Opdracht aan mijn zeer geliefde en waarde gemeente van Woubrugge
Waarde en zeer geliefde in de Heere!
Hoewel ik weet, dat gij overreed bent van mijn liefde en tedere toegenegenheid tot U, waarvan ik de blijken gedurende de tijd van een en twintig en een half jaar van mijn bediening onder U gegeven heb in verscheiden gelegenheden, inzonderheid als ik uit deze beginselen vele mij voorgekomen beroepingen tot andere gemeenten van de hand gewezen heb; en gijlieden mede van uw erkentenis en liefde tot mij zodanige tekenen gegeven hebt, dat het onnodig zou zijn mijzelf aan U meerder aan te prijzen, zo heb ik nochtans de tegenwoordige gelegenheid niet willen laten voorbijgaan, zonder U een nieuw en openbaar getuigenis van mijn achting voor, en teerhartigheid jegens U te geven, met het werkje, dat gij hier ziet aan U op te dragen, en in uw handen te stellen, om u te wapenen tegen zulke inboezemingen, alsof ik van de leer van de Hervorming in derzelver oorspronkelijke zuiverheid in enig punt enigszins zou zijn afgeweken.
Gelijk gij dit werkje lezende, zult bevinden en desnoods voor de gehele kerk zult kunnen getuigen, dat ik in mijn openbare en bijzondere onderwijzingen altijd gevolgd heb, en nog volg, de gronden in dit werkje hoofdzakelijk begrepen, die naarstig ingeprent, en in het voorstellen en aandringen, zowel de stellige als practikale waarheden volgens deze beginselen geredeneerd heb; zo vertrouw ik, dat gij daarin overtuigende blijken zult zien van de ongegrondheid van zulke liefdeloze inboezemingen; en van de deugdelijkheid en getrouwheid van mijn ambtsbediening, in het voorstellen en verklaren van de ware leer der Reformatie, zoals wij die van onze vaderen, in overeenstemming met de Heilige Schriften, ontvangen hebben, en in het verdedigen ervan, zo tegen anderen, als inzonderheid tegen de halve Pelagianen, ten volle zult verzekerd blijven.
En gelijk dit geschrift bijzonder is ingericht tegen de dwalingen van de Neonomianen en Antinomianen, zo was mijn wens en oogmerk, om U tegen deze dwalingen, gelijk als door een preservatief en bewaarmiddel te verzekeren, waartoe ik het aan U met alle toegenegenheid overlever; wensende dat de Heere het nuttig maakt tot uw opbouwing in het geloof van de leer der vrije genade van God door Jezus Christus, de arme doch door Hem uitverkoren zondaar buiten zijn toedoen zaligmakende; en tot uw opwekking om de ware Evangelische heiligheid, welke uit de geloofsvereniging met de Heere Jezus voortvloeit, na te jagen.
Ik bid God, dat Hij mijn dienstwerk aan uw personen en huisgezinnen zo zegent, dat gij rijk geworden in alle reden en in alle kennis, vol zijn mag van geloof, en vervuld met vruchten der gerechtigheid, die door Jezus Christus zijn, tot heerlijkheid en prijs van God! en ik blijf
Uw u Liefhebbende leraar en dienstknecht in de Heere
Woubrugge, de 25 Nov. 1756.
A. COMRIE.
Waarde lezer!
Hoewel ik lang wist, dat de menigvuldigheid van verscheidene Catechiseerboekjes, hier te lande zoals elders, vele verwarring in het onderwijs veroorzaakt, welke men zou vermijden, zo men zich aan een goed geschikt en bij de kerk goedgekeurd en aangenomen opstel hield, hoop ik bij U verschoning te vinden dat ik het nu zo groot getal van deze lezer boekjes vermeerder, met dit nog daar bij te doen, wanneer gij zult weten bij welke gelegenheid, en met hoedanig oogmerk ik hiertoe besloten ben.
Hoewel ik een vijand ben van geschillen over zaken van klein belang. ben ik zeer teer omtrent alles wat betreft de hoofdstukken van Christus’ ware Godheid en eigenlijk Zoonschap, als die van de Vader door mededeling van hetzelve gehele Goddelijke Wezen van eeuwigheid is gegenereerd, en dus in en door deze generatie alleen zijn bestaan als Zoon in het Goddelijke Wezen van de Vader heeft, alsmede omtrent alles wat betreft de gerechtigheid en genoegdoening van Christus met de verdienste ervan, en de vrije genade Gods door Christus verworven, om aan ons vrij, dat is zonder ons toedoen, gegeven, en geschonken te worden; en het was bij gelegenheid van geen ongegrond vermoeden, dat men ondernam beide deze stukken der leer te verzwakken, dat ik besloot in het licht te geven mijn verklaring van de zeven eerste Zondagsafdelingen der Heidelbergse Catechismus, welke ik buiten deze reden, voor mijzelf zou behouden hebben, als zijnde tot mijn eigen gebruik en oefening van mijzelf in de waarheid van het Evangelie opgesteld.
De WelEerw. Heer Holtius, zulk ene onderneming tot verandering van de zuivere leer van onze kerk mee bespeurd hebbende, had zich manmoedig aangegord ter bestendiging van de vastgestelde leer, en handhaving van de goede orde van onze kerk, zonder iets te weten van 't geen ik tot mijn oefening en nut van de door God aan mij toebetrouwde gemeente gedaan had; gelijk ik ook niets wist van 't geen zijn WelEerw. gedaan had, totdat het hem behaagde mij met zijn gedrukt geschrift te vereren, hetwelk mij zo verkwikte, dat ik te rade werd mijn voornoemde Catechismusverklaring in het licht te geven, gelijk ik, na dezelve aan de drukker ter hand gesteld te hebben, bij mijn terugkeer uit Leiden aan zijn WelEerw. verhaalde, met hetgeen mij op die dag in de gezegde stad bejegend was.
Van die tijd af aan is men bezig geweest, eerst heimelijk en bedekt, daarna meer openbaar, alle blaam en smaad op van onze beider personen en leer te leggen, en hun, die dwaas genoeg mochten zijn om het te geloven, in te boezemen, dat wij dwaalden omtrent het allergewichtigste artikel der rechtvaardiging van de zondaar voor God, hetwelk wij beiden poogden te bewaren in de ware en met Gods Woord alleen overeenkomende zuiverheid, waarin dit door de Reformateurs gesteld is, en tot omtrent het midden van de vorige eeuw bewaard is; bij onszelf overtuigd, dat men noch Roomsen, noch Remonstranten, ooit grondig zal kunnen weerleggen met een leerwijze, die sedert de voorgemelde tijd ingeslopen, en bij velen onvoorzichtig overgenomen en op goed geloof uit anderen nageschreven is, schoon dezelve met de zuurdeeg van de Roomse en Remonstrantse dwalingen zo merkelijk doortrokken is.
Zo wij deze smadelijke en ongegronde beschuldiging, of heimelijk, of meer openlijk alleen geleden hadden van personen, hunner Religie zo onkundig als stout in hun onwetendheid, zouden wij hier niet zwaar aan getild hebben, wetende dat wij de waarheid hadden, en de wapenen der gerechtigheid aan van onze beide zijden. Maar nadat zulke beschuldigingen meer aanzien gekregen hebben, en wij als onrechtzinnig, in dit stuk der leer openlijk verklaagd zijn, en vele maanden lang, tevergeefs gewacht en gevraagd hebben naar de artikelen van beschuldiging, met de bewijzen daartoe dienende, met de vrijmoedigheid van een goed geweten verschijnende daar wij dezelve moesten horen, en wensten te verantwoorden, dacht het de Heer Holtius en mij eindelijk eens tijd te worden, dat wij de onverdiende blaam, op onze personen en dienst geworpen, weg deden, teneinde onze leer en geschriften, welke wij reeds uitgegeven hebben. of nog uitgeven mochten. tot de bevestiging van de Kerk Gods in het geloof eenmaal de heiligen overgeleverd, niet langer bij onze aanbetrouwde genieenten, of bij anderen onder verdenking blijven en wij voor de stichting der kerk onnut worden mochten. Waarom wij besloten, boven en behalve hetgeen alvorens door ons of voor ons geschied is, elk alleen, doch eenstemmigheid met elkaar iets uit te geven, hetwelk, schoon uit en vanwege elk van onze in het bijzonder te voorschijn komende, door de wederzijdse toestemming en goedkeuring van elkaars uitgegeven werken mocht worden aangezien en voor ons beider gevoelen en zin, zodat daaruit over de schriftmatigheid en zuiverheid van de leer van ons beiden zou kunnen geoordeeld worden, en daardoor de ongegronde verdenkingen en onbescheiden opspraak tegen onze zuivere leer ophouden mocht.
De Heer Holtius vond daartoe goed op de pers te leggen, zijn verklaringen over de xxiii en xxiv Zondagsafdelingen van de Heidelbergse Catechisnius, als zijnde de eerste beginselen der gezonde woorden, waarin Hij duidelijk vervat had hetgeen hem over deze waarlieden van zijn tedere jeugd af door het onderwijs zijner ouders en leermeesters ingeplant was, en waarvoor hij in de grijze ouderdom nog staan wilde; hij deelde mij dezelve mee, en ik las en herlas zijn nauwkeurige verklaringen van hetgeen dit belangrijke artikel der rechtvaardigmaking betreft, zoals hetzelve van de Heidelbergse godgeleerden gegeven is, met zoveel genoegen en goedkeuring, dat ik zijn WelEerw. niet alleen tot de uitgave opwekte, maar ook vriendbroederlijk verzocht, om in enige voorrede of opdracht van mijn overeenstemming daarin met zijn WelEerw. Openlijk melding te doen, ten einde elk weten mocht, hoewel het opstel het zijne is, dat de gevoelens daarin ook de mijne zijn, zodat ik deze Zondagsafdelingen verklarende, niet anders leer nog geleerd heb, en ook door Gods genade hoop tot mijn laatste adem toe daarbij te blijven.
Ik vond van mijn zijde goed iets uit te geven van meerder uitgestrektheid, omdat het alsnog ten volle niet bekend was, wat men al mocht opzoeken om de beschuldigingen tegen ons te doen hechten. En, zoals de Heer Holtius zich om voornoemde redenen bepaalde tot de Heidelbergse Catechismus, zo bepaalde ik mijzelf, wegens dezelfde redenen, tot de Catechismus van Westinunster, als zijnde eerst de kleine, daarna de grote, mij van de jeugd af ingeboezemd als een voorbeeld der gezonde leer, boven en behalve de Heidelbergse, welke ik houd voor een allerkostelijkst pand, en waarvan ik volgens mijn weten in geen een punt verschil.
De catechetische verklaringen daarvan, welke gij hier ziet, heb ik zoverre ik het dienstig vond, overgenomen van een ander, wiens boekje mijn handboekje geweest is zolang ik het gehad heb, met bijvoeging van hetgeen ik hier en daar nodig achtte; dat ik hier zeg, teneinde men mij niet houd, of voor een enkele vertaler van eens anders werk, of voor een die trouweloos eens anders arbeid voor de zijne verkoopt, maar dat men het houd gelijk het is, als een geschrift, hetwelk voor het allergrootste deel van een ander is, maar zoals het hier te voorschijn komt, de gevoelens van mijn eigen hart behelst, even of het uit mijn eigen pen was voortgevloeid, en dus een duidelijke opening geeft van mijn zin; en daarom, gelijk ik vertrouw, een altijddurend kenteken zal kunnen zijn van mijn rechtzinnigheid, met ene gedachtenis van de ongegrondheidvan het kwaad gerucht, hetwelk men op mijn persoon en dienst gepoogd heeft te doen kleven; terwijl de gemeente, die mijn hoort en allen, die mijn schriften lezen, getuigenis zullen kunnen geven, dat ik al mijn leringen en beide stellige en praktikale schriften, uit deze gronden opgetrokken en volgens dit spoor afgeleid heb.
De Heer Holtius, dit werkje meegedeeld hebbende, heeft het zijn WelEerw. beliefd aan mij te verklaren, dat hij het met de uiterste vergenoeging gelezen had, en schoon hij bevond, dat de goddelijke waarheden daarin op een ongewone wijze werden voorgesteld, en uit hun gronden zo kunstig afgeleid, dat men niet geheel ongeoefend moest zijn om dit geschrift in deszelfs innerlijke gedaante te verstaan, alles daarin zo zuiver Gereformeerd verhandeld wordt, dat hij hetzelve ten volle toestemde; belijdende geen geschrift gelezen te hebben, waarin de grenzen der ware en onvervalste Evangelieleer kennelijker bepaald en bestipt worden, waarom hij verheugd was dit geschrift te hebben leren kennen, dat hij ook aan zijn gemeente in deze dagen als rechtzinnig, godvruchtig en dienstig om de leer der reformatie in de grond te verstaan, wilde aanprijzen.
Enige verdere onderrichting of historische verhalen bij deze voorreden te voegen, zou tegen mijn gewoonte aanlopen, en mij van mijn doelwit aftrekken.
Als er in dit werkje iets voorkomt dat nadere verklaring nodig heeft, zal ik die graag meedelen, indien men al het geduld niet mocht hebben om op de uitgave van het vervolg van mijn Catechismusverklaring te wachten.
Zonder aan te prijzen de verklaring van de Engelse Doctor, of mijn bijvoegselen, zal ik maar alleen zeggen, dat men hier doorgaans zal vinden een duidelijke omschrijving van al de woorden daar het op aankomt, en van de zaken door deze woorden te verstaan gegeven; hetwelk de manier van onderwijzen was van die Doctor, en gelijk mijn gemeente weet, ook van mij, die van oordeel ben, dat het veeltijds hier hapert, dat men woorden gebruikt, welker betekenis door de gebruikers niet verstaan wordt; gelijk ook, zo iemand enig punt van de Godgeleerdheid zich door een woord, welks betekenis hij verstaat, in ene combinatie of samenvoeging van verscheiden denkbeelden, die hij alle behoorlijk bezien en begrepen en goed samen tot een gebracht heeft, weet voor te stellen, dat die niet alleen de waarheid van dat punt met de kracht van Gods Woord, en een goede redenering daaruit, zal kunnen bevestigen, maar ook de uitvluchten en tegenwerpingen van de vijanden van onze leer zal kunnen oplossen.
Voorts hoop ik, dat dit werkje, uitdrukkende de enige gevoelens van mijn hart, naar mate van mijn gering licht, zal strekken beide tot bevordering van de kennis der waarheid en tot betoning van mijn aankleving aan de rechtzinnige leer der Hervormde kerk, en daardoor de ongegronde en zondige opspraak en blaam, welke men zo op de Heer Holtius als op mij gebracht heeft, zal ophouden; en ik blijf, uw voorbidding voor een ellendige hartelijk begerende,
Woubrugge, de 24 Nov. 1756.
Uw E. Ootmoedige Dienaar in het werk des Heeren,
A. COMRIE.
Verklaring van de Kleine Catechismus der Westmunsterse Godgeleerden
Eerste leerstuk
Des mensen hoogste einde is God te verheerlijken, en Hem eeuwig te genieten. Rom. 11: 36. Psalm 73: 24. Joh. 17: 21.
Verklaring
Wat wordt door des mensen hoogste einde verstaan?
Antw. Het grote einde en de reden waarom God de mens geschapen heeft, hetwelk is Gods heerlijkheid. Jes. 43:7. Spr. Spr. 16:4. Rom. 11:36.
Hoe beantwoordt de mens aan dat grote einde?
Antw. Door God als zijn hoogste einde te verkiezen en te genieten. Psalm 73:25, 16:5 en 63:2, 3, 9.
Wat is het God te verheerlijken?
Antw. Het schepsel kan tot Gods heerlijkheid niets toebrengen, maar het verheerlijkt God door Hem heerlijkheid toe te schrijven, en voor Hem te leven. Job 35:7. Psalm 50:23, 24:2, 96:8, 1 Kor. 10:31, 1 Kor. 6:20.
Wat is het God te genieten?
Antw. Zijn welgevallen en tegenwoordigheid te genieten, in de gemeenschap met Hem in genade en heerlijkheid. Psalm 73:25, 26, 28. Zach. 2:5. Ezech. 20:40, 41. Ef. 1:6. 2 Kor. 5:8, 9. 1 Joh. 3:2. Joh. 17:24.
Welke schepselen zijn voor de verheerlijking en de genieting van God bekwaam en vatbaar?
Antw. Alleen de redelijke schepselen, engelen en mensen. De onredelijke schepselen verkondigen Gods heerlijkheid in hun soort, maar kunnen Hem niet verstandelijk verheerlijken, noch genieten. Psalm. 19:2, 3, 4. Job. 38:34-36.
Welke verbintenis ligt er op het redelijk schepsel om God te verheerlijken en te genieten?
Antw. De godsdienst, voortkomende uit het kennelijke van een Godheid, en van de dienst, die Hem toekomt, welke in het hart van het redelijk schepsel ingedrukt is. Rom. 1:19, 20. Mich. 4:5.
Hoet wordt de godsdienst onderscheiden?
Antw. In een valse en ware godsdienst. Jer. 10:6, 7, 8, 11, 12, 14.
Wat is een valse godsdienst?
Antw. Het niet dienen van de ware God, noch Hem als God te verheerlijken. Rom. 1:19, 21, 23, 25.
Wat is de ware godsdienst?
Antw. Het verheerlijken en genieten van de ware God, als God. Jes. 43:7-11. Joh. 4:23, 24. 1 Kor. 6:20. Openb. 15:4.
Door welke namen wordt, in het bijzonder, de ware godsdienst van de valse onderscheiden?
Antw. Inzonderheid door deze drie in de Schriftuur. De vrees Gods, de godzaligheid, en de Christelijkheid.
Wat geeft de vrees Gods te kennen?
Antw. Een leven van eerbiedige verheerlijking en genieting van God in geloof en liefde. Job 28:28. Psalm 19:9. 2 Tim. 1:13.
Wat geeft de godzaligheid te kennen?
Antw. Een leven naar God. Ef. 4: 24. Hebr. 12: 28. Filip. 1:20. Ef. 5:1.
Wat geeft de Christelijkheid te kennen?
Antw. Een leven van godzaligheid in Christus Jezus. Hand. 11:26. 2 Tim. 3:5, 12. 1 Tim. 3:16. Gal. 2:19, 20. Rom. 6:11.
Waarom noemt u de godsdienst, de godzaligheid, en de christelijkheid een leven?
Antw. Omdat God een levende God is, en als zodanig niet verheerlijkt, noch genoten kan worden, dan door schepselen, die een gepast leven hebben om daaruit werkzaam te kunnen zijn. Jer. 10: 10. Rom. 14: 7, 8. Jes. 38: 19.
Tweede leerstuk
Het Woord van God (vervat in de Schriften van het Oude en Nieuwe Testament) is de enige regel om ons te besturen, hoe wij Hem verheerlijken en genieten mogen. 2 Tim. 3: 16. 1 Joh. 1: 3, 4. 2 Petr. 1: 19, 21. Ef. 2: 20.
Verklaring
Welke noodzaak is er voor een regel ons te besturen, hoe wij God verheerlijken en genieten mogen?
Antw. Omdat de Schepper verheerlijkt wil wezen van het redelijk schepsel, en dat er geen regel volmaakt genoeg is dan zijn geopenbaarde wil. Rom. 12:2. Ef. 5:9, 10. Gal. 6: 16. Filip. 3: 16. Rom. 2: 18. Kol. 1: 9. Hebr. 13: 21.
Wat is hier ik reden van?
Antw. Omdat het betamelijk is, dat het schepsel van de bestelling des Scheppers afhangt; en dat hetzelve Hem zo niet kan verheerlijken, dat het Hem geniet, zonder dat het geopenbaard wordt, inzonderheid na de val. Jes. 42:8. Rom. 1:21. Matth. 15:9. Jer. 8:8,9. Jes. 8: 16, 20.
