Trappen van het
geestelijke leven
Ds. Th. á Brakel
Inhoudsopgave
Hoofdstuk I. Van de begeerte om met
iemand te spreken van de rechte praktijk der Godzaligheid
Hoofdstuk II. Waarin bijzonder de
rechte gelukzaligheid en troost van het geweten gelegen is
Hoofdstuk IV. Van de kinderen in
Christus
Hoofdstuk V. Van de jongelingen in
Christus
Hoofdstuk VI. Van de vaders in
Christus
Hoofdstuk X. Vertroosting in de
vermindering van 't gevoelen der gemeenschap Gods en Christus
Hoofdstuk XI. Waaruit iemand weten
kan of hem de zalige gemeenschap met God en Christus eigen is
Hoofdstuk XII. Van de middelen om
In de gemeenschap Gods en Christus overvloediger te worden
Hoofdstuk XIII. Van het heiligen
van de Sabbat
Hoofdstuk XIV. Hoe elk huisgezin
zich met elkaar zal oefenen
Tweede deel. Spreken van hetzelfde uit eigen bevinding
De eerste trap. Van het kindschap in Christus
Hoofdstuk I. Van de tijd der
oefening
Hoofdstuk II. Van de oefening zelf
Hoofdstuk III. Van de staat der
ziel, en eerst van de inwendige vertroosting
De tweede trap. Van de jongelingschap in Christus
Hoofdstuk I. Van de tijd der
oefening
Hoofdstuk II. Van de tijden der
oefening 's morgens en 's nachts
Hoofdstuk III. Van de tijd der
oefening 's middags
Hoofdstuk IV. Van de tijd der
oefening 's avonds
Hoofdstuk V. Van de oefening zelf
als jongeling, en eerst van de morgenoefening
Hoofdstuk VI. Van de oefening des
middags
Hoofdstuk VII. Van de oefening des
avonds
Hoofdstuk IX. Van de aanvechtingen
en strijden
De derde trap. Begrijpende de vader in Christus
Hoofdstuk II. Van de tijden der
oefening, en bijzonder van de tijd 's nachts
Hoofdstuk III. Van de tijd der
oefening 's morgens
Hoofdstuk IV. Van de tijd der
oefening des middags
Hoofdstuk V. Van de tijd des avonds
om de oefening te doen
Hoofdstuk VII. Van de manier om God
te verheerlijken
Hoofdstuk VIII. Van zich te
verheugen in God
Hoofdstuk IX. Van zich te vermaken
in God
Hoofdstuk X. Van de oefening 's
morgens
Hoofdstuk XI. Van de oefening des
middags
Hoofdstuk XII. Van de oefening des
avonds
Hoofdstuk XIII. Handelende over de
gesteldheid des gemoeds
Hoofdstuk XIV. Handelende over de
zónderlinge genade, die God mij heeft bewezen
Hoofdstuk XV. Van de droefheid waar
enige troost op volgde
Hoofdstuk XVII. Waarmee men zich
bijzonder ophelpt, en troost in de droefheid over de zwakheden
Hoofdstuk XIX. Van de droefheid
over de verlating van God, en hoe God dan vertroostte en ophielp
Hoofdstuk XXI. Van dat ik soms zulk
een zoetheid niet kon hebben in mijn God te verheerlijken
Hoofdstuk XXIII. Van de strijden
als vader in Christus
Hoofdstuk XXIV. Middelen tegen de
boze gedachten
Hoofdstuk XXV. Van de vrucht uit
het H. Avondmaal des Heeren
Dit Traktaat van de Trappen des Geestelijken Levens,
gemaakt door de Eerwaarden Godzaligen Ds. Theodorus á Brakel, is bij ons
ondergetekenden, op last en orde der Classis van Bolsward, overgezien en
doorgelezen, en hebben hetzelve goedgekeurd als overeenkomstig het Woord Gods
en de leer der waarheid, die naar de godzaligheid is.
MELLIUS AEGIDIUS,
Predikant te
Molquerum.
LAMBERTUS PERSYN,
Predikant te
Hindelopen.
Gedaan de 14de Maart 1670.
Wij geven u hier het lang verwachte Traktaat van de
Trappen des Geestelijken Levens van Ds. Th. á. Brakel, mijn waarde vader,
(zaliger nagedachtenis aan zijn bevel op zijn doodbed) en volgens mijn beloften
daarop aan hem gedaan: van welke wij deze weinige dingen u vooraf hebben willen
doen weten:
Dat de schrijver hier in dit Traktaat niemand een
regel wil voorstellen, waarnaar een ieder juist zijn doen en laten zou moeten
schikken, maar een voorbeeld tot vertroosting en opwekking, met bijgevoegde
beweegredenen en middelen, gelijk op vele plaatsen wordt aangewezen.
En daarom, wanneer de schrijver soms spreekt van
enige uren in de godsdienst te besteden, zo moet niemand er door neergeslagen
worden, omdat hij daar zoveel tijd niet toe besteden kan. De schrijver zegt ook
op andere plaatsen: God heeft ons aan geen tijd gebonden, hoe lang of hoe kort,
en leert daar, dat elk moet letten op zijn roeping, op zijn gaven en
bekwaamheden der ziel, op de bekwaamheid des lichaams en op zijn verlicht
geweten; doch dat er geen traagheid schuile.
Wanneer iemand hierin ook leest, hoe een godzalige
soms kan verlicht en vertroost worden, zo moet hij daardoor niet droevig of
moedeloos worden, omdat hij dat niet zo in zich bevindt, maar die leze daarbij
hoe een godzalige wel lang in bedwelmheden, aanvechtingen en verlatingen zijn
kan, en bijzonder blz. 8 enz. alwaar aangetoond wordt, dat alle kinderen Gods
niet tot gelijke hoge trap komen, en op de laagste trap tevreden en vrolijk
kunnen en mogen zijn, hoewel verlangende naar aanwas, en dat een kind Gods niet
altijd in die vertroostingen blijft.
Zo ook als de schrijver het bereiden van spijzen
enz., op de Sabbat, tegenspreekt, dan verstaat hij daardoor het onnodig
bereiden van spijzen enz., gelijk bij zichzelf verklaard wordt.
De lezer zullen ook hier en daar hooggaande manieren
van spreken tegenkomen, gelijk ook wel in de Heilige Schrift, die niet zijn
naar de letter, maar gelijk figuurlijke manieren van spreken naar de zin
verstaan moeten worden, en alzo drukken ze zeer krachtig uit de heftige
beweging des gemoeds van een vertrooste, verlichte, of ook bedroefde ziel.
Als de schrijver spreekt van
fundamenteler en hoger genade, van wederom te rechtvaardigen en dergelijke
manieren van spreken, zo zal de bescheiden lezer gemakkelijk kunnen vatten, dat
hij daardoor verstaat verscheidene trappen der genade en het gevoel der
rechtvaardigmaking, gelijk de schrijver op andere plaatsen zich genoegzaam
verklaart.
Zo er hier of daar iets bedenkelijks mocht
voorkomen, zo zal de lezer de verklaringen van de schrijver zelf kunnen vinden,
indien hij het gehele Traktaat maar met aandacht leest.
En zo iemand hier of daarin de stijl iets opmerkt,
hij wete dat het voor een groot gedeelte maar een ruw ontwerp is, en dat. de
laatste hand van de schrijver nog niet aan 't gehele werk gelegd was, daarom
had de schrijver hier en daar op de kant voor herinnering aangetekend wat hij
veranderen, wat hij verplaatsen wilde, dat echter door de tussenkomende dood
onveranderd gebleven is, en desniettegenstaande heeft de schrijver gewild, dat
het gedrukt zou worden, en heeft alzo getoond, dat hij niet zijn eer, maar de stichting
der godzaligen beoogde.
Wij hadden ons voorgenomen in de derde druk iets bij
het eerste deel te voegen, doch een ontwerp van de zaken slechts makende,
bevonden wij dat het te groot zou zijn voor een bijvoegsel, waarom wij van
voornemen zijn veranderd. Alleen hebben wij het afsterven van de schrijver er
bijgevoegd en achteraan geplaatst. Gebruikt het tot uw nut, waartoe hij het u
geeft.
UEd. Dienstw. in Christus,
W. á Brakel, Th. F.
ZOON. Vader, ik ben dikwijls
begerig geweest om van de rechte praktijk der Godzaligheid, en van de gestalte
van een gelovige ziel, die God recht dient, te spreken, en bijzonder met zulk
een, die van de jeugd af zich in de godzaligheid geoefend heeft, en nu gekomen
is tot een goed aantal jaren, en alzo door lang ervaring veel daarin heeft
ondervonden; want ik dacht met Elihu: laat de dagen spreken, en de veelheid der
jaren wijsheid te kennen geven, Job 32: 7, en aan de woorden van de wijzen
koning Salomo: de grijsheid is een sierlijke kroon, hij wordt op de weg der
gerechtigheid gevonden. Spr. 16: 31. Ik heb van Socrates gelezen, dat hij zei:
men moet de oude lieden hoogachten, en naarstig letten op hun doen in de weg
waarin zij ons zijn voorgegaan, en wij moeten hen navolgen. Omdat uw jaren
beginnen toe te nemen, en de ouderdom en de grijsheid daar is, en gij van uw
jeugd af u benaarstigd hebt om God te dienen, zo wilde ik graag met u daar eens
van spreken, of het mij tot enig nut, stichting, en vertroosting mocht dienen.
VADER. Zoon, vraag mij vrij, ik
zal u graag onderwijzen, naar de mate der gaven mij van de Heere meegedeeld,
dat het tot Gods eer en enige stichting mocht strekken.
ZOON. Wel vader, de zaken, waar ik
graag met u van spreken wilde, zijn deze:
1. Eerstelijk. Waarin de rechte gelukzaligheid en
godzaligheid bestaat: hoe ik het best recht godzalig leven kan met een gerust
geweten, en met vreugde voor God wandelen.
2. Ten andere. Hoe ik daarin het best kan toenemen
en aanwassen; want ik bevind, dat ik daar weinig in kan toenemen.
3. Ten derde. Hoe zulk een godsdienstige ziel
gesteld is, omdat ik dikwijls vele en grote veranderingen in mij bevind,
waarover ik dikwijls zeer verslagen ben, en twijfel of ik wel een recht
gelovige ben.
VADER. Zoon, wat uw eerste vraag
betreft: waarin de rechte gelukzaligheid bestaat, en hoe dat gij recht godzalig
mag leven, en met een gerust geweten en vreugde God dienen? Zo weet 't zoon,
dat, of men daar al veel van zegt en schrijft, dat het maar vermoeiing des
geestes zo in het maken als in het lezen is, Pred. 12: 12.
't Is alles hierin gelegen: dat wij gemeenschap
hebben met God en Jezus Christus. Dit begeerde onze Heere Jezus Christus voor
de zijn, Joh. 17: 21, dat ook zij in ons een zijn. Hier besluit de apostel
Johannes het alles, 1 Joh. 1: 3, alwaar hij, verhalende het einde van zijn
schrijven en prediken, zei: opdat ook gij met ons gemeenschap zoudt hebben, en
onze gemeenschap ook zij met de Vader, en met zijn Zoon Jezus Christus, dat is
de hoogste gelukzaligheid. Daar deze gemeenschap voorgewend, gevoeld of geloofd
werd, daaruit vloeit dan voort de ware godzaligheid, de oefening van die
gemeenschap, de oprechte liefde, de hartelijke begeerte, en dat ongeveinsd
trachten naar nog klaarder en meer vereniging, naar meer herstelling van dat
beeld Gods, en gelijkheid met Hem in kennis, gerechtigheid en heiligheid, en
naar meer bekwaamheid om die heerlijke en algenoegzame God te verheerlijken.
