Preken

van

Ebenezer Erskine

bedienaar van het Evangelie te Stirling - Schotland

over

Openb. 22:2 De Boom des levens Zijn vruchten en bladeren afschuddende onder de natiën

Ezech. 37:9 De wind van de Heilige Geest blazende op de dorre beenderen in het dal des gezichts

Ps. 69:5 Roverij gepleegd, en teruggave gedaan, beide aan God en de mens

Luk. 1:78 De Opgang uit de hoogte, of de Dageraad van omhoog

Ps. 138:6 De nederige ziel de bijzondere gunsteling van de hemel

 

Deel 3

 

 

 

Inhoud

 

De Boom des levens Zijn vruchten en bladeren afschuddende onder de natiën (1e preek) *

De Boom des levens Zijn vruchten en bladeren afschuddende onder de natiën (2e preek) *

De Boom des levens Zijn vruchten en bladeren afschuddende onder de natiën (3e preek) *

De wind van de Heilige Geest blazende op de dorre beenderen in het dal des gezichts *

Roverij gepleegd, en teruggave gedaan, beide aan God en de mens *

De Opgang uit de hoogte, of de Dageraad van omhoog *

Predikatie *

Toespraak na het avondmaal *

De nederige ziel de bijzondere gunsteling van de hemel *

 

De Boom des levens Zijn vruchten en bladeren afschuddende onder de natiën (1e preek)

Openb. 22:2. In het midden van haar straat en op de ene en de andere zijde der rivier was de boom des levens, voortbrengende twaalf vruchten, van maand tot maand gevende zijne vrucht; en de bladeren des booms waren tot genezing der heidenen.

Ongeveer een jaar geleden mocht ik, bij een plechtige gelegenheid in een naburige plaats, over het onmiddellijk voorafgaande vers preken. Ik trachtte toen duidelijk te maken, dat dit gezicht van de apostel Johannes onmiddellijk betrekking heeft op de strijdende Kerk, wat ook haar verdere vervulling moge zijn in de triumferende Kerk in de heerlijkheid. Door "de zuivere rivier van het water des levens, klaar als kristal, voortkomende uit de troon Gods, en des Lams," moeten wij die grote overvloed van genade verstaan, die in de bedeling van het Evangelie, van een God van de genade, die in Christus de wereld met Zichzelf verzoenende was, voortkomt tot verloren zondaren, hetgeen duidelijk is voor een ieder, die het 1e en het 17e vers van dit hoofdstuk met elkaar vergelijkt, tussen welke een nauw en onafscheidelijk verband is. In het 1e vers komt de rivier van het water des levens voort, en in het 17e vers worden alle verloren zondaren geroepen en genodigd te komen en te drinken: "Die dorst heeft kome, en die wil, neme het water des levens om niet." Nu, indien de nodiging in vs. 17, aan de strijdende Kerk is, te komen en van het water des levens te drinken, dat aan geen twijfel onderhevig is, dan moet ook ongetwijfeld die rivier van het water des levens, uit welke wij genodigd worden te drinken, in de strijdende Kerk stromen.

Dit vastgesteld zijnde moet noodzakelijk volgen, dat de woorden van het 2e vers, dat ik heb voorgelezen, ook betrekking moeten hebben op de strijdende Kerk, voornamelijk wanneer wij het laatste gedeelte van het vers beschouwen, waar gezegd wordt, dat de bladeren van de boom tot genezing van de heidenen zijn. Nu, in de hemel zijn geen heidenen, of natiën, maar is slechts een hemels volk, de algemene vergadering van de eerstgeborenen, en dat volk heeft geen genezing meer nodig; de inwoners van dat land van heerlijkheid zeggen niet: "Wij zijn ziek;" zij zijn zonder vlek of rimpel of iets dergelijks; daarom moet deze boom des levens tot genezing van de kranke natiën van deze benedenwereld bestemd zijn.

Dit vooropgesteld zijnde versta ik de woorden als een figuurlijke beschrijving van Christus, de Zaligmaker van verloren zondaren, onder het begrip van een boom. Merkt hier op: (1) De natuur van deze boom; het is de boom des levens. (2) De geriefelijke standplaats van deze boom, welgelegen voor de stad Gods, de zichtbare kerk op aarde; deze boom des levens is "in het midden van haar straat, en op de ene en de andere zijde van de rivier." (3.) De vruchtbaarheid van deze boom des levens: "hij brengt twaalf vruchten voort, van maand tot maand gevend zijn vrucht." (4). De geneeskrachtige eigenschap van deze boom: zijn bladeren waren tot genezing der heidenen." Ik zal deze bijzonderheden verklaren in de verhandeling van de volgende leer, welke ik daaruit trek.

Leer. "Dat de Heere Jezus Christus een vruchtbare en geneeskrachtige boom is, die door zijn Vader in de stad van de Nieuw Testamentische Kerk is geplant tot nut van de van honger omkomende en kranke natiën der aarde." De grond van deze leer is duidelijk uit het algemeen overzicht, dat ik u reeds van de woorden heb gegeven: "In het midden van haar straat, namelijk van het Nieuwe Jeruzalem, dat nederdaalt uit de hemel, dat de Nieuw Testamentische Kerk is, en op de ene en de andere zijde van de rivier was de boom des levens, voortbrengende twaalf vruchten, van maand tot maand gevend zijn vrucht, en de bladeren des boom, waren tot genezing der heidenen (Engelse overzetting van de natiën)."

In de verhandeling van deze leer zal ik de orde volgen, die ik reeds in de verdeling van de woorden heb aangewezen. Ik zal met Gods hulp

I. Een weinig spreken over deze boom des levens.

II. Iets zeggen over de standplaats van deze boom in de stad Gods: "In het midden van de straat, en aan de ene en de andere zijde van de rivier."

III. Over de vruchtbaarheid van deze boom: "Hij brengt twaalf vruchten voort, van maand tot maand gevend zijn vrucht."

IV. Over de geneeskrachtige eigenschap van deze boom, en hoe zijn bladeren zijn tot genezing der heidenen, of van de natiën.

V. Het geheel toepassen, of, indien de tijd het niet toelaat, elk stuk afzonderlijk telkens bij de behandeling toepassen.

I. Ons eerste punt is, dat wij een weinig zullen spreker over Christus, onder het begrip van de Boom des levens. Hier zal ik: 1. Enige opmerkingen maken aangaande deze gezegende boom. 2. Aantonen waarom Hij de boom levens genaamd wordt. 3. Wat dat leven is, dat uit deze boom ontspringt. 4. De voortreffelijke hoedanigheden aanwijzen van dat leven, dat uit deze boom voortkomt voor hen, die door het geloof van zijn vrucht eten.

Ik zal dan ten eerste enige opmerkingen maken aangaande deze gezegende boom waarvan hier gesproken wordt.

1. Ik merk dan op, dat zulke figuurlijke spreekwijzen over Christus door de Geest Gods in de Schrift zeer gebruikelijk en gewoon zijn. Somtijds wordt Hij een plant, een Plant van Naam, genaamd (Ezech. 10:34:29). Soms een rijsje, en een scheut, die voortkomt uit de wortels van de afgehouwen tronk van Isaï (Jes. 11:1). Soms een boom: (Hos. 14:9) "Ik zal zijn als een groenende denneboom; uw vrucht is uit Mij gevonden." Soms onder het begrip van een appelboom: (Hoogl. 11:3) "Als een appelboom onder de bomen des wouds, zo is mijn Liefste onder de zonen." Zo ook wordt Hij hier in mijn tekst voorgesteld onder het begrip van een boom, van de Boom des levens. Onze gezegende Heere was, terwijl Hij hier op aarde was, een parabolisch soort van prediker, dat wil zeggen: Hij stelde hemelse dingen voor door gelijkenissen uit het dagelijks leven, en Hij blijft dezelfde trant van onderwijzen volgen, nadat Hij in de heerlijkheid verhoogd is. Hij heeft zoveel lust zich aan de kinderen der mensen bekend te maken. dat Hij Zich wil vergelijken bij alles wat maar kan dienen, om ons tot de kennis van Hem en Zijn genade te brengen.

2. U moet opmerken, dat Christus een boom is, die Zijn Vader geplant heeft: (Joh. 15:1) "Ik ben de ware Wijnstok, en mijn Vader is de Landman." Wanneer ik over Christus spreek als geplant zijnde, dan meet dat alleen van Hem verstaan worden naar zijn ambt, als Immanuël, Godmens of Middelaar: want naar Zijn goddelijke natuur aangemerkt is Hij dezelfde onafhankelijke, zelfstandig bestaande God met de Vader. Beschouwen wij Hem echter als Middelaar, dan is Hij door de Vader, als de grote Landman, geplant. Hij heeft Hem geplant in Zijn menswording door een dadelijke openbaring in het vlees. Sprekende van Zijn komst in het vlees, zegt Hij: "Gij hebt mij het lichaam toebereid; Hij is geworden uit een vrouw, en van het zaad Abrahams, naar het vlees." Hij plant hem verklarender- of leerstelliger wijze in de zichtbare Kerk: "Ik zal heil geven in Sion, aan Israël Mijn heerlijkheid." Hij plant Hem geestelijk in de harten van al de uitverkorenen in een dag van zijn heirkracht, op die tijd wanneer Christus in ons geopenbaard wordt en een gestalte in ons krijgt, wanneer wij geschapen worden in Christus Jezus.

3. Deze Boom des Levens is, wanneer Hij pas geplant is en begint uit te botten, klein, doch in zijn laatste vermeerdert Hij zeer. Hoe gering was Zijn eerste verschijning in die belofte, "het zaad van de vrouw zal de slang de kop vermorzelen;" niet meer dan een blote zinspeling op Zijn menswording en Zijn lijden, in de bedreiging, die tegen de slang werd uitgesproken. Hoe klein en onaanzienlijk was Hij in de ogen van een verblinde wereld, toen Hij begon op te schieten, bij zijn dadelijke komst in het vlees, "als een wortel uit een dorre aarde; Hij had geen gedaante noch heerlijkheid." Wanneer Hij eerst in een land begint uit te spruiten door de uitdeling van het Evangelie, achten de mensen hem zo weinig, dat zij zijn Evangelie aanmerken als dwaasheid en zot geklap. En wanneer Hij voor het eerst in het hart en de ziel in een dag van Zijn heirkracht opschiet is Zijn genade, Zijn koninkrijk, maar als een mosterdzaad, dat nauwelijks te zien is. Doch, hoewel Zijn beginsel gering is, zal toch Zijn laatste zeer vermeerderd worden. De prediking van het Evangelie van Christus door de apostelen was eerst als het uitstrooien van een handvol koren op de hoogte van de bergen, doch de vrucht daarvan ruiste als de Libanon; en Zijn geestelijk zaad en Zijn nakomelingen "zullen bloeien als het kruid der aarde," of ontelbaar zijn als de grassprietjes, of als "de dauw uit de baarmoeder des dageraads.". Doch hoe gering ook Zijn eerste bloesemen in het hart is, toch zullen zij, in wie Hij door de Geest een gestalte heeft gekregen, "groeien als een palmboom, en wassen als een cederboom op Libanon."

4. Merkt op, dat deze Boom des levens, nadat Hij enige tijd op deze benedenwereld gegroeid had, door het zwaard van de toorn en de rechtvaardigheid Gods werd afgehouwen: (Jes. 53:8) "Want Hij is afgesneden uit het land der levenden; om de overtreding mijns volks is de plaag op Hem geweest." De Joden en de Romeinen waren slechts als de bijl in de hand Gods om de Boom des levens af te houwen; want in het doden van de Vorst des levens deden zij "alles wat Zijn hand en Zijn raad tevoren bepaald had, dat geschieden zou." O menige houw, menige slag en stoot had deze Boom des levens te verduren voordat hij ter aarde viel: "Hij is om onze overtredingen verwond, om onze ongerechtigheden is Hij verbrijzeld; de straf, die ons de vrede aanbrengt, was op Hem." O wat een vervaarlijke slag werd deze Boom des levens door de Rechtvaardigheid toegebracht, toen zij uitriep: "Zwaard, ontwaak tegen Mijn Herder, en tegen de man, Die Mijn metgezel is!" De aarde beefde en de steenrotsen scheurden vanwege de zwaarte van de slag, die Hem werd toegebracht om onze zonden.

5. Hoewel deze Boom des levens door de hand van de rechtvaardigheid was afgehouwen zodat Hij stierf, toch kon de dood niet lang over de Boom des levens heersen; het was onmogelijk, dat de banden des doods of de sluitbomen van het graf hem konden vasthouden. Neen, neen, drie dagen nadat Hij was omgehouwen schoot deze Boom weer op, groter en heerlijker dan te voren. Hij was waarlijk afgesneden uit het land der levenden, en aan de dood overgeleverd om onze zonden, maar Hij is weer opgewekt om onze rechtvaardigmaking, en krachtiglijk bewezen te zijn de Zoon van God, naar de Geest der heiligmaking, uit de opstanding der doden. Onze hoop op de erfenis schoot op met deze Boom des levens, toen Hij weer opschoot uit het graf: (1 Petr. 1:3,4) "Geloofd zij de God en Vader van onze Heeren Jezus Christus, Die naar Zijn grote barmhartigheid ons heeft wedergeboren tot een levende hoop, door de opstanding van Jezus Christus uit de doden. Tot een onverderfelijke en onbevlekkelijke, en onverwelkelijke erfenis." Onze hoop en sterkte zou voor eeuwig vergaan zijn, indien deze Boom des levens in de dood zou zijn omgekomen.

6. Ik merk op aangaande deze Boom des levens, dat Hij nu in Zijn verhoogde staat al de bomen van het woud te boven gaat en overtreft. Op de weg uit de beek gedronken hebbende heft Hij nu het hoofd omhoog; vandaar die lof van de bruid: (Hoogl. 2:3) "Als een appelboom onder de bomen des wouds, zo is mijn Liefste onder de zonen." Hij overtreft hen alle oneindig; Hij is schoner, oneindig veel schoner dan de mensenkinderen, ja Hij overtreft alle engelen in de hemel en gaat die ver te boven, Hij heeft een uitnemende Naam boven hen geërfd; "Hij is uitermate verhoogd, ver boven alle overheid, en macht, en kracht, en heerschappij, en allen naam, die genaamd wordt, niet alleen in deze wereld, meer ook in de toekomende."

7. Ik merk op, dat hoewel deze Boom des levens nu ver boven de hemelen verhoogd is, Zijn takken nochtans in de uitdeling van het woord naar de aarde afhangen en neerbuigen, zodat wij niet in de hemel behoeven op te klimmen, om Hem van boven af te brengen: "Nabij u is het woord in uw mond en in uw hart. Dit is het woord des geloofs, hetwelk wij prediken." Overal waar het Evangelie wordt gepredikt, overal waar de tafel des Heeren gedekt wordt, daar buigen de zwaar beladen takken van de Boom des levens zich als het ware tot u neer, zodat u door het geloof onder Zijn schaduw mag gaan zitten, om Zijn voortreffelijke vrucht te eten. Doch hierover zullen wij bij de behandeling van ons tweede punt spreken.

Ten tweede. Ik zal nu verder aantonen waarom Hij, ten opzichte van Zijn voortreffelijkheid, de Boom des levens wordt genaamd. In het algemeen dan houd ik het er voor, dat Hij de Boom des levens wordt genaamd, met zinspeling op de boom van die naam, die in het aardse paradijs groeide, die naar de mening van godgeleerden het sacrament van het werkverbond was, waardoor Adam, als hij, na gedurende enige tijd in de staat van de rechtheid te blijven staan, daarvan gegeten had, bevestigd en vastgesteld zou geworden zijn in een staat van volmaakte heiligheid en gelukzaligheid. En dat uit dien hoofde hier van deze boom, die in het midden van het aardse paradijs stond, gebruik wordt gemaakt als een type of afschaduwing van Christus, door Wie een mens, als hij Hem eenmaal door een waar geloof eet en deelachtig is, voor eeuwig tegen de vloek beveiligd, en van de verdoemenis verlost is, en een eeuwige naam heeft in het geslacht van de hemel, die niet uitgeroeid zal worden. Doch, meer in het bijzonder, wordt Christus hier de Boom des levens genaamd:

1. Omdat Hij de eerste en oorspronkelijke oorzaak is beide van ons geestelijk en eeuwig leven. Uw ziel, gelovige, zou nooit een geestelijke ademhaling naar God gedaan hebben, als niet Christus de adem des levens in u had geblazen. Het is de "Geest des levens, die in Christus Jezus is," in de dode ziel ingaande door middel van het gelezen of gepredikte woord, die "ons vrijmaakt van de wet der zonde en des doods."

