De ware christen

Ds. Wilhelmus á Brakel

 

Inhoud

 

Voorrede en toe-eigening aan de bloeiende gemeente van Rotterdam

Eerste predikatie over de evangelische profeet Jesaja, hoofdstuk 28: 16

Tweede predikatie over Psalm 45: 8

Derde predikatie (gedaan na ‘t houden van het heilig avondmaal) uit Efeze 4: 30

Vierde predikatie, over Job 8: 13

Vijfde predikatie, over Job 35: 10

Zesde predikatie, over 1 Korinthe 8: 1

Zevende predikatie over Efeze 2: 4, 5

Achtste predikatie, over Hebreeën 2:1

Negende predikatie, over 1 Korinthe 15: 2

Tiende predikatie, De parabel of gelijkenis van de tien maagden, uit Mattheüs 25:1-14

Stichtelijke oefening door de zalige auteur in ’s Gravenhage gedaan onder bijzondere vrienden

 

 

 

Volgens kerkenorde van deze landen

 

Ziet hier 't groot onderscheid van een gelovig mens,
En die geveinsd niet krijgt 't geen hij verwachtte;
Maar die de Heere vreest en steeds zijn Woord betrachtte,
Heeft God zelfs tot zijn deel, en alles naar zijn wens;
Zodat hem nevens God op aarde niets kan lusten,
De hemel is 't daar hij altoos in God moet rusten.

 

 

Voorrede en toe-eigening aan de bloeiende gemeente van Rotterdam

 

Genade en vrede zij over u vermenigvuldigd.

 

Waarde en lieve vrienden,

 

Het zijn nadrukkelijke woorden, die wij vinden, Zach. 1: 5: Uw vaderen, waar zijn die? en de profeten, zullen zij in eeuwigheid leven? Deze woorden Gods, gericht tot de Joden door de profeet, zijn ook toepasselijk op ons, en dienen van allen wel opgemerkt te worden, dat onze vaders, die wij gezien en gehoord hebben, niet meer zijn op aarde, maar dood en weg, volgens Job 14: 10: Maar een man sterft, als hij verzwakt is, en de mens geeft de geest, waar is hij dan?

Uw profeten zullen die altoos leven? Neen; deze vraag sluit in een ontkenning, alzo de profeten van te sterven niet uitgesloten zijn; schoon zij van veel gebruik zijn, nochtans wordt hun leven van de dood niet verschoond; zij dienen hun geslacht, door de wil van god, en dan ontslapen zij, en worden vergaderd bij hun vaderen. en zien de verderfenis. (Hand. 13: 36.)

Door profeten verstaat niet alleen die toekomende dingen voorzegd hebben, maar zijn ook geautoriseerde leraren van het volk. Dus worden de dienaars van het evangelie geacht en aangezien als profeten, waarvan wij zien en lezen kunnen: 1 Sam. 9: 9. Jes. 1: 19; Jer. 1: 3, Hand. 13: 12;  1 Kor. 12: 28. Toch, God zet hun palen, die ze niet kunnen overtreden; zelfs zij die anderen leren, en bekeren de rechtvaardigen, moeten sterven, en spreken niet meer; hoewel zij dood zijnde, in enig opzicht nog spreken nadat ze gestorven zijn, zoals er staat van Habel (Hebr. 11.)

Maar zo gij vraagt: waarom moeten de profeten sterven, daar hun verblijf hier zo wenselijk en begeerlijk is, en hun leven zo nuttig en profijtelijk kan zijn? Ik zal in 't kort antwoorden:

1. Profeten moeten sterven, volgens de Goddelijke instelling, Hebr. 9: 27, het is de mens eens gezet te sterven. En dit besluit raakt alle mensen, uitgenomen Enoch, die van de gewone massa door God werd weggenomen, en Elia, die naar de hemel voer in een wervelwind met een vurige wagen. Ook zal het laatste geslacht, hetwelk levend gevonden wordt wanneer onze gezegende en verheerlijkte Heere Jezus ten oordeel komt, niet sterven, maar veranderd worden. Anderen moeten zowel als de profeten sterven, en gelegd worden in het stof des doods, en zien de verderfenis, omdat de Schriftuur niet kan vernietigd worden, maar zowel als de Raad des Heeren moet bestaan.

2. Profeten moeten sterven, omdat zij niet zonder zonden zijn. Deze schijnende lichten hebben ook hun vlekken, en de beste van hen, hoewel vrij van grote overtredingen, moeten belijden dat het willen van goed te doen wel bij hen is, maar dat het kwade hun nabij is, Rom. 7. En hoewel Christus de kracht en prikkel van hun zonden heeft weggenomen, en die vergeven door zijn bloed, nochtans doet Hij niet geheel de overblijfselen der zonden van hen weg, terwijl zij in de wereld zijn, noch verschoont hen van hun bed voor een tijd in het stof te maken.

3. Profeten moeten sterven, opdat ze Christus, hun Hoofd, mogen gelijkvormig zijn; de Opperste Herder stierf, de Heere des levens en der heerlijkheid is gestorven, maar zag geen verderfenis. Maar zijn dienaren moeten hier hun Meester gelijk zijn, dat ze ook keren tot stof.

4. Profeten moeten sterven, opdat zij mogen bevrijd worden van de zonden. Zij prediken en bidden tegen de zonden, en doden die in zichzelf, en vermanen anderen die ten onder te brengen, opdat ze daarvan geheel mogen bevrijd zijn; zij moeten sterven; hun aarden vat moet door breken gereinigd worden.

5. Profeten moeten sterven, opdat hun lijden een einde mag nemen, en zij ontheven worden van die hen haten en smalen, dat geen vervolgershand hen aangrijpt. en zij niet meer horen de stem hunner verdrukkers. Zij vinden, terwijl zij leven, zulke slechte ontmoetingen als hun grote Heere, die genaamd werd bedrieger, duivel en Beëlzebul. Maar de dood komt, en zij horen niet meer die scherpe woorden van hun lasteraarstongen, die als zwaarden door vel en vlees snijden, waarvan de dood hen bevrijdt.

6. Profeten moeten sterven, opdat ze mogen rusten van hun arbeid. Hun leven is arbeidzaam, terwijl zij studeren als de Prediker, die zocht uit te vinden aangename woorden, hfdst. 12: 10. Zij arbeiden in 't prediken, in gebeden met en voor, hun volk, en in 't bezoeken van hun kudde, en als 't een werk over is, 't andere weer begint; maar God wil hen eens door de bode des doods uit zijn werkhuis roepen in zijn zalige rust, om bij Hem te zijn.

7. Profeten moeten sterven, opdat zij bekomen het loon van hun arbeid, niet naar verdiensten, maar door de rijkdom van Gods vrije genade in Christus Jezus; zij hebben de belofte van een groot en heerlijk loon, dat ze zullen blinken als de sterren voor eeuwig; en als de grote Herder verschijnen zal, zij dan ontvangen zullen de kroon des levens. Dus moetenzij sterven, opdat deze kroon op hun hoofd mag gezet worden, die, om hier gezien te worden, veel te heerlijk is.

Dierbare Christenen! dus zien wij verscheidene redenen, waarom onze vaders vertrekken, zodat onze profeten niet meer op aarde zijn. Ik denk dat gij, die dit leest, van deze waarheid gevoelig geraakt en overtuigd bent, door het smartelijk verlies van uw dierbare en beminde vader, Wilhelmus à Brakel; uw profeet is dood en weg. Tot uw groot verlies niet alleen, maar ook tot schade en nadeel van ons land, de algemene kerk, uw stad en gemeente. De dood van iemand die God vreesde, schoon 't maar een gebroken riet of glimmende vlaswiek was, is een algemeen verlies; veel meer dan moet de dood zijn van een uitstekend profeet, die door Gods bestelling uw gezelschap is onttrokken, verdwenen uit uw gezicht, zodat gij, noch enig inwoner der wereld, hem hier niet meer komt te aanschouwen. Hij is niet tot een andere kandelaar, of vergadering overgegaan; maar van de aarde naar de hemel; alleen zijn vlees blijft nog onder u.

Hoewel uw gewenste herder was een heilig man, waarvan gij met mij bent overtuigd, ja zijn getuige weet ik, is in de hoogte; nochtans hij was niet zonder zonden en gebreken, en daarom heeft de dood op hem gepast, en is hij gestorven, opdat hij zijn Heere en Meester, die hij getrouw diende, mocht gelijk zijn, en vrijgemaakt van zonden, tegen welke hij met ernst predikte, en ijverig gebeden en gestreden heeft, tot hij die te boven kwam.

Uw vader Brakel is ook gestorven, opdat hij mocht bevrijd worden van lijden, en geen hoon of smaad meer mocht zien en horen. Zijn ziel is boven beschuldigingen en hatelijke woorden bij God; daar alleen is de nauwste overeenkomst van liefde. Uw profeet is dood, en rust van zijn arbeidzame studie, prediken, catechiseren, schrijven, bidden en u te bezoeken, nu hij al is ingegaan in de vreugde zijns Heeren.

Hij heeft zijn levensdagen doorgebracht met veel arbeid in 't werk des Heeren. Gij moet getuigen dat hij geen slap, maar ernstig leraar was in zijn bediening, die zichzelf niet spaarde noch verschoonde om voor u voordelig te zijn. Hier was hij geplant in de bloeiende gemeente van Rotterdam, en gij weet, hij, besloeg de aarde niet tevergeefs; en hebbende zo arbeidzaam geweest, heeft God hem geroepen, om te ontvangen het loon van zijn werk.

Uw profeet W. à Brakel is dood, en ik moest mijn penning ook in uw schatkist werpen, tot ere van zijn gedachtenis, schoon de eerwaarde Godgeleerden A. Hellenbroek en D. le Roy in hun lijkpredikaties hem naar 't leven afgeschilderd hebben. Ik zal geen een woord daarvan ontlenen, maar laat deze kopie het origineel volgen, om hem bij deze goede gelegenheid niet te vergeten, zijnde in zijn tijd en fleur geweest een, groene olijfboom in Gods huis, die heerlijk bloeide in grote deugden en genade, bekwaam om in uw vergaderplaatsen in en uit te gaan, voor de ogen van Gods volk, over welke de Heere van de geesten aller vlees, door de Heilige Geest hem had gezalfd, en tot een opziener gesteld.

Hij was een,schijnend licht, brandende in ijver, en lichtende u voor in heiligheid, gelijk Jojada, die had goed gedaan in Israël voor God en zijn huis, zijn kerk en volk; hij was matig, rechtvaardig en godzalig, terwijl hij alle goddeloosheid en wereldse begeerlijkheid verzakende, uitblonk in kennis, geloof, ijver en godzaligheid. zoals aan hen, die de eer en 't geluk hadden met hem om te gaan, genoegzaam gebleken is, terwijl hij met zijn huis de Heere diende, en in zijn openbare bediening steeds zijn hart en tong vond aangeraakt met een kool van Gods altaar, predikende met veel beweging, ernst, kracht en overreding, tot godzaligheid.

Dus doende bracht vader Brakel zijn meeste tijd door in studeren, prediken, bidden en bezoeken van de gemeente, bijzonder de godvruchtigen; zodat uw dode profeet het karakter heeft, dat hij diende en eerde de gehele kerk van de Christelijke religie, dat nu moet dienen en terugkeren tot ere van onze God de Vader, Zoon en Heilige Geest, van welke Vader der lichten alle goede giften en volmaakte gaven op zijn kinderen rijk neerdalen. Laat dan God zijn verheerlijkt, gedankt en geprezen voor zulke gaven en genaden, die Jehovah in meer als een leraar gelegd heeft, en door verscheidene van zijn gezanten nu nog dagelijks meedeelt, zoveel genademiddelen, terwijl zij schijnen met een geleend licht, van Hem die een Licht is, en in wie gans geen duisternis is, beschenen zijnde van de Zon der Gerechtigheid, en van de Goddelijke Geest, zodat ik zeggen mag dat geen groter noch schoner licht ooit een kerk op aarde heeft beschenen, als de gemeente van Rotterdam, die lang jaren en nu nog met open oren hoort wat de Geest tot de gemeente zegt.

Immers Gods volk was zeer geliefd, en had een grote plaats in de harten en liefde van die gewenste mannen J. Doesburg en W. à Brakel, die als vaders en profeten lang jaren met hun gehele hart voor u hebben gestudeerd, gepredikt, gebeden en geschreven. De zonden, die zij in u zagen, hebben zij beweend, uw genaden aangemoedigd, en in uw verdrukking, ziekte en smart hebt gij gehad hun helpende handen en biddende harten, zij die elkaar gevolgd zijn, waren uw herders en wachters als een vader en man voor u, dies zij verhuizende, hebt gij verloren, en stof gehad om te wenen. Maar zijn uw profeten dood, het woord dat zij spraken leeft nog, en wil u bijblijven. De dreigementen, die zij deden tegen hardnekkige zondaren, leven nog, en zullen, die in hun zonden blijven, overkomen. De aanmoedigende troostelijke woorden, die zij tot de godzaligen spraken, die leven nog, zowel als het eeuwige Evangelie, en beloften die, u geschonken zijnde, God in zijn tijd zal waar maken, zoals zij u gezegd hebben, zodat er niet een woord zal feilen noch ter aarde vallen.

