Het leven en sterven van Mr. Kwaad
Eens goddelozen reis naar 't eeuwig verderf, vertonende de ganse staat van een onherboren ziel
door John Bunyan
STEPHANUS. Goede morgen, buurman Gajus. Waar wandelt u zo vroeg in de morgen heen? Mij dunkt, u schijnt bezig te zijn met dingen, die wat ongebruikelijk zijn. Hebt u soms van uw vee verloren, of wat deert u?
GAJUS. Ook goede morgen, mijn vriend. Ik heb van het mijne niets verloren; nochtans heb u het niet slecht geraden, want ik ben, zoals u zegt, tot in mijn hart geraakt, doch 't is wegens de boosheid der tijden. En u bent, zoals al onze buren weten, een zeer opmerkend man; derhalve vraag ik u: wat dunkt u er van?
STEPHANUS. Mij dunkt, 't is zoals u zegt, dat het kwade tijden zijn, en dat zullen ze ook blijven tot de mensen beter worden, want de kwade mensen maken de tijden kwaad; derhalve als die beteren, zullen de tijden ook beteren. 't Is dwaasheid naar goede dagen uit te zien, zolang de zonden zo hoog gaan, en zij die ze kweken zo veelvuldig zijn. God brenge dezen eens ten onder en hun die ze koesteren tot bekering, en dan zult u, mijn goede buurman, daardoor zo niet ontroerd zijn als u nu bent. Nu bent u zo bewogen, omdat de tijden zo kwaad zijn, maar dan zoudt u bewogen zijn omdat ze zo goed waren geworden. Nu bent u er zo door geraakt, dat u zeer bekommerd bent, maar dan zoudt u er door geroerd zijn, dat u uw stem zoudt opheffen met gejuich. Want dat durf ik van u zeggen: mocht u zulke dagen nog eens zien, zij zouden u doen juichen.
GAJUS. Ach ja! dat zouden ze; om zulke tijden heb ik gebeden; naar zulke tijden heb ik verlangd, doch ik vrees dat het eer erger zal worden dan beter.
STEPHANUS. Maak u geen besluit man, want Hij, die de harten der mensen in Zijn hand heeft, kan ze spoedig van erger tot beter veranderen, en zo ook de tijden van kwaad tot goed. God geve de goeden een lang leven, bijzonder diegenen onder hen, die bekwaam zijn om Hem in deze wereld te dienen. Het sieraad en de schoonheid van deze benedenwereld zijn, naast God en Zijn wonderen, die mensen, die in Godzaligheid schitteren en uitblinken. Ach ja!
GAJUS. Amen! Amen! Maar waarom zucht u zo, waarde heer? Is het over iets anders dan wat u merkt dat mij dunkt?
STEPHANUS. Ik ben met u gevoelig onder de boosheid der tijden, doch dat was de oorzaak niet van mijn zucht, waar u, naar ik merk, op let. Ik zuchtte in het herdenken van de dood van die mens, waar gisteren de klok over geluid heeft in onze stad.
GAJUS. Hoe! Ik vertrouw immers dat uw buurman De Goede niet overleden is; inderdaad heb ik gehoord dat hij ziek geweest is.
STEPHANUS. Neen, neen; hij is het niet! Was hij 't geweest, ik kon niet anders dan daardoor geraakt zijn; maar evenwel niet zo als mij dit aankleeft. Was hij 't geweest, ik zou alleen bedrukt zijn geweest, omdat de wereld zulk een licht verloren had; maar de mens waar ik om treur was nooit een goede, en daarom zulkeen, die niet alleen dood, maar ook verdoemd is. Hij stierf, opdat hij zou sterven; hij ging van 't leven naar de dood en van de dood tot de dood, van de natuurlijke dood tot de eeuwige dood.
GAJUS. Uw ogen lopen vol water. Waarlijk, van een doodsbed naar de hel te reizen is een zaak, vervaarlijk om aan te denken. Maar mijn goede Stephanus, wie was toch deze man, en waarom besluit u dat hij zo ellendig in zijn dood was?
STEPHANUS. Wel, kunt u wat toeven? Ik zal u zeggen wie hij was, en waarom ik omtrent hem zulk een besluit maak.
GAJUS. Mijn omstandigheden laten toe dat ik wat gelegenheid heb en ik zal gaarne naar u luisteren. Ik bid God, dat hetgeen u zegt, zo op mijn hart moge hechten dat ik er door verbeterd word. Laten we hier onder het lommer van het geboomte wat gaan zitten.
STEPHANUS. De man die ik meen, was een Mr. Kwaad; hij heeft een lange tijd in onze stad gewoond en is nu, zoals ik zeg, gestorven; maar de reden, waarom zijn dood mij zo ontstelt, is niet omdat hij familie van mij was, of dat er zulke goede hoedanigheden met hem sterven, want daar was hij geheel van ontbloot, maar omdat ik vrees dat hij tegelijkertijd twee doden stierf.
GAJUS. Ik begrijp wat u bedoelt met deze twee doden; om de waarheid te zeggen: 't is een vreselijk iets, dat men dat van iemand met grond kan denken, want ofschoon de dood der goddelozen en der zondaren maar door weinigen ter harte wordt genomen, zo is 't echter veel vreselijker en verschrikkelijker in zulk een staat te sterven dan iemand zich wel kan inbeelden. Waarlijk, indien een mens geen ziel had en hij inderdaad niet onsterfelijk was, de zaak zou van zulk een belang niet zijn; maar dat hij door zijn Maker gesteld werd om voor eeuwig een gevoelend wezen te zijn, en dat hij in de handen van een wrekende Gerechtigheid valt, die hem altoos op de verschrikkelijkste wijze, naar verdiensten van zijn zonden, in de afschuwelijke poel der hel zal straffen, moet noodzakelijk onuitsprekelijk, droevig en beklaaglijk zijn.
STEPHANUS. Ik denk dat er niemand is, die maar gevoelig is over de dierbaarheid van een ziel, of hij zal met droefheid en smart geraakt zijn, wanneer hij hoort van de dood van een onbekeerd mens; omdat, zoals u zegt, zijn staat is een eeuwig pijnlijk zijn; want dat gevoelen maakt hun straf zwaar. Maar 't gevoel is niet alles, wat de verdoemden hebben, zij hebben gevoelen en ook rede; gelijk dan 't gevoelen de straf met droefheid ontvangt, omdat ze 't voelt en daaronder bloedt, zo is het dat ze door de rede en het oefenen daarvan in 't midden van al haar tormenten en al haar lijden, nog vergroot. En dat drievoudig.
1. De rede zal nog met zichzelf pleiten: Waarom word ik dus gestraft? En licht zal ze 't uitvinden, dat het om niets anders is dan om die vuile verachte zonde. Daardoor zal zich nu knaging mengen onder straf, en dat zal haar straf grotelijks vermeerderen.
2. De rede zal dan ook bij zichzelf vragen: Hoe lang zal ik in deze staat blijven? En haast zal ze dit antwoord aan zichzelf geven: dit moet mijn toestand blijven eeuwig en altoos! En dit zal haar plagen zeer sterk vermeerderen.
3. De rede zal aldus ook met zichzelf pleiten: Wat heb ik nu al meer door 't bedrijf van mijn zonden verloren dan mijn gemak en rust? En zal welhaast dit antwoord toevoegen: Ik heb verloren de gemeenschap met God, met Christus, de heiligen en de engelen, en mis nu een erfenis in de hemel, en in het eeuwige leven! Nu, die moet noodzakelijk de jammer van de arme verdoemde zielen vergroten. En zo was het gesteld met Mr. Kwaad.
GAJUS. Ik voel mijn hart trillen, als ik er maar aan denk, om in zulk een staat te komen. Hel! Ach, wie is er onder degenen, die nog leven, die weet wat de helse plagen zijn? 't Woord hel is van een verschrikkelijk geluid.
STEPHANUS. O ja! zo doet het, te weten in de oren van een die een tedere consciëntie heeft. Maar zo de naam van hel zulk een naar geluid heeft, wat is dan de plaats zelf, en de plagen, die daar gevoeld worden door de zielen der verdoemden, en dat zonder de minste verlichting, eeuwig en altoos?
GAJUS. Dit overstappende, wijl mijn gelegenheid het wel toelaat dat ik mij een weinig verdedig, vraag ik u, mij eens te verhalen, wat het is dat u doet denken dat deze Kwaad naar de hel is gegaan.
STEPHANUS. Ik zal het u zeggen. Maar weet u wel wat voor een Mr. Kwaad ik bedoel?
GAJUS. Was er meer dan één?
STEPHANUS. O ja! vrij wat meer, zo broeders als zusters, en wat 't meest te beklagen is, nog allemaal kinderen van Godzalige ouders.
GAJUS. Wie is het die u bedoelt?
STEPHANUS. De oudste, oud in jaren en oud in zonden: doch de zondaar, die honderd jaren oud is, zal vervloekt worden.
GAJUS. Maar wat doet u denken dat hij nu in de hel is?
STEPHANUS. Zijn goddeloos leven en zijn vervaarlijke dood; bijzonder omdat de manier van zijn dood zo overeen kwam met zijn leven.
GAJUS. Ik vraag u, laat mij de manier van zijn dood weten zo u die omstandig weet.
STEPHANUS. Ik was er bij toen hij stierf, ik wens van mijn leven zulk een man als hij was niet weder te zien sterven zoals hij stierf.
GAJUS. Laat mij er eens wat van horen.
STEPHANUS. U zegt dat u wel gelegenheid hebt om hier wat te blijven; dan wou ik wel met wat orde van hem spreken. Eerst moesten wij dan beginnen met zijn leven, en dan vervolgens komen tot zijn sterven, opdat het verhaal van het een u te meer mag bewegen wanneer u het andere zult horen.
GAJUS. Is u zijn leven dan zo wel bekend?
STEPHANUS. Ik ken hem van toen hij nog een kind was. Ik was al 'n man toen hij nog een jongen was, en ik had mijn bijzondere opmerking omtrent hem van het eerste af tot het laatste toe.
GAJUS. Wel, laat mij dan toch een verhaal van zijn leven horen; maar wees zo kort u kunt, want ik verlang al om de manier van zijn sterven te horen.
STEPHANUS. Ik zal aan uw wensen trachten te voldoen; en eerst zal ik u dit zeggen, dat hij al zeer kwaad was in zijn kinderjaren. Zijn begin was zodanig, dat het al iets voorspelde en aanwees, dat 't niet waarschijnlijk was, dat er een goed einde op zou volgen. Daar waren verscheidene zonden, waar hij zich aan overgaf toen hij nog een kleine bengel was, die alle te kennen gaven dat hij wel duidelijk met oorspronkelijke zonden besmet was; want ik durf dit wel zeggen, dat hij het van vader of moeder niet leerde. Hem werd ook niet toegelaten om veel buitenshuis te gaan, onder de kinderen, die goddeloos waren en van wie hij zonde kon leren. Neen, maar integendeel, als hij nu en dan buiten kwam bij anderen, was hij gelijk als een uitvinder van kwade woorden en een voorbeeld van slechte dingen. Hij was voor hen allen dan als de belhamel en de baas, om zo te zeggen.
GAJUS. Dat was waarlijk een kwaad begin, en toonde dat hij, zoals u zegt, verontreinigd, en zeer verontreinigd was, met oorspronkelijke verdorvenheden. Want, om vrijmoedig mijn mening te uiten, ik belijd het als mijn gevoelen, dat de kinderen met de zonde besmet ter wereld komen, en dat de zonden van hun jeugd, voornamelijk als ze zeer jong zijn, eerder voortkomen door de kracht der inwonende zonde dan door voorbeelden, die hun door anderen voorkomen. Niet dat ze dan ook iets door voortgang mede leren zondigen, maar voorbeelden zijn de wortel niet, maar veeleer de verlokking tot goddeloosheid. De wortel van de zonde ligt daar binnen, want van binnen uit het hart des mensen komen de zonden voort, Markus 7: 21.
STEPHANUS. Ik ben blij te horen dat u van deze gedachten bent, en ik wil hetgeen u gezegd hebt met enige weinige bewijzen uit Gods Woord bevestigen. De mens wordt in zijn geboorte vergeleken bij een woudezel, een onrein dier, Job 11: 12, en bij een weggeworpen kind in zijn bloed, Ezechiël 16. Behalve dat moesten vanouds alle eerstgeborenen, die de Heere werden opgedragen, gelost worden, als ze een maand oud waren, Exodus 13: 13 en 34: 20. En dat was eer zij nog zondaren waren door navolging. De Schrift zegt ook, dat door de zonde van één de schuld der verdoemenis gekomen is over allen, Romeinen 5: 12. En geeft deze reden, omdat ze allen in hem gezondigd hebben. Die tegenwerping dat Christus de oorspronkelijke zonde door Zijn dood heeft weggenomen is niets waard, want het is buiten de Schriftuur en het stelt zulkeen buiten staat om door Christus zalig te kunnen worden, want geen dan die in hun eigen persoon zondaren zijn, kunnen door Hem de zaligheid ontvangen. Verscheidene andere redenen kon men hier bijvoegen; maar voor personen, die in deze zo goed overeenstemmen als u en ik, zal het gezegde tegenwoordig genoeg zijn; maar als wij met partijen te doen hebben omtrent dit stuk, dan hebben wij nog andere sterke argumenten, zo er iemand is die het waagt dat men hem daar kennis van geeft.
GAJUS. Dit is zo in 't algemeen. U zei dat hij gemeenlijk de aanleider, en als de meester in boosheid en zonden, bij andere kinderen was. Vertel mij nu eens in 't bijzonder, welke de zonden van zijn kinderjaren waren.
STEPHANUS. Dat wil ik doen. Toen hij nog maar een kind was, had hij zich zo overgegeven aan het liegen, dat zijn ouders hem moeilijk konden geloven als hij de waarheid sprak; ja hij kon de leugens bedenken en dan vertellen en die, zo verzonnen en verteld zijnde, staande houden met zulk een onbewogen gelaat, dat men hierdoor in zijn gelaat de tekenen van een hard en verhard hart kon lezen.
GAJUS. Dat was inderdaad een slecht begin en bewees dat hij zichzelf al vroeg in de zonde verhard had. Want men kan geen voorbedachte leugen vertellen en staande houden, (en ik merkte dat dit zijn manier van liegen was) of men moet als het ware zijn hart daartoe geweld aandoen; ja zijn hart verharden en er op instellen om het te doen. Ja hij moest tot een uitnemende mate van goddeloosheid gekomen zijn, daar hij dit alles deed tegen de goede opvoeding, die hijhad van zijn vader en moeder, zoals u kennelijk reeds opmerkte.
STEPHANUS. Gebrek aan een goede opvoeding is, zoals u wel hebt aangewezen, veeltijds de oorzaak, waarom de kinderen dikwijls zo licht erg worden; bijzonder wanneer er dat niet alleen ontbreekt, maar er ook slechte voorbeelden zijn, zoals dit te beklagen is in vele families, door kracht waarvan de arme kinderen opgevoed worden in de zonde, en als opgekweekt voor de duivel en voor de hel. Maar anders was het met deze Kwaad, want voorzover mij bekend is, was zijn gewoonte om te liegen een grote droefheid voor zijn ouders want hun harten waren zeer ontsteld als hun zoon aldus begon. Het ontbrak hem ook niet aan onderrichting en bestraffing; had hem dat slechts beter kunnen maken. Het werd hem eenmaal en andermaal, en meermalen door hen gezegd, dat ik het gehoord heb, dat het deel van de leugenaars zou zijn in de poel, die brandt van vuur en sulfur. En dat ieder die leugenen spreekt, en die doet, geen deel zal hebben in het nieuw en hemels Jeruzalem, uit Openbaringen 21: 8, 27 en 22: 15. Maar het hielp allemaal niet; als hem maar een kans of gelegenheid tot liegen voorkwam, kon hij een leugen bedenken, vertellen en zo hardnekkig staande houden, alsof hij de grootste waarheid verteld had, en dat met zulk een onbewogen hart en aangezicht, dat degene die het hoorde zich daarover moest verwonderen. Ja, dit kon hij zelfs doen als hij was onder de roede der tucht, die God de ouders beschikt heeft, opdat ze door het gebruiken daarvan hun kinderen van de hel zouden redden, Spreuken 22: 15 en 23: 14.
GAJUS. Het was inderdaad een Kwaad; hij diende de duivel al vroeg en hij werd als de voedster van een zijner kwekelingen, want de geest der leugenen is zijn vrucht; hij is de vader der leugenen. Joh. 8: 44.
STEPHANUS. Wel terecht een vader der leugenen. Een leugen werd door de duivel als van een vader geteeld, en werd door het goddeloos hart, als de moeder, voortgebracht. Waarom een andere plaats in de Schrift ook zegt: "Waarom heeft de satan uw hart vervuld, dat gij de Heilige Geest liegen zoudt?" Handelingen 5: 34. Ja, hij zegt van een hart dat zwanger gaat met een leugen, als bevrucht van de duivel: Waarom hebt gij deze dingen in uw hart voorgenomen? Gij hebt de mensen niet gelogen, maar Gode. Waarlijk, deze leugen was een leugen in de hoogste graad, doch iedere leugen heeft dezelfde vader en moeder als die, waar aldaar van gesproken wordt. Want hij is een leugenaar en een vader der leugenen. Een leugen dan is een kwekeling van de hel en zij kan in 't hart niet zijn, voordat de persoon een geestelijk overspel heeft bedreven met de duivel. De ziel derhalve die een bekende leugen spreekt, heeft als geleden, en is als bezwangerd bij de duivel, de enige vader der leugenen. Want de leugen heeft maar één vader en moeder, de duivel en het hart. En daarom geen wonder dat een hart, dat de leugen broeit en voorbrengt, zo veelszins is van de natuur des duivels. Ja, geen wonder dat God en Christus zich zo met kracht tegen de leugenaars stellen: een leugenaar is aan de duivel getrouwd.
GAJUS. 't Schijnt mij een wonder in mijn ogen dat, wijl de leugen een vrucht van de duivel is en ze de ziel wegvoert tot de spelonk van de duivel zelf, te weten de duistere kuil der hel, dat de mensen zo wanhopig goddeloos kunnen zijn dat ze zichzelf gewennen tot zulk een gruwelijk ding.
