De vernedering des harten

voorgesteld in twaalf boet-predikatiën

gedaan bij verschillende plechtige gelegenheden

door

Mr. Hugo Binning

in zijn leven dienaar van het Evangelie te Goven in Schotland

uit het Engels vertaald door Jan Ross

 

Inhoud

 

Voorrede van de drukkers aan de heilzoekende lezer *

Een verhandeling over Spr. 27:1 *

1e predikatie *

2e predikatie over Spr. 27:1 *

Een verhandeling over Jes. 1:10,11 *

Een verhandeling over Jes. 1:16,17 *

1e predikatie *

2e predikatie over Jes. 1:16,17 *

Een verhandeling over Jes. 26:3 *

1e predikatie *

2e predikatie over Jes. 26:3 *

Een verhandeling over Jes. 59:20 *

Een verhandeling over Jes. 64:6,7 *

1e predikatie *

2e predikatie over Jes. 64:6,7 *

3e predikatie over Jes. 64:6,7 *

4e predikatie over Jes. 64:6,7 *

 

 

Jer. 4:14.

Was uw hart van boosheid, o Jeruzalem! opdat gij behouden wordt; hoe lang zult gij de gedachten uwer ijdelheid in het binnenste van u laten vernachten?

Voorrede van de drukkers aan de heilzoekende lezer

Het is de grote plicht van alle mensen, om hun tijd hier op de wereld, alle dagen goed te besteden tot eer van God, en tot wezenlijk profijt van hun eigen zielen, als ook van hun naasten. De heilige apostel vermaant ons allen, Ef. 5:15,16. Ziet dan, hoe gij voorzichtiglijk wandelt, niet als onwijzen, maar als wijzen; de tijd uitkopende dewijl de dagen boos zijn. Het is zeker, dat wij deze vermaning van de apostel niet te algemeen of te wijd kunnen uitbreiden over onze ganse leeftijd hier op aarde. En over ieder uur ervan, om die gehele tijd gedurig uit te kopen, en die goed en wijselijk voor de Heere, alsmede voor onszelf en anderen te besteden. O! Of de mensen in de wereld eens wisten, wat een bovenmate kostelijk goed de tijd is, en wat een groot gewicht er hangt, aan het recht gebruiken ervan, zij zouden daar zeker als wijze kooplieden mee zoeken om te gaan en te handelen, en ieder uurtje daarvan op zijn rechte prijs stellen, en het niet graag beneden de waarde voor iets, dat kwaads of ijdel is overgeven. Laat ons, beminde lezer, bij deze nuttige en noodzakelijke materie van het uitkopen van de tijd met onze aandacht eens een weinig stil staan; en indien het immers wezen kan, zoekt toch eens een weinig tijd hiertoe uit te kopen en af te zonderen, eer u zich nog begeeft om deze predikatiën in te zien, teneinde om uw harten te brengen bij deze vermaning van de apostel.

A. Bedenkt eens met ernst bij uzelf, wat een uitmuntende en kostelijke zegen van God de tijd is, die ons dagelijks door Zijn milde goedertierenheid hier op de wereld, vergund wordt te leven. De mensen zijn doorgaans gewoon, zeer weinig prijs en achting te stellen op een waar, daar zij alle dagen door Gods genadige hand zo rijkelijk van voorzien worden. Maar dat komt, omdat zij vanwege hun geestelijke blindheid en de rampzalige bedriegerij van de satan, de rechte waardij daarvan nog nooit hebben leren kennen. Velen hebben het helaas! al te laat geleerd: wanneer zij hun kostelijke en langdurige leeftijd hier op de wereld alleen in zonden en ijdelheid verkwist hadden; en nu op het uiterste van hun leven eerst deze haar schrikkelijke dwaasheid gewaar werden, en met de grootste droefheid en benauwdheid van het hart bevonden, hoe onbereid zij nog waren om te sterven, en om te staan voor de Zoon des mensen. Wat meent u dat die ongelukkigen in een ure des doods niet wel graag wilden besteed hebben, voor nog een weinig langer tijd leven? Denkt u dat zij ook nog iets te kostelijk daar voor gehad zouden hebben, onder alle hun aardse bezittingen? Neen geenszins; huid voor huid, en al wat iemand heeft, zal hij geven voor zijn leven, wist ook de duivel wel te zeggen, Job 11:4. Hoe graag zou immers die rijke dwaas al zijn velden en schuren vol koren aan god niet wel geboden hebben, voor nog een korte tijd leven hier op de wereld, wanneer die stem zo onverwacht tot hem kwam, gij dwaas, in deze nacht zal men uw ziel van u afeisen? Luk. 12:20. Maar wat is het niet droevig, dat men de uitnemende kostelijkheid van de tijd dan eerst leert kennen, als het voor ons te laat is om met die kennis enig voordeel te doen?
Hoe veel beter doet die mens niet, die zijn tijd enigszins recht weet te waarderen en te achten, terwijl hij die heeft? Anders handelt men eveneens als een, die al zijn goed tot de laatste duit toe in weinige jaren onbezonnen en wellustig heeft doorgebracht; en die dan eerst begint te bemerken, wat een kostelijke goederen en middelen hij gehad heeft, als hij het alles kwijt is: wat zal hem die wetenschap nu baten, anders dan dat zij zijn droevig berouw en smarten maar zoveel temeer moet verzwaren, en hem zijn tegenwoordig gebrek en ellende te ondraaglijker maken? Daarom, beminde lezer, wacht uzelf toch door de genade Gods, voor deze grote dwaasheid; en leert het voordeel en de kostelijkheid van uw leeftijd kennen, terwijl u die door de oneindige genade en goedertierenheid des Heeren, nog in overvloed dagelijks mag genieten, zonder nochtans te weten, hoe lang of hoe kort deze barmhartigheid Gods over u zal duren. Handelt hier toch als wijze kooplieden, die hun waren achten en voor de meeste prijs zoeken te verkopen, eer die hen onder de hand bederven of anderszins ontroofd worden. Tot dat einde overweegt wel ernstig bij uzelf, wat een groot nut en voordeel u met uw tijd kon doen, indien u die door Gods genade dagelijks goed weet aan te leggen en te besteden.

1. Wat kon u met het goed gebruiken van uw tijd niet al een groot voordeel doen, om de dienst en eer Gods hier op de wereld te bevorderen, in uw eigen beroep en standplaats, daar in u de Heere gesteld heeft? Wij vinden de ware kerk in de Heilige Schrift bij een hof vergeleken, daar in allerlei bomen geplant staan. Ieder lidmaat van de kerk is als een boom die wast in deze hof. Maar nu weten wij, dat alle bomen niet evenveel vrucht dragen, en niet evenveel voordeel opbrengen voor hun bezitter. Zo brengen ook alle leden van de kerk niet evenveel voordeel voor de Heere op, en dragen voor Hem niet evenveel vrucht; maar de ene geeft meer, de ander minder; en ene ander geeft helemaal niets, maar is geheel onvruchtbaar. Waar komt dat nu anders vandaan, als omdat de een zijn tijd en middelen door genade meer weet in acht te nemen, en tot eer van zijn God te besteden, dan de andere, die zijn tijd en middelen meer verzuimt en verwaarloost? Waarom zijn sommige christenen zulke uitstekende lichten in de kerk geweest, en hebben hier op de wereld zoveel dienst aan de Heere en aan Zijn waarheid en koninkrijk gedaan, anders als omdat zij hun tijd en middelen voor de Heere alle dagen goed hebben gezocht te besteden, en hun talenten gedurig op winst en woeker voor hun grote Meester hebben zoeken aan te leggen? Hadden zij haar kostelijke tijd, gelijk als zo velen helaas! onder ons doen, in enkel ijdelheid doorgebracht; en hun middelen en talenten ook zo schandelijk en ontrouw als dezen verwaarloost, zij zouden ook niet meer gedaan hebben tot bevordering van de dienst en eer van God; zij zouden als dwaze kooplieden, al die uitstekende winst en voordeel verloren hebben, die de Heere nu op zo een bijzondere wijze van hen getrokken heeft. En ach! of de mensen eens wisten, wat het is, de dienst en de eer van God op de wereld te helpen bevorderen: hoe waardig de Heere is door hen alleszins geprezen en verheerlijkt te worden. Dit is immers het ganse einde waartoe zij van God hier op de wereld gesteld zijn; want de Heere heeft alles gewerkt om Zijn Zelfs wille: ja ook de goddeloze tot de dag des kwaads, Spreuk. 16:4. Hij is onze grote Schepper, onze Koning en Onderhouder. Wij zijn, of hebben immers niets, dan alleen uit de onuitputtelijke fontein van Zijn grondeloze macht en goedertierenheid, die aan ons, nietige aardwormen ieder ogenblik het leven, en de adem en alle dingen geeft, Hand. 17:25. Wanneer hij maar eens voor een moment Zijn hand van ons aftrok, zo zouden wij immers aanstonds ons gehele wezen en bestaan, en alles voor eeuwig verliezen, en wederom een enkel niet worden, gelijk wij voor deze waren. Ja Hij is ook onze grote Heiland en Verlosser, indien wij Hem door onze ongelovigheid anders maar niet verwerpen, Die ons door Zijn eniggeboren Zoon, naar de onuitsprekelijke rijkdom van Zijn genade uit het onderste van de helle en van de eeuwige verdoemenis, en uit de macht van de zonde en van de satan wederom heeft komen verlossen, en ons tot Zijn kinderen en tot erfgenamen van het eeuwige leven gemaakt heeft. Hij is ons een God van volkomen zaligheid, Ps. 68:21. Wanneer wij Hem daar voor maar in waarheid houden en erkennen willen. Hij is ons Licht en Leven, onze Zon en schild, onze Vrede en Troost, ons Heil en Sterkte, onze Rotsteen en ons enig Al; en buiten Hem is er niets in hemel of op aarde, dat ons enig goed of hulp of voordeel kan aanbrengen, omdat alles niets is zonder Hem. O, wat moest die grote en zalige God, die enige Bron van alle volmaaktheid en goedheid, dan niet van ons nietige aardwormen, zonder ophouden in al ons doen en laten geprezen en verheerlijkt worden! Hoe moest niet ons gehele leven en al onze werkzaamheid, al onze troost en vreugde daarin alleen bestaan! Met wat een onverzadelijke lust en ijver moesten wij in dat zalige werk niet gedurig bezig zijn, en al de krachten van onze zielen en lichamen alleen en gedurig, daarin werkzaam houden zonder moe of mat te worden! Niets kan er immers rechtvaardiger of betamelijker zijn, niets verstandiger, niets uitgelezener, niets voordeliger of heilzamer voor onszelf, dan God onze grote Schepper en Koning en Verlosser, Die ons zo duur gekocht heeft, steeds te verheerlijken in ons lichaam en in onze geest, welke Godes zijn, 1 Cor. 6:20. Wij moesten gedurig immers alles voor Hem zijn, en niets voor onszelf of voor een ander. Wij moesten nooit zelfs een gedachten in ons hart opnemen, anders als tot Zijn lof en heerlijkheid. Hetzij dan dat gijlieden eet, hetzij dat gij drinkt, hetzij dat gij iets anders doet, doet het al ter eer Gods, 1 Cor. 10:31. Dit volk, zegt de Heere van ons, heb ik Mij geformeerd; zij zullen Mijn lof vertellen. Jes. 43:21. En ziet eens o mens, wat een schone gelegenheid, middelen en genade u daartoe hebt in uw leven, indien u uw kostelijke tijd aan dat zo heerlijke en noodzakelijke werk maar alleen wilde besteden. Wat zoudt u, als dit uw enigste hartelust en begeerte was, door de gedurige ondersteuning van de Geest der genade en der heerlijkheid, niet al veel kunnen doen om uw grote God en Schepper hier op de wereld te verheerlijken, Zijn lof en deugden te verkondigen, Zijn waarheid te verbreiden, en Zijn dienst en koninkrijk onder de mensen alleszins te bevorderen? O! Hoe goed zoudt u uw tijd dan niet dagelijks besteden. Hoe nuttig zoudt u dat kostelijke pand dan niet aanleggen, in het betrachten van zo’n zalig en heerlijk werk! Zo doen die verheerlijkte zielen van de gelukzaligen in de hemel; die besteden alle hun tijd (zo men hen die in de eeuwigheid wonen, een tijd mag toeschrijven) enig en geheel aan dit grote werk, zonder immer een minuutje daarvan te laten verloren gaan; zij hebben geen rust dag en nacht, zeggende, heilig, heilig, heilig, is de Heere God, de almachtige, Openb. 4:8. Hetgeen dezen in de hemel doen en in de zalige eeuwigheid, dat moeten wij immers in gemeenschap met hen door dezelfde Geest Gods, ook reeds arbeiden te doen hier op de aarde en in de tijd, teneinde op dat de alleswaardige Jehovah zo beide in de hemelen op de aarde, van Zijn schepselen verheerlijkt wordt. Gelijk dit van de hemelingen gelukzaligheid is boven in de hemel, zo moet dat ook onze gelukzaligheid zijn hier beneden op de aarde, daar zij de eeuwigheid toe besteden, daar moeten wij de tijd toe besteden. Met wat een grote en onuitsprekelijke voorrechten God Zijn kinderen ook begunstigd in de hemel, en hoe volmaakt haar gelukzaligheid daar ook is door Zijn genade, zo genieten wij arme stervelingen nochtans dit zonderlinge voorrecht boven hen, dat wij de Heere onze God hier beneden op de wereld en in de tijd onder de mensen mogen verheerlijken. Als onze tijd hier verlopen is, dan houdt ook dit ons voorrecht op, gelijk die vrome koning Hiskia eens zeide, want het graf zal U niet loven; de dood zal U niet prijzen; die in de kuil neerdalen zullen op Uw waarheid niet hopen, de levende, de levende die zal U loven. Gelijk ik heden doe, Jes. 38:18,19. Ach of een ieder die dit leest, deze grote zaak eens recht mocht overdenken, en daar met zijn gemoed door de genade Gods eens aandachtig bij mocht stilstaan, om daar de uitnemende kostelijkheid van de tijd te leren bemerken, die wij aan zo’n onbegrijpelijk zalig en heerlijk werk konden besteden, indien wij daar maar ware lust en begeerte toe hebben.

2. Bedenkt ook o mens, wat een onuitsprekelijk voordeel u met uw tijd kon doen voor uzelf, indien u die door Gods genade steeds wilt uitkopen, en omzichtig besteden tot bevordering van uw eigen tijdelijke en eeuwige welstand, naar ziel en lichaam.

In opzicht van uw aardse en lichamelijke welstand is immers het dagelijks goed besteden en aanleggen van uw tijd in de dingen van uw beroep het rechte middel, waardoor de Heere u Zijn tijdelijke zegen wil toeschikken, dat u zichzelf en uw huisgezin met eer mag onderhouden. Het is een van de voornaamste zaken die ons aangaan, dat wij in ieder week naar des Heeren heilige ordinantie zes dagen vlijtig arbeiden in dat werk of beroep, daar Zijn voorzienigheid ons in gesteld heeft. Indien wij nu van ons beroep en aardse bezigheid, gelijk het de christenen betaamt, geweten maken voor God, en de tijd daaraan behoorlijk besteden zonder verzuim; wat zullen wij onszelf en ons huisgezin onder Gods genadige zegen daar niet al een voordeel mee aanbrengen! Wij zullen al onze zaken binnen en buiten ‘s huis in goede welstand en orde houden; wij zullen dagelijks met lust onze bezigheden waarnemen; ons voedsel en deksel, zoveel wij van node hebben, voor ons en voor ons huis vinden; en wij zullen met een kinderlijk vertrouwen op de verdere zegen des Heeren onze God mogen wachten, want de hand des vlijtigen maakt rijk, Spr. 10:4. Die naarstige en deugdzame huisvrouw, daar Salomo van spreekt, die geen tijd in haar beroep en in de bezorging van haar huisgezin liet verloren gaan, denkt aan een akker, en krijgt hem. Van de vrucht van haar handen plant zij een wijngaard. Zij breidt haar handpalmen uit tot de ellendigen, en zij steekt haar handen uit tot de nooddruftigen, om die van hun overvloed te helpen. Zij vreest voor haar huls niet vanwege de sneeuw; want haar ganse huis is met dubbele klederen gekleed, Spr. 31:16,20,21. Vanwaar kwam haar deze grote zegen en welvaart, dan alleen van des Heeren goedertierenheid door middel van het vlijtig in acht nemen en besteden van haar tijd, alle dagen aan de zaken van haar huiselijke bezigheid? Daarentegen van waar komt het, dat het met velen hun zaken in de wereld zo ten achteren gaat, dat er in de huisgezinnen zoveel wanorde, gebrek en ongelegenheid dikwijls gevonden wordt; dat men zijn naasten menigmaal zozeer tot een last is; anders als omdat men zijn kostelijke tijd dagelijks zo onnut verspilt in luie ledigheid en allerhande ijdelheid, latende zo menige schone ure van de dag verloren gaan in ijdel klappen en andere snode tijdsverkwisting; daar men die met naarstigheid kon besteedt hebben aan enig nuttig werk of handenarbeid binnen of buitens huis. Is het dan wel wonder, dat het met onze zaken dagelijks zozeer verloopt en achteruit gaat? Of heeft de Heere Zijn zegen ook elders aan de luiaard, of aan de onnutte tijdverkwister belooft! Zegt niet de wijze koning, ik ging voorbij de akker eens luiaards, en voorbij de wijngaard van een verstandeloos mens, en ziet hij was geheel opgeschoten van distelen; zijn gedaante was met netelen bedekt, en zijn stenen scheidsmuur was opgebroken? Spr. 24:30,31. Vanwaar kwam die verwoesting en dat groot verval? Immers alleen omdat die mens zijn tijd niet getrouw in acht genomen, en niet alle dagen naarstig in het werk van zijn akker en wijngaard besteedt, maar die gewoonlijk in ledige ijdelheid onnut verkwist had. Ziet dan, o! mens, wat een kostelijk goed de tijd is, omdat u die in uw verordineerde bezigheid zorgvuldig bestedende, daardoor zoveel goed voor uzelf en uw huis verkrijgen kunt, dat u niet alleen steeds alle dingen bij u onder de zegen des Heeren in goede orde mag vinden; maar ook met vreugde dagelijks uw eigen brood mag eten, en ook zelfs nog hebt mee te delen degene die nood heeft, Ef. 4:28. Of zou iemand dit ook een kleine zaak achten, die daar raakt onze tijdelijke welstand hier op aarde, welke de Heere wil dat wij in behoorlijke orde ook alleszins zullen zoeken en ter harte nemen?

