Trappen van het geestelijke leven

Ds. Th. á Brakel

 

Inhoudsopgave

 

Approbatie

Aan de godzalige lezer

Eerste deel

Hoofdstuk I. Van de begeerte om met iemand te spreken van de rechte praktijk der Godzaligheid

Hoofdstuk II. Waarin bijzonder de rechte gelukzaligheid en troost van het geweten gelegen is

Hoofdstuk III. Begrijpende de tweede vraag in het begin gesteld, dat een gelovig mens wel graag zou toenemen in de gemeenschap van God en Christus, en klaagt dat hij niet kan

Hoofdstuk IV. Van de kinderen in Christus

Hoofdstuk V. Van de jongelingen in Christus

Hoofdstuk VI. Van de vaders in Christus

Hoofdstuk VII. Begrijpende de bovengestelde derde vraag, hoe een godsdienstige ziel gesteld is, zowel in vertroosting als in vermindering

Hoofdstuk VIII. Dat Gods kinderen soms de gemeenschap Gods en Christus in zich niet gevoelen, maar vervreemden en verduisteren: en hoe het komt dat die gemeenschap zo vermindert en verduistert

Hoofdstuk IX. Waarom God zijn kinderen soms laat vervreemden van zijn gemeenschap, en bedroefd of benauwd worden

Hoofdstuk X. Vertroosting in de vermindering van 't gevoelen der gemeenschap Gods en Christus

Hoofdstuk XI. Waaruit iemand weten kan of hem de zalige gemeenschap met God en Christus eigen is

Hoofdstuk XII. Van de middelen om In de gemeenschap Gods en Christus overvloediger te worden

Hoofdstuk XIII. Van het heiligen van de Sabbat

Hoofdstuk XIV. Hoe elk huisgezin zich met elkaar zal oefenen

Hoofdstuk XV. Hoe degene, die in de gevoelende gemeenschap met God wil leven, naarstig moet wezen in de Godsdienstoefeningen

Tweede deel. Spreken van hetzelfde uit eigen bevinding

De eerste trap. Van het kindschap in Christus

Hoofdstuk I. Van de tijd der oefening

Hoofdstuk II. Van de oefening zelf

Hoofdstuk III. Van de staat der ziel, en eerst van de inwendige vertroosting

Hoofdstuk IV. Van de strijd

De tweede trap. Van de jongelingschap in Christus

Hoofdstuk I. Van de tijd der oefening

Hoofdstuk II. Van de tijden der oefening 's morgens en 's nachts

Hoofdstuk III. Van de tijd der oefening 's middags

Hoofdstuk IV. Van de tijd der oefening 's avonds

Hoofdstuk V. Van de oefening zelf als jongeling, en eerst van de morgenoefening

Hoofdstuk VI. Van de oefening des middags

Hoofdstuk VII. Van de oefening des avonds

Hoofdstuk VIII. Van de gestalte des gemoeds in de jongelingschap, en eerst ten opzichte van zonderlinge genade en vertroostingen

Hoofdstuk IX. Van de aanvechtingen en strijden

De derde trap. Begrijpende de vader in Christus

Hoofdstuk I.

Hoofdstuk II. Van de tijden der oefening, en bijzonder van de tijd 's nachts

Hoofdstuk III. Van de tijd der oefening 's morgens

Hoofdstuk IV. Van de tijd der oefening des middags

Hoofdstuk V. Van de tijd des avonds om de oefening te doen

Hoofdstuk VI. Het, tweede in het stuk: Namelijk van de oefening zelf, en bijzonder van de oefening 's nachts

Hoofdstuk VII. Van de manier om God te verheerlijken

Hoofdstuk VIII. Van zich te verheugen in God

Hoofdstuk IX. Van zich te vermaken in God

Hoofdstuk X. Van de oefening 's morgens

Hoofdstuk XI. Van de oefening des middags

Hoofdstuk XII. Van de oefening des avonds

Hoofdstuk XIII. Handelende over de gesteldheid des gemoeds

Hoofdstuk XIV. Handelende over de zónderlinge genade, die God mij heeft bewezen

Hoofdstuk XV. Van de droefheid waar enige troost op volgde

Hoofdstuk XVI. Van dat God mij enige bijzondere genade heeft gegeven, als ik bedroefd was over mijn onvolmaaktheid

Hoofdstuk XVII. Waarmee men zich bijzonder ophelpt, en troost in de droefheid over de zwakheden

Hoofdstuk XVIII. Waarom God nog in de gelovigen zoveel zwakheden overlaat, zodat zij God niet meer verheerlijken en dienen kunnen

Hoofdstuk XIX. Van de droefheid over de verlating van God, en hoe God dan vertroostte en ophielp

Hoofdstuk XX. Van de droefheid, omdat ik niet meer kon vorderen en toenemen in de genade en gemeenschap met God

Hoofdstuk XXI. Van dat ik soms zulk een zoetheid niet kon hebben in mijn God te verheerlijken

Hoofdstuk XXII. Van dat er dikwijls ook verscheidene zaken tegelijk zijn, waardoor een kind Gods bedroefd is, waarna vertroosting volgt

Hoofdstuk XXIII. Van de strijden als vader in Christus

Hoofdstuk XXIV. Middelen tegen de boze gedachten

Hoofdstuk XXV. Van de vrucht uit het H. Avondmaal des Heeren

 

 

 

 

Approbatie

 

Dit Traktaat van de Trappen des Geestelijken Levens, gemaakt door de Eerwaarden Godzaligen Ds. Theodorus á Brakel, is bij ons ondergetekenden, op last en orde der Classis van Bolsward, overgezien en doorgelezen, en hebben hetzelve goedgekeurd als overeenkomstig het Woord Gods en de leer der waarheid, die naar de godzaligheid is.

 

MELLIUS AEGIDIUS,

Predikant te Molquerum.

LAMBERTUS PERSYN,

Predikant te Hindelopen.

 

Gedaan de 14de Maart 1670.

 

 

Aan de godzalige lezer

 

Wij geven u hier het lang verwachte Traktaat van de Trappen des Geestelijken Levens van Ds. Th. á. Brakel, mijn waarde vader, (zaliger nagedachtenis aan zijn bevel op zijn doodbed) en volgens mijn beloften daarop aan hem gedaan: van welke wij deze weinige dingen u vooraf hebben willen doen weten:

Dat de schrijver hier in dit Traktaat niemand een regel wil voorstellen, waarnaar een ieder juist zijn doen en laten zou moeten schikken, maar een voorbeeld tot vertroosting en opwekking, met bijgevoegde beweegredenen en middelen, gelijk op vele plaatsen wordt aangewezen.

En daarom, wanneer de schrijver soms spreekt van enige uren in de godsdienst te besteden, zo moet niemand er door neergeslagen worden, omdat hij daar zoveel tijd niet toe besteden kan. De schrijver zegt ook op andere plaatsen: God heeft ons aan geen tijd gebonden, hoe lang of hoe kort, en leert daar, dat elk moet letten op zijn roeping, op zijn gaven en bekwaamheden der ziel, op de bekwaamheid des lichaams en op zijn verlicht geweten; doch dat er geen traagheid schuile.

Wanneer iemand hierin ook leest, hoe een godzalige soms kan verlicht en vertroost worden, zo moet hij daardoor niet droevig of moedeloos worden, omdat hij dat niet zo in zich bevindt, maar die leze daarbij hoe een godzalige wel lang in bedwelmheden, aanvechtingen en verlatingen zijn kan, en bijzonder blz. 8 enz. alwaar aangetoond wordt, dat alle kinderen Gods niet tot gelijke hoge trap komen, en op de laagste trap tevreden en vrolijk kunnen en mogen zijn, hoewel verlangende naar aanwas, en dat een kind Gods niet altijd in die vertroostingen blijft.

Zo ook als de schrijver het bereiden van spijzen enz., op de Sabbat, tegenspreekt, dan verstaat hij daardoor het onnodig bereiden van spijzen enz., gelijk bij zichzelf verklaard wordt.

De lezer zullen ook hier en daar hooggaande manieren van spreken tegenkomen, gelijk ook wel in de Heilige Schrift, die niet zijn naar de letter, maar gelijk figuurlijke manieren van spreken naar de zin verstaan moeten worden, en alzo drukken ze zeer krachtig uit de heftige beweging des gemoeds van een vertrooste, verlichte, of ook bedroefde ziel.

Als de schrijver spreekt van fundamenteler en hoger genade, van wederom te rechtvaardigen en dergelijke manieren van spreken, zo zal de bescheiden lezer gemakkelijk kunnen vatten, dat hij daardoor verstaat verscheidene trappen der genade en het gevoel der rechtvaardigmaking, gelijk de schrijver op andere plaatsen zich genoegzaam verklaart.

Zo er hier of daar iets bedenkelijks mocht voorkomen, zo zal de lezer de verklaringen van de schrijver zelf kunnen vinden, indien hij het gehele Traktaat maar met aandacht leest.

En zo iemand hier of daarin de stijl iets opmerkt, hij wete dat het voor een groot gedeelte maar een ruw ontwerp is, en dat. de laatste hand van de schrijver nog niet aan 't gehele werk gelegd was, daarom had de schrijver hier en daar op de kant voor herinnering aangetekend wat hij veranderen, wat hij verplaatsen wilde, dat echter door de tussenkomende dood onveranderd gebleven is, en desniettegenstaande heeft de schrijver gewild, dat het gedrukt zou worden, en heeft alzo getoond, dat hij niet zijn eer, maar de stichting der godzaligen beoogde.

Wij hadden ons voorgenomen in de derde druk iets bij het eerste deel te voegen, doch een ontwerp van de zaken slechts makende, bevonden wij dat het te groot zou zijn voor een bijvoegsel, waarom wij van voornemen zijn veranderd. Alleen hebben wij het afsterven van de schrijver er bijgevoegd en achteraan geplaatst. Gebruikt het tot uw nut, waartoe hij het u geeft.

 

UEd. Dienstw. in Christus,

 

W. á Brakel, Th. F.

 

 

 

Eerste deel

 

Hoofdstuk I. Van de begeerte om met iemand te spreken van de rechte praktijk der Godzaligheid

 

ZOON. Vader, ik ben dikwijls begerig geweest om van de rechte praktijk der Godzaligheid, en van de gestalte van een gelovige ziel, die God recht dient, te spreken, en bijzonder met zulk een, die van de jeugd af zich in de godzaligheid geoefend heeft, en nu gekomen is tot een goed aantal jaren, en alzo door lang ervaring veel daarin heeft ondervonden; want ik dacht met Elihu: laat de dagen spreken, en de veelheid der jaren wijsheid te kennen geven, Job 32: 7, en aan de woorden van de wijzen koning Salomo: de grijsheid is een sierlijke kroon, hij wordt op de weg der gerechtigheid gevonden. Spr. 16: 31. Ik heb van Socrates gelezen, dat hij zei: men moet de oude lieden hoogachten, en naarstig letten op hun doen in de weg waarin zij ons zijn voorgegaan, en wij moeten hen navolgen. Omdat uw jaren beginnen toe te nemen, en de ouderdom en de grijsheid daar is, en gij van uw jeugd af u benaarstigd hebt om God te dienen, zo wilde ik graag met u daar eens van spreken, of het mij tot enig nut, stichting, en vertroosting mocht dienen.