2. Hij is de stoffelijke oorzaak van ons leven. Het is het leven van Jezus, dat in de ziel van de gelovige is: (Gal. 11:20) "Ik leef," zegt Paulus, "doch niet meer ik, maar Christus leeft in mij." Christus, door de kracht van de eeuwige Geest, een gestalte in het hart gekregen hebbende, is de wezenlijke inwendige bestuurde van het leven der gelovigen: want Christus is in hen en zij zijn in Hem, zodat, gelijk het leven van het hoofd in al de leden is, zo ook het leven van Jezus in al de gelovigen is.

3. Hij wordt de Boom des levens genaamd, omdat Hij de verwerver van ons leven is; en zo is Hij de verdienende oorzaak van het leven. Het leven is door de dood, of door de afhouwing van de Boom des levens, voor een verloren wereld gekocht; daarom wordt Zijn dood een rantsoen, en het eeuwig leven een verkregen of verworven erfenis genoemd.

4. Hij is de bewarende oorzaak van ons leven; Hij houdt en bewaart onze zielen in het leven, door voortdurende versterkingen en mededelingen. Wanneer de ziel in een kwijnende staat is, herstelt Hij haar, gelijk David getuigt: (Ps. 23:3) "Hij verkwikt mijn ziel." Hij versterkt het overige, dat sterven zou. Wanneer de ziel als het verzengde graan is, wanneer de regen van de hemel wordt ingehouden, is Hij haar als de dauw. Hij daalt neer als de regen, en daarop brengen zij ten leven voort als het koren, en bloeien als de wijnstok.

5. Hij is de eindoorzaak van ons leven. Gelijk Hij de oorsprong van ons leven is, zo is Hij ook het einde van ons leven. "Want niemand van ons leeft zichzelf, en niemand sterft zichzelf. Want hetzij dat wij leven, wij leven den Heere; hetzij dat wij sterven, wij sterven den Heere. Hetzij dat wij leven, hetzij dat wij sterven. wij zijn des Heeren" (Rom. 14:7, 8).

Ten derde. Ik zal u zeggen wat soort van leven uit deze Boom des levens uitspruit. In Christus, de gezegende Boom des levens is een viervoudig leven te vinden.

1. Daar is een leven van rechtvaardigmaking in tegenstelling van de dood krachtens de wet. leder mens is van nature dood in het oog van de wet, evenals een boosdoener, die onder het vonnis des doods is; al is het vonnis nog niet werkelijk aan hem uitgevoerd, nochtans beschouwen wij hem als een dood mens, omdat hij dood is volgens de wet, want de rechter heeft het vonnis over hem uitgesproken, en de dag van de voltrekking nadert. Dit is de staat van elke zondaar, die buiten Christus is; hij is onder de wet als een verbond, en daarom dood voor de wet: de wet heeft hem reeds veroordeeld, want die spreekt tot elke zondaar: "De ziel, die zondigt, die zal sterven". Zodra nu de arme zondaar onder de schaduw van de Boom des levens komt, of door het geloof van de vrucht van deze Boom eet, wordt dit vonnis van de wet herroepen en ingetrokken, uit kracht van de toerekening van de eeuwige gerechtigheid van de Zoon van God als onze Borg, zodat de mens voor God als de rechtvaardigen Rechter en Wetgever begint te leven, omdat Hij bekleed is met die gerechtigheid, waardoor de wet verheerlijkt is. God vergunt de arme ziel, dat zij hierop kan rekenen en staat maken: (Rom. 6:11) Aangezien Christus is gestorven en weer opgewekt is, "alzo ook gijlieden houdt het daarvoor, dat gij wel der zonde dood zijt, maar Gode levende zijt in Christus Jezus onze Heere". De gelovige leeft zozeer Gode, uit kracht van de gerechtigheid van Christus, dat hij met de Apostel durft zeggen: "Wie zal beschuldiging inbrengen tegen de uitverkorenen Gods? God is het, Die rechtvaardig maakt; wie is het die verdoemt?"

2 In Christus, de gezegende Boom des levens, is een leven van heiligmaking of van heiligheid te vinden. Dit is de vrucht en het gevolg van het voorgaande. Een wettelijke dood heeft onvermijdelijk een geestelijke dood tot gevolg onder de kracht van de zonde, want "de kracht van de zonde is de wet". De wet verhindert ons en staat ons geestelijk leven tegen, omdat zij geschonden is. Anderzijds gaat een leven van rechtvaardigmaking onvermijdelijk gepaard met een leven van heiligmaking of heiligheid, hetwelk daarin gelegen is, dat de ziel vrijgemaakt is van de heerschappij en van de vuiligheid van de zonde; zodat die mens, die nu een inwendig beginsel van leven heeft, de wet begint te gehoorzamen, niet als een verbond waardoor hij het leven zoekt, maar als een regel van gehoorzaamheid, opdat hij de lof verkondigt van Hem, "Die hem uit de duisternis geroepen heeft tot zijn wonderbaar licht". Dit leven van heiligmaking heeft hij van Christus, de Boom des levens. "Ik zal hem zijn", zegt Hij, "als een groenende denneboom; uw vrucht is uit Mij gevonden. Die in Mij blijft en Ik in hem, die draagt veel vrucht". Al de vruchten van de gerechtigheid en heiligheid zijn door Jezus Christus.

3. Door deze Boom des levens leven wij een leven van vertroosting, want Hij is "de vertroosting Israëls, en gijlieden zult water scheppen met vreugde uit de fonteinen des heils". De bruid had "grote lust in zijn schaduw, en zat er onder, en zijn vrucht was haar gehemelte zoet". Dat getuigt, dat haar ziel, door het eten van de vrucht van deze boom, "als met smeer en vettigheid verzadigd was, en haar mond Hem roemde met vrolijk zingende lippen". Wanneer de ziel maar van de vrucht van deze boom proeft wordt haar gelaat met een hemelse blijdschap overtogen. Zo iemand getuigt: "Gij hebt mijn zak ontbonden en mij met blijdschap omgord", en hij wordt vervuld "met een onuitsprekelijke en zeer heerlijke vreugde". Dit leven van vertroosting gaat op en neer met de vrucht of de levendige oefening des geloofs, met het komen of gaan van de Heere. Wanneer Christus verschijnt wordt de ziel verlevendigd, en zij wordt verkwikt als de velden na een heerlijke regenbui en een warme dag.

4. Uit de Boom des levens ontspruit een leven van de heerlijkheid; want "dit is het getuigenis, namelijk, dat ons God het eeuwige leven gegeven heeft, en ditzelve leven is in Zijn Zoon. Die de Zoon heeft, die heeft het leven; die de Zoon van God niet heeft, die heeft het leven niet". Hij heeft er hier de eerste beginselen en het onderpand van, en hiernamaals in de hemel zal hij er eeuwig het volle bezit van hebben. Zo ziet u welk leven uit de Boom des levens voortspruit.

Ten vierde. Ik zal hieraan slechts enkele eigenschappen of hoedanigheden van dit leven, dat uit de Boom des levens ontspruit, toevoegen.

1. Het is een goddelijk leven, het is het leven Gods in de ziel. Een goed mens wordt een godvruchtig mens en een boos mens wordt een goddeloze genoemd. Wat, meent u, is de reden van deze tegengestelde benamingen? De reden is deze, dat een godvruchtig mens iets van het leven Gods heeft, terwijl een goddeloze van het leven Gods verstoken is. De uitdrukking is schriftuurlijk. Want van de boze staat geschreven, (Ef. 4:18) dat zij zijn "vervreemd van het leven Gods, door de onwetendheid die in hen is, door de verharding van hun harten". Het is een goddelijk leven: goddelijk in zijn oorsprong, goddelijk in zijn natuur en strekking, en goddelijk in zijn eind; het is een leven en wandelen met God, zoals van Henoch geschreven staat. Wanneer iemand van de vrucht van deze Boom des levens heeft geproefd, kan hij het daarna nooit meer buiten Gods gezelschap uithouden.

2. Het leven, dat de ziel uit de Boom des levens ontvangt, is van alle andere het uitnemendste leven. Er is in ieder mens drieërlei leven. Er is een plantaardig leven, dat hij met bomen, planten en andere dingen, die uit de aarde spruiten. gemeen heeft; verder is er een gevoelig leven, dat hij met de dieren van de aarde, de vogelen van de hemel, en de vissen van de zee gemeen heeft; hij heeft ook een redelijk leven, waardoor hij onderscheiden u van de schepselen van lagere orde, en dit is aan allen mensen gemeenschappelijk. Doch de gelovige is "voortreffelijker dan zijn naaste;" hij heeft een voortreffelijker leven dan zij, namelijk een leven, dat "met Christus verborgen is in God." "Die de Zoon heeft, heeft het leven," en hij heeft zo’n leven, waarvan alle anderen in de wereld vervreemd zijn.

3, Het leven, dat wij van de Boom des levens hebben, is een koninklijk en vorstelijk leven; want alle gelovigen, takken van deze boom zijnde, zijn "gemaakt tot koningen en priesters Gode en zijn Vader." Niet zodra is de ziel op Hem geënt of met Hem verenigd, of zij begint als een koning te leven, boven de wereld, met verachting op deze mesthoop neerziende.

4. Het is een hemels leven: het komt van de tremel, waar de bron van dit leven is, en het strekt zich altijd hemelwaarts: "Want onze wandel is in de hemelen, waaruit wij ook de Zaligmaker verwachten, namelijk, de Heere Jezus Christus." De gelovige, is "begerig naar een beter vaderland," en zijn oog is gericht op een vergelegen land. Hij "aanmerkt niet de dingen, die men ziet, maar de dingen die men niet ziet."

5. Het is een groeiend leven; want "het pad der rechtvaardigen is gelijk een schijnend licht, voortgaande en lichtende tot de volle dag toe. "Die in het Huis des Heeren geplant zijn, die zal gegeven worden te groeien in de voorhoven van onze Gods. De rechtvaardige zal groeien als een palmboom; hij zal wassen als een cederboom op Libanon." Dit leven groeit altijd, totdat het "komt tot de mate van de grootte van de volheid van Christus."

6. Het is een onsterfelijk, altijddurend, eeuwig leven. Het is er zover van af, dat dit leven eindigt wanneer het leven van het lichaam eindigt, dat het dan eerst volkomen en volmaakt wordt. Het is een leven, dat wat de duur betreft, evenwijdig zal lopen met het leven Gods. Zover over ons eerste punt; dat was, dat wij een weinig zouden spreken over deze Boom des levens.

II. Ons tweede punt was, dat wij iets zouden zeggen over de standplaats van deze boom in de stad Gods. Hij staat "in het midden van de straat, en op de ene en andere zijde van de rivier." Tot opheldering van dit deel van de tekst, zal ik de volgende bijzonderheden opmerken:

1. Dat de stad waarvan hier gesproken wordt geen andere is dan de Kerk van God. Ik heb in de opening van de tekst bewezen, dat, welke betrekking deze waarheid ook mag hebben op de verheerlijkte kerk, het voor mij nochtans helder is, dat hier in de eerste plaats, en onmiddellijk, de strijdende Kerk op aarde bedoeld wordt, die gedurig in de Schrift een stad wordt genoemd: (Ps. 87:3) "Zeer heerlijke dingen worden van u gesproken, o stad Gods." (Ps. 72:16) "die van de stad zullen bloeien als het kruid van de aarde," hetwelk van de Kerk onder het Nieuwe Testament wordt gesproken. Van alle gelovigen, terwijl zij nog op aarde zijn, wordt gezegd, dat zij werkelijk gekomen zijn tot de berg Sion, en de stad des levenden Gods, tot het hemelse Jeruzalem. En van het Nieuwe Jeruzalem, dat in het voorafgaande hoofdstuk wordt beschreven, wordt gezegd, dat "het nederdaalt van God uit de hemel;" omdat alle gelovigen, die de enige ware burgers zijn, van boven geboren zijn en in het koninkrijk Gods zijn ingegaan. Zij is een staaf om te bewonen: (Ps. 107:7) "Hij leidde ze in een rechte weg, om te geen tot een stad ter woning;" een stad van koophandel, waar de koopwaar van de hemel. tot een lage prijs, (Jes. 55:1) "zonder geld en zonder prijs, ter verkoop worden uitgestald. Het is een versterkte stad, die met heil ommuurd is: (Jes. 26:1) "Wij hebben een sterke stad, God stelt heil tot muren en voorschansen"; een stad, om daarheen de toevlucht te nemen, een vrijstad; een stad wegens haar schoonheid en stevigheid. Het is een koninklijke stad, want daar woont de grote Koning: (Ps. 132:13,14) "Want de Heere heeft Sion verkoren, Hij heeft het begeerd tot Zijn woonplaats, zeggende: Dit is Mijn rust tot in eeuwigheid, hier zal Ik wonen, want Ik heb ze begeerd."

2. Ik merk hier op, dat in deze stad stralen zijn; want de Boom des levens staat in het midden van de straat ter stad. Ik versta door de straat de ordinantiën, die door God zijn ingesteld, voornamelijk die, welke openbaar zijn. (Hoogl. 111:2) Wanneer de bruid haar Heere niet kon vinden in de afzondering in het verborgen, besloot zij op te staan, en in de wijken en in de straten der stad om te gaan, om te zien of zij daar Hem kon vinden, die haar ziel liefhad. De uitleggers stemmen overeen, dat men daar door de straten en wijken de openbare instellingen van de dienst van God moet verstaan. Zo wordt van de Wijsheid gezegd (Spr. 1:20), dat "zij haar stem verheft op de straten," dat is, in de openbare instellingen van de godsdienst, die zo genoemd worden, omdat, evenals de straat van een stad de plaats is waar de inwoners samenkomen, zo ook deze ordinantiën de plaats van openbare samenkomst van Gods Kerk zijn, waarheen de stammen opgaan, en zich neerbuigen voor de voetbank van Zijn voeten. In deze straten en wijken van de kerkelijke instellingen hebben de inwoners van de stad Gods zoete gemeenschap en lieflijk verkeer met God.

3. Merkt hier op, dat gezegd wordt, dat er ene rivier is, die midden door de stad Gods en in haar straten loopt, hetwelk overeenkomt met wat wij lezen in Ps. 46:4: "De beekskens van de rivier zullen verblijden de stad Gods, het heiligdom van de woningen des Allerhoogste." Dit is dezelfde rivier waarvan in het voorafgaande vers wordt gesproken en gezegd, dat zij "voortkomt uit de troon Gods en des Lams". Toen ik over dat vers heb gepreekt, heb ik aangetoond, dat deze rivier niets anders is dan de Geest Gods, namelijk die Geest waarvan geschreven staat: (Zach. 12:10) Doch over het huis Davids, en over de inwoners van Jeruzalem, zal ik uitstorten de Geest der genade, en der gebeden". (Jes. 33:21) "De Heere zal daar" door zijn Geest en de mededelingen van Zijn genade, bij ons heerlijk zien, het zal een plaats zijn van rivieren, van wilde stromen". (Jes. 44:3) "Want ik zal water gieten op de dorstige, en stromen op het droge". Uit deze rivier wordt de ganse stad Gods, worden alle ware gelovigen verkwikt, verzorgd, vruchtbaar gemaakt, gereinigd en verlevendigd.

4. Nog een andere zaak, die wij hier kunnen opmerken, is, dat Christus, de Boom des levens, aan elke zijde van de rivier is, en in het midden van haar straat. Hier wordt naar het mij voorkomt op de volgende dingen gewezen:

1e Dat een levende Verlosser, al is Hij in de hemel verhoogd "aan de rechterhand van de Majesteit in de hoogste hemelen", en hoewel de hemel Hem moet ontvangen tot op de tijd van Zijn tweede komst, nochtans steeds bij Zijn volk op aarde tegenwoordig is. Ja, Hij is in ieder deel van Zijn gemeente, want de Boom des levens is in het midden van de straat en aan de ene en de andere zijde van de rivier, dat is: overal waar gelovigen zijn, waar de ware Kerk van God is, wat ook haar standplaats is, terwijl zij in de strijdenden staat is, is Christus met haar. De takken van de boom strekken zich altijd tot haar uit, zelfs tot "het uiterste einde van de aarde," zoals het in Jes. 24:16 wordt uitgedrukt. O wat een onuitsprekelijke vertroosting is het, dat het heerlijk Hoofd overal is waar het lichaam is! "Ziet Ik ben met ulieden al de dagen tot de voleinding der wereld." En, "aan alle plaatsen daar ik Mijns Naams gedachtenis stichten zal, zal Ik tot u komen, en zal u zegenen." En, "waar twee of drie vergaderd zijn in Mijn Naam, daar ben Ik in het midden van hen".