Nochtans is het evenwel maar weinig en gering, in vergelijking van het grote geestelijk voordeel, dat wij onszelf met het goed aanleggen en besteden van onze tijd door Gods genade dagelijks doen kunnen. O! Wat kunnen wij onszelf daarmee niet al schone en onwaardeerbare schatten vergaderen, indien wij anders wijze kooplieden zijn: schatten die oneindig overtreffen alle aardse goederen, en van welke het allerminste veel uitnemender is, dan de beste kronen en koninkrijken van deze wereld. (1) Indien wij onze tijd en middelen en de genade van God die ons verschenen is, goed willen gebruiken en aanleggen, wat kunnen wij dan voor onszelf niet al een schat vergaderen van hemelse wijsheid? Wij zien wat een natuurlijke wijsheid en wetenschap de lieden van deze wereld voor zich niet al weten te vergaderen door het naarstig besteden van hun tijd aan het onderzoek van de aardse dingen; daar zij nochtans, omdat zij God niet kennen, gans ongelukkig en rampzalig mee zijn. Maar wat zouden wij ons niet een veel betere wijsheid kunnen vergaderen uit die onuitputtelijke fontein van des Heeren Woord, en uit alles wat nuttig is tot onze lering, indien wij onze tijd door genade daaraan gedurig maar goed wisten te hangen en te besteden? O! Indien wij maar eens rechte lust hadden tot die wijsheid die van boven is, en wij het daar eens ernstig op gezet hadden om de slechtigheden te verlaten, Spr. 9:6. Indien wij van de ware kennis Gods maar eens recht gesmaakt hadden. O! Hoe hoog wouden wij deze schat dan niet wel waarderen, en het minste aasje daarvan zeer ver verheffen boven alle lage ijdelheden van deze wereld! Want toch deze wijsheid is beter dan robijnen; en al wat men begeren mag is met haar niet te vergelijken, Spreuk. 8:2. En indien wij dan ernstig en vlijtig naar die verborgen schat van de hemelse wijsheid wilden gaan zoeken, en ieder uurtje van onze ledige tijd dagelijks wilden uitkopen; lieve mensen, wat zouden wij ons door Gods genade dan niet al een dierbare schat van geestelijke wijsheid in ons leven kunnen vergaderen! Daar de meesten van onze nu geheel blind en dwaas blijven, en ellendige slaven van de satan de vorst der duisternis, en eindelijk nog de geest geven zonder kennis Job 36:12, en zo voor eeuwig helaas! storten in de buitenste duisternis, Matth. 8:12, en dat omdat zij hun kostelijke tijd hier op de wereld liever aan een deel dwaze en verachte ijdelheden besteed hebben, dan die te hebben willen hangen aan die onwaardeerbare schat van de kennis Gods. Ach! Of de mensen in de wereld deze hun schrikkelijke dwaasheid maar eens zagen, hoe wilden zij zichzelf dan niet wel verfoeien, en nog van stonde aan hun kostelijke tijd beginnen te besteden, om zichzelf te verzorgen van de geestelijke olie van de hemelse wijsheid in de ledige vaten van hun zielen, eer er voor hen geen tijd meer zijn zal? (2) Maar indien wij als wijze kooplieden onze tijd en middelen dagelijks goed willen zoeken te besteden, wat kunnen wij ons dan in dit leven niet een dierbare schat vergaderen van een oprecht en goddelijk geloof? Het geloof is de edelste en kostelijkste van alle geestelijke genaden, omdat het als de moedergenade is, daar alle anderen genaden als vruchten uit geboren worden. Het geloof is als de ziel van het geestelijke leven, dat met Christus verborgen is in God, Kol. 3:3. Nadat het dan gesteld is met ons geloof, alzo is het ook eveneens gesteld met ons geestelijk leven; want de rechtvaardige zal door zijn geloof leven, Hab. 2:4. Paulus was een zeer levendig en geestelijk christen boven allen anderen van zijn tijd; maar hij had zich door de genade van de Heere Jezus een bijzondere schat van geloof in zijn hart vergaderd, waardoor hij leefde hetgeen hij leefde in het vlees, Gal. 2:20. Een christen zijn leven moet inwendig al uit Christus komen, Die de Fontein en het Brood des levens is, Christus moet met Zijn genade steeds leven in het hart, zal een christen kunnen leven door Christus. Maar nu hebben wij geen andere weg van gemeenschap met Christus, dan alleen door het geloof. Het geloof is de hand, die Christus met Zijn weldaden en genade gedurig ontvangt en aanneemt, en binnen in het hart brengt: wij genieten daardoor alles van Christus, maar niets buiten of zonder dat. Nu is daar ganselijk tot toeneming en wasdom van ons geloof nodig, dat wij een gedurig en vlijtig gebruik maken van al de hulpmiddelen, die de Heere ons tot versterking van ons geloof heeft verordineerd. Gelijk alle planten en vruchten die er zijn beide van de warmte en vochtigheid van de hemel, en van de vettigheid en kracht van de aarde steeds moeten gevoed worden, indien zij zullen wassen; alzo moet ook het geloof in onze harten wassen en versterkt worden niet alleen door de gedurige vermaning en bevochtiging van de Geest van de hemel; maar ook de lage en zwakke hulpmiddelen, die wij zelf daartoe gedurig hebben aan te wenden naar des Heeren ordinantie. Daarom moeten wij onze tijd dan gedurig uitkopen, en die besteden aan de naarstige oefening van die middelen die ons verleend zijn om ons geloof te versterken. Wanneer wij daarin nu voorzichtig en getrouw mogen zijn, wat zullen wij ons langs die weg dan niet een uitnemenden schat van allerdierbaarst geloof kunnen vergaderen, kostelijker dan al wat de wijde wereld ons ooit kan opleveren! Daarentegen, wanneer wij onze tijd en middelen daaraan niet naarstig besteden, maar die liever onnut verkwisten, zo moeten wij noodzakelijk of geheel blijven liggen in de verdoemelijke staat van het ongeloof, zonder God en zonder Christus in de wereld; of ons geloof moet altijd zeer ellendig en zwak blijven, en met dat ook al onze andere genaden. En o! Wat lijden wij in beide gevallen niet een grote schade, die door geen andere dingen in het minste ooit weer kan vergoed worden. (3) Ja wij kunnen ons hier in dit leven door het uitkopen en goed besteden van onze tijd onder Gods genadige zegen nog al veel andere zeer schone geestelijke goederen en kostelijke schatten vergaderen, en die voor ons opleggen in een plaats daar de mot noch roest die niet zullen verderven, noch daar de dieven niet doorgraven noch stelen, Matth. 6:20. Wat zouden wij langs die weg door de genade van onze Heere Jezus Christus ons niet een heerlijke schat kunnen vergaderen van ware heiligheid en godzaligheid. Een schoner goed, een kostelijker juweel kan er voor ons arme ellendigen, die door de zonde en de satan helaas! zo gans van God vervreemdt zijn, niet gevonden worden, dan dat wij door de Heilige Geest in Christus hoe langer hoe meer weer opstaan uit die rampzalige dood van de zonde, en in het leven Gods weer hersteld worden. O! Dit is onze zaligheid; hier in ligt ons ware geluk en vreugde, dat wij van de zonde en van de dienst van de satan door Christus uit genade wederom verlost worden, en wederom aanvangen met blijdschap de Heere onze God te dienen in nieuwigheid des levens, en dat wij onze leden wederom Gode stellen tot wapenen der gerechtigheid, Rom. 6:13. En hiertoe schenkt ons de Heere dagelijks een overvloed van tijd, middelen en genade. Wanneer wij daarvan nu steeds een naarstig en recht gebruik wisten te maken, en die kostelijke gaven van God tot hun rechte einde wisten aan te leggen en te besteden, o! wat zouden wij onder Zijn hemelse zegen daardoor niet een grote vordering kunnen maken in het geestelijke leven! Wat zouden wij ons niet een schat van heiligheid kunnen vergaderen! Een schat van geestelijkheid, van hemelsgezindheid! Een schat van dierbare goddelijke vrede en troost, waarvan het minste kruimpje al de vreugde en blijdschap van de wereld zeer ver overtreft? Wat zouden wij niet een overwinning kunnen verkrijgen over de wereld, de satan, en onze verdorvenheden en het boze vlees met zijn begeerlijkheden, die krijg voeren tegen de ziel! Wat zouden wij niet een geestelijke sterkte en wasdom kunnen verkrijgen in de Heere, en een bekwaamheid tot al de plichten van onze standplaats en godsdienst, om daarin zeer overvloedig gevonden te worden! Wat zouden wij niet al een vordering kunnen maken in de geestelijke omgang en gemeenschap met God, en het verborgen gebed, en in heilige bevinding en kennis van Zijn wegen en werken! Hoe vast zouden wij door de tijd onze hoop niet kunnen maken op de hemel, en wat een kostelijke voorbereidingen zouden wij ons niet bezorgen tegen de dood, en de grote eeuwigheid die voor de deur staat. O! Hoe zouden wij het huis van onze zielen door de genade Gods niet kunnen opvullen met al deze schone schatten en onwaardeerbare geestelijke goederen, indien wij er maar eens recht op uit waren, om daar dagelijks onze tijd, middelen en alles wat wij van de Heere hebben, zorgvuldig aan te besteden, en die heerlijke gaven Gods niet langer zo onnut te verkwisten.

3. Maar laat ons ook het oog eens slaan op onze naaste, die met ons uit één bloede van God geschapen is, die tezamen met ons op deze wereld leeft, en ook tezamen met ons heen gaat naar de grote eeuwigheid. Is ook iemand in staat om recht te begrijpen of uit te drukken die nauwe band van vereniging, waarmee wij volgens de heilige wet Gods gebonden liggen aan onze naaste, zelfs in het gewone of natuurlijke leven, om zijn tijdelijk en geestelijk welzijn alleszins te beminnen en te zoeken, gelijk dat van ons eigen? Daar is immers niet één plicht die de Heere ons geboden heeft jegens onszelf, die wij ook niet schuldig zijn in ‘t werk te stellen en eveneens te oefenen omtrent onze naaste, die wij moeten liefhebben als onszelf. Ach! Wat staan onze zielen nog blind in deze grote wetenschap. En wat liggen wij allen nog dood voor God in deze voorname plicht! Maar indien wij eens met alle ernst konden besluiten, om een recht gebruik te maken van onze tijd, talenten, middelen en genade, die ons van de Heere zo overvloedig verleend worden; en indien wij ze, een ieder in zijn eigen betrekking en standplaats, noch eens zorgvuldig wilden aanleggen tot van onze naasten zijn behoudt en welzijn; o! wat een groot voordeel zouden wij hem onder de zegen Gods daarmee dan niet zowel als onszelf, kunnen aandoen. Indien wij geen tijd, of gelegenheid, of middelen wilden verzuimen om hem te dienen en te helpen met onze raad, vermaning, lering, onderrichting, bestraffing; of met onze troost, moedgeving en besturing naar de staat daar wij hem in bevinden; wat zouden wij hem met de zegen des Heeren niet al veel goeds kunnen doen, en zijn geestelijk en lichamelijk welzijn niet al in grote mate kunnen bevorderen! Hoe menig arm en nooddruftig mens mochten wij niet helpen uit zijn ellende, indien de Heere ons daartoe wilde gebruiken! Hoe menig verhard en zorgeloos zondaar, mocht er door middel van ons niet wel onder rechte indrukken van God en van een eeuwige zaligheid gebracht worden, dat hij de hel en het eeuwig verderf nog mocht ontvlieden! Hoe menig huichelaar mocht er door ons niet wel ontdekt, beschaamd gemaakt en met beving voor God bevangen worden! En wanneer wij schoon onze naaste al niet geheel van zijn zonden weg mochten komen bekeren, en hem zo door Gods genade als een brandhout rukken uit de hel en uit de slavernij van de satan; wat zouden wij nochtans tenminste niet al vele zonden, losbandigheden en schandelijke ergernissen in onze naaste met onze arbeid die wij aan hem besteden, kunnen voorkomen; en zo verhinderen dat hij zijn verdoemenis niet noch veel zwaarder maakt; want ook dit moeten wij niet achten een kleine zaak te wezen, als wij de zondaars die toch door hun onbekeerlijkheid eens zullen verloren gaan, nochtans van veel openbare zonden en ergernissen, die zij anders vermetel in het midden van het christendom bedrijven zouden, door ons gezag, vermaning, voorbeeld en arbeid kunnen weerhouden, teneinde de Naam van God minder door hen onteert, en hun eeuwige straf zo minder verzwaard worde. Maar wat zouden wij door een zorgvuldig aanleggen en goed besteden van onze tijd, gaven en genade ook niet al veel voordeel kunnen doen aan onze mede christenen, die met ons even dierbaar geloof deelachtig zijn? Want immers aan dezen zijn wij niet slechts door natuurlijke, maar ook door geestelijke banden nog veel nauwer gebonden en verplicht, om hun vrede en welzijn naar ziel en lichaam op allerlei wijze te helpen bevorderen. Men zegt van een lam of schaap, dat het een allerprofijtelijkst of nuttigst dier is, en dat het niets aan zich heeft, dat niet op de een of andere wijze tot voordeel van de mens is. Maar zo nuttig en voordelig moesten wij ook zijn in de kerk van God; wij moesten onze tijd en al onze gaven steeds daartoe besteden, om alle mogelijk voordeel te doen aan het geestelijk lichaam van Christus, en aan ieder waar lid ervan: het zwakke moesten wij zoeken te sterken, het kranke te helen, het moedeloze op te beuren, het afgedwaalde weer terecht te brengen, de kleinwetenden te onderwijzen, de bedroefden en aangevochtenen te troosten; kortom, wij moesten steeds op elkaar acht geven en voor elkaar arbeiden, gelijk als voor onszelf. O! Hadden wij maar eens recht lust tot dat heerlijke werk van de stichting van onze naaste, wat zouden wij daar niet al een werk en arbeid dagelijks voor ons vinden liggen, om er onze talenten en ledige tijd gedurig aan te besteden; binnenshuis omtrent onze kinderen, dienstboden, en verdere huisgenoten; buitenshuis omtrent onze naastbestaanden, vrienden, en geburen, bekenden, en zonder onderscheid omtrent alle mensen, en zelfs onze vijanden. Immers wij zouden dan niet een uurtje van de dag in ijdele ledigheid behoeven door te brengen, maar wij zouden altijd een overvloed van werk en bezigheid voor ons vinden in de stichting van onze naaste. En het zou ons ook nooit aan bekwame gelegenheid ontbreken, indien wij het maar ernstig zochten, en zorgvuldig leerden acht geven op de gedurige wegen en ontmoetingen van des Heeren voorzienigheid, daar in wij dan steeds als in een boek onze plicht en roeping wel klaar zouden lezen. Anders is het ook waar, dat God allen niet gesteld heeft in even bekwame standplaats, en ook allen niet met even overvloedige gaven en voordelige talenten en gelegenheden voorzien heeft, om in de wereld te stichten, en zaken Gods te bevorderen. Nochtans de allerminste onder ons, die zijn tijd goed zoekt uit te kopen, en zijn talenten en genade tot hulp en stichting van zijn naasten zoveel doenlijk voor de Heere op winst zoekt aan te leggen, zal nooit behoeven te klagen dat hem daartoe de gelegenheid ontbreekt in zijn eigen beroeping, tenzij dan dat het was dan dat de Heere hem de weg daartoe Zelf op de een of andere wijze onmogelijk wilde maken; als wanneer zo een ook genoeg voldoen zal, als hij ootmoedig mag berusten en stil zijn in des Heeren weg over hem; en als hij mag geloven dat de Heere zijn dienst en arbeid tot een ander zijn stichting en om voordelig te zijn in zijn geslacht, nu niet nodig heeft, maar dat hij anderen heeft welke Hij daartoe wil gebruiken.