VADER. Zoon, vraag mij vrij, ik zal u graag onderwijzen, naar de mate der gaven mij van de Heere meegedeeld, dat het tot Gods eer en enige stichting mocht strekken.

ZOON. Wel vader, de zaken, waar ik graag met u van spreken wilde, zijn deze:

1. Eerstelijk. Waarin de rechte gelukzaligheid en godzaligheid bestaat: hoe ik het best recht godzalig leven kan met een gerust geweten, en met vreugde voor God wandelen.

2. Ten andere. Hoe ik daarin het best kan toenemen en aanwassen; want ik bevind, dat ik daar weinig in kan toenemen.

3. Ten derde. Hoe zulk een godsdienstige ziel gesteld is, omdat ik dikwijls vele en grote veranderingen in mij bevind, waarover ik dikwijls zeer verslagen ben, en twijfel of ik wel een recht gelovige ben.

 

 

 

Hoofdstuk II. Waarin bijzonder de rechte gelukzaligheid en troost van het geweten gelegen is

 

VADER. Zoon, wat uw eerste vraag betreft: waarin de rechte gelukzaligheid bestaat, en hoe dat gij recht godzalig mag leven, en met een gerust geweten en vreugde God dienen? Zo weet 't zoon, dat, of men daar al veel van zegt en schrijft, dat het maar vermoeiing des geestes zo in het maken als in het lezen is, Pred. 12: 12.

't Is alles hierin gelegen: dat wij gemeenschap hebben met God en Jezus Christus. Dit begeerde onze Heere Jezus Christus voor de zijn, Joh. 17: 21, dat ook zij in ons een zijn. Hier besluit de apostel Johannes het alles, 1 Joh. 1: 3, alwaar hij, verhalende het einde van zijn schrijven en prediken, zei: opdat ook gij met ons gemeenschap zoudt hebben, en onze gemeenschap ook zij met de Vader, en met zijn Zoon Jezus Christus, dat is de hoogste gelukzaligheid. Daar deze gemeenschap voorgewend, gevoeld of geloofd werd, daaruit vloeit dan voort de ware godzaligheid, de oefening van die gemeenschap, de oprechte liefde, de hartelijke begeerte, en dat ongeveinsd trachten naar nog klaarder en meer vereniging, naar meer herstelling van dat beeld Gods, en gelijkheid met Hem in kennis, gerechtigheid en heiligheid, en naar meer bekwaamheid om die heerlijke en algenoegzame God te verheerlijken. Dit toont dezelfde apostel in hetzelfde hoofdstuk vers 6 en 7 zeggende: indien wij zeggen dat wij gemeenschap met Hem hebben, en wij in de duisternis wandelen, zo liegen wij en doen de waarheid niet, maar indien wij in het licht wandelen, gelijk Hij in het licht is, zo hebben wij gemeenschap met elkaar. Tracht dan naar gemeenschap met God en Christus, dan zal de oprechte godzaligheid, de vrede des gewetens, en de vreugde des gemoeds volgen.

ZOON. Vader, terwijl dit alles in de gemeenschap met God en Christus gelegen is, en alles daaruit vloeit, zo ben ik begerig, dat die gemeenschap mij wat breder verklaard wordt.

VADER. Zoon, de gemeenschap met God kan drievoudig gesteld worden: voor de val, na de val in de staat van genade, en hierna in 't eeuwige leven.

Eerst voor de val. Toen God de mens eerst geschapen had, had de mens gemeenschap met zijn God, want behalve dat Gods beeld in hem lichtte, werd hem meegedeeld de genoegzaamheid van God de Vader, en de Zoon, en de heilige geest; en de stralen van het onbegrijpelijk licht, vreugde en heerlijkheid lichtten over hem, en daar was een zoete en liefelijke gemeenzaamheid tussen God en de mens, en God ging gemeenzaam met hem om als Hij zei: mijn vermakingen zijn met der mensenkinderen, Spreuk. 8: 31, maar zodra de mens gezondigd had, heeft hij die gemeenschap met God verloren: want de zonden scheiden de mens en God van elkaar. Jes. 59: 1, welke vervreemding hij terstond in zichzelf gewaar werd; want zijn verstand verduisterde in de kennis Gods en zijner weldaden, alle afdelingen van de ziel waren verdraaid en verkeerd, zijn eigen geweten beschuldigde hem, de zoete, gevoelende gemeenschap met God was weg, haar heerlijkheid was veranderd in ellende, de mens was vervreemd en gescheiden van God, en God mocht hem rechtvaardig in die ellendige staat verlaten hebben.

Ten tweede: in de staat der genade. Zo heeft God zich ontfermd over de zijn, en enkel uit liefde en barmhartigheid naar zijn eeuwige wijsheid zijn enige Zoon verordineerd, i Pet. i, welke de mens wederom verzoenen en met God verenigen zou, Ef. 1: 10, en heeft zulks aan onze voorouders Adam en Eva beloofd, en doorgaans door de profeten voorzegd, totdat de volheid des tijd kwam, toen heeft God zijn Zoon gezonden, geworden uit een vrouw, geworden onder de wet, opdat Hij diegenen die onder de wet waren verlossen zou, Gal. 4: 4, 5. Deze heeft door zijn diepe vernedering aan lichaam en ziel, onze zonden en straffen, die wij verdiend hadden, weggenomen, Jes. 53, en Gods gerechtigheid voldaan, 1 Kor. 5: 2 1, en de mens alzo wederom in de gemeenschap met God gebracht. Jezus Christus, die Eén is met de Vader, Joh. 10: 30, is de grond van onze vereniging met God. Welke vereniging en gemeenschap de kinderen Gods deelachtig worden, uitwendig door het Woord Jak. 1: 18, en inwendig door zijn Geest, 1 Joh. 4: 24. En aan onze zijde, door het geloof, waardoor wij Christus aannemen en alzo met Hem verenigd worden; want door het geloof woont Christus in onze harten, Ef. 2: 17. Gal. 2: 20, en door Hem krijgen wij wederom gemeenschap met God, 1 Pet. 1: 21, doch deze gemeenschap is in dit leven nooit volkomen, 1 Kor. 13: 9, 12.

Ten derde: zullen wij gemeenschap in de hemel hebben met God: dan zal deze onze gemeenschap volkomen zijn. Want als 't volmaakte zal gekomen zijn, dan zal hetgeen dat ten dele is teniet gedaan worden, 1 Kor. 13: 10, en wij zullen zien van aangezicht tot aangezicht, en dan zullen wij kennen gelijk wij gekend zijn, 1 Kor. 13: 12, en zullen veranderd worden van heerlijkheid tot heerlijkheid, 2 Kor. 3: 18, van welke gemeenschap gezegd wordt: Openb. 21: 14. Ziet, de tabernakel Gods is bij de mensen, en hij zal bij hen wonen, en zij zullen. zijn volk zijn, en God zelf zal bij hen wonen, en hun God zijn, tenslotte, dan zal God alles zijn in allen, 1 Kor. 15: 28.

Als ik nu zeg, dat alle vreugde en ware gelukzaligheid gelegen is, in met God en de Heere Jezus Christus gemeenschap, te hebben, zo spreek ik van die gemeenschap, die de gelovigen hier op aarde in de staat der genade genieten. Welke niet is een lichamelijke gemeenschap, maar een geestelijke. En daarin is gelegen, dat wij weten dat God ons bij name kent, en wij genade gevonden hebben in zijn ogen, als God de Heere tot Mozes zei, Exod. 33: 12, dat Hij ons liefgehad heeft van alle eeuwigheid, Ef. 1: 4, ons verlost heeft door zijn enige Zoon, Rom. 8: 32, dat hij ons deelachtig gemaakt heeft zijn liefde en goedheid, 2 Thess. 1: 11 gerechtvaardigd van onze zonden, Rom. 8: 32, ons bewaard en liefhebben zal tot in alle eeuwigheid, dat wij deze zijn gemeenschap vertrouwen door het geloof, gevoelen in onze harten, Rom. 5: 5, Rom. 8: 16. En dat wij hem kennen, en zien met een geestelijk gezicht, met de ogen der zielen, hem omhelzen door het geloof en de liefde, hem gevoelen door een innerlijke genade, en vergenoeging, vreugde en gerustheid, en zijn liefde smaken en alzo in hem leven en in hem wandelen. Ziet daarin, zeg ik, is alle vreugde en gelukzaligheid gelegen: de ziel zo met God en Christus verenigd zijnde, en gemeenschap hebbende door een verborgen vereniging, wordt te geestelijker, omdat zij met God, die een volmaakte Geest is, verenigd is, en zijn volheid en genoegzaamheid in haar vloeit, zodat zij met smeer en vettigheid verzadigd wordt, Ps. 36: 6, en hoe de ziel deze gemeenschap en vereniging meer geniet, hoe zij al hoger wordt opgetogen in dezelfde gemeenschap, en nog al meer wil genieten; en dikwijls met een zonderlinge geestelijke vreugde en gerustheid overgoten wordt in God, in Christus en zijn liefde en genade, dat zij roemt als met vrolijk zingende lippen, Ps. 63: 6. En die ziel wil niet als God en Christus lief hebben, en gehoorzamen. En kan noch wil niet zondigen naar de vernieuwden geest, 1 Joh. 3: 9, daarin bestaat de rechte gelukzaligheid.

 

 

 

Hoofdstuk III. Begrijpende de tweede vraag in het begin gesteld, dat een gelovig mens wel graag zou toenemen in de gemeenschap van God en Christus, en klaagt dat hij niet kan

 

ZOON. Vader, ik versta nu wel, dat het is een heerlijke zaak met God en de Heere Jezus gemeenschap te hebben. Maar ik gevoel dezelve niet, en ik weet niet of ik die ooit recht heb genoten, en als ik al wat mocht genoten hebben, dit is zo duister, dat ik niet weet of het wel de rechte gemeenschap met God is, want zij verandert in mij zeer spoedig en verduistert wederom; zodat het is of ik bijna niet weet wat het is gemeenschap te hebben met God en Christus.

VADER. Zoon, om u hierop te antwoorden, zo weet, vooreerst dat alle gelovigen niet komen tot een gelijke mate der wedergeboorte, en gaven der genade, om hemelse verborgenheden te begrijpen, maar elk wordt genade gegeven naar de mate der gave van Christus, Ef. 4: 7. En alle gelovigen ontvangen geen vijf talenten, Matth. 25. En alle akkers dragen geen honderdvoudige vruchten, al is 't ook goede aarde, maar sommigen ook zestig en dertigvoud, Matth. 13. Gelijk alle takken aan een boom niet evenveel vruchten, noch alle ranken aan de wijnstok niet evenveel druiven voortbrengen, al hebben zij alle haar vochtigheid uit de wortel, zo is het ook in het geestelijke, alle gelovigen zijn geen vaders in 't geloof als Abraham, Rom. 4, daar zijn ook lammeren onder de kudde van Christus, Jes. 40: 11, zwakke schapen, Ezech. 34, kinderen die melk nodig hebben Hebr. 5, en die zwak zijn in 't geloof, Rom. 14.

En alle gelovigen worden ook niet even veel hemelse verborgenheden getoond, gelijk alle discipelen van Christus niet getoond werd Christus' heerlijkheid, 't waren alleen drie uit hen, te weten Petrus, jakobus en Johannes. Luk. 9. Paulus alleen was opgenomen in de derde hemel, en hoorde onuitsprekelijke woorden.

