Gedenkschrift van
Elizabeth Cairns
Enige jaren voor haar dood door haarzelf geschreven en met grote nauwgezetheid van haar oorspronkelijk geschrift overgenomen
Komt, hoort toe, o allen gij, die God vreest, en ik zal vertellen, wat Hij aan mijn ziel gedaan heeft. Ps. 66:16
Gelijk wij gehoord hadden, alzo hebben wij gezien in de stad des HEEREN der heirscharen. Ps. 48:9
De heerlijkheid des Heeren als in een spiegel aanschouwende, worden naar hetzelfde beeld in gedaante veranderd, van heerlijkheid tot heerlijkheid, als van des Heeren Geest. 2 Kor. 3:18
Voorwoord van de vertaler
"Vertelt", zegt de Psalmdichter, "onder de Heidenen Zijn eer, onder alle volkeren Zijn wonderen". Gods kinderen hebben ten allen tijde lust gehad, Gods wonderen te vertellen, en geen wonder, want elk van hen is op aarde als een wonderteken van ondoorgrondelijke barmhartigheid, van onnaspeurlijke wijsheid, van rijke en vrije genade. De Heere heeft hen "Zich tot een volk geformeerd; zij zullen Zijn lof vertellen". Dit hun voorrecht, dat hen onderscheidt van de gehele wereld, ligt in de belofte toegezegd: niet alleen, dat zij alleen het kunnen doen en het mogen doen, maar zij zullen het doen. Zij hebben er ook rijke stof toe. Christus getuigt, dat zo deze zwijgen, de stenen haast roepen zullen.
Is het geen wonder, dat de eeuwige God, de Schepper van hemel en aarde, met Zijn schepsel in een verbond wil komen, daarin getuigende, dat zijn gehoorzaamheid met het eeuwig leven, de onafgebroken zalige genieting van de liefde en gemeenschap van God, zal worden beloond, doch dat zijn ongehoorzaamheid hem de dood, de vloek en toorn van God zal berokkenen ?
Is het geen wonder, dat, waar door moedwillige ongehoorzaamheid de mens, in zijn Verbondshoofd, van God afgevallen en zijn verleider, de duivel, is toegevallen, waardoor het beeld en de gelijkenis van God verloren en het beeld en de natuur van de duivel zijn deel werd, zodat de mens in een staat van hopeloze vijandschap en haat tegen God viel; dat toen, waar een staat van eeuwig verderf van het aangezicht van God was ingetreden, onder de ondragelijke vloek en toorn van een heilig en rechtvaardig God; dat toen, waar een goedertieren Vader een rechtvaardig Rechter was geworden; dat toen, waar de vervloekte mens de onmiddellijke uitvoering van het vonnis van de dood in al zijn uiterste verwachtte, dat toen een bekendmaking van de beledigde Rechter kwam, dat er van eeuwigheid bij Hem gedachten des vredes over de mens waren geweest; dat die uitgewerkt waren in een eeuwig verbond met de Tweede Persoon van de goddelijke Drie-eenheid, die krachtens dat verbond het Zaad van de vrouw zou worden, de menselijke natuur zou aannemen en die met Zijn goddelijke natuur tot één Persoon zou verenigen, om zo als de Godmens op te treden als Verbondshoofd, als de Plaatsbekleder, van een in Hem uitverkoren geslacht, waartoe de schuld van de zonde Hem werd toegerekend en Hij onder de wet kwam, om alle gerechtigheid te vervullen; de goddelijke rechtvaardigheid te bevredigen; het verbroken verbond te gehoorzamen; de straf der bondsbreuk te dragen; de duivel te overwinnen; de zonde teniet te doen en zo de arme mens weer uit de macht van zijn vijanden te verlossen en in de gunst, liefde en gemeenschap met God terug te brengen?
En zou het geen wonder zijn voor een ziel, die, door de Heilige Geest met deze diepten van haar ellende en schuld bekend gemaakt, in haar dwaasheid haar toevlucht neemt tot een verbroken verbond van doen en laten, dat door de zonde krachteloos is geworden, zodat zij, dit bij goddelijk licht ontdekkende, tot het bewustzijn komt, dat haar verdoemenis onvermijdelijk en rechtvaardig is, omdat God heilig en rechtvaardig is; zou het geen wonder zijn voor zulk een ziele, dat haar een deur van hoop wordt ontsloten, door het Woord van God en de Geest der genade, in de openbaring, dat God Zelf, goedertieren en barmhartig zijnde, hulp besteld heeft bij een Held, Die machtig is te verlossen, ja ook haar door Jezus Christus te verlossen? Is het geen wonder, dat die ziel, die zolang zij haar schuld niet kon erkennen en in haar vijandschap God beschuldigde, om zichzelf te rechtvaardigen, nu ziende, dat God goed en zij slecht is, in droefheid over haar zonde en schuld God begint te rechtvaardigen en tegelijkertijd door de dierbare beloften van God in Christus Jezus, Welke haar nu liefelijk ontdekt worden, hoop krijgt om op genade te pleiten: "Wie weet, God mocht zich wenden, om haar deel te schenken aan Christus, om die volmaakte gerechtigheid van de Borg haar toe te passen en haar zuchtingen, "Heere, wees Gij mijn Borg" op Zijn tijd te verhoren?
En is niet elke nieuwe ontdekking van genade in Christus, na elke ontdekking van de diepte van haar dood in de zonde, een vernederende weldaad, die de Heere Jezus dierbaar voor haar maakt; die het wonder van vrije goddelijke liefde over een verdoemelijk ellendige al groter en groter maakt, zodat het hoe langer hoe meer verstaan wordt, dat genade in Christus opgelegd, dat Christus te bezitten, voor haar onmisbaar is, zal zij ooit deel hebben aan de erve der heiligen in het licht?
Hoe wordt, in de verdere voortgang op deze gebaande weg, de grootheid van dit wonder van zalig worden vermeerderd door een gezicht van de onveranderlijke trouw van God in Christus Jezus tegenover al haar afwijkingen en ongelovig omzwerven, wanneer het de Heere belieft, haar genade te schenken, om door het geloof, dat door de liefde werkende is, haar hoop te verlevendigen en haar droefheid naar God te vernieuwen en de bede om de Geest tot vergeving van zonde en bekering ten leven voor de troon van genade neer te leggen.
En eindelijk, is het geen wonder, dat het leven van God in de ziel onder de vele verzoekingen, afkeringen, zonde, onkennis en ongeloof niet is uitgeblust, maar door de genade van God is in stand gebleven, door het geloof in de belofte van God, dat haar pand bij Hem weggelegd en bewaard is, zodat al haar vrees beschaamd en haar hoop niet beschaamd is?
Het lezen van de volgende bladzijden zal ook iets van de wonderen van Goddelijke ontferming in Christus over een in zichzelf verloren zondares ontdekken. Hoe zuiver beschrijft zij het werk van de Geest in haar ziel en hoe maakte elke nieuwe ontdekking van de genade van God, in Christus opgelegd, wanneer zij onder de bediening van de Geest die door het geloof mocht toepassen en Christus in de belofte omhelzen, haar tot een waarlijk arme van geest, die geen hoger begeerte had, dan niets te zijn, opdat Christus Alles voor en in haar mocht wezen, en verlost te worden van een lichaam der zonde en des doods, dat haar gedurig smartelijk in de weg stond, om die door haar zo hoog begeerde gemeenschap met God in Christus te genieten. Dit speende haar van de wereld en vervulde haar ziel met verlangen, in een bijna doorgaande gestalte, om ontbonden te zijn en met Christus te wezen, als zeer verre het beste.
Ik zal niets zeggen van haar duisternissen; bestrijdingen; hoe moeilijk zij het bevond, door het geloof te leven; doch leest deze bladzijden en mochten wij bewonderen de onuitsprekelijke rijkdommen van de genade van God in Christus, en onszelf verfoeien, dat wij, of geheel niet, of zo weinig met droefheid vervuld zijn, dat wij zo weinig als een amechtige aan die volle Fontein gevonden worden, om door het geloof van de werking van God met die wateren des levens onze zielen te verkwikken.
Als het lezen die vrucht mocht hebben, dan zou het voor ons niet ongezegend zijn, maar het zou ons tot een wonder zijn, dat de Heere het ons in handen deed komen, om er ons door te beschamen. Het mocht de Heere nog eens believen, ons te doen ondervinden, dat zij zalig zijn, die treuren en dat zij zullen vertroost worden.
Van haar sterven is niets bekend, doch dit weten wij, dat zij te zijner tijd ingegaan is in de ruste; dat zij gestorven is, en dat zij leeft, en dat zij nu beter verstaat, dan zij het ooit in dit leven heeft verstaan, welk een zalig en waarachtig woord het is, dat Jezus sprak, als Hij zei: "Ik leef en gij zult leven."
Uw toegenegen C. B. v Woerden
Zeist, november 1921
Gedenkschrift van Elizabeth Cairns
Naar mijn ouders mij meedeelden, ben ik in het jaar 1685 geboren, toen de vervolging zeer zwaar was. Mijn ouders werden door de bloedige wreedheid welke daarmee gepaard ging van alles wat zij in de wereld hadden beroofd en uit huis en hof verdreven, omdat zij trouw bleven aan het Evangelie en zich aansloten bij het toen vervolgde overblijfsel. In deze uiterste nood vond mijn moeder door Gods voorzienigheid een hutje, waarin zij mij, een levend kind, met gevaar voor haar leven voortbracht. Ongeveer negen maanden daarna kregen mijn ouders gelegenheid, mij in de nacht door een vervolgde leraar te laten dopen. De overweging, hoe mijn ouders deze plicht aan mij met gevaar van hun leven gedaan hadden bracht mij onder te groter verplichting, door genade te besluiten, om hen al de dagen van mijn leven onderdanig te zijn. Ik wens met verwondering en dankzegging op mijn geboorte en doop terug te zien. Deze voorzienigheid over mij, van een barmhartig en genadig God, in mijn prilste jeugd, doet mij met de Psalmist zegeen. "Ik loof U, omdat ik op een heel vreselijke wijze wonderbaarlijk gemaakt ben, wonderlijk zijn Uw werken! Daarom hoe kostelijk zijn mij, o God, Uwe gedachten!" Ik wens de ontfermende armen te bewonderen, die al zo vroeg tot mij uitgestrekt waren, om mij in Zijn Kerk op te nemen, alsmede de genade van de doop door een getrouw dienaar van Christus mij toegediend.
Eerste tijdperk
Het behaagde God van alle eeuwigheid een overblijfsel uit het verloren nageslacht van Adam te verkiezen, om hier gedenktekenen van Zijn genade en barmhartigheid en hiernamaals instrumenten te zijn, om Hem te loven, onder wie Hij, naar ik hoop, ook mijn naam heeft opgeschreven. Tot uitvoering van dit voornemen begon reeds vroeg in mij te werken. Ik herinner dat ik, toen ik nog een kind was, anderen over God hoorde spreken en mijn zuster vroeg, wat dat was, dat zij God noemden Mijn zuster bracht die vraag aan een ander over, die mij onderrichtte, dat God een Geest was, dat Hij Zijn Wezen van Zichzelf had en, dat Hij de Schepper en Maker van alle dingen was.
Ik had daarna zulke indrukken van die God, die mij gemaakt had, dat geen kinderspel mij langer vermaken kon. Omtrent die tijd zag ik, in het open veld zijnde, vóór een bui, de regenboog verschijnen, op welk gezicht ik begon te wenen. Ik had namelijk horen vertellen, dat God de wereld eens door een watervloed verdronken had en dat Hij Zijn boog in de wolken gesteld had tot een teken, dat hij het niet weer doen zou. Dit gezicht versterkte in mij de indrukken van deze God, zodat het mij voorkwam alsof de sabbat een ander soort licht dan de andere dagen.
Toen ik vijf jaar oud was overkwam mij in Gods voorzienigheid een ongeluk. Ik was met mijn zuster bezig op de schapen te passen. Toen ik langs de top van een grote rots ging, aan de voet waarvan een waterpoel was, viel ik voorover, maar door Gods voorzienige zorg groeide vlak voor de rots een doornstruik, waaraan ik mij vastgreep, door welk middel ik weer overeind kwam. De Heere zegende dit opmerkelijk voor mij, want hoewel ik mij door deze val niet bezeerd had, liet dit zulke indrukken op mijn gemoed na, dat ik onmiddellijk over deze voorzienigheid begon na te denken, ziende, dat ik, wanneer ik naar beneden gerold was, er onmogelijk levend had kunnen afkomen. Ik had horen zeggen, dat er een hel en een hemel was, en zo overdacht ik, dat ik, wanneer ik gestorven was, zeker naar de hel zou gegaan zijn. Ik was er zo met vrees en schrik voor bevangen, want ik had gedroomd, dat ik mensen zag voorbijgaan en een van hen zei mij, dat zij in de hel waren en dat het een vreselijke plaats was. Ik vroeg wat het was, dat het daar zo vreselijk maakte en men antwoordde mij, dat de toorn Gods daar was.
Later hoorde ik iemand bij mijn vader in huis bidden. Een uitdrukking in zijn gebed bleef mij enige tijd bij. Het was dat woord uit Jesaja 11:1 en 2: "Want daar zal een rijsken voortkomen uit den afgehouwen tronk van Isaï, en een scheut uit zijne wortelen zal vrucht voortbrengen. En op Hem zal de Geest des Heeren rusten." Hij had veel uitdrukkingen in zijn gebed, die mij deden verstaan, dat Hij, van Wie de profeet daar sprak, de Zaligmaker was, en mijn vrees voor de hel deed mij daarop acht slaan en dat overdenken.
Hierna begon mijn moeder mij te leren lezen, en zover ik mij kan herinneren was dat voor mijn achtste jaar. Dit brengt mij tot de volgende overwegingen
1. Ik erken dat ik een van Adams verdorven geslacht ben, in welks plaats hij stond en viel. Ik ben in zonde ontvangen en in ongerechtigheid geboren en in de wereld gekomen met elk vermogen van mijn ziel verdorven, liggende onder de schuld van de erfzonde en de vloek van de wet en dus als een erfgenaam van hel en toorn.
2. Ik wens het vrijmachtig welbehagen van een genadig God over mij te aanbidden, Die mij reeds zo jong bearbeidde, dat ik twee partijen in mij gewaar werd, namelijk, kwaad en goed, duisternis en licht. Maar wanneer dit licht en die liefde tot het goede mij werden ingegoten en deelachtig gemaakt, weet ik niet; ik kwam het echter te weten uit hun werkingen. (1) Dit licht ontdekte dat ik een zondares was en dat er een hel was, om zondaren in te straffen. (2) Dit licht ontdekte een God, een Zaligmaker en een hemel. (3) Het maakte indrukken op de verscheidene hartstochten van mijn ziel; een ontdekking van zonde en het vervulde mijn gemoed met grote vrees en verschrikking; de ontdekkingen van God en Christus deden liefde in mijn ziel ontvlammen en ontstaken begeerten tot Hem. (4) Het had een uitwerking op mijn uitwendig leven, zodat ik mij niet kon vermaken in het spel en de uitspanningen van de kinderen. (5) Het maakte andere dingen geestelijk, want bij dit licht kon ik een God zien in de werken van de schepping, zoals het groeien van het gras, de winden, de regen en de boog, die Hij in de wolken gesteld heeft als het teken van Zijn verbond met de aarde, dat Hij die niet weer door water zal doen vergaan. En wanneer ik opzag naar de hemelen, o! hoe heerlijk waren die de zon, maan en sterren. Mijn ouders vertelden mij, dat God al die dingen gemaakt had en ik geloofde het. Ik herinner mij, hoe ik in de avondtijd uitgegaan was en met groot vermaak opzag naar de sterren en zo als ik opzag een gelovige indruk gevoelde, welke mij tegelijk met vrees en blijdschap vervulde. (6) Ik bemerk, dat wat mij bij dit licht onderwezen werd overeenkomstig de Schrift was, hoewel ik toen nog niet geleerd had, die te lezen. Dit is voor mij een bewijs, dat het de onderwijzing van de Heere was, hoewel het maar was als het aanbreken van de morgen. Het was tot mijn grote schade, dat ik niet eerder leerde lezen. Een reden hiervan was, dat er in de omtrek van de plaats waar ik woonde geen school was, alsook dat mijn ouders zich niet gedrongen gevoelden, hun kinderen voor hun achtste jaar te leren, menende, dat zij dan meer bekwaamheid hadden om het geleerde te onthouden. Hiermee zal ik het eerste tijdperk van mijn leven afsluiten.
