsels van licht en kennis in de geweten, versterken soms de zonde, gelijk enige dingen door tegenstand versterkt en niet verzwakt worden. Ongelijke en bezwijkende tegenstand versterkt de tegenpartijder. Gelijk de koude, de springaders omringend, ze heter maakt; zo is het hier: de zonde neemt gelegenheid "door het gebod om alle begeerlijkheid te werken." Rom. 7:8. Zonder de wet is de zonde enigermate dood; maar als er een tegenpartijder verschijnt, wanneer onze lusten en zinnelijkheden dwars worden gezeten en tegengestaan, dan verenigen zij hun kracht tegen zodanige tegenstand, en zij brengen meer gruwelijke zonden voort.

De kennis en de geweten, die vele mensen hebben, dient nergens toe, dan om hun zonden groter te maken, om hun geesten en lusten te scherpen en te verbitteren, tegen God: — "waarom pijnigt Gij mij voor de tijd?" dat is een duivelse gesteldheid, die in ons allen is; wij kunnen het licht niet verdragen, "omdat onze werken boos zijn." Laat ons deze bijzonderheden maar opmerken, wij zullen de kracht en heerschappij van de zonde kennen. Vooreerst: Let op de uitbreiding van hun heerschappij, beide ten opzichte van alle mensen, en van al wat in ieder mens is. Ik zeg: alle mensen, niemand van ons is ervan uitgezonderd, zelfs niet de edelste of slechtste. De zonde is de grote, de algemene koning, of liever de satan, die de overste van deze wereld is, en hij beheerst de wereld door deze wet van de zonde, welke in rechte tegenspraak is tegen de wet Gods.

Wie van ulieden gelooft het, dat het koninkrijk van de satan zo wijd is, dat het zelfs is uitgebreid over het merendeel in de zichtbare kerk?—Hij is de keizer van de wereld. De Turk schrijft zich ijdel die titel toe; maar de duivel is waarlijk zo, en wij hebben Gods eigen getuigenis daarvoor. Alle koningen, alle edelen, alle vorsten, al het volk, rijken en armen, hoge en lage, zijn eens onderdanen van die vorst, geregeerd door die zwarte wet van de zonde. Och! Ken uw staat, en van wie u dienstknechten bent. Meen niet bij uzelf te zeggen: "wij hebben Abraham tot onze vader," wij zijn gedoopte Christenen. Neen, maar weet, dat wij allen eens zijn, kinderen des satans, en zijn werk doen, en zijn wil volbrengen.

Maar daarenboven, al wat in ons is, is aan deze wet van de zonde onderworpen; al de vermogens van de ziel: het verstand is onder de macht van de duisternis, de hartstochten zijn onder de macht van de verdorvenheid, het gemoed is verblind en het hart is verhard, de ziel is van God vervreemd, Die het Leven ervan is. Al de leden en krachten van een mens zijn overgegeven als werktuigen van de ongerechtigheid, elk om die boze wet uit te voeren, en te vervullen de lusten van het vlees. Deze heerschappij is over al de daden van de mensen, zelfs die, welke bij de mensen het best gerekend en geacht zijn: uwe oprechte en eerlijke handel met mensen, en uwe godsdienstigste betrachtingen voor God, zijn meer overeenkomstig de wet van de zonde. Hag. 2:15: "Dit volk, en al het werk hunner handen, en wat zij daar offeren, dat is onrein." Al uwe werken, uwe goede werken, zijn met deze besmetting bezoedeld; de zonde heeft uw personen bevlekt, en zij bevlekt al uwe daden, en de besmetting is onderling en wederzijds; die daden besmetten weer uwe personen meer en meer, bij voor de "bevlekten is alles onrein, beide hun geweten en verstand zijn bevlekt." Tit. 1:25. Doet wat u kunt, u die in de natuur bent, kunt God niet behagen; het is maar gehoorzaamheid aan de wet van de zonde, die in u is.

Maar ten andere, let op de hevigheid en macht van deze kracht van de zonde: hoe machtig zij is, tegenover allen tegenstand, hoedanig die ook is werkend, tenzij zij door een almachtige kracht overwonnen wordt. Niets dan de almacht kan deze kracht overwinnen; de geest die van nature in de mensen werkt, is van zo’n bedrijvigheid en werkdadigheid, dat hij de mensen als met woede voortdrijft alsof zij bezeten waren, tot hun eigen verderf. Wat geniet de zonde veel van des mensen toestemming! En zo drijft zij de mens sterk en onweerstaanbaar. Veel van de wil, begeerte, en gerechtigheid, zal de verdorvenheid doen lopen gelijk een rivier over al de banken en oevers, die in haar weg staan, namelijk: raad, overreding, wet, hemel en hel; de verdorvenheid moet over die allen heen; prediking, overtuiging van de geweten, zijn maar als koorden, om een Simson te binden! De zonde van binnen breekt die gemakkelijk in stukken. Met één woord: geen geschapene kracht is van genoegzame sterkte, om de sterke mens te binden, het moet één machtiger zijn dan hij, en dat is de Geest van Jezus Christus. En ziet u niet, dat de mensen dagelijks achter hun lusten getrokken worden als beesten, hun zinnen opvolgend, zo geweldig, gelijk een paard onbesuisd loopt in de strijdt?" Indien er enige winst of voordeel is, om de raderen van de genegenheid te smeren, o hoe onbesuisd lopen de mensen daar heen! Geen roepen kan hen weerhouden. In het kort, de zonde is geheel één met ons geworden, zij is in de mens ingelijfd, en één geworden met zijn genegenheden, en doet haar dan gebieden over de mens.

 

8e Predikatie, Rom. 8:2

Want de wet des Geestes des levens in Christus Jezus heeft mij vrijgemaakt van de wet der zonde en des doods.

Hetgeen waarover nu de gedachten en gesprekken van de mensen lopen, is vrijheid of dienstbaarheid en slavernij. Alle mensen vrezen hun vrijheid te verliezen, en slaven te worden van vreemden. En waarlijk vrijheid, hetzij van een natie of van een persoon, is zelfs in burgerlijke opzichten een grote weldaad en voorrecht. Maar helaas! De mensen weten niet, en ook merken zij niet, wat de grond en de reden zijn van zulke veranderingen, en uit wat voor springader het voortvloeit, dat een volk, dat lange tijd vrij is geweest van een uitlands juk, nu daartoe gebracht wordt, dat het zijn hals daaronder moet buigen. Velen zijn verwonderd dat onze natie, die in de dagen van onwetendheid en duisternis onoverwinnelijk was, nu in de dagen van het Evangelie overwonnen wordt; en er ontbreken geen goddeloze geesten in menigte, die de fout eer toeschrijven aan de hervorming in het stuk van godsdienst, dan dat zij zichzelf de schuld zouden geven.

Daar zijn vele heimelijke jaloersheden van het hart onder ons, namelijk: dat Christus een harde Meester is, en dat Hij niet goed kan gediend worden. Maar wilt u weten de ware oorsprong van onze waarschijnlijk bedreigde dienstbaarheid? Komt, en ziet; komt en merkt op wat in deze woorden is uitgedrukt. Al uwe gedachten houden zich bezig omtrent burgerlijke vrijheid; maar bij al die vrijheid merkt u niet, dat u in dienstbaarheid bent, en dat aan wredere heren dan die u vreest. Wij zijn onder een wet der zonde en des doods, die heeft de heerschappij en de overhand in de genegenheden en wandel van alle mensen, en wanneer de heerlijke vrijheid van de kinderen Gods ons in het Evangelie aangeboden wordt, wanneer de Zoon komt, om ons vrij te maken, dan hebben wij onze ketenen lief, en willen niet toelaten dat die losgemaakt worden. Daarom is het dat een natie, die zo’n genadige aanbieding van vrede en vrijheid in Jezus Christus versmaad heeft, geplunderd en beroofd wordt van vrede en vrijheid.

Wanneer deze vrijheid van de Geest des levens in Christus verkondigd, en openlijk uitgeroepen wordt aan vergaderingen, aan gerechten en aan personen, geven toch weinigen daar recht acht op; de meesten zijn in slavernij aan de wet van de zonde, en die dienen zij in de begeerlijkheden ervan, en wat nog allermeest de misdaad verzwaart en verhoogt is dat dit geschiedt nadat wij allen beleden hebben ons te onderwerpen aan de Wet Gods, en aan Jezus Christus, de Koning en Wetgever; want wij hebben ons op een buitengewone wijze verbonden aan de Heere door vele eden en verbintenissen, dat wij Zijn volk zullen zijn. Wij stemden toe, dat Hij onze Koning zou wezen, en dat wij in onze belijdenis en praktijk zouden geregeerd worden door Zijn Woord en wil, als de fundamentele wetten van dit Zijn Koninkrijk; wij verzaakten plechtig alle vreemde heren die over ons getiranniseerd hadden, en zwoeren tegen hen, dat wij nooit gewillige gehoorzaamheid aan hen zouden geven, namelijk: aan de begeerlijkheden van de wereld, aan de onkunde van Gods, aan ongeloof en ongehoorzaamheid.

Nu wat is er geworden van al dit werk? U kunt het weten; het merendeel van de mensheid heeft tegen die Heere en Koning gerebelleerd, en zich van Zijn gehoorzaamheid onttrokken, en is afgevallen tot dezelfde begeerlijkheden en wegen, tot diezelfde gangen, tegen welke wij, èn door onze belijdenis van het Christendom, èn door plechtige eden ons verbonden hebben: de mensen hebben zich gewillig en van harte onderworpen aan de wetten van de zonde, en aan de begeerten van het vlees. Hieruit is het begin van ons verderf: omdat wij onze God en Heere niet wilden dienen in ons eigen land, daarom zijn er zoveel gevangenen weggeleid om als vreemdelingen in een ander land te dienen. Daarom zijn wij gelijk gevangenen in ons eigen land. Omdat wij onze God hulde en onderwerping geweigerd hebben, en vreemde heren binnen in ons gehoorzaamd hebben, daarom zijn wij overgegeven aan de begeerlijkheid van vreemden buiten ons.

Ik wilde wel, dat u ernstig bedacht, dat er wredere meesters zijn, die u dient, dan die u het meest haat, en dat er een wredere dienstbaarheid is, waarvan u ongevoelig bent, dan die u het meest vreest. Gij vreest vreemdelingen, maar uw grootste kwaad is binnen in u. U moest maar naar binnen keren, en beschouwen daar wredere meesters, en verderfelijker en dodelijker vijanden tegen uw geluk. Dit is de staat en het geval van alle mensen van nature, en van allen voor zoveel zij in de natuur zijn. De zonde regeert en voert heerschappij over hen en zij volgen gewillig het gebod, en zo zijn zij onderdrukt en verbroken in het gericht.

Indien u maar recht op andere mensen kon zien, u zoudt opmerken, dat degenen die slaven van hun onderscheiden begeerlijkheden zijn, zichzelf niet meester zijn, (om zo te spreken) zij hebben het bevel over zichzelf niet. Ziet eens op een mens, die tot dronkenschap overgegeven is. Welk een slaaf is hij? Waar drijft hem zijn begeerlijkheid niet toe? Laat hij zich met besluiten en geloften verbinden, hij kan er toch niet door weerhouden worden; schande en schaamte voor de mensen, verlies van goed, vertering van gezondheid, tijdelijke ja eeuwige straf, die allen samengevoegd, kunnen hem niet terug houden de begeerten te vervullen van die begeerlijkheid, zo hij er slechts gelegenheid toe heeft. Een mens tot geldgierigheid geneigd, hoe dient hij die afgod? Hoe vergeet hij dat hij een mens is, of een redelijke ziel binnen in zich heeft; hij is er toe overgegeven. En zo is het met een ieder mens van nature. Er kunnen vele kleine afgoden zijn, die hij bij gelegenheid dienst doet; maar elk onvernieuwd mens heeft het een of het ander overheersend kwaad in zich, waaraan hij gehoorzaamheid en trouw gezworen heeft. Neemt de burgerlijkste mens, het meest gespeend van de grovere uitwendige besmettingen, zijn hart is gewis evenwel in hem slechts een tempel vol afgoden, aan de liefde en dienst waarvan hij overgeven is; de een of de andere fundamentele wet van het koninkrijk van de satan heerst in ieder natuurlijk mens, of de "begeerlijkheid der ogen, of de begeerlijkheid des vleses, of de grootsheid des levens," iedereen doet offerande aan een van die, aan zijn eer of goede naam, of aan zijn vermaak of voordeel. Het eigen zelf, hoezeer ook in sommigen verfijnd en beslepen, is hoogstens niets anders dan een vijand van God; en buiten het bereik van dat eigen zelf kan een mens niet werken op natuurlijke grondbeginselen, voordat er een hogere Geest inkomt, waarvan hier gesproken wordt.

Och! dat u het voor dienstbaarheid wilde schatten, onder die droevige noodzaak te zijn van te voldoen en te "vervullen de begeerten van het vlees en van de gedachten." Ef. 2:3. Velen achten dat alleen vrijheid te zijn, daarom zien zij de wetten van de Geest des levens aan als koorden en banden, en zij zoeken, ze af te werpen en te verbreken. Maar merkt wel op, welk een ellendig leven u hebt met uw heersachtige begeerlijkheden.

In waarheid, de zonde straft voor het merendeel zichzelf. Ik ben verzekerd, dat u meer arbeid en moeite hebt de lusten van de zonde te volbrengen, dan u zoudt hebben God te dienen. De begeerlijkheden van de mens zijn nooit in rust, gedurig zetten zij u aan dienstwerk; zij drijven en sleuren de mensen van boven neer, her- en derwaarts, zodat ze geen rust kunnen krijgen. Wat is de oorzaak van al de onrust, wanorde, verwarring, ontsteltenis en oorlogen in de wereld? "Vanwaar komen krijgen? Komen ze niet hier van (zegt Jakobus hoofdst. 4:1) namelijk uit uwe wellusten, die in uw leden strijd voeren?" Deze zijn het, die de wereld in vuur zetten; deze beroerders van Israëls vrede, benemen de inwendige vrede, de vrede van de huisgezinnen en de vrede van de natie. De begeerlijkheden, geldgierigheid, eerzucht, hoogmoed, hartstocht, eigenliefde en dergelijke stellen de ene natie tegen de andere, mensen tegen mensen, volk tegen volk in opstand. Deze vermenigvuldigen bezigheden zonder oorzaak, zij vermenigvuldigen zorgen zonder nuttigheid, en brengen allerlei kwelling en pijniging voort. Indien een mens zijn lusten had ten ondergebracht, en zijn genegenheden en driften beteugeld, o hoe zou hij dan van een menigte schadelijke zorgen bevrijd zijn! Welk een zoete kalmte zou zijn geest bezitten! Geliefden in de Heere! Laat u dan overreden en gezeggen, dat het lichter was voor u de Heere te dienen, dan uw begeerlijkheden; dat ze u meer arbeid, onrust, moeilijkheden en droefheid kosten, dan des Heeren dienst u kosten zal. Och! Dat u zo moe mag werden van zulke meesters, en zuchten om van onder zo’n wet van de zonde bevrijd te worden.

Maar indien dat niet genoeg is om u te overreden, let dan in de tweede plaats, dat zo u ooit een wet van de zonde wilt dienen, u ook aan een wet des doods moet onderworpen zijn. Indien u zich niet wilt laten bewegen om de dienst van de zonde te verlaten, zeg mij, wat dunkt u van uw loon? "De bezoldiging van de zonde is de dood;" die moet u gewis verwachten. En kunt u naar zo’n loon uitzien en verlangen? God heeft die door een duurzame instelling samengevoegd, zij komen gelijk ter wereld. De zonde kwam in, en de dood volgde door de zonde, en zij hebben sedert die tijd hand aan hand samen gegaan; en meent u vaneen te kunnen scheiden, hetgeen God samengevoegd heeft?

Eer u verder gaat, en de zonde meer gehoorzaamt, bedenkt toch, wat ze u kan geven. wat geeft ze u voor het tegenwoordige anders, dan veel moeite, smart en kwelling, in plaats van een beloofd vermaak en genoegen? De zonde doet met alle mensen, gelijk de duivel doet met sommige van zijn onderhorigen en dienstknechten: zij hebben een ellendig leven met hem, zij vermoeien en kwellen zich om al zijn onredelijke, heerszuchtige bevelen te voldoen. Hij overlaadt hen met een ellendige dienst, zij worden gedurig in verwachting gehouden van enige beloning, maar voor het tegenwoordige hebben zij niet dan ellenden en moeilijkheid, en eindelijk wordt hij de scherprechter en gedurige pijniger van diegenen, die hij zichzelf heeft doen dienen; zo’n meester is de zonde, en zo’n loon mag u verwachten. Let dan op wat uw verwachting is, eer u verder gaat en u dieper inwikkelt:— het is de dood.

Wij zijn onder een wet van de lichamelijke dood, daarom zijn wij sterfelijk; ons huis is gelijk een bouwvallig huis, dat doorbuigt en de een of de andere dag zal moeten neervallen. De zonde heeft de zaden van verderfelijkheid in de natuur van de mens gebracht, welke het ontbindt, anders was zij onsterfelijk geweest. Maar daar is een wredere dood na dit, een levendige dood, ten opzicht van welke men liever de enkele dood zou kiezen. De mensen willen liever ellendig leven dan sterven; de natuur heeft een afkeer van het sterven. "Huid voor huid, en al wat iemand heeft, zal hij geven voor zijn leven," de dood brengt met zich een vernietiging van het aanzijn, dat ieder schepsel van nature zoekt te behouden. Maar o, welk een vreselijk leven is het, erger dan de dood, als de mensen de dood zullen kiezen boven het leven! O hoe vreselijk zal het zijn, dat woord te horen: "Bergen! valt op ons, en heuvelen! bedekt ons," wanneer de mensen opnieuw opgestaan zijn, en hun lichamen en zielen ontmoeten elkaar na een lang scheiding, indien dit dan hun onderlinge ontvanging zal wezen, dat het lichaam wenst steeds in het stof te blijven, en de ziel begeert nooit meer in het lichaam te zijn!

Gewis, indien wij zoveel genade hadden dat wij dit geloofden, en er van beefden eer wij gedwongen worden dit in het werk te stellen, dan was er enige hoop. Indien wij onszelf eens konden verzekeren, dat al de wegen van de zonde, hoe vermakelijk, hoe voordelig zij ook mogen zijn, wat voor winst zij ook mogen inbrengen, wat voor genoegen zij ook mogen geven, dat zij niets anders zijn, dan wegen des doods, en dat zij naar beneden hellen tot de binnenkamers van de hel, dat zij ons zullen bedriegen en eindelijk verderven. Indien wij dit eens met ons hart mochten geloven, was er enige hoop, dat wij de zonden zouden afbreken en de oude betreden paden van de godzaligheid verkiezen, welke liefelijkheid en vrede zijn. Immers, het is de staat van alle mensen: eens onder de zonde en onder heet vonnis van de dood wegens de zonde te zijn. Het is het ongeloof omtrent deze zaak en een waan van vrijheid, die de wereld zorgeloos en zeker verderft, door de zielen af te houden van Christus, de Vorst des levens.

Maar er is een verlossing, en dat is wat in deze woorden uitgedrukt staat; daar is een vrijheid die beiden te verkrijgen; en mij dunkt dat zelfs het horen van zo’n zaak, dat er een verlossing van zonde en ellende mogelijk is, ja dat ook sommigen dadelijk daarvan verlost zijn, moest dienen om een heilige eerzucht en ernstige begeerte naar zo’n staat in onze harten op te wekken; hoe behoorde het onze harten wakker te maken, om daarnaar te streven! Maar dit is het jammerlijke van een natuurlijke staat, dat een ziel, die onder de macht van de zonde is, noch zichzelf helpen kan, noch hulp begeert van een ander; omdat de wil ook gedwongen is. Dit maakt het tot een zeer wanhopend en radeloos werk, ten opzichte van enige menselijke verwachting, omdat zo’n ziel een welbehagen in zijn eigen boeien heeft, en zijn eigen gevangenis bemint, en daarom noch verlangen kan naar vrijheid, noch de Zoon verwelkomen, Die gekomen is om vrij te maken.

Maar evenwel er is een vrijheid en verlossing; en zo u mij vraagt, wie dat deelachtig zijn, de tekst verklaart het u, namelijk dezen: die in Christus Jezus zijn, en die wandelen naar de Geest van Christus. Die allen en, die alleen, welke zich dood in zonden en misdaden bevinden, onder de macht en heerschappij van de zonde, alsmede onder het vonnis van de dood en van de verdoemenis, deze beginnen hun hoofd op te heffen, naar de hoop van een Zaligmaker, en uit te zien naar hun Verlosser, als arme gevangenen, van wie de ogen naar Hem uitziende, sterke smekingen, in plaats van vele verzoeken zijn; zulken, die hun vorige wegen en sterke begeerlijkheden oprecht verzaken, en die zich tot een getuigenis, van het gevoelen van Zijn onuitsprekelijke gunst van verlossing overgeven, om geheel aan Hem en niet zichzelf toe te behoren.

Sommige zielen zijn er, die vrij zijn van de heerschappij van de zonde en van het gevaar van de dood; sommigen zijn er, die weleer omgeleid werden door verscheidene begeerlijkheden, zowel als anderen, die naar de eeuw van deze wereld leefden, de begeerten van het vlees volbrachten, en kinderen des toorns waren, zowel als de anderen. Maar nu zij ze levend gemaakt door Christus Jezus, en hebben hun vorige weg verlaten, Ze hebben nu een andere regel, een andere weg, andere grondbeginselen. Hun streven is nu om God te behagen en in heiligheid op te wassen. De wegen waarin zij zich in vorige dagen verlustigden, zijn hun nu walgelijk. Zij achten het nu als een vuile modderpoel, daar zij te voren gretig uit dronken; en nu is dat alles hun grootste droefheid en last, dat zij zoveel van de oude mens moeten omdragen; en zo doet hen dat vele tranen uit de ogen persen, en met Paulus roepen: "Ik ellendig mens! wie zal mij verlossen?" Zulke lieden zijn enigerwijze (om zo te spreken) als half verlost, welke gevoelig geworden zijn aangaande de slavernij, zuchten en hijgen naar een Verlosser; de dag van hun volkomen bevrijding is nabij.

U allen bent hiervan getuigen, dat er sommigen zo bevrijd zijn, maar zij zijn inderdaad wonderen en tekenen voor de wereld; hun bloedverwanten en magen, hun vrienden en geburen staan verwonderd, wat hun overgekomen is. Zij achten het vreemd, dat zij niet met hen wandelen en uitlopen naar de uitgieting van dezelfde overdadigheid. Maar wie u ook bent, die van onder de slavernij van de zonde ontvloden bent, verwonder u over de wereld die zo uitzinnig loopt tot haar eigen verderf. Acht het vreemd, dat u zolang met haar riep, en dat allen niet met u lopen willen in deze liefelijke wegen. Acht het vreemd, dat u zo traag loopt, daar zo’n grote prijs te verkrijgen is, namelijk een onverderfelijke en onverwelkelijke kroon.

Indien het doden en kruisigen van de lusten van het vlees, en het sterven aan de wereld en aan uzelf, u zeer hard en onvermakelijk toeschijnt; indien het u is als het uitsteken van uw oog en het afhouwen van uwe hand, weet dan, dat de verdorvenheid nog veel levendiger is en veel kracht in u heeft. Doch bedenkt, dat indien u maar zoveel genade en moed kunt hebben, dat u die lusten doodt en kruisigt, zonder dwaze en schadelijke meedogendheid; indien u die overwinning over uzelf kunt krijgen, dat u geen verlies zult doen; u zult achterna geen berouw hebben. Het sterven aan onszelf en aan de wereld, het doden van de zonde binnen in ons, o! dat baant de weg tot een leven, hetwelk verborgen is voor de wereld. Een uur daarvan is beter dan vele eeuwen in zondige vermakelijkheden. Wakkert uzelf dikmaals aan met deze gedachte, dat er een waar leven na zo’n dood is, en dat u tot dat leven niet kunt overgaan, dan door de schaduw des doods van uwe lusten; bedenkt, dat u slechts uwe vijanden doodt, die u omhelzen, opdat zij u konden verworgen; wekt uzelf dan op met deze opmerking, dat het leven van de zonde uw dood zal zijn; het is beter zonder deze begeerlijkheden ten hemel te gaan, dan met die naar de hel te varen.

 

 

9e Predikatie, Rom. 8:2

Want de wet des Geestes des levens in Christus Jezus heeft mij vrijgemaakt van de wet der zonde en des doods.

Hetgeen de verlossing van de mensen, van de tirannie van de zonde en des dode, zeer zwaar en ten enenmale onmogelijk maakt voor de natuur, is: dat de zondaars zich eraan hebben overgegeven, alsof het was vrijheid was; dat de wil en genegenheden van de mensen zijn overwonnen; en dat de zonde haar heersende troon aldaar gevestigd heeft. De overwinnaars overvallen de mensen tegen hun wil, en zo regeren zij tegen hun wil; zij houden de mensen in onderdanigheid door vrees en niet door liefde; en wanneer hun enige gelegenheid zich aanbiedt, zijn zij blij dat zij het juk van onwillige gehoorzaamheid kunnen afwerpen. Maar de zonde heeft eerst het oordeel van de mensen overwonnen, door het te verblinden, het oog van het verstands uitstekend, en daarna heeft ze de genegenheid van de mensen ingenomen, en aan haar zijde overgehaald, en daardoor houdt ze alles in een zeer gewillige gehoorzaamheid. Nu, wat voor hoop is er dan van verlossing, wanneer de gevangene zijn slavernij voor vrijheid rekent, en zijn gevangenis een paleis acht te zijn? Welke verwachting van vrijheid is er, wanneer alles dat van binnen is samenspant, om de tirannieke heerschappij van de zonde staande te houden tegen allen, die het zou willen uitstoten uit haar heerschappij, alsof zij dodelijke vijanden waren?

Toch is er een verlossing mogelijk, maar een zodanige, die nooit in het hart van de mensen zou opgekomen noch verbeeld zijn, en zij wordt hier uitgedrukt: "de wet des Geestes des levens", enz. Deze woorden maken ons duidelijk, hoe en door welk middel wij vrij kunnen gemaakt worden. Het is zeker, niet door enige macht binnen of buiten ons; de zonde is sterker dan die allen, omdat de zijn troon van binnen is, ver buiten het bereik van alle geschapen vermogens. Daar kunnen door de mensen wel enige middelen gebruikt worden, om die uit de buitenwerken van de uitwendige mens uit te slaan, om ze uit de buitenste ledematen te drijven, enige middelen, om de zonde in te binden, dat zij zo grof niet uitbreekt. Maar daar is niemand, die de ziel van binnen kan belegeren, of het verstand en de wil bestormen; waar de zonde haar voornaamste woonstede heeft, daar is zij ontoegankelijk en onoverwinnelijk door enige menselijke kracht. Geen smekingen en overredingen, geen verschrikkingen noch bedreigingen, kunnen haar te boven te komen. Zij kan noch met geweld bestormd, noch door kunst ondermijnd worden, omdat zij binnen de geest van het gemoed is, totdat eindelijk enige andere Geest, sterker de onze geest, komt. Totdat de Geest des levens, die in Christus is, komt, de sterke bindt, en alzo de arme ziel vrijmaakt.

U hebt gehoord, dat wij onder een wet des doods en onder de macht van de zonde waren. Nu is er een andere wet, tegenover die wet, en een macht om die macht te overwinnen. U mag inderdaad wel vragen, door welke wet of op welk gezag kan een zondaar, die door Gods gerechtigheid ter dood en verdoemenis verbannen is, ontslagen worden? Is er enige wet boven Gods wet en boven het vonnis van Zijn gerechtigheid? De apostel antwoordt, dat er een wet boven en na die wet is: "de wet des Geestes des levens." Jezus Christus stelt wet tegen wet, de wet des levens tegen de wet des doods, het Evangelie tegen de wet, het tweede verbond tegen het eerste. Het is dan aldus: Jezus Christus, de eeuwige Zoon van God, vol van genade en waarheid, kwam in de plaats van de mens, wanneer de wet en het vonnis des doods over alle mensen gestreken was, en er geen verwachting was van de voorwaarden van het eerste verbond, dat er enige vrijspreking of verwachting zou zijn van de gestrengheid daarvan. En Hij verkreeg dit, dat zo velen als God ten leven uitverkoren had, hun zonden en hun straf op Hem zouden gelegd worden. Zo werd Hij tot dat einde ons vlees deelachtig, opdat Hij voor ons een vloek zou worden, en zo ons van de vloek verlossen. Hebbend aldus aan de gerechtigheid voldaan en het vonnis van de dood volbracht, door de dood te ondergaan, heeft God Hem verhoogd tot een Vorst en Zaligmaker en tot een Hoofd van alles. Tot vergelding voor dit groot en belangrijke werk, aan Hem door Zijn Vader te doen gegeven, is Hem al het gericht in handen gegeven, en zo zendt Hij en roept uit een andere wet in Zion, een ander vonnis, namelijk van leven en vrijspreking, tot allen en over allen, die in Zijn naam geloven.

Dus ziet u, dat de wet des doods is afgeschaft door een nieuwe wet des levens, omdat onze Heere en Zaligmaker is geworden onder de wet des doods, en daaronder geleden en er aan voldaan heeft, opdat al Zijn zaad daarvan zou bevrijd worden, en onder een levengevende wet zou komen, zodat het blijkt waarachtig te zijn, wat in het begin gezegd is: er is geen verdoemenis voor degenen, die in Christus zijn. Er is geen wet, noch geen gerechtigheid tegen hen.

Maar dan is er nog een andere zwarigheid in de weg, even groot als de vorige; al is er zo’n wet en vonnis van leven en vrijspreking in het Evangelie, in Christus’ Naam, zo zijn wij "toch dood in zonden en misdaden." Wij kennen noch gevoelen onze ellende niet. Wij kunnen niet komen tot een Verlosser. Gelijk er een wet des doods boven ons hoofd is, zo is er een wet van de zonde binnen in ons hart, welke ons beheerst, en gebiedt. Er is noch wil noch macht, om daarvan weg te lopen Het is waar, het leven en de vrijheid wordt in Christus gepredikt aan allen, die tot Hem komen om het leven. Vergeving van de zonden wordt aan allen gepredikt, die de heerschappij van de zonde verwerpen en verzaken. Maar hier is de zwarigheid: hoe kan een dode ziel zich bewegen, opstaan en wandelen? Hoe kan een slaaf van de zonde en een gewillige gevangene die verlaten, wanneer hij het willen noch het volbrengen niet heeft?

Waarlijk, indien het alles voor ons verworven was, indien het eeuwige leven en de vergeving van de zonden ons nabij gebracht was, en al het werk naar ons genoegen gedaan was, en dit alleen ontbrak er; indien de voorwaarden alzo waren geweest: "Ik heb het eeuwige leven verworven, nu staat op en omhelst het uit uzelf", gewis, het werk zou niet gelukken. Christus zou alles verliezen wat Hem gegeven was, indien het gewicht van onze zaligheid gehangen had aan onze aanneming. Daarom is ook hierin wel voorzien en zorg gedragen, dat er een kracht zou zijn, om die kracht van de zonde te overwinnen, een Geest des levens in Christus, om de dode zondaars levend te maken, om hen op te wekken, en om hen tot Hem te trekken. En zo heeft de tweede Adam dit voorrecht boven de eerste, dat Hij niet alleen een levendige ziel in Zichzelf is, maar ook een levendmakende Geest voor allen, die Hem van de Vader gegeven zijn. 1 Kor. 15:45.

Zo dan, gelijk Christus een schone wet voor Zich heeft aan Zijn zijde, om ons van de dood te verlossen, alzo heeft Hij kracht en sterkte in Zich om onze verlossing van de zonde te volmaken; gelijk Hij een schone wet heeft om de ketenen van de verdoemenis los te maken, om het gevelde vonnis tegen ons te vernietigen, zonder nadeel aan Gods gerechtigheid te doen. Aangezien Hij er ten volle aan genoeg gedaan heeft in onze naam, is Hem genoegzame kracht gegeven, om de boeien van de zonde van ons af te lichten. Wanneer Hij de prijs betaald en de Vader genoeg gedaan heeft, zodat de gerechtigheid niets meer kan eisen, heeft Hij dan nog met een vijand te handelen? De satan heeft de zondaars gebonden met koorden van zijn eigen begeerlijkheden, in een gevangenis van duisternis en ongeloof. Zo komt dan Jezus Christus uit om deze vijand te overwinnen, en om Zijn uitverkorenen te verlossen van dat onrechtvaardig geweld en onrechtmatig bezit van de zonde, om hen door een sterke hand uit de gevangenis te brengen. En daarom is Hij een held, en Één, Die machtig is volkomen zalig te maken; die zowel kracht heeft om het te doen, als Hij er recht toe heeft.

Let dan, mijn geliefden! op deze twee zaken, die de borsten van onze vertroostingen en het fondament van onze hoop zijn. Wij waren eens en ten enenmale verloren en verdorven, beide ten opzichte van Gods gerechtigheid, en van onze eigen uiterste onmacht om onszelf te helpen, welke door onze eigen onwilligheid versterkt is, en dus hebben wij het werk nog wanhopender gemaakt. Nu, God heeft een recht gepast geneesmiddel daargesteld. Hij heeft hulp besteld bij Één Die waarlijk een Held is, Die een almachtige kracht heeft, en door Zijn sterkte eerst streed en worstelde met de straf van onze zonden en met Zijns Vaders toorn. Hij heeft die overwonnen, weggenomen en voldaan, en alzo heeft Hij voor ons een recht verkregen, om de zaligheid te geven aan wie Hij wil. Hij overwon en verkreeg dat opperste gezag over leven en dood. Hebbend dan dit gezag op Zijn persoon gevestigd, was Zijn eerste werk, dit verworvene toe te passen, en dit leven dadelijk toe te brengen. En daarom heeft Hij een Almachtige kracht, om dode zondaars op te wekken, om ons te verlossen van de tirannie van de zonde en van de satan, van wie wij de slaven zijn. Hij heeft een Geest des levens, die Hij aan Zijn zaad meedeelt. Hij blaast Die in de zielen, waar Hij voor gestorven is. En die krachtige verdorvenheid die in ons woont, drijft Hij uit de bezitting. Hierdoor is het, dat zij "naar de Geest wandelen," al zijn zij in het vlees, omdat de machtige Geest van Christus in hen gegaan is, en van hun geest bezitting genomen heeft. Jes. 59:20,21.

Laat ons niet moedeloos worden in ons besef van Christus, als wij op onze diep vervallen en wanhopige staat zien. Laat ons niet besluiten, het is buiten hoop en het is boven Zijn hulp. Wij roepen dit in Jezus Christus’ Naam uit: er is geen zondaar, hoe rechtvaardig ook liggend onder het vonnis van de dood en van de verdoemenis, of hij kan in Hem losmaking van dat vonnis vinden, en dat zonder de gerechtigheid van God te benadelen; en dit is een wonderlijke grond van troost, die onze zielen kan bevestigen, 1 Joh. 1:9, namelijk deze; dat wet en gerechtigheid aan Christus’ zijde is, en dat niets een zondaar kan beschuldigen of tegen hem pleiten, die Christus voor zijn Middelaar gebruikt. Maar weet dit ook, dat u niet van de dood verlost bent, opdat u onder de zonde zoudt leven. Neen, maar u bent van de dood verlost, opdat u bevrijdt zoudt worden van de wet van de zonde. Doch dat moet gedaan worden door Zijn Almachtige Geest, en het kan niet anders geschieden.

Ik weet niet, welke van die twee de grootste stof van vreugde is: of dat er in Christus een verlossing van Gods toorn en van de hel is, of dat er ook een verlossing is van de zonde en de verdorvenheid die in ons woont. Maar dit weet ik zeker, dat zij beide zeer zoet en troostelijk zullen zijn voor een gelovige; en zonder die beiden was Christus geen volkomen Verlosser en wij niet volkomen verlost. Ook zou geen gelovige ziel, waarin enige mate is van deze nieuwe wet en van dit Goddelijk leven vergenoegd zijn, zonder die beiden te bezitten. Velen zijn jammerlijk bedrogen in hun begrip van het Evangelie. Zij vatten het zo, alsof het niets anders was dan een uitroeping van vrijheid, van ellende, van dood en van verdoemenis. En zo grijpt het merendeel nergens anders naar in het Evangelie, en daaruit nemen zij vrijheid, om naar hun vorige lusten en wijze van leven te wandelen. Dit is het droevige practicale gebruik, dat het merendeel van de toehoorders maken van de genadige vrije bekendmaking van pardon en vergeving van de zonden en verlossing van toom. Zij ontvangen enig algemeen begrip daarvan, en staan daar bij stil, zij onderzoeken niet, wat er verder is in het Evangelie. En zo ziet men, dat de slaven van de zonde voorgeven en belijden een zekere hoop te hebben, van vrijheid van de dood. De dienstknechten en onderdanigen van de verdorvenheid, die volgens deze wereld wandelen, en die de begeerlijkheden en losten van hun vlees en van hun gedachten volgen, deze beelden zich in, een vrijheid van verdoemenis te hebben. Mensen die in de zonde leven, denken evenwel de toorn Gods te ontgaan; welke dromen bij de mensen geen houvast zouden hebben, indien zij de gehele waarheid indronken, en zij hun beide oren voor het Evangelie openden, indien hun oren niet te nauw en te bepaald waren, en zo de ene helft van het Evangelie, dat s: de verlossing van zonde uitsloten.

Er is nog te veel hiervan zelfs in de kinderen van God, een wonderlijke engte van de geest, die geen gehele en volkomen waarheid inlaat. Vaak gebeurt het, dat wanneer wij aan de bevrijding van dood en toorn denken, wij ondertussen het doel en oogmerk daarvan vergeten, hetwelk is: dat wij zou bevrijd worden van zonde, en dienen de levende God zonder vrees. En indien wij eens gaan letten op, en onze gedachten bezig houden met de vrijheid van de wet van de zonde, en op de overwinning van de verdorvenheid, dan is er zo’n bekrompenheid en engte van onze geest, dat wij de gedachtenis van de verlossing van dood en verdoemenis in Jezus Christus vergeten. En zo worden wij geslingerd tussen twee uitersten, het drijfzand van vermetelheid en zorgeloze dartelheid, en de klippen van ongeloof en wanhoop, of moedeloosheid, welke beide het leven van een Christen doden, en alles doen bezwijken en verwelken.

Maar dit is de weg, en de enige weg, om de ziel in een goede staat te houden, door deze twee zaken ons gedurig voor ogen te houden: dat wij verlost zijn van de dood en ellende door Christus, en dat niet om onszelf te dienen, of om in onze zonden te blijven, maar opdat wij zouden verlost worden van die zonde, die in ons woont, en dat die beiden zijn verworven door Jezus Christus, en gedaan door Zijn kracht, de ene in Zijn persoon, de andere door Zijn Geest binnen in ons.

Ik wilde wel, dat u uw verkeerde bevatting van het Evangelie verbeterde. Ziet zozeer niet op de overwinning en vrijheid van de zonde, als een plicht en een opgelegde last, hoewel wij er oneindig toe verbonden zijn. Maar ziet er veel meer op, als een voorrecht en waardigheid, die Christus ons toegebracht heeft. Ik zeg, ziet er niet alleen op als uw plicht, gelijk velen doen, en door dat middel worden zij moedeloos wegens het gezicht van hun zwakheid en machteloosheid, als zijnde te zwak voor zo’n sterke partij. Maar ziet er op als de ene, en de grootste helft van de weldaad, die ons door Christus dood is toegebracht, als de grootste helft van de verlossing, die de Verlosser ambtshalve verbonden is te volbrengen. "Bij Hem is veel verlossing. En Hij zal Israël verlossen van al zijn ongerechtigheid." Ps. 130:7,8. Dit is de overvloed, dat is de genoegzaamheid ervan, dat Hij niet alleen van ellende verlost, maar ook van ongerechtigheid, ja van alle ongerechtigheid.

Ik zou de ziel van de gelovigen niet willen begeren in een betere gestalte hier op aarde, dan deze, dat hij op de inwonende zonde zag als zijn dienstbaarheid, op de verlossing daarvan, als zijn vrijheid; dat hij zichzelf zover vrij rekende, als de vrije Geest van Christus in zijn hart gaat, en die vrije wet de liefde en gehoorzaamheid daar inschrijft, en de snode merktekenen van de vlekken van de zond uitwist. Het was een goede gemoedsstemming, zuchtend te zijn om de verlossing voor de ziel; en daarom zucht een gelovige om de verlossing van het lichaam, omdat hij dan geheel bevrijd zal worden van de wet van de zonde, en van de tegenwoordigheid van de zonde.

Ik ken geen grotere beweegreden voor een begenadigd hart, om zijn verdorvenheid ten onder te brengen, en te strijden om de vrijheid van de wet van de zonde, dan de vrijheid, die verkregen is van de wet des doods. Ook is er geen duidelijker teken en bewijs, dat een ziel van de dood verlost is, dan dat ze strijdt om de vrijheid van de geest van de wet van de zonde. Deze twee helpen elkaar: vrijheid van de dood zal het hart van een Christen opwekken, om naar vrijheid van zonde te staan. En wederom, vrijheid van zonde zal getuigenis en blijk geven, dat zo één van de dood verlost is. Wanneer de vrijheid van de dood een aandrijving en beweegreden is, om te staan naar vrijheid van de zonde, en de vrijheid van de zonde een verklaring is dat men vrij is van de dood, dan is alles wel. En waarlijk, zo zal het zijn met iedere ziel in meerdere of mindere mate, die door deze nieuwe wet van de Geest des levens is gemaakt; want de ingang van deze wet des Geestes drijft het recht strijdige daarvan, de wet van de zonde, uit.

En waarlijk de wet moet in het hart ingaan, het gebod en de belofte moet in de ziel gaan, en de hartstochten van de ziel moeten erdoor levend gemaakt worden, of liever de ziel moet in de gelijkenis van die vorm gegoten en veranderd worden, of anders zal het hem niet met al rijker maken, of hij de wet heeft in een boek, of in zijn geheugen en verstand. Een Christen ziet naar het voorbeeld van de wet, en naar het Woord des Evangelie, dat buiten hem is; maar hij moet door dezelve to beschouwen, veranderd worden naar deszelfs beeld; en zo wordt hij een levende wet voor zichzelf. De Geest en de praktijk van Christus, waarin Hij navolging vereist, schrijft deze geboden op de vlezen tafelen van de harten. En nu is de weg geen roede boven zijn hoofd, gelijk boven een slaaf, maar zij wordt omgekeerd in en wet van liefde binnen in zijn hart, en zij heeft er eveneens een natuurlijke ingeving en aandrift in.

Alles wat de mensen kunnen doen, hetzij aan zichzelf, hetzij aan anderen, zal niet verkrijgen de minste mate van vrijheid over de overheersende verdorvenheden; het kan hen niet van hun zonden verlossen, totdat de vrije Geest, welke blaast waar Hij wil, komt. Het is onze plicht en werk, de zeilen op te halen, en op de wind te wachten, de middelen te gebruiken; op Hem te wachten, op Zijn weg en order; maar alles zal tevergeefs zijn, totdat deze sterke komt, en de sterkgewapende uitwerpt, totdat deze vrijwillige en vrije wind van de hemel waait, en de zeilen vult.

 

10e Predikatie, Rom. 8:3

Want hetgeen der wet onmogelijk was, dewijl zij door het vlees krachteloos was, heeft God, Zijn Zoon zendende in gelijkheid des zondigen vleses, en dat voor de zonde, de zonde veroordeeld in het vlees.

