Preken
van
Ebenezer Erskine
bedienaar van het Evangelie te Stirling - Schotland
over
Hebr. 11:7 De Nieuw Testamentische Ark geopend tegen de vloed van goddelijke toorn
1 Joh. 3:8 De eerste belofte vervuld; of, de kop van de slang vermorzeld door het Zaad van de vrouw
Ps. 68:32 Morenland de handen tot God uitstrekkende
Joh. 11:25 Christus, de Opstanding en het Leven
Hebr. 2:16 De menselijke natuur verkozen boven de natuur van de engelen
Deel 4
Inhoud
De Nieuw Testamentische Ark geopend tegen de vloed van goddelijke toorn (1e preek) *De Nieuw Testamentische Ark geopend tegen de vloed van goddelijke toorn (2e preek)
*De eerste belofte vervuld; of, de kop van de slang vermorzeld door het Zaad van de vrouw
*Morenland de handen tot God uitstrekkende
*Christus, de Opstanding en het Leven (1e preek)
*Christus, de Opstanding en het Leven (2e preek)
*De menselijke natuur verkozen boven de natuur van de engelen
*
De Nieuw Testamentische Ark geopend tegen de vloed van goddelijke toorn (1e preek)
Hebr. 11:7. Door het geloof heeft Noach, door Goddelijke aanspraak vermaand zijnde van de dingen, die nog niet gezien werden, en bevreesd geworden zijnde, de ark toebereid tot behoudenis van zijn huisgezin.
De apostel heeft in het voorgaande hoofdstuk de gelovige Hebreeën vermaand te volharden in het geloof. Om de vermaning kracht bij te zetten toont hij in dit hoofdstuk de uitnemendheid van de genade van het geloof aan, en dat, ten eerste: Op zichzelf beschouwd, van vs. 1—3; ten tweede: Door hun het voorbeeld voor te stellen van hun gelovige voorvaderen, zowel voor als na de zondvloed.
Het vers, dat ik u heb voorgelezen, bevat het voorbeeld van het geloof van Noach, die de laatste patriarch van de oude wereld, en de eerste van de nieuwe wereld was; ik bedoel, de laatste voor, en de eerste na de vloed. Meer in het bijzonder komen in de woorden vier dingen voor:
1e Er wordt alarm geblazen; God waarschuwt voor dingen, die nog niet gezien worden. De waarschuwende Persoon is God. Wanneer God spreekt of waarschuwt betaamt het alle inwoners van de aarde te luisteren: (Ps. 50:1) "De God der goden, de Heere spreekt en roept de aarde, van de opgang van de zon tot aan haar ondergang." Wanneer de leeuw brult, sidderen de dieren van het veld. De stof van de waarschuwing betreft zaken die men niet ziet; dat is, de nadering van de algemene vloed, of de ondergang van de gehele wereld door water, waarvan, toen God de waarschuwing zond, nog in het minst niets te zien was. Vrienden, het Woord Gods handelt voornamelijk over zaken, die men niet ziet, onzichtbare en eeuwige dingen, die nog achter het scherm verborgen zijn. Het geloof, dat het Woord Gods gelooft, wordt daarom in het 1e vers van dit hoofdstuk, "het bewijs genoemd der zaken, die men niet ziet;" een verzegelen van wat God zegt, hoewel het niet kan worden gezien.