Dit toont dezelfde apostel in hetzelfde hoofdstuk vers 6 en 7 zeggende: indien
wij zeggen dat wij gemeenschap met Hem hebben, en wij in de duisternis
wandelen, zo liegen wij en doen de waarheid niet, maar indien wij in het licht
wandelen, gelijk Hij in het licht is, zo hebben wij gemeenschap met elkaar.
Tracht dan naar gemeenschap met God en Christus, dan zal de oprechte
godzaligheid, de vrede des gewetens, en de vreugde des gemoeds volgen.
ZOON. Vader, terwijl dit alles in
de gemeenschap met God en Christus gelegen is, en alles daaruit vloeit, zo ben
ik begerig, dat die gemeenschap mij wat breder verklaard wordt.
VADER. Zoon, de gemeenschap met
God kan drievoudig gesteld worden: voor de val, na de val in de staat van
genade, en hierna in 't eeuwige leven.
Eerst voor de val. Toen God de mens eerst geschapen
had, had de mens gemeenschap met zijn God, want behalve dat Gods beeld in hem
lichtte, werd hem meegedeeld de genoegzaamheid van God de Vader, en de Zoon, en
de heilige geest; en de stralen van het onbegrijpelijk licht, vreugde en
heerlijkheid lichtten over hem, en daar was een zoete en liefelijke
gemeenzaamheid tussen God en de mens, en God ging gemeenzaam met hem om als Hij
zei: mijn vermakingen zijn met der mensenkinderen, Spreuk. 8: 31, maar zodra de
mens gezondigd had, heeft hij die gemeenschap met God verloren: want de zonden
scheiden de mens en God van elkaar. Jes. 59: 1, welke vervreemding hij terstond
in zichzelf gewaar werd; want zijn verstand verduisterde in de kennis Gods en
zijner weldaden, alle afdelingen van de ziel waren verdraaid en verkeerd, zijn
eigen geweten beschuldigde hem, de zoete, gevoelende gemeenschap met God was
weg, haar heerlijkheid was veranderd in ellende, de mens was vervreemd en
gescheiden van God, en God mocht hem rechtvaardig in die ellendige staat
verlaten hebben.
Ten tweede: in de staat der genade. Zo heeft God
zich ontfermd over de zijn, en enkel uit liefde en barmhartigheid naar zijn
eeuwige wijsheid zijn enige Zoon verordineerd, i Pet. i, welke de mens wederom
verzoenen en met God verenigen zou, Ef. 1: 10, en heeft zulks aan onze
voorouders Adam en Eva beloofd, en doorgaans door de profeten voorzegd, totdat
de volheid des tijd kwam, toen heeft God zijn Zoon gezonden, geworden uit een
vrouw, geworden onder de wet, opdat Hij diegenen die onder de wet waren
verlossen zou, Gal. 4: 4, 5. Deze heeft door zijn diepe vernedering aan lichaam
en ziel, onze zonden en straffen, die wij verdiend hadden, weggenomen, Jes. 53,
en Gods gerechtigheid voldaan, 1 Kor. 5: 2 1, en de mens alzo wederom in de
gemeenschap met God gebracht. Jezus Christus, die Eén is met de Vader, Joh. 10:
30, is de grond van onze vereniging met God. Welke vereniging en gemeenschap de
kinderen Gods deelachtig worden, uitwendig door het Woord Jak. 1: 18, en
inwendig door zijn Geest, 1 Joh. 4: 24. En aan onze zijde, door het geloof,
waardoor wij Christus aannemen en alzo met Hem verenigd worden; want door het
geloof woont Christus in onze harten, Ef. 2: 17. Gal. 2: 20, en door Hem
krijgen wij wederom gemeenschap met God, 1 Pet. 1: 21, doch deze gemeenschap is
in dit leven nooit volkomen, 1 Kor. 13: 9, 12.
Ten derde: zullen wij gemeenschap in de hemel hebben
met God: dan zal deze onze gemeenschap volkomen zijn. Want als 't volmaakte zal
gekomen zijn, dan zal hetgeen dat ten dele is teniet gedaan worden, 1 Kor. 13:
10, en wij zullen zien van aangezicht tot aangezicht, en dan zullen wij kennen
gelijk wij gekend zijn, 1 Kor. 13: 12, en zullen veranderd worden van heerlijkheid
tot heerlijkheid, 2 Kor. 3: 18, van welke gemeenschap gezegd wordt: Openb. 21:
14. Ziet, de tabernakel Gods is bij de mensen, en hij zal bij hen wonen, en zij
zullen. zijn volk zijn, en God zelf zal bij hen wonen, en hun God zijn,
tenslotte, dan zal God alles zijn in allen, 1 Kor. 15: 28.
Als ik nu zeg, dat alle vreugde en ware
gelukzaligheid gelegen is, in met God en de Heere Jezus Christus gemeenschap,
te hebben, zo spreek ik van die gemeenschap, die de gelovigen hier op aarde in
de staat der genade genieten. Welke niet is een lichamelijke gemeenschap, maar
een geestelijke. En daarin is gelegen, dat wij weten dat God ons bij name kent,
en wij genade gevonden hebben in zijn ogen, als God de Heere tot Mozes zei,
Exod. 33: 12, dat Hij ons liefgehad heeft van alle eeuwigheid, Ef. 1: 4, ons
verlost heeft door zijn enige Zoon, Rom. 8: 32, dat hij ons deelachtig gemaakt
heeft zijn liefde en goedheid, 2 Thess. 1: 11 gerechtvaardigd van onze zonden,
Rom. 8: 32, ons bewaard en liefhebben zal tot in alle eeuwigheid, dat wij deze
zijn gemeenschap vertrouwen door het geloof, gevoelen in onze harten, Rom. 5:
5, Rom. 8: 16. En dat wij hem kennen, en zien met een geestelijk gezicht, met
de ogen der zielen, hem omhelzen door het geloof en de liefde, hem gevoelen door
een innerlijke genade, en vergenoeging, vreugde en gerustheid, en zijn liefde
smaken en alzo in hem leven en in hem wandelen. Ziet daarin, zeg ik, is alle
vreugde en gelukzaligheid gelegen: de ziel zo met God en Christus verenigd
zijnde, en gemeenschap hebbende door een verborgen vereniging, wordt te
geestelijker, omdat zij met God, die een volmaakte Geest is, verenigd is, en
zijn volheid en genoegzaamheid in haar vloeit, zodat zij met smeer en
vettigheid verzadigd wordt, Ps. 36: 6, en hoe de ziel deze gemeenschap en
vereniging meer geniet, hoe zij al hoger wordt opgetogen in dezelfde
gemeenschap, en nog al meer wil genieten; en dikwijls met een zonderlinge
geestelijke vreugde en gerustheid overgoten wordt in God, in Christus en zijn
liefde en genade, dat zij roemt als met vrolijk zingende lippen, Ps. 63: 6. En
die ziel wil niet als God en Christus lief hebben, en gehoorzamen. En kan noch
wil niet zondigen naar de vernieuwden geest, 1 Joh. 3: 9, daarin bestaat de
rechte gelukzaligheid.
ZOON. Vader, ik versta nu wel,
dat het is een heerlijke zaak met God en de Heere Jezus gemeenschap te hebben.
Maar ik gevoel dezelve niet, en ik weet niet of ik die ooit recht heb genoten,
en als ik al wat mocht genoten hebben, dit is zo duister, dat ik niet weet of
het wel de rechte gemeenschap met God is, want zij verandert in mij zeer
spoedig en verduistert wederom; zodat het is of ik bijna niet weet wat het is
gemeenschap te hebben met God en Christus.
VADER. Zoon, om u hierop te
antwoorden, zo weet, vooreerst dat alle gelovigen niet komen tot een gelijke
mate der wedergeboorte, en gaven der genade, om hemelse verborgenheden te
begrijpen, maar elk wordt genade gegeven naar de mate der gave van Christus,
Ef. 4: 7. En alle gelovigen ontvangen geen vijf talenten, Matth. 25. En alle
akkers dragen geen honderdvoudige vruchten, al is 't ook goede aarde, maar
sommigen ook zestig en dertigvoud, Matth. 13. Gelijk alle takken aan een boom
niet evenveel vruchten, noch alle ranken aan de wijnstok niet evenveel druiven
voortbrengen, al hebben zij alle haar vochtigheid uit de wortel, zo is het ook
in het geestelijke, alle gelovigen zijn geen vaders in 't geloof als Abraham,
Rom. 4, daar zijn ook lammeren onder de kudde van Christus, Jes. 40: 11, zwakke
schapen, Ezech. 34, kinderen die melk nodig hebben Hebr. 5, en die zwak zijn in
't geloof, Rom. 14.
En alle gelovigen worden ook niet even veel hemelse
verborgenheden getoond, gelijk alle discipelen van Christus niet getoond werd
Christus' heerlijkheid, 't waren alleen drie uit hen, te weten Petrus, jakobus
en Johannes. Luk. 9. Paulus alleen was opgenomen in de derde hemel, en hoorde
onuitsprekelijke woorden.
Alzo wordt de een gelovige meer gaven gegeven als de
ander, en de een groter geloof als een ander, en de een worden meer hemelse
verborgenheden getoond als een ander, en zijn nochtans alle kinderen Gods.
Sommige gelovigen kennen God en Christus en geheel
duister ook de hemelse verborgenheden en zien hem als van ver, omdat zij aan
haar ziel niet zo zijn verlicht, daarom bad Paulus voor die van Efeze, dat God
hun wilde geven de Geest der wijsheid, en der openbaring in zijn kennis
verlichtende de ogen huns verstands, Ef. 1: 17, 18, en hoofdst. 3: 18, opdat
zij ten volle kunnen begrijpen met alle heiligen.
Daar zijn wederom andere gelovigen, die hebben wat
klaarder en meer verlichting als de voorgaande, dat zij als met ongedekt
aangezicht de heerlijkheid des Heeren als in een spiegel aanschouwen. 2 Kor. 3:
18, waarom ook Paulus de gelovigen onderscheidt, Fil. 3: 15 zeggende van
sommigen. Zoveel dan als wij volmaakt zijn, en vers 16, doch waar wij toe
gekomen zijn, laat ons daarin naar dezelve regel wandelen, welke volmaaktheid
niet is, ten aanzien van Gods wet dat zij daartoe gekomen waren, maar in
tegenstelling van andere gelovigen, die nog zo ver in de volmaaktheid niet
gekomen waren.
Wederom zijn daar enige gelovigen, die nog al hoger
in genade en wedergeboorte komen, en de hemelse verborgenheden begrijpen, die
als met Johannes liggen in de schoot van Jezus, en met het hoofd als op de
borst van Jezus, deze werden ver boven de voorgaande hemelse verborgenheden
getoond, en zien met Mozes en Aäron, en de 70 Oversten van Israël de God
Israëls klaarder in heerlijkheid, Exod. 24: 10.