Hoe geschiedt deze openbaring?
Antw. Door de leer die naar de godzaligheid is. i Tim. 6: 3 en 4: 6.
Waar wordt de leer, die naar de godzaligheid is, gevonden?
Antw. In de Heilige Schrift, die van God is ingegeven, 2 Tim. 3: 16.
Maken hei licht der natuur, en Gods werken ons niet voldoende bekend, hoe wij God verheerlijken en genieten zullen?
Antw. Zij verklaren wel, dat er een God is, en dat Hij verheerlijkt moet worden; doch wat hij is, en hoe dit overeenkomstig Zijn natuur, van het redelijk schepsel geschieden zal, zodat het Hem zal kunnen genieten, kan daaruit alleen niet geweten worden, zonder een verdere openbaring. Rom. 1: 17-23, 2: 14, 15. Psalm 19: 2, 3, 4. Deut. 29: 29. Matth. 11: 27, 1 Kor. 11: 9-11. Jes. 64: 4, 8. Matth. 16: 17. Ef. 3:5 en 1:17.
Hoe blijkt het, dat God de mens een regel gegeven heeft tot verheerlijking en genieting van Hem?
Antw. 1. Omdat Hij de engelen een regel gegeven heeft. Psalm 103: 21. 1 Kron. 21: 15, 27. Gen. 24: 7, 1 Kon. 23: 18. Hebr. 1: 1.
2. Omdat Hij de mens gemaakt heeft voor zichzelf, daarom wil Hij hem ook tot zijn eigen eer besturen. Spr. 16:4. Jes. 43: 7 en 66: 18, 19.
3. Omdat Hij de mens tot een redelijk schepsel, en tot een vrije werkoorzaak gemaakt heeft, bekwaam om naar een regel te handelen. Job 38: 36. Spr. 1: 2, 2: 2, 3, 6, 3: 5, 17: 24, 15: 14, 2 Tim. 2: 7.
4. Omdat Hij, die het schepsel gemaakt heeft, ook de eerste Leraar ervan zijn moet. Deut. 4: 5. Psalm 71: 17, 119: 102, 171. Psalm. 25:8, 9, 34: 12. Jes. 28: 9, 10. Psalm 27: 4, 5, 119: 12. Joh. 6: 45.
5. Indien God de mens geen regel heeft gegeven, waarnaar Hij hem bestuurt, zo zou Hij niet met wijze raad gehandeld hebben; want de wijsheid verzorgt altijd goede middelen om een goed einde te bereiken. Jes. 40: 13, 14. Jes. 29: 29. Eindelijk
6 Zonder dit kon God de wereld niet oordelen. Rom. 5:13, 4: 15. 1 Joh. 3: 4. Rom. 2:16, 3:6. Hebr. 10: 30, Psalm 72: 2.
Hoe blijkt het dat de Schriftuur de regel is?
Antw. 1) Indien God een regel gegeven heeft, dan moet die in de Schriftuur of ergens elders zijn. Indien ergens elders dan moet die het waarschijnlijkst gevonden worden in dat Boek, hetwelk met strijd naar de voorrang boven de Bijbel streeft, en dat zich een goddelijk gezag aanmatigt, namelijk de Koran; doch hetwelk voor ieder opmerkend persoon blijkt van een leugengeest voortgekomen te zijn; en dat het nauwelijks de naam verdient van een kunstig verdichte fabel, 2 Petr. 1: 16. 2) Het is niet redelijk met iemand over het gezag van de Schriftuur te twisten, die dezelve niet gelezen heeft, of, ten minste, de inhoud daarvan niet weet, 1 Joh. 2: 8. Spr. 6: 23. 3) De grote verborgenheden, daarin geopenbaard, en het licht, dat daarin schijnt, bewijzen haar goddelijk gezag. Matth. 13: 2. Kol. 1: 26, 27. 2 Petr. 1:19, 20. Matth. 19:4, 21:16. Mark. 12:10. Luk. 10:26. Matth. 24:15. Openb. 1: 3. Jer. 36:8. 1 Tim. 4:13. Hand. 8: 28, 32. 1 Thess. 5:27. Ef. 3:4. 4) Haar gezag blijkt ook uit de Majesteit en kracht, die daarin gevonden wordt. Hos. 14: 10. Psalm 145: 10, 11. Jes. 26:10. Rom. 1: 16. 1 Kor. 11:4. 5) Uit haar grote eendrachtigheid en overeenstemming. Hand. 10:43. Joh. 5:39. Luk. 14:27. 6) Uit het getuigenis, dat het hart en het geweten der mensen daaraan geeft. 2 Kor. 4: 2. Rom. 2:15. 2 Kor. 5: 11. Hebr. 4: 12. Psalm. 19:9, 10. 7) Uit haar krachtdadigheid door de Geest om zondaren te bekeren. Hand. 18:28. Psalm. 19:8, 51:15. Matth. 18:3. 8) Uit haar heiligheid en zuiverheid. Psalm 119: 130, Psalm 12:7. Spr. 30: 5. 1 Tim. 3:9. Hebr. 10:22, Filip. 4:8. Jak. 1:17, 3:17. 2 Petr. 3:1. 1 Joh. 3:3. God heeft voor Zijn Woord geen getuigen nodig, het getuigenis van Zijn Geest, door welke de Schriftuur spreekt, is genoegzaam, waardoor ook het hart ten volle overreed, en bekwaam gemaakt wordt, om zich met de waarheden, in het Woord vervat, te verenigen, en die als Gods Woord aan te nemen. Job 16: 13, 5: 37. Rom. 1: 9. Hebr. 3:4, 10:15. 1 Joh. 5:9. Openb. 1:5, 3:14. 1 Joh. 5:6, Openb. 2:7, 11, 17, 19. 1 Petr. 1:11. 1 Tim. 4:1. Hand. 2:4. 2 Petr. 1:21.
Waarom wordt Gods Woord de Schrift genoemd?
Antw. Gods Geest noemt het de Schrift, en het is zo, omdat het het beste geschrift in de wereld is. Het wordt de Schriften genoemd, 1 Cor. 15: 3. 2 Tim. 3: 15 en 2 Petr. 3: 16. Het is het beste boek, en het keurlijkste geschrift in de wereld, Joz. 1: 8. 23: 6. Openb. 22: 7, 18, 19.
Is het Woord van God altijd een beschreven regel voor de Kerk geweest?
Antw. Neen: de regel van de Godsdienst is altijd een en dezelfde geweest, maar hij is naar Gods wijze bedeling en de onderscheiding der tijden, verscheidenlijk bediend geworden, Jer. 6: 16. Hand. 15:1. Hebr. 1:1. 1 Petr. 1:10-12. Hebr. 13: 8.
Is de Kerk niet geweest voor de Schriftuur?
Antw. De Kerk is geweest voor dat Gods Woord beschreven was; maar de Kerk is op het Woord, als op haar fundament, gebouwd, hetwelk hetzelfde geweest is in alle eeuwen, zelfs toen het nog niet beschreven was, Jes. 40: 8. Ef. 2: 20. 2 Petr. 2: 5. 1 Petr. 3: 18, 19. Matth. 16: 18. Psalm 119: 160.
Hoe werd hel Woord van God aan de kerk bediend voor dal het beschreven was?
Antw. Door veelvuldige openbaringen, door de dienst der engelen en der patriarchen, Gen. 3: 15. 5: 21. 6: 3, 7, 8, 13, 14. 12: 1, 2, 3. 17: 2. 28: 15. Gal. 3: 19.
Is het Woord van God niet op het gezag van de Kerk gebouwd?
Antw. Neen: hetzelve is de ware Kerk in alle eeuwen toebetrouwd; zij heeft de waarheid als een kandelaar voorgehouden; en derzelver goddelijk gezag gehandhaafd en verdedigd; en in deze zin, gelijk de Kerk op het Woord gebouwd is, zo is zij ook de pilaar en steun van de bediening ervan, als behulpzaam tot het grote einde daarvan, Jes. 2: 3. Openb. 1: 20. 1 Kor. 12:28. Ef. 3: 9, 10. Matth. 13:19. Joh. 17: 6, 14, 19. Jes. 8: 20. Zach. 8: 3. 2 Joh. vs. 8. Kol. 1: 5, 6. Jes. 38:19. Mal. 2: 6, 7.
Wal behelst het Woord van God?
Antw. Gods gehele geopenbaarde wil aangaande Zijn heerlijkheid, in de eeuwige staat des mensen, beide Wet en Evangelie, 1 Petr. 1:19. Hebr. 4:2. Kol. 1:5. 2 Kor. 5:19. Rom. 10:8. Hand 20:32. 2 Tim. 3:15, 16. Gal. 1:8,9.
Hoe wordt de Schriftuur gewoonlijk verdeeld?
Antw. In de boeken van het Oude en van het Nieuwe Testament, 2 Kor. 3:6, 14.
Welke zijn de boeken van het Oude Testament?
Antw. De boeken der Wet en der Profeten, beginnende met Genesis, en eindigende met Maleachi, uitsluitende de Apocriefe boeken, als niet behorende tot de Canon der Schriftuur, Rom. 3:21. Luk. 16: 16. 24: 14, 27, 44. Hand. 28: 23. Matth. 11: 13. 2 Kor. 3: 14.
Welke zijn de boeken van het Nieuwe Testament?
Antw. De Schriften van de Evangelisten en Apostelen van onze gezegende Heere Jezus Christus, beginnende met Mattheüs, en eindigende met het boek der Openbaringen, Ef. 4:11i. Hebr. 1: 1.
Wat betekent een Testament?
Antw. De verklaarde wil van een Testamentmaker, die onveranderlijk in zijn dood bevestigd is, Gal. 3:15.
Waarom worden de Schriften van Mozes en de Profeten het Oude Testament genoemd?
Antw. Omdat dezelve voornamelijk behelzen een bezwachteld Evangelie, dat wettisch bediend, en schaduwachtig door het bloed der offeranden verzegeld werd, waarom hetzelve dan ook, vergelijkenderwijze, berispelijk was, 1 Kor 3: 14. Kol. 1: 26. Hebr. 7:11, 12, 16. 8: 6, 7 en 9: 17-20.
Waarom worden de Schriften van de Evangelisten en Apostelen het Nieuwe Testament genoemd?
Antw. Omdat die behelzen de volkomen en klare openbaring van de dadelijke bekrachtiging van het verbond der belofte, door de dood van Christus, de Testamentmaker, die de levende uitvoerder van hetzelve is, Hebr. 9: 13-17. Rom. 16: 25, 26. Matth. 26:28. Mark. 14:34. Luk. 22:20. 1 Kor. 11:25. Hebr. 7: 22. Joh. 14: 27. Openb. 1: 18.
Is het tot de zaligheid noodzakelijk, dat een ieder heel de Schrift verstaat?
Antw. Daar is ene belofte van zaligheid gedaan aan het lezen en verstaan van al de Schrift, in die mate van verstand, daar de mensen toe geraken, zelfs van het allerverborgenste gedeelten ervan, Openb. 1:3. Doch zij behelst zowel ook melk voor zuigelingen, als vaste spijze voor volwassenen. 1 Petr. 2:2,3. Hebr. 5:13,14. Joh. 16:12. 2 Petr. 3:15, 16. Joh. 20:30, 31.
Wat is het beste middel tot de verklaring van de Schriftuur?
Antw. Naast het ernstige gebed tot God om de verlichting van Zijn Geest, is het beste middel om tot het rechte verstand van de Schriftuur te komen, de Schriftuur met de Schriftuur te vergelijken, Psalm. 18:29. 119: 18. Ef. 1: 17, 18. 1 Kor. 2:11, 13, 15. Dan. 10: 21. Mark. 12: 10. Luk. 4:21. Matth. 4: 3-7. Joh. 19: 24.
Waarom is het Woord van God beschreven geworden?
Antw. Om een staand gedenkschrift van Goddelijke verborgenheden voor de Kerk te zijn tot vermaning, onderwijzing en vertroosting; als ook opdat de mensen geloven, en gelovende het eeuwige leven hebben zouden, Exod. 17: 14. 32: 16. Hab. 2:2. Luk. 1: 3. Rom. 15: 4. 2 Tim 3:16, 17. Tit. 1: 9. Joh. 5: 10, 11.
3. Van de delen van de Godzaligheid
Derde leerstuk
De Schriftuur leert voornamelijk wat wij te geloven hebben van God; en wat plicht God van de mens vereist, 2 Tim. 1: 13 en 3: 16.
Verklaring
Waarin bestaat het leven der godzaligheid, zoals ons dat in de leer van hei Oude en Nieuwe Testament wordt voorgesteld?
Antw. Het bestaat in geloof en gehoorzaamheid. Tit. 3:8. 2 Tim. 1: 13. Pred. 12: 13- Psalm 37:3. Hand. 24:14, 15, 16. 1 Tim. 1: 19.
Waarom komt het leven van de godzaligheid voor onder deze tweevoudige aanmerking?
Antw. Omdat het leven der godzaligheid gelijkvormig is met de leer daarvan, welke deze twee delen heeft, 1 Tim. 6:1. Tit 2:1`0. 2 Joh. vs. 9. 1 Tim. 6: 10, 14. Pred. 12: 13. 2 Tim. 3: 16, 17.
Waaruit vloeien deze delen van de godzaligheid?
Antw. Uit een en dezelfde oorsprong, namelijk, de genade Gods in de belofte, Tit. 2: 11-14. 2 Petr. 1: 3.
Waarom zegt u, de dingen, die de Schriftuur voornamelijk leert?
Antw. Omdat, hoewel alle dingen in de regelmatige schriften hun groot belang hebben, en tot wasdom in geestelijke kennis behoren gebruikt te worden, de kennis nochtans van sommige dingen van zulk een aangelegenheid is, dat men zonder dezelve niet kan zalig worden, Hos. 4: 6. Rom. 1: 18. 2: 20. 10: 2. 1 Tim. 2: 4. Kol. 3:10. 1 Kor. 8: 7. 2 Kor. 4: 6. 2 Tim. 3: 3. 2 Kron. 30: 22.
Wat is het geloof in God?
Antw. Het is een vertrouwen, gegrond op kennis, waardoor men op God vertrouwt om het leven, Psalm 9:11. Jes. 10:20. 50: 10. Gal. 2:19, 20. Psalm 37: 5. Jer. 17: 7. Joh. 5: 40. 6: 68.
Waarop is het Goddelijk geloof gegrond?
Antw. Enkel op het gezag van God, en Zijn onfeilbare waarheid en getrouwheid, in Zijn Woord tot ons sprekende, Joh. 3: 33. Rom. 4: 20. Hab. 2:3. Tit. 1: 2. Hebr. 6: 18.
Vierde leerstuk
God is een Geest, oneindig, eeuwig, onveranderlijk in Zijn wezen, wijsheid, macht, heiligheid, rechtvaardigheid, goedheid en waarheid, Joh. 4: 24. Job 11: 8, 9. Psalm 90: 2. Jak. 1: 17. Exod. 3: 14. Psalm 147: 5. Openb. 4:8. 15: 5. Exod. 34: 6, 7. Deut. 4: 4.
Verklaring
Hoe blijkt het, dat er een God is?
Antw. Het licht der natuur zelfs in de mens, en de werken Gods bewijzen klaar, dat er een God is; doch Zijn Woord en Geest alleen openbaren Hem genoegzaam en krachtdadig aan de mensen tot hun zaligheid. Rom. 1: 19. 1 Kor. 2: 9.
Hoe blijkt het uit het licht van de natuur, dat er een God is?
Antw. 1. Omdat alle volkeren in de wereld de ene of andere gewaande God belijden en erkennen, Micha 4:5. 2 Kon. 17: 27-31. 18: 33. 2 Kron. 32: 13, 14. Psalm. 96:5.
2. De natuurlijke consciëntie is een licht, dat aan een goddelijk gezag getuigenis geeft, door ons, als voor een Rechter van het hart, en der gehele wereld, te beschuldigen, of te verontschuldigen, Rom. 2:14, 15. Spr. 20: 27. 1 Joh. 3:20. Rom. 1: 19.
Hoe bewijzen Gods werken dat er een God is?
Antw. 1. Alle gewrochten bewijzen een werkende oorzaak, want het is openbaar, dat het schepsel zichzelf niet kon voortbrengen. Psalm 100: 2, 3. Spr. 26: 10. Jes. 45: 7,18. Hand. 17: 26, 28. Ier. 1: 5.
2. Alle volgende wezens moeten een eerste hebben om te beginnen, of anders zou de successie eeuwig moeten zijn, en zichzelf vernietigen; indien er geen eerste is, dan kan er geen tweede zijn; de eerste nu is God, Jes. 41: 4. 44: 6. 42: 9. Openb. 1: 11, 17. Jes. 44: 10, 13.
3. De orde, schoonheid en overeenstemming van het schepsel, en de wet der natuur, hetzelve ingedrukt, bewijzen alle klaar dat er een God der natuur is, en dat de natuur van het schepsel God niet is, Psalm 19:2. 8: 2. Jes. 44:18. Job 31: 27, 29, 30. 37: 3, 5, 6, 9, 10, 13, 16, 17, 19, 23. 38:7, 12, 16, 17, 19, 21, 22, 24, 25, 28, 29, 31, 34, 36, enz. 39 en 11 geheel door. Psalm 69:10. 78: 4, 5, 7. Pred. 7: 13. 8:17. 11:5. Jer. 31: 34-36. Rom. 1: 20.
4. Het is blijkbaar, dat de schepselen een einde dienen, hetwelk zij nooit bedachten te doen, zelfs, die, welke met beraad werken, Rom. 11: 34, 35, 36. Spr. 16: 4. Psalm 103: 21. Jes. 44:28. 46: 9, 10. 48: 13, 14, 15. Psalm 86:9.
Kan dan de ware God door het schepsel gekend worden?
Antw. Het is voor redelijke wezens allerkennelijkst, dat er een God is; doch wat God is, is zeer bezwaarlijk te verstaan; enige kleine schemering hiervan hebben wij alleen volgens de stralen Zijner heerlijkheid, welke in Zijn Woord en werken uitschijnen, en naar onze manier en mate van verstand, inzonderheid, wanneer het verlicht is door de Heilige Geest, Exod. 33: 20, 23. Hand. 17: 27, 28. Job 26: 14. 11: 7, 8. 1 Tim. 6: 16. Deut. 29: 29. Joh. 1: 18. 17: 1. 1 Kor. 2:11.
Wat is het dat wij naar onze mate van God kennen?
Antw. Zijn genoegzaamheid en kracht, Rom. 4: 17, 21. Gen. 28: 3. 43:14. Exod. 9: 3. Openb. 15: 3.
Wat is Gods genoegzaamheid?
Antw. Het is datgene waarbij Hij genoeg is in en voor zichzelf, en daarenboven ook een rijke vervulling is van het schepsel, 1 Tim. 6: 15. Gen. 17:1. Ef. 3: 20. 2 Kor. 9: 8. Hand. 17: 24, 25. 2 Kron. 25: 9. Dan. 3:17. Hebr. 2:18. 5: 7. 7:25. 11:19. Filip. 3: 21.
Waarin bestaat Gods genoegzaamheid?
Antw. In Zijn Goddelijk Wezen en bestaan, 1 Joh. 5: 7.
Wat is het Goddelijk Wezen?
Antw. Het heerlijk en overtreffelijk zijn van God, waardoor Hij is hetgeen Hij is, oneindig gelukzalig in Zichzelf, kunnende door niemand begrepen worden dan door Zichzelf, Exod. 3:14. 1 Tim. 6: 16. Jes. 40: 14, 18, 25. 45: 5, 6, 14, 18, 22. 46: 9. Jer. 10: 6.