Mijn lieve vrienden, die deze predikatiën voorheen mocht gehoord hebben, draagt zorg dat u die niet met vader W. à Brakel draagt in zijn graf, maar brengt die elkaar in gedachte, met al wat ooit uw dode profeet tot u gezegd heeft, opdat niet zijn stof, en dat van andere godvruchtige heilige en ijverige dienaren, tegen u opsta in de dag des oordeels. O! wat grote rekenschap zal Rotterdam moeten geven aan de grote en heilige God, voor het overvloedig hemels manna hier geregend, door de lippen van verscheidene uitstekende, vrome en wijze leraren, die u nog zo rijkelijk de genademiddelen toedelen, en die gij nog mag genieten, en langer zult behouden, tenzij gij door uw onvruchtbaarheid de Heere mocht verbitteren, en reden geven om uw Gosen, waar nu het licht van het evangelie zo helder brandt, te veranderen in een land van donkerheid en een schaduw des doods.

Laat uw leven door genade ernstig vertonen die onderwijzing die gij gehoord hebt, en beantwoorden de vermaningen en goede raad van de kostelijke middelen der genade, waaronder gij geleefd hebt, opdat de God des vredes met u mag zijn, en gij eeuwig gelukkig zijn mag in de vruchten van de zalige heerlijkheid. Maar die in hun zonden voortgaan, en in hun onwetendheid, wereldsgezindheid en onbekeerlijke staat blijven, zullen te kort komen de geestelijke religie en ernstige godzaligheid, niettegenstaande de uitnemende voorraad die gij gehad hebt voor uw zielen, de tijd uws levens, zodat u het dan na uw dood bevinden zult, verdraaglijker te zijn voor Sodom en Gomorra in de dag des oordeels als voor u, die veel gegeven zijnde, ook veel van u zal geëist worden. En gij Kapernaüm, dat tot de hemel verhoogd zijt, zult tot in de hel neerstorten. Heden, terwijl gij deze stem hoort, zo verhardt uw harten niet, Psalm 95. Nu is het de aangename tijd en dag der zaligheid, waarin gij u moet  bekeren, anders zal de Heere komen, en zijn kandelaar van deze plaats wegnemen, Openb. 2. God heeft u gekend uit alle geslachten der aarde, daarom wil Hij bezoeking doen over uw ongerechtigheden, zo gij niet wijzer en beter wordt.

Maar gij, die de Heere vreest en hebt oprecht goed gebruik gemaakt onder de heiligen arbeid van uw overledene profeten, bent gesterkt en getroost in de zegen, die God door hen u heeft toegevoegd. 't Is waar, uw profeten en geestelijke vaders zijn dood, ik meen Doesburg en Brakel, maar God uw Hemelse Vader leeft, en zijn genadeverbond in Christus leeft, en is bevestigd, in alles vast en zeker. God wil u voorzien van andere kristallijnen stromen, of ook onmiddellijk verkwikken uit Hem zelf, als de Fontein der genade en bron van zegeningen, wiens goedertierenheid is beter dan het leven, Ps. 63. Ondertussen acht u gelukkig, dat gij nog zoveel helden Davids behoudt, die ervaren zijn om te strijden de oorlogen des Heeren; welker getrouwe dienstknechten voorbeeldig leven u ook moet aansporen tot matigheid, gerechtigheid, zachtmoedigheid, ijver, godzaligheid, reinheid, liefde, geloof en hemelsgezindheid, opdat gij eens met hen mag rekenschap geven met blijdschap, en mag u in de groten dag staan met uw leraren, die uw vaders en profeten zijn geweest, en nog zijn, aan de rechterhand van onze Verlosser, God bovenal gezegend voor eeuwig; en laat al het volk hierop met mij zeggen: Amen.

Wat nu de volgende 10 kostelijke Leerredenen, over zoveel schone zinrijke teksten aangaan, zal ik niet veel behoeven te zeggen tot aanprijzing, alzo die nevens de titel zichzelf genoeg aanbevelen. Immers de boeken die de naam van W. à Brakel op ‘t voorhoofd dragen, behoeven niet door een opgepronkte voorrede en lofdichten geprezen en hoog verheven te worden, veel minder aan de grote en rijke lieden in de wereld gedediceerd en opgedragen te zijn, gelijk men veelszins ziet voor zulke, die het meer als dit nodig hebben. Twijfel niet, of velen zullen nog gedenken, zo niet de zaken, tenminste de teksten. die zij hoorden verhandelen van hun overledenen leraar. Waren die in zijn leven door hem zelf uitgegeven, het zou mogelijk breder en beter zijn naar veler gedachten; maar voor mij is het zo goed en volmaakt, als ik het zou begeren; wensende dat de lezer zoveel vreugd en stichting mag hebben als de schrijvers, die dit nodig en nuttig werk, met zegen en verkwikking voor hen gebruikt hebbende, het weer u overleveren, zoals zij het ontvangen hebben; wensende dat de Heere God onze geringen arbeid zal achtervolgen met zijn genadige zegen, opdat dit boek, zowel als zijn vorige, mag dienstig zijn tot winning en opbouwing van vele zielen; ik durf voor dit kleine boek geen grotere voorrede maken, maar zal die besluiten, met de wens van Paulus, Hebr. 13: 20, 21: De God nu des vredes, die de groten Herder der schapen, door het bloed des eeuwige testaments, uit de doden heeft teruggebracht, namelijk onze Heere Jezus Christus; die volmake u in alle goede werk; opdat gij zijn wil mag doen: werkende in u hetgeen voor Hem welbehaaglijk is, door Jezus Christus; dewelke zij de heerlijkheid in alle eeuwigheid. Amen.

 

Eerste predikatie over de evangelische profeet Jesaja, hoofdstuk 28: 16

 

Wie gelooft, die zal niet haasten.

 

De Heere God aan zijn kerk verkondigende, dat Hij in Sion een grondsteen legt, een beproefden steen, een kostelijke hoeksteen, die wel vast gegrondvest is, doet zulks opdat Hij geloof verwekke en vermeerdere in ‘t hart van een iegelijk. Zijn er, die tot die tijd toe met de dood een verbond maakten, en een voorzichtig verdrag met de hel hebben gehad, door de leugen zich tot een toevlucht te stellen, en onder de valsheid zich te verbergen, door het aankondigen van zijn beloften overtuigt de Heere hen van goddeloze dwaasheid, die hen eens bedriegen zal; wijl Hij, die de raadslag der volkeren tot ijdelheid maakt, zegt, Ps. 2: 1: Waarom woeden de heidenen, en bedenken de volkeren ijdelheid? De koningen der aarde stellen zich op; en de vorsten beraadslagen samen tegen de Heere en zijn Gezalfde, zeggende: laat ons hun banden verscheuren, en hun touwen van ons werpen. Die in de hemel woont zal lachen, de Heere zal ze bespotten. Dan zal Hij spreken in zijn toorn, en in zijn grimmigheid zal Hij ze verschrikken. Ik toch heb mijn Koning gezalfd. Daar was dan een uitnemende grondsteen, Jezus Christus, die hun te sterk en geweldig zou wezen, aan wien zij ten erve waren gevallen. Hij biedt meteen hun een middel ter behoudenis aan, zo zij slechts hun slechtigheden verlatende, zich tot Hem keren, om als levende stenen op dat geestelijk fundament gebouwd te worden. Ook ten aanzien van Gods kinderen, hun geloof is ‘t, hetgeen opgewekt en door de belofte versterkt moet worden; want schoon ‘t geloof in hen reeds geworteld is, het wordt nochtans op dusdanige wijze opgebouwd en versterkt. Maar schoon nu het einde der beloften vanzelf geloof komt verwekken en bevestigen, niet zonder des Heeren Geest, nochtans zal het een tegenovergestelde uitslag nemen, want de begeerte van Gods kinderen zeer sterk naar Jezus en zijn verworven heil zijnde, zo pijnigt de uitgestelde hoop het hart, en maakt dat men zich haast, en verdrietig wordt over des Heeren handeling, de Heilige Israëls als een perk stellende. God die alles bekend is, heeft ook deze voorzorg gedragen, niet alleen als Hij leert dat des Heeren lankmoedigheid voor zaligheid moet geacht worden, 2 Pet. 3: 13; maar als Hij ons verkondigt dat hij die gelooft niet zal haasten.

Nadat de Heere der goddelozen valse grond (vs. 15) had ontdekt, zo stelt Hij (vs. 16) een uitnemender fundament voor, gelijk Hij in onze tekst het gebruik en einde van ‘t een en ‘t ander aanwijst, zeggende: dat hij die gelooft, enz.

De woorden vertonen ons der gelovigen gedrag, na de gedane beloften efods, of het gebruik dat de gelovigen zouden maken van des Heeren woorden, als Hij tot der goddelozen overtuiging en tot der vromen troost, hun had verkondigd Jezus als de Grondsteen der kerk in Sion.

Ik weet (zegt God) dat aan elk uwer die gelooft mijn toezegging is, als ik u verkondigde dat Ik binnenkort Jezus zou doen komen in het vlees, als Sions hoeksteen; uw verlangen is zeer groot, dat Hij toch mocht geopenbaard worden om de ongerechtigheid uit Jakob weg te nemen; wees echter niet te haastig, opdat gij niet schijnt beschaamd te zijn geworden immers die mijn wonder gelooft, zal de tijd en de wijze aan Mij laten, wetende dat Ik niet liegen zal.

Twee zaken staan hier te verhandelen. 1. Het subject onzer verhandeling, of de personen aan wie iets wordt gegeven. Wie gelooft. 2. ‘t Geen van hem wordt gezegd: hij zal niet haasten.

1. Wie gelooft. Hier wordt ons als met de vinger op de gelovigen gewezen, die in zichzelf zeldzaam zijn, en geen van die wordt overgeslagen; schoon het nu wat zeldzaams is een recht gelovige te vinden, zo mag echter niemand zich hier buiten stellen,alsof dit woord hem niet raakte. Elk die geloofde had zich dit aan te trekken,ergo is het nodig aandachtelijk acht te geven op ‘t geen gezegd wordt, en wie hier de gelovigen zijn. Het is licht te zien, dat hier van geen historisch geloof wordt gewaagd, schoon het niet geheel uitgesloten, maar veeleer ingesloten is. Veelmin wordt hier op tijdgelovigen gezien, die op ‘t einde beschaamd uitkomen. Hier wordt gehandeld van een iegelijk dergenen die in Christus geloven tot zaligheid; want het wordt zo genomen van Paulus, Rom. 9: 33 en 1 Petr. 2: 8. Welker verklaring wij moeten volgen en laten voorgaan.

1. Geloven, wil in deze plaats eerst zeggen: aan te nemen, op ‘t hart gedrukt te hebben, ‘t geen God aangaande des mensen ellende getuigt, en in ‘t bijzonder van deze Joden had uitgesproken, dat zij in hart en daden verdorven, aan bijzondere daden schuldig waren, op welke alle de Heere de tijdelijke en eeuwige dood gedreigd had, dat ze zich belachelijk hadden getroost tegen dood en hel, en zeker te wachten hadden tijdelijk en eeuwig van God verworpen te worden, gelijk Hij bad gesproken. Dit nu voor zo zeker te houden., dat men wanhoopt aan zichzelf, gaat, voor; want geen geloof slaande aan Gods getuigenis van hun ellende, zouden zij nooit hun bedrieglijke gronden verlaten, en zich tot Jezus de uitverkoren hoeksteen begeven, gelijk te zien is Hand. 2:7, Luk. 15: 17, Ps. 32: 5, 6.

2. Wie gelooft, die verstaat, stemt toe, gelooft met zijn gehele hart, dat God zijn Zoon heeft voorgesteld als het centrum van het evangelie, als de enige grond en hoeksteen der zaligheid, bij wie vergeving der zonden, verberging voor de toorn Gods, heiligmaking en heerlijkmaking te vinden is, dat God die aan de hoorders van het evangelie aanbiedt, om niet; men neemt Hem aan door ‘t geloof, en men zal behouden worden. Hij is er van overtuigd, dat deze aanbieding hem ook in ‘t particulier wordt gedaan, dat hij komende niet zal worden uitgeworpen. Joh. 3:33, 1 Tim. 1: 15, 16. Nu was het Woord Gods voor hen die met hun hart voor waarheid hielden, als hen betreffende, dat God in Sion een grondsteen legt, met zoveel uitnemendheden, gelijk Hij in deze tekst beschreven was; zo iemand dit getuigenis niet aannam, hij stelde God voor een leugenaar, en was onbekwaam om te geloven tot zaligheid.

3. Hieruit vloeit vanzelf een zekere werkzaamheid des gemoeds, dat hij die nu deze twee waarheden gelooft, met veel uitgangen en bestendige uitkeringen van het hart tot Jezus bezig is, niet alleen met een stichtelijke beweging, maar met een bestendige verklaring van het hart, deze Heiland kiezende, minnende, omhelzende, opdat hij van alle zonden, eigen ik en andere ellenden ontslagen mocht worden, en deel en eigendom hebben aan zijn gerechtigheid ten leven. Gelijk dan ook aanstonds de daad des geloofs wordt geoefend, wanneer de ziel dus hartelijk uitkomt tot de Heere, Hem betuigende de waarheid en de mening zijner ziel, volgens Ps. 2: 12, Jes. 45: 22 en 55:1, Joh. 1: 12 en 6: 37. Dit nu ligt klaar in de tekst, niet alleen naar Paulus en Petrus verklaren, maar ook in de omstandigheden; want zo iemand in deze grondsteen zou geloven, hij moet die immers voor hem verkiezen, eer hij er op bouwen kon; en zo hij bouwde, wat was het anders, als het gewicht van een verloren ziel op Hem te leggen, opdat ze van Christus gedragen en staande mocht gehouden worden.