Alzo wordt de een gelovige meer gaven gegeven als de ander, en de een groter geloof als een ander, en de een worden meer hemelse verborgenheden getoond als een ander, en zijn nochtans alle kinderen Gods.

Sommige gelovigen kennen God en Christus en geheel duister ook de hemelse verborgenheden en zien hem als van ver, omdat zij aan haar ziel niet zo zijn verlicht, daarom bad Paulus voor die van Efeze, dat God hun wilde geven de Geest der wijsheid, en der openbaring in zijn kennis verlichtende de ogen huns verstands, Ef. 1: 17, 18, en hoofdst. 3: 18, opdat zij ten volle kunnen begrijpen met alle heiligen.

Daar zijn wederom andere gelovigen, die hebben wat klaarder en meer verlichting als de voorgaande, dat zij als met ongedekt aangezicht de heerlijkheid des Heeren als in een spiegel aanschouwen. 2 Kor. 3: 18, waarom ook Paulus de gelovigen onderscheidt, Fil. 3: 15 zeggende van sommigen. Zoveel dan als wij volmaakt zijn, en vers 16, doch waar wij toe gekomen zijn, laat ons daarin naar dezelve regel wandelen, welke volmaaktheid niet is, ten aanzien van Gods wet dat zij daartoe gekomen waren, maar in tegenstelling van andere gelovigen, die nog zo ver in de volmaaktheid niet gekomen waren.

Wederom zijn daar enige gelovigen, die nog al hoger in genade en wedergeboorte komen, en de hemelse verborgenheden begrijpen, die als met Johannes liggen in de schoot van Jezus, en met het hoofd als op de borst van Jezus, deze werden ver boven de voorgaande hemelse verborgenheden getoond, en zien met Mozes en Aäron, en de 70 Oversten van Israël de God Israëls klaarder in heerlijkheid, Exod. 24: 10.

En gij, mijn zoon, moet wel trachten om toe te nemen in genade, maar evenwel tevreden zijn met die gaven die God u belieft mee te delen; want het is al dezelfde Geest, die in het geloof werkt, delende nochtans een ieder, gelijk Hij wil, 1 Kor. 12, alzo dat zij nochtans ijveren naar de beste gaven. 1 Kor. 12: 31. En verslaat u ook niet al te zeer, als God u in zulke hoge verborgenheden niet gelieft op te trekken als wel andere: als de Heere u een van zijn gelovigen belieft te maken, en als een lammetje van zijn kudde u met melk voedt, was dat dan nog niet wel, als gij evenwel een van zijn kinderen was, en u in al uw zwakheden nog in zijn armen droeg, en u hiernamaals bij hem opnam in 't eeuwig leven? Daarom versterk uw hart met de genade, Hebr. 13, en hoop volmaakt op die genade die u toegebracht wordt, 1 Pet. 1: 13.

Ten andere, zo dient tot uw troost ook, dat een gelovig kind Gods, zodra hij wedergeboren wordt, niet terstond komt tot de hoogste trap der wedergeboorte en genade: gelijk een kind, zodra het geboren is terstond niet groot is, maar wast allengs, alzo is het ook met de tweede geboorte: de hemelse genaden wassen allengs aan: gelijk de wateren die de profeet Ezechiël zag vloeien van onder de dorpel van 't huis des Heeren, die eerst waren tot aan zijn enkel, daarna aan zijn knieën, vervolgens aan zijn lenden, daarna kon hij daar niet doorgaan, want de wateren waren hoge wateren waardoor men zwemmen moest, Hfdst. 47. Alzo gaat het doorgaans met de wateren des heilige geestes in onze wedergeboorte. En gelijk het koren dat gezaaid is opschiet als kruid, daarna de aren, daarna het volle koren in de aren, Matth. 4: 22 alzo wassen de gelovigen in de kennis Gods, Kol. 1: 10, in de liefde, Ef. 4: 15, en alle genade tot volmaking des Heiligen, totdat zij komen tot een volkomen man, tot de mate der grootheid en volheid van Christus, Ef. 4: 12, 13. En dat geeft Johannes te kennen als hij spreekt van kinderen, jongelingen en vaders. 1 Joh. 2, niet alleen van jaren en ouderdom onder de gelovigen, maar bijzonder ten aanzien van de aanwas der genade, en wedergeboorte gelijk dat klaar is uit de woorden zelf; want hij stelt onderscheid van genade, als hij zegt van de kinderen: gij hebt de Vader gekend, te weten van onze Heere Jezus Christus, en dat Hij is onze Vader om zijnentwil geworden, Joh. 20: 17, welke wel is een zaligmakende kennis, maar niet in de hoogste graad. En van de jongelingen: gij bent sterk te weten in 't geloof, hetwelk wel zijn kan in een gelovig kind Gods, al is hij niet tot de hoogste graad van genade gekomen. En van de vaders zegt hij: gij hebt Hem gekend, die van de beginne is: en alzo stelt hij de vaders in een hogen graad van kennis en genade; een jong kind heeft de sterkte en 't begrip niet van de VADER. Een boom eerst nieuw geplant heeft de wortelen zo diep niet geschoten als een die lang gestaan heeft.

Zo moet gij dan, mijn zoon, u niet al te zeer bedroeven, dat gij terstond niet kunt komen tot de hoogste trap van hemelse genade, maar gij moet denken, zij wast allengs aan, en zo zal ze ook in u aanwassen, zoveel als God wil tot zijn eer en tot uw zaligheid, en zo moet gij eerst een kind, daarna een jongeling wezen, en eindelijk een vader worden. En al wordt gij nooit een vader in de aanwas der genade, maar bleef een kind of jongeling, (want alle gelovigen worden niet zo hoog in de genade opgetogen dat zij vaders in Christus worden) zo was het nog wel, als gij een kind Gods was, al beliefde het God niet u zover te brengen als wel sommige gelovigen.

Doch daar moet niet wezen een geestelijke ernsteloosheid en luiheid, omdat middel ijverig te betrachten om toe te nemen; want die niet zoekt toe te nemen, die neemt af, want in de godzaligheid is geen stilstaan, daarom moeten wij nalaten het beginsel der leer van Christus, en tot de volmaaktheid voortvaren, Hebr. 6: 1 want het pad der rechtvaardigen is gelijk een schijnend licht, voortgaande en lichtende tot de volle dag toe. Spr. 4: 18. En zo vermaant ons Paulus, 1 Thess. 4: 1: Wij bidden en vermanen u dan in de Heere Jezus, gelijk gij van ons ontvangen hebt, hoe gij moet wandelen en Gode behagen, dat gij daarin meer overvloedig wordt. Petrus zegt, wij moeten als nieuw geboren kinderkens zeer begerig zijn naar de redelijke en onvervalste melk, opdat gij door dezelve mag opwassen, 1 Petr. 2. Wast op in de genade en kennis van onze Heere en Zaligmaker Jezus Christus, 1 Petr. 3: 18. Wie heilig is, dat hij nog geheiligd worde. Openb. 22: 1 L

ZOON. Vader, gij hebt verhaald uit Johannes van kinderen, jongelingen en vaders in Christus, ik wilde wel, dat gij mij elk wat nader verklaarde, wat onderscheid er tussen hen is.

VADER. Zoon, ik zal 't graag doen, en zal eerst wat zeggen, van de kinderen in Christus, en dan van de jongelingen, en dan van de vaders.

 

 

Hoofdstuk IV. Van de kinderen in Christus

 

Wat aangaat de kinderen in Christus: er is nog een groot onderscheid tussen hen en de vaders en jongelingen: want vooreerst, die zijn nog in 't verstand zo hoog niet verlicht om God, zijn werken, weldaden, wil en rechte godzaligheid des levens te kennen, want zij hebben door gewoonte hun zinnen nog niet geoefend, Hebr. 5: 14, alhoewel zij God kennen met een duister gezicht, en hem als hun vader aanroepen, want Gods kinderen roepen door de Geest Abba Vader, Rom. 8: 15. Ten tweede, zij zijn ook nog in 't begin van de strijd der wedergeboorte, en het vlees heeft daarom nog meer kracht in haar, en doet haar lichter struikelen als kinderen die eerst beginnen te gaan, alhoewel zij met een oprecht hart het wel menen, en altijd in alles wel willen wandelen, en God niet willen vertoornen, nog zondigen, en met Paulus wel zeggen met een gewillig gemoed, Heere, wat wilt Gij dat ik doen zal. Hand. 9. Ten derde, zij kunnen ook die hoge stukken van de Christelijke godsdienst in hun kracht zo niet begrijpen, maar dienen God met een kinderlijke eenvoudigheid, en hebben nog melk van node en niet vaste spijze, omdat zij nog onervaren zijn in deze hemelse verborgenheden, Hebr. 5: 12, 13, daarom kan die hoge gemeenschap met God en Christus en de hemelse verborgenheden nog in hen zo geen plaats hebben, maar God voedt hen met zoete melk van inwendige genade, en ook wel met geestelijke vreugde, waardoor zij al meer en meer zeer begerig worden naar de redelijke en onvervalste melk van Gods Woord, om daardoor op te wassen, 1 Petr. 2: 2, en verlangen naar heilige en Goddelijke samensprekingen, en bij de vromen te wezen, want God stort hun zulk een zoete trek in naar Hem en zijn genade, dat zij Hem nalopen in de reuk zijner olie, Hoogl. 1: 3, 4, waardoor zij naar hun begrip en bekwaamheid aan hun ziel gevoed worden naar Gods wijsheid, tot zijn eer, en hun zaligheid, al hebben zij niet die hoge gemeenschap met God en de Heere Jezus Christus.

Mijn zoon, zo gij nog een kind bent in de wedergeboorte, zo moet gij u niet voorstellen om in u juist te bevinden, en u te troosten met hetgeen de vaders meer eigen is als de kinderen. 't Moet u genoeg wezen, dat de Heere u voedt met melk, dat Hij u geeft lust en zoetheid in zijn woord, en een Goddelijke droefheid naar God, dat gij God vertoornd hebt, en een ijverige begeerte om met God verzoend te wezen, en te hebben een gehoorzaam hart om voor God oprecht te wandelen en Hem te gehoorzamen, en dat gij de zonden haat en vijand bent, dat is genoeg om u te verzekeren dat gij een kind Gods bent.

 

 

Hoofdstuk V. Van de jongelingen in Christus

 

Johannes spreekt ook van jongelingen, 1 Joh. 2: 13, te weten in Christus; dat zijn diegenen, die wat verder in de genade en wedergeboorte toegenomen hebben als de kinderen; gelijk de jongelingen sterker zijn als de kinderen, alhoewel zij zo hoog niet zijn gekomen in genade als de vaders.

Deze jongelingen hun kennis en begrip van Goddelijke dingen gaan hoger als die der kinderen, want zij hebben de zinnen meer geoefend tot onderscheiding van goed en kwaad, Hebr. 5: 14, zo van God en zijn weldaden, als van hun schuldigen plicht. Daartoe zijn zij doorgaans sterk in 't geloof, en geestelijke krachten, en zij kunnen meer en vaster op Gods Woord en beloften steunen, daarom zegt Johannes van hen: gij bent sterk en het Woord Gods blijft in u.

