Thomas Boston

 

Ongeloof is de grootste zonde

 

 

"Maar die tegen Mij zondigt, doet zijn ziel geweld aan; allen die Mij haten, hebben de dood lief.

Spreuken 8 : 36

 

 

In het vers dat aan onze tekst voorafgaat, zien wij het geluk van degenen die Christus liefhebben. De tekst zelf toont ons daaren­tegen de ellende van hen die Christus verwerpen. We zien in deze tekst het volgende onderscheid:

 

I. Sommige zondaren leven in een ontstellend groot gevaar, want zij zondigen tegen de wijsheid Gods en doen hun ziel geweld aan.

II. Het karakter van zo'n leven, waaruit blijkt hoe ontzaglijk groot het gevaar wel is.

 

Als toepassing wil ik me daarna richten tot de heiligen en tot de zondaren.

 

Het allergrootste gevaar waarin een zondaar zichzelf begeeft, is, dat hij zondigt tegen Christus. Tegen de Zoon Gods; hier wordt bedoeld de opperste wijsheid Gods. Wij moeten onderzoeken wat er bedoeld wordt met het zondigen tegen Hem. Daar Chris­tus waarachtig God is, doet een mens z'n ziel geweld aan bij iedere zonde die hij tegen Hem begaat. Maar in onze tekst wordt niet iedere zonde bedoeld. Het gaat nu met name over de zonde tegen de tweede Persoon in de Drieëenheid. Want dat is een zonde die bestaat uit het haten van Christus, en het liefheb­ben van de dood. Dit kan niet van iedere zonde gezegd worden. U weet dat de Heilige Geest waarachtig God is. Iedere zonde tegen Hem wordt dan ook een zonde met name tegen de Heili­ge Geest genoemd. Zo kunnen we ook hier spreken van zonden met name tegen Christus begaan. De zonden die hun benamin­gen ontlenen aan de verschillende Personen van de Drieëen­heid gaan die Personen aan. Niet zozeer in hun wezen, als wel in hun ambt en werk. De Vader is de Schepper, Hij is de oor­spronkelijke Wetgever. De Zoon is de Verlosser en Zaligmaker. En de Heilige Geest past de verdienste van Christus toe. Hij ver­licht het hart en maakt heilig. De eerste zonden van Adam - en ook van ons - zijn de zonden tegen de Vader: het overtreden van Zijn wetten. De zonde van de Evangelieverachters is zonde tegen de Zoon, door het verwerpen van het Evangelie van Christus. De zonde van een hardnekkige, vastberaden en boos­aardige strijd tegen God is zonde tegen de Heilige Geest. Tegen de inwendige werking van de Heilige Geest in de mens. De gehele wereld verkeert van nature onder de eerste zonden, en is daardoor onderworpen aan de toorn. Maar de Zoon van God is de gezalfde Zaligmaker en Verlosser, alleen door Hem kunnen zondaars hersteld worden. Hij is door God aangewezen tot het zaligen van zondaars. Hij is het middel dat door de Vader voor­zien is tegen de zonde. Daarom is de verwerping van deze ordi­nantie en dit middel zonde tegen Christus. Dit is in een woord de zonde, die zich verzet tegen het zoeken en vinden van Chris­tus (vs. 34, 35). Het zich niet overgeven aan Christus, maar de in het Evangelie aangeboden Christus verwerpen, is de zonde van ongeloof.

 

Het gevolg van deze zonde is, dat de mens z'n eigen ziel geweld aandoet. Hij verderft zichzelf; hij is een zelfmoordenaar. En daardoor kwijnt de mens weg in zijn zonde. Dan komt Christus, de Geneesheer, bij zijn ziekbed en zegt: "Zondaar, Ik bied u leven en zaligheid aan in Mij". Maar de mens keert zich om en

wil niets van Hem hebben. Hij kan niet scheiden van z'n ziekte. Zo doet hij zijn ziel geweld aan, want hij zal er aan sterven. Maar er zit nog meer in dan dat. De mens minacht namelijk Christus. En wie verliest daardoor? Niet Christus, niet Zijn die­naars, maar de ongelovige zelf. Uit deze woorden kunnen we afleiden dat het ongeloof, het niet geloven in Christus en het niet aannemen van Christus voor uw zaligheid, met name zonde is tegen Christus.

 

Deze gedachte zullen we u nader verklaren. Als iemand zich voorneemt om de Zoon van God te beledigen; als hij de bedoe­ling heeft om Hem tot in het hart te treffen en Hem zonder weerga te beschimpen, is dit de manier om het te doen. Name­lijk, om het aanbod dat Hij van Zichzelf doet in het Evangelie, te minachten.

 

(I) Nu zal ik u tonen wat het zondigen tegen Christus is.

In het algemeen gebeurt dit op tweeërlei manier: ten eerste is er een leerstellige manier van handelen tegen Hem. Op deze wijze zondigen de deïsten, de socinianen, arminianen en roomsen tegen Hem. Ik ga daar nu niet verder op in. Ik wil u alleen waar­schuwen, dat er in dit land een toenemende geestesgesteldheid is om af te wijken van het ware geloof. Sommigen ondermijnen de leer van de eeuwige Godheid van Christus. Anderen maken jammerlijke vorderingen met het verduisteren van de leer van vrije genade van God in Christus. Dit zijn allemaal natuurlijke, bittere vruchten van het minachten van God in Christus door dit geslacht. Vruchten van het zondigen tegen Christus, onder het licht van het Evangelie.

 

Ten tweede is er een praktisch tegenstaan van Hem, wat ook zonde is. Dit kan voorkomen in de vorm van totale onbekend­heid met Christus en de fundamentele waarheden van het Evangelie. Onverschillige onwetende personen zijn ongetwijfeld ongelovigen. Want hoe kunnen zij geloven, die niet weten wat geloven is? Hoe kunnen zij die geen kennis van Hem hebben, in Christus geloven? Zij die de middelen hebben, en Hem toch niet kennen omdat zij de middelen niet willen gebruiken om met Hem bekend te worden, zijn verachters van Christus. Zij zeggen tot God: "Wijk van ons, aan de kennis Uwer wegen heb­ben wij geen lust" (Job 21 : 14). En velen tonen op deze wijze hun zielverdervend ongeloof. Ze minachten de middelen en instellingen en trekken er geen lering uit. Als er in dit land een bekwaam geneesheer was, die middelen kon verschaffen tegen vele ziekten en kwalen, maar de mensen namen de moeite niet om tot hem te gaan, zouden zulke personen dan tot hun eigen nadeel geen verachters van hem zijn? Veel mensen hebben op grond van een dodelijke gerustheid geen behoefte aan Christus. Hij komt in het Evangelie en biedt Zichzelf aan; aan ieder die het hoort. Waarom doet Hij dat, anders dan omdat zij zonder Hem verloren moeten gaan en dat zij Hem nodig hebben? Maar het grootste deel van de mensen heeft geen werkelijke behoefte aan Hem en komt daarom nooit tot Hem. Dat is Hem minach­ten met een getuigenis: "Omdat gij zegt: Ik ben rijk, en ben ver­rijkt geworden, en heb geens dings gebrek; en gij weet niet, dat gij zijt ellendig, en jammerlijk, en arm, en blind, en naakt" (Openb. 3 : 17). De wet wordt gepreekt en hun ellende buiten Hem wordt hen aangezegd. Ze zijn echter nooit zo zeer over­tuigd dat zij in het hart geraakt worden. Zij hebben niet méér met Hem van doen dan een gezond mens met een dokter. Velen geloven niet de leer van het Evangelie, het getuigenis dat God gegeven heeft van Zijn Zoon (1 Joh. 5 : 10, 11).

 

Het Evangelie is voor ons een getuigenis uit de hemel. Alleen Christus is de grote Gave Gods tot het leven en de zaligheid voor arme zondaars. Het getuigt dat God Hem het leven gege­ven heeft, en ons dat leven in en met Hem aanbiedt. Dit is de leer van het Evangelie, maar wie gelooft het?

Tegenwerping: wie gelooft het niet?

Antwoord: helaas! dat is de nu de aard van de ziekte. Dominees kunnen de hoorders van het Evangelie overtuigen van de zon­den van moord en overspel. Maar als de Geest van God er niet in mee komt, zullen zij hen nooit kunnen overtuigen van hun zonde van ongeloof (Joh. 16 : 8, 9). Maar om u te overtuigen (moge de Geest het u persoonlijk leren) zal ik u aan de hand van de geschiedenis in 1 Samuël 10 : 24-27 zeggen welke bejege­ning Christus van de meeste mensen krijgt: "Toen sprak Samuël tot het hele volk: ziet gij, dien de Heere verkoren heeft?" Maar de kinderen Belials zeiden: "Wat, zou ons deze verlossen? en zij verachtten hem".

 

Lees ook 2 Koningen 5 : 10-12: "Toen zond Elisa tot hem een bode, zeggende: Ga en was uzelf zevenmaal in de Jordaan, en gij zult rein zijn. Maar Naman werd zeer toornig, en toog weg, en zei: zie, ik dacht: hij zal zeker uitkomen, en staan, en de Naam des Heeren, zijns Gods, aanroepen, en zijn hand over de plaats strijken, en de melaatse ontledigen. Zijn niet Abana en Farpar, de rivieren van Damascus, beter dan alle wateren van Israël? Zou ik mij in die niet kunnen wassen en rein worden? Zo wend­de hij zich en toog weg met grimmigheid".

 

Als bewijs voor deze bejegening van Christus, noem ik u het niet met de grootste ijver zoeken naar Hem. "Welgelukzalig is de mens, die naar Mij hoort, dagelijks wakende aan Mijn poorten, waarnemende de posten Mijner deuren". "Maar die tegen Mij zondigt, doet zijn ziel geweld aan, allen die Mij haten, hebben de dood lief" (Spr. 8 : 34, 36). Paulus geloofde de uitnemend­heid der kennis van Jezus Christus en jaagde er naar (Fil. 3 : 14). Veronderstel dat u hopeloos gewond was en men raadde u een onfeilbaar middel aan voor uw genezing. Als u niet naar deze raad wilde luisteren, zou iedereen dan niet zeggen dat u niet geloofde in dat goede middel? Maar uw zielen zijn ook zo gewond, en wij zeggen u herhaaldelijk dat er in Christus een onfeilbaar geneesmiddel voor u is. En toch zoekt u niet ijverig naar Hem totdat u Hem vindt. Mogen wij dan niet zeggen met de profeet: "Wie heeft onze prediking geloofd?" Jes. 53 : 1).

 

Alle ongelovigen die zichzelf niet overgeven aan uiterste wan­hoop, zoeken leven en zaligheid op een andere weg. Zij verlaten de koninklijke hoge weg en ieder begeeft zich op z'n eigen weg. God zegt van Christus: "Dit is de Weg, wandel in Dezen". Maar men wil er zich niet op begeven en kiest een andere weg: de weg der wet of het verbond der werken. Men zoekt het leven door de werken. Zo keert men Christus de rug toe en zondigt tegen Hem. Dit is de weg waar alle mensen van nature op lopen. En ieder mens blijft daarop, totdat de genade Gods hem naar Jezus Christus leidt. De natuurlijke neiging van het hart is vijandschap tegen Jezus Christus.

 

Mensen verwachten gunst bij God, maar naar hun eigen doen. Het is niet op grond van een deel in het bloed van Christus dat zij gunst verwachten. Dit spreekt van ongeloof en minachten van Christus met een getuigenis: "Want indien de rechtvaardig­heid door de wet is, zo is dan Christus tevergeefs gestorven" (Gal. 2 : 21).

 

Er is ook de weg van vrije genade. Mensen geven voor dat zij doen wat zij kunnen. En waar zij tekort komen, verwachten ze dat God barmhartig is en hen vergiffenis zal schenken. Terwijl zij intussen niet bedenken dat alleen in Christus barmhartig­heid is. Dus vermengen zij hun eigen gerechtigheid met die van Christus. Maar terwijl velen voorgeven in Christus te geloven, kunnen wij juist het omgekeerde in hen zien. Wat voor geloof hebben zulke mensen? Zij hebben het aan hun opvoeding te danken, niet aan de wedergeboorte. Aan de lering der mensen, niet aan onderwijs van de Heilige Geest. O geliefden, dat is geen geloof in Christus! Het is enkel ongeloof en een verachten van Hem. De leer aannemen, niet op Zijn gezag en het getuigenis van de Geest, maar van de mens. Als u er ooit toe komt om Christus te eren door geloof, dan zal uw geloof op een ander fundament gebouwd moeten worden. "Wij geloven het niet meer om uws zeggens wil, want wij zelf hebben Hem gehoord, en weten, dat Deze waarlijk is de Christus, de Zaligmaker der wereld" (Joh. 4 : 42).

 

Christus sprak: "Gaat heen in de gehele wereld, predikt het Evangelie aan alle creaturen. Die geloofd zal hebben, en gedoopt zal zijn, zal zalig worden; maar die niet geloofd zal hebben, zal verdoemd worden" (Mark. 16: 15, 16).

Hiervan zegt de apostel tot de stokbewaarder te Filippi: "Gelooft in de Heere Jezus Christus, en gij zult zalig worden, gij en uw huis" (Hand. 16 : 31). Iedere dienaar van Christus mag dat zeg­gen tot ieder mens. God zegt het tot iedereen tot wie Zijn Woord komt. Als ik niet geloof dat Hij bekwaam en gewillig is om mij zalig te maken en dat Hij Zichzelf mij aanbiedt, zondig ik tegen Christus en ben ik nog een ongelovige. Want het aanbod is algemeen en komt tot ons allen (Jes. 55 : 1, Openb. 3 : 20). Als iemand van u het wel gelooft voor alle andere mensen en niet voor zichzelf, maakt hij God tot een leugenaar. God zegt dat het aanbod geldt voor allen die het Evangelie horen. Maar u spreekt het tegen door te zeggen dat het aanbod niet aan u wordt gedaan. Dat Christus niet gewillig is de uwe te zijn. Welke weldaad kan een mens ontvangen door een algemene belofte, of aanbod der genade van God of mens, als hij die zich­zelf niet toeëigent? Een koning biedt opstandelingen gratie aan, maar zij weigeren die aan te nemen. Een van hen zegt: "O, maar het is voor de anderen en niet voor mij. Ik zal het niet wagen om uit mijn schuilhoek te komen". Is dat niet een beledigen van de koning, een weigeren van vrijspraak en minachten van het aanbod? Hoe is het mogelijk dat iemand de zaligheid kan aannemen, ontvangen en er op rusten, als hij niet een persoon­lijke toepassing maakt op de belofte van het Evangelie? Het aannemen moet noodzakelijk gegrond zijn op het aanbod, en het kan niet ruimer zijn dan het aanbod is. Als ik niet geloof, dat Christus Zich mij aanbiedt in het Evangelie, kan ik het niet aannemen, ontvangen en omhelzen, noch in Hem rusten. Waarin gaat ons geloven van de belofte van het Evangelie het geloof der duivelen te boven, als het niet leidt tot de toepassing ervan op onszelf? De duivelen geloven de bedreigingen Gods en zij sidderen (Jak. 2 : 19). Zij geloven dat God trouw is aan Zijn Woord en daarom beven ze, in de verwachting van hetgeen Hij heeft gedreigd. En zij weten dat dezelfde getrouwe God Die de beloften toegezegd heeft, ook de bedreigingen gegeven heeft. En omdat de duivelen in een tijdvak van zo'n vijfduizend jaren hebben kunnen nagaan, dat de beloften in hun tijd nog vervuld zijn, kunnen wij ervan verzekerd zijn, dat zij de rest ook nog verwachten, om vervuld te worden. Waarin gaat ons geloof dan het hunne te boven, als wij de belofte, of het aanbod van leven en zaligheid voor ons in het bijzonder niet geloven? Als wij voor onze zaligheid niet geloven in Christus, Hem niet aan­nemen en omhelzen, zondigen wij tegen Christus en doen onze zielen geweld aan. Onder een schijn van ootmoed wordt Chris­tus gehoond door ongelovige zondaren. Inderdaad, het is een machtige zaak om dit te geloven na het inleven van eigen slechtheid en onwaardigheid. Maar het geloof zal z'n weg banen door dit alles. Het zal Christus eren door in Zijn Woord te geloven.