2e De uitdrukking houdt in, dat Christus het middelpunt, en, als het ware, het hart van Zijn Kerk, van zijn volk, is. Hier toch wordt gezegd, dat Hij in het midden van de stad is: (Ps. 46:6) "God is in het midden van haar, zij zal niet wankelen; God zal ze helpen in het aanbreken des morgenstonds." Christus is het middelpunt van het leven van de Kerk; "Ons leven is met Christus verborgen in God"; Hij houdt onze zielen in het leven. Hij is het middelpunt van het licht, evenals de zon in het uitspansel voor deze benedenwereld is: "Ik ben het licht der wereld." Hij is het middelpunt van vertroosting; daarom wordt Hij de vertroosting Israëls genoemd; Hij geeft vreugdeloze voor treurigheid." Hij is het middelpunt van liefde en verlangen, "de wens aller heidenen": "tot Uw Naam en tot Uw gedachtenis is de begeerte van onze ziel." Hij is het middelpunt van het geloof; alle inwoners van de stad Gods hebben hun ogen op Hem gevestigd: zij zien op Hem en worden behouden: "Onze ogen zijn op de Heere onze God." Hij is het middelpunt van vereniging; zij allen "behouden Hem als het Hoofd, uit Hetwelk het gehele lichaam door de samenvoegselen en samenbindingen voorzien en samengevoegd zijnde, opwast met goddelijke wasdom." Er is een groot geroep om vrede, vrede, en men doet vele sluwe pogingen om de vrede en de eenheid van de Kerk te bewaren; doch wij kunnen onmogelijk één zijn, dan alleen in de Heere. Hij is het Middelpunt van de leer: van Hem geven al de Profeten getuigenis, en Van hem getuigen al de apostelen, en iedere waarheid van het Woord wijst op Hem. Er staat geen woord in de Bijbel, dat niet op Christus wijst, evenals de naald van het kompas naar de poolster wijst. Hij is het middelpunt van aanbidding; de gebeden en dankzeggingen van alle gelovigen eindigen in Hem; zij allen roepen: "Het Lam, dat geslacht is, is waardig te ontvangen de kracht, en rijkdom, en wijsheid, en sterkte, en eer, en heerlijkheid, en dankzegging."

3e Dat Christus. de Boom des levens, in het midden van de straat is, getuigt, dat Christus een gemeen en publiek goed voor de Kerk is, dat Hij daar staat tot nut van de inwoners. Deze Boom des levens groeit niet in een hoek, of in een besloten plaats, waar alleen sommige bijzondere personen mogen komen, maar op de openbare straat, op de marktplaats, waar iedereen vrije toegang tot Hem heeft. Het is in dit opzicht opmerkelijk, wat de bruid aangaande Christus zegt in Hoogl. 2:3. Zij zegt niet, dat haar Liefste is "als een appelboom onder de bomen van de hof," dat een omheinde plaats is, maar, dat Hij is "als een appelboom onder de bomen des wouds," waarvan elke voorbijganger mag plukken en eten, en het vrije gebruik heeft. Gelijk iedereen in de legerplaats van Israël het voorrecht had op de koperen slang te mogen zien, die daar was opgericht, zo ook heeft iedereen in de zichtbare kerk evengelijke toegang tot Christus, de Boom des levens, want hij is "in het midden van haar straat." O vrienden! twijfelt niet aan uw volmacht om tot Christus te komen, nu Hij in het midden van onze straten is, van alle hoeken van de stad toegankelijk. Christus wordt in het gepredikte Evangelie aan allen evengelijk aangeboden; Hij is voor iedereen te krijgen, die Hem maar wil aannemen, en toepassen, en aanspraak op Hem wil maken. Gelijk elke onderdaan van ons land van onze tegenwoordige vorst mag zeggen, hij is mijn koning, omdat hij als een algemeen goed gesteld is voor het gehele staatslichaam, en gelijk elke soldaat van een leger van de opperste bevelhebber mag zeggen, hij is mijn generaal, en als zodanig tot hem de toevlucht mag nemen: en gelijk elke soldaat aanspraak mag maken op de officier van gezondheid van een regiment, en zeggen, hij is mijn dokter, wegens de betrekking, die de ganse compagnie op hem heeft; zo ook mag iedereen, omdat Christus, krachtens ambt, de algemene Zaligmaker van zondaren, de Profeet, Priester en Koning van Zijn Kerk is, met persoonlijke toepassing, aanspraak maken op Hem, om de weldaad van Zijn zaligmakende ambten te genieten, en in het geloof zeggen; Hij is mijn Zaligmaker, mijn Profeet, Priester en Koning, want Hij is "die Zoon, Die ons gegeven, en dat Kind, Dat ons geboren is." Hij is ons geworden wijsheid van God, en rechtvaardigheid, en heiligmaking, en verlossing." Al wat Hij als Middelaar is, dat is Hij voor ons, Hij is in het midden van de straat van de stad.

4e Het houdt in, dat zij, die Christus willen vinden, Hem in de straten en wijken van de ordinantiën van het Evangelie moeten zoeken; want hier staat van de Boom des levens geschreven, dat Hij in het midden van de straat is, in de openbare instellingen van de kerk, zoals de prediking van het Woord, en de bediening van de sacramenten. O vrienden! "In Zijn tempel zegt Hem een ieder ere" (Ps. 29:9). Daar sticht Hij Zijns Naams gedachtenis; daar heeft Hij beloofd "tot u te komen, en u te zegenen" (Exod. 20:24). Daarom zijn zij, die de openbare ordinantiën de rug toekeren, buiten de weg om tot de Boom des levens te komen. Ik weet wel, dat de Heere soms een zondaar, die de brede weg des verderfs bewandelt, wil ontmoeten, zoals Hij het Paulus deed, toen hij naar Damascus ging; doch wanneer Hij dat doet, dan gaat Hij buiten Zijn gewone weg. Zijn gewone weg, die Hij houdt in het overtuigen, bekeren, en genezen van zielen, is, dat Hij het doet in Zijn heiligdom. Wij lezen van één Paulus, die op de weg naar Damascus bekeerd werd, doch wij lezen van drieduizend, die tot de gemeente werden toegedaan, die de prediking des Woords door Petrus bijwoonden (Hand. 2:41). Daarom zeg ik, die Christus de Boom des levens willen vinden, moeten tot de straten en wijken van de ordinantiën komen, evenals de bruid deed. Daar hebben de gelovigen menige aangename ontmoeting met de Heere gehad, en ik heb hoop, dat er sommigen hier zijn, die dat uit hun eigen ervaring kunnen bezegelen.

5e De uitdrukking geeft te kennen, dat Christus niet alleen in de openbare instellingen van de kerk wordt ontmoet, want dat ook zoete gemeenschap met Hem kan worden genoten in de meer persoonlijke en verborgen afzonderingen van Gods volk. De Boom des levens is toch niet alleen in de straat maar ook aan weerskanten van de rivier, door al de delen van de stad. Menige zoete gemeenschap met de Heere genieten de gelovigen in het huiselijk gebed, in het verborgen gebed, in eenzame overdenking, in het lezen van het Woord, in het verborgen of in de eenzaamheid, in Christelijke gesprekken en dergelijke. O, zegt David, "Als ik Uwer gedenk op mijn legerstede, en aan U peins in de nachtwaken, wordt mijn ziel als met smeer en vettigheid verzadigd." De harten van de discipelen op de weg naar Emmaüs waren brandende in hen, toen zij met elkaar spraken op de weg.

6e Het geeft te kennen, dat de invloeden des Geestes volstrekt noodzakelijk zijn, om de ordinantiën voor hen zoet te maken, en hun de vruchten van hetgeen de Verlosser verworven heeft in het gebruik van de inzettingen deelachtig te maken; want de zuivere rivier van het water des levens vermengt zich in de straten van de stad met de zich uitspreidende takken en takjes van de boom. Tenzij de rivier van de invloeden des Geestes met het Woord en het sacrament gepaard gast, en de dingen van Christus neemt en die aan ons verkondigt, zullen het slechts droge borsten en misdragende baarmoeders blijken te zijn. Daarom is het nodig, dat men voortdurend van de Heere afhankelijk is om de medewerkende invloeden van de Geest des levens: "Het is Paulus, die plant, en Apollos, die natmaakt, maar God, die de wasdom geeft." Bidt daarom, dat de rivier van het water des levens mag voortkomen uit de troon Gods, en des Lams, en dat de straten van de stad Gods, en de Boom des levens op de een en de andere zijde van de rivier, voortbrengende zijn twaalf vruchten, mogen gezien worden.

7e Het is hier ingesloten, dat Christus het versiersel van Zijn gemeente en Zijn volk is; want hier wordt van de Boom des levens gesproken, als het versiersel van de stad in het midden van haar straat. Christus is "de heerlijkheid van Zijn volk Israël; en het ganse zaad Israëls zal in Hem gerechtvaardigd worden en zich beroemen." Hij doet een schoonheid en heerlijkheid op de Kerk, in haar geheel aangemerkt, afstralen; Zijn tegenwoordigheid in haar straten maakt haar "schoon, gelijk Thirza, lieflijk als Jeruzalem, schoon gelijk de maan, zuiver als de zon, schrikkelijk als slagorden met banieren." En Hij is de schoonheid en het versiersel van elke afzonderlijke gelovige in de gemeente; een ieder van hen is schoon door de heerlijkheid, die Hij op hen gelegd heeft. Door de toepassing van Zijn verdiensten, en door Zijn Geest, Die in hen is, worden zij als "des Koning dochters geheel verheerlijkt inwendig, haar kleding is van gouden borduursel." Hij maakt hen "als vleugelen ener duif, overdekt met zilver, en welker vederen zijn met uitgegraven geluwen goud."

8e Hier wordt te kennen gegeven, dat de ganse stad en elk van de inwoners onder de schaduw van de boom woont of verblijft; want de boom is aan weerskanten en in het midden van de straat. Ik gedenk, dat de bruid, als zij over deze boom spreekt, zegt: "Ik heb grote lust in Zijn schaduw, en zit er onder," namelijk, de schaduw van Zijn bloed en Zijn eeuwige gerechtigheid; de schaduw van Zijn waarheid en getrouwheid, die verbonden zijn in zijn belofte; de schaduw van Zijn voorzienigheid. O welgelukzalig zijn zij, die door het geloof onder deze schaduwrijke boom zitten! Dit is de plaats waar Christus Zijn kudde legert in de middag van verzoeking, verdrukking, verlating en beproeving, en waar zij in kracht ervaren, dat er een Boom des levens is, aan de ene en de andere zijde van de rivier, en in het midden van de straat van de stad Gods.

 

De Boom des levens Zijn vruchten en bladeren afschuddende onder de natiën (2e preek)

Openb. 22:2. In het midden van haar straat en op de ene en de andere zijde der rivier was de boom des levens, voortbrengende twaalf vruchten, van maand tot maand gevende zijne vrucht; en de bladeren des booms waren tot genezing der heidenen.

Ik heb u deze algemene of veelomvattende leer uit de woorden van onze tekst gegeven: Dat onze Heere Jezus Christus een vruchtbare en geneeskrachtige Boom is, Die door Zijn Vader in de stad van de Nieuw Testamentische Kerk is geplant tot voeding en genezing van de van honger omkomende en kranke natiën van de aarde.

In de verhandeling van deze leer beloofde ik:

1. Een weinig te spreken over deze Boom des levens.

II. Over de standplaats van deze boom in de stad Gods.

III. Over de vruchtbaarheid van deze boom.

IV. Over de geneeskrachtige eigenschap van deze boom.

V. Het geheel toe te passen.

Over het eerste en tweede punt heb ik reeds gesproken. Ik ga nu over tot

III. Het derde punt in de verdeling, dat was, dat ik een weinig zal spreken over de vruchtbaarheid van deze Boom des levens: "Hij brengt twaalf vruchten voort, van maand tot maand gevend Zijn vrucht." Andere bomen dragen slechts eenmaal per jaar vrucht, en die brengen slechts één soort van vrucht voort, doch deze Boom des levens draagt iedere maand twaalfderlei vrucht. De duidelijke mening hiervan is, dat Christus allerlei vrucht voortbrengt, en dat in Christus alle soorten van zegeningen tot de kinderen der mensen worden overgebracht, en dat die altijd kunnen worden gevonden. Deze Boom des levens is nooit leeg of onvruchtbaar. Wanneer de ziel zich in het geloof tot Hem wendt, zal zij steeds ervaren, dat de takken van de boom beladen, de vruchten rijp, en voor het gebruik gereed zijn.

Om dit deel van de tekst te verklaren zal ik: 1e Enige van die vruchten nagaan, die aan deze Boom des levens groeien. 2e Enige van de maanden opnoemen, waarin Hij Zijn vrucht voortbrengt voor de zielen van de gelovigen.

Ten eerste, zal ik mij inlaten met enige van de vruchten van de Boom des levens. Ik zal u slechts vier trossen van Zijn vruchten aanbieden, namelijk: de vruchten van zijn Dood, van Zijn opstanding, van Zijn hemelvaart en van Zijn voorbidding.

1. Laat ons de vruchten van Zijn dood bezien, en niet alleen bezien, maar die ook proeven. Ik bied u slechts deze enkele aan, en, o zij zijn zoet voor de smaak van het geloof!

1e Door Zijn dood is een toornig God verzoend en bevredigd. Onmiddellijk na de val begon de toorn Gods als vuur tegen de zondige mens los te breken; doch door de dood van Jezus is de toorn Gods weggenomen en in een ander kanaal afgeleid: (Jes 12:1) "Gij zijt toornig op mij geweest, maar Uw toorn is afgekeerd en Gij troost mij." (Jes. 53:5) "Hij is om onze overtredingen verwond, om onze ongerechtigheden is Hij verbrijzeld: de straf, die ons de vrede aanbrengt, was op Hem, en door Zijn striemen is ons genezing geworden," (Kol. 1:20,21) "En dat Hij door Hem vrede gemaakt hebbende door het bloed Zijns kruises, door Hem, zeg ik, alle dingen verzoenen zou tot Zichzelf, hetzij de dingen, die op de aarde, hetzij de dingen, die in de hemelen zijn. En Hij heeft u, die eertijds vervreemd waart en vijanden door het verstand, in de boze werken, nu ook verzoend."

2e Het schuldbewijs, dat de rechtvaardigheid tegen ons had, is verscheurd; het handschrift, dat tegen ons was, is uitgewist, (Kol. 2:14) Hij heeft dat "aan het kruis genageld," opdat het niet meer geldig zou zijn; de vloek van een verbroken wet is te niet gedaan, zodat er nu "geen verdoemenis is voor degenen, die in Christus Jezus zijn, die niet naar het vlees wandelen, maar naar de Geest."

3e Een eeuwige gerechtigheid is aangebracht, toen die niet meer in de wereld te vinden was. "Wanneer de Messias zal uitgeroeid worden," zegt de Profeet Daniël, "zal Hij een eeuwige gerechtigheid aanbrengen." Christus heeft de zonde veroordeeld in het vlees, of door de offerande van Zijn vlees, "opdat het recht van de wet vervuld zou worden in ons." Zodat Hij "de Heere onze gerechtigheid is geworden.

4e Door Zijn dood is het verbond met velen versterkt (Dan. 9:27). Christus heeft het verbond der genade met Zijn bloed bevestigd, als het openbare Hoofd en de Plaatsbekleder van allen, die Hem van Zijn Vader gegeven zijn. Daarom wordt zijn bloed, het bloed des verbonds of des Nieuwe Testaments genoemd. Het is een bevestigde verzekerdheid waarop wij kunnen vertrouwen: bevestigd, zeg ik, door de dood van de Testamentmaker.

5e Door het afhouwen van deze Boom des levens is de kop van de oude slang, die ons verleid heeft, vermorzeld, en de macht des doods hem ontwrongen: "Hij heeft door de dood te niet gedaan degene, die het geweld des doods had, dat is, de duivel."

6e Door het neerveIlen van deze Boom des levens is het graf lieflijk en welriekende gemaakt.

2. Laat ons enige van de vruchten van deze Boom des levens bezien in Zijn opstanding, toen Hij uit het graf opkwam.

1e De levendmaking en opwekking van de ziel, die dood was in de zonde, is een vrucht van de opstanding van de Boom des levens. Dit past de apostel op de opstanding toe: (Kol. 2:12,13) "Zijnde met Hem begraven in de doop, in welke gij ook met Hem opgewekt zijt door het geloof der werking Gods, die Hem uit de doden opgewekt heeft. En Hij heeft u, als gij dood waart in de misdaden, mede levend gemaakt met Hem, al uw misdaden u vergevende." Er is een bijzonder vermogen in de opstanding van Christus, waardoor wij opgewekt worden tot nieuwigheid des levens; daarom begeert de apostel hoe langer hoe meer "de kracht van Zijn opstanding te kennen" (Filip. 3:10), en zegt de Kerk: (Hos. 6:2) "Hij zal ons na twee dagen levendmaken, op de derde dag zal Hij ons doen verrijzen, en wij zullen voor Zijn aangezicht leven."

