John Bunyan

Verhandeling over de Gelijkenis van de OnvruchtbareVijgenboom.

Of: het oordeel en de uithouwing van een onvruchtbarebelijder. Waarin getoond wordt, dat de dag van de genade vaniemand voorbij kan zijn, lang voor het einde van zijn leven,benevens de merktekens, waaruit zulken te kennen zijn.

Och! of gij ook bekendet, ook nog in dezen Uwen dag, hetgeentot Uwen vrede dient! Maar nu is het verborgen voor Uwe ogen.Luk. 19: 42

Maar vermaant elkander alle dagen zolang het heden genaamdwordt: opdat niet iemand uit U verhard worde door de verleidingder zonde. Hebr. 3: 13

VOORREDE AAN DE LEZER

Bescheiden, Lezer! -Nu schrijf ik aan U van de onvruchtbarevijgenboom, of hoe het met de onvruchtbare belijder gaan zal, dienu in de wijngaard Gods geplaatst is. Van wat gestalte gij zijt,kan ik niet met zekerheid voorzeggen, maar de parabel ofgelijkenis zegt U, dat die de aarde onnuttelijk beslaat,uitgehouwen moet worden Een belijder, die de aarde onnuttelijkbeslaat, is niet alleen een terging voor God, een struikelblokvoor de wereld en een schandvlek voor de godsdienst, maar ook eenstrik voor zijn eigen ziel. Ofschoon zijne hoogheid opklom totaan de hemel, en zijn hoofd tot aan de wolken raakte, zo zal hijgelijk zijn drek in eeuwigheid vergaan; die hem gezien hebben,zullen zeggen, waar is hij? Job 20: 6, 7. Nu achten zij dedagelijkse weelde hun vermaak, 2 Petr. 2: 13, 14, doch waarzullen zij blijven, en wat zullen zij doen, wanneer de bijl wordtvoortgebracht? Een boom, wiens vrucht verdort, wordt eenonvruchtbare boom gerekend, tweemaal verstorven en ontworteld.Judas vs. 12. 0, Gij! die de aarde onnuttelijk beslaat Godverwacht vrucht van U; Hij zal eerlang komen omvrucht op U tezoeken. Mijn vermaning is derhalve tot de belijders, dat zij tochmogen toezien en hierop acht geven. De onvruchtbare vijgenboom inde wijngaard, en de braam in het woud, zijn beiden voor het vuurbereid. De belijdenis is geen bedekking om U voor het oog van Godte verbergen, ook zal zij de wraakvorderende bedreiging Zijnerrechtvaardigheid niet bemantelen; maar Hij zal bevelen om Uhaastelijk uit te houwen. De kerk en ene belijdenis zijn de besteplaatsen voor een oprechte, maar de allerergsten in de wereldvoor degenen, die de aarde onnuttelijk beslaan; deze moeten alsonheiligen van de berg Gods geweerd, ja over de muur van dewijngaard uitgeworpen worden om aldaar te verderven, en omvandaar vergaderd en verbrand te worden. Het ware hun beter, datzi de weg der gerechtigheid niet gekend hadden, 2 Petr: 2: 21, enofschoon zij hem niet gekend hadden, zouden zij evenwel verdoemdzijn geworden; maar het is beter naar de hel te gaan, zonder, danmet of onder ene belijdenis. Deze zullen zwaarder oordeelontvangen, Luc. 20: 47. Indien gij een belijder zijt, zo lees metbeving; zijt gij een goddeloos mens, lees dan insgelijks zo;want, indien de rechtvaardige nauwelijks' zalig wordt, waar zalde goddeloze en zondaar verschijnen? 1 Petr. 4: 18. Gij, die deaarde onnut beslaat, wacht U voor de bijl; onvruchtbarevijgenboom wacht U voor het vuur. Doch ik wil U niet langer vanhet boek afhouden. De Heere Jezus Christus, de Wijngaardenierbeware en bezorge U, Hij omgrave en bemeste U, opdat gij vruchtmoogt dragen; opdat wanneer de Heere van de wijngaard' met debijl in Zijne hand vrucht komt zoeken, of om het vonnis vanveroordeling over de onvruchtbare vijgenboom uit te spreken, gijdat oordeel m oogt ontkomen, Die de aarde onnuttelijk beslaat,moet op de houtstapel, en vandaar naar het vuur. De genade zijmet al degenen, die onzen Heere Jezus Christus liefhebben inonverderfelijkheid, Amen,

Johannes Bunyan

De Parabel van de onvruchtbare Vijgenboom

En Hij zei deze gelijkenis: Een zeker man had een vijgenboom,geplant in zijn wijngaard; en hij kwam en zocht vrucht daarop, envond ze niet. En hij zei tot de wijngaardenier: Zie, ik kome nudrie jaren, zoekende vrucht op dezen vijgenboom, en vind ze niet;houw hem uit; waartoe beslaat hij ook onnuttelijk de aarde? Enhij, antwoordende, zei tot hem: Heer, laat hem ook nog dit jaar,totdat ik om hem gegraven en mest gelegd zal hebben; En indienhij vrucht zal voortbrengen, laat hem staan; maar indien niet, zozult gij hem namaals uithouwen. Luk.13:6-9

In het begin van dit kapittel lezen wij, hoe enigen uit deJoden tot de Heere Jezus kwamen om Hem de wreedheid van PontiusPilatus te boodschappen, hoe hij het bloed der GalileŽrs met hunofferanden gemengd had. Dit was een heidense en zeeronbehoorlijke daad; want daarin betoonde hij niet alleen zijneboosheid tegen de Joodse natie, maar ook tegen haar godsdienst,en dientengevolge ook tegen haren God. Een daad, zeg ik, die nietalleen heidens, maar ook zeer onbehoorlijk was; want de HeereJezus, deze daad uitbreidende, leert de Joden, dat, indien zijzich niet bekeerden, zij allen desgelijks zouden vergaan.Desgelijks, dat is; door de hand en het geweld van het Roomserijk, en dat zij zo min dien slag zouden kunnen ontwijken, dandie achttien, op welke de toten van Siloam viel, en doodde ze,zie Luc. 19: 42-44 De vervulling dezer profetie is hun wegens dehardheid en onboetvaardigheid des harten overkomen, ten tijde vanTitus, zoon van Vespasianus, omtrent veertig jaren na de dood vanChristus, toen werden deze joden en hun stad van alle kantenomsingeld, in welke omsingeling beiden zij en hun stad, tot hunverbazing, ellendig verwoest werden. God had hen met het zwaard,met honger, pestilentie en bloed bezocht, wegens hun woede tegende Zoon Zijner liefde; en zo is de toorn hun overkomen tot deeinde toe 1 Thess, 2: 16. Om nu hun oude en dwaze uitvlucht, dieze altijd tegen zulke voorzeggingen en aankondigingen vanoordelen gereed hadden, voor te komen, stelt hun de Heere Jezusdeze parabel of gelijkenis voor, in welke Hij hun nadrukkelijkaanwijst, dat hun geroep van des Heeren Tempel, van kinderenAbrahams en van de ware kerk Gods te zijn, hun in het minst niette hulp zou komen, Alsof de Heere had willen zeggen gij denktmogelijk, om U zelf tegen deze mijn voorzegging van uw geheleonvermijdelijke verwoesting te zullen beveiligen, door uw aandeefaan de uitwendige voorrechten, doch die allen zullen u begeven;want, een zeker man had een vijgenboom geplant in zijn wijngaard,en hij kwam en zocht vrucht daarop en vond ze niet. Dit is uwgeval; het Joodse land is Gods wijngaard, dat weet ik, en ik weetook dat gijlieden de vijgenbomen zijt; doch U ontbreekt devoornaamste zaak, te weten; de vrucht. Hij heeft zijn wijngaardmet bomen beplant, in verwachting van vrucht. Overmits nu devrucht onder ulieden niet gevonden wordt, de vrucht, zeg ik, omwelke Hij in teerst dezen wijngaard heeft geplant; wat blijft ernu anders over, dan dat Hij in Zijne rechtvaardigheid beveelt omU uit te houwen, als zulken, die de aarde onnuttelijk beslaan,opdat Hij zichzelf een anderen wijngaard plant? En Hij zei tot dewijngaardenier: Zie ik kom nu drie jaren, zoekende vrucht opdezen vijgenboom, en vind ze niet, houw hem uit; waartoe beslaathij onnuttelijk de aarde? Dit moet derhalve uw einde zijn,ofschoon gij in Gods hof geplant zijt; gij moet om deonvruchtbaarheid van uw hart en leven uitgehouwen, ontworteld ende wijngaard uitgeworpen worden. In de gelijkenissen moet mentwee dingen aanmerken en onderzoeken, wanneer men dezelve leest.

Eerst. De leenspreuken die gebruikt worden; en

Ten tweede. De leringen of verborgenheden, die onder deleenspreuken begrepen zijn.

De leenspreuken in deze gelijkenis gebruikt, zijn, (1) Eenzeker man (2) Een wijngaard (3) Een vijgenboom (4) Eenwijngaardenier (5) Drie jaren (6) Omgravingen bemesting, enz.

De leringen of verborgenheden onder deze leenspreukenbegrepen, zijn om aan te tonen, wat er van een onvruchtbarebelijder worden zal; want

1. Door dien zeker man in de gelijkenis wordt verstaan, God,de Vader, Luc. 15: 11.

2. Door de wijngaard, Zijne kerk Jes. 5: 7

3. Door de vijgenboom, een belijder

4. Door de wijngaardenier, de Heere Jezus.

5. Door de onvruchtbaarheid van de vijgenboom, deonvruchtbaarheid van een belijder.

6. Door drie jaren, de lankmoedigheid van God, die Hij vooreen tijd omtrent de onvruchtbare belijders oefent.

7. Door het geroep tot de wijngaardenier, om hem uit tehouwen, het geroep van Gods rechtvaardigheid tegen deonvruchtbare belijders.

8. Door de voorbede van de wijngaardenier, wordt getoond hoede Heere Jezus intreedt, en de bijl zijns Vaders aangrijpt, om deuitvoering, ten minste voor het tegenwoordige, te stuiten,omtrent de onvruchtbare vijgenboom.

9.Door de begeerte van de wijngaardenier, om te beproeven ofhij de vijgenboom niet vruchtbaar kon maken, wordt aangetoond,hoe onwillig Hij is, dat een onvruchtbare vijgenboom onvruchtbaarblijven zou en verloren gaan.

10. Door zijn omgraving en bemesting wordt verstaan, Zijnegewilligheid om de onvruchtbare belijder evangelischehulpmiddelen toe te voegen, of hij mogelijk vruchtbaar wordenmocht.

11. Door de onderstelling, indien de vijgenboom nogonvruchtbaar blijven mocht, wordt getoond, dat, wanneer ChristusJezus alles gedaan heeft, er dan nog enige belijders zullen zijn,die onvruchtbaar blijven, en

12. Door de bepaling op deze onderstelling om hem uit tehouwen, wordt de zekere, onvermijdelijke en eeuwige verdoemenisvan zulke belijders voorzegd.

Doch om deze gelijkenis bij stukken op te nemen, en om dezelvete behandelen, zullen wij al haar bijzondere delen, hoewelkortelijk, overwegen.

Een zeker man had een vijgenboom geplant in zijn wijngaard.

Deze man, zei ik, vertoont ons God de Vader onder welkegelijkenis Hij menigmaal in het Nieuwe Testament wordtvoorgesteld. Merkt hieruit, dat het geen nieuwe zaak is, dat menin Gods kerk onvruchtbare bomen of belijders vindt; zoals menhier een boom, een onvruchtbare boom, een onvruchtbare vijgenboomin de wijngaard vindt. De vrucht wordt zo gemakkelijk nietvoortgebracht, als men wel een belijdenis kan bekomen; het isgemakkelijk zichzelf te dekken met een fraaie vertoning in hetvlees om het zo te noemen, en te zeggen, word warm en wordverzadigd. Deze en andere dingen te doen is niet zwaar; maar omvruchtbaar te zijn, of om Godevruchten te dragen, dat doetiederen boom niet, ja zelf iederen vijgenboom niet, die geplantis in Gods wijngaard, De woorden Joh. 15: 2, Alle rank, die inMij geen vrucht draagt, die neemt Hij weg, bewijzen dezelfdezaak; daar zijn ranken in Christus, in Christus verborgen lichaam`t welk zijn kerk of wijngaard is, die geen vrucht dragen, endaarom is de hand Gods gereed om die weg te nemen. Waarom heb ikverwacht, dat hij goede druiven voortbrengen zou en hij heeftstinkende druiven voortgebracht? Jes. 5: 4, dat is, geen vrucht,die God aangenaam was. Zo ook Hos. 10: 1. IsraŽl is eenuitgeledigde wijnstok, hij brengt weder vrucht voor zich; maarniet voor de Heere, hij is zonder vrucht voor God. Dit alles, metveel meer dat daarbij gedaan kon worden, toont ons de waarheidvan de' aanmerking, en dat de kerke Gods onnuttelijk beslagen kanworden met vruchteloze vijgenbomen, of met onvruchtbarebelijders.

Hij (had een Vijgenboom).

Ofschoon er in Gods kerk onvruchtbare en dorre bomen, zijn, zozijn ze echter voor het oog gelijk de andere bomen, namelijk eenvijgenboom; geen eiken- noch wilgenboom, geen doorn noch braam,maar een vijgenboom. Ezech. 33: 31. En ze komen tot u gelijk hetvolk pleegt te komen enz. Jes. 58: 2-4. Hoewel zij Mij dagelijkszoeken, en een lust hebben aan de kennis mijner wegen, als eenvolk, dat gerechtigheid doet en het recht zijns Gods nietverlaat, vragen zij Mij naar de rechten der gerechtigheid, zijhebben een lust tot God te naderen, enz. en nochtans waren zijmaar onvruchtbare en onnutte belijders. Judas was ook een uit detwaalf, een discipel, een Apostel, een prediker, een opziener, jazulk een die door geen van de elf mistrouwd werd: maar die zijboven zichzelf verhieven, een iegelijk van hen uitroepende. benik het? Mare. 14: 19, niemand hunner, voor zo ver men leest,Judas verdenkende, Joh. 6: 70, nochtans was hij in Christus oogde onvruchtbare vijgenboom, een duivel en onvruchtbare belijder,Zo gingen ook de dwaze maagden uit met de anderen, hebbendelampen en licht, en waren ook gelijk de anderen ontwaakt; jahadden ook de stoutheid om met de anderen op het geroep, dat termiddernacht geschiedde, uit te gaan de bruidegom tegemoet,menende zowel het aangezicht van Christus te kunnen zien enverdragen, wanneer Hij op de troon des gerichts gezeten was, alsde anderen, en nochtans waren zij maar dwaze, onvruchtbarevijgenbomen, onvruchtbare belijders. Velen, zullen te dien dagezeggen: Heere, Heere, dit en dat hebben wij gedaan, en Lullen ookvan vele wonderlijke werken praten, maar ziet, Hij vindt niets inhen, dan vruchten der ongerechtigheid; zij waren gehele dorre enonvruchtbare belijders, Math. 7: 22-23.

Hij had een vijgenboom (geplant)

Dit woord geplant, gaat ook ver; het onderstelt een, diegenomen is uit zijn natuurlijken grond, of die weg genomen is uitde plaats, waarin hij te voren groeide; een, die geroepen is, enontwaakt schijnt geweest te zijn, en dat nog niet alleen, maardie door een sterke hand uit de natuur in de genade, en van dezonde tot de Godzaligheid is overgebracht. Gij hebt een wijnstokuit Egypte overgebracht, hebt de Heidenen verdreven, en hebtdenzelven geplant. Ps. 80: 9. Enige van de ranken dezes wijnstokswaren onvruchtbare belijders. Men moet dan vaststellen, dat dezenbelijder, die ofschoon hij onvruchtbaar blijft, op het oog, ennaar het oordeel der kerk, op de rechte manier daarin gebrachtis; te weten: door een belijdenis des geloofs, der zonden, en eenvertoning van bekering en wedergeboorte:; dus sluipen de valsebroeders onverhoeds in. Al deze dingen geeft het woord geplant,te kennen; ja nog meer, dat de kerk met hen voldaan is, enbewilligt, dat zij in de hof zullen blijven, hen houdende vooroprecht, gelijk de anderen. Doch voor God zijn ze genadeloze,dorre en onvruchtbare belijders. Het is derhalve wat anders. inde kerk te zijn, en wat anders, van de kerk te wezen en tot datkoningrijk te behoren, dat voor de heiligen, die dat in waarheidzijn, bewaard is. Of anders, zal hij geplant zijnde, gedijen? zalhij niet, als de Oostenwind hem aanroert, gans verdrogen; op debedden van zijn gewas zal hij verdrogen.Ezech. 17:10

Hij had een vijgenboom geplant (in zijn wijngaard) In zijnwijngaard. Geveinsden zijn niet bevreesd om voor God te komen inSion. Deze woorden geven ons een vreemd soort van stoutheid enverharde onbevreesdheid te kennen; want welke vermetelheid kan erhoger zijn, en welke onderneming roekelozer, dan dat eenonbegenadigd mens, die de ware kennis Gods mist, zichzelf in zulkeen staat indringt in de kerk Gods? Of dat hij belijdenis doetvan de naam Gods, en begeren zou, dat die naam over hemaangeroepen wordt? Want die een belijdenis heeft afgelegd vanJezus Christus, heeft als het ware de naam Gods aangedaan, enwordt nu genoemd en gehouden (hoe onvruchtbaar hij ook voor Goden voor de mensen is) voor zulk een, die met God te doen heeft,voor een, die van God erkend wordt, en voor wien Hij instaan zal.Deze, zeg ik, geeft dit door zijn belijdenis aan allen, die hemals zulk een belijder kennen, openlijk te kennen. Mensen, dieslechts in de natuurstaat zijn, ik meen zulken, die deduivelskunst van geveinsdheid niet geleerd hebben, zijn bevreesdom dit te doen. En van de anderen durfde niemand zich bij henvoegen, maar het volk hield ze in grootachting. Hand. 5: 13. Hetis ook. waarlijk tot groot ongenoegen van God, en daarom zegtHij: O Jeruzalem, gij heilige stad, in u zal voortaan geenonbesnedene meer komen Jes. 52: .l. En Cap. 1: 12 zegt Hij:Wanneer gijlieden voor mijn Aangezicht komt verschijnen, wieheeft zulks van uwe hand geeist, dat gij Mijne voorhoven betredenzoudt? Zij hebben derhalve van niemand deze stoutheid in dezezichtbare wereld geleerd; zij hebben het alleen van de Satan,want Hij alleen met deze zijne discipelen verstouten zich, omzich te stellen in de kerk voor God. Het onkruid, zijn dekinderen des bozen. Math. 13: 38 Het onkruid, dat zijn degeveinsden, die de kinderen des satans, en het adderen-gebroedselzijn, kan de helse verdoemenis niet ontvlieden.

Hij (had) een vijgenboom geplant in zijn wijngaard.

Hij zegt niet: Hij plantte een vijgenboom; maar daar was, hij-had, of hij vond een vijgenboom daarin geplant. De grote God wilde onvruchtbare vijgenboom, of belijder niet voor Zijn werkerkennen, of als een boom, dien Hij daarin gebracht zou hebben;alleen zegt de tekst, dat Hij er een in had. Dit komt veelovereen met hetgeen men leest Math. 15: 13. Alle plant, die mijnhemelse Vader niet geplant heeft, zal uitgeroeid worden. Hierzijn weer planten in Zijn wijngaard, die God niet erkennen zalvan Zijn planting te zijn. Ook schijnt dit te kennen te geven,dat er veel zulke planten zijn in Zijn wijngaard. Alle planten,of al zulke planten of hei lijders, die zich in de vergaderingder heiligen, of in de belijdenis van hun godsdienst hebbeningedrongen,. zonder God en Zijn genade, zullen uitgeroeidworden. Zie ook Math. 22: 11. En als de koning ingegaan was om deaanzittende gasten te overzien, zag hij aldaar een mens, nietbekleed met een bruiloftskleed, en zei tot hem. Vriend1 hoe zijtgij hier ingekomen geen bruiloftskleed aanhebbende? Hier is ereen, die zo listig en boos is, dat hij af de gasten bedriegt, hijkwam en bleef in de kerk, tot dat de koning zelf kwam om deaanzittende gasten te overzien. Maar zijn loosheid bracht hemgeen voordeel aan. zij kon de ogen van de koning niet verblinden,noch het oordeel veranderen van de rechtvaardige. Vriend, hoezijt gij hier ingekomen? Dit moest hem eindelijk verstommen; dekoning ontdekte hem in de tegenwoordigheid van al de gasten,zodat hij openlijk verworpen werd. Hoe zijt gij hier ingekomen?mijn Vader heeft u hier niet gebracht; Ik heb u hier nietgebracht en ook mijn Geest niet; gij zijt geen plant van mijnhemelsen Vader, hoe zijt gij dan hier ingekomen? Die niet ingaatdoor de deur in de stal der schapen, maar van elders inklimt iseen dief en moordenaar. Joh. 10: 1. Deze tekst is ook duidelijk,en ten volle tot ons oogmerk dienstig; want deze is door de deurniet ingegaan, en nochtans is hij in de kerk, hij is er door devensters ingeklommen en ingebroken, hij heeft enige kennis enlicht van de heerlijkheid des evangeliums onzes Heeren JezusChristus in zijn hoofd ontvangen, en zo heeft deze stouteellendeling zich vermetel ingedrongen onder de kinderen. Doch hoewordt die nu opgenomen, wat zegt de koning van dit mens? Dezen,zegt Hij, is een dief en moordenaar. Hier zien wij dan ook, datzij niet allen voor Gods planting erkend worden, die in zijn kerkweten te komen of tot de belijdenis van Zijn Naam.