2e De woorden wijzen aan de persoon, de enige persoon in de ganse wereld, die op het alarm acht sloeg, namelijk Noach, van wie wij een beschrijving hebben in Gen. 6:9, "een rechtvaardig, oprecht man in zijn geslachten." Hij was een rechtvaardig mens, zijnde gerechtvaardigd uit het geloof in het beloofde Zaad van de vrouw; en hij was een heilig mens, wiens wandel zijn geloof rechtvaardigde, voor de ogen van de goddeloze inwoners van de oude wereld. En aangezien hij iemand was, die nabij God leefde, maakte God hem Zijn verborgenheden bekend, en deelde hem mee wat voor de hele wereld buiten hem verborgen was. "De verborgenheid des Heeren is voor degenen, die Hem vrezen, en Zijn verbond om hun die bekend te maken." Ja soms maakt Hij hun niet alleen de verborgenheden van Zijn verbond en van Zijn koninkrijk bekend, maar ook die van Zijn voorzienigheid, wat Hij van plan is in de wereld te doen. Zo deed Hij met Noach, en zo deed Hij met Abraham, toen Hij voornemens was Sodom te verdelgen: "Zal Ik voor Abraham verbergen, wat ik doe?" Gewis, "de Heere zal geen ding doen, tenzij, dat Hij Zijn verborgenheid aan Zijn knechten, de profeten, geopenbaard hebbe." Het is gevaarlijk zich nieuwsgierig met de verborgenheden van Gods voornemen of voorzienigheid te bemoeien, maar wanneer het Hem behaagt die te openbaren zijn zij welkom.
3e Hier wordt aangewezen hoe Noach de waarschuwing ontving. Hij ontving ze door het geloof; dat is: hij geloofde het woord van God, dat de vloed zou komen. De grond van zijn geloven was de waarheid en de macht van God: Zijn waarheid; "want het is onmogelijk, dat God liege," en Zijn macht; Die machtig was te doen, zowel wat Hij dreigde, als wat Hij beloofde.
4e Wij zien hier de aandoening van Noachs ziel, die opgewekt of in werking gebracht werd door deze ontzaglijke waarschuwing van de aanstaanden vloed: "hij werd bevreesd." Wanneer het geloof een glimlachende en verzoende God in Christus ziet, vervult het de ziel met vrolijkheid en blijdschap, ja, met een onuitsprekelijke en heerlijke vreugde." Doch wanneer het geloof een fronsenden of dreigende God ziet, dan verwekt dat vrees, geen slaafse, maar een kinderlijke vrees; evenals een onderdanig kind, dat begint te sidderen wanneer het de roede in de hand, en toorn in het gelaat van de vader ziet. Zodanig was Noachs vrees; en God verklaart, dat Hij de ziel, die Hem zo vreest, aanziet: (Jes. 66:2) "Op deze zal Ik zien, op de arme en verslagene van geest, en die voor Mijn Woord beeft."
5e Verder zien wij hier, hoe verstandig Noach gebruik maakte van Gods waarschuwing betreffende de zondvloed. Zijn geloof en zijn vrees zetten hem aan een ark toe te bereiden: "Een kloekzinnig mens," zegt Salomo, "ziet het kwaad, en verbergt zich." Het ware geloof van de werking Gods is een scherpzinnige genade; het neemt de dingen waar, die nog niet te zien zijn, gevaren, die buiten het gezicht van de overige blinde wereld liggen, en zorgt voor beveiliging tegen naderende gevaren. Zo ook hier doet het geloof van Noach hem een ark toebereiden tegen de aanstaande vloed. Noach behoefde de ark niet meer te gaan bouwen toen de vloed kwam; neen, zij was voor het gebruik gereed, toen de sluizen van de hemel werden geopend, en alle fonteinen des grote afgronds werden opgebroken; en de vrucht en uitwerking van zijn geloof en zijn vrees, en zijn naarstigheid in de ark toe te bereiden, was, dat hij en zijn huisgezin behouden werden.