STEPHANUS. Dat schijnt mij ook een wonder toe, bijzonder wanneer ik aanmerk, om hoe geringe zaak sommige mensen studeren, overleg maken, en een leugen toestellen en verhalen. U zult er immers vinden die liegen en weer liegen zullen om een stuiver profijt. Ja, liegen en het staande houden, al weten ze dat het een leugen is. Ja, u zult er vinden, die niet zullen nalaten leugen op leugen te liegen, ofschoon ze daar zelf niet het minste voordeel bij hebben. Zij mengen de leugen in hun gewone gesprekken, die ze met hun bekenden houden; hun nieuws en al hun verhaaltjes moeten met leugens versierd zijn of anders schijnt het geen goed geluid te maken in de oren dergenen, die er naar luisteren; of behagelijk te wezen aan diegenen aan wie het verteld wordt. Maar helaas, wat zullen deze leugenaars doen wanneer ze om hun leugens zullen neergestoten worden in de hel, bij de duivel, die deze leugens in hun hart teelde, en daar met hem gepijnigd worden met vuur en zwavel, eeuwig en altoos, even om der leugenen wil.
GAJUS. Kunt u ook het een of andere voorbeeld van Gods oordelen over leugenaars bijbrengen, opdat men dit mocht verhalen aan de leugenaars, als men hen hoort liegen, of ze misschien, dit horende, daardoor beschaamd gemaakt en van de leugen afgeschrikt zouden worden?
STEPHANUS. Hoe, voorbeelden? Wel, Ananias en Saphira zijn vrouw zouden dunkt mij voorbeelden genoeg zijn om een ziel, die zich daartoe begeven had, te stuiten, want zij werden beiden om het liegen van één leugen doodgeslagen, en dat van God en in het midden van een gezelschap van volk. Maar indien Gods dreigementen over de leugenaars, waarin Hij hun het helse vuur en het verlies van het hemels Koninkrijk bericht, op hen niet vermogen, om hen het liegen en het verzinnen der leugenen te doen verlaten, dan kan het niet verwacht worden dat het verhalen van tijdelijke oordelen, waardoor God voormaals de leugenaars heeft weggevaagd van de aarde, dit zou teweegbrengen. Nu, zoals ik zei, dit liegen was een van de eerste zonden, tot welke onze Kwaad zich begaf, en hij kon die dan zo verzinnen en vertellen, dat het verschrikkelijk was.
GAJUS. Het bedroeft mij, dat ik dit van hem moet horen, temeer omdat ik vrees dat niet enkel en alleen deze zonde in hem heerste, want gewoonlijk gaat het toch zo, dat die gewend is te liegen, die is daarnaast ook betrokken bij andere kwade stukken en als het zo niet met Mr. Kwaad was, dan is dat zeker wel een wonder.
STEPHANUS. U zegt de waarheid; de leugenaar is een gevangen slaaf van meer zonden dan van de geest der leugenen; en daarom, gelijk hij een leugenaar was van kindsbeen af, had hij zich ook zeer begeven tot het stelen en iemand iets te ontfutselen; zodat alles waar hij behendig zijn hand op kon leggen hij achtte het zijne te wezen, ofschoon het dingen waren die zijn speelmakkers en andere kinderen toebehoorden. Of als hij iets kon krijgen uit het huis der buren, hij zou het wegslepen. Zoals u zult begrijpen gaat het hier om kleinigheden of speelgoed, want als kind kon hij toen nog geen grotere dingen ondernemen, vooral in 't eerst. Toen hij echter in sterkte en rijpheid van verstand begon te groeien, begon hij al zodanige dingen te stelen en behendig naar zich toe te halen, die meer waardevol waren. Hij had ten laatste groot vermaak in 't beroven van tuinen en boomgaarden, en groter wordende ook vogeltjes, kuikens enz. Ja, hetgeen vader toebehoorde kon aan zijn diefachtige vingers niet ontgaan. 't Was alles vis wat in zijn net kwam, zo verhard werd hij tenslotte in deze boosheid.
GAJUS. U maakt dat ik mij hoe langer hoe mee verwonder. Hoe speelde hij ook de dief! Hoe speelde hij de dief zo vroeg? Hij moest toch hoewel hij een kind was, weten dat hetgeen hij een ander ontkneep het zijne niet was. Behalve dat hij van zijn vader, die een goed man was, zoals u zegt, buiten twijfel wel zal gehoord hebben, dat het stelen een overtreding van Gods wet was en hij derhalve gevaar liep voor eeuwig verloren te gaan.
STEPHANUS. Zijn vader bleef niet in gebreke om de middelen te gebruiken, die dienden om hem terug te houden. Dikwijls probeerde hij het, zoals ik vernomen heb, met dat zeggen van de Wet van Mozes: "Gij zult niet stelen" (Exodus 20: 15). Eveneens met (uit Zacharias 5: 3): "Dit is de vloek, die gaan zal over het ganse land, want een iegelijk die steelt, zal van hier volgens de vloek uitgeroeid worden." Het licht der natuur, hoewel het weinig was, moest hem noodzakelijk leren dat hetgeen hij van anderen nam, zijn eigen niet was, en dat hij zichzelf dus moedwillig niet zo moest gedragen hebben. Maar alles mocht niet helpen! Laat vader, laat zijn consciëntie tot hem zeggen al wat zij wilden, hij zal voortgaan, hij was besloten om te volharden in goddeloosheid.
GAJUS. Maar u zei, dat zijn vader hem soms bestrafte over zijn goddeloosheid; hoe gedroeg hij zich dan?
STEPHANUS. Hoe! gelijk een dief, die gevonden werd (Jer. 2: 26). Hij stond dan te pruilen en liet zijn hoofd hangen op zulk een zure en stuurse manier, dat men in zijn gezicht het beeld van ongeval kon lezen, om zo te zeggen, en als zijn vader hem antwoord afeiste op zulke vragen, die zijn schelmerij betroffen, dan stond hij slechts te mompelen en te morren, en dat was alles wat hij van hem kon krijgen.
GAJUS. U zegt ook, dat hij zijn vader wel beroofde, mij dunkt dat was een onnatuurlijk iets.
STEPHANUS. Natuurlijk of onnatuurlijk, dat is voor een dief al evenveel. Daarenboven moet u ook weten, dat hij ook makkers had, aan wie hij door de goddeloosheid die hij in hen zag, veel vaster gehecht was dan aan zijn vader of moeder. Ja, wat had hij daarom gegeven, al waren vader en moeder van droefheid gestorven? Hun dood achtte hij dat hem grote vrijheid en verkwikking zou toebrengen. Want het is zeker dat zij en hun raad zijn slavernij waren; en als ik mij niet vergis, heb ik sommigen wel horen zeggen dat, wanneer hij onder zijn makkers was, hij zich wel grotelijks kon verheugen, als hij dacht dat zijn ouders hoog van jaren waren en niet lang meer konden leven. O, zei hij, dan zal ik mijn eigen baas zijn en doen wat mij lust, zonder door hen tegengesproken te worden.
GAJUS. Zo scheen hij het er dus voor te houden dat het geen kwaad was om zijn ouders te bestelen.
STEPHANUS. Inderdaad, en daarom viel hij rechtstreeks onder het oordeel: "Wie zijn vader of moeder berooft, en zegt, het is geen overtreding, die is des verdervenden mans metgezel" (Spr. 28: 24). En dat hij hun personen en raad zo weinig achtte, was een teken, dat hij voor het tegenwoordige van een gruwelijke geest werd gedreven en dat er voor het toekomende een zwaar oordeel op hem wachtte (1 Samuel 2: 25).
GAJUS. Maar kunt u ook denken wat het was, (ik meen in zijn eigen inbeelding, want ik spreek nu niet van de inblazingen des satans, door welke hij ongetwijfeld tot deze dingen werd aangedreven), dat hem deed denken dat deze manier van stelen of ontfutselen, niet van groot belang was?
STEPHANUS. Het was, omdat de dingen die hij stal, van klein belang waren; tuinen en boomgaarden te bestelen, en kuikens of iets anders te ontfutselen achtte hij slechts een handigheid van de jonkheid, hij kon er ook niet van afgebracht worden, door al hetgeen zijn vrienden zeiden. Zij zeiden hem dat hij niet moest begeren (en evenwel te begeren is minder dan iets te stelen) wat het ook zij, zelfs het minste ding dat zijn buren toebehoorde, want zo hij dat deed zou hij een overtreder van de wet zijn; maar 't was bij hem alles evenveel. Want door de goddeloze praat van zijn makkers en de bedrieglijkheid van zijn eigen bedorven hart ging hij voort in zijn diefachtige manier, en waar hij zichzelf maar veilig bracht, praatte hij er van en lachte hij er om.
GAJUS. Ik hoorde eens iemand zeggen, die al op de ladder stond, met de strop om de hals, dat hetgeen hem tot zulk een einde gebracht had, was dat hij zich van jongsaf gewend had aan het stelen van kinderspeelgoed. En dat hij derhalve de jeugd, die daar gekomen was om hem te zien sterven, wilde gewaarschuwd hebben om zorg te dragen voor het begin, ofschoon het maar kleine zonden mochten zijn, omdat met kleintjes de weg gebaand wordt tot het bedrijven van iets dat van groter waarde is.
STEPHANUS. Daar u begint van historiën te spreken, zal ik er u een verhalen, die, hoewel ik ze wel niet met mijn eigen oren gehoord heb, ik echter om mijn Hasman wel geloven durf. Het is van een oude Tod, die nu ongeveer twintig jaar of meer geleden, te Hartford om zijn dieverij is opgehangen. De historie is deze:
In zekere zomer wer er te Hartford gerichtsdag gehouden en terwijl de rechter zijn plaats had ingenomen komt deze Tod in het hof, bekleed met een groen kleed, met zijn lederen gordel in de hand, met een blote borst, alles nat bezweet, alsof hij om zijns levens wil had gelopen. Binnengekomen zijnde sprak hij met een luide stem als volgt: "Mijnheer, hier is de snoodste boef die op de aardbodem leeft. Ik ben een dief geweest van mijn kinderjaren af; toen ik nog maar een kleine bengel was begaf ik mijzelf tot het bestelen van boomgaarden en tot het doen van dergelijke goddeloosheden, en ben sedert die tijd een dief gebleven; daar is, mijnheer, dus sinds vele jaren geleden, niet één roverij gepleegd enige mijlen in het rond, of ik ben er bij of bij betrokken geweest."
De rechter dacht dat het een gek mens was, maar na enig overleg met de andere rechters werden zij het eens om hem te beschuldigen en berichtten hem van vele snode boevenstukken, aan welke alle hij zich hartelijk beleed schuldig te zijn, en zo werd hij, evenals zijn vrouw, opgehangen, zodat men wel mag zeggen:
De goddeloze heeft geen rust,
Hoe vrolijk hij zich aan mag stellen,
Daar 's altijd iets dat hem komt kwellen,
't Geen hem verhindert in zijn lust.
't Gemoed dat hem van binnen knaagt,
En overtuigt van al zijn zonden,
Dat geeft hem dagelijks duizend wonden,
Hoe weinig hij er ook naar vraagt.
Al zoekt hij door zijn boze daân,
Gods Richter in zijn ziel te sussen,
't Vermaak van 't vlees kan het niet blussen,
Het doet hem verder van God gaan;
Zo dat hij vol van kwaad belast,
Getergd heeft Gods verdraagzaamheden,
En 't boos geweten heel t' onvreden,
Verkiest uit wanhoop strop op bast.
GAJUS. Dat is waarlijk een opmerkenswaardige historie; en denkt u dat ze waar is?
STEPHANUS. Zij is niet alleen opmerkelijk, maar dient ook tot ons oogmerk. Deze dief, gelijk ook Mr. Kwaad, begon zijn handel al bijtijds, en juist zo gelijk als hij, te weten met het beroven van tuinen, hoven en dergelijke dingen, die hem eindelijk van zonde tot zonde sleepten, totdat ze hem ten laatste brachten tot de openbare schande der zonde, namelijk de galg. En wat de waarheid van het verhaal betreft, de verhaler zei mij dat hij terzelfder tijd in het hof was, en dat hij niet meer dan een schrede of twee van hem af stond, toen hij hem deze woorden openlijk hoorde uiten.
GAJUS. Deze twee zonden, liegen en stelen, waren een slecht voorteken van een slecht einde.
STEPHANUS. Dat waren ze wel terecht; evenwel kwam Mr. Kwaad niet tot zulk een slecht einde als deze oude Tod; hoewel ik vrees dat het even kwaad, ja veel erger was dan de dood aan de galg, hoewel het minder door de aanschouwers werd opgemerkt; doch hiervan terstond nader. Maar u spreekt van de twee zonden, alsof dit al de fouten waren, waar onze Kwaad toe genegen was. Helaas! helaas! hij krioelde van zonden, als een vagebond van ongedierte, en dat toen hij nog maar een jongen was.
GAJUS. Tot welke zonden had hij zich dan nog meer gewend, ik meen terwijl hij nog maar een kind was?
STEPHANUS. 't Is niet nodig dat u vraagt tot welke zonden; u mocht liever vragen aan welke zonden hij niet gewend was. Namelijk zulke die met zijn ouderdom overeen kwamen. Want dat mag ik veilig zeggen, dat er niets was dat maar goddeloos was, of hij bedreef het, zo hij er maar bekwaam toe was. Inderdaad, daar zijn sommige zonden, waar de kindsheid niet mee weet om te gaan. Maar ik spreek van zonden, die hij bedrijven kon, van welke ik er slechts twee of drie zal noemen.
Eerst. Hij kon des Heeren dag niet verdragen vanwege de heiligheid daarvan; de aanvang van die dag was hem als het gaan in de gevangenis, uitgenomen dan wanneer hij van zijn vader en moeder afraakte en zich elders in een schuilhoek verstoppen kon onder zijn makkers, totdat de heilige plichten voorbij waren. Het lezen van de Schriftuur, 't horen der predikatiën, Godzalige samenspraken, 't bespreken der predikatiën, gebeden en dergelijke, waren alle dingen waarmee hij niet overweg kon. En daarom, als zijn vader op zulk een dag (zoals hij dikwijls deed, tenzij hij niettegenstaande zijn nauw toezicht soms wegsloop) hem strikt hield aan het waarnemen van die dag, dan toonde hij duidelijk met al zijn gedrag, dat hij daar zeer ontevreden over was; hij kon slapen onder plichten, met zijn broers redelijk praten; en iedere godsdienstige gelegenheid was hem blijkbaar, als het ware, zevenmaal langer dan zij was, en hij was morrende totdat ze voorbij waren.
GAJUS. Ik denk niet, dat deze verwerping van die dag was om de dag als zodanig, want voor zoveel het een dag is, was deze niet meer dan andere dagen in de week. Maar ik men dat het was vanwege de heiligheid, die God er opgelegd heeft, en ook omdat het een dag is, die boven alle dagen in de week, in heilige plichten, gelijk ook in de overdenking van de opstanding van onze Heere van de doden, moest doorgebracht worden.
STEPHANUS. Ja, daarom was het, dat hij er zulk een vijandschap tegen had, omdat hij namelijk door die dag meer bedwongen was in zijn wegen dan mogelijk wel op andere dagen. Hij kon niet verdragen, noch een dag, noch iets anders waar Gods beeld op gedrukt was. Zonde, zonde en te doen hetgeen ondeugend was, dat was 't waar hij zich mede vermaakte, zelfs van zijn kinderjaren af.
GAJUS. Ik zeg nog, ik ben bedroefd dit te horen, en dat om zijns zelfs wil en omwille van zijn nabestaanden, want dezen moesten wel om zulk een doen als dit als in stukken gebroken worden; want om deze dingen komt de toorn Gods over de kinderen der ongehoorzaamheid (Efeze 5: 6). En ongetwijfeld is hij ter helle gegaan, indien hij zonder boetvaardigheid gestorven is; en een kind te winnen voor de hel is een vreselijke zaak voor ouders om daaraan te denken.
STEPHANUS. Van zijn sterven, zoals ik zei, zal ik straks opening geven; nu spreken wij slechts van zijn leven en van de manier van zijn leven in zijn kinderjaren, en wel van die zonden, die zijn jonkheid vergezelden, sommige van welke ik reeds gemeld heb; en inderdaad maar sommige, want daar zullen er nog meerdere volgen, en zodanige, die voor degene die reeds herhaald zijn geenszins behoeven te wijken.
GAJUS. Ik vraag u, welke zijn die?
STEPHANUS. Vraagt u welke? Toen hij nu opgroeiend was, had hij zich spoedig gewend aan het vloeken en zweren; ja hij maakte daar niet meer werk van dan men zou maken van het tellen van zijn vingers, en dat wel zonder dat het van hem gevergd werd. Hij achtte het zijn eer, dat hij zo kon vloeken en zweren, en 't was hem zo natuurlijk als eten, drinken en slapen.
GAJUS. Och, wat een jonge booswicht was hij! Hier was waarlijk, gelijk de Apostel zegt, een stellen van zijn leden tot wapens der ongerechtigheid en der zonde (Rom. 6: 13). En dit is zekerlijk van kwaad tot erger gegaan, naar het getuigenis; dit bewees dat hij een zwartmondige deugniet was.
STEPHANUS. Dat was hij ook, en evenwel achtte hij dit boven al de andere van zijn zonden als een livrei van zijn heer. Hij achtte zich "gelijk als een man", als hij dus onversaagd had leren vloeken en zweren.
GAJUS. Ik geloof het waarlijk, dat velen menen dat hun het zweren en vloeken wel staat, en dat dit de beste weg is voor een mens als hij gezag en schrik voor zijn woorden wil hebben, zo te pronken met die zonde van zweren.
STEPHANUS. Terecht, anders meen ik zouden het de mensen niet zo algemeen hebben, om hun Godtergende eden uit te spuwen, als zij nu doen. Zij hebben daar hovaardij in, zij denken dat het zweren zo manhaftig staat en hebben ze zich daar eens aan gewend, dan zijn ze daar bezwaarlijk af brengen al hun levensdagen.