Het grootste plan dat God ooit had in de wereld, is zeker het zenden van Zijn Zoon erin. En het moet noodzakelijk iets groots zijn, dat zo’n voortreffelijk en heerlijk Persoon uit de hemel deed komen. Het beramen en toestellen van de wereld was een diep stuk van wijsheid en goedheid; het maken van de mensen naar Gods beeld geschiedde door een hoge en heerlijke raad. "Laat Ons mensen maken naar Ons beeld." Daar was iets zonderlings in deze uitdrukking, te kennen gevende enige bijzondere voortreffelijkheid in het werk zelf, of enige bijzondere diepte van oogmerk daar omtrent.

Maar wat dunkt u van die beraadslaging? "Laat één van Ons mens gemaakt worden, naar des mensen beeld en gelijkenis;" dat moet een wonderbaarlijk stuk van wijsheid en genade zijn: "Groot is de verborgenheid der godzaligheid: God geopenbaard in het vlees," —geen wonder, dat Panlus dit uitriep als een die verslonden was met deze verborgenheid; want in waarheid, het moet iets vreemds zijn, boven al wat in de schepping is, waarin vele verborgenheden zijn, die machtig zijn alle verstanden te verslinden en te verrekken, behalve dat verstand, waarin zij eerst geformeerd waren. Dit moet het voornaamste van Gods werken zijn, het zeldzaamste stuk van die allen: dat God mens werd, dat de Schepper van allen komt in de gelijkenis van een schepsel, dat Hij door Wie alle dingen geschapen zijn en nog bestaan, komt in de gelijkenis van de allerellendigsten van allen.

Het is wonderlijk dat onze gedachten en genegenheden niet meer gevestigd zijn door dit onderwerp. Wij geloven het niet, want zo wij het geloofden, wij konden niet anders, dan in verwondering daarover verrukt worden. Johannes, de geliefde discipel, die menigmaal de naaste aan Christus was, dacht hier veel over na, en hij maakte het tot de stof van zijn prediking: "hetgeen van de beginne was, hetgeen wij gehoord en gezien, en met onze handen getast hebben, enz." 1 Joh. l:1. Hij spreekt van die verborgenheid, alsof hij Jezus Christus in zijn armen omhelsde, en Hem voorstelde aan anderen, zeggend: "komt, en ziet."

Deze Goddelijke verborgenheid is het onderwerp van de voorgelezen woorden; maar de verborgenheid wordt u er een weinig in ontvouwd en opengelegd, doch zo, dat ze niet zal verminderen, maar veeleer vermeerderen de verwondering van een gelovige ziel. Het is de onwetendheid die andere verborgenheden groot maakt, welke door de kennis gering worden; maar het is de ware kennis van deze verborgenheid, die ze wonderbaarlijker maakt, daar de onwetendheid alleen het gewoon en veracht maakt.

Drie dingen zijn er dan bijzonder op te merken in deze woorden, welke u iets van deze verborgenheid kunnen verklaren en openleggen. Eerst: welke de grond en de rede of gelegenheid was, dat de Zoon in de wereld werd gezonden. Ten andere: wat de Zoon, gezonden zijnde op de aarde, daar gedaan heeft. En ten derde: tot welk einde en gebruik het was; welke vrucht wij er door hebben.

De grond en rede, dat God Zijn Zoon zond, is, omdat er bij de wet een onmogelijkheid was om de mens zalig te maken, welke onmogelijkheid niet was in de wet zelf, maar door het gebrek van de mens, vanwege de zwakheid en machteloosheid van ons vlees om de wet te vervullen. Nu alzo God enige tot het leven uitverkoren had, en de mens deze hinderpaal in zijn weg gelegd had, die het voor de wet onmogelijk maakte om hem het leven te geven, hoewel zij in het eerst gegeven was als de weg des levens; daarom is het, dat God, opdat Hij in zijn heerlijk plan om Zijn uitverkorenen zalig te maken niet zou feilen, verkoos Zijn Eigen Zoon te zenden in de gelijkheid des zondigen vleses als het enige hulpmiddel tegen de onmogelijkheid van de wet.

Ten andere: hetgeen Christus, gezonden zijnde in de gelijkheid van het vlees, deed, is de veroordeling van de zonde in het vlees, door een slachtoffer voor de zonde opgeofferd, namelijk de offerande van Zijn eigen lichaam, aan het kruis. Hij kwam in de gelijkheid, niet enkel vlees; want Hij was waarlijk een mens, maar in de gelijkheid des zondigen vleses," hoewel zonder zonde, evenwel gelijk een zondaar. Ten opzichte van de uiterlijke gedaante was Hij als een zondaar, omdat Hij aan al die zwakheden en ellenden onderworpen was, voor welke de zonde eerst de deur opende. De zonde was de inlating van alle ellenden, van lichamelijke zwakheden en noden, en van de dood zelf; en wanneer Christus’ menselijke natuur daarmee overstroomd werd, zo was het een grote proef en blijkbaar bewijs voor de wereld, welke ziet en oordeelt naar de uiterlijke schijn, dat de zonde de sluis was, geopend, om zo’n overstroming van zwarigheden in te laten. Nu wanneer Hij aldus was in de gelijkenis van een zondaar, hoewel Zelf geen Zondaar, heeft Hij voor de zonde, dat is: vanwege de zonde, die in de mens gekomen was, en het leven voor hem door de wet onmogelijk had gemaakt, bij gelegenheid van die grote vijand Gods, die het menselijk geslacht overwonnen had, "de zonde veroordeeld in Zijn vlees." Hij heeft ze in hun eis en kracht tegen ons neer geveld; Hij veroordeelde hetgeen ons veroordeelde, Hij overwon ze in het gericht, en maakt ons vrij, door de vloek ervan in Zijn vlees te dragen; Hij sneed af al de eis van de zonde tegen ons. Dit is het grote werk, hetwelk zo’n edele gezant, Zijn eigen Zoon paste, van God gezonden, om Zijn grootste vijand, die Hij het meeste haatte, te overwinnen.

En dan in de derde plaats, ziet u hier welk goed of vrucht ons daardoor toekomt. Wat was het doeleinde en oogmerk van dit werk? vs. 4. "Opdat het recht van de wet in ons vervuld zou worden." Opdat, aangezien het ons onmogelijk was, het recht van de wet te vervullen, het door Hem in onze naam zou vervuld worden; en opdat zo het recht van de wet door Christus in ons vervuld zijnde, de vergelding van het eeuwige leven ook aan ons door de Wet mocht vervuld worden: opdat wanneer Hij de hinderpaal van onze zwakheid geweerd had, het voor ons niet alleen mogelijk, maar zeker zou zijn.

Gij dient dan op te merken waarom Christus kwam. God maakte in het eerst een verbond met de mens, hem belovend het leven op volmaakte gehoorzaamheid aan Zijn wet, en de dood en verdoemenis dreigend op de overtreding ervan. Zo ziet u, welke de weg van het leven voor Adam was in de staat der rechtheid. Hij was bekwaam gemaakt om de wet te voldoen door gehoorzaamheid, en de wet was genoegzaam geschikt om hem te voldoen, door aan hem het leven te geven. Gods beeld op ‘s mensen ziel onderwees hem genoegzaam tot het ene, en de belofte van de Heeren aan Hem gedaan, was ook even genoegzaam om het andere te volbrengen; zodat er toen geen onmogelijkheid was bij de wet, vanwege de kracht, die God aan de mens gaf. Maar het duurde aldus geen lange tijd; de zonde komende in de mens, maakte hem ten enenmale ongeschikt; en omdat de kracht van dat verbond bestond in die onderlinge samenwerking van Gods belofte en ‘s mensen gehoorzaamheid zo werd, omdat die verbroken werd, en de ene partij afviel, dat leven en die zaligheid onmogelijk voor de belofte alleen, om die uit te werken. Het is de zonde, die de zwakheid en machteloosheid van de mens is; dit is de ziekte, die zijn kracht verteerd heeft, en de mens onder een tweeërlei onmogelijkheid besloten heeft: een onmogelijkheid, om te voldoen, en een onmogelijkheid, om het gebod te gehoorzamen.

Drie dingen zijn er, in het verbond der werken: een gebod van gehoorzaamheid, een bedreiging van toorn en verdoemenis op ongehoorzaamheid, en een belofte van leven op gehoorzaamheid. De zonde heeft ons op allerlei wijze onmachtig gemaakt; de mens kan ten opzichte van de vloek en bedreiging, het niet voldoen; daar is geen prijs noch rantsoen te vinden voor de ziel, "want de verlossing is te kostelijk, en zal in eeuwigheid ophouden". Die vloek bevat oneindige toorn in zich, welke de eindige mens noodzakelijk verslinden moet. En dan ten opzichte van het gebod is er zo’n verdorvenheid en bevlekking uit kracht van de eerste zonde, dat juist datgene waar de sterkte van de mens in lag, hetwelk Gods beeld was, is afgesneden en weggenomen, zodat het voorts onmogelijk is geworden enige aangename gehoorzaamheid aan het gebod te geven. En daaruit is het dat er wegens onze onmogelijkheid, om in de toekomende tijd te gehoorzamen, een heilige en onschuldige onmogelijkheid is bij de belofte, om aan het menselijk geslacht het leven te geven. Zo ziet u, dat de wet het niet doen kan vanwege onze zwakheid. Indien de mens, toen hij oprecht was in gehoorzaamheid had voortgegaan; of zo de mens, nu gevallen zijnde, met zijn oprechtheid de begane fout kon voldoen, en onstraffelijk kon wandelen voor het toekomende, was het voor de wet doenlijk ons het leven te geven; maar het ene is niet gedaan, en het andere kan nu niet gedaan worden, en zo valt de onmogelijkheid om het leven te verkrijgen door de werken op ons, en het is onze schuld, als die niet wilden toen wij konden gehoorzamen, en nu willen wij noch kunnen wij niet gehoorzamen.

Zo kunnen wij duidelijk zien, dat alle mensenkinderen noodzakelijk moeten verloren gaan, voor zoveel een mens zelf ertoe doen kan, en volgens die eerste onderhandeling van God met de mens, tenzij er een andere weg en raad uitgevonden werd, welke zeker ver boven het gezicht van alle levendigen af was, en buiten het bereik van hun uitvinding of verbeelding. Ik geloof, indien al de schepselen, hoge en lagen, die enige redenen hebben, waren samengekomen, om over dit werk te raadplegen hoe zij de breuk zouden opmaken, die door de zonde van de mensen in de wereld gemaakt was, zij zouden hun hersenen gebroken en tot in alle eeuwigheid zich gepijnigd hebben iets uit te vinden, en nochtans zouden zij nooit hebben gevallen op een mogelijke weg, om deze breuk te helen. Zij zouden een klacht opgeheven hebben, niet gelijk de beklagers van de bouwvallen van Babel: "wij wilden u genezen hebben, maar u wilde niet;" maar veeleer: wij wilden u genezen, maar wij konden niet en u wilde niet. Dit grote plan, waarvan hier gewag gemaakt wordt, de bres toe te muren, door datgene, waardoor zij gemaakt was te verbreken en te niet doen, lag in de diepte van Gods wijsheid en van Zijn eeuwige raad verborgen, totdat het Hem geliefde Zelf het voort te brengen en bekend te maken aan de arme, verloren en wanhopende mens, die uit wanhoop van herstel weggelopen was, om zich te verbergen. Voorwaar een slechte uitvlucht, dat hij ging denken, dat hij zich voor Hem kon verbergen, voor Wie de duisternis is gelijk het licht, en van Hem afvlieden, Wiens Koninkrijk over alles is, en Die tegenwoordig is in al de afdelingen van Zijn algemeen Koninkrijk, in de hel, in de hemel, in de uiterste hoeken van de aarde; maar deze slecht gekozen vond toont hoe hopeloos zijn geval was.

Hoewel dit het geval en de staat van de mens van nature is, zo is het nochtans wonderlijk om te zien, dat een ieder van nature zijn eigen verlossing onderneemt; en dat hij zich een mogelijkheid, ja een zekerheid voorstelt, van hetgeen zo onmogelijk is, namelijk: het verkrijgen van het leven door zichzelf, volgens de wet en naar het eerste verbond der werken. Hoewel onze kracht vergaan is, nochtans staan de mensen op gelijk Simson, en menen te wandelen en zich op te wekken gelijk in vorige tijden, alsof hun kracht nog bij hen was. Velen beseffen zelfs niet eens, dat ze weg is, totdat ze door de satan aangegrepen worden, volgens de last van de wet, en gebonden worden in de ketenen van eeuwige duisternis; maar dan helaas! is het te laat; want zij kunnen zichzelf niet behouden, en de welaangename tijd van een Zaligmaker is voorbij; en dat zal ongetwijfeld een groot bijvoegsel zijn van de bitterheid en pijniging, waarin de verdoemde zielen zullen zijn, dat zij droomden van het leven te verkrijgen door een wet, die niet anders is dan een bediening des doods, en dat zij het leven verloren door hun eigen gerechtigheid te zoeken: dat zij de wet machtiger maakten om hen te verdoemen, door zich in te beelden, dat zijzelf de macht hadden, om eraan te voldoen, en door te berusten in een uiterlijke vorm en gedaante van gehoorzaamheid eraan.

Daar is in zo te doen iets natuurlijks. Adam en zijn nakomelingen moesten eens op deze wijze hun zaligheid zoeken, zo waren de voorwaarden in het eerst: doet dat en leeft. Geen wonder, dat er iets van die indruk is behouden gebleven. Maar hetgeen in Adam een deugd was, omdat hij zijn oprechtheid behield en zijn plicht nakwam, is in ons een grote fout en vermetele uitzinnigheid, die van die zalige staat vervallen zijn. Indien de mens, terwijl hij zijn plicht doet, een beloning verwacht volgens de belofte, was het prijselijk; maar dat nu een mens, die weerspannig en hardnekkig is en de heerlijkheid van God derft, van God een beloning tegemoet ziet, tegen Wie hij gedurig oorlog voert, en dat voor zijn rebellie en vijandschap, dat is verdoemelijk.

Maar ik oordeel, dat dit beginsel van eigengerechtigheid nu in de mens veel verdorven is, bij wat het in Adam was. Ik oordeel, al verwachtte Adam het leven op zijn gehoorzaamheid volgens de belofte, nochtans berustte noch vertrouwde hij niet op zijn gehoorzaamheid. Ik geloof, dat een heilig en rechtvaardig mens ook een nederig mens zou zijn, en dat hij veeleer zou roemen in Gods genade, dan in zijn werken; het gevoel, dat de belofte vrij en onverdiend was, zou hem niet zoveel toelaten terug te zien naar zijn eigen gehoorzaamheid, of zo’n prijs daar op stellen. Maar nu is het vergezeld met onmetelijke hoogmoed, en het komt alleen voort uit dwaze eigenliefde Daar is geen andere grond, waaruit de mensen door hun eigen doen zalig verwachten te worden, dan de ingeboren hoogmoed en eigenliefde van het hart, met onkunde van een betere gerechtigheid. Adam verborg zich onder de bomen en bedekte zijn naaktheid met bladeren; en waarlijk, de verschoning en uitvlucht van het merendeel van de mensen is niet beter. Wat zijn het ijdele en ledige dingen waar de mensen op vertrouwen, en waaruit zij een verwachting van eeuwig leven besluiten. De meeste mensen menen veilig te zijn in het midden of in de dichte takken van de bomen van de kerk; indien zij maar in de drang van de zichtbare kerk zijn, en met kerkelijke voorrechten voorzien, gelijk daar zijn; de doop, het horen van het Woord, en dergelijke. Zij beelden zich daarop in, dat alles wel is. Enige hebben burgerlijkheid en een onberispelijke wandel voor de mensen, en met zulke daden van rechtvaardigheid, of liever met gemis van enige grove uitbrekingen, dekken velen hun naaktheid. En indien er nog een wijder en fijner kleed van belijdenis van de godsdienst, en van enige uitwendige verrichtingen van godsdienst en van enige plichtplegingen omtrent de mensen, bijkomt; o! dan dringen de mensen de verzekering van ten hemel te komen aan hun harten op, zij menen dat hun naaktheid daar niet door kan gezien worden. Deze zijn deksels, dit zijn de gronden van het doel en recht, dat de mensen aan het eeuwige leven hebben; en ondertussen zijn ze onwetend van het wijde en heerlijke kleed van de gerechtigheid, dat Christus voor de naakte zondaren weefde, door Zijn gehoorzaamheid en lijden.

Maar gelijk de onmogelijkheid, dat de wet ons zou behouden, vanwege de zwakheden van het vlees, de grond en de gelegenheid was, dat Christus in het vlees kwam, om dat gebrek te vervullen, en om die onmogelijkheid weg te nemen. Zo is het gevoel en het gezicht de onmogelijkheid in ons, om de wet te voldoen, en te volbrengen, en van de wet om ons leven te geven, de eigen grond en reden, dat een ziel tot Christus komt, om dit gebrek te vervullen. Gelijk de Zoon niet zou gekomen zijn in de gelijkheid des zondigen vleses, tenzij het anders mogelijk was geweest dat het leven door het doen of lijden van de mensen zou verkregen zijn. Zo zal een ziel niet komen tot Christus, de Zoon van God, door het voorhangsel van Zijn vlees, tenzij zij bemerkt en gevoelt, dat het anders onmogelijk is de Wet te voldoen of het leven te krijgen. Dat was de bewegende oorzaak (indien wij mogen zeggen, dat er enige oorzaak was, behalve Zijn liefde) waarom Christus kwam, te weten: de ellende van de mensen, en hun reddeloosheid uit die ellende. En dit is de sterke beweegreden en aandrijvende oorzaak, die een zondaar naar Jezus Christus drijft, namelijk: het gevoelen en de indruk van zijn wanhopige en verloren staat zonder Hem.

Gelijk er eerst zonde was, en dan een Zaligmaker voor de zonde stervend, omdat er niets anders genoegzaam kon zijn tot behoudenis; zo moet er in de ziel eerst een besef van de zonde en van de reddeloosheid uit de zonde, en de ongeneeslijkheid ervan door eigen geschapen kracht of daad zijn, en dan moet het gezicht op een Zaligmaker zijn, komend om de zonde, het werk van de duivel, te verbreken en te vernietigen door eindelijk er voor te sterven. Deze Medicijnmeester krijgt geen toegang op ieder voorbijgaand besef van een wond of ziekte, totdat men ze ongeneeslijk vindt, en dat men ziet, dat het tevergeefs is elders hulp te zoeken. Het is waar, op het minste besef van zonde en ellende behoorden de mensen tot Christus te komen. Wij zullen geen maat van overtuiging stellen of voorschrijven, indien u maar waarlijk tot Hem komen kunt. Op de minste mate van die zult u niet uitgeworpen worden, volgens Zijn Woord; maar het is ook al zo zeker, dat de mensen tot deze Medicijnmeester niet komen zullen, voor dat zij geen ander vinden om hen te behouden.

Ik wenste, dat deze twee zaken diep en ernstig overdacht werden, te weten: dat u voor het minste punt van schuld aan Gods gerechtigheid niet kunt voldoen; en dan, dat u niets kunt doen in gehoorzaamheid, om God te behagen. Daar is onder ons een vreemde onbedachtzaamheid, onopmerkzaamheid, ja ik mag zeggen, onwetendheid. Wanneer u van zonde beschuldigd en overtuigd wordt, (gelijk er geen menselijke geweten zo vereelt is, of zij beschuldigt hem enigermate van vele misdrijven) welke weg gaat hij in om de geweten te bevredigen of God te behagen? Gewis, zo u maar enige schaduw van bekering kunt verkrijgen, al was het maar een enkele erkentenis van de misdaad, verontschuldigt u zichzelf in uw geweten, en u beantwoordt daar de beschuldiging mee. Of u komen enige andere goede werken, vroeger gedaan, te binnen, of enig voornemen om het in de toekomende tijd te verbeteren; en dat meent u, zal God tevreden stellen en Zijn gerechtigheid voldoen. Maar helaas! u bent ver van de gerechtigheid Gods, en u dwaalt zelfs in het eerste fondament van de godsdienst. Dit zijn maar spranken vuur van uwe eigen ontsteking en niettegenstaande dit alles, zult u in duisternis en smart neerliggen; dit zijn maar ijdele verwachtingen en verschoningen van natuurlijke gewetens, welke geleid worden tot enig gevoel van een Godheid, door de wet in hun hart geschreven. Maar merkt hier eens op: u moet voldoen aan de vloek van de wet, waaronder u bent, eer u in waarheid bekwaam bent om Hem te behagen door nieuwe gehoorzaamheid. Nu dan, indien u zoudt ondernemen te betalen voor uwe vorige verbrekingen van de wet, dat zal u voor eeuwig verwoesten; want u ziet, de straf is verlengd tot in eeuwigheid, voor degenen, die het alleen moeten ondergaan. Gaat dan en lijdt eerst de eeuwige toorn van een oneindige God, en komt dan, zo u kunt, en biedt uwe gehoorzaamheid aan.

Maar nu, u bent in een dubbele dwaling, welke beide verdoemelijk zijn; de eerste is: dat u meent bekwaam te zijn, om door bedachtzaamheid en goede voornemens, enige recht aangename gehoorzaamheid aan God te geven; de andere is: u denkt, dat de verrichting van gehoorzaamheid, en het verbeteren in het toekomende, uwe vorige overtredingen zal verzoenen. Indien een van beide waarachtig was, dan had Christus niet behoeven te komen in de gelijkheid van het zondige vlees, omdat het voor de wet mogelijk was geweest u zalig te maken. Maar de zaak is anders: de uiterste onbekwaamheid en machteloosheid van de mens is door de zonde zodanig, dat hij noch wil noch kan doen het minste goed, dat waarlijk goed en God behaaglijk is, omdat zijn natuur en persoon besmet is, en alzo is alles, wat hij doet, onrein. En dan, veronderstelt, dat het mogelijk was, dat een mens iets kon doen, in gehoorzaamheid aan Zijn bevelen, nochtans, omdat het ongetwijfeld is, dat alle mensen gezondigd hebben, moet er eerst voldoening aan Gods bedreiging geschieden: "gij zult de dood sterven," voor dat de gehoorzaamheid aangenaam is; —en dat is ook onmogelijk.

Dit geef ik dan op uwe gewetens, biddende, dat u de onmogelijkheid ter hart neemt, waarmee u van alle kanten omringd bent. Denkt u dat de gerechtigheid een rantsoen vereist, en u hebt er geen, en dat de gerechtigheid wederom nieuwe gehoorzaamheid vereist, en u kunt ze niet geven; dat oude schulden u drukken, en dat nieuwe plichten u aandringen, en u bent even onbekwaam tot beide; opdat u, zichzelf zo omringd van armoede, gebrek en onmogelijkheid van binnen bevindend, zo gedwongen mocht worden om uit uzelf te vlieden tot Hem, Die beide machtig en gewillig is. Dit is geen werk, dat zo terloops geschieden kan, gelijk u meent; het is geen stof van inbeelding of geheugen, of uitspraak, gelijk de meesten stellen. Gelooft mij, het is een ernstig werk, een zielewerk; het is zo’n oefening des geestes, gelijk er pleegt te zijn, wanneer de ziel tussen wanhoop en hoop is. Onmogelijkheid van binnen, drijvende een ziel uit zichzelf, en een mogelijkheid, ja zekerheid van hulp van buiten, namelijk in Christus, trekkende een ziel in tot Hem, zo wordt de vereniging gemaakt, die het fondament van onze zaligheid is.

 

 

11e Predikatie, Rom. 8:3

Want hetgeen der wet onmogelijk was, dewijl zij door het vlees krachteloos was, heeft God, Zijn Zoon zendende in gelijkheid des zondigen vleses, en dat voor de zonde, de zonde veroordeeld in het vlees.

Tot welk einde en oogmerk komen wij samen? Ik wilde wel, dat wij het wisten; want dan zou het tot enige meerdere nuttigheid zijn. In alle andere dingen zijn wij redelijk, echter doen wij geen zaak van gewicht, zonder enig doeleinde en oogmerk; maar helaas! in deze zaak van het grootste gewicht, het betrachten en waarnemen van de Goddelijke instellingen, daarvan hebben wij nauwelijks enige onderscheiden of welberaden gedachte, aangaande het doel en de oorsprong ervan. Dit is zeker, dat wij dit allen moeten belijden, dat alle andere bezigheden in ons leven bijna niet dienen tot het grote doel. De zaligheid van onze zielen, in vergelijking van die, in welke God enigerwijze de mensen ontmoet en bij hen komt wonen die hebben de naaste en onmiddellijke samenknoping met Gods eer en onze gelukzaligheid. En nochtans, zo ellendig en ongelukkig zijn wij, dat wij een soort van wijsheid en vlijtigheid in andere geringe dingen behartigen en najagen welke met het gebruik zullen vergaan, en geen grote uitstrekking hebben, om onze staat of beter of slechter te maken; en evenwel hebben wij noch wijsheid, noch opmerkzaamheid omtrent die grote en gewichtige zaak,—de zaligheid van onze zielen.

Is het niet hoog tijd, dat wij eens werden uitgedreven uit onze ledige ijdelheid en onredelijke trant, tot het betrachten van zulke plechtige plichten; wanneer Gods toorn reeds is ontstoken, en Zijn machtige arm de aarde verschrikkelijk doet schudden en ons uitdrijft uit al onze nesten van rust en troost, die wij in het schepsel bouwden? God eist een rederijke dienst; maar ik moet zeggen, de dienst van de meesten is onredelijk, en een beestachtig werk. Zij hebben weinig of geen opmerkzaam hart omtrent hetgeen waarmede zij bezig zijn, weinig of niet beogende, of behartigende enig voordeel van de ziel. Let er op geliefden! Wat gij doet, terwijl u zichzelf verderft met onkunde, met onbeproefdheid en onverstand omtrent een betere staat. Waaruit ontstaat het, dat u wel tevreden in uwe ellende leeft, en dat u geen levendige aandrift en uitgang hebt naar dit gezegende geneesmiddel? Het doel van onze samenkomst is voornamelijk om deze twee zaken te leren, en die al weer te leren, te weten: dat wij onze diepe ellende en dat gezegende geneesmiddel hetwelk God daar tegen bezorgd heeft, gevoelig zouden kennen. Dit is de korte inhoud van de Schrift, en wij wensen het u dagelijks voor ogen te leggen, och! of het de Heere eindelijk mocht behagen, ulieden uit uw droom op te wekken, en u in het licht van zijn zaligheid te doen leven.

Gij hoort hier van een zwakheid van het vlees, maar u diende het recht te verslaan: het is niet enkel en alleen een zwakheid welke altijd enig leven en enige kracht voorop stelt, die overgebleven is; het is niet gelijk een zwakheid, die alleen ongeschikt maakt tot gewone daden en werkzaamheid, maar het is zo’n zwakheid, die de apostel elders noemt: "dood door de zonden," Ef. 2:1. Het is zo’n zwakheid, die goddeloosheid, ja vijandschap tegen God genoemd mag worden, gelijk hier in dit hoofdstuk. Onze zielen zijn eigenlijk niet ziek, want ziekte stelt voorop, dat er enig geestelijk leven over is, maar zij zijn "dood in zonden en misdaden," en zo is het niet enkel een zwakheid, maar een onmogelijkheid; zo’n zwakheid, die het leven en de zaligheid door ons te verkrijgen onmogelijk maakt: beide, een uiterste onwilligheid en een volstrekte machteloosheid, komen samen in alle mensenkinderen, daar is noch kracht, om de gerechtigheid te voldoen of de wet te gehoorzamen, noch gewilligheid daartoe. Daar is een algemene misvatting in deze: de mensen denken, dat hun naturen zwak zijn ten goede, maar weinigen bevatten de hoogheid en vijandschap, die in hen is tegen God en tegen alle goedheid. Allen willen wel toestaan, dat er een gebrek en onbekwaamheid is, en dat is een algemene klacht; maar zij merken noch weten, dat hun machteloosheid een onmogelijkheid is, en dat dit gebrek een verderf is van alle geestelijk goed in ons; maar de zaligmakende kennis hier van wordt aan weinigen gegeven, en aan diegenen alleen, van wie de Geest de ogen komt openen.

Daar kunnen vele worstelingen en inwendige pogingen van natuurlijke geesten zijn, om zichzelf te helpen en om op het besef van hun zwakheid zichzelf op te wekken, door ernstige aanmerking en vlijtige beijvering tot enige hoogte om God te dienen en tot enige hoop van zaligheid; maar ik vermoed, dat het bij velen voortkomt uit gebrek aan volle en diepe overtuiging van hun wanhopige boosheid. Weinigen geloven inderdaad die getuigenis, die God van de mens gegeven heeft, dat hij niet alleen zwak maar boos is, ja zelfs wanhopend, dodelijk boos; en dat is het nog niet alles, maar het hart is ook bedrieglijk, en om het volkomen te vermelden, "arglistig meer dan enig ding." Jer. 17:9. Een wonderlijke beschrijving van de mens, die gegeven is door Hem, Die de mens zijn geest in zijn binnenste formeerde en in het begin oprecht maakte, en alzo heet best weet hoe hij is afgeweken van het eerste voorbeeld.

O wie van ons gelooft dat dit zo in onze harten gesteld is! Doch dat is de bedrieglijkheid van onze harten, dat ze onze dodelijke boosheid bedekt, zodat wij die niet zien kunnen, en ons vleien met zelfbehagende gedachten. Indien die getuigenis eens aangenomen werd, dat de zwakheid van het vlees wanhopende boosheid is, dat het zo’n jammerlijke en vervloekte staat is, dat er geen hoop is ten goede, en dat het ongeneeslijk is voor alle geschapen vermogens, en ons ongeneeslijk en ten uiterste verloren maakt, dan zeg ik: was de bedrieglijkheid van het hart enigermate gerezen: gelooft de alles overtreffende boosheid van uw natuur, en dan hebt u de bedrieglijkheid van uw harten bedrogen tot uw eigen voordeel; dan hebt u kennis gekregen van hetgeen niemand recht kan komen te kennen, voordat de Onderzoeker van hart en nieren het aan hem openbaart.

Dus staat de mens met onmogelijkheden omringd, in zijn eigen zwakheid en goddeloosheid, en de onmogelijkheid van de wet vanwege die zwakheid. Deze sluiten de gehele toegang tot de boom des levens uit, en zijn in de plaats van een vlammend zwaard, om die te bewaren; onze benen zijn afgesneden door de zonde, en de wet kan ons niet helpen, ja ons leven is uitgeblust en de wet kan ons niet levend maken; zij geeft wel onze plicht te kennen, maar zij geeft geen bekwaamheid, zij leert wel, maar zij kan niet maken dat wij leren. Terwijl wij in deze toestand zijn, stapt God Zelf in, om de ellendige, verloren mens ter hulp te komen; en dit is de weg en wijze: Hij zendt Zijn Zoon in de gelijkheid des zondigen vleses, de genade en waarheid komt door Hem, welke de hinderpalen uit de weg ruimen, die de toegang ten leven stopten.

Dit is een verheven stof, maar zij betreft de laagste en ellendigste onder ons; en dat is waarlijk het wonderlijkste, dat er zo’n verborgenheid en zo’n diepte in dit werk van de verlossing van arme zondaren is, dat er zoveel werk gemaakt wordt, zulke vreemde dingen geschieden, om onze val weer op te maken. Dit beseffend, mochten wij wel de overdenking van de Psalmist overnemen, Ps. 8:6: "o HEERE! wat is de mens," dat Gij hem zoudt groot maken? Hem niet een weinig lager, maar veel hoger dan de engelen stellen: want "Hij nam de natuur van de engelen niet aan, maar Hij werd der arme kinderen vlees en bloed deelachtig." Hebr. 2:14,16. Dit vereist wel, dat wij neerzitten, en stilstaan, teneinde de stappen en trappen, bij welke deze verborgenheid opklimt en oprijst, meer volkomen te beschouwen. Maar och! Dat wij zo’n opklimmende gestalte van het hart mochten verkrijgen, als deze stof vereist. Het is vreemd dat deze stof, zo geheel wonderbaar in zichzelf, ons niet boven ons element optrekt, vanwege het groot belang dat wij er bij hebben.

Elk woord bevat gewicht in zich en heeft een bijzondere nadruk; daar is een opklimming bij trappen, waarlangs deze verborgenheid opgaat, totdat ze komt tot de top; elk woord bevat een trap of stap in zich, waarlangs zij hoog en steeds hoger oprijst. "God zond," dat is vreemd; maar God "zond Zijn Zoon" dat is allervreemdst. Maar gaat voort, het is gedurig al vreemder: "in de gelijkheid van het vlees," en dat van "zondig vlees," enz. In deze trappen ziet u God nederklimmen, en al lager en lager komen; maar de verborgenheid klimt op, en gaat hoger en hoger: hoe God lager komt, hoe het wonder hoger oprijst; hoe God kleiner en geringer schijnt in het vlees, hoe de verborgenheid van de Godzaligheid groter is, "God geopenbaard in het vlees." Indien u wilt opklimmen tot het gevoelig en nuttig verstand van deze verborgenheid, moet u eerst nederklimmen in de diepte van uwe eigen natuurlijke snoodheid en ellende, in welke de mens neerlag, toen het God behaagde zo laag te komen, om hem te ontmoeten en te helpen. Ik zeg, eerst moet u op die wijze neergaan in de beschouwing van uwe rampzaligheid, en dan zult u opklimmen tot het gebruik en de kennis van deze verborgenheid van de godzaligheid.

Dat God zendt, bevat op het eerste begrip enig gewicht van wonder in zich, indien u maar wist, wie Hij is, en wat wij zijn. Het was een wonder geweest, zo Hij had toegelaten dat door ons tot Hem gezonden werd, of dat enige boodschap of enige gemeenschap zou ontstaan tussen hemel en aarde, nadat de mens op aarde zo snood de vrede en het verbond verbroken had. Het is vreemd dat de hemel niet gesloten was voor alle onderhandeling met die vervloekte aarde. Indien God een engel uitgezonden had om de mens te verderven, gelijk Hij een bief zond om Jeruzalem te verderven, 2 Kron. 21:12. Indien Hij Zijn vijanden had gezonden om Zijn vijanden te doden die het juk van Zijn gehoorzaamheid hadden verworpen, dan had het recht geweest. Matth. 21:14 en 22:7. Indien Hij een wrede bode gezonden had tegen de mens, die nu zo’n gruwelijke weerspannigheid in het werk had gesteld, het had geen vreemde zaak geweest, zoals Hij een engel zond met een vlammend zwaard, om de boom des levens te bewaren. Hij kon de boodschap van die engel uitgebreid hebben om wraak over die mens te nemen, en dit is het wonder dat Hij op zo’n wijze niet een zond.

Maar in wiens hart kon het op komen, wie had zulk een zaak als deze zich kunnen verbeelden? Dat God zendt, en zendt om vrede tot zijn rebelse onderdaan, tot Zijne voetbank. De mens had geen aanneming kunnen verwachten voor de troon, tenzij hij God had voorgekomen, en eerst smekingen en ootmoedige gebeden hemelwaarts gezonden had. En daarom ziet u, dat hij, de ellendige, zijn verstand teneinde is; hij is wanhopende, geeft het op en vliedt weg om zich te verbergen, zeker verwachtende, dat de eerste boodschap van de hemel zou wezen al de schepselen tegen hem te wapenen om hem te verderven. Maar o! Wat een wonderlijke maar gelukkige verrassing. God komt Zelf neer, en niet met zo’n doel om wraak te nemen, hoewel rechtvaardig; maar om af te kondigen en voor te houden een verbond van verzoening en vrede, om de mens van zonde te overtuigen, en om hem te vertroosten met de blijde tijding van een Verlosser, van Één die in de gelijkheid van het vlees zou gezonden worden. Het is de hoogheid en majesteit van koningen en grote lieden om anderen tot zich te laten komen met hun verzoeken, e het wordt als iets zeldzaams gerekend, als ze toegankelijk en te spreken zijn. Maar dat de Heere der heren, en Koning der koningen, die op de cirkel van de hemelen zit, en voor Wie al de inwoners van de aarde zijn als arme sprinkhanen, of kruipende wormen; omtrent Wiens troon tienduizend maal tien duizenden heerlijke geesten zijn, die Hem dienen, gelijk Daniel Hem zag, hoofdst. 7:9,10, —dat zo Één, niet alleen zo als wij zijn, ons tot Hem laten komen om onze verzoeken aan Zijn Hoogheid aan te bieden, maar dat Die Zelf eerst zou neerkomen tot Adam, en hem vrede aanbieden, en dan Zijn Eigen Zoon zenden! En wat zijn wij dat Hij enige beweging omtrent ons, of enige zending tot ons maken zou, terwijl wij nog vijanden waren, ja, dat waren wij toen Hij zonde. Rom. 5:10. O! Hoe heeft Zij liefde over Zijn gerechtigheid getriomfeerd! Maar behoefde Hij onze vijandschap te vrezen, dat Hij vrede met ons zocht? In geen geval. Een aanschouwing van Zijn toornig aangezicht zou ons verbrijzeld hebben. Gij ziet op mij en ik ben niet; "één Zijner bestraffingen om de ongerechtigheid, zou onze bevalligheid doen smelten als een mot," hoe veel temeer zou "de slag van Zijne hand" ons verteren. Ps. 39:11,12. Maar dat is waarlijk een wonder, terwijl wij nog vijanden, en daarenboven zwak waren, noch machtig om onszelf te helpen noch Hem in het minste te beschadigen, en terwijl wij niets konden doen, om Hem aan te lokken, niets om Hem te verschrikken, niets om Zijne liefde aan te trekken, niets om Hem te doen vrezen; nochtans toen maakte Hij dat plan en die zending aan ons: "God zendende," enz.

God zendende, — zendende Zijn eigen Zoon, dat is nog een stap hoger. Had Hij een engel gezonden, of een van die gedienstige geesten omtrent de troon, zijnde veel heerlijker dan de mens, het had wonderlijk geweest. Maar neen, God heeft de wereld zo lief gehad, dat Hij Zijn Zoon gezonden heeft. Kon Hij het niet gedaan hebben door anderen? Doch Hij had nog hoger plannen. En waarlijk daar is meer verborgenheid in het doel en de wijze van onze verlossing, dan zwaarte in de zaak zelf. Sommige godgeleerden menen dat Hij een schepsel had kunnen bekwaam maken door Zijne almachtige kracht, om de werken van de duivel te verbreken, en dat Hij op een andere wijze de gevangen mens had kunnen verlossen; dat er zo’n noodzakelijkheid op Hem niet lag, dat hij die weg zou gaan, zodat de Vader de uitverkorenen aan de Zoon moest geven, en de Zoon die aannemen te verlossen, en dat God moest zenden, en de Zoon gezonden worden. Ja zij menen, dat Hij de moeite kon gespaard hebben, en dat Hij zonder iemand te zenden, onmiddellijk de mens zijn zonde kon vergeven, en hem tot Zijn kind aangenomen hebben. Alzo zou Hij het werk gedaan hebben, zonder dat Zijn Zoon of iemand anders bloedig had behoeven te lijden. Doch anderen oordelen, dat dit onmogelijk en onbetamelijk was; omdat Gods gerechtigheid moest voldaan worden, en dat voor een waardiger prijs, die geen enkel schepsel geven kon. Maar immers, de wijze van deze diepe verborgenheid geeft te kennen, welk een hoog en heerlijk doeleinde God zich voorgesteld had, namelijk, de openbaring van Zijne liefde. "Ziet hoe grote liefde ons de Vader gegeven heeft." 1 Joh. 3:1. En "hierin werd de liefde Gods geopenbaard, dat God Zijn enig geboren Zoon in de wereld gezonden heeft." 1 Joh. 4:9. En gewis zo’n plan en oogmerk kon de gehele wereld niet bedacht en uitgevonden, niets kon zulk een liefde vertoond hebben; geen dergelijke uitdrukking van liefde is er te verbeelden, bij dit "geven van Zijn Zoon," en van "Zijn eniggeboren Zoon voor ons." Het was genoeg geweest uit enkel medelijden ons zalig gemaakt te hebben; maar indien Hij alles had gegeven, en alles daarnaast had gedaan, had Hij de oneindige volheid van Zijn liefde zo niet geopenbaard. Daar is geen gift, zo gepast bij de grootheid en pracht van Zijne Majesteit, als deze: "Die het geen roof geacht heeft, Gode even gelijk te zijn." Welke gift het ook was, ze had oneindig boven ons geweest, omdat het van Hem was; maar deze gave is niet alleen oneindig boven ons, maar Hem even gelijk, en allergeschiktst, om Hem aan ons te openbaren.

Maar dan is er nog een hogere opklimming van de verborgenheid, of een lagere neerbuiging van God; want het is alles één: God neerkomend is het afklimmend wonder; Hij "zond Zijn Zoon;" de mens zijn verwondering is reeds daardoor uitgeput; maar indien er nog iets over was, zou hetgeen er volgt die verwondering verteren: "in het vlees." Indien Hij Zijn Zoon gezonden had, kon Hij Hem niet gezonden hebben in een staat en gelegenheid, die bij Zijn heerlijkheid paste, zo als betaamde "de Vorst en Erfgenaam van alles, Hem door Wie alle dingen geschapen zijn en bestaan!" Neen, maar Hij is gezonden in een staat van vernedering en neerbuiging, oneindig beneden Zijne waardigheid. Hij werd geboren uit een schepsel: de Maker van alles gezonden in de gedaante van iets, dat Hij gemaakt had! O! Welk een verkleining en verlaging is dit? Daar is zo’n tussenstand niet tussen de hoogste vorst op de troon, en de verachtste bedelaar op de mesthoop, als er is tussen de eniggeborene des Vaders, Die het afschijnsel van Zijne heerlijkheid is, en de heerlijkste engel die er ooit gemaakt was. En nochtans zou het een wonder voor de wereld zijn, indien een koning zijn zoon zond in de kleding en in de staat van een bedelaar, om armen, lammen en blinden te roepen tot de gemeenschap van Zijn koninkrijk.

Het had een grote verborgenheid geweest, indien God was geopenbaard geworden in de natuur van de engelen, een grote verlaging van Zijne majesteit. Maar o! wat moet het wezen voor God geopenbaard te worden in het vlees, in het laagste, slechtste en verderfelijkste van alle schepselen als de droesem van de schepping, die in de benedenste grond is neergezonken? Alle vlees is gras, en wat verwelkt en verkwijnt meer? Zelfs de bloem en volmaaktheid van die. Jes. 40:6. Het is stof, en wat is geringer en lager? Gen. 18:27. Het is verderfelijkheid, en wat is er slechter; 1 Kor. 16:44. En nochtans God zendt Zijn Zoon in het vlees! Is dit een openbaring? Neen, het is veeleer een verberging en verduistering van Zijn heerlijkheid; het is een ophangen van een donker voorhangsel, om Zijne glans te verduisteren. Nochtans is Hij geopenbaard, nadat het ‘t oogmerk van het werk, waarmede Hij bezig was, vereiste. Hij is geopenbaard tot smaad en schande voor onze zonde. Dit is een punt, en een groot punt van Christus’ vernedering, dat "Hij de natuur van de engelen niet aannam, maar die van het zaad Abrahams." Hebr. 2:16.