O! Ziet dan toch, lieve mens die dit leest, hoedanig een u ook wezen mag, wat een uitmuntende gaven en heerlijk geschenk van de Heere de tijd is, die wij dagelijks hier op de wereld mogen genieten; nademaal wij die bestedende, daardoor onder Zijn genadige zegen zoveel dierbaar goed en voordeel kunnen doen aan de Heere en Zijn dienst, aan onszelf, en aan onze naasten. Wij moeten immers de waardij en kostelijkheid van de dingen afmeten naar het waarachtige nut en profijt dat wij ermee doen kunnen. Waarom achten wij een klomp goud zo veel, en een klomp aarde zo weinig, daar het nochtans beide Gods gaven en schepselen zijn; anders, als omdat wij met het ene zoveel meer voordeel kunnen doen, als met het andere? Maar wat is er dan toch kostelijker en waardiger voor ons als de tijd, omdat wij die goed gebruikende en bestedende, daarmee door de zegen en genade van God zulke onuitsprekelijke winsten en voordelen machtig zijn te doen? O! Ieder uurtje daarvan is bovenmate kostelijk, omdat het goed aangelegd zijnde, ons of anderen enig groot goed of voordeel kan aanbrengen. Helaas! Of wij noch eens wisten van wat een hoge prijs en waardij de tijd is, wanneer die goed van ons besteed wordt; hoe er niets te kostelijk, te heerlijk of te groot is, dat wij, arme mensen uit de rijkdom van de goddelijke genade langs die weg niet verkrijgen kunnen. Hier uit mogen wij leren, welke daar zijn de rijkste, gezegendste en gelukkigste mensen op de wereld: het zijn niet degenen die grote rijkdommen en aardse goederen bezitten; die in wereldse voorspoed, macht, eer en hoogheid boven anderen verheven zijn. O neen! Die zijn dikwijls de aller ellendigsten en de aller armsten. Maar het zijn degenen die door de genade Gods dagelijks een goed gebruik van hun tijd zoeken te maken, en die dat niet graag onnuttig verkwisten. Hoe zorgvuldiger iemand hier met zijn gemoed voor de Heere gevonden wordt, hoe gelukkiger en gezegender zijn staat door ons moet geacht worden. De rijkste kooplieden in wereldse goederen zijn dikwijls noch gans arm en naakt voor God: maar de wijze kooplieden in de tijd vergaderen voor zichzelf de grootste rijkdommen, ofschoon zij anders in de wereld dikwijls nog zo gering, behoeftig en arm zijn. Die zichzelf een schat voor de Heere heeft verzameld en opgelegd van welbestede tijd, o! die mens mag waarlijk rijk in God geacht worden, Luk. 12:21. En niemand zal hem deze rijkdom kunnen ontstelen, omdat zij bestendig, hemels en geestelijk is; en zulk goed zoeken de onrechtvaardige lieden van deze eeuw niet; hun oog valt maar alleen op hetgeen zienlijk en stoffelijk is.

B. En teneinde uw gemoed, o! mens nog al meer van de onuitsprekelijke waardij en kostelijkheid van de tijd die u geniet, mocht overreedt worden, zo overdenkt ook eens ernstig bij uzelf, hoe gans onmogelijk het voor ons is, om iets van die schat te kunnen terugvinden, als wij die eens onnuttig verkwist en verloven hebben. Alle andere dingen kunnen wij verliezen, en terugvinden. De heilige Job verloor eens al zijn aardse goederen en bezittingen, die zeer groot waren, in een ogenblik van harde beproeving; maar hij vond het kort daarna door Gods goedertieren zegen alles dubbel terug. Wij kunnen onze lichamelijke schoonheid voor een tijd verliezen, wij kunnen onze gezondheid verliezen, en die nochtans naderhand met blijdschap terugvinden. Wij kunnen onze troost en vrede verliezen, en de Heere kan ons die haast wederom bezorgen. Ja wij kunnen alles verliezen, behalve ons geloof en de liefde Gods die daar is in Christus Jezus; omdat onze hemelse Vader in Zijn onveranderlijke trouw die schat voor ons bewaart. Maar de tijd die wij eens verloren hebben, en die door onze achteloosheid onnut voorbij gegaan is, o! die kunnen wij in der eeuwigheid niet terugvinden, al zochten wij die schoon noch zozeer. Wij mogen onze tegenwoordige en toekomende tijd voortaan beter besteden; maar de eens verloren tijd keert nimmer tot ons terug; dat is een eeuwig en onherstelbaar verlies. Alzo onmogelijk als de mens zichzelf een dag jonger kan maken, als hij waarlijk is; zo onmogelijk kan hij ook een dag of uur van zijn leven, welke hij zonder vrucht verspild heeft, ooit weer terug brengen in zijn macht of bezitting. Is er dan wel een groter schade of een wezenlijker verlies, dan hetgeen wij lijden aan de kostelijke tijd. Immers, al konden wij een gehele wereld bieden voor een enige ure van ons leven dat voorbij gegaan of verlopen is, om dat eens terug te verkrijgen, het zou alles tevergeefs zijn: daar is geen evenredige prijs of waardij tussen de gehele wereld, en tussen een uur leven die verlopen is. Wij kunnen maar alleen ons gebruik nemen en ons voordeel doen van de tijd die wij nu hebben; maar geenszins van die wij eens gehad en niet goed besteed hebben. Helaas! Zo wij ellendige mensen dit ons onherstelbaar verlies van zoveel schone tijd, als wij door Gods genade reeds hier op de wereld gehad hebben, eens met goede ernst overdachten in het helder schijnende licht des Heiligen Geestes, met wat een groot berouw, droefheid en schaamte zouden wij dan in ons gemoed overstelpt worden; wanneer wij eens recht zagen, wat al onwaardeerbare goederen en schatten wij ons hadden kunnen vergaderen en voor de eeuwigheid opleggen, indien wij maar alleen onze tijd door de genade Gods van onze vroege jeugd af aan alle dagen goed gezocht hadden te besteden; wat een grote winst wij daarmee hadden mogen doen voor de Heere, voor onszelf, en voor onze naasten; daar wij nu integendeel door onze zondige ijdelheid en dwaasheid al dat heerlijke goed zo gans verloren hebben; en voor de prijs van zoveel kwalijk bestede tijd ons anders niet vergadert hebben dan een schat van zonde en schande, van berouw en droefheid, van toorn en verdoemenis. Ach! Of de zorgeloze mensen in de wereld door Gods ontfermende genade noch eens konden bewogen worden om van deze dingen een rechte kennis te nemen, en niet langer voort te gaan hun tijd en middelen zo onbesuisd te verkwisten in enkele goddeloosheid en ijdelheid. Dat de Heere hun noch eens deed ontwaken, om zonder langer vertragen hartelijke boete te doen voor zoveel verloren en kwalijk doorgebrachte tijd, die reeds voorbij is; en hun grote schade en schuld te zoeken hersteld te krijgen door het kruisbloed van onze Heere Jezus Christus; en om noch eenmaal te besluiten de weinige tijd die hun noch overig zal zijn in het vlees te leven, door genade met alle zorgvuldigheid in de dienst van God te gaan besteden, om alzo alles niet voor eeuwig te verliezen, maar hunzelf noch weg te leggen tot een schat een goed fondament tegen het toekomende, opdat zij het eeuwige leven verkrijgen mogen, 1 Tim. 6:19.

C. Bedenkt ook, o! mens, met ernst bij uzelf, hoe geheel kort, wisselvallig en onzeker de tijd van uw overige leven hier op de wereld is. U weet, hoelang u hier door Gods goedertierenheid en verdraagzaamheid al geleefd hebt; u kon een nette rekening opmaken van uw dagen die voorbij zijn; en u kon ook weten, hoe u die besteedt hebt, als u maar eens met goede ernst bij ‘s Heeren licht daarop wilt onderzoek doen. Maar hoe veel dagen of hoe lange tijd u hier na deze nog leven zult, daar kon u immers niets van weten, maar dat is en blijft voor u geheel verborgen. Mijn tijden, zegt David zijn in Uw hand, Ps. 31:16. Dit had de wijze koning Salomo gezien, en ach! of wij allen het ook eens zien mochten, dat ook de mens zijn tijd niet weet, gelijk de vissen die gevangen worden met het boze net, en gelijk de vogeltjes die gevangen worden met de strik: gelijk die, alzo worden de kinderen der mensen verstrikt ter bozer tijd, wanneer dezelve haastelijk over haar valt, Pred. 9:12. Het mag wezen dat iemand noch jong is, dat hij noch gezond en sterk is, en daarom nog een goed getal van jaren zou kunnen bereiken. Maar zegt ons toch eens wat voor gewisheid of zekerheid heeft enig mens op de wereld daarvan, hoe kort of hoe lang hem God hier noch zal laten leven? Helaas! Of het ellendige bedrog en de eeuwige rampzaligheid van anderen, die hun rekening in deze zo geheel kwalijk gemaakt hebben, ons noch eens voorzichtiger en wijzer kon maken. De hel is vol van zulke mensen, die in zonden gestorven zijn, als zij staat maakten noch veel jaren te zullen leven. Dit is een van de voorname listen van de satan, daar hij de arme mensen van de wereld mee bedriegt; hij belooft hun nog steeds een lang leven, en dat zij noch tijd in overvloed zullen hebben om voor de zaken van de eeuwigheid te zorgen, als er dikwijls tussen hen en de hel maar een ogenblik tussenbeide is. Indien u dan wijs wilt zijn, o! mens, zo wacht uzelf toch voor deze strik van de satan, en voor dit uw bedrog van het eigen hart. Hebt u niet voorbeelden genoeg voor uw ogen, hoe schielijk en geheel onverwacht God menigmaal de mensen roept uit de tijd in de eeuwigheid? Hoe menig valt er niet in het vuur of in het water, of in de handen van de moordenaren; of komt om door enig ander ongeluk, daar hij geheel niet op gedacht had? Hoe menig sterft er door een schielijke beroerte of andere dodelijke kwaal, die hem zo plotseling op het lijf valt, en in één ogenblik zijn ziel en lichaam vaneen doet scheiden, terwijl hij gans gerust daar heen wandelde midden in zijn diepe zorgeloosheid, en nergens minder om dacht, dan om binnen een uur tijd in de grote eeuwigheid over te treden, en te staan voor het allerheiligste oordeel van de almachtige God, de Rechter van de ganse aarde? In een ogenblik sterven ze; zelfs ter middernacht wordt een volk geschud, dat het doorgaat, en de machtige wordt weggenomen zonder hand, Job 34:20. Maar wat weet u, o! mens, of ditzelfde ook u niet zal overkomen? Of God u ook niet eens als u er minst om denkt, zal doen vallen door een schielijke slag in de kuil des doods; zodat u ‘s morgens wel tevreden opstaande u al zult bevinden in de grondeloze eeuwigheid, eer nog de zon over u ondergaat en de avondschemering tot u gekomen is? Helaas! De Heere weet, terwijl u dit nu tegenwoordig leest, hoe weinige dagen of uren leven u nog op de wereld mogelijk overig zijn; hoe ras de boden van de dood aan uw deur zullen aankloppen, en uw beenderen zullen koud worden. Indien u dit nu eens met indruk op uw hart kon geloven, wat zoudt u dan immers daar niet op uit zijn, en hoe ernstig zoudt u niet zoeken naar genade bij de Heere, om toch die weinige tijd, die u noch overig mocht hebben, goed te besteden, en er niet één uur van onnuttig te verkwisten? O! Zo u dat eens recht kon geloven, dat u alle dagen, ja alle uren en ogenblikken voor dood en eeuwigheid openligt, en dat ieder uur wel uw uiterste en laatste ure kon zijn; als u ‘s avonds gaande neerleggen, met ernst overdacht dat dit wel uw laatste nacht kon zijn; en ook weer ‘s morgens als u ontwaakte. Dat dit uw laatste dag zou zijn; hoe zoudt u dan niet wel trachten om toch zorgvuldig uw tijd uit te kopen, en die van uur tot uur goed te besteden, opdat God u niet mocht vinden in de zonde en de ijdelheid, als zij u kwamen roepen om tot Hem te komen! Ach of velen zo gedaan hadden, hoe gelukkig zouden zij nu niet geweest zijn! Daar zij nu door hun eigen zorgeloosheid, en omdat zij op zulke vermaningen en waarschuwingen geen acht wilden geven, schielijk in de afgrond van de hel gestort zijn, daar wij hen met al onze krachten nu niet meer beroepen of helpen kunnen; en daar hun geen minuutje tijd tot hun bekering ooit meer zal vergund worden. Gave de Heere, dat ieder levend mens die dit leest, het gewicht van deze dingen noch eens met alle ernst op zijn hart mocht leggen, en dat hij zichzelf langer geen vrijheid mocht geven om een enig uur in de zonde door te brengen, omdat het wel zijn laatste uur kon zijn, waarop hij voor eeuwig in zijn zonden zou kunnen sterven; maar dat hij mocht leren zijn tijd steeds uit te kopen alsof er voor hem geen tijd meer wezen zou!

D. Eindelijk moest een ieder hier ook met ernst bij zichzelf bedenken dat wij eenmaal alle tezamen in die grote dag van onze ganse tijd, die wij hier op de wereld gehad en geleefd hebben, aan de Heere zullen moeten rekenschap geven. Niets minder wordt er doorgaans door de mensen in de wereld geloofd, en nochtans niets is er dat zekerder of waarachtiger is. De Heere heeft aan ieder mens een zekere en bepaalde tijd om te leven hier op aarde geschonken; zo veel jaren, maanden, dagen, uren en ogenblikken, als het die soevereine en opperste Majesteit behaagt. Omdat zijn dagen, zegt Job hoofdst. 14:5, bestemd zijn, het getal van zijn maanden bij U is; en Gij zijn bepalingen gemaakt hebt, die hij niet overgaan zal. Maar waartoe schenkt ons de Heere nu deze tijd des levens? Opdat wij die naar onze eigen zondige lust en begeerlijkheid zouden besteden? En op dat het onverschillig zou zijn op welke wijze wij die zouden doorbrengen? O! Neen ganselijk niet; maar opdat wij die alleszins zouden uitkopen, en op een heilige wijze aanleggen tot de werken van de godzaligheid, om God daarmee te verheerlijken onze eigen zaligheid uit te werken, en onze naasten te helpen en te stichten. Wij ontvangen de tijd niet in een volstrekte macht en onafhankelijke bezitting als ons eigen goed; maar alleen als rentmeesters om er dat gebruik van te maken en er die winsten, en voordelen mee te doen, gelijk de Heere ons beveelt, en waartoe Hij ons door Zijn Geest en genade ook Zelf wil bekwaam maken. Nu zal er eens een tijd komen, waarin de Heere alle mensen voor Zich zal roepen, en hun allen rekenschap zal afeisen, wat elk met zijn ganse leeftijd, die hij hier op de wereld gehad heeft, gedaan heeft; op welke wijze hij ieder uur en ogenblik daarvan besteedt heeft. O! Wat zal dat niet een grote een vreselijke en doorluchtige dag des Heeren zijn, wanneer al de bedrijven van ons leven op de aarde van uur tot uur voor het rechtvaardige oordeel Gods zullen blootgelegd worden, en die allen samen in de weegschaal des heiligdoms tegen het gewicht van de goddelijke wet zullen gelegd en opgewogen worden! Waar zult u mensen dan blijven, en hoe zult u dan bestaan voor die hoge en almachtige God, u die al uw schone tijd hier op de wereld geheel in de zonden verkwist hebt, in de lage vermaken van het vlees, en in dingen die geen nut konden doen? Zult u dan niet in de allerschrikkelijkste pijn en benauwdheid uitroepen, ach! Had ik nooit een uur tijd op de wereld geleefd: vervloekt zij de buik die mij gebaart heeft, en het uur dat ik uit mijn moeders lichaam voortgekomen ben! O! Tijd. O! Tijd die ik zo zondig en ijdel verkwist heb: had ik dat onwaardeerbare goed nooit bezeten, of het zelf nooit zo kwalijk besteed en schandelijk misbruikt, ik zou niet gestort zijn in deze eeuwige verdoemenis. Wee, wee mij rampzalig mens, dat ik zo’n eindeloos allerschrikkelijkst verderf heb gaan kopen voor weinige uren van zonden en van ijdel vleselijk vermaak! Maar helaas! Wat zullen al die droevige en benauwde klachten dan kunnen baten, daar er dan in alle eeuwigheid geen tijd meer zijn zal? Openb. 10:6. Nu leven wij in de tijd maar dan zullen wij leven in de eeuwigheid; en daarom zal onze staat dan ook alzo eeuwig en duurzaam zijn, als de eeuwigheid zelf die ons omvangen zal. Wilde nu de Vader der barmhartigheden, die het ontfermen nooit moe wordt, dat het gewicht van deze dingen u o! mens die dit leest, eens recht op het hart gelegd werd; en dat u daar uit deze grote genade mag ontvangen, van eens in een ernstig en gemoedelijk onderzoek te treden omtrent uw geestelijke staat, en welk gebruik u tot hier gemaakt hebt van uw kostelijke leeftijd; aan welk werk en bezigheid u die dagelijks gewoon bent te besteden! Mocht u hier met uw ganse hart nog eens bij gaan neerzitten, en nemen deze grote rekening eens nauwkeurig op door Gods zielsbewerkend licht en genade; eer de rechtvaardige Rechter van de ganse aarde dat grote werk eens voor u zal doen in de eeuwigheid, als deze rekening van zo veel duizend talenten door niets in de wereld ooit meer zal kunnen vereffend worden, maar u het alles zeker tot de laatste kwadrant penning zult moeten betalen. Waarde en beminde lezer, u zult daar eenmaal haastig toe moeten besluiten, of u zult gewis geen tijd meer over hebben voor zo’n groot werk. O! Begint, begint toch heden eens op deze dag, en stelt het toch niet uit tot de dag van morgen, u die niet weet wat de dag van morgen baren zal, uw leven of uw dood, uw hemel of uw hel. Indien u met uw kostelijke zaligheid, met uw eeuwige zielen niet wilt spelen, en die niet wilt laten tot een prooi voor de hel en de satan; dan bidden wij u, wilt toch het eerste uur nemen voor de beste om uw handen eens ernstig te slaan aan dit grote werk, daar al uw andere bezigheid maar bij is als ijdel kinderspel; want wat baat het toch een mens, zo hij de gehele wereld gewint, en lijdt schade zijner ziel? Matth. 16:26. Als u al uw werk en bezigheid hier op de wereld afgedaan hebt, en u moet dan met uw afgesloofde zielen en lichamen zo voort heen gaan naar de eeuwige helse vlammen, lieve mens, zal dat niet een aller rampzaligste en deerniswaardigste rust voor u zijn? Is daar wel enige ellende of rampzaligheid bij te vergelijken? En zoudt u dan niets willen doen om zo een onuitsprekelijk ongeluk en schade te voorkomen, nu terwijl u daartoe nog tijd en middelen hebt, en de Heere u Zijn Geest en genade ook nog schenken wil?