En gij, mijn zoon, moet wel trachten om toe te nemen
in genade, maar evenwel tevreden zijn met die gaven die God u belieft mee te
delen; want het is al dezelfde Geest, die in het geloof werkt, delende nochtans
een ieder, gelijk Hij wil, 1 Kor. 12, alzo dat zij nochtans ijveren naar de
beste gaven. 1 Kor. 12: 31. En verslaat u ook niet al te zeer, als God u in
zulke hoge verborgenheden niet gelieft op te trekken als wel andere: als de
Heere u een van zijn gelovigen belieft te maken, en als een lammetje van zijn
kudde u met melk voedt, was dat dan nog niet wel, als gij evenwel een van zijn
kinderen was, en u in al uw zwakheden nog in zijn armen droeg, en u hiernamaals
bij hem opnam in 't eeuwig leven? Daarom versterk uw hart met de genade, Hebr.
13, en hoop volmaakt op die genade die u toegebracht wordt, 1 Pet. 1: 13.
Ten andere, zo dient tot uw troost ook, dat een
gelovig kind Gods, zodra hij wedergeboren wordt, niet terstond komt tot de
hoogste trap der wedergeboorte en genade: gelijk een kind, zodra het geboren is
terstond niet groot is, maar wast allengs, alzo is het ook met de tweede
geboorte: de hemelse genaden wassen allengs aan: gelijk de wateren die de
profeet Ezechiël zag vloeien van onder de dorpel van 't huis des Heeren, die
eerst waren tot aan zijn enkel, daarna aan zijn knieën, vervolgens aan zijn
lenden, daarna kon hij daar niet doorgaan, want de wateren waren hoge wateren
waardoor men zwemmen moest, Hfdst. 47. Alzo gaat het doorgaans met de wateren
des heilige geestes in onze wedergeboorte. En gelijk het koren dat gezaaid is
opschiet als kruid, daarna de aren, daarna het volle koren in de aren, Matth.
4: 22 alzo wassen de gelovigen in de kennis Gods, Kol. 1: 10, in de liefde, Ef.
4: 15, en alle genade tot volmaking des Heiligen, totdat zij komen tot een
volkomen man, tot de mate der grootheid en volheid van Christus, Ef. 4: 12, 13.
En dat geeft Johannes te kennen als hij spreekt van kinderen, jongelingen en
vaders. 1 Joh. 2, niet alleen van jaren en ouderdom onder de gelovigen, maar
bijzonder ten aanzien van de aanwas der genade, en wedergeboorte gelijk dat
klaar is uit de woorden zelf; want hij stelt onderscheid van genade, als hij
zegt van de kinderen: gij hebt de Vader gekend, te weten van onze Heere Jezus
Christus, en dat Hij is onze Vader om zijnentwil geworden, Joh. 20: 17, welke
wel is een zaligmakende kennis, maar niet in de hoogste graad. En van de
jongelingen: gij bent sterk te weten in 't geloof, hetwelk wel zijn kan in een
gelovig kind Gods, al is hij niet tot de hoogste graad van genade gekomen. En
van de vaders zegt hij: gij hebt Hem gekend, die van de beginne is: en alzo
stelt hij de vaders in een hogen graad van kennis en genade; een jong kind
heeft de sterkte en 't begrip niet van de VADER.
Een boom eerst nieuw geplant heeft de wortelen zo diep niet geschoten als een
die lang gestaan heeft.
Zo moet gij dan, mijn zoon, u niet al te zeer
bedroeven, dat gij terstond niet kunt komen tot de hoogste trap van hemelse
genade, maar gij moet denken, zij wast allengs aan, en zo zal ze ook in u
aanwassen, zoveel als God wil tot zijn eer en tot uw zaligheid, en zo moet gij
eerst een kind, daarna een jongeling wezen, en eindelijk een vader worden. En
al wordt gij nooit een vader in de aanwas der genade, maar bleef een kind of
jongeling, (want alle gelovigen worden niet zo hoog in de genade opgetogen dat
zij vaders in Christus worden) zo was het nog wel, als gij een kind Gods was,
al beliefde het God niet u zover te brengen als wel sommige gelovigen.
Doch daar moet niet wezen een geestelijke
ernsteloosheid en luiheid, omdat middel ijverig te betrachten om toe te nemen;
want die niet zoekt toe te nemen, die neemt af, want in de godzaligheid is geen
stilstaan, daarom moeten wij nalaten het beginsel der leer van Christus, en tot
de volmaaktheid voortvaren, Hebr. 6: 1 want het pad der rechtvaardigen is
gelijk een schijnend licht, voortgaande en lichtende tot de volle dag toe. Spr.
4: 18. En zo vermaant ons Paulus, 1 Thess. 4: 1: Wij bidden en vermanen u dan
in de Heere Jezus, gelijk gij van ons ontvangen hebt, hoe gij moet wandelen en
Gode behagen, dat gij daarin meer overvloedig wordt. Petrus zegt, wij moeten
als nieuw geboren kinderkens zeer begerig zijn naar de redelijke en onvervalste
melk, opdat gij door dezelve mag opwassen, 1 Petr. 2. Wast op in de genade en
kennis van onze Heere en Zaligmaker Jezus Christus, 1 Petr. 3: 18. Wie heilig
is, dat hij nog geheiligd worde. Openb. 22: 1 L
ZOON. Vader, gij hebt verhaald
uit Johannes van kinderen, jongelingen en vaders in Christus, ik wilde wel, dat
gij mij elk wat nader verklaarde, wat onderscheid er tussen hen is.
VADER. Zoon, ik zal 't graag doen,
en zal eerst wat zeggen, van de kinderen in Christus, en dan van de
jongelingen, en dan van de vaders.
Wat aangaat de kinderen in Christus: er is nog een
groot onderscheid tussen hen en de vaders en jongelingen: want vooreerst, die
zijn nog in 't verstand zo hoog niet verlicht om God, zijn werken, weldaden,
wil en rechte godzaligheid des levens te kennen, want zij hebben door gewoonte
hun zinnen nog niet geoefend, Hebr. 5: 14, alhoewel zij God kennen met een
duister gezicht, en hem als hun vader aanroepen, want Gods kinderen roepen door
de Geest Abba Vader, Rom. 8: 15. Ten tweede, zij zijn ook nog in 't begin van
de strijd der wedergeboorte, en het vlees heeft daarom nog meer kracht in haar,
en doet haar lichter struikelen als kinderen die eerst beginnen te gaan, alhoewel
zij met een oprecht hart het wel menen, en altijd in alles wel willen wandelen,
en God niet willen vertoornen, nog zondigen, en met Paulus wel zeggen met een
gewillig gemoed, Heere, wat wilt Gij dat ik doen zal. Hand. 9. Ten derde, zij
kunnen ook die hoge stukken van de Christelijke godsdienst in hun kracht zo
niet begrijpen, maar dienen God met een kinderlijke eenvoudigheid, en hebben
nog melk van node en niet vaste spijze, omdat zij nog onervaren zijn in deze
hemelse verborgenheden, Hebr. 5: 12, 13, daarom kan die hoge gemeenschap met
God en Christus en de hemelse verborgenheden nog in hen zo geen plaats hebben,
maar God voedt hen met zoete melk van inwendige genade, en ook wel met
geestelijke vreugde, waardoor zij al meer en meer zeer begerig worden naar de
redelijke en onvervalste melk van Gods Woord, om daardoor op te wassen, 1 Petr.
2: 2, en verlangen naar heilige en Goddelijke samensprekingen, en bij de vromen
te wezen, want God stort hun zulk een zoete trek in naar Hem en zijn genade,
dat zij Hem nalopen in de reuk zijner olie, Hoogl. 1: 3, 4, waardoor zij naar
hun begrip en bekwaamheid aan hun ziel gevoed worden naar Gods wijsheid, tot
zijn eer, en hun zaligheid, al hebben zij niet die hoge gemeenschap met God en
de Heere Jezus Christus.
Mijn zoon, zo gij nog een kind bent in de
wedergeboorte, zo moet gij u niet voorstellen om in u juist te bevinden, en u
te troosten met hetgeen de vaders meer eigen is als de kinderen. 't Moet u
genoeg wezen, dat de Heere u voedt met melk, dat Hij u geeft lust en zoetheid
in zijn woord, en een Goddelijke droefheid naar God, dat gij God vertoornd
hebt, en een ijverige begeerte om met God verzoend te wezen, en te hebben een
gehoorzaam hart om voor God oprecht te wandelen en Hem te gehoorzamen, en dat
gij de zonden haat en vijand bent, dat is genoeg om u te verzekeren dat gij een
kind Gods bent.
Johannes spreekt ook van jongelingen, 1 Joh. 2: 13,
te weten in Christus; dat zijn diegenen, die wat verder in de genade en wedergeboorte
toegenomen hebben als de kinderen; gelijk de jongelingen sterker zijn als de
kinderen, alhoewel zij zo hoog niet zijn gekomen in genade als de vaders.
Deze jongelingen hun kennis en begrip van Goddelijke
dingen gaan hoger als die der kinderen, want zij hebben de zinnen meer geoefend
tot onderscheiding van goed en kwaad, Hebr. 5: 14, zo van God en zijn weldaden,
als van hun schuldigen plicht. Daartoe zijn zij doorgaans sterk in 't geloof,
en geestelijke krachten, en zij kunnen meer en vaster op Gods Woord en beloften
steunen, daarom zegt Johannes van hen: gij bent sterk en het Woord Gods blijft
in u.
Zij worden ook veeltijds van God in zware en grote
strijd gesteld met de duivel, Ef. 6, Openb. 12, als met hun eigen vlees, Gal.
5: 17, en over de betrachting der godzaligheid om God te dienen, en al meer toe
te nemen, gelijkerwijs de jongelingen meest in de krijg gebruikt werden om te
vechten, alzo werden deze jongelingen in Christus doorgaans in de strijd
geoefend tegen de geestelijke vijanden, en God toont hen hoeveel zij lijden
moeten om zijns naams wil, Hand. 9, en dat de hemel met geweld moet ingenomen
worden, Matth. 11. God leidt hen dan dikwijls om in de dorre woestijn van
aanvechting en ellende, eer hij naar hun hart spreekt, Hos. 2, gelijk hij Israël
in de dorre woestijn omleidde eer hij ze in Kanaän bracht. En als God hun dan
uiteindelijk een zonderlinge genade en vertroosting geeft, dat is dan als een
teken van overwinning na veel en lang strijden, en de rust na zeer bloedige
arbeid. Alhoewel God hen ondertussen in hun strijden in dien weg naar dat
hemels Kanaän door de dorre woestijn van aanvechting, benauwdheid en verlating
voedt met hemels brood tot hun versterking, als Israël in de woestijn met het
manna en met het brood der engelen, om een groten weg met Elia te gaan, 1 Kon.
18.
