Gesprek tussen een Spin en een Zondaar

door John Bunyan

Zondaar: Welk grauw en walgelijk voorwerp zijtgij toch?

Spin: Ik ben een Spin.

Zondaar: Maar toch vergiftig!

Spin: Niet zo onrein als gij, in naam engedaante. Mijn naam bepaalt zich tot mijn geboorte. Mijn gedaanteheb ik van dien God, die ook uw Schepper is.

Zondaar: Ik ben een redelijk mens, naar Godsbeeld geschapen, met een ziel, die niet sterft. God heeft mij eenredelijk verstand gegeven. Gij zijt te onrein om tot u tespreken; ik draag het beeld mijns Scheppers. Indien verraders mijaanvallen, zal Hij mij beschermen.

Spin: Ik weet, dat gij zijt een schepsel, verboven mij verheven; maar nochtans schuw en vrees ik u. Echteracht en vereer ik u, omdat God u zulk een voortreffelijk wezengemaakt heeft; maar gij hebt tegen Hem gezondigd. De zonde, derampzalige zonde, stortte u in de diepste ellende, maakte u eenprooi des satans en doemde u tot het eeuwig verderf. Uw naam alszondaar is gebrandmerkt en gij hebt, voor eeuwig het beeld Godsverloren, waardoor gij uzelf tot de beesten hebt verlaagd. Alsstoppelen en als gras zult gij verdorren. Uw ziel en uw verstandzijn door de zonde aan het verschrikkelijkste lot onderworpen;maar ik behield mijn eigen staat, daar God mij mede schiep enwaarin ik ook gebleven ben. Door uw goddeloosheid en eerzuchthebt gij alles verloren.

Zondaar: Ik weet niet wat gij rammelt,vergiftig voorwerp! De modder der natuur heeft u overdekt. Vanhet schuim der aarde zijt gij gemaakt.

Spin: Mijn vergif is evenwel nuttig, want Godschiep het, en wat de Heere geschapen heeft is, zeer goed, zoalsde Heere Zelf zei. Uw zonde. heeft meer verwoesting teweeggebracht dan mijn vergif. Mijn vergif heeft mij niet gedood.Maar, schandvlek voor Gods aangezicht: Uw zonden hebben u gedood!Ik sterf maar één dood, maar gij de tijdelijke en eeuwigendood, omdat gij onder de eeuwigen toorn Gods ligt, waaronder gijeeuwig zult zuchten. Gij veracht mij; maar ik vrees u. Gijveracht mij; ik veracht u niet; ik heb medelijden met u. Gijnoemt mij het schuim der aarde; maar het spog des satans,waarmede gij uw Schepper vloekt, is erger. dan mijn modder. Ikheb nog nooit mijn Schepper ongerijmdheid toegeschreven. Gijvloekt en lastert God en twist met uw Maker, en ik zwijg stilvoor mijn Schepper; want alles wat Hij met mij doet, is goed.Mijn vergif dient tot mijn behoud; uw ijdele dwaasheid werkt uwverdoemenis uit. Ach, arme man! Ik bleef die ik was, van mijnschepping af, uw zonde heeft u plotseling uit uw staat gerukt, Ikdoe niemand leed; gij doet niets dan kwaad; gij doodt uw broeder,gij ontduikt Gods Wet en zijt het eigendom des satans.

Zondaar: Ellendig dier! durft gij mij met uvergelijken? Verwijder u; ik walg van u! Zo gij mij durft naderenvertrap ik u met mijn voet.