Tweede tijdperk
Hierna was mijn werk gedurende verscheidene jaren, het vee van mijn vader te hoeden. Van het achtste tot het tiende jaar van mijn leven schepte ik veel behagen in mijn boek, zodat ik mij niet alleen vermaakte in het lezen, maar ik onthield het zo goed, dat ik het, wanneer ik geen tijd had om te lezen, mocht overdenken. De gehele dag was ik rustig in het veld alleen met mijn kudde, maar gedurende de winter, voornamelijk in de lange avonden, kreeg ik les van wie mij maar wilde onderwijzen. Zodra ik zelf onderscheid en kon lezen, nam ik altijd mijn boek mee en onder het lezen werd mijn verstand verlicht, zodat ik met verwondering vervuld was over alles wat ik las. Het behaagde God in heilige, vrijmachtige genade en ontferming, mij van mijn tiende tot mijn zestiende levensjaar zowel mijn ellende als het geneesmiddel helderder te ontdekken, terwijl ik ook verschil opmerkte in het lezen. In de twee vorige jaren toch, waarin ik zo met verwondering vervuld was, was het Woord overal hetzelfde voor mij, maar nu gingen er gedeelten met kracht in mijn gemoed in, die gepast waren voor mijn toestand. Ik herinner mij, dat ik op zekere dag tot het gebed ging, gelijk mijn gewoonte was, en dat woord mij voorkwam: "Het offer des goddelozen is den Heere een gruwel". (Spr. 15:8) Ik begon hierover te denken en paste het op mijzelf toe en ik zag, dat ik, hoewel mijn geweten mij niet van een goddeloos leven kon beschuldigen, nochtans een goddeloze natuur had en hierdoor kreeg ik te zien, dat er, al zou ik nooit dadelijke, zonde begaan hebben, zoveel zonde in mijn natuur was, dat zij mijn beste plichten hatelijk voor God maakten. Daarop begaf ik mij weer tot het gebed met deze woorden: "Och! of het God believen mocht mij naar Zijn beeld te vernieuwen en mij Zijn Geest te geven en mijn verstand te verlichten in de zaligmakende kennis van Hemzelf," waarop die Schriftuurplaats mij voorkwam: "Dan zullen wij kennen, indien wij vervolgen den Heere te kennen," (Eng. Vert. van Hosea 6:3) alsook, "Die Mij vroeg zoeken, zullen Mij vinden." (Spr. 8:17) Hierna gevoelde ik meer licht en kracht onder het lezen van Gods Woord en werd ik geleerd, om acht te geven op de inwendige gestalte van mijn hart.
Ik had in die tijd, wanneer ik Gods Woord las, het meeste vermaak in de vier Evangelisten. O, wat was het mij aangenaam, over de geboorte, het leven en de dood van de gezegende Verlosser te lezen! Ik las ook graag de Psalmen, van welke ik er vele in mijn geheugen opnam en zong wanneer ik alleen was. Ook het Hooglied van Salomo en de profetie van Jesaja waren mij dierbaar.
Daar het mijn lot was alleen te verkeren en ik niemand had, om mij te onderrichten in hetgeen ik las, terwijl ik wegens mijn beroep geen gelegenheid had, het Evangelie te horen prediken, begon ik onder het lezen van de Schrift te redeneren wat deze en die uitdrukking betekenden en ik ging daarmee tot God, Hem smekende, dat Hij mijn ogen mocht openen, opdat ik de wonderen Zijner wet mocht aanschouwen.
Daarop scheen er een licht in mijn ziel, waardoor mij het Woord als een lamp voor mijn voet en een licht voor mijn pad werd, waarbij ik zag, dat er geen handeling was, hetzij godsdienstig, geestelijk of natuurlijk, of dit licht ontdekte, dat de wet haar regel was. Maar dit licht duurde niet altijd, hetgeen ik kwam te weten uit zijn komen en gaan. Ik bemerkte, dat mijn gebeden, wanneer het afwezig was, als zoveel dode woorden waren en het Woord zelf als een dode letter was, doch wanneer dit licht aanwezig was, dan ging mij het bidden goed af, dan kon ik wel bidden en lezen, dit mij mijn geest begaf. O! hoe aangenaam was mij dan de sabbatdag, waarin ik mij met mijn medeherders mocht verenigen in bidden en loven van God, terwijl sommigen van hun, die God door Zijn genade geroepen had, op die dagen, met mij, liefelijke opmerkingen ten beste gaven.
Op zekere dag ging ik, terwijl dit licht afwezig was, door een korenveld. Ik stond naast een korenstengel en zag dat die hoger was dan ik, waarop ik begon te wenen bij de, overweging, hoe kort die in de aarde had gestaan en hoe hoog hij reeds was opgegroeid en, dat ik zo weinig vordering gemaakt had op mijn weg naar de hemel.
Zo herinner ik mij, dat ik op een andere dag, toen dat licht afwezig was, neerzat om mijn brood te eten, en dat mij, toen ik een zegen vroeg, als het ware in het aangezicht vloog dat het schepsel vervloekt was voor allen, die buiten Christus waren, zodat ik mijn brood de gehele dag bij mij droeg, en wanneer ik wilde gaan eten staarde de vloek mij steeds in het aangezicht.
Op een andere dag kwam ik bij een bron om te drinken. Terwijl ik neerzat, om een zegen te vragen, scheen er een licht in mijn ziel, waarbij ik zag, dat voor de gelovigen door Christus de vloek is weggenomen en barmhartigheden toevloeien door het kanaal van het verbond van de genade. O, dit deed mij water drinken, dat aangenamer smaakte dan wijn!
Ik herinner mij, dat ik op een andere dag, toen ik mijn schapen hoedde langs een dijk, in de bocht van een sneeuwbank neerzat om te bidden en daar ontmoette mij iets, dat ik onmogelijk in woorden kan weergeven. Dit kan ik mij echter herinneren, dat het mij goed geweest zou zijn, indien ik van die plaats in de eeuwigheid was overgegaan zonder een van mijn betrekkingen weer te zien.
Op een andere dag, toen ik onder indrukken verkeerde van de ellende van de mens door de val, zag ik een herder bij mij in de buurt, die onder het gaan liep te fluiten, waarop ik begon te wenen en zei: "O, wanneer u zag in welk een staat u van nature bent, u zoudt niet zo vrolijk zijn." En dit bracht mij in de overdenking: die man daar is zo opgeruimd in zijn weg en dat kan ik in de mijn niet zijn. Hiermee ging ik tot God in het gebed en daar raakte ik mijn hart kwijt en kon ik mij in mijn weg verheugen even goed als hij in de zijne.
Soms werd ik in de overpeinzing van geestelijke verborgenheden zo ver buiten mijzelf vervoerd, dat ik vergat waar ik was en waar ik heenging, en nochtans geleidde mij de Goddelijke Voorzienigheid en verzamelde mijn kudde voor mij, hoewel ik op die tijd zo in overpeinzing verdiept was, dat ik vergat er zelf het oog op te houden. Ik herinner mij ook, dat, wanneer ik de vogels hoorde zingen, dit mij opwekte om mijn God te loven. Ik merkte ook wel eens op, hoe op een bewolkte dag de zon soms een ogenblikje doorbrak, doch dan weer onmiddellijk door de wolken bedekt werd. O, mij dacht, dit stelde mijn toestand in deze wereld voor en dan mocht ik wel eens naar die dag verlangen, waarin de Zoon der gerechtigheid tot in alle eeuwigheid mijn ziele zou beschijnen zonder ooit weer door wolken bedekt te worden. Dit gebeurde voor mijn zestiende jaar.
Ik wil hier weer enige opmerkingen maken over dit tweede tijdperk van mijn leven.
1. Gelijk ik in het eerste tijdperk opmerkte hoe het tot mijn schade was, dat ik niet eerder had leren lezen, zo bevond ik in dit tijdperk het onuitsprekelijk voordeel van de Schrift te hebben en die te kunnen lezen.
2. Ik bevind, dat het licht dat in mij scheen, waarover ik in het eerste tijdperk sprak, mij deed verstaan wat ik las.
Ik bevind, dat dit licht en de Schriften in mijn zielservaringen samenwerkten en de volgende gevolgen uitwerkten: (1) Ik werd op God gewezen, om een nieuwe natuur en een herstelling naar Gods beeld te zoeken, welke, zoals de korte Catechismus mij onderwees, bestaat in kennis, gerechtigheid en heiligheid. (2) Ik werd onderwezen, mij ijverig op mijn plicht toe te leggen, de plichten waarmee ik mij het meest bezig hield waren: het lezen, overdenking, gebed en zelfonderzoek. (3) Dit licht scheen zo op mijn ziel, dat de natuurlijke duisternis er voor vlood en mijn verstand verlicht werd, zodat het mij tot goddelijke dingen uitdreef en zo werden de vermogens van mijn ziel werkzaam in overdenking en overpeinzing en in beweging gebracht, wat mij stof verschafte voor gebed en dankzegging. (4) Ik was soms beroofd van licht en vermogen in al die plichten, maar o, hoe teder handelde een vrijmachtig en genadig God met mij! Hij hield niet lang Zijn invloeden terug; Hij kende mijn zwakheid; ik zou Zijn afwezigheid niet lang hebben kunnen dragen, want ik was nog zo jong en altijd in het eenzame. Ik was, behalve in het holle van de nacht, van mijn vijfde of zesde jaar tot mijn dertiende altijd alleen in het open veld. (5) Ik bemerk, dat ik, wanneer dit licht en die kracht werden ingetrokken, of nieuwe lessen kreeg te leren, of dat vroegere lessen mij helderder werden wanneer dat licht en die kracht wederkeerden. Uit dit alles besluit ik, dat dit het licht en de kracht van Gods Geest waren die op mijn ziel werkten en daarom houd ik het voor het werk van de Heere. Dit werk werd door het Woord en de Geest gewerkt in de verrichting van die tevoren gemelde plichten, wat de volgende vruchten uitwerkte: (1) Ik werd van zonde overtuigd, zowel van erfzonde als dadelijke zonde, door verschillende Schriftuurplaatsen die met kracht aan mij werden toegepast. (2) Elke overtuiging werd gevolgd door verlichting, in de kennis van de Zaligmaker. (3) Ik bevond, dat dit licht en die kracht gepaard gingen met een veranderende kracht. (4) Ik kreeg een trekkende kracht, een versterkende, overbuigende daad van kracht en licht in mijn gehele ziel waar te nemen, die mij deed berusten op en rusten in Christus tot zaligheid, zoals het voormelde licht met de Schriften Hem in mij openbaarde.
Dit zijn fundamentele gevolgen, maar er zijn ook andere uitwerkingen die uit deze voortvloeiden, zoals: (1) Ik bevond, dat deze nieuwe gesteldheid van de ziel haar invloed deed gelden op mijn gehele leven, zodat er geen werking was, hetzij geestelijk, zedelijk of natuurlijk, waarin niet met kracht de Schriften als mijn regel werden toegepast. (2) In geestelijke plichten werd mijn ziel dikwijls zo verslonden in de gezichten en de overpeinzing van die goddelijke verborgenheden, dat ik er alle andere dingen door vergat. Maar nochtans, God tot eer, werden mijn natuurlijk verstand en mijn uitwendige zintuigen geheel en volkomen bewaard. (3) Ik zie het vrijmachtige van de onderwijzing van de Heere, Die mij door het licht van de Geest in mijn ziel schijnende, en door de Schriften, in zekere mate, al de lessen leerde die noodzakelijk gekend moeten worden tot zaligheid, zonder behulp van menselijk onderricht.
In dit tijdperk van mijn leven waren er zeven jaren van hongersnood. Het begon ongeveer met mijn zevende jaar. In die jaren leed ik de uiterste nood zowel door koude als honger. Ik zou niet zo door de honger gekweld geweest zijn, (want mijn ouders hadden door Gods zegen in Zijn voorzienigheid een stuk land, dat overvloedig droeg) maar er was een dochter van een buurman, die met mij de schapen weidde, van wie de ouders zo zwaar door de hongersnood gekweld werden, dat zij menige dag geen eten proefde, dan wat ik haar gaf van mijn schraal rantsoen. Wanneer ik dan uitermate hongerig was at ik gras, waardoor ik door ‘s Heeren zegen zeer verkwikt werd. Dit meisje en ik hadden tezamen veel zoete tijden in gebed en dankzegging en zij bleef haar gehele leven door een stichtelijk mens. Ik mag hopen, dat zij nu overgegaan is in het Land van lof, om het lied van Mozes en het Lam te zingen, en ik ben hier nog in deze wildernis, waar ik mijn gemengde zangen zing van goedertierenheid en van recht.
1. Hier merk ik op, hoever de voorzienigheid schijnbaar in strijd kan zijn met de belofte en nochtans de belofte vervuld wordt.
2. Ik zie welk een beproeving het voor het geloof is, onder harde slagen van de hand van God te geloven, dat er liefde in Zijn hart is.
3. Ik merk op, dat het dadelijke mededeling van noodzakelijke genade is, welke de ziele onder zware slagen tegelijk zal ondersteunen en een slaand God doen aankleven en liefhebben.
4. Ik merk op, dat de Heere die uitwendige moeilijkheden, zoals koude en honger, zegende als middelen ter doding van die leden van een lichaam des doods, welke veel sterkte uit het vlees hebben.
Op zekeren dag ontmoette mij een hachelijke voorzienigheid. Terwijl ik bezig was met mijn schapen te verzamelen van onder een kudde vee, viel een os stotende op mij aan, en daar ik niets had, om mij te verdedigen, zou hij mij met zijn horens verscheurd en met zijn poten vertrapt hebben. In deze uiterste nood beschikte de Goddelijke Voorzienigheid het zo, dat het hondje, dat bij mij was, in zijn hielen beet, tot hij van mij afliet, en zo bracht ik er het leven af. O, wat was in deze voorzienigheid op te merken!
1. Ik zie er de vrucht van de eerste zonde in, dat de beesten, wegens de ongehoorzaamheid van de mens aan Gods gebod, tegen de mens zijn opgestaan.
2. Ik zie er recht en goedertierenheid in. O, wat een op toorn gelijkende dood zou dit voor mij geweest zijn, want al de tijd, dat hij mij met zijn horens bewerkte, kon ik geen gedachte over de eeuwigheid vormen! Nochtans,
3. O, wat een goedertierenheid en liefde blonken er uit in mij te verlossen en dat door zulk een gering middel. Ik begeer dan ook met verwondering en dankzegging terug te zien op de ontfermende zorg van de Heere over mij, zowel naar ziel als naar lichaam. Al die tijd vertelde ik mijn toestand aan niemand, en ook gaf niemand mij raad. De reden waarom dit zo lang mijn werk was, is, dat mijn ouders niets anders voor mij te doen hadden en dat er geen dienst voor mij te vinden was wegens de zware hongersnood. Hiermee stap ik af van het tweede tijdperk van mijn leven, van mijn achtste tot mijn zestiende jaar.
Derde tijdperk
Bevattend een kort verslag van het werk van de Heere aan mijn ziel, de moeilijkheden die ik doormaakte, met de bijzondere uitreddingen, en de meer dan gewone openbaringen van liefde, genade en neerbuiging van God, van mijn zestiende tot mijn twintigste levensjaar.
Mijn gewone werk werd nu verwisseld met andere werkzaamheden in het huis van mijn vader, waardoor ik minder alleen en meer in gezelschap was, terwijl mijn nieuwe arbeid ook meer van mijn gedachten vergde. Dit bracht mij in grote engte, hoe ik mijn hart zou bewaren in de dingen van God, zonder mijn werk te verwaarlozen, want ik wist niet, hoe ik die Schriftuurplaats in toepassing zou brengen: "Zijt niet traag in het benaarstigen; zijt vurig van geest; dient de Heere" (Rom. 12:11). God was echter mijn Alles, en niet wetende hoe ik zonder Hem leven zou, verkoos ik liever mijn werk te vergeten en de Heere te gedenken in de plichten van de godsdienst, waarover mijn moeder mij scherp bedreigde, zeggende: "je moet maar onder de vreemden om wat te leren, want van mij wil je toch niet geleerd worden". Mijn geest werd daardoor hevig terneergeslagen en ik wist niet, wat ik doen moest, maar ik nam de toevlucht tot mijn God in het gebed en dat woord kwam mij krachtig voor: "Wat buigt gij u neder, o mijn ziel, en zijt onrustig in mij? Hoop op God, want ik zal Hem nog loven voor de verlossingen mijns aangezichts" (Ps. 42:6). Hiermee ging een kracht gepaard, die al mijn geesten verlevendigde en mij zeer vertroostte, want ik geloofde, dat God die woorden tot mij had gesproken. Dat kon ik zeggen, dat hij mijn Alles was, wanneer Hij mij vriendelijk aanzag, en dat Hij zo de gezondheid van mijn aangezicht (Eng. Overz. Ps. 42:12) was temidden van alle ontmoedigingen.
Doch enkele dagen daarna klaagde mijn vader over mij, zeggende: je zusters zijn allen ijverig om hun brood te verdienen, maar wat zal er van jou terecht komen? Ik gaf hierop geen antwoord, maar ging bedroefd weg en riep tot de Heere om uitredding. O, hoe smartelijk was mij dit, dat mijn ouders zich zo ongunstig over mij uitlieten. Zo wendde ik mij tot God en toen ik mijn gebed tot Hem opzond, scheen er een licht in mijn ziel met de woorden: "Uw brood zal u gegeven worden en uw wateren zullen gewis zijn" (Jes. 33:16). Er kwam zulk een kracht en zoetigheid met dit woord mee, dat ik dacht, al zou ik van mijn vader en moeder en al mijn betrekkingen verbannen worden, ik zou nochtans geloven, dat God voor mijn dagelijks brood zou zorgen. Zo dacht het heilige vrijmacht goed, dat mijn geliefde en goede ouders zo met mij handelden. Zij wisten ook niet hoe ik gesteld was, want ik trachtte mij zelf altijd voor de wereld te verbergen, maar toen zij er achter kwamen, dat ik zo terneer gebogen was, bemoedigden en ondersteunden zij mij.