Maar nog, om deze verborgenheid des te meer te volmaken, gaat de Zoon nog een derde stap lager, op dat de verborgenheid zoveel te hoger opklimmen zou, "in de gelijkheid van het vlees;" neen dit is niet genoeg, maar "in de gelijkheid des zondigen vleses." Indien Hij was verschenen in de eerste bloem en volmaaktheid van het vlees, in de uitmuntendste schoonheid daarvan, nog was het een verlaging en vermindering geweest; indien Hij zo heerlijk neergekomen was, als Hij eens ten hemel voer, en nu "zit aan de rechterhand van de Majesteit in de hoogte;" indien Hij altijd in die blinkende kleding was geweest, die Hij aan had in Zijn verandering van gedaante op de berg, nog had dit een zeer grote verlaging van Zijn Majesteit geweest. Maar dat Hij komt "in de gelijkheid des zondigen vleses". Hoewel geen zondaar, nochtans in de gelijkheid van een zondaar, en even gelijk, wat belangt Zijn verschijning, zodat geen oog enig onderscheid kon opmerken: Hij was omringd met al die zwakheden en nooddruftigheden, welke op de zonde in ons volgden, en daarmede vergezeld gaan, een Man van smart en beproefd in droefenis; een Man die Zijn leven lang veel gemeenschap en verkering met droefheid had. Hij was sinds lang gewend aan droefheid, en die scheidde niet van Hem, tot dat de dood scheiding maakte; ja niet alleen was Hij in Zijn uitwendige staat aan al deze ellenden en zwakheden onderworpen, daar de zonde andere mensen onder brengt; maar Hij muntte boven allen in deze uit: Zijn gelaat was bedorven meer dan van iemand, en zijn gedaante meer dan andere mensenkinderen; daarom hebben velen zich over Hem ontzet. "Hij had geen gedaante noch heerlijkheid; Hij had geen gestalte dat wij Hem zouden begeerd hebben," waarom Zijn Eigen vrienden zich voor Hem schaamden en hun aangezicht voor Hem verborgen; "Hij was veracht en de onwaardigste onder de mensen." Jes. 53:2,3. Zo ziet u, Hij komt in de meest verachtelijke en smadelijke gedaante van het vlees, Hij was veracht en verworpen onder de mensen, en gelijk Hij zelf spreekt Ps. 22:7: "Een worm, en geen man, een smaad van mensen, en veracht van het volk."

Nu ik zeg: dat is de kroning van de grote verborgenheid van de godzaligheid, die buiten alle tegenspraak groot is; die verborgenheid, die boven de gehele wereld in zich gepaard heeft, de meeste grootheid en goedheid; die de stof is van de hoogste verwondering, en de fontein van de zoetste vertroosting welke de rede of godsdienst kan uitdenken. De verborgenheden in de Drie-eenheid zijn zo hoog, dat zo iemand daar naar durft te reiken, hij des te lager val doet; het is alsof een worm zou ondernemen de zon te raken in het uitspansel. Maar deze verborgenheid is God neerkomend tot de mens, om van mensen behandeld en gezien te worden; omdat de mens niet kon opklimmen tot Gods hoogheid, komt God hier neer tot onze laagheid. Hij nadert tot ons, om ons te behouden. Het is geen bedwelmende, maar een zaligmakende verborgenheid, de hoogste waarheid is er in voor het verstand om te beschouwen en verwonderd te staan, en daar is de grootste goedheid in voor de wil, om te verkiezen en daar op te rusten. Deze verborgenheid is bedacht tot een verwondering en vermaak voor mensen en engelen; de drie zaken, die de stof van de zang van de engelen waren, zijn de juwelen ervan: "Ere zij God in de hoogste hemelen, vrede op aarde, in de mensen een welbehagen".

 

12e Predikatie, Rom. 8:3

Want hetgeen der wet onmogelijk was, dewijl zij door het vlees krachteloos was, heeft God, Zijn Zoon zendende in gelijkheid des zondigen vleses ...

Van alle werken Gods omtrent de mens, is er gewis niet een, hetwelk zoveel wonder in zich bevat, als het zenden van Zijn Zoon om mens te worden, en zo vereist het van ons de nauwkeurigste aandacht. Laat ons onze geest opscherpen om deze verborgenheid te beschouwen, niet om nieuwsgierig in de verborgenheden ervan in te dringen, alsof wij niets anders te doen hadden, dan onze verstanden te vergenoegen; maar veel eer, opdat wij zouden zien, welk belang wij daarin hebben, en welk onderwijs en voordeel wij er door kunnen verkrijgen, opdat het alzo onze genegenheden vermaakt.

Ik geloof, dat er bij duizenden een tastelijke en zeer grove onkunde van de zaak zelf heerst. Velen die Jezus Christus belijden, kennen Zijne natuur noch Zijn heerlijke Persoon niet, zij bevatten noch Zijne hoogheid als God, noch Zijne laagheid als mens. Maar waarlijk, de zaak waar ik mij meest over verwonder, is: dat van degenen die voorgeven, meerdere kennis van deze verborgenheid te hebben, nochtans weinigen het ernstig beschouwen tot welk nut en oogmerk dat is, hoewel het de grond is van onze zaligheid, de voornaamste grond van ons geloof, en de grote springader van onze vertroosting. Nochtans is het iets zeldzaams, zelfs onder ware Christenen, de kennis dienaangaande aan te leggen tot enig gebruik in deze. Bij weinigen is het de stof van hun overdenking.

Ik denk waarlijk, dat de levendige gebruikmaking van deze verborgenheid van de godzaligheid zeer krachtdadig zou zijn, om ons duidelijk te maken, hetgeen wij gezegd worden te zijn, dat is: Christenen. Daarvan wordt iets te kennen gegeven, 1 Joh. 4:2,3,15; 5:1. De belijdenis en de wetenschap, dat Jezus Christus in het vlees gekomen is, en dat Hij de Zoon Gods was eer Hij het vlees aannam, dat wordt tot een merkteken van een geestelijk mens gesteld, die in God woont. Niet dat een naakte uitwendige belijdenis, of een inwendige mening en toestemming aan zo’n waarheid, van zo’n grote waardij is, hoewel het nochtans de hoogte is daar velen toe geraken, maar het is zo’n erkentenis van de ziel en een hartelijke goedkeuring van deze verborgenheid, die de verwondering en genegenheid daar naar uitlokt en het hart op dit voorwerp alleen vestigt, om leven en zaligheid daaruit te hebben. De duivelen beleden en geloofden, doch zij sidderden, Luc. 4:34,41: zij vreesden wegens hetgeen zij kenden; maar Petrus beleed en beminde hetgeen hij kende; ja hij wierp zijn ziel op die Heere, Die hij beleed.

Het is dan zo’n erkentenis van Christus, die de ziel trekt en met Hem verenigt door een ernstige en levendige omhelzing. Zo’n gezicht van Jezus Christus bevat beide waarheid en goedheid in zich, in de hoogste mate, en zo perst ze niet alleen al de toestemming van het gemoed, maar zij is een krachtdadig aanloksel van het hart, om tot Hem te komen en in Hem te leven. Ik bid u, merkt dan op, van welk een gewicht deze waarheid is, opdat u uw ziel goed zoudt aanleggen tot opmerking van hetgeen in Christus aldus geopenbaard is; niet enkel om het te weten, maar tot een verdere gebruikmaking daar van; om het leven in Hem te zoeken, opdat de indruk van deze Zaligmaker zo diep op uw ziel zou gevestigd worden, dat u het uitdrukt in een dadelijke belijdenis van Hem in uw woorden en werken. Tit. 1:16; Matth. 7:21. Dit is waarlijk te bekennen en te geloven, dat Jezus Christus in het vlees gekomen is, om daar al de grond van uw hoop en troost uit te halen en om de krachtdadige beweegreden daaruit te trekken, om te wandelen gelijk Hij gewandeld heeft: dat men het gebruikt tot vertrouwen op Hem, en tot gehoorzaamheid aan Hem.

Ik zal een woord spreken van die twee grote doeleinden en voornemens, waarom God Zijn Zoon zond in de gelijkheid des zondigen vleses; te weten: tot Zijn eer, en tot de mens zijn nut. Het gezang van de engelen hij Zijn geboorte toont dit aan: "Ere zij God in de hoogste hemelen, vrede op aarde, in mensen een welbehagen."

Zijn eer is op een uitmuntende wijze daarin geopenbaard: de eer van Zijn wijsheid, die het geneesmiddel uitgevonden heeft. Welk een diepte van wijsheid was er in! Hoe oneindig boven alle bedenkingen van het schepsel verheven! Waarlijk daar zijn rijkdommen van wijsheid, diepten van wijsheid in gelegen. Ik oordeel, dat het nooit in de gedachten van mensen of engelen had kunnen opkomen. Toen alle mensen verdronken lagen onder een vloed van zonde en ellende, en onderworpen waren aan Zijn rechtvaardig oordeel, dat Hij toen een weg uitvond, hoe Hij velen zou behouden en zalig maken; daarbij is al de wijsheid, die in de orde en schoonheid van de wereld blinkt, slechts een flauw afschijnsel.

Verder, Zijn eer, Zijn barmhartigheid en genade schijnt hierin de grootste luister; dat Hij de straf, die de zonde de mens zijn verdiende, op Zijn eigen Zoon overbrengt; dat, toen er geen rantsoen door de mens te vinden was, Hij zelf het uitvond, hoe Zijn eigen gerechtigheid te voldoen, en ons zalig te maken. Gewis, het is het blinkendste juweel in de kroon van Gods heerlijkheid, zoveel barmhartigheid omtrent zulke ellendige zondaren, en zoveel genade omtrent rebellen. Indien Hij de zonde vergeven had zonder enige voldoening, (hetwelk sommigen hebben gemeend mogelijk te zijn geweest) welk een rijke genade zou het geweest zijn! Maar waarlijk, het is een bewijs van barmhartigheid en genade, hetwelk dat ver overtreft, dat Hij Zelf Zich een Lam en Offerande voorziet; dat Hij het rantsoen uitvond, en van Zijn Eigen Zoon in onze plaats afeist.

Zo straalt Zijn rechtvaardigheid zeer heerlijk in dit werk door. En waarlijk die twee zaken klaren elkaar meer en meer op: de rechtvaardigheid Gods in de straf van de zonde te eisen, en die te nemen van Zijn geliefde Zoon, verhoogt op de uitmuntendste wijze de barmhartigheid en genade van God jegens ons. En Zijn genade en barmhartigheid, door ons voorbij te gaan en Zijn Zoon voor ons tot een vloek te maken, verklaart en heldert op de rechtvaardigheid Gods, en wel op een zeer wonderlijke wijze. Welk bewijs kan er in de wereld gegeven worden van Gods toorn tegen de zonde, en van Zijn rechtvaardigheid om de zonde te straffen hetwelk dit gelijk is?! Zo’n bewijs van liefde tot zondaren, en zo’n betoog van haat tegen de zonde, was er nier denkbaar. Dat Hij in ons de zonde niet straft, maar die overbrengt op Zijn zeer beminde Zoon, o welk een liefde en genade is daarin gelegen! en dat Hij Zijn eigen Zoon strafte, wanneer Hij stond in de plaats van de zondaar, o welk een rechtvaardigheid en gerechtigheid!

Dit is die heerlijke verborgenheid, die samenvoeging van die twee blinkende juwelen: de gerechtigheid en barmhartigheid, de liefde en de haat, in één keten door Christus menswording, "waarin de engelen begerig zijn in te zien", 1 Petr. 1:12. En waarlijk, zij verwonderen er zich over, en zij prijzen Hem uit bewondering. Dit is hetgeen, waar de lof van mensen en engelen voor eeuwig in te kort zal komen. David, deze dag voorziende, voorspelde het: dat de engelen Hem zouden loven, Ps. 103:20. En nu is het vervuld, nu al die heerlijke troepen van heilige en heerlijke geesten de Zoon van God in de wereld verwelkomen, met die hemelse harmonie van lofzegging. Luk. 2:14.

Welk een traagheid en aardsgezindheid is het in ons, dat wij niet naar boven in onze geest tot deze melodie opklimmen, om met de engelen ons te verenigen in dit gezang. Wij, zeg ik, omdat het ons het meest betreft. De engelen verwonderen zich, en zij zingen in verwondering hierover, omdat de heerlijkheid Gods zo blinkend daarin doorstraalt, evenals of er meer zonnen in het firmament waren, gelijk het licht van zeven dagen op een dag. Die drie in het bijzonder: de wijsheid, barmhartigheid en genade, rechtvaardigheid en gerechtigheid, iedereen van deze ziet er uit als de zon in haar kracht, omgevoerd in deze cirkel van de mens zijn verlossing, tot verrukking van het hart van alle eerwaardige en heerlijke troepen daarboven, doende blijmoedig en gewillig al hun dienst tot dit werk, om gedienstige geesten te zijn, en om de erfgenamen van de zaligheid te bewaken. Wanneer nu de eer des Allerhoogsten zo’n lieflijk gezang daar boven verwekt onder de engelen; o welk een uitwerking diende dan de eer van de hoge God, en het hoogste heil de mens zijn op ons te maken! Wanneer de grootste eer van God, en het voornaamste voordeel van de mens in deze keten samen geschakeld zijn, wat behoorden wij anders te doen, dan verwonderd te staan en te aanbidden, te bidden en verwonderd te staan, en zolang wij hier op aarde zijn, mee in te stemmen in die harmonie van de hemel.

Veel kan hier gezegd worden ten opzichte van ons goed; maar wij zullen u in het kort aantonen, dat het de grootste bevestiging voor ons geloof, en de sterkste beweegreden tot nederigheid is, die er kan uitgedacht worden, dat God Zijn Zoon alzo gezonden heeft. Nu dat zou ons ware Christenen maken, indien wij op de overdenking van Christus’ komst in het vlees ons konden schikken tot vertrouwen en eerbied, om Hem te verheerlijken door het geloof, onszelf te verlagen, in Hem te geloven, en ootmoedig met Hem te wandelen.

Ik weet niet, dat er iets krachtiger is, om ons te verzekeren van de werkelijkheid van Gods nodigingen en beloften aan ons, dan dit. Wij zoeken gedurig tekenen en bewijzen van Gods liefde, iets om ons vrijmoedigheid te geven om tot God in Christus te komen, en ons te verzekeren, dat wij welkom zullen zijn. Vele Christenen bevlekken zichzelf met de drek van hun eigen duisternis en moedeloosheid, omdat zij niets in zichzelf kunnen vinden, hetwelk het minste bewijzend teken kan geven, dat Hij hen zal toelaten en verwelkomen, als zij tot Hem komen; of dat zulke kostelijke beloften en zoete nodigingen kunnen toebehoren aan zulke zondaars, als zij zelf menen te zijn Waarlijk, mijn geliefden! ik acht, dat terwijl wij ons zo bezig houden, wij de zon met een kaars zoeken, dat duister makend, wat in zichzelf zo klaar blinkend is als het licht.

Het bewijs, dat God het inderdaad zo meent, als Hij u het leven in Christus aanbiedt, en dat Hij gewillig is u aan te nemen, en dat dit niet buiten het bestek van Zijn nodiging is; en nochtans zoekt u het, waar het minst te vinden is, dat is: in uzelf. In de waarheid, Zijn nodigingen in het Evangelie voeren het blijk met zich in haar boezem, hetwelk boven alle andere tekenen en blijken is, namelijk dat God ooit Zijn eigen Zoon zond in het vlees tot dit doeleinde. En is er iets groter of klaarder dan dit? Mij dunkt wij zijn gelijk diegenen, die, als zij vele tekenen en wonderen gezien hadden, die Christus deed, welke voor de gehele wereld getuigenis gaven van Zijn Goddelijke natuur, nochtans niet wilden voldaan zijn, maar nog een ander teken zochten, ‘‘hem verzoekende." Matth. 16:1. En waarlijk, Hij zou ook ons dit antwoord geven: "o gij verkeerd en overspelig geslacht: hetwelk een teken zoekt; u zal geen teken gegeven worden, dan het teken van Jona de profeet."

Het grootste bewijs dat men zich kan verbeelden, is reeds gegeven: dat de Vader Zijn eniggeboren en geliefden Zoon zond in de gestalte van een dienstknecht, en dat voor de mens. Indien dit niet voldoet, weet ik niet wat voldoen of vergenoegen zal. Ik zie niet, hoe enig werk van Zijn Geest in ons zoveel blijkbaar bewijs kan geven van Zijn dadelijke genegenheid en getrouwheid in het Evangelie en van Zijn gewilligheid om zondaars te verwelkomen. Al de werken van de schepping, al de werken van de genade zijn niets hier bij, om Zijn liefde tot de mensen openbaar te maken. Daarom is er zo’n zonderling teken opgesteld: "Alzo lief heeft God de wereld gehad, dat Hij Zijn Zoon gegeven heeft." Joh. 3:16. "En hierin is de liefde Gods geopenbaard, dat Hij Zijn Zoon gegeven heeft," 1 Joh. 4:9. Indien mensen en engelen zich hadden beijverd om een pand of bevestiging van de liefde Gods te verzinnen en uit te vinden, zij zouden gevallen zijn op enige openbaring of werking aan hun geest. Maar helaas! Het is oneindig daarboven verheven, dat Zijn eigen uitgedrukt beeld en het afschijnsel van Zijn heerlijkheid is neer gekomen, om getuigenis te geven van Zijn liefde. Ja, Hij die de Vader gelijk is in heerlijkheid is als een gift aan de mensen gegeven. En is Hij niet oneindig meer dan geschapene gaven of genaden, Hij, die de rechte Springader en Fontein van die alle is? "Alzo lief heeft God de wereld gehad," dat Hij in waarheid benevens die, geen zodanig geschenk gegeven heeft, om zo’n een liefde te betuigen.

Daarom, indien alles wat Hij in deze gedaan heeft uw angstvallig gemoed niet voldoen kan, maar u gedurig voortgaan wilt meer bevestiging te zoeken van Zijn volvaardigheid, om u aan te nemen, acht ik dit als verzoeken van de Heilige, wat een dusdanig antwoord van Hem zou ontvangen: gij boze en overspelige! u zal geen teken gegeven worden, dan hetgeen duisterder is dan het eerste, en hetgeen u minder verstaan zult; u mag verkrijgen hetgeen u zoekt, misschien wat meer genoegen in uw eigen staat, maar het zal u in de uitkomst meer doen duchten, altijd zult u onbevestigd en ongestadig zijn, als water, u zult de voortreffelijkste niet zijn.

Ik beken het, indien wij spreken van de openbaring van iemands deel aan die beloften, van een blijk van de liefde Gods tot hem in het bijzonder, dan moet er iets aan uw ziel door de Heilige Geest gewerkt zijn, waardoor de algemene getuigenis van Gods liefde tot het menselijk geslacht, neergebracht wordt tot een bijzondere toepassing aan u. Maar daar spreek ik nu niet van, omdat dat het verzegelen van de Geest is, na het geloven. Doch omdat u altijd onvast bent in het eerste en voorname punt, namelijk: naar de Zoon te lopen, en op Hem te wachten om leven, daarom hebt u zoveel onklaarheid en zwakheid in hetgeen er volgt op het geloof.

Waar ik nu van spreek, is: dat indien het hartelijk werd geloofd, en ernstig opgemerkt dat God Zijn Zoon gezonden heeft in het vlees om zondaars zalig te maken, u niet gemakkelijk in twijfel zou staan, of u wel tot Hem komend om zaligheid, welkom zou zijn. U zou niet kunnen zeggen, dat zulke kostelijke nodigingen de zondaren niet konden toekomen; of dat Hij zulken als u bent niet kon liefhebben. Waarlijk, ik oordeel, indien het in het algemeen ter harte werd genomen, dat God het menselijk geslacht zo lief heeft gehad, dat Hij hun zo’n gift gaf, dat er dan geen twijfel meer kon gemaakt worden, of het God wel ernst is, wanneer die gift aan iemand in het bijzonder wordt aangeboden. Ja ik acht, dat het komt van de onopmerkzaamheid van deze algemene blijk en openbaring van liefde aan de wereld, dat u zo bevend en twijfelend staat omtrent bijzonderheden. Zou u wel zoveel zwarigheid hebben, van Zijn liefde tot u te geloven, indien u in waarheid geloofde dat Hij de wereld, dat is, zo vele duizenden gelijk u, heeft liefgehad? Is er wel (ik bid u let er op) zoveel afstand tussen u en anderen, als tussen Hem en allen? Indien Hij dan zoveel ellendige zondaren lief heeft, is er dan wel enige onmogelijkheid in, dat Hij u zou kunnen liefhebben? Want wat is er in hen, hetwelk Zijn liefde tot hen kan opwekken?

Dat ik u zeg, waarom ik oordeel, dat het recht besef en aangrijpen van de algemene waarheden van het Evangelie geschikt zou zijn, om gelijk de zon in haar kracht, al de nevelen te verdrijven van ons redetwisten over ons bijzonder deel aan de genade van God. Het is, omdat ik bevind, dat dezelfde gronden, waarop u uw eigen bijzonder deel in twijfel trekt, (zo u er op lette, zou het door u bevonden worden) veel verder gaan, te weten: om te besluiten tegen alle anderen, alsof zij geen kracht in uw geval hebben, of zij van evengelijke kracht zullen zijn, om het vertrouwen van al de heiligen, en de zekerheid van alle beloften neer te vellen. Want wat is het, dat u ontstelt, anders dan dat u zondaars bent, en zulke zondaars, zo snood en walgelijk; waaruit gij besluit, niet alleen, dat u voor het tegenwoordige geen verzekering hebt van Zijn liefde, maar ook, dat Hij zo een, als u bent, niet kan liefhebben. Nu zeg ik, indien dit zo gaat, met betrekking tot uzelf, ziet goed toe, dat u zichzelf niet veroordeelt en hetgeen u goedkeurt, dat is: dat u niet redetwist tegen het deel van alle heiligen, die zulken waren als u, en tegen de waarheid van de fundamentele stellingen van het Evangelie. Alzo lief heeft God de wereld gehad, enz. En zo verongelijkt u zichzelf niet alleen maar ook alle anderen: en dat niet alleen, maar u doet Hem de grootste smaad aan, Die uit liefde Zijn Zoon zond, en aan Hem Die uit liefde kwam.

O! let wel, hoe u vertreedt en onwaardig acht die grote openbaring van Gods liefde: God geopenbaard in het vlees! Hoe u Zijn liefdepand tot zondaars versmaadt, groter dan Hij u geven kon, omdat het zo groot is als Hij Zelf. Och! of u het gevolg kon zien van uw angstig en bezwarend twijfelen, dat het niet alleen uw eigen ziel verongelijkt, maar dat het nog van een bloediger natuur is; indien die twijfelingen grond hebben, zij zou het leven en de zaligheid van alle gelovigen afsnijden, en wat nog zwaarder is: zij zouden door een onvermijdelijk gevolg bewijzen een antichristelijk punt, dat Christus niet in de wereld gekomen is. Ik bid u, geeft acht op uw kwaad, opdat u er een gruwel van mag krijgen.

Dit zal ook tot een andere opmerking kunnen dienen, om uw geloof te versterken en veel troost te geven, hetgeen u vindt Hebr. 2:14; 4:15. Dat "Hij onze natuur deelachtig is geworden, en in alles Zijn broederen gelijk, opdat Hij alzo een barmhartig Hogepriester zou zijn, machtig om ons te hulp te komen, en gevoelig aangedaan te zijn met onze zwakheden". Welk een sterke troost kan er uit deze borsten gezogen worden! Toen het onmogelijk was, dat de mens tot God kon opkomen, wegens Gods oneindige hoogheid en heiligheid, is God neergekomen tot de mens in Zijn laagheid en geringheid. Hij heeft deze ladder van de hemel tot de aarde gezonden, opdat de arme ellendige zondaars langs dezelve zouden opklimmen; zij is zo laag neergekomen, als onze zwakke broze natuur is, opdat wij daar licht zouden opkomen, en gemakkelijk ten hemel opgaan. Daarom wordt dit vlees een verse en levendige weg genoemd, omdat een arm zondaar verzekerd kan zijn, dat hij verwelkomd en aangenomen zal worden, door Iemand van zijn eigen geslacht — zijn Broeder. "Hij schaamde zich niet, ons Zijn broederen te noemen; vlees van Zijn vlees, en been van Zijn been." Dit kan een vrijmoedige toegang maken, namelijk: dat wij niet onmiddellijk tot God hebben te spreken of te komen, voor zover Hij met heerlijkheid en Majesteit bekleed is; en gelijk de Joden Hem hoorden op de berg Sinaï, en begeerden een Middelaar tussen hem en hun, maar dat die grote Profeet, aan hun beloofd, gekomen is, en dat wij tot Hem mogen spreken, rijdende op een ezel, een lage ezel, opdat een ieder zijn begeerte Hem in het oor kon fluisteren; en Hij nochtans zo hoog is als God, opdat wij tot God zouden spreken en bij Hem vermogen.

Gewis dit is een zoete plaats van samenkomst; om God daar tegemoet te komen, opdat geen zondaar enige vrees zou hebben; daar te komen tot deze handel van vrede en verzoening. Hoezeer kan dit ons verzekeren, dat dit grote voorrecht te verkrijgen is, dat wij kinderen Gods kunnen worden, omdat de "Zoon Gods een Zoon des mensen geworden is." Joh. 1:11,12. Waarlijk, hoewel het moeilijk te geloven is, dat zulken als wij, zonen van de grote Koning zouden worden; nochtans is niets zo wonderlijk, als dit: dat de eeuwige en eniggeboren Zoon van de grote God, de Zoon zou worden van een ellendige mens. Die hoogheid zal gemakkelijk geloofd worden, indien wij deze laagheid wel aanmerken. Het zal zo zwaar niet vallen, een ziel te verzekeren, dat er een weg van vereniging en verzoening met God is, dat men nog met Hem bevredigd kan worden, indien wij dit wel overwegen, dat God Zijn eigen natuur met de onze verbonden heeft in één Persoon, om een pand te wezen van die vereniging en vrede.

En dan, hoeveel verkwikking en vertroosting kan het ons opleveren, dat Hij niet alleen een mens, maar een ellendig mens was; en dat niet door enige noodzaak, maar alleen door een noodzaking van liefde en ontferming. Hij had barmhartigheid genoeg om ons zalig te maken, als God; Hij had liefde en medelijden genoeg als mens, maar Hij wilde ook de ellende aannemen in Zijn eigen Persoon, opdat Hij door bevinding over ons barmhartig zou zijn. Gewisselijk de ondervinding van ellende en zwakheid moet enige teerheid toedoen tot het hart van onze Hogepriester.

Maar al hielp het Hem niet om meer ontfermend te zijn, zo is het toch voor ons geschied om ons te helpen, om meer vertrouwen op Hem te hebben, en meer vrijmoedigheid te gebruiken in tot Hem te komen.

Welk een moedgeving is het voor een arme mens, tot een arme Jezus Christus te komen, Die niets had, waarop Hij Zijn hoofd kon neerleggen! Hij weet welk kwaad in de armoede gelegen is, en Hij verkoos het te weten, opdat Hij Zich over u zou ontfermen. Met welk een vrijmoedigheid zou een arme verdrukte en verachte gelovige tot Hem komen! Ziet, Hij heeft dat alles Zelf ondervonden; en Hij was gewoonlijk beproefd met smarten en droefheden, daarom kan Hij het best medelijden met u hebben. Laat ons van zondige zwakheden spreken, die wij onderworpen zijn. Opdat er een rechte gepastheid in Hem zou wezen om u te helpen, kwam Hij in een staat, zo nabij als het wezen kon. Hij was gewillig, tot zonde verzocht te worden; en alzo kent Hij de kracht die de verzoekingen moeten hebben op zwakke en broze naturen. Maar Hij kon niet zondigen; want dat was nadeel voor ons geweest. Laat dit ons dan vrijmoedigheid geven, om tot Hem te gaan.

Ik zou ulieden graag in de tweede plaats uit deze grond tot ootmoed bewegen, volgens de les, die Christus geeft, Matth. 11:29: "Leert van Mij dat Ik zachtmoedig ben, en nederig van hart." En de apostel maakt zonderling gebruik van de verborgenheid, dat de Majesteit Zich zo verlaagd heeft, om onze hoge achting van onszelf te verlagen. Phil. 2:3-6. Behoorde niet die zin in ons te zijn, die in Christus was?

Oordeelt eens: God verlaagd, en de mens verhoogd, hoe slecht voegt dat? God nederig in staat en stand, en de mens, hoewel zeer laag in staat, nochtans hoog in stand in zijn eigen schatting! Welke diepe verborgenheid is er meer, dan God vernederd? En wat is er afschuwelijker dan de mens, trots en hovaardig? Waarlijk, hoogmoed is het lelijkste in de mens, maar in een Christen is het afschuwelijk, ja wanstaltig.

Indien Hij, die zo hoog en heerlijk was, zichzelf uit liefde en genegenheid verootmoedigde, hoe moesten wij, die zo laag en gering zijn, onszelf verootmoedigen uit noodzakelijkheid, en ook uit liefde en genegenheid, om Hem gelijkvormig te zijn? De natuur kan tot het ene bewegen, maar de christelijkheid leert het andere: nederig van hart te zijn, en een ieder beter dan zichzelf te achten. De rede moge overreden om zachtmoedig, lijdzaam en lankmoedig te zijn, vanwege onze geringheid, ledigheid, broosheid en nietigheid; maar deze les wordt in Christus’ school geleerd, niet enkel door die beweegreden, door kracht van noodzakelijkheid, maar door een hogere beweegreden: de drang van de liefde tot Jezus Christus — "leert van mij." Veronderstelt, er was geen drangreden in, en nochtans zou die genegenheid een sterkere drang zijn te bewegen, Hem gelijkvormig te zijn en Zijn voorbeeld te volgen, Die zo laag kwam, en Zichzelf vernederde tot de dood, en dat voor ons.

 

13e Predikatie, Rom. 8:3

... en dat voor de zonde, de zonde veroordeeld in het vlees.

De grote en wonderlijke daden van grote en voortreffelijke personages moeten noodzakelijk enige grote doeleinden hebben, die daarmee overeen komen. De wijsheid zal hun niet leren vreemde dingen te doen, dan met enige bijzondere oogmerken. Want het zou dwaasheid en uitzinnigheid wezen, grote dingen te doen, om enig klein gering doeleinde, even weinig passend, als dat een berg zou baren, om een muis voort te brengen. Gewisselijk, wij moeten wel denken, dat het een heerlijk en hoog gewichtig werk moet zijn, hetwelk zo’n hoog en eerwaardig Persoon als de Zoon van God is, van de hemel bracht; het moet iets wezen, dat geëvenredigd is met Zijn wijsheid en Majesteit. En waarlijk zo is het ook. Daar is een grote en krachtige vijand Gods in de wereld, dat is de zonde; die opperrebel heeft de mens van God afgetrokken, en een gedurige tweedracht en vijandschap tussen die beiden gezaaid. Deze heeft het gehele menselijk geslacht overwonnen, en onder andere ook zelfs Gods uitverkorenen, diegenen, die God in Zijn eeuwige raad ten leven en ter zaligheid te voren verordineerd had. De zonde brengt alle mensen in slavernij, en oefent de volkomenste tirannie over hen uit, zij doet alle mensen hun heersende begeerlijkheden dienen, en dan is de gehele beloning daarvan de dood: zij verbindt hen tot het oordeel.

Nu, toen deze oproerigheid en weerspannigheid in de wereld ontstaan was, en een van de edelste schepselen in dit oproer was weggevoerd en afgetrokken van de schuldige gehoorzaamheid aan de Goddelijke Majesteit, zo besloot de allerheiligste en wijze raad des hemels, de Zoon van de Koning te zenden, om deze weerspannigheid te herstellen, de mensen weer tot gehoorzaamheid te brengen, en om de opperverrader, de zonde, waar Zijn natuur een gruwel van heeft, te verderven. En tot dat einde kwam de Zoon van de grote Koning, Jezus Christus, in de wereld, om de gevangen mens te verlossen, en om de overwinnende zonde te veroordelen. Er is geen voorwerp waartegen God zo’n volle, zuivere, en volmaakte toorn en haat heeft, als tegen de zonde. Daarom zendt Hij, om datgene te verdoemen, hetgeen Hij het meest haat; en Hij haat de zonde volkomen, om die te veroordelen. En dit wordt uitgedrukt als het oogmerk van Zijn komst, 1 Joh. 3:5,8. "Om de werken des duivels te verbreken." Al zijn boze en helse samenscholingen en vonden tegen de mens; al dat vergif van vijandschap en zonde, hetgeen hij uit nijd en boosheid op de mens uitspuwde, en dat hij in zijn natuur uitstort; al die werken van die vorst van de duisternis, om de mens te verlokken van gehoorzaamheid tot weerspannigheid, en over hem van die tijd af te tiranniseren, door de heersachtige wetten van zijn eigen begeerlijkheden. Met één woord, al dat werk, dat in de hel gesmeed was, om de arme mens neer te brengen tot diezelfde ellende met de duivelen; dat alles kwam Christus de eniggeboren Zoon van die grote Koning verbreken, dit was zijn edel plan en werk. Die toren, welke de satan opbouwde tegen de hemel, en waarvan hij het fondament zo laag als de hel gelegd had, wilde Christus neerwerpen: het werk waartoe Christus onder de mensen neerkwam was omdat Babel, die toren van duisternis en verwarring, af te breken, om een toren van licht en leven op te bouwen, tot welke de zondaars konden komen en veilig zijn, en langs welke zij dadelijk ten hemel konden opklimmen.

Sommigen verstaan door die woorden: "voor de zonde," de gelegenheid en reden van Christus’ komst, te weten, dat die was, omdat de zonde de wereld overwonnen, en de mens van de verdoemenis onderworpen had. Dat daarom Jezus Christus in de wereld kwam, om de zonde te overwinnen en die te veroordelen, opdat wij’ vrij zouden zijn van de verdoemenis door de zonde. En dit was de voorname oorzaak, waarom Hij het vlees aannam. Indien de zonde in de wereld niet gekomen was, had Christus er niet ingekomen; en indien de zonde geen troon in de mens zijn vlees had opgericht, had Christus geen vlees aangenomen. Hij had in de gelijkheid des zondigen vleses niet gekomen. Zodat dit overvloedige vertroosting kan geven. Want indien dit de rechte oorzaak van Zijn komst was, hetgeen Hem neerbracht van de vermakelijke en gelukzalige schoot van de Vader, zal Hij zeker datgene doen, waartoe Hij kwam. Hij kan in Zijn voornemen niet feilen; Hij kan Zijn doel niet missen: Hij moet de zonde veroordelen en zondaars zalig maken.

En waarlijk, dit is een wonderlijke liefde, dat Hij de zonde alleen voor Zijn deel nam, en alleen om de zonde, of tegen de zonde kwam, en niet tegen de arme zondaren. Hij had geen andere order van de Vader dan deze: gelijk Hij dat zelf verklaart, Joh. 3:17: "Want God heeft Zijn Zoon in de wereld niet gezonden, opdat Hij de wereld verdoemen zou, maar opdat de wereld door Hem zou behouden worden." Gelijk iemand terecht aanmerkt: Christus zou zulk een jaloerse gedachte niet met de vinger aangewezen, noch in van de mensen hart geworpen hebben, indien zij niet te voren in hen geweest was; maar hier zijn wij van nature toe genegen, harde gedachten van God te hebben, en bezwaarlijk te kunnen overreed worden door Zijn liefde; wanneer wij eens terdege overtuigd zijn van onze vijandschap. Het is waar, het meeste deel van de wereld beeldt zich in, van Gods liefde verzekerd te zijn, en zij zijn er niet jaloers over, omdat zij hun eigen vijandschap tegen God niet kennen. Maar laat eens iemand beseffen, waarlijk een vijand van God te zijn, dan zal het zeer moeilijk zijn, hem iets anders van God te doen geloven, dan dat Hij een vijandig gemoed tegen hem draagt. En daarom, om dit weg te nemen, verzekert ons Christus, dat noch de Vader noch Hij, enig plan of geheime lagen tegen de arme zondaars had; maar dat des Vaders oogmerk in het zenden, en Christus’ doel in het komen, voornamelijk, zo niet alleen was, niet tegen de mens, maar tegen de zonde, niet om de zondaars, maar om de zonde te verdoemen, en zondaars zalig te maken.

O gezegende en weergaloze liefde, die zo’n dadelijk onderscheid maakte tussen de zonde en de zondaren, die werkelijk zo één waren. Zullen wij dan niet tevreden zijn, dat voor ons die beklaaglijke vervloekte vereniging met de zonde los gemaakt wordt; zullen wij niet gewillig zijn, opdat de zonde in ons veroordeeld wordt, en dat wij onze zielen behouden krijgen? Ik bid u, geliefden in de Heere! zoekt toch niet, altijd Christus’ vijand, die grote verrader, staande te houden, tegen welke Hij van de hemel af kwam. Het is een wonder, dat Hij niet beide u en de zonde als vijanden vervolgt; maar indien Hij de één wil verderven en de ander behouden, o! laat Hem de zonde en niet u verderven, en dat zoveel te meer, omdat zij u zou verderven. Ziet naar Hem, dan zal de ongerechtigheid u niet ten verderve zijn, maar Hij zal het verderf van de ongerechtigheid zijn. Maar indien u zo’n deling tussen u en uw zonden niet wilt toelaten, ziet dan toe, dat u niet in eeuwigheid onverdeeld daarmee bent, en dat u niet een gemeen lot voor eeuwig zoudt hebben, dat is: de verdoemenis. Velen wilden wel behouden worden; maar zij wilden niet behouden worden met verlies van hun zonden. Helaas! dat zal u verdoemen. Wat betreft de zonde: God heeft een onverzoenlijke vijandschap daar tegen uitgeroepen. Hij heeft er geen woonstede voor, Hij wil daarmede niet in voorwaarden komen, en dat, omdat de zonde zijn dodelijke vijand is; derhalve laat de zonde veroordeeld worden, opdat u zoudt behouden worden, maar met de zonde zou u kunnen veroordeeld worden.

Het woord, "voor de zonde", kan daarom geschikt in een anderen zin genomen worden: tot een offerande voor de zonde; zodat de zin is: Jezus Christus kwam om de zonde, in haar eis tegen ons, te veroordelen en te vernietigen, door een offerande voor de zonde, dat is: door Zijn eigen lichaam of vlees op te offeren. Zo hebt u daar dan de weg en het middel, door hetwelk Christus de zonde overwon en het werk voltrok, waartoe Hij gezonden was. Het was de toorn te bevredigen, en de gerechtigheid te voldoen, door een offerande voor de zonde op te offeren; de prikkel en kracht des doods is de wet, zegt de apostel 1 Kor. 15:55. Twee grote vijanden hadden wij tegen ons, twee grote tirannen over ons: de zonde en de dood. De dood was tot alle mensen doorgegaan. Niet alleen waren alle mensen aan de ellenden van dit leven en de tijdelijke dood onderworpen; maar ook de vreze van de eeuwige dood, en een eeuwigdurende scheiding van het gezegende aangezicht van God, had op allen kunnen vallen, en hen aan de dienstbaarheid onderworpen maken, Hebr. 2:15. Maar de kracht en prikkel daarvan is de zonde; het is de zonde, die dood en hel tegen ons wapent. Neem de zonde weg, en u neemt de prikkel, de kracht van de zonde weg; zij heeft geen sterkte of vermogen. om de mens te beschadigen; maar omdat de dood de rechte bezoldiging of het loon van de zonde is (Rom. 6:23) zo vloeit al de zekerheid en krachtdadigheid in de beloning, van dit werk van de duisternis, de zonde. Maar nu, de kracht van de zonde is de wet, die een vergiftige en verdervende kracht in de prikkel van de zonde stelt, want het is het vonnis van Gods wet en de gerechtigheid van God, die zo’n onafscheidelijke samenhechting tussen de zonde en de dood gemaakt heeft; hierdoor krijgt de zonde een verdervende en dodende kracht. De gerechtigheid wapent ze met kracht en gezag, om de mens te veroordelen; zodat er geen vrijheid noch ontbinding van die veroordeling, en geen ontgaan van die verderfelijken prikkel des doods kan zijn, tenzij het vonnis van Gods wet, hetwelk zij uitgesproken heeft (u zult de dood sterven) verbroken wordt, en de gerechtigheid van God door een rantsoen voldaan wordt. En als dat gedaan is, is de kracht van de zonde geheel weg, en dan is de prikkel des doods afgeweerd.

Nu dit had de mens onmogelijk kunnen doen; die partijen zijn te sterk voor alle geschapen kracht: de kracht van de zonde om te veroordelen, mag enigszins oneindig genoemd worden, omdat ze vloeit uit de onveranderlijke wet van de oneindige gerechtigheid Gods; maar welke kracht zou kunnen strijden tegen die sterkte, behalve als van een zodanige, die ook een oneindige sterkte heeft? Daarom moest de Zone Gods komen, om dit werk te doen: de zonde te verdoemen, en de zondaar zalig te maken. En gekomen zijnde, worstelde Hij met de kracht van de zonde, want Hij wist waar de kracht ervan lag, en zo ging Hij eerst daar mee ten strijde, namelijk: met de gerechtigheid van Zijn Vader, met het handschrift van de inzettingen, dat tegen ons was, want indien Hij die eens kan wegdoen, hetzij als overwonnen, hetzij als voldaan, heeft Hij weinig anders meer te doen.

Doch, Hij gaat niet op een geweldige wijze te werk; Hij doet het niet met een sterke hand, maar Hij handelt er wijs, of mag ik met eerbiedigheid zeggen, listig in. "Hij kwam onder de wet, opdat Hij degenen, die onder de wet waren verlossen zou." Gal. 4:4. Met kracht zal het niet geschieden; de wet kan geen geweld aangedaan worden, de gerechtigheid kan niet gedwongen worden, om haar recht te laten varen; daarom verkiest onze Heere Jezus, als het ware, te onderhandelen met de wet, Zich daar onder te onderwerpen; Hij is geworden onder de Wet, Hij die boven de Wet was, zijnde de Wetgever op de berg Sinaï, Hand. 7:38; Gal. 3:19; Hij komt onder de verbintenis ervan, om die te vervullen: "Ik ben niet gekomen, om de Wet te ontbinden, maar om die te vervullen." Matth. 5:17. Hij wilde de wet geen geweld aandoen, noch regelrecht tegen de bedinging ervan, of zonder dat er voldoening aan gegeven werd om de zondaars te verlossen, want dat zou strijdig zijn tegen de wijsheid en rechtvaardigheid van de Vader, Die de wet gaf. Maar Hij doet het beter op een vriendelijke wijze, door onderwerping en gehoorzaamheid aan al de eisen ervan; al wat zij van de zondaar eiste, die schuld vervult Hij, Hij voldoet aan de schuldvordering in Zijn eigen Persoon door gehoorzaamheid. En dus krijgt Hij kracht over de wet door onderwerping aan al de eisen ervan, en haar recht over ons weg te nemen, daarom staat er, dat "Hij het handschrift van de inzettingen hetwelk tegen ons was, uitgewist heeft, door het te nagelen aan Zijn kruis, en zo nam Hij het weg." Col. 2:14. De schuldvordering voldaan hebbend schrapte Hij ze door; en zo is zij nu krachteloos tegen Hem en ons. Aldus is de kracht van de zonde, die de wet is, geweerd, en door dit middel is "de zonde veroordeeld in het vlees; door het lijden van Zijn vlees," en heeft de wet al haar eis tegen de zondaars verloren; want datgene, waaraan die eis hing, namelijk het vonnis van de wet, is uit de weg genomen, zodat zij geen blijkbare grond heeft, om tegen de arme zondaar, die naar Jezus Christus vliedt, enige beschuldiging te vestigen, en geheel geen grond om hem te veroordelen; in dat aanzien is zij ten enenmale krachteloos gemaakt; want gelijk de Filistijnen bevonden waar Simsons kracht in lag, en zij hem het haar afsneden, alzo heeft Christus in Zijn wijsheid gevonden, waar de sterkte van de eis van de zonde tegen de mens in lag, Hij heeft het haar daarvan afgesneden, dat is: "het handschrift van de inzettingen, hetwelk tegen ons was."