Nu, ik zal mij niet zozeer ophouden met de letterlijke, als wel met de geestelijke en verborgen bedoeling van dit alles. De geschiedenis en de verborgenheid van het Oude Testament wordt in het Nieuwe Testament opengelegd en ontsluierd. Het wordt door allen toegestemd, dat de watervloed waardoor God de oude wereld heeft verdelgd, een afschaduwing was van de toorn Gods die van de hemel geopenbaard wordt tegen alle boosheid en goddeloosheid van de kinderen der mensen, welke onfeilbaar zeker de goddelozen, en alle godvergetende heidenen naar de hel zal wegvagen; en dat de ark van Noach een type van Christus was, en van die verlossing, die allen, die in Hem geloven, hebben van de toorn Gods en de vloek van de verbroken wet; want "een iegelijk, die in Hem gelooft, zal niet verderven, maar het eeuwige leven hebben". De apostel Petrus zinspeelt zeer duidelijk op hetgeen ik zeg aangaande deze voorbeeldende of afschaduwende bedoeling van de zondvloed en de ark: (1 Petr. 3:19~21) "In denwelken Hij ook heengegaan zijnde de geesten, die in de gevangenis zijn, gepredikt heeft: die eertijds ongehoorzaam waren, wanneer de lankmoedigheid Gods eenmaal verwachtte in de dagen van Noach, als de ark toebereid werd, waarin weinige, dat is acht zielen behouden werden door het water. Waarvan het tegenbeeld, de doop, ons nu ook behoudt, niet die een aflegging is van de vuiligheid des lichaams, maar die een vraag is van een goed geweten tot God, door de opstanding van Jezus Christus". Wij moeten daar, door de geesten, die in de gevangenis zijn, de zielen van de bewoners van de oude wereld verstaan, die in de dagen van Petrus in de gevangenis van de hel waren, doch die in de dagen van Noach nog in hun lichamen leefden. Noach ging hun op last van de Geest van Christus prediken, en waarschuwde hen voor de aanstaanden vloed, doch zij hoorden niet naar hem, maar gingen door in hun zondige weg, totdat het water kwam en hen wegnam, behalve acht zielen, die in de ark behouden werden. Hier is de type, of het voorbeeld, en dan volgt het tegenbeeld: "Waarvan het tegenbeeld, de doop, ons nu ook behoudt."
De hoofdleer, die ik uit de woorden van de tekst voornamelijk op het oog heb, is de volgende:
Leer. Dat Christus de grote Nieuw Testamentische Ark is in Wie zondaren moeten ingaan, zullen zij behouden worden van de vloed van de goddelijke toorn".
De volgorde waarin ik met de bijstand Gods deze leer zal behandelen is de volgende.
1. Zal ik een weinig spreken over de toorn Gods, met toespeling op de algemene zondvloed.
II. Over de waarschuwingen, die God gegeven heeft, en nog geeft, aangaande de zondvloed van Zijn toorn.
III. Over Christus, als de enige Ark, waarin beveiliging is te vinden.
IV. Over de toegang, die zondaren hebben tot deze Nieuw Testamentische Ark.
V. Hoe een zondaar in deze Ark ingaat, zodat hij van de zondvloed behouden wordt.
VI. Zal ik enige gevolgtrekkingen afleiden, en het geheel toepassen.
I. Het eerste punt is, dat ik een weinig zal spreken over de toorn Gods, met toespeling op de algemene zondvloed in de dagen van Noach.
1e De zonde en boosheid van de oude wereld was de teweegbrengende oorzaak van de zondvloed: (Gen. 6:5~7) "En de Heere zag, dat de boosheid van de mens menigvuldig was op de aarde, en al het gedichtsel van de gedachten zijns harten te allen dage alleenlijk boos was. Toen berouwde het de Heere, dat Hij de mens op de aarde gemaakt had, en het smartte Hem aan Zijn hart. En de Heere zeide: Ik zal de mens, die Ik geschapen heb, verdelgen van de aardbodem, van de mens tot het vee, tot het kruipend gedierte, en tot het gevogelte van de hemel toe; want het berouwt Mij, dat Ik de mens gemaakt heb."
Nu, gelijk de zonde van de mens een watervloed heeft teweeggebracht, zo ook brengt zij de vloed van de toorn Gods teweeg, die geopenbaard wordt, of werd, tegen alle boosheid en goddeloosheid van de kinderen der mensen. Voordat de zonde in de wereld inkwam, leefden God en de mens in volmaakte vriendschap. De mens was de lieveling van de hemel, Gods onderkoning: God gaf hem heerschappij over al de werken van Zijn handen (Gen 1:28). Doch niet zodra had de mens gezondigd, of een donkere wolk van toorn begon over het hoofd van de mens te trekken, die in een stortvloed van strikken, vuur en zwavel zou zijn opgelost, tot verdelging van het gehele menselijk geslacht, was er niet de tussentreding van de tweede Adam, de eeuwige Zoon van God, geweest, Die op Zich nam de zonde van de wereld weg te nemen. Om Zijnentwil, en krachtens Zijn voldoening aan de rechtvaardigheid, werd de uitvoering van de goddelijke wraak opgeschort. Doch diezelfde vloed van toorn zal met de grootste hevigheid worden losgelaten over alle ongelovigen, die Hem en Zijn grote zaligheid verwerpen.