2e Een andere vrucht van Zijn opstanding is de kwijtschelding van onze schuld, die wij aan de goddelijke rechtvaardigheid schuldig waren. De zonde is een schuld. Nu, Christus heeft in Zijn dood de schuld betaald, en is in Zijn opstanding daarvan ontheven. Daarom zegt de apostel ons, dat Hij "overgeleverd is om onze zonden, en opgewekt om onze rechtvaardigmaking." De gevangenis van het graf werd op bevel van de hemel geopend, een Engel wentelde de steen af van de deur des grafs, hetwelk duidelijk aantoont, dat de schuld betaald en de grote Rechter ten volle voldaan was: "Hij is uit de angst (Engelse overzetting de gevangenis) en uit het gericht weggenomen." Het geloof in een opgestane Christus kan de gehele wereld uitdagen enigerlei beschuldiging in te brengen: (Rom. 8:33) "Wie zal beschuldiging inbrengen tegen de uitverkorenen Gods? God is het, Die rechtvaardig maakt. Wie is het die verdoemt? Christus is het, Die gestorven is, ja dat meer is, die ook opgewekt is."

3e Een andere vrucht van de Boom des levens in Zijn opstanding is het herleven van onze hoop op herstel van de verloren erfenis: (I Petr. 1:3,4) "Geloofd zij de God en Vader van onze Heere Jezus Christus, Die naar Zijn grote barmhartigheid ons heeft wedergeboren tot een levende hoop door de opstanding van Jezus Christus uit de doden. Tot een onverderfelijke, en onbevlekkelijke, en onverwelkelijke erfenis, die in de hemelen bewaard is voor u."

4e Onze overwinning over de zonde is verzekerd. Elke gelovige kan bij het gezicht op een levende Christus zeggen: "Dood waar is uw prikkel?" Ja, door Zijn opstanding is onze opstanding op de laatste dag verzekerd

3. Laat ons ook de vruchten van Zijn hemelvaart aanschouwen en proeven.

1e Het gevangennemen van de gevangenis: (Ef. 4:8) "Daarom zegt Hij: Als Hij opgevaren is in de hoogte, heeft Hij de gevangenis gevangen genomen", een buit van zonde, duivel, dood en hel in triomf met Zich voerende.

2e Het verlenen van predikgaven aan mensen, ja het ambt van de bediening en de instellingen van het Evangelie tot opbouwing van Zijn geestelijk lichaam. Dat wij hier staan en u het Evangelie prediken en het sacrament bedienen is een vrucht daarvan, dat Christus in de hemel is.

3e De uitstorting van de Geest in een overvloediger mate dan onder de Oudtestamentische bedeling. Christus Zelf spreekt daarvan: (Joh. 16:7) "Doch ik zeg u de waarheid, het is u nut, dat Ik wegga; want indien Ik niet wegga, zo zal de Trooster tot u niet komen; maar indien Ik heenga, zo zal Ik Hem tot u zenden." Dit deed Hij om de plaats van Zijn lichamelijke tegenwoordigheid te vervullen.

4e Het bereiden van hemelse woningen voor ons, waar wij eeuwig met Hem mogen zijn, is een vrucht van de verhoging van Christus: (Joh. 14:3) "Ik ga heen om u plaats te bereiden; maar Ik kom weder, en zal u tot Mij nemen, opdat gij ook zijn moogt daar Ik ben." Evenals iemand, wanneer hij een vrouw getrouwd heeft, tegen de dag van het huwelijk voor een huis zorgt, zo ook gaat Christus, een gemeente, een bruid voor Zich gekocht hebbende, naar de hemel, om voor een woning voor haar te zorgen; en waarlijk, het is een woning, die gepast is voor zulk een grote Koning, "een huis niet met handen gemaakt, maar eeuwig in de hemelen." Ja, Zijn ingaan in de hemel is een onderpand, dat wij Hem op de rechte tijd zullen volgen; want Hij is ingegaan als de Voorloper van Zijn gemeente, (Hebr. 6:20) niet alleen ons tot nut, maar in onze plaats. Het hoofd boven zijnde zal het lichaam volgen.

4. Laat ons de vruchten van Zijn voorbidding bezien en proeven, welke groot, heerlijk en beminnelijk zijn.

1e Bevrijding van en sterkte tegen verzoekingen is een vrucht van Zijn voorbidding in de hemel: Luk. 22:31,32) "Simon, Simon, zie de satan heeft ulieden zeer begeerd te ziften als de tarwe; maar Ik heb voor u gebeden, dat uw geloof niet ophoude." Hij is ingewijd in al de strikken en vallen, die de satan voor al Zijn vrienden opzet; doch Hij breekt de strik door de kracht en het vermogen van Zijn voorbidding, zodat zij "ontkomen als een vogel uit de strik des vogelvangers."

2e Vrijmoedigheid, en vertrouwen op God en aanneming aan Zijn troon, is een vrucht van Zijn voorbidding: (Hebr. 4:16) "Laat ons dan met vrijmoedigheid toegaan tot de troon der genade, opdat wij barmhartigheid mogen verkrijgen, en genade vinden om geholpen te worden te bekwamer tijd." Wij zouden niet tot de troon van God durven opzien, als die ook niet de troon van het Lam was.

3e Door Christus voorbidding hebben wij een vlug antwoord op alle uitdagingen en beschuldigingen, die, van welke hoek dan ook, tegen ons worden ingebracht. De wet vervolgt, de rechtvaardigheid vervolgt, het geweten achtervolgt wegens schuld van de zonde; doch het geloof, het oog gericht hebbende op de voorbidding van Christus, kan voor het gerecht het hoofd omhoog heffen en zeggen: "Wie kan iets tegen mij inbrengen? God is het Die rechtvaardig maakt. Wie is het die verdoemt? Christus is het, Die gestorven is, ja dat meer is, die ook opgewekt is; Die ook ter rechterhand Gods is; Die ook voor ons bidt."

4e De verzekerdheid van de krachtdadige toepassing van al de weldaden, die Hij verworven heeft, en de legaten van Zijn testament, is een vrucht van Zijn voorbidding, "alzo Hij altijd leeft om voor hen te bidden." Hij zal er zeker voor zorgen, dat niet verloren u, wat Hij met Zijn bloed gekocht heeft; en dat de legaten van Zijn testament niet van nul en generlei waarde worden. Hij is Zelf de Uitvoerder van Zijn uiterste wil, en Hij leeft opdat die gehandhaafd wordt. En wat is Zijn uiterste wil? Het is dit: "Ik zal uw God zijn; ik zal hun ongerechtigheden genadig zijn; Ik zal de blinden leiden door de weg, die zij niet geweten hebben; Ik zal de duisternis voor hun aangezicht tot licht maken, en het kromme tot recht; deze dingen zal Ik hun doen, en Ik zal ze niet verlaten."

5e De verhoring van onze gebeden, de aanneming van onze personen en zwakke diensten is een andere vrucht van Zijn voorbidding. O vrienden, zou het niet zijn om de voorbidding van Christus, onze gebeden zouden nooit verder gaan dan onze lippen: (Openb. 8:3,4) "En daar kwam een andere Engel, en stond aan het altaar, hebbende een gouden wierookvat; en Hem werd veel reukwerk gegeven, opdat Hij het met de gebeden aller heiligen zou leggen op de gouden altaar, die voor de troon is. En de rook des reukwerks, met de gebeden van de heiligen, ging op van de hand des Engels voor God." Het opgaan van het reukwerk uit de hand van de Engel voor God geeft het welbehagen te kennen, dat God heeft in de dienst en de gehoorzaamheid van Zijn heiligen door Christus.

Neemt nu deze alle samen, en ziet of niet de Boom des levens een vruchtbare Boom is. Hij brengt twaalf vruchten voort, dat is, vele goede vruchten, een zeker getal genomen voor een onzeker.

Ten tweede, zal ik uw aandacht bepalen bij sommige van de maanden waarin Hij vrucht voortbrengt voor de zielen van Gods volk. U ziet hier, dat de Boom des levens "van maand tot maand Zijn vrucht geeft", dat is, in alle tijden van het jaar. Andere bomen geven slechts eenmaal in het jaar hun vrucht: doch hier is een boom, die van maand tot maand zijn vrucht geeft. Er is geen ogenblik tijd waarin door de hand en de mond van het geloof geen vrucht kan gekregen worden, die rijp en voor het gebruik gereed is. Sommige van die zijn zomer- en andere zijn wintermaanden.

1. Ik zeg: Sommige zijn zomermaanden.

1e Zo is er de lentemaand, of de tijd van bekering, of van de krachtdadige roeping, dan brengt de Boom des levens vrucht voort voor de ziel. In deze maand deelt de Boom des levens leven mee aan de dode ziel. Dan begint de arme ziel voor het eerst het sap van de ware olijfboom in te zuigen en van Zijn vrucht te proeven; dan brengt de Boom des levens voor de ziel de vrucht voort van een vernieuwde natuur: "Ik zal u een nieuw hart geven, en een nieuwe geest in het binnenste van u," de vrucht van het beeld en het afdruksel Gods; dan wordt zij de goddelijke natuur deelachtig.

2e Er is een aangename zomermaand van openbaringen en ontdekkingen van de goddelijke heerlijkheid van het aangezicht des Heeren. Dit wordt de zangtijd genoemd: (Ps. 138:5) "En zij zullen zingen van de wegen des Heeren, want de heerlijkheid des Heeren is groot". (2 Kor. 3:18) "En wij allen met ongedekt aangezicht de heerlijkheid des Heeren als in een spiegel aanschouwende, worden naar hetzelfde beeld in gedaante veranderd, van heerlijkheid tot heerlijkheid, als van des Heeren Geest."

3e Er zijn aangename en lieflijke zomermaanden van toegang tot God in de plichten en ordinantiën. Dan opent Hij de deur, die toegang tot Hem geeft en Hij brengt hen in de ontvangkamer: "Hij voert mij in het wijnhuis, en de liefde is Zijn banier over mij;" "en deze onze gemeenschap is met de Vader en zijn Zoon Jezus Christus." "Mijn ziel wordt als met smeer en vettigheid verzadigd."

4e Er is ook de lieflijke maand of tijd van aanmerkelijke verlossingen van geestelijke of van tijdelijke vijanden, die de Heere voor Zijn volk werkt. De gelovige vindt dan zoveel voedsel op de Boom des levens, dat hij het niet kan nalaten met de Kerk te tjilpen en te zingen: (Jes. 12:2,3) "Ziet, God is mijn Heil, ik zal vertrouwen en niet vrezen; want de Heere Heere is mijn Sterkte, en Psalm, en Hij is mij tot heil worden." "En gijlieden zult water scheppen met vreugde uit de fonteinen des heils." (Exod. 15:1,2) "Toen zongen Mozes en de kinderen Israëls de Heere dit lied, en spraken, zeggende: Ik zal de Heere zingen, want Hij is hooglijk verheven, het paard en zijn ruiter heeft Hij in de zee geworpen. De Heere is mijn Kracht en mijn Lied, en Hij is mij tot een Heil geweest: deze is mijn God, daarom zal ik hem een lieflijke woning maken, Hij is mijns Vaders God, dies zal ik Hem verheffen."

5e Dan is er de verrukkelijke maand van de hernieuwde of levendige geloofsoefening in de Heere Jezus Christus, of op het verbond en de beloften. Dit is een aangename maand waarin de ziel vervuld wordt met vrede en blijdschap. Het eten van de vrucht van de Boom des levens vervult ons "met een onuitsprekelijke en heerlijke vreugde."

6e Ook is er de maand van een levendige liefde tot de beminnelijke Jezus. Dit is een liefelijke zomermaand waarin de ziel overvloediglijk de vrucht eet van de Boom des levens. Wanneer de arme gelovige deze of die belofte krijgt, en in staat gesteld wordt deze honigraten des heils met de hand uit te knijpen en met de mond des geloofs uit te zingen, o, hoe worden dan de genegenheden van de ziel tot de Heere uitgehaald! Dan roept men met de Kerk uit: "Tot Uw Naam, en tot Uw gedachtenis is de begeerte van onze ziel;" en met David: "Wien heb ik nevens U in de hemel? nevens U lust mij ook niets op de aarde."

2. Gelijk er zomermaanden zijn, zo zijn er ook wintermaanden, waarin de Boom des levens zijn vrucht voortbrengt.

1e Daar is de scherpe doordringende wintermaand van overtuiging, bestraffingen en aanklachten van de Heere, wanneer Hij beschuldigingen inbrengt wegens het misbruik van goedertierenheden, wegens ontederheid van wandel en wegens onvriendelijkheid jegens hem: "Is dit uw weldadigheid aan uw vriend?" In deze maand brengt de Boom des levens de vrucht van berouw en bekering voort: "Zij zullen Mij aanschouwen, die zij doorstoken hebben, en zij zullen over Hem rouwklagen." "Die het zaad draagt, dat men zaaien zal, gaat al gaande en wenende; maar voorzeker zal hij met gejuich wederkomen, dragende zijn schoven." Het is in deze maand, dat de zonde de ziel bitter gemaakt wordt, en dat zij verder van de wet af wordt gebracht, en tot de gerechtigheid van de Zoon van God de toevlucht gaat nemen.

2e Dan is er de donkere wintermaand van verlating, wanneer de gelovige "zwart daar heengaat, niet van de zon:" uitroepende: Och of ik wist, dat ik Hem vinden zou! Ziet, ga ik voorwaarts, zo is Hij daar niet, of achterwaarts, zo verneem ik Hem niet. Als Hij ter linkerhand werkt, zo aanschouw ik Hem niet; bedekt Hij zich ter rechterhand, zo zie ik Hem niet. Doch ook dan brengt de Boom des levens door Zijn Geest vrucht voort in Zijn takjes: want hierdoor worden zij teerder, heiliger en omzichtiger gemaakt; hierdoor leren zij hoe kwaad en bitter de zonde is, die scheiding maakt tussen hen en hun God; hierdoor wordt de gelovige onderwezen meer door het geloof te leven op de voorraad, die in de handen van Christus is, dan op de genade, die hem geschonken is.

3e Ook is er de vermoeiende wintermaand van de overmacht van de inwonende verdorvenheid, wanneer de ziel uitroept: "Ongerechtige dingen hebben de overhand over mij; Ik ellendig mens! wie zal mij verlossen uit het lichaam dezes doods!" O! Brengt de Boom des levens dan enige vrucht voort voor de ziel? Ia, want dan wordt de ziel, met Job vervuld met verfoeiing en walging van zichzelf, en zij leert meer en meer de les van zelfverloochening, en de toevlucht te nemen tot het bloed van de besprenging tot verderf van het lichaam van de zonde.

4e Er is ook de harteloze wintermaand van dodigheid, ongevoeligheid en onvruchtbaarheid. Dit is ook een sombere vermoeiende maand; doch nochtans brengt de Boom des levens in deze maand Zijn vrucht in de ziel voort, en onderwijst haar, dat haar leven niet in zichzelf maar in de Heere is: "Wij zijn gestorven en ons leven is met Christus verborgen in God. Wanneer nu Christus zal geopenbaard zijn, Die ons leven is, dan zullen wij ook met Hem geopenbaard worden in heerlijkheid."

5e Ook is er de stormachtige maand van inwendige en uitwendige beroering, die als twee zeeën samenkomen, de ziel "verdrukt en door onweder voortgedreven, ongetroost" zijnde, en toch, zelfs dan, "legt Hij de stenen gans sierlijk, en wordt zij op saffieren gegrondvest." De ziel wordt dan gespeend van deze wereld en bekwaam gemaakt "om deel te hebben aan de erve der heiligen in het licht."

6e Dan is er de sombere en duistere maand van de dood, waarin de avondschaduwen langer worden; de arme ziel "door vrees des doods van de dienstbaarheid onderworpen zijnde." Wel, ook in deze maand draagt de Boom des levens vrucht, die een tegengif is tegen de verschrikkingen van dood en graf. Door Zijn vrucht te proeven kan de gelovige de dood in het aangezicht zien, en zingen: "Dood waar is uw prikkel? Hel, waar is uw overwinning?" Hij heeft gezegd: "O dood, waar zijn uw pestilentiën? hel, weer is uw verderf?" (Eng Overz. [zie ook onze kanttekenaars] is) "O dood, ik zal uw pestilentiën zijn; graf, ik zal uw verderf zijn." "Al ging ik ook in een dal der schaduwe des doods, ik zou geen kwaad vrezen, want Gij zijt met mij; Uw stok en Uw staf, die vertroosten mij."