Dit is het, wat van het begin van de wereld afgeschaduwd is geworden, door de voorbeelden van offeranden en plechtigheden. Al die offeranden van beesten, vogelen en dergelijke, onder de wet, vertoonden en schaduwden af die ene offerande, die in de volheid van de tijd geofferd is, "om een verzoening voor de zonden van de wereld te zijn;" en iets hiervan werd onder de Heidenen gebruikt voor Christus komst, gewisselijk door overlevering van de vaderen, die van ver op deze dag gezien hebben, wanneer deze welriekende offerande zou geofferd worden, om de hemel te bevredigen. En het is niet zonder een bijzondere Voorzienigheid en opmerkenswaardig, dat sinds die volkomen en wezenlijke offerande opgeofferd is, de gewoonte van slachtofferen door de gehele wereld is opgehouden, alsof God door het ophouden van slachtofferen, en door het stilzwijgen van de orakelen aan alle mensen toeriep, dat de ware verzoening reeds gekomen, en de ware Profeet van de hemel is neergedaald, om Gods zin aan de wereld te openbaren. Daar werden vele plechtigheden onderhouden in het slachtofferen, om ons de volmaaktheid van onze verzoening en bevrediging voor te houden: zij legden hun handen op het beest, te weten: degenen, die het brachten, om te betekenen dat onze zonden aan Christus toegerekend werden, "Hij, die geen zonde gekend heeft, heeft God zonde voor ons gemaakt, opdat wij zouden worden rechtvaardigheid Gods in Hem."

En waarlijk het is opmerkenswaardig, dat zelfs die offeranden voor de zonden genoemd werden, zonde; en zo worden die woorden met elkaar verwisseld in Leviticus, om ons aan te wijzen, dat Jezus Christus Zijn ziel tot zonde zou maken, Jes. 53:10, dat is: een slachtoffer voor de zonde; en dat Hij voor ons zonde zou worden, dat is: een slachtoffer voor de zonde. Wanneer het bloed uitgestort werd (dewijl er zonder bloedstorting geen vergeving geschiedde, Hebr. 10,) sprengde de priester het bloed zevenmaal voor de Heere, om daarmee de volmaaktheid van die verzoening voor onze zonden in de kracht en duurzaamheid ervan af te schaduwen; Hebr. 9:26; dat Hij zou verschijnen, "om de zonde weg te nemen door de offerande van Zichzelf," om die zo weg te nemen, alsof zij nooit geweest was, door die op Hem te nemen, en weg te dragen. En dan moest de hogepriester van het bloed brengen in het heilige der heiligen, en binnen het voorhangsel, en de genadestoel besprengen, om ons te tonen, dat de verdienste en krachtdadigheid van Christus bloed in de hoogste hemelen zou gaan, om de toorn Gods te bevredigen. Onze Hogepriester is door zijn bloed "in het heiligdom gegaan, een eeuwige verlossing voor ons verkregen hebbende." Hebr. 9:12. En gewis dit is het slachtoffer, hetwelk onbevlekt Gode opgeofferd zijnde, alles verzoent. Hebr. 9:14. De zonde heeft een geroep, zij roept luide om wraak; dit bloed stilt het geroep, en schikt alles tot gunst en barmhartigheid. Het heeft zo’n zoete en liefelijke reuk in Gods schatting, dat het de hemel met zijn geur vervult.

Hij is die waarachtige weggaande bok, welke niettegenstaande Hij al de zonden van Zijn volk droeg, nochtans levend wegging; hoewel Hij Zijn ziel tot een offerande voor de zonde moest maken en er voor sterven, nochtans heeft Hij door dit middel de zonde veroordeeld, doordien Hij veroordeeld is om de zonde; door dit middel heeft Hij de dood en het graf overwonnen, door te komen onder de macht des doods, en zo leeft Hij nu voor eeuwig, om Zijn overwinning tot de zaligheid aan te leggen. Door onze zonden op Zich te nemen, heeft Hij volkomen de kracht en eis ervan weggedaan, gelijk de bok, die naar de woestijn buiten het gezicht van de mensen gezonden werd, niet opnieuw gezien werd. Gewisse, dit is de weg, op welke onze zonden in het graf van de vergetelheid begraven als een wolk weggedaan en in de diepten van de zee geworpen, en zo ver als het oosten is van het westen, weggezonden worden, op dat zij nooit tegen ons in het oordeel zouden komen, om ons te veroordelen, omdat Christus door de toorn te bevredigen en de gerechtigheid te voldoen, door het opofferen van Zichzelf, de zonden in het oordeel als gedood en in het graf met Zijn eigen lichaam begraven heeft.

Gij ziet dan, mijn geliefden! een vaste grond van troost tegen al onze vrees en droefheid, een beantwoording van al de beschuldigingen van onze zonden. Hier is een verantwoording voor alles, en boven alles. Gij wilde wel bijzondere beantwoording hebben, om uw bijzondere twijfelingen te voldoen. Gijlieden zoekt altijd enige tevredenstelling van uwe gewetens, behalve dit. Maar gelooft het, al wat gezegd kan worden benevens deze bevrediging en verzoening, heeft niet meer kracht om uw geweten te reinigen, of uw beangstigde gewetens te voldoen, dan die herhaalde slachtoffers weleer waren. Alles waar u naast dit uw oog of hart op, stellen komt, dat is ongenoegzaam, en daarom vindt u een noodzakelijkheid (om enige andere genade of hoedanigheid te zoeken, om uwe gewetens tevreden te stellen, even gelijk zij nodig hadden) de slachtofferen te vermenigvuldigen; maar sinds dit volmaakte Zoenoffer voor onze zonden opgeofferd is, behoorden nu niet alle ijdele verzoeningen door onze eigen werken op te houden? Gewis, daar is niets dat de hemel kan bevredigen dan dit, en niets is er, dat uwe geweten op aarde gerust kan stellen, dan dit offer. Indien u enige beschuldiging tegen u bevindt, let dan hier op: Christus heeft door één slachtoffer voor de zonde, de zonde veroordeeld in Zijn eigen vlees: de littekens van de spies, van de nagelen, en van het met vuisten slaan van Zijn vlees, zijn de tekenen en panden, dat Hij geworsteld heeft met de toorn, die door uwe zonden verdiend was, en zo heeft Hij al het recht, dat de zonde over u had, afgesneden. Indien u ongeveinsd voor Gods aangezicht zeggen kunt, dat het de begeerte van uw ziel is, van de zonde zowel als van de toorn verlost te worden: en u wilde gaarne wegvlieden van de verdoemenis, kom dan tot Hem, die de zonde veroordeeld heeft door de verdoemenis wegens de zonde te lijden, opdat Hij degenen, die daarvan afvlieden tot Hem, zou behouden.

 

14e Predikatie, Rom. 8:4

Opdat het recht der wet vervuld zou worden in ons,

Toen God de Heere een groot plan had aan de wereld bekend te maken, aangaande Zijn gerechtigheid en barmhartigheid omtrent de mensen, vond Hij dit zeer gepast en geëvenredigd middel daartoe uit, waarvan hierin het derde vers gesproken is, te weten: Zijn eigen Zoon te zenden, om de straf van de zonde te dragen opdat de gerechtigheid van de wet om niet, en uit enkele genade in de zondaars zou vervuld worden. En waarlijk, wij hadden niet kunnen denken, hoe Hij die beide eigenschappen in de zaligheid van de zondaars kon vertonen; wij hadden geen weg kunnen uitvinden, om Zijn gerechtigheid en heiligheid te vertonen, die Zijn barmhartigheid en genade niet zou verduisterd hebben; noch een weg tot openbaring van Zijn genade en barmhartigheid, die niet tot verdonkering van Zijn heiligheid en rechtvaardigheid zou gestrekt hebben. Naar de letter van de wet, die gegeven was tot een regel des levens, is het aldus: "die deze dingen doet, zal door dezelve leven; en vervloekt is een ieder, die dezelve niet doet." Wat konden wij verwachten, indien vervuld werd, zo als het schijnt, dat Gods waarheid en heiligheid; eiste? Wij waren verloren; daar is geen plaats voor barmhartigheid; maar indien dit niet vervuld werd, opdat barmhartigheid zou getoond worden in de vergeving van de zonde, scheen het, dat Gods waarheid en getrouwheid benadeeld zou worden.

Dit is de engte, waarin alle zondaars zouden geweest zijn, indien God niet zo’n ruimte had uitgevonden, gelijk deze is, namelijk: hoe barmhartigheid te tonen, zonder de gerechtigheid te verongelijken, en hoe de zondaars te behouden, zonder Zijne getrouwheid te kwetsen. Gewis wij mogen verwonderd staan, wat het was, dat Zijne Majesteit in de engte kon brengen, dat Hij Zijn beminde Zoon moest zenden, Hem verbrijzelen en Zijn aangezicht voor Hem verbergen, ja Hem pijnigen, en de drinkbeker van Hem niet laten voorbij gaan, niettegenstaande al Zijn smekingen. Kon Hij niet lichter bedreiging aan de wet gevoegd hebben, dan: "gij zult sterven," of gemakkelijker dat vonnis verzacht of vernietigd hebben, en de zondaar, zonder iets meer, hebben laten gaan, dan zo’n zware straf af te eisen van een, die onschuldig was? Was het de voldoening aan Zijn gerechtigheid, die Hem in engte bracht, en een noodzakelijkheid op Hem legde? Doch het kan zo schijnen niet meer tegen de gerechtigheid te strijden, de zondaar zonder voldoening te laten gaan, dan de voldoening te eisen en te nemen, van een, die niet dadelijk schuldig was! Het is het gevoelen van sommige Gereformeerde leraars, dat het niet de onverzettelijke noodzakelijkheid was, dat de gerechtigheid moest voldaan worden, die Hem aan zo’n zwaar en onvermakelijk werk stelde, als: "het verbrijzelen van Zijn Zoon;" want dat Hij alzo wel van alle voldoening had kunnen ontheffen, als van de personele voldoening van de zondaar; maar dat hier de engte lag, en de drang van dit geval: dat God een voornemen had, om Zijn gerechtigheid op te luisteren, en dat er daarom een voldoening moest gegeven worden, niet enkel om de gerechtigheid te voldoen, maar veeleer, om Zijne gerechtigheid te betonen, Rom. 3:25.

Nu gewisselijk, om deze twee tegelijk te doen schijnen in het een werk van de zaligmaking van de zondaar, daartoe had de gehele wereld zulk een middel niet kunnen uitvinden, namelijk: de ontheffing van de personele voldoening van de zondaar, welke door de gestrengheid van de wet vereist werd; en alzo een zoete bezadigdheid en verzachting toe te laten; de rijkdom van Zijn genade en barmhartigheid zou openbaar worden, door een diezelfde straf af te eisen van een andere, Die gewillig in de zondaar zijn plaats kwam, teneinde alle zondaars Zijne gerechtigheid en rechtvaardigheid konden zien. En zo heeft dit werk van de verlossing van de zondaars, die namen van God (welke Hij zelf door Mozes uitgeroepen heeft, Exod. 34:6,7,) op zich diep gegraveerd; de barmhartigheid en goedertierenheid was er op het breedste in uitgedrukt; want de liefde was de oorsprong van alles, en de liefde ging door alles heen; doch zo, dat er plaats is om Zijn heiligheid en rechtvaardigheid meteen ook uit te spreken, niet zozeer, om zondaars te verschrikken, als wel om Zijn barmhartigheid ruimer en wonderbaarlijker te maken.

Ik ken geen dringender grond van sterke vertroosting, noch een vaster bolwerk voor ons vertrouwen en zaligheid, dan deze samenvoeging van barmhartigheid en gerechtigheid in dit werk. Daarom zou er altijd een heimelijke wortel van jaloersheid en argwaan in ons gemoed geweest zijn, wanneer God de barmhartigheid en vergeving aan ons om niet had aangeboden: o! hoe zal de wet voldaan worden, en de blijvende eis van de gerechtigheid en getrouwheid, die een vonnis des doods over ons uitgesproken heeft, beantwoord worden? Zal niet de rechtvaardige wet zodoende te kort gedaan worden, indien ik behouden word, en aan de wet niet voldaan wordt, door gehoorzaamheid of lijden? Hoe zwaar zou het vallen, een ziel te verzekeren van vrije vergeving, die zo’n streng vonnis tegen haar ziet staan? Maar nu is er geen plaats voor de twijfeling over: alles is bedacht tot moedgeving en gelukzaligheid van arme zondaars, opdat wij tot Hem zouden komen met de volle verzekering van Zijne volvaardigheid en genegenheid, om de zonden te vergeven, nademaal Jezus Christus de wet en gerechtigheid Gods voor ons heeft voldaan, over hetgeen wij schuldig waren, dat betalende buiten en zonder ons; en zo hebben wij een klare weg en gerede toegang tot vergeving, en tot het geloven van Zijne gewilligheid, om te vergeven.

En dit is hetgeen hier voorgehouden wordt: Christus veroordeelde de zonde in het vlees, of strafte de zonde in Zijn eigen vlees, gevende een zichtbare en gevoelige vertoning van de gerechtigheid van God in de zonde te straffen, en dat in Zijn vlees. Christus offerde Zich op als de veroordeelde zondaars, hangende aan het kruis voor het oog van de gehele wereld, als een blijkbare getuigenis van de rechtvaardigheid Gods tegen de zonde; en door dit middel sneed Hij de kracht van de zonde en van de wet af, door die te vervullen. Gij kunt in Christus’ lijden als in een spiegel zien: de haat en toorn Gods tegen de zonde, de rechtvaardigheid Gods door de zonde te straffen; God heeft Hem aan de wereld voorgesteld tot een verzoening, en tot beloning van Zijn rechtvaardigheid. Rom. 3:24, 25. In deze gekruiste Heere Jezus kunt u het gevoelige beeld en het levendigste bewijs van Gods heiligheid en rechtvaardigheid zien: Christus’ vlees droeg de merktekenen, beide van Zijn heiligheid in de zonde te haten, en van de gerechtigheid in ze te straffen, en dat beide in de Persoon of in het vlees van Zijn geliefde en eniggeborenen Zoon. En dat alles, opdat de wet door onze zaligheid geen schade zou lijden, "opdat het recht van de wet in ons vervuld zou worden."

Dit is hetgeen Christus zegt, Matth. 5:17: "Ik ben niet gekomen om de wet te ontbinden, maar om dezelve te vervullen;" en dit wil Paulus ook zeggen: "is de wet te niet gemaakt door het geloof? dat zij verre; ja veeleer is zij bevestigd." Rom. 3:31. De wet en de gerechtigheid komen beter aan het hunne door onze Borg, dan door ons; daar is zo’n weg niet te begrijpen, om het ten volle te voldoen, dan deze weg, hetzij u op het gebod of op de vloek ziet.

Vooreerst, het gebod kreeg nooit in enig mens zo’n voldoening als in de Persoon van Christus: Hij heeft het door gehoorzaamheid voldaan en vervuld: "Het betaamt ons," zegt Christus, "alle gerechtigheid te vervullen," Matth. 3:15, beide zedelijk en plechtig, "zodat er geen bedrog in Zijn mond gevonden is; Hij kende geen zonde," Hij was heilig, en onnozel; Zijns Vaders wil was het vermaak van Zijn ziel; "Ik heb lust, o Mijn God!" zeide Hij Ps. 40:8, "om Uwen wil te doen:" Het was meer dan Zijn noodzakelijk voedsel, "Zijn spijs en drank;" daar was zo’n volstrekte overeenstemming tussen Zijn wil en Gods wil, en tussen Zijn weg, die Hij moest gaan en Zijn wil, dat het niet mogelijk was, dat er enig verschil tussen beide komen zou. Zijne gehoorzaamheid bevatte meer goeds in zich (om zo te spreken) dan Adams ongehoorzaamheid kwaads in zich bevatte, Rom. 5:18, 19. Adams ongehoorzaamheid was slechts de zonde van een eindig schepsel; maar Christus’ gehoorzaamheid was het werk van een oneindig Persoon. Ik oordeel, dat er meer dadelijke waardij in Christus’ gehoorzaamheid aan de geboden was, dan in al de verenigde dienst en gehoorzaamheid van mensen en engelen: al de liefde, vermaak, vreze en gehoorzaamheid daaruit vloeiend, neemt die in een bundel, zoals zij zullen uitgerekt en vermenigvuldigd zijn tot in alle eeuwigheid; evenwel is er toch iets in Christus’ gehoorzaamheid, liefde en vermaak, hetwelk zich boven alles verheft, en er een hoger prijs op stelt, namelijk: de overklimmende waardigheid van zijn Persoon, Zijn eigen Zoon "geworden onder de wet," Gal. 4:4. Dat is waardiger, dan alle mensen en engelen geworden onder de wet. Het was geen vernedering, maar veeleer verhoging geweest van een engel, aan God gehoorzaam te zijn; die onderwerping aan een wet is de hoogste top van de schepsel zijn verhoging. Maar Hij was zo’n Persoon, dat Zijn gehoorzaamheid een vernedering van Zichzelf was: "Hij vernederde Zich, en werd gehoorzaam tot de dood." Phil. 2:8. "En hoewel Hij de Zoon was, zo leed Hij, om gehoorzaamheid te leren." Hebr. 5:8.

Gewis nu wordt het gebod door dit middel meer verhoogd, omdat het zulk een heerlijk Persoon onder zich bevat, dan indien het zulke arme verachtelijke mensen onder zich had; en omdat het door Hem vervuld en ten volle volbracht is, daar dit anders nooit zou zijn geschied.

Veronderstel dat de gerechtigheid de straf van ons had afgevorderd, ons lijden had nooit tot in alle eeuwigheid kunnen eindigen; ook zouden wij nooit een nieuwe gehoorzaamheid aan het gebod begonnen hebben tot in alle eeuwigheid; zo zou het gebod vanaf de tijd dat het verbroken was, nooit vervuld zijn geworden, indien Christus het werk van ons niet afgenomen en ons van dat werk verlost had.

Ten andere. De vloek van de wet kon geen volkomener voldoening verkrijgen, dan in Christus. Veronderstel dat ze op de zondaar gevallen was; welnu, er is zoveel waardigheid niet in het uiterste lijden van het schepsel, dat dit het oneindig ongelijk, hetwelk de heiligheid van God is aangedaan, zou vergoeden. Daarom, hetgeen ontbrak aan de inwendige waardij van het lijden van het schepsel, moest opgemaakt worden in de oneindige uitbreiding ervan, en in de eeuwige voortzetting op het schepsel. Dus kon er nooit een bepaalde tijd aangewezen worden, waarin de vloek vervuld was, en waarop de gerechtigheid kon zeggen: houdt op, ik heb genoeg. Het is evenals iemand die een oneindige som schuldig was, en niets anders tot het afdoen van de schuld had, dan enige kleine sommetjes, welke alle samen niet kunnen uitmaken, hetgeen enige evenredigheid daarmee had; en daarom omdat hij niet een som bijeen kan krijgen, die de schuld even gelijk is, zo moet hij eeuwig betalend zijn met kleinigheden naar zijn bekwaamheid en omdat het alzo nooit kan komen tot de laatste penning, kan hij ook nooit uit de gevangenis losgelaten worden.

Maar onze Heere Jezus heeft aan de vloek ten volle voldaan. Hij was een zelfstandiger en bekwamer schuldenaar; en wegens de oneindigheid van Zijn Persoon, was er een oneindige waardij op Zijn lijden, recht geëvenredigd naar de oneindigheid van de mensen hun zonde; zodat Hij de gehele schuld in een korte tijd kon betalen, wat een zondaar niet had kunnen doen in een lange eeuwigheid. Nu u weet, een ieder zou liever zo’n Borg kiezen, die hem ten volle kan voldoen, en de gehele som ineens betalen, dan een schuldenaar, die de voornaamste is, doch vanwege zijn machteloosheid gen merkelijke voldoening kan geven in vele jaren. En evenzo is het met de wet en de gerechtigheid van God: zij achten zich beter tevreden gesteld in Christus, dan in ons, daarin, dat Hij een vloek geworden is, dan dat de vloek op ons valt. Gal. 3:13. En daarom getuigt God het aan arme zondaren: "verlos hun, Ik heb verzoening gevonden," Job 33:24, en dat dit is het rantsoen, hetwelk Christus gegeven heeft: — "Zijn leven voor velen," Matth. 20:28.

Gij ziet dan, hoe dit besluit volgt, "opdat het recht van de wet vervuld zou worden in ons", nademaal Hij dat recht zo volkomen vervult en voldaan heeft, beide door gehoorzaamheid aan de wet en door onderwerping aan de vloek. Het is in Gods rekening, alsof wij het gedaan hadden, omdat Christus in onze plaats Borg was, en als een gemeen Persoon ons vertegenwoordigde; en daarom Zijn betalen van de schuld stelt ons vrij van de hand van de gerechtigheid; en al wat Hij deed om alle gerechtigheid te vervullen. wordt als het onze gerekend, omdat wij in Hem vertegenwoordigd en rechtswege met Hem één waren; en daarom werden wij evenals Hij veroordeeld: toen Hij stierf, werd de gerechtigheid van de wet, in de billijke straf voor de zonde af te eisen, voor ons in Hem vervuld; en het is zo veel, alsof het persoonlijk in ons was geschied.

En dit wordt als grond gelegd van die zalige gezantschap, aankondiging van verzoening aan zondaars, als datgene, waarop "God in Christus de wereld was verzoenende, en ons biddende, om ons te laten verzoenen," 2 Kor. 5:19, 20. "Hij die geen zonde gekend heeft, heeft Hij zonde voor ons gemaakt, opdat wij zouden worden rechtvaardigheid Gods in Hem." Gij ziet de zalige verwisseling, die Hij met ons gemaakt heeft: Hij heeft onze zonden op de zondeloze Christus gelegd, en Christus’ gerechtigheid heeft Hij op ons zondaren gelegd. Christus nam onze zonden op Zich opdat Hij ons Zijn gerechtigheid zou geven. En gelijk het uit kracht van deze onderhandeling en mededeling, recht bij God was, de zonde te veroordelen in ons vlees, zo is het ook recht bij Hem, de gerechtigheid ons toe te rekenen, omdat wij in Hem waren; en gelijk de wet Hem tot een vloek maakte, en de straf van Hem afeiste, zo is het recht bij de Heere ons te geven het eeuwige leven en de vergeving van de zonden, gelijk Johannes spreekt 1 Joh. 1:9: "Indien wij onze zonden belijden, Hij is getrouw en rechtvaardig, dat Hij ons de zonden vergeve."

Nu let hier op, mijn geliefden! want het wordt u voorgesteld als de grootste beweegreden, om tot Jezus Christus te komen, en dat er zo’n klare en effen weg in Hem is tot zaligheid. Indien dit uwe harten niet beweegt, dan weet ik niet, welk middel u bewegen zal. Ik verwacht niet, dat uw moeilijkheden in deze wereld, de menigvuldige slagen van oordelen, het arm maken en uitputten van u, het wegnemen van hetgeen u lief had, de menigvuldige onrust van uw vrede— ik verwacht niet, zeg ik u, dat iets van die allen, die het beeld van toorn op zich hebben, u tot Hem kan of zal drijven, en u uw weg zullen doen verlaten, wanneer zo’n beweegrede als dit is, u niet kan overreden en bewegen. Och! welk hart zou de kracht van deze beweegrede weerstaan, indien zij recht begrepen werd! Wie zou niet gewillig toevlieden naar deze stad van toevlucht, indien zij de bloedwreker, die hen vervolgt, recht kenden, en wisten welke veiligheid binnen die stad is!

Gij verbeeldt u altijd ijdele voldoeningen aan Gods wet; uw inbeelding stelt groot gewicht op uwe tranen, op uw belijdenissen en op uw verbeteringen. Indien u iets daarvan kunt bekomen, dat is het, wat u geeft, om de gerechtigheid te voldoen: dat is het waarmee u voorgeeft de wet te voldoen. Maar indien dit zo kon zijn, waarom zou God dan Zijn Zoon gezonden hebben, om de zonde te veroordelen en gerechtigheid door Hem te verwerven? Ik bid u, ken en merk uw staat op, opdat u uw hart mag openen voor deze Verlosser, opdat u gewillig mag zijn, om geheel naakt en ontdaan te worden van al uw ingebeelde gerechtigheid, teneinde u dit als een kleed mag aandoen, hetwelk de wet volkomen zal voldoen. Wilt u in uw zouden sterven, "omdat u niet tot Hem wilt komen, op dat u het leven hebt?" Wilt u liever veroordeeld worden met de zonde, dan met Christus’ gerechtigheid behouden worden? Gewis, daar is geen altaar, dat u zal behouden, dan dit.

Nu dan, indien enige van u, hun eigen ellende beseffend, zwaar vervolgd en benauwd worden in hun gewetens door de wet van God, ik bid u, kom hier en zie dat de wet voldaan en vervuld is. Ik bid u in Christus’ Naam, laat u met God verzoenen; leg alle vijandelijke gezindheden af, kom tot Hem omdat God in Christus de wereld met Zichzelf verzoend heeft en hen de zonden niet toerekent, omdat Hij die reeds aan Christus toegerekend heeft: "Hij die geen zonde gekend heeft," enz.; Hij is in Christus verzoend, Zijn gerechtigheid aan de zondaars toerekenend.

 

15e Predikatie, Rom. 8:4

Opdat het recht der wet vervuld zou worden in ons, die niet naar het vlees wandelen, maar naar den Geest.

"Meent niet, (zegt Christus Jezus, onze Heere en Zaligmaker) dat Ik gekomen ben om de wet te ontbinden; Ik ben gekomen, om die te vervullen." Matth. 5:17. Dit was een nodige waarschuwing, omdat in de gemoederen van de mensen een natuurlijke misvatting van het Evangelie heerst. Wanneer er vergeving van de zonden en het eeuwige leven in Christus Jezus gepredikt wordt, zonder de werken van de wet; wanneer de barmhartigheid Gods wordt uitgeroepen in haar vrijheid en volheid, dan is het hart van de mensen aan een jammerlijke misvatting van Christus onderworpen, alsof hierdoor een ruimte was gegeven, en een vrijheid uitgeroepen voor de mensen, om in de zonde te leven. Dat, wat voorgesteld wordt als een moedgeving voor arme zondaars, om toe te komen, en hun zondige weg te verlaten, wordt verschrikkelijk verdraaid door een misvatting, namelijk: een aanmoediging tot meerder en meerder afval. Rechtvaardigheid en het leven door het geloof in een Zaligmaker, zonder de werken van de wet, wordt voorgehouden als de grootste Evangelische beweegrede, om de gehoorzaamheid aan de wet te behartigen, en nochtans, zodanig is de verkeerdheid van vele mensenharten, dat zij, of in verbeelding of in praktijk zich zo gedragen, alsof niet samen bestaan kon: vrije rechtvaardigmaking en heiligmaking, Christus en de wet; alsof Christus was gekomen, niet om ons van de zonde te verlossen, maar tot de zonde.

Nu om dat voor te komen, zegt Hij: "meent niet, dat Ik gekomen ben om de wet te ontbinden;" — beeld uzelf geen vrijheid in, om in de zonde te leven; een vrijheid van de verbintenis van een gebod, omdat Ik een vrijheid van en losmaking van de vloek verworven heb; neen, "Ik ben eer gekomen om die te vervullen," niet alleen in Mijn eigen Persoon, maar ook in ulieden. En tot dit einde zegt Paulus, Rom. 3:31. "Maken wij de wet te niet door het geloof?" Het is zo natuurlijk voor onze weerspannige harten, te begeren vrij te zijn van het juk van de gehoorzaamheid, en daarom verbeelden wij ons zo’n bevatting of denkbeeld van het geloof, dat het zich niet behoeft te begeven tot de werken van de liefde, maar dat het nergens in werkzaam is dan in inbeelding. De apostel verfoeit dat: "dat zij verre," zegt hij, hij heeft er een gruwel van, als zijnde goddeloos en kerkroof, "ja" zegt hij, "wij bevestigen de wet." Zo komt het dan alles hier op uit: een van de grote doeleinden van Christus’ komst in het vlees, en het voorname oogmerk van het Evangelie, dat in Zijn Naam verkondigd wordt, is behalve om ons te bevrijden van toorn, en ons te verlossen van de vloek, (Gal. 3:13; 1 Thess. 1:10;) inzonderheid ook, "om ons te verlossen van alle ongerechtigheid, opdat wij een volk zouden zijn, ijverig in goede werken," Tit. 2:14, en de zonde weg te nemen, en de "werken des duivels te verbreken." 1 Joh. 3:8.

Wij spraken deze morgen, hoe Christus de wet vervuld en bevestigd heeft in Zijn eigen Persoon door gehoorzaamheid en lijden, hoe die wet door niemand anders alzo kon voldaan worden in beiderlei wegen. Maar daar is nog een derde weg, waarin Hij de wet volbrengt en bevestigt, en dat is in onze personen: "Opdat het recht der wet vervuld worde in ons, die niet naar het vlees wandelen, maar naar de Geest." Hij heeft zich verbonden, die niet alleen voor de gelovigen, maar in de gelovigen te vervullen; daarom luidt de belofte aldus. Ik zal Mijn wet in uw harten schrijven, en Ik zal u doen wandelen in Mijne inzettingen," Ezech 36:27. Jer. 31:33. Niet alleen heb Ik, zegt Christus. een lust, om Uw wil te doen, maar Ik zal hen ook een lust doen hebben, om dezelve te doen. En waarlijk, in dit opzicht wordt de wet meer vervuld en bevestigd door Christus dan zij ooit had kunnen vervuld zijn geworden, indien de mens was overgelaten, om die alleen te voldoen.

Indien wij alleen met de wet hadden moeten afrekenen, dan hadden wij eeuwiglijk bezig geweest met voldoening voor de verbrekingen ervan, zodat er geen toegang zou kunnen geweest zijn tot gehoorzaamheid van het gebod, en geen aanneming ervan. Een zondaar moet eerst de vloek voldoen voor de begane fout, eer hij ooit kan in staat zijn, om nieuwe gehoorzaamheid te verrichten op voorwaarde van aanneming bij God. Dan, het eerste zou een eeuwigheid lang de mens opgehouden hebben, zodat er geen plaats van ingang tot het tweede kon zijn; derhalve, indien Christus geen weg uitgevonden had van vrije vergeving van de zonden, die verleden zijn, en een verzekering van vergeving voor de toekomende tijd, dan zouden Gods geboden ten enenmale vruchteloos zijn geweest. Maar "bij U is vergeving, opdat Gij gevreesd wordt." Ps. 130:4. Het woord is ook te vertalen, opdat Gij gediend of aangebeden wordt. Waarlijk, mijn geliefden! Dit is de grond van alle godsdienst, de vrije vergeving; daar was geen godsdienst, geen gehoorzaamheid aan Zijne geboden geweest tot in alle eeuwigheid; nooit zou er enige vreze Gods, enige liefde, enig vermaak in God, enige eerbied, en onderwerping aan Hem geweest zijn, indien er bij Hem geen vergeving, en een schat van barmhartigheid geweest was, om die eerst aan zondaren te verlenen, en dit opent de toegang tot Hem, om voor Zijn aangezicht te staan en Hem te dienen. De wolk van onze overtredingen is zo dik en donker, dat er geen gemeenschap met God had kunnen zijn, indien Hij de weg niet had uitgevonden, om die te verdrijven en uit te wissen, om Zijns Naams wil.

De godsdienst moet dan beginnen van deze grote en onwaardeerbare vrije gift van toegerekende gerechtigheid; van ons te rekenen hetgeen wij in onszelf niet zijn, omdat wij zo in een ander gevonden worden: zij begint, zeg ik, van de vergeving van zonden. Maar dit is niet alles; dit heeft een verder doel; en waarlijk het is maar een inleiding tot een verder doel, te weten: opdat de zielen zouden deelachtig gemaakt worden de gave van de heiligheid van binnen, en opdat zij het beeld Gods in hen vernieuwd zouden krijgen in heiligheid en gerechtigheid. Ik wilde graag, dat u eens bewogen werd, om hier te beginnen, te weten: van te ontvangen de vrije gift van de gerechtigheid van een ander (Rom. 5:17), en van de gehoorzaamheid van een ander, en dat u gewaar werd dat u naakt en walgelijk bent zonder dit deksel, en dat alle andere deksels van uw eigen werken veel te kort zijn. Och! dat wij u eens konden overreden om uzelf te verzaken, en deze gerechtigheid te omhelzen, dan was het licht, u te bewegen om de zonde te verlaten, en heiligheid aan te doen. Ik zeg, eerst moet u zichzelf verzaken, als verloren in al wat u doet, als walgelijk in alles wat u ooit bemint; u moet onder de wijde en brede mantel van Christus’ gerechtigheid komen, welke Hij op aarde geweven heeft, om onze naaktheid te bedekken. Gij moet eens de gerechtigheid van de wet volkomen vervuld krijgen door een ander, eer u kunt toegang verkrijgen, om zelfs een jota daarvan te vervullen, of iets wat u doet, zal aangenaam zijn; en voordat deze grond gelegd is, slaat u maar in het stuk van godsdienst in de lucht; u bouwt maar op een zandgrond.

Nu indien u eens zo ver gebracht was dat u alle vertrouwen op uzelf verzaakte, en tot Christus gerechtigheid vlood, dan was het ligt u een stap verder te leiden, om de liefde tot uw geliefkoosde zonden te verzaken; en hoe Christus’ gerechtigheid beminnelijker in uw ogen is, des te schoner zou ook de heiligheid en gehoorzaamheid in uw ogen blinken, dan zoudt u trachten te wandelen naar de geleide van de Geest. Ik wilde wel, dat de indruk diep in uw hart ware: dat het Evangelie geen leer is van ongebondenheid, maar een leer van de zuiverste vrijheid en van de volkomenste verlossing. Velen denken, dat het vrijheid is, hun lusten te dienen, en waarlijk dezelve in te binden, is gelijk koorden en banden. Niemand is er, of hij zou zich wel willen laten behouden voor de toekomende toorn, en daarom grijpen velen naar zulke spreuken van het Evangelie, en nemen die lichtvaardig aan, zonder op te merken wat verder in het Evangelie is. Maar gewis, indien het zo was, dan was het geen volkomen verlossing: indien er ook geen verlossing was van de zonde, welke de onbepaaldste tiran is van de wereld. Ik oordeel, dat een waar Christen dienst van de zonde als slavernij zou achten, al werd het gelaten aan zijn keuze. "Die de zonde doet, is een dienstknecht van de zonde;" daarom is de vrijheid, welke Christus verwierf, een vrijheid van de zonde. Joh. 8:34.

Ja ik zal meer zeggen: wij zijn verlost van Gods toorn, opdat wij alzo zouden verlost worden van de zonde; wij hebben de gerechtigheid van Christus ons toegerekend gekregen, opdat alzo het beeld van Christus binnen in ons zou vernieuwd worden; dit is het rechte van het eerste. Gewis die recht de zaken onderscheiden kan, weet, dat de zonde oneindig meer kwaad in zich bevat, dan de straf; ja de straf is alleen kwaad voor zover zij betrekking op de zonde heeft. Daar is een schoonheid van rechtvaardigheid, in de straf toe te brengen; maar in de zonde is niets dan lelijkheid en tegenkanting tegen Gods heiligheid; zij is zuiver kwaad, en volkomen van God gehaat; en indien er niet meer ware, om u te overreden, dan dat de zonde oneindig meer kwaad is dan de smart, merkt op hoe onze smart en straf dadelijk overgebracht is op de gezegende Zoon Gods, en dat dit alles Hem niet een haar te moeilijk maakte; maar Hij was niet vatbaar voor de dadelijke instorting van onze zonde; de zonde zou Christus alzo ellendig, jammerlijk en machteloos gemaakt hebben, als iemand van ons, zij zou Hem zo ver onbekwaam hebben gemaakt, om ons te helpen, dat Hij evenzeer een Middelaar nodig zou gehad hebben als wij; dit te denken zou God lasteren zijn. Ziet dan eens, hoe veel tussenstand er was tussen de lijdende en stervende Christus, en de snode mensen, levende in de zonde; niemand kan zeggen als: Hij was oneindig beter, zelfs terwijl Hij in de pijn was, dan de hoogste Vorst in zijn wellust; zoveel onevenredigheid er is tussen zonde en smart, zoveel is het een erger dan het andere.

Meent dan niet, dat Christus stierf, om voor u een vrijlating te verwerven, om in de zonde te leven; waarlijk, dat was slechts het mindere kwaad weg te nemen, opdat het grotere zou blijven; dit was ons te verlossen van een ellende, opdat wij meer verstrikt zouden worden in datgene, hetwelk de grootste is van alle ellenden. Neen, gewis, indien Christus een Verlosser is, dan moet Hij ons van onze machtigste en vervloektste vijand, de zonde, verlossen. Hij moet de wortel en oorzaak van alle ellende, de zonde, wegnemen; datgene, hetwelk als in zijn binnenste alle pijnen ontving: droefheden, ziekte, dood en hel. Gij vindt het grote doel van onze verlossing uitgedrukt, Luc. 1:74, 75: "opdat wij, verlost zijnde uit de hand van onze vijanden, Hem dienen zouden zonder vrees in heiligheid en gerechtigheid voor Hem, al de dagen onzes levens." Daartoe schiep Hij eerst de mens; en daartoe maakte Hij hem bekwaam tot goede werken." Ef. 2:10. Zeker het was met een hoger doel, waartoe de Zone Gods onze natuur deelachtig werd, dan alleen om ons van de hel te verlossen; het was ongetwijfeld, om ons de Goddelijke natuur deelachtig te maken. 2 Pet. 1:4. En de zonde is de eigen natuur en beeltenis van de duivel: de grote breuk van de schepping was de verbreking van dit beeld Gods; dat was de zwaarste val van de mens, van die top van Goddelijke voortreffelijkheid in de afgrond van duivelse lelijkheid. Nu dit is hetgeen de grote uitvinding Gods is, dat Christus in de wereld kwam, om die herstellen, om de mens weer te brengen tot die waardigheid; zodat de verlossing van toorn maar een trap is, om verder op te klimmen tot dat, wat waarlijk Gods plan en de waardigheid van de mens is: gelijkvormigheid met God in heiligheid en gerechtigheid.

Och! dat u er van overtuigd en verzekerd was, dat Christus werk in de wereld niet alleen was, om de mensen een begrip te doen krijgen van een ingebeelde gerechtigheid door enkele toerekening, maar om een vaste en dadelijke gerechtigheid in onze harten voort te brengen door de werking van Zijn Geest. Ik zeg, de toerekening van Christus’ rechtvaardigheid of de rechtvaardigmaking is maar een enkele inbeelding, indien deze levendige werking daar niet op volgt. Hij kwam niet alleen, om Zijn kleed over onze naaktheid en lelijkheid te spreiden, maar om dadelijk, en in de ware zin des woords, een Medicijnmeester te zijn, om onze zielen te behouden en onze inwendige kwalen te genezen. Het Evangelie is niet alleen een leer van een gerechtigheid buiten ons, maar ook van een gerechtigheid binnen in ons: "opdat het recht van de wet vervuld zou worden in ons." Christus buiten ons, de gelukzaligheid buiten ons, kan ons niet gelukzalig maken, tot dat zij binnen in ons komt en woning in onze zielen neemt.

Daarom verklaar ik aan het merendeel van ulieden. die voorgeven de zaligheid te verwachten door Jezus Christus, dat u nog in uw zonden bent, en nog geen deel of gemeenschap hebt aan deze verlossing. Meent gij, wandelende naar de eeuw van deze wereld, en naar de begeerlijkheden van het vlees, en uzelf te wentelen in de algemene besmetting en onreinheden onder de mensen, als: zweren, liegen, twisten, spotten, toorn, boosheid, nijdigheid, dronkenschap, onkuisheid, en dergelijke, en nochtans in Christus Jezus te zijn? "Dwaalt niet, God laat zich niet bespotten;" "Die in Christus Jezus is, is een nieuw schepsel;" zijn trachten en pogen, zijn genegenheid en begeerte is tot een nieuwe wandel, naar de Geest. Zijn niet de meesten van ulieden vleselijk, ja geheel vlees? — het vlees geeft u de wetten, en u gehoorzaamt ze. Zijn niet uw onsterfelijke zielen slaven van snode lusten, en van de liefde van deze wereld? Zijn zij niet genegen, zich te onderwerpen en over te geven aan de dienst van hun vleselijk en dierlijk deel? Waarom verbeeldt u zich dan, dat u in Jezus Christus en een deelgenoot van Zijn gerechtigheid bent? Let er intijds op, opdat u in van de waarheid zijn mag, wat u voorgeeft te zijn, en nochtans niet zijn. Juist de mening dat u reeds in Christus Jezus bent, houdt u buiten Hem.

Maar opnieuw, aan de andere kant, er is hier niets om een arme ziel de moed te benemen, die de onderwerping aan de zonde als de grootste slavernij acht, die even graag van de kracht van de zonde als van de hel, verlost wilde zijn. Tot zulken zeg ik, van wie het de zielsbegeerte is van alle onreinheid van het vlees en des geestes gereinigd te worden, en van wie het gestadig oogmerk is, in gehoorzaamheid te wandelen, hoewel u vele misslagen hebt en dikwijls valt, en uzelf al wederom verontreinigt, nochtans, deze troost wordt u hier voorgehouden: daar is geen verdoemenis voor ulieden. Jezus Christus heeft de zonde veroordeeld, om u te behouden. Hij heeft alle gerechtigheid voor u vervuld; en daarom ligt het gewicht van uw aanneming bij God, en van uw vertroosting, op hetgeen Hij zelf gedaan heeft, en niet op hetgeen er nog in u gedaan wordt.

Bevindt u niet dat de genade van Jezus Christus, geopenbaard in het Evangelie, dat is, wat uw harten meest doet smelten? Is de goedheid van de Heere niet datgene, hetwelk u meest beweegt? En doen die u geen walging hebben aan uzelf, en de heiligheid beminnen? Neemt derhalve moed in Hem; houdt door het geloof vast aan de gerechtigheid, die buiten u is, en gewis, u zult bevinden, dat de gerechtigheid en heiligheid ter zijner tijd binnen in u zullen vervuld worden. Er is geen ziel zo ellendig, of zij mag die volmaakte gerechtigheid van Jezus Christus aangrijpen, en schuilen onder dat deksel en daaruit moed vatten, indien het slechts de begeerte en lust van de ziel is, tot een verder einde bestuurd te worden, om ook Zijn Geest inwonende te krijgen tot vernieuwing van zijn hart in gerechtigheid en ware heiligheid. Ik zeg niet, dat dit de voorwaarde is, die u verrichten moet, eer u de hand kunt leggen aan Christus’ gerechtigheid buiten u; geenszins; maar veeleer wilde ik u bekend maken, dat het de eigen natuur is van het geloof in Christus, dat het de verlossing van Gods toorn in Hem zoekt, niet enkel en als het laatste einde, maar opdat er een weg zou gebaand worden tot verlossing van zonde, en opdat men die Goddelijke natuur deelachtig kon worden; —en dat heeft het geloof het meest in het oog.

 

16e Predikatie, Rom. 8:4

Die niet naar het vlees wandelen, maar naar den Geest.

Indien er niets anders was, om onze harten tot de godsdienst te bewegen en over te halen, mij dunkt dit zou het doen, dat er zo vele redenen daartoe zijn. Gewis, het is de redelijkste zaak van de wereld, uitgenomen enige geopenbaarde verborgenheden des geloofs, die wel ver boven de rede maar niet daar tegen zijn; maar benevens die is er niets in de godsdienst, dan hetgeen allerredelijkst is. Zelfs dat deel ervan, dat de mens allerzwaarst valt, hetgeen de matiging van zijn lusten en genegenheden betreft, en de regeling van zijn wandel en gedrag. Niets is er, hetwelk de christelijkheid in deze delen vereist, of het kan door de overtuigendste rede aangetoond worden, tot overreding, dat het ten hoogste gevoeglijk en passend is voor de mens als mens; daarvan kunt u een voorbeeld trekken uit de stof die wij in handen hebben. Niets is er dat de mensen onaangenamer in de oren klinkt en harder schijnt in de godsdienst, dan dat men het vlees zo moet overwinnen, en zich zo aftrekken van de vleselijk en aardse dingen; en evenwel is er inderdaad niets in de wereld, dat de mens meer versiert en behagelijk maakt, niets dat hem zo ver verheft boven de beesten, als dit: zodanig, dat vele natuurlijke mensen, die dit zaligmakende licht misten, desniettegenstaande met iets van de schoonheid ervan ingenomen zijn geweest, en zo verliefd, dat zij de gehele wereld uitzinnig en beestachtig hebben gerekend, welke die lage dingen opvolgden en zich daaraan als slaven verkochten.