4. Wie gelooft, geeft te kennen zijn werk van geloof te maken, opdat de vrede en heiligmaking in ons mocht toenemen; zij gevoelen dat alles verwelkt en verdwijnt in ‘t goede, alles aangroeit in ’t kwade, als dat levendig een-zijn met Christus ophoudt, aan hun zijde; wat is nu anders hun werk, als steeds zich door geloof en liefde met Jezus te verenigen. Zij vernieuwen gedurig  hun uitgaan, en lieven van Hem; zij leggen dagelijks meerder het gewicht van een bouwvallig huis op Hem neer, zij zoeken van Hem hun licht, leven, genade, troost, en om op te wassen tot een heilige tempel Gods. Gal. 2: 20, Kol. 3:3, 4. Evenals David,. Ps. 119 en 2 Sam. 23: 5. Dat ook de Heere hierop het oog heeft, blijkt aldus: Hij stelde hun Jezus voor als zoveel beter toevlucht en verberging, dan de leugen en valsheid. Gelijk nu een goddeloze alle dagen tot geruststelling zijns gemoeds, zijn valse verbonden inplooide, zo hadden de goede met Jezus te handelen, behalve dat de hoeksteen daartoe is, dat men dagelijks Hem tot dat einde gebruikt, waartoe Hij gegrondvest is, totdat men Hem heeft gebruikt tot de hele volmaking des gebouws, hetwelk hier niet geschiedt voor de dag van de dood en het laatste oordeel.

Bijzonder kwam nog iets de Joden te pas, dat in dit opzicht de gelovigen des Nieuwe Testaments niet raakt; namelijk: het uitzien op Jezus komst in het vlees, dat die grondsteen zou zichtbaar gemaakt worden in de kerk. Hoe moesten zij die beloften geloven, die nu haar vervulling reeds hebben; zij hadden in geloof aan deze beloften Gods hun zegel te hangen, totdat Hij, die verbeidde, kwam. Hebr. 11: 39, 40: En deze allen, hebbende door het geloof getuigenis gehad, hebben de belofte niet verkregen; alzo God wat beters over ons voorzien had, opdat zij zonder ons niet zouden volmaakt worden, Gelijk nu nog de belofte van Jezus tweede komst, en van der gelovigen verheerlijking zijn te geloven, is nu licht te zien dat het geloof alhier mee te pas komt; want God in dit verbond beloofd had, Jezus in het vlees te doen komen; daarop nu paste een woord: wie gelooft; zij hadden te geloven dat niet zij, maar hun vijanden beschaamd zouden worden.

II. Die zal niet haasten. Woorden die al zeer bedenkelijk zijn en met aandacht moeten overwogen worden, en dat in verscheidene opzichten.

1. Het is bedenkelijk of deze woorden een bevel of een belofte zijn. Het zou volgens de spreekwijze der Schrift kunnen gebeuren, dat deze woorden een bevel waren; maar omdat Paulus en Petrus het op de manier van een belofte hebben verklaard, ziende op de zin der woorden, zo is het best het ook op te nemen; niettemin men kan het bekwaam opvatten als een belofte, die uit de natuur der zake vloeit, wijl het haasten tegen de natuur van het geloof is, weshalve wij het nemen voor een toezegging, die gefundeerd is in de natuur van het geloof. 2. Hoe het woord haasten over te zetten terwijl de Apostelen, Rom. 9: 23 en 1 Petr. 2: 6, het door niet beschaamd te worden overzetten. Het is bekend dat de gewone overzettingen hebben: hij zal niet haasten, gelijk het zo overal in de Heilige Schrift genomen wordt. Nu hebben de Syrische: hij zal niet verschrikt of bevreesd worden. De Arabische: hij zal niet beschaamd worden; maar weet dat Paulus en Petrus hebben gezien op de woorden, zoals ze in hun samenhang en zin liggen. Omdat de klank en betekenis der woorden verschillen, en daarom beide mogen gevolgd worden, zijnde de ene een verklaring en opening van de ander.Men wordt beschaamd omdat men te zeer gehaast heeft voor de tijd, en men haast omdat men vreest beschaamd te zullen worden. De grond, waarom de gelovigen niet zouden haasten, was: zij zouden niet beschaamd worden, wetende dat die met lijdzaamheid verbeidt, niet bedrogen zal uitkomen. Rom. 5: 3, 4 en 8: 25. Daar de anderen grote haast maken.

Niet beschaamd worden, geeft het volgende te kennen:

1. Nooit zouden die geloven, missen in hun verwachting die zij hadden, dat Jezus hun een grondsteen, een welbeproefde steen zou bevonden worden, door wie zij bevrijd zouden worden van de eeuwige toorn en het instorten van hun huis, en die hun een oorzaak der eeuwige zaligheid zou zijn, aanbrengende al wat tot dit en het toekomende leven nodig mocht zijn; want Hij zou dan hun zekerheid zijn, ’t geen de Vader in datzelfde verbond van Hem getuigd had. Ja de verwachting die zij op de woorden Gods hadden, dat der goddelozen verbond met de dood vernietigd zou worden, tot hun eeuwig verderf, als wanneer zij de straffen hunner goddeloosheden en de bespotting zouden dragen, die zij tegen de Heere en zijn volk hadden gepleegd, dat niet zou missen hun verwachting, Jes. 45: 24 en 19: 23. En gij zult weten dat Ik de Heere ben, dat ze niet beschaamd zullen worden die Mij verwachten. Jes. 66 24.

2. Gelijk iemand beschaamd is over zijn vergeefse moeite en werk, als hem zijn doel mislukt is, zoals dit bijeengevoegd wordt, Jer. 3: 23, 24: "Waarlijk, tevergeefs verwacht men het van de heuvelen en de menigte der bergen; waarlijk, in de Heere, onze God, is Israëls heil! want de schaamte heeft de arbeid onzer vaderen opgegeten, van onze jeugd aan." Zo wordt hier het tegendeel beloofd, zij zouden het hun nooit beklagen, dat zij geloofd hadden in Jezus tot zaligheid hunner zielen, dat ze hadden getreurd over de zonden, de Heere hadden gekust doorlet geloof in Hem, en in Gods beloften gewandeld hadden, want het einde komende, zou de moeite gekroond worden; voor beschaamdheid zou dan veeleer roem zijn. Jes. 45: 25, Rom. 5: 1, 2. In plaats van schaamte en schande zouden zij nu hun verwachte einde ontvangen, de middelen gekroond zien, en bijgevolg oorzaak van roem in de Heere hebben. Dus slaat dit nu op hetgeen van ‘t geloof is,gezegd. Bijgevolg wordt hier niet gesproken van een heilige schaamte over de zonden, want die is goede wenselijk. Doch van een zondige schaamte, die ‘t goede belet; maar van de derde soort, die onprofijtelijk en nadelig is aan de bezitter, welke geneigd was aan al de goddelozen, die in een verbond met de dood en in een voorzichtig verdrag met de hel meenden te staan. Het zou met deze gans anders uitvallen.

3. Hij zal nu daarom niet haasten, want zij zullen geenszins beschaamd worden; zo past het een woord van niet haasten te spreken, hier toegezegd. 1. Dan is het een goed haasten, dat met geloof gepaard gaat, waarvan David spreekt, Ps. 119: 60. Dat men haast te ontkomen van de gevaren der zonden, en van onze Vijanden, de zondaren; maar tegelijk een kwaad haasten, waardoor men God en zijn raad niet verbeidende, of om de Heilige Israëls perk te stellen, of tot zulke wegen en einden die niet goed zijn; op dit laatste nu wordt gezien, waarom dan ook aanzegging geschiedt dat zij niet zullen haasten; welk is een uitwerking van ‘t ongeloof, waardoor de vastigheid van het geloof op Gods Woord ondermijnd zijnde, met te veel spoed naar deszelfs uitvoering en kwade middelen inkeert. Ps. 31: 13.

Wij zullen dan aanmerken: 1. De grond waaruit het kwaad ontstaat. 2. Het haasten. zelf. 3. Hetgeen hieruit volgt.

1. De kwade grond, waaruit deze ondeugd ontstaat. is een verduistering van de geestelijke klaarheid des gemoeds, waardoor niet alleen de goddelijke vastigheid der beloften Gods verdonkerd wordt, maar meteen de mensen onbekwaam gemaakt, om over zijn staat te oordelen, wat genade de Heere hem reeds mocht hebben meegedeeld, en wat recht en eigendom hij aan Jezus, aan de drie-enige God en al zijn toezeggingen heeft . Jes. 49: 14, 15; 50:10. Daar is dan een donkere wolk voor het oog van het geloof geschoten.

2. Hieruit ontstaat een vrees en verschriktheid des gemoeds, zich niet vertrouwende in zulken staat daar men zich in bevindt, wijl men vreest of niet al onze gestalten geveinsd, en onze daden uitwendig zonder oprechtheid en waarheid zijn, en bijgevolg wij nog los zijn van God en van ‘t leven met Hem, gelijk de Heere zich dan onzer mee nog niet zou hebben aangetrokken. Van deze vrees, als de oorzaak van dit haasten, leest Ps. 30:8, 1 Joh. 4: 18.

II. Nu het haasten zelf bestaat in deze dingen:

1. Een ongenoegen en verdrietigheid, het wegblijven van de beloften en zegeningen Gods en onze daarop volgende armoede en zondigheid, zodat men met een gemelijke en kwellenden geest gaat, gelijk zo Israël verdrietig werd over het lang vertoeven eer zij in Kanaän kwamen. En Jona, dat God Ninivé op de 40sten dag niet omkeerde; zij verbeidden des Heeren raad niet; maar deze gelovigen zouden niet verdrietig zijn over het vertoeven van Jezus komst in het vlees, noch over het niet aanstonds straffen van de goddeloze Joden, die hen en des Heeren boden bespotten, zeggende: dat des Heeren raad kome, waar blijft de dag zijner toekomst?

2. Daar is een bijzondere drift en persing om verlossing, zegening en vervulling van Gods beloften, zonder acht te geven op de tijd en manier Gods, wanneer en hoe Hij werken wil, wordende alzo Gods vrijheid niet naar behoren erkend en aangemerkt. Nu zegt God: die geloven, zouden niet zo driftig zijn., noch de Heilige Israëls bepalen, maar vrijheid geven, zo in ‘t zenden van zijn Zoon, in hen te verlossen, als in ‘t straffen der goddelozen.

III. Hieruit ontstaan als vruchten van zo een kwaden boom:

1. Moedeloos opgeven van zijn staat en van Gods gunst tot ons; een denken dat zijn toezeggingen een einde hebben, Ps. 81: 23, Want zij beschaamd omkomende, door hun haast en onmatige spoed, zonder onderwerping, kunnen niet anders dan het opgeven, gelijk Jes. 49: 15. En dus haast men zich om door ongeloof van de Heere af te vlieden en te zeggen met Joram, 2 Kon. 6: Dit kwaad is van de Heere, waarom zouden wij langer op Hem hopen?

2. Zo het op ‘t hoogste gaat, men geeft zich los in zonden, men onttrekt zich van de godsdienst, men heeft zoveel niet tegen der goddelozen leven als tevoren, omdat zij niet schijnen belichaamd te zullen worden. Ja men schijnt met de dood en de hel een verbond gemaakt te hebben. Psalm 73: 10-14 en 116: 11. Ik zei in mijn haasten: alle mensen zijn leugenaars.

Als nu gezegd wordt: zij zullen niet haasten, wordt hun niet absoluut toegezegd, dat er niets van dit haasten meer in de gelovigen zal overblijven; maar dat zij niet veel noch op de uitbrekendste wijze, zich in dit kwaad zullen verlopen, zo zij het geloof willen oefenen, dat zij dit kwaad hoe langer hoe meer zullen overmeesteren en verdrijven. Integendeel, tegen haasten wordt hun hier beloofd genoegen te nemen in de wil en de,handeling Gods, als hetgeen dat alleen goed is, te rusten en te vertrouwen in ‘t heil des Heeren, dat volgens zijn beloften de gelovigen zal toekomen. En schoon nu geen haasten noch wachten te pas komt omtrent Christus komst in het vlees, nochtans omtrent andere beloften Gods is die toezegging nog niet uitgestorven: wie gelooft, zal niet haasten, noch beschaamd worden.

Uit het gezegde blijkt klaar dat dit een gewisse waarheid Gods is in de tekst. 1. Gods wil, die zulks belooft, hecht en knoopt deze zaak aan elkaar. 2. Het ligt in de natuur der zaak, want hoe meer geloof., hoe minder twijfeling en haasten; wat hier de een meer wint, wat de andere meer verliest. Vertrouwt iemand op de waarheid Gods, hij laat aan God tijd en Wijze bevolen, terwijl hij in allen ernst, met onderwerping, nochtans om de begeerde zaak mag aanhouden. 3. De voorbeelden geven hiervan overvloedig bewijs; zolang Gods volk geloven, zo haasten zij niet, maar wentelen hun weg op de Heere. Ps. 62: 3, Hebr. 3: 15 en 11: 39. Gelijk dan daartegenover tijden van ongeloof, tijden van haasten waren, Ps. 30: 8, 31: 23; 116: 11. Zo dan, hetzij in de dagen des Ouden Testaments of des Nieuwe Testaments, die gelooft, hij zal niet haasten; het een zal hier het andere verteren.

Het is wel zo, dat wij in opzicht van Christus komst van geloof noch ongeloof, van haasten noch verbeiden, niets te handelen hebben, maar wel in die algemene opzicht, daar ons de Apostelen in hebben voorgegaan. En vinden hier ook stof van overdenking genoeg voor deze tijd, en dat ten aanzien van gelovigen als ongelovigen.