Welke is die heerlijke naam van God, door welke Hij zich genadig geopenbaard heeft aan Zijn Kerk?
Antw. Het is Zijn naam JEHOVAH, door welke Hij betoond wordt te zijn, die Hij is, en wel op een bijzondere wijze aan Zijn volk, Exod. 6: 3. Psalm 73:19. Gen. 22: 14. Exod. 17: 15. 34: 6.
Wat moeten wij denken en besluiten rakende het Goddelijke Wezen, wat het ook in zichzelf is?
Antw. 1. Dat Hij volstrekt het hoogste wezen is, Jes. 41:4. 44: 6. 48:12. Openb. 1: 11, 17.
Wal volgt hier noodzakelijk uit?
Antw. Dat er geen ander wezen voor Hem, noch Hem gelijk, of in dezelfde orde of rang is; dat Hij van niemand iets ontvangt, en dat Hij het allerheerlijkste en allerhoogste Wezen is, Jes. 43: 10. Deut. 32: 39. Rom. 11:35. Jes. 40:17, 41:4. Psalm 93:4. 113:5. Jes. 33:5. Deut. 32: 8. Gen. 14: 20, 22. Psalm 7: 18. 73: 19. 92:2, 9. Dan. 5: 18. 7:18. Hand. 7: 48. Hebr. 1: 3. Neh. 9: 5. Exod. 15:11.
Wat moet men verder van Gods Wezen besluiten?
Antw. 2. Dat God, en al wat in God is, of aan Hem wordt toegeschreven, maar één enkele allerzuiverste daad is. Exod. 3: 14. Gen. 17: 1. 35: 11. 26:24. Jes. 48:12. Openb. 18: 11. Exod. 6: 2, 6, 7, 8, 29. 12:12. Lev. 18: 5, 6. 40: 45. Jes. 42:8. Ier. 9: 24. 32: 27. Ezech. 12:25. 3: 6. Spr. 8:14.
Wat volgt er meer uit Gods Wezen?
Antw. 3. Dat God niets van een ander ontvangt, noch daardoor bewogen wordt, maar dat Hij alles beweegt, Jes. 11: 14, 17. Rom. 40: 35, 36. Psalm 94: 7-10. 1 Joh. 1: 5. 2 Tim. 2: 13. Job 38: 4, 8, 10, 12, 17, 26, 31, 32, 33, 56. Psalm. 66: 7. Dan. 4: 17. Filip. 2: 13.
Wat besluit men er verder uit?
Antw. 4. Dat God de hoogste volmaaktheid, en het hoogste goed is.
Wat is de hoogste volmaaktheid van wezen of zijn?
Antw. Dat daar niets aan toegedaan, of afgenomen kan worden, en ook van niets afhangt, Job 11: 7 en 35: 6, 7.
Wat is het hoogste goed?
Antw. Dat, hetwelk de eerste oorzaak en het laatste einde is, zonder hetwelk niets kan zijn, of goed en gelukkig zijn kan, Psalm. 4: 7. Rom. 11:36.
Wat volgt uit deze aanmerkingen van het Wezen van God?
Antw. Dat de kennis, die wij van Gods wezen hebben, meest ontkennend is; uit de kennis, die wij van het schepsel hebben, zijn wij door de gezonde rede gedrongen God een wezen te ontzeggen, dat uit oorzaken samengesteld is; dat Hij geen gewrocht is, geen onderwerp of bijvoegsel, noch geheel uit delen samengesteld, enz. Neh. 9:5. Jes. 40:25. Num. 23: 19. Jes. 55:8, 9. 1 Kon. 8: 27. Psalm. 102:28.
Hoe wordt dan Gods Wezen aan ons verstand, naar onze manier en maat, bekend gemaakt?
Antw. Door de Goddelijke eigenschappen, welke verscheidene en heerlijke volmaaktheden zijn naar ons verstand, welke wij aan die ene allerzuiverste, onuitsprekelijke en wezenlijke daad toeschrijven; en waardoor God zichzelf aan ons in Zijn achterste delen als het ware openbaart, Exod. 33:23. 34:6. Deut. 32:3,4. Psalm. 29:2. Job 36:3. Psalm. 78:35. 1 Kron. 16:28. Psalm. 96:7,8.
Waarom moet die ene allerzuiverste daad door ons onderscheiden begrepen worden?
Antw. Omdat ons verstand eindig is, en omtrent geen voorwerp werken kan, dan naar de wijze van evenmatigheld daaraan; en ofschoon wij door het geloof datgene zien, hetwelk de rede niet afmeten noch verdelen kan, zo ontstaat nochtans de kennis, die wij uit de rede verkrijgen, uit bewijzen, die van de zaken onderscheiden zijn; dus kan God niet onmiddellijk gezien worden anders, dan als ons vertoond in de spiegel van andere dingen, waarin enige voetstappen zijn van, of gelijkenis aan het eerste Wezen, 1 Kor. 13: 12. Rom. 1: 20. Psalm 19: 2. 8: 2.
Geef tot beter verstand van deze zaak een voorbeeld.
Antw. Wij zeggen God is groot, heilig, wijs, enz., dit zijn bijvoegselen in het schepsel, nu begrijpt ons verstand God natuurlijk als een onderwerp, deze bijvoegselen hebbende, en Hij verschijnt aan ons gelijk een en hetzelfde aangezicht, dat, in verscheidene soorten van spiegels beschouwd, zich ook op verscheidene wijze vertoont, Eph. 3: 10. Psalm 84:12. Jes. 10: 16, 17. Dan. 2: 20, 21, 22. Psalm 118: 27.
Moeten Gods eigenschappen van Zijn Wezen onderscheiden worden?
Antw. Wat ook onze redelijke wijze van bevatting is, zo moet echter ons geloof hoger klimmen dan onze bevatting, en wij hebben iedere eigenschap in God te begrijpen God zelf te zijn, en daarom alle gelijkelijk dezelve ene God te wezen. God kan niet veel, noch groter of minder zijn dan Hij zelf, Exod. 3: 14. Rom. 1: 20. Joh. 8: 58. 1 Sam. 2:2. Psalm 36: 6, 7. 71: 19. Deut. 5: 24. 1 Kron. 29:11. Deut. 32:3. Psalm. 145: 3. Ef. 1: 19. Psalm 77: 14. Deut. 10: 17. 2 Sam. 7: 22. Psalm 50:2.
Hoe onderscheidt u Gods eigenschappen?
Antw. In zulke, waardoor wij enigermate begrijpen wat God is, welke onmededeelbaar zijn; en in zulke, waarvan enige gelijkheid gevonden wordt in het schepsel, welke daarom mededeelbaar genoemd worden, waaruit wij zien wat God doet; deze behoren eigenlijk tot Gods kracht, en de eerste tot Zijn genoegzaamheid, Psalm. 145: 3, 9, 17. Job 36: 24, 25, 26, 27, 30, 32.
Hoe wordt God ons beschreven?
Antw. Als een Geest, of Geestelijk Wezen, hebbende het leven in Zichzelf, Joh. 4: 24. 5: 26. 2 Kor. 3:17. Deut. 5: 26. Joz. 3:10. Dan. 6: 21, 27. Matth. 16: 16. Joh. 6: 69. Hebr. 3:12.
Hoedanig een Geest of geestelijk Wezen is God?
Antw. Een ongeschapen Geest, de Vader der geesten, en Schepper van de engelen, en van de zielen der mensen, welke schepselen zijn, Kol. i 16. Openb. 4:11. 10: 6. Hebr. 12:9. Jak. 1:17. Num. 16:22 en 27:16.
Wat geeft het te kennen, te zeggen, dat God een Geest is?
Antw. Het geeft te kennen, dat God onlichamelijk is, een allereenvoudigst en machtigst Wezen, alle eeuwen of geschapen wezens oneindig te boven gaande, Luk. 24: 39. Psalm 103: 19, 20, 2 1. 104:4. 148: 23. Spr. 16: 2. 1 Petr. 3: 22. Job 4:18. Jes. 6:1-4.
Wat is hel leven van God?
Antw. Datgene, waardoor God in en van Zichzelf heeft de grootste oorsprong van werkzaamheid, met het hoogste licht en vermaak, Jer. 10:10. 1 Tim. 6:16. Dan. 4: 34. Psalm 42:5. Dan. 6:21, 27. 2 Sam. 17:26. Hand. 14:15. Matth. 16:16. 2 Sam. 2: 27. 22: 47. Jer. 4: 2. Openb. 4: 9, 10. 5: 14. Psalm 36:10. Hab. 3:4. Joh. 1: 9. 1 Joh. 1:5 . Spr. 8: 30. Psalm 136: 4, 5. Jer. 10: 24.
Welke zijn Gods onmededeelbare eigenschappen?
Antw. Die, door welke liet goddelijke leven is hetgeen dat het is, en welke God niet meedelen kan aan enig ander wezen, zonder zijn eigen te verloochenen, Exod. 3: 14. 2 Tim. 2:13. 1 Kron. 29:11i. Psalm 93: 1, 2. 83: 19. 148:13. Jes. 45: 5. 46: 9. Psalm 89: 7.
Welke zijn die bijzondere goddelijke eigenschappen, waardoor Hij van alle andere wezens onderscheiden wordt?
Antw. Zijn oneindigheid, eeuwigheid en onveranderlijkheid, Job 36: 26. Psalm 55: 20.
Wat is Gods oneindigheid?
Antw. Die volmaaktheid, waardoor Hij zonder enige paal of einde in Zijn wezen is, Psalm. 78:41. Job 11:7,8,9. 1 Kon. 8:27. Psalm 145: 3. 147: 5 . Jes. 40: 17.
Wat vloeit uit Gods oneindigheid?
Antw. 1. Gods onmetelijkheid, dat Hij zonder afmetingen, vermeerdering of vermindering is, maar aan alle andere wezens palen en maat geeft; Job 11: 7, 8, 9. 36: 6, 7, 8. Psalm, 147: 5. 139: 18. Job 38: 5. Jes. 40: 12.
Hoe bewijst u Gods onmetelijkheid?
Antw. Indien God door het schepsel kon afgemeten worden, dan zou enig schepsel Hem gelijk zijn, Jes. 40: 18, 25 Job 38: 5. Jes. 66: 5. Filip. 2: 6.
Wat is de tweede zaak, die uil Gods oneindigheid volgt?
Antw. Zijn onbegrijpelijkheid, waardoor Hij niet in enige plaats begrepen kan worden, noch enige gedaante of afbeelding hebben kan, maar aan alle andere wezens palen zet, 1 Kon. 8: 27 Job 14: 5. 26: 10. Spr. 30: 4. Job 28: 24, 25, 26. Hand. 17: 26. Psalm 104: 3, 8, 9.
Wat is de derde zaak in Gods oneindigheid?
Antw. Zijn alomtegenwoordigheid, waardoor Hij nergens is uitgesloten, maar overal tegenwoordig is, Psalm 139:8. Amos 9: 1-4. Jer. 23: 23, 24.
Wat is Gods eeuwigheid?
Antw. Zijn during, waardoor Hij zonder mogelijkheid van begin, vervolg van tijd, of einde is, Psalm 90: 1, 2, 4. 102: 13, 28. Jes. 57: 15. 2 Petr. 3: 8. Spr. 8: 23-27. Openb. 1: 4, 8. Hab. 1: 12.
Wat is het eeuwige leven, dat enig schepsel heeft?
Antw. Dat wordt aan hetzelve door de eeuwige God gegeven, en het is niet eigenlijk eeuwig, maar eeuwigdurend, omdat het een begin heeft, en een mogelijkheid van een einde; maar het leven van God heeft geen van beide, Joh. 10: 28. Num. 16: 22. Heb. 12: 9. Jes. 68:12, 13, 16. Job 24: 1. Psalm 15: 5. 21: 5, 7. Jes. 46:10.
Waarom kan God geen schepsel zo eeuwig maken, dat het zonder begin is?
Antw. Omdat Hij dan een eerste wezen zou moeten maken, en dan zou het gewrocht voor de uitwerkende oorzaak zijn, hetwelk Gods eeuwigheid ontkennen zou, Pred. 3:11. Jes. 40:21, 22. 46:1o en 48: 3, 5, 7.
Wat is Gods onveranderlijkheid?
Antw. Die volmaaktheid, waardoor Hij in zichzelf altijd dezelfde is, zonder de minste verandering, Psalm 102:28. Hebr. 1: 12. 6:19. 13: 8. Mal. 3: 6. Jak. 1: 17.
Welke zijn de tweede soort van de goddelijke eigenschappen, welke Hij enigermate en n enige gelijkheid in het schepsel indrukt, en die daarom mededeelbare genoemd worden, en blijkbaar uitblinken in Zijn kracht?
Antw. Die heerlijke uitmuntendheden, waardoor Hij rijk voorzien is tot de beste en edelste werking, Psalm 104: 24. Rom. 10: 12. Ef. 2:4. Exod. 34: 6. Job. 36:31. Ef. 3:20
Welke zijn die?
Antw. Die zijn eerste en volgende.
Welke zijn die van de eerste aanmerking?
Antw. Gods verstand en wil, 1 Kron. 28:9. Psalm 147:5. Spr. 8:14. Ef. 1:5. Rom. 9:18. 1 Kor. 12:11. Jak. 4:15. Psalm 115:3.
Wat is Gods verstand?
Antw. Die volmaaktheid, waardoor Hij zichzelf en aan iedere waarheid, in zichzelf door een enige, enkelvoudige, onafhankelijke, onveranderlijke en eeuwige daad van Zijn verstand, klaar weet, ziet en onderscheidt, Hebr. 4:13. Psalm. 94:9. Jes. 59:1. Hand. 15:18.
Wat is Gods wil?
Antw. Die volmaaktheid, waardoor Hij al wat Hij als goed kent, als hebbende een gelijkvormigheid met Zijn deugden en volmaaktheden, goedkeurt, zodat Hij, nochtans op de allervrijste wijze, enige dingen tot hun zijn en aanwezen vaststelt, en andere, even goed, in de staat van onmogelijkheid tot zijn en aanwezen bij zich opsluit. Psalm. 115:3. Ef. 1:5. Rom. 9:18,19.
Wat volgt op Gods verstand en wil?
Antw. Zijn heerlijke gelukzaligheid, waardoor Hij de hoogste waarheden begrijpt, en in de genieting van het hoogste goed berust. 1 Tim. 1:11. 6:15. 1 Kor. 2:11. 1 Joh. 4:8. Rom. 1:25. 9:5. 2 Kor. 11:31.
Wat hebben wij verder op te maken uit de aanmerking van Gods verstand en wil?
Antw. Die heerlijke eigenschappen, welke wij, in de mededeling ervan aan het schepsel, verstandelijke of zedelijke deugden noemen. Job. 28:12, 20, 23, 25, 27, 28. Jes. 29:15, 16. 40:28, 29. Jer. 2:15, 16.
Hoe schrijven wij aan God deugd toe?
Antw. Door alle uitnemendheid, die wij in het schepsel beschouwen, welke in wijze en maat ervan enige volmaaktheid aanwijst, te erkennen, dat die in God, op goddelijke wijze, oorspronkelijk, overtreffelijk en oneindig volmaakte wijze zijn. Job 38:36. Psalm 84:12. Job 36:5,6. Jer. 10:6,7.
Mogen enige deugden, die wij in de mensen vinden, aan Godzo worden toegeschreven, als gezegd is?
Antw. Geen zulke deugden, die in het schepsel een onvolmaaktheid aanwijzen, ogen aan God toegeschreven worden; zoals ootmoedigheid, eerbied, zedigheid, enz. 2 Tim. 2:13. 1 Joh. 1:5. Jak. 1:`17. Job 36:5, 4. 37:16, 19. Hoofdstuk 25:4 en 21:22.
Welke zijn die goddelijke eigenschappen, welke op de verstandelijke deugden hun opzicht hebben?
Antw. De goddelijke wetenschap, wijsheid, voorzichtigheid en kunst, welke gewoonlijk begrepen worden onder deze twee, namelijk, kennis en wijsheid, 2 Sam. 2:5. Job 22:22. Jes. 40:14. Job 36:5. Psalm 104:24. Job 9:4. 1 Tim. 1:17.
Wat is de wetenschap of de kennis van God?
Antw. Die volmaaktheid, waardoor Hij alle dingen en de werkingen ervan, hetzij mogelijke, toekomende of tegenwoordige, op een oneindige, eeuwige onveranderlijke wijze ziet en weet; en welke alwetendheid genoemd wordt, Psalm 94: 11. 44:22. Job 11:11. Psalm 139:2. 1 Joh. 3:20. Hand. 15:18. Jes. 66:18. 1 Kor. 3:20. Jer. 18:23. Job 34:21,22.
Wat is Gods kennis van mogelijke dingen?
Antw. Dit is gegrond in de macht van God, dat Hij machtig is vele dingen te doen, die Hij nooit doen wil, en wordt genoemd enkele kennis, omdat die het verstaan, of de kennis is van beginselen, Psalm 78: 19, 20. Matth. 3:9. Luk. 3:8. Jer. 32:17, 27.
Wat is Gods kennis van dingen, die zijn of wezen zullen?
Antw. Het is Gods kennis, gegrond op zijn bepaalde raad en wil, waardoor Hij die dingen, die van een staat van enkele mogelijkheid gebracht zullen worden tot een toekomend bestaan, door een daad van Zijn almacht kent door een enige, oneindige, volmaakte, eeuwige en onveranderlijke daad van Zijn verstand, en wordt genoemd de kennis van het gezicht, Hand. 15:18. Psalm 139:2. 11:4. 66:7. 33:13. Spr. 15:3. Psalm 94:9. 1 Sam. 16:7. Matth. 6:4. Job 22:12, 15.
Is er in God een middenkennis tussen die van enkele kennis, en die van het gezicht?
Antw. Sommigen willen een middenkennis hebben, waardoor God zekere gewrochten weet, die uit zulke en zulke gebeurlijke oorzaken voortkomen, schoon de genoemde gewrochten bij God niet volstrekt bepaald zijn, maar alleen van de vrije wil van de mens afhangen; en deze noemen zij een Scientia Media, of middenkennis; doch welke een leer is, strijdig tegen het woord van God en de gezonde rede, Filip. 2:13. Rom. 9:16. Joh. 5:21. Jak. 4:15 en 1:18.
Hoe bewijst u Gods alwetendheid?
Antw. Hij, die alle dingen gemaakt heeft, en die overal tegenwoordig is, om ze te onderhouden, moet noodzakelijk alwetend zijn, Spr. 22:2. Psalm 94:9. Hand. 17:25, 27, 28 en 15:18.
Hoe deelt God deze eigenschap van Zijn kennis mee?
Antw. Door het maken van een schepsel, begaafd met een eindige kennis in zulk een manier en maat, als het Hem behaagt, Job32:8. 38:36. Psalm 73: 11. 2 Tim. 2:7. 1 Joh. 5: 20. Kol. 3:10. Psalm 94: 10. Spr. 22:20. Jer. 10:6,7.
Wat is de wijsheid van God?
Antw. Datgene, waardoor Hij het ontwerp van werking legt, en ook werkt tot het beste einde en door de beste middelen, Spr. 8:22, 26, 27. 3:19. Job 12:12,13. 28:5, 12. 36:5. Psalm 104:24. 136:5. Jer. 10:12. Openb. 1:1. Ef. 1:5, 6, 9 en 3:10.
Hoe legt God dit ontwerp?
Antw. Door Zijn heerlijke raad, waardoor Hij Zijn orde en manier van werking beraadslaagt, tot volvoering van het grote einde Zijner heerlijkheid, Psalm 33:10, 11. 92:5. Jes. 25:1. 46:10, 11. Spr. 8:13, 14, 15, 29. Jer. 32:19.