Zij worden ook veeltijds van God in zware en grote strijd gesteld met de duivel, Ef. 6, Openb. 12, als met hun eigen vlees, Gal. 5: 17, en over de betrachting der godzaligheid om God te dienen, en al meer toe te nemen, gelijkerwijs de jongelingen meest in de krijg gebruikt werden om te vechten, alzo werden deze jongelingen in Christus doorgaans in de strijd geoefend tegen de geestelijke vijanden, en God toont hen hoeveel zij lijden moeten om zijns naams wil, Hand. 9, en dat de hemel met geweld moet ingenomen worden, Matth. 11. God leidt hen dan dikwijls om in de dorre woestijn van aanvechting en ellende, eer hij naar hun hart spreekt, Hos. 2, gelijk hij Israël in de dorre woestijn omleidde eer hij ze in Kanaän bracht. En als God hun dan uiteindelijk een zonderlinge genade en vertroosting geeft, dat is dan als een teken van overwinning na veel en lang strijden, en de rust na zeer bloedige arbeid. Alhoewel God hen ondertussen in hun strijden in dien weg naar dat hemels Kanaän door de dorre woestijn van aanvechting, benauwdheid en verlating voedt met hemels brood tot hun versterking, als Israël in de woestijn met het manna en met het brood der engelen, om een groten weg met Elia te gaan, 1 Kon. 18.

Zo weet dan, mijn zoon, in de Heere, dat eer gij komen kon tot die hoge en nauwe gemeenschap met God, dat gij eerst moet strijden als een goed dienstknecht van Jezus Christus, 2 Tim. 2, want wij kunnen terstond niet komen tot rust voor de arbeid, en de overwinning uitroepen voor de strijd; ondertussen moet gij lopen in de weg des Heeren, en vergeten 't geen achter is, en u strekken tot hetgeen voren is, en jagen naar het wit tot de prijs der roeping Gods, die van boven is, Filip. 2: 13, want de openbaring van hemelse dingen is niet afgescheiden van een ijverige betrachting der godzaligheid, en zich tevreden te houden met die genade, die God geeft, totdat u hogere dingen geopenbaard worden. Ondertussen wees zeker, dat gij een kind Gods bent, zelfs uit de strijden dien gij onderworpen bent, want de duivel neemt krijg aan tegen diegenen, die het Woord Gods en het getuigenis van Jezus Christus houden, Openb. 12, en in de wedergeboorte strijdt het vlees tegen de geest. Gal. 5: 17, en daarom vervolgt u de Satan, omdat gij uit zijn rijk bent ontkomen, als Farao Israël, omdat zij uit Egypte waren getogen.

En hoe menigmaal heeft de Heere in uw zwakheid zijn sterkte betoond, dat gij voelde dat zijn genade u genoeg was, 1 Kor. 12.

En daarbij is dat een gewis teken van uw kindschap, dat gij nu en dan immers gevoeld hebt, dat Gods Geest tot uw geest getuigde, dat gij een kind Gods was, Rom. 8: 16.

En Hij heeft u ook nu en dan wel laten gevoelen zijn liefde. in uw hart, daarom zal uw hoop niet beschamen, Rom. 5: 5.

En hoe menigmaal hebt gij uw Zaligmaker met geloof en liefde omhelsd, daarom hebt gij aan uw zaligheid niet te twijfelen; want God heeft het koninkrijk beloofd dengenen, die Hem liefhebben, Jak. 2, en die grote gelukzaligheid die het oog niet heeft gezien, en het oor niet heeft gehoord, en in het hart des mensen niet is opgeklommen, heeft God bereid dien, etc. Hem liefhebben, 1 Kor. 2: 9, al uw worstelen is uit liefde tot God, al gevoelt gij liet niet. En daarbij als de Heere u dan die genade voor een tijd onthoudt, hoe bedroefd bent gij dan? gij bent dan met de Bruid van Christus krank van liefde en treurt, omdat de Bruidegom niet bij u is, Matth. 9.

En hoe verlangt gij dan dikwijls naar zijn genade en tegenwoordigheid, dat gij met de Bruid van Christus wel zegt: Zet mij als een zegel op uw hart, als een zegel op uw arm: want de liefde is sterk als de dood, Hoogl. 8: 6, hoe verlangt en dorst dan uw ziel met David naar God, Ps. 63: 2, dat gij wel zegt, mijn ziel dorst naar u, mijn vlees verlangt naar u, en daarom mag gij zeker weten, dat hij u zal geven te drinken uit de Fontein van dat levend water. Openb. 21.

En als hij dan wederom zijn gunst laat gevoelen, hoe verblijdt gij u met Jakob, Gen. 32, want als gij Gods vriendelijk aanschijn maar mag zien, zo bent gij vergenoegd met Azaf, Ps. 73: 25, 26, ziet zo wees dan evenwel zeker van Gods liefde, en genade, al kunt gij ze zo hoog niet hebben als gij graag wilde.

 

 

Hoofdstuk VI. Van de vaders in Christus

 

Maar die nu vaders in Christus geworden zijn, hun kennis gaat hoger, gelijk Johannes van de. vaders zegt: gij hebt Hem gekend die van de beginne is, 1 Joh. 2: 23, niet alleen in zijn onbegrijpelijke heerlijkheid en Majesteit, maar ook in zijn eeuwig welbehagen, 't welk hij in hen gehad heeft, dat hij hen liefgehad heeft van alle eeuwigheid, en Zich hunner ontfermd heeft, Exod. 33. Ef. 1: 4, en in de weldaden, die zij in de tijd ontvangen, als dat God hen door zijn Zoon verlost heeft, hun geroepen heeft gerechtvaardigd, en hiernamaals verheerlijken zal. Rom. 8: 30, die weldaden kennen zij beter, en zien die dieper in, wat een breedte en lengte en diepte en hoogte, en wat een uitnemende liefde het zij, Ef. 3: 18, 19. En zij gaan gemeenzaam met God en Christus om, zijn zeer nauw in onderlinge liefde met Hem verenigd; zij smaken en gevoelen meer de onuitsprekelijke zoetheid die in God is, zij hebben Christus' blijdschap meer vervuld in hen, Joh. 17: 21, als de kinderen of jongelingen in Christus, en zijn meer volkomen in de liefde, 1 Joh. 4, en verblijden hun meer met een heerlijke en onuitsprekelijke vreugde, 1 Pet. 1, hun vlees is meer door de Geest ondergebracht als in de kinderen of jongelingen, daarom valt het hun zon zwaar niet om God te dienen, maar zij dienen God met gemak en vermaak, en richten dikwijls meer uit met minder strijd, als de kinderen of jongelingen, zij zijn vaster en gestadiger, zodat zij zo licht hen niet verslaan over enige strijd en verandering van het gemoed, omdat zij door lang ervaring de wegen van God met zijn kinderen kennen, en zij hebben een vaster orde des levens in God te dienen, van welke zij hen niet licht laten afvoeren.

Nochtans moet gij niet menen, mijn zoon, dat ik wil zeggen dat zij volmaakt zijn, och neen! de allerbeste kent maar ten dele, 1 Kor. 13 en daar is de uitwerking na, zij zijn hier niet volmaakt, zij grijpen het hier niet, Filip. 3, maar in de hemel daar zijn alleen volmaakte rechtvaardigen, Hebr. 12: 32, en wij zullen volmaakt wezen, als wij daar een volkomen man in Christus geworden zijn. Ef. 4: 13.

Ook wil ik niet zeggen, dat zij altijd zo hoog in de gemeenschap met God en Christus en zijn gevoelende genade zouden wezen; och neen! daar komen dikwijls ook wel grote verminderingen, Mozes was altijd niet op de berg bij God, toen God al zijn goedheid en heerlijkheid voor hem liet voorbijgaan, en God voorbij hem ging, hem met zijn hand overdekte, en hij Gods achterste delen zag, Exod. 33 en 34. De drie discipelen die met Christus op de berg waren, zagen zijn heerlijkheid niet altijd, Matth. 17, en Paulus was altijd niet opgenomen in de derde hemel, in 't paradijs Gods, en hoorde niet altijd de onuitsprekelijke woorden, 2 Kor. 12, nog Johannes was niet altijd in de Geest, gelijk hij was op dien dag des Heeren, toen hem Christus veel verborgenheden toonde. Openb. 1, want wij hebben hier onze rust nog niet, maar er blijft een rust voor het volk Gods, Hebr. 4: 9, en wij wandelen nog door geloof, en niet door aanschouwen, 2 Kor. 5.

Ja zoon, die zon van genade kan zo in Gods kinderen verduisteren, dat zij geheel in duisternis schijnen te zitten, dat zij geen licht zien. Jes. 50, dat vaders wel schijnen kinderen voor een tijd geworden te zijn, waarvan in 't volgende meer zal gehandeld worden.

 

 

Hoofdstuk VII. Begrijpende de bovengestelde derde vraag, hoe een godsdienstige ziel gesteld is, zowel in vertroosting als in vermindering

 

ZOON. Vader, ik heb nu wel verstaan, dat alle gelovigen niet ontvangen even grote gaven, en dat men terstond niet komt tot de hoogste trap van genade, en dat men eerst is een kind, en daarna een jongeling, en alzo wordt een vader in Christus, en dat sommige gelovigen altijd wel blijven kinderen of jongelingen in Christus, en nooit komen tot die sterkte en genade dat zij vaders in Christus werden; nu begeerde ik wel graag te horen, hoe een gelovige ziel bijzonder die een vader is in Christus, en nu nauw met God en de Heere Jezus Christus is verenigd en gemeenschap heeft, gesteld is, wanneer hij daarin is opgetogen en dat gevoelt, opdat ik daar enigszins de uitnemendheid en heerlijkheid uit zien kon, alsook of hij die genade niet wel wederom mist, en hoe hij dan gesteld is.

VADER. Zoon, ik zal naar mijn vermogen graag daarop antwoorden, maar gij moet weten dat dit een hoge leer is voor diegenen, die eerst beginnen in de praktijk der godzaligheid, en dat zij moet dienen voor diegenen, die door gewoonte de zinnen geoefend hebben, en door de bevinding de kracht er nu en dan van smaken.

Ook zo kan de uitnemendheid en heerlijkheid van deze gemeenschap, die de gelovige zielen als vaders in Christus uiteindelijk met God en Christus genieten, beter gevoeld, als gezegd worden. Zo ook die diepe verlatingen, dien zij wel mee onderworpen zijn.

Evenwel zo zal ik van elk wat zeggen.

Eerst, van die zoetheid van de gemeenschap met God en Christus.

Ten andere, hoe zij die uiteindelijk missen.

Wat het eerste aangaat, van de troostelijke gemeenschap met God, en de Heere Jezus Christus, zo zeg ik: dat de heerlijkheid en uitnemendheid hier enigszins uit gezien kan worden, omdat de ziel die verenigd is en gemeenschap heeft met God en de Heere Jezus Christus, en die dezelve gevoelt, niet te begrijpen, veel minder uit te spreken is, want de vrede Gods gaat alle verstand te boven, Filip. 4. En daarenboven kan de uitnemendheid van deze gemeenschap hieruit afgeleid worden.

1. Ten eerste, omdat die ziel verenigd is met die algenoegzame God, die Fontein des levens, het opperste goed, en de Fontein van alle gelukzaligheid, met die God van welke Mozes zei: Niemand is er gelijk God, o Jeschurun! die op de hemelvaart tot uw hulp, en met zijn hoogheid op de bovenste wolken, de eeuwige God zij u een woning, en van onder eeuwige armen, Deut. 33: 26, 27, daar ziet die ziel, die met God is verenigd, hoe gelukzalig dat zij is, en staat als verwonderd en verbaasd: want die God is de heerlijkheid hunner sterkte, Ps. 89. En gelukzalig is dat volk wiens God de Heere is, Ps. 144: 15.