Hij had een vijgenboom in Zijn hof, hij had er een zonderbruiloftskleed aan zijn bruiloft. Hij had een dief in zijn huis.Deze zijn van elders ingeklommen. Daar zijn in plaats van door dedeur in te gaan verscheidene wegen om in de kerk Gods en tot eenbelijdenis van Zijn Naam te komen; als:

1. Daar is een weg van liegen en veinzerij; door deze openingkwamen de Gibeonieten in Jos, 9: 3-4 enz.

2. Somtijds wordt er valsheid en ontrouw gepleegd door deopzieners, ter oorzaak van hun vleselijke vrienden, ofdergelijken: door dit gat kroop Tobia, die vijand van God in.Neh. 13: 4-6 .

3. Daar is somtijds een groot verzuim en al te weinigomzichtigheid in de ganse kerk; en langs dezen weg werden deonbesnedenen ingelaten. Ezech. 44: 7-9 '

4. Somtijds wederom, laat de kerk nog zo omzichtig zijn,ontvangen sommigen nochtans zo veel hulp van de duivel, dat zijallen bedriegen, en zo insluipen. Deze zijn van dat slag vandieven, waarover Paulus klaagt, ingekropen valse broeders vanterzijde ingekomen. Gal. 2: 3-4 En van wie Judas ook uitroept,wanneer hij zeg!: daar zijn sommige mensen ingeslopen Judas v. 4.ingeslopen, hoe? waren zij dan zo nederig? Zij hadden eeneigenwillige nederigheid, in het lichaam niet te sparen, doch diewas niet van enige waarde. Col. 2: 23. 0! Hoe zelfverloochenendschijnen sommigen van deze sluipende of kruipende dingen niet,welke nochtans (wanneer men die kent) voor een gruwel in IsraŽlmoeten gehouden worden. Lev. 11: 43-44. Doch in een groot huis,zegt de Apostel, zijn niet alleen gouden en zilveren vaten, maarook houten en aarden vaten; en sommigen ter eer, maar sommigenter oneer. 2 Tim. 2: 20. In welke woorden de apostel het voortoegestaan schijnt te houden, dat, gelijk er altijd geweest zijn,er ook altijd zulke onvruchtbare vijgenbomen of vruchtelozebelijders zijn zullen in Gods huis, zelf dan wanneer alle mensengedaan zullen hebben wat zij kunnen; even gelijk er in een groothuis sommige vaten zijn ter oneer, zowel als er anderen zijn tereer; zowel houten en. aarden, als gouden en zilveren vaten, dusmoeten er houten belijders zijn in de hof Gods, aardse belijdersin Zijn wijngaard. Doch mij dunkt, dat het woord: sommigen teroneer, het bijtend woord is. Hetgeen men Rom. 11: 21-22 van hetvat ter oneer leest, is vreselijk; maar dit schijnt dat te bovente gaan, dat spreekt maar van verworpenen in `t algemeen, maardit van de zodanigen in het bijzonder. Rom. 9 spreekt van hunverharding in de gewonen weg; maar hier, dat zij toegelatenmoeten worden om in de kerk' in te sluipen, en om zichzelf.aldaar te bereiden voor hun eigen plaats. Hand. 1: 25; De plaatsdie voor dit soort van volk alleen bereid is; gelijk de HeereJezus eens tot de FarizeeŽn zei, dezen zullen zwaarder oordeelontvangen Luc. 20: 47. Onvruchtbare vijgenboom, vruchtelozenbelijder, hoort gij al deze dingen wel? Hebt gij opgemerkt, datdezen vijgenboom van God niet als de Zijne erkend wordt, maargeloochend wordt van Zijn planting te zijn, en dat -Hij hem nietgebracht heelt tot zijn bruiloft? Ziet gij niet dat ge een diefen moordenaar genoemd wordt, die of over de muur geklommen, ofdoor enig andere plaats zijt ingekropen, zonder door de deur inte gaan? Hoort gij niet, dat er in Gods huis houten en aardenbelijders zullen zijn, en dat er geen andere plaats is omdezulken voor de hel te bereiden, dan het huis der kerk, of dewijngaard van God? Onvruchtbare vijgenboom Onvruchtbare Christen!Moeten U de oren hier niet van tintelen?

(En hij kwam en zocht vrucht) daarop.

Wanneer iemand een belijdenis bekomen en zich in de kerk ofhet huis Gods ingedrongen heeft, zo is de vraag nu niet meer,heeft hij leven? heeft hij rechte grondbeginsels? Maar heeft hijvrucht? Hij kwam en zocht vrucht daarop, Het scheelt nu niet ofGod, of de duivel, of uw eigen hoogmoedig hart u hiertoe gebrachtheeft; de vraag is maar, hebt gij vrucht? Brengt gij God vruchtenvoort? Een iegelijk, die de naam van Christus noemt, sta af vanongerechtigheid. 2 Tim. 2: 19. De apostel zegt niet, een iegelijkdie genade heeft, of een iegelijk die de geest Gods heeft; maareen iegelijk die de naam van Christus noemt sta af vanongerechtigheid. Wat hebben de mensen met de godsdienst te doen?Wat noemen zij zich naar de naam van Christus Jezus, indien zijde genade Gods niet hebben, of zo zij de Geest van Christusmissen? God verwacht vrucht van hen, wat doen zij in dewijngaard. Zij moeten daarin werken, of zij moeten er uit. Math.21: 28. Zoon ga heen, werk heden in Mijn wijngaard, Derhalve zalhet gemis van de genade of van de Geest Gods niet verhinderen omvrucht te zoeken. En hij kwam en zocht vrucht daarop. De Heerezoekt datgene, dat zulk een schijnt te hebben: want elk mens, diein Gods huis en wijngaard is, belooft zichzelf, hij belijdt aananderen, en hij wil, dat alle mensen het voor toegestaan zullenhouden, dat er in hem een hemels grondbeginsel is; waarom zou Goddan geen vrucht komen zoeken.

Aangaande dezulken dan, die de naam van Christenen, die deHeere vreezen, behouden willen, en nochtans geen consciŽntiemaken om Hem vruchten voort te brengen, tot dezulken zegt God:gaat henen, dient een ieder zijn drekgoden, ook hierna, dewijlgijlieden naar mij niet hoort, enz. Ezech. 20: 39. Onvruchtbarevijgenboom, hoort gij wel? God verwacht en roept om vrucht; jaGod zal eerlang op dezen onvruchtbare vijgenboom dezelve komenzoeken. Onvruchtbare vijgenboom! gij moet of vrucht dragen, ofuit de wijngaard gaan, en ook dan zal uw geval onuitsprekelijkrampzalig zijn; ja laat mij er bijvoegen, indien gij geen vruchtwilt dragen, noch uit de wijngaard gaan, dan zal God zijn naamuit uw mond nemen. Overmits Hij gezegd heeft: Zie Ik zweer bijmijn groten Naam, zo mijn Naam met een mond van enigen man vanJuda meer zal genoemd worden Jer. 44: 26. Hij wil vrucht hebben.En ik zeg verder: zo gij geen van beiden doen wilt, dat Godnochtans in Zijn rechtvaardigheid om vrucht zal komen; en dat hettevergeefs zal zijn te denken, dat dit hardheid is; want Hij zalmaaien waar Hij niet gezaaid, en van daar vergaderen waar Hijniet gestrooid heeft. Math. 25: 24-26. Hoort gij dit welonvruchtbare vijgenboom? En dat of ik genade heb of niet? Ja,omdat gij een belijdenis hebt.

En hij kwam en zocht vrucht (daarop)

De kerk en een belijdenis zijn geen plaatsen, waar de werkersder ongerechtigheid zichzelf en hun zonden mogen verbergen voorGod. Sommigen van ouds meenden omdat zij roepen konden: desHeeren tempel, des Heeren tempel, des Heeren tempel zijn deze,zij daarom vrijheid hadden om hun gruwelen te doen: even zo alssommigen in onze dagen hun gruwelen bedrijven. Want wie, (zeggenzij) hebben anders recht op de schepselen, indien het deChristenen indien het de belijders en kerkleden niet zijn? En opdeze onderstelling geven zij aan hun lusten, en genegenheden vanhoogmoed, eerzucht, gulzigheid. en dergelijke de vollen teugel,zich weidende zonder vrees; Judas v. 12, en zich besmettend metde begeerlijkheid opwekkende mode van de tijd; zoals te gaan metopgestoken halfnaakte boezems, gekrulde of gefriseerdevoorkuiven, met dartele gebaren, in prachtige kleren, met goud enparels kostelijk versierd. Ik wil hier nu geen onderzoek doennaar hun leven naar hun gedrag in hun huizen, in hun hoeken enverborgen holen; doch het is zeker, dat de mensen die zo gezindzijn, hebbende zulke grondbeginsels en zo geneigd, maar ledigetakken hebben, takken, die de vrucht missen die God verwacht, endie Hij zal komen zoeken. Onvruchtbare vijgenboom, gij hebt dooruwe belijdenis, noch door de Heere des wijngaards vrijheid omdeze druiven van Gomorra te mogen dragen; ook zal de wijngaard,al zijt gij onder de bomen van denzelve ingedrongen, u nietkunnen verbergen voor de ogen Gods, Velen gebruiken de godsdienstals een dekmantel en Christus als een stegelreep om door diemiddelen zichzelf en hun goddeloosheden te verbergen voor demensen. Maar God ziet hun hart, Zijn werk is op hun hielen, enHij let op al hun gangen; en wanneer dan hun ongerechtigheid, diete haten is, ontdekt wordt, zo zal Hij hen slaan met verhardingdes harten en hen ZO geheel verlaten, of Hij zal hen opwekken omvruchten voort te brengen.

Het is vrucht waarnaar Hij ziet, die Hij zoekt en die Hijverwacht, Onvruchtbare vijgenboom Weet gij dat wel? Maar hoe!Zult gij dan in Gods tegenwoordigheid komen om te zondigen? Zultgij daar komen om de zonden te verbergen? Helaas, mens 1 de kerkis Gods hof, en Christus Jezus is de Apostel en Hogepriesteronzer belijdenis, Hebr. 3: 1 Hoe! zult gij in het huis komen, datnaar Zijn naam genoemd is? In de plaats des tabernakels Zijnereer Ps. 26: 8 daar Zijn ogen en hart `t allen dagen zijn? 1 Kon.9: 2. Hoe, zult ge daar komen om te zondigen, om dezelve teverbergen. en te bemantelen? Zijn scheuten zijn een paradijs vangranaatappelen, met allerlei edele vruchten enz. Hoogl. 4: 13-15.en iedere keer dat Hij in Zijn hof gaat, is om te zien naar degroene vruchten der vallei om te zien of de wijnstok bloeit, ende granaatappelen uitbotten Hoogl. 6: ll. Ja Hij kwam en zochtvrucht op dezen vijgenboom. De kerk is de plaats van Godsverlustiging, daar begeert Hij altijd dag en nacht te zijn, daaris Hij om vrucht te zoeken, om vrucht te zoeken van allen eniegelijken boom, die in de hof staat. Wees derhalve verzekerd, 0!gij onvruchtbare boom, dat uwe wegen noodzakelijk naakt engeopend moeten zijn voor de ogen des Heeren. Een zwart schaap isspoedig gezien, ofschoon het in gezelschap van veel anderen magzijn het wordt met de eersten oogopslag gezien; het wordt doorzijn onderscheiden kleur verraden. Ik zeg derhalve dat de kerk eneen belijdenis geen plaatsen zijn, waar de werkers derongerechtigheid zich mogen of kunnen verbergen voor God, dievrucht komt zoeken; Mijn wijngaard, dien ik heb, zegt Hij, isvoor mijn aangezicht, Hoogl. 8: 12.

En hij kwam en zocht vrucht daarop (en vond ze niet)

Onvruchtbare vijgenboom, hoort toch! dat gedurig geen vruchtdragen, is een schrikkelijk teken, dat gij een vreselijk eindehebben zult, gelijk het slot van deze parabel aantoont. En vondze niet. Hij vond er geheel geen, dat is, die God aanstond; wantals er gezegd wordt; Hij kwam en zocht vrucht daarop, dan wordener zulke vrucht gemeend, die God behaaglijk is. Hebr. 11: 6, endie bekwaam is voor Hem, Hebr. 6: 7. Vruchten, die goed enaangenaam zijn. Helaas het is niet elke vrucht die hier zalgelden, kwade vruchten worden voor geen vrucht gerekend. Alleboom dan, die geen goede vrucht voortbrengt, wordt uitgehouwen enin het vuur geworpen. Math. 3: 10. Er zijn verscheiden vruchtendie niet goed zijn, als:

1. Er is een vrucht onder de belijders, die verdort, en nooittot rijpheid komt. Een vrucht, die in het opgroeien geslagenwordt en niet tot rijpheid komt, wordt voor geen vrucht gerekend.Deze vrucht vindt men bij zulke belijders, die veel schonebeginsels of bloesems hebben; die veel schone pogingen naar debekering en verbetering des levens hebben, die beginnen tebidden, voornemens nemen en hun zonden af te breken doorgerechtigheid te doen; maar daar blijven ze staan, en brengen zogeen vruchten voort tot volkomenheid. Derzulken vrucht isverdord, geslagen en verrimpeld, en is inderdaad geen vrucht.

2. Daar is een schielijk oplopende vrucht gelijk het gras opde daken, Ps. 129: 6, of dat, hetwelk opschiet op eenvuilnishoop, hetwelk zeer snel en geweldig opschiet, met hogehalmen en groot vertoon; maar dat echter tenslotte ledig van pitof kern bevonden wordt. Deze vrucht wordt gevonden bij zulkebelijders, die zo schielijk ontwaakt, overtuigd en bewogen zijnover hun staat, dat zij de gehele familie, het schip of de plaatswaar zij wonen, in rep en roer brengen. Voor een tijd roepen zijzeer klaaglijk, hevig en jammerlijk; en nochtans is dit allesmaar een vlaag, een benauwdheid en strijd, zij brengen geenvrucht; voort met lijdzaamheid. Deze zijn die vroegrijpevruchten, welke als een afvallende bloem zal zijn Jes. 28: 4.

3. Er is een vrucht, die boos en lelijk van smaak is Jer. 24:2, hoe lang -deze ook groeien mag, de wortel is verdroogd, en kangeen voldoende sap toebrengen aan de takken om vrucht rijp temaken. Dit is de vrucht van zulke belijders, wier hartenvervreemd zijn van gemeenschap met de heiligen, wiervrucht vanhen zelf groeit en opwast, van hun bekwaamheden, gaven, kracht enverstand, natuurlijke of zedelijke grondbeginsels en dergelijke.Deze, ofschoon zij vrucht dragen, worden nochtans ledigewijnstokken genoemd, zulken, die Gode geen vruchten dragen.Efraim is verslagen, hun wortel is verdord, zij zullen geenvrucht voortbrengen; ja ofschoon zij genereerden, zo zal ik tochde gewenste vruchten huns buiks doden Hos. 9: 16.

4. Daar is een vrucht die stinkend is Jes. 5: 4. Waarom heb Ikverwacht dat hij goede vruchten voortbrengen zou, en hij heeftstinkende druiven voortgebracht? Merkt hier, dat gelijk er bomenen kruiden zijn, die goed en edel, ja die waarlijk bekwaam zijnvoor de wijngaard; er ook zulke zijn, die hun gelijken, doch dieechter wild zijn; Aken, die niet recht goed, maar onedel zijn. Eris een druif en een wilde of stinkende druif; een wijnstok en eenwilde wijnstok; een roos en een kankerroos; bloemen en wildebloemen; een appel en een wilde appel, die wij een haagappelnoemen. De vrucht nu van deze wilde dingen; hoezeer die ook dekinderen behagen mag om mede te spelen, wordt echter vanverstandige en bedaarde lieden zeer weinig of niet gewaardeerd.Er is ook in de wereld, een geslacht van belijders, die,niettegenstaande hun belijdenis, van nature wild zijn; ja vanzulke belijders, die nooit van de wilden olijfboom afgesneden, enin de goeden olijfboom ingeŽnt zijn. Deze kunnen nu niet andersals wilde olijfbezieŽn voortbrengen, maar zij kunnen Gode geenvruchten dragen. Deze zijn als de zodanigen, die lichtvaardig eenbelijdenis aangenomen hebben, en in de kerk ingeslopen zijnzonder de wedergeboorte en een nieuwe natuur.

5. Eindelijk, er is ook een ontijdige vrucht. Gelijk eenvijgenboom, die zijn onrijpe en ontijdige vijgen afwerpt. Openb.6: 13. Vrucht, die uit de tijd is, en daarom Gode nietbehaaglijk. Er zijn nu twee soorten van belijders, dieonderworpen zijn om ontijdige vrucht voort te brengen. (a)Dezulken, die te vroeg vrucht voortbrengen; en (b) dezulken diete laat vrucht voortbrengen. a. Zij die te vroeg vruchtvoortbrengen, zijn dezulken, die terstond het woord met vreugdontvangen, en die aanstonds, eer zij wortelen schieten, opwaartsgaan; maar, geen wortel hebbende, zo worden zij, wanneer de zonopgaat, aangeslagen, en sterven zo ellendig zonder vrucht. Dezebelijders zijn van die lichtvaardige en onbezonnen mensen, diedenken dat niet dan vrede het Evangelie vergezellen zal; en diedaarom terstond verheugd zijn over tijding, zonder enig kwaad tevoorzien; waarom zij dan wanneer het kwaad komt, en ontwapendzijnde, en dus ook buiten staat om te kunnen staan, versterven enverdorren, en geen vrucht voortbrengen. Math, 13: 20-21 Maar diein steenachtige plaatsen bezaaid is, deze is degene, die hetwoord hoort, en dat terstond met vreugd ontvangt. Doch hij heeftgeen wortel in zichzelf, maar is voor een tijd, en alsverdrukking of vervolging komt om des woords wil, zo wordt hijterstond geŽrgerd. Er wordt ook Jes. 28: 4, gesproken van deafvallende bloem des heerlijken sieraads, die zijn zal gelijk eenvroegrijpe vrucht voor de zomer. Deze is een ontijdige vrucht. b.Dezulken brengen ook ontijdige vrucht voort, die te laat komen,en die wachten totdat de tijd voorbij is, God wil zijn vruchthebben op zijn tijd; Hij wil ze van zulke landlieden ontvangen,die hem de vrucht op hun tijden zullen geven; Math. 21: al. Hetmissen van de tijd is zeer gevaarlijk; alsook het wachten totdatde deur gesloten is Math. 25: 10-11. Wen komen niet voor dat devloed van Gods toorn zo hoog gerezen is, dat dezelve voor hen tediep is om er door te waden; Ja een overloop van grote waterenzal hem niet aanraken Ps. 32: 6. Ezau's daarna is vreselijk; wantgij weet, dat hij ook daarna .de zegening willende beŽrven,verworpen werd, want hij vond geen plaats van berouw, hoewel hijdie met tranen zocht, Hebr. 12: 15, Zo brachten ook de kinderenIsraŽls Code de vruchten der gehoorzaamheid te laat toe; hunziet hier zijn wij (Num. 14: 40-41) kwam te laat, alsook hun"wij zullen optrekken£, want de Heere had te vorengezworen, dat zij het land niet zouden zien.