Spin: Als men de waarheid spreekt wil men onsdoden, zoals in uw Bijbel staat, van Stephanus, die gestenigdwerd. Gij wilt mij doden, niet om mijn vergif, maar het zijn uwzonden, die in tegenspraak zijn met uw geweten. Ik gevoel, datgij op een dwaalweg zijt. Kom, zet u een weinig neder en ik zal uwijsheid leren. Ik ben tot voordeel voor u gemaakt; laat hetonderwijs van een Spin u niet te gering zijn. Wees niet bevreesdvoor mij, maar wat zeg ik daar? - onderwijs!? 0, indien gij naaruwen God niet hoort, wat zult gij dan naar een Spin luisteren?Evenwel zal ik spreken; ik kan niet meer dan verworpen worden.Somtijds hebben kleine dingen grote gevolgen. Luister dan! Gij, omens! voortreffelijk door uw schepping en verheven boven allecreaturen, gij zijt van God afgevallen, verdwaald in uw verstanden zorgeloos voor een naderende eeuwigheid, dood in zonden enmisdaden; niet half, maar geheel dood. Gij bekommert u niet overuzelf; gij weet niet, dat verborgene banden u gebonden houden,door de kracht der zonde, ten eeuwigen verderve. De ganseSchepping, van de spin tot de koning, rijken en armen, zijn alsin barensnood vanwege de vloek, die de zonde berokkend heeft.Trap niet op mij en gaat niet heen. Het is de mens, die de wereldin ellende heeft gestort. Alle ellenden, ziekten, smarten, pijnenen verwoesting zijn de gevolgen uwer zonden, van uw opstand tegenen van uw trotsheid jegens uw Schepper. Zie rondom u, allesdraagt de sporen uwer ongehoorzaamheid. Ik spin en weef, dit kuntgij zien. Maar wat zijn uw voortbrengselen anders danspinnenwebben? Uw heerlijkheid is tot zulk een laagte vervallen,dat ik, die niet verkies voor mijn web. Mijn webben zijn strikkenen klemmen voor vliegen, en stellen u het rad der hel voor ogen.Hun kunstige vorm is om u te tonen, hoe de zonde een strik voor uis. Mijn huis is bodemloos, dit stelt u de verdoemenis voor. Aanhet einde lig ik rustig uit te zien, tot de vlieg gevangen is,een beeld dat u de geheimen strik doet zien, die uw hoop besluiten waarin God allen verzamelt, die Hem verlaten. De vliegenbrommen in mijn web, gelijk de zondaar weent en schreit in dehel. Hoe kunt gij mij nu nog haten, daar ik, u al dezeverborgenheden mededeel?

Zondaar: Wel, wel, ik wil geen spotreden meertegen u inbrengen; nimmer heb ik zo iets van een spin gehoord.

Spin: Kom, zet u nog een weinig bij mij neder.Ik heb u nog wat te zeggen dat u heden of morgen te stade kankomen. Ofschoon ik een vergiftig schepsel ben, is er nochtans eenovereenstemming tussen mij en de mens. Mijn wild onachtzaamlopen, gelijkt op hen, die zonder nadenken doorlopen op de wegnaar de eeuwigheid. Daglicht is voor mij niets bijzonders. Ikwerk des nachts, evenals zij, die het licht schuwen, deduisternis liever hebbende dan het licht en jagende als een hondop de roof. Doch let wel. Ik spin mijn webben des nachts, enveegt de dienstmaagd mijn web terneer, ik maak een andere.Hiermede toon ik u het beeld uwer overtuiging. Hebt gij de eneovertuiging versmoord, door u te verzetten in de zonden, deandere openbaart zich opnieuw. In mijn web is geen schuilplaats;zo is er ook geen schuilplaats in uw valse hoop; want de hoop deshuichelaars is als op een spinnenweb gebouwd; en die hoop,vergaat, evenals de nevel verdwijnt bij het opgaan der zon.

Zondaar: O spin, ik heb u gehoord en ik staverstomd, zulk en rede van u te horen!