Zo wij, aanmerken die met de dood een verbond maakten, en zich van de overvloeiende gesel onttrekken, oordelende daarvan bevrijd te zijn, wijl zij de leugen hun tot een toevlucht gesteld hebben, en onder de valsheid zich hebben verborgen; zij zullen aanstonds zeggen, dat ze zijn van de recht gelovenden, omdat zij gerust zijn en niet haasten, dat God zijne beloften van rechtvaardigmaking enz. zal volbrengen; och neen, zij laten dat graag aan God. Maar zo men de zaak wat nader, onderzoekt, het zal aan alle zijden verraad zijn.

1. Wie merkt niet dat dit niet haasten niet ontstaat uit overvloed van geloof, onderwerping aan God enz.; maar uit lusteloosheid tot de zaak. ‘t Is waar, zij schijnen soms door hun uitwendig gedrag iets anders te willen uitdrukken, doch in waarheid heiligmaking is hun de moeilijkste last, die hun kan voorgehouden worden. Zij wensen wel dat er nooit van werd gesproken, noch het ooit in hun harten opkwam. Wat.aangaat de rechtvaardigmaking, die zouden zij willen hebben zonder moeiten en zonder enige gevolgen; de hemel zou hun tot een hel zijn, zo ze hem kenden, omdat het daar enkel heiligheid is. Geen wonder nu dat gij niet haast, daar gij geen lust tot de aangeboden zaken hebt. Telt u liever onder het volk dat met geen lust bevangen is, Zef. 21: 2. Amos 5: 10.

2. Vindt gij niet wel dat gij haast omtrent rijkdom, eer, plezier, enz. zodat uw hart onafscheidelijk hierop gezet is? Gij kunt niet leven, maar bent als Achab gemelijk, als u deze wijngaard van Naboth geweigerd wordt. Dit zijn immers zaken, ganselijk aan u niet beloofd, en nochtans haast u; zo is dan wel aan te nemen, dat het niet uit de kracht van uw geloof ontstaat, dat gij naar de geestelijke goederen des genadeverbonds niet meer  haast, maar uit luiheid en ongevoeligheid van uw hart hieromtrent.

3. En wat toch is duidelijker als dat gij geen geloof hebt, en haast zult gij ‘t zien en voelen in uw hart dat gij ‘t niet hebt, zo gij maar met uw hart wilt letten op uzelf en uw consciëntie vraagt. 1. Hebt gij ooit geloofd dat gij zo ellendig bent in uzelf, (als Gods Woord spreekt) zodat gij Jezus mist, een prooi der hel bent, en eeuwig krachteloos onder de zonde zijnde, in uzelf wanhopig, geen raad bij enig schepsel vindende, die uw consciëntie genezen en u gerust kan stellen. 2. Is aan uw ziel klaar ontdekt geweest de staat der genade en verlossing in Christus aangeboden? Hebt gij ooit Jezus zo aangenomen? Wat oefeningen van het geloof zijn er op Jezus, of hoe handelt gij tot troost en heiliging uwer ziel dagelijks met Hem?^Nu ontdekt dan zelf:

1. Die onkunde van Jezus Christus, die lang in onze kerk is voorgedragen als de enige hoeksteen, dat men door geloof met Hem verenigd en op Hem gebouwd wordt; en nog weet de menigte niet wat geloof is, noch dat de barmhartige God hun zonden vergeven heeft, noch dat de Heere Jezus en de hemel hun is; en nochtans hier vertrouwen zij vast op, en gaan zoals ongelovigen verloren.

2. Ongeloof heeft aan alle zijden de overhand. Men gelooft niet dat de zaken zo staan, gelijk het Woord des Heeren spreekt; neen, de Heilige Schrift gaat zo nauw niet, en of men dikwijls tegendeel aanwijst, tot hunner verstomming toe, het blijkt nochtans in hun hart ingeprent, geloof is een vaste inbeelding van zaligheid, die zo men dezelve laat, men tot de uiterste ongelovigheid geraakt; en omdat het zo lichte zaak is, zo kunnen zij het altoos doen als ‘t hun lust, en verharden hun hart door uitstel; daar ‘t geloof een gave Gods is, Ef. 2: 8, gewrocht in ‘t hart van degenen die zalig worden, en de blijken daarvan in hun gemoed ondervinden. Wie ziet niet die misvatting en waan? en nog mag men niet zeggen: o! ongelovige en trage van harten.

3. Een grote hoop is er bij, die niet wil geloven op een wijze aan God betamelijk. Zij willen niet Jezus en de beloften in Hem opgesloten, zo hij zoveel heiligheid, droefheid over de zonden, nauwkeurigheid enz. wil insluiten; neen, integendeel zij houden dan liever hun verbond met de dood en hun voorzichtig verdrag met de hel, en nochtans zal de overvloeiende gesel hen niet aantreffen; waartoe zij van zeer veel bedriegerijen van het hart weten op te halen; ondertussen spreekt de overtreding in zijn hart, van die niet te willen verlaten, Ps. 86. En dus gaan er duizenden naar de hel, die ontwaken als het te laat is; want die niet gelooft, is reeds veroordeeld.

4. Zo het al wat nader komt, de lieden worden overtuigd; zij hebben geen geloof, missen nog alles wat ten leven nodig is, zij worden ook wel eens tot schreien bewogen, zij beginnen te bidden, meer smaak in het goede te krijgen, zonden te laten enz. Maar wat is ‘t, zij hebben zoveel bezigheden met hun lichaam en huisgezin, dat het alles weer overgaat. Of zij stellen deze dingen tot kentekenen der genade, en worden daar zo door gestijfd en zorgeloos, dat op hen past, Judas 12: "Zij zijn waterloze wolken, die van de wind omgedreven worden, zij zijn als bomen in het afgaan van de herfst, onvruchtbaar, tweemaal verstorven en ontworteld." Luk. 11: 25, 26.

5. Enige hebben in plaats van de wezenlijke oefeningen, wat anders verkoren en verkregen: voor hemels licht een schrandere letterkennis, voor ‘t leven van het geloof enige aandoeningen, die rijk kunnen maken wanneer het hun lust, voor een nederig stichten des naasten opgepronkte woorden, tot roem en eer van zichzelf opgesteld; deze lieden pronken dan met de titel van verstandige grote Christenen, zodat dan ‘t geloof als een koopmansschap van ere geworden is; die da:ar niet wat van weet. die mag niet mee, daar ondertussen de kracht der godzaligheid verborgen en het leven verrot is. 2 Petr. 2: 20, 21. Wie merkt nu niet, dat dit geen gelovigen zijn, maar mensen wier deel in dit leven is?

Zal over hen het dreigement niet komen. dat, naar onze tekst aan alle ongelovige Joden is gedaan? En ellendig dan hun einde! Terwijl zij niet op de steenrots zijn gebouwd, moetenzij noodzakelijk beschaamd worden, uit kracht van tegenstelling, wie niet gelooft zal beschaamd worden.

Let nu op de gelovigen, en ziet op hen aandachtig, en gij zult uit hun haasten wel kunnen afnemen, dat zij niet geloven naar behoren, waaruit zij dan verkeerde gevolgen trekken.

1. Velen gaan, ‘t is waar, zonder merkelijk haasten, zodat men hen daarover met beschuldigen kan, doch zij zijn er niet gelukkiger om, want zij zijn lauw, zonder ernst, hebben geen lust tot werk, noch tot beloften, hetzij dat ze dus door hun ongeloof zijn geslingerd, of dat ze door zonden, hun bekend, of door aardsgezindheid zo zijn vervoerd, dat er niets schijnt overgebleven te zijn als een ziel die krank is, omdat de dood haar afweidt.

2. Anderen vinden het blijkbaar dat ze zeer haastende zijn, in een verdrietig en gemelijk zijn over hun staat, en ‘t is op zijn best als het ook niet tegen God is, en zo gaat gij al vergenoegd heen. Immers kan uw hart, onbekwaam zijnde, u niet veranderen; waarom mort gij er dan tegen, daar het beter was in onmacht voor de Heere neer te zinken, of het Hem believen mocht u te funderen op Christus de enige Hoeksteen. Wat is er al driftig voorbijlopen van God in tijd en mate, geen acht slaande op ‘t geen gij ontvangt, en steeds ‘t geen ontbreekt aanschouwende, en zo roept gij, zonder onderwerping, dat de Heere haaste en kome, alsof ‘t uw werk niet was te geloven, en wel te gebruiken het tegenwoordige, en met lijdzaamheid te verwachten het toekomende, Ps. 130: 57. Ja God zelf verlangend tegemoet te zien.

Gij zult licht zeggen: ik ben duister, levenloos en vol vrees, maar hebt gij niet altoos bevonden dat in de stilte en vertrouwen uw sterkte was, daar gij door dit haasten altoos verder af bent geraakt? Weet dan dat uw vrees van beschaamd te zullen omkomen, u al dit kwaad doet, daar geloven uw eerste werk moet zijn, en niet het onderzoek van het einde.

3. En hieruit is nu verder ontstaan, dat moedeloos heen gaan, het opgeven van nooit geholpen te zullen worden bij de Heere, dat nalaten van de deugd, het doen van zonden, ‘t loslaten der middelen enz. dat al weer ongeloof is, de oorzaak welke verduistert uw deel aan Jezus, en u afhoudt van de dagelijkse vereniging met Hem, en dat u in zulke vrees van beschaamd te worden doet wandelen.

Gij zult licht zeggen: immers, daar men gelooft haast men niet, zegt de tekst; maar weet: 1. Dat schoon er haasten is, er ook geloof kan zijn, doch het strijdt tegen elkaar; wat er nu meer van het een is, hoe minder van het andere; doch daar geen geloof is, is ook geen haasten. 2. Het ontbreekt u meer aan de oefening van het geloof, als aan de wortel; als u dan herstel begeert, zal hier de eerste verbetering moeten gebeuren.

Ieders plicht is, dan benevens die door geloof steeds al voort treden, het op ‘t geloof in Jezus te zetten. Die dan nog ‘t geloof missen, willen wij overtuigd hebben, en opgewekt om te geloven hun ellende, te kennen ‘t werk der verlossing, en te staan naar het aannemen van Jezus zelf.

Die nu beginselen van ‘t geloof hebben, moeten zich dagelijks tot alle geestelijke nooddruft met Christus verenigen. 2. Op zijn belofte van genade en zaligheid, in ‘t genadeverbond toegezegd, aandringen en zo worstelen in geloof met God om zijn zegen.

1. Wie is hij die graag verlost was van al ‘t zondigen, en die graag zag dat de wateren de schuilplaats van zijn ziel overliepen. Zie hier nu het enige middel: in Jezus te geloven, hetwelk door des Heeren goedheid en raad bekwaam is, u uit dit eeuwig gevaar te reddén, zo gij maar gewillig deze weg inkeert, daar gij u anders verschrikkelijk aan deze steen des aanstoots en rots der ergernis zult beschadigen, Rom. 9: 33.

2. Dan heeft de Heere God zijn oogmerk bereikt, van dat grote werk der zaligheid, dat Hij zijn Zoon als, de enige grondsteen, kostelijk en beproefd, tot een hoeksteen op Sion wel vast gegrondvest heeft; nooit geschiedde onder de hemel groter werk dan deze zaak, van eeuwigheid ondernomen; zal,’t nu aan uw ongeloof mankeren, dat men u niet ziet gebouwd op deze enige grondsteen, ‘t huis met kracht houdende? Laat liever de groten Bouwmeester u mee op Jezus funderen, om een deel van de geestelijke tempel uit te maken. 1 Petr. 2: 5. En hier is ‘t geloof alleen een middel toe. Neemt, dat zo een aards koning een grote zaak had geboden, en die van u verzocht, zoudt gij het niet gewillig op u nemen? Hoeveel meer van de Koning van de hemel?

3. Is het nu zo zware zaak voor een misdadige om te geloven, en te betuigen dat hij de dood verdiend heeft, dat zijn geluk alleen hangt aan een koninklijk pardon, dat bij heeft te ontvangen zo hij ’t nodig voor hem acht? Dit nochtans is maar een zaak van het geloof, men stemt toe: God is waarheid en gerechtigheid. Hij vernedert deze, en verhoogt genen, die ‘t gemelde woord aannemende, deel krijgt aan alle genade. Valt het dan een hellewicht zo zwaar te zeggen, op de bede van des Konings Zoon: Ja Heere Jezus, al de volheid die in U is, wil ik voor mij kiezen, en met hart en ziel nu omhelzen, en daarvan verklaring doen! Is het nu zo zwaar naar de koperen slang te zien, te hongeren en dorsten naar de gerechtigheid, een lamme hand te tonen, en een trage voet, of Davids Zoon zich uwer mocht ontfermen? Zult gij niet met een overtuigd gemoed moedwillig naar de hel gaan, zo gij hardnekkig blijft?

Heden terwijl gij des Heeren stem hoort, verhardt uw hart niet.

Christenen, is het dan zo zware zaak uw Bruidegom te kassen, dagelijks gelijk gij eens deed? Immers de bruid oordeelde dat dit haar zowel paste, dat Jeruzalems dochters haar niet verachten zouden. Is het zo zwaar aan uw Bruidegom uw nood te klagen, dat uw zielsvijanden het op uw eer en deugd aanleggen, om dagelijks zijn belofte te vernieuwen in u, die gij ten tijde der ondertrouw ontving? Zou dit nu een dal Achors, een deur der hoop zijn, zo de Heiland u hiermee wilde begenadigen? Zou de duisterheid, dodigheid, zondigheid niet wonderlijk verdwijnen als uw licht zou voorgaan, en uw leven voortkwam als een rivier? Dus zou de verbroken stad herbouwd worden; gelooft dan, en wordt bevestigd.