Deze allen brengen ontijdig vrucht voort, Math. 25: 10 en 27:3, Hebr. 12: 17, Luc. 13: 25-27. Het is het jammerlijk ongelukvan een verworpene, om alle dingen te laat te doen; om te laatgevoelig van zijn gebrek o gemis van genade te worden, om te laatbedroefd te worden over zijn zonden; hij zoekt de bekering telaat de genade en de heerlijkheid te laat. Dus ziet gij (1) datde vrucht, die geslagen wordt in het opwassen, die verdort enniet tot rijpheid komt, geen vrucht is. (2) Dat de vrucht, dieschielijk opschiet, gelijk het gras, of het koren op de daken,ook verdort eer het opwast, en dus geen vrucht is. (3) Dat devrucht, die boos en lelijk van smaak is, geen vrucht is. (4) Datde vrucht, die wild of stinkend is, geen vrucht is. (5) Dat devrucht, die ontijdig is, die te vroeg of te laat, en niet op haartijd komt, geen vrucht is.

En hij kwam en zocht vrucht daarop, en vond ze niet

Er was niets dat de Heere voldoen kan, dan vrucht Math.21: 34.Toen nu de tijd der vruchten genaakte, zond Hij zijndienstknechten tot de landlieden, om zijn vruchten te ontvangen.Vraagt men nu: Welke vrucht verwacht God? Ik antwoord: de Heereverwacht goede vrucht. Iedere boom die geen goede vruchtvoortbrengt, wordt uitgehouwen en in het vuur geworpen. Math. 7:19. Eer nu de vrucht goed kan zijn, moet eerst de boom goedwezen, want goede vrucht maakt geen goeden boom; maar iederegoeden boom brengt voort goede vruchten. Leest men ook een druifvan doornen, of vijgen van distelen? Math. 7: 16-17. Een mensmoet eerst goed zijn, of hij kan geen goede vruchtenvoortbrengen; hem moet eerst de gerechtigheid toegerekend worden,opdat hij voor God als verlost moge staan van de vloek Zijnerwet; Hij moet een beginsel van gerechtigheid in zijn zielingestort hebben, of hoe zou hij anders goede vruchten voortkunnen brengen? En hierom is het dat de vruchten van een christengenoemd worden: de vruchten des Geestes Gal. 5: 22, alsookvruchten der gerechtigheid, die door Jezus Christus zijn totheerlijkheid en prijs Gods. Fil. 1: 11. Worden zij vruchten desGeestes genoemd, dan moet er de Geest eerst zijn; en wanneer zevruchten der gerechtigheid worden genoemd, dan moet er eerst degerechtigheid zijn. Doch ik zal enige dingen meer in hetbijzonder noemen.

Eerst. God verwacht vrucht, die de bekering waardig is, en dieaan dezelve beantwoordt, omdat gij de bekering veinst te hebben.Elk mens, die een, belijdenis heeft, en zich in de wijngaardingedrongen heeft, geeft de bekering voor; en daarom verwacht Godook dat de vruchten der bekering met dezelve vergezeld zullengaan, Math. 3: 8. Brengt dan vruchten voert der bekering waardig,of die met uwe belijdenis van de leer der bekering overeenkomen.Onvruchtbare vijgenboom, overmits gij een belijder zijt, en in dewijngaard zijt gekomen, zo staat gij voor de Heere als een van debomen van de hof; en daarom verwacht Hij ook vrucht van u, zowelals van de andere bomen des wijngaards; en wel zulke vruchten,die u doen kennen, dat gij in hart en leven zulk een zijt die eenoprechte belijdenis gedaan hebt van de bekering. Door uwebelijdenis hebt gij gezegd: ik ben gevoelig over het kwaad derzonde. Leef dan zulk een leven, dat duidelijk bewijst dat gijgevoelig zijt over het kwaad der zonde.

Door uw belijdenis hebt gij gezegd: Ik ben bedroefd over mijnzonden. Leef dan zulk een leven, dat deze droefheid uitdrukt. Gijhebt door uw belijdenis gezegd: Ik ben bekommerd en beschaamdvanwege mijn zonden. PS. 38: 19. Leef dan zulk een leven dat hetgezien wordt, dat gij bekommerd en beschaamd zijt vanwege uwzonden Jer. 30: 19. Door uw belijdenis hebt gij betuigd engezegd: Ik heb mij bekeerd en ben een vijand geworden van allenschijn des kwaads: 1 Thess. 5: 22 Maar helaas bewijst uw leven enverkering wel dat gij zulk een zijt? Zie dan toe, onvruchtbarevijgenboom, dat UW leven uw belijdenis niet logenstraft. Ja, ikzeg nog eens, zie toch toe, want God zal eens zelf komen omvrucht te zoeken. En hij kwam en zocht vrucht. Er zijn sommigebelijders, die slechts voor de mensen heiligen zijn, wanneer zijbuitenshuis zijn, maar die binnenshuis .duivels en adders zijn.Heiligen door belijdenis, maar duivels in de praktijk; zij zijnheiligen in hun woorden, maar zondaars in hun hart en leven.Dezen mogen nu de bekering belijden, maar zij missen de vruchtendie dezelve waardig zijn. Kan het wel gedacht worden,onvruchtbare vijgenboom, dat zij die zich blanketten, ooit berouwgehad hebben van hun hoogmoed? Dat zij die de wereld najagen,berouw hebben van hun gierigheid? Of dat zij, die met darteleogen wandelen ooit berouw gehad hebben over hun vleselijkelusten? Waar is de vrucht onvruchtbare vijgenboom, van deze hunbekering of berouw? Ja, tonen zij niet veeleer, dat zij berouwhebben van hun belijdenis? Immers schijnen hun vruchten, zulksuit te wijzen. Hun hoogmoed toont dat zij berouw hebben van hunnederigheid: hun gierigheid toont, dat zij berouw hebben, envermoeid zijn van op de Heere te vertrouwen; en tonen ook uwdartele daden niet, dat gij van de kuisheid een afkeer hebt? Waaris dan uw vrucht, onvruchtbare vijgenboom? De bekering is nietalleen een berouw en schaamte over de zonden, maar een keren vande zonde tot God; zij wordt Hebr. 6: 1 genoemd, een bekering vande dode werken. Hebt gij die droefheid, die naar God is die eenonberouwlijke bekering tot zaligheid werkt? Waarin toont gij danuw naarstigheid, uw verantwoording, uw onlust tegen de zonden, uwvrees van te overtreden of te misdoen, uw verlangen om voor Godte wandelen, uw ijver voor Zijn naam en heerlijkheid in dewereld, en wat wraak hebt ge in uw hart tegen elke gedachte vanongehoorzaamheid? 2 Cor. 7:1. Waar is, zeg ik, de vrucht van debekering? Waar is uw waken, uw vasten en bidden tegen deoverblijfsels der verdorvenheid? Waar is uw zelfverfoeiing, uwschaamte voor God, wegens de zonden, die nog overig zijn? Waar isuw teerheid voor Gods naam, en voor Zijne wegen? Waar is uwzelfverloochening en vergenoeging? Hoe toont gij voor de mensende waarheid van uw bekering tot God? Hebt gij de bedekselen derschande verworpen, niet wandelend in arglistigheid? En maakt gijuzelf aangenaam bij alle consciŽnties der mensen, in detegenwoordigheid Gods? 2 Cor. 4: 2.

Ten tweede, God verwacht vruchten, die overeenkomen metdat geloof, waarvan gij belijdenis doet. Een belijder, die inGods wijngaard gekomen is, geeft voor, dat hij het allerheiligstgeloof, het geloof der uitverkorenen Gods heeft. Maar helaas!onvruchtbare vijgenboom, waar zijn uwe vruchten? Paulus dankteGod door Jezus Christus over al de Romeinen, dat hun geloofverkondigd werd in de gehele wereld, Rom. 1: 8. Als ook: Omdathet geloof der Thessalonicensen zeer wies 2 Thess 1: 3. Gijbelijdt te geloven, een deel te hebben in een andere wereld; hebtgij deze wereld dan verlaten, onvruchtbare vijgenboom? Gijbelijdt in Christus te geloven; is Hij dan de blijdschap en hetleven uwer ziel?

Ja wat gelijkvormigheid hebt gij dan aan Zijn smart en lijden?Wat overeenkomst heeft Zijn roeping en tranen, Zijn bloeden ensterven in u gewrocht? Draagt g!j de doding van de Heere Jezus inhet lichaam? En is het leven van Christus in uw sterfelijk vleesgeopenbaard? Onvruchtbare vijgenboom l toon mij uw geloof uit uwewerken Jac. 2: 18. Bewijs uit uw goeden wandel uwe werken inzachtmoedige wijsheid Jac. 3: 13. Wat vrucht hebt gij,onvruchtbare vijgenboom? Welke maat van heiligheid hebt gij? Wanthet geloof reinigt het hart, Hand. 15: 9. Welke liefde tot deHeere Jezus hebt gij? Want het geloof is door de liefde werkendeGal. 15: 6.

Ten derde. God verwacht vruchten naar de tijden der genade,waaronder gij zijt, en naar de regen die op u valt. Mogelijk zijtgij geplant in een goede landouw, bij grote wateren, opdat gijtakken maken en ook vruchten dragen zoudt; en opdat gij tot eenheerlijken, wijnstok worden mocht. Zal Hij dan geen vrucht komenzoeken? Ja, vrucht die met de middelen die aan u besteed zijn,overeen komt? Onvruchtbare vijgenboom! God verwacht vrucht van u,en Hij zal die ook moeten vinden, indien Hij u ooit zal zegenen;want de aarde, die de, regen, menigmaal op haar komend, indrinkt,en bekwaam kruid voortbrengt voor degenen, door welke zij ookgebouwd wordt, die ontvangt zegen van God. Maar die doornen endistels draagt, die is verwerpelijk en nabij de vervloeking,welker einde is tot verbranding. Hebr. 6: 78, Onvruchtbare ziel!Hoe menige slagregen der genade, en bedauwing des hemels hebt gijniet genoten? Hoe dikwijls hebben niet de zilveren stromen van destad Gods voorbij uwe wortels gelopen, om u vruchten te doendragen? De plasregens, stromen en druppels op uw takken gevallenzijn, zullen allen van u gevorderd worden, en zullen die dan niettegen u getuigen, dat gij met recht behoort verbrand te worden?0! onvruchtbare belijder! de God des hemels verwacht zulkevruchten van u, als mei uw belijdenis van het Evangelieovereenkomen, het Evangelie behelst in zich de vergeving derzonden, het Koningrijk der hemelen en het eeuwige leven; doch watheeft uw belijdenis van het geloof dezer dingen in uw hart enleven voortgebracht? Hebt gii uzelf aan de Heere overgegeven?Durft gij alles wat gij hebt, voor Zijn naam in deze wereldovergeven? Wandelt gij als een die duur gekocht is namelijk metde prijs van Christus dierbaar bloed?

Ten vierde. God verwacht zulke vruchten, die dienstig enbekwaam zijn voor Hem; vruchten die tot heerlijkheid zijn vanZijn naam, Gods bomen zijn bomen der gerechtigheid, een plantingdes. Heeren, opdat Hij verheerlijkt worde. Jes. 61: 3. En daarommoeten het vruchten zijn, die in de hemel smaken, ja het moet eenovervloed van zulke vruchten zijn; want hierin zegt Christus, ismijn Vader verheerlijkt, dat gij veel vrucht draagt. Joh 15: 8.Vruchten van allerlei soort, oude en nieuwe; want de vrucht desGeestes is in alle goedigheid, rechtvaardigheid en waarheid..Efeze 5: 9. Vruchten voor de wereld, vruchten voor de heiligen,vruchten voor God en vruchten voor de engelen. 0! Mijn broeders,hoedanigen behoorden wij niet te zijn, die met onze handgeschreven hebben: wij zijn des Heeren, en ons genoemd hebben metde naam Jacobs? Deze zal zeggen ik ben des Heeren, en die zalzich noemen met de naam Jacobs, en gene zal met zijn handschrijven: ik ben des Heeren, en zich toenoemen met de naamIsraŽls Jes. 44: 5. Onvruchtbare vijgenboom! Hebt gij met uwhand geschreven des Heeren te zijn? Hebt gij u genoemd met denaam Jacobs, en toegenaamd met de naam IsraŽls? Dit alles wendtgij voor, die in de wijngaard gekomen zijt, en die geplaatst zijtonder de bomen van de hof Gods; en daarom verwacht God zulkevruchten, als voor Hem bekwaam, en Zijn naam waardig zijn; gelijkde apostel vermaant, wandel waardig de Heere, Fill. 1: 11, datis; zodanig, dat wij overal tonen, dat Zijn tegenwoordigheid bijons is; Zijn vrees in ons en dat Zijn majesteit en gezag op onzedaden liggen. Vruchten die Hem waardig zijn, is zulk eenafhanging van Hem, zulk een vertrouwen op Zijn woord, zulk eenvoldoening in Zijn tegenwoordigheid, zulk een toebetrouwen van alzijn belangen aan Hem, en zulk een vermaak in de genieting vanHem, hetgeen klaar bewijst, dat Zijn vrees in mijn hart is, datmijn ziel opgenomen is in de dingen van God, en dat mijn lichaamen ziel, mijn uiterlijken staat en alles van Zijn schikkingafhangen. Vruchten die Hem waardig zijn, is Hem te danken doorChristus Jezus, voor Zijn dierbaar Woord; voor Zijn vrije genade,voor de openbaring van zichzelf in Christus Jezus aan de ziel, eneen verlangen naar een andere wereld. De vruchten, die Hemwaardig zijn, is milddadigheid aan de arme heiligen, en aan dearme wereld; een leven dat in woorden en in daden voorbeeldig is;een lijdzaam en stil verdragen van alle dingen, die de Heere voormij heeft vastgesteld, totdat ik de gehelen wil van God gedaan engeleden zal hebben. En dat in de goede aarde valt, zijn dezen,die het woord gehoord hebbende, hetzelve in een eerlijken goedhart bewaren, en in volstandigheid vruchten voortbrengen. Luc. 8:15. Dit is goede vruchten dragen, dat wij onze vrucht hebben totheiligmaking, en het einde het eeuwige leven. Rom. 6: 22 en cap.14: 8.

Ten vijfden. God verwacht vruchten, die Zijn wijngaardbetamelijk zijn. Mijn beminde, zegt God, heeft een wijngaard opeen vetten heuvel, Jes. 5: 1. Getuige hiervan is de vrucht, diehij in alle eeuwen voortgebracht heeft; de aller onvruchtbaarstebomen, die ooit in hei woud van deze wereld hebben gestaan, wathebben die Code geen vruchten voortgebracht, wanneer zij door deGod des hemels in dezen wijngaard zijn geplant geworden? Abelheeft een meerder offerande Code geofferd dan Kam, Hebr. 11: 4.Enoch wandelde met God driehonderd jaren Gen. 5: 22. Noach heeftdoor zijn leven des geloofs de wereld veroordeeld, en is gewordeneen erfgenaam der rechtvaardigheid, die naar het geloof is, Heb.11: 7. Abraham is geroepen zijnde, gehoorzaam geweest om uit tegaan niet wetend, waar hij komen zou, vers 8. Mozes verliet eenkoningrijk, en liep het gevaar van de toorn des konings, uitliefde tot God en Christus, vers 26 en 27. Wat zal ik zeggen vandegenen die uitgerekt geworden zijn, de aangeboden verlossingniet aannemend, opdat zij een betere opstanding verkrijgenzouden. Zij zijn gestenigd geworden, in stukken gezaagd,verzocht, door het zwaard ter dood gebracht;' hebben gewandeld inschaapsvellen, verlaten, verdrukt, kwalijk gehandeld zijnde, vers37. Petrus verliet zijn Vader, zijn schip en netten, Math. 4:18,19. Paulus keerde zich af van de voeten van GamaliŽl. Velenbrachten de prijs hunner goederen en bezittingen en legden dieaan de voeten der Apostelen, Hand. 4: 34 en anderen brachten hunboeken bijeen en verbrandden ze, ofschoon de waarde derzelvevijftigduizend zilveren penningen bedroeg. Hand. 19: 19. Ik zouhier kunnen bijvoegen, hoevelen door alle eeuwen heen zich zelfen al wat zij hadden, gewillig hebben opgeofferd voor dewaardigen naam des Heeren Jezus, om gepijnigd, om uitgehongerd,om opgehangen, om verbrand, verdronken, aan stukken gescheurd teworden, en duizend andere ellenden te ondergaan.. Onvruchtbarevijgenboom! Gods wijngaard is een vruchtbare plaats geweest. Watdoet gij daarin? Wat draagt gij? God verwacht vrucht die met deaarde van Zijn wijngaard overeenkomt.

Ten zesde. De vrucht die God verwacht is ook zodanig, dat zijovereenkomt met zijn akkerwerk en bearbeiding. De wijngaard isGods akkerwerk of gebouw; Ik ben de Wijnstok zegt Christus enmijn Vader is de Landman Joh. 15: 1, Gods akkerwerk, Gods gebouwzijt gij, 1 Cor. 3: 9.

Dezen wijngaard omtuint de Heere, en' Hij zuivert dien vanstenen. Hij heeft in het midden er van een toren gebouwd, en ookeen wijnbak daarin uitgehouwen. Hier is arbeid, hiťr isbescherming, hier is een wegnemen van alle verhinderingen, hieris een genoegzame reiniging, en dat alles opdat er vrucht zouzijn. Onvruchtbare vijgenboom! wat vrucht hebt gij? ' Hebt gijvrucht. die aan de zorg, de bescherming, de wijsheid, deverdraagzaamheid en de bebouwing Gods beantwoordt? Het is devrucht des wijngaards, die de roem of de schande is van delandman; ik ging voorbij de akker eens luiaards zegt Salomo, envoorbij de wijngaard van een verstandeloos mens en ziet hij wasgeheel opgeschoten met distels, zijn gedaante was met netelsbedekt, en zijn stenen scheidsmuur was afgebroken Spr.. 24: 30,31. Onvruchtbare vijgenboom, indien de mensen eens oordelenmoesten van de zorg, moeite en arbeid van God aan zijn kerk, uitde vruchten die ze voortbrengt, zouden zij niet mogen zeggen datHij lui, zorgeloos en zonder de minste omzichtigheid was? O! Watzijn uw distels en netels, uw onvruchtbaar hart en leven, nieteen gedurige terging voor de ogen Zijner heerlijkheid, alsook eenoneer voor de heerlijkheid Zijner genade; onvruchtbare vijgenbooml hebt gij al deze dingen wel gehoord? Ik zal er dit ene nu maarbijvoegen. De vraag is nu niet, wat gij van uzelf denkt, noch watal het volk van u denkt; maar wat gij bevonden zult worden, indien dag, wanneer God uw takken zal onderzoeken om vrucht. ToenSodom onderzocht moest worden, naar rechtvaardigen, toen wou Godin dat geval Zijn getrouwen knecht Abraham niet vertrouwen, maarzo dikwijls Abraham voorbad, antwoordde de Heere gedurig, Zo Iker vijftig, veertig, dertig of twintig enz. vind zal ik de plaatsniet verderven. Gen. 18: 26 enz. Onvruchtbare vijgenboom! watzegt gij hierop? God zal afgaan en u bezien, Hij zelf zalonderzoek doen, naar uw vrucht, en Hij kwam en zocht vruchtdaarop, en vond ze niet, En Hij zei tot de wijngaardenier, zie,Ik kom nu drie jaar zoekende vrucht op dezen vijgenboom, en vindze niet, houw hem uit; waarom beslaat hij ook onnuttig de aarde?Deze woorden zijn de vrucht van Gods onderzoeken van de takkeneens onvruchtbare vijgenbooms. Hij zocht vrucht daarop en vond zeniet, geen vrucht die Hem behaagde, of die goed en aangenaam was.

En daarom klaagt Hij eerst over het gebrek daarvan aan dewijngaardenier, hem roepend, om te komen zien en acht te geven opde boom, en dan toont Hij zijn ongenoegen dat Hij denzelvenweggenomen, en uitgehouwen wil hebben, om de aarde niet onnuttigte beslaan, Merkt hieruit, dat een onvruchtbare vijgenboom hetvoorwerp van Gods ongenoegen is, Hij kan een onvruchtbarebelijder niet verdragen.