Zo weet dan, mijn zoon, in de Heere, dat eer gij
komen kon tot die hoge en nauwe gemeenschap met God, dat gij eerst moet
strijden als een goed dienstknecht van Jezus Christus, 2 Tim. 2, want wij
kunnen terstond niet komen tot rust voor de arbeid, en de overwinning uitroepen
voor de strijd; ondertussen moet gij lopen in de weg des Heeren, en vergeten 't
geen achter is, en u strekken tot hetgeen voren is, en jagen naar het wit tot
de prijs der roeping Gods, die van boven is, Filip. 2: 13, want de openbaring
van hemelse dingen is niet afgescheiden van een ijverige betrachting der
godzaligheid, en zich tevreden te houden met die genade, die God geeft, totdat
u hogere dingen geopenbaard worden. Ondertussen wees zeker, dat gij een kind
Gods bent, zelfs uit de strijden dien gij onderworpen bent, want de duivel
neemt krijg aan tegen diegenen, die het Woord Gods en het getuigenis van Jezus
Christus houden, Openb. 12, en in de wedergeboorte strijdt het vlees tegen de
geest. Gal. 5: 17, en daarom vervolgt u de Satan, omdat gij uit zijn rijk bent
ontkomen, als Farao Israël, omdat zij uit Egypte waren getogen.
En hoe menigmaal heeft de Heere in uw zwakheid zijn
sterkte betoond, dat gij voelde dat zijn genade u genoeg was, 1 Kor. 12.
En daarbij is dat een gewis teken van uw kindschap,
dat gij nu en dan immers gevoeld hebt, dat Gods Geest tot uw geest getuigde,
dat gij een kind Gods was, Rom. 8: 16.
En Hij heeft u ook nu en dan wel laten gevoelen zijn
liefde. in uw hart, daarom zal uw hoop niet beschamen, Rom. 5: 5.
En hoe menigmaal hebt gij uw Zaligmaker met geloof
en liefde omhelsd, daarom hebt gij aan uw zaligheid niet te twijfelen; want God
heeft het koninkrijk beloofd dengenen, die Hem liefhebben, Jak. 2, en die grote
gelukzaligheid die het oog niet heeft gezien, en het oor niet heeft gehoord, en
in het hart des mensen niet is opgeklommen, heeft God bereid dien, etc. Hem
liefhebben, 1 Kor. 2: 9, al uw worstelen is uit liefde tot God, al gevoelt gij
liet niet. En daarbij als de Heere u dan die genade voor een tijd onthoudt, hoe
bedroefd bent gij dan? gij bent dan met de Bruid van Christus krank van liefde
en treurt, omdat de Bruidegom niet bij u is, Matth. 9.
En hoe verlangt gij dan dikwijls naar zijn genade en
tegenwoordigheid, dat gij met de Bruid van Christus wel zegt: Zet mij als een
zegel op uw hart, als een zegel op uw arm: want de liefde is sterk als de dood,
Hoogl. 8: 6, hoe verlangt en dorst dan uw ziel met David naar God, Ps. 63: 2,
dat gij wel zegt, mijn ziel dorst naar u, mijn vlees verlangt naar u, en daarom
mag gij zeker weten, dat hij u zal geven te drinken uit de Fontein van dat
levend water. Openb. 21.
En als hij dan wederom zijn gunst laat gevoelen, hoe
verblijdt gij u met Jakob, Gen. 32, want als gij Gods vriendelijk aanschijn
maar mag zien, zo bent gij vergenoegd met Azaf, Ps. 73: 25, 26, ziet zo wees
dan evenwel zeker van Gods liefde, en genade, al kunt gij ze zo hoog niet
hebben als gij graag wilde.
Maar die nu vaders in Christus geworden zijn, hun
kennis gaat hoger, gelijk Johannes van de. vaders zegt: gij hebt Hem gekend die
van de beginne is, 1 Joh. 2: 23, niet alleen in zijn onbegrijpelijke
heerlijkheid en Majesteit, maar ook in zijn eeuwig welbehagen, 't welk hij in hen
gehad heeft, dat hij hen liefgehad heeft van alle eeuwigheid, en Zich hunner
ontfermd heeft, Exod. 33. Ef. 1: 4, en in de weldaden, die zij in de tijd
ontvangen, als dat God hen door zijn Zoon verlost heeft, hun geroepen heeft
gerechtvaardigd, en hiernamaals verheerlijken zal. Rom. 8: 30, die weldaden
kennen zij beter, en zien die dieper in, wat een breedte en lengte en diepte en
hoogte, en wat een uitnemende liefde het zij, Ef. 3: 18, 19. En zij gaan
gemeenzaam met God en Christus om, zijn zeer nauw in onderlinge liefde met Hem
verenigd; zij smaken en gevoelen meer de onuitsprekelijke zoetheid die in God
is, zij hebben Christus' blijdschap meer vervuld in hen, Joh. 17: 21, als de
kinderen of jongelingen in Christus, en zijn meer volkomen in de liefde, 1 Joh.
4, en verblijden hun meer met een heerlijke en onuitsprekelijke vreugde, 1 Pet.
1, hun vlees is meer door de Geest ondergebracht als in de kinderen of
jongelingen, daarom valt het hun zon zwaar niet om God te dienen, maar zij
dienen God met gemak en vermaak, en richten dikwijls meer uit met minder
strijd, als de kinderen of jongelingen, zij zijn vaster en gestadiger, zodat
zij zo licht hen niet verslaan over enige strijd en verandering van het gemoed,
omdat zij door lang ervaring de wegen van God met zijn kinderen kennen, en zij
hebben een vaster orde des levens in God te dienen, van welke zij hen niet
licht laten afvoeren.
Nochtans moet gij niet menen, mijn zoon, dat ik wil
zeggen dat zij volmaakt zijn, och neen! de allerbeste kent maar ten dele, 1
Kor. 13 en daar is de uitwerking na, zij zijn hier niet volmaakt, zij grijpen
het hier niet, Filip. 3, maar in de hemel daar zijn alleen volmaakte
rechtvaardigen, Hebr. 12: 32, en wij zullen volmaakt wezen, als wij daar een
volkomen man in Christus geworden zijn. Ef. 4: 13.
Ook wil ik niet zeggen, dat zij altijd zo hoog in de
gemeenschap met God en Christus en zijn gevoelende genade zouden wezen; och
neen! daar komen dikwijls ook wel grote verminderingen, Mozes was altijd niet
op de berg bij God, toen God al zijn goedheid en heerlijkheid voor hem liet
voorbijgaan, en God voorbij hem ging, hem met zijn hand overdekte, en hij Gods
achterste delen zag, Exod. 33 en 34. De drie discipelen die met Christus op de
berg waren, zagen zijn heerlijkheid niet altijd, Matth. 17, en Paulus was
altijd niet opgenomen in de derde hemel, in 't paradijs Gods, en hoorde niet
altijd de onuitsprekelijke woorden, 2 Kor. 12, nog Johannes was niet altijd in
de Geest, gelijk hij was op dien dag des Heeren, toen hem Christus veel
verborgenheden toonde. Openb. 1, want wij hebben hier onze rust nog niet, maar
er blijft een rust voor het volk Gods, Hebr. 4: 9, en wij wandelen nog door
geloof, en niet door aanschouwen, 2 Kor. 5.
Ja zoon, die zon van genade kan zo in Gods kinderen
verduisteren, dat zij geheel in duisternis schijnen te zitten, dat zij geen
licht zien. Jes. 50, dat vaders wel schijnen kinderen voor een tijd geworden te
zijn, waarvan in 't volgende meer zal gehandeld worden.
ZOON. Vader, ik heb nu wel
verstaan, dat alle gelovigen niet ontvangen even grote gaven, en dat men
terstond niet komt tot de hoogste trap van genade, en dat men eerst is een kind,
en daarna een jongeling, en alzo wordt een vader in Christus, en dat sommige
gelovigen altijd wel blijven kinderen of jongelingen in Christus, en nooit
komen tot die sterkte en genade dat zij vaders in Christus werden; nu begeerde
ik wel graag te horen, hoe een gelovige ziel bijzonder die een vader is in
Christus, en nu nauw met God en de Heere Jezus Christus is verenigd en
gemeenschap heeft, gesteld is, wanneer hij daarin is opgetogen en dat gevoelt,
opdat ik daar enigszins de uitnemendheid en heerlijkheid uit zien kon, alsook
of hij die genade niet wel wederom mist, en hoe hij dan gesteld is.
VADER. Zoon, ik zal naar mijn
vermogen graag daarop antwoorden, maar gij moet weten dat dit een hoge leer is
voor diegenen, die eerst beginnen in de praktijk der godzaligheid, en dat zij
moet dienen voor diegenen, die door gewoonte de zinnen geoefend hebben, en door
de bevinding de kracht er nu en dan van smaken.
Ook zo kan de uitnemendheid en heerlijkheid van deze
gemeenschap, die de gelovige zielen als vaders in Christus uiteindelijk met God
en Christus genieten, beter gevoeld, als gezegd worden. Zo ook die diepe
verlatingen, dien zij wel mee onderworpen zijn.
Evenwel zo zal ik van elk wat zeggen.
Eerst, van die zoetheid van de gemeenschap met God
en Christus.
Ten andere, hoe zij die uiteindelijk missen.
Wat het eerste aangaat, van de troostelijke
gemeenschap met God, en de Heere Jezus Christus, zo zeg ik: dat de heerlijkheid
en uitnemendheid hier enigszins uit gezien kan worden, omdat de ziel die
verenigd is en gemeenschap heeft met God en de Heere Jezus Christus, en die
dezelve gevoelt, niet te begrijpen, veel minder uit te spreken is, want de
vrede Gods gaat alle verstand te boven, Filip. 4. En daarenboven kan de
uitnemendheid van deze gemeenschap hieruit afgeleid worden.
1. Ten eerste, omdat die ziel verenigd is met die
algenoegzame God, die Fontein des levens, het opperste goed, en de Fontein van
alle gelukzaligheid, met die God van welke Mozes zei: Niemand is er gelijk God,
o Jeschurun! die op de hemelvaart tot uw hulp, en met zijn hoogheid op de
bovenste wolken, de eeuwige God zij u een woning, en van onder eeuwige armen,
Deut. 33: 26, 27, daar ziet die ziel, die met God is verenigd, hoe gelukzalig
dat zij is, en staat als verwonderd en verbaasd: want die God is de
heerlijkheid hunner sterkte, Ps. 89. En gelukzalig is dat volk wiens God de
Heere is, Ps. 144: 15.
2. Ten andere, die ziel gevoelt dan al wat God is,
dat hij hen ten beste is, zijn genoegzaamheid, barmhartigheid,
goedertierenheid, lankmoedigheid, goedheid, almachtigheid, waarheid, welke Hij
hun deelachtig maakt, gelijk de zon zijn licht meedeelt aan alle schepselen die
onder haar gevonden worden; daarom zei God tot Abraham om hem te vertroosten:
Ik ben God, de Almachtige, Gen. 17: 1. God wil zeggen, al wat Ik ben, ben Ik
tot uw beste, alzo vertroost God hem ook, Hfdst. 15: 1. En vrees niet Abraham,
Ik ben u een schild, uw loon zeer groot; alsof God zeggen wilde, wilt gij meer,
wat hebt gij meer van node. Zulk een inspraak en vergenoeging vindt de gelovige
ziel ook in Hem, als zij met God en de Heere Jezus zoetelijk in een gevoelige
gemeenschap is verenigd, dat zij met David wel zegt: De Heere is mijn herder,
mij zal niets ontbreken, Hij doet mij neerliggen in grazige weiden, Hij voert
mij zachtjes aan zeer stille wateren, Ps. 23: 1, 2. Alzo is God die ziel alleen
een genoegzaam en volkomen vergenoeging, en buiten Hem begeren zij niet.