Wat is het grote einde van al Gods raadslagen?
Antw. God het hoogste goed zijnde zowel voor zichzelf, als voor het schepsel, zo moet de openbaring van zichzelf op een heerlijke wijze, naar het welbehagen van Zijn wil, noodzakelijk het grote einde zijn, Psalm. 104:31. Exod. 33:18, 19. Psalm. 138:5. Jes. 35:2. 40:5. 60:1. Ezech. 3:12. 10-:4. Hab. 2:`14. Jer. 14:21. Openb. 15:4. Ef. 1:6, 9, 11, 12, 14.
Hoe deelt God Zijn eigenschap van wijsheid mee?
Antw. Door aan sommige schepselen in de tijd wijsheid te geven, in zo'n mate en manier, als het Hem behaagt. Spr. 2: 6. Job 32:8. 38:36. 40: als ook hoofdstuk 4:18. Psalm. 2:8. Pred. 11:26. 1 Kon. 4:29-31. Job 35:22. Psalm. 119:98. 1 Kor. 1:25. Dan. 2:2`1. Jer. 9:23. Luk. 21:15. Hand. 6:3. 2 Petr. 3:15.
Wat volgt op Gods wijsheid?
Antw. Zijn wonderlijke voorzichtigheid en heerlijke kunst of werking. Jes. 28: 29.
Wat is de goddelijke voorzichtigheid?
Antw. Zijn allerverstandigste en regelmatigste uitvoer van Zijn raadslagen, dat ook oordeel wordt genoemd, 2 Chron. 2:12. Spr. 8:12. Ef. 1:8. 1 Sam. 16:18. Spr. 13:16. 14:8, 15, 18. Jes. 52:13. Spr. 8:14, 20. Jes. 30:18. Psalm 111:7. 119:66, 149. Zef. 3:5. Mal. 2:17.
Wat is de heerlijke kunst van God?
Antw. Datgene, waardoor Hij ieder ding schoon maakt in Zijn tijd, gebruik, orde en manier, dienstig tot Zijn heerlijke einden en oogmerken; zijnde dit zijn uitnemendheid of grootheid van daad. Jes. 28:29. Pred. 311. Psalm. 48:3. 27:4. Zach. 9:17. Psalm. 8:2. 40:2. Jes. 4:2. Deut. 33:26. Exod. 15:7. Psalm 139:14. Job 37:14, 16. Psalm 26:7. 71:17. 119:27. 145:5. Jer. 21:2. Jes. 48:13. Psalm 98:15, 16. Psalm 104:3.
Welke zijn die goddelijke eigenschappen, die onder een zedelijke aanmerking komen?
Antw. Zij zijn zodanige, die meer lijnrecht onder die aanmerking komen, of die zulks alleen opzichtelijk doen.
Welke zijn die, welke meer lijnrecht als zedelijk aangemerkt worden?
Antw. De getrouwheid en de goedheid van God, Rom. 11:22.
Wat is de gestrengheid van God?
Antw. Die deugd, waardoor hij oprecht getrouw is aan Zichzelf, en aan al Zijn schepselen, Psalm. 36:6. 40:11. 989:2, 3, 6, 9, 23, 34. 92:3. 109:59, 90. 140:1. Jes. 11:5. Klaagl. 3:23. Hos. 2:20. Psalm 145:7.
Waarin bestaat Gods getrouwheid?
Antw. In Zijn rechtvaardigheid en waarheid. 1 Sam. 26:23. Deut. 7:9. Spr. 14:5.
Wat is de rechtvaardigheid van God?
Antw. Datgene, waardoor Hij aan Zichzelf geeft, dat Hem toekomt, en ook aan Zijn schepels, volgende de vaststelling van Zijn verbond. Deut. 12:9. Psalm 89:25, 38. Jes. 49:7. 11:5. Job 4:17. Spr. 17:15. Jes. 26:7. 45:25. Zef. 3:5. Joh. 5:30. Openb. 15:3. 1 Joh. 1:9.
Waarom zegt u, volgens de vaststelling van Zijn verbond?
Antw. Omdat God buiten dit opzicht niet verplicht is, noch uit Zijn eigen natuur, noch uit die van de schepselen, iets, boven hetgeen er in de schepping aan meegedeeld was, te geven.
Hoe geeft God door Zijn rechtvaardigheid Zichzelf, hetgeen Hem toekomst?
Antw. Door Zijn eigen heerlijkheid te stellen tot de onveranderlijke regel van al Zijn handelingen, in een weg van rechtvaardigheid, Psalm. 89:15. Job 37:23. Jes. 9:7. Jer. 40:7. Psalm 51:6. 86:9. Rom. 3:23.
Wat volgt hieruit?
Antw. Dat God in de bedeling van Zijn rechtvaardigheid, Zijn wet en Zijn verbond groot maakt en verheerlijkt, Rom. 12:12. 2 Kor. 3:9. Jes. 42:21. Exod. 20:7. Rom. 3:25.
Hoe bedient God de rechtvaardigheid?
Antw. Door wetgeving, of in het maken van verbonden, en in het uitvoeren van die wetten. En in dit beide te doen, doet Hij recht aan Zichzelf en aan het schepsel. Jes. 33:22. Jak. 4:12. Exod. 16:4. Amos 2:4. Exod. 12:12. Deut. 10:17, 18. Hos. 11:9. Psalm 9:16. 103:6. Joël 2:11. Ezech. 5:8. Micha 5:16.
Hoe doet God in de wetgeving recht aan Zichzelf?
Antw. Door die soevereine macht over het schepsel aan te nemen, die Hem van nature toekomt, Rom. 9:21. Jes. 45:10, 14, want het schepsel onder een wet te stellen, en wel onder zo'n wet, als het Hem behaagt, is rechtvaardig, Job 34:23.
Hoe bedeelt God gerechtigheid aan het schepsel?
Antw. In er mee te handelen naar Zijn wet en verbonden, in een getrouwe uitdeling van beloningen en straffen, naar behoren, Psalm 58:12. 91:8. Rom. 4:4. 2 Petr. 2:13. Job 21:19, 20. Klaagl. 3:39, 42. Job 31:3. Jes. 26:21. Amos 3:2. Psalm 38:4. 62:13. Ezech. 39:24. Matth. 16:27. Rom. 2:6. Openb. 2:23.
Wat is Gods waarheid?
Antw. Het is Zijn getrouwheid, waardoor Hij altijd Zichzelf volmaakt gelijk is in Zijn voornemens, woord en werken, en deze ook onder elkaar, Jes. 46:11. 48:15. Jer. 4:28. Ezech. 12:28. Jes. 14:24. Spr. 14:5. Hebr. 10:23. Tit. 1:9. 1 Tim. 1:15. Joh. 5:21. 2 Kor. 1:18. 1 Petr. 5:12. 1 Joh. 2:8. 5:20. Openb. 3:14. 6:10. 15:3. 16:7. 19:2, 9, 11. 21:5 en 22:6. Deut. 32:4. Psalm 85:11. 86:15. 100:5. 117:2. 119:142, 151. Jes. 25:1. Jer. 15:3. Micha 7:20. Mal. 2:6. Joh. 1:17. 14:6. Rom. 1:25. 9:1. 1 joh. 5:6. Num. 33:19. Jes. 55:11. Psalm 19:10. 119:160 en 138:2.
Hoe deelt God Zijn getrouwheid mee in Zijn rechtvaardigheid en waarheid?
Antw. Door sommigen van Zijn schepselen rechtvaardig en getrouw te maken, in zo'n manier en maat, als het Hem behaagt. Neh. 7:2. Psalm 12:2. Spr. 20:6. Spr. 28:20. Matth. 24:45. 1 Kor. 4:2. Luk. 1:7. Jes. 26:2. Jak. 3:14.
Wat is de goedheid van God?
Antw. Die deugd, waardoor Hij Zichzelf aanprijst aan Zichzelf, en aan al Zijn schepselen, en daardoor allerbeminnelijkst en begeerlijkst is. 2 Kron. 5:13. 7:3. Ezra 3:11. Psalm 106:1. 24:9. Exod. 34:6. 2 Kron. 6:41. Neh. 9:25. Psalm 16:2. 51:3. Hos. 3:5. Zach. 9:17. Rom. 2:4. 11:22. 2 Tim. 1:11. Luk. 18:19.
Welke is die goedheid van God, waardoor Hij voor Zichzelf allerbeminnelijkst en begeerlijkst is?
Antw. Zijn allerschoonste heiligheid, waardoor Hij uitmunt in de grootste glans van zuiverheid, en aan Zichzelf in alles, wat Hij is en doet, gelijkvormig is. Jes. 6:3. Psalm 105:3. 111:9. Jes. 45:15. 1:4. 5:24. 43:14, 15. Amos 4:2. Exod. 5:11. Psalm 60:8. 47:9. 89:36. 97:12. Jer. 23:9. 1 Petr. 1:16. Hab. 1:12, 13.
Hoe deelt God Zijn heiligheid mee?
Antw. Door het schepsel aan Hemzelf gelijkvormig te maken, in zo'n manier en maat, als het Hem behaagt, Luk. 1:74, 75. Ef. 4:24. 1 Thess. 4:17. 1 Petr. 1:16. Hebr. 12:10. 2 Kor. 3:6.
Welke is die goedheid van God, waardoor Hij voor het schepsel allerbeminnelijkst en begeerlijkst is?
Antw. Zijn goedertierenheid en beminnelijkheid.
Wat is Gods goedertierenheid?
Antw. Datgene, waardoor Hij zich rijk en overvloedig aan het schepsel uitlaat, als een fontein, die alles vervult, Psalm 107:9. Psalm 147:14. Ef. 1:23. Job 22:18. Psalm 104:27, 28. Job 12:6. Ef. 3:20. 1 Kron. 29:14, 16. Psalm 24:1. 33:5. 65:10. Hand. 17:28.
Hoe wordt deze milde goedertierenheid van God onderscheiden?
Antw. In een algemene aan alle schepselen, en in een bijzondere aan sommige, Psalm 145:6-11. Joh. 1:4, 9, 10, 14, 16.
Welke is die milde goedertierenheid, welke aan alle schepselen gemeenschappelijk is?
Antw. Die, waardoor God aan het schepsel mild schenkt een natuurlijk wezen, en een wijs bestuurd welwezen, ieder in zijn bijzondere soort, zodat al deze dingen gelijk gebeuren. Pred. 9:1, 2. Job 38:26. 39:3. Psalm 136:6, 7, 8. 147:8, 9. Hand. 14:16, 17. Psalm 145:9. 1 Tim. 4:4. Psalm 33:5. Jak. 1:5.
Welke is de bijzondere milde goedertierenheid van God?
Antw. Deze is Zijn genade en bijzondere gunst, waardoor Hij vrij enige van Zijn redelijke schepselen gelukzalig maakt, en van anderen onderscheidt, Psalm 97:10. 73:1. Pred. 2:26. Psalm 31:20. Jer. 31:14, 33, 34. Rom. 2:4. 2 Thess. 1:11. Exod. 33:19. 34:6. Klaagl. 3:25. Psalm 107:8, 9. Jes. 63:7. Hos. 3:5. Ef. 5:9. Psalm 84:12. Joh. 1:16. Spr. 3:34. Zach. 12:10. 2 Kor. 9:8. 1 Kor. 4:7.
Hoe onderscheidt u de bijzondere genade?
Antw. De bijzondere is die waardoor God aan het schepsel meer geeft dan de innerlijke waarde van wat het is, of doen kan. Of die, waardoor Hij goedertieren is met ontferming omtrent een ellendig schepsel, Exod. 34:6. 1 Petr. 5:10. 2 Kron. 30:9. 2 Kor. 9:8.
Tot welke schepsels schijnt Gods bijzondere genade voort in de eerste zin?
Antw. Tot de goede engelen, welke gezaligd zijn door onderscheiden genade, in een weg van een verbond der werken; en aan wie God duizendmaal meer schenkt dan de innerlijke waarde van hun werken. Job 4:18. Psalm 104:4. Jud. :6. 1 Tim. 5:21.
Tot welke schepsels schijnt Gods bijzondere genade voort in de tweede zin?
Antw. Tot het gevallen ellendig mensdom. En dit is genade in een weg van barmhartigheid, genoemd rijke genade. Het heeft in zich een oneindig medelijden tot onze zaligheid. Gen. 3:15. Ef. 2:8. Exod. 33:19. 34:6, 7. Hebr. 5:2. Psalm 103:13.
Hoe deelt God Zijn goedertieren genade mee?
Antw. Door edele goedertieren schepsels te maken in zo'n manier en maat, als het Hem behaagt. Psalm 34:8. 91:11. 103:20. Hand. 5:19. Hebr. 1:1. Spr. 11:17. Luk. 6:36. Psalm 37:26. Jes. 57:1. Jes. 37:8. 2 Kor. 8:2 en 9:6, 13. Deut. 15:14.
Wat is de beminnelijkheid van God?
Antw. Het is niet alleen de schoonheid van God in Zijn werken, maar ook datgene, waardoor Hij liefde is, en Zich als zodanig vertoont in al zijn heerlijke volmaaktheden aan hen die door Hem bemind worden, 1 Joh. 4: 8, 16. Jer. 31:3. Mal. 1:2. Spr. 8:17. Jes. 38:17. 2 Kor. 5:14. Psalm 119:133. Rom. 8:38. Joh. 3:16 en 17:23. Ef. 2:4. 2 Thess. 2:16. Openb. 1:5. 1 Joh. 3:16.
Welke zijn die eigenschappen van God, die meer met opzicht of betrekking op, onder een zedelijke aanmerking komen?
Antw. Deze zijn Zijn macht en Majesteit. Job 37:23, 24. Neh. 1:3. Pred. 8:4. Job 26:12, 14. Psalm 145:5. 1 Kron. 29:14.
Waarom behoren deze maar alleen met opzicht op, tot de eigenschappen van een zedelijke aanmerking?
Antw. Omdat de macht en Majesteit van God onafscheidelijk behoren tot Zijn Goddelijke heerlijkheid, die altijd in de genoemde eigenschappen moet uitblinken, waarvan de vertoning en het tevoorschijn brengen volgens Zijn wil is. Psalm 35:3, 4. Psalm 93 geheel door, en 96:6, 10, 13. Jes. 24:14, 15. Matth. 6:13. Jes. 1:2, 3. Psalm 66:3, 4. 63:3 en 79:11.
Wat is de macht van God?
Antw. Het is datgene, waardoor Hij doen kan alles wat in de natuur ervan overeenkomt met Zijn volmaaktheid, en dus alles wat Hem behaagt. Dit wordt genoemd, Zijn almacht. Gen. 49:25. Job. 11:7. Psalm 63:12. Gen. 27:1. 35:11. 43:14 en 48:3. Exod. 6:3. Openb. 4:8.
Hoe onderscheidt men de macht van God?
Antw. Onder Gods macht versta ik Zijn vermogen, en Zijn soevereiniteit.
Wat is Gods vermogen?
Antw. Datgene, waardoor Hij sterk en wijs genoeg is om alle mogelijke dingen te doen, Jer. 32:17, 27. Job 9:4. Psalm 65:7. Jes. 62:8. Psalm 68:35. Jes. 26:4. Psalm 84:9, 11, 14. Jes. 40:10. Openb. 18:2, 8. Job 36:5.
Wat volgt hieruit?
Antw. De onwederstandelijkheid van God. Jes. 40:15, 16, 17. Job 34:11, 12, 17. 40:4. 41:1. 1 Kor. 10:22 en 1:25. Luk. 11:20. Deut. 32:3, 4. Job 9:12, 13. Jer. 46:2.
Wat is Gods soevereiniteit?
Antw. Datgene, waardoor Hij doen kan alles wat Hij wil, en aan het schepsel niet verantwoordelijk is voor een enige Zijner daden, Psalm 135: 6. Job 33: 12. Psalm 144:3. Rom. 9: 21, 22. Job 11: 6, 7. 13: 11 en 10:8. Dan. 4: 35.
Is er iets, dat God niet doen kan?
Antw. Alles wat strijdig is tegen enige van Zijn volmaaktheden, kan God niet doen. Ook zijn er vele dingen, die ten aanzien van Gods volmaaktheden mogelijk zijn, die Hij niet doen wil. Want Zijn wil bepaalt Zijn macht ten aanzien van de werking, Num. 23:19. 1 Sam. 15:29. Psalm 89:36. Tit. 1:2. 2 Tim. 2:13. Job 8. 34:10. Rom. 3:4. Jak. 1:13.
Hoe deelt God Zijn macht en soevereiniteit mee?
Antw. Door machtige schepsels te maken, en ze een bepaalde soevereine heerschappij te geven, in zo'n manier en maat, als het Hem behaagt, Job 40:10, 11, 12. Psalm 103:20. Psalm 8:7, 8, 9. Spr. 8:15.
Wat is Gods Majesteit?
Antw. Die overtreffelijke koninklijke heerlijkheid, die uitblinkt in de bediening van Zijn regering en heerschappij. Psalm 93:1. Job 37:22. Psalm 104:1. 145:12. Jes. 10:2, 19, 21. 24:14. 26:10. Micha 5:4. Hebr. 1:3.
Hoe wordt Gods majesteit meegedeeld?
Antw. Door aan Zijn schepsels een koninklijke majesteit te geven in zo'n manier en maat, als het Hem behaagt. Dan. 4:30, 36, 37. 5:21. 7:27.
Hoe moeten wij deze mededeelbare eigenschappen, ten aanzien van God en het schepsel onderscheiden?
Antw. Wanneer wij enige ervan aan God toeschrijven, zoals heiligheid, wijsheid, macht, enz., dan moeten wij, tenminste in onze gedachten, al Zijn onmededeelbare eigenschappen daar bijvoegen. Zoals wanneer wij zeggen: God is heilig, dan is het, dat Hij oneindig, eeuwig en onveranderlijk heilig is, en zo ook van al de andere eigenschappen. Maar wanneer wij van de heiligheid van het schepsel spreken, dan verstaan wij dat die eindig, veranderlijk, en alleen maar tijdelijk zo is.
5. Van de ene, enige, levende en waarachtige God
Vijfde leerstuk
Er is maar één enige, de levende en waarachtige God, Deut. 6: 4, Jer. 10:10.
Verklaring
Welk blijkbaar bewijs is er, dat er maar één ware God is?
Antw. Dat blijkt zowel uit het licht van de rede als van de Schriftuur.
Welk bewijs is er uit de rede?
Antw. Omdat hetgeen, dat oneindig is, maar één enig Wezen zijn kan. Want als er twee of meer zulke Wezens waren, dan zou het ene het andere bepalen, en geen van die zou God zijn, omdat zij niet oneindig zouden wezen. Maar de ware God is oneindig. Dit wordt bij de meeste mensen uit de rede toegestaan. Zie tot dit einde ook Jer. 23:24. Jes. 45:5, 14, 18, 22 en 46:9. 1 Kor. 8:4.
Hebt u niet nog een ander bewijs?
Antw. Ja. Dat, hetwelk eerst is, is maar één. Maar God is eerst, daarom, enz. Want één wezen kan maar de eerste, of van de eerste zijn. Één is voor twee, en kan zonder een ander zijn. Maar twee veronderstelt, dat er een eerste geweest is. Jes. 41:4. 45:6 en 48:12. Openb. 1:11, 17 en 22:13.
Welk klaar bewijs is er uit de Schriftuur?
Antw. Het bewijs daaruit is zeer uitdrukkelijk, Deut. 4:35. 32:39. 1 Kor. 8:4, 5, 6. 1 Tim. 2:5. Jes. 44:6, 8. Ef. 4:6. Jes. 45:5. Hos. 13:4. Deut. 6:4. Jak. 2:19. Mark. 12:32. 2 Sam. 22:32.
Wat volgt hieruit?