Indien u dan mocht vragen, wat wij toch van u begeren? O lezer, het is een zeer groot en gewichtig, maar niet minder voordelig en noodzakelijk werk, waaraan nog heden afhangt uw eeuwige zaligheid of verdoemenis, naar u dat wilt ter hand en ter harte nemen door de goddelijke genade. Wij bidden u uit liefde voor uw eeuwige behoudenis, dat u eenmaal uw rekening eens nauwkeurig wilt gaan opmaken van uw leeftijd hier op aarde, hoe u die genoten en besteedt hebt? Indien u twintig, dertig, veertig, of meerder of minder jaren hier op de wereld onder Gods zegen en lankmoedigheid reeds geleefd hebt; dat u zichzelf eens in goede ernst en bedaardheid wilt zoeken af te vragen, waar die jaren toch gebleven zijn? Wat u daarmee gedaan en uitgevoerd hebt, en welk wezenlijk nut en voordeel u voor God, en voor uzelf, en uw naaste daarmee toch uitgewerkt hebt? En opdat u in zo’n wijd en breed veld, daar geen overzien voor u aan is, nochtans iets met voordeel voor uw ziel mag doen onder de genade des Heeren, zo laat uw ernstig en nauw onderzoek maar eens alleen gaan omtrent deze drie voorname zaken.

1. Of u reeds hebt begonnen oprechte boete voor de Heere te doen wegens de kwalijk bestede tijd van uw leven? Niet zo ras zendt God de Geest Zijns Zoons uit in onze harten om ons van de macht van de satan te bekeren, of wij worden door die Geest klaar en levendig in ons gemoed, overtuigd, hoe wij al de tijd van onze leven in enkele ijdelheid, zonde en goddeloosheid gewandeld hebben, levende naar de eeuw van deze wereld, doende geheel de wil des vleses en der gedachten, zonder ooit nog een uur recht voor God in Zijn heilige dienst besteed te hebben. Daar ziet de mens dan al zijn kostelijke tijd geheel verloren en enkel van hem doorgebracht en besteed in de dienst van de satan. Hij vindt niets goeds ooit van hem gedaan, geen minuutje van al zijn schone leeftijd goed door hem besteedt. O! Neen, hij heeft het alles alleenlijk doorgebracht in de zonde en in de vuile werken van het vlees. Hier wordt hij nu zeer levendig gewaar, wat een snood en gruwelijk monster hij voor de hoge God is; wat een rampzalig en verdoemelijk hellewicht, die al zijn dagen in de zonden geleefd heeft, en nooit eens met ernst aan God zijn Schepper gedacht heeft. Hier wordt de mens zijn hart nu getroffen met een allersmartelijkste droefheid en berouw, zo als met geen woorden is te zeggen of uit te drukken. Hij moet zichzelf ganselijk verfoeien, en ten enenmale van zichzelf walgen. Hij kan zijn gruwelijke zonde en goddeloosheid niet overzien, want zij zijn menigvuldiger dan de haren zijns hoofds, en hun getal is meerder dan het zand van de zee. O! Hoe geheel benauwd en verlegen is zo’n ziel voor de hoge en heilige God, Wie zij door hun zonden en door de ongerechtigheid van zoveel jaren zo schrikkelijk vertoornd heeft! Wat moet zij zich voor Hem niet schamen, en haar schuldigheid en doemwaardigheid voor Hem belijden; en wat moet zij niet ten hoogsten verwonderd staan, dat Zijn genade en lankmoedigheid nog zo onbegrijpelijk groot over haar is, dat zij tot op dit ogenblik nog van Hem niet in de hel geworpen is! Ja zo’n mens bevindt, zichzelf dan ook ten enenmale in de diepste machteloosheid en radeloosheid. Hij kan met al zijn berouw en droefheid, zuchten en tranen niets ter wereld doen om zijn rampzalige staat te verhelpen! O! Neen, zijn schuld voor God is van tienduizend talenten, en hij heeft niet één penning om te betalen. Zijn staat is aan zijn zijde gans ongeneselijk en hopeloos; zijn verlies van zo veel jaren leven, als hij moedwillig buiten God in de zonden doorgebracht heeft; is geheel onherstelbaar; hij kan daar met al zijn berouw, ja met een ganse zee van tranen in het minste niet voor boeten. Indien de Heere zijn ongerechtigheden wilde gadeslaan, o! hij kan voor zijn heilig gericht geenszins bestaan; hij kan Hem op duizend niet één antwoorden. Hij ziet aan de andere kant ook geen kans, hij weet geen raad om nog een ogenblikje van zijn leeftijd goed te besteden. Hij moet daartoe eerst tot Christus komen en met Hem verenigd worden in een waar geloof; hij moet deel en gemeenschap aan al Zijn heilige verdiensten hebben, om verzoening en vrede met God te verkrijgen, alsmede aan Zijn Geest om wedergeboren en vernieuwd te worden aan zijn hart, dat hij bevindt geheel verdorven, blind en goddeloos te zijn, en geheel verslaafd en geneigd tot het leven van de zonde. Maar ziet, die arme zondaar weet daar geen raad toe hoe hij tot de Heere Jezus zal komen en met Hem verenigd zal worden: kon hij maar eens een enig ogenblikje oprecht in Hem geloven, en zichzelf geheel overgeven in de liefde en genadearmen van de Heere Jezus, o! hij achtte zich dan de gelukkigste mens van de aardbodem te zijn. Mocht hij maar deel aan de verdiensten en gerechtigheid van de Heere Jezus hebben, hij zou daarin als in een grondeloze zee van al zijn ongerechtigheid voor eeuwig geheel afgewassen worden, en zijn verloren tijd en zaligheid in Christus terugvinden. Maar helaas! Die weg van het geloof is voor hem zeer diep verborgen; hij weet geen raad hoe op die weg tot Christus te komen: zijn hart staat daar gans afkerig van, en ligt geheel verzonken in vijandschap en ongeloof tegen Christus. Dies komt die arme overtuigde zondaar dan geheel teneinde raad, en verliest het leven zijner hand, en roept uit, o! ik verga, het is met mij al verloren; wat moet ik doen, op dat ik zalig worde? Hand. 16:30.

Ziet op al zo’n wijze vangt een arm zondaar door de overtuigende genade des Heilige Geestes aan hartelijke boete voor God te doen over al zijn verloren tijd, welke hij zo dwaas in de zonden heeft doorgebracht. En daarmee houdt hij dan noch geenszins op, als hij nu door het geloof de zalige vereniging met God in Christus gevonden heeft en tot genade gekomen is; neen geenszins, maar hij blijft daar dan nog altijd ware boete over doen zijn ganse leven door gedurende; en dat zelfs op een veel zuiverder, hartelijker en geestelijker wijze, dan tevoren eer nog zijn ziel dadelijk door het geloof met de Heere Jezus verenigd stond. Hij herdenkt dan nog gedurig met hartelijke schaamte en berouw, hoe lange tijd hij weleer buiten God geleefd, en aan wat voor zonden en ongerechtigheden hij zich in die tijd al schuldig gemaakt heeft. Dit strekt des Heeren kinderen tot gedurige verootmoediging voor de Heere, en om hen te houden in een levendige erkentenis van de grote genade Gods in Christus die aan hen geschied is. Maar al zou het schoon dit niet zijn, zo heeft ieder waar christen hier nochtans gedurig nieuwe stof van hartelijke vernedering en verootmoediging, omdat hij dagelijks zo veel van zijn kostelijke tijd en middelen nog gedurig laat verloren gaan, die hij vruchtbaar voor de Heere in gerechtigheid had kunnen en moeten besteden; indien hij maar recht ernstig, ijverig, waakzaam en gelovig met zijn hart gestaan haat, en zich nabij God de fontein Zijns levens gehouden had. O! Hoe moeten de beste heiligen hier niet steeds bitter kermen en klagen voor de Heere, dat zij hun schone tijd, middelen en genade nog zo weinig recht in de dienst Gods weten te besteden, dat het meeste deel daarvan zo onnut verloren gaat; en dat zij nog zo menige uur zonder voordeel verkwisten en kwalijk in de zonde besteden! Kan er ook een heilige en tedere ziel gevonden worden, die hier niet zonder ophouden onder moet zuchten en hartelijk rouw over bedrijven; en die daarover niet gedurig in het dierbare bloed van Christus verzoening moet zoeken? Gewis het is een slecht en droevig teken, als iemand weinig werk maakt van zijn kwalijk bestede tijd, en als hem dat niet smartelijk op zijn hart weegt; maar als hij in zodanig verzuim nog gerust kan blijven leven. Komt u dan nu beminde lezer, en zet toch eens met ware ernst uw hart hier bij neer, en onderzoekt eens nauwkeurig uw staat, of u wel ooit in ware oprechtigheid zodanige boete over uw kwalijk bestede leeftijd voor de hoge God gedaan hebt, en dezelve gewoonlijk doet? Ach! Mens, hier moet u kennis aan hebben, of u bent nog nimmer door de Geest Gods aangeslagen en overtuigd geworden; maar u leeft dan nog in een staat van rampzalige blindheid en zorgeloosheid; en indien u in deze ellendige staat langer blijft leven, en eindelijk eens komt sterven, dan bent u gewis voor eeuwig verloren, en zult storten in een eindeloze allerschrikkelijkste verdoemenis.

2. Hier benevens wilt uzelf ook eens ernstig onderzoeken, of u al enige tijd van uw leven goed besteed hebt aan het grote werk van uw vrede en verzoening met God in Christus? Het is geenszins genoeg, dat een arm verlegen zondaar Hem met grote rouw en droefheid zijn zonden beklaagt, en dat zijn hart daarover diep gewond en verslagen is: maar hij moet door de kracht van de Heilige Geest hier ook geheel gaan uit zichzelf, en komen door een oprecht zielsgeloof tot de Heere Jezus; hij moet zich als een arm verloren zondaar geheel aan Hem overgeven, en grijpen Zijn sterkte aan, om uit genade door Hem behouden en met God voor eeuwig verzoend te worden. En dat doet een boetvaardig en verslagen zondaar, zo gauw hij door de schuld van zijn zonden en van de toorn van God, en door het levendige gevoelen van zijn rampzalige blindheid en onmacht zo aangedaan en getroffen wordt, dat hij het nu niet langer meer in zichzelf stellen kan, maar eenmaal gekomen is tot het einde van alle raad en hulp. Dan komt hem de Heilige Geest met een goddelijk licht van het Evangelie aan zijn duistere hart zeer liefelijk bestralen, en opent zijn blinde ogen, zodat hij een klaar gezicht en openbaring verkrijgt van de goddelijke belofte van de genade in Christus. Dan aanschouwt hij de Heere Jezus met een opgehelderd oog van het geloof, als de Eniggeborene van de Vader, vol van genade en waarheid, Joh. 1:14. En als de Heere onze gerechtigheid, Jer. 23:6, Die een Verzoening is voor onze zonden; en niet alleen voor de onze, maar ook voor de zonden van de gehele wereld, 1 Joh. 2:2. Dan wordt hij door de Heilige Geest door middel van de belofte van het Evangelie krachtig aan zijn hart overreed van de ondoorgrondelijke volheid en algenoegzaamheid van Christus, en van Zijn genegenheid en gewilligheid niet alleen voor anderen, maar ook voor hem arme ellendige zondaar in het particulier. Dan komt Christus hem Zelf met kracht roepen en nodigen, en Zich met Zijn ganse zaligheid en algenoegzaamheid aan hem aanbieden en schenken om niet uit vrije genade. Hier komt hem de hemelse Vader nu Zelf trekken tot Christus. De Heilige Geest opent zijn hart, en neigt en buigt het over door Zijn goddelijke kracht, zodat het gewillig wordt om met volkomen afzien en verzaking van alles, de Heere Jezus, op Zijn Eigen aanbieding geheel zoals Hij is, zonder enig beding of uitzondering met waarachtig geloof te omhelzen. De arme zondaar komt hier nu met zijn ganse hart tot de Heere Jezus, als tot zijn volkomen en algenoegzame Zaligmaker. Hij werpt zich geheel vermoeid en belast met al zijn zonden geheel neer in de armen van Zijn vrije genade, en geeft zich tot behoudenis aan Hem over, en roept uit, o! Heere Jezus, omdat U het bent, en wel U alleen, Die volkomenlijk kan zaligmaken degenen die door U tot God gaan, Hebr. 7:26, Die gekomen is om zalig te maken dat verloren was, Matth. 18:11, die alle vermoeiden die tot U komen hebt beloofd dat U hun rust zult geven, Matth. 12:28, en dat U hen geenszins zult uitwerpen, Joh. 6:37, zo kom ik, arm verloren zondaar, hier tot U met al mijn zonden en ellenden, en ik geef door de kracht van Uw Heilige Geest mijzelf met mijn ganse hart volkomen aan U over; en omhels U voor mijn algenoegzame Zaligmaker, Koning en Heere; en wil alleen op Uw goddelijke verdiensten en genade al mijn vertrouwen stellen, en geheel en voor eeuwig Uw eigendom zijn: behoudt mij, o! Heere Jezus want ik verga; ik moet zonder U in een eeuwige afgrond van ellenden en verdoemenis verzinken; maar Gij zijt de Heere mijn Verlosser, mijn Koning en mijn Heiland; daarom wil ik Uw sterkte aangrijpen, en vrede met U maken: o! Heere, ik geloof, kom mijn ongelovigheid te hulp: behoudt mijn ziel in het leven, zo zal ik Uw Naam eeuwiglijk loven. Daarop omhelst Christus die arme gelovige zondaar, en stort over hem uit de ganse rijkdom van Zijn hemelse genade. Hij wast en reinigt hem door Zijn bloed van al zijn zonden: Hij heiligt en wederbaart hem; en brengt hem in de zalige gemeenschap van God, en doet hem de Vader aanschouwen en omhelzen als zijn verzoende Vader in Christus, die hem heeft liefgehad voor de grondlegging van de wereld, en Die Zijn Eigen Zoon voor hem heeft overgegeven. O! Hier geniet zo een arm gelovig zondaar nu de gehele drieënige God met al Zijn algenoegzaamheid, en roept uit door de Heilige Geest, Abba, Vader. Hier smaakt hij nu het koninkrijk Gods in zijn hart, hetwelk is gerechtigheid, vrede en blijdschap door de Heilige Geest, Rom. 14:17. Hij wordt bekleedt met de klederen des heils, en de mantel der gerechtigheid wordt hem van God Zelf omgedaan, Jes. 61:10. Hij brandt nu in zuivere liefde tot God; hij zinkt weg in verwondering over Zijn gadeloze heiligheid, hoogheid, heerlijkheid en beminnelijkheid. Al had hij nu duizend harten en duizend monden en tongen, hij wilde ze allen maar alleen en geheel besteden om die volzalige en heerlijke God daarmee te beminnen en eeuwig te prijzen. Hij wil nu maar alleen voor die heilige God leven, en Hem in Christus door Zijn Geest met alle krachten zonder ophouden vrezen en dienen.

Ziet beminde lezer, dit is de allereerste tijd, die een mens recht besteedt, als hij zo door een ongeveinsd geloof zijn vrede en verzoening met de Heere maakt. Daar dit grote werk verzuimd wordt, daar wordt al de tijd door ons ellendig verkwist en verloren. Wilt dan toch uzelf nauw, ja zeer nauw, hieromtrent onderzoeken, of u door de genade Gods dit grote werk al recht gedaan hebt, en houdt het toch gewis daarvoor, dat juist aan de uitslag daarvan uw eeuwige zaligheid of verdoemenis hangt. Al had u schoon ook nog zo lang hier op de wereld geleefd, indien u aldus uw vrede met de allerhoogste God nog niet gemaakt hebt, zo wees verzekert, dat u dan tot hiertoe nog anders niet gedaan hebt, dan naar uw hardigheid en onbekeerlijk hart uzelf toorn te vergaderen als een schat in de dag des toorns en der openbaring van het rechtvaardig oordeel Gods, Rom. 11:5. En wee u dan, zo wanneer u in zo’n staat nog langer gerust en zorgeloos blijft leven; u bent ieder uur en elk ogenblik in gevaar van zo plotseling in de vlammen van het eeuwige helse vuur te storten: de schrikkelijke bloedwreker van de vloek en toorn Gods volgt u overal op de hielen; en satan staat gereed om u aan te grijpen en voor eeuwig als zijn prooi in de hel te slepen, zo ras de maat van uw zonden zal vervuld, en de tijd van Gods lankmoedigheid over u zal verlopen zijn. Ach arme mens, ontwaakt, ontwaakt dan nog heden: en doet eens uw ogen open, om uw allerschrikkelijkst gevaar en ellende te zien, nu u nog in de tijd en onder de middelen van de zaligheid bent, eer God uw levenslamp eens schielijk en onverwacht zal komen uitblussen in eeuwige duisternis.