Hierna had ik meer gelegenheid, het Evangelie te horen. Al de vorige jaren van mijn leven had ik maar weinig gelegenheid, de openbare godsdienst bij te wonen, omdat mijn beroep mij dat niet toeliet, maar nu woonde ik geregeld de godsdienstoefeningen bij, wanneer de gelegenheid zich aanbood. Doch, helaas! Ik kon niet verstaan wat ik hoorde, omdat het niet gepast was voor mijn toestand en niet overeenkwam met mijn bevindingen. Ik herinner mij, dat ik op zekere keer, nadat ik de preek had wezen horen, die zat te overpeinzen, en dat ik mij maar weinig of niets kon herinneren van wat ik gehoord had. Dit bracht ik voor God in het gebed, pleitende of Hij mijn geheugen wilde heiligen, zodat ik mocht onthouden wat ik gehoord had, hetzij het voor mijn toestand gepast was, of niet.
Hierna zouden mijn ouders aan het Avondmaal van de Heere deelnemen en raadden zij mij, met hen te aan. Daarom begaf ik mij tot voorbereiding en zelfonderzoek, waarin ik, tot enige bedaardheid van gemoed kwam en licht ontving, om naar binnen te zien, waarmee ik terugging tot de morgen en een gezicht kreeg van mijn zonden, zowel van doen als van laten. Ook mocht ik mijn staat onderzoeken aan die kenmerken van genade, welke de Schrift aangeeft, terwijl ik mijn plichten aan een onderzoek onderwierp, zowel wat het aantal, als de stof en de manier van verrichting betrof; en dat alles met veel verwijding en verbrokenheid van het hart onder het bidden. De plaats waar het Avondmaal van de Heere zou gevierd worden was nogal ver weg. Op de voorbereidingsdag waren de twee teksten wonderlijk voor mij geregeld; de ene was tot mijn beproeving, de andere tot mijn vertroosting. De ene was: "Wie is bij, die met zijn hart borg worde, om tot Mij te genaken, spreekt de Heere?" (Jer. 30:21) De andere was: "Want alzo lief heeft God de wereld gehad, dat Hij Zijn eniggeboren Zoon gegeven heeft, opdat een iegelijk die in Hem gelooft, niet verderve, maar het eeuwige leven hebbe" (Joh. 3:16). Dit was mij een aangename dag, maar op de Sabbatmorgen was ik zeer benauwd, want ik kon noch bidden, noch mediteren. Onder de eerste predikatie werd ik weer verlevendigd. De tekst was. "Tot u, o mannen, roep Ik, en Mijn stem is tot de mensenkinderen" (Spr. 8:4). De gehele preek was goed. Aan het slot van de preek was er een woord, dat naar ik hoop met kracht kwam, namelijk dit: "Neem Christus in de armen uwer liefde en Hij zal de uwe zijn". Met dit woord scheen er een licht in mijn ziel en ik stond onmiddellijk op en ging tot de tafel, gelovende, dat het naar het woord van de dienaar geschieden zou. En terwijl ik aanzat, scheen er een licht in mijn ziel, dat het voorgaande in helderheid overtrof en min of meer gedurende de tijd van een half jaar voortduurde. O, wat was mij dat een liefelijk feestmaal! En zo kwam ik van deze plechtigheid met een ziel, die verhoogd was in de wegen van de Heere en vaardig lopende in de weg van de geboden.
Er was iets, dat mij zeer verwonderde, dat ik die preken zo goed verstond, dat zij zo gepast waren voor mijn toestand en dat zij zo overeen kwamen met mijn bevinding, wat met de preken, die ik thuis hoorde niet het geval was. Gedurende dit half jaar, waarin ik in dat licht wandelde, had ik veel aangename dagen en nachten in het gebed, en wanneer ik de Schrift las scheen dit licht zo in mij, dat ik meer dan ooit tevoren in de grondwaarheden onderwezen werd. Ook het lezen van Mr. Vincent over de Korte Catechismus werd opmerkelijk gezegend tot mijn onderrichting. Er ging met dit licht zulk een kracht gepaard, waardoor mijn verstand verlicht werd in de kennis van die waarheden, dat mijn gehele ziel zowel die waarheden als het voorwerp, dat daarin geopenbaard was, kon omhelzen. Toch was ik in al die jaren, die nu voorbij waren, tot maar weinig vastigheid van mijn staat gekomen en ik ging nog met mijn gevoel op en neer. Wanneer dit licht en die kracht tegenwoordig waren, dan kon ik gemakkelijk met toepassing op mijzelf geloven, wat God in Zijn Woord aangaande de zaligheid van de mens geopenbaard had, maar wanneer het ingetrokken werd, dan kon ik niets geloven.
Dit alles geschiedde in het zeventiende jaar van mijn leven. In het begin van het volgende jaar werd het licht verduisterd en kwam er weer een nevel over mij. Ik verlangde naar een nieuw gebruik van het Avondmaal en gelukkig kwam de gelegenheid, doch ik kreeg er slechts een paar dagen tevoren kennis van, wat mij in grote engte bracht, omdat ik geen tijd had, om mij voor te bereiden. De grote behoefte, die ik er aan gevoelde, alsook de aangenaamheid van het vorig Avondmaal, oefenden grote invloed op mij uit. Zo ging ik dan, en de gehele weg over vervulde dat woord mijn gedachten: "De voorbereiding des harten in de mens en het antwoord van de tong is van de Heere" (Eng. Overz. van Spr. 16:l). Hieruit kreeg ik ondersteuning om te geloven, dat God het hart onmiddellijk kon voorbereiden zonder mijn pogingen. Op de Sabbatmorgen in het verborgen gebed zijnde had ik een ontmoeting, die ik nooit in woorden kan brengen, en ik mocht zeer versterkt en verlevendigd van deze plechtigheid wederkeren.
Ik herinner mij, dat ik de gewoonte had, mijzelf te onderzoeken aan hetgeen ik gehoord had en dan was er een zaak, die ik nog miste in mijn bevinding. Ik was namelijk, nooit een wetswerk doorgegaan. Ook wist ik niet wat een geest der dienstbaarheid was, behalve enkele korte overtuigingen, waarop ik weer dadelijk opening kreeg. Toen ik dan ook hoorde welke weg Gods Geest hield, hoe Hij de ziel voorbereidt, voordat zij Christus in het Evangelie voorgesteld omhelst, dacht ik, dat alles wat ik ondervonden had veel te kort schoot, en dat iemand, in de natuurstaat, door algemene bewerkingen zover komen kon, als ik gekomen was. Dit ontnam mij al mijn hoop en het behaagde de Heere in Zijn vrijmacht, die vertroostende instralingen van goddelijk licht en kracht, die ik gewoon was te genieten, in te trekken. Nochtans behaagde het een barmhartig en genadig God, de vrijmacht van Zijn genade en ontferming aan mij, een van de snoodsten van Adams ontaard geslacht, te openbaren, in mijn ogen te openen, zodat ik een dieper inzicht kreeg in mijn staat van nature dan ik ooit tevoren had ontvangen. Nu kreeg ik te zien welk een gelukkig schepsel de mens was, toen hij uit de handen van zijn Maker voortkwam en, dat hij beide bekwaam en gewillig was, om zijn God, in alle dingen, die van hem vereist werden, zonder de minste inbreuk of gebrek te dienen, zoals duidelijk daaruit blijkt, dat hij in zijn eerste schepping geschapen werd naar het beeld van God, volgens Gen. 1:26 en 27. Doch, bij de inkomst van de zonde werd dit schoon en blinkend schepsel, dat het edelst werkstuk van de gehele benedenschepping van God was, het verachtelijkste van alle schepselen, en in plaats van het beeld Gods droeg hij nu het beeld en de livrei van de duivel. God werd zijn vijand, Die hem uit Zijn gunst uitwierp en het zwaard van de gerechtigheid tegen hem uittrok, Nu is de wet met al haar vloeken tegen hem, en o, nu is hij al de ellenden van dit leven, de tijdelijke, geestelijke en eeuwige dood en al de toorn en vloek van God in de hel tot in alle eeuwigheid onderworpen, zoals duidelijk in Gen. 3 wordt verkondigd.
Dit alles werd mij voorgesteld en ik werd door elke stap van de ellende van de mens geleid met toepassing op mijzelf, waardoor ik onder zulke ontzagwekkende indrukken kwam van de heiligheid en rechtvaardigheid van God, alsof ik zag, dat het zwaard van de gerechtigheid uitgetrokken en op mij gericht was en alsof de hel voor mij geopend was, waarin ik rechtvaardig verdiende geworpen te worden. Dit werd zo sterk op mijn gemoed aangedrongen, dat ik door grote verschrikking werd aangegrepen. Maar het behaagde een barmhartig en genadig God, dit vreselijk en verschrikkelijk inzien enigermate voor mij te bedekken, doch ik kreeg geen gevoelige ontsluiting, maar bleef verscheiden dagen in grote verschrikking, elk ogenblik vrezend, dat de aarde zich voor mij zou openen, om mij te verzwelgen. Toch was er niettegenstaande al deze verschrikking en verlegenheid, waarin ik verkeerde, een licht in mijn gemoed, dat mij deed terugzien op de vroegere ontdekkingen, die ik had gekregen van de weg van de zaligheid door Christus. Ik wierp dit echter nog alles weg, omdat ik dacht, dat al mijn vorige bevindingen maar algemene bewerkingen van de Geest waren, zoals iemand in de natuurstaat die kon hebben. Mij werd ook een duidelijk gezicht voorgehouden van mijn dadelijke zonden. Hier zag ik, dat menig bittere vrucht van dadelijke overtreding voortgesproten was uit de vervloekte wortel van de oorspronkelijke verdorvenheid en ik moest al mijn gebeden en aangename uurtjes bewenen als niets, ja, als goddeloos, zonder dat er iets van God en Zijn genade in was.
Zo verkeerde ik in grote benauwdheid, niet wetende wat te doen, toen mij, uit het derde hoofdstuk van het Hooglied van Salomo, het eerste tot het midden van het vierde vers voorkwam, waar de Bruid, toen zij Christus miste, alle middelen beproefde en tot de wachters ging (waarmee ik de leraars versta). Zo ging ik dan ook tot de predikant van de parochie en vertelde hem mijn toestand, doch hij antwoordde mij weinig en wat hij zei, was niet gepast voor de oefening, welke ik doormaakte. In plaats van het middel te ontsluiten vaagde hij al mijn hoop op ontferming weg, wat mijn verschrikking en verwarring vermeerderde. Onderweg, tussen zijn huis en dat van mijn, vader, kwam mij deze waarheid voor: "omdat gijlieden het hart de rechtvaardigen door valsheid hebt bedroefd gemaakt, daar Ik hem geen smart aangedaan heb" (Ezech. 13:22). Ik wist niet wat ik hiervan moest maken, maar er kwam met dit woord een wantrouwen in wat mij de leraar gezegd had. Toch bleef ik de gehele nacht als iemand, die van zijn verstand beroofd is, totdat in die grote benauwdheid heilige vrijmacht mij kwam ontzetten, door met licht en kracht aan mij toe te passen: "Ik ben de Weg, de Waarheid en het Leven" (Joh. 14:6), waardoor God, in Zijn ontferming over mij, mijn gemoed tot bedaren bracht en mijn verstand verlichtte in de grote verborgenheden van de zaligheid door Christus. Hier mocht ik zien wat Christus gedaan had, opdat Hij de Weg, de Waarheid en het Leven voor zondaren kon zijn, om daardoor tot God te komen. Hier zag ik, dat Hij voor een tijd Zijn heerlijkheid met een sluier bedekte door het aannemen van de menselijke natuur, uit een vrouw geboren zijnde; dat Zijn leven een woestijnreis was, onderworpen aan al die onmondige zwakheden, die de menselijke natuur onderhevig is, waarin Hij de wet vervulde, een vervloekte dood stierf en de toorn van God droeg, die een uitverkoren wereld verdiende; en dat het zwaard van de goddelijke gerechtigheid in Hem ingegaan was, volgens Zach. 13:7. "Zwaard, ontwaak tegen mijn Herder en tegen de Man, die Mijn Metgezel is, spreekt de Heere der heirscharen: sla die Herder" enz.; dat Hij begraven en ten derde dage weer opgestaan was; dat Hij, ten hemel gevaren was, God en mens verheerlijkt in één Persoon; aangenomen en verhoogd aan de rechterhand van de Vader, als het Hoofd en de Plaatsverbeelder van al de uitverkorenen, vanwaar Hij de Geest in een overvloediger mate zendt, volgens Zijn belofte aan Zijn discipelen: "want indien Ik niet wegga, zo zal de Trooster tot u niet komen, maar indien Ik heenga, zo zal Ik Hem tot u zenden" (Joh. 16:7). Hier kreeg ik ook te zien, dat de Geest de Toepasser is van het gehele werk van de verlossing, die door Christus verworven is. Ik mocht dit alles in een helder licht zien en gevoelde meer kracht dan ooit tevoren, veel meer dan ik hier kan aantekenen. Hierna was ik werkzaam, om te mogen verstaan hoe deze verlossing toegepast, en voor wie die ontworpen was. Ziet, hier werd ik, als het ware, geleid, om van de berg Sinaï tot de berg Sion te reizen!
Dit licht en die kracht verlichtten zo mijn gemoed en verwijdden mijn zielsblik zo, dat ik de volkomenheid van die verlossing kon bevatten, als in elk opzicht iedere voetstap van de ellende van de mens door de val beantwoordende.
Terwijl ik mij in het gezicht van al die lieflijke ontdekkingen verheugde kwam deze vraag in mij op: "Christus deed dit alles wel voor een overblijfsel, maar hoe weet u, dat u er een van bent?" Dit verwekte de grootste bekommering in mij. Er kwamen mij twee waarheden voor. De ene was: "Al wat Mij de Vader geeft zal tot Mij komen (Joh. 6:37); de andere was: "Te dien dage zal er een fontein geopend zijn voor het huis Davids en voor de inwoners van Jeruzalem, tegen de zonde en tegen de onreinheid" (Zach 13:1). O, hier wist ik niet, welke weg ik moest inslaan, om te mogen weten, of ik er een was van die door de Vader aan de Zoon gegeven zijn.
Hierop vergeleek ik mijzelf bij die merktekenen van genade, welke de Schrift geeft volgens de voorwaardelijke beloften. Hier werd ik door weeromstuitend licht teruggeleid tot de dijk, de steen en de heuvelrug, plaatsen waar ik was onderricht in de weg van de zaligheid door Christus, en de kracht van de genade gevoeld had, welke mijn ziel tot een vast besluit brachten, Hem te omhelzen, zoals het tevoren gemelde licht mij door de Schriften opklaarde. Hier meende ik mijn geloof en hoop van de zaligheid, door deze tijdelijke terugleiding gefundeerd te hebben, omdat ik in mijn bevinding die kenmerken van genade vond, welke de voorwaardelijke beloften vereisten. Terwijl ik mij met deze dingen vertroostte, kwam die vraag in mij op: "Hebt u niet alles waar u tevoren toe gekomen bent, weggeworpen als bedrog en als iets, waar een natuurlijk mens ook toe komen kan, hoe durft het dan wagen, u daarmee te vertroosten?" Hierdoor werd al mijn hoop weer weggevaagd en ik kon uit alles, wat Christus voor zondaren gedaan heeft, geen vertroosting putten, omdat ik niet zo ver kon komen, dat ik wist, dat ik er ook een was van hen, die de Vader aan de Zoon gegeven had, om door Hem te worden zalig gemaakt.
Dit bracht mij gedurende verscheidene dagen in grote benauwdheid, waarin ik stil tot God riep om verlossing, tot het een genadig God behaagde, Zijn vrijmacht te tonen in mij te hulp te komen. Op zekere nacht in het verborgen gebed zijnde werd mijn ziele zo opgetrokken, dat ik enigermate moet zeggen: of het in het lichaam geschied is of buiten het lichaam, weet ik niet, maar dit kan ik mij herinneren, dat ik omgewend werd, zodat ik de heerlijkheid aanschouwde, waaruit een licht in mijn ziel straalde, dat mij bekrachtigde en in staat stelde, om heerlijke dingen en onuitsprekelijke verborgenheden te zien, die aan mijn gezicht werden ontdekt. Hier werd mij als het ware vergund nabij God te komen en kreeg ik een zielverzadigend inzien in Zijn heerlijkheid, en zou gaarne de tijd met de eeuwigheid hebben willen verwisselen. Terwijl ik mij zo in dit aanschouwen verheugde, kwam mij met kracht voor, alsof een stem tot mij sprak: "Uw naam is geschreven onder de levenden in Jeruzalem", en onmiddellijk werd de heerlijkheid die ik aanschouwde, als met een sluier bedekt. Na dit alles bleef er gedurende een vol jaar een licht in mijn ziel, hoewel het de ene tijd helderder was dan de andere tijd.
Ziet, hier werd het punt, dat ik betwijfeld had, beantwoord en ik geloofde, dat mijn naam geschreven was onder degenen, die door God de Vader aan de Zoon gegeven waren, om door Hem volgens het verbond der verlossing te worden zalig gemaakt. Hier wens ik mijn hand op mijn mond te leggen en niets meer te zeggen over die grote verborgenheden die ik mocht aanschouwen, omdat ik overtuigd ben, dat dit beter te gevoelen dan in woorden te brengen is. Mijn gemoed toch kon nooit in gedachten weergeven, veel minder mijn pen opschrijven, wat mij vergund werd te aanschouwen. O, de hoogte, de diepte, de breedte en de lengte van deze liefde van God, die de kennis te boven gaat, in zich zo diep neer te buigen tot een van de geringsten van het gehele geslacht van Adam, die nooit een blik van Zijn verzoend aangezicht verdiende, veel minder, om, als het ware door het gescheurde voorhangsel, zoveel geopenbaarde heerlijkheid te mogen aanschouwen! Ik begeer ook niet in iets van al wat ik verkregen heb te roemen, maar in een verzoend God, in een Middelaar, voor een deel, dat mijn ziel geschonken is voor tijd en eeuwigheid. En zo eindigt het achttiende jaar van mijn leven. Dit jaar, deze plaatsen en tijden, wens ik te gedenken zolang ik leef. Dit waren mijn Bethels en Pniëls, omdat ik daar zulke grote ontdekkingen van God gehad heb en ik in het leven gebleven ben.