GAJUS. Had deze jonge Kwaad zichzelf gewend aan zulke vuile taal?
STEPHANUS. Ik meen dat ik wel mag zeggen dat er niets gemeenzamer in zijn mond was dan dit, en dat bij de minste aanleiding. Ja, hij was zo gewend aan deze taal, dat noch vader, noch moeder, broeder of zuster, noch knecht, ja ook niet het vee van zijn vader, aan zijn vloek ontgaan konden. Ik bedoel dat zelfs onvernuftige beesten, wanneer zij zijn humeur niet terwille waren, hetzij dat hij ze dreef of daarop reed, ook in zijn vloek moesten delen. Hij wenste, dat ze de nek of hun benen braken, dat ze hun ingewanden uitstortten, of wel dat hun de duivel mocht halen. En geen wonder, want die zo hoog is, dat hij zichzelf zo licht de verdoemenis, of aan zijn nabestaanden zulke kwade vloeken wensen kan, die zal er geen werk van maken om in zijn dwaasheid de onnozele beesten het kwade toe te wensen.
GAJUS. Maar ik verwonder mij dat waar het vloeken en zweren zulk een kwaad is in Gods ogen, dat Hij niet sommigen, die zich in die goddeloosheid begeven, tot een voorbeeld maakt voor anderen.
STEPHANUS. Ach! dat heeft hij wel duizendmaal gedaan, en nog wel eens zoveel, gelijk men lichtelijk bijeen zou kunnen verzamelen uit verscheidene schrijvers, eeuw en landschap. Ik zelf zou verscheidene kunnen aanwijzen; maar de menigvuldigheid daarvan voorbijgaand zal ik er u slechts twee verhalen. De ene is een vreselijk oordeel Gods op zekere N.P. te Winbleton, in Surrey, die na een gruwelijke bui en vloeken en zweren tegen enigen, die hem niet naar zijn zin deden, schielijk ziek werd en in korte tijd stierf, in een dolle razernij, al vloekende en zwerende.
Verneemt hier in het bijzonder de vreselijke geschiedenis van ene Dorothé Mately, inwoneres van Ashover in het Graafschap Derby.
Deze Dorothé, zegt mijn verhaal, was bij het volk van die stad befaamd als een grote zweerster, vloekster en als zeer leugenachtig en tegelijk ook zeer diefachtig (juist als Mr. Kwaad) en hetgeen zij gewoonlijk deed, was dat ze het schuim dat uit de loodmijn kwam, wies en de stukjes lood uit het slijk opzamelde. Deze, als zij iets bevestigen zou, was gewoon dit te doen met deze soort van vervloekingen: "Ik wou dat ik in de aarde zonk, als het niet zo is" of: "Ik wou dat God de aarde opendeed, en er mij in verzwolg!" Nu gebeurde het op de 23ste maart 1660, dat deze Dorothé het loodslijk wies, op een zekere steile heuvel, liggende omtrent 'n kwartmijl van Ashover af en daar bezig zijnde werd ze door zekere jongeman beschuldigd dat ze twee stuivers uit zijn zak had gestolen, (want hij had zijn kleren bij haar neergelegd en was bezig geweest bij de uitgravers) maar zij loochende het zeer onbesuisd, wensende dat de grond waar ze op stond haar mocht verzwelgen! En deze zelfde goddeloze woorden gebruikte zij die dag bij verschillende gelegenheden.
Nu was er een George Hodgkinson, van Ashover, een man van goede naam, die bij geval juist daar kwam waar deze Dorothé was, en ook een poosje met haar praatte, terwijl zij bezig was om haar slijk te wassen. Daar stond ook aan de zijde van haar tobbe 'n klein kind en iets verder nog een ander, dat het eerste kind luidkeels riep om bij haar te komen, waarom deze George het meisje bij haar hand nam om het te leiden naar degene die het riep; maar ziet! Zij waren nog geen tien meter van Dorothé weggelopen of hij hoorde haar roepen: Help! help! waarop hij omkeek en zag daar de vrouw met haar tobbe en zeef rondslingeren en zo in de grond neerzinken. O, riep de man, bid God dat Hij u uw zonde vergeve, want het schijnt dat u niet langer zult leven. Zo draaide zij met haar tobbe rond, totdat ze ongeveer twee meter diep in de aarde neerzakte en daar bleef ze even steken. Zij riep toen weer om hulp, denkende, zoals zij zei, dat ze daar zou blijven staan. De man, zeer verbaasd, begon te overleggen hoe haar het best te redden; maar terstond vertoonde zich daar een grote steen, die haar op 't hoofd viel en haar hersenpan verpletterde; de aarde meteen toevallende, maakte dat men haar niet meer zag. Naderhand werd zij opgegraven en men vond haar ruim twee meter diep in de grond. De twee stuivers van de jongeman had zij in haar zak; haar tobbe en zeef werden niet gevonden. Hier zou het volgende wel op passen:
O goddeloze leugentaal!
Wel waardig zijt gij te verstoten,
Gij heerst in kleinen en in groten,
O droeve, dodelijke kwaal!
Hoe eet uw kanker daag'lijks in,
Hoe werd uw hoogheid aangebeden!
Al is het tegen recht en reden,
Als 't maar kan strekken tot gewin.
Veel zijn er die om 't geld en goed
Hun ziel de satan overgeven,
Als zij 't maar hebben in dit leven,
't Gestolen brood is voor hen zoet.
Maar God, die weet te Zijner tijd
Zijn oordeel over hen te zenden,
Zodat ze sterven in ellenden!
Helaas, wat zijn zij dan niet kwijt?
Lankmoedig is die grote Heer',
Om 't zondig schepsel lang te dragen;
Maar als het dan niet hoort naar plagen,
Zo werpt Hij 't haastelijk terneer.
GAJUS. U brengt daar een droevige geschiedenis in gedachten, die ik u nu verhalen zal. Ongeveer een boogschot ver vanwaar ik placht te wonen, was een heimelijk drinkhuis; de waard daarvan had een zoon, Eduard geheten, die zich half gek toonde, in woorden en in gedrag. In deze sluipkroeg kwamen eens of tweemaal per week enige vrolijke kwanten, en de vader zocht dan met zijn Ned, zoals Eduard genoemd werd, te vermaken; hij riep hem dan voor die gasten, opdat hij ze door zijn dwaze kuren en woorden tot een spot en spel zou zijn. Als deze kwanten naar het huis van Neds vader kwamen, riep hij Ned, die dan voor de dag kwam. Hij had zich op een duivelse wijze aangewend om te vloeken, tegen zijn vader en moeder, of wie het maar was die hem iets in de weg legde. En daar hij zag (hoewel hij half gek was) dat dit hun behaagde, deed hij het met des te meer stoutmoedigheid.
Toen nu deze kwanten op hun tijd in dit drinkhuis, zo zij het noemden, kwamen om te zwelgen en vrolijk te zijn, riep men Ned, en omdat zijn vader 't meest aan hem gewend was en het beste wist hoe hij hem kon tergen, deed hij hem gewoonlijk zulke vragen en belastte hem zodanige dingen te doen, die hem zeker en 't meest konden tergen. Waarop hij dan op zijn dwaze wijze tegen de vader verschrikkelijk vloekte, waarover de oude man, evenals de gasten, begon te lachen, daar dit hun het meest behaagde, terwijl zij aanhielden met vragen, opdat hij zou blijven vloeken en zij konden blijven lachen. Dit was de vreugde, waarmede de oude man zijn gasten onthaalde.
De vloeken, waarmede deze Ned zijn vader gewend was te vloeken, en waar de oude man zo om kon lachen, waren toewensingen van veel plagen, en het verderf, met deze of dergelijke woorden: "De duivel moet u halen; de duivel voere u weg".
't Gebeurde eindelijk door een rechtvaardig oordeel van God, dat al de vloeken en verwensingen van Ned in korte tijd aan zijn vader vervuld waren; want niet vele maanden hierna geschiedde het, dat de satan hem waarlijk haalde en in bezit nam en voerde hem in weinige dagen door de dood uit de wereld. (Ik zeg dat hij van de duivel gehaald en bezeten werd en dat meen ik, volgens het oordeel dergenen, die met hem in deze beklaaglijke toestand te doen hadden). Hij kon iets voelen, dat als een levend ding in zijn lichaam op en neer vloog, maar als de tijd van zijn kwellingen kwam, (en zulke vlagen had hij dikwijls) dan lag in 't weke van zijn borst als een harde klomp, zo het ons toescheen, en dan scheurde en trok hij hem, zodat de grijsaard brulde en dat duurde tot hij stierf.
Ik was, zoals ik u te voren zei, een oor- en ooggetuige van wat ik hier zeg; ik heb Ned in zijn goddeloosheid zijn vader zo horen vloeken, en de vader daarover wel hartelijk zien lachen, hem tergende, om zo het vloeken in hem te vermeerderen. Ik zag de vader ook toen hij bezeten was, ik zag hem ook in een van zijn vlagen, ik zag dat zijn vlees door de duivel (zoals men meende) in een klomp bij elkaar getrokken werd in een zo klein ogenblik, dat het ongelofelijk is, tot onuitsprekelijke pijn en droefheid van de oude man. Er werd ook gezonden om een duiveluitbanner, die vrij wat meer was dan een gewone dokter, om de duivel uit hem te drijven, en ik was er bij toen hij het ondernam. Aldus ging hij er mee te werk:
Hij bracht hem op een open plaats en legde hem met zijn borst op een plank, zodat zijn hoofd over het eind van de plank heen ging; daar bonden ze hem toen vast en zetten toen een pan met enige kolen vuurs onder zijn mond, waar hij iets inwierp dat een grote rook veroorzaakte, om hierdoor (gelijk men voorgaf) de duivel uit te drijven. Daar hielden ze de man tot hij bijna verstikte van de rook, doch er kwam geen duivel tevoorschijn, wat die duivelbanner nogal ontstelde en de patiënt niet weinig benauwde, en mij deed weggaan, zeer verwonderd en bevreesd zijnde. In weinig tijd was deze man, door wat hem bezeten had, uit de wereld gerukt, naar de vervloekte wens van zijn zoon, en dit was het eind van deze helse vreugde. Daarom komt dit hier wel van pas:
Zo doet die grote wijze God
De oud'ren, die hun kind'ren tergen
En tot de zonden zelve vergen,
Gelijk men merkt aan deze zot.
Uw oordeel, Heere, strekt zich wijd,
Gij doet de goddelozen erven
Hun boosheid, daar zij zelfs in sterven,
En toont dat Gij rechtvaardig zijt.
Gelijk Gij heiligheid bemint,
In al diegenen die U vrezen,
Zo wilt Gij ook rechtvaardig wezen
In 't kwaad te straffen, die 't bezint.
Te meerder in wiens plicht het is
Hun kind'ren aan U op te dragen,
Zij die in 't boze onderschragen,
Dat zij Uw wegen treden mis.
STEPHANUS. Dat waren alle zeer droevige oordelen!
GAJUS. Dat waren in der waarheid vreselijke oordelen!
STEPHANUS. Ja toch; en zij gelijken zeer naar het dreigement van die tekst, hoewel dat voornamelijk op Judas past, Psalm 109: "Dewijl hij de vloek heeft liefgehad, dat die hem overkome; en geen lust gehad heeft tot de zegen, zo zij die verre van hem. En hij zij bekleed met de vloek als met zijn kleed, en dat die ga tot in het binnenste van hem als het water en als de olie in zijn beenderen".
GAJUS. 't Is een verschrikkelijk iets voor de jeugd, opgebracht te zijn in een gewoonte van vloeken en zweren.
STEPHANUS. Daarin opgebracht te zijn, dat kan ik niet zeggen van Mr. Kwaad, want zijn vader heeft menigmaal, wat ik zelf gehoord heb, over de ondeugendheid van zijn kinderen, en in 't bijzonder van deze ondeugende jongen geklaagd. Ik geloof dat de goddeloosheid van zijn kinderen hem menige avond met een bezwaard hart naar bed deed gaan, en met even zwaarmoedig en beklemd hart in de morgen deed opstaan. Maar 't was deze genadeloze zoon alles evenveel; noch heilzame raad, noch vaderlijke droefheid kon hem zijn zeden doen verbeteren.
Daar zijn er inderdaad, die hun kinderen opbrengen tot vloeken en zweren, liegen en stelen en ellendig zijn er die kinderen aan toe, wier ongeluk het is door zulke ouders gewonnen en bestuurd te worden. Beter ware het voor zulke ouders, dat ze hen nooit hadden gewonnen; beter voor zodanige kinderen als ze nooit geboren waren. O, mij dunkt voor een vader of moeder om kinderen op te brengen in zulk een weg, die de naaste weg is naar de hel en verdoemenis, wat is er zo verschrikkelijk als dat. Maar Mr. Kwaad was zo niet opgevoed.
GAJUS. Maar mij dunkt, dat waar de jonge Kwaad thuis niet geregeerd wilde worden, moest zijn vader eens geprobeerd hebben wat voor goeds hij aan hem had kunnen doen met hem buitenshuis te zenden, bij de een of ander van zijn bekenden, die hij wist bekwaam te zijn om hem te besturen en die hem wat kort kon houden, dan zou hij hem tenminste die tijd, die hij nodig had om zijn goddeloosheid te bedrijven, afgesneden hebben.
STEPHANUS. Och, zijn vader deed dat al, hij zond hem al bijtijds buitenshuis, bij een van zijn bekenden, die hij in vriendschap verzocht zorg te willen dragen voor zijn zoon en hem in alle buitensporigheden te breidelen. Zijn bedrijf was ook aanzienlijk en gemakkelijk, evenwel had hij gedurig zijn werk en bezigheid, zodat deze jonge Kwaad geen ledige tijd had, om gelegenheid te hebben tot het kwade. Maar het was alles evenveel; zoals hij begonnen was goddeloos te leven in zijns vaders huis, zo volhardde hij er in toen hij in 't huis van zijn meester was.
GAJUS. Ik heb sommige kinderen gekend, die hoewel zij erg genoeg waren in het huis van hun ouders, evenwel zeer veranderden als zij er uit gedaan werden; bijzonder als zij kwamen in een huisgezin, waar opzieners waren die er ernst van maakten dat de godsdienst onder hen werd waargenomen; maar misschien heeft Mr. Kwaad dit in zijn meesters huis niet gehad?
STEPHANUS. 't Is zo, waarlijk sommige kinderen verbeteren zeer als zij onder een andermans dak komen, maar met deze boosaardige jongen was het niet zo. Zijn ondeugd bleef hem niet alleen bij, omdat hij geen meester had die hem kon onderrichten, of naliet hem te bestraffen; want het was een zeer goed man, een godsdienstig persoon die de godsdienst bevorderde en in zijn huis waarnam, en daar ook naar leefde. De man was ook zeer goedhartig en teerhartig; een, die de jonge Kwaad nooit teveel zou opleggen, of die hem in ontijdige uren bezigheid zou geven.
GAJUS. Wat u daar zegt is wat zeldzaam; wat mij betreft, ik ken er weinigen die hierin onze Mr. Kwaad gelijk zijn.
STEPHANUS. Ook ik niet! Evenwel zulkeen had Mr. Kwaad, want voor 't merendeel zijn de meesters heden ten dage zodanig, dat zij niet behartigen dan hun wereldse belangen, en als hun knechts in deze hun bevelen slechts nakomen, dan mag het met hun ziel en godsdienst gaan zoals 't wil. Ja, ik vrees dat er vele jongelingen, anders van een goede inborst, juist daardoor bedorven zijn, ten opzichte van de toekomende wereld, omdat ze door hun ouders bij zodanige meesters geplaatst waren.
GAJUS. Dat is te meer te beklagen! Wonder is het, dat in zulk een huisgezin, onder zo vele geestelijke hulpmiddelen, niets op zijn hart kon hechten. Konden dan noch goede boeken, noch goede onderwijzing, noch goed predikaties, noch goede voorbeelden, noch goede makkers, noch iets ter wereld hem goed doen?
STEPHANUS. U vraagt dat terecht: hij had geen zin in deze dingen. Wat boeken betreft, ze mochten in het huis van zijn meester liggen totdat ze rotten, wat hem aangaat. Hij achtte ze niet waard om er eens in te zien, maar hij voorzag zichzelf van alle slechte en gruwelijke boeken, vol onkuisheid en boeverijen, zulke die de vleselijke lusten in brand konden zetten. Weliswaar durfde hij daarvoor niet bekend te staan bij zijn meester, daarom wilde hij er hem geen van laten zien, maar hij hield ze in een verborgen plaats en kon ze wel lezen op zodanige tijden, die hem daartoe gelegenheid gaven.
Aan goede onderwijzing had hij evenzoveel zin als aan goede boeken en hij droeg wel zorg er voor, dat hij daar zo weinig van hoorde, als mogelijk was en hetgeen hij dan nog gehoord had zodra te vergeten als het gesproken was. Ja, ik heb wel horen zeggen door degenen die hem kenden, dat het blijkbaar genoeg was en gemakkelijk te zien aan zijn uiterlijk en gebaren, dat goede raad hem weinig deed, ja 't was hem als een pijniging. Hij achtte zichzelf nooit vrij dan wanneer hij 't verste was van heilzame woorden. Hij haatte hen, die hem bestraften en achtte hen zijn dodelijke vijanden, als Spr. 8: 9 en 15: 12.
Het goede voorbeeld dat hem zijn meester gaf, zo ten opzichte van de zaken van de godsdienst als in het burgerlijke, daar lachte de jonge Kwaad om en als hij op die plaatsen kwam, waar hij dat veilig kon doen, maakte hij er een grap en een spotwoord van.