3. Voor het laatst, begeeft uzelf ook tot een zeer ernstig en gemoedelijk onderzoek voor het aangezicht van een alwetende God, Die hart en nieren doorgrondt, of u ook reeds goed hebt aangevangen de tijd uit te kopen, terwijl de dagen boos zijn? Of u door de hemelse genade van Christus al uit de dood van de zonde bent opgestaan, en in het nieuwe leven van de zaligheid bent overgegaan? Of u al hebt begonnen af te leggen aangaande de vorige wandeling, de oude mens verdorven wordt door de begeerlijkheden van de verleiding; en de nieuwe mens aan te doen, die na God geschapen is in ware rechtvaardigheid en heiligheid? Ef. 4:22,24. Ei! Keert hier toch eens in tot uzelf, en gaat eens met stille bedaardheid neerzitten bij het ernstig en hartgrondig onderzoek van uw dagelijks leven, en hoe u gewoonlijk uw kostelijke tijd hier op de wereld van dag tot dag doorbrengt: in welke bedrijven, oefeningen en werkzaamheden van ziel en lichaam u zichzelf steeds bezig houdt? Lieve mens, wat voert u toch uit? Wat doet u hier op de wereld? Wat is hier dagelijks het leven van uw geest? Waaraan besteedt u uw edele zin en gedachten; wat zijn uw gedurige overpeinzingen en overleggingen? Waarin vermaakt en verlustigt u zich? Waarmee bekommert u zich doorgaans het allermeest? Wat haat en wat bemint u; wat zoekt en begeert u; waarheen lopen steeds uw genegenheden en de uitgangen van uw hart? Waaraan besteedt u gedurig uw krachten en vermogens, uw leden en zinnen? Wat voert u uit met uw mond, met uw ogen en oren, met uw handen en voeten? Ach! Zet uw hart toch eens nauwkeurig op al uw wegen. Is het God voor Wie u leeft, en aan Wie u steeds al uw tijd, middelen, krachten, gaven en talenten, beroeping en ambt, en alles wat u bent en hebt, alleen zoekt op te offeren, om Hem hetzij inwonende, hetzij uitwonende welbehaaglijk te zijn, als die eens zult moeten geopenbaard worden voor de rechterstoel van Christus? 2 Cor. 5:9,10. Of dient u ook nog de god van deze eeuw? Leeft u nog voor de wereld? Zijn het de schepselen en de zienlijke dingen van de tijd, daar u uw hart nog aan verslaafd en verbonden hebt, en die u met uw gedachten en genegenheden meest, ja geheel achterna loopt? Leeft en doet u nog steeds alles voor uzelf? Volgt u nog uw eigen lusten en begeerlijkheden op? Bent u nog een slaaf van uw eigen zin, gemak, genoegen, eer, voordeel en vermaak? Wordt u nog beheerst en overal heen gevoerd door uw ongeregelde driften en hartstochten, en door uw aardse genegenheden? Weet u nog niet dagelijks een nauwkeurige en ernstige rekening van uw tijd te houden, en die alleen in de dienst van God te besteden naar uw beroep en standplaats? Neemt u daar in de kracht des Heeren niet gedurig een hartelijke besluit en voornemen toe; en strijdt en arbeidt u niet om toch in al uw doen, met ziel en lichaam God te verheerlijken, uw naaste te stichten, en uw eigen zaligheid met een gedurig vrezen en beven uit te werken? Maar leeft u ook nog zorgeloos, losbandig en onachtzaam daar heen, uw dierbare tijd dagelijks onnut verkwistende in de vermaken en ijdelheden, en in de slaafse zorgen en bekommernis van deze wereld? Weegt u zo nog uw geld uit voor hetgeen dat geen brood is, en uw arbeid voor hetgeen dat niet verzadigen kan? Jes. 55:2. Beklaagt en betreurt u niet steeds met een hartelijke droefheid uw verloren tijd? Gaat u daar in het eenzame niet gedurig toe neerzitten, en legt u telkens niet op uw knieën voor die hoge God? Is dat gewoonlijk ‘s avonds uw werk niet als de dag geëindigd is, om uw geweten ernstig voor de Heere te onderzoeken, waarmee u die dag hebt doorgebracht; waar uw hart al die tijd geweest is, en wat daar al in uw binnenste omgegaan is; hoe u zich voor de zonden gewacht hebt, en hoe u in alle ontmoetingen die de Heere u in die dag heeft doen voorkomen, hebt gedragen; wat u die dag van God gezien, gevoeld en genoten hebt; en aan welke zonden, verzuimen en verkeerde gedraging u zich al schuldig gemaakt hebt, of u wel teer, waakzaam, ootmoedig, ijverig, arbeidzaam en geduldig voor God gewandeld hebt? Zoekt u dan wel met uw gemoed in dankbare erkentenis voor de Heere te staan, vanwege al het goed, de genade en bewaring, de zorg en voorzienigheid, die u op die dag van Hem genoten hebt? En tracht u zich dan wel in een waar hartelijk berouw voor Zijn aangezicht te verootmoedigen over al het kwade en zondige, daar u zich aan schuldig hebt gemaakt; en arbeidt u wel om daar genade en verzoening over te ontvangen in het bloed van de Heere Jezus? Legt uzelf bij al deze dingen toch eens met goede ernst neer; en houdt het toch voorzeker daarvoor dat allen die in de staat van de genade zijn en die ware kinderen Gods zijn, dit alles kennen in hun praktijk door de werking van des Heeren Geest, een ieder naar de mate van zijn genade; want het is onmogelijk, dat die de Heere Jezus door een waar geloof zijn ingelijfd, niet zouden voortbrengen zodanige vruchten van de dankbaarheid. Dit is het leven van alle heilige mensen die hun harten en aangezichten naar de hemel gericht hebben; hieraan zijn zij te kennen, dat gelijk zij door de Geest leven, zij ook door de Geest wandelen, Gal. 5:25. En hier in oefent zich het leven van de Geest, hetwelk bestaat in een gedurige wandeling met God, gelijk als Henoch. Indien u dan een zo’n leven noch mist, en in u niet gevoelt een oprechte en hartelijke begeerte tot dat, met een gedurig geloof, strijdt en arbeidt. O! Weest dan verzekerd, dat u noch bent onder degenen, die naar hun eigen begeerlijkheden wandelen, 2 Petr. 3:3, en dat u noch geheel van God vervreemd bent, en noch in een onwedergeboren staat zonder Christus in de wereld leeft; welke goede dingen u anders ook al hebben mag, al was u met de Farizeeër schoon nog zo eerlijk en godsdienstig; al bezat u schoon veel kennis en wetenschap, al is uw standplaats ook noch zo uitmuntend en heerlijk; al wordt u van allen die rondom u zijn schoon noch zozeer geëerd en geacht; en al draagt u ook al de naam van vroom en godzalig; het zal u alles niet kunnen helpen in die dag, die komen zal, brandend als een oven, Mal. 6:1. U zult met al uw voortreffelijkheid en heerlijkheid voor eeuwig in de hel storten. U mag nu alle gedachten opvatten van uw staat, en hopen dat God met u genadig en barmhartig zal handelen; maar o! weest verzekerd, wanneer u zult zeggen, het is vrede en zonder gevaar, dan zal een haastig verderf u overkomen, gelijk de barensnood van een bevruchte vrouw; en u zult het geenszins ontvlieden, 1 Thess. 5:3.

Helaas! Wilde u zichzelf dan met uw staat noch eens recht bekommeren, u allen die daar op een ernstig onderzoek het getuigenis van uw eigen geweten in u draagt, dat u nog heden onwedergeboren en onbekeerd bent. Begint, begint toch eens te ontwaken gij hardslapende zondaar, indien u niet wilt dat de dood en de hel u eens haastig wakker maken, want zo zeker als de Heere leeft, u moet eenmaal met alle ernst besluiten om dit grote werk ter hand te nemen, en om God en Zijn genade met uw ganse hart te zoeken; of u moet alle hoop op de hemel en de zaligheid voor eeuwig afleggen. Behaagde het nu de Heere eens, o! mensen die dit leest, en die noch heden midden in het christendom onbekeerd is en zonder Christus leeft, uw harten en zinnen bij deze dingen te bepalen, en die op uw zielen te drukken, dat u daardoor eens gans bekommerd en verlegen mocht worden over uw staat; dan zouden wij u raden, dat u deze boet predikatiën, die wij u hier vertaald ter hand stellen, eens met gezette aandacht in uw ledige uren wilde gaan doorlezen; en dat u onder het lezen de Heere Jezus ernstig en ootmoedig wilde smeken om Zijn zielverlichtende Geest en hartbewerkende genade. De schrijver en opsteller van deze predikatiën was een man van uitstekende wijsheid en godzaligheid, een van diegenen daar de profeet van zegt, Jes. 65:20, een jongeling zal sterven honderd jaar oud zijnde. Gelijk hij voor een wonder van zijn tijd met reden geacht werd als hij leefde, zo worden zijn nagelaten schriften in Engeland en Schotland noch hedendaags in de hoogste waarde gehouden; en zijn daar veel malen herdrukt, als schriften die bij alle verstandige godzaligen een algemene lof en goedkeuring vinden. Wat achting ook de vromen hier te lande er altijd voor hebben gehad en noch hebben, behoeven wij niet te melden, als zijnde dat bekend genoeg. De ijverige en godvruchtige leraar J. Koelman heeft drie bijzondere werkjes door hem vertaald: als des zondaars heiligdom, zijnde veertig uitmuntende en zeer geestelijke predikatiën over Rom. 8:1—15. Enige predikatiën over 1 Joh. 1 en 1 Joh. 2:1—3, en andere teksten. En ettelijke gronden van de christelijke religie; waarvoor hij gevoegd heeft het leven en sterven van Hugo Binning, dat om de bijzondere voortreffelijkheid ervan waardig is door alle godvruchtigen gelezen te worden, als vervattende een zeldzaam voorbeeld van zeer grote wijsheid, genade en godzaligheid in een jongeling, die als leraar en professor gestorven is, anno 1653, in de ouderdom van niet meer dan 26 jaren.

Wat nu deze zijn boet-predikatiën betreft, wij achten daarvan genoeg te zeggen, als wij maar dit ene zeggen, dat het zijn predikatiën van Hugo Binning; en wel zulke die door hem gepredikt zijn in de ernstigste stonden en gelegenheden van plechtige vernederingen voor de Heere, wanneer zijn geest ontstoken was in het diepste gevoelen van de algemene ellende en grote verdorvenheid van land en kerk, en van Gods aannaderende heilige wraakoordelen. Wij achten ze daarom in deze tegenwoordige tijd zeer nodig en gepast, om door alle mensen hier in Nederland met aandacht gelezen te worden; en bijzonder ook door de vromen en godvruchtigen, die er nog onder ons zijn. Want was er immers een tijd, daar in zodanige boet-predikatiën van ons dienen gelezen te worden, het is immers in deze dagen van allerdiepst verval en benauwdheid, waarin niet alleen bijkans de gehele wereld in rep en roer is door droevige oorlogen en bloedstortingen, en schrikkelijke verwoestingen van landen en steden; maar waarin de Heere Nederland ook gebracht heeft in zulke engtes van binnen- en buitenlandse zwarigheden, dat het er aan alle kanten even donker en gevaarlijk voor ons uit ziet, en er veel redenen van welgegronde vrees zijn, dat de Heere wel eerlang een voleinding met ons mocht komen maken. Wij hebben van deze droevige materie breder gehandeld in onze voorrede voor Johannes Flavel, voorbereidingen voor het lijden, of het beste werk in de slechtste tijden, onlangs van ons uitgegeven; waarom wij daar dan nu niet weer van spreken zullen. Alleen bidden wij onze lezer door de liefde van onze Heere Jezus Christus, dat hij toch van deze boetpredikatiën, en van alle andere goede middelen, onder een ernstig en aanhoudend zoeken van des Heeren Geest zijn gebruik wil maken; en dat hij met de grote menigte toch niet langer zorgeloos wil blijven leven, en stil liggen onder een geest des diepe slaaps, terwijl de Heere reed is op weg is om Jeruzalem met lantaarnen te komen doorzoeken, en om eerlang Zijn heilige gerichten hier in Nederland te komen houden. De God aller genade storte daartoe Zijn Geest en zegen over dit middeltje uit, op dat het benevens zo veel anderen ook noch zijn vrucht onder ons mag hebben, tot bekering en zaligheid van vele zielen, in onze Heere Jezus Christus. Amen!

 

De vernedering des harten,

voorgesteld in verscheiden predikatiën

Een verhandeling over Spr. 27:1

En beroemt u niet over de dag van morgen: want gij weet niet wat de dag baren zal

1e predikatie

Daar zijn enige bijzondere gaven die God de mens in zijn eerste schepping gegeven, en daar Hij zijn natuur mee begaafd heeft boven alle andere levendige schepselen hier op aarde, welke recht bestuurd en omtrent de rechte voorwerpen gebruikt zijnde, de ziel van de mens tot een wonderlijke hoogte van gelukzaligheid verheffen, daar geen andere ondermaanse schepselen voor vatbaar zijn. Maar door de mens zijn val in de zonde zijn deze dingen geheel in wanorde, en uit haar rechte kanaal gebracht. Gelijk dan het rechte gebruik daarvan de mens gelukzalig gemaakt zou hebben, zo verzwaart het verkeerde gebruik ervan hem met meer ware ellende, dan enig ander schepsel. Ik meen, God heeft de mens twee aanmerkelijke vermogens gegeven boven alle schepselen. Het ene is, om zichzelf te kennen en te beschouwen, en om te overwegen wat gevoeglijkheid daar in enig ding is voor zichzelf, wat goedheid of voordeel hem daaruit toegebracht wordt; en om in die beschouwing en vergelijking hetgeen hij heeft te genieten. Het andere is, om voorwaarts te zien verder als de tegenwoordige tijd, en om, als ‘t ware, de langzame en trage bewegingen van de tijd voor te komen door een soort van vooruitzicht of voorzienigheid. Kortom, hij is een schepsel dat met meer verstand geformeerd en voorgebracht is, dan andere beneden schepselen; en dat dus meer vatbaar is voor blijdschap in de tegenwoordige dingen. En voor meer vooruitzicht van het toekomende: hij is wel sterfelijk geschapen, maar nochtans met een onsterfelijke geest, zijnde van een onsterfelijke vatbaarheid of vermogen, zijn oog hebbende op de dag van morgen, op de eeuwigheid. Hierin bestaat nu de mens zijn gelukzaligheid of ellende, hoe hij zichzelf beschouwt, en wat hij tot de stof van zijn blijdschap en roem verkiest; alsook wat voorzorg hij heeft voor het toekomende. Indien deze dingen recht gesteld en bestuurd worden, dan is alles wel; maar zo niet, wee de mens, want dan is er meer verwachting van een onredelijk dier, dan van hem.

De mens zijn natuur is genegen om zich in het een of ander te beroemen: en dit ontstaat uit het besef van enige uitmuntendheid of voordeel, hebbende dus zijn oorsprong in het verstand van de mens, hetwelk de dieren zeer ver overtreft. De dieren vinden wel de dingen zelf, maar zij hebben of kunnen geen acht geven op hun eigen genieting ervan; en daarom zijn ze ook niet vatbaar voor zo’n vermaak: want hoe onderscheidener kennis van de dingen, met betrekking op onszelf, hoe meer genoegen en vermaak daar uit moet volgen. Vele schepselen hebben zonderlinge hoedanigheden en deugden, maar zij zijn daarom niet te gelukkiger, omdat zij ze niet kennen, of er enig gebruik van hebben; maar zijn geheel geschikt voor het gebruik van de mens, die daarom alleen gezegd wordt ze te genieten, omdat hij alleen vatbaar is voor de blijdschap daaruit. Dit kan ons een kleine schets geven van die volstrekt onbegrijpelijke gelukzaligheid, zelf-behaaglijkheid, en blijdschap van God: deze kan niet anders dan onmetelijk groot zijn, omdat de kennis van Zichzelf en van alle schepselen oneindig is; Hij begrijpt volkomen al Zijn macht, deugdzaamheid en goedheid; en naar die mate is nu ook Zijn blijdschap en verheuging.