3. Ten derde, die ziel die zo met zijn God en
Zaligmaker is verenigd in die gevoelige en liefelijke gemeenschap, die wandelt
in zijn hart als onder de vuur‑ en wolkkolom der genadige bewaring en
bescherming Gods, gelijk Israël eertijds deed; en God is voor hen, wie zal dan
tegen haar zijn, Rom. 8: 31. Die ziel woont dan in de hoogte, de sterkten der
steenrotsen zijn haar hoog vertrek, Jes. 33: 16, en zij hebben vrede met hun
God, Job. 4: 24. En die ziel vreest dan dikwijls niet, al moest zij gaan in een
dal der schaduw des doods, want de Heere is met hen, en zijn stok en staf
troost hen, Ps.23: 4. Want de Heere zal over alle woning van de berg Zions, en
over hun vergaderingen, scheppen een wolk des daags, en een rook en glans eens
vlammenden vuurs 's nachts: want over alles wat heerlijk is, zal een
beschutting wezen, en daar zal een hut zijn tot een schaduw des daags tegen de
hitte, en tot een toevlucht, en tot een verberging tegen de vloed en tegen de
regen, Jes. 4: 5, 6.
4. Ten vierde, blijkt de heerlijkheid van deze
gemeenschap met God daaruit, dat die ziel dan zo verlicht wordt met een hemels
licht, en ziende in God zulk een onbegrijpelijke en ondoorgrondelijke
heerlijkheid, majesteit, volmaaktheid, genoegzaamheid, verwonderd staande Hem
niet genoeg weet te verheerlijken, en te prijzen, en zegt met David: de Heere
is groot en zeer te prijzen, en zijn grootheid is ondoorgrondelijk, Ps. 145: 3.
En Ps. 150: 1, Looft Hem vanwege zijn mogendheden, looft Hem naar de
menigvuldigheid zijner grootheid. En alzo vermaakt zich die ziel wonderlijk in
Gods heerlijkheid en majesteit, en weet Hem niet genoegzaam te verheerlijken.
5. Ten vijfde, blijkt ook die uitnemendheid van deze
gemeenschap met God en de Heere Jezus Christus, doordien de ziel dan dikwijls
gebracht wordt tot een hoog begrip en verwondering van Gods zonderlinge liefde
en weldaden hun bewezen, dat zij genade gevonden heeft in de ogen des Heeren,
en Hij hen bij name kent, Exod. 33: 17, hen bemint heeft van eeuwigheid, Ef. 1:
4, hen verlost heeft door zijn Zoon, zijn liefde en weldaden deelachtig gemaakt
heeft, gerechtvaardigd heeft van de zonde, bewaard heeft, en liefhebben zal tot
in eeuwigheid. Waardoor de ziel dan dikwijls de Heere wederom met een
wonderlijke liefde liefelijk omhelst, en zij weet niet hoe zij zich genoegzaam
verkleinen, en God in zijn liefde verheerlijken zal, dat God haar zo ellendig
en zondig zijnde met zulken liefde en barmhartigheid omhelst en zegt wel met
Jakob: Ik ben geringer dan al deze weldadigheid, en al deze trouw, welke gij
aan uw knecht gedaan hebt, Gen. 32: 9. En met David: Wie ben ik Heere, en wat
is mijn huis dat Gij mij tot hiertoe gebracht hebt, 2 Sam. 7: 18.
6. Ten zesde, blijkt de heerlijkheid en
uitnemendheid van deze gemeenschap met God en de Heere Jezus daarin, dat zij in
God en Christus een wonderlijke zoetheid en liefelijkheid vindt, Ps. 147: 1, en
gevoelt dat Hij zo zoet, zo lieflijk, zo vermakelijk is, dat het alle begrip te
boven gaat; de zoetheid in God gaat alle zoetheid te boven, en zij doet al wat
in de wereld is versmaden, de ziel is dan gerust, en zo vermaakt in God, dat
men die zoetheid en gerustheid niet zeggen noch aan anderen verhalen kan, 't is
een onuitsprekelijke en heerlijke vreugde, 1 Petr. 1: 8, dat Azaf wel mag
zeggen: Mij aangaande, 't is mij goed nabij God te wezen, Ps. 73: 28. En David,
dat zijn goedertierenheid beter is dan het leven, Ps. 63: 4. En de Bruid van Christus:
zijn vrucht is mijn gehemelte zoet, Hoogl. 2; dan drinkt zij uit de beek zijner
wellusten, Ps. 36: 9. 0 zoet gezelschap, met God en de Heere Jezus gemeenschap
te hebben 1 Gelijk Christus' gezelschap de twee discipelen naar Emmaüs gaande,
hun hart brandend maakte, daar zij Christus noch zijn ambt niet recht kenden;
zou dan een gelovige ziel niet wonderlijk brandende zijn, die zo met Christus
in liefde verenigd is, en in zijn gemeenschap opgenomen!
7. Ten zevende, deze
gemeenschap met God en de Heere Jezus Christus brengt een gelovige ziel wel zo
hoog in God en Christus, dat zij lieflijk in God en Christus rust, met een
zoete en lieflijke omhelzing, en lieflijk leunt op haar liefste, Hoogl. 8: 5,
en zegt: ik heb grote lust in zijn schaduw, en zit er onder, en zijn vrucht is
mijn gehemelte zoet; hij voert mij in 't wijnhuis en de liefde is zijn banier
over mij, Hoogl. 2: 3, 4, want haar Bruidegom, Christus, kuste haar dan met de
kussen zijns monds, Hoogl. 1: 2, en zij is dan gezalfd met vreugdeolie, Ps. 45.
Zij voelt dan dat alle haar zonden en zwakheden zijn vergeven, en dat zij in
Christus volmaakt is, en zij heeft dan reeds 't begin van de hemel in haar
hart, want die zoete uitvloeiing des Heiligen Geestes in haar hart, en
wonderbare gerustheid in de ziel is het begin van het koninkrijk Gods, Rom. 14:
17, en dat is een onderpand van haar erfenis, en van de verkregen verlossing.
't Is van dat Manna dat verborgen is, Openb. 2: 17. Dan spreekt de Heere tot
hun hart: vreest niet, want Ik ben met u, en zijt niet verbaasd, want Ik ben uw
God, Jes. 41: 10; waarop die ziel dan antwoordt: ik zal niet vrezen, al
veranderde de aarde haar plaats, en al werden de bergen verzet in 't hart van
de zee, Ps. 46. Want waarom zou die ziel niet welgemoed wezen, terwijl zij gevoelt
dat zij God tot een Vader heeft, Jezus Christus tot haar broeder en verlosser,
en de heilige geest tot een trooster, en de Heilige Engelen tot haar
bewaarders, en zij een is met God en Christus die in haar leeft, en zij in Hem,
Gal. 2: 20. In één woord, met God in een zoete en gevoelende gemeenschap
verenigd te wezen, en hoog opgetrokken te zijn, welk hart zal dat begrijpen,
welke tong zal die gelukzaligheid uitspreken die daarin verborgen is! 't Is een
grote zegen onder de engelen te zijn, gelijk als de Heere van Jozua de
hogepriester zei: Zo gij in mijn wegen zult wandelen, enz. Ik zal u wandeling
geven onder deze die hier staan, Zach. 3: 7, te weten de heilige engelen. 't Is
ook een grote gelukzaligheid te komen in de gemeente der eerstgeborenen, Hebr.
12: 23. En hierna met Abraham, Izak en Jakob aan te zitten in het koninkrijk
der hemelen, ‑ Matth. 8: 23. Maar wat is dat al, met God gemeenschap te
hebben? 't Is hier zelfs zo zoet, en de ziel, als zij het gevoelt, wenst
dikwijls naar de volkomen gemeenschap hier boven, die niet wederom zal
verduisterd en bezwalkt worden, maar eeuwig zal duren, wat zal 't daar dan
zijn?
ZOON. Vader, ik versta wel, dat
het een heerlijke en uitnemende zaak is, met God en de Heere Christus
gemeenschap te hebben: nu begeerde ik wel, dat gij mij eens verklaarde, hoe de
gelovigen die al vaders in Christus zijn, deze troostende en gevoelende
gemeenschap met God en de Heere Christus ook wederom kunnen missen.
VADER. Ja zoon, die kinderen Gods
die alzo ver in genade zijn gekomen, dat zij als Vaders zijn in Christus en al
hoog opgenomen zijn geweest in zonderlinge genade en gevoelende gemeenschap met
God en de Heere Jezus Christus, kunnen dat gevoelen wel wederom missen, en dat
kan ook zo in ben verduisteren, dat zij het licht niet zien, Jes. 50: 10, en
nauwelijks enige gevoelende werking in zich kunnen gevoelen en gewaar worden,
ja zo ver alsof zij nooit zulke hoge en zoete gemeenschap en gevoelende
vereniging met God, en de Heere Jezus Christus gehad hadden, ja dat zij bijna
niet weten wat het. is. En integendeel, zij gevoelen wel vervreemdingen van
God, doch de een tijd is dat gevoelen van de gemeenschap Gods veel meer
verduisterd, als de andere tijd.
ZOON. Maar vader, hoe komt dat,
dat Gods kinderen in zich die gevoelende gemeenschap missen?
VADER. Zoon, dat deze gevoelende
gemeenschap met God en de Heere Jezus Christus soms wel in de gelovige
vermindert, ja schijnt of zij bijna geheel weg en verloren is, zullen wij
terstond beginnen te zeggen, dat wij dat aan vele lieve kinderen Gods, in zijn
heilig Woord kunnen zien, en de ervaring met Gods kinderen leert hen dagelijks.
De oorzaak van waar het komt zijn verscheiden: wij
zullen er drie van bespreken.
Ten eerste, aangaande God, dat die ze hen voor een
tijd onthoudt, en zo algemeen zich aan hen niet gelieft te openbaren.
De tweede, dat de gelovigen dikwijls daar zelf de
oorzaak van zijn.
De derde, dat zulks wel geschiedt door zaken, die
van buiten aan komen.
1. Eerst zeg ik, vermindert en verduistert de
gevoelende gemeenschap dikwijls in Gods kinderen, omdat het God niet belieft,
die altijd zo klaar zijn kinderen te laten genieten, zijn Geest in 't hart te
laten vloeien, en hen in zijn gemeenschap op te trekken, het is zijn werk om
zijn heerlijkheid te laten zien, Exod. 33, en Zich aan ons te openbaren, Joh.
15: 22, en bekend te maken de onnaspeurlijke rijkdom van Christus, Ef. 3: 8.
Die gemeenschap onttrekt God hun op verscheidene wijze.
Hij geeft hen altijd niet, dat zij de middelen zowel
kunnen betrachten, waardoor God ons Zich zo algemeen maakt; of zegent die niet
zo, als zij gebruikt worden.