4. Gij zult dan niet meer haasten, zegt de Heere. Wat hebt gij nu een haast naar de nietigheden, die u in ‘t oog flikkeren, naar uw zin, lust, vermaak, geld, kleding; uw hart jaagt en vliegt zonder rust; gij hebt zo ras de ene begeerlijkheid niet voldaan, of de andere heeft werk voor u, en dit heet dan nog maar mode, tijdverdrijf, gewoonte en eerbaarheid; maar ziet met wat tijd en krachten de zonden heen gaan. zult gij uw verlies niet genoodzaakt zijn met hete tranen te bewenen, hier of in de hel? En God roept misschien voor de laatste, maal. Staat gij niet verbaasd dikwijls bij uzelf, dat u de dingen zo bedriegen en misleiden; als gij ze gekregen hebt, niet bezit ‘t geen gij meende dat daarin was; en dan is het terstond tot wat anders, want daar is geen rust, Joh. 8: 42, 9 2 Petr. 2: 19.

En gij, o kinderen Gods! Weest ook wel gejaagd door uw vijanden, en bijzonder van uw ongeloof, dat onder de dekmantel van voorzichtigheid en geloof te willen heilig zijn, u zo moedeloos gemaakt heeft, en u van God gedreven; en daar ligt gij nu nog, en hijgt als een verslagene naar uw adem, wenende en kermende, niet wetende hoe gij nog voort zult raken. Zal het dan niet veel beter zijn zich door ‘t geloof van Jezus te laten dragen, als zo in eigen ongeloof te woelen, terwijl in de Heere al uw, sterkte en haasten is? Zegt dan als David, Ps. 119: "Ik heb gehaast, en niet vertraagd uw geboden te onderhouden."

5. Wat verschoning zult gij hebben voor uw overtredingen, zo gij nu niet hoort?  Niet alleen wordt de goddeloze aangekondigd, dat hij zal verloren gaan, maar de gelovige, dat zijn weg Gode niet behaagt, terwijl hij ondervinding heeft van wat beters: het leven en wandelen in ‘t geloof met God, genietende de inwoning des Allerhoogste in uw ziel. Ja terwijl u beide, gelovende, werd aangeboden, Hos. 2: 18, 19; Openb. 3: 18. Ziet, gij zult niets tot uw voorwendsel hebben, terwijl u liefelijk dit zalig wandelen met God is voorgedragen, in tegenstelling van te haasten in ‘t kwade.

Doch zo iemand zegt: ik heb dikwijls getracht om in Jezus te geloven, maar ik weet niet of het recht is; wij zullen dan aanwijzing doen. 1. Indien gij ooit vond het geloof zo grote zaak in uw ogen,dat het u onmogelijk was te geloven zonder hulp, en ondertussen was uw ongelovig hart al haastende om u moedeloos te maken, Mark. 9: 24. 2. Zo gij gewaar bent geworden een hart om de gehelen Jezus aan te nemen, en te kiezen in bestendigheid, met dat oogmerk om Hem geheel, met al zijn zegeningen te hebben, zo tot verzoening met God, alsmede tot reinigmaking, zonder iets te nemen, Matth. 11: 28. 3. Dat gij zoekt hartelijk op Christus te rusten zodat het u niet genoeg zijn kan dat werk eens te doen, en dan weer heen te zwerven, maar gij tracht in Jezus vergenoegd te zijn als uw deel, zodat uw zwarigheid niet is dat gij buiten Jezus iets moet hebben, maar alleen dat gij niet weet of gij Hem hebt, en uzelf rusteloos vindt, zo lang gij Hem niet gevonden hebt. Tenminste dat gij veel liefde tot Jezus gewaar wordt, en zo gij enige hoop van aandeel hebt, het vermeerdert des temeer.

Dat nu allen en ieder, die geen geloof hebben, deze wegen en middelen tot verkrijging mochten inslaan. 1. Kent uw ongerechtigheden, waarmee gij tegen de Heere hebt overtreden, en zoekt zoveel van uw ellende en Gods gerechtigheid te zien, dat gij radeloos in uzelf, u aan Gods gerechtigheid onderwerpt. Ziet ook de onmogelijkheid om door uzelf gered te worden, omdat alleen de Heere geloof geeft en werkt.

2. Wendt u op Jezus roeping, in alle middelen van de godsdienst tot de Heere. als onmachtig, of het Hem beliefde uw ellende aan te zien, en uw ziel te genezen, daar Hij vrij is, en gij Hem geen verplichting kunt opleggen. Gij die de Heere zoekt, en tot dat einde dagelijks door het geloof op Hem zoekt te leven, haast u niet, opdat uw oude kwaad niet wederom openbreekt. Doch laat echter niet na op een gelovige, onderworpen wijze te haasten. en te jagen naar de voorgestelde beloften des eeuwige levens, 2 Petr. 3: 12; Hebr. 12: 1; Filip. 3: 8-10. Opdat gij hetgeen tot betoning en bevestiging uws geloofs dient, niet achtergelaten hebbende, alzo gevaar loopt om aan de anderen kant schipbreuk te lijden.

3. Zoekt te kennen en te gevoelen de ledigheid van het schepsel, en de volheid van de Heere Jezus, nevens de aanbieding aan dat ledige schepsel, dat God wil verkiezen, naar die keur die Hij gemaakt heeft. Tracht te kennen de weg die God houdt, en waarop Hij leidt die deze weg verkozen hebben. verstaat gij iets van de ervaringen, die indien weg Gods lievelingen wel overkomen? Van de arbeidzaamheid ener ziel die Jezus verkoren heeft, en van de verkeerde gronden, die in die staat zijn weg te nemen? Laat ons nu hart en ogen open,zetten voor de Heere, om graag overgebracht te worden en bekwaam te wezen om deelgenoten van deze genade te zijn.

4. Wat aangaat de ledigheid van de ziel, weet dat wij van nature zijn uit één bloede, met anderen, die derven de heerlijkheid Gods. Wij zijn beroofd van alle licht en leven, beroofd van de waarheid en heiligheid, van die zuiverheid en van Gods heerlijkheid, Rom. 3: 10. Het is niet genoeg dat wij met ons verstand dit begrijpen, wij moeten ons hart verheffen en het zegel aan die waarheid en aan alle waarheid geven. Zegt niet: ik heb geen geloof, want ik zie geen vruchten. Vindt gij geen vruchten, gij vindt echter uw vijand, die tegen het geloof aanligt; want door te haasten, schijnen hier twee partijen te zijn. Mogelijk zegt gij: ik heb zo lang gezocht naar vervulling van Gods beloften, maar daar komt niets van; weet dat dit is het haasten, dat God wil dwingen. Onderwerpt u Gode. Die gelooft, gebruikt steeds alle middelen en verbeidt Hem met lijdzaamheid. Ook is ‘t niet altoos even kwaad, als Gods hand verandert. Gij mocht, al uw leven begerende, niet ontvangen en verloren gaan, zo gij denkt en zegt; maar dit is ‘t eerste begin van het haasten, niet te geloven, dat die zoekt vindt, en hij die gelooft niet beschaamd zal worden. Aldus zal dit de gebaande weg tot troost en heiligmaking zijn voor hem, die zijn vrijmoedigheid niet wegwerpt.

Maakt de Heere bekend, dat gij geen raad weet met al uw haasten, opdat Hij u meer geloof geve, om niet te zeer te haasten, omdat Jezus uw Rotssteen is, op welke gij gebouwd bent, en die u eenmaal zal doen staande blijven. Ondertussen nadert Hij al om u bij Hem op te nemen. daar men niet meer klaagt over ongeloof; want geen geloof noch haasten worden daar gevonden, want men hier door geloof leeft, en daar door aanschouwen. Zegt dan met David, Psalm 31: 23-25: Ik zei wel in mijn haasten: Ik ben afgesneden van voor uw ogen; dan nog hoorde Gij de stem mijner smekingen, als ik tot U riep. Hebt de Heere lief, gij al zijn gunstgenoten! want de Heere behoedt de gelovigen, en vergeldt overvloediglijk degene, die hoogmoed bedrijft. Zijt sterk, en Hij zal ulieder hart versterken, allen gij, die op de Heere hoopt! Amen.

 

Tweede predikatie over Psalm 45: 8

 

Gij hebt gerechtigheid lief, en haat goddeloosheid; daarom heeft U, o God! uw God gezalfd met vreugdeolie, boven uw medegenoten.

 

Deze woorden zijn hier bijgevoegd als een verklaring van de voorgaande op vers 7. Gelijk ook in HEBR. 1: 8, 9. Want daarom is de scepter des koninkrijks van Christus een rechte scepter, of een scepter der gerechtigheid, omdat Hij de gerechtigheid in zijn koninkrijk trouw oefent en bedient, in de rechtvaardigen te beschermen en de goddelozen te verderven; en dat uit liefde tot de gerechtigheid, als ook de ongerechtigheid te haten. De Heere behoedt de gelovigen, en vergeldt overvloediglijk degene, die hoogmoed bedrijft, Ps. 31: 24. Gerechtigheid en goddeloosheid, die hier in het afgetrokkene gesteld is, wordt doorenige uitleggers in samenstelling genomen, voor rechtvaardige en goddeloze mensen, alzo het de eigenschap van een rechtvaardig koning is, de een te beschermen en de ander te straffen, de een lief te hebben en de ander te haten; doch indien men de woorden in  het afgetrokkene aanziet, gelijk ze hier vertaald worden, zo heeft het een groter nadruk; te kennen gevend, dat Christus beide in zichzelf rechtvaardig is, en de Auteur en Gever van de gerechtigheid aan anderen. Een scepter; Christus is een rechte Scepter, omdat Hij een rechtvaardig Koning is de gerechtigheid zelf, om hetzelve lief te hebben, en verfoeiende alle goddeloosheid; welke twee uit noodzakelijkheid samengevoegd werken. Zo ziet men dan, dat de woorden behelzen het positief en negatief gedeelte van de heiligmaking, dat is: de dadelijke en tegenstrijdige delen ervan. 1. Vooreerst. een hartelijke liefde voor, en aankleving aan de gerechtigheid en heiligheid.

2. Ten tweede, een haat tegen, en verloochening van alle zonden en ongerechtigheden; beide zijn hier Christus toegeschreven,die het geheel en elk deel van de gerechtigheid liefheeft; wiens leven en daden zijn volkomen gelijkmatig de regel van hetzelve geweest, en die te rein van ogen is, dan dat Hij het kwade zou zien, Hab. 1: 3. Leert hieruit:

1. Dat de rechtvaardigheid en heiligheid Christus zo natuurlijk en wezenlijk zijn, dat Hij anders niet doen, kan als de gerechtigheid liefhebben en de goddeloosheid haten. De goddeloosheid kan bij Hem niet wonen, noch zal ook de ongerechtigheid zijn troon niet kunnen genaken. Psalm 94: 20. Christus is die Heilige en Rechtvaardige. Hand. 3: 14 en 22: 14. Waarover de huisvrouw van Pilatus in een droom gewaarschuwd was, Matth. 27: 19. En vanwege die de dag eens zal komen, waarin de wereld overtuigd zal worden. dat Hij heilig en rechtvaardig is, Joh. 16: 8. En dat:

1. In zijn ontvangenis en geboorte; zijnde zonder zonden geboren; een Lam zonder vlek of besmetting, uitgebeeld onder de wet: Zodanig een Hogepriester betaamt ons. Hebr. 7: 26, 27.

2. In de gehele koers van zijn leven en daden: Hij heeft alle gerechtigheid vervuld, Matth. 3: 15; Hebr. 4:15; Joh. 14: 30. In zijn mond was er geen bedrog gevonden, en het was noodzakelijk dat het zo zou zijn, opdat Hij de gerechtigheid aan ons mocht meedelen, en hetzelve in ons werken; had Hij in ‘t minste bevlekt geweest, dan had Hij ons Gode niet kunnen heilig en, onberispelijk voorgesteld hebben, Kol. 1: 22.

Tegenw. Ja maar aangezien Christus uit een vrouw geboren was, Gal. 4: 4, zo heeft Hij van de eerste Adam noodzakelijk moeten afkomstig zijn; en daarom niet kunnen volkomen rechtvaardig en zonder zonden worden.

Antw. Ongetwijfeld zijn al diegenen zondaars, die door de natuurlijke geboorte van Adam afgedaald zijn; en van des mensen natuur gegenereerd zijnde, zo ontvangen zij de zonden en verdorvenheid van hetzelve; en zo zou het ook waarlijk met Christus geweest hebben, indien Hij door de natuurlijke voortteling van Adam was afgedaald. Maar de menswording van Christus werd, door de ongewone werking des Heilige Geestes, zonder de natuurlijke voortteling, geformeerd of toegeschikt; want hoewel Christus naar het vlees uit de substantie (of wezenlijkheid) der vrouw gemaakt was, nochtans was Hij niet door de mens verkregen; en daarom heeft Hij de verdorvenheid van de menselijke natuur niet ontvangen, zijnde de baarmoeder van de gezegende maagd, door de Heilige Geest, boven de natuur geheiligd en overschaduwd.

De mens mag de gerechtigheid of rechtvaardigheid beschrijven hoe hij wil of kan, het zal nochtans duidelijk blijken, dat Christus een rechtvaardig Persoon is, een liefhebber van de gerechtigheid en een hater van de goddeloosheid, en dat in een viervoudig opzicht.

1. Indien men het woord gerechtigheid met de filosoof Aristoteles van Dixa afkomstig doet zijn; hetwelk beduidt het verdelen van een ding (of zaak) in twee gelijke delen; want alzo geeft een rechtvaardig man aan een ieder zijn recht en bescheiden deel, die mededeelbare gerechtigheid genoemd werd. Ongetwijfeld is dit Christus eigen, die een ieder mens zijn behoorlijk deel geeft: aan de keizer wat des keizers is, en aan de Farizeeën wat hun toebehoort, alsook aan zijn kinderen datgene, dat hun uit de belofte toegeëigend wordt.