IV. Ons vierde punt is, dat ik een weinig zal spreken over de geneeskrachtige eigenschap van de Boom des levens, en hoe zijn bladeren zijn tot genezing van de heidenen of van de natiën.

Als de tijd het toeliet, zou ik hier kunnen aantonen, 1e wie wij door de natiën moeten verstaan. 2e Wat de krankheden van de natiën zijn. 3e Wat die bladeren van de boom zijn, die tot genezing van de natiën zijn. 4e Hoe het blijkt. dat deze bladeren bestemd zijn tot genezing van de natiën. Ik kan deze bijzonderheden slechts aanstippen.

Ten eerste. Wie hebben wij te verstaan door de natiën?

Ik antwoord in één woord, dat wij door de natiën allen moeten verstaan, die ooit uit Adam zijn voortgesproten, ieder schepsel, hetzij Jood of heiden, dat met een redelijke ziel begiftigd is. "Gaat heen," zegt Christus, "in de gehele wereld, predikt het Evangelie allen creaturen," zonder uitzondering. "Gaat dan heen, onderwijst al de volkeren, dezelve dopende in De naam des Vaders, des Zoons, en des Heiligen Geestes, lerende hen onderhouden alles wat Ik u geboden heb. Gaat en zegt hun, dat Ik, Die de Boom des levens ben, hun tot nut geordineerd ben, en dat er voor een ieder van hen vrucht genoeg, en leven genoeg, in Mij is. Hoewel ik niet aan een algemene verlossing geloof, toch belijd ik een algemene Zaligmaker in de aanbieding van het Evangelie: "Alzo lief heeft God de wereld gehad, dat Hij Zijn eniggeborenen Zoon gegeven heeft, opdat een iegelijk, die in Hem gelooft, niet verderve, maar het eeuwige leven hebbe." Doch ik geloof, dat hier in het bijzonder de arme heidense natiën worden bedoeld, als door tegenstellingen onderscheiden van de Joden. Ik zeg, zij of liever wij, die uit de heidenen zijn, worden in het bijzonder bedoeld, omdat Christus en de zegeningen van het Evangelie nu, onder het Nieuwe Testament, niet meer tot de Joden bepaald zijn. Neen, de grenspaal is afgebroken, het voorhangsel van ceremoniën, de middelmuur des afscheidsels van de Mozaïsche bedeling is gescheurd en neergehaald; zodat "het leven en de onverderfelijkheid aan het licht gebracht is", zowel voor ons als voor hen. De arme heidenen waren gedurende enige duizenden jaren, als vervreemd van het burgerschap Israëls, en vreemdelingen van de verbonden der belofte, uitgesloten. Wanneer zij van Christus, de Boom des levens, hoorden, hadden zij reden te zeggen: O kunnen wij enig voordeel van de Boom des levens hebben? O ja, zegt de Heere, hier is Mijn Christus, Mijn gezalfde Verlosser, tot een licht gegeven om de heidenen te verlichten, en om alle einden van de aarde tot zaligheid te zijn; Zijn bladeren zijn tot genezing van de heidenen.

Ten tweede. Aan welke krankheden lijden de volkeren, waarom zij nodig hebben, dat de genezende bladeren van deze gezegenden boom tot hen worden gebracht? Ik antwoord in het algemeen, dat alle volkeren van de aarde, van de val van Adam af, als een groot hospitaal van kranke mensen zijn geweest, die door een walglijke melaatsheid zijn aangetast: "Het ganse hoofd is krank, en het ganse hart is mat. Van de voetzool af tot het hoofd toe is er niets geheels aan hetzelve, maar wonden en striemen en etterbuilen." En blijft u nog vragen: Wat moeten wij verstaan door de krankheden van de natiën? Dan is mijn antwoord: Het is, in één woord, de krankheid van een verdorven natuur, die zich uitlaat in allerlei zonde en boosheid. De apostel doet verslag van de krankheden van de heidense volkeren voor de openbaring van Christus: (Ef. 2:1—3) "En u heeft Hij mede levend gemaakt, daar gij dood waart door de misdaden en de zonden, in welke u eertijds gewandeld hebt, naar de eeuw dezer wereld, naar de Overste van de macht des luchts, des geestes, die nu werkt in de kinderen van de ongehoorzaamheid. Onder welke ook wij allen eertijds verkeerd hebben in de begeerlijkheden van ons vlees doende de wil des vleses en der gedachten; en wij waren van nature kinderen des toorns, gelijk ook de anderen." (Ziet ook 1 Kor. 6:9—11; Rom. 1:20-32). Uit deze Schriftuurplaatsen kunt u zien, dat de erfzonde de krankheid van de natiën is, die zich in allerlei dadelijke overtredingen naar buiten openbaart. O vrienden! De zonde heeft al de vermogens van onze ziel gekrenkt, en al de leden van ons lichaam krank gemaakt. Zij heeft het verstand verblind, het hart verhard, het geweten verstompt, het geheugen verzwakt, de genegenheden verdorven, die alle van God afgekeerd en hen onder de ijdelheden van de tijd verstrooid; zij heeft ons van de Heere gescheiden, en met vijandschap, onkunde, hoogmoed, geveinsdheid, boosheid en alle kwaad vervuld. In één woord, zij heeft de dood over ons gebracht. Door de zonde is de bleke dood uitgespreid over de volkeren en over ieder mens, die uit Adam is voortgesproten: "Daarom gelijk door één mens de zonde in de wereld ingekomen is, en door de zonde de dood; en alzo de dood tot alle mensen doorgegaan is, in welke allen gezondigd hebben."

Ten derde. Wat hebben wij te verstaan door de bladeren, die tot genezing van de heidenen zijn? De uitdrukking geeft te kennen, dat alles wat in Christus is nuttig en heilzaam is. De bladeren van een boom worden van de gehele boom het minst gewaardeerd. Doch in of aan Christus, de Boom des levens, is niets, dat gemist kan worden, ook niet die dingen welke de vleselijk rede weinig of niet acht: Zijn Persoon, Zijn naturen, Zijn ambten, Zijn verschijningen, Zijn geboorte, Zijn leven, Zijn dood, Zijn opstanding, hemelvaart en voorbidding, alles wat in of aan Hem is, is nuttig en voordelig voor de verloren ziel, wanneer het in het licht van het Woord en de Geest door het geloof wordt gezien. Doch ik houd het er voor, dat wij door de bladeren van de boom, die een genezende kracht hebben voor de volkeren, in het bijzonder hebben te verstaan de leer, de beloften en de geschiedenissen van het heilig woord, waardoor de kennis van Christus, en het geloof in Christus, onder de natiën gewerkt wordt: (Ps. 107:20) "Hij zond Zijn Woord uit, en heelde ze." Het Woord, gepaard gaande met de kracht des Heilige Geestes, is de kracht Gods tot zaligheid voor een ieder, die gelooft." Door het Woord van Zijn kracht heeft Hij de wereld geschapen en de mens op aarde het aanzijn gegeven; en door de kracht van het Woord van Zijn waarheid in het Evangelie, schept Hij nieuwe hemelen en een nieuwe aarde, waarin gerechtigheid woont." Door het Woord van het Evangelie verdringt Hij het koninkrijk van de duivel in de wereld en in de harten van zondaren, en roeit het uit. Door dit wapen, dat niet vleselijk is, maar krachtig door God, tot nederwerping van de sterkten, "werpt Hij de overleggingen terneer, en alle hoogte, die zich verheft tegen de kennis Gods, en leidt alle gedachten gevangen tot de gehoorzaamheid van Christus." Door de prediking van het eeuwig Evangelie door de dienst van de apostelen werden de heidenen genezen van de afgoderijen, bijgelovigheden, dwalingen en andere gruwelen, gelijk wij in Efeze zien, waar zij geheel aan afgoderij waren overgegeven, godsdienst bewijzende aan de godin Diana (Hand. 19:27).

Zo ziet u wat deze bladeren van de Boom des levens zijn, die tot genezing van de heidenen zijn, namelijk de waarheden van het heerlijk en eeuwig Evangelie, die door de dienst des Woords onder de volkeren worden rondgestrooid.

Ten vierde. Hoe blijkt het, dat deze boom en Zijn bladeren tot genezing van de volkeren zijn?

1. Dit blijkt uit de voorzeggingen in de Schrift. Jacob voorzegde op zijn sterfbed, dat de volkeren de gezegende Silo zouden gehoorzaam zijn, of tot Hem zouden vergaderd worden. In Jesaja 11:10 staat een dergelijke profetie: "Want het zal geschieden tenzelfden dage, dat de heidenen naar de wortel Isaï, Die staan zal tot een banier der volkeren, zullen vragen, en Zijn rust zal heerlijk zijn." Het was geprofeteerd, dat de bazuin van het Evangelie zou worden geblazen, niet alleen in het land van Juda, meer ook onder de andere volkeren onder het Nieuwe Testament: (Jes. 27:13) "En het zal te allen dage geschieden, dat er met een grote bazuin geblazen zal worden; dan zullen die komen, die in het land Assur verloren zijn en die heengedrevenen in het land van Egypte, en zij zullen de Heere aanbidden op de heilige berg te Jeruzalem." Wat is dit andere de het uitstrooien van de genezende bladeren van de evangeliewaarheden onder de volkeren?

2. Het blijkt uit de beloften van de Schrift, voornamelijk de beloften aan Abraham gedaan: "In u," dat is, in uw zaad, namelijk in Christus, "zullen al de volkeren gezegend worden." (Ps. 72:17) "Zijn Naam zal zijn tot in eeuwigheid: zolang als er de zon is zal Zijn Naam van kind tot kind voortgeplant worden; en zij zullen in Hem gezegend worden; alle heidenen zullen Hem welgelukzalig roemen." Het was beloofd, dat Hij zou zijn "een Licht tot verlichting der heidenen, en tot zaligheid tot aan het uiterste van de aarde."

3. Het blijkt uit de opdracht, die de apostelen van Christus na Zijn opstanding is gegeven: (Matth. 28:19) "Gaat dan heen, onderwijst al de volkeren, dezelve dopende in de Naam des Vaders, en des Zoons, en des Heiligen Geestes, lerende hen onderhouden alles wat Ik u geboden heb." (Mark. 16:15) "Gaat heen in de gehele wereld, predikt het Evangelie allen creaturen." (Hand. 1:8) "Gij zult Mijn getuigen zijn, zo te Jeruzalem, als in geheel Judea en Samaria. en tot aan het uiterste der aarde."

4. Het blijkt uit de gehoorzaamheid van de apostelen in het uitvoeren van deze opdracht. Zij handelden volgens het bevel, dat zij van hun Heere hadden ontvangen. Wel is waar, verkeerden de apostelen gedurende een korte tijd in het duister omtrent de uitgebreidheid van de aanbieding van het Evangelie aan de heidenen, tot aan het gezicht, dat Petrus kreeg van het laken met de reine en onreine dieren; doch daarna predikten zij het Evangelie aan Joden en heidenen, zonder enig onderscheid te maken Christus aanbiedende, en Zijn genezende, verwelkomende waarheden predikende, aan elke man en vrouw, zonder onderscheid te maken tussen Barbaar of Scyth, dienstknecht of vrije.

5. Het blijkt ook dadelijk uit de werkelijke genezing van velen uit de heidense volkeren, door de bladeren van deze gezegende boom. In Openb. 7:4 lezen wij, dat er "honderd vier en veertig duizend verzegeld (of genezen) waren uit alle geslachten van de kinderen Israëls;" doch in vs. 9 lezen wij van "een grote schare, die niemand tellen kon, uit alle natiën, en geslachten, en volken, en talen, staande voor de troon, en voor het Lam, bekleed zijnde met lang witte klederen, en palmtakken waren in hun handen. En zij riepen met grote stem, zeggende: De zaligheid zij onze God, die op de troon zit, en het Lam." Nu, uit al deze blijkt duidelijk en klaar, dat de bladeren van de Boom des levens verordineerd en bestemd waren tot genezing der heidenen."

 

De Boom des levens Zijn vruchten en bladeren afschuddende onder de natiën (3e preek)

Openb. 22:2. In het midden van haar straat en op de ene en de andere zijde der rivier was de boom des levens, voortbrengende twaalf vruchten, van maand tot maand gevende zijne vrucht; en de bladeren des booms waren tot genezing der heidenen.

Ik heb in de beide voorgaande preken over deze tekst deze algemene of veelomvattende leer verhandeld: "Dat de Heere Jezus Christus een vruchtbare en geneeskrachtige Boom is, Die door Zijn Vader in de stad van de Nieuw Testamentische Kerk is geplant, tot nut van de verhongerende en kranke volkeren van de aarde."

Ik heb deze leer overeenkomstig de verdeling in vier punten verhandeld, en blijft nu nog over, het met een woord van toepassing, zijnde het vijfde of laatste punt, te sluiten.

Het eerste gebruik zal zijn, dat ik uit het geheel enige gevolgtrekkingen maak.

1. Uit hetgeen omtrent deze Boom des levens gezegd is kunnen wij zien, dat het paradijs, tot groot voordeel, door de tweede Adam weer geopend en herwonnen is. Gij weet, dat Adam, onmiddellijk na de val, uit het paradijs verdreven werd, en dat "de Heere God Cherubim stelde tegen het oosten van de hof van Eden, en een vlammig lemmer eens zwaards, dat zich omkeerde; om te bewaren de weg van de boom des levens." Doch hier, in mijn tekst, is het paradijs geopend, de Boom des levens toegankelijk verklaard, Zijn vrucht bestemd tot voeding, en Zijn bladeren tot genezing van de heidenen. In één woord, "het leven en de onverderfelijkheid is aan het licht gebracht door Christus," voor verloren zondaren, die uit de tegenwoordigheid Gods waren verbannen en buitengesloten. En vraagt u mij: Hoe komt dat? Dan is mijn antwoord: Dat Christus, als de tweede Adam, door Zijn bloed het vlammig zwaard van de gerechtigheid heeft uitgeblust met Zijn bloed: de vlammen van de toorn Gods zijn uitgeblust door het voldoenend bloed van Jezus, en daarop zet God de deuren van het paradijs. open; Hij opent een verse en levende weg naar de heerlijkheid.

2. Ziet wat een heerlijke en uitnemende maatschappij de Kerk van God is, namelijk de strijdende Kerk, die maar een flauwe vertoning is van wat de triumferende Kerk zal zijn. Doch zelfs de strijdende kerk is een gelukzalige plaats. U ziet hier, dat zij de hof Gods is: daar groeit "de Boom des levens" met Zijn twaalf vruchten, van maand tot maand gevend Zijn vrucht;" daar schudt de Boom des levens Zijn vrucht af, en laat die vallen; daar worden Zijn bladeren gevonden tot genezing van de heidenen; daar vloeit de zuivere rivier van het water des levens, die de stad Gods verblijdt. Van het aardse paradijs staat geschreven: (Gen. 2:10) "En een rivier was voorgaande uit Eden, om deze hof te bewateren, en werd van daar verdeeld, en werd tot vier hoofden." Doch hier is een veel betere rivier, namelijk het water des levens, en de verscheidene beken van de invloeden van de Heilige Geest. In de beschrijving van het aardse paradijs lezen wij, dat daar goud was, en dat het goud goed was, en dat daar ook was Bedola, en de steen Sardonyx. Dit is veel meer waar van de Kerk van Gods daar is "goud beproefd komende uit het vuur," goud, veel beter dan het goud van Ofir. O wat een gelukzalige en bevoorrechte plaats is de Kerk van God! "Zeer heerlijke dingen worden van u gesproken, o stad Gods. Schoon van gelegenheid, een vreugde van de ganse aarde is de berg Sion: Uit Sion, de volkomenheid der schoonheid verschijnt God blinkende; God is in haar paleizen; Hij is er bekend voor een hoog vertrek."