Antw. Dat de eenheid van wezen onafscheidelijk is van de Goddelijke natuur.
Waarom zegt u dat deze ene God, een levende God is?
Antw. Omdat Hij oneindig, eeuwig en onveranderlijk in, van, en tot Zichzelf leeft, en de oorzaak van het leven is van alle andere levende wezen, die er zijn. Deut. 32:40. 5:26. 2 Sam. 22:47. Jer. 4:2. 44:26. Dan. 4:34. Jer. 10:10. 1 Sam. 27:26, 36. Jer. 23:36. Dan. 6:20, 26. Hos. 1:10. Matth. 16:16.
Welke verdere reden is er om te zeggen dat God de levende God is?
Antw. Hij wordt ook zo genoemd in tegenstelling tot de stomme en dode afgoden, die zelfs niet zoveel als levende schepselen zijn. 1 Kron. 16:25, 26. Lev. 19:4. 26:1, 30. Deut. 29:17. Psalm 96:5. 1 Kor. 8:4.
Waarom zegt u, de ware God?
Antw. Om Hem van alle valse gewaande goden, hoewel het levende schepselen zijn, te onderscheiden. Omdat er maar één ware God is, en alle andere zijn valse goden. Deut. 10:17. 1 Kor. 8:5, 6. Joz. 24:14, 15. Dat Hij de ware God is, zie Jer. 10:10. 2 Kron. 15:3. Joh. 17:3. 1 Thess. 1:9. 1 Joh. 5:20. Alle andere zijn valse en vreemde goden, die niet gediend moeten worden. Jer. 2:11. 16:20. 2 Kron. 33:15. Jer. 5:19. 10:14 en 14:17.
Worden de overheden geen goden genoemd?
Antw. Zij zijn machten, door God geordineerd tot Zijn dienst onder de mensen, maar moeten met geen goddelijke eer gediend worden, Rom. 13:1. Psalm 82:1, 6, 7. 138:1. 95:3. 97:7, 9. 1 Kor. 8:5, 6.
6. Van het Goddelijke Wezen, bestaande in drie Personen
Zesde leerstuk
Er zijn in het Goddelijk Wezen drie personen, de Vader, de Zoon, en de Heilige Geest, en deze drie zijn één God, dezelfde in Wezen, van gelijke macht en heerlijkheid, 1 Joh. 5: 7. Matth. 28: 19.
Verklaring
Wat is het bestaan van God?
Antw. Het is Zijn Wezen, bestaande onder één Goddelijke betrekkelijke eigenschap, dat datgene is, dat wij een Goddelijke persoon noemen. Spr. 8:22, 25. Hebr. 1:3. 2 Kor. 4:4.
Wat betekent het woord Drie-eenheid?
Antw. Drie in één, of één in drie. 1 Joh. 5:7. Matth. 28:19.
Hoe hebben wij personen te verstaan, wanneer aan die de Goddelijke natuur wordt toegepast?
Antw. Niet in alles, als wanneer die op de menselijke natuur worden toegepast, (want dan wordt een persoon gebruikt voor een wezen, onderscheiden van een ander) omdat de oneindige God geen delen hebben kan, of geen verdeeld wezen kan zijn. Job. 11:7, 8, 9. Jer. 10:6, 7, 8, 14. Rom. 1:23, 25. Jes. 11:18, 25. Hand. 17:29.
Waarom kan de Goddelijke natuur geen verdeeld Wezen zijn?
Antw. Omdat de verdeeldheid van Wezen een onvolmaaktheid bewijzen zou, omdat de eenheid van Wezen een van Gods hoge volmaaktheden is. En de meerderheid in onderscheiden Wezens zou afmetelijkheid, bepaling, afhankelijkheid en begrijpelijkheid te kennen geven.
Wat geeft een persoon te kennen, wanneer aan die de Goddelijke natuur toegeëigend wordt?
Antw. Het geeft te kennen, de Goddelijke natuur met een onderscheiden betrekkelijke manier van bestaan; en, ofschoon alle woorden in alle talen oneindig te kort komen om deze Goddelijke verborgenheid uit te drukken, komt dit woord toch zo goed daarmee overeen als enige, die wij hebben. Hebr. 1:3. Matth. 28:19.
Hoe komt het daarmee overeen?
Antw. 1. Zoals het woord persoon gebruikt wordt in het recht, of in een burgerlijke zin, zo betekent het iemand, die begiftigt is met een bezitting, welke zijn eigendom is, en niet van een andere, waarom die personeel genoemd wordt; zo is God in de persoon van de Vader, met de eigenschap van te genereren, welke aan de Zoon en de Heilige Geest niet eigen is, enz.
2. Zoals het gebruikt wordt in een spraakkunstige zin. Want men vindt in de Godheid iemand, die spreekt van Zichzelf tot een ander, en van een derde, welke drie onderscheiden personen zijn in een spraakkunstige zin. Psalm 110:1. Hebr. 10:7, 9. Joh. 15:26.
3. Een persoon wordt ook genomen voor een onderscheiden aangezicht of gelaat van een ander, en zo worden eveneens de bestaanlijkheden aan ons uitgedrukt. 2 Kor. 4:6. Hebr. 1:32. Kol. 1:15.
Wat hebben wij in de Goddelijke Drie-eenheid aan te merken?
Antw. De eenheid van Wezen, en de drievoudige wijze van Zijn, hetwelk is de drie bestaanlijkheden of personen, Matth. 28:19. 1 Joh. 5:7. 2 Kor. 13:13.
Hoe wordt deze heerlijke verborgenheid verder uitgedrukt?
Antw. God generende, is de Vader; God gegenereerd, is de Zoon; God van Vader en Zoon uitgaande bij wijze van geblaas of ademing, is de Heilige Geest, Psalm 2:7. Hebr. 1:5. Joh. 1:14, 18 en 15:26.
Wat is een Goddelijke persoon?
Antw. Het is de Godheid met een betrekkelijke of onmededeelbare wijze van bestaanlijkheid in het Goddelijke Wezen, Hebr. 1:3. Rom. 9:5. Kol. 2:9. Matth. 28:19. 1 Joh. 5:7.
Hoe worden deze personen onderscheiden?
Antw. Zij zijn ademende en zendende, of geademd, gezonden en uitgaande, Joh. 14: 26. 15: 26. Gal. 4: 6. Jes. 42:1.
Wie zijn de personen, die ademen en zenden?
Antw. De Vader en de Zoon, Joh. 14:26. Rom. 8:9, 11. Psalm 104:30. Joh. 16:7.
Wat is de persoon van de Vader?
Antw. God, Die, in de betrekking van een Vader het gehele Goddelijke Wezen meedeelt in de eeuwige, voor ons onbegrijpelijke, toch in het Goddelijke Wezen allereigenste en natuurlijkste generatie, aan de Zoon; en zo Zijn eigen heerlijk beeld ontvangt of voortbrengt. Spr. 8:22, 24, 25. Hebr. 1:3. Psalm 2:7. Micha 5:1. Joh. 5:26.
Wat is de Goddelijke persoon van de Zoon?
Antw. God, in de betrekking van een Zoon, ontvangen of geboren van de Vader. Spr. 8:24, 25. Joh. 1:14, 18. 3:16, 18. Hebr. 1:3, 5. Kol. 1:15.
Wat is de Goddelijke persoon van de Heilige Geest?
Antw. God, in de betrekking van de Heilige eeuwige Geest, geblazen en uitgaande van de Vader en de Zoon, Matth. 3:16. Joh. 1:32, 33. 14:26. 10:26. 1 Petr. 1:12. Joh. 20:22. Hand. 2:4, 33, 38.
Wat is dan de betrekkelijke of personele eigenschap aan God de Vader?
Antw. Die is, oneindig, eeuwig en onveranderlijk de Zoon te genereren, Psalm 2:7. Joh. 5:19, 23 26. Micha 5:2. Matth. 16:16. Joh. 1:1. 8:29. Spr. 8:23, 24, 25.
Wat is de betrekkelijke of personele eigenschap van God de Zoon?
Antw Die is oneindig, eeuwig en onveranderlijk van de Vader gegenereerd te worden., waardoor Hij is het afschijnsel van des Vaders heerlijkheid, en het uitgedrukte beeld Zijner zelfstandigheid. Hebr. 1:3. Joh. 1:14, 18. 3:16, 18. Hebr. 4:14 en 5:5. 1 Joh. 4:9. Joh. 6:57, 69 en 8:59. Joh. 1:1, 2. 2 Kor. 4:4. Kol. 1:15.
Waarom wordt Christus genoemd de eniggeboren Zoon van de Vader?
Antw. Omdat, hoewel de engelen en mensen, kinderen van God genoemd worden door de. schepping, en de gelovigen door genadige aanneming, echter niemand van hen kinderen van God zijn, zoals Christus is, door een eeuwige generatie.
Wat is de betrekkelijke eigenschap, of Gods manier van Zijn in de persoon van de Heilige Geest?
Antw. De personele eigenschap van de Heilige Geest is, gezonden of geademd te worden door de Vader en de Zoon, oneindig, eeuwig en onveranderlijk. Joh. 15:26. 16:7. Gal. 4:6. Joh. 20:22. Joh. 14:26 en 16:15. Jes. 48:16. Tit. 3:5, 6. Gen. 1:2. 1 Kor. 2:11. 2 Kor. 3:18. 1 Kor. 12:3, 4, 11. Gal. 5:18.
Welke kennis is er van deze Goddelijke verborgenheid te verkrijgen?
Antw. Die kan niet anders gekend worden dan door openbaring, waarin wij met voldoening moeten berusten. Want als wij geen reden kunnen geven van de manier van de natuurlijke generatie, en van de bestaanlijkheid van de ziel, enz., hoe zouden wij dan de verborgenheid van de eeuwige generatie kunnen afbrengen tot onze natuurlijke rede en vatbaarheid. 1 Kor. 2:10. Job 11:7 en 35:11. Pred. 11:5 en 3:21. Job 37:10, 18, 19. Matth. 16:16, 17. Jes. 65:13. Joh. 6:45.
Welk bewijs is er dan uit de Schriftuur voor de meerderheid, en het onderscheid van de personen in het Goddelijke Wezen?
Antw. Uit het licht van de openbaring zijn er krachtige schriftuurlijke redenen om te bewijzen, dat er een onderscheiding van bestaanlijkheden is in het Goddelijke Wezen, hoewel het voor ons te verborgen is om reden te geven hoe zoiets is, vanwege de duisternis. Job 37:19 en 11:7. Pred. 11:5. Matth. 11:25, 27. Luk. 10:22.
Nu wij bewezen hebben, dat er maar één God is, dan is hetgeen wij nu verder uit de Heilige Schriftuur te betogen hebben, dat de eenheid van het Goddelijke Wezen bestaat in een meerderheid van onderscheiden personen. Tot bewijs hiervan zullen wij deze navolgende zaken voorstellen:
1. Die gelukzaligheid, die bestaat in genieting bij wijze van gemeenschap, bestaat in een meerderheid. Maar de Goddelijke gelukzaligheid bestaat in een genieting bij wijze van gemeenschap. Daarom, enz. God zei, dat de mens, als een schepsel, niet gelukkig kon wezen in alleen te zijn. En hoewel God maar één is, toch is er in Hem hetgeen, dat aan dit gedeelte van de gelukzaligheid in het schepsel beantwoordt, op een overtreffelijke en onuitsprekelijke wijze. Dat er nu een genieting bij wijze van gemeenschap in het Goddelijke Wezen is, is zeer klaar uit de Schriftuur. Zie Gen. 1:26. 3:22. Spr. 8:30. Joh. 17:5. 8:38. 1:1, 2, 18. 2 Petr. 1:17. Psalm 40:9. Ook is er een gemeenschap in eigendom, Joh. 16:14, 15 en 17:5.
2. Een Wezen, dat onder verscheiden onderlinge betrekkingen staat, die eeuwig en onveranderlijk vast zijn, en de een de ander niet kan wezen, moet de aanmerking van een meerderheid toelaten in de wijze van bestaan ervan. Maar zo is het met het Goddelijk Wezen. Want God, in de persoon van de Vader, genereert eeuwig en onveranderlijk, en kan nooit gegenereerd worden. De Zoon is eeuwig en onveranderlijk gegenereerd, en kan nooit de Vader genereren. En zo gaat de Heilige Geest uit, en de Vader noch de Zoon kunnen niet uitgaan van de Heilige Geest. Joh. 1:14, 18. 1 Joh. 1:2. 2 Joh. :3 1 Joh. 4:9. Hebr. 1:5, 6. Gal. 4:6. Joh. 3:24.
3. Waar een onderscheiden en onderlinge onderhandeling is, waarin de ene spreekt van Zichzelf tot een ander, en van een derde, daar is de vormelijkheid van vele personen. Maar in het Goddelijk Wezen is zo'n onderhandeling. Psalm 2:8. 40:9 en 110:1. Hebr. 10:9. Jes. 42:1. 59:21. Matth. 12:18. Jes. 61:1. Hebr. 1:8,9.
4. Waar zo'n wijze van bestaan en werking is, dat, wat door één gedaan wordt, in één manier van bestaan, niet aan een ander, in een andere manier van bestaan kan worden toegeschreven, daar is zo'n onderscheiden manier van bestaan als onder het denkbeeld moet komen van onderscheiden bestaanlijkheden of personen. Maar in het Goddelijk Wezen is zo'n onderscheiden manier van bestaan, dat, wat door één wordt gedaan, in één manier van bestaan, niet wordt of kan worden toegeschreven aan de Godheid in een andere wijze van bestaan. Daarom, enz. Er zijn in het Goddelijk Wezen onderscheiden bestaanlijkheden of personen. De Zoon is mens geworden, en niet de Vader, Joh. 1:14. Kol. 1:19 en 2:10. De Vader heeft de Zoon gezalfd, maar de Zoon heeft de Vader niet gezalfd, Luk. 4:18. Hand. 4:27. De Heilige Geest wordt van de Vader en van de Zoon gezonden, maar zendt de Vader, noch de Zoon niet, Joh. 15:26. Gal. 4:6. De Vader brengt Zijn eerstgeboren Zoon in de wereld, Hebr. 1:6. De Vader heeft de Zoon uit de doden opgewekt, Gal. 1:1. De Vader zet de Zoon op Zijn troon, maar niet de Zoon de Vader, Psalm 2:8, 9, 10. Hebr. 1:8. De Vader heeft het oordeel aan de Zoon overgegeven, maar de Zoon niet aan de Vader, Joh. 5:22, enz.
5. Beloften en gaven van de één aan de ander, bewijst een onderscheid van personen tussen de ene en de andere. Maar in het heilig Goddelijk Wezen is een geven aan, en een ontvangen van elkaar. Daarom zijn er onderscheiden personen in het Goddelijk Wezen. Joh. 10:29. 2 Tim. 1:1, 9. Joh. 17:6-10. Rom. 8:32. Joh. 3:33. 5:26, 27. 6:39. Rom. 5:5. 1 Joh. 3:24 en 4:13.
6. Waar een beeld is, het ene van het andere daar is zo'n onderscheiding, die de een van de ander zo onderscheidt, dat de een de ander, in dacht opzicht, niets is. Maar in het Goddelijk Wezen is een beeld de een van de ander. Daarom, enz. Deze verborgenheid is zeer klaar in uitgedrukte Schriftuurplaatsen, 2 Kor. 4:4. Kol. 1:15. Hebr. 1:3. Het is een aangenomen regel, die niet tegengesproken kan worden, dat dingen, die elkaar gelijk zijn, niet dezelfde zijn in dat opzicht, waarin zij gelijk zijn.
7. Waar de ene, als het ware gebiedt, en de andere gehoorzaamt, waar de ene zendt, en de andere gezonden wordt, daar is een onderscheiding tussen de ene en de andere. Maar in het Goddelijk Wezen is er een, als het ware gebiedende, en een ander gehoorzamende. Daarom, enz. Joh. 8:28, 38, 40. 10:17, 18, 32, 37. 15:15 en 20:21. Luk. 10:22. De Vader gebiedt als het ware de Zoon, en niet Zichzelf, zendt de Zoon, en niet Zichzelf, en beloont de Zoon, en niet Zichzelf. Alle betrekkelijke daden veronderstellen altijd de betrekkelijke personen; de onderling betrekkelijke genegenheden zijn geplaatst, in onderscheiden personen of onderwerpen naar de natuur van de personen, hetzij Goddelijke of menselijke. Nu de natuur van het Goddelijk Wezen is, te bestaan in, en te voorkomen als onderscheiden personen, in onderscheiden ondeelbare eigenschappen zonder deelbaarheid van het Wezen, dat niet zijn kan wegens de volmaaktheid ervan in wezenlijke, onmededeelbare eigenschappen, want de ondeelbaarheid in onderscheiden zelfstandigheden behoort tot de onvolmaaktheid van het schepsel, omdat het van eindigheid en delen komt, daar het deelbaar in is.
8. Waar een onderscheiden manier van werking is door de één en de ander, hoewel van dezelfde zaak, daar zijn onderscheiden personen. Maar in het Goddelijk Wezen is een onderscheid van werking, daarom, enz.. Zie Joh. 5:17. De verlossing wordt gezegd gewerkt te zijn door de Zoon, Ef. 1:7. Hebr. 9:12. Gal. 3:13. 1 Petr. 1:18, 19. Openb. 5:9. Hand. 20:28. De Vader wordt nergens gezegd ons te verlossen zoals de Zoon. Het was de Zoon, die een slachtoffer geworden is voor de zonde, en die op een andere wijze werkte, als de Vader deed. Behalve dat het onderscheid in werking ook blijkt in de orde en manier van werking, in opzicht van elkaar. De Vader is de eerste in orde, en de springbron van werking, en werkt van Zichzelf door de Zoon en de Heilige Geest; de Zoon is onderscheiden de tweede in orde en werking van Zichzelf, van de Vader en door de Heilige Geest; en de heilige Geest werkt van de Vader en de Zoon, en door Zichzelf, 2 Kor. 1:3 en 11:31. Gal. 1:1, 2, 3. Ef. 1:3, 17. 1 Thess. 1:1. 2 Tim. 1:1, 2. Tit. 1:4. Joh. 15:26. 2 Kor. 13:13.
9. Waar bijzondere uitdrukkelijke kenmerken zijn om de een van de ander te onderscheiden, daar is een personele onderscheiding van elkaar. Maar in het Goddelijk Wezen zijn zulke uitdrukkelijke onderscheiden kenmerken. Daarom, enz. Het kenmerk van de Vader is te zijn de Vader van Christus, Ef. 1:3. Het kenmerk van de Zoon is, dat Hij is het afschijnsel van de heerlijkheid van de Vader, en het uitgedrukte beeld van Zijn zelfstandigheid, Hebr. 13. 2 Kor. 4:6. Het kenmerk van de Heilige Geest is, dat Hij is de Trooster, de Geest der waarheid, uitgaande, en door Christus uitgezonden van de Vader, en door de Vader gezonden in Christus' naam, Joh. 14: 26 en 15: 26. Eindelijk.
10. Als God niet enkel wezenlijk, maar personeel werkt, de Vader door de Zoon en de Heilige Geest, dan is er een meerderheid van personen in het Goddelijk Wezen. Maar God werkt steeds zo in de schepping, voorzienigheid en verlossing. Hierom spreekt Hij van Zichzelf in het meervoudig getal, en werkt ook zo, Gen. 1: 26 en 3:21. 2 Joh. 1:3. Psalm 104: 30. Kol. 1: 16, 17. Tit. 3: 4, 5, 6, 7.
Hoe kan deze grote verborgenheid een weinig opgehelderd worden aan ons verstand, zodat wij een schemering mogen verkrijgen van een klein gedeelte ervan?