En of (toen) zei Hij tot de (Wijngaardenier zie)

Toen, na deze terging; toen, nadat Hij vrucht gezocht had enze niet gevonden had, t o e n. Dit woordje toen toont onseen soort van inwendig ongenoegen aan, gelijk Hij zo op eenandere plaats spreekt, bij dergelijke terging: "Maar alsdanzal des Heeren toorn roken over denzelven man, en al de vloek,die in dit Boek geschreven is, zal op hem liggen en de Heere zalzijn naam van onder de hemel uitdelgen", Deut. 29: 18-20. Toen,het geeft te kennen, dat Hij nu gekomen was tot een vast besluit,wat Hij doen zou met dezen vijgenboom, Toen zei Hij tot deWijngaardenier, dat is, tot de Heere Jezus: Zie, dat zegt zoveelals kom herwaarts, hier is een vijgenboom in Mijn wijngaard, hieris een belijder in Mijn kerk, die onvruchtbaar is en geen vruchtdraagt. Merkt hieruit, dat, wat ook een onvruchtbare belijderhier op aarde van zichzelf mag denken, de Heere nochtans in dehemel tegen hem getuigt en uitroept zeggende: "Nu dan, Ikzal ulieden nu bekend maken, wat Ik Mijn wijngaard doen zal, Ikzal mijn tuin wegnemen opdat hij zij tot afweiding, zijn muur zalik verscheuren, opdat hij zij tot vertreding. Jes. 5: 5.

Zie, (ik kom nu drie jaren) zoekende vrucht.

Merkt hier, drie jaar. God roept als het wareuit, dat Zijn lijdzaamheid misbruikt, en dat Zijnverdraagzaamheid verwaarloosd is; zie, deze drie jaren heb Ikgewacht en verdragen; deze drie jaar heb ik mijn toornuitgesteld. Daarom zal Ik mijn hand tegen u uitstrekken en uverderven. Ik ben des berouwens moede geworden Jer. 15: 6. Dezedrie jaar, zie hier, hoe God al de tijd als oplegt en gedenkt,die een onvruchtbare vijgenboom, o! onvruchtbare belijder in dezewereld misbruikt; gelijk Hij ook tot IsraŽl zegt; veertig jaarheb ik verdriet gehad van dit geslacht Ps. 95: 10. Deze driejaar, deze drie tijden. Merkt hier, God gedenkt hoeveel tijdengij misbruikt hebt want deze drie jaar betekenen zoveel getijden.Toen nu de tijd der vruchten genaakte, dat is, omtrent de tijddat zij beginnen rijp te worden, of die naar de tijd rijp zoudenkunnen zijn. Onvruchtbare vijgenboom! gij hebt tijden,predikatiŽn, Leraars, verdrukkingen, oordelen, goedertierenhedenen wat niet al gehad, en nochtans zijt gij niet vruchtbaargeweest; gij hebt ontwakingen, bestraffingen, bedreigingen envertroostingen gehad, en evenwel zijt gij onvruchtbaar gebleven.Welnu, God heeft uw d r i e j a a r bij zichzelf opgelegd. Hijgedenkt elken tijd, elke predikatie, elken leraar, elkeverdrukking, oordeel, goedertierenheid, opwekkend voorbeeld,dagvaarding en terging; alles gedenkt Hij; gelijk Hij eertijdsvan IsraŽl zei Die Mij nu tienmaal verzocht hebben, en Mijn stemniet gehoorzaam zijn geweest. Num. 14: 22, en zo ook Hos, 7: 2,Nu omsingelen hen hun handelingen, zij zijn voor mijn aangezicht.Hij zoekt de vrucht van iederen tijd, die gij gehad hebt. Hij wilniet dat enige predikatie, noch enige van zijn leraars,verdrukkingen, oordelen of goedertierenheden verloren zullenzijn, of voor onnutte dingen zullen gehouden worden; Hij wilvergelding hebben in vergelijking met de weldaad die ontvangenwordt, 2 Chron. 32: 25 Hij heeft niets zonder oorzaak gedaan, vanalles wat Hij gedaan heeft; en daarom verwacht Hij vrucht. Ziedan toe, onvruchtbare vijgenboom.

Ik kom nu drie jaren (zoekende vrucht)

Merkt hier, dat dit woord zoeken een nauwkeurig zoekente kennen geeft; want wanneer iemand vrucht zoekt aan een boom,dan gaat hij rondom denzelve, van achteren en van voren, dan opdezen dan op geen aak zoekende, hij speurt na tot deallerbinnenste en laagste takken, of hij mogelijk vrucht mochtvinden. Onvruchtbare vijgenboom! God zal al uw takken bezien, hijzal uwe bedvruchten, uwe middernachtvruchten, de vruchten van uwbinnenkamer, van uw familie en van uwen wandel bezien, of erenigen onder zijn, die Zijn, naam waardig zijn; want Hij ziet wathet huis IsraŽls doet in de duisternis Ezech. 8: 12. Ook zijnalle dingen naakt en geopend voor de ogen desgenen, met welkenwij te doen hebben Hebr. 4: 12-13.

Zie ik kom nu drie jaren, zoekende vrucht (op dezenvijgenboom)

Ik zei u te voren, dat Hij de tijden en gelegenheden gedenkt,die de onvruchtbare belijder goddelooslijk misbruikt heeft.Overmits Hij nu de vijgenboom uitmonstert, zeggende; dezenvijgenboom, zo toont Hij, dat een onvruchtbaar belijder buitenalle andere belijders een gedurige hatelijkheid in de ogenGods is. Dezen vijgenboom, deze man Chonia, Jer. 22: 28, Daaromdat dit volk tot mij nadert met zijn mond, doch hun hart verrevan mij doen, Jer. 29: 13. God weet uit al de duizenden inIsraŽl, wie de onvruchtbare belijders zijn; Zijn lot valt op hethoofd van een Achan, ofschoon hij onder zeshonderd duizend manverborgen was: Wiens huisgezin, als hij ze deed aankomen man voorman, zo werd Achan geraakt, de zoon van Charmi, de zoon vanZabdi, de zoon van Zerah, uit de stam van Juda Jos. 7: 1748. Dezeis de Achan, deze is de vijgenboom, deze is de onvruchtbarebelijder.

(En vond ze niet)

Wanneer iemand honderd bomen in zijn wijngaard heeft, en op detijd van het jaar in zijn wijngaard komt,' om te zien hoe debomen bloeien, dan gaat hij op en neer, hij ziet, hij onderzoekten bemerkt hoe dezelve met vrucht behangen zijn; maar ziet, hijontmoet er een daar hij niets op vindt dan bladeren; daar blijfthij bijstaan, hij beziet hem nog eens, hij ziet ook hier en daar,boven en beneden; en wanneer hij na al dit zoeken echter nietsvindt dan bladeren, dan begint hij te overwegen hoe hij dezenboom op een ander jaar zal kennen, wat er naast staat, of hoe verhij van de heining staat; en als er niets is dat hem tot eenmerkteken kan verstrekken, dan neemt hij zijn haak en geeft hemdaarmede een verborgen kenmerk, (gelijk er van KaÔn staat: en deHeere stelde een teken aan KaÔn, Gen. 4: 15) zeggende: weg gijonvruchtbare vijgenboom, gij hebt deze gelegenheid en seizoenonnuttelijk doorgebracht. Echter houwt hij hem nu niet uit; maarhij denkt, ik zal het nog een jaar aanzien, mogelijk is het nietgoed gelukt; en daarom komt hij op een ander jaar om te zien ofhij nu vrucht draagt maar hij vindt hem nu gelijk hij hem tevoren gelaten heeft, te weten onvruchtbaar, hij doorzoekt hemmaar hij vindt geen vrucht. Nu begint hij andere gedachten tekrijgen. Hoe! denkt hij, verleden jaar niet gelukt, en nu ookniet? De onvruchtbaarheid ligt niet aan het seizoen, maar dieligt zeker in de boom. Nochtans zal ik hem ook dit jaar nogsparen, maar ik zal ten tweeden male een teken geven; en mogelijktekent hij hem nu wel met een brandijzer, omdat hii toornigbegint te worden. Daarop komt hij ten derden male; maar het derdejaar is gelijk het eerste en het tweede, hij vindt geen vrucht,de boom bestaat maar onnuttig de aarde. Wat moet er nu gedaanworden met deze vijgenboom? De Heere zal met geweid zijn takkenafkappen, ja de struiken van zulke belijders met ijzer. Jes. 10:33,34. Ik kom nu drie jaren, zoekende vrucht, zegt de Heere, envindt ze niet, hij heeft nu drie jaren onnut de aarde beslagen;houw hem uit. Er is gebod op gebod, regel op regel geweest, hetene jaar en het andere jaar na, tot drie jaren achtereen, maar erkan geen vrucht gespeurd worden, breng Mij de bijl hier; Ik bener zeker van dat deze die vijgenboom is, Ik ken hem van heteerste jaar af; toen wat de onvruchtbaarheid zijn teken, en nu isde onvruchtbaarheid zijn teken weer; maak hem gereed voor deverbranding. En is ook al rede de bijl aan de wortel der bomengelegd, alle boom dan, die geen goede vrucht voortbrengt, wordtuitgehouwen en in het vuur geworpen. Math. 3: 10. Merk mijnebroeders, Gods hart kan niet gezet zijn op een onvruchtbarevijgenboom. Dit weet gij bij uzelf indien gij in uw boom ofwijngaard een boom hebt, die de aarde onnuttelijk beslaat, hoegij hem met geen genoegen of vermaak kunt aanzien; ja, indien gijhem, maar voorbijgaat, daarop ziet, of er maar op denkt, zodreigt gij hem al in uw hart, zeggende; ik zal u welhaastuithouwen en ten vure brengen. Ook is het tevergeefs om u tewillen overreden om dien onvruchtbare boom gunstig te zijn; en zomen u al wilde overreden, uw antwoord zou gedurig zijn, hijbrengt mij geen voordeel aan, hij beslaat maar plaats en doetgeen nut, daar kan een ander in zijn plaats gezet worden, enz.

(houw hem uit)

Wanneer de godzaligen onder de Joden tot de Heere baden, dathet oproerig IsraŽl niet uit de wijngaard mocht geworpen worden,Jer. 14: 7 enz. wat zei toen de Heere tot hen? Al stonden Mozesen SamuŽl voor mijn aangezicht, zo zou toch mijn ziel tot ditvolk niet wezen, drijf ze weg van mijn aangezicht en laat ze uitgaan. Jer. 15: 1. Wat een vast voornemen is dit? Mozes en SamuŽlkonden bijna alles van God verkrijgen in het gebed. Hoe menigmaalheeft Mozes niet de oordelen Gods door het gebed afgekeerd vanFarao zelf? Hoe menigmaal heeft hij IsraŽl niet door het gebedbehouden in de woestijn, van de toorn en gramschap Gods. Ps. 106:23. Ten ware dat Mozes zijn uitverkorene, in de scheur voor Zijnaangezicht gestaan had, om Zijn grimmigheid af te keren, dat Hijze niet verdierf. Ook wordt SamuŽl in dezen weg als uitnemendvoorgesteld; ja zo uitnemend, dat hij, wanneer IsraŽl die grotezonde bedreven had van een Koning te begeren, en de Heere teverlaten, de Heere bad, en de Heere spaarde hen, en Hij vergafhun 1 Sam. 12. Maar Mozes en SamuŽl kunnen geen onvruchtbarevijgenboom behouden o! neen; Al stonden Mozes en SamuŽl voorMijn aangezicht; dat is I pleitende, voorbiddende en smekende, zozouden zij nochtans Mijn hart tot dit volk niet kunnen neigen.

Houw hem uit.

Maar, Heere! het is een vijgenboom, was het een doorn braam ofdistel, dan zou het geen grote zaak zijn; maar het is eenvijgenboom of een wijnstok. Welnu, merkt wat de Heere hieropantwoord: Mensenkind zegt Hij, wat is het hout des wijnstoksmeer, dan alle hout, of de wijnrank meer, dan dat onder het houteens wouds is? Wordt daarvan hout genomen om een stuk werk temaken? Neemt men daarvan een pin om enig vat daaraan te hangen?Ezech. 15: 2, 3. Indien de bomen, die gezet of geplant zijn omvrucht te dragen, geen vruchten voortbrengen, dan is er tussenhen en de bomen eens wouds geen onderscheid of beterschap; tenware de beterschap gevonden werd in de bomen des wouds, want diezijn bekwaam om er mede te bouwen; maar een vijgenboom of eenwijnstok, wanneer die geen goede vrucht voortbrengen, zijnnergens bekwaam toe, dan om uitgehouwen, en voor het vuur bereidte worden, gelijk de profeet zo vervolgt te spreken. vers 4, Ziethet wordt aan het vuur overgegeven, opdat het verteerd worde:(indien het niet bekwaam is voor vrucht, dan is het voor het vuurbekwaam) het .vuur verteerd beide zijn einden, en zijn middelstewordt verbrand. Ja maar, deze vijgenbomen of wijnstokken, warenkerkleden en inwoners van Jeruzalem; zo was ook dezen vijgenboomin de tekst gemeld; maar hoort wat antwoord God voor zulketegenwerping bereid heeft, vers 6 en 7 Daarom, alzo zegt, deHeere Heere, gelijk het hout des wijnstoks is onder het hout deswouds, hetwelk Ik de vure overgeve opdat het verteerd worde, alzozal ik de inwoners van Jeruzalem overgeven. Want Ik zal mijnaangezicht tegen hen zetten, als zij van het ene vuur uitgaan,zal het andere vuur hen verteren. Wanneer iemand in zijn tuin ofhof vermaak schept en daarin een scheut of loot heeft, dievruchtbaar is zo zal hij zulk een scheut of loot hoog waarderen;maar indien die verdort en versterft, de aarde maar onnuttigbeslaat, dan wil hij ze in zijn hof niet zien. Hoven enwijngaarden zijn plaatsen voor vrucht, naar dien de natuur van deplanten of bloemen is die daarin geplant zijn. Veronderstel, datgij zulk een scheut in uw hof had, als waarvan ik zo-evengesproken heb, die daarin verstorven was, zoudt gij dezelve in uwhof wel willen laten blijven? Immers neen; maar gij zoudt zeggen,weg daar meel weg daarmee! Tegen de Lente komt iemand in zijnhof, waar hij eerst alles terloops eens overziet, dan begint hijaan het uitplukken van het onkruid, van de netelen en werpt er destenen uit, hij neemt een bezem om de wandelpaden schoon tevegen, en dit gedaan zijnde, begint hij zijn planten en scheutente bekijken, om te zien, of ze leven, en of ze opwassen zullen;in dien hij bij een komt die gestorven en dood is, en waarvan hijverzekerd is, dat zij niet zal opwassen, die plukt hij uit, enwerpt die met verachting op de vuilnishoop ter neer, dezelve nietmeer achtend dan een netel of enig ander onkruid, of als hetstof, dat hij uit de paden heeft geveegd. Ja zo iemand, die hemzag, tot hem zeggen zou; waarom doet gij dat? Het antwoord isgereed; die scheut is verstorven; zij is dood aan de wortel;indien ik die laat staan, zo zou zij de aarde maar onnuttigbeslaan. De uitlandse of vreemde ranken ( en ook de verstorvenen)zullen maar tot een hoop zijn, in de dag der krankheid, en derpijnlijke smart, Jes. 17: 10, 11.

Houw hem uit

Er is een tweeŽrlei wijze van iemand uit te houwen; (1).Wanneer iemand geworpen wordt uit de wijngaard (2). Wanneer hijuit de wereld geworpen wordt. Eerst. Wanneer iemand uit dewijngaard geworpen wordt.

Dit geschiedt ook tweezins. (a) Door de onmiddellijke hand vanGod; en (b.) door de behoorlijke uitoefening der wetten encensuur der kerk, die Christus haar tot dat einde toebetrouwd ennagelaten heeft. De Heere snijdt een onvruchtbare vijgenboom af,door een onmiddelijke hand, Hij slaat hem aan zijn wortels, enverzengt zijn takken, en alzo neemt Hij hem weg van onder zijnvolk: alle rank, zegt Christus, die in Mij geen vrucht draagt,die neemt Hij weg. Joh, 15: 2 Die neemt Hij weg uit de kerk, dieneemt Hij weg uit de godzaligen. Er zijn twee wegen, waardoor Godeen onvruchtbare belijder wegneemt uit Zijne kinderen.

1. Door sterke dwalingen, zulke die de ziel verleiden metverdoemelijke leringen, die van het geloof en de godzaligheidafwijken. Deze verkiezen ook hun wegen, zegt God, en hun zielheeft lust aan hun verfoeiselen. Ik zal ook verkiezen het loonhunner handelingen en hun vrees zal ik over hen doen komen, Jes66: 34. Ik zal hen slaan, zegt de Heere, met blindheid enverharding des harten. Ik zal ook toelaten dat de verzoeker henverzoekt, en zijn hels voornemen over hen uitvoert. 2 Thess. 2:1012 Daarom zal God hun zenden een kracht der dwaling, dat zij deleugen zullen geloven, Opdat zij allen zullen veroordeeld worden,die de waarheid niet geloofd hebben, maar een welbehagen hebbengehad in de ongerechtigheid.

2. Somtijds neemt God ook een onvruchtbare belijder weg, dooropenbare goddeloosheid. Er is er een die een belijdenisaangenomen heeft van de hoogwaardigen naam van de Heere JezusChristus; maar deze belijdenis is hem maar een dekmantel voorzijn zonden, hij leeft heimelijk in de praktijk vangoddeloosheid, hij is een vraat een dronkaard, gierigaard, of eenonreine. Wacht zegt de Heere: Ik zal dezen belijder de lossentoom geven: Ik zal hem aan zijn oneerlijke bewegingen overgeven,en aan zijn beestachtige lusten en begeerlijkheden: hij zal doorgoddeloos gezelschap overwonnen worden. Wanneer zij nu zichneigen tot hun kromme wegen, zal de Heere hen weg doen gaan metde werkers der ongerechtigheid Ps. 125: 5 Dit is Godsonmiddellijke hand, het is de Heere zelf die nu met zo'n menshandelt Onvruchtbare vijgenboom! hoor toch toe, gij zijt in dekerk ingedrongen door een belijdenis, gij hebt u gevoegd onder degodzaligen, en daar zijt gij tot een schande van het heilig enheerlijk Evangelie:, doch gij zijt tevens zo arglistig, dat gijgelijk de zonen van Zeruja te hard zijt voor de kerk; zij weetniet hoe zij met u handelen zal, en daarom zal de Heere zelf metu handelen, Ezech. 14: 78. Een ieder man, die zich van achter Mijafscheidt en zet zijn drekgoden op in zijn hart, en stelt deaanstoot zijner ongerechtigheid recht voor zijn aangezicht, enkomt tot de profeet om Mij door hem te vragen, Ik ben de Heere,hij zal geantwoord worden door Mij. En ik zal Mijn aangezichttegen dienzelven man zetten, en zal hem stellen tot een teken, entot spreekwoorden, en zal hem uitroeien uit het midden mijnsvolks en gijlieden zult weten, dat ik de Heere ben. b. God houwtook somtijds de onvruchtbare vijgenboom af door de kerk, doorhare behoorlijke uitoefening van de wetten en censuren, dieChristus tot dat einde aan haar heeft nagelaten. Dit is de meningvan Math. 18 vers. 15-17, 1 Cor. 5 en 1 Tim. 1: 20. Doch ik zalmij hier nu niet mede inlaten Op welke wijs nu de Heere met uhandelt, o! gij onvruchtbare vijgenboom! hetzij onmiddellijk doorZijn eigen hand, of door Zijn kerk, het komt op een hetzelfdeuit. Want indien een tijdige bekering het niet voorkomt, zo ishet einde van zulke zieIen de verdoemenis, Zij worden geslagen enverdorven en worden verzameld met Gods vijanden; en dan eindelijkin het vuur geworpen zijnde, moet de verbranding hun einde zijn.Hebr. 6: 8 Maar die doornen en distels draagt, die isverwerpelijk, en nabij de vervloeking, welker einde is totverbranding.

Ten tweeden. Somtijds snijdt God iemand af door hem te werpenuit de wereld. Zo werden Nadab en Abihu door Hem afgesneden enuitgehouwen Lev. 10: 2, Toen ging een vuur uit van het aangezichtdes Heeren en verteerde ze. Zo sneed Hij Korah, Dathan en Abiramaf, toen Hij de aarde kloofde en hen levend ter hel deed nedervaren, Num. 16: 31-33. Zo sneed Hij Saul af, toen Hij hem.overgaf om in zijn eigen zwaard te vallen, 1 Sam. 31: 5. Zosneed Hij Ananias met zijn vrouw Saffira af toen Hij ze dood teraarde deed nedervallen, in het midden der gemeente, Hand. 5:5-10. Ik zou hier ook kunnen spreken van Absalom, Achitofel enJudas, die alle drie zijn opgehangen; de eerste door Godswrekende hand; de andere twee zijn van God overgegeven om huneigen beul te zijn? Deze allen waren onvruchtbare en onnuttevijgenbomen daar God geen lust aan had, en daarom gebood Hijdezelve uit te houwen. Hierom zegt de Psalmist, Ps. 58: 10. Eerdan uwe potten de doornstruik gewaar worden, zal Hij hen, alslevendig, als in heten toorn wegstormen. Onvruchtbare vijgenboom!hoort gii dit wel? God roept al om zijn bijl en slagzwaard,zeggende; breng ze hier, hier is een onvruchtbaar belijder, houwhem uit waarom beslaat hij ook onnuttig de aarde?