En de ziel heeft soms ook zulke krachten of
bekwaamheid niet, om die middelen zo te betrachten, ook dikwijls met zulk een
smaak en zoetheid niet, omdat zijn Geest zo krachtig niet in ons werkt.
En 't schijnt of God het gebed van hen zo niet
verhoort, noch vrucht uitgeeft, al bidden zij al om zijn gemeenzame
tegenwoordigheid, en om God met zulk een vermaak en zoetheid te verheerlijken.
Ook verduistert die gemeenschap, omdat God Zichzelf
tegen hen houdt, hen laat gaan in een doodheid, en ongevoeligheid, waarover de
kerk Gods klaagt, Jes. 63. Waarom verstokt gij ons hart. Soms worstelt de Heere
met hen, alsof Hij hen wilde verlaten, en zonder zegen van hen scheiden, als
Hij scheen met Jakob te doen, Gen. 32, en met de Kananese vrouw, Matth. 15.
En sommigen van zijn kinderen laat Hij benauwdheden
en verschrikkingen gevoelen, dat zij wel met Job zeggen: de verschrikkingen
Gods rusten zich tegen mij, Hfdst. 6: 4 en Hfdst. 30: 17, 's nachts doorboort
Hij mijn beenderen, en mijn polsaderen rusten niet, en met Heman: uw
verschrikkingen doen Mij vergaan, Ps. 88: 17.
En God houdt Zich wel tegen hen of Hij toornig ware
op hen, en hen verlaten wilde, zodat ze wel zouden zeggen: bent Gij in toorn
geweken van uw knecht? als Heman zei, Ps. 88: 17, uw hittige toornigheden gaan
over mij, en vers 15, Heere, waarom verstoot Gij mijn ziel, en verbergt uw
aanschijn voor mij, en Ps. 77:10, heeft Hij zijn barmhartigheid door toorn
toegesloten. En met Job: waarom verbergt Gij uw aangezicht en houdt mij voor uw
vijand, Hfdst. 13: 24.
En 't is dan dikwijls of daar geen of weinig vrucht
komt uit hun gebeden, zodat ze met de Bruid wel klagen: ik zocht hem, maar ik
vond hem niet, ik riep hem, maar hij antwoordde mij niet; Hoogl. 5: 6. En met
David: ver zijnde van mijn verlossing, van de woorden mijns brullens, mijn God
ik roep des daags maar Gij antwoordt mij niet, en 's nachts heb ik geen stilte,
Ps. 22: 2, 3. En met Heman: Gij hebt mij in de onderste kuil geleid in
duisternis en diepte, Ps. 88: 7.
Alzo dat zij wel zo kleinmoedig en neergeslagen
worden, dat zij wel klagen met David: Mijn hart is geslagen en verdord als
gras, zodat ik vergeten heb mijn brood te eten, ik ben een roerdomp der
woestijn gelijk geworden, ik ben geworden als een steenuil der wildernissen,
Ps. 102: 5, 7. En met Job: ik ben mijzelf tot een last, Hfdst. 7: 20. En Hfdst.
19: 8, over mijn paden heeft Hij de duisternis gesteld. Zij worden wel zo
moedeloos, dat zij zeggen: mijn ziel weigert getroost te worden, Ps. 77 en
komen wel zo ver, dat zij met Jeremia zeggen: wee mij, mijn moeder, dat gij mij
gebaard hebt, Hfdst. 15: 10.
En al denkt dan zulk een bedroefde ziel dikwijls aan
de vorige goedertierenheden des Heeren, Ps. 89: 50, zo kan zij zich daar weinig
mee ophelpen.
Evenwel in die gelovige zielen blijven nog heimelijke
krachten, en zij genieten ook wel nieuwe versterking en genade, totdat de zon
van Gods genade wederom doorbreekt, en de ziel Gods lieflijk aangezicht der
genade wederom ziet.
2. De andere oorzaak, waardoor de gevoelende
gemeenschap, in de gelovigen verduisterd wordt, is door hen zelf.
1. En dat dikwijls door hun zonden, of dat zij het
goede nalaten, of dat zij het kwade doen. Want de zonden die scheiden de mens
van God. Jes. 59: 1, en verduisteren de gemeenschap met God, en nemen de zoete
tegenwoordigheid Gods weg, de Geest Gods werd daardoor bedroefd, Ef. 4: 30 en
uitgeblust, 1 Thess. 5, en wordt hen daardoor tot een vijand, en strijdt tegen
hen, Jes. 63, gelijk wij dat zien in David, Ps. 32, 38 en 51, en in Petrus,
Matth. 16: 22, 23.
Daardoor leert God hen dan te beter kennen hoe
rechtvaardig Hij is! en hoe nauw Hij acht neemt op hun zonden, en dat zij de
zonden moeten tegengaan die zulke bittere vrucht heeft, en met Hiskia
besluiten, ik zal nu al zoetjes voort treden al mijn jaren vanwege de bitterheid
van mijn ziel, Jes. 38.
2. Ook zo wordt door de verdorvenheid, die in de
gelovigen nog is, en hen zo dikwijls verhindert om het goede te volbrengen
gelijk zij wel willen, deze gemeenschap met God en onze Zaligmaker dikwijls
verduisterd, dat zij wel met Paulus uitroepen: Ik ellendig mens, Rom. 7: 24, en
wel denken, ben ik wel een recht gelovige en een kind Gods, terwijl ik in mij
zulke verdorvenheid en lichaam der zonde bevind?
3. Zij wordt ook menigmaal in de gelovigen
verduisterd door hun traagheid om de middelen te gebruiken, als gebeden en
dankzeggingen, lezen van Gods Woord, niet genoeg waken, als wij zien in de
Bruid, Hoogl. 5: 4, als de Bruidegom tot haar kwam, en zij door traagheid niet
op wilde, zo zegt zij: mijn liefste trok zijn hand van 't gat der deur, en mijn
ingewand werd ontroerd om zijnentwil, toen ging hij weg en zij kon hem niet
vinden.
Zo wordt deze gevoelende gemeenschap Gods verloren
door al te lang en ontijdig te slapen, als de Heere te kennen geeft: waakt en
bidt, opdat gij niet in verzoeking komt. Als een gelovig mens slaapt als hij
behoort te bidden, of zijn tijd anders verwaarloost, zo valt hij in verzoeking,
en de gemeenschap met God wordt verduisterd.
Alzo ook mee, als de gebeden verzuimd en
verwaarloosd worden, 's morgens als hij te lang slaapt en geen tijd heeft om
zijn hart recht voor God uit te storten, God te verheerlijken en zich in God te
verheugen en te vermaken of als hij anderszins zijn oefening verzuimt, of te
haastig doet.
Alsook wanneer men 's middags zich niet een weinig
afzondert. En als men 's avonds slapen gaat, eer men met God verzoent is, en
zijn ziel in God vermaakt is, of ten minste daarna gearbeid heeft, die mens kan
geen nauwe gemeenschap met God behouden, en niet zoetelijk rusten in God; want
de verdorvenheid en ijdelheid van 's mensen hart is zo groot, dat hij altijd
afdwaalt, zo hij de middelen verzuimt en verwaarloost, waardoor de ziel kracht
en genade ontvangt.
Ook als men 's nachts niet tot God zich keert met
gebed en dankzegging, en heilige overwegingen, hoe kan die ziel in God leven?
4. Ook wordt deze gemeenschap met God verduisterd,
als hij zijn gebeden en dankzeggingen te haastig doet, zonder zich te vermaken
in God zo 't hart uit te schudden voor de Heere, Ps. 62, en zonder aan te
houden.
5. Of dat iemand te veel eet en drinkt, en alzo zijn
lichaam onbekwaam maakt.
6. Zo vermindert en verduistert de gemeenschap met
God menigmaal in een gelovige ziel, de zwakheid van het lichaam om de middelen
zo waar te nemen, en dikwijls tot God te waken, en te bidden, 's nachts en 's
morgens vroeg, en daar komt dan gewoonlijk de traagheid en luiheid bij, dat men
hem al wat meer toegeeft.
7. Alsook dat men al te veel om aardse dingen denkt,
en zijn hart daar te veel aan hangt, en ook te veel van aardse dingen spreekt, of
zich met aardse dingen bemoeit, bijzonder buiten zijn beroep. O die altijd in
de gevoelende gemeenschap met God en Christus zal leven, moet zijn gemoed zeer
nauw bewaren.
8. En 't is een van de voornaamste oorzaken, welke
de zoet gevoelende gemeenschap Gods verhindert en verduistert, dat een kind
Gods al te veel ziet op zijn heiligmaking, dat hij zo verdorven is, dat hij God
zo niet dienen kan, en niet genoeg denkt, dat Gods welbehagen en zijn eeuwige
liefde de enige oorzaak is van alle genade en zaligheid; dat een groot gebrek
is in een kind Gods, dat hij al in zichzelf blijft, en op hem ziet en klaagt,
hij is zo verdorven, hij kan God zo niet dienen, daar legt hij dan dikwijls
neer, en kan zich niet oprichten, en zo wordt dan dikwijls zijn vreugde in God,
en Gods lof daardoor verhinderd en weggenomen; wij behoorden geleerd te worden,
dat het alleen Gods ontferming is, als God zei: Ik zal Mij ontfermen, over wie
Ik Mij ontfermen zal, Exod. 33.
9. Daarbij vervreemdt dit een gelovige ziel dikwijls van God, dat
hij altijd de gemeenschap Gods troostelijk en zoet wilde gevoelen, of hij is
moedeloos, daar wij altijd op Gods onveranderlijke liefde en waarheid der
Goddelijke beloften behoren gerust te zijn en voort te gaan God te
verheerlijken, totdat hij eindelijk onze ziel lieflijk omhelst.
10. Alzo verhindert ook de zoete gemeenschap met God
en Christus, dat iemand al te ras in 't geloof bezwijkt, als wij zien in
Petrus, Matt. 14, zolang wij staan in 't geloof zo bli ft het gemoed met God
zonder zulke verandering en bewegingen.
III. De derde oorzaak, waardoor de gevoelende
gemeenschap met God en Christus soms verduisterd werd, zijn zaken die ons van
buiten aankomen.
1. Als vooreerst, de wereld met zijn bekoringen op
vele en menigerlei wijze, 1 Joh. 5,
2. Daarbij slaan kruis, en tegenspoed dikwijls een
gelovig mens zo terneer, dat het geloof begint te bezwijken, en de zoete
gemeenschap en de gevoelende genade verduisterd wordt, zodat ze met
mistroostigheid bestreden worden, Ps. 77: 3, 4.
3. En er komen dan dikwijls de aanvechtingen des
duivels bij, als het is de boze dag, Ef. 6, en dat op menigerlei wijze,
waardoor hij Gods kinderen zoekt listig om te leiden, Ef. 6, dat zij wel met
Job zeggen: Mijn bedstede zal mij vertroosten, mijn leger zal van mijn klacht
wat wegnemen, dan ontzet Gij mij met dromen, en door gezichten verschrikt Gij
mij, Hfdst. 7: 13, 14. En met Paulus dan wel grote benauwdheid en verschrikking
moeten uitstaan, 1 Kor. 2: 12, waardoor de gevoelende gemeenschap, en de zoete
vermakingen in God en Christus voor een tijd in grote mate ontbeerd worden;
want 't schijn hen dan dikwijls zo toe, alsof zij bijna overgegeven waren in
hunner vijanden geweld, omdat de ziel voelt een krachtig geweld, hunner
vijanden door de vurige pijlen van de bozen, en heeft geen of weinig
versterking van Gods Geest. Daarom bezwijkt hen dan ook uiteindelijk het hart,
dat zij met David wil zeggen, mijn hart heeft mij verlaten, Ps. 40: 13.