Het volgende jaar begon met de krachtige bewerkingen van de Geest en uitlatingen van goddelijke liefde, met veel gezichten van de heerlijkheid van God. Op de volgende dagen kwam mij krachtig die waarheid voor: "De wet Uws monds is mij beter, dan duizenden van goud of zilver." Onder de overpeinzing van dit woord rees telkens die tegenwerping in mijn gemoed op: David kon duizenden van goud en zilver in de weegschaal leggen tegenover het Woord van God en dus beproeven wat hem het dierbaarst was, maar u hebt ze niet en wie weet, wanneer u ze had, of u ze niet boven het Woord van God zoudt verkiezen. Maar hier redeneerde ik bij mijzelf, dat het weinigje, dat ik had, mijn "alles", was en mij dus even dierbaar als David zijn duizenden. En nu kon ik mij op God, als mijn Getuige beroepen, dat het Woord van Zijn belofte, Christus en al wat die verworven had daarin vervat zijnde, mij liever was, dan alles wat ik bezat, overeenkomstig Ps. 73:25 "Wien heb ik nevens U in de hemel? Nevens U lust mij ook niets op de aarde." Deze Schriftuurplaats en veel andere mochten de stof van mijn overdenking zijn. Het mocht mij ook dikwijls gebeuren, dat ik onder het overpeinzen licht ontving, waardoor mij onuitsprekelijke verborgenheden werden getoond, dat ik dan vergat, wie ik was en wat ik deed. Wanneer dan het voorhangsel werd weggeschoven en mij vergund werd aan de dorpel van de deur te staan, om iets van de heerlijkheid van het Hogerhuis te aanschouwen, o, wat zou ik er graag ingegaan zijn. Maar, helaas! Ik moest weer naar beneden, en riep dan wel uit: o dood, dood, wanneer zult u komen, wanneer zal het voorhangsel scheuren, om de heerlijkheid nooit weer te bedekken!
Dit maakte mij wars van het verkeer met mensen, ja zelfs, om mijn beroep waar te nemen, wat mij in grote engte bracht. Zo wendde ik mij tot God met het verzoek, of Hij, indien Hij mij niet uit de wereld wilde wegnemen, mij tot twee dingen wilde bekwaam maken of versterken, namelijk, om Hem te dienen en om mijn werk in de wereld te doen. En Hij antwoordde mij overeenkomstig mijn vragen, zodat Hij mij onmiddellijk met een sterkte van geest begiftigde, waardoor ik mijn werk kon doen zonder mijn verkeer met de hemel te verliezen, zodat ik zelfs in de oogsttijd, wanneer ik nooit alleen was, noch tijd had, om te gaan bidden, wanneer ik mijn hoofd oplichtte om mijn handvol in de schoof te leggen, een kort gebed mocht opzenden, in welke tijd er stralen van goddelijk licht schenen, die mijn ziel vervulden met gevoelige openbaringen van goddelijke liefde. Wanneer ik dan zo in gezelschap moest zijn en er niet van tussen kon, hun onnut en ijdel gepraat aan te horen, was ik als een dove, terwijl mijn overdenking werkzaam was in de onderhouding van mijn verkeer met God. Nochtans werd mij zoveel verstand gegeven, dat mijn hand geleid werd, om mijn werk goed te doen.
O, hier kreeg ik een wonderlijke ontdekking van de Naam, welken God zich toeeigent in Ps. 65:3, dat Hij de Hoorder van het gebed is.
Ik herinner mij, en het was mij zeer opmerkelijk, dat ik op een Sabbatmorgen, toen ik uit de slaap ontwaakte, over het verbond van de verlossing begon te peinzen en dat een helder licht in mijn ziel scheen, waarbij ik een gezicht kreeg van het heerlijk plan van de verlossing en de wonderlijke onderhandeling tussen God de Vader en God de Zoon. Hier werd mijn ziel tot zulk een vatbaarheid en sterkte gebracht, dat ik een gezicht mocht ontvangen van wat de Vader van de Zoon eiste en Hem voorstelde in betrekking tot de verlossing van de mens, alsook van de liefelijke instemming van de Zoon in elke bijzondere zaak, die in dit verbond vereist werd, volgens Ps. 40:7-9: "Gij hebt geen lust gehad aan slachtoffer en spijsoffer, Gij hebt Mij de oren doorboord; brandoffer noch zondoffer hebt Gij niet geëist. Toen zeide Ik: ziet Ik kom, in de rol des boeks is van Mij geschreven. Ik heb lust, o Mijn God, om Uw welbehagen te doen, en Uw wet is in het midden Mijns ingewands." Nooit kan mijn gemoed in woorden brengen, noch mijn pen opschrijven, wat ik hier mocht aanschouwen. Hieruit werd ik geleid, om het verbond der werken te zien; in welke gelukzalige staat de mens in het Paradijs was, voor hij viel, alsook hoe hij viel, en zijn ellende nadat hij gevallen, was. Ik werd hierop geleid tot een gezicht van het heerlijk verbond der verlossing, zoals dat ontvouwd is in een verbond der genade, dat aan Adam onmiddellijk na zijn val geopenbaard is in die woorden: "Het zaad der vrouw zal de slang de kop vermorzelen", (Gen. 3:15). Ik mocht dit alles in de overdenking zien, voor ik die morgen opstond. Nadat ik opgestaan was, ging ik in het verborgen gebed en daar werd ik ingeleid tot een dieper inzicht in het verbond der genade, dan mij ooit tevoren was ten deel gevallen. Hier zag ik, dat al wat tussen de Vader en de Zoon in het verbond der verlossing was overeengekomen aan de gelovigen in het verbond der genade werd geopenbaard en toegepast. En hier kreeg ik opnieuw een gezicht, dat mijn naam er in opgenomen is. Ik gevoelde ook een kracht, welke mijn ziel bekwaam maakte, om elke bijzondere zaak, die daarin aan mijn geloofsoog werd voorgesteld, in te willigen.
Deze heerlijke verborgenheden vervulden mijn ziel zo met blijdschap, verwondering en dankzegging, dat ik met de Psalmist (Ps. 148) de gehele schepping, hemelen, aarde, zee en alles wat daarin is, moest uitnodigen, met mij de Heere te loven. Ik kwam zo van die plaats en dat gebed in het helder gezicht en een gevoelde indruk van die heerlijke verborgenheden, dat ik gedwongen was, mijn hand op mijn mond te leggen en mijn stem in te houden. Want toen ik bij het huisgezin kwam en mijn betrekkingen zag, zou ik hen gaarne hebben uitgenodigd, zich met mij in de lof van vrije genade te verenigen, maar ik wilde mij niet aan de wereld ontdekken.
Ik herinner mij, dat er op een andere dag na deze, toen ik met mijn Bijbel in mijn hand neerzat en zoals mijn gewoonte was, een zegen vroeg, voordat ik begon te lezen, onmiddellijk een licht in mijn ziel scheen, waarbij mij die heerlijke verborgenheden, die mij zo verrukten, zo helder en levendig werden voorgesteld, dat ik niet kon lezen, doch de bladen maar omkeerde en de heerlijkheid aanschouwde, die er in afstraalde. Ik legde dan ook mijn Bijbel weg en geraakte aan het bidden en loven, onder de genieting van dat ogenblikje van goddelijke toeknikken.
Ik herinner mij een andere tijd, die opmerkelijk voor mij was. Het Avondmaal van de Heere moest ergens gevierd worden, waarbij ik gelegenheid had tegenwoordig te zijn. Op de voorbereidingsdag had ik niets onder de preken, maar bij de overdenking daarna getuigde mij mijn geweten, dat ik zulke en zulke zaken had ondervonden. Op de Sabbatmorgen echter, kwam de predikatie voor het gebruik nader aan de toestand, waarin ik toen verkeerde. De tekst was: "Terwijl dat de Koning aan Zijn ronde tafel is, geeft mijn nardus zijn reuk" (Hoogl. 1:12). De aanmerking uit de tekst was, dat de tegenwoordigheid van Christus een bijzondere invloed heeft op de genaden van Zijn volk, om die in oefening te brengen. Hieruit nam hij gelegenheid, om aan te tonnen, wat de tegenwoordigheid van Christus was en wat de genaden waren, die daardoor werkzaam gemaakt werden, hetgeen alles op mijn toestand toepasselijk was. Aan de tafel bescheen een licht mijn ziel, dat mij zo in vervoering bracht, dat ik het niet durf ondernemen, terneer te stellen, wat mij vergund werd te aanschouwen. Dit kan ik er wel van zeggen, dat mij in mijn overpeinzing vergund werd, als het ware, een reis te maken tussen het kruis en de kroon. Daar aanschouwde ik de berg Golgotha en wat daar geschied was, en door de elementen van het brood en de wijn kreeg ik een onderscheiden gezicht van het lijden van Christus. Dit was mij ook een berg Pisga, waar ik een gezicht kreeg van het beloofde land, in het geloof, dat ik daar na mijn dood zou ingaan, De nacht daaropvolgende was het mij, in de slaap, alsof ik in de onmiddellijke verwezenlijking en genieting gebracht werd en zo mocht ik de heerlijkheid van het Hogerhuis aanschouwen en hoorde ik, dacht mij, de Middelaar zeggen: "Die overwint, Ik zal hem geven met Mij te zitten in Mijn troon en Ik zal op hem schrijven de naam Mijns Gods en de naam van de stad Mijns Gods en Mijn nieuwe naam." Daarop ontwaakte ik uit de slaap, en toen ik het licht van de wereld zag, schreeuwde ik het uit en vloeiden mijn tranen overvloedig, omdat ik bemerkte, dat het een droom was. Ik trachtte mijzelf tot bedaren te brengen en redeneerde aldus: "Het is de overwinnaar tot wie gezegd wordt: hij zal niet meer daaruit gaan’ en ik ben nog bedekt met een lichaam van vlees en bloed en draag nog een lichaam der zonde en des doods om, zodat ik aan de verzoekingen van de Satan en de bewegingen van de zonde onderhevig ben, daarom ben ik nog geen overwinnaar." Toen ik dit overdacht riep ik uit: "O dood! Wanneer zult gij komen, om dit lichaam des doods en dit lichaam van vlees en bloed tezamen te niet te doen?" En terwijl ik dus naar de volmaaktheid verlangde kwam mij dat woord in mijn gedachten, "Niet dat ik het alrede gekregen heb of alrede volmaakt ben … maar ik jaag naar het wit tot de prijs der roeping Gods, die van boven is in Christus Jezus.
Op deze tijd zond ik mijn smekingen ernstig tot God op, dat Hij door de kracht van de genade mijn hart zo mocht vernieuwen, dat het even natuurlijk, standvastig, volkomen, vrijwillig en onvermoeid mocht werkzaam zijn in de weg van heiligheid, als ooit tevoren in de weg van zonde. Dit verzoek was zowel onredelijk als ten dele onbestaanbaar met de orde van Gods verbond en de wijze van werken in de bediening van de genade, die in dit leven de gelovigen slechts ten dele vernieuwt, in zoverre God de volmaaktheid voor het volgend leven bewaard heeft. Toch behaagde het Hem, Zich opnieuw aan mij bekend te Maken als de Hoorder van het gebed. Zo herinner ik mij, dat ik daarna zulk een kracht van genade en zulke uitlatingen van goddelijke invloeden in mijn hart gevoelde en door de spiegel van die plichten, als lezen, mediteren en bidden, zulke hartverrukkende gezichten kreeg, als waarvan de apostel spreekt, wanneer hij zegt: "En wij allen met ongedekten aangezichte de heerlijkheid des Heeren als in een spiegel aanschouwende, worden naar hetzelfde beeld in gedaante veranderd, van heerlijkheid tot heerlijkheid, als van des Heeren Geest" (2 Kor. 3:18). Ik bevond het nu gemakkelijker en meer mijn element, mijn hart ten hemel op te heffen en daar te verkeren, dan het te doen afdalen tot de wereld, om zich met de aardse beslommeringen bezig te houden. Ik leefde de gehele dag in een liefelijk verkeer met de hemel en in de beschouwing van die goddelijke verborgenheden. Wanneer het tijd was om te gaan slapen, liet ik mijn hart bij God, en wanneer ik ontwaakte mocht ik het daar terugvinden. Er was zoveel van de Geest der gebeden over mij uitgestort, dat ik niet wist wat het was, gebonden te zijn, wanneer ik mij tot het gebed begaf. En wanneer ik verslonden was in geestelijke overdenkingen kon niets mijn ziel aftrekken van het bewonderen van de liefde van Christus tot mij, de grootste van de zondaren. Wanneer ik gelegenheid had, mij af te zonderen tot het gebed, was het voorhangsel, als het ware, gescheurd en mocht ik niet alleen toegaan tot de troon der genade, maar ook, als het ware, gezichten van de troon der heerlijkheid hebben, die mij zover boven mijn gewone kracht en vermogen opvoerden, dat beide mijn lichaam en mijn geest bezweken voor mijn werk.
Op deze tijd was het gewone onderwerp en de stof van mijn gebeden en overdenking het verbond der verlossing. O, hier scheen het licht zo helder, dat mijn ziel verslonden lag in het aanschouwen en bewonderen van deze wonderlijke uitvinding van goddelijke wijsheid en liefde, tezamen met de gezegende vruchten en gevolgen, die in een genadeverbond neerdalen op een overblijfsel van Adams nakomelingschap, zodat zulk een walgelijk, arm schepsel als ik, die van nature een kind des toorns ben, door het geloof mag opklimmen tot de rol van de verkiezing, om daar te lezen, dat mijn naam opgeschreven is onder de levenden in Jeruzalem, en dat alles als de liefelijke vruchten van eeuwige verkiezing.
Ik werd toen maar weinig gekweld met afdwalende gedachten onder de plichten. En in mijn overdenkingen gedurende de dag, ging ik, wanneer een ijdele gedachte of een lid van het lichaam des doods zich begon te roeren, onmiddellijk tot God in het gebed, om een indruk van goddelijke kracht op mijn opstandig hart, waarop het de Heere behaagde, dadelijk te antwoorden.
Ik had in die tijd zulke grote ontdekkingen van God in Christus, met toepassing op mijzelf en van mijn aandeel aan Hem; ook werd gedurig het voorhangsel weggeschoven en werden mij zulke diepe inzichten geschonken van de heerlijkheid, in gebed en overdenking, dat ik grote begeerte had, daarin eeuwig te verkeren. In zoverre behaagde het de Heere, mijn zo onredelijk verzoek in te willigen, dat God door de kracht van de genade mijn hart zo wilde vernieuwen, dat het zich zo natuurlijk, standvastig, volkomen en onvermoeid mocht bewegen in de wegen van heiligheid, als ooit tevoren in de wegen van de zonde. Dit wens ik te erkennen tot roem van vrije genade, dat dit verzoek zo beantwoord werd. En nu alleen nog deze opmerking over dit alles, met inbegrip van wat mij te beurt viel als een antwoord op dit verzoek, dat ik niet in woorden uitdrukken, noch door schrijven openbaren kon.
Hier zie ik een andere vertoning, die ik wens te bewonderen, van die heerlijke Naam, die Hij zich toeeigent, namelijk: "Hoorder van het gebed". O, arme dwaas, die ik ben, die ertoe gekomen ben, dus mijn dwaasheid uit te laten. Doch, waar het God behaagd heeft, Zijn vrijmachtige liefde aan mij te openbaren, die een van de snoodsten ben van Adams geslacht, o, laat daar de eer tot Hem terugkeren, tot prijs van Zijn genade. Want ik begeer niet te roemen in iets van alles wat mij ten deel gevallen is, maar alleen in een verzoend God door Christus, voor wat mijn ziel deelachtig geworden is voor tijd en eeuwigheid. Dit is mij geschied in het negentiende jaar van mijn leven. Nu is dit aangename jaar geëindigd, dat ik, vergeleken bij het overige van mijn woestijnreis, het voornaamste van mijn jaren, of een van de jaren van de hemel voor mij, mag noemen.
Ik zal nu een terugblik werpen op deze laatste vier jaren en daarover enige opmerkingen terneer stellen.
(1). In betrekking tot de verandering van mijn bezigheid. Daar ik gewoon was altijd alleen te zijn, maakte dit mij alle gezelschap, al was het nog zo goed, tot een last, om de volgende redenen. (1) Ik werd daardoor uitgezet uit mijn leven van meditatie, lezen en gebed, dat zolang mijn gewoonte geweest en daardoor mijn element geworden was, dat ik meende daar niet buiten te zullen kunnen leven. (2) Ik kon niet spreken over datgene, waarmee ik ingenomen en waarin ik geoefend was, omdat dit, naar ik meende, verborgenheden waren, die buiten God en mijn ziel niemand kende. (3) Ik kon geen vermaak scheppen in enig werelds of vermakelijk gezelschap en verkeer, al waren die ook in zichzelf geoorloofd en onschuldig. Ik kende geen blijdschap buiten die in God en geestelijke dingen. (4) Mijn vroegere bezigheid viel mij door langdurige gewoonte zo licht, dat ik die kon doen zonder er lang door afgetrokken te worden van geestelijke oefening, doch nu moest ik alles leren, zodat het mijn volle tegenwoordigheid van geest vereiste. Dit bracht mij in een uiterste engte, doch, o! hoe tijdig en vrijmachtig verscheen de Heere tot mijn hulp, door Zijn woord met kracht te zenden en mij te midden van al die schijnbare tegenstrijdigheden op Zijn belofte te doen vertrouwen.