(Waartoe beslaat hij ook onnuttig de aarde)

Door deze woorden geeft de Heere de redenen van zijnongenoegen tegen de onvruchtbare vijgenboom te kennen; hijbeslaat onnuttig de aarde. De heilige Geest noemt niet alleen eenreden van zijn onvruchtbaarheid; maar ook omdat hij de aardeonnuttig beslaat, daarom moet hij uitgehouwen worden. Zulks moetderhalve een grote terging zijn. (1.) Omdat hij, zoveel als inhem is, de Heere, in zijn oogmerk in het planten van Zijnwijngaard, belemmerd. (2.) Omdat hij des Heeren lankmoedigheid enverdraagzaamheid, Zijn driejarig geduld veracht, en misbruiktheeft. (3.) Omdat hij ook Zijn arbeid, Zijn moeite, Zijn zorg,Zijn voorzienigheid, Zijn bescherming en bewaring misbruiktheeft; want Hij omtuint en bemuurt Zijn wijngaard van rondom. Zieonvruchtbare vijgenboom, gij die onnuttig de aarde beslaat, aldeze dingen hebt gij misbruikt; Hij bevochtigt zijn wijngaardieder ogenblik, Hij bewaart hem nacht en dag, maar dit alles hebtgij misbruikt. Maar er zijn ook nog andere redenen van Godsongenoegen als: 1. Een die de aarde onnuttig beslaat, is eensmaad en schande voor de godsdienst, voor de wegen Gods, voorZijn volk, en voor Zijn woord. Het wordt van allen verwacht, datal de bomen in Gods hof vruchtbaar zullen zijn; God verwachtvrucht, de kerk verwacht vrucht, ja ook verwacht de wereld, datde belijders in alle goede werken vruchtbaar zullen zijn, dewereld verwacht, zeg ik, dat de belijders beter zullen zijn danzij is; doch gij stelt die allen in hun verwachting teleur,onvruchtbare vijgenboom! ja gij h e b t integendeel de goddelozenuwe wegen niet geleerd! Hebt gij hun door uw voorbeeld nietgeleerd om nog goddelozer te worden dan zij te voren waren? Dochdit maar in het voorbijgaan. Onvruchtbare vijgenboom! Gij hebtanderen teleurgesteld in hun verwachting, en nu moet gijzelfteleurgesteld worden. Houw hem uit, waarom beslaat hij ookonnuttig de aarde? 2. Een, die de aarde onnuttig beslaat, neemtde plaats weg daar een beteren boom kon staan; hij vervult deplaats zeg ik, of hij houdt zolang hij daar staat, eenvruchtbaren boom uit de plaats, en daarom moet hij uitgehouwenworden. Onvruchtbare boom! hoort gij wel? Omdat de Joden alsonvruchtbare bomen in de wijngaard stonden, daarom zei de Heere;het koningrijk Gods zal van u weggenomen worden, en een volkgegeven worden, dat zijn vruchten voorbrengt Math. 21: 33-41. DeJoden werden om hun onvruchtbaarheid uitgehouwen, en er werd eenvruchtbaarder volk in hun plaats gezet. Zo zei ook SamuŽl toteen onvruchtbare Saul, 1 Sam. 15: 28, De Heere heeft heden hetkoningrijk IsraŽls van U afgescheurd, en heeft het uwe naastengegeven, die beter is dan gij. De onnutte dienstknecht moetuitgeworpen worden, Math, 25: 30. O! Onvruchtbare vijgenboom,hoeveel toegenegen . hoopgevende en ijverig ge mensen hebt gijdoor uw onvruchtbaar en nutteloos leven niet weerhouden uit Godswijngaard? Om uwentwil hebben zij zich geŽrgerd aan degodsdienst; om uwentwil zijn ze afgehouden van de liefde tot huneigen zaligheid. Gij zijt ook een middel geweest om anderen teverharden, en om kleine en zwakke beginselen te doden en uit teblussen. Zie dan toe, onvruchtbare vijgenboom! Zelf wilt ge nietingaan, en die ingaan zouden, verhindert gij om in te gaan) gijzult niet al tijd onnuttig de aarde beslaan, noch de zaligheidvan anderen hinderlijk zijn; gij zult uitgehouwen worden, en eenander zal in uw plaats geplant worden. 3. Een, die de aardeonnuttig beslaat, is een zuiger, die het sap en het voedsel vanandere bomen wegtrekt; was deze, die de aarde onnuttig beslaat,uitgehouwen, dan zouden de andere bomen vruchtbaarder zijn; hijtrekt die vettigheid van de aarde naar zich, welke de anderenveel fleuriger en vruchtbaarder zouden doen zijn. Een enigzondaar verderft veel goeds Pred,: 18. Een, die de aardeonnuttelijk beslaat, is als een horzel in de bijenkorf die dehoning, opeet, die de arbeidende bijen voeden moet; hij is alseen dief in de kaars die het smeer doet verteren, maar die geenlicht geeft hij is een onsmakelijk zout, dat nergens voor bekwaamis, dan om weggeworpen te worden. Zie dan toe, onvruchtbarevijgenboom.

(En hij antwoordende, zei tot Hem ): Heere, laat hem ook nogdit jaar, totdat ik om hem gegraven en mest gelegd zal hebben. Enindien hij vrucht zal voortbrengen, laat hem staan; maar indienniet, zo zult gij hem namaals uithouwen.

Deze zijn de woorden van de Wijngaardenier, die, gelijk ikreeds gezegd heb, de Heere Jezus is, (Want Hij heeft voor deovertreders gebeden, Jes 53 vers 12) Zij behelzen een verzoek aande geschonden rechtvaardigheid, biddende, dat er nog een weinigmeer tijd gegeven, en lankmoedigheid geoefend mocht worden aan deonvruchtbare, en de aarde onnuttig beslaanden vijgenboom. In ditverzoek of in deze bede zijn zes aanmerkelijke zaken.

1. Dat de rechtvaardigheid mocht uitgesteld worden. 0! derechtvaardigheid mocht uitgesteld worden; Heere laat hem nog eenweinigje enz.

2. Hier wordt een tijd bepaald om te beproeven, of enigeandere middelen een onvruchtbare vijgenboom genezen kunnen; Heerelaat hem ook nog dit jaar.

3. De middelen om zulks te verhelpen worden voorgesteld:totdat ik om hem gegraven en mest gelegd zal hebben.

4. Hier wordt ook een veronderstelling te kennen te gegeven,dat door zo te doen, Gods verwachting nog beantwoord en voldaanmocht worden; en indien hij vrucht zal voortbrengen, laat hemstaan.

5. Een onderstelling, dat de onvruchtbare vijgenboom, nogonvruchtbaar zou kunnen blijven, wanneer Christus alles gedaanheeft wat hij wil; maar indien niet enz.

6. Hier is eindelijk een besluit, bij aldien hij onvrucht baarblijft, dat hij uitgehouwen zal worden. Indien hij vruchten zalvoorbrengen, laat hem staan: maar indien niet, zult gij hemnamaals uithouwen.

Doch ik zal volgens mijn voorgaande handelwijs bij manier vanuitlegging voortgaan.

(Heere, laat hem) ook nog dit jaar

Hier is waarlijk een verbaasd makende genade, dat de HeereJezus zich aan een onvruchtbare vijgenboom laat gelegen liggen,en dat Hij toetreedt om de slag van hem te mogen afweren,. Het iswaar, Hij weert de slag maar af voor een tijd; maar welkeverplichting had Hij om dien in `t geheel te' weren? Waarombracht Hij niet veeleer de bijl zelf aan; om het oordeel uit tevoeren? Waarom hieuw Hij hem niet uit? Onvruchtbare vijgenboom!het is uw geluk, dat er een Jezus is aan de rechterhand Gods, eenJezus, die zulke ruime ingewanden heeft, om zelf medelijden tehebben met een onvruchtbare vijgenboom, of anders zou Godsrechtvaardigheid u nooit zo lang onnuttelijk de aarde hebbenlaten beslaan, als gij nu gedaan hebt, Zo was het ook met IsraŽltoen het tegen God gezondigd had, de Heere zou het terstondverdelgd hebben, ten ware Mozes in de bres had gestaan, laat mijtoe (zei God tegen hem) dat mijn toorn tegen hen ontsteke, en henvertere, zo zal Ik u tot een groot volk maken Exod. 32: 10.Onvruchtbare vijgenboom! hoort gij dit wel? Wie weet hoemenigmaal de hand van Gods rechtvaardigheid is opgeheven geweestom u te slaan, en voor hoeveel jaren gij al uitgehouwen geweestzoudt zijn, zo de Heere Jezus niet, als het ware, zijns Vadersbijl gegrepen had. Laat Mij toe, laat Mij hem de slag toebrengen,of hem uithouwen, waartoe beslaat hij ook onnuttig de aarde? Wiltgij nog niet horen onvruchtbare vijgenboom? Wilt gij nogvoortgaan om Hem steeds te tergen? Gij hebt de mensen moedegemaakt, en Gods rechtvaardigheid getergd, zult gij, ook mijn Godmoede maken? Jes. 7: 13.

Heere! laat hem ook nog dit jaar

Heere! heb nog een weinig langer geduld; `Iaat ons toch geenziel verliezen door gebrek aan middelen; Ik zal eens beproeven ofik hem niet vruchtbaar maken kan; Ik zal geen lang leven voor hemverzoeken, noch dat hij altijd onvruchtbaar blijft, en U dusvertoornt. Ik bid U, terwille van zijn onsterfelijke ziel, Heere,spaar hem nog maar een jaar langer, ook nog dit jaar; indien Iker maar enig goed aan doen kan, zo is dat maar een korte tijd,Gij zult niet te zeer vermoeid worden met wachten, nog maar ťťnjaar, en dan niet meer. Onvruchtbare vijgenboom! hoort gij wel,welk een strijd er is om uw leven, tussen de Wijngaardenier en deLandman? Houw hem uit zei de een, Heere spaar hem roept eenander, hij beslaat onnuttig de aarde zegt God de Vader, o! maarťťn jaar langer bidt de Zoon: laat hem ook nog dit jaar.

(Totdat ik om hem gegraven en mest gelegd zal hebben)

In deze woorden onderstelt de Heere Jezus twee dingen alsoorzaken van gebrek aan vrucht op een onvruchtbare vijgenboom;als ook twee dingen die Hij als een geneesmiddel onderstelt. Dedingen die als een oorzaak van onvruchtbaarheid ondersteldworden, zijn (1) Dat als de aarde te zeer besloten is; Heere, devijgenboom is aan de grond te veel besloten (2) Een gebrek vanverwarmende en vetmakende middelen. Hierom stelt Hij danvervolgens voor, als een geneesmiddel: (a) De aarde te ontsluitenof los te maken, om hem te omgraven. (b) Hem te bemesten; Heere!laat hem ook nog dit jaar; totdat ik om hem gegraven en mestgelegd zal hebben. Ik twijfel, of hij niet te veel gebonden isaan de aarde; de zorgvuldigheid dezer wereld en de verleiding.des rijkdoms, (Math. 13: 22) liggen te na aan de wortels van hethart van dezen belijder. De liefde tot de rijkdommen, de eer envermakelijkheden van deze wereld, verstikken het woord, en hetwordt onvruchtbaar; want al wat in de wereld is namelijk: debegeerlijkheid des vleses, en de begeerlijkheid der ogen, en degrootsheid des levens, is niet uit de Vader, maar uit de wereld,1 Joh. 2: 16. Hoe kan dan iemand, (daar deze dingen het hartopbinden) Gode vruchten dragen? Zie eens, onvruchtbarevijgenboom! hoe de Heere Jezus door deze woorden deonvruchtbaarheid uwer ziel te kennen geeft.

De dingen dezer wereld liggen te dicht aan uw hart, de aardemet hetgeen daarop is heeft uwe wortelen opgebonden; gij zijt eenvan de aarde besloten ziel, gij zijt in het dikke slijk alsopgewonden. Zo iemand de wereld liefheeft, de liefde des Vadersis niet in hem 1 Joh. 2: 25.

Hoe kunt gij dan vruchtbaar zijn in de wijngaard? Dit hieldJudas af van de vrucht om voor de armen te zorgen, Joh. 12: 6.Dit hield Demas af van de vrucht van zelfverloochening, 2 Tim. 4:20.

Dit hield ook Ananias en Saffira zijn vrouw af van dekostelijke vrucht van oprechtheid en waarheid, Hand. 5 vers 510.Wat zal ik meer zeggen? Het zijn dwaze en schadelijkebegeerlijkheden, welke de mensen doen verzinken in verderf enondergang. Want de geldgierigheid is een wortel van alle kwaad;hoe kan er dan goede vrucht van zulk een wortel, die een wortelvan alle kwaad is, voortkomen? Tot welke sommigen lust hebbendezijn afgedwaald van het geloof, en hebben zichzelf met veelsmarten doorstoken. 1 Tim, 6: 9, 10. Het is een kwade wortel. Jahet is de wortel van alle kwaad; hoe kan dan een belijder, diezulk een wortel, heeft, of een wortel, die zo opgewonden is inzulke aardse dingen, als de begeerlijkheden, de vermakelijkhedenen de ijdelheden dezer wereld, Gode vruchten dragen?

(Totdat ik om hem gegraven) en mest gelegd zal hebben.

Heere! Ik zal zijn wortels losmaken, en deze aarde omgraven,Ik zal zijn wortels bloot stellen, Mijn hand zal op hem zijn, Ikzal hem slaan met ziekten, met teleurstellingen en metverdwarsende en tegenspoedige voorzienigheden. Ik zal hemomgraven totdat hij schudt en waggelt, en gereed zal zijn tevallen; dan zal hij, indien ooit, vaster zoeken te staan. Aldus,zeg ik, handelt de Heere Jezus menigmaal met een onvruchtbarebelijder. Hij omgraaft hem, dan geeft Hij hem eens een slag aanzijn hart, dan eens aan zijn lusten, dan eens aan zijnvermakelijkheden, dan eens aan zijn vertroostingen, en dan eensaan zijn eigen verwaandheid; alzo omgraaft Hij hem, dit is demanier om de kwade aarde van zijn wortels weg te nemen, en omzijn wortels van de aarde los te maken. Onvruchtbare vijgenboom!Zie eens, wat zorg, wat liefde, wat moeite en arbeid, alsook deweg, dien de Heere Jezus, de Wijngaardenier, met U zoekt in teslaan, of het nog mogelijk is om u vruchtbaar te maken.

Totdat Ik om hem gegraven (en mest gelegd zal hebben)

Gelijk de aarde, door de wortels te dicht te binden, de bomenhinderen kan, dat zij vruchtbaar zijn, zo kan ook het gebrek vanbekwamer middelen daarvan een oorzaak zijn. Dit wordt duidelijkdoor de wijngaardenier te kennen gegeven: totdat Ik om hemgegraven en mest gelegd zal hebben. Ik zal hem verzorgen met eenvruchtbaarder bediening, met een warmer woord, Ik zal hem herdersgeven naar Mijn hart, Ik zal ze bemesten. Gij weet dat mest eenwarmer, vetter en voedzamer stof is, dan de plaats waarin debomen doorgaans geplant worden. Ik zal hem omgraven en bemesten.Ik zal hem onder een hartontwakende bediening brengen, demiddelen der genade zullen vet en goed zijn. Ik zal hem ookbezoeken met een hartopwekkende, met hart verwarmende enaanmoedigende overdenkingen; Ik zal warme mest aan zijn wortelsleggen; Ik zal met twisten door mijn Geest, hem enige smakengeven van de hemelse gave, en van de krachten der toekomendeeeuw. Ik zou hem niet gaarne verliezen uit gebrek aan bemesting,Heere! laat hem ook dit jaar, totdat ik om hem gegraven en mestgelegd zal hebben.

En indien Hij vrucht zal voortbrengen, laat hem staan,

Indien Ik door al Mijn arbeid dezen vijgenboom vruchtbaar kanmaken. zal Ik Mijn tijd, Mijn arbeid en middelen welbesteedachten; en Gij, o mijn God! zult daarin een welbehagen hebben;want Gij zijt een genadig en barmhartig God, lankmoedig en grootvan goedertierenheid en berouwhebbend over het kwaad, hetwelk gijover een volk gedreigd hebt. Jona 4: 2. Deze woorden geven onsdan te kennen, dat indien een onvruchtbare vijgenboom, ofbelijder, Code nu eindelijk nog vruchten draagt, het zulk eenbelijder wel zal gaan, zulk een arme ziel zal het zekerlijk welgaan. Zijn voorgaande onvruchtbaarheid, zijn voorgaandeverzoeking van God, zijn misbruiken van Gods geduld enlankmoedigheid, zijn verwaarlozen van jaar tot jaar, zal hemalles vergeven worden. ja, God de Vader en onze Heere JezusChristus zullen alles voorbijzien en vergeten, en eindelijk tot Uzeggen: "wel gij getrouwe dienstknecht." Als Ik tot degoddeloze zeg: gij zult de dood sterven, wandelt hij dan in deinzetting des levens, zodat hij geen onrecht doet, hij Lalzekerlijk ' leven, hij zal niet sterven. Ezech. 33: 14, 15.Onvruchtbare vijgenboom! Hoort gij wel? De bijl is aan Uw wortelsgelegd, de Heere bidt, dat God U sparen mag, heeft Hij Uomgraven? Heeft Hij mest om U gelegd? 0, onvruchtbare vijgenboom!Nu zijt gij tot het uiterste gebracht; indien gij goed wordt,indien gij nu op een begenadigde wijs de mest des evangelies naarU trekt, en Gode vruchten draagt, dan is het wel, maar indienniet, dan is het vuur uw einde. Er moet vrucht zijn, onvruchtbarevijgenboom, of gij moet ter verbranding. Indien hij vrucht zalvoortbrengen, laat hem staan.

(Maar indien) niet, enz,

Indien niet: door dit woordje indien geeft de HeereJezus ons te verstaan, dat er een geslacht van belijders is in dewereld, dat ongeneeslijk is, dat niet wil, en dat niet kanbekeerd worden, noch enig voordeel ontvangen door de middelen dergenade; een geslacht, dat wel een belijdenis behouden wil, maardat geen vrucht wil voortbrengen. Een geslacht nog eens, dat deverdraagzaamheid van God, Zijn tijd en wijs, Zijn bedreigingen envoorbiddingen, Zijn oordelen en goedertierenheid, als uitmergelt,en dat nochtans na dit alles onvruchtbaar blijft. 0, wat eendodelijke en vertwijfelende goddeloosheid is er niet in Uw hart?Hoort gij wel, onvruchtbare belijder? De Heere Jezus staat nog intwijfel over U, daar is nog een indien in de weg. Ik zeg,de Heere Jezus staat nog in twijfel over U; of gij nog eindelijkgoed zult zijn of niet, of Hij niet mogelijk vergeefse arbeid zaldoen, en of Zijn omgraving en bemesting niet maar verloren moeitezullen zijn. "En Ik heb haar tijd gegeven dat zij zich zoubekeren en zij hebben zich niet bekeerd." Openb. 2: 21. Ikheb hem omgraven en bemest, Ik heb hem tijd gegeven, en hem metmiddelen verzorgd. maar Ik heb tevergeefs gearbeid, en Mijnkracht onnut en ijdel besteed. Hoort gij dit wel, onvruchtbarevijgenboom? Het wordt nog betwijfeld, of het nog eindelijk met uwziel wel zal zijn of niet.

Maar indien (niet) enz.

Er is niets, dat het gemoed des mensen meer tergt, dan datzijn gunst en goedheid wordt veracht; ook is er niets dat deHeere Jezus meer tergt dan dat de zondaars de middelen Zijnergenade verwaarlozen; indien hij onder Mijn Evangelie dor enonvruchtbaar blijft; indien hij Mijn genade verandert inontuchtigheid, indien hij na Mijne omgraving, bemesting enwachten, nog onvruchtbaar blijft, dan zal ik U hem latenuithouwen, De toepassing van de middelen des Evangelies is hetlaatste middel voor een onvruchtbaar belijder; indien hetEvangelie, en de genade des Evangelies het niet doen kunnen zo iser niets te wachten, dan houw hem uit; ZO zult Gij hem namaalsuithouwen.!