2. Ten andere, die ziel gevoelt dan al wat God is, dat hij hen ten beste is, zijn genoegzaamheid, barmhartigheid, goedertierenheid, lankmoedigheid, goedheid, almachtigheid, waarheid, welke Hij hun deelachtig maakt, gelijk de zon zijn licht meedeelt aan alle schepselen die onder haar gevonden worden; daarom zei God tot Abraham om hem te vertroosten: Ik ben God, de Almachtige, Gen. 17: 1. God wil zeggen, al wat Ik ben, ben Ik tot uw beste, alzo vertroost God hem ook, Hfdst. 15: 1. En vrees niet Abraham, Ik ben u een schild, uw loon zeer groot; alsof God zeggen wilde, wilt gij meer, wat hebt gij meer van node. Zulk een inspraak en vergenoeging vindt de gelovige ziel ook in Hem, als zij met God en de Heere Jezus zoetelijk in een gevoelige gemeenschap is verenigd, dat zij met David wel zegt: De Heere is mijn herder, mij zal niets ontbreken, Hij doet mij neerliggen in grazige weiden, Hij voert mij zachtjes aan zeer stille wateren, Ps. 23: 1, 2. Alzo is God die ziel alleen een genoegzaam en volkomen vergenoeging, en buiten Hem begeren zij niet.

3. Ten derde, die ziel die zo met zijn God en Zaligmaker is verenigd in die gevoelige en liefelijke gemeenschap, die wandelt in zijn hart als onder de vuur‑ en wolkkolom der genadige bewaring en bescherming Gods, gelijk Israël eertijds deed; en God is voor hen, wie zal dan tegen haar zijn, Rom. 8: 31. Die ziel woont dan in de hoogte, de sterkten der steenrotsen zijn haar hoog vertrek, Jes. 33: 16, en zij hebben vrede met hun God, Job. 4: 24. En die ziel vreest dan dikwijls niet, al moest zij gaan in een dal der schaduw des doods, want de Heere is met hen, en zijn stok en staf troost hen, Ps.23: 4. Want de Heere zal over alle woning van de berg Zions, en over hun vergaderingen, scheppen een wolk des daags, en een rook en glans eens vlammenden vuurs 's nachts: want over alles wat heerlijk is, zal een beschutting wezen, en daar zal een hut zijn tot een schaduw des daags tegen de hitte, en tot een toevlucht, en tot een verberging tegen de vloed en tegen de regen, Jes. 4: 5, 6.

4. Ten vierde, blijkt de heerlijkheid van deze gemeenschap met God daaruit, dat die ziel dan zo verlicht wordt met een hemels licht, en ziende in God zulk een onbegrijpelijke en ondoorgrondelijke heerlijkheid, majesteit, volmaaktheid, genoegzaamheid, verwonderd staande Hem niet genoeg weet te verheerlijken, en te prijzen, en zegt met David: de Heere is groot en zeer te prijzen, en zijn grootheid is ondoorgrondelijk, Ps. 145: 3. En Ps. 150: 1, Looft Hem vanwege zijn mogendheden, looft Hem naar de menigvuldigheid zijner grootheid. En alzo vermaakt zich die ziel wonderlijk in Gods heerlijkheid en majesteit, en weet Hem niet genoegzaam te verheerlijken.

5. Ten vijfde, blijkt ook die uitnemendheid van deze gemeenschap met God en de Heere Jezus Christus, doordien de ziel dan dikwijls gebracht wordt tot een hoog begrip en verwondering van Gods zonderlinge liefde en weldaden hun bewezen, dat zij genade gevonden heeft in de ogen des Heeren, en Hij hen bij name kent, Exod. 33: 17, hen bemint heeft van eeuwigheid, Ef. 1: 4, hen verlost heeft door zijn Zoon, zijn liefde en weldaden deelachtig gemaakt heeft, gerechtvaardigd heeft van de zonde, bewaard heeft, en liefhebben zal tot in eeuwigheid. Waardoor de ziel dan dikwijls de Heere wederom met een wonderlijke liefde liefelijk omhelst, en zij weet niet hoe zij zich genoegzaam verkleinen, en God in zijn liefde verheerlijken zal, dat God haar zo ellendig en zondig zijnde met zulken liefde en barmhartigheid omhelst en zegt wel met Jakob: Ik ben geringer dan al deze weldadigheid, en al deze trouw, welke gij aan uw knecht gedaan hebt, Gen. 32: 9. En met David: Wie ben ik Heere, en wat is mijn huis dat Gij mij tot hiertoe gebracht hebt, 2 Sam. 7: 18.

6. Ten zesde, blijkt de heerlijkheid en uitnemendheid van deze gemeenschap met God en de Heere Jezus daarin, dat zij in God en Christus een wonderlijke zoetheid en liefelijkheid vindt, Ps. 147: 1, en gevoelt dat Hij zo zoet, zo lieflijk, zo vermakelijk is, dat het alle begrip te boven gaat; de zoetheid in God gaat alle zoetheid te boven, en zij doet al wat in de wereld is versmaden, de ziel is dan gerust, en zo vermaakt in God, dat men die zoetheid en gerustheid niet zeggen noch aan anderen verhalen kan, 't is een onuitsprekelijke en heerlijke vreugde, 1 Petr. 1: 8, dat Azaf wel mag zeggen: Mij aangaande, 't is mij goed nabij God te wezen, Ps. 73: 28. En David, dat zijn goedertierenheid beter is dan het leven, Ps. 63: 4. En de Bruid van Christus: zijn vrucht is mijn gehemelte zoet, Hoogl. 2; dan drinkt zij uit de beek zijner wellusten, Ps. 36: 9. 0 zoet gezelschap, met God en de Heere Jezus gemeenschap te hebben 1 Gelijk Christus' gezelschap de twee discipelen naar Emmaüs gaande, hun hart brandend maakte, daar zij Christus noch zijn ambt niet recht kenden; zou dan een gelovige ziel niet wonderlijk brandende zijn, die zo met Christus in liefde verenigd is, en in zijn gemeenschap opgenomen!

7. Ten zevende, deze gemeenschap met God en de Heere Jezus Christus brengt een gelovige ziel wel zo hoog in God en Christus, dat zij lieflijk in God en Christus rust, met een zoete en lieflijke omhelzing, en lieflijk leunt op haar liefste, Hoogl. 8: 5, en zegt: ik heb grote lust in zijn schaduw, en zit er onder, en zijn vrucht is mijn gehemelte zoet; hij voert mij in 't wijnhuis en de liefde is zijn banier over mij, Hoogl. 2: 3, 4, want haar Bruidegom, Christus, kuste haar dan met de kussen zijns monds, Hoogl. 1: 2, en zij is dan gezalfd met vreugdeolie, Ps. 45. Zij voelt dan dat alle haar zonden en zwakheden zijn vergeven, en dat zij in Christus volmaakt is, en zij heeft dan reeds 't begin van de hemel in haar hart, want die zoete uitvloeiing des Heiligen Geestes in haar hart, en wonderbare gerustheid in de ziel is het begin van het koninkrijk Gods, Rom. 14: 17, en dat is een onderpand van haar erfenis, en van de verkregen verlossing. 't Is van dat Manna dat verborgen is, Openb. 2: 17. Dan spreekt de Heere tot hun hart: vreest niet, want Ik ben met u, en zijt niet verbaasd, want Ik ben uw God, Jes. 41: 10; waarop die ziel dan antwoordt: ik zal niet vrezen, al veranderde de aarde haar plaats, en al werden de bergen verzet in 't hart van de zee, Ps. 46. Want waarom zou die ziel niet welgemoed wezen, terwijl zij gevoelt dat zij God tot een Vader heeft, Jezus Christus tot haar broeder en verlosser, en de heilige geest tot een trooster, en de Heilige Engelen tot haar bewaarders, en zij een is met God en Christus die in haar leeft, en zij in Hem, Gal. 2: 20. In één woord, met God in een zoete en gevoelende gemeenschap verenigd te wezen, en hoog opgetrokken te zijn, welk hart zal dat begrijpen, welke tong zal die gelukzaligheid uitspreken die daarin verborgen is! 't Is een grote zegen onder de engelen te zijn, gelijk als de Heere van Jozua de hogepriester zei: Zo gij in mijn wegen zult wandelen, enz. Ik zal u wandeling geven onder deze die hier staan, Zach. 3: 7, te weten de heilige engelen. 't Is ook een grote gelukzaligheid te komen in de gemeente der eerstgeborenen, Hebr. 12: 23. En hierna met Abraham, Izak en Jakob aan te zitten in het koninkrijk der hemelen, ‑ Matth. 8: 23. Maar wat is dat al, met God gemeenschap te hebben? 't Is hier zelfs zo zoet, en de ziel, als zij het gevoelt, wenst dikwijls naar de volkomen gemeenschap hier boven, die niet wederom zal verduisterd en bezwalkt worden, maar eeuwig zal duren, wat zal 't daar dan zijn?

 

 

Hoofdstuk VIII. Dat Gods kinderen soms de gemeenschap Gods en Christus in zich niet gevoelen, maar vervreemden en verduisteren: en hoe het komt dat die gemeenschap zo vermindert en verduistert

 

ZOON. Vader, ik versta wel, dat het een heerlijke en uitnemende zaak is, met God en de Heere Christus gemeenschap te hebben: nu begeerde ik wel, dat gij mij eens verklaarde, hoe de gelovigen die al vaders in Christus zijn, deze troostende en gevoelende gemeenschap met God en de Heere Christus ook wederom kunnen missen.

VADER. Ja zoon, die kinderen Gods die alzo ver in genade zijn gekomen, dat zij als Vaders zijn in Christus en al hoog opgenomen zijn geweest in zonderlinge genade en gevoelende gemeenschap met God en de Heere Jezus Christus, kunnen dat gevoelen wel wederom missen, en dat kan ook zo in ben verduisteren, dat zij het licht niet zien, Jes. 50: 10, en nauwelijks enige gevoelende werking in zich kunnen gevoelen en gewaar worden, ja zo ver alsof zij nooit zulke hoge en zoete gemeenschap en gevoelende vereniging met God, en de Heere Jezus Christus gehad hadden, ja dat zij bijna niet weten wat het. is. En integendeel, zij gevoelen wel vervreemdingen van God, doch de een tijd is dat gevoelen van de gemeenschap Gods veel meer verduisterd, als de andere tijd.

ZOON. Maar vader, hoe komt dat, dat Gods kinderen in zich die gevoelende gemeenschap missen?

VADER. Zoon, dat deze gevoelende gemeenschap met God en de Heere Jezus Christus soms wel in de gelovige vermindert, ja schijnt of zij bijna geheel weg en verloren is, zullen wij terstond beginnen te zeggen, dat wij dat aan vele lieve kinderen Gods, in zijn heilig Woord kunnen zien, en de ervaring met Gods kinderen leert hen dagelijks.

De oorzaak van waar het komt zijn verscheiden: wij zullen er drie van bespreken.

Ten eerste, aangaande God, dat die ze hen voor een tijd onthoudt, en zo algemeen zich aan hen niet gelieft te openbaren.