2. Indien men het woord gerechtigheid, met de Latijnen van jus ontleent, hetwelk de wet of recht betekent, en alzo diengenen voor een rechtvaardig man acht en aanziet, die de regelen of voorschrijving van een rechtvaardige wet onderhoudt, of gehoorzaamheid aan diegenen bewijst, die dezelve beveelt te onderhouden; wel mogen wij besluiten dat Christus rechtvaardig is, en de gerechtigheid bemint; want wie is er die de heilige wet Gods zo gelijkvormig is als Hij? Wie heeft aan en over ons meer recht? Wie heeft meer gezag om ons te gebieden als Hij? Wie is er (nog eens) die bevel geeft over rechtvaardiger en billijker zaken, als Hij, die de rechtvaardige Wetgever en de Volbrenger van dezelve is?

3. Indien men de gerechtigheid neemt in die zin, gelijk sommigen doen, als betekende een samenvloeiing van alle deugden en uitnemendheden, zijnde elke deugd in de gerechtigheid, gelijk als elke zonde in de ongerechtigheid begrepen is; wie kan zichzelf die algemene gerechtigheid en samenvloeiing van alle deugden beter toeëigenen als Christus? Is Hij niet volkomen God en rechtvaardig in zichzelf, in het algemeen; meedelende de goedheid en gerechtigheid aan anderen? In Hem zijn alle deugden en uitnemendheden als in het middelpunt verenigd.

4. Indien men de gerechtigheid stelt voor waarheid en getrouwheid in het volbrengen van beloften, gelijk men die noemt een rechtvaardig man die zijn woord voldoet. En wij zullen in de Schriftuur kunnen zien, dat waarheid of getrouwheid wordt in ‘t gemeen met de gerechtigheid samengevoegd, Ps. 85: 11, 12. En van God wordt gezegd getrouw en rechtvaardig te zijn in de zonden te vergeven, 1 Joh. 1: 9. Wel mag men in dit opzicht de gerechtigheid Christus toeëigenen; die alles volbrengt, hetzij wat het is, dat Hij gesproken heeft; niet een jota of tittel kan zijn Woord mankeren, totdat alles vervuld is, Matth. 5: 18; Openb. 15:3, God zij waarachtig, maar alle mensen leugenachtig, Rom. 3: 4. Hoewel de mensen hun beloften schenden en verbreken, nochtans zal Christus het niet doen. Hieruit blijkt dat Christus de gerechtigheid bemint, en de ongerechtigheid te haten; ja de gerechtigheid bemint Hij om der gerechtigheid wil; alle rechtvaardige personen en zaken zijn bij Hem lief en aangenaam, alzo Hij de rechtvaardige God zelf is, zowel als een rechtvaardig Man.

Vraag. Waaruit blijkt het dat Christus heilige personen en de gerechtigheid liefheeft?

Antw. 1. De Schriftuur geeft ons te kennen, dat de rechtvaardigen de voorwerpen zijn van des Heeren vermaak en welbehagen, 1 Joh. 1: 6, 7; Spr. 11: 20, Hij kent de weg der rechtvaardigen, om dezelve te approberen en goed te keuren, Ps. 1: 6, Zijn ogen zijn altijd op hen ten goede, en niet ten kwade. Ps. 84: 15; 1 Petr. 1: 12.

2. Hij openbaart zichzelf aan hen: De verborgenheid des Heeren is met de oprechten, en zijn raad zal Hij hun bekend doen zijn. Hetgeen die andere ogen niet hebben gezien, noch andere oren gehoord, is hun geopenbaard, Spr. 3: 23, 1 Kor. 2: 9, 10.

3. Hij maakt dat hun pad welgebaand is, dat zij het geheel effen en gemakkelijk mogen hebben, Jes. 26 7, Spr. 15: 19. Zij hebben het licht terwijl anderen in duisternis zijn: Het licht is voor de rechtvaardigen gezaaid, en vrolijkheid voor de oprechten van harten, Ps. 97: 11, 12. Hieruit vloeit voort, dat de rechtvaardige moedig is als een jonge. leeuw, Spr. 28: 1. Nog verder:

4. Zodanigen worden op een bijzondere wijze door de Heere erkend en beschermd, 2 Petr. 2: 8; Spr. 11: 8, De rechtvaardige is voortreffelijker als zijn naaste, Spr. 12:26. En daarom worden de goddelozen tot een rantsoen gegeven, opdat de rechtvaardigen mogen worden behoed, en in heiligheid gesteld. Hoofdst. 21: 18, Jes. 41: 2.

5. De Heere strekt zijn zegen uit over hun nakomelingen, Spr. 11: 21. Hij zegent de woningen der rechtvaardigen, de stem des heils is in hun tenten, Hfdst. 8: 33, Ps. 118: 15.

6. Het zal de rechtvaardige welgaan op de jongste dag, Jes. 3: 10, 25: 46. De Heere Jezus zal ze vergaderen gelijk een schaapherder zijn kudde, en gelijk een juwelier zijn juwelen verzamelt, waarvan hij niet een stofje wil verliezen, Mal. 3: 17, Zij zullen Mij een eigendom zijn, te dien dage die Ik maken zal. Die oprecht wandelt en gerechtigheid werkt, zal verkeren in zijn tent, en wonen op de berg zijner heiligheid, Ps. 15: 2, 3.

Vraag. Hoe blijkt dat Christus de ongerechtigheid, ja alle ongerechtigheid, haat?

Antw. In vijf bijzondere aanmerkingen:

1. Dat is het alleen, waarover de Heere (als een rechtvaardige Rechter) de eeuwige straf zal oefenen; daar is niets dat eigenlijk het voorwerp van zijn haat is, als de zonde en goddeloosheid.

2. Hoewel Christus de menselijke natuur aangenomen heeft, nochtans is het geweest zonder de zonde van de mens, Hebr. 4: 15.

3. Opdat Hij. de zonden der uitverkorenen mocht vernietigen en afschaffen, zo heeft Hij zelf voor hen de pijn der hel uitgestaan, en uitgeroepen: "Mijn God, mijn God, waarom hebt Gij Mij verlaten?" Matth. 27: 46. En hierom heeft Hem God zonde voor ons gemaakt, 2 Kor. 5: 21. Waardoor Hij ook voor ons tot een vloek geworden is, Gal. 3: 13.

4. Christus wil met ons geen gemeenschap hebben, totdat ons de zonde niet, maar zijn rechtvaardigheid werd toegerekend, 2 Kor. 5: 19, Rom. 4: 11. De rechtvaardigmaking door God, gaat voor de gemeenschap met God  de verzoening bloeit als een vrucht uit de toegerekende rechtvaardigheid.

5. Hij zal nooit ophouden, totdat Hij de overblijfselen der zonde en verdorvenheid uit zijn eigen volk ten enenmale heeft uitgezuiverd, en hen volkomen heilig gemaakt, gelijk Hij heilig is.

Ja, maar Christus is met de overtreders geteld geweest, Jes. 53 12. En Luther heeft de vrijmoedigheid gebruikt, om te zeggen: dat hij de grootste zondaar in de wereld was.

De mening is niet, dat Christus een zondaar was door aankleving want dan had Hij ons niet van de zonde kunnen verlost hebben, maar als onze Borg werd Hem de zonde toegerekend: De Heere heeft onzer aller ongerechtigheid op Hem doen aanlopen, Jes. 53: 6. En in dit geval is de weggaande bok (die de zonde van het volk weggedragen heeft, Lev. 16: 21, 22) een levendig voorbeeld van Christus geweest; onzer aller ongerechtigheden op zijn rekening gesteld zijnde, werd Hij door God, als de schuldenaar, gearresteerd en in de gevangenis opgesloten; en wij,. voor wie Hij Borg gebleven is, in vrijheid gesteld. Zo nochtans. dat men steeds moet erkennen, dat Hij, in zijn eigen Persoon, zonder de minste besmetting van zonden is geweest, en wij nog steeds overblijfselen van de oude mens in ons hebben.

1. Is de gerechtigheid van Christus zo natuurlijk en wezenlijk, dat Hij anders niet doen kan, als dezelve liefhebben en werken? Ofschoon dan de heirlegers en de volgers van het Lam, Openb. 19: 19, op zijn bevel de kinderen Babylons zouden grijpen, en aan de steenrots verpletteren, Ps. 137: 9, en in het bloed der navolgers van de antichrist, tot aan de tomen der paarden, zouden doorwaden, (want zo zal het geschieden ten tijde van het verwoesten der stad Rome), Openb. 14: 20, nochtans is het steeds onze plicht, te zingen het gezang des Lams, zeggende: Groot en wonderlijk zijn uw werken; Heere, Gij almachtige God ‘t rechtvaardig en waarachtig zijn uw wegen, Gij Koning der heiligen, Hoofdst. 15: 3. Met recht mogen wij onze bevattingen in twijfel trekken; die aan misslagen en dwaling onderworpen zijn. Doch wat aangaat Christus werken en verrichtingen, daar is de minste wreedheid of ongerechtigheid niet in; noch kan er ook niets als zuivere stromen uit die zuivere fontein voortvloeien: Gij hebt gerechtigheid lief, en haat goddeloosheid.

2. Dat dan de overheden en regeerders vermaand zijn, Christus na te volgen, en van Hem te leren. De overheden voornamelijk behoorden de gerechtigheid lief te hebben en te bedienen; want al hetgeen dat om der gerechtigheids wil niet gedaan is (hoewel goed in zichzelf); maar om de aanhang en toejuiching der mensen, en andere vleselijke oogmerken, dit is de ware gerechtigheid niet. En gelijk als de Magistraten de gerechtigheid behoorden lief te hebben, zo behoorden ze ook de ongerechtigheid te haten, met een dodelijke haat, en te ontvlieden, zelfs de schijn van verdrukking, staatszucht, partijdigheid, ongerechtigheid, omkoping, enz. Laten zij van Christus leren, die niet vertraagt, maar vaardig is ter gerechtigheid, Jes. 16: 5. Waarom zou er enig gekrijs zijn op onze straten. Ps. 145: 14. Uit gebrek en vanwege het vertragen van de gerechtigheid. Wanneer de verdrukte vrouw de Roomsen keizer om de gerechtigheid smeekte, en hij haar tot antwoord voerde, dat hij daartoe nog geen tijd had, zo heeft zij hem wederom daarop een treffend antwoord toegevoegd: Dat hij dan moest ophouden keizer te worden. De overheden en rechters worden in de Schriftuur goden genoemd, Ps. 82: 6, Joh. 10:34, 35. Gelijk als:

1. Ten opzichte van hun eenvoudigheid, (God zijnde een zuiver onvermengd wezen); en

2. Hun meedogendheid en goedertierenheid, door weldadigheid wordt de troon ondersteund, Spr. 20: 28; en:

3. Hun wetenschap en wijsheid, alzo ook

4. Ten opzichte van hun liefde voor de rechtvaardigheid en gerechtigheid, met de ongerechtigheid te. haten, waardoor de troon en ontzaglijkheid. van de regering wordt bevestigd, Jes. 9: 6, Spr. 16: 12. Het werd herhaald van twee Romeinse heidenen: dat het alzo gemakkelijk was om de zon uit het firmament of uitspansel te rukken, als hen van de gerechtigheid en billijkheid te verzetten, en hoe? Is er niet meer kracht in de genade als in de morele filosofie, of zedenkunde? Zullen heidenen boven de Christenen uitmunten in de gerechtigheid? O laat toch overheden en regeerders voornamelijk hun vermaak stellen in rechtvaardigheid. Een heerser over de mensen moet rechtvaardig zijn, heersende in de vrees Gods, 2 Sam. 23: 3. De heiligheid geeft aan God dat Hem toekomt en de rechtvaardigheid aan de mens dat het zijn is, ja aan alle mensen zonder onderscheid; het oordelen naar waarheid zal de magistraat gerechtigheid leren oefenen, aan de mens als mens; de goddeloze zowel als de godzalige, en aan de godzaligen zowel als de goddelozen; aan diegenen die verschillend zijn in de godsdienst, zowel als anderen die in hetzelfde oordeel met hem zijn.

3. Laat ook alle Christenen dit leerstuk wel waarnemen en leren rechtvaardig zijn gelijk Christus rechtvaardig is. Het is niet genoeg, ontkennender wijze, dat men niet goddeloos is, of dat men onrechtvaardige dingen niet doet; maar de Christenen behoorden rechtvaardigheid te oefenen, uit liefde voor dezelve, Jes. 64: 5. David had al de geboden en bevelen Gods geacht, Ps. 119: 5, 88. De ware heiligen, die maagden zijn, volgen het Lam, waar het ook heen gaat, Openb. 14: 5. De genade leert ons beide, zonde te vermijden en in de rechtvaardigheid en heilige oefening overvloedig te zijn, Luk. 1: 74, 75; Tit. 2: 12. Om te haten hetgeen dat kwaad is, met zo grote afkeer daarvan te hebben als men van de hel heeft; (gelijk het woord mideon ganselijk haten betekent), even ongenegen te zondigen, als in de hel gepijnigd te worden, met aankleving en gelijk als vastgehecht aan het goede, Rom. 12: 9: Af te wijken van het kwade en het goede te doen. Ps. 34: 15. Het is maar een Paapse lastering, dat de Protestanten leren, dat niemand rechtvaardig is met een inwendige gerecht4gheid, maar alleen datgéne wat uitwendig en toegerekend is; want hoewel het inwendige binnen ons onvolmaakt is, en daarom ons niet kan rechtvaardigen voor de vierschaar Gods, nochtans is het in zijn aard een ware persoonlijke rechtvaardigheid, Luk. 1: 6. Onder alle mensen zijn de heiligen allermeest rechtvaardig, beide uitwendig en inwendig, in hart en omgang. De rechtvaardigheid lief te hebben en de goddeloosheid te haten, wordt hun door de Geest Gods ingeplant, en gelijk als natuurlijk gemaakt, 2 Petr. 1: 4, Ef. 2: 10, Hoofdst. 4: 24. En hierdoor zijn ze Christus gelijkvormig gemaakt, in wiens hart de wet der rechtvaardigheid en heiligheid met een onuitwisbaar karakter ingeschreven is.