Daar is dan een roemen dat goed is, en daar een mens natuurlijk toe geschapen is; en dit is het dat David uitdrukt, Ps. 34:3: mijn ziel zal zich beroemen in de Heere. En psalm 44:9: in God roemen wij de gansen dag, en Uw Naam zullen wij loven in eeuwigheid. Wanneer de ziel de algenoegzaamheid, en die zelfgenoegzaamheid van God begrijpt; wat oneindige schatten van goedheid, wijsheid en macht daar in Hem zijn, en hoe gevoegd en gepast hij voor de ziel is; wat een aangename overeenkomst daar is tussen Zijn volheid en tussen onze ledigheid, Zijn barmhartigheid en onze ellende, zijn oneindigheid en onze ongeschiktheid, en dat er in Hem een genoegzaamheid is om de ziel te vervullen en te doen overvloeien: de bevatting hiervan kan niet anders dan de ziel vervullen met blijdschap en vermaak. U weet hoe de zinnen verkwikt worden, wanneer zij hun gepaste voorwerpen ontmoeten; hoe een aangename reuk de reuk verkwikt; en hoe de levendige en schone kleuren voor de oog genoeglijk zijn. Doch dat is hier nog veel meer; want God is het gelijkmatige Voorwerp van de onsterfelijke ziel; Hij komt overeen met al haar vermogens; die vervullende met een onbegrijpelijke zoetigheid. Maar, mijn geliefden, het roemen in Hem ontstaat niet alleen uit de gelijkmatigheid en gepastheid van Hem voor onze zielen; maar daar moet een eigendom aan Hem daarbij komen. De dingen worden wel bemind omdat ze uitnemend zijn in zichzelf, of omdat zij de onze zijn: maar wij roemen nergens in, dan omdat het beide uitnemend is in zichzelf, en ook ons eigen is. Het is het begrip van aandeel in iets te hebben, dat de ziel zich op deze wijze doet verblijd zijn; dat wij zo een als ons eigen hebben, zo’n Heere voor onze God, Een Die zo hoog en verheven is. En Die zo volkomen algenoegzaam is, aan ons overgedragen te hebben: hier is de onmiddellijke grond van de roem van de ziel. En waarlijk, gelijk er niets is dat zo’n bekwaam en gepast deel kan zijn; zo is er ook niets, dat zo waarlijk de onze gemaakt kan worden, dan God. Onder alle dingen die een gelovige heeft is er niets dat zozeer zijn eigen is, dan God; niets dat zo onverbrekelijk aan hem vast, en dat zo onafscheidelijk aan hem verbonden is. Ziet om deze reden Paulus’ roem en triumf. Rom. 8. Daar is niets, dat waarlijk de ziel eigen kan genaamd worden, dan hetgeen dat niet alleen van gelijke duurzaamheid met haar is, dat de sterfelijkheid, en de veranderingen van het lichaam overleeft; maar dat ook onafscheidelijk is ervan. O! Wat een armhartig en leeg geluid is alles niet, wat er van Hem gesproken kan worden, totdat uw ziel Hem komt bezitten? Dat alles kan uw ziel niet van blijdschap doen opspringen; maar het hart van een gelovige moet noodzakelijk daardoor opgewekt worden.

Nu is er ook een geoorloofde roem, wanneer men zich verheugt in de werken Gods. Dit is als een gevolg van het eerste, hetwelk als een kleine stroom is die uit de grote rivier uitloopt, en zich daar weer in ontlast. Een ziel die God waarlijk begrijpt, zal zich verheugen in de werken Gods te aanschouwen, welke zulke uitdrukkingen van hem geven, en een gedeelte zijn van de grootheid van onze hemelse Vader. Doch dit is alles met betrekking op Hem, en niet op onszelf; want dan ontaard en verliest zij haar zoetigheid, wanneer het ‘t kanaal keert tot versiering van het schepsel. De ware roem in God heeft noodzakelijk een ootmoedige en nederige achting van de mensen zelf in zich, die daarmee gepaard gaat; want de zachtmoedigen zullen het horen en verblijd zijn. Psalm 34:3. Gelijkerwijs de ootmoedigheid en zelfledigheid David deed uitgaan uit zichzelf, om in God voldoening te vinden; en die daar gevonden hebbende, roemt en juicht hij daarover: zo was er ook niemand in staat om zijn gejuich te verstaan, of aan zijn blijdschap deel te hebben, dan de ootmoedige zielen. Nu kunt u ligt opmaken, hoe ver deze roem, daar hier van gesproken wordt, ontaardt geworden is van die daar wij nu van hebben gesproken; en dus ook hoever de natuur van de mens bedorven is. En beroemt u niet, enz. De ware roem daar wij nu van gesproken hebben, en daar wij toe geschapen zijn, heeft een genoegzaam fondament, namelijk zo een die het gewicht van gejuich kan dragen; doch die, daar nu de ziel van de mens natuurlijk op gezet is, kan zo’n roem niet dragen; en daarom maakt deze roem de mens bespottelijk en belachelijk. Indien u iemand zich zag beroemen in vuile verscheurde klederen, zichzelf voorgevende om daar in verwonderd te worden; of dat iemand hem beroemde in enige ijdele, verachtelijke en geringe zaken; zoudt u geen medelijden met hem hebben, of hem belachen als een die niet bij zijn zinnen was? Doch de waarheid is, de natuurlijke mens is onzinnig, heeft zijn oordeel verloren, en is onder de grootste krankzinnigheid die te bedenken is, sedert de val: die val heeft hem de hersenen gekrenkt, en die worden nooit weer terecht gesteld, totdat de nieuwe schepping alles komt terecht brengen, en het hart van de mens komt bedaren. Ik zeg, alle andere krankzinnigheden zijn maar particulier, met opzicht op particuliere dingen; maar daar is een algemene krankzinnigheid met betrekking op de dingen van een algemene en een eeuwige aangelegenheid. Nu behouden de dwazen of krankzinnige mensen hartstochten en passies, die in andere mensen zijn, gelijk als haat, liefde, toorn, droefheid, blijdschap, enz. Maar dat is zoveel te erger, terwijl het verstand, of oordeel dat dezelve alleen bestiert of regeert, beroert is: nu werken zij omtrent verkeerde voorwerpen, zij lopen in het wilde, zijn onder geen regel; en dus wordt de arme mens daardoor voortgedreven, en is in een zeer jammerlijke staat. Zo is het waarlijk nu met ons gesteld; sedert de zondeval is de ziel geheel van God afgekeerd, Die het enige Voorwerp van blijdschap en vermaak is, en in Wie alleen er een vaste roem zijn kan. Het verstand van de mens is verblind, en zijn passies zijn sterk, zodat ze nu besteed worden op ledige ijdelheden, en voortgedreven worden zonder oordeel. Menigmaal roemt de mens in hetgeen dat zijn schande is, en in hetgeen dat zijn zonde is, dat hem niets dan schande veroorzaken kan, naarmate hij daar belang in stelt. Daar is in de mens een vergetelheid van God, en in deze duisternis van onkunde Gods, wordt elke zaak begrepen of misgrepen, naardat het tegenwoordige gevoel inboezemt; en gelijk het zich een gevoeglijkheid en uitnemendheid verbeeldt, daar wordt de ziel heen gedreven alsof dat wat groots was, en dan is het maar als een oostenwind. Daar is niets, behalve God, dat een bekwame stof van roem is, omdat er altijd een van de wezenlijke ingrediënten in ontbreekt: of het is niet gevoeglijk en gepast voor de ziel; of het is ons eigen niet: daar ontbreekt òf een gelijkmatigheid met onze grote vermogens en de ledigheid van onze begeerten, waardoor het die dan niet waarlijk vervullen kan, dan alleen in een verleidende droom of verbeelding; waarom zij dan veeleer kwelling dan roem veroorzaken zal: òf daar ontbreekt een eigendom en belang in de dingen; want zij zijn in hun eigen natuur, en door goddelijke vaststelling veranderlijk en vergankelijk, zodat zij niet begrepen kunnen worden het eigenlijke goed te zijn van een onsterfelijke ziel: zij kunnen niet waarlijk ons eigen zijn, omdat ze eerlang zullen ophouden te zijn; en eer zij noch ophouden te zijn, kunnen zij in een ogenblik ophouden de onze te zijn: die band van aandeel is maar als een strik of lis-knoop; want alles wat maar het einde daarvan vastgrijpt, trekt hem los.

Het voorwerp van het ontaard en zondig roemen wordt hier nu voorgesteld; en beroemt u niet, of uzelf niet. Wat nu ook de onmiddellijke stof ervan mag zijn, zo is dit altijd het uiterste en voorname voorwerp. Sedert de mens zijn afval van God, is het eigen zelf het centrum van al zijn genegenheden en bewegingen: dit is de grote afgod, de Diana, die het hart aanbidt, en al de twist, arbeid, het geroep en de zorg die er is onder de mensen, is, om zo te spreken, om hun zilveren tempeltjes, of om iets dat betrekking heeft om deze afgod te versieren en voor te stellen. ‘t Is waar, sedert dat het hart afgekeerd is van die directe onderwerping aan God, zo zijn de genegenheden verstrooid en in oneindig veel kanalen verdeeld, welke tot ontelbare voorwerpen uitlopen; want het gebrek van die oorspronkelijke eenheid, welke een algemene overvloed in haar schoot begrijpt, moet noodzakelijk een oneindige onderscheidenheid voortbrengen, om de onverzadelijke begeerte van de ziel te vervullen. Dit moest genoeg zijn om u te overtuigen, dat uw zielen geheel ontsteld en van de weg afgedwaald zijn, omdat zij zich op zo’n veelheid van ongenoegzame en onvoldoenende dingen uitlaat, waar van elkeen te nauw bepaald en leeg is, en de samenvoeging van die allen een zaak is, die of onmogelijk, of onwaarschijnlijk is om te verkrijgen. Doch wij mogen begrijpen, dat de mens zijn genegenheden zich in drie grote hoofdzaken van de geschapen dingen verdelen: waarvan de eerste uitloopt omtrent de goedheden en volmaaktheden van het gemoed; de tweede omtrent de goedheden en voordelen van het lichaam; en de derde omtrent zulke dingen die buiten ons zijn, bona fortuna, rijkdommen, eer, enz. Nu heeft elkeen van deze ook verscheiden stromen en riviertjes die daaruit voortvloeien; doch die alle, schoon die een directe koers schijnen te nemen omtrent andere dingen, nemen nochtans een keer, en maken dus een circulaire voortgang tot de grote oceaan van zelfachting, waaruit zij eerst zijn voortgekomen. Deze alle kunnen wij vinden liggen onder een goddelijke uitspraak van de vloek, als tegengesteld zijnde tegen de roem in God, Jer. 9:23. Zo zegt de Heere: een wijze beroeme zich niet in zijn wijsheid; en de sterke beroeme zich niet in zijn sterkheid; een rijke beroeme zich niet in zijn rijkdom.

1. Terwijl de mensen op zichzelf zien, en enige begaafdheden en bekwaamheden in zich bevinden boven andere mensen, onder welke de wijsheid de voornaamste is, en hier voor alle inwendige voordelen of bekwaamheden van de ziel staat; in deze verborgen aanmerking en vergelijking van zichzelf legt een stilzwijgend roemen, dat nochtans een luidroepende lastering is in de oren Gods. Het is bijna onmogelijk voor een mens, om zijn eigen gaven te overzien, gelijk als wijsheid, geheugen, verstand, gauwigheid van begrip, gereedheid van uitspraak, goedheid en zachtmoedigheid, en dergelijke; of hij moet in zo’n gezicht opgeblazen worden, enige uitnemendheden in zichzelf begrijpende boven andere mensen, en zich daar in behagende, welke zijn de twee daden van roverij, die in het roemen gevonden wordt. Dit ontstaat gewoonlijk uit ongelijkmatige vergelijkingen; wij behagen onszelf dat wij deterioribus meliores, beter zijn dan de ergsten; en dus bouwen wij onze achting op de puinhopen van het nadeel van andere mensen, alsof het een stuk van prijswaardigheid en roem was in ons, dat zij erger zijn dan wij; evenals iemand die op een hoogte staat en dus zijn eigen hoogte afmeet, niet van zijn rechte grootte, maar van het voordeel van de grond daar hij op staat, daardoor hij zichzelf bedriegt. Mij komt hier een woord van Salomo te binnen, waardoor hij te kennen geeft, wat een gevaarlijke zaak het is voor een mens, om op zijn eigen eer te zien, of om die te onderzoeken, Spr. 25:27. "Veel honing te eten is niet goeds: maar de onderzoeking van de heerlijkheid van zulke dingen is eer; of (gelijk de Engelsen het overzetten) dat ook alzo de mensen hun heerlijkheid onderzoeken, is geen eer. Zich met de overmaat van honing of andere zoete dingen te vervullen, dat verkropt de maag en drijft ook tot braking, vers 16. Schoon de honing zoet is, zo is er nochtans grote noodzakelijkheid van verhoeding en matigheid daar omtrent. Maar dat nu ook een mens in zijn eigen boezem gaat onderzoeken, en dus zijn eigen uitmuntendheden gaat overwegen om stof van roem te vinden; of dat hij opzettelijk dat bij anderen begeert, onderzoekende naar de achting die anderen van hem hebben, dat is geen eer, maar een gevaarlijke en schandelijke dwaasheid.

Dit is nu niet alleen eigen aan natuurlijke geesten op de overweging van hun voordelen; maar zelfs aan de allergrootste begenadigden, wanneer zij hun geestelijke begaafdheden en voorrechten overdenken. Dit is zo’n fijn en indringend vergif, dat het zich algemeen verspreidt, en de allerkostelijkste zalf van de ziel aansteekt en besmet, en, als het ware, zelfs het tegengif vergiftigt; zo krachtig is dit vergif dat eerst door de boze nijd van de satan in de mens zijn natuur ingestort is, dat het zich verspreidt tot in de verootmoediging en nederigheid zelf, de mens hoogmoedig makende vanwege zijn nederigheid en ootmoedigheid. Hierom vond het de apostel nodig om hier tegen te waarschuwen, Rom. 11:18,19,20. Zo roemt niet, zijt niet hoog gevoelende, meer vreest; gij staat door het geloof. En hfdst. 12:16. Tracht niet naar de hoge dingen, maar voegt u tot de nederigen en zijt niet wijs bij uzelven. Zo ook 1 Kor. 8:2. Zo iemand meent iets te weten, die heeft noch niets gekend, gelijk men behoort te kennen. Welk alles ons een klaar vertoog geeft, dat het roemen in zichzelf, en het behaaglijke dat wij in het beschouwen van onszelf hebben, zowel de grootste onkunde, als de ergste sacrilegie of heiligschennerij is. Het is een groter bewijs van onkunde, dat iemand meent wijs te zijn, dan waarlijk onwijs te wezen; het is de grootste en gevaarlijkste onkunde, dat wij zulke gedachten van onze kennis, gaven en genade hebben: want die maakt opgeblazen, en met ijdele windt gevuld en opgezwollen. En dan is het ook een grote heiligschennerij, een beroving van die eer, welke aan God toekomt. Dat toeëigenen van deze dingen als ons eigen, is een ontlening ervan van haar rechte eigenaar, die God is, 1 Kor. 4:7. Wat hebt gij, dat gij niet ontvangen hebt? En zo gij het ontvangen hebt, wat roemt gij, alsof gij het niet ontvangen had? Ik bid u dan, dat wanneer u zichzelf beschouwt, en u enig voorrecht, hetzij natuurlijk of geestelijk, in uzelf bespeurt, u dan altijd gedenken mag, dat dit woord van de hemel in uw oren klinkt, die roemt, roeme in de Heere, 1 Kor. 1:31. Een wijze beroeme zich niet in zijn wijsheid; en dus de geleerde niet in zijn geleerdheid, noch de welsprekende in zijn welsprekendheid, de verstandige niet in zijn vlugheid, noch de goede in zijn goedheid: al deze dingen, schoon ze zoet zijn, zullen nochtans iemand verkroppen; zich daar in te beroemen, is noch eer, noch voordeel, niet heerlijk noch profijtelijk.

2. Maar dan vloeit de stroom van zich te beroemen ook in het kanaal van lichamelijke gaven, van macht en sterkte van het lichaam, schoonheid en bevalligheid, en andere diergelijke begaafdheden; welke roem behalve dat die alzo onredelijk is als de voorgaande, in het heilloos toeëigenen van de allerwijste en willekeurige gaven Gods aan onszelf; zo is het ook ongerijmd, omdat die niet waarlijk onszelf zijn; die lichamelijke versieringen en begaafdheden volmaken noch verbeteren een mens niet, als een mens aangemerkt; zij zijn maar veranderlijke hoedanigheden van het vat of de tabernakel van een mens, waarin andere geringe schepselen hem kunnen overtreffen. Hoe vele schone en aangename zielen wonen er wel niet in onaanzienlijke en lelijke lichamen en lemen hutten, welke afgebroken zullen worden: en het grote voordeel is, dat de ziel van een mens niet besmet kan worden voor het lichaam, schoon het noch zo walgelijk en mismaakt mocht zijn; het slechtste of geringste lichaam kan de schoonheid van de ziel niet bederven. Maar aan de andere kant zo wordt het allerheerlijkste lichaam door de vuiligheid van de zonde in de ziel besmet en mismaakt. O! Hoe veel mismaakte en lelijke zielen wonen er wel niet in schone en heerlijke lichamen; dat waarlijk anders niet is, dan een duivel in een beeld dat fraai is uitgehouwen en geschilderd. De christenen hebben nodig om dit in zichzelf te bestraffen, namelijk een zelfbelachelijkheid, die gepaard gaat met verachting van anderen, uit aanmerking van die uitwendige gaven die God hun gegeven heeft. Wat een gruwelijke zaak is het niet, iemand te versmaden of in uw hart te verachten vanwege enige natuurlijke onvolmaaktheden, gelijk als blindheid, lamheid, mismaaktheid, of dergelijke. Laat dat woord altijd in uw oren klinken, wie onderscheidt u? Beroemt uzelf niet, enz.