De tweede, dat de gelovigen dikwijls daar zelf de oorzaak van zijn.

De derde, dat zulks wel geschiedt door zaken, die van buiten aan komen.

1. Eerst zeg ik, vermindert en verduistert de gevoelende gemeenschap dikwijls in Gods kinderen, omdat het God niet belieft, die altijd zo klaar zijn kinderen te laten genieten, zijn Geest in 't hart te laten vloeien, en hen in zijn gemeenschap op te trekken, het is zijn werk om zijn heerlijkheid te laten zien, Exod. 33, en Zich aan ons te openbaren, Joh. 15: 22, en bekend te maken de onnaspeurlijke rijkdom van Christus, Ef. 3: 8. Die gemeenschap onttrekt God hun op verscheidene wijze.

Hij geeft hen altijd niet, dat zij de middelen zowel kunnen betrachten, waardoor God ons Zich zo algemeen maakt; of zegent die niet zo, als zij gebruikt worden.

En de ziel heeft soms ook zulke krachten of bekwaamheid niet, om die middelen zo te betrachten, ook dikwijls met zulk een smaak en zoetheid niet, omdat zijn Geest zo krachtig niet in ons werkt.

En 't schijnt of God het gebed van hen zo niet verhoort, noch vrucht uitgeeft, al bidden zij al om zijn gemeenzame tegenwoordigheid, en om God met zulk een vermaak en zoetheid te verheerlijken.

Ook verduistert die gemeenschap, omdat God Zichzelf tegen hen houdt, hen laat gaan in een doodheid, en ongevoeligheid, waarover de kerk Gods klaagt, Jes. 63. Waarom verstokt gij ons hart. Soms worstelt de Heere met hen, alsof Hij hen wilde verlaten, en zonder zegen van hen scheiden, als Hij scheen met Jakob te doen, Gen. 32, en met de Kananese vrouw, Matth. 15.

En sommigen van zijn kinderen laat Hij benauwdheden en verschrikkingen gevoelen, dat zij wel met Job zeggen: de verschrikkingen Gods rusten zich tegen mij, Hfdst. 6: 4 en Hfdst. 30: 17, 's nachts doorboort Hij mijn beenderen, en mijn polsaderen rusten niet, en met Heman: uw verschrikkingen doen Mij vergaan, Ps. 88: 17.

En God houdt Zich wel tegen hen of Hij toornig ware op hen, en hen verlaten wilde, zodat ze wel zouden zeggen: bent Gij in toorn geweken van uw knecht? als Heman zei, Ps. 88: 17, uw hittige toornigheden gaan over mij, en vers 15, Heere, waarom verstoot Gij mijn ziel, en verbergt uw aanschijn voor mij, en Ps. 77:10, heeft Hij zijn barmhartigheid door toorn toegesloten. En met Job: waarom verbergt Gij uw aangezicht en houdt mij voor uw vijand, Hfdst. 13: 24.

En 't is dan dikwijls of daar geen of weinig vrucht komt uit hun gebeden, zodat ze met de Bruid wel klagen: ik zocht hem, maar ik vond hem niet, ik riep hem, maar hij antwoordde mij niet; Hoogl. 5: 6. En met David: ver zijnde van mijn verlossing, van de woorden mijns brullens, mijn God ik roep des daags maar Gij antwoordt mij niet, en 's nachts heb ik geen stilte, Ps. 22: 2, 3. En met Heman: Gij hebt mij in de onderste kuil geleid in duisternis en diepte, Ps. 88: 7.

Alzo dat zij wel zo kleinmoedig en neergeslagen worden, dat zij wel klagen met David: Mijn hart is geslagen en verdord als gras, zodat ik vergeten heb mijn brood te eten, ik ben een roerdomp der woestijn gelijk geworden, ik ben geworden als een steenuil der wildernissen, Ps. 102: 5, 7. En met Job: ik ben mijzelf tot een last, Hfdst. 7: 20. En Hfdst. 19: 8, over mijn paden heeft Hij de duisternis gesteld. Zij worden wel zo moedeloos, dat zij zeggen: mijn ziel weigert getroost te worden, Ps. 77 en komen wel zo ver, dat zij met Jeremia zeggen: wee mij, mijn moeder, dat gij mij gebaard hebt, Hfdst. 15: 10.

En al denkt dan zulk een bedroefde ziel dikwijls aan de vorige goedertierenheden des Heeren, Ps. 89: 50, zo kan zij zich daar weinig mee ophelpen.

Evenwel in die gelovige zielen blijven nog heimelijke krachten, en zij genieten ook wel nieuwe versterking en genade, totdat de zon van Gods genade wederom doorbreekt, en de ziel Gods lieflijk aangezicht der genade wederom ziet.

2. De andere oorzaak, waardoor de gevoelende gemeenschap, in de gelovigen verduisterd wordt, is door hen zelf.

1. En dat dikwijls door hun zonden, of dat zij het goede nalaten, of dat zij het kwade doen. Want de zonden die scheiden de mens van God. Jes. 59: 1, en verduisteren de gemeenschap met God, en nemen de zoete tegenwoordigheid Gods weg, de Geest Gods werd daardoor bedroefd, Ef. 4: 30 en uitgeblust, 1 Thess. 5, en wordt hen daardoor tot een vijand, en strijdt tegen hen, Jes. 63, gelijk wij dat zien in David, Ps. 32, 38 en 51, en in Petrus, Matth. 16: 22, 23.

Daardoor leert God hen dan te beter kennen hoe rechtvaardig Hij is! en hoe nauw Hij acht neemt op hun zonden, en dat zij de zonden moeten tegengaan die zulke bittere vrucht heeft, en met Hiskia besluiten, ik zal nu al zoetjes voort treden al mijn jaren vanwege de bitterheid van mijn ziel, Jes. 38.

2. Ook zo wordt door de verdorvenheid, die in de gelovigen nog is, en hen zo dikwijls verhindert om het goede te volbrengen gelijk zij wel willen, deze gemeenschap met God en onze Zaligmaker dikwijls verduisterd, dat zij wel met Paulus uitroepen: Ik ellendig mens, Rom. 7: 24, en wel denken, ben ik wel een recht gelovige en een kind Gods, terwijl ik in mij zulke verdorvenheid en lichaam der zonde bevind?

3. Zij wordt ook menigmaal in de gelovigen verduisterd door hun traagheid om de middelen te gebruiken, als gebeden en dankzeggingen, lezen van Gods Woord, niet genoeg waken, als wij zien in de Bruid, Hoogl. 5: 4, als de Bruidegom tot haar kwam, en zij door traagheid niet op wilde, zo zegt zij: mijn liefste trok zijn hand van 't gat der deur, en mijn ingewand werd ontroerd om zijnentwil, toen ging hij weg en zij kon hem niet vinden.

Zo wordt deze gevoelende gemeenschap Gods verloren door al te lang en ontijdig te slapen, als de Heere te kennen geeft: waakt en bidt, opdat gij niet in verzoeking komt. Als een gelovig mens slaapt als hij behoort te bidden, of zijn tijd anders verwaarloost, zo valt hij in verzoeking, en de gemeenschap met God wordt verduisterd.

Alzo ook mee, als de gebeden verzuimd en verwaarloosd worden, 's morgens als hij te lang slaapt en geen tijd heeft om zijn hart recht voor God uit te storten, God te verheerlijken en zich in God te verheugen en te vermaken of als hij anderszins zijn oefening verzuimt, of te haastig doet.

Alsook wanneer men 's middags zich niet een weinig afzondert. En als men 's avonds slapen gaat, eer men met God verzoent is, en zijn ziel in God vermaakt is, of ten minste daarna gearbeid heeft, die mens kan geen nauwe gemeenschap met God behouden, en niet zoetelijk rusten in God; want de verdorvenheid en ijdelheid van 's mensen hart is zo groot, dat hij altijd afdwaalt, zo hij de middelen verzuimt en verwaarloost, waardoor de ziel kracht en genade ontvangt.

Ook als men 's nachts niet tot God zich keert met gebed en dankzegging, en heilige overwegingen, hoe kan die ziel in God leven?

4. Ook wordt deze gemeenschap met God verduisterd, als hij zijn gebeden en dankzeggingen te haastig doet, zonder zich te vermaken in God zo 't hart uit te schudden voor de Heere, Ps. 62, en zonder aan te houden.

5. Of dat iemand te veel eet en drinkt, en alzo zijn lichaam onbekwaam maakt.

6. Zo vermindert en verduistert de gemeenschap met God menigmaal in een gelovige ziel, de zwakheid van het lichaam om de middelen zo waar te nemen, en dikwijls tot God te waken, en te bidden, 's nachts en 's morgens vroeg, en daar komt dan gewoonlijk de traagheid en luiheid bij, dat men hem al wat meer toegeeft.

7. Alsook dat men al te veel om aardse dingen denkt, en zijn hart daar te veel aan hangt, en ook te veel van aardse dingen spreekt, of zich met aardse dingen bemoeit, bijzonder buiten zijn beroep. O die altijd in de gevoelende gemeenschap met God en Christus zal leven, moet zijn gemoed zeer nauw bewaren.

8. En 't is een van de voornaamste oorzaken, welke de zoet gevoelende gemeenschap Gods verhindert en verduistert, dat een kind Gods al te veel ziet op zijn heiligmaking, dat hij zo verdorven is, dat hij God zo niet dienen kan, en niet genoeg denkt, dat Gods welbehagen en zijn eeuwige liefde de enige oorzaak is van alle genade en zaligheid; dat een groot gebrek is in een kind Gods, dat hij al in zichzelf blijft, en op hem ziet en klaagt, hij is zo verdorven, hij kan God zo niet dienen, daar legt hij dan dikwijls neer, en kan zich niet oprichten, en zo wordt dan dikwijls zijn vreugde in God, en Gods lof daardoor verhinderd en weggenomen; wij behoorden geleerd te worden, dat het alleen Gods ontferming is, als God zei: Ik zal Mij ontfermen, over wie Ik Mij ontfermen zal, Exod. 33.

 9. Daarbij vervreemdt dit een gelovige ziel dikwijls van God, dat hij altijd de gemeenschap Gods troostelijk en zoet wilde gevoelen, of hij is moedeloos, daar wij altijd op Gods onveranderlijke liefde en waarheid der Goddelijke beloften behoren gerust te zijn en voort te gaan God te verheerlijken, totdat hij eindelijk onze ziel lieflijk omhelst.

10. Alzo verhindert ook de zoete gemeenschap met God en Christus, dat iemand al te ras in 't geloof bezwijkt, als wij zien in Petrus, Matt. 14, zolang wij staan in 't geloof zo bli ft het gemoed met God zonder zulke verandering en bewegingen.

III. De derde oorzaak, waardoor de gevoelende gemeenschap met God en Christus soms verduisterd werd, zijn zaken die ons van buiten aankomen.

1. Als vooreerst, de wereld met zijn bekoringen op vele en menigerlei wijze, 1 Joh. 5,

2. Daarbij slaan kruis, en tegenspoed dikwijls een gelovig mens zo terneer, dat het geloof begint te bezwijken, en de zoete gemeenschap en de gevoelende genade verduisterd wordt, zodat ze met mistroostigheid bestreden worden, Ps. 77: 3, 4.