Jeruzalem! Jeruzalem! gij, die de profeten doodt, en stenigt,die tot u gezonden zijn hoe menigmaal heb Ik uwe kinderen willenbijeen vergaderen, gelijkerwijs een hen hare kiekens bijeenvergadert onder haar vleugelen! en gijlieden hebt niet gewild.Zie, uw huis wordt u woest gelaten. Math. 23: 37-28.

Het kan niet zijn, of de Heere Jezus, die in het eerst deuitvoering van Zijns Vaders rechtvaardigheid geweerd heeft, omdatHij nog enige andere middelen, begeerde te beproeven met deonvruchtbare vijgenboom; het kan zo niet zijn, zeg ik, of hethart, dat zo vol medelijden is als het Zijne, moet geraakt zijn,wanneer Hij ziet, dat deze nu uitgehouwen moet worden, Lucas 19:41, 42: "En als Hij nabij kwam, en de stad zag, weende Hijover haar, zeggende: och, of gij ook bekendet, ook nog in dezenuwen dag, hetgeen tot uw vrede dient! Maar nu is het verborgenvoor uw ogen."

(Zo zult gij hem namaals uithouwen)

Wanneer Christus U overgeeft, dan is er geen voorbidder, geenmiddelaar, geen offerande voor de zonden meer; alles is danweggenomen, behalve het oordeel, en behalve de bijl, alsook eenschrikkelijke verwachting des oordeels en hitte des vuurs, dat detegenstanders zal verslinden enz. Hebr. 10: 2628. Onvruchtbarevijgenboom! zie toe dat gij niet tot deze laatste woorden komt;want deze woorden zijn een overgeven, en een uitwerpen van eenverworpene, en ZO zult Gij hem namaals uithouwen.

Het is alsof Christus zei; Vader! Ik heb U gesmeekt om nog eenweinig tijds voor dezen onvruchtbare belijder. Ik smeekte U,totdat Ik hem omgraven en bemest zou hebben; maar nu, Vader! isde tijd uit, het jaar is voorbij de zomer is ten einde, en daaris geen goed van gekomen; Ik heb hem ook beproefd met middelen,met Mijn Evangelie heb Ik hem omgraven; Ik heb ook de vetten envoedenden mest des Evangelies aan hem gelegd maar dat alles istevergeefs, Vader! Ik geef dezen belijder wederom aan U over, Ikheb nu met hem gedaan. Ik heb nu gedaan met bidden en metarbeiden, Ik zal het hoofd Uwer bij! niet langer vasthouden, neemhaar nu in de handen Uwer rechtvaardigheid, breng hem tot Uwgericht, en handel met hem naar Uw wet. Ik zal nooit meer voorhem bidden. Zo zult Gij hem namaals uithouwen. Wee hen, als Ikvan hen geweken zal zijn Hos. 9: 12. Deze belijder is nu waarlijkbloot gelaten, bloot voor God, bloot voor de satan, bloot voor dezonde, bloot voor de wet, bloot voor de dood, bloot voor hetoordeel, bloot voor de hel, bloot voor de nepen van een schuldigeconsciŽntie, bloot voor de pijniging van dien worm, die nietsterft en bloot voor dat vuur, hetwelk niet uitgeblust wordt. Ziedan toe, dat gij dien, die spreekt niet verwerpt, want indiendeze niet zijn ontvloden die dengene verwierpen, die op aardegoddelijke antwoorden gaf, veel meer zullen wij niet ontvlieden,zo wij ons van Dien afkeren, die van de hemelen is. Hebr. 12: 25.

Uit het kort doorlopen van deze parabel, hebben we deze tweealgemene aanmerkingen: Eerst. Dat, wanneer de rechtvaardigheidGods uitroept: Ik mag niet langer wachten met dezen onvruchtbarebelijder, de Heere Jezus dan nog tussentreedt, en bidt om eenweinig langer geduld en twisting met zulk een belijder, of Hijhem mogelijk nog een vruchtbaar belijder maken mocht. Heere Ilaat hem ook nog dit jaar, totdat Ik om hem gegraven en mestgelegd zal hebben, en indien hij vrucht zal voortbrengen, laathem staan, enz.

Ten tweede. Dat er sommige belijders zijn, wier dag van genadeeindigen zal met een houw hem uit, met eenoordeel; wanneer Christus door Zijn middelen gebruikt is gewordentot hun zaligheid. De eerste van deze aanmerkingen zal ik hiervoorbijgaan en ze in `t geheel niet aanroeren; maar van de tweedezal ik een weinig spreken, namelijk: Dat er sommige belijderszijn, wier dag van genade eindigen zal met een houw hem uit,met een oordeel wanneer Christus door Zijn middelen gebruikt isgeworden tot hun zaligheid. Dit toont ons de apostel, Hebr. 3,wanneer hij ons zegt dat (na een veertigjarig geduld en arbeid omhem goed te doen door de middelen, die tot dat einde ingesteldwaren) der Joden einde was om uitgehouwen of buiten het beloofdeland gesloten te worden, wegens hun eindelijk ongeloof. En wijzien, dat zij niet hebben kunnen ingaan vanwege hun ongeloof,vers 19, Daarom was Ik vertoornd over dat geslacht en sprak:"altijd dwalen zij met het hart, en zij hebben Mijn wegenniet gekend; zo heb Ik dan gezworen in Mijn toorn, indien zij inMijn rust zullen ingaan", vers 10,11. Alsof Hij wildezeggen: Ik wilde dat zij ingaan zouden, want totdat einde heb Ikhen uit Egypte gebracht, hen door de Rode Zee geleid, en henonderwezen in de woestijn; maar zij hebben mijn werken nochoogmerken in deze zaak beantwoord; en daarom zullen zij niet. Ikheb gezworen, ja Ik heb gezworen in Mijn toorn, dat zij in Mijnrust niet zullen ingaan. Hier is een uithouwen met een oordeel.Zo ook Hebr 4: 3, Zo heb Ik dan gezworen in Mijn toorn, indienzij zullen ingaan in Mijn rust; hoewel Zijn werken van degrondlegging der wereld af al volbracht waren. Dit woord indienis hetzelfde met dat in het voorgaande hoofdstuk. En wanneer Hijzegt: hoewel Zijn werken van de grondlegging der wereld af alvolbracht waren, zo geeft tiij te kennen, dat wat voorbereidingener ook gemaakt worden, tot zaligheid der zondaren, en van welkeen lange duurzaamheid dezelve ook wezen mogen, de Godtergende,Godverzoekende en onvruchtbare belijder nochtans zonder deeldaaraan schijnt heen te gaan; hoewel Zijn werken van degrondlegging der wereld af al volbracht waren. En Judas zegt;maar ik wil U indachtig maken, als die gij dit eenmaal weet, datde Heere het volk uit Egypteland verlost hebbende, wederomdegenen, die niet geloofden, verdorven heeft, En de Engelen, diehun beginsel niet bewaard, maar un eigen woonstede verlatenhebben, heeft Hij tot het oordeel des groten Dags met eeuwigebanden onder de duisternis bewaard, Jud. vers 5, 6. Hier hebbenwij een krachtig voorbeeld; een voorbeeld van mensen en vanengelen. Mensen die verlost waren uit Egypteland, en die op reiswaren naar Kanašn, het voorbeeld van de hemel; en engelen diegeschapen en geplaatst waren in de hemel, in groten staat enheerschappij; deze beiden zijn nochtans, omdat zij God in hunstandplaatsen geen vrucht voortbrachten, uitgehouwen. De mensenzijn van God verdorven: (want zo zegt de tekst) de engelen heeftHij tot het oordeel des groten Dags met eeuwige banden onder deduisternis bewaard.

In het verhandelen van deze zaak zal ik van het uithouwen ofvan het oordeel, dat hier wordt uitgesproken, spreken, voorzoveel het zijn opzicht heeft op het doen daarvan door Godsonmiddellijke hand, alsook met opzicht van Zijn roepen van henuit deze wereld, en niet voor zoveel het opzicht heeft op enigedaad der Kerk, enz. Ten aanzien van deze uithouwing nu, moet menvaststellen, dat die niet zijn kan voordat de dag der genade metde vijgenboom voorbij is; doch volgens onze aanmerking dat ersommige belijders zijn, wier dag van genade eindigt, met houw hemuit, en volgens de woorden van de tekst: zo zult Gij hem namaalsuithouwen. Namaals, dat is, na al mijn moeite en pogingen om hemvruchtbaar te maken, nadat ik Ik hem verlaten en overgegeven heb,en besloten ben om geen dagen, geen gelegenheden, noch middelenvan genade aan hem te besteden, dan, zo zult Gij hem namaalsuithouwen. Bovendien is het verlaten van de vijgenboom vůůr deuithouwing. De uitvoering vol$ niet altijd terstond op hetvonnis, dat uitgesproken wordt, want na ma als, dat is eenbekwame tijd, die daartoe wordt vastgesteld, dan wordt hijuitgehouwen. Zo is het hier in de tekst. Het besluit dat hijverloren zal gaan, wordt opgemaakt uit zijn onvruchtbaar blijven,het gehele jaar door, zo ook uit zijn onvruchtbaar blijven naalle pogingen en arbeid om hem beter te maken; maar uitgehouwenwordt hij nog niet want dit komt achteraan, zo zult Gij hemnamaals uithouwen.

Opdat ik nu ordelijk met de aanmerking voort mag, gaan, zomoet ik deze twee stellingen terneer stellen:

1. Dat de dag der genade met sommige mensen eindigt, eer Godhen uit deze wereld wegneemt.

2. Dat de dood, of het uithouwen van zulke mensen, vreselijkzal zijn.

Want wanneer dit woord, houw hem uit, in de ruimste zinverstaan wordt, (zoals men het hier moet verstaan) dan toont hetniet alleen de toorn Gods tegen iemands leven in deze wereld,maar Zijn toorn tegen hem naar ziel en lichaam; en wil zo veelzeggen als: houw hem uit van alle voorrechten en weldaden dergenade, zowel van die in deze wereld, als die in de toekomendegenoten worden.

EERSTE STELLING.

De dag der genade eindigt met sommige mensen, eer God hen uitdeze wereld wegneemt. Hiervan zal ik enige voorbeeldenvoordragen, en dan tot de tweede stelling overgaan.

Het eerste voorbeeld dat ik hier zal bijbrengen is, KaÔn:KaÔn was een belijder (Gen 4: 3) Een offeraar, een dienaar vanGod, ja de eerste, van wie wij lezen na de val; maar zijn druivenwaren stinkende en wilde druiven, zijn werken waren boos Gen, 4:58. Hij oefende hetgeen hij deed niet door ware evangelischebeweegredenen, en daarom zag de Heere zijn werk niet aan; hieroponsteekt hij tegen zijn broeder, en zijn aangezicht vervalt; hijstaat tegen hem op, neemt zijn gelegenheid waai, en zo doodt hijhem. Op dien dag nu waarop hij deze daad bedreef, werden dehemelen voor hem toegesloten, gelijk hij dat ook zelf met smarten vrees ondervond, toen God om het bloed van Abel onderzoek kwamdoen.

En nu zijt gij vervloekt (zei God tot hem) van de aardbodem,die zijn mond heeft opgedaan om uws broeders bloed van uw hand teontvangen; en KaÔn zei tot de Heere, mijn misdaad is groter dandat ze vergeven worde.

Ziet Gij hebt mij heden verdreven van de aardbodem, en ik zalvoor Uw aangezicht verborgen zijn, en ik zal zwervende en dolendezijn op de aarde, en het zal geschieden, dat al, die mij vindt,mij zal doodslaan Gen. 4: 11-13,14. Nu zijt Gij vervloekt zegtGod; Gij hebt mij heden verdreven, zei KaÔn, en ik zal voor Uwaangezicht verborgen zijn; en ik zal geen hoop meer hebben op Ugeen gunst noch genade meer van U ontvangen. Zo eindigde hierKaÔns dag van genade, en de hemel met God eigen hart waren voorhem toegesloten; echter leefde hij na deze nog een langen tijd,vers 15. Zijn uithouwing was nog niet gekomen; hij leefde nog nadezen om een vrouw te trouwen vers 17.

Om een vervloekte nakomelingsschap voort te brengen, om eenstad te bouwen, en ik weet niet wat al meer; hetwelk alles nietin korten tijd gedaan kon worden; en daarom kan KaÔn, nadat dedag der genade voor hem voorbij was, verscheidene honderden jarengeleefd hebben

Het tweede voorbeeld is IsmaŽl Gen. 17: 25-26. Hij was eenbelijder, een, die in het huisgezin van Abraham was. opgevoed, endie op zijn dertiende jaar besneden is geworden; maar hij was eenzoon van de dienstmaagd Gen. 16: 12, Hij bracht geen goede vruchtvoor: hij was maar een wilde, woeste belijder; want niettegenstaande al zijn godsdienst en belijdenis, zo spotte hij metdegenen die beter waren dan hijzelf.

Op zekeren dag dat zijn broeder Izak gespeend werd maakteAbraham een maaltijd, en verheugde zich voor de Heere, omdat Hijhem de beloofden zoon geschonken had; hierover bespotte IsmaŽlSara, haar zoon en haar godzalige vreugde.

Toen kwam de geest des Heeren over Sara, en zij zei totAbraham: drijf deze dienstmaagd en haar zoon uit, want de zoondezer dienstmaagd zal met mijn zoon, met Izak, niet erven Gen.21: 9-11, Paulus verklaart deze uitwerping niet alleen als eenuitwerping uit het huisgezin van Abraham, maar als een uitwerpingvan enig lot te hebben met de heiligen in de hemel, Gal. 4:29-31. Ook geeft Mozes ons een aanmerkelijk bewijs hiervan,wanneer hij zegt dat IsmaŽl stierf, en hij werd verzameld totzijne volken Gen, 25: 17, tot zijne volken van zijns moeders zei,want hij werd gerekend uit haar, hij was de zoon Hagars, de zoonder dienstmaagd. Zijn moeder nu was ene Egyptische Gen. 21: 9.Zodat hij dan, toen hij stierf, niettegenstaande zijn belijdenis,verzameld werd tot de plaats, daar Farao en zijn heir verzameldwerden, die in de Rode Zee verdronken; deze waren zijne volken,en hij was uit hen, zowel van natuur als van gesteldheid door tevervolgen gelijk zij deden.

Maar wanneer eindigde nu de dag van genade met deze mens? Merkhier eens, en ik zal u zulks tonen; IsmaŽl was dertien jaar oudtoen hij besneden werd, toen was Abraham negen en negentig jaaroud, Gen 17: 24-26. Het volgende jaar werd Izak geboren; zodatIsmaŽl nu veertien jaar oud was.

Toen Izak nu gespeend werd, stel dat hij vier jaar gezogenheeft, zo moet volgens deze rekening de dag der genade metIsmaŽl geŽindigd zijn, toen hij omtrent achttien jaar oudgeweest is, Gen 21: 15 enz.

Want op de dag dat hij spotte, werd er gezegd: drijf hem uit;deze uitwerping nu wordt van de Apostel zo verklaard, als wij zoeven gezegd hebben.

Zie dan. toe, gij jonge onvruchtbare belijders. Na dezenleefde IsmaŽl nu in grote gerustheid en eer onder de mensenhonderd negentien jaar, en gewon ook twaalf vorsten, nadat de dagder genade voor hem voorbij was.

Het derde voorbeeld is Ezau, Gen 25: 27. Ezau was ook eenbelijder; hij was Izak geboren en naar de wet besneden; maar Ezauwas een weelderig belijder, een jacht en veldman; hij was ookgebonden aan zijn begeerlijkheden, welke hij meer beminde danzijn geboorterecht; waarom hij ook op zekeren dag, dat hij vanhet jagen kwam, en moe was, zijn eerstgeboorte verkocht aan Jacobzijn broeder.

De eerstgeboorte nu, had in die dagen de belofte, en de zegendaaraan vast, Ja zij waren zo aan elkander gebonden, dat de eenzonder de ander niet zijn kon; en daarom is de waarschuwing desapostels hier van groot gewicht, Hebr. 12 vers 16-17. Dat niemandzij een hoereerder, of onheilige, gelijk Ezau, die om ene spijshet recht van zijn eerstgeboorte weggaf; want gij weet dat hijook daarna, de zegening willende beŽrven, verworpen werd. Wanthij vond geen plaats des berouws, hoewel hij die met tranenzocht. Het einde nu van Ezau's dag van genade moet gerekendworden vanaf het verkopen van zijn eerstgeboorte; want daarbepaalt hem de apostel l opdat niet iemand zij gelijk Ezau, diezijn eerstgeboorte' verkocht want dan gaat de zegening ook weg.

Maar Ezau verkocht zijn eerstgeboorte lang voor zijn dood;want Jacob was hierna twintig jaar bij Laban, Gen. 31: 41. Entoen hij wederkeerde, zo trok zijn broeder Ezau hem tegemoet, Gen32: 6. Verder toen Jacob enigen tijd bij zijn Vader gewoond had,hebben Jacob en Ezau hem begraven, Gen 35: 28-25. Zodat hij nogwel veertig, en zo veel ik weet, mogelijk wel tachtig jaargeleefd kan hebben nadat hij zijn eerstgeboorte verkocht, en zoook zichzelf uit de genade Gods geworpen had.

Omtrent deze drie belijders zal ik verder deze drie dingenaanmerken:

1. KaÔn was een toornig belijder, IsmaŽl een spottende, enEzau was een weelderig belijder; welke drie merktekenen zijn vaneen onvruchtbaar belijder. Want iemand die toornig is, diespotten kan, en die zijn begeerlijkheden opvolgt, kan Code geenvruchten dragen.

2. De dag van genade eindigde met deze belijdenis, ter tijddat zij enige zware zonden bedreven hadden; KaÔns dag, toen hijzijn broeder Abel doodgeslagen had; IsmaŽls dag, toen hij Izakenz. bespotte; en Ezaus dag toen hij uit liefde tot zijnbegeerlijkheden, zijn eerstgeboorte verkocht en verachtte. o!Onvruchtbare belijder, zie dan toe; gij kunt in de tijd van eenhalf kwartier datgene doen, van welks kwaad gij tot in eeuwigheidmogelijk niet bevrijd zult worden.

3. Echter hebben deze drie, nadat de dag van genade voorbijwas, naar het uitwendige beter dagen beleefd dan ooit te voren.KaÔn was hierna een heer over een stad. Gen 4: 17. IsmaŽl washierna de Vader van twaalf vorsten Gen 25: 16 En Ezau zei hiernatot zijn broeder: Ik heb veel, mijn broeder, het zij uwe, dat gijhebt, Gen 33: 9. Een gemakkelijk, vreedzaam en voorspoedig levenin, uitwendige dingen, is geen teken van de gunst Gods voor eenonvruchtbare belijder, maar veeleer van zijn toorn, opdat hijdaardoor bekwaam worde om zichzelf meer toorn te vergaderen alseen schat, in de dag des toorns en der openbaring van hetrechtvaardig oordeel Gods Rom. 2: 5.

Dit zal dan genoeg zijn om de waarheid van de eerste stellingte bewijzen, namelijk dat de dag van genade van sommige menseneindigt, eer God hen uit de wereld wegneemt.

Om nu door enige merktekenen te tonen, hoe gij weten kunt, ofde tijd der genade voorbij is, of nabij het einde loopt met eenonvruchtbare belijder (zo zult Gij hem namaals uithouwen) zoweet: dat hij, die het tegen God heeft uitgehouden en al demiddelen, die hij gebruikt heeft om hem, ware het mogelijk eenvruchtbaren boom in Zijn hof te maken, weerstaan heeft, in ditgevaar is; en dit is ook waarlijk de inhoud van de parabel, wantde vijgenboom die hier gemeld wordt, is gezegend geweest metmiddelen, en hem is tijd geschonken om het voedsel naar zich tetrekken maar hij heeft dat alles weerstaan, ja alles, wat delandman en de wijngaardenier aan hem gedaan hebben. Doch meerbijzonder zal ik vier of vijf merktekenen onderscheidenlijkvoordragen.

EERSTE MERKTEKENEN.

De dag der genade schijnt voorbij te zijn, wanneer eenbelijder Gods lankmoedigheid veracht en als uitgeput heeft; danis hij in gevaar; dat is een terging van God, dan roept Hij: houwhem uit.

Er zijn sommige mensen, die in de kerk als ingeslopen zijn, enene belijdenis aangenomen hebben en niemand weet hoe; even alsdeze, vijgenboom in de wijngaard gebracht is geworden door anderehanden dan die van God; en daar blijven zij dan levenloosgenadeloos, zorgeloos en zonder enige goede consciŽntie voorGod.