 

(*) Wanneer zondige Adamskinderen het aangeboden huwelijk weigeren of negeren, wordt de koninklijke Bruidegom gemin­acht en bespot. De bruid hinkt op twee gedachten en komt niet tot het besluit.

In de harten van zondaren die het Evangelie horen, zijn twee partijen: aan de ene kant Christus, aan de andere kant de begeerlijkheden. En deze laatste hebben de harten van velen zo in beslag genomen, dat zij Christus afwijzen. Men ziet wel in dat een keus gedaan moet worden. Als ze Christus aannemen, moeten ze het andere verlaten. Zij kunnen er niet aan denken beroofd te worden van of beknot te worden in hun zondige begeerten. Als Christus hen zo wordt aangeboden, zullen zij het aanbod niet aanvaarden.

 

(*) Het kan zijn dat een zondaar Christus niet durft aannemen of omhelzen in het Evangelieaanbod. Uit vrees dat Hij nooit de zijne zal willen zijn, noch Zich aan hem zal geven. Dit is een strik voor de overtuigde zondaar. Die houdt hem even krachtig van Christus af, als de liefde tot de begeerlijkheid hem vreemde goden doet nawandelen (Jer. 2 : 25). U kunt zien dat het eerste de weg baant tot het laatste. De reden daarvan is dat zo'n mens een diepe indruk heeft van zijn zondigheid en onwaardigheid. Dat doet hem denken dat het voor hem vermetel zou zijn te menen dat hij gelooft. Daarom spreekt zo iemand evenals Petrus: "Heere, ga uit van mij, want ik ben een zondig mens" (Luk. 5 : 8).

 

Satan gebruikt twee glazen spiegels om de mensen hun zonden te laten zien:

- Een verkleinglas dat hij de geruste zondaars voorhoudt: daarin gezien blijken hun zonden slechts gering. Vandaar dat hun ongeregelde wandel slechts 'zwakheden' wordt genoemd. En kleinere zonden die de wereld niet opmerkt, worden in 't geheel niet als zonden gerekend.

- Een vergrootglas, dat hij een overtuigde zondaar voor de ogen houdt. En als een mens op zijn eigen zondigheid ziet, moet hij weten dat hij in satans spiegel ziet. Daardoor ziet hij niets van Gods genade, van de kracht van Christus' bloed en de werking van Zijn Geest, boven zijn zondigheid. Het zien van de ziekte brengt hem verder van de Geneesheer af. Het doet hem van Christus afwijken in plaats van tot Hem te gaan. In plaats van hem aan te sporen om het middel te gebruiken, wordt z'n hart er door ontmoedigd. Want hij kan z'n hand niet uitstrekken om de aangeboden genezing zich toe te eigenen.

 

Dat dit van satan afkomt, is duidelijk, omdat het juist tegenge­steld is aan:

a. het ware gevoel van de wet, in onderwerping aan het Evange­lie (Gal. 3 : 24). De wet ontdekt de zonde, en daardoor de ellende van de ziel. Maar dat dient om de hoorders van het Evangelie geschikt te maken om Christus hoog te achten en tot Hem de toevlucht te nemen.

 

b. de duidelijke verklaringen van liefde en genade die in het Evangelie voorkomen. Deze tonen aan dat er geen geval is, hoe slecht ook, of Christus is zowel bekwaam als gewillig om het te genezen. Als de zondaar het niet durft wagen met alleen Chris­tus tot zaligheid, tracht hij zichzelf bij God aannemelijk te

maken door zijn eigen gehoorzaamheden (Gal. 5 : 4). Het ver­bond der werken is ingeweven in onze natuur. Wij zijn van nature onkundig van de verborgenheid van Christus en de weg der toegerekende gerechtigheid. Totdat de Geest des Heeren ons zaligmakend verlicht in de kennis van Christus, zullen wij maar gering blijven denken van een toegerekende gerechtigheid. Omdat wij die weg wantrouwen, proberen wij deze weg te ver­stevigen door onze eigen werken er bij te voegen. Dit komt overeen met een pogen om ijzer met klei te vermengen, wat geen stand zal houden. Maar in de dag van Gods heirkracht zal de Geest des Heeren de mens helemaal afbrengen van zijn eigen grond. Als de zondaar Hem niet aanneemt tot dat doel waartoe Hij van de Vader is aangesteld, in al Zijn ambten, zal die zon­daar zich slechts afkeren. Hij is in het aanbod van het Evangelie voor ons allen gegeven, tot verlossing van de zonde en van toorn.

Als onze Profeet om ons te leren, als onze Priester om ons zalig te maken en onze Koning om ons te besturen of te regeren. Wanneer de zondaar Christus niet aanvaardt tot heiligmaking en rechtvaardigmaking, zondigt hij tegen Hem en verwerpt Hem als de ordinantie tot het heiligen van zondaars.

 

Het is ook mogelijk dat een zondaar niet gelooft dat hij door Jezus Christus het leven en de zaligheid zal hebben. Oprecht geloof kan vergezeld gaan met veel twijfel; soms kan een mens geneigd zijn om te zeggen: mijn hoop is vergaan van de Heere. Maar als er niet te eniger tijd in meerdere of mindere mate een overreden op volgt, is het duidelijk dat er geen geloof is.

 

(II) Ik zal u aantonen dat ongeloof zonde is tegen Christus. Dat deze bejegening van Christus door het niet geloven, niet omhelzen, niet aannemen en niet in Hem rusten tot zaligheid, bij uitstek zondigen is tegen Hem. Dit zal blijken uit de volgen­de overwegingen.

 

* Geloof in Christus eert Hem op een bijzondere wijze (Joh. 5 23). Daarom is het ongeloof een bijzonder onteren van Hem. Het geloof eert het voorwerp ervan (Rom. 4 : 20). Ongeloof ont­neemt Hem die heerlijkheid en doet Hem smaad aan. Geloof zet de kroon op Christus' hoofd (Hoogl. 3). Ongeloof neemt die kroon af en vertrapt hem onder de voeten. Ziet dan hoe goed en noodzakelijk het is dat Christus wordt geëerd door in Hem te geloven. En hoe slecht, vreselijk en gruwelijk het ongeloof voor Hem moet zijn.

 

* Ongeloof is de grote antichrist in het hart. Het doel van Chris­tus' komst was de zonde te vernietigen (1 Joh. 3 : 8). De uitwer­king van het ongeloof is om de zonde levend en krachtig te houden. Het vormt de kern van alle andere zonden. Neem dit schild weg en de zonden sterven en de ziel herleeft. Laat het ongeloof, en de zonden blijven allen leven en de ziel sterft. Ongeloof is de generaal van het leger der hel in 's mensen bin­nenste. Daartegen wordt in de dag van Gods heirkracht het woord gegeven: "Strijdt noch tegen kleine noch grote", maar tegen het ongeloof, de koning der zonden.

 

* Het is een zonde die de gehele ziel doortrekt. Als een mens tegen Christus zondigt met openbare zonden zoals moord of iets dergelijks, zal zijn natuurlijke geweten in meerdere of min­dere mate de zaak des Heeren bepleiten. Dan wordt de weg gebaand voor de overtuiging door de Geest. Maar wat het onge­loof betreft is er uit het geweten geen hulp daartegen. De ver­borgenheid van Christus ligt boven het bereik van ons ver­stand. Hoe kan de zwartheid van de zonde van ongeloof dan

onderscheiden worden? Of hoe kan het natuurlijke geweten een mens vrijwaren voor ongeloof? Ja, in zijn verdorven staat valt zelfs het verstand hem bij, in zijn ongeloof tegen Christus.

 

* Het is de zonde die de hoorders van het Evangelie verderft. "Die in Hem gelooft, wordt niet veroordeeld, maar die niet gelooft, is al veroordeeld, dewijl hij niet heeft geloofd in de Naam des eniggeboren Zoons Gods. En dit is het oordeel, dat het licht in de wereld gekomen is, en de mensen hebben de duisternis liever gehad dan het licht; want hun werken waren boos" (Joh. 3 : 18-19). De arme heidenen die niet van Christus gehoord hebben, zondigen in dit geval niet tegen Hem (Joh. 15 : 22). Van welke zonden de hoorders van het Evangelie ook beschuldigd zijn geworden, als zij in Christus geloven, zullen die zonden nooit in rekening worden gebracht. Hun zaligheid of hun verdoemenis draait om het punt van geloven of niet geloven (Mark. 16 : 16). Daarom, omdat het een ernstige zonde is, moet het noodzakelijk de grote hoogst ernstige zonde tegen Christus zijn.

 

* Ongeloof staat gelijk aan de grofste zonden tegen het licht der natuur. De Farizeeërs konden zeggen: ik ben niet onrechtvaar­dig, ik ben geen woekeraar en geen overspeler. De tollenaar durfde dat echter niet zeggen. Maar de ene verwierp de verzoe­ning, terwijl de andere die omhelsde en daardoor bij God werd aangenomen (Luk. 18 : 13). U zult God danken, dat u eerlijke, sobere mannen en vrouwen bent, geen overspelers, moorde­naars enz. Maar u hebt geen oog voor de gruwelijke zonde van het ongeloof, die minstens zo erg is als hun zonden. "Wie een os slacht, slaat een man" (Jes. 66 : 3). Een ongelovige is in Gods ogen als een moordenaar. Het geloof was de grootste plicht onder het Oude Testament, zowel als onder het Nieuwe. En die Joden, die hun offeranden van ossen, lammeren, en hun reuk­werk stelden in de plaats van de Messias, waren door hun onge­loof moordenaars.

 

Ongeloof is bij uitstek de zonde tegen Christus. Dit blijkt als we letten op enkele bijzondere boosheden tegen Hem die daarin opgesloten zijn.

 

* Het is een minachten van Hem als de Uitverkorene van de Vader. De stem van het Evangelie is: "Deze is Mijn geliefde Zoon, in Wien Ik Mijn welbehagen heb" (Matth. 3 : 16). De ongelovigen antwoorden daarop: "Wij willen niet dat deze over ons koning zij" (Luk. 19 : 14). Toen de mens viel, beschouwde God de gehele schepping en daar was niemand die hulp kon bieden. Daarom verkoos Hij Zijn eigen Zoon Die de breuk onder Zijn hand zou helen. Dit wordt in het Evangelie bekend gemaakt, zoals Samuël zei tegen al het volk: "Ziet gij, dien de Heere verkoren heeft?" (1 Sam. 10 : 24). En "in Wien Mijn ziel een welbehagen heeft" (Jes. 42 : 1). "Zie het Lam Gods, dat de zonden der wereld wegneemt" (Joh. 1 : 29). Maar het ongeloof zegt: "Wat zou ons deze verlossen? En zij verachtten hem" (1 Sam. 10 : 27). Zo storten de ongelovigen verachting uit over de Uitverkorene. Vraag aan de ongelovige Joden of zij deze Uitverkorene aannemen. Neen, zeggen zij: "Het is een steen des aanstoots". Vraag aan de ongelovige heidenen, of zij Hem waar­deren: "Neen, het is ons dwaasheid" (1 Kor. 1 : 23). Laat daarom anderen doen wat zij willen, zij zullen geen waarde aan deze Uitverkorene hechten. Alleen de gelovigen roepen: "Verheer­lijkt Hem, Christus de kracht Gods en de wijsheid Gods".

 

* Zijn liefde in het op Zich nemen van het Middelaarsambt wordt met voeten getreden. Daar de mens gezondigd heeft, eist de rechtvaardigheid voldoening. De arme bankroetier kan zelf de schuld niet voldoen. Engelen bevonden zich te zwak om zo'n last te dragen. Brandoffer en offerande kunnen niet aange­nomen worden als betaling voor de schuld. Het voorstel wordt aan de Zoon gedaan en eerbied voor Zijns Vaders heerlijkheid, en onverschuldigde liefde tot zondaars doen Hem het werk aan­vaarden. "Zie, Ik kom, ..." (Ps. 40 : 6-7). En na dat alles zegt de ongelovige met sprekende daden: "Weg met die weg tot leven en zaligheid". God de Vader is voldaan, maar de ongelovige niet. Hoe groot moet het vertrappen van zo'n liefde zijn?

 

* De ongelovige maakt Christus tot een leugenaar en bedrieger. De taal van iedere ongelovige is "Neen, maar Hij verleidt de schare" (Joh. 7 : 12). Gods Naam is het Woord Gods, door Wie de Geest Gods, betreffende de zaligheid van zondaars, aan de wereld geopenbaard wordt. Hij is ambtelijk Vertolker van des Vaders Geest, de grote Profeet en Leraar. Hij kwam uit des Vaders schoot, en openbaart de weg der zaligheid in het Evangelie. Hem niet te geloven, wat is dat anders dan Hem een leugenaar maken? (1 Joh. 5 : 10). En daar de van Hem gegeven openbaring zo'n gewichtige zaak is, moet de ongelovige Hem bijgevolg als een bedrieger beschouwen. Wat zal dan gedaan worden aan het valse hart, dat zo tegen Christus zondigt? "Scherpe pijlen eens machtigen, en gloeiende jeneverkolen" (Ps. 120: 4).

 

* Het is een verachting die uitgestort wordt op Zijn dierbaar bloed. Op de gehele loopbaan van Zijn gehoorzaamheid en lijden. Door het geloof wordt de gelovige gereinigd (Hebr. 12 : 24). Maar de ongelovige vertreedt het bloed (Hebr. 10 : 29). Het verzoenende offer van de Zoon wordt beschouwd als een vol­doend middel om des Vaders heerlijkheid weer op te richten, en de zondaar die zo diep in de zonde en ellende was gezonken, te herstellen (Ps. 89 : 20). Zo wordt het aan zondaars voorgesteld in het Evangelie, maar zij willen het niet aannemen. Let op al de menigten der ongelovigen, de drieste verachters, die voort­gaan in hun zonden en op barmhartigheid hopen. Let ook op de wettische belijders, die de nadruk leggen op hun plichten. Op de bevende ongelovigen die niet tot Christus durven komen; op de wanhopige zondaar die zegt dat er geen hoop is. Van hen allen geldt dat ze te klein en gering denken over het heerlijke rantsoen, dat door Christus betaald is en hen aangebo­den wordt. De eerste zegt: dat was allemaal niet nodig, God is barmhartig. Een ander spreekt: het is een te zwakke grond om op te vertrouwen. Een derde: die grond moge voor velen sterk genoeg zijn, maar hij is te zwak voor mij. En een vierde zegt: voor mij heeft deze grond geen waarde.

 

* Het is een verachten van de dood van Christus, zover als het in de macht van een ongelovige is. Christus moest zonder hulp een lang en pijnlijk werk verrichten; Hij verduurde het in de hoop van een heerlijke overwinning (les. 53 : 11; Hebr. 12 : 2). Maar als alle mensen Hem zouden behandelen op dezelfde manier als het ongelovige deel van de wereld, zou de uitslag als het ware slechts zijn als het voortbrengen van wind. Door het bloed van de Zoon van God is voor verloren gaande zielen een medicijn bereid. Maar de ongelovige zal het niet gebruiken als het tot hem gebracht wordt. Er is een feestmaal bereid, maar de ongelovige zal er niet van eten. Hij zegt: "Waartoe dit verlies?"