Vraag. Wat zijn de plichten, welke uit dit leerstuk van ons vereist worden?

Antw. De plichten zijn verscheiden, gelijk als volgt:

1. Vooreerst is het de plicht van een Christen om te bewenen de vloed van ongerechtigheid, welke in het land is: Nochtans zoeken ze Mij dagelijks (zegt de Heere) en hebben een lust aan de kennis mijner wegen als een volk dat gerechtigheid doet; maar och dat de mensen nog ten laatste de banden der goddeloosheid ontdeden, latende de verpletterde vrij los, en alle juk verscheurden, dit zou de Heere aangenaam zijn, Jes. 58: 2, 6, Hij heeft u bekend gemaakt, o mens, wat goed is: en wat eist de Heere van u, als recht te doen, en weldadigheid lief te hebben en ootmoedig te wandelen met uw God? Micha 6: 8. Helaas! Daar is niemand die voor de gerechtigheid roept: niemand die voor de waarheid in ’t gericht zich begeeft; het recht is ver van ons. en de gerechtigheid achterhaalt ons niet: wij wachten op het licht, maar zie daar is duisternis; op een grote glans, maar wij wandelen in donkerheden. Het recht is achterwaarts geweken, en de gerechtigheid staat van ver; wint de waarheid struikelt op de straten, en dat recht is kan er niet ingaan. Ja de waarheid ontbreekt er; wie van het boze afwijkt, stelt zich tot een roof, Jes. 59: 4, 9, 14, 15. En is hier geen stof van weeklacht, en om de Heere te smeken, dat zijn eigen arm de zaligheid teweeg mag brengen, en zijn gerechtigheid doorbreekt in deze landen?  God heeft zichzelf verplicht, op het punt van ene, om de luidschreeuwende zonden en boosheden der tijden tegen te staan, voornamelijk aangezien dat er zulke hoge ophef geweest is, van een volkomen reformatie te willen uitvoeren, beide in de kerk en burgerlijken staat. Zal men nu neerzitten en schatten vergaderen, en het grote werk des Heeren verzuimen? Zeker hierover zal de Heere bezoeking doen. O laat ons dan ijverig zijn en ons bekerende, de eerste werken doen.

2. Ten tweede. Het is onze plicht, elk in zijn plaats, om de gerechtigheid na te volgen. Diegenen, die de gerechtigheid najagen, dat is, die het zoeken door het geloven in Christus. Rom. 9: 31, 32. En blijven gedurig in de oefening van rechtvaardigheid en heiligheid, Spr. 21: 21. Die, zullen vertroosting hebben en ondersteuning vinden in de bozen dag. Hoort naar Mij, die de gerechtigheid najaagt, Jes. 51: 1. Het is een leenspreuk, genomen van de mensen dezer wereld, die de aardse dingen zo gretig najagen, alsof ze nooit daarmee zou kunnen verzadigd worden; of van de jagers, die het hert najagen, of krijgslieden, die hun vijanden met dapperheid vervolgen; zo behoort men de gerechtigheid na te jagen.

3. Ten derde: uit openhartigheid zich met diegenen verenigen, en haar aankleven, die rechtvaardig zijn in de lande, en die hun grootste verheuging stellen in de wegen der gerechtigheid, zonder partijdigheid of muitzucht. De Heere zal diegenen bewaren die rechtvaardig zijn in de lande, opdat Hij hen met de goddelozen niet verderve, Gen. 18: 25, 32. Zij zullen in de binnenkameren verholen blijven, totdat Hij zijn vijanden door zijn gramschap ten enenmale verslonden heeft. Indien er maar tien rechtvaardige personen in ‘t land zijn, mannen die de onpartijdige gerechtigheid voorstaan en handhaven, dat die onze metgezellen zijn, nu de Heere het ondernomen heeft de landen te bezoeken, vanwege haar ongerechtigheden.

4. Ten vierde: wanneer wij onszelf belast vinden met onze eigen ongerechtigheid (gelijk daar niemand onder ons is, die volkomen de gerechtigheid liefheeft, met een volstrekte haat tegen de goddeloosheid te hebben) dan behoort men zich te verlaten op de gerechtigheid Christus, en ons daarmee vertroosten; hoewel wij niet zijn volmaakt rechtvaardig, Christus is het evenwel; al zijn wij in zonde ontvangen, dagelijks tegen God zondigende, niettemin was Christus geboren en heeft geleefd en is gestorven zonder zonde. In Hem wordt onze gerechtigheid gevonden; als dit ons verkondigd wordt (naar het zeggen van Elihu) door een uitlegger, één uit duizend, dan zijn onze neerslachtige gemoederen verkwikt, en ons daardoor de vertroosting verschaft, Job 33: 23-25. Nu volgt: (Daarom heeft U, o God, uw God gezalfd.) De mening wordt bij sommigen aldus opgesteld: Gij hebt gerechtigheid lief en haat goddeloosheid. (Dat is: al uw leefredenen en praktijk is daartoe strekkende), omdat U God gezalfd heeft: alsof dit de oorzaak was en het andere de vrucht; en zo willen zij hebben, dat het zijn betrekking heeft op de tijd van de menswording Christus, als wanneer de Godheid de menselijkheid had aangenomen; en ‘t is waar, dat hierom Christus, als mens zijnde, de geestelijke zalving ontvangen heeft, opdat Hij de gerechtigheid mocht liefhebben, enz. Jes. 61:1,2. Anderen geven te kennen, dat die zalving van Christus betrekking heeft op zijn doop, toen de Geest des Heeren op Hem kwam neerdalen. Weer anderen willen het betrekking doen hebben op zijn verhoging na zijn lijden, toen Hij uit de dood opstond, en in de heerlijkheid opgevaren is, waardoor Hij verklaard was te zijn: de Heere en Koning van hemel en aarde. En dit schijnt allerbest te accorderen met deze huwelijkspsalm, welke handelt over het koninklijke ambt en de heerschappij van Christus, en met hetgeen de Apostel zegt, Filip. 2, alwaar, nadat hij gesproken had van de vernedering en de gehoorzaamheid van Christus, vs. 6, voegt, hij er deze woorden bij, vs. 9: Daarom heeft Hem ook God uitermate verhoogd, en heeft Hem een naam gegeven, welke boven allen naam is, overeenkomende met deze tekst. En daarom, hoewel het waar is, dat Christus in en door de vereniging der twee naturen, de geestelijke zalving ontvangen heeft, opdat Hij de gerechtigheid mocht liefhebben, enz., nochtans schijnt Hem hier deze zalving geschonken te zijn bij wijze van beloning, en zo bijgevolg, heeft het zijn betrekking op de plechtige inwijding die aan Hem geschied is, bekleed zijnde met zijn Koninklijke waardigheid na zijn lijden. En aldus kan men het uitleggen: omdat Christus de gerechtigheid lief heeft, en de goddeloosheid haat, daarom heeft Hem God, tot vergelding, boven engelen en mensen in waardigheid verheven, en gezalfd met vreugdeolie boven zijn medegenoten. Niet dat Christus eigenlijk voor zichzelf gezalfd was, maar voor ons; zijnde zijn rechtvaardigheid en gehoorzaamheid de verdienende oorzaak van onze geestelijke zalving, vreugde en heerlijkheid. De woorden zal ik in ‘t kort ontleden en overgaan tot de aanmerkingen. (God uw God.) God is de God  van Christus geweest, als zijnde in onze natuur, onze Borg en Onderpand. (Hij heeft U gezalfd.) Dat is, niet met hetgeen dat stoffelijk of lichamelijk is, maar met geestelijke olie. Zijnde de olie, op een figuurlijke wijze, voor zalf genomen; en ten opzichte van die zalving wordt de Heere Jezus genoemd in t Hebreeuws: Messias, en in ’t Grieks: Christus, de Gezalfde des Heeren. (Boven uw medegenoten.) Dat is: boven al de uitverkorenen van God, die deel hebben in de geestelijke zalving, 1 Joh. 2: 27. Christus heeft de voorrang, en is de eerste boven hen allen. (Daarom heeft U, o God, uw God enz.) Leert hieruit: Dat God de God van Christus geweest is in verdrag, als zijnde onze Borg, die het voor ons gewaagd heeft, of aldus: Christus als mens in ‘t werk van de verlossing, is in bondgenootschap met de eeuwige God getreden.

Maar waarom heeft God de God van Christus willen zijn? en wat zijn daarin zijn genadige oormerken geweest jegens ons?

1. God is de God van Christus geweest, opdat Hij met ere van het toneel mocht afgebracht worden en verlost van die schuld, welke op Hem gelegen heeft, als onze Borg. De Goddelijke alvermogende kracht is gebleken in het opwekken van Christus uit het graf, Ef. 1: 19, 20. Daardoor is Hij krachtig bewezen te zijn de Zoon van God, Rom. 1: 4. Die wel is gedood in het vlees, maar levend gemaakt door de Geest, 1 Petr. 3: 18. Onze Borg in zijn opstanding, is uit de gevangenis verlost en heeft een eerlijke ontlading en kwijtschelding van alle onze zonden ontvangen; en zal ten andermaal zonder zonde gezien worden, Hebr. 9: 28. Hierom wordt er gezegd: dat Hij opgewekt is om onze rechtvaardigmaking, Rom. 4: 25. En indien Hij niet opgewekt was, dan zouden wij nog in onze zonden zijn, 1 Kor. 15: 17. Maar nu kan niemand,beschuldiging inbrengen tegen de uitverkorenen van God, omdat Christus opgewekt is, Rom. 3: 33, 34.

2. God is de God van Christus in verbond geweest, opdat Hij ook onze God in verbond mocht zijn; want in zijn verrichting komt de gehele Christus, hoofd en ledematen, in overweging. Gal. 3  19; 1 Kor. 12: 12. Het verbond, zijnde eerst afgehandeld met het Hoofd (zijnde ook ons gegeven tot een verbond, Jes. 42: 6). En daarna met de ledematen, met Hem voor en ten opzichte van ons. Gelijk als God onze Borg niet verlaten heeft, maar Hem ondersteund in zijn groten strijd en aanvechtingen; wanneer Hij Hem uit de diepte aangeroepen heeft, zo zal Hij ons ook niet verlaten in tijd van nood, Hebr. 4: 16, 18: 5, 6.

3. Opdat ons geloof, betreffende de wederopstanding onzer lichamen, bevestigd en versterkt mocht worden. Want gelijk als de almogende kracht van de Goddelijke natuur is in het werk gesteld geweest, en zich uitgestrekt heeft in het opwekken van Christus uit het graf, zo zal het ook, op zijn behoorlijken tijd, in ‘t werk gesteld zijn om ons op te wekken, elk in zijn orde: eerst het Hoofd en dan de ledematen. Nu leeft Christus door de kracht Gods, die in zwakheid gekruist was; en wij, die zwak zijn, zullen met Hem door de kracht Gods leven, 2 Kor. 18: 4, 5. De Geest die Christus uit de doden opgewekt heeft, wonende in ons, zal ons ook opwekken, Rom. 8: 11.

Tegenw. Maar Christus (welke in deze psalm God genoemd wordt) wordt hier gezegd door God te worden gezalfd; wat veronderstelt, dat Hij minder is als die Hem gezalfd heeft; en dat hoewel Hij God is, nochtans is Hij maar een gezalfde God.

Antw. Dit, vergeleken met andere teksten van gelijken aard, heeft eigenlijk zijn betrekking niet op de Godheid, maar op de mensheid van Christus; nochtans ten opzichte van de persoonlijke vereniging, datgene welke een der naturen eigen is, wordt de persoon toegeschreven: Christus die ook God was, heeft de gemeente verkregen door zijn eigen bloed, Hand. 20: 28. Nochtans heeft de Godheid de bekwaamheid niet om bloed te storten; gelijk nu datgene, dat het een gedeelte, te weten het lichaam, eigenlijk toebehoort, dikwijls in de Schriftuur de ziel, ‘t andere gedeelte van het samen verenigde toegeëigend wordt, of aan. de gehele persoon, Ps. 16: 10; Jes. 10: 82. zo is het hier: Christus, zijnde gezalfd, wordt niet aangemerkt alleen, of eigenlijk, gelijk als Hij God is, maar gelijk als Hij is Godmens; en men kan ook met veiligheid zeggen, dat Christus als Middelaar door God is gezalfd geweest; want hoewel Christus van nature God is, niettemin is er in Hem een ondergesteldheid aan God, ten opzichte van zijn ambt als Middelaar.

1. Laat ons de Heere onze God groot maken, als de God en Vader van Christus, in welk opzicht Hij ons gezegend heeft met alle geestelijke zegeningen; en dientengevolge behoorden wij Hem te loven en te zegenen. Hij heeft ons metterdaad gezegend als de God en Vader van Christus, en wij behoren Hem, in deze betrekking, op een lijdelijke wijze te zegenen, Ef. 1: 3, 17. Hiervandaan komt het, dat Hij onze God en Vader, in het verbond, geworden is: Ik vare op tot mijn Vader en uw Vader, en tot mijn God en uw God, Joh. 20: 17. Indien God, van onzentwege, de God van Christus niet had geweest, en ons het hoofd bedekt ten dag der wapening, het zou Hem mislukt hebben in het grote werk onzer verlossing, en dan hadden wij voor eeuwig rampzalig gebleven: Doch de Heere heeft Hem voor zichzelf gesterkt, Ps. 30: 18. En. heeft hulp besteld bij een held, Ps. 89: 20, Jes. 63: 1.