3. Ziet hieruit wat een heerlijke, algenoegzame en gepaste Zaligmaker Christus is; Hij is de boom des levens, de Fontein des levens, waaruit alle fonteinen ontspringen: "Want gelijk de Vader het leven heeft in Zichzelf, alzo heeft Hij ook de Zoon, als Middelaar, gegeven het leven te hebben in Zichzelf. Hij brengt twaalf vruchten voort, gepast voor de onderscheiden behoeften van verloren zondaren, die ten allen tijde en in alle toestanden voor het gebruik gereed zijn. In hem woont al de volheid van de Godheid lichamelijk; en welke ook onze zielsziekten zijn, er is voor ons een gepast geneesmiddel in hem: "Zijn bladeren zijn tot genezing der heidenen." Zodat Christus een gepaste en algenoegzame Zaligmaker is; "zodanig een Hogepriester betaamde ons." Hij is uitnemend berekend voor onze behoeften, welke schade of welk nadeel wij ook hebben geleden door van de verboden vrucht te eten; in de gezegenden Boom des levens is nu voor een gepast tegengif gezorgd.

4. Ziet welke voortreffelijke personen de gelovigen zijn. Zij zijn de takken en twijgen van de Boom des levens: "Ik ben de Wijnstok en gij de ranken;" alle takjes en ranken ontvangen hun voortreffelijkheid, sappen en vruchten uit de wortel waarop zij groeien. O, welgelukzalig zijn zij, die door de Geest en het geloof van de wortel van de eerste Adam afgesneden en in Hem geënt, aan de Heere verbonden, en één geest met hem zijn! Daarom worden de gelovigen "eikebomen der gerechtigheid" genoemd, "een planting des Heeren, opdat Hij verheerlijkt worde."

5. Ziet hieruit de uitnemendheid van het Evangelie, dat de Boom des levens ontdekt, en Zijn vruchten en bladeren tot de volkeren van de aarde brengt. Welgelukzalig is het volk, dat door het Evangelie dit lieflijk geklank kent, namelijk, die verborgenheid, die verborgen is geweest van alle eeuwen en van alle geslachten, maar die nu geopenbaard is, Wat een voorrecht is het, dat wij in deze wereld leven en in een dag en tijd, waarin het paradijs Gods geopend is, en waarin de Boom des levens door het Evangelie ontdekt is aan de arme heidenen, die "vervreemd waren van het burgerschap Israëls, en vreemdelingen van de verbonden der belofte."

6. Ziet uit hetgeen gezegd is de noodzakelijkheid en voortreffelijkheid van de genade van het geloof. De Boom des levens toch kan, hoewel zij in het midden van onze straten groeit, niet onderscheiden worden zonder geloof. Het geloof is het oog van de ziel, dat op Hem ziet en Hem onderscheidt; het geloof is de mond van de ziel, die Zijn vrucht eet; het is de hand van de ziel, die zijn genezende bladeren neemt en Hem toepast tot genezing van de krankheden van de ziel. In één woord, zonder geloof kan Christus ons niet nut zijn. O vrienden, bidt om het geloof van de werking Gods, om dat geloof, dat door het Woord en de Geest Gods gewerkt wordt.

7. Ziet hieruit de noodzakelijkheid van de Geest, tot toepassing van Christus; want de rivier bevloeit de ganse stad en brengt de vruchten van de Boom des levens tot ons over: "Die zal van Mij getuigen, want Hij zal het uit het Mijne nemen, en zal het u verkondigen." O bidt veel om de Geest, pleit op de belofte: "Want ik zal water gieten op de dorstigen en stromen op het droge; ik zal Mijn Geest op uw zaad gieten, en Mijn zegen op uw nakomelingen."

8. Ziet hieruit hoe het ongeloof niet te verontschuldigen is, en hoe rechtvaardig zij verloren gaan, die binnen de zichtbare kerk, waar Christus wordt gepredikt, in het ongeloof blijven volharden. Zij hebben toch geen middel bij de hand, dat voor de nood van hun ziel gepast is, en toch verachten zij, dat de weg tot de Boom des levens is opengezet. Ja, de Boom des levens is "op de ene en de andere zijde van de rivier, en in het midden van haar straat"; Zijn vruchten en genezende bladeren als het ware aan hen toereikende; hen achtervolgende met de aanbiedingen van Zijn genade en liefde; en toch "willen zij niet komen opdat zij het leven mogen hebben." O vrienden! overweegt dit om ‘s Heeren wil: "Hoe zullen wij ontvlieden, indien wij op zo grote zaligheid geen acht nemen?"

Het tweede gebruik van deze leer zal zijn tot beproeving en onderzoek.

Vrienden, bent u in de straten en wijken van de stad Gods, van de Nieuw Testamentische Kerk, geweest, waar de Boom des levens groeit en bloeit? Ik bedoel, hebt u de ordinantiën van goddelijke instelling bijgewoond, waar Christus ontmoet kan worden? Ik vraag dan: Wat weet of kent u van de Boom des levens? Meer in het bijzonder:

1. Vergunt mij u te vragen: is de Boom des levens ooit in uw ziel ingekomen? Het leven van Jezus is het leven van de gelovige: "Ik leef, doch niet ik, maar Christus leeft in mij." Als u iets van de Boom des levens in u hebt, dan zult u zichzelf nooit tevredenstellen met een ledige belijdenis, doch u zult wensen vruchtbaar te zijn als de Boom des levens. Aan deze Boom des levens groeien geen onvruchtbare takken; neen, neen, uw vrucht zal zijn tot heiligmaking, u zult hijgen naar de heiligheid van het Hoofd, naar Hem gelijk te zijn in zijn navolgbare volmaaktheden. Het weinigje heiligheid, dat tegenwoordig onder de belijders wordt gevonden, is een droevig bewijs, dat er maar weinigen onder ons zijn, die in deze gezegende Boom des levens geënt zijn. Als u leven uit de Boom des levens hebt, dan zult u zorgvuldig zijn in dat leven, dat u in en uit Hem hebt gekregen, te bewaren. De natuur heeft een neiging tot alles wat strekt om het leven te bewaren, zo zal het ook met u zijn, u zult lust hebben in het levende Woord en de inzettingen Gods; "één dag in Zijn voorhoven zal u beter zijn dan duizend elders." De zonde, die uw leven schadelijk is, zal u een zware last zijn, u zult haar als nadelig voor uw leven vermijden.

2. Ik vraag u ter beproeving: bent u door de zich uitspreidende takken van deze Boom des levens overschaduwd geworden? Want deze Boom des levens strekt, naar u gehoord hebt, Zijn takken uit tot elke hoek van de stad. Kunt u ook met de bruid zeggen: (Hoogl. 3:3) "Ik heb grote lust in Zijn schaduw, en zit er onder?" Wanneer uw ziel gezengd dreigde te worden door het vuur van Gods toorn, door het vuur van de verdrukking, of door de vorige pijlen van de satan, of door het vuur van een ontwaakt geweten, wat heeft u toen gemak en verlichting verschaft? Werden uw ogen geopend om de Boom des levens te aanschouwen, en was u vast besloten, door het geloof, voor uw verloren gaande ziel schuiling te zoeken onder de schaduw van Zijn gehoorzaamheid tot de dood toe; onder de schaduw van Zijn voorbidding; onder de schaduw van Zijn getrouwheid, waartoe Hij Zich in het woord van de belofte heeft verbonden? Hebt u zich tot Christus, de Boom des levens, gewend, als een verberging tegen de wind, en een schuilplaats tegen de vloed? Heeft uw ziel de toevlucht genomen tot Hem, met verwerping van alle andere toevluchten als toevluchten van leugens, zeggende: "Dit is mijn rust, hier zal ik wonen; in de Heere zijn gerechtigheden en sterkte", en daar zal ik schuilen?

3. Ik vraag u: zijn er enige van de beekjes van de rivier, die onder en tussen de takken van de Boom des levens doorvloeien, in uw ziel gestroomd? Ik bedoel dit: is de Geest van Christus in uw ziel gekomen? "Ik zal mijn Geest geven in het binnenste van u". zegt de Heere. Indien ja, dan zal de Geest in u zijn "als een Fontein opspringende tot in het eeuwige leven." De Geest van Jezus in de ziel is als een levende bron, die uit de grond opwelt, waardoor zij van water wordt voorzien, en deze levende fontein binnen in u zal het een of ander opwellen, dat goed is; want "de goede mens brengt goede dingen voort uit de goede schat van het hart." Zo zegt David: (Ps. 45:2) "Mijn hart geeft", of welt, "een goede rede op", en dan volgt daarop: "mijn tong is een pen eens vaardigen schrijvers." De Geest des Heeren binnen in u zal goede dingen van Christus opgeven, hetwelk u zal doen zeggen: "Mijne overdenking van Hem zal zoet zijn." Sommige geloofsdaden, liefde, bekering, hoop, en dergelijke, zullen in goede woorden en werken opwellen, zodat uw tong Zijn zaak bepleiten en goed van Hem zal spreken; uw handen zullen voor Hem willen werken, en uw voeten zullen Zijn boodschappen doen: (Ps. 119:32) "Ik zal de weg Uwer geboden lopen, als Gij mijn hart verwijd zult hebben."

4. Wat dunkt u van de vruchten van de Boom des levens? Want, zoals u gehoord hebt, "Hij brengt twaalf vruchten voort, van maand tot maand gevend Zijn vrucht." Kunt u met de bruid zeggen, dat u niet alleen "grote lust hebt in Zijn schaduw, en er onder zit, maar dat Zijn vrucht uw gehemelte zoet is?" Ja zo zoet, dat u het niet kunt laten uw medechristenen toe te roepen: "Smaakt en ziet, dat de Heere goed is. Komt, hoort toe, o allen gij, die God vreest, en ik zal vertellen wat Hij aan mijn ziel gedaan heeft?" Er is zo’n zoetheid in de vruchten van Zijn vleeswording, gehoorzaamheid, dood, opstanding en hemelvaart, dat het, wanneer die met de mond van het geloof worden beproefd, lieflijk door alle vermogens van de ziel heengaat, "als goede wijn, doende de lippen van de slapenden spreken." U, die naar een avondmaalstafel, onder het Woord, tot de sacramenten en het gebed gaat, en nochtans nooit van de vrucht van de Boom des levens hebt geproefd, u bent de Egyptische mummies gelijk, die maar de lichamen zijn van gebalsemde doden, die zij vier of vijf honderd jaren willen bewaren: zij brachten die gebalsemde lichamen van hun voorvaderen aan tafel en zetten ze, onder het eten, op hun stoelen. Dat is een levendig zinnebeeld van sommige belijders van de godsdienst, zij zitten evenals anderen aan tafel, zij zitten daar, maar zij eten nooit door het geloof van de vrucht van de Boom des levens; en "tenzij bij het vlees des Zoons des mensen eet, en Zijn bloed drinkt, zo hebt gij geen leven in uzelven." O vrienden! zegt mij: Is Christus uw dagelijks voedsel? Is Zijn vlees u smakelijk? Is zijn bloed u verkwikkelijk als koud water? Plukt u dagelijks de vruchten van Zijn dood, opstanding en voorbidding?

5. Welke genezende kracht, of welk geneeskrachtig vermogen hebt u ervaren van de bladeren van de boom, die "tot genezing der heidenen zijn?" Ik zei u, dat ik door de bladeren van de Boom des levens Zijn genezend of helend woord versta: "Hij zond Zijn woord uit en heelde ze"; omdat, gelijk de vruchten tussen de bladeren van een boom hangen. zo ook Christus en al de vruchten van Zijn gehoorzaamheid tot de dood, en van Zijn opstanding en hemelvaart, in het Woord van Zijn genade en waarheid in dit Evangelie zijn ingewikkeld. Daarom vraag ik: Welke vruchten hebt u nu of bij andere gelegenheden vergaderd en toegepast? Kunt u zeggen, "Hij zond Zijn Woord uit en heelde mij?" Zulk een woord kwam met kracht tot mijn ziel, en het was mij heilzaam en als merg voor mijn beenderen. Ik was dood en stomp en levenloos, doch Hij zond dat woord uit en maakte mij levend. Ik was met duisternis omwonden, doch Hij zond Zijn woord uit, en "de opening Zijner woorden gaf mij licht." Ik was verward in de plicht, doch zijn woord kwam en bestuurde mij, zodat het als een wolk- en vuurkolom was, die mij de weg aanwees; Hij deed "een stem achter mij horen, zeggende: Dit is de weg, wandel in dezelve." Ik was besloten, zodat ik niet kon horen, lezen, bidden, overpeinzen, of ten Avondmaal gaan, doch Hij zond zo’n blad, zo’n woord, zodat "mijn hart verwijd werd, om de weg van Zijn geboden te lopen." Het was alsof mijn hart mij zou ontzinken door droefheid en treurigheid, doch Hij zond Zijn Woord uit en beurde mij weer op: "God heeft gesproken in Zijn heiligdom, dies zal ik van vreugde opspringen." Ziet daarom welke genezende kracht door de bladeren van de Boom des levens aan uw ziel is medegedeeld.

6. Wanneer u door het geloof van Zijn vrucht mag eten en Zijn bladeren aanwenden, zal het u zijn alsof u in het paradijs bent, ja, in een beter paradijs dan dat waarin Adam was in de hof van Eden. O dat zal de lust van uw leven en de blijdschap uws harten zijn, de vermakelijke Boom des levens te aanschouwen, en nu en dan Zijn vrucht in de straten of de goddelijke instellingen te plukken en te genieten: "vervuld met alle blijdschap en vrede in het geloven." "Dewelke gij niet gezien hebt, en nochtans liefhebt; in Dewelke gij nu, hoewel Hem niet ziende, maar gelovende, u verheugt met een onuitsprekelijke en heerlijke vreugde." David verlustigde zich zo in deze Boom des levens door het geloof te beschouwen, dat het dat "één ding" was, dat hij begeerde en zocht: "de lieflijkheid des Heeren te aanschouwen en te onderzoeken in Zijn tempel." Ja, één dag in Zijn voorhoven was hem beter dan duizend elders; hij koos liever aan de dorpel in het huis zijns Gods te wezen, dan lang te wonen in de tenten der goddelozen."

Het derde gebruik van deze leer zal zijn tot vermaning.

Ten eerste. Van allen in het algemeen. O vrienden, wilt tot de Boom des levens komen, want de poorten van het paradijs zijn weer geopend. "O alle gij dorstigen, komt tot de wateren, en gij, die geen geld hebt, komt. Die wil, die kome en neme van de Boom des levens om niet." O dode zondaren, wilt tot Christus komen, want Hij is "de Boom des levens," en dit is Gods getuigenis aan u, "dat Hij ons het eeuwige leven gegeven heeft; en ditzelve leven is in Zijn Zoon." O van honger omkomende zondaren, komt en eet vrijmoedig en overvloedig van de vrucht van de Boom des levens, want "hij draagt twaalfderlei vrucht, en geeft Zijn vrucht van maand tot maand;" Hij heeft vrucht genoeg en over. O kranke zondaren, die wegkwijnt in uw ongerechtigheden, komt tot de Boom des levens en wordt genezen, want "zijn bladeren zijn tot genezing van de volkeren." O zondaren, die verzengd en verbrand bent door de hitte van de toorn Gods, of door het vuur van een ontwaakt geweten, komt en schuilt onder de zich uitspreidende takken van de Boom des levens; gaat onder Zijn schaduw zitten, want "Hij is een schaduw voor de hitte en een verberging tegen de wind."

Om u hiertoe te bewegen. overweegt

1. Welk leven te verkrijgen is door tot deze Boom des levens te komen: een leven van rechtvaardigmaking, heiligmaking, vertroosting en eeuwige heerlijkheid; een goddelijk leven, een koninklijk leven, een hemels leven, een aanwassend leven, een onsterfelijk leven, over alle welke ik u in het leerstellig gedeelte heb gesproken.

2. Overweegt welk een uitstekende bescherming u zult vinden onder de schaduw van deze boom. Hier zult u een bescherming vinden: (1.) tegen de toorn van een toornig God, Die een verterend vuur is. Onze Jezus verlost van de toekomende toorn. God verklaart, dat geen grimmigheid bij Hem is tegen iemand, die onder de schaduw van Zijn gerechtigheid wil komen. (2). Hier zult u schuiling vinden tegen de woede van de satan. De duivel moet het leven van de Boom des levens wegnemen, hij moet hem weer afhouwen en Zijn bladeren afplukken, voordat hij de ziel kan machtig worden, die zich onder Zijn schaduw bevindt. (3). Hij bewaart tegen de grimmigheid van de mensen, Hij zegt: "In Mij zult gij vrede hebben. In de wereld zult gij verdrukking hebben, maar hebt goede moed, ik heb de wereld overwonnen."