Zijn meester, ja die nam hem mee naar de predikatie en dat daar, waar hij meende dat de beste leraars waren; maar de goddeloze jongeman, wat zal ik zeggen, scheen meester in de kunst van alle goddeloosheid te zijn. Hij had goddeloze middelen waardoor hij zichzelf kon hinderen en afleiden in het horen, al sprak de leraar nog zo luid. Zijn gewoonte was, als hij in de plaats van het gehoor kwam, om dan ver in een hoek te gaan zitten en daar dan zeer vast te slapen. Of anders zijn onkuise ogen te hechten op een opgesmukt voorwerp dat daar was en daarmee al de tijd van de predikatie zijn vleselijke lusten te voeden. Of als hij kon komen bij iemand waarvan hij had gemerkt dat die met zijn humeur overeenkwam, dan zaten ze te fluisteren en te lachen, of te spelen, tot de predikatie ten einde was.
GAJUS. Wel, hij was dus opgeklommen tot een hoogte van goddeloosheid.
STEPHANUS. Dat was hij en hetgeen dit alles nog vergroot, is dat dit zijn praktijk was, zodra hij bij zijn meester kwam; hij was zo vaardig in deze dingen, alsof hij tevoren, eer hij bij zijn meester kwam, elders besteed was geweest om het expres te leren.
GAJUS. Men kan niet anders dan volgens hetgeen u daar verhaalt, zeggen dat er moedwil bij was; mij dunkt, het was of hij zei: Ik wil niet horen, ik wil er geen acht op geven, ik wil het goede niet behartigen, ik wil mij niet verbeteren, ik wil niet bekeerd zijn.
STEPHANUS. U zegt de waarheid en ik weet hem bij niemand beter te vergelijken dan bij die mens, die, toen ik hem zelf eens bestrafte over zijn goddeloosheid, in zijn trotsheid en verwoedheid zei: "Wat voor gezelschap zou de duivel hebben, als er zulken niet waren als ik ben?"
GAJUS. Hebt u zelf een mens zo horen spreken?
STEPHANUS. Ja, dat is eens gebeurd, en deze jonge Kwaad geleek op hem als het ene ei op het andere. Helaas, de Schriftuur maakt gewag van zulken, die door hun daden diezelfde taal voeren: Zij zeggen tot God: wijk van ons, want aan de kennis Uwer wegen hebben wij geen lust (Job 21: 14). Zij weigeren te horen en trekken hun schouders terug, zij stoppen hun oren, ja zij maken hun hart harder dan een diamant, opdat zij de Wet niet zouden horen en de woorden, die de Heere der heirscharen gezonden heeft. Wat zijn deze allen, dan zulken als deze Kwaad was, en als die, waar ik u nu van heb gezegd, die weleer (toen ik mij nog vermaakte in de zonde) mijn speelgenoot was; ik verhaal het tot mijn schaamte, maar hij heeft er nog velen, die zijn voetstappen volgen.
GAJUS. Deze jonge booswicht geleek hem waarlijk en hij volgde zijn treden zo stipt, alsof zijn goddeloosheid hem tot een voorschrift was; ik bedoel zoveel hopeloosheid aangaat, want ware hij niet wanhopig goddeloos geweest, hij zou u, toen u hem bestrafte over zijn zonden, zo niet geantwoord hebben. Maar wanneer berispte u hem dan?
STEPHANUS. Een poos nadat de Heere God mij en hem vaneen gescheiden had, mij roepende door Zijn genade (gelijk ik hoop) en hem in zijn zonde latende; en ik heb niet anders kunnen vernemen of hij stierf zoals hij geleefd had; juist zoals onze Kwaad; maar wij willen hem daar laten en meer tot ons vorig gesprek komen.
GAJUS. Ach, arme hardnekkige zondaren, denken ze dat God niet bij hen is?
STEPHANUS. Ik weet niet wat zij denken, maar ik weet wel dat God zegt dat gelijk als Hij riep en zij niet horen wilden, zo zullen zij ook roepen, maar Ik zal niet horen, zegt de Heere (Zach. 7: 13). Ongetwijfeld zal er een tijd komen dat Kwaad zo eens zal roepen.
GAJUS. Maar ik ben verwonderd dat hij al zo vroeg ervaren was in de goddeloosheid. Helaas, hij was de tucht nog niet ontwassen, ik denk dat hij nog geen twintig jaar was.
STEPHANUS. Neen, geen achttien, maar 't zaad der ongerechtigheid vertoonde zich in hem al vroeg gelijk het deed in Ismaël en in de kinderen, die de Profeet bespotten (Gen. 21: 9, 10; 2 Kon. 2: 23, 24).
GAJUS. Wel, hij was zulk een goddeloze jongeman als men ooit gehoord heeft.
STEPHANUS. Dat zult u zeggen als u alles weet.
GAJUS. Alles, zegt u, mij dunkt dat dit al veel is, maar schuilt er nog meer achter? Laat het dan eens horen.
STEPHANUS. Ik zal u dan zeggen, dat hij niet boven de anderhalf jaar bij zijn meester was geweest, of hij kreeg kennis aan drie jongelieden, die ik hier niet noemen zal, die hem leerden zonden tot zijn zonden toe te doen; en hij, vatbaar zijnde door hun onderwijzing ontving deze. De een was grotelijks overgegeven aan onreinigheid, een ander aan dronkenschap en een derde aan het stelen en zijn meester iets te ontvreemden.
GAJUS. Helaas, arme booswicht! Hij was boos genoeg van zichzelf maar ik denk dat dezen hem nog veel erger maakten.
STEPHANUS. Dat zij hem erger maakten, daar mag u wel van verzekerd zijn, want zij leerden hem een hoofd en voorganger te zijn in hun wegen.
GAJUS. Het was zijn ongeluk, dat hij ooit met hen bekend werd.
STEPHANUS. U mag liever zeggen dat dit een oordeel van God was, dat is, hij kreeg kennis aan hen door de toorn van God. Hij had een goede meester en vóór hem een goede vader, daarbij had hij veel goede raad ontvangen, maanden en jaren achter elkaar, maar zijn hart was op het kwade gezet, hij beminde de goddeloosheid meer dan het goede, zolang totdat zijn ongerechtigheid bevonden werd hatelijk te zijn. En derhalve was het door Gods gramschap, dat hij en zijn makkers zo aan elkaar kennis kregen. Paulus zegt: "dewijl het hun niet goed gedacht heeft, God in erkentenis te houden", - en wat volgt er? - "daarom heeft hen God overgegeven in een verkeerde zin" (Rom. 1: 28). En wederom staat daar (Psalm 125: 5): "Die zich neigen tot hun kromme wegen, die zal de Heere weg doen gaan met de werkers der ongerechtigheid." Dat was derhalve Gods hand op hem, opdat hij mocht verdorven en veroordeeld worden; omdat hij de liefde der waarheid niet aanvaardde, opdat hij mocht zalig worden. Hij koos zich de verleiders en verleiding van het gezelschap der boze mensen en der dwazen, opdat hij ten val kwame (2 Thess. 2: 10, 11, 12; Spr. 12: 20).
GAJUS. Ik kan waarlijk niet anders denken, of het is gewis een oordeel van God, dat een mens zo overgegeven wordt aan 't gezelschap van zulke snoodaards, want wat zijn de zodanigen anders dan de lokvogels van de duivel, juist dezulken, door wie hij de slechten in zijn net lokt? Wat is een hoereerder, een dronkaard, een dief anders dan des duivels lokaas, waar hij anderen mee vangt?
STEPHANUS. Zo is het ook; maar deze jonge Kwaad was geen slechte, als u door slechten verstaat iemand die niet onderricht is, want hem was menigmaal een goed bericht gegeven. Maar verstaat u onder een slechte iemand die een dwaas is omtrent de kennis van 't geloof in Christus, dan was hij waarlijk een slechte, want hij koos de dood liever dan het leven en hij wilde liever leven in een gedurige oorlog met God, dan met Hem bevredigd te zijn, naar het zeggen van Salomo (Spr. 1: 29): "Zij haten de wetenschap, en de vreze des Heeren hebben ze niet verkoren." En wat is er vreselijker oordeel voor een dwaas overgegeven te zijn in de handen van zulke mensen, die geen verstand hebben dan om slechts te doen wat hun zonden kan doen rijpen, en de vervulling daarvan tot verdoemenis verhaasten? En daarom moesten de mensen vrezen God te vertoornen, daar Hij hen op deze wijze om hun zonden kan straffen. Ik heb eens een man gekend die, naar ik dacht, omtrent zijn staat zodanig was ontwaakt dat er wat goed van te verwachten was; ja, ik heb er twee gekend, die ook wakker geworden schenen, maar ze gingen daarna terug, begaven zich weer tot hun begeerlijkheden, waarom God hen gaf aan het gezelschap van drie of vier van zulke mensen, die hen in minder dan drie jaar aan de galg brachten, waar dezen die geweigerd hadden te leven als eerlijke lieden, opgehangen werden als honden.
GAJUS. Maar aangaande deze drie makkers van Kwaad, vertel mij eens in het bijzonder hoe hij zich toen gedroeg?
STEPHANUS. Ja, hoe zou hij zich gedragen? Hij deed evenals zij. Dat heb ik tevoren al te kennen gegeven, toen ik zei dat ze hem een voorname en opziener maakten in hun wegen.
Hij werd eerst een bezoeker van kroegen en drinkhuizen. Daar kon hij verblijven tot hij zo onbekwaam was door de drank als een beest. En als hij er bij dag niet kon komen, schikte hij het zo, dat hij er bij nacht kwam. Ja, hij werd op het laatste zulk een befaamde dronkaard, dat hij bij ieder daarvoor bekend stond.
GAJUS. Dat was zeer zwijnachtig, want dronkenschap is wel zulk een beestachtige zonde, dat iemand die maar een schijn van een mens heeft, zich tot zulk een beestachtig kwaad, ja erger dan beestachtig, kan overgeven.
STEPHANUS. Het is inderdaad zo, maar ik moet u toch nog een historie verhalen. Daar was een edelman, die een dronken stalknecht had, die eens op een avond, terwijl zijn meester het zag, zeer dronken thuis kwam. Zijn heer dacht bij zichzelf: ik zal je nu niet lastig vallen, maar morgenochtend zal ik je eens overtuigen dat je erger bent dan een beest, door middel van mijn eigen paard. 's Morgens beval hij hem heen te gaan en het paard te drenken, wat hij deed, waarna hij weer bij zijn meester kwam. Deze beval hem nogmaals heen te gaan en het beest andermaal in 't water te leiden; de jongeman reed weer in het water, maar het paard wilde niet drinken. Daarom kwam hij opnieuw terug en verhaalde het aan zijn meester, die daarop uitvoer: "Jij dronken zot bent veel erger dan mijn paard, dat wil slechts drinken om aan de natuur te voldoen, maar jij om de natuur te bederven. Hij drinkt maar om zich te verfrissen en jij doet het tot je schade en verdoemenis; hij drinkt om bekwamer te zijn om zijn meester dienst te doen, maar jij om jezelf onbekwaam te maken om God en de mensen te dienen. O jij beest! Hoeveel erger ben jij dan het beest waar je op rijdt?"
Met recht mag men wel zeggen:
De dronkaard, vol van wijn belaân
Is erger dan een beest te achten.
Hij spilt verstand, zijn geld en krachten,
En moet nog eind'lijk beed'len gaan.
Was dit nog 't ergst, 't was nog al niet;
Zijn arme ziele doet hij sterven
En brengt zich eeuwig ten verderven
En in 't rampzaligste verdriet.
O, gij die wijn en hoeren mint
En zo verslijt al uwe dagen,
Gij zult het eeuwiglijk beklagen,
Indien gij 't u steeds onderwindt.
De wijn, die God en mens verblijdt
En voor de zwakken is een leven,
Van Hem zo goediglijk gegeven,
Die is 't, die gij in wellust slijt.
GAJUS. Waarlijk, mij dunkt dat die meester hem recht daarop diende, want hij toonde hem duidelijk dat hij zoveel heerschappij over zichzelf niet had als wel het paard, en dat bijgevolg dat beest beter leefde naar de wet der natuur dan hij. Maar daar onze Kwaad nog maar een leerjongen was, hoe kwam hij aan 't geld? Dronkenschap is nogal een kostbare zonde.
STEPHANUS. Zijn meester moest het allemaal betalen, want gelijk hij van die drie boeven de dronkenschap leerde, leerde hij ook stelen en ontfutselen. Verkocht hij wat van zijn meesters goed, hij stak het, als hij maar even kon, bij zich. Hij wist zijn meester ook te blinddoeken en soms iets uit de lade te nemen. En wilde dat niet gelukken, dan kon hij enige eigendommen van zijn meester, waarvan hij dacht dat ze niet zozeer gemist zouden worden, elders heen zenden of brengen, waar hij ze dan wist te vinden, om dan zijn maats uit te nodigen, daar nu eens vrolijk mee te zijn.
GAJUS. Dat was een lelijk ding; ja, ik denk erger dan het vorige; want hierdoor wierp hij zichzelf niet alleen onder de toorn van God, maar hij bracht ook zijn meester en diens gezin in gevaar van te gronde te gaan.
STEPHANUS. De zonde gaat niet alléén, maar de ene volgt de andere, zoals de schakels in een ketting. Wie een dronkaard wil zijn, moet geld hebben, hetzij van hemzelf of van een ander; hetzij dat hij het zijn vader, moeder of meester ontfutselde, of dat hij het van de publieke wegen haalt, of anderszins.
GAJUS. Ik vrees dat er in deze boze dagen méér zulke knechten zijn en dat veel eerlijke lieden op deze wijze benadeeld worden.
STEPHANUS. Daar schiet mij iets te binnen dat ik u moet vertellen. Toen ik in de gevangenis was, kwam er een vrouw bij mij, die zeer verontrust was. Ik vroeg, daar zij mij onbekend was, wat ze mij te zeggen had. Zij antwoordde, zeer bevreesd te zijn dat ze verdoemd zou worden. Ik vroeg haar naar de oorzaak van die vrees. Zij gaf mij te kennen, dat ze een poos geleden bij een zekere winkelier te Wellingbourg had gewoond, die ze verscheidene malen beroofd had van zijn geld, dat in de winkellade was. Ik vraag u, zei ze, zeg mij toch wat mij nu te doen staat. Ik wilde dat ze naar haar meester zou gaan en schuld bekennen, maar ze antwoordde dat ze niet durfde. Toen ik haar de reden hiervan vroeg, zei ze dat ze er aan twijfelde of hij haar niet zou laten ophangen. Ik verzekerde haar, voor haar leven te zullen spreken en ook andere vrienden daartoe te bewegen, maar ze zei het niet te durven wagen. Wel, zei ik, ik zal contact opnemen met uw meester voor u onder zijn ogen komt en er voor zorgen dat hij tevredengesteld wordt voor hij u ziet. Toen vroeg ik naar de naam van haar meester, maar al wat ze zei, was: "Ik verzoek u, niets te ondernemen; ik zal bij u terugkomen." Zo ging ze weg zonder namen te noemen. Dit is ongeveer tien, misschien twaalf jaar geleden en sindsdien heb ik haar nooit meer gezien. Ik vertel dit, om uw vrees dat er al te veel zulke dienstboden zijn, te bevestigen. God doet ze soms door de schrik van hun consciëntie zichzelf verraden, zoals wij tevoren hoorden van de oude Tod. Ik zou hier nog een dergelijk verhaal bij kunnen voegen, van iemand die haar meesteres had bestolen, maar voor nu genoeg.
Wanneer de boze is in onrust
Zo schijnt hij 't kwaad te willen laten
Al is 't dat hij 't niet komt te haten;
Voor die tijd is het hem geen lust.
Wanneer de Opperrechter spreekt
En dondert in 't binnenste geweten,
Dan zoekt men 't kwade te vergeten,
Hoewel het hart vol boosheid steekt.
Oprecht toch is 't berouw nog niet,
Wanneer men niet van 't kwaad wil scheiden,
Voor God noch mensen wil belijden,
Als men hun goede raad aanbiedt.
O diep en snood verborgen kwaad!
Wie kan u kennen en doorgronden?
Gij geeft de ziele duizend wonden,
Wanneer men die slechts overslaat.
Och! Kende ieder mens terecht
Wat in zijn ziel al werd gevonden,
Hoe zou hij gruw'len van die zonden,
Waar 't hart nog even vast aan hecht.
GAJUS. Maar waartoe was die andere boef genegen? Ik meen de derde makker van Kwaad.
STEPHANUS. Ik heb u al tevoren gezegd, dat het onreinigheid was; maar het schijnt dat u het vergeten bent.
GAJUS. Ja, inderdaad, 't was onreinigheid, dat is ook een vuile zonde, nochtans een van de meest heersende in deze dagen.
STEPHANUS. Ik zei, dat een van die zeer vuil was in 't bedrijven van ontucht; niet dat die juist een dief of dronkaard was, maar hij was meest ervaren in onkuisheid. Dit boze werk was zijn meesterstuk, want hij was in die beestachtige zonde van hoererij als de belhamel van hen allen. Hij was ook best bekend met zulke huizen, wist waar ze waren en zo kon hij de anderen er beter heen krijgen. De hoeren kenden deze jonge slechtaard ook en wisten zichzelf aan diegenen, die met hem kwamen, door hun hoerenstreken genoeg te ontdekken.
GAJUS. Dat is voor de jongelui een dodelijk iets, dat zulke beestachtige sletten met woorden of giften, die openlijk tot verzoeking dienen, zich zo vertonen, en het is moeilijk voor hen, aan zulke strikken te ontkomen.
STEPHANUS. Dat is waar, en daarom is het 't best, de raad van de wijze man te volgen, en niet te naderen tot de deuren van hun huizen (Spr. 5: 8). Zie ook hoofdstuk 7: 6 tot 18, en de schadelijke gevolgen beide voor ziel en lichaam wel te overwegen. Ik heb eens gehoord van een zeker groot man, een onkuis persoon, die ook zo lang in die zonde had geleefd, dat hij zijn gezicht bijna verloren had; daarom zond hij tot zijn medicijnmeester, aan wie hij zijn ziekte mededeelde. Deze zei hem echter, dat dokters geen goed aan hem konden doen, of hij moest die onkuise vrouwen verlaten. Neen, zei hij, vaarwel dan maar. Merk hieruit op dat die zonden niet alleen schadelijk zijn voor het lichaam, maar dat sommigen daar zo op verzot zijn dat ze die aan de hand willen houden, al zouden ze het lichaam geheel verderven. En wat volgt er menigmaal op het bedrijven van deze beestachtige zonde? Niets dan verschrikkelijke kwalen! En hoe gaat het soms niet vergezeld met moord van de vrucht, aldus in het bevlekte gewonnen. Hoe gemeen het tussen die onreine mensen, om tot moord te bewilligen, zal worden in de dag des oordeels, hoewel er nu soms ook iets van aan de dag komt.