 

*Het is een zich ontrekken aan Zijn gezag en dat op smalende wijze. De meesten van degenen die het Evangelie horen, zien wij in deze toestand. Zich onderwerpende aan wie zij willen, zullen zij zich niet aan Hem onderwerpen. Zij dienen andere heren. Zijn Vader heeft Hem alle macht gegeven in de hemel en op de aarde. Maar zo lang als zij zich met andere uitvluchten kunnen behelpen, zullen zij niet onder Zijn macht komen. Daarvoor zijn veel argumenten. Maar één daarvan wordt te wei­nig opgemerkt, namelijk het ongeloof. Zij kunnen Hem niet vertrouwen. Een wijs volk zal zich niet gewillig onderwerpen aan een volk dat zij niet kunnen vertrouwen. Zij kunnen hun welzijn niet aan Hem toevertrouwen. Hoewel Hij een Gemach­tigde van de Vader is, de Gemachtigde der gelovigen. Daarom zeggen zij, dat Hij hun Gemachtigde niet zal zijn. En dan hoeft het niet te verwonderen dat ongeloof een "doorsteken van Hem" is (Zach. 12: 10).

 

U bent zondaars bij uitstek tegen Christus. Onze tekst brengt u in de schuld van het beschimpen van de Zoon van God. Hoe­wel de taal van uw lippen kan zijn "Hosanna aan de Zoon van David", is de taal van uw ongelovig hart "Kruist Hem!" U bent schuldig aan het zondigen tegen Hem in een mate waarin het heidendom, ja zelfs de duivels nooit tegen Hem zondigden. Zij verbraken de wet van hun Schepper. U hebt niet alleen dat gedaan, maar u verbreekt bovendien de wet van verlossende liefde, de wet des geloofs. Hier is een zonde waarover u bekom­merd moet zijn, waarover u moet treuren. Tot hiertoe hebt u er maar weinig op gelet. Mogelijk betreurde u soms andere zon­den. Maar treurde u ooit over deze? Gaf dit u ooit een smartend hart? Inderdaad, dat u hier niet bekommerd over bent, is de voornaamste kwaal van uw hart!

 

Uw ongeloof zou zeker versterkt worden door al uw treuren over andere zonden. En zo raakt u steeds verder van Hem, in plaats dat het u nader tot Christus zou brengen. Hier, zelfs hier, o zondaar, ligt uw verderf voor de tijd en de eeuwigheid.

"Indien gij niet gelooft dat Ik die ben, gij zult in uw zonden sterven" (Joh. 8 : 24). "Maar die niet geloofd zal hebben, zal ver­doemd worden" (Mark. 16 : 16). Dit is de grote zielverwoesten­de zonde onder de hoorders van het Evangelie. Want het is zon­digen tegen het geneesmiddel der zonde. Overweeg dat al uw andere kwalen ongeneeslijk zijn als uw ongeloof niet weggeno­men wordt. Uw hoogmoed, uw hartstocht en wereldsgezind­heid blijven u aankleven. Wel, dat zullen zij altijd doen omdat de bloedvloeiing niet gestopt wordt. Zolang dat blijft, zal geen andere genezing intreden dan een tijdelijk verzachtende wer­king, waarna de kwaal noodzakelijk weer moet uitbreken. Want de vallende dauw zal even spoedig een weg banen door een harde rots, als dat in u heiligmakende invloeden zullen komen zonder een vereniging met Christus. Hierdoor zult u dan voor eeuwig sterven in uw zonden. Uw ongeloof zal de grote oorzaak zijn van uw verderf (2 Thess. 1 : 8). Het vonnis van de ongelovi­gen moet vreselijk zijn, omdat het zonde is tegen Christus. "Het zal het land Sodom verdraaglijker zijn in de dag des oordeels, dan ulieden" (Matth. 11 : 24). Andere zonden verwonden de ziel; deze zonde zorgt dat die wonden niet genezen kunnen. Andere zonden zijn tegen het soevereine gezag van God in de wet. Maar deze voegt daar nog bij een verachten van de on­vergelijkelijke liefde en barmhartigheid, die voor de zondaar geopend wordt in het Evangelie. Als dan de zuurste azijn uit de krachtigste wijn komt, zo zullen de vreselijkste donderslagen van toorn op de zondaar neerkomen, vanwege de verachting van de troon der genade door ongeloof.

 

Hier is dat wat alle argumenten tegen uw geloven in Christus de bodem inslaat. Al uw tegenwerpingen komen hierop neer, dat u niet wilt geloven in Christus. Zoals het gebod is: "Dat wij moeten geloven in de naam van Zijn Zoon Jezus Christus" (1 joh. 3 : 23), zo is het niet geloven de zonde tegen Christus. Neem het zo u wilt, Hij zal het de grootste smaad achten die u Hem kunt aan­doen en Hij zal daarvoor met u afrekenen. Hier is een les voor allen. Het gaat ons allen aan om overtuigd te worden van de vijandigheid in de zonde van ongeloof tegen Christus en Zijn Vader. O, omhels Hem dan als Uw Zaligmaker en Verlosser, als uw Hoofd en Man, en zoek te leven door geloof in Hem. Dit is de weg om de Zoon te eren, de ware weg om hier heilig, en hiernamaals gelukkig te zijn.

 

De ongelovige die tegen Christus zondigt, doet zijn ziel geweld aan. Het geweld dat hier bedoeld wordt, berokkent werkelijk nadeel of schade. Nu, wie treft het? De zondaar zelf! Hij doet zichzelf schade aan en berokkent nadeel, niet alleen aan zijn lichaam, maar aan zijn ziel, het kostelijkste deel. Hij doet zich­zelf geweld aan; hij behandelt zijn eigen ziel wreed en onrecht­vaardig. Hij gedraagt zich tegen zijn ziel als een vijand en be­nadeelt ze werkelijk.

 

a. Een mens houdt zijn eigen ziel in een van God vervreemde en gescheiden staat. De zondaar is van nature ver van God, zonder God in de wereld (Ef. 2 : 12). Jezus Christus is de enige weg tot de Vader (Joh. 14 : 6) en ongeloof houdt de ziel van die weg af.

 

b. Een mens houdt z'n ziel onder de schuld van al zijn zonden. Het bloed van Jezus Christus reinigt van alle zonde, maar het moet door geloof op de ziel gesprenkeld worden. Ongeloof houdt uw ziel buiten Christus. En daardoor blijft al de schuld, het juk van uw overtredingen, om uw nek gebonden. Al de banden des doods blijven met kracht op u. Geen treuren of smart, tranen of berouw zullen u bevrijden; alleen het bloed van Jezus Christus geeft vergiffenis.

 

c. Een mens houdt zijn ziel in een staat van uiterste onbe­kwaamheid om iets te doen wat goed in de ogen van God is: "zonder geloof is het onmogelijk Gode te behagen" (Hebr. 11 : 6). Het ongeloof houdt de regerende kracht van de zonde in uw ziel levend. Daardoor onderhoudt en voedt het de verschillende begeerten, de verdervers van de ziel. Het bindt handen en voe­ten en een mens kan niets doen, geen enkele stap voorwaarts gaan. Want het belemmert alle zaligmakende gemeenschap tussen de hemel en de ziel.

 

d. Ongeloof kluistert de ziel in een staat van veroordeling, "die niet gelooft, is al veroordeeld" (Joh. 3 : 18). Het houdt u onder de vloek van het eerste verbond, en stelt uw ziel bloot aan de eeuwige verwoesting. Het houdt u naakt, zonder gerechtigheid, ontbloot van enig middel tot zaligheid. Het laat u buiten de vrijstad, ieder ogenblik in gevaar van achterhaald te worden door de bloedwreker. Door het middel te weigeren, brengt de ongelovige een dubbel verderf over zijn eigen ziel. Zijn ziel zou gered kunnen worden, maar door ongeloof wordt de zaligheid geweigerd. En daardoor verkeert de ziel in een gevaarlijker toe­stand dan dat Christus nooit aangeboden zou zijn geweest. Iemand die door ongeloof tegen Christus zondigt, doet alleen zijn eigen ziel geweld aan, niet Christus, tegen Wie hij zondigt. "Indien gij wijs zijt, gij zijt wijs voor uzelf, en zijt gij een spotter, gij zult het alleen dragen" (Spr. 9 : 12). Alle zonde is tegen de geest en eer van Christus, maar geen enkele zonde doet afbreuk aan Zijn glorie. Als al de schepselen tegen Hem samenspanden, zou het niet de minste vermindering van Zijn heerlijkheid be­tekenen. Uw ongeloof is alsof iemand met zijn hoofd tegen een rots aanstormt, wat alleen die persoon zelf kan schaden. "Indien gij zondigt, wat bedrijft gij tegen Hem? Indien uwe overtredingen menigvuldig zijn, wat doet u Hem?" (Job 35 : 6).

 

Ik zal dit onderwerp besluiten met enkele gevolgtrekkingen.

 

1. Alle ongelovigen, alle verachters van Christus, zijn zelfmoor­denaars, want zij verderven hun eigen ziel. Wanneer het gebeurt dat uw ziel verloren gaat en een onderzoek ingesteld wordt door wiens handen ze is gevallen, zal het zijn: O Israël, gij hebt uzelf verwoest; niet Adam, niet satan, maar uzelf, o zondaar!

 

2. U kunt uw ziel geen groter onheil aandoen, dan Christus niet door geloof aan te nemen. Veel onheil hebt u uw eigen ziel al aangedaan door vloeken, liegen, gierigheid enz. Maar dit is een dodelijke slag aan het hart; dit is de ziel verwonden in het gevoeligste en edelste deel.

 

3. Alle ongelovigen zullen niet te verontschuldigen zijn. Het heidendom zal iets te zeggen hebben, namelijk dat de open­baring van de weg der zaligheid door Christus hen niet bekend gemaakt is, ja, zelfs de duivelen zullen dit te zeggen hebben, dat er geen middel voor hen bereid was.

Maar wat zult u te zeggen hebben, o ongelovige die het bloed van de Verlosser vertrad! U zult geheel zonder verontschuldi­ging zijn. U zult zijn als de mens die zonder een bruiloftskleed aan de tafel zat bij het huwelijk van des Konings Zoon. Die sprakeloos was toen hem gevraagd werd hoe hij daar kwam zonder bruiloftskleed, hebbende niets in te brengen voor zijn vermetel gedrag.

 

4. Geloof in Christus. Neem Hem aan, en omhels Hem als u uw ziel niet wilt verderven. Weiger niet het middel dat vrij voor u voorzien is in Christus. U wordt allen uitgenodigd, en ver­welkomd om tot Christus te komen. O, kom dan, kom dan, en weiger niet langer Zijn lieflijke nodiging te gehoorzamen. Door het aannemen van Christus zult u zalig gemaakt worden. Uw ziel zal gemeenschap met God hebben. Maar als u niet gelooft, zult u eeuwig omkomen, en de toorn Gods zal voor eeuwig op u liggen. "Hij die gelooft zal zalig gemaakt worden, maar die niet gelooft, zal verdoemd worden" (Mark. 16: 16).

 

Amen.


De blijde tijding van het Evangelie

 

 

"Want een kind is ons geboren, een zoon is ons gegeven, en de heerschappij is op Zijn schouder". (Jes. 9 : 5)

 

Deze woorden bevatten een heerlijke verkondiging van een groot voorrecht dat aan het mensdom geschonken is. In deze verklaring beschouwt de profeet zichzelf als een van hen, en hij is dan ook merkbaar aangedaan door deze tijding. En daarom gebruikt God mensen om Christus te verkondigen aan mensen. Opdat die blijde tijding gebracht zou worden door zulken die er evenveel behoefte aan hebben als de hoorders zelf. Deze woor­den houden duidelijk verband met het voorgaande; om dat te begrijpen moeten we even terug naar vers 1 van dit hoofdstuk. Daar spreekt de profeet over het licht van het Evangelie, dat door Jezus Christus in een donkere wereld doorbreekt. Dit wordt ons ook duidelijk uit Matth. 4 : 12-16. Let eens op de toe­stand van zondaren eer Jezus Christus aan hen verschijnt. Ze verkeren allen in duisternis; in een verblinde, uitzichtloze en gevaarlijke toestand.

- Sommigen van hen wandelen in die duisternis en zijn heel druk om zichzelf gelukkiger te maken. Ze trachten hun toestand te verbeteren, maar weten niet precies wat te doen. Zo waren de joden, en zo zijn alle uitwendig godsdienstige mensen nog.

- Sommigen zitten neer in de duisternis, in die diepe duisternis. Ze kwijnen weg in hun zonden, en bekommeren zich niet om het verbeteren van hun toestand. Als veroordeelde misdadigers zitten ze in een vunzige kerker. Zo zijn de heidenen en al de aardsgezinde, vleselijke personen, die alleen maar het wereldse vermaak zien.

 

Maar wanneer Christus tot de mensen komt, wordt hun duister­nis verdreven. Zij die wandelen, zien het licht waaraan ze zo grote behoefte hebben. Het verschijnt aan hen op hun weg. Het schijnt ook op hen die neerzitten; het licht baant z'n weg tot in hun kerker. Beiden zien dan waar ze zich bevinden, hoe ze hun toestand kunnen verbeteren en hoe hopeloos die toestand wel was. Let op het gevolg van de zaligmakende verlichting door het licht van het Evangelie. In vers 2 van ons teksthoofdstuk lezen we "Gij hebt dit volk vermenigvuldigd, maar Gij hebt de blijdschap niet groot gemaakt; zij zullen nochtans blijde wezen voor Uw aangezicht, gelijk men zich verblijdt in de oogst, gelijk men verheugd is wanneer men de buit uitdeelt". Als verlichte zondaars hun toevlucht nemen tot Christus, zien we de groei van de kerk, alsof een licht ontstoken werd in de duisternis. Allen scharen zich er om heen. Want het verschijnen van dit licht betekent grote blijdschap. Maar voor het ongelovige deel van de joden betekende het niet meer blijdschap dan wat een uil heeft in het schijnen van de zon. Zij staan het als het ware met tegenzin toe, en ergerden zich er aan.