(2) Mij werd onmiddellijk een bekwaamheid gegeven, zodat er niets was waartoe ik geroepen werd, al had ik het nooit tevoren gedaan, of ik kreeg er wijsheid en sterkte toe, om het te doen. Zodat ik mag zeggen, dat dezelfde God, Die Bezaleël onderwees om het werk van de tabernakel te werken (Exod. 31:2-5) en Die de landman wijsheid geeft hoe hij de beste tarwe en uitgelezen gerst, elk op zijn tijd, in de akker moet werpen (Jes. 38:25,26), mij onderwees, om met mijn handen mijn brood te verdienen. Hierin zie ik, dat zowel algemene als geestelijke gaven van de Heere komen.
(3) Ik bemerk, dat altijd door, alle deuren van hulp uit tweede oorzaken voor mij gesloten werden, wat mij behoort te leren om dagelijks van de Heere af te hangen, hoe het Hem belieft mij in alle dingen te leiden. Hierbij zal ik het laten in de terugblik op mijn verandering van bezigheid.
Hierna had ik gelegenheid het Woord te horen prediken en het Avondmaal van de Heere bij te wonen, wat alles nieuw voor mij was, doch waarin ik hoorde en zag, wat ik vroeger had ondervonden. Die verborgen dingen, waarvan ik meende, dat niemand dan God en mijn ziel die kenden, werden in die preken verkondigd en door de elementen van het brood en de wijn in het sacrament voorgesteld.
1e. Hier zag ik de liefelijke overeenstemming van die genademiddelen, tot bevordering van de zaligheid van de ziel.
2e. Ik merk op, dat de Heere wil dat al Zijn instellingen geëerd worden. Wanneer ik het werk van overtuiging, vernedering en bekering, zoals ik het in dit tijdperk van mijn leven ondervond, vergelijk met het werk van overtuiging en vernedering in het eerste en tweede tijdperk van mijn leven, dan zie ik in alles een overeenkomst. (1) Wat betreft de Bewerker; het was het Woord met de Geest. (2) Wat de natuur en aard betreft. (3) Zij komen overeen in hun uiteinde. (4) Zij brachten dezelfde uitwerkingen voort, maar verschilden veel in trap en mate. De overtuiging, welke ik doorging in het eerste tijdperk, zou ik kunnen vergelijken bij het morgenlicht of het aanbreken van de dageraad; die van het tweede bij het aanbreken van de dag of het opgaan van de zon. Maar dit derde tijdperk was in een hoge mate helderder en duidelijker in elke stap, evenals het pad van de rechtvaardigen vergeleken wordt bij een schijnend licht, voortgaande en lichtende tot de volle dag toe (Spr. 4:18). O, wat blonk daarin de oneindige wijsheid en goedertierenheid van God uit, dat de Heere de trappen van Zijn werk uitmat in verband met mijn leeftijd en vatbaarheid!
Ik zal er hier iets van aantonen hoe dit werk van bekering toeging (1) Het geschiedde door een krachtig, vernederend licht uit het Woord, zoals dat aangetekend is in het verhaal van de voorafgaande tijdperken. (2) De Heere onthield mij, als het ware, alle werktuigen en bewerkte mijn ziel onmiddellijk door Hemzelf, tot al die trappen van bekering en de daarop volgende ontsluiting, hetgeen zulk een indruk op mij maakte en zulk een stempel achterliet, dat ik het sindsdien nooit dorst ontkennen, noch het bedrog dorst noemen, niettegenstaande al de slingeringen waarmee ik naderhand te kampen had.
De Heere leerde mij hier de volgende lessen. (1) De gelukstaat van de mens in zijn eerste schepping, met zijn voortreffelijkheden en genietingen. (2) Hoe hij viel, en de ellende van die staat waarin hij viel. (3) De weg van verlossing door Christus. Dit alles met persoonlijke toepassing.
Wat de vruchten of de uitwerking van dit werk betreft, die waren beter te gevoelen, dan ik ooit in staat was, die in woorden te brengen. (1) Ik wens hier te aanbidden, hoe vrijmachtig de Heere mij verscheen, telkens wanneer de nood op het hoogst was, en wens eenaangename herinnering te mogen bewaren van de goddelijke lessen die Hij mij leerde. (2) Ik zie mijzelf lijdelijk in de hand van de Heere, als het leem in de handen van de pottenbakker. O, wat mag ik mij verwonderen en de moeite bewonderen, die Hij van mijn geboorte af tot op deze dag toe aan mij besteed heeft! (3) Ik zie hoe de Heere mijn ziel heeft toebereid voor meer dan gewone openbaringen, door de Geest en het Woord te zenden, die mijn gehele ziel geestelijk vatbaar maakten om goddelijke en bovennatuurlijke dingen te ontvangen, en mijn verstand verlichtten in de grondwaarheden, meer dan ooit tevoren. Ik zie, dat er een overeenkomst was tussen die fundamentele waarheden en de goddelijke lessen die mij geleerd werden, en de meer dan gewone toenadering en openbaringen die mij soms geschonken werden.
Wat de vruchten betreft van deze meer dan gewone toedieningen. (1) Zij brachten zelfverfoeiing voort. O, wat een vernederende ontdekkingen kreeg ik, zowel van het natuurlijk, als van het zedelijk en godsdienstig ik! (2) Ik zag, dat de soevereine genade en liefde van God in Christus de eer zouden ontvangen van alles, wat mijn matigheid betrof, zowel in de tijd als in de eeuwigheid. (3) Ik werd bewaard voor schepselaanbidding, want elke verlossing ging bijna geheel buiten alle schepsel om. (4) Ik mocht op de wereld met al haar genoegens en voordelen met minachting neerzien. Ik begeerde niet meer van de dingen van dit leven, dan dat ik er goed mocht doorkomen, en niemand wat mijn onderhoud betrof tot last mocht zijn. (5) Hier zag ik, wat een onuitsprekelijk verschil er is tussen het deel van Jacob, en de wereld tot zijn deel te hebben. Ik kan bij eigen ervaring zeggen, dat er in een half uur wezenlijke en gevoelige gemeenschap met God meer vreugde, meer genoegen en onuitsprekelijk voordeel is, dan in alle vermaken van de jeugd, en in alle voordelen die de wereld mij kan opleveren. (6) Die meer dan gewone genietingen gaven de zonde en het lichaam des doods zulk een dodelijke slag, dat ik een heel jaar lang weinig van hun tegenstand gevoelde. Welk leven ik gedurende die tijd leefde, kan wel geproefd en gezien maar niet verklaard worden. (7) Zij verzoenden mij met de dood, zodat van die tijd af de dood meestal het voorwerp van mijn begeerte, en het leven de stof van lijdzaamheid voor mij geweest is. O, hoe hebben die Pisga-gezichten en die gedaante veranderende ontdekkingen van het Land, door een onmiddellijk zien, het huis van natuurlijke genoegens doen schudden, en mijn genegenheden van het menselijk leven en al zijn genietingen losgemaakt (8) Geestelijkheid werd mijn element. O, wat een onuitsprekelijke blijdschap vervulde mijn hart, wanneer de verborgenheden van verlossing en genade mij door het Woord en bij het licht van de Geest Gods ontsloten werden, en ik alles, als aan mij geopenbaard, mocht geloven en met toepassing omhelzen. (9) Alle kennis, die ik ooit verkregen heb door lezen en horen, vergeleken bij het onderwijs, dat ik ontving als vrucht van die openbaringen, was maar als sterrenlicht in vergelijking met de zon. (10) Ik ontving de kennis van God, van Christus en de verlossing door Hem, en hoe de Geest die verlossing toepast; van een leven van genade hier en van heerlijkheid hiernamaals. Alle preken, die ik ooit gehoord heb‘ of welk argument ook, hebben nooit ontdekt, dat ik mij in een van al die zaken bedrogen heb.
Mij overkwam in, dit tijdperk nog iets, waardoor ik in gevaar was plotseling door de dood te worden overvallen. De zaak was deze. Er was een huis waarheen ik mij soms begaf om te bidden. Op zekere keer stapte ik de deur binnen en ontving een indruk, waardoor ik gedrongen werd dadelijk terug te keren. En voor ik er een steenworp af was viel het huis plat tegen de grond. O, dat ik uit deze voorzienigheid mag leren, altijd te waken, want ik weet niet in welke gedaante de dood mij zal overvallen! Ik had nog een andere opmerkelijke uitredding. Mijn vader en ik waren naar de kerk geweest, toen wij en het paard, bij het doorwaden van een riviertje, in groot gevaar verkeerden van te verdrinken. Maar wij werden er genadig uit gered. O wat een ontferming blonk in onze bewaring uit, niet alleen ten opzichte van ons, maar ook van de godsdienst, welke er door geleden zou hebben! O, hoe zou deze bedeling van voorzienigheid de monden van de vijanden geopend en de harten van de godvruchtige beproefd hebben. Hiermee sluit ik mijn terugblik op de vier verlopen jaren af.
Vierde tijdperk
Bevattende een verslag van een donkere wolk van verlating, daar ik onder kwam van het twintigste tot het drie en twintigste jaar van mijn leven; alsmede de verscheidene verzoekingen van de Satan, die ik onderging, met een korte verwijzing naar een begin van verruiming.
In het begin van mijn twintigste levensjaar was ik op zekere dag, omstreeks te drie uur, vóór het gebed in overdenking, toen plotseling deze tegenwerping in mij opkwam: welke grond hebt u voor die troostelijke hopen en verwachtingen, die u in het afgelopen jaar gekoesterd hebt? Hiermee overviel mij een grote verwarring en duisterheid van het gemoed, en verschrikking greep mij aan. Ik bleef gedurende twee uren in die toestand, toen een genadig God deze woorden met licht en kracht tot mij zond: "Zult gij niet van nu af tot Mij roepen, mijn Vader, Gij zijt de Leidsman mijner jeugd?"
Hierdoor kwam mijn ziel tot stilte, en zo ging ik tot God in het gebed of Hij mij wilde zeggen, of dit een roepstem van Hem was om mijn kenmerken te beproeven, of dat het een verzoeking van de Satan was. Onmiddellijk na deze smeekbede kwam mij met kracht voor: "Indien dit werk uit mensen is, zo zal het gebroken worden, maar indien het uit God is kan het niet gebroken worden. Dit paste ik op mijzelf toe en zei: "Indien het van God is, wat mij wedervaren is, dan zal de Heere het voor mij ten goede doen meewerken, doch indien het van Satan is, dan zal het gebroken worden." Op de avond van die zelfde dag kwam mij dat woord voor, dat tot de profeet Elia gesproken werd: "En de Engel des Heeren kwam ten andere male weder, en roerde hem aan, en zeide: ‘sta op, eet, want de weg zou voor u teveel zijn. Zo stond hij op, en at, en dronk, en hij ging door de kracht derzelver spijze, veertig dagen en veertig nachten, tot aan de berg Gods, Horeb" (1 Kon. 19:7,8).
Deze Schriftuurplaats mij voorkomende met toepassing op mijzelf, werd het mij zeer bitter te denken, dat ik het geestelijk voedsel en de verkwikking zou moeten missen, welke ik in de voorgaande jaren genoten had, om nu te gaan dwalen in een wildernis van verlating, zonde en verzoekingen, en dat wel, nadat ik zulke heldere gezichten van mijn deel aan God, als mijn Verbondsgod en Vader in Christus en de Leidsman mijner jeugd had mogen ontvangen. Om nu het licht van Zijn aanschijn en de gevoelige openbaringen van Zijn liefde en de uitstortingen van de Geest van de genade te missen. O, hoe bitter waren de gedachten van dit alles voor mijn ziel!
Op de volgende dag was ik met God pleitende in het gebed, of Hij de duisternis van mijn ziel wilde wegnemen en het licht van Zijn aanschijn weer over mij wilde verheffen. En terwijl ik daarin voortging, was het mij alsof ik in wanhoop zou verzinken. En ik opende mijn mond aldus onredelijk tot God, zeggende: "Neem liever mijn leven weg, dan dat Gij het licht van Uw aanschijn intrekt," waarop onmiddellijk het voorhangsel werd weggeschoven en ik een gezicht ontving van Zijne heerlijkheid. Maar ach, dit liefelijk schijnsel duurde slechts een ogenblik en mijn duisternis keerde onmiddellijk terug. De volgende dag kwam mij met kracht voor: "Mijn tijden zijn in Uw hand" (Ps. 31:16). Dit paste ik op mijzelf toe en zei: ook mijn tijden zijn geheel in Uw hand. En ik geloof dat Hij ze voor mij ten goede zal doen meewerken. Zo bracht ik verscheidene dagen door, pleitende en hopende dat mijn genietingen mochten terugkeren. Maar helaas! Ik werd teleurgesteld.
Hierna trachtte ik in kennis te komen met iemand, die bekend stond voor een geoefende christin. Na kennismaking met haar, deelde ik haar iets mee van mijn toestand en vertelde ik haar, welk een aangenaam leven ik het gehele vorig jaar genoten had en hoe ik er zo plotseling van beroofd was geworden. Zij vertelde mij, dat ik van dat leven moest afzien, of dat ik de wereld zou moeten verlaten. Ook sprak zij met mij over een leven van het geloof, waardoor een gelovige in deze wereld leefde en dat gevoelige openbaringen voor de eeuwigheid waren weggelegd. En zij onderwees mij door een gelijkenis, dat Christus met Zijn jonge bekeerden handelt, als een moeder met haar kind. Wanneer het nog jong is, draagt zij het in haar armen, of zij houdt het bij de hand, doch wanneer het sterker wordt, laat zij het alleen lopen. Zij laat het eens vallen en weer opstaan en toch is haar liefde steeds dezelfde. Zo handelt Christus met Zijn kinderen, wanneer zij pas op de weg komen. Hij openbaart hun eerst veel van Zijn liefde. Maar wanneer zij meer ervaring krijgen, houdt Hij Zijn gevoelige genade in, opdat zij mogen leren, door het geloof te wandelen, hoewel nochtans Zijn liefde tot hen steeds dezelfde is. Zij vertelde mij ook, dat ik niet moest denken, dat ik altijd de glans van goddelijk licht en liefde zou genieten, maar dat ik van de berg van openbaringen moest afkomen, om de donkerheid van de wildernis te doorwandelen, evenals de wolk der getuigen, die mij waren voorgegaan, dat hadden gedaan.
O, dit was een goede raad, maar, helaas! Ik wist niet hoe er gebruik van te maken. In mijn vorig leven was ik door de leraars geslagen, en christenen en mijn naaste betrekkingen waren de instrumenten van mijn beproeving geweest. Maar wanneer alle beekjes waren uitgedroogd kwam mijn ondersteuning nog van de Fontein Zelf. En wanneer ik van dat leven zou moeten scheiden, dat zij gevoel noemden, dan wist ik niet, hoe dan te leven.
Zo leefde ik gedurende de tijd van twee maanden, maar bij mijzelf redenerend hoe ik dit leven van het geloof zou leven. Maar mijn duisternis bleef en de Liefste van mijn ziel verborg Zijn aangezicht voor mij, en mijn toestand was zo ongelukkig dat ik op zekere nacht in het gebed mijn hoop begon weg te werpen. In diezelfde nacht kreeg ik deze waarheid uit Deut. 32:6 met zulk een bestraffing, dat ik sindsdien nooit weer mijn staat heb durven aantasten, hoe slecht het er met mij bij mocht staan: "Zult gij dit de Heere vergelden, gij dwaas en onwijs volk?" Dit paste ik op mijzelf toe als een rechtvaardige bestraffing voor mijn slecht vergelden van al de liefdebewijzen, die ik van een genadig en liefderijk God had ontvangen. Daarop greep mijn ziel onmiddellijk de Heere aan, als mijn Verbondsgod, en ik besloot in de kracht van Zijn genade, nooit mijn greep van mijn deel aan Hem los te laten, al zou mijn toestand nog zo slecht zijn.
Hierna begon Satan met zijn verzoekingen, zich in verschillende gedaanten aan mijn verbeelding voor te stellen, zodat ik dagelijks gepijnigd werd met vrees voor zijn verschijningen. Op zekere dag, toen ik biddend was om de verdelging van zijn koninkrijk, was het mij alsof hij tot mij zei: "Verdraag mij en ik zal u verdragen". Niet lang daarna kwam ik onder een benauwende gebondenheid onder het bidden, en mijn vorige vrijheid en vrijmoedigheid werden ingehouden, waarop Satan mij wijsmaakte, dat ik aan hem was overgegeven. Op een andere dag in het gebed zijnde, of de Heere met enkele vrienden, die afwezig waren, wilde zijn, en ook met mij, werd mij plotseling ingeworpen dat God toch niet overal tegelijk kon zijn.