Ik houd het daar voor, dat dit de twee oorzaken van alle besmettingen, wanorden en verontreinigingen onder de mensen zijn: het niet opmerken en de onkunde van God, die eeuwige Geest en Bronwel, en de onkunde van onze zielen, die onsterfelijke geesten binnen in ons, welke van die Bronwel afkomen. Dit is de ellende van de mensen, dat zij nauwelijks eens ernstig hun eigen geest gaan beschouwen, of denken, wat de onsterfelijke zielen binnen in hen zijn, en welke maagschap ze hebben met de Springader van alle geesten; daarom werpen de mensen zichzelf laf neer tot het voldoen van de lusten van het vlees. Nu, het is eigenlijk het begin van de Christelijkheid, de mensen van die lage gedachten en bezigheden af te brengen tot de opmerking van hun onsterfelijke zielen, die binnen in hen zijn. En o! hoe zal een Christen schaamrood worden, als hij zichzelf in dat licht beschouwt, en ziet, dat hij inderdaad het beeld van een beest op zijn natuur heeft, als hij bemerkt, hoe zijn beste deel slaafachtig en dienstbaar is aan het snoodste en dierlijkste deel in hem: — zijn vlees.

Indien een mens de gestalte van zijn natuur wijs ging opmerken, van zijn eerste oorsprong af, en wat de ziel is, die waarlijk en meer eigenlijk zijn eigen ik is, dan zijn lichaam, welke een voortreffelijkheid er in de ziel is boven het lichaam, en zo mede, tot welk een uitstekendheid zij de mens verhoogt boven een beest; kon hij niet nalaten, de godsdienst te rekenen als het rechte sieraad en de volmaaktheid van zijn natuur. De rede zal zeggen: dat de geest het lichaam behoorde te regeren en te gebieden; dat het vlees slechts de dienaar en slaaf van de geest is. Dat niets van de mensen zijn eigen en bijzonder goed zo is, dan hetgeen de geest versiert en in welstand stelt. Dat al de uitwendige dingen, waar de zinnen van de mensen met zo’n groot geweld naar uitgaan, een mens als mens niet beter maken, maar dat zij de beesten gelijk zijn; en dat het geluk van de mensen, als mens, in deze dingen geheel niet bestaat, maar in enig hoger en overklimmender goed, daar de beesten niet vatbaar voor zijn, en wat de onsterfelijke geest kan vergenoegen, en in het gebruik waarvan zij leeft en niet vergaat. Zie de natuurlijke gestalte en vorm van de mensen, geef overtuiging en verzekering van dit alles.

Nu kan een ziel bij zich zelf denken: och! wat ben ik ver afgeweken van mijn oorspronkelijke staat. Hoe ver ben ik ontaard van die edele koninklijke waardigheid, die God, door Zijn beeld op mij gedrukt en eens gelegd heeft? Hoe is het, dat ik een knecht en slaaf geworden ben van het slechtere en dierlijke deel, — het vlees? Ik wilde wel, dat u in uw harten inkeerde, en u afvroeg: "De mens, die in eer is en geen verstand heeft, is gelijk de beesten, die vergaan." Gewis, wij zijn gelijk beesten geworden omdat wij niet opmerken dat wij mensen zijn, en alzo door de schepping ver boven de beesten bevorderd zijn. Het niet inkeren in de onsterfelijke geestelijke natuur van onze zielen, heeft ons enigerwijze van gedaante veranderd in de natuur van de beesten, die vergaan; de Christelijkheid is de rechte vormverandering van een beest in een mens; gelijk de zonde was, en is de vuile omkering van een mens in een beest. Het is de eigen werking en vrucht van de Christelijkheid: de menselijkheid te herstellen, die op te heffen, en al die besmettingen en verdorvenheden te zuiveren, die als ingelijfd en ingedronken waren door de staat van onderwerping aan het vlees, en daarom beschrijft de apostel de natuur daarvan, en wijst aan, het brede onderscheid tussen een natuurlijk mens en een Christen.

De natuur van de zaken zijn in zichzelf duister en verborgen, maar zij worden ons bekend door haar werkingen en daden; dus worden ons haar natuurlijke driften en genegenheden openbaar. De genade is waarlijk een recht geestelijke zaak, en de natuur ervan ligt diep; nochtans gelijk "Christus niet verborgen kon zijn in zijn huis", zo kan ook de genade in het hart niet verborgen blijven; zij zal door haar werking bekend worden; Christus kan beter in een huis dan in het hart verborgen blijven, omdat, wanneer Hij in een hart is, Hij verplicht is die ziel en dat hart te herstellen tot zijn natuurlijke of aangeboren waardigheid en uitmuntende heerlijkheid boven het vlees: en dit kan niet anders, dan voor een tijd beroerte in een mens maken. De regeringen te veranderen, ongerechtigden uit te werpen, en de wettige en rechtvaardige eigenaar te herstellen tot de bezitting van zijn recht, kan niet heimelijk, noch gemakkelijk geschieden; het zal de fondamenten van een Koninkrijk doen schudden, als men dit uitvoert. Zo is het hier: het herstellen van de ziel tot het bezit en tot de heerschappij over het vlees, het uitwerpen van die dwingeland en snode wederspanneling, het vlees, kan niet geschieden, of de gehele mens weet het, gevoelt het, en wordt er enigerwijze door gepijnigd.

Nu de natuur van de Christelijkheid ontdekt zich in het bijzonder aan ons in deze twee dingen: eerst in hetgeen zij behartigt en begunstigt, en in de wijze waarop zij doet wandelen. Het leven wordt bijzonder gekend door zijn uitgaande daden en beweging: een gevoelende, denkende en begunstigende kracht, is een levendige kracht; zo ook een bewegende en wandelende kracht, is een levendige kracht; en die zijn hier. De Christen wordt kort beschreven naar zijn natuur: hij is "een, die naar de geest is, en niet naar het vlees," en door de eigen merktekenen en werkingen van die natuur, te weten, eerst: bet behartigen of begunstigen van de dingen van de geest, hetwelk bevat zijn inwendige gedachten, genegenheden, inzichten en overleggingen, ja al zijn inwendige zinnen zijn omtrent zulke voorwerpen bezig; en ten andere: hij is een, die naar de geest wandelt: zijn bewegingen zijn in een aaneenschakeling van gehoorzaamheid, voortkomende uit die inwendige lust en smaak, die hij heeft in de dingen Gods.

Het is niet zonder goede redenen, dat de naam van een Christen dus wordt uitgedrukt: een, "die naar de geest is;" dat is zijn merkteken, hetwelk zijn natuur aan ons uitdrukt. Hetzij men let op de oorsprong van de Christelijkheid, hetzij op het voorname onderwerp ervan, hetzij op het voornaamste einde ervan, zij verdient met die naam genoemd te worden. Vooreerst: de oorsprong van de Christelijkheid is zeer hoog, zo hoog als die eeuwige Geest; zo hoog als die God van de geesten van alle vlees. De zaken zijn gelijk aan haar oorsprong, en zij zijn enigerwijze de natuur van hun oorzaken deelachtig: "hetgeen uit de Geest geboren is, dat is Geest." Joh. 3:6; hetgeen uit God geboren is, die een Geest is, moet Geest zijn, 1 Joh. 5:1. Wat is dat een koninklijke afkomst! Hoe veredelt dat de natuur van een mens! Gewis alle andere trappen van geboorte onder de mensen zijn niets anders dan ijdele ingebeelde dingen, die geen waarde hebben, dan in de inbeelding van de mensen; zij stellen geen dadelijkheid in de mensen; maar dit is alleen ware adel, dit verheft de mens alleen boven de menigte. Daar is geen inwendig onderscheid tussen bloed en bloed, of tussen de naturen, dan wat deze goddelijke geboorte neerzet, elk ander onderscheid is maar verbeelding; dit is de dadelijkheid; het stempelt op de mens het beeld van die gelukzalige Geest.

Waarlijk zo’n schepsel is niet voortgekomen noch geboren uit een natuurlijke oorzaak of door enige menselijke welsprekendheid, of uit verlokkende woorden van de wijsheid van mensen, of enige uiterlijke weldadigheid, of oordeel; geen onderwijs, geen overreding, geen aanlokking noch verschrikking van de lieden maken Christenen in de geest, voordat de Geest blaast en u wederbaart, waar en wanneer het Hem behaagt. Die kracht moet van boven komen, die uw harten in een rechte gestalte stellen, en het recht naar boven doet zien. Jezus Christus kwam neer van de hemel op de aarde, en nam ons vlees aan, opdat alzo de almachtige Geest zou neerkomen, om onze geest te hervormen en van de aarde ten hemel op te heffen. Wij werpen het zaad in de grond van de harten van de mensen (en helaas! het vindt maar bij weinig mensen ingang) het wordt eer gestrooid aan de weg, en het kan de beploegbare grond van het hart niet bereiken, ja, het kan niets doen zonder de invloed van de hemel, tenzij de Geest u wederbaart door dat onvergankelijke zaad van het Woord.

Daarom behoorden wij ons niet te verwonderen dat al de middelen van Gods Woord en werken niet meer ware Christenen maken. Ik verwond mij veeleer, dat er iemand van Adams ellendige nakomelingen wedergeboren en tot zo’n hoogheid bevorderd wordt, van "geboren te zij uit de Geest." Och! dat de Christenen hun oorsprong behartigden, en daarover verwonderd stonden, en trachten daar aan gelijkvormig zijn! Indien u gelooft en aanmerkt, dat uw afkomst van Die ongeschapen Geest is, hoe krachtdadig moest dat u bewegen, om meer aan Hem gelijkvormig te worden, en om uw vlees meer en meer naar de Geest te hervormen!

Daar is niets, dat de geesten van vorstenkinderen meer verheft, dan kennis te hebben aan hun koninklijke geboorte en waardigheid; hoe behoorde ook deze opmerking uw geest recht geschikt en gevoeglijk te maken tot uw staat of fortuin (gelijk men pleegt te zeggen), u diende te arbeiden, opdat u dezelve kon opheffen tot die hoogte van uw oorsprong, en dat u waardig die roeping wandelde. Och dat wij onderwijs konden trekken, uit wat Paulus daarvan geeft, 1 Kor. 1:30, 31: "Maar uit Hem zijt gij in Christus," derhalve "laat hem die roemt, in de Heere roemen." Waarlijk, een ziel, recht ingenomen met de overdenking van deze koninklijke afkomst van God, zou onmogelijk kunnen roemen in deze niet heerlijke en slechtere beuzelingen, waarin de mensen roemen; zij zouden niet kunnen inhouden, of inbinden hun roemen en spreken in Hem. De heerlijkheid van velen is hun schande, omdat het hun zonde is, waarover zij behoorden beschaamd te zijn. Maar veronderstelt, dat hetgeen waarop de mensen roemen, niet de schande in zichzelf is, gelijk als de geoorloofde dingen van deze tegenwoordige wereld; nochtans is het waarlijk een grote schande voor een Christen, in die dingen te roemen, of wegens die zich beter te achten.

Indien dit altijd behartigd werd, dat wij uit God zijn, van God geboren, hoe weinig kracht zouden de verzoekingen of aanlokkingen tot de zonde over ons hebben! Een ieder die uit God geboren is, zondigt niet; maar bewaart zichzelf, en de boze vat hem niet." 1 Joh, 5:18.

Waarlijk deze opmerking in het hart geprent, zou ons verheffen boven al de lagere verlokkingen van het vlees; dit zou de zonde walgelijk en verachtelijk maken, als de grootste oneer en onwaardigheid, die wij van onze naturen konden aandoen. Het is de kracht en het voordeel, van de zonde, dat zij ons doet vergeten, wat wij zijn, en op wie wij onze betrekking hebben; dat ze ons doet dronken drinken van het modderig water van deze wereld, of dat ze ons opvult met jaloersheid en argwaan, opdat wij onze geboorte en staat zouden vergeten, en zo verlokt worden tot al hetgeen liefelijk schijnt. Indien u iets wilt bezitten, waarmee u al de vurige pijlen van de duivel kunt terugdrijven, neem dan het schild van dit geloof en verzekering, hoe zou dat de verzoekingen stillen! Zal ik, die een heerser ben, vlieden?" zeide Nehemia. Zal ik, die uit de Geest geboren ben, zal ik, die van God in Christus ben, mijzelf tot zulke onwaardige en lage dingen verlagen? Zal ik mijn Vader onteren, en schande op mijzelf laden?

Ten andere, het voornaamste verblijf en de koninklijke zitplaats van de Christelijkheid is in de geest van de mens, en zo is hij een, die naar de Geest is: Wordt vernieuwd naar de Geest uws gemoeds," staat er Ef. 4:23. Gelijk zij van hoge afkomst is, moet zij ook de hoogste en eerwaardigste woning hebben, die onder de schepselen is, te weten: de geest van de mens, buiten welke er in deze lagere wereld geen geschikte plaats is. "Mijn zoon," zegt de Wijsheid, "geef Mij uw hart." Spreuk 23:26. Buiten dat vraagt Zij nergens naar, wanneer zij het hart niet krijgt; het is het binnenste kabinet van de keizerlijke stad van dat menseneiland; want "uit het hart zijn de uitgangen des levens," die in al de leden vloeien. Denkt niet, dat de genade een enkele nacht zal huisvesten in uw uitwendige mens; dat u de Christelijkheid van buiten kunt aandoen op uw aangezicht en wandel; zij kan daar geen behoorlijk onthaal hebben, tenzij u het in uw zielen inlaat; zij is van een geestelijke natuur, en zij moet een geest hebben, om daarin te verblijven. Alle zaken worden het best bewaard en onderhouden door dingen, die voor hun naturen geschikt zijn, zij nemen elkaar in zich op, en mengen zich door elkaar; daar integendeel dingen verder vaneen blijven, als zij van verschillende naturen zijn: een vlam zal uitgaan onder koude stenen, zonder olieachtige stoffen. Dit hemels vuur, dat in de wereld is neergekomen, kan zich niet voeden met wat aards is; het moet uitsterven, zo het niet in een onsterfelijke geest gaat, en dan moet men het gedurig (om zo te spreken) voedsel geven, tot dat eindelijk de gehele geest in vlam wordt bezet, en als het ware veranderd in die hemelse zelfstandigheid, om de zelf naar boven te doen klimmen, vanwaar zij kwam.

Meent niet, mijn geliefden! de ware godsdienst boven uw buitenste zijde te kunnen aantrekken, en van binnen te blijven gelijk vergankelijke graven. Gij moet uw hart voor Christus openen, anders zal Hij niet bij u blijven; zo’n edele Gast zal niet in de voorsteden van de stad blijven staan, indien u Hem in het paleis niet neemt; en waarlijk het paleis van ons hart is al te onwaardig voor zo’n waardige Gast, dewijl het zo verontreinigd is door de zonde. Hoe snood is dat hart! maar indien u Hem daar wilde laten inkomen, zou Hij het wassen en reinigen voor Zichzelf.

Wilt u dan een merkteken kennen van een Christen? Hij is een, die veel naar binnen is. Hij is veel ingekeerd in zijn eigen geest om te weten, hoe het daarmee gaat; hij vindt alles zo ongeregeld en verward, alles zo ontredderd, dat hij binnen het huis zoveel werk krijgt te doen, dat hij geen ledige tijd krijgt om weer veel naar buiten te komen. Het is de ellende van de mensen, dat zij geheel buiten zijn, alleen uitgelaten naar uiterlijkheden; en het is het rechte merkteken van een beest, dat het niet inwendig kan inkeren en nadenken over zichzelf, maar dat het geheel zich verteert op zaken, die aan de uiterlijke zinnen worden vertoond. Daar is niets, waarin de mensen meer gelijkvormig kunnen gemaakt worden aan de beesten, als hierin: dat wij niet in en tot onszelf spreken, noch in onze eigen boezem inkeren; maar dat wij geheel bezig zijn omtrent dingen, die buiten ons zijn en zo gaat het met ons gelijk met een mens die zich met de zaken van andere mensen bemoeit, en nooit aan zijn eigene denkt: zijn staat moet noodzakelijk vervallen, al zijn zaken moeten buiten orde zijn; gewis, omdat wij in uitwendige dingen gedompeld en verdronken liggen, vergaan onze zielen; onze inwendige staat vloeit weg, al onze zaken, die alleen en eigenlijk de onze kunnen gezegd worden, zijn buiten orde en ongeschikt.

Daarom is het, dat de Christelijkheid het eerst van allen de zwervende en ijdele geest van de mensen tot zichzelf roept, gelijk die opwekking, Ps. 4:4: dat men zou "spreken met zijn hart," en een vlijtig onderzoek doen omtrent zijn eigen zaken. En o! hoe vindt hij alles in wanorde, gelijk een huis, dat verwaarloosd en geheel met onkruid begroeid is, overal door lekt, met één woord, geheel bouwvallig, vanwege een onverdraaglijk verzuim. Het eerste wederkeren. in de verloren zoon was het inkeren tot zichzelf. "Hij tot zichzelf gekomen zijnde," Luk. 15:17. Waarlijk, de zonde is niet alleen een afkering van God, maar ook een vervreemding van onszelf, van onze ziel, van onze gelukzaligheid; het is een uitzinnigheid, die ons het gebruik van de rede en de aanmerking van onszelf ontneemt. Maar de genade is een wederkering, niet alleen tot God, maar ook tot onszelf; zij brengt de mens thuis, tot zijn hart, hem weer nuchter makende, die buiten zijn zinnen was. Daarvan is de spreekwijze, 1 Kon. 8:47, "Als zij het weer aan hun hart zullen brengen, dat zij zich bekeren." Het is de arbeidzaamste ijdelheid, of de ijdelste arbeid, hemel en aarde te doorwandelen, buiten ons zeer bezig te zijn, andere dingen te weten, en ondertussen niet te kennen nog aan te merken datgene hetwelk boven alle dingen ons het naast betreft: — onszelf. "Wat zal het een mens baten, zo hij de gehele wereld gewint, en lijdt schade zijner ziel?" want de ziel is hijzelf; en wat nut zal het doen, alles te kennen, en zijn eigen ziel niet te kennen? overal te zijn, behalve daar, waar wij behoren te zijn?

Wel, een Christen is iemand die thuis geroepen is uit de ijdele, ontijdige, en niet te pas komende verstrooiingen; een, die meest omtrent zijn ziel en geest bezig is: hoe hij al de wanorde, die hij in zichzelf bevindt, in orde zal krijgen; hoe hij al de ongetemperdheden genezen, en al die verontreinigingen afgewassen zal krijgen; dit is hetgeen waar hij in deze wereld mee bezig is: "zijn hart te wassen van boosheid," Jer. 4:14, zich te reinigen, zelfs van ijdele gedachten, en die af te sluiten van die gewone wandelplaats — zijn hart. Hij is bezig zijn hart af te sluiten, om een hof voor zijn Beminde te wezen, om daar zoete vruchten voort te brengen. Hij is bezig met het te vernieuwen en te versieren met de nieuwe mens, tegen die dag van de verschijning van onze Bruidegom, en van Zijne openbaring om de bruiloftsmaaltijd te houden.

Hoewel hij in het vlees is, zo is hij toch meest ingenomen en bezig met zijn geest, hoe hij die zal herstellen tot die eerste schoonheid en voortreffelijkheid: het beeld Gods erin; hoe hij met ootmoedigheid bekleed zal zijn, en het sieraad aandoen van een stille en zachtmoedige geest, die hij als zijn schoonheid rekent; hoe hij zijn eigen geest zal regeren, hetwelk hij alleen rekent ware kloekmoedigheid te zijn; hij acht het een grotere overwinning en buitmaking, zichzelf, dan zijn vijand te overwinnen, en hij schat het de edelste wraak, niet gelijk de andere mensen te zijn, die hem verongelijken; hij is bezig, de hoogste winst en voordeel te doen, namelijk: zijn geest en ziel te behouden, en hij acht het alles schade, wat zich tegenstelt, om Jezus Christus in het hart te brengen; dat is het juweel, waar hij om graaft, en hij acht in vergelijking daarmee alles drek.

Indien gijlieden Christenen bent naar de Geest, dan bent u ongetwijfeld op deze wijze bezig omtrent uw geest; wat de anderen belangt, zij zijn bezig omtrent het vlees, om het te verzorgen tot begeerlijkheden;" en daar is geen ander merkteken nodig, om hen daaraan te herkennen. Helaas, arme zielen! dat u nog nooit hebt opgemerkt, dat u geesten, onsterfelijke wezens, binnen in u hebt, die dit stof, dit verderfelijk vlees zullen overleven Wat zult u doen, als u geen vlees meer zult hebben; om er voor te zorgen? Wanneer uw geesten niet kunnen hebben, waar zij in gebracht zullen worden, maar eeuwig moeten wonen binnen de boezem van een kwaad geweten, en gepijnigd worden van die worm: de bittere herinnering van de verzuiming van uw geest, en van uw uiterste vervreemding ervan, terwijl u in het lichaam was? Dan moet u zich bepaald houden binnen uw kwade geweten, en daar voor eeuwig gevangen gezet worden, omdat, terwijl er nog tijd en gelegenheid was, u toen altijd buiten was, en overal, behalve binnen in uw hart en geweten; en is dat niet een rechtvaardige vergelding?

Maar dan, ten derde gelijk de Christelijkheid afkomt van de Vader van de geesten, en in de geest van een mens komt, om aldaar voor een tijd te huisvesten, verhoogt zij eindelijk de geest van de mensen op, en verenigt die met die eeuwige Geest; en dus, gelijk de oorsprong hoog en Goddelijk is, alzo is het einde ook hoog: zij vloeit uit die fontein, en keert weer met het hart van de mensen, om zich weer in die fontein in te dompelen. En waarlijk, dit is de grote voortreffelijkheid van de ware godsdienst, boven alle die dingen, waar u mee bezig bent: dat zij de geest van de mensen opheft tot God, nooit rusten wil, voordat zij de geest naar boven gevoerd heeft tot de Fontein Geest. Onze geesten zijn sprankels en gedeelten (het zij met eerbied gesproken) van dat Goddelijk wezen; maar zij zijn door de zonde geheel ingedompeld en verzonken in het vlees en in de aarde, tot dat de genade neerkomt en het vernieuwt, hen uittrekkende uit die modderpoel en mesthoop, die reinigt; en daar zijn zij, gelijk in een staat van geweld, altijd pogend opwaarts te klimmen, totdat zij ingelijfd of liever, ingegeest zijn (om zo te spreken) in Die oorspronkelijken Geest, totdat zij geheel verenigd zijn met hun element—de Goddelijke natuur.

U weet, dat Christus’ gebed was: opdat zij één zijn, gelijk als Wij Één zijn: Ik in hen, en zij in Mij; opdat zij mogen volmaakt zijn in Één," Joh. 17:20,23. Dan zullen de geesten hun volmaaktheid hebben verkregen; dan zullen zij rusten van hun arbeid, wanneer zij één zijn met Hem, dit is het enige middelpunt van de geesten, waarop zij onbeweeglijk kunnen rusten. Men bevindt dat alle begeerten en genegenheden van de heiligen zijn, als zo vele hijgingen naar boven, snakkingen naar vereniging met Hem, en verlangens en dorstingen om nauw bij de Heere tegenwoordig te zijn; derhalve, een Christen is een "naar de Geest," zuchtende om geheel en al Geest te zijn, ‘‘om het aardse huis dezes tabernakels verbroken te krijgen, en overkleed te worden, met dat huis van boven." Hij weet, met Paulus, dat hij niet thuis is, al is hij in het lichaam thuis, omdat het lichaam datgene is wat hem van de Heere afscheidt. welke scheidsmuur hij gaarne wilde afgebroken hebben, opdat zijn geest het huis mocht wezen, inwonende bij de Heere: 2 Kor. 5:1. enz. "Wie merkt," zegt Salomo, "dat de adem van de kinderen der mensen opvaart naar boven, en de adem van de beesten nederwaarts vaart in de aarde?" Pred. 3:21. Waarlijk, de natuurlijke beweging van ‘s mensen geest behoorde opwaarts te varen tot God Die hem gaf; wanneer dit zwakke en gebroken vat van het lichaam in de elementen ontbonden is, zou de hogere en zuivere natuur, die er in huisvestte, opwaarts naar de hemel vliegen; evenals de geest van de beesten, zijnde het eerste en fijnste deel van het lichaam, niet verschillend in zijn natuur van de aarde, valt van nature neer tot de aarde met het lichaam, en wordt mee opgelost in de elementen.

Maar ik oordeel, dat de aanmerking van die droevige wanorde, welke de zonde in de wereld gebracht heeft, zodat al wat in de mens is, ontaard en verbasterd geworden is, beide zijn genegenheden en zijn wandel, dat de vleselijke lusten de gehele heerschappij over de mensen hebben; ik zeg, de ernstige beschouwing mag een mens verdacht voorkomen, en in twijfel doen trekken, of er wel enig onderscheid is tussen mensen en beesten; of er wel in de ene een Geest is van een hogere natuur, dan in de andere; waarlijk het zou iemand wel haast doen geloven, dat er geen onsterfelijke geest in de mens is, anders, hoe kon hij zo’n beest zijn, en in zijn tijd verscheiden begeerlijkheden dienend. Kan het wel mogelijk zijn, mocht iemand denken, dat er enige geest is in de mensen, die ten hemel kan opklimmen, wanneer er geen beweging daarheen onder de mensen is op te merken?

Ik bid u, let hier op: de geest moet òf op, òf nederklimmen als zij uit het lichaam gaat, nadat het nu terwijl hij in het lichaam is in genegenheid en poging op- of nederklimt. Daar is een onoplosbare vereniging tussen deze twee: waar de geest naar oogt, waar hij zich keert en zijn vlugs naar toe richt, daar naar zal hij gedrongen zijn, eeuwig te gaan.

Meent gijlieden, mijn beminden! uzelf, terwijl u in het lichaam bent, naar de aarde te buigen, al uw tijd naar de dienst van het vlees neer te klimmen, en nooit eens ernstig op te klimmen tot de aanmerking van de eeuwigheid, of uw hoofden op te heffen boven tijdelijke en aardse dingen, en dan evenwel in het einde ten hemel te zullen varen? Neen, neen, bedriegt uzelf niet! u moet voortgaan, dit leven en de eeuwigheid vormt een rechte linie, het is òf op, òf neer, òf van gelukzaligheid òf van ellende; en aangezien u zich altijd neergebogen hebt, terwijl u in het lichaam was, zo is er geen opklimmen daarna: u moet voortgaan, en dat is naar omlaag naar dat element, waarin gij uw geest veranderd hebt, dat is naar de aarde, naar de hel; uw geest heeft meer gemeenschap met deze dingen, en derhalve moet hij neergaan, gelijk een steen naar de aarde; maar indien gij graag had, dat uw geest ten hemel opvoer, wanneer die uit deze gevangenis, het lichaam, uitgelaten wordt, ziet wel toe, waar zij zich heen wendt; neigt en strijdt terwijl u hier in het lichaam bent.

Indien uw worsteling opwaarts naar God is, indien u die gelukzaligheid, die in Hem is, in het oog gekregen hebt, en indien dat in uw geest de overhand heeft, wat hem opwaarts voert in begeerten en pogingen, en dezelve afkeert van de snode betrachting naar het voldoen van uw vleselijk begeerten, en van de snode liefde tot de wereld; indien uw ziel omhoog vliegt, op die vleugelen van heilige begeerten naar een beter leven dan in iets, dat in de dingen beneden te vinden is, gewis, dan zal de beweging van uw geest in een rechte linie opwaarts zijn: wanneer gij uw stof op de aarde zult laten, zullen de engelen gereed staan, om uw geest naar Christus’ schoot te voeren, waar hij het meest naar verlangende en allerliefst was; maar de duivelen passen op de zielen van het grootste deel van de mensen, teneinde die naar beneden onder de aarde te stoten, omdat zij steeds neigden naar de aarde beneden.

 

17e Predikatie, Rom. 8:5

Want die naar het vlees zijn, bedenken, dat des vleses is; maar die naar den Geest zijn, bedenken, dat des Geestes is.

Hoewel de zonde het voornaamste en innigste kabinet van het hart van de mensen heeft ingenomen, al heeft ze haar koninklijke troon gevestigd in de geest, en gebruik maakt van al de krachten en gemakken in de ziel, om haar vervloekte begeerten uit te voeren, en haar grenzeloze lusten te vervullen; nochtans wordt ze niet zonder reden gewoonlijk in de Schrift uitgedrukt met de naam van vlees en een lichaam der zonde: en mensen, die dood zijn in de zonde, worden gezegd nog te zijn in het vlees. De reden is, vooreerst: omdat het de oorsprong van de eerste val van de mens, of het voornaamste bestanddeel in zijn eerste zonde was, dat hij luisterde naar de ingevingen van zijn vlees, tegen het klare licht en de kennis van zijn geest. De vrucht was schoon om te aanschouwen, en zoet voor de smaak, en dat bracht de mens tot het kwade. Zo is die vrijwillige verlaging en onderwerping van de geest (die van God ingeblazen was) aan de dienst van dat stof, hetwelk God geordineerd had de geest te dienen, in een noodzakelijke slavernij gekeerd, zodat het vlees op de troon gesteld zijnde, niet uitgeworpen kan worden; en dat is het rechtvaardig oordeel van God over de mens, dat hij, die zo’n goede en hoge Heere niet wilde dienen, een slaaf zou gemaakt worden, zelfs van het laagste van de schepselen. Ten andere: omdat het vlees het zaad van het meeste deel van de kwade vruchten ervan in zich heeft, welke in de wereld overvloeien: het merendeel van de kwellingen van de mensen worden òf ontvangen in het vlees, òf daardoor voortgebracht, door middel of hulp van onze ontaarde geesten.

En waarlijk, dit is het, wat ons wederkeren tot God tot zo’n zwaar werk maakt, omdat wij in het vlees zijn, hetwelk is als een stoppel, die geschikt is om op iedere sprankel van verzoeking, vlam te vatten; daar zijn sinds onze val zoveel toestanden en neigingen in het lichaam, die zo krachtig zijn, om ons tot overmaat en ongeregeldheid van wandel te vervoeren, als de natuurlijke ingevingen van de beesten en aandrijven tot hun eigen werkingen. Gij weet, het vlees is dikwijls de grootste verhindering, die de geest heeft, vanwege zijn vadsigheid en aardse hoedanigheid. Hoe gewillig zou de geest zijn, hoe snel en werkzaam in de wegen van gehoorzaamheid, indien hij niet werd achtergehouden, bezwaard en vadsig gemaakt, door die zware klomp van ons vlees! "De Geest is wel gewillig, maar het vlees is zwak," zegt Christus, Matth. 26:41. Waarlijk ik oordeel, dat de grootste slapheid, verzuim, zwakheid, en bezwijking van de Christenen in deze loopbaan van de Christelijkheid, gewoonlijk ontstaat uit dat gewicht, hetwelk zij met zich moeten omdragen, zodat het een buitengewone aanzetting van een hogere Geest moet zijn, om ons aan te drijven zonder vermoeid te worden; en vanwege deze kwade stemming van het vlees, zijn wij niet machtig om de tegenwoordigheid van God in dit leven te dragen (het zou gewis de sterfelijkheid geheel ten onder brengen, indien hier zoveel van God werd uitgelaten als in de hemel), even weinig als een zwak oog verdragen kan, de zon te zien in haar volle glans.

Daarenboven gelijk het vlees de grootste vertraging veroorzaakt in het goede, zo is het ook de grootste aanhitsing tot het kwade: het is een boezem vijand, die ons aan de satan verraadt; het is nabij ons, en ons natuurlijk en aangeboren; en dat is het grootste oordeel, dat de satan op een Christen heeft: hij heeft een vriend binnen ieder Christen, die hem dikwijls verraadt. Gij weet, dat het merendeel van de verzoekingen van buiten, niet zo’n kracht tegen ons kon hebben, indien er niet enige voorgeschiktheid daartoe was in het vlees, enig zaad van dat kwaad binnen in ons, indien de verzoekingen ons niet waren aangeboden met enige gevoeglijkheid voor onze zinnen; en als die eens aan de zijde van de satan overgehaald zijn, dan trekken zij de gehele mens ligt met zich, onder een valse schijn en voordoen van vriendschap; daarom worden zij gezegd "strijd te voeren tegen de ziel," 1 Petr. 2:11; en "ons lichtelijk te omringen." Hebr. 12:1. Waarlijk het is geen wonder, dat de vijand de stad bestormt, als de buitenwerken, ja de poorten van de stad van verraders bezet worden; geen wonder, dat de satan de wallen nadert met zijn verzoekingen, wanneer onze zinnen (ons vleselijk deel) zo gereed zijn hem te ontvangen, en alle voorwerpen zonder onderscheid aan te houden, die recht gepast zijn, om de zinnen aan te doen.

Gij ziet dan, hoeveel macht het vlees in de mens heeft, zodat het geen wonder is, dat ieder natuurlijk mens deze benaming heeft, "een die naar het vlees is," een vleselijk mens, wegens het overheersend, hoewel het moeilijkste deel. Elk mens van nature, totdat er een hogere geboorte komt, kan geheel vlees genoemd worden, geheel geformeerd en samengesteld van en naar het vlees; zelfs ook zijn geest en gemoed is vleselijk en aards, gezonken in het vlees, en herschapen in een woeste hoedanigheid of natuur.

Nu het grote oogmerk van het Evangelie is een Verlosser met zich te brengen tot uw geest, om die los te maken en te ontdoen van de ketenen van de vleselijk begeerlijkheden; dit is het eigen werk van de Christelijkheid: "vrijheid te geven aan de gevangen zielen van de mensen, en opening van de gevangenis aan de gebondenen", Jes. 61:1. De zielen van de mensen zijn door hun eigen vleselijke begeerlijkheden geketend, en indien zij op enige tijd die grove ketenen kunnen breken, gelijk enige van zijn geesten ontkomen zijn uit het snoodste gevangenhol van het vlees, en die zwaardere ketenen afgeworpen hebben, die het merendeel van de mensen vastbinden, nochtans kunnen zij niet geheel ontkomen, daar zijn hogere en lagere kamers van dit gevangenhuis; daar zijn enige grovere en tere koorden en banden van het vlees, en wat het ook zij, dat een mens gebonden houdt, of in welk huis hij ook gevangen zit, daar is niet veel aan gelegen, omdat hij evenwel dadelijk gebonden en in zijn vrijheid verhinderd is. Indien u een gouden keten even vast bindt als een ijzeren keten, dan is er geen dadelijk onderscheid, dan alleen, dat er bespotting toegevoegd wordt, wanneer iemand in een gouden gevangenis vastgehouden wordt met gouden ketenen.

Ik zeg dan, hoewel sommigen de grovere besmettingen van het vlees ontvlieden, zijn zij nochtans geboeid met enige arme, bekrompen en slechts ingebeelde goederen, zij kunnen buiten de omtrek van die niet gaan. Een ieder is van nature bepaald binnen de cirkel van zijn eigen enge boezem; of indien hij al in het veld van de wereld uitwandelt, al de geschapen voorwerpen zijn zeer eng en bepaald; want de oneindige begeerten van de ziel, hetzij dat zij zich uitstrekken om de andere schepselen te genieten, of om enige ingebeelde voortreffelijkheden in de mens zelf te bezitten, worden zeer bekrompen en als in een gevangenis gesteld binnen die omtrek; daar kan geen ware vrijheid gevonden worden. Hoewel sommigen los gemaakt kunnen worden van enige lagere lusten, en van de gewone ijdele bezigheden van de mensen, nochtans kunnen zij niet ver gaan: zij verstrikken zich temeer in zichzelf; buiten die omtrek kunnen zij niet gaan, zij kunnen niet werken uit een ander beginsel noch tot een ander einde. En o! wat zijn er enige palen binnen een geschapen boezem voor de onsterfelijke geest, die zo wijd en breed uitgestrekt is in zijn begeerten, om in te wonen!

Maar hier is de volkomen verlossing, die in Christus Jezus is: wanneer Hij in de ziel komt, ontbindt Hij en maakt hem los, niet alleen van de grovere lusten van het vlees, maar ook van die tere onzichtbare banden van eigenliefde, zelf-zoeking, en van alle nauwe, bekrompen en bijzondere voorwerpen, en Hij zet hem in vrijheid, om uit te weiden in dat algemene Goed: de oneindige volheid Gods, de genade, die in Christus Jezus is, en daarom wordt een Christen genoemd, een "die naar de Geest is," dat is: wiens geest gered en verlost is van die natuurlijke dienstbaarheid en slavernij van de schepselen, en immer verbonden is in genegenheid en poging aan de algenoegzame en zelfgenoegzame God.

Wij zeiden u, dat deze nieuwe natuur van een Christen zich vertoont in genegenheid en beweging, in het behartigen en wandelen; beide zijn de tekenen en de eigen daden van de liefde. Gelijk de natuurlijke mens gemakkelijk gekend wordt door hetgeen hij behartigt en waar hij zijn lust in vindt, en door de weg, waarin hij wandelt; zo wordt ook de geestelijke mens bekend. Behartigen en met lust bedenken, bevat ongetwijfeld al de inwendige daden van de ziel, al de inbeeldingen, overdenkingen, gedachten, genegenheden, begeerten en voornemens van de ziel. Om het kort uit te drukken, deze twee zaken komen hier in dit werk samen: denking en genegenheid, het verstand en de wil. "De natuurlijke mens verstaat niet de dingen die des Geestes Gods zijn," ook kan hij er geen lust of smaak in vinden, omdat hij ze niet kent. 1 Kor. 2:14. "Hoe kunnen zij geloven in Degene, van Wie zij niet gehoord hebben;" maar veel meer: hoe kunnen de mensen beminnen en begeren, hetgeen zij niet kennen? Hoewel het zwaar valt, sommigen te overtuigen, omdat zij God en de dingen des Geestes niet kennen, omdat zij enige gedaante van kennis hebben, en schijnen wat te verstaan en kunnen mee spreken over het stuk van godsdienst; nochtans ben ik verwonderd, dat het merendeel van de mensen, wier onwetendheid, met zulke duidelijke trekken op hun voorhoofden geschreven staat, zich zo bezwaarlijk die beschuldiging kunnen toepassen.

Ik verzeker mij, dat velen, welke zich wijs maken de hemel te zullen erlangen, nog opgesloten zijn in die kerker van natuurlijke blindheid en duisternis van het hart, ja van zo’n grove en dikke duisternis, dat het niet mogelijk is, hen enig begrip van geestelijke dingen te doen hebben; het algemene schemerlicht van de natuur is bijna uitgeblust, en het is weinig of niet gevorderd door haar opvoeding in de zichtbare kerk. Hoe kunt u Jezus Christus achten, van Wie u niets dan de enkele naam kent? Hoe kunt u lust tot de hemel hebben, als u nooit een ernstige gedachte van het toekomende leven in uw hart hebt ingelaten? Och dat u overtuigd kon worden, dat de genade Gods niet kan bestaan met zulke grove onwetendheid, als er in het algemeen bij ulieden is! Gewis, de genade is een licht, dat in de ziel schijnt, dat de ogen opent, om dat licht te zien, hetwelk ons omringt in het Evangelie.

Maar geliefden! let eens op, hoe gereed u bent, om andere dingen van geen gewicht aan te nemen; hoe uw geheugen die kunnen onthouden, en hoe uw verstanden andere zaken, die moeilijk en zeer verward zijn, kunnen opnemen; maar aangaande de kennis van uw zonde en ellende, of van dat gezegend middel van de behoudenis, aangewezen in het Evangelie, kunnen wij u niet vatbaar maken voor enige weinige vragen daaromtrent. En als u de woorden van buiten leert, gelijk u pleegt te spreken, zo is toch, helaas! de zaak zelf niet in het hart, u hebt niet meer dan de woorden geleerd, gelijk wel blijkt; want zo wij omtrent dezelfde zaak vragen met andere woorden, was het u zo duister en nieuw, alsof u er nooit van gehoord had. Ik bid u, let er op. Och dat u dingen van het vlees niet het meest behartigde; niet alleen wanneer u meest geschikt bent, om de dingen welke dit leven betreffen te kennen, maar ook allergereedst, om zulke gedachten aan te houden!

Gij vindt geen zwarigheid, om gehele weken en jaren de wereld te behartigen, maar nooit kunt u ledige tijd vinden, om het toekomende leven te behartigen en daar aan te denken, en nochtans zegt u ijdel: dat u er altijd aan denkt. Ik bid u, hoe denkt u aan God en de dingen van God, wanneer u uw gedachten vergadert en opsomt; ik vermoed, dat u niet één ernstige beraden gedachte aan Hem, of aan Zijn zaken in een gehele week zult vinden? Ik beken, het niet te kunnen begrijpen; hoe zo vele mensen zich kunnen wijs maken, dat God altijd in hun hart is. Ik acht het ‘t hoogste bedrog. Ik geloof, dat Hij niet in één van de tien duizend gedachten is, die in van de mensen zielen omgaan, daar in wandelen, herbergen en wonen; en nochtans willen zij zich opdringen, dat zij God altijd in hun hart hebben. Ik verzeker mij, dat de meesten van ulieden niet kunnen zeggen, dat u ooit de deuren van uw harten sloot voor andere ijdele voorwerpen, om te mogen inkeren tot verborgen overdenkingen van God, af samenspreking met Hem; en ik twijfel er al zo weinig aan, dat velen God meer malen in hun monden hebben door eden, en lasteringen, en oneerbiedig spreken, en ijdel gebruik maken van Zijn heilige Naam, dan in hun harten, gebeden of lofzeggingen, of enige heilige overdenkingen van Hem.

Bent u niet even onwillig, om uw hart te vestigen op enige bezadigde, plechtige gedachten over Gods rechtvaardigheid, hel, hemel zonde, ellende of dood, als jongens, die hun hoofd vol spel hebben, en noodgedwongen aan hun lessen gaan? Geeft uw praktijk niet te kennen in deze, dat u met die goddelozen zegt, Job 21:4: "Wijk van ons want aan de kennis van Uw wegen hebben wij geen lust?" Hoe gedwongen zijn al uw gedachten omtrent het stuk van Godsdienst? Gij ontvangt ze, alsof u geen begeerte hebt, dat ze weer zouden komen. Maar hoe ongedwongen en hoe vrij zijn alle andere gedachten? Gehele dagen kan het hart zwerven in ijdelheid en inbeeldingen; maar u hebt geen zin om de kennis van God in uw gemoed in te laten noch te behouden, Rom. 1:28. Is het niet, dat u enige ernstige gewichtige gedachten aan de godsdienst, die bij gelegenheid inkomen, ontvangt, gelijk sprankelen en hete kolen in uw boezem? Hoe blij bent u, als u zich kunt afleiden met andere gedachten! hoe gewillig bent u, om de geestelijke gedachten te vermijden of uit te werpen! Maar is er iets tijdelijks, iets dat betrekking heeft op het vlees, daar komen uw gedachten van zelf naar toe, daar blijven ze op gevestigd, zolang het u lust; uw hart kan al de delen van de aarde overlopen, om enige ingebeelde winst of voordeel in te brengen, of om de kostelijke tijd te verkwisten, en dat zonder vermoeid te worden. Gesteld dan, dat al deze dingen zo zijn, mijn geliefden! — "zijt gij niet vleselijk?" Ik spreek tot de meesten van ulieden: bent ulieden het niet, die uit het vlees geboren bent, aangezien u nergens zo ernstig, opzettelijk, gestadig en gewillig aan denkt, als aan de dingen van het vlees en van het zinnelijk leven? Och het is geen lichte zaak, uit het vlees geboren te zijn; indien u zo blijft, bent u ten verderve en ter dood geordineerd. Vleselijk gezind te zijn, of "het bedenken des vleses is de dood," gelijk er volgt in vs. 6.