Zo doen ook de vijanden van Christus bij de voortgang van het Evangelie. Maar voor geestelijke mensen is de blijdschap bij het verschijnen van dit licht groot. De nieuwe vrienden van Chris­tus als zij voor het eerst toekomen, en Zijn oude vrienden waar­mee zij zich verenigen, verheugen zich samen. De eersten van­wege de gelukkige verandering van hun staat en de laatsten vanwege de uitbreiding van de gemeente. Deze vreugde over het licht wordt vergeleken met de vreugde wanneer de oogst wordt binnengehaald. Zij wordt ook vergeleken met de blijd­schap van een leger dat de overwinning behaald heeft en nu de buit mag verdelen. Een evangelisch oogstfeest, waarin zondaren als aren worden geraapt en samen tot Christus geleid worden. Zowel een overwinning van het Evangelie op de duivel, als het verdelen van de buit betekent heerlijke tijden; zielen zijn veel meer waard dan korenschoven of wereldse schatten. De oorzaak van deze blijdschap is de verlossing die voor het volk teweeg gebracht is. In vers 3 staat: "het juk van hun last en de stok hunner schouders en de staf desgenen die hen dreef, hebt Gij verbroken". Zij verkeerden voordien onder een zware last: het juk van de wet als het werkverbond, dat hen verplichtte tot gehoorzaamheid, op straf van vervloeking. Nu is dat juk verbro­ken en daarom verblijden zij zich. Zij waren gedwongen zware lasten te dragen op hun schouders net zoals de Levieten de ark moesten dragen. Dat wil zeggen, zij verkeerden als slaven onder de macht en de heerschappij van de zonde, in de boze lusten daarvan, als mensen die -en dat is het allerergste- nooit behoef­te voelden dat het juk van hun schouder genomen zou worden. Nu is dat juk gebroken en zij verblijden zich. Hoe is dat zo spoe­dig gebeurd? Door het Woord van God, want dat is levend en krachtig (Hebr. 4 : 12). Het juk, de staf en de scepter werden door een aanraking verbroken, plotseling. En dat op een wijze die voor het natuurlijk verstand niet te bevatten is; evenmin als vroeger, toen Gideon met z'n driehonderd mannen met niets anders dan fakkels in kruiken, het leger van Midian versloeg. Zo overwon Christus de duivel door Zijn sterven aan het kruis en door de verkondiging van het Evangelie, hoofdzakelijk door een paar vissers. De voleinding ervan zal zodanig zijn dat het juk, de staf en de scepter tot een brandend vuur zullen worden.

 

Welnu, in onze tekst bepaalt de profeet onze aandacht bij de bron van al deze belangrijke gebeurtenissen. Hij beantwoordt de vraag "hoe kunnen deze dingen geschieden, ten gunste van ons arme zondaren?" "Want een Kind is ons geboren", zegt hij. Deze gebeurtenissen, en de oorsprong ervan, gaan inderdaad ons begrip te boven. Er is een grote Verlosser, de Messias, Jezus Christus wie we deze dingen alleen kunnen toeschrijven. En de joden van de oude dag begrepen dit. In deze zaak zien we in de eerste plaats Zijn betrekking tot ons, en hoe Hij voorgesteld wordt als "een Kind aan ons gegeven". Evenals Simson geboren werd om Israëls verlosser te wezen.

In de tweede plaats zien we Hem als een Zoon aan ons gegeven, geschonken van de Vader als een gave gepast voor onze nood. En ten derde zien we Hem als Een aan Wie het besturen van de zaak van verloren zondaren is toevertrouwd, ten einde hen terug te winnen.

Laten we onze aandacht nu richten op de onvergelijkbare uit­nemendheid van deze onze "oudste broeder". Hij is een Kind, een Zoon, een Vredevorst. Luister naar Zijn Naam die Zijn aard en volheid onthult. Wij kunnen al deze heerlijke uitnemend­heden niet bevatten; Hij is "Wonderlijk". We kunnen dit zien en ons er over verwonderen, maar helemaal begrijpen doen we het niet. Hij is ook "Raad", met Wie de Vader overlegt, en Die Hij heeft beschikt als de Raadgever voor arme zondaren in hun diep ellendige toestand. Hij is de "Sterke God" voor Wie niets onmogelijk is. Hij is de "Vader der eeuwigheid" die tot in eeu­wigheid blijft. Van eeuwigheid tot eeuwigheid zullen Zijn macht en wijsheid bestaan. En hoewel Hij een "Vorst" is, is Hij uit mededogen en bewogenheid met arme weerspannige zon­daren de "Vredevorst". Hij spreekt, Hij werkt en geeft vrede, ja, Hij stierf om vrede te verwerven. Hij is met recht Wonderlijk. Tot zover een algemene beschouwing van de woorden; wij zul­len deze in het vervolg van ons betoog meer in het bijzonder verklaren.

De woorden "een Kind is ons geboren" kunnen we opvatten als vol van heilige verwondering. De profeet Jesaja laat zich hier op een triomfantelijke wijze uit over dit onderwerp. In zijn tijd is Christus niet gekomen; maar door het geloof zag hij Hem in de belofte. Daarom spreekt hij ook van Christus met grote zeker­heid alsof Hij al gekomen was. Jesaja zag hoezeer de wereld de Christus nodig had; hij gevoelde ook zelf behoefte aan Hem. Hij geloofde dat Christus gegeven zou worden tot een Zaligmaker voor verloren zondaren. Een Zaligmaker in Wiens handen nie­mands zaak een hopeloos geval is. Hij geloofde dat Christus gegeven werd zowel aan hemzelf als ook aan anderen. Daarom roept hij uit als in geestvervoering: "Want een Kind is ons gebo­ren, een Zoon is ons gegeven". O, mijn verloren broeders, kin­deren van Adam, een Kind is ons geboren, een Zoon is ons gegeven.

 

Wie de blijde tijding van het Evangelie vertrouwt, wordt ver­vuld met warme genegenheid. Het is net als met andere zaken; een mens is het meest bezig met dat waar z'n diepste interesse naar uit gaat. Evenals in het geval van handelaren als zij erva­ren dat er een goede markt is.

Om dit duidelijk te maken zal ik u tonen

I. waarin het gevoelde vertrouwen bestaat.

II. wat de warme aandoening is die gepaard gaat met het gevoel­de vertrouwen.

Daarna wil ik deze woorden toepassen.

Ten eerste dan: waarin bestaat dat gevoelde vertrouwen?

Het wordt onder meer openbaar in de gevoelde behoefte aan de weldaden van het Evangelie. In het boek Spreuken staat: "Aan een hongerige ziel is alle bitter zoet" (Spr. 27 : 7). Als vrijspraak wordt afgekondigd, zal het hart van de mens die niet onder de gesel van de wet verkeert nauwelijks geraakt worden; maar het hart van een mens die vervloekt is, zal in hem van vreugde opspringen. "Die gezond zijn, hebben de Medicijnmeester niet van node, maar die ziek zijn" (Matth. 9 : 12). Zolang mensen zich niet bewust zijn van hun zonden en het gevaar waarin ze verkeren heeft het Evangelie geen smaak voor hen. Maar zodra de ogen van een zondaar worden geopend, zal het Evangelie zoeter zijn dan een aangekondigde vrijspraak voor opstandelingen kan wezen. De profeet zegt: "ons" is een kind geboren. Als een mens zich z'n behoefte aan vrijspraak bewust is, maar voor eigen beleving buitengesloten is zodat vrijspraak alleen voor anderen is, kan hij zich er niet in verblijden. Het maakt hem neerslachtig. Het ongeloof zegeviert dan door te spreken "er is geen hoop"; en dat zuigt voor hem de sappen uit het Evangelie. Ten tweede, waarin bestaat de warme aandoening die met het gevoelde vertrouwen gepaard gaat? Het is een gevoel van innerlijke blijdschap. Zij verblijden zich erin dat "ons een Kind geboren is, ons een Zoon gegeven is", hoewel zij nog niet dat bijzondere zaligmakende deel aan Hem hebben. In Mattheüs 13 : 44 lezen we: "Het Koninkrijk der hemelen is gelijk een schat, verborgen in een akker, welke een mens gevonden hebbende, verborg dien, en van blijdschap over deze gaat hij heen, en verkoopt al wat hij heeft, en koopt die akker". Als hij hoort dat de dokter in staat en bereid is hem te genezen, zal een zieke zich verheugen, ook voordat z'n kwaal genezen is. Zo zullen neergedrukte zondaars zich verblijden als zij horen dat er voor hen toegang tot Christus is.

Het is ook een warm gevoel van verlangen daadwerkelijk deel te mogen hebben aan deze weldaad. De gevoelde nood van de zondaar zegt hem dat hij tot Christus moet gaan, daar de gevoelde vrijheid van toegang hem zegt dat hij mag gaan. En beide deze zaken wakkeren zijn begeerte aan.

 

De reden waarom het Evangelie voor de meeste hoorders zo uiterst smakeloos is, is dat zij zich niet bewust zijn van hun behoefte aan het Evangelie. Ze geloven de leer van de wet noch de leer van het Evangelie met toepassing op zichzelf. Ze verkeren óf onder een plaag van domheid en ongevoeligheid voor hun zielenood óf onder de plaag van ongeloof en moedeloosheid. Het nieuws van goede of slechte beursberichten raakt hen wel, want ze zijn zich het belang daarvan bewust. Maar het dreigen van de wet of de blijde tijding van het Evangelie deert hen niet. Werk om uw belang bij het Evangelie te leren inzien, indien u ooit zover wilt komen dat u er door bekoord wordt en er vermaak in hebt. U hebt deze Zaligmaker nodig; zonder Hem bent u verloren. U mag deze Zaligmaker aannemen; als u Hem niet heeft, is het uw eigen schuld. Uw grote belang voor de eeuwigheid ligt in het Evangelie, hoe u het ook opvat.

 

De wereld heeft lang gewacht op de komst van Christus. En nu zegt de profeet dat hetgeen waar zo lang naar uitgezien is, gekomen is. Het "Kind" is geboren. Het woord kind duidt hier de naam van het geslacht aan, "een knechtje". Zulk een was onze Heere Jezus Christus. Het is een naam die wel meer gebruikt wordt bij kinderen van het mannelijk geslacht. Het woord geboren betekent méér, zoveel als “pasgeboren". Het is een natuurlijke zaak dat een pasgeboren baby aangekleed en aan de familie getoond wordt. De kinderen van Machir werden aan hun grootvader Jozef getoond en bij die gelegenheid op zijn knieën gegeven (Gen. 50 : 23); evenzo werd de zoon van Ruth aan Naomi gegeven. Zo bedoelt de profeet het hier ook, dit wonderbare Kind is gegeven als aan Zijn verwanten. En wie zijn dat? Hij heeft betrekkingen in de hemel; de Vader is Zijn Vader, de Heilige Geest is Zijn Geest, de engelen zijn Zijn dienstknechten. Maar deze betrekkingen worden hier niet bedoeld. Hij bedoelt: aan ons, zonen en dochters van Adam. Wij vormen Zijn arme familie. En aan ons, als aan Zijn nederige betrekkingen hier op aarde, kinderen van Adam waarvan Hij het hoofd is, wordt de geboorte van dit Kind gemeld. Tot onze troost in onze nederige staat.

 

- De geboorte van Christus werd verwacht. De kerk, Zijn moe­der, had lang tevoren de belofte van Zijn komst ontvangen. En het was krachtens die belofte dat Hij werd ontvangen en gebo­ren. Daarnaast had het hele mensengeslacht de belofte in een ander woord: "Weest vruchtbaar en vermenigvuldigt u, en ver­vult de aarde, en onderwerpt haar" (Genesis 1 : 28). Hoewel Maria, Zijn moeder in natuurlijke zin, niet langer dan normaal zwanger van Hem was, is de Kerk, Zijn moeder in figuurlijke zin, al zo'n vierduizend jaar lang zwanger van hem geweest. Vaak werd naar de komst uitgezien. De Kerk verkeerde in gevaar de belofte als een verkeerde gedachte te beschouwen, daar de belofte al zo lang tevoren gegeven werd. Koningen en profeten verlangden en zagen uit naar Zijn komst. "Ik zeg u dat vele pro­feten en koningen hebben begeerd te zien hetgeen gij ziet, en hebben het niet gezien" (Luk. 10 : 24). De hele kerk van het Oude Testament zag dus uit naar die dag. "Kom haastig, mijn Liefste" (Hoogl. 8 : 14).

 

- Christus is nu gekomen. Het gelukkige ogenblik van de lang verwachte geboorte is gekomen en het Kind is in de wereld gekomen. Engelen boodschapten het. "En de engel sprak tot hen: "Vrees niet want zie ik verkondig u grote blijdschap, die al den volke wezen zal; namelijk dat u heden geboren is de Zaligmaker, welke is Christus de Heere, in de stad Davids" (Luk. 2 : 10, 11). De aartsvaders, koningen en profeten, die allen geloofden dat Hij geboren zou worden, waren in hun graven. En nu is Hij gekomen. Hij is gekomen als een klein Kind en toch de Almachtige God. Een zuigeling, nog geen dag oud, en toch de Eeuwige Vader. Een wonderlijke geboorte zoals de wereld nog nooit tevoren gezien had en ook nimmer zal zien.

 

- Sommigen zijn werkzaam geweest om dit Kind aan de vrien­den en verwanten te voor te stellen en zij werken nog. O wat een eervolle werkzaamheid! Jozef en Maria hadden de taak Hem aan de Heere voor te stellen (Luk. 2 : 22). Maar wie heeft de eer Hem aan ons te verkondigen?

 

- De Heilige Geest heeft de taak Hem in ons hart te brengen. In 1 Kor. 2 : 2, 4 zegt Paulus: "Want ik heb niet voorgenomen iets te weten onder u dan Jezus Christus en Dien gekruisigd". Door hem stelt de Vader Hem aan ons voor. "En Simon Petrus ant­woordde: Gij zijt de Christus, de Zoon van de levende God. En Jezus antwoordde hem: zalig zijt gij Simon, Bar Jona! want vlees en bloed heeft u dat niet geopenbaard, maar Mijn Vader Die in de hemelen is" (Matth. 16 : 16, 17). Zo hebben zondaren een helder zicht op Hem gehad, zoals op aarde door geloof verkre­gen kan worden. "Het Woord is vlees geworden en heeft onder ons gewoond, en wij hebben Zijn heerlijkheid aanschouwd, een heerlijkheid als des Eniggeborenen van de Vader, vol van gena­de en waarheid" (Joh. 1 : 14).

 

- Dienaars van het Evangelie hebben de opdracht Hem uitwen­dig aan ons voor te stellen, in het gewaad van het Woord en de sacramenten.

Zij worden gebruikt om gelovige zondaren aan Christus aan te bieden "...om u als een reine maagd aan een man voor te stel­len, namelijk aan Christus" (2 Kor. 11 : 2). En om Christus aan zondaren voor te stellen, opdat zij in Hem mogen geloven. In de weg van het Evangelie komen zij als het ware met de oude Simeon met het heilige Kind Jezus in de armen, en spreken met Johannes de Doper: "Zie het Lam Gods dat de zonde der wereld weg neemt" (Joh. 1 : 29).

 

- Dit Kind wordt ook nu aan ons voorgesteld bij Zijn geboorte. Weinigen zo ze er al waren, waren getuige van Zijn geboorte; de omstandigheden waren zo armoedig. Maar dat Hij gekomen is, is zeker en dit wordt nog steeds aan menigten van mensen ver­kondigd.

Aan wie wordt Christus aangeboden? Laten we eerst zien aan wie Hij niet wordt aangeboden. Aan de gevallen engelen; voor hen is Hij niet gekomen. Zij zijn niet van Zijn familie en ver­wanten. "Want waarlijk, Hij neemt de engelen niet aan, maar Hij neemt het zaad Abrahams aan" (Hebr. 2 : 16). De woon­plaats van deze engelen was eertijds heerlijker dan het huis van Adam. Maar Christus heeft het huis van Adam geëerd boven het huis van deze engelen. De heilige engelen zijn Zijn dienst­knechten, de gevallen engelen zijn Zijn beulen. Maar heilige mensen zijn Zijn broeders. Hij wordt wel aangeboden aan zon­dige mensenkinderen, aan hen die van het huis van Adam zijn. Tot hen is gericht wat Johannes zei "Zie het Lam Gods" en "Een kind is ons geboren". Hij werd eerst de Joden aangeboden, eerst aan Israël getoond, maar daarna aan de gehele wereld, ongeacht welke natie (Mark. 16 : 15). Dientengevolge worden tot aan het uiterste der aarde lofzangen gehoord bij de gelegenheid van Zijn geboorte, want dit is een niet geëvenaarde heerlijkheid.