Mogelijk zijn zij daar ingekomen om het brood, om hunkoophandel, om hun goeden naam en om een vertoning te maken, ofmogelijk om de klopping en angst van ene ontwaakte en ontrusteconsciŽntie te smoren en te stillen, en dus hun einde bereikthebbende, zijn ze gelijk de zondaars te Sion, gerust en weltevreden, zeggende met Agag, 1 Sam, 15: 32. Voorwaar debitterheid des doods is geweken" nu ben ik gerust, nu zal ikzalig worden en naar de hemel gaan. In deze ijdele verbeeldingbrengen zij een jaar, twee of drie door, niet denkende dat deHeere bij elken tijd der genade, bij elke gelegenheid van hetEvangelie vrucht komt zoeken. Ach zondaar! Ach onvruchtbarevijgenboom! Dit is maar een slecht beginsel; God komt zoekendevrucht, en U vindende zegt Hij; wat vijgenboom is deze; die ditjaar in Mijn wijngaard gestaan heeft, en Mij geen vruchtvoortgebracht heeft: Ik zal hem toeroepen; Belijder! Onvruchtbarevijgenboom! Wees vruchtbaar, Ik verwacht vrucht, Ik moet vruchthebben, bedenk U wel en neem dit toch in overweging.

Deze woorden horende blijft zulk een belijder een weinigstaan, doch dit zijn maar woorden en geen slagen, en daarom wijktde overweging derzelve terstond van zijn hart, wanneer de Heeredan op een ander jaar in zijn wijngaard komt, zo vindt Hij hemnog zoals Hij hem gelaten heeft, te weten onvruchtbaar, een, diede aarde onnuttelijk beslaat.

Nu klaagt de Heere wederom, zeggende dit zijn nu al twee jarendat er geen vrucht te voorschijn komt, nochtans om mijns Naamswille zal ik Mijn toorn langer uitstellen, en om Mijns roemswille zal Ik, U ten goede, Mij bedwingen, opdat Ik U nietafhouwe. Jes. 48: 9. Ik zal nog wachten, opdat Ik hem genadigzij. Jes. 30: 18. Maar dit alles helpt niet, noch heeft deminsten invloed op dezen onvruchtbare vijgenboom; tut, tut l zegthij, dit is geen bedreiging; God is barmhartig, Hij zal zijntoorn uitstellen, Hij wacht om genadig te zijn; ik ben nog nietbevreesd. 0! hoe veranderen de goddeloze mensen, die in dewijngaard ingeslopen zijn, de genade onzes Gods in ontuchtigheid!Jud.: 4. Maar in het derde jaar weder om vrucht komende, gelijkte voren, vindt Hij hem nog steeds een onvruchtbare vijgenboomzonder vrucht; nu roept Hij wederom: o, wijngaardenier, komherwaarts, hier is een. vijgenboom, die nu drie jaren in Mijnwijngaard heeft gestaan en die Mij bij elke gelegenheid in! Mijnverwachting teleurgesteld heeft; Ik heb tevergeefs naar vruchtgewacht, houw hem uit. Mijne lijdzaamheid is uitgeput, Ik wildezen vijgenboom niet langer dulden.

2. Nu begint Hij de vijgenboom met zijne bedreigingen teschudden, en roept om Zijn bijl. De bijl nu is de dood, en diegekomen zijnde zegt Hij: Dood! Smijt mij dezen vijgenboom neer.Hierop schudt de Heere dezen zondaar en werpt hem op een ziekbed,zeggende Dood! grijp hem aan, hij heeft Mijne lankmoedigheid enverdraagzaamheid veracht, niet gedenkende dat die hem totbekering en tot de vruchten van dezelve leiden moest! Dood! brengdezen vijgenboom tot het vuur, breng dezen onvruchtbare belijdernaar de hel.

Hierop komt de dood met een gram gezicht de kamer in en de helvolgt hem na tot voor de bedstede, en die beiden kijken debelijder stijf in het aangezicht, ja beginnen zelfs de handen aanhem te slaan; de een slaat hem met pijnen in zijn lichaam, methoofdpijn, met pijn aan zijn hart en in zijn lendenen, metaamborstigheid, met flauwten, bevingen in zijn leden engewrichten, met verstopping in de borst, en voorts met alletekenen die iemand buiten alle herstelling schijnen te brengen.Terwijl nu de dood dus het lichaam pijnigt, grijpt de hel hetgemoed en de consciŽntie aan, dezelve pijnigende, spranken vuurdaarin werpende, het arme schepsel verwondende, met angst envrees voor de eeuwige verdoemenis. Nu begint hij bij zichzelf tebedenken en tot God om genade te bidden, zeggende, Meere, spaarmij! o Heere! spaar mij!

Neen, zegt de Heere, gij hebt Mij nu drie jarengetergd. Hoe menigmaal hebt gij Mij nu niet teleurgesteld!Hoeveel gelegenheden hebt gij nu niet onnuttelijk doorgebracht!Hoeveel predikatiŽn en andere zegeningen heb Ik U nietgeschonken in Mijne lankmoedigheid? Maar alles tevergeefs, Dood!grijp hem aan. 0, goede God, zegt de zondaar, spaar mij nog maarditmaal, laat mij nog maar eens opkomen. Het is waar, ik ben eenonvruchtbare belijder, ik heb onnuttig gestaan in Uwen wijngaard,maar o! spaar mij nog maar eenmaal bid ik U, en ik zal mijbeteren. Weg, weg, zegt de Heere, dat zult gij nooit doen, Ik hebu nu reeds drie jaren beproefd, gij zijt geheel onnut, zo Ik Uherstelde, gij zoudt zo erg zijn als ooit te voren, en al ditgesprek is, terwijl de dood tegenwoordig is. De zondaarondertussen roept wederom uit: Heere, beproef mij nu nog maarditmaal, laat mij ditmaal maar opkomen en zie dan of ik mij nietverbeteren zal. Maar zegt de Heere, belooft gij Mij dan, dat giju zult verbeteren? 0, ja Heere, daar verbind ik mij toe, ik zalnooit meer zo erg zijn als tevoren, maar ik zal mij geheelverbeteren. Welaan, zegt God, Dood! laat dezen belijder voorditmaal vrij. Ik zal hem nog een weinig tijd beproeven, hij heeftbeloofd, ja zich verbonden, dat hij zijne wegen verbeteren zal.Mogelijk zal hij zijn belofte gedachtig zijn, de geloften zijnplechtige dingen, mogelijk zal hij vreezen die te breken: Sta danop van uw bed, en nu legt de Heere zijn bijl neer. Hier is hetarme schepsel zeer dankbaar, hij prijst en vleit de Heere, zichgedragende alsof hij zulks hartelijk deed, en roept ook anderenom Hem te danken. Hij staat dan op, alsof hij in waarheid eennieuw schepsel was. Maar zijne klederen aangetrokken hebbende,uit zijn bed opgestaan zijnde en zich in zijn winkel begevenhebbende en daar ziende hoe alle dingen gesteld zijn, begint hijandere gedachten te krijgen, en zegt tot zijn volk: wat hebt gijuitgevoerd? Hoe zijn dus alle dingen van hun stel? Ik weet niethoeveel ik ten achter ben, men kan wel ras zien, als iemand maareen weinig van de hand is, dat gij noch wijsheid, noch verstandhebt, om de dingen in hun orde te behandelen. In plaats van nuhet overige van zijn tijd voor de Heere te besteden, zoverdubbeld hij zijn naarstigheid in het najagen van de wereld.Men moet de dingen, zegt hij niet verloren laten gaan, wij moeteneen behoorlijke voorzorg hebben, en dus worden de angsten desdoods, de pijnen der hel, de beloften en de verbintenissen diehij aan God gedaan heeft, geheel vergeten en, omdat niethaastelijk het oordeel over hem geschiedt, daarom is het hart vandien mens vol om kwaad te doen. Pred, 11.

3. Deze dingen dan vruchteloos zijnde, neemt God wederom debijl in de hand, en zendt zo de dood, die zijn vrouw, zijn kindof zijn vee wegneemt. Ik heb uwe jongelingen door het zwaardgedood, en uwe paarden gevankelijk laten wegvoeren". Amos 4:10. Ik zal hem slaan, hem tegenwerken, hem teleurstellen, hemternederwerpen, en Mij stellen tegen alles, waaraan hij de handslaat. Hierdoor valt de arme onvruchtbare belijder wederom aanhet bidden, uitroepende: Heere, ik heb gezondigd, spaar mij nogeenmaal, dat bid ik U. 0, neem toch niet weg de lust mijner ogen,spaar mijne kinderen, zegen mij in de arbeid mijner handen en ikzal mijn leven beteren. Neen, zegt God, gij hebt Mij de laatstenkeer gelogen, Ik wil u nu in dezen niet meer vertrouwen, en Hijwerpt zo vrouw en kinderen en goederen in het graf; en dus keerthij weder tot zijne plaats, totdat deze belijder zichzelfongeveinsdelijk schuldig kent. Hos, 5: 14, 15.

Hierover is het arme schepsel zeer bedrukt, hij scheurt zijneklederen en begint dus het breken van zijn beloften teoverdenken; hij treurt en bidt, en hij gaat met Achab voor eentijd langzaam. (1 Kon. 21: 27) in de overdenking van Godsrechtvaardige hand over hem. Nu vernieuwt hij zijn beloften,zeggende: Heere, beproef mij nog maar ditmaal, neem Uwe hand vanmij, en gij zult het zien, hij is ver afgedwaald, die nietwederkeren kan. Welnu, de Heere spaart Hem wederom, en legt zijnbijl weer neer. Hij heeft ze menigmaal gered, maar zijverbitterden Hem door hunnen raad, en werden uitgeteerd door hunongerechtigheid. Psalm, 106: 43. Nu schijnen zij wederom dankbaarte zijn en hes, alsof zij besloten hadden, om waarlijk God zaligte worden: zij bidden, zij lezen, zij verkeren nu bij deGodzaligen en schijnen zo voor een aanmerkelijken tijd zeerernstig te zijn, maar eindelijk vergeten zij weer alles; hunbegeerlijkheden beginnen hen te prikkelen, er komen gepasteverzoekingen voor, en zo neigen zij zich tot hun kromme wegen AlsHij ze doodde zo vroegen ze naar Hem en keerden weder en zochtenGod vroeg, en zij vleiden Hem met hun mond en logen Hem met huntong. Psalm 58 vs. 34, 36.

4. Nochtans verlaat de Heere dezen belijder niet, maar Hijneemt zijn bijl weer in zijn hand. Hij brengt hem onder een meerhartdoorzoekende bediening, die hem als 't ware onderste bovenkeert; een bediening die hem ontmoet, gelijk Elia Achab ontmoettein al zijn gruwelen, en nu wordt de bijl aan de wortel der bomengelegd, bovendien doorzoekt deze bediening niet alleen het hart,maar zij stelt de zondaar de gulden stralen van het Evangelievoor. Christus Jezus wordt hem klaarlijk voorgesteld, nu wordt degenade hem liefelijk ontdekt, en de beloften worden als zalfolieuitgegoten, welke haren reuk geven. Maar helaas, er komt nog geenvrucht op dezen vijgenboom. Want terwijl zijn hart doorzochtwordt, twist hij daartegen. en terwijl de heerlijke genade desEvangeliums ontdekt wordt, wordt hij dartel en verandert die inontuchtigheid, juda vs. 4. Hij vergadert enige brokjes vandezelve, en smaakt zo het goede woord Gods en de krachten dertoekomende eeuw, de regen, die menigmaal op hem komt,indrinkende, (Hebr. 6: 5, 7) maar brengt geen bekwaam kruid nogvrucht voort voor Hem wiens Evangelie het is, en neemt niet waarte wandelen in de wet des Heeren, des Gods van IsraŽl, met zijnganse hart, 2 Kon. 10: 31, denkende, dat de heerlijkheid desEvangeliums in woorden en in vertoningen bestaat. en dat onzegehoorzaamheid, daaraan in bespiegelingen gelegen is, dat degoede werken in goede woorden bestaan, en dat, wanneer hij daarmooi van praten kan, hij Gode welbehaaglijk is. Zo oordeelt hij,dat het koningrijk Gods alleen in woorden gelegen is? en niet inkracht, waarom dan ook dit vierde middel krachteloos is.

5. Nu wordt de bijl hoger opgeheven, want nu is God waarlijkbereid om de zondaar neder te vellen, doch eer hij de slagtoebrengt, zo wil hij eindelijk nog een weg beproeven, en wanneerdie ook vruchteloos is, dan mort de vijgenboom ter neder. Dezelaatste weg nu is, dat hij met dezen belijder strijdt, en twistdoor Zijnen Geest, waarom dan de Geest des Heeren tot hem komt,maar niet om eeuwig met hem te twisten. Gen. 6: 3.

Echter doet hij zulks voor een tijd, en daarom ontwaakt enovertuigt Hij hem, Hij brengt hem zijn vorige zonden, deoordelen, het breken van zijn vorige beloften en verbintenissen,en zijn misbruiken van zijn vorige dagen, in gedachtenis; ookstelt Hij hem overtuigende drangredenen voor, aanmoedigendebeloften, schrikkelijke oordelen, de kortheid van de tijd om zichte bekeren, en dat er nog hoop is, indien hij maar wil komen.Verder toont hem de Heere de zekerheid des doods en van hettoekomende oordeel; zo twist en strijdt Hij met de zondaar.

Maar zie hier ligt het kwaad, er is een strijd en twist aanweerszijden. De geest overtuigt; maar de mens maakt zich doofvoor God; de Geest roept: Keer U tot mijn bestraffing, en leefmaar de mens keert Hem de rug toe; de Geest toont hem de weg,waar hij heen loopt, maar de mens sluit zijn ogen daarvoor toe;de Geest oefent geweld op hem, naar de mens strijd, en wederstaatHem, de Geest der genade smaadheid aandoende. Hebr 10: 29.

De Geest komt echter ten tweeden male met hem in gesprek enonderhandeling, en stelt hem zo de redenen van noodzakelijkheidener nieuwe natuur voor; maar de zondaar antwoordt: Neen, want ikheb de vreemden lief, en die zal ik nawandelen, Jer. 2: 25Hierdoor komt Gods grimmigheid in Zijn neus, nu komt Hij op, nukomt hij uit Zijn plaats en is verschrikkelijk, nu zweert Hij inZijn toorn, dat hij in Zijn ruste niet zal ingaan, Ps. 95: 2.

Ik heb Mijn lankmoedigheid omtrent U geoefend, en nochtanshebt gij u niet tot Mij bekeerd: Ik heb u geslagen in uw persoon,in uw nabestaanden en in uw goederen, en nochtans hebt gij u niettot Mij bekeerd, spreekt de Heere, Amos 4: 611, In uwe onreinheiden schandelijkheid omdat Ik u gereinigd heb, en gij nietgereinigd zijt, zo zult gij van Uw onreinheid niet meer gereinigdworden, totdat Ik Mijn grimmigheid op, u zal hebben doen rusten,Ezech. 24: 13.

TWEEDE MERKTEKEN

Een belijder is bijna, (indien niet geheel) buiten allegenade, wanneer God hem overgeeft, en laat varen, zodat Hij hemalles laat doen, zonder tegenstand, hem helpende, noch in dewerken der heiligheid, nog in engten of in zwarigheden.

EfraÔm is vergezeld met de afgoden, laat hem varen Hoz. 4:17. Wee hen, als Ik van hen geweken zal zijn Hos 9: 12 Ik zal inulieder verderf lachen, Ik zal spotten wanneer uw vrees komt,Spr. 1: 24-29. Onvruchtbare vijgenboom! Gij zijt tevoren omgravenen bemest, Gods spade is aan uw wortels geweest; de mest desEvangeliums is aan U toegepast geworden, de Heere, heeft met Ugetwist, Hij heeft u overtuigd, ontwaakt; Hij heeft u doen zienen smaken, zodat gij moest uitroepen; o, wat een zaligheid 1 Hijis u onder het woord wel voorgekomen; uw hart werd gesmolten, uwgeest verviel; uw ziel beefde; en gij hebt iets gevoeld van dekracht des evangeliums. Maar gij hebt gezondigd, gij hebt de ogenZijner heiligheid verbitter, uw ongerechtigheid is bevonden, diete haten is; en nu heeft God U mogelijk verlaten, en uovergegeven, en u laten varen. Te voren waart gij teder; uwconsciŽntie vreesde voor de verzoeking der Zonden, want gijwaart door de kennis des Heeren, en Zaligmakers Jezus Christus,de besmetting der wereld ontvloden, 2 Petr. 2: 2022. Maardatzelfde uitbraaksel, hetwelk gij tevoren ontvloden hebt, lektgij nu weer op, en datzelfde slijk, van hetwelk gij tevorengewassen scheen, daarin wentelt gij u nu weer opnieuw. Doch meerbijzonder, er zijn drie tekenen, dat iemand van God isovergegeven.

1. Wanneer hem vrijheid gelaten wordt in het zondigen, en aanzijn lusten de vollen toom gegeven worden, en hij ook aan dezelvewordt overgegeven, En gelijk het hun niet goed gedacht heeft, Godin erkentenis te houden, zo heeft God hen overgegeven in eenverkeerden zin, om te doen dingen die niet betamen, vervuldzijnde met alle ongerechtigheid, Rom. 1: 28-29. Indien gij iemandziet, die te voren de kennis Gods gehad heeft, en die enig ontzaghad voor Zijne majesteit; ik zeg; wanneer gij zulk een ziet,weelderig in zijn bedriegerijen (2 Petr. 2: 13) de genade onzesGods in ontuchtigheid veranderende, en naar zijn eigen goddelozebegeerlijkheden wandelende, over dezen mens is het oordeel vanoverlang niet ledig, en zijn verderf sluimert niet, 2 Petr. 2: 3.

Hoort gij wel? onvruchtbare vijgenboom! Het is verbazend om tezien, hoe dezulken die te voren kinderen des dageraads schenen tezijn, en zich schenen te bereiden voor het eeuwige leven, nuwegens de verrotheid hunner harten, door het rechtvaardig oordeelGods, toegelaten wordt, om, ongevoelig zijnde, zichzelf over tegeven tot ontuchtigheid, om alle onreinheid gieriglijk tebedrijven. Efeze 4: 19.

Er is een groot getal van zulken geweest in de eerste tijdenvan het Evangelie, tegen welke Petrus, judas en Johannes hetzware oordeel Gods hebben uitgesproken. Petrus en Judas voegen zemet de gevallen engelen samen, 2 Petr. 2: 28, en Johannesverbiedt, dat men voor hen bidden zal, 1 Joh. 5: 16, omdat hun isoverkomen hetgeen de gevallen engelen is overkomen. Welke hunbeginsel niet bewaard hebben, maar hun eigen woonstede verlatenhebbende, heeft Hij ze tot het oordeel des groten dags meteeuwige banden onder de duisternis bewaard, enz. Judas: 67.

Onvruchtbare vijgenboom! hoort gij dit wel? Dezen zijn

1. Buiten alle genade. 2, Buiten alle beloften. 3. Buiten allehoop van bekering. 4, Zij hebben geen voorbidder, noch enig deelaan een slachtoffer voor de zonden, 5. Voor dezulken is nietsover dan een schrikkelijke verwachting des oordeels. 6. Daaromzijn deze ware vluchtelingen, welke van God, van Christus, van degenade, van de beloften verlaten, en buiten alle hoop zijnde,omdolen, ginds en herwaarts lopen, gelijk de satan, hunbondgenoot, totdat zij komen te sterven, of in een strijd trekkenen omkomen.

2. Wanneer hij ook gerust gelaten wordt onder het gehoor;indien zulken te eniger tijd onder het woord komen, er is geengoed, geen geur in de middelen der genade, geen hartbewegingen,geen medelijden met zichzelf, noch liefde tot hun eigenzaligheid. Laat hen aan deze of gene zijde zien, daar zien zijzulke uitwerkingen van het woord, op anderen, die enigemerktekens van bekeringen. van liefde tot God en tot Christusvoortbrengen, maar hun rug wordt ten alten tijde verkromd, Rom.11: 10. God heeft hen gegeven een geest des diepen siaaps, ogenom niet te zien oren om niet te horen, tot op de huidigen dag.Rom. 11: 8, En dezen tot de plaats der heiligen gaande, zo komenzij er weer vandaan, en worden zo vergeten in de stad, in welkezij het gedaan hebben. Pred. 8: 10. Alleen halen zij dit verlies,dat zij naar de hardigheid en onbekeerlijkheid hunner hartenzichzelf vergaderen toorn als een schat, in de dag des toorns, ender openbaring van het oordeel Gods. Rom. 2: 5. Zie dan toe,onvruchtbare belijder!