3. En er komen dan dikwijls de aanvechtingen des duivels bij, als het is de boze dag, Ef. 6, en dat op menigerlei wijze, waardoor hij Gods kinderen zoekt listig om te leiden, Ef. 6, dat zij wel met Job zeggen: Mijn bedstede zal mij vertroosten, mijn leger zal van mijn klacht wat wegnemen, dan ontzet Gij mij met dromen, en door gezichten verschrikt Gij mij, Hfdst. 7: 13, 14. En met Paulus dan wel grote benauwdheid en verschrikking moeten uitstaan, 1 Kor. 2: 12, waardoor de gevoelende gemeenschap, en de zoete vermakingen in God en Christus voor een tijd in grote mate ontbeerd worden; want 't schijn hen dan dikwijls zo toe, alsof zij bijna overgegeven waren in hunner vijanden geweld, omdat de ziel voelt een krachtig geweld, hunner vijanden door de vurige pijlen van de bozen, en heeft geen of weinig versterking van Gods Geest. Daarom bezwijkt hen dan ook uiteindelijk het hart, dat zij met David wil zeggen, mijn hart heeft mij verlaten, Ps. 40: 13. Alhoewel de kracht van Christus in hen woont, en in hun zwakheid volbracht wordt, 2 Kor. 12, waardoor zij nog opgehouden worden en staande blijven.

 

 

Hoofdstuk IX. Waarom God zijn kinderen soms laat vervreemden van zijn gemeenschap, en bedroefd of benauwd worden

 

ZOON. Vader ik heb verstaan, hoe Gods kinderen ook die gevoelende gemeenschap met God soms niet genieten, en waaruit dat komt, nu wilde ik wel graag eens horen, waarom God zijn kinderen alzo laat vervreemden van zijn gevóelende gemeenschap, en hun benauwd laat worden?

VADER. Zoon, er zijn wel verscheidene redenen waarom: maar de hoogste oorzaak is Gods welbehagen; want Hij leidt zijn kinderen naar zijn raad, daarna neemt Hij ze tot heerlijkheid op, Ps. 73 ‑ 24, en al kunnen wij dat dikwijls met ons verstand niet begrijpen, zo moeten wij ons verstand onder zijn wijsheid daar neerleggen; want zijn gedachten zijn niet onze gedachten, en zijn wegen zijn niet onze wegen, Jes. 55: 8, maar behalve dat, zo kunnen wij ook reden vinden in Gods Woord, waarom Hij zo doet. Welke redenen wij in twee zullen vervatten.

De eerste, dat het zo best is tot Gods eer.

De andere, dat het voor de gelovigen zo best is.

1. Wat het eerste aangaat: het is zo best tot Gods eer, en dan in verscheiden aanzien.

1. Ten eerste, opdat zij leren dat alle optrekking in God en met Hem gemeenschap te hebben, en zijn zoete en liefelijke tegenwoordigheid te gevoelen, alleen is zijn werk en genade, want Hij is de God aller vertroosting, 2 Kor. 1: 3, en opdat wij Hem alzo daarvan alleen de eer zouden geven.

2. Ten tweede, dat Hij is een vrij God, die doet zoals Hij wil, Matt. 20: 15. Ef. 1: 11, en dat Hij alzo naar de vrijheid van zijn genade en barmhartigheid ons zijn liefde en barmhartigheid en gunst doet gevoelen. Als een gelovig mens, die altijd even hoog had, zo mocht hij door de verdorvenheid die nog in hem is, zich enigszins inbeelden dat hij er enig recht toe had, opdat hij het waardig ware; maar als de gelovige ziel deze gemeenschap met zijn God en Zaligmaker eens mist, en God de Heere hem dan zo wederom voorkomt met zijn barmhartigheid en liefde, zo verheerlijkt hij God dan temeer, dat het alleen is zijn liefde en ontfermen en zegt dan wel: Wie ben ik Heere, dat Gij U alzo aan mij zoudt openbaren, en in uw liefde en gemeenschap optrekken, en U mij zo gemeen maken!

3. Daarbij, mijn zoon in de Heere, door het missen van de gevoelende liefde en gemeenschap met God en onze Zaligmaker Jezus Christus, zo leert men temeer en te beter kennen wat een grote en onbegrijpelijke weldaad het is, als God ons zijn liefde en zoete tegenwoordigheid en gemeenschap doet g' gevoelen en het missen ons zo bedroefd, verschrikt en benauwd maakt, en die te genieten zo vrolijk en welgemoed doet zijn. En zo acht een gelovige ziel die zoveel te hoger; ja hoe benauwder de ziel is geweest, en hoe zwaarder zij Gods toorn en verschrikking heeft gevoeld, hoe zij die weldaad te groter inziet, en God temeer over die barmhartigheid en liefde verheerlijkt en prijst, dat Hij hun ziel zo lieflijk omhelst, Jes. 38, dat zij wel zegt met, Johannes: God is liefde, 1 Joh. 4: 7 en ik zie niets dan liefde in God. En zo veel temeer verheugt zich die ziel in de Heere en in zijn goedheid.

4. Door het missen van de gevoelende genade leert een gelovig kind Gods temeer kennen zijn zwakheid en onvermogen, waarover hij dan dikwijls zich zeer verontwaardigt en vernedert, ja als wegwerpt, en dan te beter en temeer ziet de grootheid en onbegrijpelijkheid van Gods liefde jegens hem, die hem evenwel wederom vriendelijk wordt, zijn genade en liefde laat in 't hart vloeien, en vertroost en ophelpt; waarover een gelovige ziel dan God wederom temeer met liefde omhelst, en zich in hun God en Zaligmaker verheugt, en Hem alleen de eer geeft van zijn liefde en genade, en eeuwig geven zal; dat zij als terneder lag, en dat God hen alzo wederom optrekt in zijn zoete gemeenschap en liefde, en dat zij wederom een met Hem is.

5. En door 't missen van de genade, en dat God hun dan al wederom zijn genade geeft, leren zij te groter en te beter God kennen, dat Hij is barmhartig, almachtig, waarachtig, enz. alsmede Gods liefde en de oneindigheid van zijn barmhartigheid, dat Hij hun altijd zo wederom voorkomt met zijn genade. En zijn almachtigheid, dat Hij het zo haast met hen veranderen kan, en een kracht in hun ziel instort. Zijn waarheid, dat Hij wordt gevonden van diegenen, die Hem zoeken, en dat Hij zijn barmhartigheid niet afwendt, noch zijn liefde verandert, gelijk Jeremia zegt, zijn barmhartigheden hebben geen einde, zij zijn allen morgen nieuw, en zijn trouw is groot, Hoogl. 3: 24, 25 en verheerlijkt Hem des temeer.

6. In één woord Hij laat ons dikwijls met Paulus zwak en benauwd en van de duivel met vuisten geslagen worden, opdat de kracht van Christus in ons woont, 2 Kor. 12: 9, die zij dan doorgaans in hen bevinden en ook dikwijls wel merken, en zich er op verlaten, en mee troosten, en opdat zij alzo de Heere de eer van alles zouden geven.

En zo zijn de verlatingen en veranderingen van een kind Gods, gelijk onze Zaligmaker zei van de blindgeborene, dat hij, noch zijn ouders gezondigd had, waarom hij blind geboren was, maar opdat de werken Gods zouden geopenbaard worden, Joh. 9: 3. Alzo zijn het niet altijd enige voorgaande zonden, waarom de gelovigen de gevoelende gemeenschap met God en Christus missen, en dat God Zich vreemd van hen houdt; want alhoewel God altijd wel in hen vindt, waarom Hij alzo met hen mocht doen zo doet Hij het altijd daarom niet, gelijk wij zien in 't voorbeeld van Abraham, toen God hem gebood zijn zoon op te offeren, Gen. 22: 2. In Jakob, toen de Heere met hem worstelde, en Zich vreemd voor hem aanstelde, Gen. 32. In Job toen zijn kinderen in 't huis dood vielen, zijn goederen geroofd werden, en zijn lichaam met boze zweren geslagen werd, en hij aan zijn ziel gevoelde Gods toorn en schrikkelijke aanvechting, want daar waren de zonden geen voorgaande oorzaken van, Job. 2: 3, maar dat geschiedde, opdat God hen beproeven zou, en zijn liefde, barmhartigheid, almacht, enz. temeer aan hen betonen zou, en zij die temeer zouden leren kennen, en God alzo verheerlijken. En het is dan met een gelovig kind Gods in zulken staat, als de Heere van de krankheid van Lazarus zei: Zij is niet ter dood, maar tot de heerlijkheid Gods, opdat de Zoon Gods door dezelve verheerlijkt worde, Joh. 11: 4. Alzo zijn de verlatingen en benauwdheden der kinderen Gods, opdat God de eer mocht hebben van alles, en zij alzo temeer God verheerlijken en prijzen zouden, gelijk een gelovig kind Gods dan dikwijls als met verwondering zegt: Wat zal ik de Heere vergelden voor al zijn weldaden aan mij bewezen, Ps. 116: 12, en zijn ziel dikwijls opwekt met David: Looft de Heere, mijn ziel, en vergeet geen van zijn weldaden, Ps. 103: 2 en roept dikwijls uit: barmhartig en genadig is de Heere, lankmoedig, en groot van goedertierenheid, Ps. 103: 8, en zegt: dat de Heere goed is, en dat zijn goedertierenheid in der eeuwigheid is, Ps. 118: 1.

2. Ten andere, zo heb ik gezegd, dat God zijn kinderen dikwijls zo verlaat, omdat het hun best is, en dat mede in verscheiden aanzien.

1 . Want vooreerst, God beproeft daardoor hun liefde, dat zij oprecht is, omdat ze God liefhebben om zijns zelfs wil, omdat Hij een zo heerlijke, heilige, barmhartige, genoegzame God is, die waardig is om zijns zelfs wil bemind te worden, omdat dat zij Hem als dan nog willen liefhebben, verheerlijken en op Hein hopen, ook als Hij schijnt hen niet gade te slaan, en op hun gebeden niet te merken, maar op hen te toornen en hen te verlaten. En omdat zij dan nog al zeggen: mijn ziel kleeft u achteraan, Ps. 63: 9, en dat niet alleen om hun genot, als de duivel Job bij God beschuldigde dat hij deed, waarop God verklaart dat het daar niet om was, zeggende: hij houdt nog vast aan zijn oprechtheid, hoewel gij mij tegen hem opgehitst hebt, Job. 2: 3. Alzo houdt een oprechte ziel in al zijn benauwdheden nog vast aan God, en zegt, God niet te willen verlaten, als Ruth tot Naomi zei, Hfdst. 1: 16, 17, en met Job: zo Hij mij doodde, zou ik niet hopen, Hfdst. 13: 15.