2e God nam de bewoners van de oude wereld niet bij verrassing, maar Hij waarschuwde hen voordat de vloed kwam en hen verdelgde. Hij handelde gedurende honderd en twintig jaren met hen door de dienst van Noach, om hen op het rechte pad te brengen, doch alles tevergeefs.
Evenzo is God lankmoedig en traag tot toorn jegens de mensenkinderen. Hij voert niet, evenals de mens, haastiglijk het oordeel uit, in grimmigheid en woede; neen, maar Hij wacht om genadig te zijn; Hij waarschuwt voor de toekomende toorn, en smeekt en bidt hen zich te bekeren van hun boze wegen. Veertig jaren heeft Hij verdriet gehad aan dat geslacht van Israël in de woestijn, totdat Hij ten laatste zwoer in zijn toorn, dat zij niet in zijn rust zouden ingaan: maar Hij wendde dikwijls Zijn toorn af, voordat het zover kwam (Ps. 78:38).
3e Toen de bestemde tijd voor de uitvoering van de bedreiging tegen de oude wereld kwam, deed God de hemelen en de aarde samenspannen tot hun verderf. want beide de fonteinen des grote afgronds werden opgebroken, en de sluizen van de hemel werden geopend (Gen. 7:11).
Evenzo kan en zal God, die de Heere der heirscharen is, en Die naar Zijn wil doet met het heir van de hemel en de inwoners van de aarde, de ganse schepping tegen onboetvaardige zondaren te wapen roepen. Hij kan de aarde bevelen haar mond te openen, en haar inwoners te verslinden gelijk zij Korach, Dathan en Abiram deed (Num. 16:31, 32); en Hij kan heirscharen van engelen, en lichtende hemellichamen, oproepen om Zijn wraak te wreken over opstandige zondaren; zoals Hij deed in het geval van Sanherib (2 Kon. 19:35), en met de Kanaänieten (Exod. 33:23).
4e De wateren van de vloed waren onweerstaanbaar. Al de inwoners van de oude wereld, konden met vereende krachten, hoewel er vele reuzen en geweldigen, mannen van naam, onder hen waren (Gen. 6:4), de stroom van de vloed niet stuiten.
Vrienden, de toorn Gods kan, wanneer die over de verachters van Christus losbreekt, door al de macht van engelen of mensen niet worden tegengehouden: "Wie heeft zich tegen Hem verhard, en vrede gehad?" (Job 9:4). "Wie zou Mij als een doorn en distel in oorlog stellen, dat Ik tegen hem zou aanvallen, en hem tegelijk verbranden zou?" (Jes. 27:4). "De stouthartigen zijn beroofd geworden; zij hebben hun slaap gesluimerd; geen van de dappere mannen hebben hun handen gevonden. Van uw schelden, o God Jacobs, is samen ruiter en paard in slaap gezonken" (Ps. 76:6,7).
5e De wateren van de zondvloed overstroomden alle schuilplaatsen waarheen de inwoners van de oude wereld zich ter beschutting wendden. Wij kunnen ons gemakkelijk voorstellen, dat zij naar de hoogste rotsen en bergen vloden, om zich tegen de wateren te beveiligen; doch de wateren rezen al hoger en hoger, en namen geheel zeer de overhand op de aarde, zodat alle hoge bergen, die onder de ganse hemel zijn, bedekt werden (Gen. 7:18—20) Er bleef geen schuilplaats voor hen over.