Ik moet u nog een geschiedenis mededelen, die mij een oud man van mijn bekenden, een leraar, een man die in ons land een zeer goede naam heeft, verhaald heeft. Zijn moeder was een vroedvrouw, die onder grote lieden meestal haar werk verrichtte. Ten huize van deze vrouw komt op zekere tijd een nette jonge heer, te paard zittende, die haar verzocht met hem mee te gaan naar een jonge mevrouw, om te helpen. Nadat zij zich gereed gemaakt heeft neemt hij haar achter op zijn paard en rijdt er mee weg. Het was in de avond, of al nacht. Zij waren niet ver weg, toen de edelman van zijn paard stapte, de oude vroedvrouw in zijn armen nam en van het paard aftilde. Verscheidene malen liep hij zo met haar in het rond, zette haar weer op het paard en reed verder, totdat ze bij een aanzienlijk huis kwamen, waar hij haar binnenleidde en in een kamer bracht waar zij een jongejuffrouw in haar weeën vond. Hij beval de vrouw, haar werk te verrichten. Toen zij daar hulp bij eiste, trok hij zijn zwaard uit en zei dat ze, als ze geen spoed maakte, zonder hulp, zij niets anders te verwachten had dan de dood. Om kort te zijn, deze vroedvrouw hielp de juffrouw zo gelukkig, dat zij spoedig een kind ter wereld bracht. Er was een groot vuur gemaakt in een kamer, niet ver van die waarin zij waren. Toen ging dan de jonker heen met het kind en, de kolen en het hout vaneen spreidende, wierp hij de zuigeling daarin, dekte het kind met vuur en maakt er zo een eind aan. Daarna ging hij naar de vroedvrouw, betaalde haar zeer goed voor de moeite, maar sloot haar die gehele dag op in een duistere kamer. Toen de avond gekomen was, nam hij haar weer achter op zijn paard en reed met haar weg, tot zij bijna bij haar huis was. Toen nam hij haar weer als tevoren van het paard, en draaide haar rondom. Zo bracht hij haar tot haar huis, waar hij haar neerzette, vaarwel wenste en wegrende, zonder dat zij ooit kon zeggen wie het was. Deze geschiedenis heeft die leraar, haar zoon, mij zelf verhaald; hij betuigde dat het hem door zijn moeder voor waarheid zo verteld was.
O hoererij, een kanker voor de zielen!
Die iedereen verslindt en pijnt!
Daar duizend zonden steeds bij krielen
En maken doet dat ziel en lichaam kwijnt,
Gij zijt een pest voor dart'le jongelingen,
Die op uw spoor hun treden maken vast,
Gij zijt het die uitwerkt de snoodste dingen,
En dat de mens komt eind'lijk aan de bast.
Die uw gesmeek en lodderijke lonken
Meer achtte dan de regel van zijn God,
Die erft op 't laatst des duivels helse vonken,
En tot zijn deel krijgt hij zo 't droevigst lot.
O! wacht u dan, gij die des Heeren leden
Besteedt, en spilt uw krachten al gelijk,
En al uw tijd, zo dierbaar, gaat besteden
Tot duivels dienst en voorspoed van zijn rijk.
GAJUS. Moord volgt er dikwijls op, als zijnde de eigen vrucht van die zonde. Maar soms brengt God ook de overspelers en overspeelsters tot een schandelijk einde. Ik heb eens gehoord van iemand, ik meen dat het een doctor in de medicijnen was, die bij een hoer wel drie of vier bastaarden had, die zij allen had omgebracht; die uiteindelijk toch nog daarvoor in de omtrek van Colchester werd opgehangen. Het kwam op deze manier aan de dag: de hoer was daarover zo gekweld in haar consciëntie, dat ze niet kon rusten voordat ze het bekend had gemaakt. Dus maakt God te eniger tijd de werkers der goddeloosheid nog hun beschuldigers, en brengt hen door hun eigen tong tot de verdiende straf van hun eigen zonde.
STEPHANUS. Zodanige voorbeelden zijn er vele, maar wij willen die voorbijgaan. Evenwel, ik ben eens geweest bij een vrouw, 't was een getrouwde vrouw, die ziek te bed lag en van die ziekte ook stierf. In haar consciëntie benauwd zijnde, wegens de ontuchtigheid die zij dikwijls met anderen had bedreven, hoorde ik haar, zoals zij op haar bed lag, aldus uitschreeuwen: "Ik ben een hoer, en al mijn kinderen zijn bastaarden en ik moet om mijner zonden wil naar de hel; ziet! daar staat de duivel aan het voeteinde van mijn bed, opdat hij mijn ziel zal ontvangen als ik sterf."
GAJUS. Ach, dit zijn droeve geschiedenissen! Vertel er mij nu geen meer, maar als het u goeddunkt, toon mij dan eens welke schadelijke gevolgen die beestachtige zonde nog meer heeft.
STEPHANUS. De zonde is een strik voor de ziel, en tenzij de genade het door een wonder voorkomt, zij zal onvermijdelijk omkomen in de betoverende wellusten daarvan. Dit blijkt uit veel teksten, als de volgende: Spreuken 6: 26 en 23: 27 en 2: 18 en 7: 25, 27 en 22: 49. Ik hoorde eens iemand zeggen tot een ander, die hij tot het bedrijven van deze zonde verlokte: "Wilt u uw lichaam wagen? Ik waag er mijn ziel aan." O gruwelen! hoeveel verschilt dit van Jozefs geest!
GAJUS. Gelukkige Jozef; ach, had hij meer metgezellen.
STEPHANUS. Mr. Kwaad heeft nu meer metgezellen dan Jozef, anders waren er zoveel ontuchtige vrouwen niet, want hoewel die zelf ook niet zonder schuld zijn, zo geloof ik toch dat er veel hoer worden door het vleien en verleiden van Kwaads makkers. Helaas, daar is menige vrouw, die door goede beloften van trouw of iets dergelijks daartoe verlokt worden. Ja, als er geforceerd is en ze daarna in haar hart verhard werd, zichzelf daartoe overgeeft, evenals deze goddelozen, om die soort van goddeloosheid gieriglijk te bedrijven. Jozef had een ander hart, de vreze Gods was in hem.
Eer ik hiervan af ga, moet ik nog twee opmerkelijke geschiedenissen verhalen en ik wens dat Mr. Kwaads metgezellen deze horen; zij zijn te vinden in Mr. Clarks, Spiegel voor zondaren, bladzij 12.
Mr. Cleaver, zegt hij, verhaalt van iemand die hij kende, die ontuchtigheid had bedreven, die daarop in benauwdheid van zijn consciëntie geraakte, zodat hij zich verhing, met achterlating op papier van dit geschrift: "In waarheid, ik erken het ten hoogste onwettig dat men zichzelf doodt, doch ik ben in deze verbonden om des Magistraats ambt te verrichten, wijl de dood de straf van deze zonde is." En op diezelfde bladzijde verhaalt hij van twee, binnen Londen overspel plegende en die in deze daad zelf terstond door vuur van de hemel gedood zijn. Hun lichamen werden half verbrand en stinkende gevonden.
GAJUS. Inderdaad opmerkelijke geschiedenissen.
STEPHANUS. Dat zijn het en ik denk even waarachtig als opmerkelijk.
GAJUS. Maar 't verwondert mij, dat als de meester van deze jonge Kwaad wist dat hij zo'n boef was, hij hem nog in zijn huis wou leiden.
STEPHANUS. Zij geleken elkander als vuur en water. De wegen van de jonge Kwaad waren verdrietig voor zijn meester; en zijn meester weer voor hem. Dus werd in deze twee vervuld hetgeen de Heilige Geest zegt: "De oprechten van wegen zijn de goddelozen een gruwel, en de goddelozen zijn een gruwel voor de oprechten." Evenwel had de goede man hem nog wel willen houden, als hij gekund had, en zou hem zijn koopmanschap geleerd hebben.
GAJUS. Als hij gekund had, zegt u. Wel, hij kon immers wel, als hij wilde, is het niet?
STEPHANUS. Ach, Kwaad liep van hem weg, en dat een- en andermaal. Hij wilde in geen geval onderdanig zijn. Toen dit opnieuw gebeurde liet hij hem ook lopen. Was het onze eigen zaak geweest, wij zouden ook zo gedaan hebben en hem hebben laten gaan. Want wat zou een man, die acht heeft op zijn eigen rust, zijn kinderen, zijn welvaart en het behouden van zijn dienstknechten, opdat ze niet meer zo boos werden, anders kunnen doen dan hem te laten gaan? Was hij gebleven, het tuchthuis was het bekwaamst voor hem geweest, maar zijn meester wilde hem daar niet heenzenden uit genegenheid voor zijn vader. Derhalve liet zijn meester hem gaan.
GAJUS. Hij liep weg, zegt u, maar waar ging hij heen?
STEPHANUS. Wel, naar iemand van diezelfde nering en die juist zo was als hij. Dus gaan de goddelozen hand aan hand. En daar diende hij ook zijn tijd uit.
GAJUS. Dan had hij zeker de begeerte van zijn hart, toen hij zo kwam bij iemand die hem gelijk was.
STEPHANUS. Ja, dat had hij, doch God gaf hem die in Zijn toorn.
GAJUS. Hoe bedoelt u dat?
STEPHANUS. Ik bedoel het zoals ik het tevoren zij, dat het voor een goddeloos mens een teken van Gods gramschap is, zo uit de deur van een goede man geworpen te worden en te gaan wonen in de woning van een goddeloze. Want door deze en dergelijke oordelen zegt God als tot zulkeen: "O gij goddeloze! gij bemint Mij; noch Mijn wegen, noch Mijn volk, gij werpt Mijn wet en goede raad achter uw rug! Komt, Ik zal met u handelen in Mijn toorn, gij zult aan de goddelozen overgegeven worden, gij zult bij de duivel ter school besteld worden; Ik zal u laten zinken en drijven in uw zonden, totdat Ik u bezoek met dood en oordeel." Dit was derhalve een ander oordeel dat op de jonge Kwaad kwam.
GAJUS. Hoe ligt het dan ten laste van de ouders, die hun kinderen liefhebben, toe te zien dat, zo zij van hen gaan, zij mogen komen in goede huisgezinnen, opdat zij bijtijds leren het kwade te schuwen en het goede na te volgen.
STEPHANUS. Ja waarlijk, en 't is ook de plicht dergenen die kinderen in hun huis nemen, zorg te dragen wat voor kinderen zij daar ontvangen, want men kan door een kwade dienaar beschadigd worden in zijn naam, staat en familie, en alzo gehinderd worden in zijn vrede, vreedzaam zoeken van God, en de Godzaligheid. Ik zeg dat dit door zulk een ondeugd en vuile tong licht teweeggebracht kan worden.
GAJUS. Dat is ook zo, want een zondaar verderft veel goeds en een arme man is beter dan een leugenaar. Maar soms kan men het niet voorkomen, want sommigen die in 't begin heel mooie dingen schijnen te beloven, bewijzen zich daarna snode boeven te zijn, als de jonge Kwaad. Maar hoe vond hij het toch met zijn meester? Want zij waren toch vogels van enerlei veren, hij en zijn tweede meester, omdat ze zo goed overeen kwamen in goddeloosheid.
STEPHANUS. Deze tweede meester, zoals ik tevoren zei, was kwaad genoeg: evenwel kon hij dikwijls met zijn dienaar kijven en hem berispen, ja hem ook wel om zijn boze handelingen slaan.
GAJUS. Wat spreekt u? Hij was immers zelf zo kwaad, dit is dan wel zoals het spreekwoord zegt: de duivel straft de ondeugd.
STEPHANUS. Ik verzeker u, dat het is zoals ik zeg. Want u moet weten dat Kwaads wijze van doen niet diende tot het voordeel van zijn meester. Kon hij gedaan hebben als die dochter, waarvan we in de Handelingen der Apostelen lezen, te weten met zijn slecht gedrag de beurs van zijn meester vullen, dan was hij voorzeker zijn "blanke jongen" geweest, maar zo stond het er niet voor met onze jonge Kwaad. En daarom, hoewel hij en zijn meester grotendeels overeenkwamen, zo verschilden ze echter in het een en ander. Want hij verwaarloosde de zaken van zijn meester door zijn lopen bij de ontuchtige lieden, misleidde zijn meester en verwilderde zijn dochters. Niet vreemd dat ze hierin niet accorderen konden. Niet dat zijn meester een afkeer had tegen het bedrijven op zich, want dat kon hij zelf ook wel, toen hij in zijn leerjaren was, maar omdat deze knecht zijn goed verkwistte en hem daardoor schade toebracht. Had de goddeloosheid van de jonge Kwaad alleen gestrekt tot het voordeel van zijn meester, kon hij maar zweren, liegen, bedriegen en misleiden, om zijn handelaars en klanten tekort te doen, (gelijk hij soms ook waarlijk deed) was dit alles geweest wat hij had gedaan, hij had niet één gemelijk woord van zijn meester ooit gekregen, maar dit deed Kwaad niet altijd.
GAJUS. Dat brengt u heel goed te pas, namelijk van die dienstmaagd waar wij in de Handelingen der Apostelen van lezen, en het onderscheid tussen goddeloosheid en de goddeloosheid der dienstboden ligt er ook zeer duidelijk in.
STEPHANUS. Helaas! Mensen die goddeloos zijn voor zichzelf, haten het echter in anderen; niet enkel omdat het goddeloosheid is, maar omdat het tegen hun belang strijdt. Meent u dat de meester van die dienstmaagd zich zo ontsteld getoond zou hebben, als hij niet, met haar, ook zijn winst verloren had? Neen, ik verzeker u, al was ze naar de duivel gevaren. Maar toen hij zag dat de hoop van zijn winst weg was, toen begon hij Paulus te vervolgen (Hand. 16: 17-20). Maar Mr. Kwaads meester verloor soms zijn misdrijf en zonden, en dan ontstonden er moeilijkheden tussen hen beiden.
GAJUS. Arme Kwaad! Het scheen dat hij ook zijn gelijken niet altijd kon behagen.
STEPHANUS. Ja toch; door zo te veroordelen in anderen, hetgeen ze in zichzelf hebben of dulden. En de tijd zal eens komen, dat hetzelfde vonnis dat uit hun eigen mond is gegaan, tegen de zonden van anderen, daar ook zij zich daarin vleiden en behaagden, eens met geweld zal wederkeren op hun eigen paden. De Heere spreekt oordelen uit tegen Baësa, gelijk wegens al zijn kwaad in het algemeen, zo ook in 't bijzonder, daarom, omdat hij was gelijk het huis Jerobeams; en evenwel roeide hij dat uit (1 Kon. 16: 7). Dit was de staat van Mr. Kwaads meester, hij was hem gelijk en toch sloeg hij hem. Hij is gelijk zijn knecht en nochtans spreekt hij van zijn kwaad leven.
GAJUS. Maar waarom liep Kwaad niet ook van deze meester weg, zoals hij bij de andere gedaan had?
STEPHANUS. Als ik het wel heb, was dit de reden, dat er in 't huis van de eerste Godzaligheid was, en dat kon de jonge Kwaad niet verdragen. Want wat zijn onthaal, wonen, werk en tijd betrof, had hij het tevoren veel beter door zijn meesters toelaten, dan hij het ooit bij deze had; maar dit alles kon hem niet vergenoegen, omdat er de Godzaligheid beoefend werd. Hij kon deze gebeden, dit lezen van de Schriftuur, dit horen en bespreken van de predikaties niet verdragen; hij kon niet dulden dat men hem zijn overtredingen op 'n bescheiden en Godvruchtige wijze onder het oog bracht.
GAJUS. Daar is groot onderscheid in de manier van bestraffing; de goddelozen kunnen het wel verdragen dat men hun overtreding tegenspreekt, en ze kunnen het ook niet.
STEPHANUS. Daar is waarlijk groot onderscheid. Deze laatste meester kon onze Kwaad zijn zonden voor ogen stellen in Kwaads eigen taal of spreekwijze; hij kon zweren, vloeken en doemen, eer hij hem iets van zijn zonden zei, en dit kon hij beter verdragen, dan dat men hem op een Godvruchtige wijze daarover aansprak. Behalve dat, kon deze meester, als die woede over was, en zijn driften wat bedaard waren, met de zonden van zijn dienaar Kwaad lachen en er een klucht van maken; en dat behaagde deze kwant wel. Niets maakte hem boos dan slagen, en die kreeg hij nu zelden, omdat hij tamelijk groot was geworden. De meeste tijd als zijn meester bulderde, en zwoer, gaf hij eed voor eed en vloek voor vloek, tenminste stilletjes, het mocht ook zo lang duren als het wilde.
GAJUS. Dat was een hels leven!
STEPHANUS. Zo was 't ook inderdaad; en men mag zeggen, dat deze jonge Kwaad bij deze meester zo wel vorderde in goddeloosheid en in zijn handel en koopmanschap, want als zijn tijd uit was, was hij ten dele door zijn eigen neiging tot de zonden, ten dele door de gemeenzaamheid met zijn drie makkers, en ten dele door deze laatste meester en de goddeloosheid, die hij in hem zag, tot een volleerd zondaar geworden. Ik meen dat hem al een bastaard ten laste gelegd werd eer zijn tijd uit was.
GAJUS. Wel, 't schijnt dat hij zijn tijd daar nog uitdiende; hoe maakte hij het toen?
STEPHANUS. Hij ging naar zijn vader en deze, als een liefhebbende en teerhartige vader, ontving hem in zijn huis.
GAJUS. Hoe gedroeg hij zich toen?