3. Overweegt de voortreffelijke eigenschappen van de vrucht van de Boom des levens. (1). Het is ene aangename vrucht; zij is het gehemelte zoet (Hoogl. 2:3). Geen van de bomen van het paradijs bracht vrucht voort gelijk die welke in het midden van het Nieuw Testamentische paradijs groeit. (2). Het is een heilzame vrucht, "die God en mensen vrolijk maakt." God rook een lieflijke reuk in Zijn dood, en de Heere had lust aan Hem om van Zijn gerechtigheidswil." Zij vervrolijkt het hart van de gelovige, die haar eet, en geeft meer vreugde in het hart, dan de goddelozen kunnen hebben, wanneer hun koren en hun most vermenigvuldigd zijn. 3. Het is een overvloedige vrucht. Komt en eet zoveel u lust, tot verzadiging toe; er zal niets gemist worden, de boom is volgeladen. (4). Er is verscheidenheid van vruchten aan deze boom. Sommige vruchtbomen dragen overvloedig één soort van vrucht, doch de uitnemendheid van deze boom ligt hierin, dat hij "twaalfderlei vruchten geeft," allerlei vruchten, passend voor de behoeften van de ziel. (5.) De vruchten van de Boom des levens zijn duurzaam en voor altijd, want Hij brengt Zijn vrucht voort "van maand tot maand," in elk jaargetijde. (6). Het is een voedzame vrucht. De vrucht van deze boom doet de ziel groeien, en "van kracht tot kracht gaan, totdat zij voor God zal verschijnen in Sion."

4. Beziet de bladeren van de boom, en laat dit u begerig maken door het geloof tot Hem te komen. Zij zijn tot genezing van de heidenen. Wat is uw krankheid. O zondaar? Wat het ook zij, u zult aan deze boom een blad vinden, dat u kan genezen. (1.) Bent u een blind zondaar? Hier is een blad van de boom, dat voor uw kwaal gepast is: (Ps. 146:8) "De Heere opent de ogen van de blinden." (Openb. 3:18) "Ik raad u, dat, gij van Mij koopt ogenzalf, opdat u zien mag." (2.) Bent u doof, zodat u de stem van God in Zijn Woord of in zijn roede niet kunt horen? Wel, hier is een blad van de Boom des levens tot genezing van uw kwaal: (Jes. 35:5) "Der doven oren zullen geopend worden." (Joh. 5:25) "De ure komt, en is nu, wanneer de doden zullen horen de stem des Zoons Gods, en die ze gehoord hebben zullen leven." (3.) Bent u een kreupele zondaar, die niet in de weg des Heeren kunt wandelen? Hier is een blad voor u; (Jes. 35:6) "Alsdan zal de kreupele springen als een hert"; dan namelijk, wanneer het Evangelie onder de heidenen gepredikt zal worden tot hun genezing. (4.) Bent u een stomme zondaar. zodat u geen woord kunt spreken in de dingen Gods, niet kunt bidden, noch danken? Wel, hier is een blad voor uw kwaal: (Jes. 35:6) "De tong des stommen zal juichen." Bent u een zondaar met een hard hart? Is dit uw kwaal, dat u uw hart harder bevindt te zijn dan een diamant? Hier is een blad voor u: (Ezech. 36:26) "En Ik zal u een nieuw hart geven, en zal een nieuwe geest geven in het binnenste van u; en Ik zal het stenen hart uit uw vlees wegnemen, en zal u een vlezen hart geven." Hebt u een vuil, besmet geweten in u, die besmet is met de schuld van de zonde? Wel, hier is een blad voor u: (Ezech. 36:25) "Dan zal Ik rein water op u sprengen, en gij zult rein worden; van al uw onreinheden en van al uw drekgoden zal Ik reinigen." (Zach. 13:1) "Te dien dage zal er een Fontein geopend zijn voor het huis Davids, en voor de inwoners van Jeruzalem, tegen de zonde, en tegen de onreinheid." (1 Joh. 1:7) "Het bloed van Jezus Christus zijn Zoon reinigt ons van alle zonde." Is uw kwaal, dat verdorvenheid, godloochening. ongeloof, vijandschap, de overhand over u hebben? Dan is hier een blad voor u: (Mich. 7:19) "Hij zal Zich onzer weer ontfermen; Hij zal onze ongerechtigheden dempen; ja, Gij zult al hun ongerechtigheden in de diepten van de zee werpen. (Rom. 6:14) "De zonde zal over u niet heersen; want gij zijt niet onder de wet, maar onder de genade." Is uw ziel als de bergen van Gilboa, dor, verzengd, als de grond, die gebrek aan regen heeft? Hier is een blad voor u: "Want Ik zal water gieten op de dorstigen en stromen op het droge; ik zal Mijn Geest op uw zaad gieten, en Mijn zegen op uw nakomelingen" (Jes. 44:3). Bent u onrustig door rusteloosheid van geest, zodat u in niets kunt rusten? Dan is hier een blad voor u: (Jes. 11:10) "Want het zal geschieden tenzelfden dage, dat de heidenen naar de wortel van Isaï, Die staan zal tot een banier der volkeren, zullen vragen en Zijn rust zal heerlijk zijn." (Matth. 11:28) "Komt herwaarts tot Mij, allen, die vermoeid en belast zijt, en Ik zal u rust geven." Hebt u last van het bezwijken van uw geest in de weg des Heeren? Wel, hier is een blad voor u: Jes. 40:29) "Hij geeft de moeden kracht, en Hij vermenigvuldigt de sterkte dien, die geen krachten heeft." Zo ziet u, dat er geen kwaal is, voor welke niet de Boom des levens een blad ter genezing heeft.

5. Overweegt, dat gelijk de Boom des levens voor uw nooddruft berekend is, Hij zo ook voor uw gebruik, en tot nut van iedere zondaar, die door het geloof gebruik van Hem zal maken, bestemd is: (Joh. 3:14-16) "En gelijk Mozes de slang in de woestijn verhoogd heeft, alzo moet de Zoon des mensen verhoogd worden. Opdat een ieder, die in Hem gelooft, niet verderve, maar het eeuwige leven hebbe. Want alzo lief heeft God de wereld gehad, dat Hij zijn eniggeboren Zoon gegeven heeft, opdat een iegelijk, die in Hem gelooft, niet verderve, maar het eeuwige leven hebbe." (Jes. 9:5) "Een Zoon is ons gegeven." Al wat Hij als Middelaar is, dat is Hij voor ons. Is Hij een Zaligmaker? Hij is dat voor hen, die verloren zijn. Is Hij een Profeet? Hij is dat om de onwetenden te leren. Is Hij een Priester? Hij is voor de mensen gesteld in de zaken, die bij God te doen zijn. Is Hij een Koning? Het is om ons te overwinnen en gevangen te nemen, te regeren en te heersen. Is Hij een Heelmeester? Het is, opdat Hij de kranken zou genezen. Is Hij een Herder? Hij is dat, om ons in Zijn weide te weiden. Is Hij een Deur? Het is opdat wij door Hem tot God zouden gaan. Is Hij een Fondament? Het is opdat wij op Hem zullen bouwen. Is Hij Spijze? Het is opdat wij Hem zullen eten. Is Hij Drank? Hij is dat voor de arme ziel, die behoefte heeft aan de zaligheid, gelijk een dorstige behoefte heeft aan water. Dus, al wat Hij als Middelaar is, dat is Hij voor ons: "Hij is ons geworden wijsheid van God, en rechtvaardigheid, en heiligmaking, en verlossing."

6. Overweegt, dat deze boom toegankelijk is; want hij is "in het midden van haar straat." Hoewel hij uitermate verhoogd en boven de hemelen verheven is, toch buigen Zijn takken zich neer tot laag bij de grond, opdat de hand van het geloof Zijn vruchten en bladeren kan plukken. (Rom. 10:6—8). "Maar de rechtvaardigheid, die uit het geloof is, spreekt aldus: zeg niet in uw hart: wie zal in de hemel opklimmen? Het is Christus van boven afbrengen. Of: wie zal in de afgrond neerdalen? Het is Christus uit de doden opbrengen. Maar wat zegt zij? Nabij u is het woord, in uw mond en in uw hart. Dit is het woord des geloofs, hetwelk wij prediken." Ja, hij buigt niet alleen Zijn takken neer, om Zijn vruchten en bladeren bereikbaar te maken; doch Hij schudt Zijn vruchten af en laat ze in het dal des gezichts vallen, en strooit ze rondom de deuren van onze tenten, evenals het manna om de tenten van de Israëlieten regende. O strek dan de hand van uw geloof uit en raapt.

7. U wordt niet alleen genodigd, maar u wordt geboden de vrucht te eten en de bladeren van de boom aan te wenden. Dit is het werk van God, dat Hij van u vereist: "Dit is Zijn gebod, dat wij geloven in de Naam Zijns Zoons Jezus Christus." Er is een roeping, waarvan een ieder, die van Christus hoort, gebruik moest maken; als u daaraan geen gehoor geeft, bent u aan de grote God ongehoorzaam in het voornaamste gebod, dat Hij ooit tot mensen deed uitgaan. Het wordt niet aan uw keuze gelaten; neen, u bent onder een wet besloten, die van u eist, dat u de vruchten van deze boom zult nemen.

8. U zult sterven, wanneer u niet van de vrucht van de Boom des levens eet: (Joh. 8:24) "Want indien gij niet gelooft, dat Ik Die ben, gij zult in uw zonden sterven," en dus voor eeuwig verloren gaan. "Die niet gelooft is reeds veroordeeld." Let dan op het gevaar, dat u loopt; doch indien u gelooft zult gij zalig worden. "Die in hem gelooft zal niet verderven, maar het eeuwige leven hebben." De vruchten en bladeren van deze Boom des levens zijn een tegengif tegen het kwaad, dat over ons gekomen is, doordat onze eerste ouders van de verboden vrucht hebben gegeten, waardoor zij en hun ganse nakomelingschap in het verderf zijn gestort.

Dus heb ik getracht u de weg tot de Boom des levens te openen. Wat zal ik meer zeggen? Ik heb in de beweegredenen getracht de tegenwerpingen van het ongeloof te beantwoorden. Ik zal deze vermaning sluiten met een woord van raadgeving.

Als u het zaligmakend voordeel van deze Boom des levens wilt inoogsten:

1. Wees dan overtuigd van de volstrekte noodzakelijkheid, van deel te hebben aan Christus en Zijn zaligmakende vruchten. Overdenkt daartoe ernstig, dat u, doordat u in uw eerste ouders van de verboden vrucht hebt gegeten, gestorven, gedood, en vermoord bent; en dat u, wegens de verbreking van het eerste verbond, uit de tegenwoordigheid Gods bent uitgesloten. Hoe bezwaard was Adam, toen hij uit het aardse paradijs verdreven werd, en het vlammig zwaard zich voor hem omkeerde! O wat had hij wel willen geven, om tot de Boom des levens te mogen toegaan! Nu, dit is uw toestand, o zondaar, u bent een verbannene, het zwaard van de gerechtigheid flikkert boven uw hoofd.

2. Wees overtuigd, dat het leven te verkrijgen is door gebruikmaking van Christus, de Boom des levens, door het eten van Zijn vrucht, en door het aanwenden van Zijn bladeren. Om u hiervan te overtuigen hebt u de getuigenis van de Drie-eenheid, dat dit leven is in zijn Zoon. "Die de Zoon heeft, die heeft het leven."

3. Wees goed overtuigd van uw recht om van Hem gebruik te maken. Denkt daartoe aan het gebod om te geloven, en de aanbiedingen, roepingen en nodigingen van het woord, en de beloften, dat u welkom zult zijn.

4. Slaat de armen van uw zielen om de Boom des levens met een vast besluit Hem niet los te laten, zeggende: "Kom ik om, dan kom ik om." Doch zegt u misschien: ik ben zo ver van de Boom des levens, ik kan Hem niet omarmen, of Zijn vruchten plukken. Dan geef ik andere raad:

5. Ziet op de Boom des levens, en in het zien op hem zal zaligheid in uw ziel afdalen: (Jes. 45:22) "Wendt u naar mij toe, of (Engelse overzetting) zie op Mij, en wordt behouden" (Ps. 34:6) "Zij hebben op Hem gezien, en (Engelse overzetting) zijn verlicht." Doch u zegt misschien: ik kan niet zien.

6. Als u de Boom des levens niet kunt zien, roept dan tot Hem en zoekt hem, want "gij, die God zoekt, ulieder hart zal leven". "Deze ellendige riep, en de Heere hoorde hem." Bartimeüs riep, en Hij hoorde hem. Die arme vrouw riep: "Heere, help mij," en Hij hoorde haar.

7. Als u niet kunt roepen, laat dan uw begeerten uitgaan naar een proeven van Zijn vrucht, naar een genezend blad, naar enige mededelingen van Christus aan uw ziel; omdat "Hij de dorstige" of begerige "ziel verzadigd, en de hongerige ziel met goed vervuld heeft."

8. Zegt u: ik begeer en word niet verzadigd. Dan antwoord ik: u hebt lijdzaamheid nodig; wacht en verlang, en verlang en wacht op de Heere; "want de Heere is een God des gerichts; welgelukzalig zijn die allen, die Hem verwachten. De Heere is goed dengenen, die Hem verwachten, der ziel die Hem zoekt." Wacht gedurig op Hem, en u zult niet beschaamd worden.

Een tweede woord van vermaning is tot u, die gelovigen bent, die zich door het geloof wezenlijk tot de Boom des levens gewend en van Hem gebruik gemaakt hebt.

1. O verheugt u, en verblijdt u in de Heere, dat het paradijs weer voor u veroverd is, en dat u niet gedood bent door de Cherubim met het vlammig zwaard; ja, dat u, van de Boom des levens geproefd hebbende, en onder Zijn schaduw zittende, buiten het bereik van de dood, de rechtvaardigheid, en de vloek bent. U ziet, dat op mijn tekst volgt; daar zal geen vervloeking meer zijn; geen vervloekende straf van de wet meer voor hen, die tot Christus, de Boom des levens, zijn gekomen. Er is geen verdoemenis voor degenen, die in Christus Jezus zijn; neen, neen, Christus heeft ons verlost van de vloek van de wet, een vloek geworden zijnde voor ons. En daarom, "Verblijdt u in de Heere allen tijd: wederom zeg ik u, verblijdt u."

2. Blijft onder de schaduw, maakt uw nest in de takken van deze gezegende Boom. Volgt de bruid na, zij "zat onder Zijn schaduw." U weet, dat de vogels hun nesten in de takken bouwen, en daarom vliegen zij om veilig te zijn. (Ps. 104:16,17) "De cederbomen van Libanon, die Hij geplant heeft. Alwaar de vogelkens nestelen; des ooievaars huis zijn de dennebomen." Laten zo ook alle paradijsvogels komen om hun nest, hun huis, hun woning, in de Boom des levens te maken. "Tot Hem zullen de heidenen komen, en Zijn rust zal heerlijk zijn." David zeide: (Ps. 116:7) "Mijn ziel, keer weder tot uw rust, want de Heere heeft aan u welgedaan."

3. Leeft van de vrucht van de Boom; leeft van de vrucht van Zijn gehoorzaamheid, dood, opstanding, hemelvaart en voorbidding; plukt telkens weer van de appelen van deze Boom des levens. Paulus zegt: "Het leven, dat ik in het vlees leef, leef ik door het geloof des Zoons Gods." Door het geloof "eten wij het vlees, en drinken wij het bloed van de Zoon des mensen." Maakt voortdurend gebruik van Christus, want u zult Hem altijd nodig hebben; "bouwt uzelf op uw allerheiligst geloof; schept altijd water met vreugde uit de fonteinen des heils."

4. Wanneer u zichzelf gekwetst, of uw gezondheid benadeeld hebt door de verdorvenheid, of door verzoeking, gebruikt dan terstond de bladeren van de Boom des levens tot genezing – het genezend Woord en Christus in het Woord – voor uw ziel; doet het zonder uitstel, want uitstel is gevaarlijk. Het is het beste, dat men middelen gebruikt bij het begin van de ziekte: Als de vijand zal komen gelijk een stroom, zal de Geest des Heeren de banier tegen hem oprichten.

5. Maakt dikwijls gebruik van de rivier van het water des levens, die onder de takken van deze boom stroomt; roept veel om de werkingen van de Heilige Geest: legt uw zielen open voor het blazen van deze wind, voor het vloeien van deze zuivere rivier van het water des levens, opdat u zo onder de schaduw van deze boom mag zijn als bomen geplant aan waterbeken, die hun vrucht geven op de rechte tijd: want "die onder Zijn schaduw zitten, zullen ten leven voortbrengen als koren, en bloeien als de wijnstok, zijn gedachtenis [of, zijn reuk] zal zijn als te wijn van Libanon."