Evenzo is het hier gelegen. Wanneer zondaars horen, dat de toorn en wraak Gods hen vervolgen vanwege de zonde, vlieden zij tot de heuvelen en bergen van hun eigen maaksel. Sommigen nemen de toevlucht tot een berg van algemene genade; doch God vaagt die weg, want "Hij, Die hen gemaakt heeft, zal zich over hen niet ontfermen; en Die hen geformeerd heeft zal hun geen genade bewijzen" (Jes. 27:11). Sommigen vlieden tot de schuilplaats van een uitwendige belijdenis van de godsdienst, menende daar veilig te zijn; doch het water van de toorn Gods vervolgt hen ook daar, evenals de dwaze maagden met hun ledige lampen (Matth. 25:6). Anderen vluchten naar de berg van de werken van de wet; doch de vloed achtervolgt hen ook daar, want "uit de werken van de wet zal geen vlees gerechtvaardigd worden" (Gal. 2:16). Dus maakt God, dat "de hagel de toevlucht des leugens wegvaagt, en de wateren de schuilplaats overlopen" (Jes. 28:17).
6e De vloed was algemeen. Hij spaarde niemand dan hen, die in de ark waren. Evenzo zal de vloed van Gods toorn allen verdelgen, die buiten Christus zijn: "Want daar is ook onder de hemel geen andere naam die onder de mensen gegeven is, door welke wij moeten zalig worden, dan de Naam van Jezus" (Hand 4:12).
II. Ons tweede punt is, dat ik zal spreken over de waarschuwingen, die God geeft, aangaande de zondvloed van eeuwige toorn, die over alle zondaren zal komen, die zonder God en Christus zijn. Want gelijk God de oude wereld voor de watervloed heeft gewaarschuwd, zo waarschuwt Hij de inwoners van deze wereld in het bijzonder van de zichtbare Kerk, voor de toekomende toorn.
Ik zal hierbij niet stilstaan, omdat ik onlangs gelegenheid heb gehad, u naar aanleiding van Job 9:4, zeer vele bakens van de goddelijke toorn aan te wijzen die Hij in de Schriften van de waarheid heeft voorgesteld om zondaren te waarschuwen, opdat zij niet op dezelfde rotsen te pletter slaan, waarop anderen hun zielen in een hel van eeuwige toorn en ellende verpletterd hebben. Niemand kan de Bijbel lezen, of het Evangelie horen prediken, of hij moet horen van een toekomende toorn Gods over onboetvaardige zondaren: "Indien gij u niet bekeert", zegt Christus, "zo zult gij allen desgelijks vergaan" (Luk. 13:3). "God zal de kop van zijn vijanden verslaan; de harige schedel van degene, die in zijn schulden wandelt" (Ps. 68:22). Van alle soorten van zondaren, zal de toorn Gods het heetst ontbranden over de verachters van Christus en het Evangelie: "Het zal den lande van Sodom en Gomorra verdraaglijker zijn in de dag des oordeels, dan dezulken" (Matth. 10:15). Een opmerkelijk woord dienaangaande hebben wij in Hebr. 10:28: "Als iemand de wet van Mozes heeft tenietgedaan, die sterft zonder barmhartigheid onder twee of drie getuigen; hoeveel te zwaarder straf, meent gij, zal hij waardig geacht worden, die de Zoon van God vertreden heeft, en het bloed des Testaments onrein geacht heeft, waardoor hij geheiligd was, en de Geest der genade smaadheid heeft aangedaan?" Doch wij zullen nu overgaan tot
III Ons derde punt, dat is, dat wij een weinig zullen spreken over Christus, als de grote Nieuw Testamentische Ark, waarvoor God gezorgd heeft, om zondaren te verlossen van de zondvloed van Zijn toorn.
1e De ark was een middel, door God voorbereid, tot behoudenis van Noach en zijn huisgezin. Weliswaar bouwde Noach zelf de ark, doch hij deed dat geheel op Gods bevel en aanwijzing. Het zou nooit in Noachs hoofd of hart zijn opgekomen de ark te bouwen, indien God hem het plan daarvoor niet gegeven had.