3. Wordt hij naar de algemene wijze der mensen bezocht metziekte, benauwdheid of met een soort van ellende, er verschijntsteeds geen God, geen heiligende hand des Heeren, er wordt geenbarmhartigheid gemengd in de verdrukking, maar hij wordt ziek, enweer gezond gelijk de beesten, of hij is onder de benauwdheidgelijk Saul, toen hij met de Filistijnen in de strijd wasgewikkeld; te weten, van God verlaten, 1 Sam. 28: 4-6: En deFilistijnen kwamen, en vergaderden zich, en zij Legerden zich teSunem; en Saul vergaderde gans IsraŽl, en zij legerden zich opGilboa. Toen Saul het leger der Filistijnen zag, zo vreesde hij,en zijn hart beefde zeer. En Saul vraagde de Heere, maar de Heereantwoordde hem niet, noch door dromen, .noch door de Urim, nochdoor de Profeten. De Heere antwoordde hem niet meer; Hij had methem gedaan; Hij had hem verlaten en verworpen. en hem laten staanof vallen op zichzelf in de zonden. Doch hiervan meer in het slotdezer redenvoering.

Deze mensen mogen nu doen wat zij willen; zij mogen vangevoelen tot gevoelen, van begrip tot begrip, en van sekte totsekte lopen, maar zij kunnen nergens enige bestendigheid bekomen;zij zijn aan hun eigen onzekerheden overgegeven; zij hebben geengenade om hun hart te versterken, en ofschoon sommigen uit hengeroemd hebben op de vrijheid, zo worden' hij echter van Judasgenoemd: dwalende sterren, dewelke de donkerheid der duisternisin der eeuwigheid bewaard wordt, Judas vers 13. Zij zijn gelijkik U tevoren zei: overgegeven om zwervende en dolende te zijn opaarde; om overal heen te zwerven maar om nergens te verblijven,tot dat ze heengaan in hun eigen plaats, Hand. 1: 25; met KaÔnen Judas, welke mensen waren van dezelfde gestaltenis als zijzijn.

DERDE MERKTEKEN.

Een belijder is buiten de genade, wanneer zijn hart zoverhard, zo versteend en ondoorboorlijk is, dat niets daarin kandringen. Onvruchtbare vijgenboom, geef hier toch acht op; eenhard en onboetvaardig hart is een vloek Gods. Een hart, dat zichniet bekeren kan, is de plaats van alle plagen tegelijk, hieromzei God van Farao, wanneer Hij sprak om hem over te geven aan degrootheid van zijn toorn: want ditmaal zal ik al Mijne plagen inuw hart zenden, Ex, 9: 14. God zendt aan sommigen. die onder eenbelijdenis van het Evangelium zwaarlijk gezondigd hebben, ditteken van zijn misnoegen, hun wordt de macht om zich te bekerengeweigerd, hun harten worden gebonden, zodat zij. zich onmogelijkbekeren kunnen, al leefden zij duizend jaren. Het is onmogelijk,dat zulke afvalligen vernieuwd worden tot bekering, als welkezichzelf de Zoon Gods wederom kruisigen en openlijk te schandemaken. Hebr. 6: 4, 6. Dat nu het hart zo verhard, zo richterlijkverhard wordt, zulks is een beletsel, dat de Heere God in de weglegt van de zaligheid van dezen zondaar. Dit was het slot vanSpira's klacht: ik kan het niet doen, o! ik kan het niet doen.Deze belijder ziet wat hij gedaan heeft, wat hem zou kunnenhelpen en wat er van hem worden zal, en nochtans kan hij zichniet bekeren; tevoren trok hij zijne schouders op en hij slootzijne ogen toe. In deze gestalte verliet hem God en zo blijft hijstaan tot op heden toe, Ik heb mij wel eens verbeeld, dat devrouw van Lot toen zij in een zoutpilaar veranderd werd (Gen. 19:26) nog staan bleef, ziende over haar schouder of met haaraangezicht naar Sodom, zoals het oordeel haar aangreep, zo bondhetzelve haar, en stelde haar tot een teken van Gods toorn aanvolgende geslachten. Men leest van sommige mensen, wierconsciŽntie als met een brandijzer toegeschroeid is, en diebuiten alle gevoel zijn, want dat deel van een mens, dattoegeschroeid is, is zonder enig gevoel; deze consciŽntie nu, ismet een brandijzer toegeschroeid, 1 Tim. 6:2.

De consciŽntie is het deel dat geraakt moet worden metgevoel' vrees en verbrijzeling, zal er ooit iets goeds gedaanworden; deze consciŽntie van dezulken, die in de zonden slapenwant die consciŽntie, welke vast in slaap is kan nochtanskrachtelijk ontwaakt en behouden worden; maar een consciŽntie,welke toegeschroeid en verdroogd is als een uitgebrande koolas,kan nooit enig gevoel of berouw hebben in deze wereld.Onvruchtbare vijgenboom! hoor toch toe, een richterlijkeverharding is een vreselijke zaak. Er is een onderscheid tussendie verharding welke alle mensen eigen is, en tussen die, welkesommige mensen als een bijzonder oordeel Gods overkomt; enofschoon alle verharding des harten in een zekeren zin eenoordeel mag genoemd worden, zo is nochtans de verharding van delaatste soort een oordeel, dat alleen eigen is aan degenen, dieverloren gaan; het is een oordeel, dat hun toegezonden wordt, alseen straf wegens het misbruik van het ontvangen licht, en als eenvergelding van afvalligheid.

Deze richterlijke verharding is onderscheiden van die, welkealle mensen eigen is, in deze navolgende bijzonderheden.

1. Het is een verharding, die na het ontvangen van enig grootlicht komt; wegens enige grote zonden, die bedreven wordt tegendat licht en tegen de genade, die hetzelve geschonken heeft. Zulkeen verharding als Farao had, nadat de Heere zo wonderlijk voorzijn ogen gewerkt had; het is zulk een verharding. als deheidenen hadden, een verharding, die hun hart verduisterde, enwaardoor zij overgegeven werden in een verkeerden zin Rom. 1:21-23. Deze verharding is ook dezelfde met die, waartegen deApostel vermaant. Hebr. 3: 78, een verharding, die veroorzaaktwordt door een ongelovig hart, en afwijking van de levenden God,een verharding die voltrokken wordt door de verleiding der zonde,Hebr. 3: 12-13, zulk een, als in de verbittering ten dage derverzoeking in de woestijn, toen God zwoer, dat zij in Zijne rustniet zouden ingaan, Hebr. 3 vs. 8-11 Het is ook die soort vanverharding, waardoor KaÔn IsmaŽl en Ezau verhard werden, nadatzij hun grote overtredingen bedreven hadden.

2. Het is de grootste soort van verharding, hierom worden dijgezegd harder te zijn, dan een steenrots Jer. 5: 2, en dandiamant, Zach. 7: 12, dat is. harder dan een kei; zůů hard, dater niets in kan.

3. Het is een verharding, die iemand in groten toorn wordttoegezonden, om de ziel op te binden in een onmogelijkheid vanbekering.

4. Derhalve is het ook een verharding, die ongeneeslijk is,waaraan iemand sterven en verloren gaan moet.

Onvruchtbare belijder, hoor dit toch!

VIERDE MERKTEKEN

Een belijder is geheel buiten de genade, wanneer hij zijn hartsterk maakt tegen de inhoud van Gods woord Job 9: 4. Wie heeftzich tegen Hem verhard en vrede gehad? Dit is een keren van onzengeest tegen God., Job 15: 13. Gelijk wanneer iemand na eenbelijdenis van de Heere Jezus van de leer der waarheid, die naarde Godzaligheid is, gedaan te hebben, zich verstout om inzondewegen te wandelen, zichzelf belovende, dat hij desniettegenstaande het leven en de Godzaligheid erlangen zal.Onvruchtbare belijder, luister hier toch naar, deze wordt genoemdeen wortel, die gal en alsem draagt, Deut. 29: 18. Zulk een, vanwien God een gruwel heeft ja, die Zijn ziel haat want deze zegentzichzelf in zijn hart, zeggende: ik zal vrede hebben, wanneer ikschoon naar het goeddunken mijns harten wandele, om de dronkenete doen tot de dorstige, vs. 19.

Een gevoelen, dat geheel tegen het ganse woord van God ligt,ja, dat zelfs inloopt tegen de natuur Gods zelf, en daarom volgter, vs. 20: De Heere zal hem niet willen vergeven, maar als danzal des Heeren toorn en ijver roken over denzelven man, en al devloek, die in dit boek geschreven is, zal op hem liggen, en deHeere zal zijn naam van onder de hemel uitdelgen. Ja, het kanniet feilen, of deze man moet krachtelijk bedorven worden, wantzo vervolgt de tekst vs. 21,: En de Heere zal hem ten kwadeafscheiden van al de stammen IsraŽls, a naar al de vloeken desverbonds die in het boek dezer wet geschreven zijn.

Hij zal hem ten kwade afscheiden; Hij zal hem overgeven; Hijzal hem afscheiden tot deze of die dingen welke hem gewis te hardzullen zijn. Zo handelde de Heere met Achab, een man, diezichzelf verkocht had om kwaad te doen, 1 Kon. 21: 15.

En de Heere zei: wie zal Achab overreden, dat hij optrekke, envalle te Ramoth in Gilead? De een nu zei aldus, en de ander zeialzo. Toen ging een a geest uit en stond voor het aangezicht desHeeren, en zei: Ik zal hem overreden.

En de Heere zei tot hem, waarmede? En hij zei: ik zal uitgaanen een leugengeest zijn, in de mondvan al zijne profeten. En Hijzei: gij zult overreden, en zult het ook vermogen, ga uit, en doealzo. 1 Kon. 29 VS. 2022 Gij zult vermogen, doe naar uw wil; Iklaat hem in uw hand, ga uit, en doe alzo. In deze oordelen laatde Heere zich veel gelegen liggen om die te besturen, vanwege deterging, waarmede zij Hem getergd hebben. Deze zijn het wierverderf Hij beraadslaagt, en hetzelve ook door Zijn raad teweegbrengt, Ik zal verkiezen het loon hunner handelingen, en hunvrees zal Ik over hen doen komen Jes. 66: 3. Ik zal hunhandelingen verkiezen, of de goddeloosheden, die hun hartenuitdenken.

Ik, Ik zal maken dat zij die omhelzen, en dat zij er lust aanhebben zullen. Doch wie zijn zij, die zo bevreesd gemaakt zullenworden? Het zijn zulke belijders, van wie gezegd wordt: Dezeverkiezen ook hun wegen, en hun ziel heeft lust aan hunverfoeiselen, vers. 3. Daarvoor, dat zij de liefde der waarheidniet aangenomen hebben om zalig te worden; daarom zal hun Godzenden een kracht der dwaling, dat zij de leugen zuilen geloven,enz. 2 Thess. 2: 10-11 God zal ze hun zeneen; dit is een grootwoord; ja God zal hun een kracht der dwaling, zenden die hun deleugen zal doen geloven

En waarom zal God dat doen? Opdat zij allen veroordeeldworden, die de waarheid niet geloofd hebben, maar een welbehagenhebben gehad in de ongerechtigheid. Er is niets, dat de Heeremeer tergt, dan dat iemand belooft, wanneer God dreigt; dat hijzich lichtvaardig verbeeldt, dat hij zalig zal worden ofschoonhij goddelozer leeft dan in vorige tijden; de ziel van dezen mensheeft een afkeer van de waarheid Gods, en daarom is het geenwonder, dat God's ziel van hem een afkeer heeft; hij heeft eenweg uitgevonden om zijn zaligheid teweeg te brengen, die tegen deweg van God is, en daarom is het niet te verwonderen, dat God ookeen weg uitvindt om hem te verdoemen; en terwijl deze rebel totdit besluit gekomen is: ik zal vrede hebben, enz. zo wil God heteens beproeven wiens woord stand zal houden, Zijn woord, of hetwoord van dezen rebel.

VIJFDE MERKTEKEN

Iemands dag van genade is voorbij, wanneer hij hiermee spot eninwendig kniest, ja, een wrok tegen God heeft heimelijkvoornemende, om zijn eigen weg te houden, en het alles daaraan tewagen, met verachting van de boden Gods. Als iemand de wet vanMozes heeft te niet gedaan, die sterft zonder barmhartigheid,hoeveel te zwaarder straf meent gij, zal hij waardig worden, diede Zoon Gods vertreden heeft? enz. Hebr, 10: 28-29 Tegen dezenverachters heeft God zich gesteld en hun voorzegd, dat zij nietgeloven zullen, maar vergaan en verdwijnen, Hand. 13: 41, Zietgij verachters, en verwondert U en verdwijnt, want Ik werk eenwerk in uw dagen hetwelk gij niet zult geloven, zo het u iemandverhaalt.

Tot zover hebben wij nu gehandeld van de onvruchtbarevijgenboom, of belijder, met enige kenmerken om hem te kennen,nevens enige merktekens van iemand, die niet vruchtbaar kan ofwil worden, maar die ellendig om moet komen. En nu gekomen zijndetot de tijd der uitvoering, zo zal ik ook met een woord daaraaniets spreken zo zult gij hem namaals uithouwen. Christus geefteindelijk dezen vijgenboom over aan de rechtvaardige hand Gods,hem verlatende, en ter verbranding overgevende, vanwege zijnnutteloosheid.

TWEEDE STELLING

,,Gij zult hem uithouwen"

Twee dingen hebben wij aan te merken:

Eerst: de uitvoerder: Gij, de grote, de vreselijke en eeuwigeGod, Deze woorden geven te kennen, zoals ik reeds gezegd heb, datChristus, de Middelaar door wien alleen de zaligheid komt, endoor wien alleen de uitvoering is uitgesteld geworden, de ziel nuopgeeft, zonder een woord meer voor haar te spreken, of verder deminste daad van genade tot haar herstelling te beproeven; en haarnu geheel aan de vreselijke bedreiging overlevert, om te vallenin de handen des levendigen Gods, Hebr 10: 31 Ten tweede. Hetmiddel, waardoor deze uitvoering geschiedt, namelijk de dood, diehier wordt vergeleken bij een bijl; en voor zover nu de boom ineen slag niet wordt neergeveld, zo worden de slagen hierachtervolgd, totdat al de slagen aangelegd zijn, die vereistworden om hem neer te vellen; want nu de tijd van uithouwinggekomen is, zo moet de uithouwing zijn lot en deel zijn, tot hijgeheel is uitgehouwen. Zo zult gij hiernamaals uithouwen. Dedood, zeg ik, is de bijl, die God menigmaal gebruikt om eenonvruchtbare vijgenboom uit de wijngaard, uit zijn belijdenis, enook tegelijk uit de wereld weg te nemen. Maar deze bijl is nu welgeslepen, en wordt nu met haar scherpe snede aan de wortels vandezen onvruchtbare vijgenboom geslagen. Dezelve is gescherptgeworden door de zonden, door de wet, en door een ledigesleurbelijdenis, en daarom moet dezelve diepe sneden maken, nietalleen in het natuurlijke leven, maar ook in het hart en deconsciŽntie van dezen belijder.

De bezoldiging der zonde is de dood, Rom. 6: 23 en de prikkeldes doods is de zonde, 1 Cor. 15: 56 En daarom komt de dood tothem niet,zo als tot de heiligen, gemuilband of zonder prikkel,maar met geopende kaken, in zijn volle kracht. Ja, zijneerstgeborene, namelijk de schuld, zal de grendelen zijns huizesverteren, en hem doen treden tot de koning der verschrikking, Job18: 13-14. Maar ik zal nu in enige weinige bijzonderheden demanier van het sterven van dezen belijder voorstellen.

1. Nu wordt hij van zijn vruchteloosheid en van al zijn anderebenden en legioenen van goddeloosheden op zijn bed belegerd; wantde goddeloze zullen zijn ongerechtigheden vangen en met de bandenzijner zonde zal hij vastgehouden worden. Spr. 5: 22.

2. Nu wordt hem enige verschrikkende ontdekking van Godgezonden tot verbazing en verschrikking van zijn consciŽntie;God zal dit over hem werpen en niet sparen, van zijn hand zal hijsnellijk vlieden Job 27; 22

3. De donkere deur, die hij door moet, zal hem tot verbazingzijn, want er zullen verschrikkingen zijn op de weg, Pred. 7: 5.Ja de verschrikkingen zullen hem aangrijpen, wanneer hij degapende kaken des doods tegen hem opgesperd ziet. en de deur vande schaduw des doods geopend, om hem een doortocht te geven uitdeze wereld. Nu roept hij uit; wie zal mij in deze donkere plaatsontmoeten? Hoe zal ik door dezen donkeren ingang doorgaan naar deandere wereld?

4. Nu zal vanwege de schuld en een bevende consciŽntie zijnleven tegenover hem hangen, en hij zal nacht en dag schrikken, enzijn leven niet zeker zijn, des morgens zal hij zeggen,: och! dathet avond ware; en des avonds zal hij zeggen; och! dat het morgenware; vermits de schrik des harten, waarmede hij verschikt zalzijn, en vermits het gezicht zijner ogen dat hij zien zal, Deut.28: 66-67,

5. Nu zal ook zijn gebrek tegen hem opkomen ja, hem overkomenals een gewapend man, Spr. 6: 11. Dit is een vreselijk leger,voor degenen, die genadeloos van harte, en onvruchtbaar van levenzijn. Dit gebrek zal gedurig roepen in zijn oren; er is eengebrek van wedergeboorte, en van de nieuwe natuur; er ontbreekteen nieuw hart, en een nieuwen geest; hier ontbreekt het geloof,de vrees Gods, en een goeden wandel. Gii zijt in weegschalengewogen, en gij zijt te licht bevonden. Dan. 5: 27.

6. Bovendien staan hier ook de gezellen van de dood, de hel,de duivelen, de eindeloze pijnen in de eeuwige vlammen, van eenverterend vuur. Als God optrekken zal tegen het volk, Hij zal hetmet benden aanvallen. Habb. 3: 16. Doch hoe zal die mens nusterven? Zal zijn hart nu bestaan of zullen zijn handen sterkzijn? Ezech. 22: 14.

A. God, Christus en alle medelijden hebben hem nu verlaten,zijn zonden tegen licht, tegen de genade en de lankmoedigheidGods zijn nu tegen hem opgekomen; zijn hoop en vertrouwen stervennu met hem, en zijn consciŽntie schudt en beeft gedurig in hem.

B De dood is nu werkelijk met hem bezig, om hem uit te houwen,beide schors en hart, ziel en lichaam vaneen houwende; hij zuchten steunt wel, maar de dood hoort hem niet! hij ziet bedrukt,verschrikt en neer geslagen; hij zucht, hij zweet, hij beeft,doch de dood geeft nergens acht op.

C, Nu wordt hij met vreselijke gedachten bezet, ijselijkebevattingen van God verschrikken hem. Nu heeft hij tijd om tedenken, wat het verlies van de hemel, en wat de pijn van de helzal zijn; nu kan hij nergens zien of hij wordt verschrikt,

D, Nu zou hij wel willen leven. maar het mag hem nietgebeuren; hij zou wel willen leven, al was het leven van eenbedlegerig of ziekelijk mens, doch het wordt hem niet gegund. Hijdie hem uithouwt, zwaait hem gelijk een houthakker een waggelendeboom zwaait, dan dezen weg, dan dien weg; en dan breekt ereindelijk een wortel, of een hart of oogzenuw knapt aan stukken.

E. Kon nu de ziel vernietigd worden, o, hoe gelukkig zou zijzich niet achten! Maar zij ziet, dat dat niet gebeuren kan, endaarom is zij nu in een wonderlijke engte, in het lichaam blijvenmag zij niet, en daaruit gaan durft ze niet. Daarop gaat hetleven weg, het bloed begint stil te staan in het vlees, en delong niet meer machtig zijnde om lucht te scheppen, gaateindelijk de vermoeide ziel het lichaam uit, die terstond van deduivels aangeslagen wordt welke zich in elken hoek van de kamertotdat einde verscholen hadden; haar vrienden dragen voor hetlichaam zorg hetzelve bewindende in een laken, en het leggende ineen doodkist, maar de ziek is buiten hun gedachten en bereik,nederdalende in de binnenkameren des doods!

Ik had eerst gedacht mij in deze stof uit te breiden doch nuzal ik niet verder gaan. God, die de mensen leert wat nuttig is,zegene deze korte en eenvoudige redevoering, aan uw ziel, die nogals een belijder staat in het land der levenden, onder de bomenvan Zijn wijngaard. Amen.

Einde.