 

- Hij wordt in het bijzonder aangeboden aan de zichtbare kerk, zelfs aan allen en ieder lid daarvan. Inderdaad zijn er velen op deze aarde aan wie Hij niet wordt aangeboden. Zij horen Zijn stem noch Zijn roem en zien ook Zijn gestalte niet in het Woord. Maar waar het Evangelie ook gebracht wordt, daar wordt Christus aan alle mensen zo aangeboden, dat Hij voor hèn gekomen is. "Mannen broeders, kinderen van het geslacht van Adam en die onder u God vrezen, tot U is het woord dezer zaligheid gezonden" (Hand. 13 : 26). Lichamelijk is Hij nu wel­iswaar in de hemel, maar geestelijk wordt Hij ook nu aan zon­daren aangeboden door het Woord en de sacramenten. Door geloof wordt Hij ook gezien, hoewel het merendeel van de men­sen Hem niet wil aannemen.

 

- Hij wordt daadwerkelijk aan de uitverkorenen aangeboden. Christus wordt in hen geopenbaard (Gal. 1 : 15, 16). Daarom geloven zij in Hem. Zo gaat het met allen die het horen, hoewel anderen dit eerst nog eens willen overdenken. "En er geloofden zovelen als er geordineerd waren tot het eeuwige leven" (Hand. 13 : 48). Het gaat hen allen net als Paulus: uitverkoren om de Rechtvaardige te zien. En wanneer zij Hem met een geestelijk oog mogen zien, zijn ze bereid deel te hebben aan alles. Om alles te verkopen ter wille van die éne parel. Daar Christus ons als een geboren kind wordt aangeboden, moeten wij terdege beseffen wat een eer het is als de Vredevorst bij Zijn geboorte wordt aangeboden. In onze dagen zijn er sommigen welke voor­geven Zijn geboorte alleen te zullen eren op een speciale dag. Maar waar is de Goddelijke instelling van zo'n dag? Is het niet evenals bij het feest van Jerobeam (1 Kon. 12 : 33) "en hij offer­de op het altaar dat hij te Bethel gemaakt had, op de vijftiende dag der achtste maand, der maand, dewelke hij uit zijn hart ver­dacht had..." En durven mensen dan denken dat ze met hun manier van feestvieren, hun eten en drinken zoals ze dat met de viering van het kerstfeest gewoon zijn te doen, inderdaad Chris­tus eren? Maar omarm Hem met de oude Simeon, met armen des geloofs! Verenig u met Hem, open uw hart voor Hem. Kus de Zoon, ontvang Hem als uw Heere en Koning en God. Hoe wordt Christus voorgesteld? In de verkondiging van het Evan­gelie. "O gij uitzinnige Galatiërs, wie heeft u betoverd dat gij de waarheid niet zou gehoorzaam zijn, dewelke Jezus Christus voor de ogen tevoren geschilderd is geweest, onder u gekruist zijn­de" (Gal. 3 : 1). Aan ieder die het Evangelie hoort, wordt Chris­tus voorgesteld zoals Hij in het Evangelie door het geloof gezien wordt. "Maar de rechtvaardigheid die uit het geloof is, spreekt aldus: zeg niet in uw hart: wie zal in de hemel opklimmen? Dat is Christus van boven afbrengen. Of, wie zal in de afgrond neer­dalen? Dat is Christus uit de doden opbrengen. Maar wat zegt ze? Nabij u is het Woord, in uw mond en in uw hart. Dit is het Woord des geloofs dat wij prediken" (Rom. 10 : 68). In het Woord wordt ons het beeld van de bruidegom getekend, in Zijn geboorte, Zijn leven en dood, in Zijn bereidheid en gewilligheid om zalig te maken. Het is als een bril die ons voor de ogen gehouden wordt, waarmee wij Hem kunnen zien. "Doch wij allen met ongedekte aangezicht de heerlijkheid des Heeren als in een spiegel aanschouwende, worden naar hetzelfde beeld in gedaante veranderd, van heerlijkheid tot heerlijkheid, als van des Heeren Geest" (2 Kor. 3 : 18).

 

Zoals Hij in het Woord aan onze oren gebracht wordt, zo wordt Hij in de sacramenten zichtbaar voorgesteld. Daarin zien we een duidelijke afbeelding van Zijn lijden en sterven aan het kruis ten behoeve van zondaren. "Dit is Mijn lichaam". Hoewel Hij niet lichamelijk in de sacramenten aanwezig is, is Hij daar voor de beleving van de gelovigen wel geestelijk aanwezig, want het geloof ziet onzichtbare dingen. "Het geloof is een bewijs der zaken die men niet ziet". En zo worden daar heerlijke dingen gezien. "En zij verhaalden hoe Hij hun bekend was geworden in de breking des broods" (Luk. 24 : 35). Hij wordt ook voorgesteld door het inwendige werk van zaligmakende verlichting. De Geest van God schenkt aan de uitverkorenen niet alleen ver­lichting, maar ook het gezicht. Hij opent niet slechts de Schrif­ten voor hen, maar opent ook hun ogen en openbaart Christus in hen. Dit is het getuigenis van de Geest waar Paulus over spreekt; dit gaat direct aan het geloof vooraf. Zonder dit kan geen mens geloven. Dit is het vinden van de schat in de akker, van de parel van grote waarde.

Wat is de strekking ervan dat Hij ons voorgesteld wordt? De geboorte van Christus is van groot belang voor ons; waarom anders wordt Hij ons voorgesteld? De heilige engelen hadden er belang bij om als dienstknechten van een gezin, de blijde tij­ding te verkondigen. De gevallen engelen hadden er ook belang bij omdat deze geboorte de ondergang van hun deel in de ­wereld zou worden. Maar wij mensen hebben er op een bijzon­dere wijze belang bij, omdat dit de geboorte van onze Zaligma­ker is. Hij wordt aan ons voorgesteld als aan Zijn verwanten. Zondige mensenkinderen staan in een algemene betrekking tot Christus. Een relatie tot Hem met betrekking tot de natuur die Hij aannam, de menselijke natuur. "Want wij zijn leden van Zijn lichaam, van Zijn vlees en van Zijn benen" (Ef. 5 : 30). "Deze is waarlijk de Christus, de Zaligmaker der wereld" (Joh. 4 : 42). "De Vader heeft de Zoon gezonden tot een Zalig­maker der wereld" (1 Joh. 4 : 14). Hij werd geboren om zon­daren zalig te maken, om te zoeken wat verloren was. Daarom is Hij onze Zaligmaker.

Dat Hij bij Zijn geboorte aan ons voorgesteld is, is een duidelijk getuigenis dat ons bestaan verwant is aan Hem. Hoewel wij maar arme en slechte familieleden zijn, schaamt Hij zich onzer niet. Onze onwaardigheid is voor Hem ook geen reden ons te verloochenen. "Daarom schaamt Hij zich niet hen broeders te noemen" (Hebr. 2 : 11). Hij is geboren om ons tot hulp te wezen. Om het verscheurde gezin van Adam weer te herstellen. Dit betekent dat hoe armer, behoeftiger en onwaardiger wij zijn, des te meer eer Zijn Naam uiteindelijk zal ontvangen.

In het natuurlijke worden kinderen bij hun geboorte aan de familie getoond. Zo wordt Christus ook aan zondige mensen­kinderen voorgesteld. Nimmer is er zo'n troostrijke geboorte geweest in de wereld. De hele wereld van zondige mensenkin­deren is geboren in zonden; nimmer is ook maar een daarvan ontkomen aan de besmetting daarmee, waardoor allen kinderen des toorns zijn. Dientengevolge verkeerde de gehele wereld in een ellendige en deerniswekkende toestand toen Christus met een heilige menselijke natuur geboren werd, zonder zonden. Waartoe werd Christus bij Zijn geboorte voorgesteld? Opdat wij de trouw van God zouden zien in het vervullen van Zijn belof­ten. De belofte dat Christus komen zou, was al lang geleden gegeven; er was lang gewacht op de vervulling daarvan. Maar nu zien we dat in de tijd gebeuren. Daaruit mogen wij de gevolgtrekking maken dat alle beloften die hier uit voortvloei­en, ook op hun tijd nog vervuld zullen worden. Hij is bij Zijn geboorte aan ons voorgesteld opdat wij ons in Hem zouden ver­blijden. De geboorte van Zijn voorloper was bedoeld als een vreugde voor velen (Luk. 1 : 14). Hoeveel te groter is dan de vreugde bij Zijn eigen geboorte. Engelen verheerlijkten God bij de geboorte van Christus. En Hij wordt aan ons voorgesteld opdat wij ons met hun zang zouden verenigen, want het is inderdaad een zaak van grote vreugde. En wie het grote gevaar ziet waarin wij vanwege de zonde verkeren, zal zich verheugen als Christus aan hem voorgesteld wordt. Zoals een veroordeelde blij is bij het zien van een koning van wie hij gratie verwacht.

 

Hij wordt aan ons voorgesteld opdat wij Zijn heerlijkheid zou­den zien als des Eniggeborenen van den Vader. Om deze oor­zaak worden zondaren vaak opgewekt op Christus te zien. "Wendt u naar Mij toe, wordt behouden alle gij einden der aarde" Ges. 45 : 22). "Ga uit en aanschouwt, gij dochters Sions, de koning Salomo, met de kroon waarmee Hem Zijn moeder kroonde op de dag Zijner bruiloft en op de dag der vreugde Zijns harten" (Hoogl. 3 : 11). Het zien naar de verboden vrucht heeft de ogen der mensen zozeer aangetast, dat de dingen der wereld als met een vergrootglas gezien worden. En wij zullen niet eerder weer een heldere blik ontvangen totdat wij Jezus zien in Zijn heerlijkheid.

 

Hij wordt bij Zijn geboorte aan ons voorgesteld opdat wij Hem zouden herkennen in de natuur waarin Hij verschijnt, als de Zaligmaker der wereld, en onze Zaligmaker. Want Hij wordt voorgesteld als een jonge prins, als erfgenaam van de kroon. De Vader heeft Hem uitverkoren om de Zaligmaker der wereld te wezen. Hij heeft Hem aan ons geschonken als onze Zaligmaker. Daarom vermaan ik u te geloven dat Christus bij Zijn geboorte aan u, als Zijn verwanten, aangeboden wordt.

En als u me vraagt wat uw plicht is bij Zijn verschijning, ant­woord ik:

- Omarm Hem hartstochtelijk. "Heft uw hoofden op gij poorten en verheft u gij eeuwige deuren, opdat de Koning der ere inga!" (Ps. 24 : 7). Toen Christus in de tempel voorgesteld werd, nam de bejaarde Simeon Hem in z'n armen met volle overgave van z'n ziel. Lichamelijk is Christus nu in de hemel, maar in het Evangelie wordt Hij u aangeboden. Neem hem aan door geloof, geloof met uw hart in Hem voor uw zaligheid. Verlaat alle ande­re "zaligmakers" ter wille van Hem! Neem voor de rust van uw consciëntie de toevlucht tot Hem.

- Kus Hem, met een kus der liefde. Geef uw hart aan Hem: "Mijn zoon, geef mij uw hart". Kus Hem met een kus van eer. Eer Hem met uw lippen, in uw hart en in uw leven. Ontvang Hem als uw Koning, uw Hoofd en Echtgenoot.

- Looft Hem, looft Zijn Naam. Hij is God, geloofd tot in eeuwig­heid. Bidt met uw hele hart dat Zijn rijk moge komen.

- Aanbid Hem; dat deden ook de wijzen uit het oosten. Hij is de eeuwige God, die daarom aanbeden moet worden. In Ps. 45 staat "dewijl Hij uw Heere is". Dien Hem, geef uw gehele ziel aan Hem.

- Geef Hem geschenken; dat deden de wijzen ook. Geef als geschenk uw gehele hart aan Hem. Verheerlijk Hem met geheel uw hart, met geheel uw ziel en met alle kracht.

 

In deze blijde tijding wordt Christus voorgesteld als een Zoon. En dat niet om het geslacht aan te duiden, dat is in het vooraf­gaande al gebeurd. Maar het wijst op een Zoon bij uitnemend­heid. Onze Heere Jezus was de Zoon van God van eeuwigheid af. In de tijd werd Hij de Zoon van Maria. Naar Zijn menselijke natuur was Hij de Zoon van Maria, maar naar die natuur wordt Hij niet als de Zoon van God genoemd; hoewel Hij toch een Zoon was op een heel bijzondere wijze. Naar de mens gerekend was Hij "zonder Vader". En als Zoon van God beschouwd, is Hij "de Eniggeborene van de Vader". Maar daar Hij mens was, is Hij helemaal niet geboren. Hij heeft ook "broeders". Daarom wordt Hij ten aanzien van Zijn menselijke natuur niet "de Zoon van God" genoemd.

Welnu, in onze tekst wordt Hij een Zoon genoemd naar Zijn menselijke natuur, een pasgeboren knaapje. Zo wordt Hij ons voorgesteld als Godmens, met twee onderscheiden naturen. De Vader heeft aan ons arme nietige zondaren een onvoor­waardelijk aanbod gedaan in de vorm van Zijn eigen Zoon, als het geneesmiddel tegen onze ellenden. Daar onze ellende zeer groot is, is het aanbod naar evenredigheid daarvan; het grootste dat de hemel te bieden had of de aarde kon ont­vangen.

Laten we onze aandacht nu op de gave zelf richten. Veel kostbare gaven komen van de hemel naar de aarde; ja, alles wat wij heb­ben is een Hemelse gave. "Alle goede gave en alle volmaakte gift is van boven, van de Vader der lichten afkomende" (Jak. 1 : 17). Deze gave is een persoon. Mensen zijn van hogere waarde dan stoffelijke dingen. Alles wat een mens heeft, zal hij geven voor z'n leven; een ziel is kostbaarder dan de hele wereld. En dus is deze gave ook kostbaarder dan de hele wereld. Wat u ook behoeft, indien u Christus heeft, bent u beter af dan een over­winnaar der gehele wereld. Als u Hem niet heeft, hebt u niets dat die behoefte kan compenseren. Deze gift van God is God zelf. "In den beginne was het Woord, en het Woord was bij God en het Woord was God". O, wat een gave moet God zelf dan wel wezen; Hij wordt een onuitsprekelijke gave genoemd. Hij die deze gave bezit is rijkelijk gezegend. "Welgelukzalig is het volk wiens God de Heere is". Dit is een groot mysterie: een god­delijk persoon geschonken aan arme zondige mensen. God heeft engelen gegeven tot gedienstige geesten voor Zijn volk. Maar zodra wij deze gave van God zien, zullen wij ons over de engelen niet meer verwonderen.

 

De Heere Jezus Christus is de tweede persoon in het goddelijk wezen. Hij sprak tegen de Samaritaanse vrouw "Indien gij de gave Gods kende en Wie Hij is, Die tot u zegt 'geef Mij te drin­ken', zo zou gij van Hem hebben begeerd en Hij zou u levend water gegeven hebben" Goh. 4 : 10). De derde persoon, de Heili­ge Geest, is ook gegeven aan arme zondaren. "Hoeveel te meer zal de hemelse Vader de Heilige Geest geven degenen die Hem bidden?" (Luk. 11 : 13). Maar we spreken nu over de Zoon Die gegeven is; de gave van de Heilige Geest volgt daarna. Door z'n schepping is de mens de zoon van God, maar door de val in het paradijs is hij buiten het familieverband gekomen. De beloofde Zoon is van de Vader geschonken om de mens daar weer in op te nemen. Hij was daartoe aangewezen, want alleen Hij kon gezonden worden en zelf de Heilige Geest zenden, volgens de werkwijze van de aanbiddelijke Drieëenheid.