Alhoewel de kracht van Christus in hen woont, en in hun zwakheid volbracht
wordt, 2 Kor. 12, waardoor zij nog opgehouden worden en staande blijven.
ZOON. Vader ik heb verstaan, hoe
Gods kinderen ook die gevoelende gemeenschap met God soms niet genieten, en
waaruit dat komt, nu wilde ik wel graag eens horen, waarom God zijn kinderen
alzo laat vervreemden van zijn gevóelende gemeenschap, en hun benauwd laat
worden?
VADER. Zoon, er zijn wel
verscheidene redenen waarom: maar de hoogste oorzaak is Gods welbehagen; want
Hij leidt zijn kinderen naar zijn raad, daarna neemt Hij ze tot heerlijkheid
op, Ps. 73 ‑ 24, en al kunnen wij dat dikwijls met ons verstand niet
begrijpen, zo moeten wij ons verstand onder zijn wijsheid daar neerleggen; want
zijn gedachten zijn niet onze gedachten, en zijn wegen zijn niet onze wegen,
Jes. 55: 8, maar behalve dat, zo kunnen wij ook reden vinden in Gods Woord,
waarom Hij zo doet. Welke redenen wij in twee zullen vervatten.
De eerste, dat het zo best is tot Gods eer.
De andere, dat het voor de gelovigen zo best is.
1. Wat het eerste aangaat: het is zo best tot Gods
eer, en dan in verscheiden aanzien.
1. Ten eerste, opdat zij leren dat alle optrekking
in God en met Hem gemeenschap te hebben, en zijn zoete en liefelijke
tegenwoordigheid te gevoelen, alleen is zijn werk en genade, want Hij is de God
aller vertroosting, 2 Kor. 1: 3, en opdat wij Hem alzo daarvan alleen de eer
zouden geven.
2. Ten tweede, dat Hij is een vrij God, die doet
zoals Hij wil, Matt. 20: 15. Ef. 1: 11, en dat Hij alzo naar de vrijheid van
zijn genade en barmhartigheid ons zijn liefde en barmhartigheid en gunst doet
gevoelen. Als een gelovig mens, die altijd even hoog had, zo mocht hij door de
verdorvenheid die nog in hem is, zich enigszins inbeelden dat hij er enig recht
toe had, opdat hij het waardig ware; maar als de gelovige ziel deze gemeenschap
met zijn God en Zaligmaker eens mist, en God de Heere hem dan zo wederom
voorkomt met zijn barmhartigheid en liefde, zo verheerlijkt hij God dan temeer,
dat het alleen is zijn liefde en ontfermen en zegt dan wel: Wie ben ik Heere,
dat Gij U alzo aan mij zoudt openbaren, en in uw liefde en gemeenschap
optrekken, en U mij zo gemeen maken!
3. Daarbij, mijn zoon in de Heere, door het missen
van de gevoelende liefde en gemeenschap met God en onze Zaligmaker Jezus
Christus, zo leert men temeer en te beter kennen wat een grote en
onbegrijpelijke weldaad het is, als God ons zijn liefde en zoete
tegenwoordigheid en gemeenschap doet g' gevoelen en het missen ons zo bedroefd,
verschrikt en benauwd maakt, en die te genieten zo vrolijk en welgemoed doet
zijn. En zo acht een gelovige ziel die zoveel te hoger; ja hoe benauwder de
ziel is geweest, en hoe zwaarder zij Gods toorn en verschrikking heeft gevoeld,
hoe zij die weldaad te groter inziet, en God temeer over die barmhartigheid en
liefde verheerlijkt en prijst, dat Hij hun ziel zo lieflijk omhelst, Jes. 38,
dat zij wel zegt met, Johannes: God is liefde, 1 Joh. 4: 7 en ik zie niets dan
liefde in God. En zo veel temeer verheugt zich die ziel in de Heere en in zijn
goedheid.
4. Door het missen van de gevoelende genade leert
een gelovig kind Gods temeer kennen zijn zwakheid en onvermogen, waarover hij
dan dikwijls zich zeer verontwaardigt en vernedert, ja als wegwerpt, en dan te
beter en temeer ziet de grootheid en onbegrijpelijkheid van Gods liefde jegens
hem, die hem evenwel wederom vriendelijk wordt, zijn genade en liefde laat in
't hart vloeien, en vertroost en ophelpt; waarover een gelovige ziel dan God
wederom temeer met liefde omhelst, en zich in hun God en Zaligmaker verheugt,
en Hem alleen de eer geeft van zijn liefde en genade, en eeuwig geven zal; dat
zij als terneder lag, en dat God hen alzo wederom optrekt in zijn zoete
gemeenschap en liefde, en dat zij wederom een met Hem is.
5. En door 't missen van de genade, en dat God hun
dan al wederom zijn genade geeft, leren zij te groter en te beter God kennen,
dat Hij is barmhartig, almachtig, waarachtig, enz. alsmede Gods liefde en de
oneindigheid van zijn barmhartigheid, dat Hij hun altijd zo wederom voorkomt
met zijn genade. En zijn almachtigheid, dat Hij het zo haast met hen veranderen
kan, en een kracht in hun ziel instort. Zijn waarheid, dat Hij wordt gevonden
van diegenen, die Hem zoeken, en dat Hij zijn barmhartigheid niet afwendt, noch
zijn liefde verandert, gelijk Jeremia zegt, zijn barmhartigheden hebben geen
einde, zij zijn allen morgen nieuw, en zijn trouw is groot, Hoogl. 3: 24, 25 en
verheerlijkt Hem des temeer.
6. In één woord Hij laat ons dikwijls met Paulus
zwak en benauwd en van de duivel met vuisten geslagen worden, opdat de kracht
van Christus in ons woont, 2 Kor. 12: 9, die zij dan doorgaans in hen bevinden
en ook dikwijls wel merken, en zich er op verlaten, en mee troosten, en opdat
zij alzo de Heere de eer van alles zouden geven.
En zo zijn de verlatingen en
veranderingen van een kind Gods, gelijk onze Zaligmaker zei van de
blindgeborene, dat hij, noch zijn ouders gezondigd had, waarom hij blind
geboren was, maar opdat de werken Gods zouden geopenbaard worden, Joh. 9: 3.
Alzo zijn het niet altijd enige voorgaande zonden, waarom de gelovigen de
gevoelende gemeenschap met God en Christus missen, en dat God Zich vreemd van
hen houdt; want alhoewel God altijd wel in hen vindt, waarom Hij alzo met hen
mocht doen zo doet Hij het altijd daarom niet, gelijk wij zien in 't voorbeeld
van Abraham, toen God hem gebood zijn zoon op te offeren, Gen. 22: 2. In Jakob,
toen de Heere met hem worstelde, en Zich vreemd voor hem aanstelde, Gen. 32. In
Job toen zijn kinderen in 't huis dood vielen, zijn goederen geroofd werden, en
zijn lichaam met boze zweren geslagen werd, en hij aan zijn ziel gevoelde Gods
toorn en schrikkelijke aanvechting, want daar waren de zonden geen voorgaande
oorzaken van, Job. 2: 3, maar dat geschiedde, opdat God hen beproeven zou, en
zijn liefde, barmhartigheid, almacht, enz. temeer aan hen betonen zou, en zij
die temeer zouden leren kennen, en God alzo verheerlijken. En het is dan met
een gelovig kind Gods in zulken staat, als de Heere van de krankheid van
Lazarus zei: Zij is niet ter dood, maar tot de heerlijkheid Gods, opdat de Zoon
Gods door dezelve verheerlijkt worde, Joh. 11: 4. Alzo zijn de verlatingen en
benauwdheden der kinderen Gods, opdat God de eer mocht hebben van alles, en zij
alzo temeer God verheerlijken en prijzen zouden, gelijk een gelovig kind Gods
dan dikwijls als met verwondering zegt: Wat zal ik de Heere vergelden voor al
zijn weldaden aan mij bewezen, Ps. 116: 12, en zijn ziel dikwijls opwekt met
David: Looft de Heere, mijn ziel, en vergeet geen van zijn weldaden, Ps. 103: 2
en roept dikwijls uit: barmhartig en genadig is de Heere, lankmoedig, en groot
van goedertierenheid, Ps. 103: 8, en zegt: dat de Heere goed is, en dat zijn
goedertierenheid in der eeuwigheid is, Ps. 118: 1.
2. Ten andere, zo heb ik gezegd, dat God zijn
kinderen dikwijls zo verlaat, omdat het hun best is, en dat mede in verscheiden
aanzien.
1 . Want vooreerst, God beproeft daardoor hun
liefde, dat zij oprecht is, omdat ze God liefhebben om zijns zelfs wil, omdat
Hij een zo heerlijke, heilige, barmhartige, genoegzame God is, die waardig is
om zijns zelfs wil bemind te worden, omdat dat zij Hem als dan nog willen
liefhebben, verheerlijken en op Hein hopen, ook als Hij schijnt hen niet gade
te slaan, en op hun gebeden niet te merken, maar op hen te toornen en hen te
verlaten. En omdat zij dan nog al zeggen: mijn ziel kleeft u achteraan, Ps. 63:
9, en dat niet alleen om hun genot, als de duivel Job bij God beschuldigde dat
hij deed, waarop God verklaart dat het daar niet om was, zeggende: hij houdt
nog vast aan zijn oprechtheid, hoewel gij mij tegen hem opgehitst hebt, Job. 2:
3. Alzo houdt een oprechte ziel in al zijn benauwdheden nog vast aan God, en
zegt, God niet te willen verlaten, als Ruth tot Naomi zei, Hfdst. 1: 16, 17, en
met Job: zo Hij mij doodde, zou ik niet hopen, Hfdst. 13: 15.
2. Daardoor beproeft God ook hun geloof, hoe vast
zij in al hun benauwdheden op Hem vertrouwen zullen, daarom zei Job: Hij
beproefde hem in elk ogenblik, Job 7: 18, en gelijk Jes. zei: Hij keurt hen in
de smeltkroes der ellende, Jes. 48: 10 opdat de beproeving huns geloofs die
veel kostelijker is, als die van het goud dat vergaat en door het vuur beproefd
wordt, bevonden worde te zijn tot lof, en eer en heerlijkheid in de openbaring
van Jezus Christus, 1 Petr. 1: 7. Alzo beproefde God het geloof en de
gehoorzaamheid van Abraham, Gen. 22: 1 als Hij hem gebood zijn zoon te doden en
op te offeren, in welke de beloften bestonden, dat zijn zaad tot een groot volk
zou worden. Alzo beproefde God ook Job als Hij hem liet bezoeken in zijn
kinderen, goederen, lichaam en ziel. En David, die Hij tot een koning had laten
zalven, en liet hem van Saul vervolgen, als een veldhoen over de bergen, 1 Sam.