Deze verzoeking kwam met zulk een kracht tot Mij, dat het mij deed verstommen. O, wat was mij dit bitter, dat hij mij zo tot godverloochening verzocht. En dit maakte het mij nog bitterder, dat de Heere mij Zijn gewone bijstand onthield. Vroeger toch, wanneer Satan zijn vurige pijlen in mij wierp, vond ik dadelijke ondersteuning, doordat mij kracht geschonken werd, om het zwaard des Geestes, het Woord van God, te trekken, waarmee ik hem wederstond. Maar, helaas! Nu was dat zwaard stomp in mijn hand, en ik had geen kracht om het te handelen. Satan ging nog steeds voort met zich aan mijn verbeelding voor te stellen in verscheidene gedaanten. En onder het bidden viel bij verwoed op mij aan, zodat ik er niet in kon doorgaan, behalve wanneer ik hulp kreeg om het scherm van het verbond om mij heen te halen en mij vergund werd mijn ziel uit te gieten voor een verzoend God in Christus en mijn Verlosser te zien als een overwinnaar over Satan en al zijn gezanten. Op zekere nacht kwam bij zichtbaar op mij af, zodat ik gedwongen werd die plaats te ontvlieden. Maar de Heere verscheen genadig tot mijn hulp en zond dat woord met kracht tot mijn ziel: "Vrees niet, want Ik ben met u, om u te verlossen". En terwijl ik zo gekweld werd met zijn verzoekingen en de leden van een lichaam des doods tegen mij voelde oprijzen en mijn heerlijke Verlosser mij het gevoel van Zijn liefde onthield, bracht mij dit in grote engte, hoe ik zo in de wereld zou kunnen leven. Toen ik zo troosteloos neerzat kwam mij met kracht en leven dat woord voor: "Ik zal u leiden door Mijn raad en daarna in Mijn heerlijkheid opnemen." Hierop liet de duivel van mij af en hij verliet mij voor een tijd met dit soort verzoekingen, dat ongeveer negen maanden geduurd had. Dit alles overkwam mij in het twintig te jaar van mijn leven, zijnde het eerste jaar van deze donkere wolk.
De twee volgende jaren zal ik bij elkaar voegen. Want het ging van kwaad tot erger met mij en die twee jaren was er niet alleen een onttrekking van de glans van goddelijk licht in de gevoelige uitstortingen van de Geest en van de toeknikken van goddelijke liefde, maar er was ook voor mijn bewustzijn en gevoel een beroving van de oefening van alle genade, terwijl er ook een dodigheid en krachteloosheid over mijn ziel was uitgespreid, zodat er geen plicht was, die ik als tevoren kon verrichten. En mij was niets overgelaten dan alleen het gezicht van mijn aandeel in het verbond en enige hoop, dat de Heere zou wederkeren en, dat ik, indien niet in de tijd dan toch zeker na de tijd, tot in alle eeuwigheid in het bezit en in de volle genieting zou gesteld worden van mijn heerlijke Verlosser.
Ik ben er van overtuigd, dat ik, als mij dit niet vergund was, van mijn verstand zou zijn beroofd geworden. Vroeger verwonderde ik er mij over, wanneer ik Gods volk hoorde klagen over een afdwalend hart onder de plicht, en over ijdele gedachten onder de prediking. Maar nu, helaas! bevond ik dat mijn eigen droevige ervaring te zijn. Hoewel ik vroeger een preek kon horen en kon bidden zonder door een ijdele gedachte gestoord te worden, bevond ik het nu een grote moeilijkheid mijn hart tot de plicht te brengen en het daar te houden, zodat ik van plicht tot plicht ging. Waar ik tevoren gewoon was, de genadige tegenwoordigheid van Christus te genieten. Maar nu, helaas! Mijn Liefste was geweken. Ik zocht Hem, maar ik vond Hem niet; ik riep Hem, doch Hij antwoordde mij niet. Zo ging ik mijn weg klagend en mijn jammerlijk lot bewenend. Doch, helaas! Ik kreeg geen ontsluiting. O, de bitterheid van ziel, die ik toen doormaakte, zowel onder de kracht van overmogende zonde en een verzoekende duivel, als onder een zich verbergende God, die Zijn genade onthield, om ze te weerstaan en neer te vellen. Er gebeurde in deze twee jaren veel meer, dat ik maar voorbijga.
Zo gingen drie droevige jaren van mijn leven voorbij. Drie jaren van deze donkere wolk zijn voorbij, maar, helaas! het vierde was duisterder dan die alle. Want nu werd ik niet alleen beroofd van de glans van goddelijk licht en van de gevoelige toeknikken van mijn Liefste, maar ook van de gevoelige oefening van alle genade en alle plichten die ik geoefend had. En dit was nog niet alles, maar de ketting van de duivel werd verlengd en alle troepen van helse geesten en zwermen begeerlijkheden, leden van het lichaam des doods, vergaderden zich tegen mij. Dit dacht heilige Vrijmacht goed toe te laten tot doeleinden die bij Hem bekend waren. Hier stond ik, wat mijn bewustzijn betreft, naakt uitgestroopt van mijn gehele wapenrusting en blootgesteld aan het open veld van verzoekingen, waar ik de donderslagen en vurige pijlen van de duivel had te verduren. Nochtans, niettegenstaande dit alles werd mij vergund mijn greep van een aandeel in het verbond vast te houden.
Op zekere dag dat ik mijn Bijbel zat te lezen, beval de duivel mij die weg te werpen. Dit deed hij niet maar eenmaal of tweemaal, doch veel dagen aaneen hield hij niet op, mij toe te roepen, dat ik hem weg moest werpen. En ik was zover van mijn wapenrusting beroofd, dat ik niet meer kon doen, om hem te weerstaan, dan dat ik mijn Bijbel met beide handen vasthield en met mijn tranen besproeide.
Op een andere dag, toen ik mijn moeilijk leven beklaagde, vergeleken met mijn vorig leven, kwam de verzoeker mij met die verzoeking voor: "Vervloek de dag waarop gij geboren zijt." En ik kon hem slechts dit antwoorden: "O, zal wat Jobs zonde was, mijn plicht zijn?" Zo bracht ik verscheidene dagen door in vrees dat ik mijn mond zou open doen om mijn dag te vervloeken, doch, de Heere zij geloofd, Hij heeft mij bewaard. Want ik kan mij niet herinneren, dat ik ooit mijn mond geopend, of de minste toestemming aan deze verzoeking gegeven heb. Ik had altijd bij mij, "O! Zal wat Jobs zonde was, mijn plicht zijn?" Nochtans hield de verzoeker van dag tot dag aan, zodat het vurig venijn van zijn pijlen mijn geest bijkans uitdronk en het mij was als dat volk, waarvan geschreven staat: "Des morgens zult gij zeggen: och, dat het avond ware, en des avonds zult gij zeggen: och dat het morgen ware; vermits de schrik uws harten, daarmee gij zult verschrikt zijn, en vermits het gezicht uwer ogen, dat gij zult zien." (Deut. 28:67) Doch wat erger was dan dit alles, mijn heerlijke Verlosser bleef Zijn aangezicht voor mij verbergen. De Geest der gebeden was teruggetrokken en het zwaard des Geestes, het Woord Gods, was in een dode letter veranderd. Toch mocht in die droevige toestand mijn ziel de Heere aankleven, zeggende: "Ziet, zo Hij mij doodde, zou ik niet hopen? (Job. 13:15). Zo werd mij vergund mijn deel aan God, als mijn Verbondsgod, vast te houden, niettegenstaande alles wat mij was overkomen.
Hierna kwam de verzoeker met die verzoeking: "Maak uzelf van kant, want u behoeft niet bevreesd te zijn, uw eeuwig deel staat toch vast". Deze verzoeking hield hij veel dagen vol.
Op zekere dag was ik alleen in het verborgen biddend, toen hij heftig op mij aanviel en mij zowel de goede gelegenheid als de middelen aanwees om mij van het leven te beroven, waarop ik gedwongen was, die plaats te ontvlieden.
Op een andere dag moest ik een weg gaan, waar ik geheel alleen was en zich een sloot met water bevond, waarop hij heftig op mij aanviel, dat ik mij zou verdrinken, zijn verzoeking kracht bijzettend met: "U behoeft toch niet bevreesd te zijn, u zult rechtuit naar de hemel gaan en de wereld zal nooit weten, waar je gebleven bent". O! Ik was op het punt om krankzinnig te worden, want ik kon er niet tegen protesteren. Doch ik werd bewaard van hem toe te geven en ik werd door een onbewuste ondersteuning van een Almachtig God geholpen om de verzoeking in al zijn wijzen van voorkomen te weerstaan.
Toen ik in deze treurige toestand was, en op het punt mijn verstand te verliezen, lag ik op zekere dag op mijn knieën tot God te bidden. En het was mij alsof beide hemel en hel levendig aan mij werden voorgesteld, terwijl ik als het ware zag dat de duivel mij bespotte, en klaar stond om mij naar hem toe te halen, toen op diezelfde tijd, in deze uiterste benauwdheid, de heerlijke Christus, die de keten in Zijn hand heeft die de duivel vasthoudt, tot mijn hulp verscheen, zodat hij niet tot mij kon genaken. Toch uitte ik, wegens de grote zielsangst door de hevigheid van de langdurige en grote verzoekingen, onvoorzichtige en ongepaste woorden voor de Heere, doch geloofd zij Zijn naam voor eeuwig, Hij vatte mij niet op mijn woord, zoals Hij rechtvaardig kon gedaan hebben. Maar omdat Hij vol ontferming was, vergaf Hij mij mijn zonde en Hij vernielde mij niet om mijn dwaasheid. Zo behaagde het een genadig en barmhartig God, de duivel te weerhouden en mij voor een tijd van zijn verzoekingen te verlossen.
Doch, helaas! Mijn toestand werd er weinig beter door, want mijn heerlijke Verlosser verborg nog steeds Zijn aangezicht voor mij, en genade was zo laag afgelopen, en de plichten waren zo levenloos als ooit tevoren. O, nu wist ik niet welken weg ik moest inslaan, om dat leven weer te verkrijgen dat ik in mijn negentiende levensjaar mocht genieten. Nu geraakte ik met mijzelf aan het redeneren en ik probeerde ook een overzicht te krijgen van de bevindingen en oefeningen van de heiligen, zoals die in de Schriften vermeld zijn. En ik nam waar dat zij soms tot de verborgen en soms tot de openbare plichten gingen, dat zij zich soms tot de wachters en op andere tijden tot de medechristenen wendden. Ik vond dit alles in het bijzonder in het geval van de bruid, zoals dat in het Hooglied vermeld is. Daar zag ik, dat het enige wat zij in al die middelen zocht, Christus Zelf was. Omdat ik hierin mijn eigen toestand vond, besloot ik te trachten haar voorbeeld te volgen. Doch, helaas! Ik had geen geestelijke, noch natuurlijke sterkte overgehouden. Niet alleen, dat het laag met mij afgelopen was in de oefening van de genade, maar ook mijn natuurlijke vermogens waren gebroken en ongesteld door mijn langdurige strijd met de duivel en zijn verzoekingen; en mijn lichaam was zeer verzwakt, doordat ik mij onthouden had van die dingen waardoor de natuur staande gehouden wordt.
Hierop beproefde ik al die middelen, zoals het gebed, overdenking en het lezen van het Woord, want daarin placht ik de tegenwoordigheid van mijn Verlosser te genieten. Ik nam ook de openbare godsdienst waar en ging tot de predikant en tot christenen. Maar in plaats van uitkomst en genezing kreeg ik wonden, en tenslotte had ik nog met het ongeloof te worstelen, dat mij zei dat ik aan deze zijde van de eeuwigheid nooit weer een toeknikje van mijn Liefste zou ontvangen. Nochtans antwoordde mijn ziel in mij, dat ik, niettegenstaande al de teleurstellingen die mij waren overkomen, zou blijven zoeken, totdat mijn stervensuur daar was. Al de tijd toch dat ik onder deze donkere wolk verkeerde, mocht ik mijn deel aan God, als mijn Verbondsgod in Christus, mijn Verlosser, vasthouden, hoewel Hij toen weggegaan was en mij de gevoelige glimlachen en toeknikken van goddelijke liefde en goddelijk licht onthield.
Terwijl ik in deze ellende verkeerde en geen menselijke hand mij enige hulp kon toebrengen, gedacht mijn genadig God mij met een vernieuwd bezoek, met Zijn Eigen zaligheid, toen ik op zekere nacht in het verborgen gebed was. Na deze tijdige verschijning van God tot mijn hulp, werd die tastbare duisternis, waarin mijn ziel nu vier jaren aaneen verkeerd had, enigermate weggenomen en werd mij weer vergund het licht van het aangezicht van de Heere te genieten; dat voor die tijd beide mijn ziel en mijn natuurlijke geestkracht versterkte en verlevendigde. Terwijl ik een indruk in mijn gemoed kreeg, waaruit ik verwachtte en geloofde, dat ik tot mijn vorig licht en mijn vorige vertroostingen in Christus zou hersteld worden, doch door andere middelen en werktuigen dan Ik die vroeger genoot. Ik had deze ontdekking in het laatst van het drie en twintigste jaar van mijn leven, dat het vierde jaar van deze donkere wolk was, waarover ik de volgende opmerkingen zal maken:
1e. Ik merk op, dat de grote verandering, die ik in mijn toestand onderging, mij plotseling tot het ergste bracht. 2e. Ik zie de grootheid van de verzachtingen en ondersteuningen, die de Heere mij genadig verleende, alsook de waarschuwingen die Hij mij gaf uit Zijn Woord. 3e. Ik merk op dat deze duisternis niet grondig en algemeen, maar gedeeltelijk en bij trappen was. 4e. Hier zou ik mijn toestand kunnen vergelijken bij de natuurlijke dag, wanneer de zon, door wolken bedekt, de lucht afkoelt en onaangenaam aandoet, terwijl er nochtans sommige bloemen en kruiden zijn, die evengoed in de schaduw als in het zonlicht groeien. Ik merk hier op, dat het, toen ik onder deze wolk verkeerde, die mijn ziel overschaduwde, juist de geschikte tijd was om geloof, hoop, lijdzaamheid en nederigheid te oefenen, waartoe de zonneschijn, welke ik in de vorige jaren genoot, niet zoveel aanleiding gaf. 5e. Ik merk op hoe de goddelijke volmaaktheden ten toon gespreid werden in de verschillende veranderingen, die ik onderging. 6e. Ik bemerk en kan met de Psalmist zeggen, dat wanneer de zon ondergaat het gedierte van het woud uittreedt. (Ps. 104). Dit kan ik uit mijn droevige ervaring zeggen, dat wanneer de Heere het licht van Zijn aanschijn van mij onttrok, het roofgedierte rondsloop, om mijn ziel te roven. Die kwaden welke over mijn ziel de overhand hadden in deze nacht van verlating en verzoeking waren de volgende:
(1) De duivel, de vernieler van het menselijk geslacht. (2) Ik zag een terugkomst van een lichaam des doods, dat tevoren een dodelijke slag had gekregen. Die twee vijanden stonden mij verenigd en elk afzonderlijk tegen in onuitsprekelijke en onnoemelijke wegen. (3) Het licht dat ik gewoon was, en de tijdige hulp, werd mij onthouden. O, hoe kwam mijn toestand overeen met die van Simson! Ik was in de macht van mijn vijanden en mijn sterkte was vergaan, nochtans waren er wezenlijk goede dingen zelfs in deze droevige toestand.
1. Een wezenlijke ondersteuning en een almachtige kracht omringden mij, zelfs toen het bij mij op zijn laagst was afgelopen, hoewel ik het niet kon zien en gevoelen. 2. Sommige woorden van genade daalden met kracht in mijn ziel, als middelen tot mijn ondersteuning en vertroosting. 3. Er was een partij in mijn ziel, die de zonde en die boosheden, waartoe ik werd verzocht, verfoeide, doch de liefde tot God als verzoend in Christus bleef, zodat in Zijn afwezigheid niets Zijn plaats kon vervullen. 4. Ik mocht mijn deel aan en mijn betrekking tot God, als mijn God in Christus, vasthouden. Hoewel Satan hiervan gebruik maakte als een beweeggrond om mij zijn afschuwelijke verzoekingen te doen inwilligen, toch bekrachtigde mijn heerlijke Verlosser mij, die hetzelfde bestanddeel in Zijn staat van vernedering en lijden had, zoals Matth. 4:3-11 dat vermeldt, om tegen de vijand stand te houden. En Hij bewaarde mij, dat ik niet aan zijn verzoekingen toegaf.