 

Laten we nu bezien hoe deze gift tot ons komt. Zij die ons geschenken sturen, kostbare geschenken, wikkelen die door­gaans in iets wat minder kostbaar is. Een schat in aarden vaten is veelal de manier waarop de beste gaven van de hemel naar de aarde komen. De Zoon Die de gave Gods is, werd gezonden bedekt met en gewikkeld in onze natuur. De Zoon wordt tot een pasgeboren kind, geboren uit een vrouw.

Deze omhulling van de gave was veel minder kostbaar dan de gave zelf. De menselijke natuur van Christus was een geschapen iets, Zijn goddelijke natuur was niet geschapen. Wat is er niet een groot onderscheid tussen de klei en de pottenbakker, tussen het schepsel en de Schepper. Zo'n verschil was er ook tussen de verpakking en het geschenk dat er in gewikkeld was. Het was als een kostbare parel, gezonden in een aarden kruik die in de regel niet voor dergelijke zaken gebruikt wordt. Daarom ontving de wereld Hem niet, omdat zij slechts de verpakking zag. Slechts weinigen hebben Hem aangenomen. "Het is u gegeven de ver­borgenheid van het koninkrijk Gods te verstaan; maar degenen die buiten zijn, geschieden deze dingen door gelijkenissen" (Mark. 4 : 11). Nee, de gave werd niet eerder duidelijk zichtbaar dan toen de omhullende kruik door Zijn dood in stukken gebro­ken werd.

 

Niettemin was het een schone gave. Hoewel mensen hun kost­bare geschenken meestal in iets grofs verzenden, zal het geschenk zelf toch altijd schoon blijven; men verzendt niet in iets dat smerig is. De menselijke natuur van Christus, hoewel die oneindig ver beneden de waardigheid van Zijn goddelijke natuur is, was toch een heilig iets. "Het Heilige, Dat uit u gebo­ren zal worden, zal de Zoon van God genoemd worden" (Luk. 1 : 35). Zijn ziel was heilig en Zijn lichaam ook, volkomen heilig zonder de minste vlek of rimpel. "Zulk een Hogepriester betaamde ons, heilig, onnozel, onbesmet, afgescheiden van de zondaren en hoger dan de hemelen geworden" (Hebr. 7 : 26). Deze gave, zonder de minste vlek van zonde, kon niet in een sluier verborgen blijven, evenmin als een vlammend vuur in een doek verpakt kan worden, daar de doek dan direct zou ver­branden. Welnu, dit geschenk werd aan ons geopenbaard en gezonden in de sluier van de menselijke natuur, opdat de gave in staat zou zijn de behandeling te ondergaan die nodig was voor onze ondersteuning. Het betaamde de Zoon van God te lijden. "Want zonder bloedstorting geschiedt geen vergeving" (Hebr. 9 : 22). Daarom betaamde het dat Hij verscheen in ons vlees. Hij nam onze natuur aan, als Zijn lijdenskleed, als gevan­geniskleding. En zo werd de gave tot ons gezonden. De Zoon, de Heere van het Leven, daalde neer in het gewaad van onze doodsklederen; want Hij kwam om er in te sterven. Niettemin heeft dit gewaad van ons vlees nu niet afgedaan, maar het is nu veranderd in een bruiloftskleed, niet langer sterfelijk, maar onsterfelijk, met een glans heerlijker dan de zon. Een voorbeeld daarvan werd getoond bij de verheerlijking op de berg. De gave werd ons op deze wijze geschonken opdat Hij gepast zou zijn voor het beperkte inzicht van de ontvangers. Wie een zwaard verstuurt, doet dat in een schede, opdat het de ontvanger niet zal verwonden. Zo gaf God Zijn Zoon aan zondaren, gewikkeld in een sluier van het menselijk vlees. Gods Zoon zou in onge­sluierde toestand voor onze ogen hetzelfde zijn als het licht van de zon voor de ogen van een uil. Slechts een paar stralen van Zijn heerlijkheid die van onder de sluier kwamen, deden Zijn vijanden ter aarde vallen. Wat zou er dan van ons geworden zijn als er helemaal geen sluier om Hem heen geweest was?

 

De Zoon van God is een ongeëvenaarde gift aan arme zondaren, in het bijzonder vanwege Zijn waarde. "Wijsheid is beter dan robijnen" (Spr. 8 : 11). De Heere heeft ons vele gaven geschonken, maar dit is de "gave Gods" bij uitnemendheid, zoals Hij ooit tevoren had geschonken. Nooit bleek de mildheid van de hemel zo duidelijk als in deze gift. "Alzo lief had God de wereld gehad dat Hij Zijn eniggeboren Zoon gegeven heeft" (Joh. 3 :16). In de weegschaal opgewogen met tienduizend werelden zouden die werelden lichter zijn dan de ijdelheid vergeleken met deze Gift. Nee, vergeleken met geschapen hemelen en de geschapen mensen overtreft deze gift alles. Evenals de persoon van een bruidegom meer waard is dan al zijn juwelen. Doorzoek de aarde en de zeeën, het hele gewelf van de hemel, zoek in het hele Hogerhuis onder al de lichtende engelen, u zult geen persoon of ding vinden die of dat zo gepast is voor onze nood als de gave die ons geschonken is. "Want de zaligheid is in geen ander, er is ook onder de hemel geen andere naam gegeven door welke wij moeten zalig worden" (Hand. 4 :12). "Waarom Hij ook volkomen kan zaligmaken degenen die door Hem tot God gaan, alzo Hij altijd leeft om voor hen te bidden" (Hebr. 7 : 25). De aarde, de zeeën en de lucht dienen alle voor de rug, de buik en de portemonnee. Maar in dit alles wordt niets gevonden wat leven aan een dood lichaam kan geven, veel minder nog aan een dode ziel. "Wie de Zoon heeft die heeft het leven, wie de Zoon niet heeft die heeft het leven niet" (1 Joh. 5 : 12). Engelen in de hemel mogen de nood waarin het mensdom verkeert hebben beweend, zij zijn echter niet bij machte de breuk te herstellen zoals Christus dat kan. In Chris­tus is alles wat een zondaar nodig heeft.

De gave Gods aan zondaren is ongeëvenaard, want zij is niet tijdgebonden. Het komt wel voor dat een gift bedorven is omdat hij niet op tijd gegeven werd. Maar deze gave werd op de juiste tijd gegeven. Het mensengeslacht werd niet eerder versla­gen en verbroken dan toen het de belofte ontving dat het zaad de kop van de slang zou vermorzelen. De ram tussen de strui­ken kwam voor Izak juist op tijd, toen hij gebonden lag op het altaar. Hij is zo een type van de Zoon, gegeven aan en voor zondaren toen de gerechtigheid hen het mes op de keel zette.

De gave Gods aan zondaren is ongeëvenaard want Hij is alles. "Die ook Zijn eigen Zoon niet gespaard heeft, hoe zal Hij ons ook met Hem niet alle dingen schenken?" (Rom. 8 : 32). Wie Christus bezit, heeft in Hem alles en is in Hem volkomen. "Want in Hem woont al de volheid der Godheid lichamelijk. En gij zijt in Hem volmaakt, Die het hoofd is van alle overheid en macht" (Kol. 2 : 9, 10). In het geven van Christus aan zondaren, schenkt God hen vergeving van zonde, en heiligmaking. Alle glorie en heerlijkheid wordt in Hem gevonden. "En dit is de getuigenis, namelijk dat ons God het eeuwige leven geschonken heeft; en dit leven is in Zijn Zoon" (1 Joh. 5 : 11). Al wat ons lichaam in de tijd nodig heeft is in Hem, want Hij is een Heere van alles en is de Heere der ganse schepping. Wat wij ook voor tijd en eeuwigheid nodig hebben is in Hem. Hij is het voedsel en kleding, hij biedt een schuilplaats voor onze ziel.

De gave Gods aan zondaren is ongeëvenaard want Hij wordt aan alle mensen zonder beperkingen aangeboden. "Alzo lief had God de wereld dat Hij Zijn eniggeboren Zoon gegeven heeft, op­dat een ieder die in Hem gelooft niet verloren ga, maar het eeu­wige leven hebbe" (Joh. 3 : 16). Welke gift is groter dan deze?

Alle geld van de gehele wereld kan deze gave niet kopen. Het is heel ver beneden de eer van de gever en de gave om met geld in de hand naar de markt van vrije genade te komen om te kopen. "Gij die dorst hebt, komt tot de wateren, en gij die geen geld hebt, komt, koopt en eet, ja komt, koopt zonder geld wijn en melk" (Jes. 55 : 1). Iedereen is welkom en wordt uitgenodigd. "En de Geest en de bruid zeggen: Kom! En die het hoort zegge: Kom! En die dorst heeft kome; en die wil, neme het water des levens om niet" (Openb. 22: 17).

Hoed u voor onverschilligheid ten aanzien van deze gift. Het is een persoon; let op de oneer die Hem aangedaan wordt. Het is een Goddelijk persoon, wat de minachting nog erger maakt. Het is de tweede persoon, de Zaligmaker, de Middelaar, Wiens bediening is het scheppen van vrede. En er is geen andere Mid­delaar. "Kust de Zoon, opdat Hij niet toorne en gij op de weg vergaat, wanneer Zijn toorn maar een weinig zou ontbranden" (Ps. 2 : 12). Het minachten van dit geschenk is de grote zonde van onze dagen. Heb acht dat u deze gave niet mist door onbedachtzaamheid. De joden kwamen ellendig om in hun ongeloof, want zij kon­den niet zien door de sluier waarmee het geschenk omwikkeld was. En zo is het ook nog in onze tijd. De meeste mensen zien van de verborgenheid van Christus niet meer dan de uitwendi­ge verschijning in de wereld, zoals die bediend wordt in het Woord en de sacramenten. En zij verachten Hem. Maar u moet uw hart onderzoeken.

Aanbid de veelvoudige wijsheid van God, en Zijn oneindige vernedering in de wijze van overdragen van dit geschenk in de vorm van Zijn Zoon. Zie Hem in onze natuur, opdat Hij zou lijden en schuldenaren tot Hem mogen gaan. Zie hier hoe u weer door God aangenomen kunt worden voor tijd en eeuwigheid. Loof en dank de Heere voor dit geschenk waarvan wij u de rijkdom breed hebben voorgesteld. Waarom zouden wij in zo'n ellendige staat blijven als ons zulk een gave aange­boden wordt en er niets anders blijft dan deze gave aan te nemen?

 

II. Laten wij nu de gever zelf bezien, en Wie Hij is.

De gever is God, want in Johannes lezen we: "Indien gij de gave Gods kende..." Het kan ook niemand anders zijn, omdat de gift een goddelijk persoon is. Meer in het bijzonder is het God de Vader, want "alzo lief had God de wereld dat Hij Zijn eniggebo­ren Zoon gegeven heeft...". Hier zien we de oorsprong van onze zaligheid. De Vader zag dat het mensdom totaal verdorven was en dat er vanuit de schepping geen hulp mogelijk was. En in plaats van dat zij zouden moeten omkomen, gaf Hij hun Zijn Zoon als middel tegen hun ellende. Om de vrije liefde van de gever hierin te kunnen verheerlijken, moeten wij bedenken dat het Zijn eigen Zoon was welke Hij schonk. "Hij heeft Zijn eigen Zoon niet gespaard, maar heeft Hem voor ons allen overgege­ven". Al de zonen van de gehele wereld waren tot Zijn beschik­king, maar niet één van die zou z'n broeder kunnen verlossen. Daarom werd niet één van hen als gave geschonken. De engelen waren Zijn zonen maar ongeschikt om één uit hen te kiezen.

 

Het was Zijn geliefde Zoon, die Hij schonk. Hij beminde Adam oprecht als Zijn zoon. Hij beminde de heilige engelen als Zijn zonen. Maar Hij had er Eén, Die het uitgedrukte beeld van Zijn persoon en de heerlijkheid van Zijn glorie was. Deze was de geliefde Zoon, welke Hij boven alles lief had. En Die gaf Hij. Jakob had een geliefde zoon, Benjamin. Hij kon er niet aan den­ken die op het spel te moeten zetten naar Egypte. Maar God gaf Zijn geliefde Zoon in deze wereld, hoewel Hij daar een zekere dood zou moeten sterven.

 

Het was Zijn eniggeboren Zoon Die Hij gaf. Jakob gebruikte dat juist als een argument om Benjamin niet met z'n broeders mee te geven naar Egypte. En alle mensen weten dat het heel moei­lijk is te scheiden van een enige zoon. Dat vormde ook de beproeving van Abraham, toen hem gezegd werd dat hij zijn eniggeboren zoon moest nemen, zijn geliefde. Zo is hij een type van de Vader Die Zijn eniggeboren Zoon gaf voor zondaren.

 

Wat schonk Hij hen in de gave van Zijn eniggeboren Zoon? De tongen van engelen en mensen zijn niet bij machte dit volledig uit te drukken. Ik wil u op drie facetten wijzen:

- Hij heeft Zichzelf aan hen gegeven. Want "de Vader is in Hem" Joh. 14 : 11) en "Zij zijn één". "Deze is de waarachtige God". "De volheid der Godheid woont in Hem". Indien u dus Zijn Zoon wilt ontvangen... Al de personen van de Godheid zijn de uwe, al de goddelijke volmaaktheid, al Zijn werken. O won­dervolle gift van de Vader.

- Hij heeft hen het eeuwige leven geschonken. De Zoon van God is het leven. Zondaren verkeren van nature in een lood­staat, ja, ze zijn onderworpen aan de eeuwige dood. Maar zie, in de gave van de Zoon heeft de Vader hen het eeuwige leven geschonken. Het leven, voor mensen die ten dode opgeschre­ven zijn, is de grootste gave die hen bewezen kan worden. Hier is leven, wettig leven, zedelijk leven, een leven van troost en tot in alle eeuwigheid.

- Hij heeft hen alle dingen geschonken. "Die ook Zijn eigen Zoon niet gespaard heeft, maar heeft Hem voor ons allen over­gegeven, hoe zal Hij ons met Hem niet alle dingen schenken?" (Rom. 8 : 32). Daarom zegt de apostel van hen die Christus ken­nen: "Alles is uwe" (1 Kor. 3 : 23). De Zoon van God is "gesteld tot een Erfgenaam van alles" (Hebr. 1 : 2). In het ontvangen van Hem worden wij "mede-erfgenamen met Hem".

 

Laten wij de liefde van de Vader tot arme zondaren van het mensengeslacht bewonderen. De liefde van de Vader wordt voorgesteld als een oorzaak van bewondering, daar Hij zon­daren tot Zijn kinderen maakt. "Ziet hoe grote liefde ons de Vader gegeven heeft, namelijk dat wij kinderen Gods zouden genaamd worden" (1 Joh. 3 : 1). Maar wat wij hier zien, is nog een stap hoger: Hij geeft Zijn Zoon aan hen. "Alzo lief had God de wereld dat Hij Zijn eniggeboren Zoon gegeven heeft". Maar ach, een verblinde en ondankbare wereld schenkt geen aan­dacht aan deze gave. Men is geneigd Gods bijzondere liefde te zien in het schenken van veel algemene weldaden. Maar de lief­de van de Vader in het schenken van Zijn Zoon wordt niet opgemerkt.