6. Nodigt ook anderen tot de boom te komen, en zegt: Komt, proeft en ziet, dat Zijn vrucht goed, aangenaam, heilzaam en overvloedig is. Maakt er met de bruid uw werk van Christus aan te prijzen: "Mijn Liefste is blank en rood, Hij draagt de banier boven tien duizend." Vertelt de hongerigen wat een uitstekende vrucht hier is: zegt de vermoeiden wat een heerlijke rust hier is; zegt de kranke zielen welke genezende bladeren hier zijn; doet de schuldigen horen welke een uitnemende gerechtigheid hier is.

7. Verzet u tegen hen, die de Boom des levens willen omhouwen. Twist Zijn twist. Door sommigen in ons land worden in deze tijd pogingen aangewend om Hem van zijn hoogheid te verstoten; doch ik ben er zeker van, als u ooit van Zijn vrucht geproefd hebt, of door Zijn bladeren genezen bent, dat u zult doen wat u kunt om Zijn twist te twisten, en Zijn heerlijkheid en hoogheid te handhaven, en Zijn eer te verdedigen tegen al de aanvallen, die daarop worden gedaan.

8. Eindelijk. laten alle paradijsvogels de lof des Heeren zingen, die deze Boom des levens voor ons geplant en een verse en levende weg naar het hemels paradijs geopend heeft, waar wij voor eeuwig onder de takken van deze boom zullen zingen. En lispelt ondertussen dat lied: Gezegend zij de God en Vader onze Heere Jezus Christus, Die ons gezegend heeft met alle geestelijke zegeningen in de hemel in Christus." O zingt de lof van Hem Die op de troon zit, en van het Lam. Zingt dat lied van de verlosten: (Openb. 5:12,13) "Het Lam, Dat geslacht is, is waardig te ontvangen de kracht. en rijkdom, en wijsheid, en sterkte, en eer, en heerlijkheid, en dankzegging. En alle schepsel, dat in de hemel is, en op de aarde, en onder de aarde, en die in de zee zijn, en alles wat in dezelve is, hoorde ik zeggen: Hem, die op de troon zit, en het Lam zij de dankzegging, en de eer, en de heerlijkheid en de kracht in alle eeuwigheid." En elke ziel zegge op dit gezegend lied: Amen, ja Amen.

 

De wind van de Heilige Geest blazende op de dorre beenderen in het dal des gezichts

Ezech. 37:9 Gij Geest! Kom aan van de vier winden, en blaas in deze gedoden, opdat zij levend worden.

In het begin van dit hoofdstuk brengt de Heere de Profeet Ezechiël in een vallei vol beenderen van dode mensen, die zeer dor waren, en Hij vraagt hem of het naar zijn gedachte mogelijk is, dat die dorre beenderen weer levend zullen worden. Hij gaf daarmede te kennen dat hoewel het bij de mensen onmogelijk was, het nochtans door de almachtige kracht Gods gemakkelijk kon geschieden. Om hem daarvan te overtuigen gebiedt Hij de profeet tot deze dorre beenderen te spreken en hun in Zijn Naam te zeggen, dat Hij de Geest des levens in hen zal doen komen, hetwelk dienovereenkomstig geschiedt. Toen de profeet in de Naam des Heeren riep, dat de Geest van de vier winden zou aankomen en in de dorre beenderen blazen, kwam er terstond leven in, en de beenderen naderden, elk been tot zijn been, en zij werden levend en stonden op hun voelen; een gans zeer groot heir.

Dit gezicht geeft ons een levendige voorstelling, gelijk Henry in zijn uitlegging zeer wel opmerkt, van een drievoudige opstanding. 1. Van de opstanding van het lichaam op de laatste dag, in de algemene opstanding, wanneer God zal bevelen, dat de aarde haar doden zal geven, en de zee haar doden zal geven; wanneer door de dienst van de engelen het stof en de beenderen van de heiligen, van de vier winden van de hemel, waarheen zij verstrooid waren, zullen vergaderd worden. 2. Dit gezicht geeft ons een levendige voorstelling van de opstanding van de ziel uit het graf van de zonde, welke geschiedt door het prediken of profeteren als de middellijke, en door de krachtige werking van de Geest des Heeren als de voornaamste werkende oorzaak. Het wordt in vs. 14 duidelijk gezegd, dat men door de wind, waarvan hier wordt gesproken, de Geest moet verstaan: "en Ik zal Mijn Geest in u geven, en gij zult leven." 3. Dit gezicht geeft ons een voorstelling van de opstanding van de gemeente Gods uit het graf van haar dienstbaarheid en gevangenschap in Babel, waar zij op die tijd werden gevangen gehouden. Dit is inderdaad het eerste en onmiddellijke doel van het gezicht, zoals duidelijk blijkt uit de verklaring in vs. 11—14. Aangezien de verlossing van de kinderen Israëls uit hun Babylonische ballingschap een type was van onze geestelijke verlossing, die door de Heere Jezus Christus op het kruis verworven is, en door de krachtige werking van de Heilige Geest wordt toegepast, en het deze verlossing is waarbij wij, die onder het Evangelie leven, voornamelijk belang hebben; daarom zal ik de woorden, die ik heb voorgelezen, in deze Schriftuurlijke zin en mening verhandelen.

Wij hebben daarin kortweg:

1. Een treurig geval verondersteld, dat is, geestelijke doodheid. Het volk van God was niet alleen in dienstbaarheid onder hun vijanden, maar hun zielen waren op die tijd eveneens in een kwijnende toestand. Doch hierover hierna meer.

2. Hier wordt een gezegend middel aangewezen, namelijk het blazen van de Geest des Heeren, de invloeden van de Heilige Geest: "Gij Geest, kom aan van de vier winden, en blaas in deze gedoden. Deze invloeden van de Heilige Geest nu, worden hier beschreven:

1e In hun natuur, voorgesteld onder het begrip of de verbloemde spreekwijze van wind: "Gij Geest, kom aan van de vier winden, en blaas." De invloeden of werkingen van de Geest worden door drie elementen voorgesteld. Soms worden zij vergeleken bij vuur: (Matth. 3:11) "Die zal u met de Heilige Geest en met vuur dopen," Soms worden zij vergelijken bij water: Jes. 44:3) "Ik zal water gieten op de dorstige en stromen op het droge: ik zal Mijn Geest op uw zaad gieten, en Mijn zegen op uw nakomelingen." En soms worden de invloeden van de Geest voorgesteld onder het begrip van wind: (Hoogl. 4:16) "Ontwaak, noordenwind, en kom, gij zuidenwind, doorwaai mijn hof." Zo ook moeten wij hier door de wind of het blazen waarvan hier gesproken wordt voornamelijk de Geest verstaan; dit wordt in het 14e vers van dit hoofdstuk duidelijk verklaard. Ik kan mij niet lang ophouden om de gronden van deze verbloemde spreekwijze aan te tonen. Gij weet, dat de wind van een zuiverende, verkoelenden en vruchtbaarmakende aard en natuur is; hij werkt vrij en onweerstaanbaar. Het is boven het vermogen van de mens het blazen van de wind tegen te staan of te verhinderen. Zo ook reinigen en zuiveren de invloeden van de Geest het hart: zij stillen de stormen van het geweten en maken, dat de beenderen zich verheugen, die verbrijzeld waren: zij veroorzaakt, dat de ziel bloeit als de lelie, en haar wortelen uitslaat als de Libanon; zij maakt de ziel vruchtbaar als de hof Gods. De Geest werkt, zoals wij hierna zullen horen, met soevereine vrijheid en onweerstaanbare kracht.

2e Deze werkingen van de Heilige Geest worden hier beschreven naar haar verscheidenheid, vier winden: "Kom aan van de vier winden;" waardoor wordt te kennen gegeven de menigerlei invloeden en werkingen van deze ene en eeuwige Geest. Wij lezen daarom van "de noorden- en zuidenwind", en van "de zeven geesten Gods, die voor de troon zijn" (Openb. 4:5).

3e Deze invloeden worden beschreven naar hun werking of uitwerking, hetwelk hier een blazen wordt genoemd: "Blaas in deze gedoden." Door de werking; van deze almachtige wind werd ons natuurlijk leven voortgebracht of geformeerd. In Gen. 2:7 staat geschreven, dat God, nadat Hij "de mens geformeerd had uit het stof der aarde, de adem des levens in zijn neusgaten blies; alzo werd de mens tot een levende ziel." Daarvan zegt Elihu (Job 33:4) "De Geest Gods heeft mij gemaakt, en de adem des Almachtigen heeft mij levendgemaakt." En door de invloeden van deze zelfde almachtige adem worden onze zielen levendgemaakt, en wordt ons geestelijk leven in ons binnenste geformeerd, wanneer wij dood zijn door de misdaden en de zonden.

4e Verder worden deze invloeden beschreven naar het eind en het gevolg van hun werkingen: Blaas in deze gedoden, opdat zij levend worden;" dat is, opdat te dorre beenderen levende zielen worden: dat uit deze stenen Abraham kinderen worden verwekt.

Uit deze woorden, die wij dus kort verklaard hebben zal ik u slechts deze ene opmerking maken, namelijk:

Leer. Dat, evenals de grote hoop van een Kerk en een volk, met God in een verbond zijnde, wat hun zielen betreft, in een zeer dode en kwijnende staat en toestand kan zijn; zo ook de inblazing en de werking van de Heilige Geest Gods volstrekt noodzakelijk zijn, om hen weer levend te maken. Dit is de inhoud van hetgeen ik op het oog heb uit deze woorden, "gij Geest, kom aan van de vier winden, en blaas in deze gedoden, opdat zij levend worden."

In het verhandelen van deze leer, zal ik

I. Een weinig spreken over deze doodheid, die voorkomt bij een volk, dat uitwendig met God in verbond is.

II. Over de werkingen of het blazen van de wind van de Heilige Geest, die zo volstrekt noodzakelijk zijn, zullen zij weer leven.

III. Zal ik iets spreken over dat leven, dat door deze inblazingen of dit blazen gewerkt wordt.

IV. Zal ik een toepassing maken.

I. Ik zal een weinig spreken over deze doodheid, die zich voordoet bij een volk, dat uitwendig met God in verbond is. Ik zal u eerst bij enige soorten van doodheid bepalen. 2. Enige van haar oorzaken noemen. 3. Enige van haar kentekenen voorstellen.

1. Ik zal u dan eerst bij enige soorten van doodheid bepalen. U moet in het algemeen weten, dat er tweeërlei dood is; de ene is eigenlijk en natuurlijk, de andere is oneigenlijk en overdrachtelijk.

(1.) De dood, eigenlijk zo genoemd, is iets, dat zo bekend is, dat het voor mij onnodig is het u te vertellen. Er is niemand onder ons allen, die het niet binnen een weinig tijd bij eigen ondervinding zal weten; want "het is de mens gezet eenmaal te sterven." Het graf is een huis, dat voor al wat leeft bestemd is, en daarom mogen wij met Job (Hoofdst. 17:14) "tot de groeve roepen: gij zijt mijn vader; tot het gewormte, mijn moeder en mijn zuster." Doch dit is niet de dood waarover ik nu spreek.

(2). Er is ook een dood, die oneigenlijk of overdrachtelijk is; die niets anders is dan een krankheid of ongesteldheid van de ziel, waardoor zij ongeschikt of onbekwaam wordt gemaakt voor heilige en geestelijke oefeningen. Deze is weer tweevoudig, of geheel of gedeeltelijk.

1e Er is een gehele dood, die aan de bozen en goddelozen eigen is, die totaal dood zijn, en in het minst geen geestelijk leven in zich hebben. Hierom wordt in Ef. 2:I gezegd, dat de mensen in de natuurstaat "dood zijn in de misdaden en de zonden;" dat is, onder de volkomen heerschappij van de zonde, "in een geheel bittere gal en samenknoping der ongerechtigheid; zonder God, zonder Christus, en daarom zonder hoop.

2e Er is een gedeeltelijke dood, die bij de gelovigen voorkomt, die God uit het graf van een onvernieuwde staat heeft opgewekt, en in welke hun zielen Hij een beginsel van geestelijk leven heeft ingeplant. Deze gedeeltelijke dood, die aan de gelovigen eigen is, bestaat in openbaar verval van de geestelijke beginselen en hebbelijkheden, in het afnemen van hun gewone leven en levendigheid, en werkzaamheid in de weg en het werk des Heeren. Hun geloof, hun liefde, hun hoop, en andere geraden zijn alle in een verzwakkende en kwijnende staat; zij liggen als dood in de ziel, evenals het leven van de boom, dat in de wintertijd in zijn wortels verborgen is, zonder dat hij bloesem of vrucht draagt. Over zodanige doodheid of dodigheid horen wij Gods volk in de Schrift dikwijls klagen. Zo horen wij de vreemde, die zich tot de Heere gevoegd heeft (Jes. 56:3) en vasthoudt aan Zijn verbond, spreken, zeggende: "De Heere heeft mij geheel en al van Zijn volk gescheiden; en de gesnedene zegt: Ik ben een dorre boom," waarin sap noch leven is. Het is deze soort van geestelijke doodheid of dodigheid, waaraan de gelovigen onderhevig zijn, waarover ik nu voornamelijk zal spreken. De bladeren van zijn belijdenis kunnen in hoge mate verdord zijn; de kaars van zijn wandel kan duister branden, of slechts een zwak licht geven; de vlam van zijn genegenheden, zijn ijver, liefde en verlangen kunnen, gelijk een groot vuur, dat uitgebrand is, tot een paar kooltjes en sintels vergaan zijn. Er kan een grote onderbreking of vormelijkheid in de verrichting van de plichten zijn. Het gemoed, dat eens met verlustiging en bewondering over God en Christus, het verbond en de dingen die boven zijn, kon peinzen, kan zijn smaak in die dingen verliezen en ingenomen zijn met de voorbijgaande verdwijnende ijdelheden van een tegenwoordige wereld. De gewone gaven van de Geest kunnen door vleselijke gemakzucht en door ze niet te gebruiken, in hoge mate verwelken; en, wat het ergst van alles is, de zaligmakende genaden en vruchten van de Geest kunnen jammerlijk verzwakken in betrekking tot hun voorgaande maten en werkingen. Doch deze gedeeltelijke dood van de gelovigen is weer tweevoudig. Er is een dodigheid, die Gods volk gevoelt, en een dodigheid, die niet gevoeld wordt; "de grauwheid is op hem verspreid, en hij merkt het niet." De Heere was van Simson geweken, en hij wist het niet. Doch er is ook een dodigheid, die gevoeld wordt, wanneer Gods kinderen hun dodigheid bewust zijn en daarover klagen. Het is een blijk van geestelijk leven, of van enige verlevendiging wanneer Gods volk met de Kerk begint te roepen: (Ps. 85:7) "Zult Gij ons niet weer levend maken, opdat Uw volk zich in U verblijde? Heere, waarom verstokt Gij ons hart, dat wij U niet vrezen?" (Jes. 63:17).

Wij zullen in de tweede plaats acht geven op de oorzaken van deze geestelijke dodigheid. Ik zal ze slechts noemen, omdat uw tijd mij niet zou toelaten er over uit te wijden.

(1.) U weet, dat onthouding of verwaarlozing van voedsel het lichaam spoedig zal doen wegkwijnen en vervallen; zo ook zal het geestelijk leven van de ziel spoedig achteruitgaan en verkwijnen, indien de genademiddelen niet naarstig gebruikt worden, indien wij verzuimen door het geloof Christus aan te grijpen en gebruik van Hem te maken, en Hem te eten en te drinken, "Wiens vlees waarlijk spijze, en Wiens bloed waarlijk drank is." Daarom zei Christus: (Joh. 6:53) "Tenzij dat gij het vlees des Zoons des mensen eet, zo hebt gij geen leven in uzelf."

(2.) Dat men de ziel overlaadt met vleselijk genot is een andere voorname oorzaak van geestelijke doodheid: (Hos. 4:11) "Hoererij, en wijn, en most, nemen het hart weg"; die zuigen het leven uit de ziel. Wat is de reden, dat vele belijders van de godsdienst hun levendigheid, die zij plachten te hebben, zijn kwijtgeraakt, en wat de dingen betreft, die hun zielen aangaan, in zulk een kwijnende staat zijn? Het is duidelijk, dat hier de oorzaak ligt, dat zij zich overladen met de zinnelijke vermaken. Als Simson maar in de schoot van Delila gaat slapen, zal zij hem aan de Filistijnen verraden, en de haarlokken afsnijden, daar zijn sterkte in gelegen is; en wanneer hij uitgaat om zich uit te schudden als op andere malen, zal hij ervaren, dat zijn krachs vergaan is.

(3.) Vadsigheid en luiheid in de dingen, die de zaligheid betreffen is een andere oorzaak van dodigheid. De dokters merken op, dat zowel te veel bezigheid, als te veel rust of een zittend lev