In betrekking tot de uitwerkingen van deze verlating en verzoeking merk ik op: 1e. Dat het veel gelijkenis met de hel heeft. Want in de hel is de straf van verlies en de straf van gevoel. O, ik heb de waardij van mijn genietingen mogen zien en leren waarderen uit het verlies. Menig keer heb ik mijn toestand vergeleken bij de blinden, bij het onderscheid tussen hen, die blind geboren waren, die nooit de weldaad en het genot van het licht gehad hadden en hen, die het gezicht gehad en het daarna verloren hadden. De overdenking van het gemis zal voor de ene bitterder zijn dan de andere. Zo was het bij mij. Mijn nagedachten over wat ik verloren had pijnigden mij. 2e. De kwaden, die ik in en om mij gevoelde en de uitwerkingen van die kwaden, beide in mijn ziel en lichaam, kwamen mij in mijn toestand als een hel voor. 3e. Ik merk op dat het gevoeld besef van de overweldigende en de overmogende kracht van de inwonende zonde, met de schrikkelijke vuistslagen van de Satan en een inhouden van de gevoelige of gevoelde kracht van de Geest der genade, om ze neer te vellen en te weerstaan, voor de vernieuwde ziel als een hel is. 4e. Ik zie hierin een ontplooiing van de oneindige Wijsheid, hoe mij voor hoogmoed te bewaren, opdat ik mij niet bovenmate zou verheffen over mijn vorige genietingen. Hij stroopte mij zo uit, om mij te laten zien en gevoelen dat ik niets had en niets van mijzelf kon doen, dan wat door een bovennatuurlijke kracht gewerkt werd. Ik vergeleek mijzelf dikwijls bij iemand die keurig opgebracht was en zich in weelde gebaad had, doch die daarna van alles ontbloot, met vodden gekleed, onder de bedelaars op een mesthoop neergezet was. De toestand van zo iemand is pijnlijker en veel zwaarder te dragen, dan van hen, die hun leven lang op de mesthoop verkeerd en nooit iets beters gekend hebben. O, wanneer ik dacht aan de Pisga gezichten en de voorsmaken van het beloofde land, met het verscheiden en liefelijk onthaal, dat mij te beurt gevallen was en dat vergeleek bij de toestand daar ik nu in verkeerde, dan kwam het mij in sommige opzichten veel erger voor, dan de toestand van hen, die al hun dagen op de mesthoop van de natuur hadden doorgebracht, want hun leven kwam overeen met hun aard en zij hadden er dus lust in, maar mijn leven was mij gedurende die vier jaren als een hel. Twee Schriftuurplaatsen kwamen mij dikwijls in de gedachte, terwijl ik onder deze donkere wolk verkeerde, die naar mijn gedachte van de duivel kwamen, om mij tot wanhoop te drijven. De ene was: "Hoe zijt gij uit de hemel, gevallen, o morgenster, gij zoon des dageraads", (Jes. 14:12); de andere was: (Dan. 4:32) "En men zal u van de mensen verstoten en uw woning zal bij de beesten des velds zijn." Zo nam de duivel mij onder handen en zo had iedereen kunnen doen, als zij mijn toestand hadden geweten.
(1) Hier heb ik, tot mijn droevige ervaring, gevoeld, hoever de Heere van de ziel kan weggaan en haar nochtans niet geheel en al verlaten, omdat Zijn genadegiften en roeping onberouwelijk zijn. (2) Ik merk op, dat de goddelijke volmaaktheden meer uitblinken in een ziel verlating en verzoekingen te doen doorgaan en haar dan daaruit te verlossen, dan enige andere beproevingen, die zij in de wereld kan ontmoeten, doen kan. (3) Ik kan bij eigen ervaring zeggen, dat de verlating mij meer heeft vernederd dan alles wat mij ooit is overkomen. Hier zal ik het bij laten, wat betreft mijn terugblik op die vier benauwde en bewolkte jaren.
Vijfde tijdperk
Bevattende een verslag van de verschillende oefeningen, welke ik doormaakte van het drie en twintigste tot het zeven en twintigste jaar van mijn leven, in welk jaar ik mijn ouders verliet en te Stirling kwam, waar ik, door de prediking van het Evangelie, meer licht ontving en verder bevestigd, werd in mijn vorige bevindingen; tot mijn vorig licht en vertroosting in Christus hersteld, werd, als een gezegende vervulling van wat Hij mij vroeger had doen verwachten en geloven, en hoe alles eindigde in een aangename ontkoming uit de droevige toestand, waarin ik in het vorige tijdperk verkeerde.
In het volgende jaar werd ik als volgt tot een verlevendiging van mijn toestand gebracht, namelijk door een verlevendiging en versterking van de hebbelijkheden van de genade, die zeer vervallen waren, terwijl mij ook meer sterkte geschonken werd tot waarneming van de plichten. Twee weken na deze begonnen verlevendiging, toen ik een poosje alleen wandelde, trachtte ik die tijd, tot mijn nut, in overdenking door te brengen, en zo geraakte Ik in overpeinzing, wat ik in de verlopen jaar had doorgemaakt en hoe de Heere mij, na zulk een langdurige afwezigheid, nu weer opnieuw bezocht had. Toen ik zo de wonderen van Zijn liefde en genade tot mij, arm zondig en ellendig schepsel, liep te bewonderen, trok Hij het voorhangsel open en liet een straal van goddelijk licht in mijn ziel in, bij welk licht ik zulke openbaringen van verlossende liefde en genade aanschouwde, dat het mij onmogelijk is, die in woorden weer te geven. Doch hoewel mijn verstand geheel ingenomen was met de beschouwing van deze onuitsprekelijke verborgenheid van de menigvuldige wijsheid Gods, toch mocht ik, door Zijn zorg voor mij, mijn reis veilig ten einde brengen, hoewel ik onderweg over mijzelf niet dacht. Maar helaas! dit aangenaam bezoek duurde slechts die dag. Toch had mijn ziel hierop een zoete rust in het betrouwen op de Heere en was ik in elk opzicht versterkt. Ik begon dan mijzelf te onderzoeken en er werd een weeromstuitend licht in mijn ziel gezonden, waarbij ik kreeg te zien, zowel, hoe de donkere wolk van verlating over mij kwam, als, hoe zondig ik mij daaronder misdroeg. Enkele van die misdragingen in de vier verlopen jaren heb ik reeds gemeld. Toen ik mijn onlijdzaamheid overdacht onder de verbergingen van Zijn gezegend aangezicht, alsmede de harde en wanhopige gevolgtrekkingen, waartoe ik dikwijls kwam, sprekende: "Houdt Zijn goedertierenheid in eeuwigheid op? Heeft God vergeten genadig te zijn? Heeft Hij Zijn barmhartigheden door toorn toegesloten? Zal Hij voortaan niet meer goedgunstig zijn?" Ik zeg, toen ik dit overdacht, alsook die gruwelijke verzoekingen, welke ik tevoren heb opgetekend, werd ik ten zeerste beschaamd. Ik ben er zeker van dat de Satan, toen ik mijzelf wegens mijn zonden veroordeelde, bezig was om de schuld va al die verzoekingen op mij te leggen, alsof ik aan die alle had toegegeven. Hier zag ik de verzoeker op de loer liggen, want ik was zo beneveld dat ik mijzelf zo schuldig beschouwde alsof ik alles had gedaan waartoe ik door de duivel was verzocht, terwijl mijn geweten mij als in Gods tegenwoordigheid getuigenis gaf dat ik niet had toegestemd om iets te doen waartoe hij mij had verzocht. Doch ik zeg dit niet, om mijzelf te rechtvaardigen, maar om de duivel te weerleggen. Er waren ook twee andere Schriftuurplaatsen, waarvan ik zeker ben, dat de duivel ze mij deed voorkomen. De ene was: "Tot wie van de heiligen zult gij u keren?" (Joh. 5:1). Hierop bezag ik de zonden van de heiligen, die in Gods Woord zijn opgetekend en ik kon onder die alle er geen vinden die aan de mijne gelijk was. Daarop bezag ik de zonde van de godzaligen uit mijn dagen, zover ik die kende, maar ik kon er niet een vinden die bij mij was te vergelijken. Mij kwamen ook sommige van de grote zonden voor, die de goddeloze en genadeloze wereld beging, doch de mijne waren veel zwaarder dan de hunne. Want de hunne waren maar zonden van onbekeerde en onbegenadigde mensen, maar de mijne waren overtredingen tegen een verzoend God in een Middelaar, en tegen geopenbaarde liefde. Hierop volgde de andere Schriftuurplaats: "Want het is onmogelijk degene, die eens verlicht geweest zijn, en de hemelse gave gesmaakt hebben, en de Heilige Geest deelachtig geworden zijn, en gesmaakt hebben het goede woord Gods, en de krachten der toekomende eeuw, en afvallig worden, die, zeg ik, wederom te vernieuwen tot bekering" (Hebr. 6:4-6). Hierop werd ik verzocht mijzelf van de zonde tegen de Heilige Geest, die onvergeeflijk is, te beschuldigen. Hierdoor werd ik met grote verschrikking bevangen. Maar geloofd zij de Heere, Die mij ontdekte dat het aas aan Satans haak zat.
Hierop vatte ik moed en ontkende de waarheid van de beschuldiging van de duivel. Mij kwam te binnen, wat ik in Guthrie’s "Zaligmakend aandeel" over deze zonde had gelezen. Hij noemt het een verwerpen en tegenstaan van de voornaamste Evangeliewaarheid en de weg van verlossing voor mensen door de Geest van God in de waarheid en goedheid daarvan, en dat wetens, ongedwongen, vrijwillig, boosaardig, wanhopig, een hopeloze vrees voortbrengend.
Hier kon ik mij op God, als mijn Rechter, en op mijn geweten, als mijn getuige, beroepen, dat ik aan die zonde niet schuldig was. Maar niettegenstaande dat was er een storm in mijn ziel opgestoken, wegens deze beschuldiging, die de Satan tegen mij inbracht, alsmede gedragingen waaraan ik wel schuldig was. Doch ik ging tot God, deze woorden sprekende en zeggende: "o, dat Gij wilde vergeven en bekend maken, dat Gij het gedaan hebt. Mij dunkt, ik zal tevreden zijn, al zou ik nooit weer zoveel nabijheid en zulke zoete, heldere uitlatingen van goddelijke liefde genieten, als vroeger." Onmiddellijk hierop gevoelde ik een kracht in mijn ziel, welke die genaden, namelijk geloof en berouw, levendig werkzaam maakte. Want mij werden mijn zondige misdragingen met al de bijzondere verzwaringen levendig en helder voorgehouden, waarop mijn hart wegsmolt voor God. En ik gevoelde mijn ziel uitgaan om Christus opnieuw aan te nemen, zoals Hij in de belofte van het evangelie wordt voorgesteld, met een oog op de oneindige waardij van het bloed der besprenging tot wegneming van de zonde. En terwijl ik zo werkzaam was, kwam mij met veel kracht en licht dat woord voor: "Het bloed van Jezus Christus, Zijn Zoon, reinigt ons van alle zonde," zodat daardoor de schuld van mijn geweten werd weggenomen en ik geloofde, dat God mij vergeving had geschonken. Ook werd mij dat lieflijk woord, (Micha 7:18) "Wie is een God gelijk Gij, Die de ongerechtigheid vergeeft en de overtreding van het overblijfsel Zijner erfenis voorbij gaat? Hij houdt Zijn toorn niet in eeuwigheid, want Hij heeft lust aan goedertierenheid," tot mijn verdere bevestiging geschonken, dat Hij mijn zonden vergeven had, zodat het gezicht, om zo te zeggen, verdubbeld werd. O, hier kan ik niet anders dan de wonderlijke neerbuiging van goddelijke Soevereiniteit bewonderen, in mij zo te antwoorden, dat Hij mijn zonden vergaf en bovendien tot mij sprak, dat Hij het gedaan had! O, hier zag ik genade verheerlijkt, in een van de voornaamste van de zondaren de zonden te vergeven. Nu kon ik de duivel te woord staan en zeggen: "hoewel ik onder de voornaamste van de zondaren behoorde, toch ben ik tot de voornaamste van de Heilanden gekomen, Die volkomen kan zalig maken degenen, die door Hem tot God gaan" (Hebr. 6:25).
Hierop ging ik mijn weg met blijdschap, evenals de vogels, die na een lange stormachtige winter beginnen te zingen, wanneer de lente komt, hoewel de zomer nog niet is aangebroken. Zo begon ook mijn ziel na de lange winter van verlating en de stormen van verzoeking, zich te verblijden in wat God voor mij gedaan had. Hoewel mijn toestand toen nog zoveel verschilde van wat hij in mijn negentiende jaar was, als het licht en de hitte van de zon in de lente verschilt van haar licht en warmte in de zomer.
Zo mocht ik mij gedurende vele weken verblijden, hoewel, helaas! mijn zon, om het eerste deel van de gelijkenis te gebruiken, nog steeds als in een nevel gehuld was. Want hoewel God de donkere wolk had weggenomen en mijn ziel zover had verlevendigd, dat de plichten aangenamer en meer verkwikkend voor mij werden, toch was er een inhouding van de gevoelige uitstortingen van Zijn Geest en van de zielveranderende stralen van goddelijk licht en liefde, die ik vroeger had genoten.
O welke verkeerde bevattingen had ik hier van het leven van de gelovigen in deze wereld, die wijze raad vergeten hebbende van mijn geliefde godvruchtige vriendin, toen zij mij in het eerste jaar van die donkere wolk er op wees, dat de gelovige, zolang hij hier is, door het geloof zal leven en dat het gevoel voor de eeuwigheid is weggelegd. Maar daar zij door de dood was weggenomen, had ik nu geen mens tot ondersteuning, aan wie ik mijn hart eens kon luchten. Ik was toen ook nog zo onkundig van de wijze hoe het geloof voedsel trekt uit de beloften door het kanaal van de instellingen van het Evangelie.
Hierop beproefde ik het met de goddelijke instellingen, en werkte hard om alles op mijzelf toe te passen. Soms hoorde ik de ellende van de mens door de val en het kwaad van de zonde voorstellen, alsook de noodzakelijkheid van de wedergeboorte en van het hartelijk kiezen van Christus; ik hoorde ook het bestraffen van de zonde; het roepen tot de plichten; aanprijzingen van Christus en, dat die zielen, die Hem hadden omhelsd en een gezicht van hun deel aan Hem en van de vergeving van al hun zonden hadden gekregen, de gelukkigste zielen in de gehele wereld waren. Wanneer ik over dat alles nadacht, dan kan ik niet ontkennen, dat ik een van die zielen was, die het Evangelie welgelukzalig noemt. Maar dit beantwoordde, helaas! mijn toestand niet, want noch het besef van mijn deel aan Christus, noch van de vergeving van mijn zonde kon mij bevredigen, zolang Hij van mijn ziel afwezig was met het gevoel van Zijn liefde en het licht van Zijn aangezicht. En zo bleef ik mijn droevig lot beklagen.
Op zekere dag zat ik in een eest, waarin enige korrels graan gevallen en opgekomen waren. Dit ziende begon ik bij mijzelf te redeneren, hoe dit zaad was opgekomen, hoewel het winter was en het zowel de warme zonnestralen als de regen tot bevochtiging miste. Ik paste dit op mijzelf toe en zei: zou genade niet in u kunnen groeien, hoewel u de liefelijke stralen van de Zon der gerechtigheid mist en het enigermate winter bij u is? Ik zag hier echter ook, dat hetgeen ontkiemd en opgekomen was, niet tot volkomenheid kon geraken zonder de hitte van de zon en de warme regenbuien tot bevochtiging en, dat zo evenmin de genade in mijn ziel kon groeien zonder de uitstralingen van de Zon der gerechtigheid en de bevochtigende invloeden van de Geest van Christus.
Terwijl ik zo mijn droevig lot beklaagde, kwam mij voor, hoe David met Absalom handelde, nadat hij zijn broeder Amnon gedood had. Hij schonk hem zijn leven en hij bracht hem weer te Jeruzalem, maar hij liet hem niet toe zijn aangezicht te zien (2 Sam.14:24). Dit paste ik op mijn ziel toe en zei: "welke nuttigheid is het voor mij, dat God mij het leven geschonken heeft in de vergeving van mijn zonden, nu Hij mij het licht van Zijn aangezicht onttrekt?" Zo bleef de bitterheid van mijn ziel mij bij en ik bleef tot God roepen om zulk een vertoning van Zijn verzoend aangezicht, als genoegzaam zou zijn, om zulk een langdurige verdenking van Zijn liefde uit te wissen.
Opnieuw sloeg ik een terugblik op de afschuwelijke verzoekingen van de Satan, die ik reeds vermeldde, en ook op mijn verkeerd gedrag onder die donkere wolk. Toen ik die misdragingen overdacht, kwam mij voor wat vermeld staat van Mozes, David en Salomo, van welken de zonden alle gevolgd zijn door een merkteken. De zonde van Mozes droeg dat merk, dat hij niet in het beloofde land mocht ingaan (Deut. 32:50,51); de zonde van David werd gemerkt met: het zwaard zal van uw huis niet wijken (2 Sam. 12:10) en de zonde van Salomo met moeilijkheden in zijn eigen tijd en bedreigingen tegen zijn nakomelingen (1 Kon. 11).
Dit overdenkende, trok ik daaruit, hoewel ik geen bijzondere zonde kon aanwijzen, toch dit besluit, dat ik zei: "Waar God zo handelde met die waardige mannen, wat zou ik dan verwachten? En toch, God is rechtvaardig in zo te handelen, overeenkomstig het verbond der genade: "zo zal ik hun overtreding met de roede bezoeken en hun ongerechtigheid met plagen. Maar Mijn goedertierenheid zal Ik van hem niet wegnemen." Hierop ging ik tot God, deze woorden sprekende: "Indien mijn zonden zodanig zijn, dat Gij ze wilt merken met een levenslange slag, laat het dan in mijn lichaam zijn en niet in mijn ziel. O schenk mij het licht van Uw aanschijn en doe met mijn lichaam, wat U behaagt." O arm en dwaas schepsel, dat ik was, die het waagde, de Almachtige de weg voor te schrijven. Doch in deze vatte Hij mij, als het ware, op mijn woord. Enkele dagen daarna gaf de Heere mij het licht van Zijn aanschijn en met hetzelfde zond Hij de roede tot mijn lichaam, welke zowel onbegeerlijk in haar natuur, als gevaarlijk in haar gevolgen was. Hierop kwamen mij verscheidene woorden met kracht voor, zoals: "Wie is een God gelijk Gij, wonderlijk van raad en groot van daad, vreselijk in werking en doende wonderen?" Die woorden bleven mij bij tot ik ze alle duidelijk kon onderscheiden en ik mocht met onderwerping zeggen: "De drinkbeker, die oneindige wijsheid en liefde gemengd heeft, waarom zou ik weigeren die te drinken?" Zo vervolgde ik gedurende een paar maanden mijn weg, mij verblijdende in wat God mij had vergund van het licht van Zijn aanschijn, hoewel de roede hoe langer hoe zwaarder werd gemaakt.