3. Maar daar loopt in het derde kanaal een stroom die niet minder sterk loopt als in een van de twee voorgaanden; te weten de roem, welke ontstaat uit die uitwendige onderscheidingen welke Gods voorzienigheid gemaakt heeft onder de mensen; gelijk als rijkdom, eer, gewin, enz. Van zulke mensen kunnen wij lezen Ps. 49:7. Aangaande degenen die op hun goed vertrouwen, en op de veelheid huns rijkdoms roemen. Zo Spr. 10:15. Des rijken goed is een stad zijner sterkte. Insgelijks ook Spr. 18:2, des rijken goed is de stad zijner sterkte: en als een verheven muur in zijn inbeelding. Datgeen dat de Naam des Heeren is voor de rechtvaardigen, te weten de grond en het fondament van zijn vertrouwen voor tegenwoordige en voor toekomende tijden, dat zijn de rijkdommen voor de meeste mensen; die zijn de stad hunner sterkte, en hun verheven muur, daar hun hoop en verwachting op berusten. Deze zijn hun sterke toren, en hun muur van beschutting tegen de kwade en de ellenden van de tijd, welke de meeste mensen zoeken op te bouwen; en wanneer dat werk spoedig voortgaat, wanneer zij die verscheidene stenen of stukken winst op een hoop bijeen kunnen schrapen, zo verbeelden zij zich terstond behouden en veilig te zijn als achter een verheven muur; doch daar is geen waarheid of dadelijkheid in, het is alles maar in hun inbeelding; en daarom valt die menigmaal omver, hen beschadigende in plaats van hen te beschutten. Laat een mens, als ‘t ware, kruipen van de grond, daar de armen op leggen, en enig voordeel boven hen bekomen, of tot enige waardigheid of ambt verheven worden, en dus van zijn schouderen en opwaarts hoger gesteld worden dan het andere volk, of toenemen in enige overvloed van de dingen van dit leven; zo is het wonderlijk om te zien, wat een ijdelheid of opgeblazenheid des gemoeds daar aanstonds op volgt: hij meent terstond dat hij iets is, en dus vergetende wie boven is, voor Wie alle mensen maar als wormen zijn die op de voetbank van Zijn voeten kruipen; of ook op welke zandgrond hij zelf staat, zo begint hij enig behagen in zichzelf te krijgen, en anderen laag te achten die beneden hem zijn; hij begint als ‘t ware, zichzelf toe te juichen, en het kwalijk te nemen dat hij ook de approbatie en de toejuiching van anderen niet ontvangt; nu kan hij zo goed geen ongelijk meer verdragen als te voren; noch hij is zo zachtmoedig en inschikkelijk niet tegen zijn gelijken of tegen zijn minderen: toen hij arm was, sprak hij smekingen; maar nu antwoordt hij harde dingen, gelijk hem Salomo beschrijft, Spr. 18:23. Hoe veel ijdel en leeg roemen is er niet omtrent geboorte en standplaats, en welke dwaze twistingen daar over, alsof het kinderen waren die onder elkaar strijdende zijn om rang en ordening? Daar is in deze dingen geen waardij meer, dan de inbeelding en gewoonte daar op gebracht hebben; en nochtans roemen de arme schepselen op deze ledige dingen. De edellieden verachten de burgers, en de burgers verachten de arme landlieden; en nochtans heeft hun bloed in een bekken geen onderscheiden kleur, niettegenstaande al die hevige twisten omtrent bloed en geboorte. En beroemt uzelf niet, enz. Ja om eigenlijk te spreken, dit is uzelf niet. Qui genus laudat suum, aliena jacat. Zulke ouders of zo’n huis zijn uw eigen niet; deze zijn maar blote uitwendige dingen, welke voor eerloze mensen geen eer zijn, noch ook geen schande voor een die eerwaardig is.

Dus ziet u dan geliefden, wat nu de natuurlijke gestalte en neiging van onze ziel is in deze ontaarde en gevallen staat: gelijk de rivieren van het paradijs hun kanalen en koers sedert de val verloren hebben, en zo zijn ook de genegenheden van de mens en zijn roem veranderd; zodat wij waarlijk zeggen mogen, dat onze heerlijkheid in onze schande is, en niet in onze eer. Velen roemen in de ongerechtigheid en in de zonden, Psalm 10:3. De goddeloze roemt over de wens zijner ziel, hij zegent de gierigaard, enz. Ziet ook Psalm 94:4, doch dit zal zeker hun schande zijn voor mensen en voor engelen. Hoe vele goddelozen beroemen zich niet in hoge en dure eden te zweren? Ook hebben sommigen gestreden om daarin de victorie te behalen: u acht dit als een stuk van edelmoedigheid; doch het is gelijk de triumf van de duivelen in de hel over het bederven van de zielen. Sommigen beroemen zich over hun drinken, en dat zij anderen onder de voet kunnen drinken: doch wij moesten over zulke gruwelen treuren en vernederd zijn. Ik houd mij verzekerd, dat velen zich beroemen in boze oogmerken, en in kwaadaardige voornemens tegen hun naasten, wanneer zij die maar bereiken kunnen; zij achten het hun eer geen ongelijk te ontvangen, zonder een groter ongelijk in de plaats te geven; noch geen kwaad woord te verdragen, zonder twintig die erger zijn, in de plaats te vergelden. Helaas! Deze roem zal eens veranderen in een gekners van de tanden, en in die altijd knagende en bijtende worm van het geweten. Wat zult gijlieden doen ten dag der bezoeking? En waar zult u uw heerlijkheid laten? Jes. 10:3. De meeste roemen in de dingen die geen nut doen, en die hun tot schande zullen zijn, omdat zij daar in roemen. Zij, die zich beroemen in de gaven Gods, het zij uit- of inwendige, tijdelijke of geestelijke, waarin zij enig voordeel hebben boven anderen; deze wilde ik dit zeggen aanprijzen, om behoorlijk overwogen te worden. En beroemt uzelf niet, enz.

Wat u ook zijn mag, of wat u ook hebben mag, beroemt uzelf daar niet over, noch hebt daarom geen hoge gedachten van uzelf. Schoon er een onderscheid is in Gods gave, laat er echter geen onderscheid zijn in uw eigen achting. Hebt u meer wijsheid, groter verstand, of meer geleerdheid dan een ander? Denkt daarom niet meer van uzelf, als u van de onkundigen en ongeleerden denken zoudt, welke die dingen missen: hebt diezelfde gedachten van uw onwaardigheid, die u oordeelt dat betamelijk zouden zijn dat anderen moeten hebben, welke die begaafdheden missen. Is er een groter mate van genade in u? Beroemt u daar niet over, maar acht uzelf als daarvan afgetrokken en ontbloot; en laat dat niets tot uw waarde toedoen, noch acht uzelf daarom niet te meer; laat dat bij u het overwicht niet hebben, om u uw zelf heimelijk boven een ander te doen verheffen. Hebt u enig ruimer lot in de wereld, of enige hogere standplaats onder de mensen, of enige bekwaamheden en volmaaktheden des lichaams of van de ziel, welke u heimelijk verlokken zouden om uw eigen hand te kussen, en om voor uzelf neder te buigen; gedenkt nochtans, dat u zich niet beroemen mag; en wilt u zich nergens in beroemen, dan in de Heere: laat niets van dat soort meer achting voor uzelf, noch verachting van anderen verkrijgen of teweeg brengen: laat niets van dat soort de regel zijn waarnaar u zichzelf oordeelt, maar behoudt veel de andere zijde van uzelf onder uw gezicht, dat de ergste zijde is, en houdt die het meest in uw oog, opdat u alleen mocht roemen in de Heere. Bent u een edelman? Arbeidt dan zo nederig van hart te zijn, als u oordeelt dat een arme landman wezen moest. Bent u een geleerde? Weest dan zo gering in uw eigen ogen, als de ongeleerden zijn moesten. Bent u rijk? Acht daarom uzelf niet een haartje beter, dan de armen. Ja hoe hoger God u in standplaats of bekwaamheden heeft gesteld, hoe lager u zichzelf stellen moet: en beroemt uzelf niet om iets dat in uzelf is, of om hetgeen u bezit; want het eigendom aan alle goed is ons sedert de val ontnomen, dat is nu gevallen in Gods handen, terwijl wij dezelve verbeurd hebben; en nu is er niets dat eigenlijk het onze is, dan het kwaad, dat is, onszelf.

 

2e predikatie over Spr. 27:1

En beroemt u niet over de dag van morgen: want gij weet niet wat de dag baren zal

Gelijk de mens natuurlijk genegen is om op iets te roemen, (want het hart moet het een of ander voorwerp hebben om op te rusten, en om genoegen te hebben; want het is met zo’n vermogen geschapen van andere dingen te gebruiken) zo is er ook een sterke neiging in hem omtrent het toekomende; hij heeft een onsterfelijke begeerte, en een begeerte van onsterfelijkheid, en daarom strekken zijn begeerten zich gewoonlijk verder uit, dan tot de tegenwoordige ure. Hoe meer kennis hij nu boven andere schepselen heeft, hoe meer voorzorg en vooruitzicht hij ook heeft van de toekomende tijd. En dus vervroegt hij menigmaal de toekomende dingen door een tegenwoordige verheuging en blijdschap daarin, gelijk hij, als ‘t ware, door zijn ernstige begeerten en betrachting ervan zich verhaast. Indien de ziel van de mens nu in haar eerste oprechtigheid was, en zo’n klaar en doordringend oog des verstands had, als te voren: dan zou deze voorzorg en vooruitzicht van de ziel de uiterste palen van de tijd bereiken, dat is, tot de eeuwigheid; dat de juiste mate van duurzaamheid is van een onsterfelijke geest. Doch terwijl het oog van de mens zijn verstand duisternis is, en zijn ziele ontstelt is, zo kan hij van ver niet zien, noch ook niet klaar zien. De mens is nu, gelijk men zegt, stikziende; hij kan niets op zo’n afstand zien dat buiten de palen van de tijd is, niets dan hetgeen dat voor handen is; de dag van morgen is de nauwe kring van het begrip van de arme mens; alles waar hij toe komen kan, is om voor het tegenwoordige te zorgen: ik noem het alles tegenwoordig, zelfs dat, hetwelk van onze tijd noch toekomende is; omdat het ten aanzien van de eeuwigheid geen delen heeft, geen toenemen noch voortgang; het wordt zo ras afgesneden als een ogenblik: zodat, schoon een mens het einde daarvan zien kon, zo zou het echter maar een kort en een duister gezicht zijn; het is alsof een mens maar alleen dat beschouwen kan, dat bijna aan zijn oog was.

Dit zijn dan de twee grote verderfelijke ondergangen van de mens zijn natuur: hij is van God ontaard en afgeweken tot geschapen dingen, zijn rust en genoegen zoekende in hetgeen daar niets dan het tegendeel, te weten, kwelling des geestes te vinden is: en dan is hij ook vervallen van het begrip van een eeuwigheid, en zijn arme ziel is bepaald binnen de enge palen van de tijd. Zodat nu al zijn voorzorg maar is, om enige vergankelijke dingen te verzamelen voor enige weinige omkeringen van de zon, voor enige weinige dagen van morgen; na welke, schoon er een eeuwige morgen op volgt, hij echter die niet opmerkt, noch daar voor zorgt; en al zijn roem is maar alleen op enig vermetel vertrouwen, en ongegronde verzekering van de vastigheid van deze dingen voor het toekomende: waarin de wijze Salomo zo vele dwaasheid bevindende, ons deze raad nalaat, en beroemt u niet over de dag van morgen; met noch een dringende reden daarbij, die genomen is ten dele uit de onvastigheid en ongestadigheid van al die uitwendige dingen, in welke de mensen zich een eeuwigheid van blijdschap beloven; en ten dele van onze onkunde van de toekomende gebeurtenissen; want u weet niet wat de dag baren zal.

Deze roem is een kwaad, dat zo onder de mensen heerst, dat ik geen ander kwaad ken, dat meer algemeen is in zijn heerschappij, of dat meer schadelijk is voor ons, of dat meer onbehaaglijk is voor God. Indien het voor u zo ontwijd kon worden, dat u de menigvuldige monstrueuze brutaliteiten van atheïsterij en ongodsdienstigheid waarlijk onderscheiden kon, dat zou een wenselijk werk zijn. Doch ik zal hier geen uitstap doen; ik zal mij binnen de palen houden van mijn tekst. U ziet dan, dat het beroemen van zichzelf datgene is, hetwelk hier verboden wordt; en dat de blote naam bijna genoeg is, om het te veroordelen. Maar daar wordt een andere bijzonderheid bijgevoegd om dat te bepalen, te weten, over de dag van morgen. Onder alle dingen daar men zich over beroemt, is er geen onredelijker en ongegronder, dan die welke ontstaat uit vermetelheid van toekomende dingen, welke zo onzeker zijn, zowel in zichzelf, als voor ons.

Het is zijn opmerking wel waardig, dat, wat ook de onmiddellijke en bijzondere stof en gelegenheid is van de mens zijn roem, het eigen zelf nochtans altijd het grote en uiterste voorwerp daarvan is; het is het eigenzelf daar de mensen zich in beroemen, wat geschapen zaak ook de reden of gelegenheid daar toe is. En beroemt u, of uzelf niet, enz. Hier zouden wij een weinigje bij staan kon en, om de verdraaidheid en verkeerdheid van de mens zijn natuur sedert zijn afwijking van God te bezien. De eigenliefde en de hoogmoed waren het eerste venijn; dat de boosheid van de satan in de mens zijn natuur instortte; hetwelk zo sterk en besmettelijk is, dat het zich verspreid heeft over het ganse mensdom, als ook over alles in elk mens Elk mens is daarvan besmet, en ook alles in elk mens. Wat zijn anders al die ongeregelde genegenheden, dan zo vele stromen welke van deze fontein voortvloeien? Zodat er niets onbesmet en vrij is van dit snood en gruwelijk ingrediënt; maar alles vloeit nu van het eigenzelf, en keert ook wederom daarheen; hetwelk zowel een heilloze beroving, als onnatuurlijk is. Daar is een heilloze beroving in, namelijk een beroving van de heerlijke Goddelijke Majesteit, van Zijn onbetwistbaar voorrecht en onmededeelbaar recht op al de heerlijkheid en eer van Zijn schepsel. Daar is geen gewelddadiger in drang dan deze, dat een worm die op de aarde krioelt, op de troon kruipt en zich daar als koning neerzet, dat die zichzelf vergoodt en aanbidt, en al de inkomsten van prijs, heerlijkheid en liefde die de Heere God almachtig alleen toekomt, verkeert en voor zichzelf inzamelt; hetwelk is, alsof de bijl zich beroemen wilde dat hij geen ijzer, of de staf dat die geen hout was. Hierom is het, dat van alle kwaden in de mens zijn natuur, God de allervolkomenste antipathie of tegenzin heeft tegen de hoogmoed of eigenliefde, omdat dit een sacrilegie of afgoderij is in de hoogste trap: zij staat naar de soevereinheid en eer van Gods Naam, die Hem zo dierbaar is als Zichzelf; zij richt een snode afgod op in de keurlijkste tempel Gods, namelijk het hart; deze is de gruwel der verwoesting: andere zonden staan naar zijn heilige wil; maar deze naar de natuur en het wezen Gods, en dus is dezelve zwanger met godslastering; de atheïsterij is het hart en het leven van dit kwaad. Maar dan is het ook alleronnatuurlijkst, en dus zeer monstrueus en wanschapen. Want beschouwt maar de ganse schepping, schoon elk schepsel zijn bijzondere neiging heeft tot zijn eigen einde, en dus een gelukzaligheid bezit die gepast is naar elk zijn bijzondere natuur; zo is er nochtans, hoe onderscheiden en tegenstrijdig zij ook wezen mogen, geen eigenzelfsheid in; maar zij komen alle overeen, en zijn behulpzaam ten goede van het geheel, en tot onderlinge hulp van elkaar. Indien dat vergif de stoffelijke wereld eens besmette, hetwelk de geestelijke wereld bedorven heeft; of laat zo’n eigenzelfsneiging of gesteldheid enig gedeelte van de wereld innemen en bezitten, dan zal terstond de orde, harmonie, schoonheid, verkwikkelijkheid en nuttigheid van de gehele wereld verstoort, ontsierd en bedorven worden. Laat de zon eens verondersteld worden zich te beroemen over haar licht en invloed, en zich dus te verontwaardigen om dat aan de benedenwereld mee te delen, dan zal alles in verwarring moeten lopen. Nog eens, beschouwt ook deze gesteldheid in de persoon van een ander, (want wij zijn meer gereed om de kwaden van anderen te zien, dan van onszelf) en ziet dan hoe wanstaltig dezelve is. Zo snood is de eigenzoeking en eigen roem, dat alle mensen die in een ander haten, en het voor anderen verbergen; zij ontsieren alle daden, hoe schoon en heerlijk ze ook zijn mogen; zij zijn de pest en het verderf van de menselijke samenleving, die al de schakels daarvan los maken, en ze tegen elkaar dwars doen inlopen.