STEPHANUS. De oorzaak die hem naar huis dreef, was gebrek aan geld om nu zelf iets te beginnen, doch hij bleef daar maar korte tijd, en toomde zichzelf daar zo goed als hij kon in, en hij liet niet te veel blijken dat hij zo slecht was, uit vrees dat zijn vader enig misnoegen tegen hem zou opnemen en dan zou weigeren hem geld te geven, of om het wat uit te stellen.
Evenwel had hij toen nog al zijn tijd en gezelschap om zijn lusten te voldoen, maar hij was gewoon dat te verbloemen, daarmede, dat hij zijn oud gezelschap zo gaarne zag en dat zij ook zeer op hem gesteld waren en dat hij dan fatsoens- en beleefdheidshalve niet minder kon doen dan hen met een of twee glazen wijn te onthalen.
GAJUS. Maar gaf de oude man hem geld, om zelf wat te beginnen?
STEPHANUS. Ja, wel meer dan 2400 gulden.
GAJUS. Daar, meen ik, deed de oude man zeer kwalijk aan. Was ik zijn vader geweest, ik zou hem wat korter onder de duim gehouden hebben, tot ik wat meer blijken van goed gedrag zou hebben gezien (want ik merk dat de vader wel zag wat voor een slechte jongen hij was geweest, zowel door hetgeen hij thuis had uitgehaald, als dat hij zulk een goede meester voor een slechte had verwisseld); daarom moest hij hem ook zo gauw geen geld ter hand gesteld hebben. Wat was er aan gelegen geweest, als hij hem wat korter gehouden had, en dat hij voor een tijd als dagloner gewerkt had, opdat hij had mogen leren wat een stuiver waard was, door er zelf een te winnen. Zo had hij naar alle waarschijnlijkheid beter geweten hoe men ze besteden moet; en mogelijk had hij in die tijd bij zichzelf beter bedacht, hoe men in de wereld moet leven. Ja, en wie weet het, hij mocht met de verloren zoon nog tot zichzelf gekomen zijn, en God en zijn vader om vergiffenis hebben gebeden voor 't bedrijven van al deze snoodheden.
STEPHANUS. Had zijn vader deze manier van handelen met hem, die u daar zo voorstelt, kunnen zeggen en vruchtbaar maken tot dat einde, ik zou mede gedacht hebben als u, maar ach, u spreekt alsof u nooit geweten, of immers nu vergeten had, wat de ingewanden en 't medelijden van een vader te zeggen hebben. Waarom hebt u uw eigen zoon aldus niet behandeld? Maar 't is al te blijkbaar, dat we beter aan anderen goede raad kunnen geven, dan dat we voor onszelf goede raad kunnen opvolgen. Doch mijn waarde buurman, neem eens aan dat Mr. Kwaads vader zo had gedaan als u daar zegt, en zijn zoon hierdoor tot vele kwade handelingen gedreven was, wat had hij dan gewonnen, zo voor zichzelf als voor zijn zoon?
GAJUS. Maar het volgt er niet uit, dat, indien de vader gedaan had als wij daar zeiden, dat aan de zoon gedaan zou hebben, wat u daar belieft te stellen. Maar neem eens aan dat het zo was, wat had hij erger gedaan dan hij reeds gedaan had?
STEPHANUS. 't Was kwaad genoeg met hem, dat is waar; maar denk eens dat de vader hem nu geen geld gegeven had en de jonge Kwaad was daardoor verbitterd geworden en had zich in grammen gemoede elders overzee begeven, dat de vader hem nooit meer zag of ooit van hem hoorde; of dat hij als een uitzinnige, met een hardnekkig voornemen zich naar een andere plaats te begeven, om zo aan geld te geraken, en daardoor zichzelf aan de galg, en zijn vader met zijn bloedverwanten in smaadheid had gebracht; en hoewel hij tot zulk een einde niet geraakt was, dat hij evenwel deze en gene boosheden aan zijn goddeloosheden had toegevoegd, wat troost kon de vader in dit alles hebben?
Behalve dat zijn vader toen hij nu alles gedaan had wat hij kon, met de begeerte om hem tot een eerlijk man te maken, kon hij evenwel zijn hoofd rustiger neerleggen, hetzij dat zijn zoon zijn raad had opgevolgd of niet, dan hij naar uw raad gedaan had.
GAJUS. Neen, ik denk niet dat ik te driftig ben geweest, om zulk een raad te geven; maar waarlijk, u gaf mij zulk een verhaal over zijn snoodheden, dat ik door 't horen daarvan toornig op hem werd.
STEPHANUS. In een toornige beweging gaan wij ons licht te buiten; maar de arme deugniet, die hij is, is nu al heengegaan naar zijn plaats. Maar zoals ik zeg, als een goede vader voor een kwaad kind gedaan heeft wat hij kan, en dat het toch nooit beter wordt, zal hij zich met veel meer vrede neerleggen dan zo hij door gestrengheid hem tot ongerechtigheden gebracht had.
Ik denk daar, dat ik eens gehoord heb van een goede vrouw, die zoals deze oude man een slechte en goddeloze zoon had; zij bad voor hem, raadde hem en gedroeg zich zeer moederlijk jegens hem, vele jaren achter elkaar; doch hij bleef slecht. Tenslotte gebeurde het dat ze, in den gebede geweest zijnde om zijn bekering te verzoeken, zoals zij gewoon was, naar hem toe ging en hem op deze wijze aansprak en vermaande: "Zoon," zei ze, "je bent een goddeloos kind geweest, je hebt mij veel gebeden en tranen gekost, en je blijft even goddeloos; wel, ik heb mijn plicht volbracht en alles gedaan wat ik kan om je te behouden; nu ben ik tevreden en als ik je zal verdoemd zien in de dag des oordeels, het zal er zo ver vandaan zijn dat ik om jou bedroefd zal zijn, dat ik die dag mij zal verheugen in het horen van het vonnis van je verdoemenis." En hij werd door dit middel bekeerd!
O wonderlijke en schone zaak!
Wanneer dat God nog geeft Zijn zegen!
Op woorden vol van kracht, ja tegen
Een zondaar, die 't was zijn vermaak.
Zo toont die grote wijze God
De rijke rijkdom van Zijn goedheid,
Wanneer hij komt tot die in 't kwaad leit,
En toont hem zijn ellendig lot.
O dat toch ieder snode zondaar
Zich mocht bekeren, ja als dezen;
Veel ouders zouden blijde wezen,
Al was het nog na menig jaar.
Ik zeg u dat, indien de ouders zich vriendelijk gedragen omtrent hun kinderen, hun weldadigheden mengende met vriendelijke bestraffingen, en hun vriendelijke bestraffingen met vaderlijk en moederlijk medelijden, het waarschijnlijker is, dat ze zo de eer van hun kinderen behouden zullen, dan door te stuurs en streng te wezen. Doch zo ze hen niet behouden, en hun goeddadigheid hun geen goed doet, zal het hun echter in de dag des doods zeer troostelijk zijn te denken: immers heb ik met liefde zoveel gedaan als ik kon, om mijn kind van de hel te bevrijden!
GAJUS. Wel, ik stem dat toe. Maar laten we terugkeren tot Kwaad; u zei dat zijn vader hem een som gelds gaf, om er zelf iets mee te beginnen.
STEPHANUS. Dat is waar, zijn vader gaf hem wat geld, en hij zette er zich mee neer; maar het was ook welhaast met hem gedaan, want hij had niet lang zo zijn eigen zaken gedaan, of hij geraakte door de slechte leiding van zijn zaken binnenshuis en zijn overdadige verkwisting buitenshuis zo diep in de schuld, en hij had zo weinig in zijn winkel om te betalen, dat hij zich reeds moeilijk uit de gevangenis kon houden. Doch toen zijn schuldeisers vernamen dat hij op het punt stond om te trouwen, en dat het niet onwaarschijnlijk was of hij zou een rijke vrouw krijgen, zeiden ze onder elkaar: "Wij zullen niet te scherp met hem gaan; als hij een rijke vrouw krijgt mag die ons alles betalen."
GAJUS. Maar hoe kan dat zo snel mislopen? Ik merk uit hetgeen u zegt, dat het maar een korte tijd was.
STEPHANUS. Zeker was het een korte tijd, ik meen dat het niet meer dan twee jaar was; laat het een half jaar langer zijn, maar de reden is wel te begrijpen, want hij, een wilde jongeman zijnde, en de vrije toom hebbende, zijnde toch geheel en al overgegeven aan zijn begeerlijkheden en aan de zonde, gaf hij zichzelf ten enenmale over aan de wegen van zijn hart en 't gezicht van zijn ogen, vergetende dat God hem om al deze dingen in 't gericht zou doen komen, zoals er staat in Prediker 11: 9. En die zo doet, zal niet lang op zijn benen blijven staan. Behalve dit had hij nog nieuw gezelschap gekregen, makkers die hem in zeden gelijk waren, zulken die het niet scheelde wie er zonk, als zij maar mochten drijven. Dezen kwamen hem dikwijls bezoeken en ook zijn winkel als hij er niet in was. Zij wisten hem gewoonlijk in de drinkhuizen te lokken en dan te maken dat hij daar voor allen betaalde; zij konden geld van hem borgen, maar geen zorg dragen om het hem ooit terug te geven, tenzij dat ze nog meer van hun confraters bij zich hadden. En zo kwam de armoede over hem als een wandelaar en zijn gebrek als een gewapend man.
Maar in al die tijd zagen zij al vast zijn humeur af; hij wilde gaarne gevleid en geprezen worden, en het deed hem zeer goed, dat men hem roemde over zijn vlug verstand, manhaftigheid en statuur; en dat was of ze hem over zijn gelaat streelden. Zo behandelden ze hem en wisten zich daardoor al dieper en dieper bij hem in te dringen en als roofvogels weg te slepen het weinige dat zijn vader hem gegeven had. En zo brachten ze hem welhaast onder de voet en in de naaste deur om een bedelaar te worden.
GAJUS. Daar was nu 't gezegde van de wijze Salomo vervuld (Spreuken 13: 20): "Die der zotten metgezel is, zal verbroken worden." En 19: 3: "Die een metgezel der hoeren is, brengt het goed door."
STEPHANUS. Zo is het; en dan ook: "Die der vraten metgezel is, beschaamt zijn vader" (Spr. 28: 7). Want de arme man had beide, droefheid en schaamte, doordat hij zijn zoon (nu zijn eigen meester geworden) zich aldus zag aanstellen, in zulk een goede gelegenheid, in en onder welke hij, als hij ze wettig had gebruikt, geleefd kon hebben tot eer van God, tot troost van zijn eigen ziel en tot vertrouwen onder zijn bekenden. "Die ijdele lieden volgt zal met armoede verzadigd worden" zegt Salomo (Spr. 28: 18). De weg die hij insloeg, leidde hem regelrecht tot zulk een staat; want wie kan wat anders tegemoet zien van iemand die zulk een koers houdt? Daarenboven, als hij al in zijn winkel was, kon hij zich niet begeven om iets te doen, het was in de natuur een lui mens; hij stond naar hoge dingen en zijn handen weigerden te werken, en wat kan zo iemand anders tenslotte hebben dan hetgeen daar staat in Spreuken 23: 21: "De zuiper en de slemper zal verarmen, en de slaper moet verscheurde klederen dragen."
GAJUS. Maar ik denk, als hij nu aldus tot zulk een laagte vervallen was, moest hij de hand Gods, die in deze tegen hem was uitgestrekt, hebben opgemerkt, zich op zijn borst geslagen en zo teruggekeerd zijn tot de Heere.
STEPHANUS. Opmerking, goede opmerking, was zeer verre van hem, hij was nu al zo dapper en trots als ooit in zijn gehele leven, en hij was nu wel zo hittig in het najagen van zijn zonden, als toen hij midden in zijn volheid was, alleen dat hij nu daarheen liep als een afgesleten paard, een doodeter; de duivel had hem nu bijna als afgereden en van de been geholpen.
GAJUS. Maar hoe maakte hij het toch, nu alles bijna weg was?
STEPHANUS. Hij behielp zich nu met twee dingen: het eerste was dat hij alles zocht in te schrapen wat hij kon, met liegen, zweren en pochen, namelijk dat hij het nu wel zo goed kon stellen als toen hij pas zijn zaken begon, ja hij won nu eerder dan dat hij verloor; en dan had hij van zijn makkers aan zijn snoer, die eveneens zo sterk konden zweren als hij, om het te bevestigen.
GAJUS. Dat was een dubbele goddeloosheid; zonde was het, dit zo valselijk maar te zeggen; en zonde was het, daar dan ook nog om te zweren.
STEPHANUS. Dat is waar, maar wat voor een zonde zou dat toch zijn die zulk een mens, die van God verlaten is, niet zou doen? En ik geloof dat onze Mr. Kwaad er zo een was.
GAJUS. Maar wat was het andere?
STEPHANUS. Ik begon dat al eerder te zeggen: hij zag uit naar een rijke vrouw; en nu kom ik tot enige andere van zijn gepraktiseerde, overlegde, doorslepen en vervloekte schelmerijen; zodanige die bewijzen zullen dat hij de wanhopigste zondaar was.
Dit is er van de zaak: hem ontbrak een vrouw, of liever geld, want om een vrouw was het hem zozeer niet te doen, want hij had onkuise mensen genoeg aan zijn snoer.
Maar zoals ik zeg, het schortte hem aan geld en daar moest hij door een vrouw aankomen, of hij kreeg het niet. Nu, daar was zo gemakkelijk niet aan te komen, tenzij hij een kunstenaar werd, om ze te bedriegen; en 't bedriegen zou hem niets hebben kunnen helpen bij volk van zijn soort, die zowel de bedrieger konden spelen als hij. Maar niet ver van zijn huis woonde er een dochter, die zeer Godzalig was en die tevens een vrij goede portie had van tijdelijke middelen; maar hoe deze nu te krijgen? Daar zat nu heel de zaak op vast. Hij raadpleegt hierover zijn vertrouwdste en allergeslepenste makkers, spreekt zijn hart tegen hen uit en geeft hun te kennen, dat hij zin had om te trouwen; geeft hun ook te verstaan met wie; maar, zegt hij, hoe zal ik mijn doel bereiken; zij is een godsdienstig mens en ik niet. Wel, zei een van hen, als zij zo vroom is, moet jij je ook voor zo een uitgeven, en dat reeds een poosje tevoren, eer je bij haar komt; let dus op waar zij dagelijks onder 't gehoor gaat en ga daar ook heen. Maar je moet toezien, dat je je daar altijd geschikt aanstelt en je houden of het woord dat er gesproken wordt je wonderwel aanstond, en ga daar staan waar zij je kan zien. Als je naar huis gaat, let er dan op dat je er stemmig uitziet en zorg ervoor dat zij je dan ook ziet. Als je dit enige tijd zo gedaan hebt, ga dan eens naar haar toe en spreek met haar hoe bedroefd je bent over je zonden en toon een grote liefde tot die soort van godsdienst waar zij zich bijgevoegd heeft. Spreek dan loffelijk over haar leraren en over haar Godzalige bekenden, beklaag je ongeluk dat je niet eerder met haar en haar Godvruchtige medebelijders bekend bent geworden. Dit is de manier, zei hij, om haar te krijgen. Je moet ook de predikaties gaan uitschrijven, spreken uit de Schrift en betuigen dat je alleen daarom tot haar komt en met haar wilt omgaan, omdat ze zo Godzalig is en dat jij het je grootste geluk zou achten, als je zo iemand als zij is tot vrouw mocht hebben. Wat haar geld betreft, dat moet je als niets achten (het zal daar niet minder en ook niet meer om zijn) en dat zal de manier zijn om er het snelst aan te komen. In 't begin zal zij achterdochtig zijn, of je toch niet om haar geld komt. Je weet wel wat zij heeft, maar spreek er met geen woord over. Probeer dat eens en zie of je 't meisje niet in 't net zult krijgen.
Dit was de strik, die hij voor deze deugdzame dochter neerlegde, en ze werd welhaast in de put gevangen.
GAJUS. Heeft hij deze raad dan opgevolgd?
STEPHANUS. Zou hij niet? Ja toch; en na een korte tijd ging hij zo vrijmoedig naar haar toe alsof hij een van de vroomsten en oprechtsten in geheel Engeland geweest was. Hij nam al deze stukken in acht en volgde de raad van die raadgevers en hij kreeg haar ook welhaast; want hij had vele natuurlijke bekwaamheden; hij was schoon van gedaante en van een hoge statuur, zijn kleding was eenvoudig, evenwel deftig. Hij kon ook gemakkelijk de godsdienstige uithangen want hij had daar iets van gezien in het huis van zijn vader, en daarna nog in het huis van zijn eerste meester. Derhalve kon hij zich te vaardiger in het postuur en de gedaante daarvan schikken.
Op de bestemde dag gaat hij naar haar toe, wat hij onverhinderd doen kon, want zij had geen vader en moeder die het hem zouden beletten. Bij haar komende, wist hij haar zeer beleefd te begroeten en te verstaan te geven, waarom hij daar gekomen was; hoe hij in zijn hart veel liefde tot haar persoon gevoelde en dat hij uit al de juffers van de gehele wereld haar had uitgezocht, (zo het haar welgevallig was) om haar tot zijn geliefde huisvrouw te maken. De reden waarom zijn keus zo op haar gevallen was, zei hij, waren haar godsdienstige en persoonlijke kwaliteiten. Hij verzocht haar derhalve, zijn verzoek in tedere overweging te willen nemen. Wat de wereld aangaat, zei hij, heb ik een goede betrekking, kan mijzelf en mijn gezin wel onderhouden, terwijl mijn huisvrouw rustig op haar plaats kan blijven. Ik ben al zo- en zoveel vooruitgegaan en dag aan dag komt er geld genoeg in, maar dit is het niet wat ik beoog; ik zoek een vrome en Godzalige vrouw. Dan gaf hij haar eens enkele goede traktaten en gaf voor, dat hij voor zichzelf daaruit veel goeds had genoten. Hij sprak ook soms met haar van vrome predikanten, bijzonder van die, waarvan hij merkte dat zij ze wel lijden mocht en die zij 't meest beminde. Benevens dit alles verhaalde hij haar dikwijls wat een Godvruchtige vader hij had en wat een nieuw mens hij zelf geworden was. En zo ging die verraderlijke mens te werk met deze goede, deugdzame dochter, tot haar grote droefheid en smart, zoals u nog zult horen.