 

Het gevaar van het verachten van deze gift moet dan ook wel vreselijk zijn, daar het een gruwelijke misdaad is. Als u zich niet wilt beladen met de grootst denkbare zonde, en u zich niet wilt blootstellen aan Gods ontzettende wraak, veracht dan niet de gave van Zijn eniggeboren Zoon, en, in Hem, Christus zelf! Hoe groter het geschenk, hoe groter de liefde die het bereid heeft. Des te groter is de zonde en zoveel groter is de toorn over het verachten van dit geschenk. "En dit is het oordeel, dat het licht in de wereld gekomen is, en de mensen hebben de duisternis liever gehad dan het licht; want hun werken waren boos" (Joh. 3 :19).

 

Wij zullen nu letten op de mensen aan wie Hij geschonken werd. Aan wie werd Hij gegeven? Hij die gelooft dat de Zoon van God voor zondaren gekomen is, en voor wie dit een ziels­zaak is, zal geneigd zijn te zeggen: "O, maar aan wie is Hij geschonken? Ik vrees dat Hij niet voor mij gekomen is, en wat heb ik er dan aan?" Christus is geschonken aan een zondig mensengeslacht. Niet slechts aan de uitverkorenen, maar aan alle zondaren, uitverkoren of niet uitverkoren. Aan zondaren van het geslacht van Adam, zonder uitzondering, wat ze tevoren ook geweest zijn, wat ze ook mogen zijn. Welke positie ze ook bekleden, in welke nood zij ook verkeren. De Vader, Die deze gave voor ons bereid heeft, had geen oog voor bepaalde hoedanigheden in ons, dan alleen voor onze ellende en buiten­gewone nood. Met het oog daarop bereidde Hij deze gave als een geneesmiddel.

Deze gave wordt in de meest uitgebreide bewoordingen omschreven, zonder enige beperking voor een zeker soort men­sen: "Alzo lief had God de wereld dat Hij Zijn eniggeboren Zoon gegeven heeft" (Joh. 3 : 16). U merkt wel dat dit vèrstrek­kend is! Voor de gehele mensenwereld. De gevallen engelen worden weliswaar uitgesloten, maar van het geslacht van de gevallen Adam niemand. Daarom zegt de profeet "een Zoon is ons gegeven." Mensen zullen van Christus, noch van Zijn Vader goedkeuring ontvangen zo ze in dit aanbod niet Zijn eer noch die van Zijn Vader opmerken. Evenals het manna aan de Israëlieten gegeven werd, werd Christus aan zondige mensen­kinderen gegeven. Welnu, het manna was voor iedereen. Voor degenen die er van hielden, én voor degenen die er een afkeer van hadden. Daarom werd Christus geschonken aan zondaren, zonder iemand van hen uit te sluiten. Zo sprak Christus tot de ongelovige Joden: "Mijn Vader geeft u dat ware brood uit de hemel" (Joh. 6 : 32).

 

Zonder enige beperking wordt aan zondige mensenkinderen de weldaad van deze gave aangeboden. Die weldaden worden niet anders geschonken dan in en met Hemzelf. "Hoe zal Hij ons met Hem niet alle dingen schenken?" Het eeuwige leven wordt hen geschonken, en een belofte van in te gaan in de eeuwige rust wordt hen nagelaten. Indien Christus niet vrijuit aan alle zondi­ge mensenkinderen was gegeven, indien er bepaalde mensen op de wereld waren die geen deel hadden aan de gegeven Christus, konden de dienaars van het Evangelie Hem niet aan allen aan­bieden. Ook zouden allen Hem dan niet kunnen aannemen. Het eerste is niet het geval: niemand heeft macht de gave van de Vader aan te bieden aan iemand wien het van de Vader niet gegeven is! Evenmin als een knecht macht heeft een gift van zijn meester aan te bieden aan iemand aan wie zijn meester die gift niet heeft toegezegd.

Het tweede is ook niet het geval: niemand kan wettig nemen wat God hem niet gegeven heeft. "Johannes antwoordde: een mens kan geen ding aannemen, zo het hem uit de hemel niet gegeven zij" (Joh. 3 : 27). Het zou aanmatigend zijn om een stuk brood of een slok water te nemen als God het u niet gege­ven had. Veel meer nog zou het aanmatigend wezen om Zijn Zoon aan te nemen indien Hij Hem u niet geschonken had. Maar het is géén aanmatigen van een zondaar om Christus aan te nemen. "En dit is Zijn gebod dat wij zouden geloven in de naam van Zijn Zoon Jezus Christus" (1 Joh. 3 : 23). In het Evan­gelie van Markus (16 : 15, 16) lezen we: "Gaat uit in de gehele wereld en predik het Evangelie aan alle creaturen. Die geloofd zal hebben en gedoopt zal zijn, zal zalig worden. Maar die niet geloofd zal hebben, zal verdoemd worden".

Wij zullen nu bezien in welk opzicht Christus aan zondige mensen gegeven is. U hebt van de Vader allen toestemming Christus aan te nemen. U hoeft niet bang te zijn dat u zich Hem op valse gronden toeëigent. Deze toestemming van de Vader is bekend gemaakt door een stem uit de hemel: "Deze is Mijn geliefde Zoon... hoort Hem" (Matth. 17 : 5). Diezelfde toe­stemming is ook bekend gemaakt door Zijn boodschappers. "Gaat op de uitgangen der wegen en zovelen als gij er zult vin­den, roept ze tot de bruiloft" (Matth. 22 : 9). Als u iets van uw buurman nodig had en hij zou niets anders zeggen dan "hier, neem het", zou u dan twijfelen aan z'n goede wil en het gevraagde niet aan durven nemen? Welnu, de Vader geeft u dezelfde toestemming: Ik bied u Mijn Zoon aan en veroorloof u Hem aan te nemen; neem Hem dan, daar Ik Hem u aanbied!

 

In het hemelhof is een akte gepasseerd waarin een gekruisigde Christus als Zaligmaker van een zondig mensengeslacht wordt bestemd en aangewezen. "Wij hebben het aanschouwd en getuigen dat de Vader Zijn Zoon gezonden heeft tot een Zalig­maker der wereld" (1 Joh. 4 : 14). Evenals de koperen slang door God werd ingesteld tot behoud van stervende Israëlieten en zoals de vrijsteden het toevluchtsoord waren voor doodslagers onder hen, zo is Christus door God gesteld tot behoud van zon­dige mensen. Wanneer u een wettige akte bezit dat iets uw eigendom is, zou u er vast niet aan twijfelen of het wel echt waar is. Maar in het aanbod van Christus hebt u veel meer zekerheid!

 

In Gods Woord wordt Christus zonder enige beperking aan iedereen aangeboden. En predikanten mogen dit aanbod ook doen, waar ze ook komen. "Ga heen in de gehele wereld, predik het Evangelie aan alle kreaturen" (Mark. 16 : 15). Hoor dan Gods aanbod: "Zie Ik sta aan de deur en Ik klop; indien iemand Mijn stem zal horen, en de deur opendoen, Ik zal tot hem inko­men en met hem avondmaal houden en hij met Mij" (Openb. 3 : 20). "En hij zond andere dienstknechten uit, zeg­gende: Zie, ik heb mijn middagmaal bereid; mijn ossen, en de gemeste beesten zijn geslacht, en alle dingen zijn gereed; komt tot de bruiloft" (Matth. 22 : 4). Het aanbod is zo betrouwbaar, dat zij die het niet aanvaarden, vervloekt zullen worden van­wege hun afwijzen. Dus, allen hebben niet alleen toestemming zich deze gave wettig toe te eigenen, maar het wordt hen zelfs welwillend aangeboden. God zegt 'neem en wees welkom'.

 

Sommige gaven zijn zo gebonden aan beperkende voorwaarden dat het eigenlijk geen vrije gaven zijn; strikt genomen zijn ze buiten het bereik van de ontvanger. Maar deze gift is absoluut onvoorwaardelijk. Van ons worden geen kwaliteiten of voor­waarden verlangd dan alleen dat we het aanbod aan zullen nemen. "En de Geest en de Bruid zeggen: Kom! En die het hoort zegge: Kom! En die dorst heeft kome; en die wil neme het water des levens om niet" (Openb. 22 :17). God staat u niet alleen toe deze Gave aan te nemen en biedt ze u onvoorwaardelijk aan, maar Hij toont u de gave ook en wijst Hem als met de hand aan. God zegt `zondaar! Hier is Mijn Zoon, neem Hem'. Dit gebeurt in het woord van het Evangelie tot iedereen. Het Evan­gelie biedt u niet alleen de zaligheid aan, wat het ook zou kun­nen doen hoewel de zaligheid heel veraf was, maar het brengt de zaligheid met zich mee tot verloren zondaren. "Want de zaligmakende genade Gods is verschenen aan alle mensen" (Tit. 2 : 11). En de Heere volstaat niet met Zijn Zoon aan ver­loren zondaren te tonen totdat ze zeggen Hem aan te willen nemen, maar, zoals Zijn stem in onze oren klinkt, reikt Zijn hand Hem als het ware aan, zeggende 'hier is Hij voor u, neem Hem aan'. U moet Hem aannemen, evenals wij soms doen met ons voedsel dat we in de hand nemen en een vriend aanreiken en hem pressen om te eten.

 

In welke gedaante wordt Christus aan zondaren geschonken? Hij is van de Vader gegeven in de vorm van een Zaligmaker. Hij is aan de uitverkorenen gegeven. "Deze is waarlijk de Christus, de Zaligmaker der wereld". Alle mensen vormen samen een gezelschap dat dodelijk ziek is. De aarde is het ziekenhuis waar de zieken en gewonden verblijven. Christus is de Medicijnmees­ter die in milddadigheid van de Vader aan hen gegeven is. Het is Zijn taak zieken te genezen, en dat zonder kosten van hun kant. Iedere zieke man of vrouw mag tot Hem komen en Hem als een privé Heelmeester gebruiken. In het geval van ons lichaam zou zo'n gave hoog gewaardeerd worden. Maar Chris­tus als gave voor onze zielenood is duizend maal méér waard dan het lichaam. Christus is aan zondaren geschonken in de gestalte van een licht dat ontstoken is. "Ik ben het Licht der wereld, die Mij volgt zal in de duisternis niet wandelen, maar zal het licht des levens hebben" (Joh. 8 : 12). Hij is aan zon­daren geschonken op een voor hen gepaste wijze. Het is een donkere wereld. Door de val van Adam is het zonlicht gedaald over het mensengeslacht. Maar Christus is opgestaan als de Zon der Gerechtigheid. Zondaren mogen tot dat Licht even vrij toe­gaan als tot het licht van zon en maan. Niets dan alleen liefde tot de duisternis verhindert de toegang tot dit Licht. "En dit is het oordeel dat het Licht in de wereld gekomen is en de mensen hebben de duisternis liever gehad dan het licht, want hun wer­ken waren boos" (Joh. 3 : 19).

Christus wordt aan zondaren geschonken in de vorm van een zoenoffer. Hij stierf alleen voor de uitverkorenen. Maar terwijl Hij een offer bracht dat voldoende is voor al hun zonden, werd Hij het van God gegeven middel om de zonden der wereld weg te nemen. Johannes drukt dat in sterke bewoordingen zo uit: "Hij is een voldoening voor onze zonden, en niet alleen voor de onze, maar voor de zonden der gehele wereld" (1 Joh. 2 : 2). De Doper duidde Hem aan met de woorden: "Zie het Lam Gods, dat de zonden der wereld weg neemt" (Joh. 1 : 29). Johannes zegt ook "Want het brood Gods is Hij Die uit de hemel neerdaalt en Die der wereld het leven geeft" (Joh. 6 : 33). En zo duidt Chris­tus zichzelf aan als het geslachte offer, voor allen bereid om te eten en te feesten: "En de Heere der heirscharen zal op deze berg alle volken een vette maaltijd maken.." (Jes. 25 : 6).

Christus is aan zondaren geschonken in de gestalte van een gekroonde Koning, machtig om het rijk van satan te vernieti­gen. Om zondaren, gevangenen van satan, te behouden. "Want hiertoe is de Zoon Gods geopenbaard, opdat Hij de werken des duivels verbreken zou" (1 Joh. 3 : 8). Daarom worden zondaren geroepen Hem in deze gestalte te aanvaarden. De zaak van een wereld die overwonnen was door de koning van de bodemloze put, was zo hopeloos dat niemand onder de engelen of mensen in staat was die wereld weer naar herstel te leiden. Daarom beschikte God Zijn eigen Zoon tot een Koning en Verlosser. "Ik toch heb Mijn Koning gezalfd over Sion" (Ps. 2 : 6). "Zie, Ik heb hem tot een getuige der volken gegeven, een vorst en gebie­der der volken" (Jes. 55 : 4).

Geloof dan dat de Zoon van God in een menselijke natuur aan ons is gegeven, en dat Christus aan u in het bijzonder gegeven is. Geloof dan dat de Vader Zijn Zoon Jezus Christus onvoor­waardelijk aan u en aan een ieder van u heeft gegeven! Als u dit niet gelooft, maakt u God tot een leugenaar doordat u het Evan­gelie niet gelooft. "Die God niet gelooft, heeft Hem tot een leu­genaar gemaakt, omdat hij niet geloofd heeft de getuigenis die God getuigd heeft van Zijn Zoon. En dit is de getuigenis, name­lijk dat ons God het eeuwige leven gegeven heeft; en dit leven is in Zijn Zoon" (1 Joh. 5 : 10,11). Tenzij u dit gelooft zult u Christus nimmer zien. Want wie kan de Zoon van God ontvan­gen zo hij niet gelooft dat Hij Hem gegeven heeft? "Een mens kan geen ding aannemen zo het hem van boven niet gegeven is" (Joh. 3 : 29). Evenmin als wij iets van God kunnen ontvan­gen als Hij het niet eerst gegeven heeft, zo kan Christus niet door geloof aangenomen worden zonder een voorafgaand gelo­ven dat Hij gegeven is. Waarom wilt u niet geloven ?

 

- Is de gave te groot voor u om aan te nemen? Bedenk dan wie de gever is. Het is voor een oneindig God niet teveel om te geven. Van geschenken wordt in het algemeen verwacht dat ze in overeenstemming zijn met de staat van de gever. Wat teveel is voor een gewoon mens, is niet teveel voor een Koning. En kan voor een oneindig God iets teveel zijn?

- Christus wordt door Zijn eigen Vader geschonken. En die gave strekt tot Zijn eigen en tot Zijns Vaders eer. Hij is gegeven als Middelaar. In dat opzicht zegt Hij "Mijn Vader is meer dan Ik". - Bent u als de ontvangende partij te gering en nederig om zo'n grote weldaad te ontvangen? Waarom, waarlijk, dit is de taal van het ongeloof! U kunt heel goed geloven dat Christus aan rechtvaardigen en heiligen geschonken is; dat konden de Fari­zeeërs ook wel. Maar om te geloven dat Christus aan goddelo­zen en zondaren geschonken is, dat is de moeilijkheid. Bedenk toch biddende, dat Christus niet gegeven is in overeenstem­ming met onze waardigheid, maar met onze nood. Dan wordt het duidelijk dat juist zulke mensen Hem het meest nodig heb­ben. "Waarom eet uw Meester met tollenaren en zondaren? Maar Jezus antwoordde: die gezond zijn hebben de Medicijn­meester niet van node, maar die ziek zijn. Doch ga heen en leert wat het zij; Ik wil barmhartigheid, niet offerande; want Ik ben niet gekomen om te roepen rechtvaardigen, maar zondaren tot bekering" (Matth. 9 : 11-13). En Christus zowel als Zijn Vader zullen dan grotere eer ontvangen. Ontvang de gave Christus dan uit des Vaders hand, neem Hem aan en eigen Hem uzelf toe door geloof.