2. Daardoor beproeft God ook hun geloof, hoe vast zij in al hun benauwdheden op Hem vertrouwen zullen, daarom zei Job: Hij beproefde hem in elk ogenblik, Job 7: 18, en gelijk Jes. zei: Hij keurt hen in de smeltkroes der ellende, Jes. 48: 10 opdat de beproeving huns geloofs die veel kostelijker is, als die van het goud dat vergaat en door het vuur beproefd wordt, bevonden worde te zijn tot lof, en eer en heerlijkheid in de openbaring van Jezus Christus, 1 Petr. 1: 7. Alzo beproefde God het geloof en de gehoorzaamheid van Abraham, Gen. 22: 1 als Hij hem gebood zijn zoon te doden en op te offeren, in welke de beloften bestonden, dat zijn zaad tot een groot volk zou worden. Alzo beproefde God ook Job als Hij hem liet bezoeken in zijn kinderen, goederen, lichaam en ziel. En David, die Hij tot een koning had laten zalven, en liet hem van Saul vervolgen, als een veldhoen over de bergen, 1 Sam. 24, en datzelve wordt nog aan het broederschap volbracht, 1 Petr. 5; want als God ons zijn genade en zoet gevoelende gemeenschap onttrekt, en Zich vreemd tegen ons houdt, en wij in ons niet bevinden als benauwdheid en verschrikking, en schijnen niet verhoord te worden in onze gebeden, dan komt het op 't geloof aan, om op God te vertrouwen, gelijk Paulus zegt: wij hadden in onszelf het vonnis des doods, opdat wij niet op onszelf vertrouwen zouden, maar op God, die de doden opwekt, 2 Kor. 1: 9; dan bevinden wij, hoe kostelijk en troostelijk de beloften des Heeren zijn, daar lopen wij dan naar toe, daar hopen wij dan nog op, die zoeken wij ons te gemoed te voeren, die zijn dan als ons plechtanker in die grote stormen en gevaren, als al die baren en watergolven over ons heen gaan, Ps. 42: 8; want de aanvechting leert op het Woord merken, als wij zien in Jakob, toen hij. hoorde dat zijn broeder hem tegen kwam met vierhonderd mannen om hem te slaan, en hij bevreesd en bang was, toen hield hij God zijn belofte voor, zeggende: O God mijns Vaders Abrahams, en God mijns Vaders Izaks, O Heere, Gij die tot mij gezegd hebt, keer weer tot uw land, en tot uw maagschap, en Ik zal wel bij u doen, en wederom vers 12, Gij hebt immers gezegd Ik zal gewis wel bij u doen, Gen. 32: 9, 12, ziet, zo hield hij God zijn belofte voor in zijn nood, en verliet zich daarop door 't geloof. Zo deed ook David verscheidene malen in de 119de Psalm, Heere, gedenk mij naar uw woord, help mij naar uw woorden, gelijk Gij uw knecht toegezegd hebt. Alzo houdt een gelovige ziel dan ook dikwijls God zijn beloften voor van verhoring, bewaring en hulp, ja zijn liefde, barmhartigheid en waarheid. En zo oefent God het geloof zijner kinderen totdat zij 't einde huns geloofs, verkrijgen, dat is de zaligheid der zielen, 1 Pet. 1: 5.

3. Daarbij, zo verootmoedigt het ook Gods kinderen, want zij leren daardoor temeer kennen hun verdorvenheid, onvermogen en zwakheid, om het goede te verrichten, en hun vijanden tegen te staan, en te overwinnen. Hoe dikwijls doet het hen ootmoedig klagen, zuchten, en schreien tot God, en daarom laat God zijn kinderen niet altijd even hoog blijven in de genade, opdat zij nederig zijn zouden als Paulus zegt: Opdat ik mij door de uitnemendheid der openbaring niet zou verheffen, zo is mij gegeven een scherpe doorn in het vlees, namelijk een Engel van de satan, dat hij mij met vuisten slaan zou, opdat ik mij niet zou verheffen, 2 Kor. 12: 7; want de oude wortelen van de aangeboren verdorvenheid zouden de ziel zoeken hovaardig te maken, als zij altijd zulke hoge op, trekkingen had, als wij dat zien in David: ik zei wel in mijn voorspoed, ik zal niet wankelen in eeuwigheid, want Gij Heere hebt mijn berg naar uw goedgunstigheid vastgemaakt? maar toen Gij uw aangezicht verbergde, werd ik verschrikt, Ps. 30, alzo verschrikken de kinderen Gods nog, en worden klein bij zichzelf als God zijn aangezicht verbergt. En die nederigheid is de ziet profijtelijk; want God woont bij de nederigen, Jes. 57, Hij ziet op hen, Hfdst. 66 en Hij geeft hun zijn genade, Jak. 5 en zo bevinden zij met David dat het hun goed is dat God hen verootmoedigt, Ps. 119.

4. Daarnevens, wat doen die benauwdheden een kind Gods dikwijls vurig bidden! als wij zien in Jakob, Gen. 32 met Hos. 12, dat hij weende, en bad, totdat de dageraad aanbrak, en nog niet wilde loslaten, voordat hij gezegend was, Jes. zegt ook: Heere in benauwdheid hebben zij U gezocht, zij hebben hun stil gebed uitgestort, als uw tuchtiging over hen was. Hfdst. 26: 16. Dit zien wij ook in David doorgaans in zijn psalmen, en in Azaf: mijn hand was 's nachts uitgestrekt en liet niet af, Ps. 77. Dat wordt van onze Zaligmaker zelf gezegd: en in zware strijd zijnde bad Hij te ernstiger, Lukas 22: 44, dat bevinden zulke gelovigen, elk wel bij zichzelf.

5. Als de Heere dan hun zijn heerlijkheid laat zien, zo verblijden zij zich wederom temeer in zijn liefde en goedheid, en daar is dan een zoete en lieflijke omhelzing der liefde tussen God en Christus en de gelovige ziel, dat het niet te zeggen is, die gelovige ziel verblijdt zich, en prijst Gods liefde en barmhartigheid, en verheft die te groter, en spreekt dan wel hun ziel aan: keer weer mijn ziel tot uw rust, want de Heere heeft aan u wel gedaan, Ps. 116; en dan willen zij ijveriger de weg des Heeren lopen, omdat hun hart zo verwijd is, Ps. 119: 32.

6. Die blijdschap na de droefheid doet de ziel dan dikwijls temeer wensen naar haar volkomen vereniging met God en de Heere Jezus Christus, daar zij God zien van aangezicht tot aangezicht, 1 Kor. 13, en de gemeenschap niet meer zal verduisterd, verminderd of verloren worden.

Over het geheel zijn er vele nuttigheden, die de ziel daardoor bekomt, dat de gelovige en de beproefde ziel best kan zien als 't onweder over is, maar wij zullen 't hierbij laten blijven, dit wetende, dat niemand wordt gekroond, tenzij dat hij wettig gestreden heeft, 2 Tim. 2: 5 en men moet eerst overwinnen, eer 'men met Christus op zijn troon kan zitten, gelijk Hij overwonnen heeft en met zijn Vader op zijn troon gezeten is, Openb. 3: 21.

 

 

Hoofdstuk X. Vertroosting in de vermindering van 't gevoelen der gemeenschap Gods en Christus

 

ZOON. Vader, dat versta ik nu wel, dat het God niet belieft de gelovige kinderen Gods de gevoelende gemeenschap altijd even hoog te laten genieten, en dat zulks in vele zaken tot Gods eer dient, en hun zelf nuttig en voordelig is; maar waar zal ik mij in zulke gelegenheid mee troosten?

VADER. 1. Mijn zoon, in de Heere. Denk dat die liefde van uw God en Vader en Zaligmaker, die gij wel in uw omhelzing der liefde, in uw gemeenschap met Hem gevoeld hebt, van vele wateren der aanvechting niet kan uitgeblust worden, noch van de rivieren der ellende en verlating zal verdronken worden, Hoogl. 8: 7 haar kolen zijn vurige kolen, vlammen des Heeren, vers 6; daarom zullen er nog altijd spranken in 't hart blijven, en de hoop die een ziel genoten heeft zal niet beschamen, Rom. 5: 5; want die zielen kunnen niet van God gescheiden worden, Rom. 8: 38,39.

2. Daarbij Gods raad verandert niet, in welke Hij het begin, midden, en einde, besloten heeft, Rom. 8; 29, 30. En gij, mijn zoon, denk dat uw Zaligmaker gezegd heeft van zijn schapen: Ik geef hun het eeuwige leven, zij zullen niet verloren gaan in der eeuwigheid, Joh. 10: 28, en wees daarop gerust; want Hij is de Amen en de getrouwe getuige, Openb. 1. Hij zal dan wel uw ziel bewaren, en u niet verzuimen, al hobbelt het schip van Petrus door de baren van aanvechting en verlating, en al staat het vol water, zodat het schijnt te zullen vergaan, en al houdt de Heere zich in zo'n storm en gevaar alsof Hij slaapt, Hij zal eindelijk zich opmaken en zeggen tot de zee: Zwijg, wees stil, en de wind van de zwarigheid ging liggen, en er werd grote stilte, Markus 4: 39, en Hij zal u niet laten vergaan, al was u gezonken in grondeloze modder, waar men niet kan staan, en al het dat de diepten van de wateren en de vloed u overstroomde, Ps. 69: 3.

3. Bedenk, mijn zoon, hoe God al zijn kinderen die uit die drinkbeker gedronken hebben, nooit heeft verlaten, maar altijd weer opgeholpen en vertroost heeft, zou Hij u dan verlaten daar Hij u liefheeft, en met een prijs gekocht, en door een Geest geheiligd heeft, 1 Kor. 12, want wij zijn door een Geest tot een lichaam gedoopt: Hij zal u bewaren van de boze, Joh. 17.

4. Troost u ook met de genadige beloften des Heeren, Hij mag in een kleine toorn zijn aangezicht een ogenblik verbergen, maar met een eeuwige goedertierenheid zal Hij Zich over u ontfermen, Jes. 54: 8, Hij zal wederom tot uw hart spreken, Jes. 40: 2, goede woorden en troostelijke woorden, Zach. 1: 13 als Hij u lang genoeg in de dorre woestijn van eenzaamheid, verlating, en benauwdheid heeft omgevoerd, zo zal Hij u weer lokken en tot uw hart spreken, Hos. 2: 13 niet alleen door zijn Woord, maar ook door zijn Geest in uw hart. Derhalve wie is er onder ulieden, die de Heere vreest, die naar de stem zijns knechts hoort, als hij in duisternis wandelt en geen licht heeft, dat hij vertrouwe op de naam des Heeren en steunt op zijn God, Jes. 50: 10. Bent gij dan, mijn zoon, in een geestelijke duisternis, dat gij het licht van Gods genade en troost en zijn liefde niet zien kunt, en zijn zoete gemeenschap niet gevoelen, vertrouw op de Heere, en steun op uw God, Hij zal uw duisternis doen opklaren. Ps. 18: 29.

Denk, zoon, wij zijn hier nog in de strijd, en op de reis door deze dorre woestijn naar ons hemels Vaderland, dat daar boven is, daarom moet gij u niet te zeer verslaan, noch kleinmoedig worden, als 't u alzo mocht gaan, want onze staat is hier niet zonder verandering in ons, alhoewel onveranderlijk bij God, Rom. 8: 29, 30. Rom. 11: 29.

Als gij deze hemelse genade zo niet in u bevindt van de hoge optrekking en gevoelende genade, denk, dat wij hier nog wandelen door geloof en niet door aanschouwen, 2 Kor. 5: 7, en daarom ons niet voorstellen altijd door gevoelen en aanschouwen te wandelen, maar soms, ja meest ook door het geloof, 't is de eigenschap van het geloof, niet eerst te zien en te gevoelen en dan geloven, maar te geloven als wij 'niet zien, en niet gevoelen, Hebr. 11: 1 daarom als gij al zijn genade zo niet gevoelt, rust door het geloof op uw God en Zaligmaker, en in zijn liefde, en gij, op Hem vertrouwen