GAJUS. Maar had deze juffrouw geen vrienden, die naar haar omzagen?
STEPHANUS. Haar vader en moeder waren dood en dat wist hij ook wel, daardoor kon hij haar des te lichter door zijn ondeugende leugenachtige tong machtig worden. Maar al had zij nog zoveel vrienden gehad, hij had ze wellicht eveneens begoocheld. 't Is nu maar al te gewoon onder de jongelieden, dat ze zich wijs genoeg achten om hun eigen keus te doen en dat zij het niet nodig vinden, degenen die ouder en ook wijzer zijn dan zij raad te vragen, doch dat is een grote fout en velen hebben het ook duur genoeg moeten betalen. Om kort te gaan, Mr. Kwaad krijgt in een korte tijd deze godsdienstige maagd, en tevens haar geld. Hij trouwt haar, brengt haar in zijn huis, maakt een groot feest, onthaalt haar koninklijk; maar haar goed moest het allemaal boeten.
Zo doen er velen metterdaad,
Gelijk deez' snode Meester Kwaad,
Die ook dit vroom en zoete wezen
Wist door zijn schijn ras te belezen.
Zo zijn er die om 't geld en goed
Zich weten vromelijk te houden;
Al zijn zij 't niet in het gemoed,
Die nooit op God in 't minst vertrouwden.
O huichelaar! God kent uw daân
En Hij zal ze u nog eens ontdekken;
Al schijnt gij nu met Hem te gekken,
Hij zal z' u doen voor de ogen staan.
GAJUS. Dat waren wondere bedrieglijke handelingen; zelden zal men dergelijke horen.
STEPHANUS. Door deze handelwijze toonde hij, hoe weinig hij God vreesde en hoe weinig ontzag hij had voor de oordelen van God. Want in al zijn gedrag en in al zijn woorden, die hij gebruikte om zijn boosheid voort te zetten, wist hij dat hij loog en dat hij haar misleidde; ja hij wist dat hij Gods Naam, de Godsdienst, de vrome lieden, en goede boeken gebruikte als een stijgbeugel, om daardoor te beter zijn rol te spelen. In al deze schone schijn en voorwendsel van godsdienst was hij maar een sierlijk geschilderde huichelaar en huichelarij is de grootste zonde, waartoe een arm vleselijk wezen opklimmen kan. En 't is ook een zonde, die God meer trotseert en die zich daarom aan des te groter verdoemenis verschuldigt. Nu was hij een gewitte wand; nu stond hij daar als een der gepleisterde graven; nu was hij een graf dat niet gezien werd. Wat deze onnozele vrome en Godvruchtige juffrouw betreft, weinig dacht zij dat haar vrede, troost, staat, vrijheid, persoon en al wat zij had, ten grave gingen, toen zij heenging om zich aan Mr. Kwaad echtelijk te verbinden; en zo was het toch in der waarheid, dat werd ze in korte tijd ook gewaar; zij was als dood en begraven ten opzichte van al hetgeen waar zij zich tevoren in bevond.
GAJUS. Zeker een groot en wonderlijk oordeel Gods moet zulke lieden, als dit zijn, overvallen.
STEPHANUS. U mag daar wel van verzekerd zijn, dat zij hun volkomen oordelen over al deze dingen te verwachten hebben, wanneer de dag des oordeels zal gekomen zijn. Wat de straffen in dit leven aangaat, die komen juist niet altijd; neen, ook niet over die ze wel verdiend hebben. De hoogmoedigen zijn dikwijls gelukkig, en die goddeloosheid doen, worden gebouwd (Maleachi 3: 15). Doch zij worden bewaard voor de dag des toorns, en alsdan zal de Heere hun goddeloosheid in hun aangezichten vergelden. De goddelozen worden onttrokken ten dage des verderfs, dat ze ten dage der verbolgenheid ontvoerd worden. Wie zal hem in 't aangezicht zijn weg vertonen?
Als hij wat doet, wie zal hem vergelden? Eindelijk wordt hij in het graf gebracht en hij is gedurig in de aardhoop (Job 21: 30-32).
Dat is: gewoonlijk ontkomen zij Gods hand, alleen enige weinigen uitgenomen, opdat de anderen daardoor behoed en gewaarschuwd mogen worden. Doch in de dag des oordeels zullen ze om hun kwaad gestraft worden met de banden van het vuur des verderfs.
GAJUS. Kunt u mij niet een voorbeeld geven van Gods toorn over zo iemand, die zulk een goddeloze streek uitgehaald heeft als deze Kwaad?
STEPHANUS. Ja; Hemor en Sichem en al de inwoners van hun stad; zij maakten God en de godsdienst tot een voetbank, om daardoor Jakobs dochter tot hun huisvrouw te krijgen, maar zijn ook allen door de scherpte des zwaards vernield. Ontwijfelbaar een oordeel van God over hun bedriegerijen, in deze gepleegd. Allerlei leugen en bedrog is vleselijk, maar God en Zijn dienst tot een momaangezicht te maken, om daaronder de bedriegerijen voor eens anders oog te verbergen, tergt de Goddelijke majesteit gans zeer.
Ik ken er een, die niet ver van onze stad af woont, die zich een huisvrouw verkreeg juist op zulk een wijze als onze Kwaad de zijne doch hij had haar niet lang, want op een avond naar huis rijdende, komende van zijn gezelschap uit een nabijgelegen plaats, wierp hem zijn paard tegen de aarde, waar hij, toen de dag aanbrak, dood werd gevonden, verschrikkelijk toegetakeld door zijn val en als omgewenteld en bezoedeld door zijn eigen bloed.
GAJUS. Maar kom, laten we terugkeren tot onze Kwaad; hoe gedroeg hij zich jegens zijn vrouw, toen hij met haar getrouwd was?
STEPHANUS. Laten we de zaken zo voor de voet opnemen; hij was niet lang getrouwd geweest, of de crediteuren kwamen om over hun geld te spreken. Hij kon het een poosje uitstellen, maar uiteindelijk kwam het zover dat hij betalen moest of er zouden andere maatregelen genomen worden. Hij stelde hun dan een tijd, en toen die aanbrak kwamen ze ook om het geld te ontvangen. Hij betaalde hen met het deel van zijn huisvrouw, wat zij voor haar ogen zag, en dat voor wat hij lang tevoren zo overdadig met hoeren had verkwist, tot een waarde van f. 2400,=, behalve hetgeen zijn vader hem eertijds had gegeven.
GAJUS. Dat was een kwaad begin, maar wat zal ik zeggen? Het was zoals Mr. Kwaad zelf was. Arme vrouw, dit was slechts een kwaad begin voor haar; ik denk dat het haar moeilijk genoeg viel, gelijk ik geloof dat het een ander, al ware hij veel sterker geweest dan zij was, ook gedaan zou hebben.
STEPHANUS. Moeilijk, ja, daar kunt u wel van verzekerd zijn, maar het was nu te laat om berouw te hebben; zij moest beter vóór zich gezien hebben, als het berouw wat had kunnen helpen. Nu mag haar schade een ander enig voordeel toebrengen, met te leren daardoor zichzelf beter in acht te nemen; wat haar aanging, zij moest nu nemen wat er van kwam, namelijk als zulkeen als haar man, Mr. Kwaad, haar wilde doen lijden, en dat zal kwaad genoeg zijn.
GAJUS. Dit was een dwaas begin en ik vrees dat het maar een beginsel van kwaad was.
STEPHANUS. Dat mag u wel geloven, want daarna kwamen er veel andere kwaden bij; bijvoorbeeld hij was niet getrouwd of hij hangt zijn godsdienstigheid aan de kapstok, of liever, hij handelde daarmede zoals een mens doet met zijn oude kleren: men werpt ze weg, of men laat ze anderen dragen; wat hem betrof, hij wilde niet langer godsdienstig zijn.
Nu legde hij derhalve zijn masker af en begon zich in zijn oude gedaante te vertonen, te weten als een snode, goddeloze en ondeugende boef. En de arme vrouw zag nu, dat ze waarlijk verraden was. Zijn oude makkers begonnen nu weer bij hem te komen en zijn huis en winkel weer te bezoeken, evenals voorheen. En wie kwam nu meer bij hen dan hij en wie meer bij hem dan zij?
Het gezelschap der vrome lieden, die met de vrouw kennis hielden begon nu al ontmoedigd te worden en weg te blijven, want hij zag hen zo donker en stuurs aan, dat hij hun komst duidelijk afkeurde, zodat hij in korte tijd al het goed gezelschap wegdreef, en haar eenzaam en verlaten deed neerzitten op zichzelf. Hij begon nu ook 's avonds weer naar zijn sletten te gaan, waarmee hij tevoren zich zo verliep, en kon daar blijven tot middernacht, ja ook wel tot bijna aan de lichte morgen, en dan kwam hij wel thuis zo dronken als een zwijn. En dit was Mr. Kwaads manier van leven.
Als hij dus thuis kwam en zijn vrouw maar een woord kikte, waar hij zolang geweest was, en hoe hij zich dus had verlopen, al waren haar woorden nog zo zachtmoedig en vol liefde, dan was ze een hoer en een beest enz. En zij mocht zich gelukkig achten als hij haar niet sloeg en schopte. Soms bracht hij zijn bijzitten ook wel in huis, en wee haar als die dan weggingen omdat ze hen niet vriendelijk genoeg bejegende, of zijn volkje niet op de best mogelijke wijze onthaald had.
Dus had de goede vrouw niet anders van haar man Kwaad, dan een gemis van al wat hij haar had beloofd en zij uit zijn hand meende te ontvangen. Doch wat een drukkend gewicht gaf aan al haar droefheid, was dat evenals hij zelf nu alle godsdienst had weggeworpen, hij haar plaagde of hij mogelijk haar daartoe kon brengen. Hij wilde niet hebben dat ze uitging om het Woord van Christus te horen, of enige van Zijn instellingen te houden tot welvaren en behoudenis van haar ziel; hij kon schimpen over haar predikanten en tot hun nadeel spreken; hij kon ergerlijke dingen van haar aannemen, ja die ook uitstrooien; alles tot haar grote droefheid en harteleed.
Zij durfde nu ook niet het huis van haar buurman binnentreden, of een goed boek in haar handen nemen, bijzonder als hij er van zijn gezelschap in huis had, of zijn brein wat beneveld was door drank. Hij kon ook, als hij merkte dat ze wat beschaamd was, schamper van haar spreken en de spot met haar drijven in de tegenwoordigheid van het gezelschap; hij noemde haar dan zijn godsdienstig wijf, zijn stemmige juffrouw en zulke spotnamen meer. Als hij buitenshuis onder zijn tafelbroers was, diende zij hem tot een klucht- en klapwoord.
Vroeg ze hem, zoals zij soms deed, of hij haar naar de predikatie wilde laten gaan, dan riep hij op bulderende wijze: "Blijf thuis, blijf thuis en doe wat je doen moet; wij kunnen van het horen naar een predikatie niet leven." Hield zij aan, hem verzoekende om haar toch te laten gaan, dan zei hij: "Ga eens, als je durft!" Hij beschuldigde haar ook, alsof zij haar leraren veel bracht, terwijl hij, snode booswicht, met zijn ijdel gezelschap zelf het geld verkwist had.
Dit wedervoer de goede huisvrouw van Mr. Kwaad reeds binnen enkele maanden nadat ze met hem getrouwd was.
GAJUS. Dit was inderdaad misleidend.
STEPHANUS. Waarlijk een misleiding, zo groot als ik denk dat deze vrouw ooit wedervaren is. Men zou denken dat die schurk haar wat toegegeven zou hebben, daar zij niets begeerde dan vroomheid, terwijl zij zoveel had ingebracht, want zij had vele duizenden belegd. Ik zeg, men zou denken dat hij haar wat terwille zou geweest zijn, waar zij toch niets anders begeerde dan alleen maar de dienst van God waar te nemen, maar kon zij zoveel wel op hem gewinnen dat hij haar dat dan vergunde? O neen, geen ziertje, al had haar leven er aan gehangen. Het is waar, soms ging ze nog als steelsgewijs heen, als hij van huis, buiten, of elders bij zijn dronken gezelschap was, maar met alle bedenkelijke voorzichtigheid. Die arme vrouw, dit voordeel had ze nog: zij gedroeg zich zodanig bij al haar buren dat, ofschoon velen van hen maar vleselijke mensen waren, geen van hen haar wilde verraden of zeggen dat ze uit was geweest om het Woord te horen, hoewel ze het gezien hadden; maar zij trachtten het veeleer voor hem te verbergen.
GAJUS. Dit gedrag omtrent haar was genoeg om haar hart te doen breken.
STEPHANUS. Inderdaad ws het daarvoor genoeg en dat deed het dan nu ook werkelijk. Ja, 't was haar dikwijls als de dood; wat zeg ik? 't was haar gedurige dood. Als ze soms alleen neerzat en haar staat overdacht, begon ze die op deze klagelijke wijze te bewenen: "Wee mij, dat ik vreemdeling ben in Mesech, en dat ik woon in de tent van Kedar: mijn ziel heeft te lang gewoond bij degenen die de vrede haten. O wat zal u de bedrieglijke tong geven, of wat zal ze u toevoegen? Ik ben een vrouw van een bedroefde geest, mijn man heeft mij gekocht omwille van zijn lusten. Niet ik, maar mijn geld was het, dat hem ontbrak. Ach, had hij dat slechts gekregen, dan had ik mijn vrijheid behouden."
Zo sprak ze, niet uit betrachting van zijn persoon, maar van zijn staat, en omdat ze zag dat hij door zijn huichelachtige tong haar niet alleen bijna tot bedelen had geholpen, maar haar ook beroofd van Gods Woord.
GAJUS. 'k Zie dat het een dodelijk iets is, zo ongelijk verbonden te zijn met een ongelovige. Had deze goede vrouw een goede man gehad, hoe gelukkig zouden zij samen geleefd hebben. Maar arm schaap! in plaats daarvan was er niets voor haar dan hetgeen recht tegengesteld was.
STEPHANUS. Ach ja, dodelijk is het waarlijk en daarom heeft God in Zijn Woord Zijn volk verboden, met de zodanigen in een huwelijk te treden: "Trekt geen juk aan met de ongelovigen" zei Paulus, in 2 Corinthe 6: 13. "Want wat mededeel heeft de gerechtigheid met de ongerechtigheid? En wat gemeenschap heeft het licht met de duisternis? En wat samenstemming heeft Christus met Belial? Of wat deel heeft de gelovige met de ongelovige? Of wat samenvoeging heeft de tempel Gods met de tempel der afgoden?" Daar kan geen eensgezindheid zijn, waar zulk een vermenging wordt gemaakt. God zelf heeft van 't begin der wereld af het tegendeel betuigd: "Ik zal" zegt Hij, "vijandschap zetten tussen u en tussen deze vrouw, tussen uw zaad en haar zaad." Daarom in een andere plaats: "Zij zullen de een de ander niet hechten, gelijk als zich ijzer met leem niet vermengt" (Daniël 2: 43). Ik zeg, zij kunnen samen niet eens zijn, daar is geen overeenstemming tussen beide, en daarom moet men zich in het eerst wel wachten, en de zodanigen niet gemakkelijk in gunst aannemen. God heeft zodanige vermenging veeltijds, bijzonder aan de zijnen, zeer bitter gemaakt. De zodanigen zijn veeltijds, zoals God zegt van diegenen, die Hij uit Eli's huis over zou laten, alleen maar om de ogen te vertederen en het hart te bedroeven (1 Sam. 2: 33). O, wat zuchten en klachten zijn er wel niet geslaakt door zodanigen die aldus gebonden waren? Bijzonder zo zij dat op zich genomen hadden tegen hun eigen licht en goede raad van anderen.
GAJUS. Ach, helaas, zij werd bedrogen door zijn tong en door zijn beweerde hartsvernieuwing.
STEPHANUS. Wel, wel, zij had ook voorzichtiger te werk moeten gaan want wat had er tegen kunnen zijn als zij haar beste, meest bevriende en Godzalige vrienden hier kennis van gegeven had? En waarom niet een Godvruchtige predikant of twee anderen opgewekt om eens met Mr. Kwaad te spreken? En wat had het niet gebaat, als zij er enigen toe gebruikt had om hem wat na te gaan en als het ware te verspieden, of hij achter haar rug wel zo goed was als hij in haar tegenwoordigheid zich hield? En behalve dat denk ik ook, daar in de veelheid der raadgevers behoudenis is, dat, zo zij de gehele vergadering hiervan kennis had gegeven en hun verzocht had enige tijd af te zonderen, om God hierover te zoeken; en dat ze, zo zij hem dan gehad moest hebben, zij hem dan eerder om zijn Godzaligheid genomen had, op eens anders oordeel dan haar eigen, omdat zij hen hield voor Godzalige, wijze en onpartijdige lieden, dat ze dan daarna in haar leven meer vrede gehad zou hebben dan nu zij haar eigen gering, onervaren en vrouwelijk oordeel zoveel toevertrouwde.
De liefde is blind en wil geen misgreep zien, al waren er ook honderd. Daarom moest zij haar eigen gedachten van zijn deugd niet veel vertrouwd hebben.
Wat zijn persoon aangaat, daar kon zij het best over oordelen, omdat zij slechts daarin te behagen was; maar wat zijn Godzaligheid betrof, daarover was Gods Woord de bekwaamste Richter, en die, die daarin het best ervaren was, omdat God daarin te behagen was. Ik wenste dat de ongetrouwden zorg droegen en toezagen, dat ze niet door geveinsde en leugenachtige woorden bedrogen werden, en de beste weg wilden inslaan, om te verhoeden dat ze door de goddelozen verkocht zouden worden, zoals zij, opdat het hun niet berouwe, wanneer het berouw hun niet zou helpen, maar dat ze, zoals deze, door hun onbedachtzaamheid met droefheid ten grave gaan.
GAJAUS. Wel, deze dingen zijn nu met deze arme vrouw al voorbij, en kunnen niet herroepen worden; laten anderen door haar ongeval zich hoeden, opdat ze dan ook niet in haar druk vallen.