24, en datzelve wordt nog aan het broederschap volbracht, 1 Petr. 5; want als
God ons zijn genade en zoet gevoelende gemeenschap onttrekt, en Zich vreemd
tegen ons houdt, en wij in ons niet bevinden als benauwdheid en verschrikking,
en schijnen niet verhoord te worden in onze gebeden, dan komt het op 't geloof
aan, om op God te vertrouwen, gelijk Paulus zegt: wij hadden in onszelf het
vonnis des doods, opdat wij niet op onszelf vertrouwen zouden, maar op God, die
de doden opwekt, 2 Kor. 1: 9; dan bevinden wij, hoe kostelijk en troostelijk de
beloften des Heeren zijn, daar lopen wij dan naar toe, daar hopen wij dan nog
op, die zoeken wij ons te gemoed te voeren, die zijn dan als ons plechtanker in
die grote stormen en gevaren, als al die baren en watergolven over ons heen
gaan, Ps. 42: 8; want de aanvechting leert op het Woord merken, als wij zien in
Jakob, toen hij. hoorde dat zijn broeder hem tegen kwam met vierhonderd mannen
om hem te slaan, en hij bevreesd en bang was, toen hield hij God zijn belofte
voor, zeggende: O God mijns Vaders Abrahams, en God mijns Vaders Izaks, O
Heere, Gij die tot mij gezegd hebt, keer weer tot uw land, en tot uw maagschap,
en Ik zal wel bij u doen, en wederom vers 12, Gij hebt immers gezegd Ik zal
gewis wel bij u doen, Gen. 32: 9, 12, ziet, zo hield hij God zijn belofte voor
in zijn nood, en verliet zich daarop door 't geloof. Zo deed ook David
verscheidene malen in de 119de Psalm, Heere, gedenk mij naar uw woord, help mij
naar uw woorden, gelijk Gij uw knecht toegezegd hebt. Alzo houdt een gelovige
ziel dan ook dikwijls God zijn beloften voor van verhoring, bewaring en hulp,
ja zijn liefde, barmhartigheid en waarheid. En zo oefent God het geloof zijner
kinderen totdat zij 't einde huns geloofs, verkrijgen, dat is de zaligheid der
zielen, 1 Pet. 1: 5.
3. Daarbij, zo verootmoedigt het ook Gods kinderen,
want zij leren daardoor temeer kennen hun verdorvenheid, onvermogen en
zwakheid, om het goede te verrichten, en hun vijanden tegen te staan, en te
overwinnen. Hoe dikwijls doet het hen ootmoedig klagen, zuchten, en schreien tot
God, en daarom laat God zijn kinderen niet altijd even hoog blijven in de
genade, opdat zij nederig zijn zouden als Paulus zegt: Opdat ik mij door de
uitnemendheid der openbaring niet zou verheffen, zo is mij gegeven een scherpe
doorn in het vlees, namelijk een Engel van de satan, dat hij mij met vuisten
slaan zou, opdat ik mij niet zou verheffen, 2 Kor. 12: 7; want de oude wortelen
van de aangeboren verdorvenheid zouden de ziel zoeken hovaardig te maken, als
zij altijd zulke hoge op, trekkingen had, als wij dat zien in David: ik zei wel
in mijn voorspoed, ik zal niet wankelen in eeuwigheid, want Gij Heere hebt mijn
berg naar uw goedgunstigheid vastgemaakt? maar toen Gij uw aangezicht
verbergde, werd ik verschrikt, Ps. 30, alzo verschrikken de kinderen Gods nog,
en worden klein bij zichzelf als God zijn aangezicht verbergt. En die
nederigheid is de ziet profijtelijk; want God woont bij de nederigen, Jes. 57,
Hij ziet op hen, Hfdst. 66 en Hij geeft hun zijn genade, Jak. 5 en zo bevinden
zij met David dat het hun goed is dat God hen verootmoedigt, Ps. 119.
4. Daarnevens, wat doen die benauwdheden een kind
Gods dikwijls vurig bidden! als wij zien in Jakob, Gen. 32 met Hos. 12, dat hij
weende, en bad, totdat de dageraad aanbrak, en nog niet wilde loslaten, voordat
hij gezegend was, Jes. zegt ook: Heere in benauwdheid hebben zij U gezocht, zij
hebben hun stil gebed uitgestort, als uw tuchtiging over hen was. Hfdst. 26:
16. Dit zien wij ook in David doorgaans in zijn psalmen, en in Azaf: mijn hand
was 's nachts uitgestrekt en liet niet af, Ps. 77. Dat wordt van onze
Zaligmaker zelf gezegd: en in zware strijd zijnde bad Hij te ernstiger, Lukas
22: 44, dat bevinden zulke gelovigen, elk wel bij zichzelf.
5. Als de Heere dan hun zijn heerlijkheid laat zien,
zo verblijden zij zich wederom temeer in zijn liefde en goedheid, en daar is
dan een zoete en lieflijke omhelzing der liefde tussen God en Christus en de
gelovige ziel, dat het niet te zeggen is, die gelovige ziel verblijdt zich, en
prijst Gods liefde en barmhartigheid, en verheft die te groter, en spreekt dan
wel hun ziel aan: keer weer mijn ziel tot uw rust, want de Heere heeft aan u
wel gedaan, Ps. 116; en dan willen zij ijveriger de weg des Heeren lopen, omdat
hun hart zo verwijd is, Ps. 119: 32.
6. Die blijdschap na de droefheid doet de ziel dan
dikwijls temeer wensen naar haar volkomen vereniging met God en de Heere Jezus
Christus, daar zij God zien van aangezicht tot aangezicht, 1 Kor. 13, en de
gemeenschap niet meer zal verduisterd, verminderd of verloren worden.
Over het geheel zijn er vele nuttigheden, die de
ziel daardoor bekomt, dat de gelovige en de beproefde ziel best kan zien als 't
onweder over is, maar wij zullen 't hierbij laten blijven, dit wetende, dat
niemand wordt gekroond, tenzij dat hij wettig gestreden heeft, 2 Tim. 2: 5 en
men moet eerst overwinnen, eer 'men met Christus op zijn troon kan zitten,
gelijk Hij overwonnen heeft en met zijn Vader op zijn troon gezeten is, Openb.
3: 21.
ZOON. Vader, dat versta ik nu
wel, dat het God niet belieft de gelovige kinderen Gods de gevoelende
gemeenschap altijd even hoog te laten genieten, en dat zulks in vele zaken tot
Gods eer dient, en hun zelf nuttig en voordelig is; maar waar zal ik mij in
zulke gelegenheid mee troosten?
VADER. 1. Mijn zoon, in de Heere.
Denk dat die liefde van uw God en Vader en Zaligmaker, die gij wel in uw
omhelzing der liefde, in uw gemeenschap met Hem gevoeld hebt, van vele wateren
der aanvechting niet kan uitgeblust worden, noch van de rivieren der ellende en
verlating zal verdronken worden, Hoogl. 8: 7 haar kolen zijn vurige kolen,
vlammen des Heeren, vers 6; daarom zullen er nog altijd spranken in 't hart
blijven, en de hoop die een ziel genoten heeft zal niet beschamen, Rom. 5: 5;
want die zielen kunnen niet van God gescheiden worden, Rom. 8: 38,39.
2. Daarbij Gods raad
verandert niet, in welke Hij het begin, midden, en einde, besloten heeft, Rom.
8; 29, 30. En gij, mijn zoon, denk dat uw Zaligmaker gezegd heeft van zijn
schapen: Ik geef hun het eeuwige leven, zij zullen niet verloren gaan in der
eeuwigheid, Joh. 10: 28, en wees daarop gerust; want Hij is de Amen en de
getrouwe getuige, Openb. 1. Hij zal dan wel uw ziel bewaren, en u niet
verzuimen, al hobbelt het schip van Petrus door de baren van aanvechting en
verlating, en al staat het vol water, zodat het schijnt te zullen vergaan, en
al houdt de Heere zich in zo'n storm en gevaar alsof Hij slaapt, Hij zal
eindelijk zich opmaken en zeggen tot de zee: Zwijg, wees stil, en de wind van
de zwarigheid ging liggen, en er werd grote stilte, Markus 4: 39, en Hij zal u
niet laten vergaan, al was u gezonken in grondeloze modder, waar men niet kan
staan, en al het dat de diepten van de wateren en de vloed u overstroomde, Ps.
69: 3.
3. Bedenk, mijn zoon, hoe God al zijn kinderen die
uit die drinkbeker gedronken hebben, nooit heeft verlaten, maar altijd weer
opgeholpen en vertroost heeft, zou Hij u dan verlaten daar Hij u liefheeft, en
met een prijs gekocht, en door een Geest geheiligd heeft, 1 Kor. 12, want wij
zijn door een Geest tot een lichaam gedoopt: Hij zal u bewaren van de boze,
Joh. 17.
4. Troost u ook met de
genadige beloften des Heeren, Hij mag in een kleine toorn zijn aangezicht een
ogenblik verbergen, maar met een eeuwige goedertierenheid zal Hij Zich over u
ontfermen, Jes. 54: 8, Hij zal wederom tot uw hart spreken, Jes. 40: 2, goede
woorden en troostelijke woorden, Zach. 1: 13 als Hij u lang genoeg in de dorre
woestijn van eenzaamheid, verlating, en benauwdheid heeft omgevoerd, zo zal Hij
u weer lokken en tot uw hart spreken, Hos. 2: 13 niet alleen door zijn Woord,
maar ook door zijn Geest in uw hart. Derhalve wie is er onder ulieden, die de
Heere vreest, die naar de stem zijns knechts hoort, als hij in duisternis
wandelt en geen licht heeft, dat hij vertrouwe op de naam des Heeren en steunt
op zijn God, Jes. 50: 10. Bent gij dan, mijn zoon, in een geestelijke
duisternis, dat gij het licht van Gods genade en troost en zijn liefde niet zien
kunt, en zijn zoete gemeenschap niet gevoelen, vertrouw op de Heere, en steun
op uw God, Hij zal uw duisternis doen opklaren. Ps. 18: 29.
Denk, zoon, wij zijn hier nog in de strijd, en op de
reis door deze dorre woestijn naar ons hemels Vaderland, dat daar boven is,
daarom moet gij u niet te zeer verslaan, noch kleinmoedig worden, als 't u alzo
mocht gaan, want onze staat is hier niet zonder verandering in ons, alhoewel
onveranderlijk bij God, Rom. 8: 29, 30. Rom. 11: 29.
Als gij deze hemelse genade zo niet in u bevindt van de hoge optrekking en gevoelende genade, denk, dat wij hier nog wandelen door geloof en niet door aanschouwen, 2 Kor. 5: 7, en daarom ons niet voorstellen altijd door gevoelen en aanschouwen te wandelen, maar soms, ja meest ook door het geloof, 't is de eigenschap van het geloof, niet eerst te zien en te gevoelen en dan geloven, maar te geloven als wij 'niet zien, en niet gevoelen, Hebr. 11: 1 daarom als gij al zijn genade zo niet gevoelt, rust door het geloof op uw God en Zaligmaker, en in zijn liefde, en gij, op Hem vertrouwen