Maar ik vertrouw betere dingen van sommigen van ulieden, te weten: dat het ware licht Gods uw harten beschenen heeft, in plaats van deze vergankelijke vleselijk dingen, namelijk: hemelse, wezenlijke en eeuwige goederen in het Evangelie, die gijlieden alleen waardig acht tot de vaste blijvende overdenking van uw hart. Ik houd het voor zeker; gij merkt een andere schoonheid en voortreffelijkheid in die dingen op, dan de wereld doet, omdat de Geest ze aan u geopenbaard heeft. Het is waar, dat uw gemoederen nog veel verduisterd zijn 1n het besef van geestelijke zaken; zij zijn niet zo gewillig, om die te ontvangen, noch zo gereed om die te behouden, gelijk u wenste; zij zijn zeer onvast in deze overdenking van geestelijke zaken en daar zijn ontelbare gedachten aan andere dingen, die door uw harten als door een gewone herberg heengaan zonder tegenspraak, naar hun welgevallen; dit alles is waar, maar ik verzeker mij, dat het de droefheid van uw ziel is, dat uw hart niet zo bevestigd is, als de voortreffelijkheid van deze geestelijke dingen vereist.

Ik weet, dat het het oogmerk en de dadelijke poging is van ieder geestelijk hart, al de ingangen en deuren van het hart toe te sluiten, opdat de ijdele gedachten daar niet inkomen; nochtans zullen zij er in komen. Daar zijn zo vele achterdeuren om in te komen, en onze enge geest kan overal niet de wacht houden: elke zin zal voorwerpen inlaten, en de inbeelding zelf zal werkzaam zijn, om ze te formeren en te vertonen; nochtans zal het de poging van een Christen zijn, dat hij ze daar niet lang last vernachten, Jer. 4:14. Indien zij onvoorzien inkomen, zal hij trachten zich te verlustigen met een betere zaak; en zo is het steeds waarheid, dat de loop van de gedachten van een Christen op de dingen des Geestes zijn, hoe hij zijn hart gewassen en gereinigd zal krijgen; hoe hij heiliger en gelijkvormiger aan Christus zal worden; hoe hij vrede met God zal bekomen, en hoe hij de vrede onafgebroken zal behouden; hoe hij in gehoorzaamheid aan God in zijn plichten omtrent de mensen zal handelen; hoe hij zichzelf zal verlaten, en tegelijk in al deze verloochenen. Ik zeg, ernstige en plechtige gedachten omtrent deze dingen: zijn opzettelijke en beraden gedachten lopen daar op; hoewel het ook waar is, dat of hij wil of niet, andere ijdele ontijdige of onnutte gedachten schielijk en dikwijls door zijn hart zullen doorgaan.

Het andere, waar dit geestelijke leven in blijft, is de loop van de genegenheden, of die geur en smaak van de zoetigheid van de dingen des Geestes, vloeiende uit het besef ervan in zijn gemoed. Wanneer het licht waarlijk ontdekt is, (en o! het is voor het oog een vermakelijke zaak, het te beschouwen, gelijk Salomo spreekt,) dan heeft de geest een voorwerp gevonden, dat gevoeglijk is voor zijn natuur, en alzo heeft hij smaak en lust daar in. Daarom is hier het woord niet enkel bedenken, maar smaken, met genegenheid daar aan te denken, de kennis van die te proeven en daarvan te eten; het is dezelve te bedenken met zorg en vermaak, met ernst: "smaakt en ziet, dat de Heere goed is." Ps. 34:9. Sommige dingen kunnen niet gekend worden, dan door het een of ander zintuig: u kunt een blinde niet doen begrijpen, wat het licht is, voordat hij het ziet; een dove kan geen begrip van het geluid in zijn gemoed maken, tenzij hij het eens hoort; ook kan een mens de zoetigheid van de honig niet verstaan, tenzij door het te smaken. Waarlijk geestelijke dingen zijn van een zodanige natuur, daar is een verborgen kracht en voortreffelijkheid in dat, welke een ieder niet bevat, die de naakte kennis van de letter heeft; daar is een geest en leven in, die met het geluid van de woorden niet overgebracht kan worden in uw oren, of ingestort worden door papier en inkt. Het is alleen de inblazing van de Almachtige, die dit gevoelig begrip en de dadelijke smaak van de geestelijke dingen kan ingeven. Sommige kruiden geven geen reuk voordat zij gestoten zijn, zo is het met deze waarheden: voordat zij goed gekruid en door overpeinzing klein gestoten zijn, kunnen zij zo voortreffelijk niet ruiken voor de geest; gelijk spijzen niet voeden voordat zij gekauwd en verteerd zijn, zo kunnen geestelijke dingen niet smakelijk zijn, noch tot recht voedsel dienen voor de ziel, totdat zij in het hart gekauwd en verteerd zijn door ernstige en diepe beschouwing. Dit is hetgeen enigszins maakt, dat dezelfde waarheden niet hetzelfde zijn in allen. Dezelfde gronden van de godsdienst door allen aangenomen en beleden, zijn levendig voor de ene en dood voor de ander. Het is de levendige aanmerking van de levende waarheid, de toepassing van de waarheid die ze voor de ene levend maakt, daar anderen dezelve bij zich houden, alleen in een hoek van hun hart, of in een boek, in een hoek van het huis. Dezelfde spijs wordt voor u allen voorgesteld, de meesten zien er van ver op, anderen beschouwen ze en oefenen hun verstand daaromtrent; maar daar zijn er enige, die ze proeven en er zoetigheid in vinden; die het verteren door bepeinzingen, en plechtige afroeping van hun harten van de dingen van de wereld; en daarom, sommigen worden er door gevoed, anderen sterven van honger.

Behoeven wij over deze stof veel uit te breiden? Is het niet tastbaar, dat velen, die onze kerken vervullen, in het vlees zijn, omdat ze alleen de dingen van het vlees bedenken en smaken, en niet de dingen van de Geest? Wilt gij eens uw hart ernstig onderzoeken en vragen, wat er het best aan smaakt? Kunt u wel zeggen, dat het is het Koninkrijk Gods, of de gerechtigheid? Of zijn het niet veeleer die andere dingen van eten, en drinken, en kleden, en dergelijke, die zich niet verder uitstrekken dan deze korte tijd? Ik verzeker mij, dat de harten van velen geen zoetigheid in de godsdienst smaken, anders zouden zij hun hart daar meer op vestigen en het ernstiger najagen. Worden niet de dingen van de andere wereld, de grote dingen van het Evangelie, als wat vreemds geacht (Hos. 8:12,) als zaken, daar u niet veel mee te doen hebt? Laat u niet de dienaars van Christus met al de zoete nodigingen voorbij gaan als vreemdelingen, en alsof zij u niet aangingen? Smaken zij u wel meer dan het wit van een ei?

Hoe sprakeloos is het gesprek of zijn de gedachten voor een vleselijk hart, als er gesproken wordt over het ten onderbrengen van de lusten van het vlees, van het sterven aan de wereld, van de toekomende wereld, en de dingen na dit leven, enz. Wie vinden hun harten innerlijk opgewekt, op het voorstellen van de Heere Jezus? Maar indien er enige zaak van geringe winst werd aangewezen, o hoe zouden de mensen luisteren met beide oren! Hoe schoon is enige winst of voordeel in de ogen van een gierigaard: de klank van het geld is hem zoeter, dan dit gezegend geluid van vrede en zaligheid! Hoe zoet is het vermaak voor een wellustige! Welk een gevoeglijke bekwaamheid stelt men zich voor in deze vergankelijke dingen! Maar hoe weinig gewicht wordt er begrepen in de eeuwige goederen te zijn. O wat schijnen de zichtbare dingen wezenlijk voor de mensen, en hoe beuzelachtig schijnen de andere onzichtbare dingen!

Maar voor ulieden, wiens ogen geopend zijn, u is Christus dierbaar; voor u zijn de dingen van de Geest schoon, en al uw droefheid is, dat u ze niet naar hun waardij kunt schatten, noch naar hun schoonheid beminnen. Ik zeg, sommigen zijn er, die enige wezenlijkheid en bestaan zien, alleenlijk in onzichtbare dingen, Hebr. 11:1. En wat betreft de dingen die men ziet, of zienlijk zijn in de wereld, zij achten die maar als schaduwen, in vergelijking van de onzichtbare dingen. De wereld beseft geen dadelijke wezens dan in hetgeen zij ziet; maar een Christen beseft geen ware dadelijkheid in hetgeen hij ziet, maar alleen in hetgeen hij niet ziet; en daarom, gelijk hij in zijn oordeel op het een als een schaduw ziet, en op het andere als een wezenlijkheid, zo tracht hij zijn genegenheid te evenredigen en gelijkvormig te maken naar een welgepast onthaal ervan, namelijk aan de dingen van dit leven een schaduw van genegenheid, maar aan de onzichtbare dingen van het andere leven, het merg en de wezenlijkheid van zijn hart; zo spreekt de apostel I Kor. 7:29-31. "Opdat die vrouwen hebben, zouden zijn als niet hebbende; — die blijde zijn, als niet blijde zijnde; en die kopen, als niet bezittende; en die deze wereld gebruiken, als niet misbruikende’" gevende maar halve daden voor halve voorwerpen. Indien wij aan dezelve onze gehele geest en de kracht van onze ziel geven, zijn wij even dwaas, gelijk een, die uit al zijn kracht naar de lucht slaat, of naar een veer; daar is in deze dingen geen vaste dadelijkheid, die veel achting of genegenheid op zich kan ontvangen en vestigen; denkt er alleen aan, gebruikt ze als in het voorbijgaan.

 

18e Predikatie, Rom. 8:5

Want die naar het vlees zijn, bedenken, dat des vleses is; maar die naar den Geest zijn, bedenken, dat des Geestes is.

Daar is veel verschil van stand en rang onder de mensen in deze wereld, en waarlijk ze worden zo hevig nagejaagd en behartigd door de mensen, alsof zij groot en gewichtig waren Gij ziet welk een twist en strijd er is onder de mensen, hoe zij boven het gemeen zullen uitblinken, en in waardigheid en trap daar enigszins boven gesteld zullen worden! hoe pogen de mensen in eer en staat te zijn boven de geringen! Hoe zoeken zij rijk te zijn, en haten de armoede! En met deze onderscheiding van arm en rijk, hoog en laag, edel en onedel, geleerd en ongeleerd, zijn de mensen zeer ingenomen Maar daar is een groot onderscheid, dat meest in Gods oog valt, dat beide wezenlijk en eeuwig is, en oneindig al die onderscheiding te boven gaat, daar het gemoed van de mensen het meest op loopt; en dat staat hier: het grote onderscheid tussen "vlees en Geest," en diegenen "die naar het vlees" en degenen "die naar de Geest zijn." Dit onderscheid is boven allen steeds opmerkelijk, omdat het ‘t alleruitgestrektste en allerduurzaamst is.

Ik zeg, dit onderscheid is alleruitgestrektst: want alle anderen stellen geen groot onderscheid tussen mensen als mensen, en raken de bijzondere voortreffelijkheid van de mensen niet, dat is: het ware en eigen goed van zijn geestelijk en onsterfelijk deel; zij zijn de zodanigen, die evenzeer tot het goede en kwade komen, en alzo niet veel goeds of niet veel kwaads in zich hebben. "Ik merkte", zegt de prediker Hoofdst. 10:6,7, "een dwaas wordt gezet in grote hoogheden, — en vorsten, gaande als knechten op de aarde." Gewis alzo bevatten ook zulke titels van eer en waardigheid, zulke plaatsen van uitmuntendheid, opgericht boven de menigte, weinig of niets in zich, dat de geest van de mens waardig is, omdat een dwaas en goddeloze even bekwaam daartoe is als een wijze, of een man van een vorstelijke geest; en zo kunnen zij de mens als mens niet verheffen boven anderen. Een arm ongeleerd en gering mens kan meer dadelijke voortreffelijkheid in zich hebben dan een rijk, geleerd en groot persoon. Maar dit maakt waarlijk een wezenlijk en groot onderscheid, het onderscheid tussen vlees en geest, tussen mensen en beesten.

Gij weet welk een voortreffelijkheid een mens heeft boven een beest. Daar is zo’n groot onderscheid niet tussen de kinderen van de mensen, als er is tussen de laagste en geringste mens, en het voornaamste beest; "daar is een geest in de mens," zegt Elihu, Job 32:8; een onsterfelijke, eeuwige wezenlijkheid, van een verre hogere natuur en begrip. Gij weet, welke voortreffelijkheid er is in de geest boven het vlees, zodanig als er is in de hemel boven de aarde; want de ene is ingeblazen van de hemel, en de andere is uit het stof van de aarde genomen; het ene is verderfelijk ja het verderf zelf, het andere onverderfelijk; hoe vlug en snel zijn de bewegingen van de geest, van het ene einde des hemels tot het andere! hoe kan hij de aarde doorlopen in een ogenblik! Ziet maar eens, welk een groot onderscheid er is tussen een schoon levend lichaam, en dan, wanneer het een dode romp, verrot en bedorven is. De geest die er in woont, die maakt het onderscheid, die maakt het lichaam werkzaam, schoon en liefelijk; maar met het weggaan van de geest, wordt het een stuk aarde, ja, van de onreinste en walgelijkste stof van de aarde.

Nu ik zeg, zo’n wijd en breed onderscheid is er tussen een waarachtig Christen en een natuurlijk mens. Al verenigt u hem met al zijn gewone begaafdheden en voortreffelijkheden; de ene is een mens, de ander een beest, de ene is "naar het vlees," de ander "naar de Geest." Het is de gewone benaming, die de Heilige Geest geeft: "de mens die in waarde is, en geen verstand heeft, wordt gelijk als de beesten, die vergaan." Ps. 49:21. "Aanmerkt, gij onvernuftigen onder het volk." Ps. 94:8, "een onvernuftig man weet daar niet van, (Ps. 92:7), dat zij zullen zien dat zij als de beesten zijn aan zichzelf," Pred. 3:18. Daarom bevindt men, dat de Heere zich dikwijls wendt naar de beesten en naar de ongevoelige schepselen, om daardoor de dwaasheid en uitzinnigheid van de mensen te bestraffen, Jes. 1:2. en Jer. 8:7. De mens heeft in zich twee delen, door welke hij vermaagschapt is met twee zeer ver vaneen staande naturen: hij staat in het midden tussen engelen en beesten: in zijn geest komt hij omhoog tot de natuur van de engel, en in zijn lichaam valt hij neer tot een beestachtige staat. Nu, nadat de een of de ander de opperhand heeft, dat is hij. Indien de geest waarlijk opgeheven is, boven alle gevoelige en aardse dingen tot het leven van de engelen, dat is: tot gemeenschap met God, dan is de mens een, die "naar de Geest is," een gevleesde engel, een engel, wonende in het vlees; maar indien zijn geest zich neerwerpt tot de dienst van het vlees, bedenkende en behartigende alleen gevoelige en zichtbare dinges, dan heeft die mens in waarheid de menselijkheid afgelegd, en zich met de beesten vergezeld, om als een van die te zijn. En waarlijk een mens, dus een beest gelijk geworden, is erger dan een beest, omdat hij veel beter behoorde te zijn. Het is geen schande voor een beest, alleen het vlees te verzorgen; maar het is de grootste verlaging van een mens, hetgeen hem neertrekt van die hogere standplaats, daar God hem ingesteld heeft, tot de laagste stand namelijk, van de beesten; en waarlijk een Nebukadnezar onder de beesten, is het grootste beest van allen, veel woester dan enig beest.

Nu, zodanig is de mens van nature: "hetgeen uit vlees geboren is, dat is vlees." Ja de mens, zo als hij uit de buik voortkomt, is ontaard, en in die verwilderde staat neergevallen, dat hij niets behartigt en met smaak bedenkt, dan hetgeen betrekking heeft op dit vleselijk of tijdelijk wezen. De uiterste cirkel en omtrek van de mens is nu van geen verdere uitbreiding, dan deze zichtbare wereld, en dit tegenwoordig leven. "Hij is blind van verre niet ziende," 2 Pet. 1:9. Waarlijk, zodanig is iedere mens van nature, daar nochtans de eigen aangeboren cirkel en uitbreiding van de beweging en bevatting van de geest zo wijd is als de duur ervan, dat is: zolang als de eeuwigheid, en zo breed dat hij tot de oneindigheid van God reikt, de God van alle geesten; maar nu is de wijdte wegens de slavernij en dienstbaarheid van de geest van de mens aan hun vlees, ingekrompen tot zulke enge palen, als dit arme leven in het vlees. Hij die over de tijd plagt heen te zien zo ver als de eeuwigheid is, en wie tot dat einde een onsterfelijke geest gegeven is, is nu half blind: het oog van zijn gemoed is zo bewolkt door lusten en hartstochten, dat het niet ver af kan zien, niet zo ver als tot de volgenden morgen na de dood, niet zo ver, als tot de ingang in de eeuwigheid.

En waarlijk, indien u de samenhang vergelijkt, zult u bevinden, dat hij, die niet alleen alle naarstigheid aanwendt, om tot zijn geloof te doen deugd, en tot de deugd kennis, en tot de kennis matigheid, en tot de matigheid lijdzaamheid, en tot de lijdzaamheid godzaligheid, enz., — al wie zich niet oefent en bezig houdt in deze betrachting: hoe zijn geest te versieren met deze genaden, hoe overwinning te krijgen over zichzelf en over de wereld; en die niet ten opzichte van die dingen, alles wat daar benevens is, voor onverschillig aanziet, even alsof daar weinig aan gelegen was, zo één is blind, en kan niet veraf zien; hij heeft het gezicht van de eeuwigheid niet verkregen; hij is niet ingenomen geweest met die eeuwige duur; anders kon hij zijn tijd niet besteden tot verzorging van de lusten van het vlees; maar hij zou zo’n goed fondament voor de toekomende tijd moeten wegleggen, gelijk daar gemeld is. Indien hij veraf zag, kon hij niet nalaten zich gemeenzaam te maken met die hovelingen des hemels, die een ingang zullen toedienen tot dat eeuwige Koninkrijk. Maar gewis, zolang dit uw poging niet is, hebt u nog geen hart of voornemen voor de hemel; u ziet niet anders, dan hetgeen voor ogen is en dezelve bijna raakt, en zo behartigt en bedenkt u alleen, hetgeen u ziet.

Is dit dan niet een breed onderscheid tussen de kinderen van deze wereld en de kinderen van God? Alle andere dingen zijn maar omstandigheden ten opzichte van dit. Dit alleen maakt een dadelijk onderscheid in datgene, hetwelk het edelste deel in de mensen is, namelijk hun geesten. De voortreffelijkheid van de natuur is te kennen uit haar genegenheden en bewegingen; zodanig zijn deze hier: de geestelijke mens behartigt geestelijke dingen, de vleselijke mens vleselijke dingen; elke zaak heeft een medegevoel met hetgeen haar gelijkvormig is, en is genegen zich daarmee te verenigen; de dingen worden gevoed en bewaard door dingen, die daaraan gelijk zijn. Gij ziet, het zwijn omhelst de mesthoop, die stank is alleen een liefelijke reuk voor hem, omdat hij met zijn manier overeen komt, maar een mens heeft voortreffelijker smaak en reuk, hij vindt liefelijkheid in fijnere en zoetere dingen. Waarlijk, het kan niet anders zijn, of het moet een slechter en zwijnachtiger natuur zijn dan een zwijn, die smaak en geur kan vinden in zulke vuile gruwelijke werken van het vlees, gelijk er onder sommigen van ulieden overvloedig zijn. "De werken des vleses zijn openbaar," staat er Gal. 5:19. En waarlijk, zij zijn in ulieden openbaar, als zijnde gewerkt zelfs bij dag, tegen het klare licht van het Evangelie; u kunt lezen en zien, of ze niet al te openbaar in u zijn.

Welk een snode natuur, welke gruwelijke en lage geesten moeten dan wel de mensen bezitten, dat zij een zoetigheid en liefelijke smaak genieten in die verdorven en stinkende werken van de oude mens? O wat is het een snode reuk, dat men nergens geur in vindt, dan in deze tegenwoordige wereld, en in het genoegen voor uw zinnen! Gewis uw geur en smaak geeft bewijs van uw snode, ontaarde en beestachtige natuur, dat u aan de slechtste zijde van deze bedeling, naar het vlees of naar de Geest bent. Maar helaas! Het is niet mogelijk, dat men u overreedt, dat er in al deze werken van het vlees geen zoetigheid of geurigheid is, maar niets anders dan verdorvenheid en verrotting, zodanig als uit de geopende graven komt, voordat er eens een nieuwe Geest in ulieden zij, en uw naturen veranderd worden. Zo weinig als men een ziek mens, wiens gehemelte door een verdorven humeur bezeten is, kan overreden, dat zulke dingen, die met zijn verdorven smaak overeenkomen, waarlijk bitter zijn, of een zwijn doen geloven, dat de mesthoop stinkende en onvermakelijk is; even zo onmogelijk is het, de menigte van de mensen te doen begrijpen en smaken, dat er bitterheid of walgelijkheid is in de wegen die zij gaan, of dat er enige zoetheid of liefelijkheid is in de wegen van de godzaligheid, voordat eerst uw smaak verbeterd, en uw geest veranderd en vernieuwd is.

En inderdaad, wanneer de geest eens vernieuwd en bevrijd is van dat kwaadaardig humeur van verdorvenheid en vleselijk genegenheid, die alles in een tegenovergestelde richting vertoont, dan is zij gelijk een gezond gehemelte, dat alles smaakt gelijk het is: bittere dingen bitter, en zoete dingen zoet bevindt; of gelijk een gezond oog, dat de zaken ziet gelijk zij zijn, in kleur, grootheid en afstand, dan vindt de ziel liefelijkheid in de zoete geur van de vruchten des Geestes, vs. 22: "liefde, blijdschap, lankmoedigheid, zachtmoedigheid," enz. Deze zijn voor de ziel zoet en welriekende, en gelijk een zoete geur voor de mens die ze heeft, voor anderen die rondom hem zijn, en ook voor God; deze geven een geur, die een ziel lokt om die te zoeken, en ervan bezeten zijnde, geven zij een zoete reuk naar buiten tot allen, die rondom zijn, zelfs zo hoog als de hemel is: een ziel, in welke deze vruchten geplant zijn, en waaruit zij groeien, is als een besloten hof voor God. Deze vruchten zijn vermakelijk en zoet voor de ziel, die ze eet; en gelijk de vermakelijkheid van de appel, de mens verlokkend om die te proeven en te zondigen; zo trekt de schoonheid en zoetheid van deze vruchten des Geestes, de geest van de mensen naar zich toe; hij heeft dan de liefelijke smaak bevonden en de schoonheid gezien, en dit lokt hem, om er van te proeven, en dan nodigt hij de beminden om te komen en ook te smaken, en met hem van die vruchten te eten.

Wij zouden daar vele voorbeelden van kunnen geven. Een Christen smaakt meer zoetigheid in die matigheid, van zijn lichaam ten onder te brengen en in onderdanigheid te stellen, en in de onthouding van vleselijk begeerlijkheden, dan een vleselijk mens proeft in de keurigste vermaken, die de wereld kan opleveren. Een Christen smaakt een zoetigheid in zachtmoedigheid; hij heeft meer vermaak in het vergeven, verdragen en bidden voor hen, die hem verongelijken, dan een natuurlijk mens heeft, in de gretigste begeerte naar wraak te vervullen. O! wat een schoonheid geeft de vriendelijkheid, goedheid en lijdzaamheid in zijn ogen! Welke zoetigheid is er voor zijn smaak in de liefde tot God! Hoe verrukkelijk is hem de blijdschap van de Heilige Geest! Wat een genoegen geeft hem die vrede die alle verstand te boven gaat! Dit zijn de dingen van de Geest, die hij bedenkt en behartigt.

Weet, Christenen! dat u geroepen wordt, om deze dingen meest te behartigen, en meest te zoeken; ziet toe, dat de bedrieglijkheid van de zonde u niet verlokt, door de verraderlijke en verleidende begeerlijkheden, die nog in uw leden leven. Indien u deze dingen waarlijk behartigde en uit een besef van de schoonheid en smakelijke zoetigheid, en welriekende reuk ervan, tevreden wilde zijn om al uw verdorven begeerlijkheden te laten varen, om daarvan bezeten te worden, dan was u aan die zalige en gelukkige zijde van die grote en fundamentele onderscheiding van de mensenkinderen; dan zoudt u hebben, boven allen die niet vernieuwd zijn, wat ook uw staat in de wereld is, het voorrecht, dat u naar de Geest bent en dat is beter, dan rijk, wijs, groot en in aanzien te zijn. God heeft u zulke dingen niet gegeven, daar de wereld uitzinnig naar hijgt; maar benijdt hen niet; Hij heeft u betere dingen gegeven, dadelijker en wezenlijker dingen, die u veel beter en voortreffelijker maken.

Maar daarenboven, gelijk dit onderscheid het grootste is, zo is het ook het allerduurzaamste: gelijk het hier wezenlijk is, zo is het hiernamaals duurzaam; wanneer al het andere verschil onder de mensen te niet gedaan is, dan zal dit alleen blijven, en daarom hebt u het in het volgende vers: "het bedenken des vleses is de dood, maar het bedenken des Geestes is het leven en de vrede." Deze verdeling, die hier begonnen is, zal tot in alle eeuwigheid wijder worden; daar zal een groter onderscheid en gevoeliger afscheiding zijn naar dit leven: dood en leven, de eeuwige dood en het eeuwige leven, zijn de twee zijden van dit onderscheid; gelijk dit in het kort zal vastgesteld worden. Alle trappen en afstanden van mensen zullen uitgewist, en in eeuwige vergetelheid begraven worden; niet een voetstapje of merk zal er overblijven, of van wijsheid, of van rijkdom, of eer, of dergelijke, maar alle mensenkinderen zullen ten opzichte van deze uiterlijke dingen, even gelijk zijn; alleen dit ene, ongeziene, en in de wereld verachte onderscheid zal dan verschijnen en blijken: "te dien dage, wanneer de Heere de Zijnen ten eigendom maken zal; dan zal Hij het onderscheid stellen tussen de rechtvaardigen en de goddelozen, tussen die, die God dient, en die, die Hem niet dient." Mal. 3:17,18.

De vleselijk en geestelijke mens hebben tegenovergestelde genegenheden en bewegingen: de geest van de ene is uitgaande en opwaarts wandelende naar de Geest, en de geest van de anderen is neerwaarts gaande, naar het vlees; hoe zij verder gaan, hoe zij verder vaneen zijn: de ene zal opgenomen worden tot het gezelschap van de geesten van de volmaakte rechtvaardigen en van de engelen; de andere zal neergestoten worden tot het gezelschap en de gemeenschap met de duivelen. En waarlijk, het is geen wonder, dat deze ziel zo laag valt, omdat al haar bewegingen in het lichaam naar beneden waren, tot de vervulling van de begeerlijkheden van het vlees. Zo ziet u, dat het onderscheid nog groter en gevoeliger zal worden, dan het is tussen de vromen en goddelozen; in deze wereld schijnt het zo duidelijk niet, zoals het hiernamaals zal doen. Gelijk twee mensen, die elkaar verlaten, en hun aangezichten naar tegenovergestelde gezichtspunten zetten; in het begin is die afstand zo groot noch gevoelig niet, maar wacht een weinig, en hoe meer zij verder gaan, des te verder zullen ze vaneen zijn, en hun afscheiding wijder wezen. Even zo is het, wanneer een Christen zijn weg begint af te breken, om niet meer de gewone loop van de wereld te volgen, dan blijkt het niet, dat zijn weg zo verschillend daarvan is, dat het hemzelf en anderen overtuigt; maar indien zijn aangezicht naar Jeruzalem gezet wordt, en zijn hart derwaarts heen is, dan zal hij gewis zich verder van de wereld af bewegen, tot dat de afstand beide voor hem en anderen gevoelig is, hij zal meer en meer veranderd en vernieuwd worden, totdat eindelijk alles veranderd is.

Geen wonder dan, dat die twee elkaar in het einde van hun loop niet kunnen ontmoeten, wanneer iedere gang zo tegen elkaar overgesteld is. Hoewel de goddelozen de dood van de rechtvaardigen zullen wensen te sterven, zo is het toch even onmogelijk, dat zij eindelijk elkaar ontmoeten, als hel en hemel samen kunnen komen, omdat zij wandelen naar recht tegenovergestelde regels.

 

19e Predikatie, Rom. 8:6

Want het bedenken des vleses is de dood; maar het bedenken des Geestes is het leven en vrede.

Het is waar, deze tijd is kort, en zo kort, dat nauwelijks gelijkenissen of vergelijkingen gebezigd kunnen worden, om het ons af te schaduwen: hij is een droom, een ogenblik, een damp, een vloed, een bloem, en al wat meer verwerkelijk of vergankelijk is; en dan is hij in zichzelf niet zeer groot, maar nochtans in een ander opzicht boven alle dingen het kostelijkste en allerwaardigste, dat men er zeer ernstig en diep acht op neme, namelijk: omdat dit leven aan de eeuwigheid is geschakeld, is er een onverbrekelijke samenknoping tussen hen, die geen kracht of kunst kan verbreken of losmaken. Het begin van de eeuwigheid is een draad verenigd met het einde van de tijd, en u weet allen, dat de oneindige uitbreiding van de eeuwigheid eenvormig is, zij laat geen verandering in zich toe, van beter tot slechter, of van slechter tot beter; en daarom het begin van onze eeuwigheid, hetzij van gelukzaligheid, hetzij van ellende, is om zo te spreken, maar een eeuwigdurend ogenblik.

Aangezien wij dan in het lichaam en in de wereld tot dat einde gezonden zijn, opdat wij zouden doorgaan tot een onveranderlijke eeuwige staat, zo is het gewis boven alle dingen allermeest van belang en gewicht, welke weg wij kiezen tot het einde van deze reis, omdat de tijd kort is, waarin wij te wandelen hebben. Zij is ook onzeker, waarom wij behoorden, gelijk de apostel Petrus spreekt, "alle naarstigheid aan te wenden." Zolang de dag duurt, behoorden wij te sterker voort te gaan in ons werk, opdat die eeuwige nacht ons niet overvalt. De kortheid en onzekerheid van de tijd, behoorde ons te dringen, om de tegenwoordige gelegenheid waar te nemen, en het niet ongebruikt te laten, gelijk bij ons veel geschiedt, omdat het noch geen verleden, noch geen toekomende is, en gans niet in onze hand is: het ene kan niet herroepen worden, het andere is niet in onze macht om het te doen komen; en daarom behoorde het tegenwoordig ogenblik, dat God ons gegeven heeft, aangegrepen en uitgekocht te worden, gelijk de apostel spreekt, Ef. 5:16. Wij behoorden het uit te kopen, tegen de duurste prijs van moeiten en kosten, en het af te nemen van die ijdele, ontijdige en beuzelachtige bezigheden, die het innemen, opdat wij het mogen aanleggen, gelijk het bestaat, gevoeglijk op de eeuwigheid, die ras nakend is.

Daarbij, wat de kortheid van het leven kostelijker en belangrijker maakt, is, ten opzichte van het doel ervan: de eeuwigheid; even gelijk de zeldzaamheid van een zaak de prijs ervan vermeerdert, zo behoorde die zelfde aanmerking alle wereldse dingen, die in hun wezen of gebruik binnen dit leven bepaald zijn, onopmerkelijk, en van weinig waardij te maken, gelijk Paulus toont 1 Kor. 7:29-31: "dewijl de tijd kort is, zo is overig dat wij zouden blijde zijn, als niet blijde zijnde; wenen, als niet wenende; kopen, als niet bezittende; de wereld gebruiken, als niet misbruikende." Omdat dezelve geheel te schatten is naar het einde: de nooit eindigende eeuwigheid, zouden wij waarlijk al wat in van de tijd dat einde niet bereikt, en geen samenknoping daarmee heeft, maar een slecht onthaal geven, gelijk een voorbijvliegende vogel, die vermakelijk is voor het oog, een slecht onthaal van een aanschouwer ontvangt.

De kortheid van de dag, diende onze vlijt te verdubbelen en sterker aan te zetten in onze wandel of loop, opdat wij intijds tot onze plaats van rust zouden komen; en het diende te maken, dat de reiziger slechts een terloops en voorbijgaande aanschouwing zou geven, aan al wat bij de weg is, en hetwelk wij noodzakelijk achter ons moeten laten. Aangezien dan deze dingen zo gewichtig zijn, laat ons onze harten bijeen trekken, om te letten op wat de Heere tot ons in dit woord spreekt: want daarin hebt u twee wegen, en twee doeleinden; tegengestelde en recht strijdige wegen en wandelingen, en alzo recht strijdige doeleinden; de wegen zijn: te "wandelen naar het vlees, en te wandelen naar de Geest;" de einden waar naar zij leiden, zijn: "dood en leven."

Wij hebben iets gesproken van de wegen, en van het grote onderscheid, dat er is tussen die wegen; welke voortreffelijkheid er is in de ene boven de andere; maar waarlijk het is moeilijk u te overreden, om uw gewone wegen en wandelingen te verlaten, omdat uw inwendige zin, en de geneigdheid van uw hart geheel van nature bedorven en verkeerd is. Gij weet, dat het bewegende vermogen, in zijn werkingen afhankelijk en ondergeschikt is aan de kennende, gevoelende en beseffende vermogens. Het vermogen om ons van plaats te bewegen, is gegeven tot een behulp en bijstand voor de bevattende en begerende vermogens, omdat de dingen, die overeenkomen of niet overeenkomen, goede of kwade, met de natuur van het levende schepsel, buiten het zijn, en het door enkele kennis, of begeerte, of haat van zaken, niet kon komen in het bezit ervan, of het vermijden; daarom heeft God een vermogen gegeven om zich te bewegen tot het uitstrekken, tot een verkrijging van enig ondervonden goed, of tot vermijding en afkeer van enig begrepen kwaad: zo zien wij, dat wanneer de beesten het voedsel ruiken of smaken, hun lust opgewekt wordt, om zich daarheen te bewegen, om het te verkrijgen.

Nu ik zeg, indien dit inwendig gevoel bedorven is, dan zullen de zaken, die ten verderve zijn, goed begrepen worden, omdat ze overeenkomen met dat verdorven humeur of hoedanigheid, die de zinnen bezat, en zo zal de beweging en wandeling ongeregeld zijn.

Aldus staat er, mijn geliefden! onze geest en gemoed zijn met een vergiftige aard besmet: vleselijk hartstochten en begeerlijkheden hebben de overhand, van nature: en gelijk het is met degenen, die aan de koorts liggen en hun gehemelte door een bitter en onsmakelijk humeur bezet is, schijnen de vermakelijkste dingen onsmakelijk, omdat ze met dat onsmakelijk humeur niet overeenkomen; evenzoo is het met ulieden van nature; hetgeen anders aan het bewegen stelt dat is er nu buiten gesteld, sinds die eerste ongetemperdheid welke de mens kreeg; uw geesten en gemoederen zijn vleselijk, zij hebben een sterke en diepe indruk van al de begeerlijkheden, die in het lichaam zijn, en volgens die zijn zij ook aangedaan; en daarom kunt u niet met vrucht oordelen, wat goed of kwaad voor u is; maar u zult, gelijk bij Jes. 5:20, het kwade "goed noemen, en het goed kwaad, het bitter zoet, en het zoet bitter," omdat u reeds zo tevoren ingenomen bent; en daarom kunt u op die wegen van het vlees, die paden, welke ten verderve leiden, niets anders zien, dan wat vermakelijk is, omdat zij passen op uw verdorven gevoelen, en zij uw geest behagelijk zijn; en zo maakt de ongeregelde smaak en reuk van een liefelijke geur in de wegen van het vlees, dat u in die wegen voortwandelt; en zijnde aldus ingenomen en aangehaald, kunt u niet anders dan uw oren stoppen voor alle recht strijdige overredingen. Gij meent, dat het tegen uw gevoelen en rede is, dat men u zegt, dat deze wegen walgelijk en onsmakelijk zijn, en dat de andere wegen van wijsheid en geest liefelijkheid en vrede zijn. Ik zeg, u kunt dit niet geloven, voordat uw harten en geesten gereinigd zijn, en uw smaak zuiver en niet meer verdorven is.

Het is zeker op deze grond, dat onze Zaligmaker zulke merktekenen stelt op de weg naar de hemel en naar de hel, ten leven en ter dood: de ene weg is eng en nauw, en weinigen wandelen daar op, de andere is breed en gemakkelijk, en velen betreden die, Matth. 7:13, 14. In waarheid, het is niet de weg op zichzelf, die zo’n benaming toelaat, om eigenlijk te spreken, zo als de zaak is; de weg ten leven, door het bestuur van de Geest, is de lichtste, effenste, kortste en breedste weg; hij heeft al de eigenschappen van een goede weg, geen is zo vermakelijk en effen; welk een zoet en vermakelijk gezicht is er de gehele weg over: het is een wandelweg van vermaak, de weg van Zijn geboden; daarop ontbreekt geen genezing, om de reiziger te verkwikken; het vermakelijkste gezelschap is hier: de Vader en de Zoon, die geen ander gezelschap van alle eeuwigheid zochten, maar overvloedig vergenoegd en verblijd waren in elkaar; met dit gezelschap heeft een Christen zich te vermaken, en hij wordt toegelaten, om een deelgenoot van die vreugde te zijn. Niets is er, wat de ziel zo ontlast van zorg en angst, niets bevrijdt de mens van zoveel bekommernissen en zwarigheden, als deze weg.

Maar de weg van de zonde is in zichzelf zeer vol arbeid en ten uiterste zwaar, hij heeft oneindig veel bijwegen, daar hij een mens inleidt, en hij zich moet keren en wederkeren en lopen de ganse dag in een cirkel, om oneindig veel lusten en onverzadelijke zondige begeerten te voldoen. O hoe moeilijk en hoeveel arbeid is het, de begeerlijkheden van het vlees te vervullen! Hoeveel diensten legt het de mens op! Wat al ernstige opmerkzaamheid! Wat al beangstigende zorgen en bedreigende gedachten! Hoe veel droefenissen en smarten zijn er in iedere stap van deze weg! Merkt u niet, dat de zonde ulieden tot slaven maakt? Wat al moeite en arbeid hebt u, om uw lusten te voldoen! En altijd zult u beginnen, en in het einde van uw jaren bent u even ver van hetgeen u zoekt, als in het begin. Hoe doornig en hoe glibberig is de weg van geldgierigheid! Valt u niet gedurig van de ene doorn in de andere, en wordt doorstoken met vele smarten? 1 Tim. 6:10. Matth. 13:22. Ei lieve! Is dat een vermakelijke weg, die al uw droefheid veroorzaakt, en uw arbeid tot smart maakt, niet toelatend dat "uw hart rust neemt in de nacht?" Pred. 2:22, 23. Wat al lichamelijke pijn, wat al breking van het hoofd en verstand, wat al arbeid en kwelling in beide, moet zowel een zondaar hebben, als zijn gestadige metgezellen, op deze weg!

De weg is duister, diep, en niet goed te betreden, die u leidt tot het genoegen dat u voor uw lusten begeert; uw begeerten zijn stijfzinnig en ongeduldig; de middelen om u daartoe te leiden, zijn zwak en kreupel, geheel niet geschikt en bekwaam voor zo’n reis; en dit stelt u gedurig als op de pijnbank, dat u bedreigd wordt tussen het ongeduld van uw begeerlijkheden en de zwakheid van de middelen, en de onmogelijkheid om die te vervullen; begeerten en teleurstellingen in verwachting, hoop en vrees, delen uw ziel als tussen hen: zodanig is de weg naar het vlees, een eindeloos doolhof van wee en ellende, van moeiten en zorgen, en dat zo gedurig.

Maar deze wegen ontvangen zulke namen van het algemeen gevoelen en bevatting van de mensen, wegens ons vlees. Zo de weg naar het vlees, omdat hij daarmee overeen komt, hoewel oneindig meer moeilijkheden hebbend, schijnt gemakkelijk en effen; maar de weg naar de Geest schijnt eng, nauw, lastig en moeilijk, hoewel er oneindig meer ruimte is op de weg des levens, omdat hij leidt tot het onmetelijk algemene goed; hij gaat uit naar de volheid Gods; nochtans is hij voor het vlees zo nauw en eng, omdat hij geen vrijheid toelaat voor de ongeregelde lusten, die zo onmatig opgezwollen zijn, omtrent de enge en bekrompen dingen. De rechte wijdte van de weg van het vlees is niet groot; want zij is binnen arme, magere en enge geschapene voorwerpen besloten, maar omdat de inbeelding van de mensen vervult, wat er dadelijk ontbreekt, en zich in deze dingen verbeeldt een oneindige en onbepaalde uitbreiding van goedheid, wandelt de zondaar met gemak, zonder benauwdheid voor zijn vlees; het vlees heeft geen bekrompenheid in deze weg van vleselijk begeerlijkheden. Maar helaas! De Geest is jammerlijk in engte, in banden, en gevangenis, hoewel men dat niet gevoelig bevindt.

Wat is dan de rede, dat zo velen wandelen op de weg des doods, als omdat hun vlees daarop geen engte of benauwdheid en drang gevoelt? Het is een gemakkelijke weg voor hun natuur, omdat hij goed op de verdorvenheid past, die erin is. Daarom wandelen de mensen al voort, zonder te letten op hetgeen volgt; het is gelijk het afgaan van een berg, gemakkelijk voor het vlees. En aan de andere zijde: de weg ten leven of naar de Geest, is een opklimmen naar boven. Hij is zeer zwaar voor ons aards en klompig vlees. Onze geest is door gemeenschap met een onderdanigheid aan het vlees van een aardse hoedanigheid geworden, en bijna van het element van het vlees, en zo buigt hij natuurlijk ook naar omlaag, maar indien hij eens door de Geest Gods gezuiverd en gereinigd was en van de banden ontslagen, en hersteld tot zijn natuurlijke zuiverheid, zou hij al veel lichter en gewilliger opwaarts vliegen, dan u ziet dat de vlam opklimt; en voordat dit in u geschiedt, kunnen wij niet verwachten, dat u gewillig en met vermaak op die vermakelijke wandelingen naar de Geest zult treden; uw wandel zal nooit vrij en onbedwongen zijn op de paden van de godzaligheid. Gij mag voor een tijdlang u opwaarts bewegen wegens enige uitwendige beweegredenen en aanzettingen, in enige bijzondere plichten van godsdienst, gelijk een steen die naar omhoog geworpen wordt; maar die indruk is niet van een inwendig beginsel, en zo zal hij niet duurzaam en gestadig zijn; maar u zult in andere dingen neervallen naar uw oude neiging, en u recht tegenstrijdig bewegen, wanneer de uitwendige beweging van vrees of gunst, van gewoonte of opvoeding, of dergelijke ophoudt.

Maar de ware Christen heeft een Geest binnen in zich, de wortel der zaak is in hem; die voert hem opwaarts in de wegen van de gehoorzaamheid, naar de bewegingen en besturingen van Gods Geest. Het is waar, in het begin is het voor het vlees benauwd en ongemakkelijk, maar de zwaarte is overwonnen, indien u eens goed begint; goed begonnen, (gelijk men pleegt te zeggen) is half gedaan; gewis goed ingetreden in de wegen van de christelijkheid is halfweg gevorderd; daarna worden de lastige begeerlijkheden van het vlees afgelegd, immers in een grotere mate en dan beweegt zich de Geest gewillig en gemakkelijk: deze wandel wordt een vermaking, die in het eerst een arbeid was. Nu, vermaak en begeerte zijn als vleugelen om de ziel te doen opvliegen, en het is de ziel recht behagelijk te wandelen in alle welbehagelijkheid Gods. Waarlijk, de weg van deze wereld is slibberig en vuil, daarom moet een Christen gedurig op de wacht staan, met gegorde lendenen, opdat zijn gedachten en genegenheden niet naar omlaag naar de aarde zouden hangen, anders zullen zij veel vuiligheid behalen, en de geest noodzakelijk bezwaren en belasten, en maken dat hij traag en bezwaarlijk voortgaat, gelijk Farao’s wagens, toen de raderen daar vanaf waren.