Spin: Houdt u stil, ik zal u doen zien, dat inmijn weg meer geheimen verborgen zijn. Namelijk, dat ik u deeenvoudige weg naar de hel wijs. Ik spin mijn web opverschillende plaatsen, u als aantonende, dat ook de mens opverschillende plaatsen gevangen wordt en zo ter helle gaat.Somtijds plaats ik het in het venster, om te tonen, hoe enkelenin het licht des Evangelie% verloren gaan; somtijds in eendonkere hoek, om in verborgene plaatsen strikken des doods tespannen, waarin gij zo vast verstrikt zijt, dat gij met eeuwige,onverbreekbare banden voor de hel en verdoemenis gebonden zijt.Bij grote vliegen zet ik grote netten, in duistere plaatsen, entoon u daardoor nog een andere web, die ik in de hoogte plaats,dit wijst u aan dat enkele hoogverhevene belijders, die totKapernaüm zijn opgeklommen, in de laagte storten en sterven. Ikverheug mij, als ik op vliegen jacht maak; zo ook verblijdt zichde duivel om vele te vangen. O, als hij zijn slag kan slaan,verblijdt hij zich. Als ik mijn prooi verlies, haast ik mij ommijn net te verdubbelen. Zo verdubbelt ook de duivel alles, om ute vangen en te verwarren. Zijn de vliegen gevangen, dan zuig ikhun het bloed uit; evenzo zuigt de satan u uit, om u, door dewanhoop, als Judas, tot de strop te voeren. En zo ik zie, dat devlieg mij ontvluchten wil, dan is mijn vergif een beletsel voorhaar vlucht.. Dit is ook de weg des duivels, om de mens gevangente nemen, en hem van de weg der gelukzaligheid af te houden,indien hij zijn voet, door genade, daarop heeft gezet.

Zondaar: O spin! dat had ik nooit gedacht, datgij mij zoveel leerrijke aanmerkingen, aangaande uw handelwijsomtrent vliegen zoudt meegedeeld hebben. Ik bid u, spuw nog maarmeer zulk venijn uit; ik kan nu niet meer boos op u worden.

Spin: Al ben ik veracht in uw oog, zo heb ikmeer eer en genot dan gij. Gij vermaakt u in de droesem derwereld, in de draf der zonden en zit in kroegen, krotten en,spel; maar ik bewoon ook paleizen, zit zelfs bij Koningen op huntroon; ik hoor hun geheimen en ik verneem hun bevelen.

Zondaar: Wel spin! gij maakt mij nieuwsgierig.Kom verhaal mij toch verder, wat ik nooit heb opgemerkt.

Spin: Ik zeg, ik bewoon paleizen en zit optronen; niemand vraagt naar mijn komen of heengaan; ik ben zelfsin de geheimkamers, daar niemand mag inkomen dan die door deKoning wordt toegelaten. Dit geluk hebt gij niet. Gij kunt nieteens tot de Koning naderen, veel minder tot de Koning derKoningen. Hij zal u persoonlijk moeten roepen, om u in degeheimkamer der eeuwige gelukzaligheid te voeren. O mocht dieneeuwigen Koning het behagen, u te roepen en toe te laten! Ik benvan mijn Schepper niet afgevallen; maar gij zijt gevallen; wantmijn Schepper heeft u recht gemaakt, maar gij hebt vele vondengezocht. Gij hebt niets betaald en niets verdiend, hoe zal Hij udan toelaten tot Zijn troon? Neen, zondaar, Hij kan u nietgedogen! Hij is rein van ogen! Ik ben in de staat, waarin God mijplaatste, staande gebleven; maar gij niet: wat hebt gij dan tehopen? O, als God u niet aanziet, uit eeuwige vrije liefde, in deChristus Gods, de Zoon des levenden Gods, zijt gij eeuwigverloren en blijft in de spinnenwebben des satans vastgeketend,met eeuwige banden der duisternis. Noch deur, noch slot is voormij een hinderpaal; maar gij kunt nergens in, of gij moet stelen;en wat gij geroofd heb, zult gij terug moeten geven, als gij desleutel der kennis Gods niet hebt. Als gij de sleutel desHeiligen Geestes niet hebt, om de waarheid Gods te openen, vindtgij een dodende letter, in een eeuwig gesloten boek, dat u de wegnaar het eeuwig paleis toesluit. Ik klauter op de troon, alsofhet de mijn was en gij vermaakt u in het stof der aarde, datroest en mot zal verteren en achtervolgd zal worden door eeneeuwig berouw en ellende. O, dat gij eens begerig waart voor dientroon Gods te worstelen, opdat Hij u tot Koning en Priestermaakte, door Christus, de Gezalfde Gods, om Wien en door Wien gijalleen dien troon der genade mag naderen. Ja, wat, zo het mijbehaagt, vertel ik de geschiedenis van hen, die in de raadzaalzitten. Ik zie hun pracht. O, kon gij eens vertellen deverborgenheden van de gewesten der Eeuwigheid; van dieOuderlingen rondom de troon; van die wolk der getuigen; van hen,welke niet besmet waren; van dat oneindig getal der gelukzaligen,die zich rondom de troon des Lams bewegen! Gij pocht op uwredelijk verstand, maar weet niets. Gij staat alsof men u in hetaangezicht geslagen heeft. Ik beschouw mij als de opperste vanhet hof des Konings boven al de hooggeplaatsten; doch kunt gijzeggen, wat eens een uwer medemensen van zich zei: Ik ben degrootste der zondaren, mij is barmhartigheid geschied? Vertel mijeens, wat weet gij van Abraham, Izak en Jacob en van het zittenaan die eeuwige bruiloft des Lams?