Antw. Het eerste Wezen, levend een allervolmaakst leven van genieting en gemeenschap, en zijnde maar één oneindige zuivere daad of werking, begrijpt en bevat zichzelf op een allerovertreffelijkste wijze, Zijn eigen allerheerlijkst beeld door Zijn oneindig verstand beschouwende, Zichzelf aanmerkende als het hoogste goed, dat Hij in de, hoogste onderlinge liefde en vermaak geniet, Joh. 3:35 en 5:20. 2 Petr. 1:17. 1 Joh. 4:8.
Hoe worden de bestaanlijkheden van het Wezen onderscheiden?
Antw. Alleen in manier van Zijn, dat is de Goddelijke personaliteit of bestaanlijkheid; want de Vader deelt niet de Godheid mee in het genereren, maar alleen het Zoonschap. Het is zeer misplaatst te zeggen: Christus is God uit God, maar ieder persoon is wezenlijk en volstrekt God van Zichzelf, hebbende de gehele Godheid, welker wezenlijke eigenschap de Aseitas, de van Zich zelfheid is, in Zich, Joh. 5: 25 en 8:58. Openb. 1:8. Kol. 2:9. Micha 5:1. Jes. 9:6.
Wat volgt daaruit, dat iedere bestaanlijkheid volstrekt eerst is, hebbende de volheid van de Godheid in Zichzelf?
Antw. De gemeenschap van de Goddelijke bestaanlijkheden, bestaande in derzelver hoogste belang in het Wezen, en in haar onderlinge overeenstemming en vermaak, Joh. 10:30. 5:19. 10:17 en 8:49, 54, 55. Spr. 8:30.
Wat is haar hoogste belang in het Wezen?
Antw. Dat ieder hetzelfde Wezen geheel bezit, en dat alles, wat aan het Wezen moet toegeschreven worden, tot iedere bestaanlijkheid of persoon behoort, Kol. 2:9. 1 Joh. 5:7. Joh. 14:11, 20.
Wat volgt hieruit?
Antw. Dat zij samen-gelijk, dat is, samen-wezenlijk, samen-eeuwig, samen-oneindig en samen-onveranderlijk, en dat op gelijke wijze in al de mededeelbare eigenschappen zijn, Joh. 1:1 en 5:18. Fil. 2:6. Hebr. 9:14.
Wat is haar onderlinge overeenstemming?
Antw. Haar samenbestaanlijkheid, vergezelschapping en eendrachtigheid in raadslagen en werkingen, Spr. 8: 22, 23, 24, 27, 30. Joh. 1: 18. 5: 16, 17. 8: 38. Kol. 1: 19. Joh. 10: 25, 37. 2 Kor. 13: 13.
Wat is haar onderling vermaak?
Antw. Datgene, waardoor zij allen, met en in elkaar zijnde, zich vermaken in elkaar, en elkaar verheerlijken, Spr. 8:30. Joh. 10: 38. 13: 31, 32. 14: 13. 16:14 en 17: 5, 21. Hebr. 5: 5. 2 Petr. 1:17.
Hoe worden zij van elkaar onderscheiden?
Antw. Door haar betrekkelijke en onmededeelbare eigenschappen, Joh. 5:17. Matth. 28:19. Joh. 10: 36. 14:20, 26, 28 en 15:26.
Wat moeten wij besluiten uit haar onderscheiding door de betrekkelijke eigenschappen?
Antw. Dat de ene niet zijn kan voor de andere, maar dat zij samenbestaanlijk en samenblijkbaar zijn, de een de ander voorgaande alleen in orde, manier van bestaan en andere
betrekkelijke waardigheid, Joh. 10: 29, 39. 5: 30. 8: 49. 13:16 en 14: 28. Filip. 2: 6.
Wat moeten wij besluiten uit haar onderlinge overeenstemming en vermaak?
Antw. Haar samenwerking en onderscheiden wijze van werking.
Wat is haar samenwerking?
Antw. Datgene, waardoor zij dezelfde zaak onafscheidelijk werken, en wel tot hetzelfde einde, Gen. 1: 26, 27. Joh. 1:3. 5:17, 19, 21, 23. 14: 13 en 17:3.
Heeft de een de voorrang niet boven de ander?
Antw. Gelijk zij allen gelijk zijn in werking, zo ook in heerlijkheid, 1 Kor. 2:8. Ef. 1: 17. 1 Petr. 4:14.
Wat is haar onderscheiden manier van werking?
Antw. Datgene, waardoor ieder persoon werkt naar zijn orde en manier van bestaan, Joh. 16: 7, 26, 27. 1 Kor. 12:4, 5, 6.
Wat is de orde en manier van werking van de Vader?
Antw. Dat Hij van Zichzelf werkt door Zijn Zoon en Geest, Matth. 11:25, 27, Ef. 1:9, 10, 11, 17, 19. Psalm 33:6, 11 en 104:30.
Hoe is het, dat de Vader eerst in orde en manier van werking is?
Antw. In dat Zijn orde van bestaan eerst is, en dat er geen oorsprong is van Zijn persoon; daarom wordt wil en welbehagen meest aan de Vader toegeschreven, Matth. 11: 26. Ef. 1: 9, 11. Openb. 4: 11. Gal. 1: 1, 2, 3, 4.
Waarom wordt gezegd dat Hij wekt door Zijn Zoon en Geest?
Antw. Omdat gezegd wordt dat Hij Zijn Zoon en Geest zendt, en hen, als het ware, te werk stelt, Joh. 3:16. Gal. 4: 4, 6. Joh. 1: 3. Ef. 3:9. Hebr. 1:3. Matth. 10: 20. Luk. 1: 35. Joh. 14: 10.
Wat wordt hieruit besloten?
Antw. Dat de Vader de oorsprong is van alle dingen, en de bron van alle werking, Gen. 1:26. Joh. 14: 26. 1 Kor. 8:6. Ef. 1: 3. 1 Petr. 1: 3. 2 Petr. 1: 17. Joh. 8: 29. 4:34. 5: 30 en 6: 39.
Wat is de orde en manier van werking van de Zoon?
Antw. Dat Hij werkt van de Vader door de Heiligen, Geest, Joh. 5: 19. 14:10, 16, 28. 15: 26 en 16: 7, 13. Joh. 1: 3. 1 Kor. 1: 24. Joh. 6: 38, 40. Hebr. 1: 3. Joh. 14: 26.
Waarom zegt u dat de Zoon van de Vader werkt?
Antw. Omdat Zijn persoon en Zoonschap van de Vader is, daarom werkt Hij als een, die uitgaat van en aan het werk gezet wordt door de Vader, Joh. 8:42 en 14:10. Zie ook hoofdstuk 3:16, 34. 5: 19, 30. 7:28,29 en 8: 29.
Waarom zegt hij door de Geest?
Antw. Omdat de Geest uitgaat zowel van de Zoon als van de Vader, en Hij de Geest des Zoons is; daarom zendt en zet Hij Hem zowel aan het werk, als de Vader dat doet, Gal. 4:6. Joh. 14: 16. 15: 26 en 16: 7, 13, 14.
Wat besluit u hieruit?
Antw. Dat de volmaking van alle dingen aan de Heilige Geest is, en dat Hij van de Vader en de Zoon werkt, Joh. 14:26, enz. 1 Kor. 12:11. Jer. 31: 33. 2 Kor. 3:3 en 13:13.
Wat volgt uit de onderscheiden manier van werking?
Antw. Dat dat werk, waarin de onderscheiden manier van werking van een persoon zonderling blijkt, meer bijzonder aan die persoon wordt toegeschreven, Matth. 12: 28. Luk. 1: 23. Hand. 1: 16. Rom. 5:10. Hand. 3:26. Gal. 4: 4, 5. 1 Joh. 4: 9, 10. 2 Kor. 13:3.
In welke daden vertoont de Vader zich meest, of welke worden aan Hem meer bijzonder toegeschreven?
Antw. De verkiezing en schepping; daar vandaan worden Hem wil en bevel toegeschreven, Ef. 1:3, 4. 3. 9. Luk. 10: 21. Joh. 5:19 en 10: 18.
Wat wordt meest aan de Zoon toegeschreven, daar Zijn manier van werking in wordt vertoond?
Antw. De menswording en verlossing, Joh. 1:14. Gal. 4:4, 5. Tit. 2:4. Ef. 1:7. Hebr. 9:12, 15. Hierom wordt aan de Zoon wijsheid toegeschreven, 1 Kor. 1:24. Jes. 9:5.
Wat wordt meest bijzonder toegeschreven aan de Heilige Geest?
Antw. De heiligmaking, en daarom wordt de kracht tot uitvoering meest aan de Heilige Geest toegeëigend, Tit. 3: 5. 2 Thess. 2: 13. 1 Petr. 1: 2. Rom. 15: 13, 16.
Hoe bewijst u, dat de Vader God is?
Antw. De Schriftuur noemt Hem uitdrukkelijk God, Rom. 15:6. 2 Kor. 1:3 en 11:31. Gal. 1:1-4. Ef. 1:3, 17. Filip. 2:11. Kol. 1:3, 11. 1 Petr. 1:3. 2 Joh. :5. Judas :1
Hoe bewijst u dat de Zoon God is?
Antw. Uit klare Schriftuurplaatsen, waarin Hem de en eretitels, die aan God alleen eigen zijn, worden toegeschreven; ook de Goddelijke onmededeelbare eigenschappen, alsmede de Goddelijke werken der schepping, voorzienigheid en vergeving van zonde; ja ook de Goddelijke eer, majesteit en gezag. Jer. 23:6. Jes. 6:9 en 25:9. Joh. 1:1, 2. 20:28. Rom. 9:5. 1 Tim. 3:16. Openb. 17:14. Joh. 2:25. 3:13 en 8:58. Hebr. 2:2. Kol. 1:16, 17 en 2:19. Matth. 9:2. Hebr. 1:6. Openb. 5:18, 19. 1 Kor. 2:8.
Hoe bewijst u, dat de Heilige Geest God is?
Antw. Omdat Hij in de Schriftuur uitdrukkelijk God genoemd wordt. Hem worden ook de Goddelijke eigenschappen, werken, eer, dienst, Majesteit en gezag, toegeschreven: Hand. 5:3, 4. 19:2, 6. 1 Kor. 3:16 en 6:19. 2 Kor. 6:16. Psalm 139: 7, 8. 1 Kor. 2:10. Psalm 33:6. Gen. 1:2. Zach. 4:6. Hand. 2:4. Rom. 15:19. Jes. 63:10, 14. 1 Kor. 12:11. Hand. 20:28. Rom. 8:11. 15:13, 16. Matth. 28:19. 2 Kor. 13:13. 1 Petr. 4:14 en 3:19. 2 Petr. 1:21. Hand. 28:25, 26. Jes. 61:1. Luk. 12:10. Matth. 12:31, 32.
Zevende leerstuk
Gods besluiten zijn Zijn eeuwig voornemen, naar de raad van Zijn wil, waardoor Hij, tot Zijn eigen heerlijkheid, voorverordineerd heeft, alles, wat er in de tijd geschiedt, Ef. 1: 4, 11. Rom. 40: 33. Hebr. 6: 17. Rom. 9: 15, 18.
Verklaring
Waarop is de noodzakelijkheid van Gods besluit gegrond?
Antw. Op de bepaalde uitwerking van God; want daar moet iets in God zijn, dat Zijn almacht bepaalt, ten aanzien van wat Hij werkt, of anders zou Zijn schepping oneindig zijn, en Zijn werken gelijk Zijn macht. Matth. 3:9 en 26:53, 54.
Wat bewijst verder een besluit in God?
Antw. Indien God door raad werkt, dan werkt Hij naar een besluit. Maar Hij werkt door raad, en daarom, enz. God moet of naar raad, of uit een noodzakelijkheid van de natuur werken, zoals het vuur brandt, en het water nat maakt; zodat Hij niet anders zou kunnen als werken, waaruit zou moeten volgen, dat God van eeuwigheid af geschapen heeft. Maar dit ontkent de schriftuur, Gen. 1:1 en 2:1. Hebr. 4:3.
Welke andere redenen zijn er voor een Goddelijk besluit?
Antw. Indien er in God geen besluit was, dan zou er van eeuwigheid zo veel zekerheid zijn van het toekomende wezen van alle mogelijke dingen, die nooit geweest zijn, noch zijn zullen, als van die dingen, welke zijn, of zeker zullen zijn; en God zou de dingen, die Hij nooit doet, zo wel willen, als de dingen, die Hij doet; want als er geen wil is om de dingen uit een staat van enkele mogelijkheid tot een staat van toekomend zijn te brengen, dan moeten ze voortgebracht worden door het toeval, of van zichzelf, zonder dat God weet hoe, Job 22:13. Psalm 72:11.
Kunt u nog een andere reden geven?
Antw. Of God heeft Zijn werken van eeuwigheid besloten, of anders is God onkundig geweest van eeuwigheid wat Hij doen zou; maar God wist wat Hij doen zou, enz. Het bewijs van deze verdeling ligt hierin; indien God van eeuwigheid Zijn werken voor geweten heeft, dat Hij ze dan weet uit hen, of uit Zichzelf; want er kan geen derde zaak zijn om God daar kennis van te geven. Indien Zijn voorwetenschap ontstaat uit de werken zelf dan moet die daarvan ontstaan als toekomende, of anders zijn ze niet voorgeweten; want datgene is niet voorgekend, dat niet voorgeweten is, of het zijn, of niet zijn zal, maar zijnde in zichzelf onder een gebeurlijkheid ten aanzien van de toekomendheid ervan, daarom is het grootste oordeel, dat daarvan gemaakt kan worden, maar alleen een opinie of mening. Indien God het zijn en de werking van het schepsel weet van Zichzelf, dan moet dat wezen uit Zijn besluit; want het is de wil van de werk-oorzaak, die een zaak uit mogelijkheid tot een toekomende staat brengt. God weet, dat een zaak zijn zal, omdat Hij wil, dat die zijn zal. Hij wil niet, dat die wezen zal, omdat Hij, dat die zijn zal; ook kan Hij niet weten, dat iets zijn zal, voordat Hij die gewild heeft, dat het wezen zal. Hand. 15:8. Psalm 94:8,9.
Spreekt de Schriftuur uitdrukkelijk van Gods besluit, rakend de dingen, die gebeuren zullen?
Antw. Ja, Psalm 2:7. Job 28:24-27 en 38:5, 10, 11, 12. Jes. 10:22, 23. Spr. 8:29. Zef. 2:2. Psalm 138:6. Jer. 5:22.
Wat geeft het woord besluit te kennen?
Antw. Het geeft te kennen het maken van een vast of bepaald onderscheid tussen dingen, die niet, of die altijd zijn zullen, waardoor sommige mogelijke dingen toekomend worden, en andere niet, 2 Kron. 30:4, 5. Pred. 5:13, 17. Esth. 1:20. Dan. 2:9, 13, 15. Joh. 3:7. Luk. 2:1. Job 22:28. Spr. 8:15. Jes. 10:1. Hand. 19:21. Rom. 1:13. Jer. 49:30. Dan. 1:8. Hab. 2:3. Openb. 1:1.
Wat is Gods besluit?
Antw. Het is Zijn bepalend vonnis in Zijn eeuwig voornemen en oogmerk, rakende alle mogelijke dingen, waardoor zij volstrekt bepaald worden te zijn, of niet te zijn, te doen, of niet te doen, al wat zij zijn, of doen in de tijd. Jes. 14:24, 26, 27. Hand. 2:25 en 4:28. Jes. 19:12. 23:9 en 46:11. Jer. 4:28. 49:20 en 50:45. Klaagl. 2:8. Ef. 1:9. en 3:11. Openb. 1:1.
Hoe besluitGod, of naar welke regel handelt Hij?
Antw. Als een werk-oorzaak door de hoogste berading, waardoor Hij allerwijst en bedenkt wal het beste is om bepaald te worden, dat gebeuren zal, Spr. 20:18 en 15: 22. Rom. 11:34. Job 12:13. Jes. 28:29. Spr. 8: 14. Jes. 19:17. Psalm 33:11. Spr. 19:21. Jes. 46:10. Hebr. 6:17. Jer. 32:17, 19.
Waaruit vloeit deze raad en bepaling?
Antw. Uit het welbehagen van Zijn wil, datgene, dat God behaagt te bepalen om te doen, is altijd het beste, en gebeurt naar de wijste raad, die genomen kan worden. Pred. 8:3. Jes. 44:28 en 46:10. Psalm 115:3 en 135:6. Ef. 1:5, 9. Openb. 4:11. 1 Kor. 15:38. Kol. 1:19. Rom. 11:34.
Wat is er verder aan te merken in de raad van God?
Antw. De hoogste einden en het voorstellen van de beste middelen om dezelve te bereiken.
Wat is Gods voorgesteld heerlijk einde?
Antw. Zijn eigen heerlijkheid, en de openbaring van de luister ervan op een wonderlijke wijze. Jes. 43:7. 60:1, 7 en 66:18, 19. Psalm 104:31 en 138:5. Jes. 35:2 en 40:6. Ezech. 3:12 en 10:4. Hab. 2:14. Psalm 8:2. 67:6 en 102:16. Jes. 62:2.
Wat is Gods raad?
Antw. Zijn, oneindige, eeuwige en wijze beraadslaging en overleg als het ware in Zichzelf, omtrent de beste middelen tot bereiking van Zijn allerheerlijkst einde, Spr. 20:18. 15:22 en 8:14. Jes. 19:17 en 28:29. Job 12:13.
Wat is het eerste voortbrengsel van een wijze raad?
Antw. Een bepaald ontwerp of denkbeeld in het verstand van de werkoorzaak van al hetgeen, dat gebeuren zal, waarin het door voorwetenschap gezien wordt. Rom. 8:29 en 11:2. Hand. 2:23. 1 Petr. 1:2, 20.
Wat is de voorkennis van God?
Antw. Wetenschap of kennis kan zijn van mogelijke dingen; maar voorwetenschap of voorkennis kan maar alleen zijn van datgene, dat zeker toekomende, of niet toekomende zijn zal, en is daarom in God gegrond op Zijn bepaling, dat de dingen toekomende zijn zullen, Rom. 8:29. 1 Petr. 1:2. Hand. 15:18. 2 Tim. 2:19. 2 Petr. 2:9. Psalm 33:11. 40:6 en 93:6. Jes. 60:8, 9 en 66:18. Jer. 24:11. Psalm 139:2.
Wat is het Goddelijk ontwerp?
Antw. Het is de allerwijste vaststelling in God van de dingen, die hij tot een dadelijke aanwezendheid bepaald heeft in de gehele gesteldheid, verband, gebruiken en werkingen ervan, ten aanzien van alles, wat zij zeker en onfeilbaar zijn en doen zullen, Hand. 15:18. Hebr. 4:13. Psalm 139:16. Spr. 8:26, 27. Jes. 40:13, 14. Rom. 11:33, 34. Openb. 5:7, 8, 12, 13 en 13:8.
Wat is het onderscheid tussen deze Goddelijke inblijvende daad of werk, en dat, hoewel de eeuwige generatie is van de Zoon, die ook in het Wezen van God een inblijvende daad is?
Antw. Dit is een ontwerp van het schepsel, van datgene, dat nooit oneindig zijn kan: maar de eeuwige generatie is de meedeling van het gehele en onverdeelde Goddelijke Wezen aan de Zoon, zodat die in het wezen zelf Zijn bijzonder betrekkelijk en personeel bestaan heeft. Het ontwerp van het schepsel is een willekeurige daad door raad, maar de generatie is natuurlijk. Eindelijk, dit ontwerp is van een Wezen, dat Zijn dadelijk bestaan moet hebben onderscheiden van de Goddelijke natuur; maar de eeuwige generatie bestaat in Gods meedeling van hetzelfde Wezen, en brengt geen wezen voort van God onderscheiden, maar geeft van hetzelve de tweede Persoon door de eeuwige generatie van de Vader Zijn bestaanlijkheid als Zoon in het Wezen, Hebr. 10: 10, 11, 12. Psalm 102: 26, 27, 28. Joh. 1:18 en 11:38. Hebr. 4: 13. Kol. 1: 15.