Wij moeten naar omhoog vliegen boven de grond en niet te laag neerkomen, nabij de aarde, menende zo met één dubbeld onze reis af te doen; want wij zullen bevinden, dat deze wereld, vanwege de overblijfsels van het vlees in ons, een magnetische of zeilstenige aantrekkende kracht heeft, om ons, als de zeilsteen, daartoe neer te trekken, wanneer wij binnen het bereik zijn van zijn werkzaamheid. Het is niet goed dat men te dicht bij het vuur komt met vlas: wij dienden te pogen onze harten ver af en los te houden van de lagere vertroostingen. Deze wereld is gelijk de pestige poel van Sodom, al wat daarover vliegt aantrekkend, en doend daarin neer vallen, indien wij laag vliegen over de vlakte ervan, zullen wij niet kunnen verhinderen dat het geestelijke leven veel zal uitgeblust worden. Maar om dit te voorkomen, dienen wij onze vlucht opwaarts te nemen naar de Geest (want dat is de eigen beweging van het zuiverder en geestelijke deel van de wereld); wij moesten ons geen rust geven, voordat wij uit het bereik van die besmetting zijn: totdat wij de besmetting van de wereld volkomen ontvloden waren.

Maar ingeval u niet overreed kunt worden, om van die weg af te komen, die zo vermakelijk voor uw vlees schijnt; die weg, welke de eigen loop van de wereld is, (want zij worden samengevoegd Ef. 2:2,) bid ik u: staat stil, en merkt op, waar die weg u leiden zal; houd u maar een weinig stil en bedenkt uzelf met bedaardheid en ernstig waar u die zal voeren en weer het eindigen zal, en waarlijk het einde van die is vreselijk— het is de dood, een nooit eindigende dood. Ik verzeker mij, indien u langs de weg wandelde, en iemand tot u kwam en met ophef zeide dat die weg vol is van gevaarlijke putten, dat er vele rovers op zijn, die op u loeren om u de hals af te snijden, u zoudt de waarschuwing wel waardig achten, zoveel kennis daarvan te nemen dat u stil zoudt staan en opmerken wat u te doen stond. Maar nu, wanneer de Heere Zelf, Die oneindig meer achting en geloof waardig is dan mensen, u eens en meermalen waarschuwingen geeft, en u dag bij dag die vermaning herhaalt, zendende u vele gezanten om u af te roepen, en doende dit woord dagelijks in uw oren klinken: "Och! Waarom wilt u sterven? zulke wegen leiden naar de binnenkamers van de dood en van de hel; vleselijk gezind te zijn" heeft geen andere uitkomst dan de dood, wat u ook mag beloven. Ik zeg, wanneer Hij ons zo’n stem doet vergezelschappen in al onze wandel: dit is de weg niet die ten leven leidt; waarom acht u dat zoveel opmerking niet waardig dat u eens zoudt stil staan totdat u onderzocht hebt wat er van komen zal? Zijn wij zo gelovig omtrent de mensen, en zullen wij God niet geloven, Die de waarheid Zelf is, Die het zo gestadig bevestigt, en ons zo ernstig bidt? Zijn wij zo wijs en voorzichtig in mindere; dingen, en zullen wij uitzinnig, eigenwillig, en wederhorig zijn in de grootste zaak, die ons voor eeuwig aanbelangt?

O! ongeloof is het, hetgeen de wereld veroordelen zal; het ongeloof van dit ene, dat te wandelen naar het vlees, en te bedenken dat van het vlees is, is dodelijk. Al belijden alle mensen met hun tongen dat dit de waarheid is, wordt het toch inderdaad niet geloofd, de diepe onopmerkzaamheid en het slordig begrip van deze waarheid, maakt dat de mensen stoutweg wandelen, en zich snellen te verderve. Geloofde u inderdaad, dat de eeuwig ellende voor u op het einde van deze weg is, u zoudt dan wel wreed tegen uzelf zijn dat u daar op wandelen zoudt, al werd u er nog zozeer toe gelokt. Geloofde u inderdaad dat er op het einde van deze wandelweg een steilte is, die in de uiterste duisternis en in de eeuwige dood doet nederstoten, dan zou het vermaak en de zoetigheid van die u wel zo ver kunnen verdwazen en uitzinnig maker dat zij u daartoe leiden zou, "als een os ter slachting," en een "dwaas tot de tuchtiging der boeien."

Het is waarlijk vreemd, dat u niet geloven wilt, dat de dood een einde is van deze dingen; en dat u niet overreed kunt worden, dat u het niet gelooft. Daar is tweeërlei bedrog, hetwelk de harten van de mensen bezit: het een is, een droom en inbeelding de dood te ontgaan, al leven zij in de zonde; het andere is, een droom en inbeelding dat zij geloven dat de dood de beloning van de zonde is; wij moesten verwonderd staan, hoe die samen bestaan, behalve als wij het door zoveel ervaring ondervonden. Uw weg geeft bewijs, dat u het niet gelooft, dat de dood het einde van de weg is; en dan doen uw woorden klaar blijken, dat u niet gelooft, dat u in deze ongelovig bent. O hoe boos en dodelijk is het hart, en hoe groot is zijn arglistigheid! De valse profeet, die in de boezem van een ieder is, bedriegt hem, opdat hij hem zou verderven: gelijk de satan een leugenaar en moordenaar is, en door liegen vermoordt, zo is des mensen hart een zelfmoordenaar en zelfverderver, en dat geschiedt door liegen en bedriegen.

In iedere zonde is enige leugen, maar op de grond van alle zonde is die grove zwarte fundamentele leugen: een waan van vrij te zullen zijn van dood en hel, een sterke inbeelding van het gevaar te zullen ontgaan, zelfs al wordt er zo’n weg gekozen en bewandeld, die uit haar natuur onvermijdelijk tot het verderf leidt; en daar is iets van die bloedige vermoordende vleierij zelfs in de harten van de ware Christenen; daarom geeft de apostel er dit tegengift tegen en tracht het menigmaal uit te zuiveren, door die kennis op te wekken, die zij ontvangen hadden: "En weet gij niet dat de onrechtvaardigen het Koninkrijk Gods niet zullen beërven!" 1 Kor. 6:9. "Dwaalt niet; God laat Zich niet bespotten: want zo wat de mens zaait, dat zal hij ook maaien; die in zijn eigen vlees zaait, zal uit het vlees verderving maaien." Gal. 6:7, 8. Och dat u mocht luisteren naar dit woord, naar dit wachtwoord, dat u gegeven is, en stil staan op uw levensweg, immers voor een tijd, om te denken, wat het laatste einde wezen zal. Weet u niet, dat zulken het Koninkrijk niet zullen beërven? Weet u niet, dat de weg naar de hemel opwaarts leidt? Weet u niet, dat uw weg neerwaarts naar het vlees en naar de aarde leidt? Bent u zo ver van uw zinnen berooid, dat u meent naar de hemel te komen, door naar omlaag te wandelen, in de begeerlijkheden van het vlees? Gewis, dit is de sterkste en vreemdste betovering die er wezen kan, dat u het ene zaait, en iets anders meent te maaien, denkende te zaaien duisternis, en te maaien het licht, te zaaien het verderf, en te maaien onverderfelijkheid. Is het wel mogelijk in de natuur, dat men brandnetel-zaad zaaiend, haver of tarwe denkt te maaien?

Bedriegt u niet; och! dat gij uw arme bedrogen zielen niet meer misleidde, maar deed weten, dat het even natuurlijk is, dat de dood en hel groeit uit de zonde, en uit het wandelen naar het vlees, als het voor enig zaad is, zijn eigen vrucht of kruid te geven. Meent u de loop en de orde van de natuur te ontbinden? Gewis, het vlees is in zich sterfelijk, het is ten verderve geordineerd; u ziet wat er van wordt, als het leven er uit is: dit is een zinnebeeld van de staat van de vleselijke ziel na de dood. Gelijk gijlieden uw geesten verlaagt ten dienste van het vlees, al uw ploegen, en arbeiden, en zaaien, was daarvoor: het zaad dat u in de aarde wierp, waren vleselijk lusten, aardse dingen, tot verzadiging van uw vlees; alzo zult u uit het vlees verderfenis maaien, de dood en het verderf, het zal uw onsterfelijke geesten sterfelijk en verderfelijk maken, en samen met het lichaam, de dood en de verderfenis onderwerpen, zover als zij daar vatbaar voor zijn: het zal haar van al datgene beroven, hetwelk haar eigen leven en verkwikking is, en haar voor eeuwig afscheiden van de fontein van gelukzaligheid, en uit de hemel verbannen, tot het gezelschap van de duivelen. En och dat verderf van die onsterfelijke Geest is erger dan het verderf van het sterfelijke vlees.

Nu, zo vele van u, die tot zover uit het bedrog bent opgehaald, dat u uw gevaar en ellende gelooft en bemerkt dat ingeboren bedrog van uw harten, wees niet ten enenmale moedeloos, daar kan hoop zijn van herstel, wanneer u uw ellende ziet. Ik zeg, wanneer u ziet, dat de hel op het einde van uw weg is, weet, dat Hij die deze stem zendt om u van die weg des doods af te roepen, ulieden niet aan uw eigen verstand overlaat, om u op de rechte weg te leiden, maar Hij volgt u met een stem achter u, zeggende: "dit is de weg, wandelt in dezelve;" keert u daar niet van af, ter rechter of ter linkerhand, die stem klinkt duidelijk in het Woord, zij is niet anders dan het geluid van het Evangelie, dat zalige geklank dat u nodigt en lokt om tot Jezus Christus te komen, de Weg, de Waarheid en het Leven," de ware weg tot het ware leven. Alle andere wegen, alle andere levens, hebben geen waarheid in zich; zij zijn niets anders dan een wolk en verbeelding, die de mensen bevatten en aangrijpen.

Maar kom tot deze weg, Hij zal u waarlijk leiden tot het ware, tot het eeuwige leven. Indien u uit besef van uw gevaar tot Hem vliedt, hebt u een klare weg om tot God te komen, een zo effen weg, om het leven en de vrede te verkrijgen; in Christus zijnde, hebt u de verzekering, dat u niet in de verdoemenis zult vallen. Hij is zo’n weg, die u daar op zal houden, en u niet zal toelaten, dat u er weer van afgaat naar de weg des doods. En daarom zal Hij u een Voogd, een Leidsman, een Bestuurder geven op deze weg ten leven en tot vrede, en dat is de Heilige Geest, "om in alle waarheid te leiden, en om uw voeten te richten op de weg van Zijn geboden." Het zij, dat u op deze nieuwe en levendige weg van Christus, samen het licht van het woord zult genieten, om te weten waar te wandelen en het leven van de Geest, om u te doen wandelen naar het eeuwige leven, en zo is "de genade en waarheid" door Christus gekomen.

Het is wel waar dat u de tuchtiging van uw vlees moet lijden, en de pijn verdragen van de dood van uw begeerlijkheden, het afsnijden van uw rechterhand, en het uitsteken van uw rechteroog, welke u zouden doen stoten en struikelen op de weg; maar laat de gedachte van het toekomende leven alles verzoeten. Daar mensen het gevaar ondergaan, van om een weinig vermaak, het leven te verliezen; en waar mensen om een sober gering voordeel zoveel moeite en kwelling willen uitstaan, o! wat zou het eeuwige leven op ons werken; en zo’n leven, dat het beste leven hier slechts een dood nabij is; hoe zou dat de bitterheid van de tuchtiging verachten en onze geest versterken en verzoeten? Hoe zou dat onze geest versterken tot veel verdraging en lijdzaamheid? Wij moeten een strijd hebben wegens deze begeerlijkheden, waar wij ons van ontslaan; de duivel benevens de wereld zullen op ons loeren op deze weg. Maar waar de mensen om zulke kleine en geringe voordelen al het ongemak van de oorlog, van een lang oorlog willen lijden; hoe behoorde de verwachting van deze vrede, welke alle welzijn in zich insluit en bevat, ons aan te moedigen en te sterken, om te strijden, om in de Stad van het eeuwig leven, en van de eeuwige vrede te komen!

 

20e Predikatie, Rom. 8:7

Daarom dat het bedenken des vleses vijandschap is tegen God; want het onderwerpt zich der wet Gods niet; want het kan ook niet.

Ongeloof is datgene, wat de wereld veroordeelt, en in zijn aard verdoemelijker is dan vele andere zonden; niet alleen omdat het algemener is, maar inzonderheid, omdat het de mensen in hun ellende opsluit, en hen afkeert van het geneesmiddel, dat aan de dag gebracht is door het Evangelie. Door ongeloof versta ik niet alleen dat stoffelijk verzuim van Jezus Christus, aangeboden tot zaligheid, maar ook datgene, hetwelk de wortel daarvan is: de onopmerkzaamheid en de onkunde van onze hopeloze zondigheid, reddeloze ellende buiten Christus, hetwelk niet ernstig ter harte genomen zijnde, zo’n slecht en slordig onthaal van een Zaligmaker en Verlosser veroorzaakt. De mens is waarlijk ellendig en ongelukkig, hetzij hij het weet of niet; maar het is inderdaad een vermeerdering van zijn ellende, dat hij weet noch beseft wat hij nu van nature is, noch wat hij binnen korte tijd moet worden door Gods gerechtigheid. Het was een gelukkige onwetendheid zijn ellende niet te kennen, indien er geen geneesmiddel te vinden was: want de kennis en het herdenken daarvan zou niet anders dan bitterheid tot die ellende toedoen. Indien een mens dezelve in eeuwige vergeting kon begraven, was het enige verlichting. Maar nu, wanneer God het in Zijn barmhartigheid zo verordineerd heeft, dat het begin van het geloof slaan aan zonde en ellende, enigerwijze het einde zal wezen van de ellende; en omdat de mensen, hetzij zij hun ellende weten of niet, binnen korte tijd daarvan gevoelig zullen zijn, wanneer er geen geneesmiddel te vinden is, dan is het gewis de hoogte van ‘s mensen ellende, dat hij ze niet weet, noch bemerkt.

Indien wij eindelijk onze harten daartoe wilden zetten, "om te horen wat God de Heere spreekt," (want Hij alleen kan de mens aan zichzelf bekend maken) zouden wij beide in deze en de voorgaande woorden een korte opening hebben van onze hopeloze boosheid, en van onze ondraaglijke ellende: voor het tegenwoordige zijn wij van nature vijanden Gods, en binnen korte tijd kunnen wij behandeld worden als vijanden en rebellen tegen de machtigste en heerlijkste Koning, en gestraft worden met de dood — een eindeloze, levendige dood. De ervaring leert het, hoe zwaar het is ulieden te overreden, dat u dadelijk onder het vonnis van de dood bent; u wilt uw hart niet toelaten, dat het uw groot gevaar geloof, opdat het uw tegenwoordig vermaak in de zonde niet afbreekt. Ja u zoekt uzelf te vleien met de ingebeelde hoop, vrij te zullen zijn van deze vloek, en u acht het een wrede en zeer strenge leer, dat zoveel schepselen, van God gemaakt, eeuwig ellendig zijn zouden, of dat er over alle vlees een vonnis zou uitgesproken zijn. Datgene nu, hetwelk oorzaak is, dat wij dit zo bezwaarlijk geloven, is het ongeloof en de diepe onopmerkzaamheid van uw zondigheid; daarom doet de apostel daarbij, om de weg te banen tot het eerste: "want het bedenken des vleses is vijandschap tegen God."

Verwondert u dan niet, dat uw wegen en genegenheden dat ijselijke einde van de dood voortbrengen, aangezien die allen vijandschap zijn tegen de grootste Koning, Die alleen de macht over leven en dood heeft; zij zijn in volmaakte tegenstrijdigheid met Zijne heilige natuur en rechtvaardige wil; niet alleen is het vleselijk hart een vijand, maar de vijandschap zelf, en daarom is het ten hoogste rechtvaardig, dat de soevereine macht van de Koning der koningen zich uitstrekt tot de bescherming van Zijn heiligheid en rechtvaardigheid, door wraak te nemen over al de goddeloosheid en ongerechtigheid van de mensen. Indien rebellie in een staat of monarchie tegen nietige sterfelijke goden, die als mensen zullen sterven, zo’n snode misdaad is, dat zij met toestemming van alle volkeren de dood verdienen, hoe veel temeer zal de vijandschap en weerspannigheid tegen de onsterfelijke en eeuwige Koning, Die een volstrekt (absoluut) recht en heerschappij heeft over Zijne schepselen gelijk over het leem, zo’n gevoeglijke vergelding van de eeuwige dood hebben?

Nu, mijn geliefden! indien u het eens geloofde, dat uw gehele natuur vijandschap en tegenkanting is tegen God, dan zou u niet nalaten, met vrees en schrik te beseffen, wat de uitslag daarvan wezen zal: dan zou u zichzelf niet kunnen zegenen gelijk u doet, en de boze dag ver stellen, maar u zou gewis bevreesd worden door de schrik en majesteit van die God, met Wie u te doen hebt, Wie u, als Hij "opwaakt tot het gericht," niet weerstaan noch ontlopen kunt; daar is geen bestaan tegen Zijn toorn en geen ontvlieden van onder zijn heerschappij en grondgebied; — dit besef zou uw gemoed bijtijds neigen, te luisteren naar het verbond van vrede dat in het Evangelie wordt voorgesteld, om de wapenen van vijandschap af te leggen, en vrede met Hem te maken in Zijn Zoon— de Vredemaker.

Vriendschap en enigheid is het rechte wezen en de schoonheid van de wereld. Het gehele heelal is samengesteld uit ontelbare verschillende soorten en naturen, en die alle klimmen en wandelen samen door de band van de vrede en van de eendracht onder elkaar, en dat door dat een hoge verstand, hetwelk alles bestuurt, en met de oppersten wil van God, die alles beweegt. Het is die schakel van vereniging met God, die het wezen en de schoonheid van al de schepselen geeft en daarin behoudt, gelijk de afhankelijkheid van de straal van de zon, of van de stroom van de fontein maakt, dat ze zijn hetgeen zij zijn: echter afgebroken zijnde, houden zij op te zijn hetgeen zij waren. "Naar Uw verordeningen blijven alle dingen nog heden staan, want zij zijn alle uw knechten." Ps. 119:91. Gij ziet dus, dat deze vriendschap en vereniging van ondergeschiktheid van de schepselen aan God tot op deze dag niet verbroken is. Maar de rampzalige en ellendige mens alleen heeft zich van deze ondergeschiktheid onttrokken, en heeft deze band van gelukzalige vriendschap verbroken, waar hij in het eerst toe verheven en mee bevoorrecht was.

Gij weet, dat vriendschap bestaat in vereniging van hart en wil, met een gemeenschap van alle goederen: zij maakt twee zozeer tot een, als die wezen kunnen door het samensmelten van hun genegenheden tot één ding, en tot een gezamenlijke medewerking van hun pogingen, om elkaar mee te delen, hetgeen elk heeft; zij neemt het eigendomsrecht weg, en zij maakt een gemeenschap tussen de personen. Nu hoe gelukzalig en gezegend was die vriendschap tussen God en de mens! Hoewel de mens zijn goed zich tot God niet kon uitstrekken, nochtans was zijn ziel met God verenigd door de liefde en het vermaak, en al wat God hem gegeven had bracht hij tot Hem, die de volstrekte Eigenaar was; hij erkende zijn volkomen afhanging van Hem, en hij kende geen recht of eigendom toe aan iets, gelijk ook niet aan zichzelf. En dan aan de andere zijde: de liefde en goedwilligheid van de oneindige God was op de mens gevestigd, en van die Fontein vloeiden al de stromen van gelukzaligheid naar de mens toe, de volheid van God opende zichzelf aan hem, en ontlastte zich in Hem, God daalde zo ver, dat Hij enigerwijze het eigendom van de mens werd, zodat Hij Zichzelf en alles in zich oefende en schikte tot gebruik en troost van de arme mens.

Hoe vrolijk was die vriendschap! Doch de verbreking van die band van de vrede is even droevig en smartelijk. Daar is een beklaaglijke tussenstelling tussen God en ons gekomen, welke deze voorname vrienden al van het begin gescheiden heeft, en dat is de zonde, het zaad van alle tweedracht en vijandschap; deze heeft de band van vriendschap vaneen gescheurd, deze heeft een gehele afkerigheid van de ziel van God gemaakt, en zo’n onverzoenlijke vijandschap in het hart geprent tegen de heilige wil van God, dat er geen mogelijkheid is die weer te verenigen en de oude vriendschap te herstellen, zolang de ziel niet geheel veranderd en omgekeerd is: die eerste schepping is zo verdorven en mismaakt dat er geen verbeteren aan is, voordat er een tweede schepping komt. Het vleselijk hart is niet enkel een vijand, maar de vijandschap zelf; een vijand kan zich weer verzoenen, en de voorwaarden van vrede aannemen, maar de vijandschap kan niet verzoend worden tot vriendschap, zonder dat ze zelf te niet gedaan wordt; de tegenkanting van de harten is zo volkomen, dat de vijandschap zich even ras kan verenigen met de vriendschap, en er één mee worden, als een vleselijk hart zich onder Gods heilige wil kan buigen; datgene hetwelk in het eerst vrijwillig was, is noodzakelijk geworden, en veranderd in de natuur van een ingeborenen afkeer, die door geen kunst kan genezen worden. De val was zo’n scheiding van de ziel van God, dat geen kunst, dan de oneindige wijsheid, en geen sterkte, dan de almachtige kracht, die terecht brengen en weer in de eerste gestalte stellen kan.

Het is waar, daar zijn niet velen, die openlijk en uitdrukkelijk de oorlog verklaren tegen de hemel; het gebeurt niet zo dikwijls, dat iemand durft te verklaren uitdrukkelijk klare gedachten van haat tegen God; daar zijn enige gewone grondbeginselen in al de mensen hun gemoederen gegraveerd, die als getuigen dienen, dat God behoorde bemind, gediend en aangebeden te worden, en dat niets zozeer de begeerten van de ziel waardig is. Nu deze algemene erkentenis bedriegt het meeste deel van de mensen, omdat hun gewetens getuigenis geven, dat ze God behoren lief te hebben, alsof het alleen was, onze plicht te kennen, en die te volbrengen. Wie is er, die zich niet ophoudt met het goede gevoelen van zichzelf, dat zijn hart goed is, en Gode waarachtig en getrouw? Want zegt u: wie zou ik lief hebben, zo ik God niet liefhad; ik was niet waardig dat ik leefde, zo ik God niet lief had. Het is wel, hetgeen u zegt; maar indien gijlieden uw harten kende, zoudt u bevinden, dat ze rugwaarts en van God afgekeerd zijn; en u zoudt u even weinig kunnen behagen met zo’n belijdenis van de waarheid, als de duivel reden heeft, om zichzelf een gelovige te rekenen, omdat hij overtuigd is en ook beleden heeft, dat Christus de Zoon van God is: even weinig als de zoon, welke beloofde in de hof te gaan werken en hij ging niet, grond had om zich te houden voor een gehoorzame zoon. Matth. 21:30. Zo’n belijdenis van plicht zou van de verdoemde geesten wel afgeperst kunnen worden, waarom u dat deksel niet over de snode boosheid van uw naturen behoorde te halen, teneinde goede gedachten van uzelf te verkrijgen. Het is er zo ver vandaan, dat het verschonen of de zonden verkleinen zou, dat zelfs de overtuiging van de grootste verbintenis, om God te beminnen en te gehoorzamen, de grootste verzwaring is van de vijandschap. Ja dit is het, hetwelk het maakt tot de zuiverste boosheid en volmaaktste haat, dat men Gods goedheid wetend, en overtuigd van onze verbintenis en plicht om Hem te dienen en lief te hebben, men evenwel zelfs in het licht van zo’n schijnende waarheid, zijn hart van Hem afkeert, en alle daden van vijandschap tegen Hem uitoefent.

Opdat u dan mag weten, waarin de vijandschap van uw hart bestaat, zal ik die aantonen in drie takken of blijken. Daar is een vijandschap in het verstand, dat het zich niet kan buigen tot het geloven van de waarheid; daar is een vijandschap in de wil, die zich niet kan onderwerpen tot gehoorzaamheid aan Gods heilige bevelen; en dan strekt zich die vijandschap ook uit tot een rebellie tegen de wil van God, geopenbaard in de bedelingen van Zijne Voorzienigheid. Met één woord, het natuurlijk en vleselijk hart is buiten staat van geloof, van gehoorzaamheid, en van onderwerping.

Daar zijn vele waarheden in de Schrift geopenbaard, die de natuurlijke mens niet kan aannemen of erkennen, "want zij zijn hem dwaasheid." 1 Kor. 2:14. Sommige geesten zijn boven anderen verheven, hetzij van nature, hetzij door opvoeding waarin deze weerspannigheid meer blijkbaar zich vertoont: de redetwist in hen tegen de godsdienst, zij willen niet meer geloven, dan daar zij reden voor kunnen geven. Daar is een wijsheid in sommigen, welke de eenvoudigheid en klaarblijkelijkheid van het Evangelie versmaadt, en het voor dwaasheid rekent. Het vleselijk gemoed wil zich alleszins onttrekken van op God te vertrouwen, zonder de zaak te bevatten, wanneer het eens met een inbeelding van wijsheid bezeten is, en daarom, wat zijn er vele oprijzingen van de mens zijn geest tegen Gods volstrekte macht over de schepselen, tegen de verborgenheid van de Heilige Drie-eenheid, tegen Christus’ menswording, en tegen de opstanding van onze lichamen! In deze en dergelijke, heeft de voorgewende wijsheid van de mensen vrijheid genomen, vijandschap te oefenen en tegen God te twisten. Maar gewis, de weerspannigheid en niet-onderwerping aan de waarheid Gods wordt algemener, zelfs bij het gros van de mensen, hoewel op een onvrijmoedige verborgen wijze, betracht. Hoe weinigen geloven hun eigen hopeloze boosheid, hoewel God dat van de mens getuigd heeft! Denkt niet een ieder, dat er iets goeds in zijn natuur overgebleven is, en enig vermogen ten goede? Welk een onmogelijkheid is het, u te overreden, dat het ganse menselijk geslacht onder het vonnis van de eeuwige verdoemenis is? Dat kinderen, die geen goed of kwaad gedaan hebben, eveneens onder datzelfde vonnis liggen? Uw harten rijzen op tegen zulke leringen, alsof het bloedige en wrede vonden waren. Als men u zegt, dat velen zijn geroepen en weinigen uitverkoren; dat het merendeel van de mensen, die de waarheid belijden, op de weg naar de helle wandelen, en dat zij ongetwijfeld daar in zullen vallen; u mag zulke dingen horen, maar u kant zichzelf daar tegen aan, en u wilt niet overreed worden, om ze in uw gemoed in te laten. De harten van de mensen houden de God van de waarheid voor een leugenaar als Hij deze dingen in Zijn Woord spreekt: dat zij verre, zeggen zij, dat dit alles waar zou zijn.

Indien wij ulieden de wet uitleggen, en aantonen, dat het minste ijdel woord, de lichtste gedachte, de kleinste inwendige beweging van het hart de eeuwige ellende verdient, dat toorn doodslag is in Gods ogen, dat te begeren hoererij is, dat gierigheid en liefde tot de wereld afgoderij is, —deze dingen kunt u niet erkennen, noch aannemen; daar zijn zoveel hoge inbeeldingen in uw harten, die zich tegen de kennis Gods verheffen, zo vele gedachten, die opgemonsterd en in slagorde gesteld zijn tegen de heilige waarheden Gods, dat waarlijk geen wapenen van menselijke overreding en onderrichting machtig genoeg zijn, om uw verkeerde begrippen en inbeeldingen, of de redekavelingen van uw hart neer te werpen, noch bekwaam, om die legers van rebellige gedachten te verstrooien, en gevangen te brengen. 2 Kor. 10:4, 5.

De mens zijn verduisterd gemoed is een sterkte, die al de herhaalde en onophoudelijke slagen van het Woord, en de vermenigvuldigingen van gebod op gebod, van regel op regel, niet kunnen bestormen, om er enig waar licht in te doen schijnen.

Het is een duister hol, en pad, zo opgesloten en rondom ingesloten, dat er noch deur noch venster in is; zodat al schijnt de Zon van de gerechtigheid er op en rondom, niet één straal van dat licht kan inkomen in de harten van vele duizenden. De meeste mensen liggen nog verdronken in een zondvloed van onwetendheid ja, ook onder het licht van de dagelijkse prediking. Het is een nacht van dikke duisternis binnen de zielen van de mensen, alsof er geen licht van rondom was. Gewis dit geeft te kennen de hoogte van die vijandschap, en de kracht van de tegenstand; dit gevangenhuis van uw gemoed is waarlijk een sterk kasteel, dat bestand is tegen al het prediker en onderwijzen; en gewis, het zal het uithouden, tot dat de Almachtige kracht het bestormt, en enige ingang in uw zielen open breken, om dat schijnende licht van het Evangelie te ontvangen.

Daarenboven ten tweede, daar is een rebellie van de wil tegen Gods heilige wil geopenbaard in Zijn wet of Woord; zij kan aan de wet Gods niet onderworpen zijn, zij is niet onderworpen, en zij kan het niet zijn, want de vijandschap en afkerigheid is zo diep in de natuur van de wil gezonken, dat zij het lelijkste wangedrocht is, dat in de wereld bestaat. Indien het mismaakte aangezicht van de mens zijn ziel zichtbaar was, o hoe lelijk zou het er uitzien! Welk een walging zoudt u er van hebben! Indien er een schepsel was, hetwelk niets anders doen kon dan zichzelf haten en zijn eigen verderf zoeken, dat was een zeer hatelijk voorwerp, maar haat en vijandschap tegen zichzelf, is in niets zo lelijk en gruwelijk, als dat de wil van een schepsel in tegenkanting gesteld is tegen de heiligen wil van Degene, Die het gemaakt heeft, dit heeft niet veel bewijs nodig, indien u er maar meer op lette. Ziet terug naar de loop van uw wegen, stelt die naast de wil en de geboden van God, en wat bevindt u? Overeenstemming of geen overeenstemming? Neemt een gezicht op de loop van uw genegenheden en hartstochten, en vergelijkt die met de heilige wil van God, en wat vindt u daar? Vriendschap of vijandschap?

Gij kunt de smaad niet goed verduwen, vijanden tegen God genoemd te worden; maar ik bid u, let er op, of er niet een even volmaakte tegenstrijdigheid in uw begeerten, hartstochten, genegenheden en daden tegen de wil van God is, alsof u er openlijk belijdenis van deed? Wat zou u willen doen, indien u voor uzelf beleed Gods vijanden te zijn? Zou u uw vijandschap wel enigerwijze anders kunnen uitlaten, dan door u te onttrekken van het juk van Zijn ongehoorzaamheid, en door af te vallen van die onderdanigheid, die u Hem schuldig bent? Zou u Hem meer kunnen verongelijken, dan door uw harten en wegen tegen Zijn hart en wegen te zetten, te beminnen hetgeen Hij haat, en te haten hetgeen Hij bemint? Want Zijn gelukzalig Wezen kunt u niet beledigen.

Nu let er op, of u zoiets niet dadelijk doet alsof u er openlijk belijdenis van deed? Kunt u zeggen, dat vloeken en zweren, liegen, spotten, toorn, gekijf, nijdigheid, wraak en dergelijke werken van de duisternis, de zaken zijn, die Zijne ziel lief heeft? Komen die met Zijn heilige wil overeen? En nochtans dit zijn bij velen van u verouderde gewoonten, daar uw naturen zo aan gewend zijn; een hebbelijkheid, die u even weinig kunt verlaten, als uzelf haten. Zijn onreinheden, dronkenschap, sabbatschending, gierigheid en liefde tot de wereld Zijn vermaak? En die zijn nochtans het vermaak van velen van u. Wederom, is het niet Zijn wil, dat u zichzelf zoudt reinigen van alle besmetting des vleses en des geestes, en de heiligmaking voleindigen? Is de gerechtigheid niet hetgeen Hij lief heeft? En waarheid in het binnenste? Ziet Hij niet naar een verbroken hart, en acht Hij dat niet een welriekende offerande? Is het niet Zijne koninklijke inzetting en gebod (waarvan niet een jota zal vergaan), dat u zichzelf zoudt verloochenen, uw vijanden liefhebben, vergeven die tegen u misdeden, en Zijn naam altijd in uw harten heiligen, en bijzonder op de heilige sabbatdag? Is het Zijn bevel niet, dat u zou waken tot het gebed, matig en nuchter zijn in het gebruik van de wereld, en wakend Zijne tweede komst tegemoet te zien? Nu, wat is er een tegenstrijdigheid in uw harten en wegen tegen al deze! Richt de wandel van de mensen niet een banier op tegen het Evangelie? Roept ze niet inderdaad zoveel uit, als er met woorden staat uitgedrukt, Ps. 2: "Laat ons Zijn banden verscheuren en Zijne touwen van ons werpen." Al die genoemde plichten zijn u onsmakelijk; u vindt er niets vermakelijks in, maar alleen is uw lust in het slijk van de wereld, in het ongebonden heen lopen naar uw vrijheid en naar uw eigen goedvinden; dat acht u alleen vrijheid te zijn. Och! wanneer zullen uw harten ten onder gebracht worden, en uw genegenheden gevangen worden onder de gehoorzaamheid van Christus? Wanneer zult u aan de waarheid overgegeven zijn, genegen gemaakt om de waarheid van harte te gehoorzamen, en de vorm van de leer en de gezonde woorden te volgen? Rom. 6:7. De sterkste versterking, die de satan in het hart van de mens heeft, is zijn wil en genegenheden; deze houden Christus het allerlangst buiten, totdat Hij die sterker is komt, de sterkgewapende bindt, de vijandschap uitwerpt en alles gevangen neemt tot Zijn liefelijke gehoorzaamheid en gewillige onderwerping. 2 Kor. 10:4, 5.

Ten derde. De vijandschap van de mens zijn ziel wordt geoefend in zijn weerspannigheid tegen de wil van God, geopenbaard in zijn werken, in zijn gebrek van onderdanigheid en onderworpen toestand aan het goede welbehagen des Heeren, zo’n lot in de wereld voor zich te verkiezen. Het is zeker, dat gelijk de wil van God de opperste regel van gerechtigheid is, zij ook de soevereine oorzaak en fontein van alle zaken is; en daarom, hoe oneindig is het schepsel verbonden, zich aan Hem als een Wetgever te onderwerpen, door een vermakelijke en gewillige gehoorzaamheid aan Zijn rechtvaardige en redelijke bevelen, en om zich te onderwerpen aan Hem, als de volstrekte Heerser, door een stille en ootmoedige neerbuiging onder al de bedelingen van Zijne Voorzienigheid.

Nu u weet, zo u enigszins uzelf kent, hoe dwars en vol rebellie uw hart is tegen Zijn welbehagen, waaruit al de murmureringen, knorringen, misnoegdheden, droefenissen, zorgen en beangstheden van de mensen vloeien, als uit de fontein van de weerspannigheid van het hart tegen God. Daar is niets in de gehele schepping, dat oproerig en ontevreden is, dan de mens zijn hart; u ziet de veelvuldige voorbeelden daarvan in de murmureringen van het volk in de woestijn; menigmaal wordt het genoemd: "een verzoeking van de Heere," Exod. 17:2, te kennen gevend, een hoge terging van Zijne heilige majesteit, zonderlinge opwekking en beweegrede, om Zijn volstrekte macht en rechtvaardigheid tegen zulken te betonen; en daarom worden deze dingen menigmaal samengevoegd, Ps. 78:17, 18. "Nog voeren zij wijders voort tegen Hem te zondigen, de Allerhoogsten verbitterden; en zij verzochten God in hun hart"; en vs. 19: "Ja zij spraken tegen God;" waaruit u kunt opmerken en opklimmen bij trappen in de verzwaringen van deze vijandschap: wanneer de mensen reeds een oneindige straf van Zijne hand verdiend hadden, en zij steeds naar binnen mogen zien, en daar een antwoord vinden tegen al de murmureringen van hun hart, als hebbend zo dikwijls tegen Hem gezondigd, dat zij dan nog opstaan tegen Zijn goed welbehagen en morren tegen iets dat van Hem komt. En dit is gewis een hoge terging van de Allerhoogste: het legt een soort van noodzakelijkheid op Hem, om die straffen op te leggen, welke u inderdaad verdient, en dan breekt die inwendige hartbranding tegen God dikwijls uit in woorden tegen die Allerhoogste en Allerheiligste, zo ziet men het vs. 40, 41, 56, 57, "terging," hetwelk de duidelijke uitdrukking is van murmurering, en aan de kant overgezet: "rebellering tegen Hem," en als er vs. 8, een korte beschrijving van hen gegeven wordt, als het merkteken of de letterkeur van zo’n volk wordt uitgedrukt, wordt het aldus gesteld: "een hardnekkig en weerspannig geslacht." En als daarom Paulus, deze beklaaglijke en ellendige gestalte van de ziel aanmerkend, als gekant tegen de altijd gezegende wil van God, en zijn uitzinnigheid en dwaasheid ziet, zo vermaant hij ons: "en murmureert niet, gelijk ook sommigen van hen gemurmureerd hebben, en werden vernield door de verderver; want dit alles is hen overgekomen ons tot voorbeelden." 1 Kor. 10:10,11.

Waarlijk, daar is op zichzelf niets lelijker en snoder, of dat de ziel meer verontrust en bedreigt, of gevaarlijker in de gevolgen, dan zo’n gesteldheid van de ziel, een onvergenoegde gestalte tegen Gods voorzienigheid, hetzij in het goede van ons te weerhouden dat wij begeren, hetzij in datgene te zenden, dat dwars tegen ons humeur is, hetzij ziekte, of gebrek of geringachting, wat het ook zij, daar het hart natuurlijk afkerig van is. Welk aangezicht is gruwelijker en afschuwelijker dan het aangezicht van een grimmig en woedend mens, maar wanneer dat tegen God is, brengt dat oneindig veel toe tot de lelijkheid en snoodheid ervan. Mijn toorn is billijk ontstoken, is het woord van een misnoegde ziel; zij stelt een ingebeelde soevereinheid op tegen de ware soevereinheid van God; zij zet op een voorzienigheid tegen de Voorzienigheid; zij bevestigt een andere Goddelijke macht en wijsheid, en zij vernedert de majesteit, hoogheid en heiligheid Gods zo laag, dat het schepsel daarop treden zou.

En dan is die ziel haar eigen kweller: het is een zonde, die geen straf nodig heeft dan zichzelf, het opstaan en muiten van het hart tegen Gods wil, zet al de krachten van de ziel buiten orde, zij kwelt, pijnigt en verontrust alles. Daar is geen vrede en gerustheid dan in het welbehagen van het hart, in wat Gods hart behaagt. Gelijk Efraïm een ongewend kalf aan het juk was, Jer. 31:18, hoe hij meer wrevelde en achteruit stootte tegen zijn jok, hoe het hem bitterder en smartelijker viel, totdat hij onderwezen was; en toen kreeg hij stilte. Deze zonde vervult de ziel met verschrikkelijke, bedreigende gedachten en zorg; zij eet haar eigen merg en verteert het (gelijk sommigen het zinnebeeld van de nijd maken) hetwelk een bijzondere soort van deze vijandschap is. Verbeeld u een schepsel, dat zijn eigen vocht en merg verslond en verteerde, en zich voedde met zijn eigen verderf. Nu dit is maar een voorspel van hetgeen volgt; deze eigen straf is een voorbode om te zeggen, wat er komen zal, te weten: dat de allerhoogste God Zijne kracht staat uit te laten tegen zo’n mens, en dat Hij hun, Zijn eeuwig misnoegen zal vertonen. Ziet daar is de vrucht van deze vijandschap.

 

21e Predikatie, Rom. 8:7

Daarom dat het bedenken des vleses vijandschap is tegen God; want het onderwerpt zich der wet Gods niet; want het kan ook niet.

Het is niet het minste van de kwaden van de mensen, dat hij niet weet, hoe kwaad hij is. Daarom geeft de Onderzoeker van het hart van de mensen een zeer volmaakte beschrijving daarvan bij Jer. 17:9: "arglistig is het hart meer dan enig ding, ja dodelijk is het, wie zal het kennen?" Twee dingen zijn er in het hart, die zeer hoog klimmen, en grenzen aan het oneindige, namelijk: boosheid en bedrieglijkheid; en waarlijk hetgeen het hart zo hopeloos en dodelijk boos maakt, is zijn bedrieglijkheid; daar zijn zo vele schoonschijnende deksels, om deze boosheid en vijandschap te bemantelen, en zo vele onzichtbare en geestelijke boosheden, dat het geen wonder is, dat ze schuilen en wonen in het hart zonder te worden opgemerkt. De zonde is of bedekt met enig bedrieglijk voorwendsel van iets anders, of ten enenmale de donkere ogen van de mensen, wegens hun tere en geestelijke natuur, ontvliedend. Beide zijn in dit werk: de vijandschap van de mens zijn hart tegen God is zo’n tere zaak in velen, en zo bedekt en verscholen met enige voorwendsels, dat maar weinigen de levende ontdekking en het gevoel daarvan krijgen.

Het is waar, de zonde is zeer grof en tastbaar in de meeste mensen; zichtbaar is zij op hen, hoewel niet zo zichtbaar voor hen. Iemand, van wie de ogen geopend zijn, ziet spoedig het zwarte aangezicht van weerspannigheid in het meeste deel van de mensen hun daden en gewone betrachtingen; gelijk de apostel spreekt, Gal. 5:19: "de werken des vleses zijn openbaar." Waarlijk deze vijandschap tegen God is al te openbaar in de meesten, omdat de krijgswapenen tegen God zo vleselijk en zichtbaar zijn, en uw tegenkanting tegen Zijn heilige wil en wegen zo tastbaar is. Daar wordt door velen een vijandschap geoefend in hun gewone wandel, zijnde zonder God in de wereld en tegen God, gelijk blijkt in alle verouderde en goddeloze gewoonten van liegen, zweren, vloeken, dronkenschap, spotten, schelden, sabbathschending, verzuim van het gebed, en dergelijke; welke op uw voorhoofd dat opschrift dragen: tegen de bekende God, in tegenstelling van dat van de altaar van de Atheners. De God die u voorgeeft te kennen en te dienen, wordt door u dagelijks gelasterd, Zijn Woord gering geacht, en u bent Zijn wil zo ongehoorzaam, alsof u oorlog tegen Hem uitgeroepen had.

Maar daar wordt in sommigen (en ik vrees, in een grote menigte) niet alleen een vijandschap in daden geoefend, maar ook in genegenheden en bitterheden. De vijandschap rijst op tot een rijpheid van boosaardigheid en haat, tegen het beeld van God in al Zijn kinderen. Sommigen zijn niet gewillig naar de hemel te gaan, doch zij kwellen en verontrusten anderen niet op hun reis ten hemel; zij kunnen anderen omtrent hen godsdienstig laten zijn en hebben een ruwe wens en begeerte, dat zij ook zo mochten wezen; maar anderen zijn er, die noch zelf in de hemel willen gaan, noch anderen laten ingaan, gelijk Christus van de Farizeeën spreekt. Matth. 23:13. Zij haten het licht van een ander zijn wandel, omdat hun eigen werken boos zijn, en door dat licht bestraft en veroordeeld worden. Daar staat Openb. 11:10: "De twee profeten pijnigden degenen, die op de aarde wonen." Het is wonderlijk, welk een bedreiging het voor de wereld is, dat de vromen daar in zijn. De godzaligheid is voor velen een hindernis van de ogen, konden zij allen uitroeien, die dat beeld dragen, zij zouden dat zeer vermakelijk achten. Ps. 14. Dit is een openlijke en verklaarde vijandschap tegen de God des Hemels. Nochtans weet ik, dat dit onder het masker van iets anders schuilt; u wendt voor, dat gij alleen de geveinsdheid haat. Helaas! welk een bespotting is dat: goddeloosheid zou geveinsdheid haten! Gewis het is niet omdat het zonde is, maar omdat het nog maar de schaduw van godzaligheid voert; u haat de zaak zo volkomen, dat u ook zelfs het schilderij daarvan niet kunt verdragen.