Bedenk dat u allen een absolute behoefte aan Christus hebt. "Want de zaligheid is in geen ander; want er is ook onder de hemel geen andere Naam gegeven door Welke wij moeten zalig worden" (Hand. 4 : 12). Iemand die vergaat van honger, heeft grote behoefte aan brood; en een naakte heeft grote behoefte aan kleding, maar u hebt een nog veel grotere behoefte aan Christus. Een ziel uit uw midden die verloren is gegaan, roept u toe: "O, veracht de Zaligmaker toch niet!" En een ziel die dode­lijk ziek is, roept: "Veracht de Medicijnmeester toch niet!"

 

Er zijn sommigen die in een even grote nood verkeren als u, maar aan wie Christus toch niet gegeven is, namelijk de geval­len engelen. "Want waarlijk, Hij neemt de engelen niet aan, maar Hij neemt het zaad Abrahams aan" (Hebr. 2 : 16). Zij zijn voor eeuwig rampzalig, omdat Christus niet voor noch aan hen gegeven is. Vertrap dan niet de soevereine liefde die ú deze gave wèl schonk, en hen niet! U kunt niet anders dan Christus aan­nemen of afwijzen. De gevallen engelen, nee, de arme heidenen aan wie Christus niet is toevertrouwd, kunnen Hem noch aan­nemen noch afwijzen. Maar voor u aan wie Hij is gegeven, is er geen tussenweg. Daarom zeggen wij: "Ziet toe dat gij Dien, Die spreekt, niet verwerpt; want indien dezen niet zijn ontvloden, die degene verwierpen welke op aarde Goddelijke antwoorden gaf, veelmeer zullen wij niet ontvlieden, zo wij ons van Dien afkeren, Die van de hemelen is" (Hebr. 12 : 25). Het zal onnoe­melijk zwaar zijn een overtuigde weigeraar van Christus bevon­den te worden.

Beschouw de waarde van deze gave. Mensen en engelen kunnen dit niet uitdrukken. "Wijsheid is beter dan robijnen" (Spr. 8 : 11). Zo'n gave zal u nooit meer worden aangeboden. Koop daarom de waarheid en verkoop ze niet. Aanvaard deze gave in ieder geval.

Beschouw de hand die geeft. Eerbied voor de gever vormt vaak de aanleiding tot het aanvaarden van een geschenk dat men anders zou verachten. De gever is de oneindige God. Als Hij u uit de hemel een stuk brood zou doen toekomen zoals Hij dat met het manna deed, zou u dat dan durven weigeren? Hoe zult u het dan wagen als Hij u Zijn eigen, Zijn geliefde, Zijn enigge­boren Zoon stuurt en geeft?

Bedenk dat anderen voor u deze gave hebben ontvangen en er voor altijd door veranderd zijn. De heiligen in de eeuwige heer­lijkheid waren eens net zo ongelukkig als u. Zij ontvingen de gave Christus en nu zijn ze koningen en priesters. Zij zijn erfge­namen van alles en aan hun gelukzaligheid is geen einde. U ziet dat u deze gave ook mag aannemen en er ook gelukkig door zult worden.

 

Bedenk wel dat u deze gave niet altijd zult kunnen ontvangen wanneer het u gelegen komt. Als een mens blijft weigeren, zal God Zijn aanbod intrekken en een eeuwige scheidslijn aanbren­gen. "Want Ik zeg u dat niemand van degenen die geroepen waren Mijn avondmaal smaken zal" (Luk. 14 : 24). Dan zal de dag komen waarop u indien het mogelijk was duizend werelden zou willen geven voor een nieuw aanbod van deze gave, maar het zal niet gebeuren! Want u weet dat "Ezau geen plaats des berouws vond, hoewel hij die met tranen zocht" (Hebr. 12: 17). Als u een vriend iets heel bijzonders aanbiedt, hoe vat u het dan op als hij dat geschenk afwijst? Bedenk dan hoe de Vader in de hemel het opvat als u het aanbod van Zijn Zoon veracht. Het verachten zal u verder van God brengen. Het zal de hitte van de toorn tegen u groter maken dan wanneer Christus u nooit aan­geboden was. De toorn van het Lam is onmetelijk verschrikke­lijk. "De Heere Jezus zal geopenbaard worden van de hemel met de engelen Zijner kracht; met vlammend vuur wraak doende over degenen die God niet kennen, en over degenen die het Evangelie van onze Heere Jezus Christus ongehoorzaam zijn. Dewelken zullen tot straf lijden het eeuwig verderf, van het aan­gezicht des Heeren, en van de heerlijkheid Zijner sterkte" (2 Thess. 1 : 79). "Maar Ik zeg u, het zal Tyrus en Sidon ver­draaglijker zijn in de dag des oordeels dan u" (Matth. 11 : 22). "En de koningen der aarde, en de groten, en de rijken, en de oversten over duizend, en de machtigen, en alle dienstknechten en alle vrijen, verborgen zich in de spelonken en in de steenrot­sen der bergen. En zeiden tegen de bergen en de steenrotsen: val op ons en verberg ons van het aangezicht Desgenen, Die op de troon zit, en van de toorn des Lams. Want de grote dag Zijns toorns is gekomen en wie kan bestaan" (Openb. 6 : 15-17). Zie toch dat de zaligheid tot aan de deur van uw hart is gebracht. Christus is aan u voorgesteld als een geschenk van God de Vader aan u. Bedenk nu wat u met dit geschenk doet; bedenk dat u straks verantwoording af zult moeten leggen voor Zijn geduchte rechterstoel.

 

 

Amen.


Vereniging met Christus

 

"Maar uit Hem zijt gij in Christus Jezus, Die ons geworden is wijsheid van God, en rechtvaardigheid, en heiligmaking, en verlossing". (1 Kor. 1 : 30)

 

Zelfs in haar diepste duisternis van zonde was de wereld toch niet ongevoelig voor het feit dat de natuur van de mens verdor­ven is. Dat de mens behoefte heeft aan iets waarmee hij God zou kunnen behagen. Waardoor hij geluk zou kunnen verkrij­gen en de breuk in de betrekking met God zou kunnen helen. En hoewel jood en heiden zich bedienden van verschillende middelen, waarmee zij dat dachten te kunnen bereiken, stem­den zij toch hierin overeen dat het de mens betaamde daarvoor tot zichzelf in te keren. Zij wilden iets uit het bedorven natuur­lijke vermogen nemen, om zichzelf daarmee te helpen. Daarbij ontdekten zij echter dat ze de diepte van de verdorvenheid van de menselijke natuur niet voldoende hadden doorzien. Het voorwerp dat God aangewezen had om de mens uit de macht van het verderf en de zonde te verlossen, te weten Christus, was voor de Joden een ergernis en voor de Grieken dwaasheid. Dit gegeven is zo tekenend voor ons verdorven verstand. Als we ons oor te luisteren leggen, kunnen we horen dat het niet-weder­geboren deel van de wereld vandaag nog precies hetzelfde betoogt.

 

In onze tekst zien we de hoofdsom, de kern van Gods raadsplan tot heiligmaking van zondaren; het middelpunt van dit plan is de gekruisigde Heere Jezus Christus. Wij willen u daarover twee gedachten voorstellen:

I  dat de gehele zaligheid van een mens van Christus komt.

II allen die deel hebben aan deze zaligheid, moeten daar deel aan hebben in Hem, uit kracht van vereniging met Hem.

 

I God heeft Hem aangewezen als de bron van alle zaligheid, van Wie ze moet worden overgebracht naar ieder die er deel aan zal hebben. Toen Farao Jozef tot heerser in Egypte had aange­steld, verwees hij het hongerende volk dat om brood vroeg naar Jozef. Zo heeft God de Middelaar aangesteld. "Mijn getrouw­heid en Mijn goedertierenheid zullen met Hem zijn, en Zijn hoorn zal in Mijn Naam verhoogd worden" (Ps. 89: 25).

 

Als we onze aandacht richten op de puinhopen van de val kun­nen we die rangschikken vanuit vier verschillende gezichtspun­ten, waarvoor bij Christus genezing gevonden kan worden.

 

1. De mens is van nature niet bekend met de weg naar het ware geluk. Hij is God kwijtgeraakt en weet niet hoe hij Hem terug kan vinden. Doordat hij in de handen van satan gevallen is, heeft hij evenals Simson z'n beide ogen verloren. Hij tast naar de weg tot het geluk, maar vindt die niet. Evenmin als de inwo­ners van Sodom de deur van het huis van Lot konden vinden. Temidden van de puinhopen van de diepe val, werden enkele overblijfselen van kennis door de mens wat verder ontwikkeld. Door studie, door het letten op het werk van God en in sommi­ge gevallen door openbaring van buitenaf, die nochtans door de verdorven natuur van de mens verdraaid werd. En deze aldus verbeterde denkbeelden noemden zij wijsheid. Maar de weg tot de zaligheid door middel van het houden van Gods geboden, de enige weg die Adam van nature bekend was en door zijn val afgesloten was, was voor de mens in z'n eigen wijsheid onbe­reikbaar. Tenzij - om zo te zeggen - de natuurlijke kennis van de gevallen mens verder zou reiken dan de volmaakte kennis voor de val. Daarom is de wijsheid van de mens tegelijk z'n dwaas­heid. Als medicijn hiertegen is echter Christus tot 'wijsheid' geworden. De schatten van wijsheid en kennis waren in Hem verborgen (Kol. 2 : 3). Hij is aangesteld als de grote Leraar van allen die de eeuwige gelukzaligheid zoeken. De schriftgeleerden en Farizeeën moesten hun boeken terzijde leggen, omdat die niet geschikt bleken hen de weg tot het ware geluk te wijzen. Zij moesten hun aandacht richten op dat goddelijke lichaam, Jezus Christus, in Wien al de volheid der Godheid lichamelijk woont. De wijzen der wereld moesten afstand doen van het vertrouwen op hun natuurlijke bekwaamheden. Zij werden genoodzaakt een dikke streep te halen door alles wat ze buiten Christus ver­worven hadden. Als onwetenden moesten ze neerzitten aan de voeten van Christus om door Hem onderwezen te worden. Degenen die nauwelijks enige kennis bezitten, maar hun zielen aan Hem geven, zullen bestraald worden met de verlichting van het Evangelie der heerlijkheid van Christus, Die het beeld Gods is.

 

2. De mens is onrechtvaardig en kan niet bestaan voor een rechtvaardig God, de Vergelder der zonde. Z'n schuld maakt hem onderworpen aan de toorn en maakt hem doemwaardig voor Gods heilig aangezicht. Dit alles is zo diep gegrift in het hart der mensen, dat zelfs een natuurlijk geweten soms hevig verontrust wordt door de gedachte aan het oordeel van God "dat degenen die zulke dingen doen des doods waardig zijn" (Rom. 1 : 32). Welnu, om zich hiertegen te wapenen gaat de natuurlijke mens aan het werk om z'n eigen gerechtigheid te werken. Om zo de gramschap van God te stillen en door gehoorzaamheid Zijn gunst deelachtig te worden. Maar wan­neer het licht van de heilige wet die gerechtigheid bestraalt, blijkt het niets meer dan een vergaan, door de motten aange­vreten kleed dat de ziel niet kan bedekken voor de Heere (Jes. 64 : 7). Laat de mens zich uitstrekken zo hij wil, het bed blijkt te kort en de bedekking te gering om zich er in te wikke­len.

 

Als geneesmiddel hiertegen is Christus tot gerechtigheid gewor­den. Door Zijn gehoorzaamheid aan de wet, en het dragen van de straf waarmee de wet dreigt, heeft Hij eeuwige gerechtigheid aangebracht. Dit is de bedekking die alle mensen welke een toe­vlucht zoeken, kan bedekken. Want het is de gerechtigheid van God zelf. Een geheel schoon kleed, een wit gewaad zonder de minste vlek. Het is de gerechtigheid van de Zoon van God. Hij is heilig, onbevlekt en zonder zonde. Als het op vertrouwen aankomt, mogen de meest hoogstaande moralisten al wat zij in hun moralisme bereikt hebben wel als vuile lompen afleggen voor de Heere. Mensen met de zuiverste belijdenis en andere mensen op de aarde die de wet der gerechtigheid volbrengen, moeten afstand doen van de gerechtigheid die hen als het ware aangeboren is. Zij moeten ontkleed neerzitten voor de Heere om de toegerekende gerechtigheid van Christus te kunnen ont­vangen. De slechtste van alle mensen die tot Hem vlucht, zal in Hem een gerechtigheid vinden die ook zijn deel wordt. Zodat zij die ver van rechtvaardig zijn, in een volmaakte gerechtigheid gehuld zullen worden, als zij Christus willen aannemen zoals God Hem gegeven heeft.

 

3. De mens is onheilig, niet geschikt voor de gemeenschap met een heilig God, nu niet en hierna niet! Zijn ziel is dood in zon­den. Z'n kwade begeerten zijn springlevend en heersen over hem. Hij is net zomin geschikt voor de hemel als een varken voor een paleis. Om zichzelf op dit punt te helpen, verzamelt de natuurlijke mens al z'n wilskracht, net als op een heel gewichti­ge dag. Hij tracht zijn plichten te doen en de richting van z'n leven en z'n omgangstaal te leiden in het kanaal van de wet. Sommigen geven voorkeur aan deze weg van uitwendige refor­matie. Maar er is evenveel verschil tussen ware heiligmaking en dat wat deze mensen bereiken, als tussen een levend lichaam en een gebalsemde mummie. Anderen daarentegen vinden dat al hun pogingen geen zin hebben. Zij geraken zo tot wanhoop aan hun heiligmaking en leven zich daarom maar uit in hun boze lusten. En hoe kan het ook anders met zo'n mens? Want als dwazen en zotten wentelen ze zich in de modder om zich te rei­nigen. Het huis dat van het fundament af vernieuwd moet wor­den, proberen zij provisorisch te herstellen. In hun streven naar heiliging handelen zij alsof er niets anders nodig is dan activi­teit, om hun natuurlijke vermogen tot heiligmaking te gebrui­ken en op te scherpen. En dit is tegenovergesteld aan de leer van het Evangelie. Het druist tegen het gezonde verstand in dat de kreupele, om genezen te worden, niets anders zou hoeven te doen dan zich op te richten en te gaan lopen. Want onze natuurlijke gaven zullen ons tot heiligmaking niet meer van dienst kunnen zijn dan de benen van een kreupele hem van dienst kunnen zijn om te kunnen lopen. Uit de geschiedenis van Job kunnen we leren dat als het hele lichaam vol etterbui­len en zweren zit, de handen niet in staat zijn om te krabben. Want ze zijn net zo ziek als de rest van het lichaam. Daarom nam hij een potscherf om zich mee te krabben. Daar z'n natuurlijke krachten verdorven zijn, is er voor de ongelovige niets rein; hij zal zichzelf nimmer kunnen zuiveren. Maar als een geneesmiddel hiervoor is Christus ons tot heiligmaking geworden. In Hem is een volheid van de Geest der heiligmaking om uit te delen aan de wederhorigen. En God zendt de afkerige zondaar tot Hem, opdat die uit Zijn volheid genade voor gena­de mag ontvangen. Afgaande op het uiterlijke kan een mens een voor het oog van de wereld vlekkeloos leven hebben geleid, maar toch nog vervreemd zijn van het leven des geloofs. Zo iemand behoort te weten dat hij alleen maar een nieuw gezicht voor de oude mens gemaakt heeft, hetgeen Christus nimmer bedoeld heeft te herstellen, maar juist teniet wil doen. Hij moet weer opnieuw beginnen om ware heiligheid te bereiken: van en door Hem Wien de Vader voor ons tot heiligmaking gesteld heeft. En de grootste zondaar, wiens boze l