Hoe blijkt het, dat er in God een voorafzijnd denkbeeld of ontwerp is van al zijn werken?
Antw. Omdat Hij de grootste Werker is door raad, en de beste Kunstenaar in de wereld. Als het dan zo is met alle werkmeesters onder de mensen, dan moet het veel meer voortreffelijk zijn in God, die veel uitnemender, of groter van daad, of werking is. Jes. 28:29. Jer. 32:19. Ef. 3:10. Hebr. 4:13.
Waaruit ontstaat deze denkbeeld- of ontwerp-kennis van God?
Antw. Die moet ontstaan van God zelf, of van het schepsel, waarvan het een ontwerp is. Niet van het schepsel, omdat de ontwerp-kennis van de natuur of wezen en aanwezen van de natuur van het schepsel, in al de afhankelijke eigenschappen, de verbanden, en betrekking ervan, zowel tot Hemzelf als tot elkaar haar plaats heeft in de eerste oorzaak van het schepsel, en dus opzicht heeft op het schepsel als het gewrocht ervan. Behalve dat het een grote onvolmaaktheid in God zou bewijzen, dat Hij gehouden moest zijn aan het werk van Zijn handen, voor de kennis, die Hij daarvan heeft. En daarom kent Hij het schepsel zo volmaakt in Zichzelf, omdat Hij het wezen en de aanwezendheid ervan, met al zijn eigenschappen, verband en betrekking in Zijn eeuwig ontwerp daarvan, als onderscheiden van Zichzelf, en als zullende buiten Zich door een overgaande daad van Zijn almacht gesteld worden, naar de raad van Zijn wil onveranderlijk bepaald heeft. Rom. 11:33, 34, 35. Jes. 40:13. 1 Kor. 2:16. Psalm 139:2, 3, 4, 6, 14, 15, 16.
Wat is het welbehagen van God?
Antw. Het is datgene, waardoor Hij een vrije, volstrekte en soevereine macht oefent in al Zijn besluiten omtrent het schepsel, Psalm 115:3. Job 23:13. Jes. 43:13. 46:10. Ef. 1:9, 11. Openb. 4:11. Psalm 135:4, 5. Rom. 9:21, 22.
Wal blijkt er verder uit Gods besluiten?
Antw. Gods standvastigheid, waarheid en getrouwheid.
Hoe blijkt Zijn standvastigheid?
Antw. Uit de bestendigheid en onveranderlijkheid van Gods raad en besluiten, Num. 23:23. Spr. 19: 21. Jes. 46:10. Zach. 6: 1, 2, 3. 2 Tim. 2:19.
Hoe blijkt de waarheid en getrouwheid van God?
Antw. Daarin, dat Hij niets besluit, dan hetgeen dat met Zijn natuur overeenkomt, en dat Hij hetgeen Hij besluit, getrouw uitvoert, Psalm 2:7. Jer. 10:10. Rom. 3:4. 2 Tim. 2:12, 13.
Wat is verder onafscheidelijk van Gods besluiten?
Antw. De eeuwigheid en de volstrektheid ervan.
Wat is de eeuwigheid van Gods besluiten?
Antw. Datgene, waardoor Gods besluiten voor alle tijd zijn, zijnde de oorzaak van de tijd, en van alle dingen, die in de tijd zijn, Jes. 57:15 en 83:16. Ef. 3:11. 1 Joh. 1:2. Ef. 1:4. Spr. 8:29. Jer. 31:3. Hab. 1:12.
Wat is de volstrektheid van Gods besluiten?
Antw. Datgene, waardoor zij enkel van Hem zijn, en niet gebouwd op het schepsel, en ook niets op iets in het schepsel, hetzij goed of kwaad, als voorzien, en daarom niet conditioneel zijn, als uit deze niet te beantwoorden redenen blijken kan.
Redenen tegen de conditioneelheid van Gods besluit.
1. Het sluit een grote tegenstrijdigheid in. Want het maakt de tweede oorzaak tot de eerste. Conditio est causa Conditionati. Als nu iets in het schepsel de oorzaak is van het besluit van de Schepper, dan wordt de tweede oorzaak de eerste, en de eerste de tweede. Ja, het schepsel wordt dan de eerste bepalende oorzaak van zijn eigen zijn en werking.
2. Datgene, wat God een volstrekt Wezen of aanzijn ontzegt, dat is Godslasterlijk. Maar te zeggen, dat Gods besluit conditioneel is, dat is een ontkenning van Gods volstrekt Wezen, en maakt hete alleen conditioneel; daarom, enz. De mindere stelling wordt bewezen uit een aangenomen waarheid, dat alles wat in God is, God Zelf is. Dus is het besluit de besluitende God zelf.
3. Datgene, dat God de hoogste volmaaktheid in willen ontzegt, is te verfoeien. Maar te zeggen, dat Gods wil conditioneel is, ontzegt Hem de hoogste volmaaktheid in het willen; daarom, enz. De mindere stelling blijkt dus, omdat een conditioneel besluit gebeurt door een onvolmaakte wijze van willen. Want het is onzeker en afhankelijk van het schepsel, te willen. En daarom is het niet de beste en volmaaktste wijze van willen, die altijd aan God moet toegeschreven worden, die altijd in de hoogste trap van volmaaktheid werkt.
4. Dat, wat een besluit tot geen besluit maakt, mag niet van het Goddelijk besluit gezegd worden; maar te zeggen, dat Gods besluit conditioneel is, maakt Zijn besluit geen besluit te zijn; derhalve, enz. De mindere stelling blijkt dus uit de natuur van een besluit, welke is een bepaling van een zaak van een onverschilligheid tot een zekerheid; maar een conditioneel besluit, laat de zaak nog steeds in een onzekerheid en onverschilligheid blijven, en maar alleen in een mogelijkheid van zijn, waardoor het zoveel mogelijk is, dat die niet zijn zal, als dat die immer zijn zal; en het geheel niet bepaalt, of maar alleen bepaalt op een onzekere voorwaarde, daarom is het niet meer besloten te zijn, als niet te zijn.
5. Als enige besluiten van God conditioneel zijn, dan zijn al Zijn besluiten conditioneel; maar zij zijn niet alle conditioneel, daarom, enz. De meerdere stelling blijkt, omdat alle besluiten in God maar één daad zijn, en daarom moeten die alle van dezelfde natuur zijn, dat conditioneel, of volstrekt: omdat het besluiten in God één en eenvormig is, hoewel die, voor zover dezelve omtrent verscheidene voorwerpen uitgevoerd worden, schijnen verscheiden te zijn; maar wij spreken daarvan als één eeuwige daad in God. De mindere stelling blijkt, alle besluiten zijn niet conditioneel, want dan zou het besluit om de wereld te scheppen zodanig moeten zijn; en dan zou God een besluit nemen om het schepsel een wezen te geven, op voorwaarde van het wezen ervan, of van iets, dat het naar Zijn wezen doen zou, dat zeer ongerijmd is, en stelt Gods besluit alleen in der tijd te zijn.
6. Dat, wat Gods voorwetenschap of voorkennis van toekomende dingen ontkent, is Godslasterlijk; maar te zeggen, dat Gods besluiten conditioneel, en niet volstrekt zijn, ontkent Zijn voorwetenschap of voorkennis; daarom, enz. De mindere stelling wordt dus bewezen, indien de dingen in een staat van mogelijkheid, niet door een bepaling toekomend waren gemaakt. dan konden zij nooit als toekomende dingen voorgekend zijn geworden; zij mochten gekend zijn als mogelijk, (gelijk als dat er twee zonnen aan het firmament konden zijn) maar zij konden nooit gekend worden als toekomende, behalve als zij tevoren bepaald waren.
7. Datgene, hetwelk conditioneel gebouwd is, op wat het schepsel is of doen mag, is gebouwd op een eindig, tijdelijk en veranderlijk wezen; maar Gods besluit kan niet zo gebouwd zijn, omdat het zo oneindig, zo eeuwig en zo onveranderlijk is als God zelf, en kan daarom in het minste niet afhangen van iets, dat eindig, tijdelijk en veranderlijk is. Dat nu Zijn besluitende wil oneindig is, blijkt: omdat zoals zijn verstand is, zo is ook Zijn wil; maar zijn verstand is oneindig, Psalm 147:5. Dat Zijn voornemen of besluit eeuwig is, blijkt, Ef. 3:11, en dat het onveranderlijk is, zie dat in Job 23:13, 14 en Jak. 1:17.
8. Datgene, wat aan God maar een vermoedelijk oordeel van zaken, en niet een zekere kennis, toeschrijft, moet niet toegelaten worden; maar te zeggen dat Gods besluiten voorwaardelijk zijn, is maar een vermoedelijk oordeel van zaken aan Hem toe te schrijven; daarom, enz. Aangaande de meerdere stelling: dit aan God toe te schrijven, stelt Hem beneden de werkmeesters onder de mensen, die een vast ontwerp maken van hun werk, zover als zij maar mogelijk kunnen. Maar te zeggen dat God niet volmaakt, volkomen en zeker wil, in de voorafbestemming van alle samenhechtingen, gebeurlijkheden en afhankelijkheden, is Zijn wijsheid, macht en andere volmaaktheden tekort te doen. Rakende de mindere stelling, te zeggen: God maakt een voorwaardelijk besluit, dat is te zeggen, dat dit of dat wezen of werk zijn, of niet zijn zal, of dat enige andere zaak werken, of niet werken zal; zodat dit maar een gebeurlijke voorstelling is voor God en Zijn oordeel, daarvan kan dat dit of dat zal zijn, of dat Hij daarop doen zal, is maar als een waarschijnlijkheid.
Als men mocht zeggen: "sommige van Gods besluiten zijn volstrekt, en sommige voorwaardelijk; zoals, God besluit volstrekt Abraham te zullen scheppen, maar Hij besluit niet, dat hij zeker geloven zal, hierover verkeert de wil van God voorwaardelijk, namelijk, als Abraham wil, dan zal hij geloven; zodat Gods besluit omtrent Abrahams geloof enkel voorwaardelijk is". Ik antwoord:
1. Dit stelt besluiten in God te zijn van twee strijdige naturen, daar toch het besluit in God maar één en eenvormig is, in de fontein één zuivere daad, besluitende alle dingen die gebeuren zullen, zonder daartoe in het minste bewogen te worden door het schepsel, vallende op zaken van een verschillende en strijdige natuur, zoals noodzakelijke en gebeurlijke dingen.
2. Maar veronderstellende, dat er twee soorten van besluiten in God zijn, volstrekte en voorwaardelijke, dan moet volgen, dat alle voorwaardelijke besluiten op volstrekte gegrond zijn. Bijvoorbeeld, veronderstel dat God volstrekt besluit Adam te scheppen, maar Hij besluit alleen voorwaardelijk wat Adam doen zal. Dan zal volgen, 1) dat God een schepsel volstrekt besloten heeft te scheppen, en niet voorweet wat het doen zal. Want wat Adam doen zal, is niet zeker toekomend, maar alleen mogelijk, en daarom kan God het niet als toekomstig weten. 2) Het volgt, dat God een schepsel besluit te scheppen, maar niet weet hoe het werken zal. Dit zal geen goed werkmeester doen. 3) Dat Hij een schepsel besloten heeft te scheppen, maar het einde niet bepaald heeft; want niet wetende wat het doen zal, daarom kan Hij Zijn einde niet bepalen, of het een vat ter ere of ter onere zal zijn, alleen tot eer der rechtvaardigheid, of van de genade. 4) Indien God het gebeurlijke gewrocht voorwaardelijk besloten heeft, dan moet Hij de gebeurlijke oorzaak ook maar voorwaardelijk besloten hebben, zoals die zich zelf bepalen zal; dus moeten dan alle gebeurlijke oorzaken hun oorsprong en bepaling hebben van zichzelf, en van elkaar in infinitum of in het oneindige, en God heeft dan in de bepaling daarvan niet te doen, maar heeft er alleen een belang in, als mogelijke of waarschijnlijke dingen. Zo maakt God de schepselen volstrekt, doch schikt ze tot hun einde alleen voorwaardelijk en gebeurlijk. Dit is allerongerijmdst, en voor de natuur van God onbetamelijk.
Wat is het dat God besluit?
Antw. Het grote einde, hetwelk is de verbreiding van Zijn eigen heerlijkheid, en de middelen, die het beste tot verkrijging daarvan leiden. Jes. 28:5. 42:8,9. 43:7 en 60:21. Ef. 1:5, 6. Neh. 9:5.6.
Welk soort van wezens zijn bij God besloten, en over wie gaat Zijn besluit?
Antw. In het bijzonder twee soorten: zulke, die noodzakelijk werken, en die gebeurlijk werken.
Wat is een werkoorzaak door noodzakelijk?
Antw. Zoeen, die natuurlijk geneigd is dit of dat uitwerksel voort te brengen, en niet anders doen kan, als het niet door een uitwendige tegenstand verhinder wordt. Zoals het vuur brandt, en het water nat maakt. Of zulke dingen, die door uitwendig bedwang gebeuren. Psalm 83:14, 15.
Als dan eens een natuurlijke werkoorzaak verhinderd wordt door een andere, die daar strijdig tegen werkt, of gedwongen wordt dat te doen, daar het van nature geen neiging toe heeft?
Antw. Dat, wat iets anders werkt dan daar het van nature toe geneigd is, is een toevallige oorzaak. En wanneer een zaak wordt gebruikt tot iets, waar het zich niet als tot het voorwerp ervan toe bewegen kan, dan is het een werktuig in de hand van een voorname werkheer, Jes. 10:5. 6:13,14.
Wat is de gebeurlijkheid?
Antw. Dat, wat zijn, of niet zijn kan, wanneer wij van een gebeurlijk uitwerksel spreken: en dat, wat werken, of niet werken kan om het gemelde uitwerksel voort te brengen, is een gebeurlijke oorzaak, en is eigenlijk een vrijwillige werker, en wordt gezegd gebeurlijk te zijn ten aanzien van tweede wezens, maar niet van het eerste, 1 Sam. 23:11,12.
Welk oordeel kunnen wij hebben van een gebeurlijkheid, voor dat het bepaald is tot werkzaamheid?
Antw. Wij kunnen er geen ander oordeel van hebben, dan wat wij vermoeden noemen.
Maakt God er geen ander oordeel van?
Antw. Er kan voor God niets gebeurlijk zijn, want Hij heeft alles, wat er geschiedt, volstrekt besloten; dat noodzakelijke dingen noodzakelijk, en gebeurlijke dingen gebeurlijk zullen werken, doch zeker volgens Zijn besluit, Rom. 9:11, 15, 16.
Legt de volstrektheid van Gods besluit geen bedwang op de wil van de mens?
Antw. Het is er zo ver vandaan, dat het integendeel de vrijheid van de wil van het schepsel staande houdt, dat alle vrije werkoorzaken zo vrij naar het besluit zullen werken, als de noodzakelijke werkoorzaken noodzakelijk werken, Exod. 3:19, 20. Psalm 110:3.
Hoe kan de zekerheid van de uitkomst volgende het besluit, met de vrijheid van het schepsel bestaan?
Antw. Daarin, dat de oorzaak naar het besluit, overeenkomstig haar eigen natuur werkt, in de voortbrenging van het uitwerksel. Gebeurlijke oorzaken werken gebeurlijk, en noodzakelijke oorzaken noodzakelijk. Jes. 44:26, 28. Exod. 4:21 en 6:1. Psalm 110:3. Jer. 31:35, 36, 37.
Hoe worden Gods besluiten onderscheiden?
Antw. Gods besluit en de besluitende God moeten niet verdeeld worden, omdat God maar één zuivere daad is; maar de verscheiden voorwerpen, waaromtrent het gaat, onderscheiden zijnde, merken wij het besluit ook zo aan.
Wat zijn die voorwerpen?
Antw. Het zijn de redeloze en de redelijke schepselen.
Welke eigenschappen besluit God voornamelijk te verheerlijken in de redeloze schepsels?
Antw. Zijn wijsheid. Macht en algemene goedheid, Job 36:5, 24-27 en 38:37. Psalm 104:24-27. Jer. 10:12, 15. Job 26:10, enz. Psalm 62:12, 13. 106:7,8. 111:6, 7. 150:1, 2. Zie ook Psalm 19:5. 126:3, 4. 147:8, 9. Luk. 12:24. Psalm 36:6.
Welke eigenschappen heeft God besloten te verheerlijken in het redelijk schepsel?
Antw. Niet alleen Zijn wijsheid. macht en goedheid. maar ook al Zijn heerlijke eigenschappen, in het bijzonder Zijn genade en rechtvaardigheid.
Wat is Gods besluit over engelen en mensen?
Antw. De predestinatie, waardoor zij volstrekt bepaald zijn tot hun einde, en de middelen, daartoe leidende, naar hun onderscheiden naturen, Hand. 13:48. Ef. 1:5, 11. Rom. 8:26, 30. 1 Thess. 1:4, 5. Rom. 8:29, 30.
Wat is dan de predestinatie?
Antw. Het besluit van God, rakende de openbaring van Zijn bijzondere heerlijkheid, in de eeuwige staat van engelen en mensen. Exod. 33:19 en 34:6, 7. Rom. 9:11-18. Psalm 115:1, 2. Openb. 15:4. Jes. 43:7. Openb. 7:11. Ef. 1:4,5.
Zijn de engelen voorwerpen van het besluit van de predestinatie?
Antw. Het is blijkbaar, dat zij door Gods besluit geweest zijn vaten ter eer en oneer, omdat sommigen in hun eerste staat niet gebleven zijn, 1 Tim. 5:21. 2 Thess. 1:7. Matth. 22:30. 2 Petr. 2:4. Judas :6. Psalm 78:49.
In welk opzicht waren de engelen het voorwerp van het besluit?
Antw. Niet als staande of vallende, maar alle engelen als zodanig de natuur van de engelen uitmakende, van welke sommigen zijn besloten om vaten van eer, en sommigen om vaten van oneer te zijn, Rom. 9: 21. 1 Tim. 5:11. Judas :6.
Welke orde is er in Gods besluit van predestinatie?
Antw. De predestinatie is één inblijvende eeuwige daad in God, zonder verandering, vermeerdering, eerder of later; maar naar onze bevatting van redelijke werkoorzaken, is er een orde van de ene zaak voor te nemen of te besluiten om de andere; en zo begrijpen wij dan God als één overtreffelijke werkoorzaak door raad, Job 26: 12. Rom. 9: 17. Exod. 9:16. Psalm 139:14, 15, 16, 17. 1 Kor. 3:19, 20. Job 12:17. Jes. 25:1 en 60:8, 9.
Is de predestinatie een daad van barmhartigheid of van rechtvaardigheid?
Antw. De predestinatie, als zodanig, is geen daad noch van barmhartigheid, noch van rechtvaardigheid, maar van zuivere soevereinheid; waardoor een deel van hetzelfde leem (zonder aanmerking van enig onderscheid) tot het ene gebruik, en een ander deel tot een ander gebruik, wordt afgezonderd, Rom. 9:11, 20, 21. Matth. 20:15.
Welke is de bijzondere heerlijkheid, die God besloten heeft ten toon te spreiden, in de eeuwige staat van mensen en van engelen?
Antw. De verheerlijking van Zijn genade en rechtvaardigheid.
Hoe verheerlijkt Hij Zijn genade?
Antw. Door de uitvoering van Zijn soeverein besluit in een weg van onderscheiden liefde, Jes. 31:3.