Bedrieg uzelf niet, de ware oorzaak is, omdat zij met u niet mee lopen tot dezelfde uitgieting van overdadigheid; indien zij wilden liegen, bedriegen, verstrikken, zweren en lasteren gelijk andere mensen, u zou kunnen verdragen, dat zij u tot metgezellen werden, gelijk u anderen daartoe aanneemt; en het grondbeginsel daarvan is: de vijandschap, welke al in het begin geplaatst was. Daar zijn twee zaden, een van Christus en een van de satan, en daarvan is de dodelijk onverzoenlijke vijandschap tussen de twee geslachten.

Maar gelijk ik u zei, deze vijandschap werkt op een fijnere en minder zichtbare wijze in sommigen, en zij wordt overgeschilderd met enige schone verven, om de lelijkheid te verbergen; niet alleen dragen de grovere verdorvenheden van de mensen die indruk van vijandschap, maar neemt slechts het fijnste deel van de mens, neemt zijn verstand, neemt de voortreffelijkheid van zijn verstand, ja zijn wijsheid, nochtans daarin is de vijandschap ingelijfd en mee vermengd; want de "wijsheid van het vlees is vijandschap tegen God," zo kunnen wij het lezen; zelfs de voorzichtigheid en de rede van een natuurlijk mens, die hem ver af doet staan van de gewone besmettingen, en daarentegen gekant doet zijn, ook die heeft in zijn boezem een uitgelezener en fijner vijandschap tegen God; en hoe dat verstand geestelijker en meer gezuiverd is van de grovere verdorvenheden, hoe het werkzamer en krachtiger is tegen God, omdat het als het ware, de rechte geest is van de vijandschap. Gij ziet het 1 Kor. 1, hoe de "wijsheid Gods dwaasheid is voor de wijsheid van de wereld;" en dan wederom, dat " de wijsheid van de wereld de grootste dwaasheid is in de ogen van de alleen wijze God." Mensen die veel natuurlijke voordelen boven anderen bezitten, hebben dit grote nadeel, dat zij verder af zijn dan anderen; zij zijn gereder, om de godzaligheid te verachten als te slechten, zij beschouwen het als een te eenvoudige zaak, om hun natuur daarmee te versieren; gelijk Christus van de rijken zei, mag men ook zeggen van de wijzen, van geleerden, van burgerlijke en onberispelijke mensen, die een schone gedaante voor de wereld hebben: "hoe zwaar is het voor zulken, in het Koninkrijk van de Hemelen in te gaan!" Waarlijk zwaar, want zij moeten naakt uitgeschud worden van hetgeen zij hebben, eer zij door deze enge poort kunnen gaan; zij moeten ontbloot worden van de waan en mening van enige waardigheid of voortreffelijkheid, en zo moeten zij kleiner worden in hun ogen, opdat zij door dit oog van een naald kunnen gaan, zonder verplettering.

De stroom van vijandschap loopt menigmaal als onder de grond, en zij verbergt zich onder enige andere benaming, totdat ze eindelijk openlijk uitbarst. Ik bevind dat ze gewoonlijk loopt door het verborgen kanaal van vriendschap met iets anders, dat tegen God gekant is; zo staat er Jak. 4:4: "De vriendschap der wereld is vijandschap Gods." en 1 Joh. 2:15: "Die de wereld lief heeft, de liefde des Vaders is niet in hem." Daar zijn twee donkere grondbeginselen, die als onder de aarde liggen, en die deze vijandschap tegen God te voorschijn brengen: liefde tot de wereld, en liefde tot onszelf, eigenliefde, en liefde tot het schepsel. Wij kunnen de hemel niet openlijk de oorlog aanzeggen of dit is de naaste weg, zich te voegen of te vergezelschappen met enige partij, die recht strijdig tegen God is; zo is het, dat wij onder het deksel van vriendschap tot onszelf, en van liefde tot de wereld, tegen God oorlogen, en onze eigen zielen verderven.

Ik zeg, vooreerst: vriendschap met de wereld voert vijandschap tegen God in de boezem; en indien u dit niet gelooft, hoort dan de scherpe en stekende vraag van de apostel: "gij overspelers en overspeleressen! Weet u niet, dat de vriendschap der wereld een vijandschap Gods is?" Hij spreekt niet alleen tot personen, die aan die misdaad schuldig zijn, maar tot alle natuurlijke mensen, die aan overspel of hoererij van een geestelijke natuur schuldig zijn, maar die even gruwelijk en meer gevaarlijk is. Daar is een band van bijzondere verbintenis tussen alle mensen en God hun Maker, die hen verbindt om zichzelf, en hun genegenheden en pogingen tot Zijn eer toe te wijden en over te geven; inzonderheid wanneer het Evangelische verbond daar boven toegedaan wordt waarin Christus onze Heere Zich openbaart, als alleen het recht op ons en op onze genegenheden hebbend; om ons gewillig aan Hem over te geven, niet tegenstaande de afstand tussen Hem en ellendige zondaars. Hij komt door Zijne oneindige liefde en wonderbare vernedering, Zich uit liefde overgeven tot de gestalte van een dienstknecht, opdat Hij ons zo zou opnemen, om Zijne kuise bruid te zijn, en ons met Zijn schoonheid te versieren. Het is uw openlijke belijdenis, indien u het recht verstond" "Dat Jezus Christus zal uw liefste zijn, en u de Zijne;" dat u zich zult afscheiden voor Hem, en geen vreemde in Zijn plaats toelaten; dat de keur en het merg van uw blijdschap, liefde en vermaak aan Hem besteed zal worden. Nu deze band van een openlijk betuigde betrekking op die heerlijke Man, wordt snood door de meeste mensen gebroken, door hun genegenheden aan deze snode wereld te koppelen; uw harten zijn tot vreemden afgekeerd, dat is: tot de tegenwoordige vergankelijke dingen, ofschoon het oogmerk van het Evangelie is: "ulieden aan Christus voor te stellen als reine maagden." 2 Kor. 11:2. Waarlijk uw harten zijn andere dingen nahoererend; de liefde van de wereld heeft u afgetrokken, of zij houdt u in ketenen; deze tegenwoordige dingen zijn strikken, netten en banden, gelijk "de handen en het hart van een hoer," Pred. 7:26. Ze zijn krachtige betoveringen over ulieden, die u van een eerwaarde en heerlijke liefde tot een lage snode liefde betoveren.

Och mijn beminden! dat u er op letten wilde, welk een tegenkanting er is tussen de liefde van de wereld en de liefde van de Vader; tussen de vriendschap met hetgeen niets in zich heeft, dan enig tegenwoordig lokaas voor uw bedrieglijke lusten, en de vriendschap met God, uw enige wettige Man. Genegenheid en liefde is iets, dat hervormt en gelijkvormig maakt. De liefde van God zou uw hart zuiveren en op heffen tot een meerdere gelijkenis aan Hem Die u lief hebt, maar de liefde van de wereld maakt het hart van de wereld gelijk, zij maakt er zo’n verachtelijke en onedele zaak van, als de aarde zelf is. Meent u, dat huwelijksliefde gedeeld kan worden? "Mijn liefste is Mijn," daarom is de kerk Christus duive, Zijn tortelduif van wonderlijke kuisheid; zij voegt zich maar tot Één, en na de dood van haar echtgenoot zucht en treurt zij voort, en zit eenzaam. Mijn geliefden! U moet zich onttrekken en losmaken van de liefde tot andere dingen, of u kunt Christus niet liefhebben, en indien u Christus niet lief hebt, kunt u geen vrede hebben met de Vader; en indien u die vrede niet hebt, kunt u geen leven hebben. Dit is de keten van het leven, de eerste schakel begint met het geven van een scheidbrief aan alle vorige liefde en geliefde afgoden; de ziel moet eerst los gemaakt worden in haar begeerte en vermaak; en die schakel moet vast gemaakt worden aan het beminnelijkste en begeerlijkste voorwerp, Christus, de Wens van de volkeren, en dit trekt een andere schakel met zich, te weten: van vrede en leven. Misvat het niet: de godsdienst dient niet om te hinderen, of uw wettige bezigheid in de wereld te benadelen. O neen! Want het zou de kortste weg zijn, om uw wettige bezigheden met meerder gemak voor uw ziel te bevorderen; maar dit is zeker, zij zal u leren de liefde van deze dingen te verwisselen, met een betere en hartvergenoegende liefde.

Ten andere, de liefde tot uzelf is vijandschap van God; gewis dit is de laatste sterkte, die ‘t het langst tegen God uithoudt, wanneer andere neergeworpen of overgegeven zijn. Misschien zal een mens die hiertoe gekomen is, dat hij deze lagere dingen veracht, als beneden zijn natuurlijke waardigheid en de voortreffelijkheid van zijn geest; sommigen kunnen veel verzaakt hebben van die vriendschap met wereldse en tijdelijke dingen, als zijnde laag en verachtelijk; maar de vijandschap gaat in die sterke en onzichtbare toren van duisternis, eigenliefde en hoogmoed; daarom noemt de apostel dit het laatste en voornaamste, "de grootsheid des levens." 1 Joh. 2:26. Wanneer de lust van de ogen en van het vlees enigermate zijn afgenomen, dan is deze lust groeiende; en naar mate gene afneemt, schijnt deze aan te groeien, alsof eigenliefde en hoogmoed zich voedde op de as of vertering van andere fouten; ja zij trekt haar sap van genade en deugden, en zij groeit er door, totdat ze eindelijk doodt, hetgeen haar voedde. En waarlijk, Jacobus schijnt hier toe te komen, als hij ons te binnen brengt, "dat God de hovaardigen wederstaat, en de nederigen genade geeft," Hoofdst. 4:6. Is niet eigenliefde zowel vijandschap, als de liefde tot de wereld, en daarom kant God zich daartegen als een zeer grote vijandschap. Het eigen ik is de grote heer, de opperrebel, het hoofd van al de tegenstand, en waarin zij als in een middelpunt samen komt; en wanneer al de ondersoldaten gevangen of gedood zijn, dan is deze nog het laatst in het veld; zij leeft eerst, en sterft het laatst in de tegenkanting.

Al is een mens van vele dingen afgescheiden, zo kan hij nog wel meer met zichzelf verenigd, en alzo verder van God vervreemd zijn. Van al de vuile vodden van de ouden mens is dit het naast aan de huid, en het wordt het laatst afgelegd. Van al de leden is het eigen ik het hart, dat eerst leeft en laatst sterft: wanneer de vijandschap gedwongen is de uiterlijke leden van het lichaam over te geven, om die te laten gebruiken tot een schone gedaante en burgerlijke wandel; wanneer het verstand gedrongen is enig licht van de waarheid en kennis van het Evangelie aan te nemen, dan trekt de vijandschap tot in het hart terug, en zij versterkt zich te sterker door eigenliefde en zelfachting. Gelijk in de winter de omringende koude maakt dat de innerlijke hitte zich samen voegt in de ingewanden van de aarde, en door dit middel de fonteinen heter doet zijn dan in de zomer; zo is het ook met het omringende licht van het Evangelie, of de opvoeding of natuurlijke oprechtheid, die de hitte en kracht van de vijandschap binnenwaarts drijven, alwaar zij zich temeer versterken. Dit is die vervloekte tegenoverstelling, die gemaakt wordt door de samenkomst van enige voordelen van kennis, burgerlijkheid en dergelijke; het bloed van de vijandschap tegen God loopt naar binnen in het hart, wanneer het door vreze uit de uitwendige mens gejaagd is. Daarom is ‘t het allereerste en fundamenteelste grondbeginsel van het Christendom; "de mens verloochene zichzelf, dan zal hij Mijn discipel zijn;" hij moet een dwaas worden in zijn eigen ogen, hoewel hij wijs is, opdat hij wijs worde. Hij moet een goddeloze worden, hoewel godzalig zijnde, opdat hij door het geloof gerechtvaardigd zou worden. Rom. 4:5. Hij moet zichzelf verzaken, opdat hij zichzelf zou vinden, of een beter ik in een Andere vinden; hij moet "niet te veel honig eten, want dat is niet goed," het zou hem doen zwellen, hoewel het liefelijk is. Spreuk. 25:7. Hij moet naar zijn eigen heerlijkheid geen onderzoek doen, of te veel daar naar omzien, indien hij een volger en vriend van Christus wil zijn.

Ziet, het is zeker, zoveel als u ingenomen bent met uzelf, met de achting of begeerte naar achting van anderen, en zoveel als u met welgevallen op uzelf terug ziet, en inkeert om eigen genoegen en achting te behartigen in hetgeen u doet, zoveel onttrekt u zich, en maakt u los van Jezus Christus. Want dat zijn tegenstrijdige punten: het een is een rechtstreekse beweging naar Christus; het andere is een achterwaartse beweging naar onszelf; en zoveel als wij daarheen bewegen, vorderen wij niet, maar verliezen onze weg, en wij zijn verder van het ware einde. Ezechiëls levende dieren kunnen een zinnebeeld wezen van de beweging van een Christen: "hij keert niet weer"; als hij gaat; hij maakt een rechte lijn naar God toe, waar hij zich ook naar keert; maar de natuur maakt kromme lijnen, zij schijnen voort te gaan in gehoorzaamheid naar God, maar zij hebben een heimelijke, ongeziene terugkeer in hun eigen boezem. En dit is de grootste daad van vijandschap, van God een afgod en van onszelf een god te maken. Wij maken Hem als een 0 voor het cijfer, en wij offeren onszelf. Gods ondeelbare eigenschap van te zijn de Alpha en de Omega, die eigenen wij onszelf op een kerkrovige wijze toe, beide het begin van onze beweging en het einde ervan. Dit is de kromme lijn, buiten welke de natuur zich onmogelijk kan bewegen, totdat er een hogere Geest komt, en "herstelle haar die hinkende was, en haar paden effen make".

Hetgeen er bij gevoegd wordt als een reden, dat verklaart deze vijandschap nog klaarder: "want het onderwerpt zich der wet Gods niet, want het kan ook niet." Waarlijk die twee voornoemde dingen, de vriendschap mot do wereld, en de liefde tot onszelf, trokken de mensen geheel af van de ordentelijke onderwerping, die zij aan de wet Gods schuldig zijn. Orde is de schoonheid van iedere zaak, van natuur en kunst, en van de gehele wereld, en van de verscheidene delen, koning rijken en republieken ervan. Het is in waarheid de rechte schoonheid van de wereld, dat alles in zijn orde onder Hem staat, Die het gemaakt heeft; alleen de ellendige mens heeft deze orde verbroken, en deze schoonheid verdorven; hij kan niet onderworpen zijn... hij kan niet weer komen in die ordelijke stand en ondergeschiktheid, waar hij eens in was. Het is de enige scheur of bres van de schepping, en het is enige andere verbintenis, die hem zo ver buiten orde trekt, de snode liefde tot de wereld, en de ongeregelde liefde tot zichzelf. O die dingen maken zijn hals stijf, zodat zij onder het juk van de gehoorzaamheid niet kan buigen, want deze hebben recht tegenovergestelde einden, en "niemand kan twee heren dienen." Wanneer de bevelen van de grote heer, eigen ik, in opstand komen met de geboden Gods, dan kan hij de wet Gods niet onderworpen zijn; hij mag voor enige tijd in sommige dingen onderwerping veinzen, wanneer de wil van het eigen ik, en de wil van God bevel geven omtrent dezelfde zaak, gelijk het soms gebeurt bij toeval; maar dat is niet dikwijls noch gestadig.

Niet alleen is hij niet onderworpen, maar wat nog erger is: "hij kan de wet Gods niet onderworpen zijn." Dit dient gewis, om de natuurlijke hoogmoed van de mensen neer te worpen, die altijd zich verbeeldt enig overblijfsel van bekwaamheid in zichzelf te hebben. Gij meent steeds uzelf beter te kunnen maken, en wanneer u over zonden beschuldigd en overtuigd bent, dat u het beter zult maken en hervormen, pleegt u die dingen zo ligt te beloven, alsof ze geheel in uw vermogen waren, en alsof u ze alleen uitstelt om voordeel; en waarlijk, het schijnt, dat dit grondbeginsel van zelfgenoegzaamheid op de harten van de mensen gegraveerd is, wanneer zij van dag tot dag hun bekering en het ernstig behartigen van de godsdienst tot enige andere geschiktere gelegenheid uitstellen, alsof het in hun vrijheid stond zich daartoe te begeven, als het hen gelieft. Wanneer u aangeraden en aangedrongen wordt tot enige verbetering, neemt u het zo in handen, gelijk dat volk, Jer. 42:6, zeggende: "naar alles wat de Heere onze God zal zeggen, zullen wij doen," u kunt de hand geven, en u verbinden, om God te dienen even gemakkelijk, als dat volk, Jes. 24:18,19. Maar wij mogen zeggen, och! dat er zo’n hart in u was; maar helaas! zo’n hart is er niet in u, u kunt de Heere niet dienen, want Hij is heilig en jaloers, en u bent niet alleen zwak, — maar zelfs boos.

Ik bid u dan, gelooft dat ene getuigenis, dat God van de mens geeft, ja van het uitgelezenste in de mens, zelfs de wijsheid van een natuurlijk mens: "zij is Gods wet niet onderworpen," en zij kan het niet verbeteren; zij kan haar ook niet onderworpen zijn. Voornemens, pogingen, geloften en verbonden zullen dit niet uitwerken, tot dat de Allerhoogste het hart breekt en buigt. En niet alleen is deze vijandschap tegen de oude wet van de geboden, hebbende een tegenzin daar tegen, als zijn begeerlijkheden dwarsliggend, maar zelfs tegen de nieuwe en levendige wet van de Geest van het leven in Christus.

Hier is uw ellende; u kunt aan de wet niet onderdanig zijn, als gebiedende, om die te gehoorzamen, of als dreigend wegens ongehoorzaamheid eraan; noch aan het Evangelie als belovend, om dat te geloven en aan te nemen. De wet gebiedt, maar uw wet van binnen veroordeelt u; de wet bedreigt en vonnist u met verdoemenis, maar u hebt enig zelfbehagend bedrog en een droom in uw hoofd; u zegent uzelf in uw hart, zelfs als u wandelt naar het goeddunken van uw hart, recht strijdig tegen de wet. Deut 29. Het is vreemd, dat u geen voorgevoel en vreze van de hel hebt; maar dat komt van het zelfbedrog dat in het hart huisvest: "gij zult niet sterven." De eerste daad van vijandschap was niet alleen de overtreding van het gebod, maar het niet geloven van de waarheid van de vloek; en datgene, hetwelk de mens eerst aanmoedigde om te zondigen, dat moedigt u allen aan, om er in te blijven liggen, namelijk een inbeelding van de toorn te ontvlieden. Dit geklank vervult het hart; de satan fluistert in het oor: ga voort, u zult niet sterven! Dus blijkt het, dat het natuurlijk gemoed niet onderworpen kan zijn aan de wet Gods; geen aanrading, geen onderwijzing kan u dit geloof van uw verdoemelijke staat opdringen.

Maar daarenboven, wanneer de vijandschap uit dit kasteel is uitgeslagen, en een ziel waarlijk overtuigd is van haar hopeloze en verloren staat; wanneer het hart neergebracht is tot onderwerping, om dat vreselijke vonnis aan te nemen; ook dan is er nog een andere sterke toren van vijandschap in het hart, die het lang tegen de wapenen van het Evangelie kan uithouden, die, waarvan Paulus gewaagt Rom. 10:3: "Alzo zij de rechtvaardigheid Gods niet kennen, en hun eigen gerechtigheid zoeken op te richten, zo zijn zij der rechtvaardigheid Gods niet onderworpen." Daar is een natuurlijke hoogmoed en hardnekkigheid van het hart, waardoor wij niet kunnen verdragen, dat wij niet iets in onszelf zouden hebben om op te rusten en genoegen in te nemen; en wanneer een ziel niets ziet, kwelt en bedreigt ze zich eerder, als bedroefd zijnde omdat ze geen voedsel of deksel van zich zelf heeft, dat ze zich zou verblijden, en verlustigen in die gerechtigheid Gods, die in Christus geopenbaard is.

O hoe zwaar is het, zo laag te buigen, dat men een ander zijn gerechtigheid aandoet over zijn naakte ziel! En zou men dat noemen onderwerping! Is het niet eerder de verhoging en opheffing van een ziel? Nochtans ten opzichte van de natuurlijke gestalte van onze geest is het een zeer zware zaak, een zelfs veroordeelde zondaar hier onder te doen buigen, dat hij zich om niet laat zalig maken, zonder geld of prijs, door een Anders Zijn rantsoen. Wat al ledige, ijdele, onnutte verzoeningen en voldoeningen willen de mensen uitvinden, liever dan geheel hier op te vertrouwen! Hoe lang willen arme zielen gaan omzwerven, van heuvel tot berg, zoekend enige inklevende hoedanigheden, om zichzelf zo aan te prijzen, en om deze lusthof en paradijs te verlaten, welke hen in Christus geopend is! De zielen zien overal naar toe om hulp, totdat het aan alle kanten feilt; en dan dwingt de noodzakelijkheid, herwaarts te komen. Maar waarlijk als de noodzakelijkheid liefde ingebracht heeft, dan zal de vriendschap de ziel daar houden, wanneer hij eens weet, welk een goed onthaal in Christus te vinden is.

Wat ulieden belangt, die u nog niet gebogen hebt onder het vonnis van de toorn, hoe zult u zich onderwerpen onder de gerechtigheid van God? Maar ik verwonder mij, hoe u zich kunt inbeelden dat dit zo’n zaak is te geloven. Gij zegt altijd in Christus geloofd te hebben, en dat uw hart steeds op Hem is; en dat u het nacht en dag doet. Nu, er is geen ander bewijs nodig, om aan te tonen, dat u ganselijk niet gelooft in het Evangelie, dan dat u niet meer zwaarheid, en tegenkanting tegen uw weerspannige natuur daarin ondervonden hebt. Laat dit ene woord met u gaan, en u overtuigen van uw ongeloof: "het bedenken des vleses is der wet Gods niet onderworpen, want het kan ook niet." Hoe komt u er dan zo gemakkelijk aan? Gewis het moet geveinsd en nagemaakt zijn.

 

22e Predikatie, Rom. 8:8

En die in het vlees zijn, kunnen Gode niet behagen.

Het is een zekere soort van gelukzaligheid voor de mensen, dat ze diegenen behagen, van welke zij afhangen, en van de gunst van wie hun welzijn afhangt; het is geluk voor de knecht zijn meester, voor de hoveling zijn prins te behagen, en zo in het algemeen, wie zij ook zijn, die door onderlinge betrekkingen samen gevoegd zijn en van elkaar afhangen, hetgeen allen vermakelijk maakt is: elkaar te behagen. Nu, gewis al de afhangingen van de schepselen van elkaar, zijn maar schaduwen van de volstrekte afhankelijkheid van de schepselen van de Schepper: want "in Hem leven wij, en bewegen wij ons, en zijn wij." De afhanging van de straal van de zon, of van de stroom van de fontein, is een van de grootste in de natuur, maar alle schepselen hebben een noodzakelijker samenknoping met dit Fonteinwezen, beide in hun wezen en welzijn; zij zijn niets anders dan een afvloeiing van Zijn macht en welbehagen, en gelijk de Psalmist zegt: "Verbergt Hij zijn aangezicht, zij verschrikken, neemt Hij hun adem weg, zij sterven, en keren weder tot stof: zendt Hij Zijn Geest uit, dan worden zij geschapen, en Hij vernieuwt het gelaat des aardrijks." Ps. 104:29,30. Gij kunt dit uitstrekken tot het wezen en welzijn, het geluk en de ellende van de schepselen. Onze zielen, die onze lichamen levend maken, zijn maar Zijn adem, die Hij in het stof inblaast, en weer kan inhalen. als het Hem behaagt. Het leven van onze zielen, de vrede, rust, en het genoegen, is een andere ademing van Zijn Geest, en een andere aanschouwing van Zijn aangezicht; en nadat Hem dat gelieft te onttrekken, of tussen Zijn aangezicht en ons iets tussen te stellen, leven of sterven wij, zijn wij gelukkig of ellendig. Ons wezen of welzijn heeft een noodzakelijkere afhanging van Hem, dan het beeld in de spiegel van het levend aangezicht heeft.

Indien dit zo is, dan is het zeker boven alle dingen in de wereld van het grootste belang, hoe Hem te behagen, en vrede met Hem te hebben, of wij op een goede voet zijn met Hem, in "Wiens hand onze adem is, en bij Wie al onze paden zijn," (Dan. 5:23.) van Wiens aangezicht onze ellende of geluk afhangt. Wij zijn gewis gelukkig, indien wij Hem behagen! Of is er niet aan gelegen, of wij Hem mishagen? Hij alleen heeft volstrekte, onweersprekelijke en algemene macht over ons, over onze zielen en lichamen, gelijk onze Zaligmaker spreekt. Wij mogen verwachten, dat Zijn welbehagen omtrent ons niet zal voldaan zijn, dan in Zijn volheid mee te delen, en Zijn gunst aan ons te openbaren. Inzonderheid, aangezien Gods goedheid zo overvloedig is, dat ze ook tot de goddelozen overvloeit, en zich als uit een overvloeiende overvloed uitlaat, in een rivier van goedheid door de gehele wereld, hoe veel temeer zal ze overvloedig uitlopen tot degenen, in welke Hij een welbehagen heeft! En daarom roept de Psalmist uit, als zijnde reeds vol, zelfs in de hoop en verwachting, dat hij zou barsten, indien hij geen lucht kreeg van verwondering en lofzegging: "o hoe groot is Zijn goed! en hoe dierbaar is Uw goedertierenheid, die Gij weggelegd hebt voor degenen, die U vrezen." Ps. 31:20. Ps. 36:7. Maar aan de andere zijde, hoe onvergelijkelijk is de ellende van degenen, die God niet kunnen behagen, zelfs al behaagden zij voor het tegenwoordige hun zelf en anderen; onenig te zijn met Hem, in Wie zij alleen bestaan, en buiten Wiens gunst niets anders is dan ellende en rampzaligheid. O! Het moet de slechtste en vervloektste staat wezen, die er te bedenken is, in zo’n staat te zijn, om te doen wat zij kunnen, en nochtans niet te behagen Hem, Wie alleen te behagen van het hoogste en enigste aanbelang is. Wat kan er ellendiger gevonden worden dan dat.

Nu, indien u vraagt: wie de zodanigen zijn? De woorden zeggen het klaarblijkelijk, bij wijze van gevolgtrekking uit de vorige leer: "Die in het vlees zijn, kunnen Gode niet behagen." Niet, degenen in welke nog vlees is; want daar zijn overblijfselen van het vlees in de geestelijkste mens zolang hij in dit leven is. Wij kunnen hier tot geen Engelen zuiverheid geraken, hoewel het de poging van iedere Christen behoorde te zijn; maar "die in het vlees zijn," of die "naar het vlees zijn," te kennen gevend, de overheersing ervan, en een algemene slavernij van de natuur aan het vlees; hetwelk inderdaad de staat is van alle mensen, die maar eens geboren zijn, totdat er een wedergeboorte komt door de Geest van Jezus Christus.

De grond hiervan kan uit de voorgaande redenering genomen worden, en die is voornamelijk tweeërlei: I. Omdat zij niet in Jezus Christus zijn, in Wie Zijn ziel een welbehagen heeft. II. Omdat zij hun gedraging niet kunnen schikken en aanstellen naar Zijn welbehagen. Aangezien alle mensen kinderen onder het misnoegen van de allerhoogste God gevallen zijn, door tegen Hem te zondigen, de voorkeur gevend aan het behagen van het vlees en het behagen van de satan, boven het welbehagen van God, zo kan er geen verzoening gevonden worden? Om Hem te bevredigen, geen offerande om Hem te verzoenen, geen rantsoen om Zijn gerechtigheid te voldoen, dan die een offerande voor de zonde: Jezus Christus, de verzoening voor de zonden van de uitverkorene wereld; deze neemt de Vader aan in de naam van de zondaren; en tot een getuigenis van Zijn aanneming, verklaarde Hij het tweemaal door een stem van de hemel, eerst aan de menigte, (Matth. 3:17,) en toen aan de geliefde discipelen; Matth. 17:5.) en op beide tijden; met grote Majesteit en plechtigheid, gelijk het Hem paste, dat "dit Zijn geliefden Zoon is, in Welke Zijn ziel een welbehagen heeft."

Het behaagde God, de stroom van Zijn liefde, na de mens zijn zonde te doen gaan in een ander kanaal, en niet onmiddellijk te lopen tot de ellendige mens; maar Hij wendde de loop van Zijn liefde naar een andere weg, tot Zijn Eigen Zoon, Die Hij tot dat einde verkoren had om de mens te verzoenen en hem in Zijn gunst te brengen, en wanneer Zijn liefde door die weg omloopt, komt ze op het einde tot de arme zondaren, met de grootste kracht. Hij heeft Christus gesteld tot de plaats van ontmoeting met zondaren, en tot de Scheidsman of Middelaar, om Zijn handen op beiden te leggen; en daarom is Hij God, om zijn hand als te leggen op God, en Hij is mens, om Zijn hand te leggen op de mens, om beiden te brengen tot een vreedzame en vriendelijke vereniging.

Nu dan, "al wie in Jezus Christus niet zijn", gelijk gezegd is vs. l, kunnen gewis God niet behagen, laten ze doen wat zij kunnen; omdat God Christus gemaakt heeft tot het Middelpunt, waarin Hij wilde, dat het welbehagen van de zondaar zou samen komen met Zijn welbehagen; en daarom "zonder geloof is het onmogelijk Gode te behagen," Hebr. 11:6. Niet zozeer om de voortreffelijkheid van de daad zelf, als wel om het welbehagend voorwerp—Christus. De liefde van de Vader loops uit in Hem: Zijn gerechtigheid is in Hem voldaan, Zijn liefde heeft een welgevallen in de voortreffelijkheid van Zijn Persoon; Hij vindt in Hem een voorwerp van verlustiging, hetwelk nergens anders is; en Zijn gerechtigheid is voldaan met de genoegzaamheid en waardigheid van Zijn rantsoen, zonder deze weg is er noch voldoening voor de ene, noch voor de andere. Zo dan, wat u ook bent, hoe hoge trap u ook hebt in de wereld, en hoe ook uw stand zij, laat uw natuur nog zo goed, en uw gedraging nog zo zacht en vriendelijk zijn, in alles is er niets dat God kan behagen, of door een voorwerp van liefde, of door een prijs aan de gerechtigheid. U bent onder dat eeuwig mishagen, hetwelk op u vallen en u verpletteren zal. Bergen zullen zo zwaar niet zijn, als Zijn mishagen zal blijken in die grote dag van Zijn toorn. Openb. 6. Ik zeg, u kunt niet ontkomen onder het gewicht van de eeuwige toorn, dat over uw hoofd hangt, tenzij u gevonden wordt in Jezus Christus, die gezegende plaats van vrijheid en toevlucht; — indien u zich niet verzaakt, uzelf en uw naturen, en uw eigen gerechtigheid als drek verloochend hebt, om in Hem gevonden te worden, bekleed met Zijn gerechtigheid en voldoening. Indien het vermaak en welbehagen van uw ziel niet overeen komt en valt in één en dezelve plaats met het vermaak en welbehagen van de Vader, dat is op Zijn welbeminde Zoon, gewis dan is Gods welbehagen nog niet op u gevallen; derhalve, zo u God wilt behagen, neem dan welbehagen in Christus; u kunt Hem geen groter welbehagen doen, dan door in Hem te geloven," Joh. 5:23. Dat is: geef uzelf volstrekt aan Hem over tot zaligheid en heiligmaking.

De andere grond is: "Die in het vlees zijn, kunnen hun geest, hun genegenheden en wegen niet schikken naar Gods welbehagen," omdat hun wijsheid en voortreffelijkheid, die in hen is, vijandschap tegen God is, en zich aan Zijn wet niet kan onderwerpen; daarom kunnen zij Hem niet behagen. Ik verzeker mij, u kunt gemakkelijk, naar binnen ziende, "niet met veel opgraven, maar aan alle die" gelijk de profeet spreekt, (Jer. 2:34), gewaar worden, dat het niet de voorname poging en grote bezigheid is, die u opgenomen hebt, om de Heere te behagen, maar de neiging en het voornaamste van uw oogmerken en pogingen zijn: uzelf, en de mensen te behagen. Dit maakt, dat de arbeid van velen, zelfs in het betrachten van de godsdienst, de Heere mishaagt, omdat zij inderdaad Zijn welbehagen niet behartigen, maar hun eigen en een ander zijn genoegen; hetgeen zij doen in deze, is maar om zich Daar de gewoonte van de tijd, of naar de bevelen van de mensen, of naar hun eigenzinnigheid te schikken. Doch dit alles moet verfoeilijk voor God zijn. Gewis, "hetgeen hoog is onder de mensen, is een gruwel voor God," gelijk onze Zaligmaker spreekt, zelfs van de gerechtigheid en beleden godzaligheid van de Farizeeën, Luc. 16:15. Hoe meer u zichzelf en de wereld behaagt, hoe verder u bent van God te behagen.

Het rechte begin van Gode te behagen, is: wanneer een ziel zichzelf begint te mishagen, en een gruwel te hebben van zijn walgelijkheid; daarom staat er: "Ik zal zien op de nederige en verslagene van geest, en bij hem zal Ik wonen, en zulke offeranden behagen God," Jes. 66:2. Ps. 51:19, God begint niet behagelijk en beminnelijk aan de ziel te worden", voordat zij de liefde tot zichzelf beginnen te verlaten, en walgelijk te worden in hun eigen ogen. Daarom kunt u dit van uzelf besluiten, dat God "aan velen van ulieden geen welbehagen" heeft, al bent u allen in Christus gedoopt," en "eet van dezelfde geestelijke spijs, en drinkt van dezelfde geestelijke drank;" al hebt u allen de kerkelijke voorrechten, nochtans heeft God in velen van ulieden geen behagen," gelijk er staat, 1 Kor. 10:2—5. Niet alleen, omdat die werken van het vlees, regelrecht tegen Zijn wil gekant zijn, zo als: hoererij, murmurering en misnoegdheid over Gods handeling, vloeken en zweren, liegen, dronkenschap, toorn, boosheid, gekijf en tweedracht en dergelijke, die even overvloedig onder ulieden zijn, als bij dat oude volk, maar zelfs, omdat de natuur van diegenen onder u, die vrij konden zijn van grove tegenkanting tegen Zijn heilige wil, het zaad van al die vijandschap in zich heeft, en zij de vijandschap op een bedektere wijze beoefenen. U bent met uzelf ingenomen, uw voorname poging is, mensen te behagen; u hebt uzelf niet tot deze betrachting begeven, dat u zich met Gods welbehagen zoudt voegen, derhalve, kent uw vreselijken staat: "gij kunt Gode niet behagen," buiten Wiens gunst en welbehagen u noodzakelijk eeuwiglijk in uzelf misnoegd en gepijnigd moet zijn. Gewis, al behaagt u nu zichzelf, de dag zal komen, dat u zichzelf zult tegenstaan, en alle mensen u tegen zullen zijn, en u zult niemand behagen, gelijk gesproken wordt als van een straf van de Joden, 1 Thess. 2:15. Zelfs in dit leven gebeurt het wel aan sommigen, dat vele goddelozen recht tegen zichzelf gekant zijn; alle mensen zijn tegen hen; zij zijn gelijk Ezau, hun handen is tegen allen, en allen zijn tegen hen; ja hun eigen gewetens kwellen hen gedurig, hetwelk de vrucht is van die fundamentele tweedracht en vijandschap tussen de mensen en God; en indien u het nu niet bevindt, u zult het hiernamaals ondervinden.

Maar wat ulieden betreft, die in Christus Jezus zijn, die een mishagen hebt aan uzelf, en gevloden bent tot de Geliefde, in Wie de Vader een welbehagen heeft, om Gods mishagen te ontgaan; tot dezulken zeg ik: God heeft aan uw personen een welgevallen in Christus, en dit zal de weg en plaats maken voor de aanneming van uw zwakke en onvolmaakte verrichtingen; hetwelk het fondament is van uw vrede en aanneming, en u kunt en moet het zo opvatten, het zal u veel vrede geven, als u in uzelf geen behagen kunt nemen. Maar dit wil ik u belasten, dat gelijk gijlieden door het geloof een welbehagen in Christus hebt, u ook voorts het tot uw werk maakt, om waardiglijk den Heere te wandelen in alle welbehagelijkheid, vrucht dragend in alle goede werken, en opwassend in de kennis Gods," Col. 1:10. Dit is hetgeen waartoe u geroepen bent, tot zo’n weg, opdat u zich Zijn wil en welbehagen gelijkvormig zoudt maken.

Indien u Hem lief hebt, kunt u niet anders dan uzelf zo te schikken, opdat Hij een welbehagen daarin zou nemen. Hoe nauwkeurig neemt de liefde dat waar, wat aangenaam zal wezen aan de beminden! Liefde is onophoudelijk arbeidend om te behagen, en zeer vrezend te mishagen. Enoch had een wijde en eerwaardige getuigenis, zo als nooit een mens gehad heeft, dat "hij Gode behaagde," Hebr. 11:5. Ik bid u, wees op een heilige wijze hier omtrent eerzuchtig: tracht Zijn wil te weten, opdat u die zoudt goedkeuren en proeven, opdat u die goede en welbehaaglijke wil van God doen zoudt. Zijn welbehagen moet uw regel en wet zijn, waarnaar al wat binnen u is, zich voegt. Hoewel u een juiste gemeenschap en overeenstemming met Zijn welbehagen niet kunt bereiken, en in vele dingen zult struikelen, nochtans zal de besliste keuze en studie van uw hart zijn: "hoe u Hem zult behagen," en voor zover als u Hem niet kunt behagen, zult u een mishagen aan uzelf hebben. Maar dan wil ik u ook raden, voor zover u mishagen aan uzelf hebt, en u God niet behaagt, neem evenzeer behagen in Christus, Die een welaangename offerande en zoenoffer is; en dat zal God evenzeer behagen, als uw gehoorzaamheid Hem kon behagen, of uw ongehoorzaamheid Hem kan mishagen. Hem zij lof en heerlijkheid!

 

23e Predikatie, Rom. 8:9

Doch gijlieden zijt niet in het vlees, maar in den Geest, zo anders de Geest Gods in u woont. Maar zo iemand den Geest van Christus niet heeft, die komt Hem niet toe.

De toepassing van het Woord is het leven zelf van het Woord; immers het is een noodzakelijke voorwaarde tot de levendige werking ervan. De toepassing van het Woord op de harten van de toehoorders door de prediking, en de toepassing van uw harten wederom op het Woord door meditatie, die twee, als zij samen komen en op elkaar slaan, zullen vuur geven. Paulus spreekt van "het woord der waarheid recht te snijden," 2 Tim. 2:15. Niet van die gewone wijze om het in deeltjes te snijden door veelvuldige verdelingen, welke ik oordeel, dat dikwijls maakt, dat het Woord veel van zijn kracht verliest, welke bestaat in vereniging; hoewel sommigen daar welgevallen in hebben, en menen dat het nuttig is; nochtans zie ik niet, dat dit de apostolische wijze was, dat zij zelf het zo predikten, of het aan anderen zo aanprezen; maar veeleer verstaat de apostel de dadelijke uitlegging van het zielenvoedsel naar de mensen hun onderscheiden toestanden; gelijk het de plicht is van een uitdeler, getrouw en wijs daar in te zijn, opdat hij een ieder zijn deel geeft. En gelijk het de herder zijn plicht is, zo het Woord Gods aan u uit te delen, zo is het ook uw plicht, het tot uzelf thuis te brengen, zonder welke toepassing de vorige rechte uitdeling van het Woord, uw zielen niet voeden zal. Indien elk niet werkt omtrent zichzelf gelijk een herder, kan het geen nut doen.

Nu de rechte toepassing van het Woord tot de zielen, is het gewichtigste deel van de prediking, en het is ook het moeilijkste punt van het horen, waarin veel genegenheid en veel besturing nodig is, eensdeels om er ernstig en vlijtig-, anderdeels om er wijs en voorzichtig in te zijn. Zonder gevoeglijke genegenheid zal het Woord niet in de ziel zelf keren, om die te voeden; evenmin als de maag de spijs kan verteren, die geen passend hitte heeft, evenzo zal zonder wijsheid en goed onderscheid te maken, en ons eigen deel te kiezen, de prediking geen bekwaam voedsel geven, maar het zal de humeuren en overtolligheden vermeerderen, of het zal onze geest ongesteld maken.

Hetgeen waar ik in deze woorden op zie, is de voorzichtigheid en bescheidenheid van deze wijze Uitdeler in Gods huis. Nadat hij de ellendige en rampzalige staat van degenen, die in het vlees zijn, heeft voor ogen gesteld, hoe hun naturen niet anders dan vijandschap kunnen uitwerken tegen God; hoe hun einde de dood en het verderf is, voegt hij er op de bekwame tijd een gevoeglijke toepassing en moedgeving voor de gelovigen bij: "Doch gijlieden zijt niet in het vlees," enz., omdat er niemand zo gevoelig is van die verdorvenheid, die in het hart woont, als degenen, die ten dele vernieuwd zijn; gelijk pijn allergevoeligst is voor een gezond lichaam, en gelijk de overvloed van het licht een wijdere ontdekking maakt, van hetgeen in het huis ongeschikt en bevlekt is. Daarom zijn de zodanigen op het horen van de vervloekte staat van de mensen in de natuur, en van hun natuurlijke weerspannigheid tegen God, en van Gods mishagen tegen hen, allergereedst, om zulke dingen zichzelf toe te passen, tot verzwakking van hun handen en bedroeving van hun harten, gelijk de oprechthartige discipelen gereder waren, om de beschuldiging, van Christus te zullen verraden, ter harte te nemen, dan de valshartige Judas. Daarom komt de apostel zo’n misbruik van de leer voor, door toepassing te maken van het betere deel van de Romeinen: maar wat ulieden aangaat: "gijlieden zijt niet in het vlees," enz.

Inderdaad, het zelfonderzoek is nodig, het is, gelijk het kauwen van de spijs, eer zij in de maag gezonden wordt, zo nodig moet het onderzoek gaan voor een rechte toepassing. Ik wenste dat een ieder van ulieden wilde opmerken, hoe dit levende Woord u betreft; want het is de grondoorzaak van al onze onvruchtbaarheid, dat niemand op zichzelf toepast, hetgeen gesproken is tot allen, opdat een ieder zou spreken tot zichzelf, en zijn eigen hart afvragen; hoe raakt mij dat? wat voor deel heb ik aan dit Woord?

Wat ulieden betreft, die de Heere aan dit onderzoek van uzelf gesteld heeft, Hij heeft u eens doen bevinden, dar u op de zwarte rol des verderfs staat en onder het gevaar ligt van het eeuwig gewicht van Gods gramschap, en daarna aan uw zielen een weg getoond om vrede te maken met God, en een plaats van toevlucht in Jezus Christus, welke plaats soms uw hart verkwikt en verlicht heeft; alleen bekwaa