Zondaar: Wel spin, houdt toch eens op! Ikduizel. Wat hoor ik? Ik moet u belijden, dat ik er niets vanweet. Bestaat dat? Is het mogelijk dat een schepsel als gij weet,wat daarboven geschied? En ik heb nooit iets daarvan gehoord!

Spin: Ziet gij wel, dat gij lager dan debeesten zijt gevallen? Ik en ieder beest leef in de warentoestand zijner natuur, waarin gij een beeld vindt. Ja, zelfs deezel kent de kribbe zijns meesters en de os zijn bezitter. Ik gahet paleis in en uit naar welgevallen. Gaat gij zo op aarde in enuit de heilige gebouwen, om voedsel te vinden? Hoort gij naar destem van uw Herder, die uw Schepper is? Roept gij uit met Zijnvolk: Hoe branden mijn genegenheden, om 's Heeren voorhof in tetreden? En nu tenslotte: Als ik sterf ga ik tot de aarde, uitwelke ik genomen ben. Ik heb geen ziel te verliezen. MijnSchepper heeft dit lot voor mij bepaald. Maar arme man! gij hebteen blijvende ziel, om eeuwig te leven. O! indien gij bekeertwaart, zoudt gij met de beesten en de stenen des velds vredehebben. Nu hebt gij mij willen vertreden; een treurig bewijs, datgij niet eens uw goedkeuring schenkt, aan hetgeen uw Scheppergemaakt heeft. Het is het teken van uw onverzoenden staat metGod. O, dat mijn Schepper u eens ogen gaf om te zien, armeellendige! Want als gij over uw bemodderde ziel geen bloed derverzoening ontvangt, om u te reinigen, gaat gij eeuwig verloren!Uw ziel is zwarter dan mijn huid; maar het bloed van dienKoningszoon, die de wortel en het geslacht Davids is, reinigt vanalle besmetting. Ik verlaat u dan en ga weer vliegen vangen. Maarwat gaat gij nu doen?

Zondaar: Wel, mijn goede Spin, ik zie mijndwaling. Ik zie wat mij ontbreekt; ik heb over deze dingen nooitgedacht. Ik ben een dwaas tegenover u; want gij toonde mij de wegter hel en ook dien, die ten hemel leidt, Ik dank u voor uw raad;gij waart mij ten wegwijzer. O, dat er velen op de school van u,waarde Spin, mogen gaan om van u te leren.

Einde