STEPHANUS. Dat is wat ik zeg, opdat ze door hun onbedachtzaamheid de smart niet gevoelen, die deze arme vrouw gevoeld heeft. En o, mij dunkt dat degenen die nog eenzaam zijn en wie verzocht wordt om te trouwen met zulken als Mr. Kwaad, toch eerst goed dienen te informeren eer zij zich laten strikken. Dat zij dan allen slechts gaan tot diegenen die reeds gestrikt zijn en hun vragen hoe het hun gaat ten opzichte van de gevoegelijkheid of ongevoegelijkheid van hun trouwen en aan hen om raad vragen in deze. Zeker, zij zouden zich zulk een gericht in de oren brengen over de ongelijkheden, onhebbelijkheden, hindering, onrust en zonden, die zulk een huwelijk vergezellen, dat ze zich daarvan zouden zoeken te wachten, zo lang als ze leefden. Maar de vogel die nog in de lucht vliegt, kent de zang van een die in de strik zit, voordat hij zelf daar ook in komt. Behalve dat, in huwelijken die zo aangegaan zijn hebben vleselijke redeneringen, de satan en de begeerlijkheden (althans de onbedachtzaamheid) een voorname hand. En waar deze de scepter zwaaien, zullen ze de mens in hun voorgenomen einde, al was het nog zo verderfelijk, over hals en hoofd instorten, en daarom vrees ik dat maar weinige dochters zich zullen laten waarschuwen door de druk van Mr. Kwaads huisvrouw.
GAJUS. Maar zijn er geen beweegredenen om de zodanigen voor te houden, dienende om hen daarvan af te raden, opdat hun in 't vervolg zodanige ellende niet zou treffen?
STEPHANUS. Ja, daar ligt de Wet van God, die het verbiedt met de ongelovigen te trouwen; deze soort van paring is zelfs veroordeeld door de redeloze schepselen. Het is verboden door de Wet van God, beide in het Oude- en Nieuwe Testament. In het Oude, want zo staat er in Deuteronomium 7: 3, 4: "Gij zult geen huwelijk met hen maken; uw dochters zult gij niet geven aan hun zonen, noch hun zonen zult gij nemen voor uw dochters." In het Nieuwe is het verboden (2 Cor. 6: 14): "En trekt geen juk aan met de ongelovigen." "Laat haar trouwen aan wie zij wil, alleenlijk in de Heere (1 Cor. 7: 39). Hier is nu een verbod, en een duidelijk verbod, niet met een ongelovige te trouwen; derhalve moesten ze het dan ook niet doen. Wederom, deze onbedachtzame huwelijken zouden, om zo te spreken, ook veroordeeld worden door de redeloze schepselen, die niet willen paren dan met hun eigen soort. Zal een schaap zich paren met een hond, of een patrijs met een raaf, de fazant met een uil? Neen, zij houden zich strikt en alleen bij hun eigen soort; ja, 't strekt de wereld tot een wonder als zij het tegendeel ziet of hoort. De mens alleen is onderhevig zichzelf toe te geven in zulke onwettige vermenging. De mens alleen is zulk een zondig beest, zo'n zondige vogel, en daarom wil hij boven alle anderen, door rebellerende daden, de wet van God zijn Schepper beantwoorden, of liever zich daartegen aankanten en opstellen; en deze en dergelijke vragen: wat gemeenschap, wat mede-deel, wat overeenstemming kan er in zulke huwelijken zijn? Ze worden door hen van weinig gewicht geacht, en hun antwoord is hun niet waardig.
Maar verder: de gevaren waarin dezulken zich gewoonlijk begeven, moesten een afradend argument zijn, om anderen te stuiten om alzo te handelen. Want behalve de droefheid van Mr. Kwaads huisvrouw, zijn er zeel velen geweest, die grote beginselen van verwachting voor de hemel gaven, die door de kracht der schadelijkheden van zodanige onwettige huwelijken der gezelschappen zich zeer ellendig en vervaarlijk misdragen hebben. Kort na zulk huwen heeft de overtuiging (de eerste stap naar de hemel) opgehouden. Het gebed (een tweede stap naar de hemel) is afgenomen. Het hongeren en dorsten naar de zaligheid (een andere stap naar 't koninkrijk der hemelen) is overgegaan. Kortom, zulk huwen heeft hen bevreemd van het Woord van God, van hun Godzalige en getrouwe vrienden, en verder heeft het hen wedergebracht tot hun vleselijke vrienden, en alzo tot hun vleselijk vermaak, waarin en met wie zij tenslotte op een zondige wijze zijn gebleven en ellendig vergaan.
En dit is ook een reden, waarom God dit slag van ongelijke huwelijken verboden heeft. "Want" zegt Hij, "zij" (menende de goddelozen) "zouden uw zonen van Mij doen afwijken, dat zij andere goden zouden dienen, en de toorn des Heeren zou tegen ulieden ontsteken en u haast verdelgen" (Deut. 7: 4). Let nu op, daar waren sommigen in Israël, die niettegenstaande dit verbod het wilden wagen om met heidenen en ongelovigen te trouwen; maar wat volgde er? Zij offerden hun zonen en dochteren aan de duivel. Dus werden zij verontreinigd door hun eigen werken, en hoereerden door hun daden; daarom werd des Heeren toorn ontstoken tegen Zijn volk, zodat Hij Zijn erfdeel verwierp.
GAJUS. Maar laten we toch terugkomen tot onze Kwaad; had hij ook kinderen bij zijn vrouw?
STEPHANUS. Ja, zeven.
GAJUS. Ik twijfel er aan of die niet kwalijk opgevoed waren.
STEPHANUS. Een van hen hield heel veel van zijn moeder en luisterde altijd naar haar. Zij had nu de gelegenheid om dat kind in de gronden van de christelijke religie te onderwijzen, en het werd een zeer begenadigd kind. Maar onze Kwaad kon dat kind niet verdragen, hij kon het zelden een goed woord geven, maar hij schold en knorde er gedurig op en behandelde het zeer honds en wreed. En hoewel het het zwakste van deze zeven was, moest het evenwel het meest de kracht van zijn vaders handen voelen. Drie van de kinderen volgden direct zijn voetstappen en werden zo snood als hij in zijn jeugd zelf was. De rest was een vermengde soort van belijden, niet zo kwaad als hun vader en niet zo goed als hun moeder. Zij waren daar tussenin; ze hadden hun moeders taal en spreekwijzen, maar hun vaders manieren en daden en geleken zeer op dat slag, waarvan u in 't boek Nehemia leest: "Hun kinderen spraken half Asdodisch en zij konden geen Joods spreken, maar zij spraken naar de talen eens iegelijken volks" (Neh. 13: 24).
GAJUS. Hetgeen u in dit opzicht zegt is opmerkelijk en als ik het niet mis heb gebeurt het dikwijls op deze wijze, waar die ongeoorloofde huwelijken gevonden worden.
STEPHANUS. Soms gebeurt het zo, en de reden ten opzichte van de ouders is deze: daar één van de ouders Godzalig en de ander goddeloos en boos is, hoewel ze overeenkomen in 't verkrijgen der kinderen, is er al een worsteling om het kind als het geboren is.
De Godzalige ouder worstelt om het kind en arbeidt met gebeden, goede raad en voorbeeld, om het heilig te maken in lichaam en ziel en zo bekwaam voor het koninkrijk der hemelen. De goddeloze echter wil het hebben zoals hij zelf is: goddeloos, snood en zondig; en in deze geven ze hun beiden hun onderrichting en onderwijzing, ja ook voorbeeld, elk naardat hij het meent. Dus draagt de Godvruchtige, zoals een Hanna, haar Samuël de Heere op, maar de goddelozen, gelijk degenen die hun zijn voorgegaan, offeren ze op aan de Moloch, aan de afgoden, en zonden, en duivel, de hel. Dus hoort de ene naar de wet van zijn moeder en wordt behouden van verderf, maar de andere doet zoals zijn vader. Dus beelden Mr. Kwaad en zijn vrouw van hun kinderen onder hen beiden; en de andere drie, die als een vermengd geslacht waren, waren gelijk als die, waarvan u leest in de Schrift: "Zij vreesden de Heere, en zij dienden de afgoden." Zij hadden de stem van hun moeder, zoals ik zei, en ik mag wel zeggen: ook haar belijdenis, maar hun vaders begeerlijkheden, en zo ook iets van zijn leven. Dezen nu behaagden de vader niet omdat ze hun moeders tong hadden, en zij bevielen de moeder niet omdat ze hun vaders hart en leven vertoonden. En zo waren ze geen goed gezelschap, noch voor goeden noch voor kwaden. De goeden vertrouwden hen niet omdat ze kwaad waren; de kwaden vertrouwden hen niet omdat ze goed waren. Dat is: de goeden wilden hen niet vertrouwen, omdat zij kwaad waren in hun leven, en de kwaden wilden hen niet vertrouwen omdat ze goed waren in hun woorden. En zo waren ze genoodzaakt om zich, als Ezau, in huwelijksverbintenissen in te laten met Ismaël, namelijk om uit te zien naar een volk van huichelaars, zoals zij zelf, en daarmede vermengden ze zich, daar leefden ze mee en daar stierven ze mee.
GAJUS. Arme vrouw, zij moest wel zeer grote droefheid hebben.
STEPHANUS. Ja, en arme kinderen, die ooit in de wereld zijn gekomen als vrucht der lendenen, van zulk een vader als Mr. Kwaad was, en die onder zulk een regering moeten leven.
GAJUS. U zegt de waarheid, want zulke kinderen liggen bijna onder allerlei slag van verhindering. Doch wij moeten hier niet anders zeggen dan dat het de soevereine wil van God is.
STEPHANUS. Wij mogen God geenszins tegenspreken; nochtans mogen wij wel iets zeggen van het voordeel of de hinder, die de kinderen van hun ouders hebben, die vroom en niet vroom zijn.
GAJUS. Dat is waar, dat mogen wij; en nu vraag ik u, omdat wij daarover bezig zijn: spreek eens in het kort hierover, te weten, welk voordeel zulke kinderen hebben waarvan de ouders waarlijk Godzalig zijn, boven anderen die dat niet hebben.
STEPHANUS. Dat wil ik wel doen, maar alleen moet ik deze twee of drie dingen vooruit stellen:
1. Dat ze het voorrecht der verkiezing niet hebben, om hun vaders wil.
2. Zij zijn, ofschoon van Godzalig ouders geboren, echter van nature kinderen des toorn.
3. De genade komt hun niet toe als een erfenis, omdat zij Godzalige ouders hebben.
Deze dingen vooropgesteld zijnde, zal ik nu voortgaan.
1. Kinderen van Godvruchtige ouders zijn kinderen van veel gebeden. Men heeft voor hen gebeden eer zij geboren waren, en zo veelszins nadat zij geboren zijn; en gebeden van een Godzalige vader en van een Godvruchtige moeder vermogen veel.
2. Zij hebben, zoveel als mogelijk is, het voordeel bedwongen te worden in het kwade, waartoe hun ouders hen genegen vinden, en dat is een tweede weldaad.
3. Zij hebben het voordeel van Godvruchtige onderwijzingen en dat men hen leert welke de rechte wegen des Heeren zijn en welke niet.
4. De wegen des Heeren worden hun aangeprezen en daar wordt in hun tegenwoordigheid wel van gesproken, als zeer goed zijnde.
5. Dezen werden ook teruggehouden van het kwaad gezelschap, van snode boeken, van het leren van de slechte wijze van zweren, liegen, Sabbatschenden en het bespotten der vromen en der goede dingen; en dit is een zeer grote weldaad.
6. Zij hebben ook de zegen, een Godzalig leven voor zich te zien op een zeer leerzame wijze; en een leer met een Godzalig en heilig voorbeeld gevoegd is zeer krachtig; en dit zijn alle zeer grote voordelen.
Deze baten en voordelen missen de kinderen van goddeloze ouders en zijn dus meer in gevaar om weggesleept te worden met de verkeerdheid der goddelozen. Want de goddeloze ouders bidden nooit voor hun kinderen, noch kunnen zij hen op een hartelijke wijze onderrichten; zij bedwingen hen niet van het kwade op een Godvruchtige wijze en houden hen zo niet af van 't kwaad gezelschap. Zij tonen zich niet bedroefd over zulke boze daden, die gruwelijk zijn voor God en voor alle vromen, en zij waarschuwen hen daar niet tegen. Zij laten hun kinderen Sabbatschenden, liegen, zweren, ijdel en goddeloos zijn; zij prijzen hun kinderen een heilig leven niet aan, noch stellen hun een goed voorbeeld voor ogen. Neen, maar alles precies het tegenovergestelde! Zij vervreemden hun kinderen, zodra zij geboren zijn, van de liefde Gods en van alle Godzaligen. En daarom is het een groot oordeel van God over de kinderen, dat ze de nakomelingen zijn van boze en goddeloze mensen (Jab 30: 8).
GAJUS. Maar eer wij Mr. Kwaad en zijn vrouw en kinderen verlaten, zou ik u graag nog één ding willen vragen.
STEPHANUS. Wat is dat?
GAJUS. U zei voor een poos dat Mr. Kwaad niet wilde hebben dat zijn vrouw zou uitgaan om zulke leraren te horen als haar 't meest behaagden; dat ze in dat geval ook niet weer thuis behoefde te komen. Hoe gedroeg hij zich menigmaal dan omtrent haar?
STEPHANUS. Zo sprak hij, ja zo sprak hij dikwijls; dat zei ik toen ook al en ik zou u nog meer gezegd hebben, maar wij raken door andere dingen soms van ons stuk af.
GAJUS. Dat is zo, maar ik verzoek u, nu voort te gaan.
STEPHANUS. Dat zal ik doen. 't Gebeurde eens op een dag des Heeren, dat ze wilde heengaan om de predikatie te horen en Mr. Kwaad wilde dat in geen geval hebben. Doch zij, op die tijd stoutmoediger dan gewoonlijk, zei (nadat ze zeer schone en vleiende woorden had gebezigd om, ware het mogelijk, hem te vermurwen, maar alles vruchteloos) dat ze nu gaan wilde, en gaf deze reden ten beste: "Ik heb niet alleen een man, maar ik heb ook een God; en mijn God heeft mij bevolen op straffe van verdoemenis om steeds en gedurig godsdienstig te zijn, en dat is in de wegen van Zijn eigen instellingen. Ik heb een man, maar ik heb ook een ziel, en mijn ziel moet mij nader liggen dan de gehele wereld. Op deze ziel wil ik acht geven, daar zorgvuldig om zijn en, indien 't mij mogelijk is, haar een hemel verzorgen tot haar woning. U is belast mij lief te hebben als uw eigen lichaam (Efeze 5: 28). En zo bemin ik u. Maar ik wil u de waarheid wel zeggen, ik waardeer mijn ziel boven al wat in de wereld is, en haar behoudenis zal ik zoeken."
Toen zij zo gesproken had, gaf hij haar eerst een snode wens, en begon toen zeer vreselijk te tieren, en hij zwoer, zo zij er heenging dat hij maken zou dat het haar en haar gehele verdoemde broederschap (want zo lustte het hem haar te noemen) berouwen zou dat zij er geweest waren.
GAJUS. Maar wat wilde hij daarmee zeggen?
STEPHANUS. Dat kunt u nu dan gemakkelijk gissen. Hij wilde een verklikker worden en degenen, waarvan hij wist dat zij ze zeer beminde, aanbrengen dat zij tot godsdienstige betrachting bijeenkomsten hadden gehouden, of maken dat ze het hierdoor wel duur genoeg betalen moesten; hij wist wel dat, als hij dit deed, het elke ader van haar teder hart zeer zou kwellen.
GAJUS. Maar denkt u wel dat Kwaad zo snood geweest zou zijn?
STEPHANUS. Hij had boosheid en vijandschap genoeg in zijn hart, om dat te doen; maar hier haperde het, want hij was een ambachtsman; en hij wist dat hij van zijn buren moest leven. En zo had hij nog dat kleine vernuft in zijn gramschap, dat hij zichzelf bedwong om dat te doen. Maar zoals ik zei, hij was er in zijn hart boos en vijandig genoeg voor; alleen dacht hij dat het hemzelf de meeste schade zou doen in zijn nering. Evenwel, dit deed hij niettemin: hij hitste anderen op om hun vrienden leed te doen en te kwellen, en hij was blij als hij hoorde dat hun enige schade was wedervaren. En dan kon hij lachen als hij haar daarover bedroefd zag. Zie, nu heb ik u van Mr. Kwaads manieren in deze verteld.
GAJUS. Maar had hij geen schrik voor Gods oordelen, die hem boven 't hoofd hingen?
STEPHANUS. Hij lette noch op Gods oordelen, noch op Gods goedheid; was hij daar maar enigszins op bedacht geweest, dan zou hij niet gedaan hebben zoals hij deed. Maar wat voor oordelen bedoelt u?
GAJUS. Zulke oordelen, die, als Mr. Kwaad dit behoorlijk opgemerkt had, hem de oren wel zouden hebben doen neerhangen.
STEPHANUS. Hebt u dan wel gehoord, dat zulke mensen door Gods oordelen zijn aangegrepen?
GAJUS. Ja, en ik geloof dat u er ook wel van gehoord hebt, hoewel u er uzelf zo vreemd van houdt.
STEPHANUS. Ja inderdaad, en dat tot mijn verbaasdheid en verwondering.
GAJUS. Als u wilt, vertel mij dan eens wat u daarvan weet, dan zal ik er mogelijk iets bijzeggen.
STEPHANUS. In onze stad was ene W.S., een mens die zeer goddeloos leefde. Deze, toen er eens een tijd was dat men behagen schepte in zulke aanbrengers, wilde ook zulk een verklikker worden, wat hij ook werd. Hij was er ook zo wakker in als de allersnedigste van hen allen; hij kon wel een nacht opblijven, en elders op een boom klimmen en dan op de dag het gehele bos doorwandelen, of hij daar niet een bijeenkomst kon ontdekken, want zij waren genoodzaakt, om in de velden bijeen te komen. Ja, hij kon daar