Maar helaas! Wat is het niet veel gemakkelijker om zo’n kwaad af te schilderen in een wanschapen gedaante, dan om het te onderscheiden in onszelf? En hoe velen zullen het niet haten in het beeld, die het nochtans beminnen en onderhouden in hun eigen persoon? Zulk een bedrieglijkheid is er vermengd met de allerdodelijkste goddeloosheid. Ik geloof waarlijk, dat dit het overheersend kwaad van alle mensen is, goeden en kwaden, uitgenomen in zoverre, als het door genade gedood is. O! Wat zijn er niet een keringen en wendingen in het hart naar zichzelf, in al de blijkbaarste en directe bewegingen tot God en het goede van de mensen? Wat slangachtige en verkeerde omdraaiingen zijn er niet in de ziel van de mens, wanneer de uitwendige daad, en de uitdrukkingen allergeregeldst schijnen bestuurd te worden omtrent Gods eer en de stichting van de naast? Wie is er onder u, die met zijn eigen geest maar de minste kennis heeft, die deze dingen niet weet, en beschaamt en schaamrood moest worden over de gedachten daarvan? Eigen roem, eigen behaaglijkheid en eigenzoeking, als aan elkaar vermaagschapt zijnde, vleien zich in uw beste begrippen in, dezelve met meer atheïsterij voor God besmettende, dan de sterkste en godvruchtigste geneigdheid daar goedheid in kan brengen. Hoe menigmaal zullen de mens zijn daden en uitdrukkingen niet uitwendig bekleed zijn met een kleedt van inwilliging en zelfverloochening? Ook kunnen velen met zo’n ijver en hevigheid tegen dit kwaad uitvaren en redeneren, en dat nochtans latet anguis, de slang in haar boezem is, om haar venijn uit te storten in het hart: en het vergif van eigenzoeking en eigen roem kan door al de aderen van een schijn-ootmoedig gedrag en hevige redeneringen van de zelfverloochening doortrekken. Och! Dat wij eens boven en voor alle dingen dat fundamentele beginsel van het christendom in onze harten bevestigd hadden, indien wij anders Christus’ discipelen willen zijn; namelijk, om waarlijk en oprecht en niet in uitwendige schijn, onszelf en onze begeerlijkheden te verloochenen: en om onze liefde, onze wil, onze heerlijkheid, en alles over te geven aan Hem, in Wie onszelf te verliezen wij onszelf alleen waarlijk vinden.

Doch schoon de mens nu deze wonderlijke, zichzelf tot een afgod makende, en eigenroemende natuur heeft, zo is hij nochtans zo’n armhartig schepsel, dat hij geen genoegzame stof in zichzelf heeft, om zijn hart genoegen te kunnen geven; en daarom moet hij van alle uitwendige dingen iets ontlenen; en wanneer van de dan enig soort van eigendom en recht tot dat komt, dan roemt hij in zichzelf vanwege die dingen, alsof zij waarlijk in zichzelf waren. Wij zijn van nature allerbehoeftigste schepselen, en nochtans allertrotst en hoogmoedig, hetwelk alleronnatuurlijkst is. Daar is niemand die van zichzelf verzadigd wordt (dan de goede mensen, Spr. 14:14), maar hij moet steeds aan de deur van elk schepsel gaan om die te zoeken; en wanneer er dan enige veren of pluimen van andere vogelen ontleend zijn, dan beginnen wij met die dwaze vogel daar de fabel van spreekt, onze kuif op te steken, alsof wij die alle van onszelf hadden, en niemand daarvoor dank te wijten hadden. Doch gelijk de dingen die waarlijk ons eigen zijn, niet genoegzaam kunnen wezen, om deze vlam van roem en glorie te voeden zonder bijkoming van uitwendige dingen; zo kunnen ook de tegenwoordige dingen en de tegenwoordige tijd geen voedsel genoeg opleveren voor deze gesteldheid, zonder de dag van morgen daar bij te voegen.

Beroemt u niet over de dag van morgen. Niemands tegenwoordige bezitting kan hem voldoening geven, zonder de hoop en verwachting op het toekomende daar bij te doen. En hier in blijkt de armoede van de mens zijn geest en de ledigheid van alle dingen welke wij hier genieten, dat onze tegenwoordige inkomst, als het ware, het hart niet vergenoegen kan: de tegenwoordige bezitting vult de ledigheden van het hart niet, zonder de vervulling van onze verbeeldingen, door, om zo te spreken, zoveel te ontlenen op de dag van morgen: gelijk een ongebonden of ongeregelde doorbrenger, met zijn jaarlijkse inkomsten niet toe kan komen, maar die zoveel van zijn kapitaal of van de renten van het volgende jaar opneemt, eer die daar zijn; en dus begint te teren, eer het jaar gekomen is; en wanneer het de gekomen is, zo kan het dikwijls zichzelf niet voldoen: evenzo kan het onverzadelijk en behoeftig hart van de mens niet bestaan, of zijn blijdschap en vergenoegen voeden met de gehele wereld, schoon hij die voor tegenwoordig in zijn bezitting had, zonder enige hoop en verwachting voor het toekomende daar bij te doen. En daarom vervroegt en onderschept de ziele, als het ware, de dag van morgen, daar zoveel tegenwoordige blijdschap en roem van lenende, welke, wanneer die komt, mogelijk de hand van de maaier niet zal vullen, veel minder de schuit van roem betalen, die op rekening daarvan was opgenomen of die verwachting voldoen die men daar op had; ziet Job 8:13, en hoofdst. 11:18,20. De hoop en verwachting is als een huis voor iemand; maar voor velen zijn ze niet anders dan een huis van de spinnekoppen. Hier hebben wij dan een klaar vertoog van de dwaasheid en onzinnigheid van de mensen, die zich zozeer verlaten op afwezige dingen, en zich laten vormen en fatsoeneren in hun genegenheden en de verscheidenheid van de uitwendige toevallen.

Dit zal blijken, wanneer wij eerst de onafhankelijkheid van alle dingen van ons en onze keuze aanmerken. Daar is niets onredelijker, dan dat wij onze hartstochten beroeren omtrent hetgeen dat niet onder onze overweging en beraadslaging valt, gelijk zo de meeste toekomende dingen zijn. Wat morgen zal zijn, wat er van mijn goederen, van mijn standplaats geworden zal, wat uitkomst mijn voornemens en oogmerken zullen hebben, deze dingen zijn niet in mijn hand, maar hangen af van de wil, voornemens en daden van andere mensen, die niet in mijn macht zijn; en daarom, zo is, of het roemen op dat wat van een samenvloed van zo vele oorzaken, welke aan mij niet ondergeschikt zijn, afhangt; of de kwelling en de ontrusting over een vooraf begrip van dat wat in mijn macht niet is om te kunnen voorkomen, niet alleen ongodsdienstig, als zijnde tegen het gebod van de Zaligmaker, Matth. 6, maar ook onredelijk, dat zelfs de natuur veroordeelt: zijt dan niet bezorgd tegen de dag van morgen; en vervolgens dan ook, beroemt u niet over de dag van morgen: en daar wordt een drangreden bij gedaan, wie toch van u kan met bezorgd te zijn een el tot zijn lengte toedoen? Vers 27. Waartoe dienen dan die kwellingen of roemingen, welke toch geen kwaad kunnen voortkomen, noch geen goed kunnen aanbrengen? Waarom zouden onze genegenheden afhangen van de bewegingen van anderen? Dit doet een mens te groter slaaf en gevangene zijn, zodat hij de heerschappij en de macht niet heeft over zichzelf. Maar de ijdelheid van zulke genegenheden wordt temeer vergroot, wanneer wij die allerhoogste en eeuwige wil aanmerken, door welke al deze dingen bepaald zijn: en daarom is het tevergeefs, dat de schepselen zichzelf meer ellendig maken, of zich stellen in een gewaand paradijs, dat haar naderhand meer ellende veroorzaken zal, en dat om die dingen die vastgebonden zijn aan die noodlottige schakel van Zijn eeuwig voornemen.

Maar dan blijkt ook ten andere de mens zijn dwaasheid uit de ongestadigheid van deze dingen. Daar is zo’n oneindige verscheidenheid van toevallen van de voorzienigheid, dat het een onzinnigheid is, dat een mens zich vermeten zou om op iets te roemen, of om genoegen daarin te nemen; omdat vele dingen terstond komen en weggaan, vallende tussen de beker en de kin, gelijk het spreekwoord zegt. Daar is niet dat zeker is, dan dat alle dingen onzeker zijn, dat alle dingen een gedurige beweging, omkering, en verandering onderworpen zijn; vandaag een stad, morgen een molshoop; daar is niets meer tussen een grote stad en een molshoop, dan een dag; niets tussen een mens, en geen mens, dan een uur; ons leven is aan ontelbare oorzakelijkheden onderworpen, het kan de dodelijke slag van de allergeringste en alleronverwachtste zaak ontvangen, die er is; het is maar een bobbel of waterbel die op het water drijft; want deze wereld is een waterig element, die door stormen in een gedurige beweging is; hier in komen zo vele arme sterfelijke schepselen te voorschijn, die voor een tijd daar op zwemmen en drijven, en door de wind en golven op en neer geschokt worden; en het minste geblaas van windt of druppeltje regen doet haar terugkeren tot haar eigen element: wij zijn maar als een rook die voor een korte tijd gezien wordt, een schepsel van geen vaste bestendigheid, een droom, een schaduw en vertoning van iets; en deze droom of vertoning is maar voor een korte tijd, en dan verdwijnt zij niet zozeer tot niet, want zij was tevoren niet ver van niet af, maar zij wordt liever niet meer gezien. Alle menselijke zaken zijn gelijk de spaken van een rad, in een gedurige beweging, en omkering; gelijk een gevangen koning eens zeide toen hij Sesoftris’ wagen voorttrok, die wanneer hij gedurig omzag, en Sesoftris de koning van Egypte hem vroeg, waarom hij zo dikwijls omzag, antwoordde, ik zie op het rad, en ik overdenk zijn veranderingen en beurtwisselingen, hoe de bovenste delen daarvan terstond beneden zijn; welk woord de ijdele eer van de koning bedwong. Wie is nu de ziel, die een vaste vrede en berusting geniet in deze gedurige verwisseling van uitwendige dingen? Die ziel, namelijk, welke als ‘t ware zich neerzet op het middelpunt, op God, en die haar verblijf in Hem heeft: want schoon de bijzondere delen naar buiten in gedurige en geweldige beweging zijn, zo is nochtans het centrum of middelpunt van het rad veelszins stil, wordt niet geweldig omgekeerd. Maar voegt zich zachtkens naar de veranderingen van de andere delen. Overweegt ook de onzinnigheid ervan uit dit woord, want u weet niet, enz. Daar zijn twee redenen in de dingen zelf, te weten, ongestadigheid, en onafhankelijkheid aan ons: nu is onze onkunde ervan zo’n dringende reden, als enige andere reden zijn kan: zij zijn voor ons geheel in het duister, en, als het ware, in de benedenste delen van de aarde. Gelijk er niet meer in onze macht is, dan het tegenwoordige; want aan gisteren zijn wij reeds gestorven, omdat dat weg is, en niet kan terugkeren, en als begraven ligt in het graf van vergetelheid; en ten aanzien van de dag van morgen, zo zijn wij noch niet geboren, want die is noch niet gekomen tot het licht, en wij weten niet of die ooit komen zal. Zo is er ook niet meer in onze kennis, dan het tegenwoordige; de verleden tijd, schoon wij die geheugen mogen, zo die nochtans is zonder een praktikale kennis, zij laat geen reformatie in zich toe: en de toekomende tijd is voor ons noch niet geboren, en het is al hetzelfde, alsof wij daar aan niet geboren waren. En waarlijk, dat de Heere zo alle dingen onder de zon op deze wijze bestelt, daarin is een oneindige wijsheid en goedheid, schoon men in de eerste opslag denken zou dat het beter was, dat alle dingen op een eenparige wijze voortgingen, en dat de mensen wisten wat hun gebeuren zou; nochtans, zeg ik, heeft God hierdoor voor Zijn Eigen heerlijkheid en die van de mens welzijn zorg gedragen: voor Zijn Eigen heerlijkheid, omdat Hij hier door voor Zichzelf behouden heeft de volstrekte heerschappij en de volmaakte kennis van Zijn werken, ze in zo grote verscheidenheid oefenende, dat zij gezien kunnen worden van Hem voort te komen; en voor ons goed en welzijn; want welke plaats zou er zijn voor de oefening van vele christelijke deugden en genaden, indien dit zo niet was? Welke plaats zonder zijn voor de lijdzaamheid, indien er geen tegenspoedige bedelingen waren? Welke plaats voor de matigheid indien er geen voorspoed was? Indien er zulke onderscheidenheden en wisselvalligheden niet waren, hoe zou dan de effenbaarheid en gestadigheid van onze geest gekend kunnen worden? Of waar zouden de vergenoeging en de stilheid van het gemoed plaats kunnen hebben? Want het is een kalmte die in een storm is, en niet een kalmte in een kalmte, dat zou geen deugd zijn. Indien de bijzondere toevallen van de voorzienigheid van ons voorzien werden, wat zou dat niet een wonderlijke beroering en wanorde veroorzaken in onze plicht? Wie zou dan zijn plicht doen uit geweten aan Gods gebod; en de toekomende uitkomsten aan Hem bevelen kunnen? Dit nu is de beproeving van de gehoorzaamheid, dat wij gaan moeten in een weg die wij niet geweten hebben, en dat wij onszelf en overgeven aan de alziende voorzienigheid van Hem Wiens ogen de ganse aarde doorlopen: omdat nu geen genaden stof en gelegenheid tot oefening ontbreken zou, dat geen deugden versterven mochten uit gebrek van voedsel, of verroesten uit gebrek van oefening, heeft God de wereld aldus geschikt en bestelt. Daar is geen toestand noch gestalte van zaken, in welke Hij niet een schone gelegenheid geeft ter oefening van de een of andere genade. Heeft Hij de oefening van een of meer genaden onder of door de verdrukking ingesloten, dan heeft Hij zeker een wijde deur geopend en een ruime stof gegeven voor de oefening van zelfverloochening, ootmoedigheid, lijdzaamheid, en matigheid: en deze zijn niet minder kostelijk, dan andere die een schoonheid van gedaante hebben. Kortom, mij dunkt dat zelfs de gestalte, en de wijze van deze zichtbare stoffelijke wereld te bestellen, in grote mate tot dit oogmerk dienstig is. U merkt, wanneer u naar beneden ziet, dat er niets gezien wordt, dan de buitenzijde van de aarde; zijn oppervlakte wordt maar alleen vertoond, en daar wordt uw gezicht bepaald, doch zien wij naar boven, daar is geen bepalingen van het gezicht, daar is een oneindige tussenruimte, en alles is doorluchtig en klaar van binnen en van buiten. Wat toont dit nu aan ons? Het toont, zegt iemand, dat onze genegenheden gezet moesten zijn op de dingen die boven zijn, en niet op de dingen die beneden zijn; omdat daar beneden niets is dan een uitwendige vertoning en oppervlakte van de dingen; de heerlijkheid en schoonheid van de aarde is maar veldiep of buitenop; maar de hemelse dingen zijn recht door evengelijk en allen doorluchtig; daar is niets dat de genegenheden palen stelt, zij zijn oneindig, en u kunt zich omtrent die oneindig uitbreiden.

Ik moet er deze aanmerking noch bijvoegen, dat God alle dingen in de tijd donker en duister heeft gemaakt, gelijk de aarde: beschouwen wij hem, dan zien wij maar alleen het buitenste daarvan, het tegenwoordige uur; maar van alles wat daarbuiten is, weten wij niet meer, dan wij de ingewanden van de aarde zien: maar de eeuwigheid is alles doorluchtig, zichtbaar, en ook oneindig. Daarom heeft God ons voor het ene blind gemaakt, opdat wij onze harten niet zetten, noch onze ogen niet bepalen zouden op iets dat hier beneden is; maar Hij heeft in de Schriftuur de eeuwigheid voor ons geopend en uitgebreid, opdat wij ons eeuwige lot en onze staat daar in zien en verstaan zouden. Hij heeft de tijdelijke dingen verborgen en verzegeld, en wil dat wij ingewikkeld zullen leven, en het aan Hem betrouwen, zonder een angstvallig vooruitzicht; maar de eeuwigheid heeft Hij voor ons geopend en ontdekt. Het is zeker, dat niemand, totdat hij ten volle God geniet en bezit, Die een algenoegzaam goed is, Ps. 4, enige voldoening vinden kan in enige tegenwoordige genietingen, zonder bijvoeging van enige hoop voor het toekomende. Grote dingen zonder dit, kunnen niet vergenoegen; want wat is dat alles voor een mens, indien hij geen verzekering heeft voor de toekomende tijd? Doch geringe dingen met dit daarbij, geven vergenoeging: grote dingen met weinig hoop en verwachting, vervullen iemand met kwellingen, in plaats van met blijdschap. En hoe groter die dingen zijn, hoe meer die kwellingen zullen aanwassen. Geringe en kleine dingen weer met grote hoop en verwachting, zullen meer voldoening geven. En daarom hebben alle mensen een vooruitzicht op de dag van morgen, en arbeiden om hun tegenwoordige gebreken en noden met de hoop en het betrouwen daarop te vervullen.

U die dan een vaste stof van roem waarlijk wilt hebben, en niet bedrogen zoekt te worden met een gouden droom van ijdele verwachting van ijdele dingen; ulieden vermaan ik, te arbeiden om de ledigheden van de tegenwoordige dingen opgevuld te krijgen met die grote hoop, de hoop van de zaligheid, welke als een helm zal zijn om uw hoofd te beveiligen in alle zwarigheden, 1 Petr. 1:3. Hebr. 6:18,19. Rom. 5:5. Het is waar, andere mensen hun hoop en verwachting van voordeel, eer, en diergelijke dingen vermindert wel enigszins de pijn en kwelling van tegenwoordige noden en behoeftigheden: maar het is zeker, dat zo’