Zo gebeurde het, dat na verloop van tijd de roede tot zulk een hoogte kwam, dat zij mij voor alle plicht ongeschikt maakte, doch hoe ondragelijker de roede werd, hoe groter de openbaringen van Goddelijke liefde werden. Het voortduren van de roede verbijsterde mijn natuurlijke geestvermogens en maakt mij ongeschikt voor de plicht, zodat ik niet kon lezen, noch bidden, noch de prediking van het Woord horen. Hierop begon het ongeloof te redeneren, hoe ik kon denken in de hemel te komen, wanneer ik geen middelen kon waarnemen, om mij daar te brengen. Maar toen het ongeloof zo redeneerde kwam er een onmiddellijke invloeiing van de Geest van het geloof, die mijn ziel ophief en mij deed zeggen dat ik geloofde dat mijn heerlijke Verlosser machtig was mij in de heerlijkheid op te nemen, al zou ik de plichten nooit weer kunnen waarnemen.
Toen echter de roede bij voortduring zo zwaar op mij bleef drukken, wilden mijn ouders en anderen dat ik middelen zou gebruiken om er van verlost te worden. Ook het zesde gebod zei mij, dat God het gebruik van de middelen had geboden, zowel voor de gezondheid van het lichaam als van de ziel. Het eerste wat daarop werd aangewend, opdat de roede mocht worden weggenomen, werd aanmerkelijk ter genezing gezegend, doch zo, dat ik diezelfde dag, dat de roede werd weggenomen, van de levendige uitlatingen van goddelijke liefde en de liefelijke beademingen van de Geest beroofd werd.
O hoe sloeg mijn geweten mij. Ook kwam mij mijn verzoek in de gedachte, dat ik aan de Heere had voorgelegd, namelijk: als Hij mijn zonden met een slag wilde merken, of het dan mijn lichaam mocht raken en niet mijn ziel; of Hij mij het licht van Zijn aanschijn wilde schenken en met mijn lichaam doen wat Hem behaagde. Doch nu, helaas! Hij was weggegaan en ik schaamde mij, om het aangezicht van mijn Verlosser ooit weer te zoeken.
O, hoe riep ik uit: "wat goed zal mijn gezondheid mij doen, wanneer mijn Liefste heengegaan is en Zijn aangezicht voor mij verborgen heeft? Want Zijn tegenwoordigheid is mijn hemel en Zijn afwezigheid is mijn hel. Mijn leven ligt in Zijn gunst en mijn gezondheid in het licht van Zijn aanschijn." Zo eindigt het vier en twintigste jaar van mijn leven.
Hierna bracht ik verscheidene dagen door, in de bitterheid van mijn ziel mijn droevig verlies beklagende. O, nu zag ik de werkelijkheid van het tweede deel van de gelijkenis, waarvan ik eerder melding maakte. Want mijn licht was nu, vergeleken bij dat van de zon van de zomer, onder een wolk. Maar ik mocht geloven, dat het weer zou schijnen, maar op een wijze verschillend van wat ik vroeger had genoten. Hoe dit echter zou zijn, kon ik nog niet verstaan.
Zo kwam ik onder de overweging van de roede, waaronder ik geweest was. En ik bevond dat zij een treurig merkteken op mijn natuurlijke vermogens had achtergelaten en in het bijzonder een zwakheid in mijn oordeel en geheugen, vergeleken bij vroeger, hoewel ik er maar een half jaar onder was geweest. Naar mijn gedachte zou zij mij, als het maar een paar weken langer had geduurd, geheel ongeschikt gemaakt hebben om God of mijn geslacht nog te dienen. Dit overwegende meende ik het mijn plicht te zijn om wettige middelen te gebruiken tot herstel van mijn lichaam van zulk een slag.
Ik bleef echter nog maar steeds mijn droevig lot beklagen, de treurige gevolgtrekking makende, dat ik aan deze zijde van de eeuwigheid nooit weer een blik van het heerlijk aangezicht van mijn Verlosser zou krijgen.
O, dit verwekte een onlijdzaam verlangen naar de dood en maakte een dag voor mij tot een week, en een week tot een maand, en een maand tot een jaar, en een jaar tot een eeuw. Dit deed mij uitroepen: "O tijd, tijd, vlied weg! O dood, wanneer zult u komen, opdat ik bekwaamd mag worden om mijn heerlijke Verlosser te zien en te genieten!"
Op zekere dag, dat ik zo naar de dood verlangde, was ik op een plaats waar een begrafenis voorbijging. Ik keek naar het lijk en mijn ogen opstaande naar de hemel, sprak ik mijzelf als in de tegenwoordigheid van God toe en zei: "Geloof, dat u eenmaal zult sterven en dat het u zal gaan, zoals het die mens gaat." O wat was mijn geloof laag afgelopen door dat onlijdzaam verlangen naar de dood.
Op een anderen dag peinsde ik over de zalige eeuwigheid en over die heerlijke verborgenheden, welke de ziel na de dood zal mogen aanschouwen en genieten. En terwijl ik zo uitziende en verlangende was om daar te zijn, kwam dat woord met zulk een kracht tot mij, alsof God mij vanuit de hemel had toegeroepen: "Uw tijd is altijd bereid, maar Mijn tijd is nog niet gekomen." Dit was voor mij als een droevige aanklacht, wegens mijn onlijdzaam verlangen naar de dood.
Hierop besloot ik een leven van het geloof door het Evangelie te beproeven. Helaas! In de plaats daar ik toen woonde, had ik nooit opening gekregen door het Evangelie, zoals het daar werd gepredikt. Hoewel ik ongeveer een jaar geleden een persoonlijke roeping als van de Heere had gekregen om van die plaats te verhuizen, toch had ik nog steeds uitgesteld erop in te gaan, omdat ik toen meende, dat het onredelijk was. Maar de nood drong mij tenslotte mijn ouders te verlaten, hetgeen mij zeer moeilijk viel. Het verzwaarde mijn moeilijkheid zeer, dat mijn lichaam door ongesteldheid zo verzwakt en ik daardoor ongeschikt geworden was, om mijn dagelijks brood te verdienen. Waarop verstand en ongeloof zeiden, dat ik voedsel en kleding moest hebben en dat de wetten van God en mensen het gebruik van wettige middelen voorschreven, om die te verkrijgen. Terwijl ik dus worstelde met begrip en rede, kwamen mij deze woorden met kracht voor: "wees in geen ding bezorgd, want Hij zorgt voor u"; en, "o gij kleingelovige, indien uw Vader de dieren des velds voedt en de leliën en het gras, die op het veld zijn, bekleedt, zal Hij u dan niet voeden en kleden?" Door deze waarheden werd mijn geloof zeer versterkt en ik werd daardoor bemoedigd, tegen alle tegenstand in, de roeping op te volgen.
Er waren verscheidene dingen gebeurd, die mij ruimte gaven om deze roeping op te volgen, in het bijzonder mijn verhouding tot de leraar van de parochie. Want ik moet zeggen dat ik nooit voordeel van zijn bediening had, en dat ik in plaats van genezen, hoe langer hoe meer gewond werd. In het bijzonder op zekere keer predikte hij over het verbond der genade. Maar ik kon mij niet verenigen met wat hij over dat onderwerp aanvoerde, omdat het in strijd was met wat de Heere mij had doen ondervinden van de vrijheid en volheid van Zijn verbond. De Heere beschikte op die tijd genadig in Zijn wijze voorzienigheid, dat de leraar voor enige tijd van huis ging, en zo ging ik de volgende Sabbat een naburige predikant horen, die bestuurd werd om over dezelfde tekst en hetzelfde onderwerp te prediken. Door zijn predikatie werden mijn bevindingen opgehelderd en ik werd, uit het Woord van de Heere, meer bevestigd in de vroegere inzichten, die ik van Gods verbond had gehad. Zo kwam ik terug, in mijn hope bevestigd op hetzelfde fundament; God lovende voor die preek en Zijn wijze en wonderlijke voorzienigheid bewonderende, in mij die te laten horen, vast besloten, noch mijn staat, noch mijn stand, ooit weer te toetsen aan de leer van mijn eigen leraar. Verscheidene andere gebeurtenissen werkten hiertoe nog mee, die ik hier niet zal melden.
Niettegenstaande alles wat voorgevallen was, zag ik er zo tegen op, om mijn ouders te verlaten, dat ik de Heere ernstig bad, of Hij, als het met Zijn wil overeenkwam, Zijn bediening nog tot mijn opbouwing wilde gebruiken. Maar ik vond dit niet. Ik kreeg ook de toestand van de gemeente te zien en hoe ver het leven en de kracht van de godsdienst onder ons waren weggezonken. Ik zelf niet alleen miste de Heere, maar ik zag een donkere wolk van zekerheid en dodigheid beide over dienaar en volk hangen. Terwijl in daar erg mee te doen had en het mij was alsof ik onder de toestand van mijzelf en van de gemeente zou wegzinken, kwam dit woord uit Openb. 18:4 mij krachtig voor: "Gaat uit van haar, Mijn volk, opdat gij aan haar zonden geen gemeenschap hebt, en opdat gij van haar plagen niet ontvangt". Daar dit een diepe indruk op mijn gemoed maakte, bleef het mij van dag tot dag bij, en werd ik daardoor aangezet de Heere gedurig te bidden of Hij mij wilde aantonen wat Hij er mij mee had te zeggen. Zo werd het mij meer en meer opgehelderd, dat het de roeping van de Heere was, dat ik die parochie en die dienaar moest verlaten. Toch voerde ik er een geheel jaar strijd mee, ongenegen zijnde mijn ouders te verlaten, die nu op jaren gekomen waren, terwijl hun andere kinderen getrouwd waren. En ik vreesde dat het aanstoot zou geven en dat er in de buurt over gepraat zou worden, wanneer ik hen zo ging verlaten. Dit overdenkende begon mij de moed bijna te ontzinken.
Hierop trachtte ik mijn ouders te overreden, dat zij uit die plaats zouden verhuizen, maar daar hadden zij geen oren naar. O, dacht ik toen, waren dienaar en volk maar zo overtuigd van het verval in de godsdienst en dat de Heere van ons weggegaan is, dat wij gezamenlijk de Heere konden aanlopen, om tot ons terug te keren.
Op deze overweging ging ik tot de meest geoefenden in de gemeente en vroeg hun of onze toestand, wat het leven en de kracht van de godsdienst betreft, niet hoe langer hoe meer achteruitgegaan was, vergeleken bij wat die enige jaren terug was, waartoe ik vele dingen bijbracht. Zij antwoordden mij, dat wat ik zei maar al te waar was. Maar zij schenen zich van al die kwaden niets aan te trekken. Hierop begaf ik mij naar de leraar zelf en begon mijn gesprek met een klacht over mijn eigen toestand. Hij antwoordde mij: "Alle mensen worden geboren met een paus in zich, zij moeten altijd iets hebben wat zij aanbidden." Toen hij gesproken had zei ik, dat er naar mijn gedachte drie Schriftuurplaatsen waren, die in onze dagen snel vervuld werden, namelijk: "er is een geslacht, dat rein in zijn ogen is en van zijn drek niet gewassen is" (Spr. 30:12). En, "omdat de ongerechtigheid vermenigvuldigd zal worden, zo zal de liefde van velen verkouden" (Matth. 24:12). En, "want zij zoeken allen het hunne, niet hetgeen van Christus Jezus is." Hij antwoordde mij: "Het is u niet opgedragen, de wereld te regeren."
Deze antwoorden sloegen mij pijnlijk en de moed begaf mij, nu alle middelen hun doel hadden gemist en ik geen uitweg kon zien. Ik besloot toen, om voor drie maanden naar een naaischool te gaan en naaister te worden om mijn kost te verdienen. Dit was, dacht ik, de beste weg om van mijn ouders weg te komen, zonder dat mij iets kon worden verweten. Ik maakte mijn ouders dit plan bekend, waarop zij hun toestemming gaven, mij voor een poosje te laten gaan.
Eindelijk kwam de dag waarop ik van mijn ouders zou vertrekken. Maar natuur en ongeloof, tezamen met gevoel en rede, waren op het punt mijn geloof te overwinnen. Ik had echter nog geen mijl afgelegd toen mijn barmhartige en genadige God mij ter hulp verscheen met een betoning van goddelijke liefde en een bestraling van goddelijk licht, en mij een krachtig gezicht gaf van het verbond in al zijn betrekkingen, en dat een verzoend God in een Middelaar de plaats bij mij zou vervullen van een vader en moeder en alle andere bloedverwanten. Ik kreeg ook een vernieuwd gezicht van die belofte, tevoren gemeld, dat mijn brood mij gegeven en mijn water gewis zou zijn. De zoetheid welke ik smaakte op de weg naar Stirling, het doel van mijn reis, veranderde mijn treurigheid in blijdschap en verlevendigde al mijn geestvermogens. Zo beschikte de Goddelijke voorzienigheid mijn lot in een huisgezin te Stirling, daar de vreze van God was. De eerste Sabbat die ik daar doorbracht, gevoelde ik een onmiddellijke kracht met het Evangelie meekomen, welke beide ziel en lichaam verlevendigde. Van die dag af herstelde ik bij de dag en de Heere neigde ook de harten van de vromen om mij vriendelijk gezind te zijn.
O, nu ging mijn licht weer op, bij de zon vergeleken volgens het derde deel van de gelijkenis, waarvan ik melding maakte in het drie en twintigste jaar van mijn leven, doch zeer verschillend van wat ik vroeger genoot. Ik ontmoette in dit jaar ook veel wonderlijke gangen van de voorzienigheid, welke mij grote stof van oefening gaven en een pijnlijke beproeving voor mij waren, die ik hier echter niet zal melden. Zo eindigde het vijf en twintigste jaar mijns levens, zijnde het jaar 1710.
Het volgend jaar bleef ik onder het Evangelie en de liefelijke genademiddelen waardoor ik tot de grondsteen van het fondament toe beproefd werd. Ik arbeidde om mijn gehele levensloop, van mijn kindsheid af tot de dag in het jaar waarin ik nu leefde toe, alsmede al mijn ervaringen, zowel goede als kwade, aan dit Evangelie tot de toets te brengen. Ik wens dan ook de Heere zolang ik leef te erkennen voor het instralend licht en de bedaardheid van gemoed, alsmede voor de oprechtheid van hart en de sterkte van de vermogens om naar binnen te keren, die mij vergund werden in deze grote beproeving van mijzelf bij het helder en krachtig Evangelie daar ik nu onder gekomen was.
Toen de weg van verlossing in Christus, in een genadeverbond geopenbaard, mij in dit Evangelie werd ontsloten, met al mijn zielsoefening welke voorafging, alsook hoe de ziel de gehele weg van verlossing door Christus, overeenkomstig de inhoud van het Evangelieverbond, aangrijpt en door beloofde kracht daarin overgaat, -- ik zeg, toen mij dit alles in dat licht, dat mijn ziel bescheen, werd ontstoken, werd ik teruggeleid tot de steendijk en de zijde van de heuvel. Dit waren plaatsen waar God, toen ik daar Zijn Woord las, mijn ziel bestraalde en mij onderrichtte van alles, wat mij nu door het Evangelie verklaard was. Ja, ook de Schriftuurteksten, welke die leraars bijbrachten als bewijzen van al die bovengemelde zaken, waren juist dezelfde teksten, welke mij met licht en kracht waren voorgekomen, waardoor ik eerst onderricht was in al die dingen, welke mij nu helder werden opengelegd. Zo gaf mij het geweten getuigenis, dat ik door de kracht van de genade mij verenigd had met en ingegaan was in alles wat deze zaligheid betrof. En ik zag en geloofde dat het fondament van mijn hoop vast stond.
O, hier kan ik niet anders dan bewonderen en mij verwonderen, dat mijn bevinding zo juist overeenkwam met het wezen en de stof van het fondament van de hope van de ziel, zoals die mij nu in het Evangelie werd voorgesteld en toch zo onderscheiden ten opzichte van de verschillende trappen van mijn oefeningen. Alsmede zag ik met verwondering de weg, de middelen en de instrumenten, waardoor ik hersteld werd tot mijn vorig licht en mijn vroegere vertroosting in Christus, dat ik kreeg te geloven. O hier kreeg ik een heerlijk gezicht van de hoogte en diepte van vrije genade en van de wonderlijke weg waarin de Heere die openbaart, Die soms boven en buiten de middelen werkt en toch Zijn werk volmaakt overeenkomstig de vastgestelde wijze van het genadeverbond, dat ik in de tijd en tot in alle eeuwigheid wens te aanbidden en te prijzen.
Ik bleef hier ongeveer vier maanden en keerde toen tot mijn ouders terug, bij wie ik ongeveer een maand vertoefde. Ik zag nu dat het mij nog onmogelijker was dan vroeger, in die plaats en onder die bediening te verkeren. Ik vertelde dan ook mijn ouders, dat ik daar niet kon blijven. Mijn moeder vroeg mij wat ik van plan was te doen en hoe ik dacht te leven. Ik antwoordde haar: "Er is de goudm