Hoe schijnt Gods genade voort in het zaligen van de engelen?
Antw. Zeer overvloedig, in het verhoeden van degenen, die niet vielen, in ze bevestigende genade te geven, en in hen te belonen. op een wijze, daar hun grootste diensten geen overeenkomst mee hebben. Jes. 6:2. Job 4:18.
Hoe schijnt Gods genade voort in het zaligen van mensen?
Antw. Op de hoogste en heerlijkste wijze, in een weg van barmhartigheid te bewijzen aan zondige en ellendige schepsels, waardoor de rijkdom van Gods vrije genade op een allerheerlijkste wijze tentoongesteld wordt, Exod. 33:19. Rom. 9:15, 18, 25. Ef. 2:7. Kol. 1:27.
Hoe wordt de heerlijkheid van Gods rechtvaardigheid openbaar, in de eeuwige staat van engelen en mensen?
Antw. Gods heerlijkheid wordt geopenbaard, of in een weg van zuivere rechtvaardigheid, of in een van gemengde rechtvaardigheid, dat is, van rechtvaardigheid, die met barmhartigheid gematigd is.
Hoe handelt God met mensen en engelen, in een weg van zuivere rechtvaardigheid?
Antw. In met hen te handelen (te weten met alle gevallen engelen, en het grootste gedeelte van het mensdom) in een weg van rechtvaardigheid alleen, zonder hen enige barmhartigheid te bewijzen, ten aanzien van hun eeuwige staat, 2 Petr. 2:4, 5, 6. Jes. 27:11. Rom. 9:22.
Hoe openbaart God Zijn heerlijkheid in een weg van rechtvaardigheid, gematigd met barmhartigheid?
Antw. In het zaligen van zondaren om niet, in een weg van volkomen genoegdoening aan Zijn rechtvaardigheid, die Hij Zelf bezorgd heeft, Rom. 3: 21, 24, 25. Exod. 33: 19. Rom. 9:18.
Hoe wordt de predestinatie aangemerkt ten aanzien van de voorwerpen, waar die over gaat?
Antw. In een verkiezing en verwerping. Rom. 9:11, 13, 22, 23. 1 Thess. 5:9.
Waaruit blijkt dat?
Antw. Omdat de verkiezing noodzakelijk de verwerping insluit. 1) Omdat waar een verkiezing is van sommigen, daar worden anderen voorbijgegaan. Openb. 20:15. 2) Omdat er een tweeërlei zaad is, waar de rechtvaardigheid en barmhartigheid in betoond moeten worden, als onderscheiden besloten voorwerpen, 1 Thess. 5:9. 2 Tim. 2:20. Rom. 9:22, 23.
Wat is de verkiezing?
Antw. Een zeker bepaald getal van degenen, die van dezelfde massa zijn, hetzij van engelen of mensen (in een mogelijkheid van eeuwige gelukzaligheid) te voorverordineren,, tot prijs der heerlijkheid van Gods genade, 1 Tim. 5:21. Tit. 1:1. Rom. 8:29, 33 en 9:23. Jes. 65:22. Matth. 24:22. 1 Petr. 1:2. Rom. 11:5, 28.
Is de verkiezing niet uit de massa van het mensdom, als gevallen en bedorven aangemerkt?
Antw. Nee: om deze redenen. 1) Als de mens zo was aangemerkt, dan moesten, om dezelfde reden, de engelen ook zo zijn aangemerkt geworden; maar de engelen zijn zo niet aangemerkt. Dit is klaar, omdat de uitverkorene engelen nooit in een bedorven staat geweest zijn, en de gevallen engelen zijn nooit uitverkoren geworden. 2) Christus is uitverkoren, 1 Petr. 1:20, en de eerstgeborene der verkiezing, Ef. 1:4. Maar Christus was nooit in enig opzicht verkoren onder aanmerking van een deel te zijn van de bedorven massa van het mensdom; en daarom kon de verkiezing niet gaan over de bedorven massa, omdat Christus dan daar uitverkoren moest geweest zijn; en indien dit zo is, dan konden de andere uitverkorenen niet, als zodanig, in Hem uitverkoren zijn, Ef. 1:4. 4) Indien de mensen, uit de bedorven massa verkoren waren, zo zou de verkiezing, wat ook anders de verwerping is, ene daad van barmhartigheid zijn; want indien iemand, die onder anderen als ellendig wordt aangemerkt, als zodanig uit hen verkoren en uitgekozen wordt tot de zaligheid, dit is een oog van barmhartigheid, medelijden en ontferming, wanneer anderen in dezelfde staat van veroordeling of ellende met hem worden gelaten, om daarin verloren te gaan; daar toch de verkiezing geen daad van barmhartigheid, en ook de verwerping geen daad van rechtvaardigheid is, maar beide daden van enkele soevereinheid zijn, Rom. 9:21, 22.
Wat was Gods einde en heerlijk oogmerk in de verkiezing?
Antw. God beoogde van alle eeuwigheid de heerlijkheid van Zijn genade te bewijzen, in een zeker getal van engelen en mensen, die geschapen, en tot dat grote einde uit de anderen uitgekozen zouden worden, Ef. 1:5, 6, 12. Rom. 9:23. Psalm 103:20.
Is de verkiezing alleen van zo'n onbepaald getal, en niet van bepaalde ondeelbare personen?
Antw. De naam van ieder bijzonder ondeelbaar persoon, die zalig zal worden, is in het Boek, van Gods verkiezing opgeschreven, Luk. 10:20. 2 Tim. 2:19. 2 Thess. 2:13. Openb. 20:12.
Wat vloeit onmiddellijk tot dit gemelde grote einde uit de verkiezing voort?
Antw. Een bijzondere liefde voor, en vermaak in hun personen, met een voornemen om alle middelen, tot verkrijging van dat grote einde, te bezorgen en te besturen, Rom. 9:13. Jes. 31:3. Ef. 1:9, 10. Joh. 17:6, 8. Joh. 6:37. 2 Thess. 2:`13. Rom. 8:29.
Welke zijn de beraamde middelen tot de verkrijging van dat grote doeleinde in de verkiezing van de engelen?
Antw. Hun schepping in een staat van volmaaktheid, hun genadige bewaring van niet te vallen, en de bevestiging van hen in alle natuurlijke en zedelijke volmaaktheid, tot het eeuwige leven in heerlijkheid. Judas vs. 6.
Welke zijn de beraamde middelen tot de verkrijging van het heerlijk doeleinde, in de verkiezing van sommige mensen, tot verheerlijking van de vrije genade in een weg van barmhartigheid, gematigd met rechtvaardigheid?
Antw. De schepping van de mensen, met een verbond der werken en der genade, welke alle middelen van een gelijke orde zijn, dienende tot hetzelfde einde, 2 Tim. 1:9. Tit. 1: 2. Ef. 1: 4, 5. Jes. 43:21, 27.
Wat is de verwerping?
Antw. De voorverordinering van een zeker getal van engelen en mensen, tot heerlijkheid van Gods wraakvorderende rechtvaardigheid, 2 Petr. 2:4, 9. Judas vs. 6. Rom. 10:22. 1 Petr. 1:8.
Welke zijn de besloten middelen, die tot dit doeleinde leiden?
Antw. De schepping, de toelating van de zonde, de verlating in de zonde, en de veroordeling en straf daarom, Rom. 9:22 en hoofdstuk 1:24, 26. Hand. 4:27, 28 en 2:23.
Is God dan niet de oorzaak van zonde?
Antw. Gods toelating van de zonde doet Hem niet de oorzaak ervan zijn: de zonde had nooit geweest, behalve als God besloten had het toe te laten, want een oneindige macht kon die uit de wereld gehouden hebben, Jer. 32: 27.
Is het geen zonde, de zonde toe te laten, wanneer men het verhinderen kan?
Antw. 1) Dat is zo in sommige gevallen en personen, maar niet in God; want Gods toelaten van de zonde, valt onder Zijn soevereiniteit; Hij is niet meer gehouden het schepsel van het zondigen te verhinderen, dan Hij gehouden is het schepsel te maken; een Koning is niet verbonden de zonde te verhinderen, dan door zijn wetten. 2) Schoon de zonde kwaad is, nochtans is het goed, dat de zonde is, teneinde om die heerlijkheid Gods te openbaren, welke niet voort kon schijnen, tenzij de zonde was; want als de zonde niet in de wereld was, dan kon de heerlijkheid van Gods barmhartigheid en rechtvaardigheld niet blijkbaar gemaakt zijn geworden. 3) Welke invloed God ook mag hebben op het zijn van de zonde in de wereld, ten aanzien van Zijn besluit of de toelating zelf, zo kan Hij toch niet zondigen, omdat niemand zondigen kan, dan een zondige werkoorzaak, 1 Sam. 24:14; gelijk vele omtrent een daad werkzaam kunnen zijn, zonder schuldige oorzaken te wezen: zo kunnen zij ook werkzaam zijn in iemand het leven onrechtvaardig te benemen, zonder dat de Rechter een schuldige oorzaak daarvan is, maar alleen de valse getuigen. Zo schijnt de apostel Jakobus God te zuiveren of vrij te spreken. Jak. 1:13, 14. 4) God is een allervolmaakst Werker, maar de zonde is een gebrek en afwijking, van God; God nu kan Zichzelf niet verloochenen.
Bevrijdt Gods besluit de mens niet van schuldig te zijn in het zondigen?
Antw. Nee: want het is Gods besluit de zonde toe te laten, en dat de mens door de zonde schuldig zijn zal; doch het besluit is zo min een oorzaak Zijn misdaad, dan de wet van God, die hem schuldig maakt; en men mag zowel zeggen, dat God een oorzaak is van de zonde, wegens zijn geven van een wet, als wegens zijn besluit; want als er geen wet was geweest, er zou geen overtreding geweest zijn, Rom. 4:15; maar de wet is geen zonde, omdat zij de mens schuldig maakt. Nog eens, het is Gods geopenbaarde wil, die de regel is van de daden van de mensen, en niet zijn verborgen wil. Als de mensen die overtreden, dan zijn zij door dezelfde geopenbaarde wil strafbaar, en het is Gods besluit, dat het zo zijn zal.
Maar moet de zonde niet noodzakelijk op het besluit volgen?
Antw. Wij moeten de noodzakelijkheid onderscheiden, er is een noodzakelijkheid van onfeilbaarheid, en een van bedwang. Op Gods besluit van het schepsel zo ver te verlaten, dat Hij het toelaat te zondigen, zal de zonde onfeilbaar zijn; maar God dwingt het schepsel niet tot de zonde; nee, het zondigt ongedwongen en vrijwillig uit zichzelf, en zo hebben de engelen en mensen gedaan. Het besluit gaat voor de zonde, gelijk ook de wet dat doet, maar zijn geen van beide dwingende oorzaken van de zonde; schoon er zonder een besluit om de zonde toe te laten, en het geven van een wet, welke beide God alleen toekomen, nooit zonde in de wereld had kunnen zijn.
Als God alle uitkomsten volstrekt tevoren bepaald heeft, dan heeft God de zonde gewild, is Hij dan niet de auteur van de zonde?
Antw. Ofschoon God wil, dat de zonde zal zijn, door die toe te laten, want dit doet God, indien anders de Schriftuur waarachtig is. Hand. 4:27, 28 en 14:16. Openb. 17:17, zo is God nochtans niet de auteur van de zonde; ook wordt het doen van die daden ten aanzien van het natuurlijke deel ervan (die ten aanzien van het zedelijke gedeelte zondig zijn) aan God toegeschreven, Gen. 1:20. Psalm 105:25. 2 Sam. 12:12. 1 Kon. 12:24. Daarom maken wij onderscheid tussen het natuurlijke en het zedelijke gedeelte van een daad. God is een uitwerkende oorzaak in alle natuurlijke daden, maar de zonden, als zodanig, zijn zedelijke gebreken, en moeten daarom gebrekkige auteurs hebben, maar God kan er geen auteur van zijn, omdat Hij niet zo is, 1 Sam. 24:13.
Hoe bewijst u, dat God de auteur van de zonde niet zijn kan?
Antw. Uit Gods volmaaktheid, uit de strijdigheid ervan tegen Zijn natuur, en tegen Zijn wet als ook uit de haat, die Hij daartegen geopenbaard heeft, hebbende die veroordeeld in Zijn Woord, in de zondaren, ja, in de persoon van Christus, Gen. 2:7 en 3:17. Exod. 20. Rom. 8:3 en 6:6. 1 Joh. 3:8. Pred. 7:29. 1 Joh. 2:16. Jak. 1:13. Joh. 8:44, 45. Psalm 18:24. Ezech. 36:31, 32. Heb. 1:13, 14.
Hangt de verkiezing niet af van voorgezien geloof en goede werken, en de verwerping van voorgeziene zonde na weerspannigheid?
Antw. Het voorzien in God is op Zijn besluit gegrond; God kan datgene niet voorzien, dat Hij niet toekomende gemaakt heeft; het is een grote ongerijmdheid dit te zeggen.
Wat Christus niet een oorzaak van het besluit van de verkiezing?
Antw. Christus als Middelaar was geen oorzaak van het besluit, maar een heerlijke vrucht ervan, Ef. 1:4, 5.
Is het besluit van de verkiezing niet een daad van barmhartigheid, en de verwerping een daad van rechtvaardigheid?
Antw. Noch het een, noch het ander, maar de predestinatie, zoals die zich vertoont in de verkiezing, of in de verwerping, is een enkele daad van soevereiniteit, waardoor een deel van dezelfde massa afgezonderd wordt tot het ene gebruik, en een ander deel tot een ander gebruik.
Welke is de natuur van deze soevereiniteit?
Antw. De grootste vrijheid, waardoor God alle dingen wil, die Hij beoogt dat zijn zullen; en de beschikking ervan naar Zijn eigen welbehagen, Rom. 9:16. Ef. 1:4, 11. 1 Kor. 12:11. Matth. 20:15 en hoofdstuk 11:25, 26.
Waarin bestaat Gods vrijheid in het besluiten?
Antw. In een vrijheid van noodzakelijkheid van de natuur, van zedelijke verplichting, of van enige beweegredenen daartoe buiten Hemzelf.
Wat is Gods vrijheid (in het besluiten) van noodzakelijkheid van de natuur?
Antw. Dat God vrijwillig en uit eigen verkiezing besluit, (niet zoals Hij Zijn Zoon genereert) daar is geen noodzakelijke afhanging van het Wezen van God van het Wezen van het schepsel; de mogelijkheid van het schepsels Wezen is gegrond op Gods genoegzaamheid, en niet op Zijn besluit; en hoewel God almachtig is, is Hij toch niet alles willende; dat is, ten aanzien van mogelijke dingen.
Hoe is God vrij in opzicht van zedelijke verplichting aan het schepsel in Zijn besluit?
Antw. Daarin, dat Hij uit enige zedelijke verplichting niet gehouden is een schepsel te maken, en ook er niet aan verbonden wordt, wanneer het gemaakt is, verder dan het Hem behaagt zichzelf te verbinden, en zich aan hetzelve tot een schuldenaar te maken. Wat Hij ook besluit dat het schepsel zijn of doen zal, Hij kan niet beschuldigd worden, dat kwalijk gedaan te hebben, Matth. 20:15.
Hoe is God vrij ten aanzien van uitwendige beweegredenen?
Antw. Daarin, dat alle goedheid in het schepsel uit het besluit voortkomt, niets kan toekomend zijn, of als toekomende voorgeweten worden, als daaruit, zoals bewezen is, Rom. 11: 35, 36 en 9: 21, 22.
Welk gebruik kunnen wij maken van de leer van Gods besluiten? Is dat niet een leer die tot zorgeloosheid leidt?
Antw. De aanmerking van de predestinatie, en van onze verkiezing in Christus, is vol zoete, aangename en onuitsprekelijke vertroosting voor de godzaligen, en voor degenen die in zichzelf gevoelen, de werking van Christus Geest, de werking van het vlees, en hun aardse leden dodende, en hun harten trekkende tot hoge en hemelse dingen: zowel omdat die hun geloof van de eeuwige zaligheid door Christus te zullen genieten, in grote mate bevestigt en versterkt, als omdat die hun liefde tot God krachtig ontvonkt en brandende maakt.
Maar misbruiken vele deze leer niet?
Antw. Ja, evenals zij ook alle andere Evangeliewaarheden misbruiken tot hun eigen verderf: want wanneer nieuwsgierige en vleselijke mensen, die de Geest van Christus missen, liet vonnis van Gods predestinatie gedurig voor hun ogen hebben, is dat voor hen een gevaarlijke klip, waardoor de satan ze voortstuwt, of tot wanhoop, of tot een goddeloos en onrein leven, dat niet minder gevaarlijk is als de wanhoop.
Wat moesten wij dan voor ogen hebben om ons tot ons einde te leiden, als wij ons oog niet moeten vestigen op de predestinatie?
Antw De geopenbaarde wil van God in Zijn Woord; wij moeten Gods beloften aannemen, gelijk die ons in het algemeen in de Schriftuur zijn voorgesteld, en in onze bedrijven moeten wij die wil van God volgen, die ons uitdrukkelijk in Zijn Woord verklaard is.
8. Van de uitvoering van Gods besluiten
Achtste leerstuk
God voert Zijn besluiten uit in de werken van de schepping en van de voorzienigheid.
Verklaring
Wat is de uitvoering van Gods besluiten?
Antw. Zijn kracht, waardoor Hij alle dingen werkt naar de raad van Zijn willen, 1 Kor. 12:6. Rom. 11:36. Hand. 14: 15, 17. Gen. 50: 20. Psalm 37:5. Zef. 2: 2. Jes. 28: 21, 29 en 46:11.
Hoe wordt het besluit van de uitvoering onderscheiden?
Antw. Het besluit is een inblijvende daad van God, volkomen, eeuwig en onfeilbaar bepalende alles wat er buiten Hem gebeuren, of zijn zal; maar de uitvoering wordt genoemd een voorbijgaande daad, omdat die is het vallen van Gods kracht op het schepsel in de tijd, om de besloten zaak een wezen of werking te geven, Jer. 31:3. Zef. 2:2. Jes. 46:10.
Hoe voert God Zijn besluiten uit?
Antw. Nauwkeurig en stipt, volgens het besloten ontwerp, in Zijn raad vastgesteld; Zijn werk beantwoordt daaraan, zoals de tabernakel aan de afbeelding, daarvan op de berg gegeven, Exod. 25:40. 1 Kron. 28:12. Psalm 139:16. Ef. 1:3,4.
Welke zijn de eigenschappen van God, die hierin uitnemend voortschijnen?
Antw. Zijn almachtigheid en wijsheid, Job 36:5, 24. Jes. 28:29. Psalm 104:24. Job 11:6, 7, 8.
Wat is Gods almachtigheid?
Antw. Datgene, waardoor Hij machtig is alles te doen wat mogelijk is, hoewel Hij dat niet doet, en ook alles doet, wat Hij wil, zonder tegengestaan te kunnen worden, Matth. 19:216 en 3:9. Filip. 3:21. Psalm 135:6. Dan. 4:7. Jes. 14:27 en 143:13.
Is er voor Gods niets onmogelijk te doen?
Antw. Niets, dat met Zijn natuur overeenkomt; maar Hij kan niets doen, dat met Zijn volmaaktheid in enige van Zijn eigenschappen strijdig is, of met de vastgestelde eeuwige regels van kunst; ook kan Hij geen werk doen van zwakheid, Rom. 3: 4. Deut. 32:4. 2 Tim. 2:3. Tit. 1:2.
Hoe wordt aan God macht toegeschreven, die maar één allerzuiverste daad is?
Antw. In opzicht van het schepsel, dat het gevoelt; God is een eeuwige daad, maar het schepsel gevoelt die niet altijd, Psalm 62