2. Leert Christus navolgen, die in zijn grootste benauwdheden een bijzonder zegepralend geloof in God gehad heeft, Matth. 27  46. Dit waren zijn woorden: Hij is nabij die Mij rechtvaardigt, wie zal met Mij twisten? Jes. 50: 8. Indien HIJ zich op God verlaten heeft, toen Hij met al de zonden der uitverkorenen tegelijk belast werd, Jes. 58: 6, waarom zouden wij ons op Hem niet Verlaten, in het uur der verzoeking, wijl al onze zonden van ons verschoven worden op onze Borg? En bier laten wij onszelf niet tevreden stellen met een algemeen levenloos geloof; maar bevorderen dit voorname interest of belang, hetwelk wij in God  hebben als de God en Vader van Christus; en als onze God en Vader door Hem. Om nog voort te gaan:

(God heeft U gezalfd met vreugdeolie boven uw medegenoten.)

Hier wordt de Geest des Heeren (die de Trooster is, Joh. 14: 16), vreugdeolie genoemd, uit de vrucht of het effect en uitwerking, omdat Hij vreugde en blijdschap voortbrengt, Gal. 5: 22. In voorbeeldende offeranden onder de wet was de olie veel in ‘t gebruik, om te verbeelden de zalving des Geestes; zie Ps. 133: 2, Jes. 61: 1; 1 Joh.. 2: 20, 27; Luk. 4: 18, 2 Kor. 1: 21, 22; Openb. 3: 18. Onder de Joden was de olie ook veel in gebruik op hun feestdagen; daarom, na de toerichting van de tafel volgt daarop: gij maakt mijn hoofd vet met olie, Ps. 23: 5.

En verder: wijn maakt het hart vrolijk, brood versterkt de mens, en olie maakt dat ze een blijmoedig gezicht vertonen. Hieruit zijn enige geleerde mannen van gevoelen, dat de vreugdeolie hier vermeld, en op Hebr. 1: 9, zijn betrekking heeft op datgene wat op de feestdagen gebruikt werd; zijnde Christus door zijn Vader, Koninklijk onthaald, hebbende ook overvloediger van de olie des Geestes over Hem uitgestort, als over enige van de andere gasten; ja als over allen samen.

Vraag. Waarom de Geest Gods en de vruchten ervan bij olie vergeleken worden; zullen wij zien:

1. Gelijk als olie een zoete en aangename geur van zich laat voortvloeien, Exod. 30:23, 25, zo doet ook de Geest Gods in diegenen, waar Hij in woont, Hoogl. 1: 3; 4:10; 2 Kor. 2: 14.

2. Gelijk als olie een glans op het aangezicht stelt en het doet blinken, Ps. 104:15; zo is het met de heilige zalving des Geestes; welke een geestelijken luister stelt op het hart, leven en gelaat van een Christen. Gemeenschap met God door de Geest, maakt dat het aangezicht glinstert, gelijk als het aangezicht van Mozes toen hij met God sprak, Exod. 34:29; 2 Kor. 3: 9, 18.

3. Gelijk als olie, buigzaam doet zijn, verzacht en geneest, Jes. 1: 6, Luk. 10: 34, zo vermurwt ook de Geest Gods het hart, dat hard en spierachtig is, en geneest de gekwetste consciëntie door het aanwenden van het bloed Christus.

4. Gelijk als olie verkwikt het lichaam en maakt dat de leden vlug en vaardig zijn; zo doet ook de Geest, die de ziel verkwikt, en doet het levendig Zijn, dat het vlug en vaardig wordt in het werk des Heeren.

5. Gelijk als olie de maag zuivert van het kwaad, waarmee het beledigd werd, zo zuivert ook de Geest de verdorvenheid uit het hart, door het geloof in Christus bloed, Rom. 8: 13; Hebr. 9:14.

6. Gelijk als de olie gebruikt werd bij het inhuldigen en toewijden van mannen tot het koninklijk, priesterlijk en profetisch ambt, zo door de Geest Gods (zalvende de uitverkorenen, en hen doende in gemeenschap met Christus komen), worden ze ook priesters gemaakt, om geestelijke. offeranden op te offeren, Gode aannemelijk door Christus; profeten, aan wie de geheimen des Heeren geopenbaard zijn; koningen, om over zonde en satan te regeren en de volkeren der wereld te overwinnen. 1 Petr. 2 :5 ; Ps. 25: 14; Matth. 13:11; Ps. 105: 15; Openb. 1:5, 6; 2:26; 3:32, 1 Kor. 6: 2.

God heeft. Christus gezalfd boven zijn medegenoten. Leert hieruit: Dat Christus (in onze plaats en voor ons ten goede) de zalving des Heilige Geestes ontvangen heeft, zonder mate, Joh. 3: 34. En boven al zijn medegenoten en bondgenoten in het verdrag.

De koningen, priesters en profeten onder de Joden, die gezalfd werden, 1 Sam. 10: 1; Exod. 29: 7, 1 Kon. 16 zijn, in hun zalving maar voorbeelden Christus geweest, die de grote Koning, Priester en Profeet is van zijn kerk, gezalfd boven hen allen; ja boven al de profeten, apostelen, evangelisten, leraars en gelovigen onder de bediening des Nieuwen Testaments, (welke nochtans veel geestelijker en heerlijker is geweest als die van het oude), 2 Kor. 8: 11. En daarom met nadruk wordt Hij genoemd: de Gezalfde des Heeren, Joh. 12: 15, Luk. 1:32, 33. Hand. 3: 22, 23. Christus heeft de genade zonder mate ontvangen.

1. De genade wordt in Hem gevonden als in zijn eigen onderwerp, gelijk het licht is in de zon: de mensheid Christus is de vertrek of schuilplaats der genade.

2. In Christus is er allerlei soort van genade en in Hem is het in zijn hoogste en uiterste graad.

3. Hij heeft de macht en bekwaamheid om ons de genade deelachtig te maken.

De redenen waarom dat Christus de zalving des Geestes ontvangen heeft, zijn:

1. Opdat Hij de bekwaamheid mocht hebben omdat werk en ambt te kunnen handhaven, waartoe Hem God geroepen heeft; voornamelijk dat van zijn koninkrijk, in waarheid en gerechtigheid. God heeft Hem met zijn Geest vervuld, opdat Hij het recht de heidenen zou voortbrengen; ja het oordeel uitbrengen tot overwinning, Jes. 42: 1-7; 49: 1-3; Matth. 12:20, De Heere heeft Hem gezalfd, om een blijde boodschap te brengen de zachtmoedigen, enz. Jes. 61:1-3. En dan nog:

2. Opdat uit Hem, als een Persoon, de Heilige Geest, met zijn gaven, aan ons mocht meegedeeld worden. Hij heeft gaven genomen om uit te delen onder de mensen; ja ook de wederhorigen, om bij Hem, de Heere God, te wonen, of (volgens de Engelse overzetting) omdat de Heere God bij hen zou wonen, Ps. 68: 19, Ef. 4:8. Uit zijn volheid hebben wij allen ontvangen, ook genade voor genade, Joh. 1: 16. De eerste mens Adam is geworden tot een levende ziel, de laatste Adam tot een levendmakende Geest, 1 Kor. 15: 45. Gelijk de maag de spijs verteert, de lever bloed veroorzaakt, en het hoofd de zetel is van de zinnen en geesten voor het gehele lichaam, zo is Christus ook een geestelijke nadenking: Voor ons heeft Hij zichzelf geheiligd, Joh. 17: 19.

1. Het geeft ons te kennen, dat Christus als mens de voorrang heeft, Kol. 1: 18, Hebr. 2:8. Zijn menselijke natuur zijnde met de Geest Gods vervuld, ja opgesteigerd tot een zelfstandige vereniging met de Godheid; en daarom, hoewel de gelovigen een hoge geestelijke vereniging met God hebben door Christus, echter is het zo hoog niet als Christus met God heeft. Niet alleen is de wezenlijke, maar ook de persoonlijke vereniging van een hoger natuur en aard als die verborgen vereniging die daar is tussen Christus en zijn kerk.

2. Laat ons de genade en Wijsheid van onzen Vader in hoogachting hebben, die deze gemeenzame weg uitgevonden heeft; een weg en middel overeenkomstig onze bekwaamheden; te weten: dat door de menselijke natuur van Christus, onze oudsten broeder, zijnde ook vlees van ons vlees, en been van ons been, Ef. 5: 30, de genade en heerlijkheid aan ons mocht worden uitgedeeld. Door Christus onze gezalfden Zaligmaker komt de Heilige Geest op ons. Door het bloed van Jezus hebben wij vrijmoedigheid om in te gaan in het heiligdom, op een verse en levende weg, welke Hij ons ingewijd heeft door het voorhangsel, dat is, door zijn vlees, Hebr. 10: 19, 20. In de man Christus Jezus is er een schatkamer en volheid van genade en heerlijkheid voor ons; Hij is de Heere, Opperbewaarder van al onze deugden, de hoge Schatmeester van al onze geestelijke rijkdommen. Door de val van de eerste Adam hebben wij ons oude kapitaal verloren, en God wil ons niet meer vertrouwen, opdat wij Hem niet begeven; maar heeft een nieuw kapitaal van genade en eer in de handen van Christus gesteld, die een wezen lijk deugdzaam en welgesteld Persoon is; in dewelke al de schatten der wijsheid en der kennis verborgen zijn, Kol. 2:3.

3. Nadert gedurig tot Christusdoor het geloof en tot God door Hem; in wie daar is de volheid des Geestes, uitgebeeld in de zalving des Hogepriesters, op wiens hoofd de kostelijke olie werd uitgegoten, nederdalende op de baard, zelfs tot op de zoom zijner klederen, Ps. 133: 2. Aldus gaat het met de geestelijke zalving, welke Christus, als ons Hoofd, voor ons ontvangen heeft. Hij is de Fontein der blijdschap, die zijn springaderen laat voortvloeien om onze dorre harten te verversen, Hoogl. 4: 15, Joh. 4: 14, 7: 37. Binnen Hem "zijn al onze fonteinen, Ps. 87: 7. Gebruikt Hem daarom (o mijn ziel), ontbreekt u de gerechtigheid, wijsheid, sterkte, vrede, blijdschap? gaat tot Hem, die met vreugdeolie gezalfd is boven zijn medegenoten. Deze hemelse Eliza giet zijn olie niet uit als in ledige vaten, 2 Kon. 4:4. Gij bent zo leeg niet als Hij vol is. O, trekt uit deze volheid; zuigt de melk uit, welke in deze geestelijke borsten is, Jes. 66: 11. Gij hebt geen reden over Hem te klagen, geeft Hem toch geen reden over uw traagheid te klagen: Gij wilt tot Mij niet komen, opdat gij het leven mag hebben, Joh. 5:40. Laat ons Christus niet benemen de roem en glorie zijner volheid, door het vergroten en verheffen van onze zonden en rampzaligheid, boven de volheid zijner genade en barmhartigheid; daar de zonde vermeerdert, is de genade veel meer overvloedig. Rom. 5: 20.

4. Heeft Christus een volheid der genade? tracht Hem dan gelijkvormig te worden en toe te nemen in alle geestelijke vruchten; voornamelijk in de liefde, ootmoedigheid en zachtmoedigheid; leert van Hem, dat Hij is zachtmoedig en nederig van hart, Matth. 11: 29. Toen Hij vervuld was met de gedachten van eigen heerlijkheid en verheffing, heeft Hij de voeten zijner discipelen gewassen, gevend ons daardoor een voorbeeld, Joh. 13: 15. Och of daar meer van deze geest was! de gaven en wetenschap vermeerderd; maar helaas! de liefde verslapt: De liefde van velen werd verkoud, Matth. 24: 21. ‘t Is waar, het betaamt ons begerig te zijn naar gaven, opdat wij elkaar mogen stichten; maar de liefde is nog een uitnemender weg, 1 Kor. 12: 31; 13: 13. De kennis maakt opgeblazen, maar de liefde sticht, 1 Kor. 8:1. Och of wij met de geest der liefde werden vervuld, Ef. 5: 18. En daarin geworteld en gegrond, opdat men te beter zou kunnen ten volle begrijpen de liefde Christus, die de kennis te boven gaat, en vervuld worden tot al de volheid Gods, Ef. 3: 17-19. Laat diegenen die geestelijke zalving ontvangen hebben, dezelve gewillig meedelen en besteden tot eer van Christus; dit is de weg of het middel om hun voorraad te vermeerderen; gelijk als in het tijdelijke, Pred. 11: 13, zo ook in het geestelijke en zoals ook geschied is in de gelijkenis; diegenen die hun talenten op de voordeligste wijze hebben aangelegd, hebben ook de meeste ontvangen, Matth. 25: 28. De allervlugste meedelende Christenen zijn ook de alleraannemelijkste aanwassende Christenen: God deelt hun overvloedig mee, die anderen ook overvloedig meedelen. Behoed u dan o ziel dat u deze olie in uw lamp niet, mag ontbreken; Christus zal niemand willen erkennen, als diegenen die zijn gezalfden zijn. Zo iemand de Geest Christus niet heeft, die komt Hem niet toe, Rom. 8: 9. 1

Maar aangezien Christus zulk een overvloed des Geestes bezit, hoe komt het dat wij zo dor en leeg zijn?