Evenzo is Christus een Zaligmaker, die van God gegeven en aangesteld is. Het plan of ontwerp van de verlossing van de mens door Christus lag in het hart Gods: het is de wijsheid Gods in een verborgenheid. Mensen en engelen zouden er eeuwig voor gestaan hebben, indien hun was voorgesteld, hoe de mens, in bestaanbaarheid met de rechtvaardigheid, heiligheid, waarheid en getrouwheid Gods, van de toorn Gods en de vloek van de wet kon verlost worden. De ganse schepping riep: Bij ons is voor u geen hulp. Doch God beraamt een weg; de Zoon van God zal vlees worden, en Plaatsvervanger worden voor zondaren; door Zijn gehoorzaamheid tot de dood zal de rechtvaardigheid bevredigd en de eer van de wet hersteld worden. en "een ieder, die in Hem gelooft, zal niet verderven. maar het eeuwige leven hebben". (Ps. 118:23) "Dit is van de Heere geschied, en het is wonderlijk in onze ogen". God roemt daarin als de voornaamste van zijn wegen: (Ps. 89:20, 21) "Ik heb hulp besteld bij een Held. Ik heb een Verkorene uit het volk verhoogd, Ik heb David Mijn Knecht gevonden, met Mijn heilige olie heb ik Hem gezalfd".
2e De ark was zeer groot en ruim, zoals duidelijk is uit het verslag, dat wij daarvan hebben in Gen. 6:14-19. En het was noodzakelijk, dat zij zo was, aangezien zij de algemene ontvangplaats was, niet alleen van Noach en zijn huisgezin, maar van alle soorten van beesten, vogels en levende schepselen, die op de aarde waren, en de nodige voorraad tot hun onderhoud, gedurende ongeveer een jaar.
Doch, vrienden, de Nieuw Testamentische Ark is veel groter en ruimer dan de ark van Noach; want Die is niemand anders dan de oneindige, onbegrensde God, in de Persoon van de eeuwige Zoon van God, Die alle dingen gemaakt heeft, en draagt door het woord Zijner kracht. Gelijk er plaats en voorraad in de ark was voor alle levende schepselen van elke soort, die in de ark gingen: zo is er plaats in Christus voor allen, die willen komen; hetzij Jood of Heiden, Barbaar of Scyth, dienstbare of vrije, man of vrouw, dat is één en hetzelfde. U bent welkom, in de Nieuw Testamentische Ark in te gaan.
3e Allen, die in de ark gingen werden behouden, doch allen die niet ingingen kwamen om. Evenzo is het ook hier: "Die in Christus gelooft zal zalig worden. Maar, "die niet zal geloofd hebben, zal verdoemd worden"
4e De ark van Noach was voor het verstand van de wereld grote dwaasheid; ongetwijfeld hebben zij hem bespot en voor een grote dwaas uitgemaakt, toen hij de ark toebereidde tot de behoudenis van zijn huisgezin. Evenzo is Christus en de weg van de zaligheid door Zijn dood, "den Grieken een dwaasheid, en den Joden een ergernis" (1 Kor. 1:23).
5e Vandaar kwam het, dat slechts weinigen, dat is acht zielen, in de ark gingen en behouden werden. Zo is het ook hier: Christus wordt door de mensen veracht en verworpen, en slechts weinigen komen tot Hem (Matth. 22:14), "want velen zijn geroepen, maar weinigen uitverkoren". (Matth. 7:14) "Want de poort is eng, en de weg is nauw, die tot het leven leidt, en weinigen zijn er, die dezelve vinden".
6e Hoewel er maar weinigen in de ark behouden werden, toch was het een grote blijk van Gods liefde en welwillendheid tot de mensen, dat enigen van hen werden gespaard, toen zij allen de dood hadden verdiend. Zo is het ook hier, hoewel er maar weinigen zalig worden, nochtans is het een wonderlijk bewijs van Zijn liefde en welwillendheid tot het menselijk geslacht, dat Hij voor een Zaligmaker heeft gezorgd, en dat een overblijfsel uit de mensen door Christus wordt behouden: (1 Joh. 4:9), "Hierin is de liefde Gods jegens ons geopenbaard, dat God Zijn eniggeborenen Zoon heeft gezonden in de wereld, opdat wij zouden leven door Hem". "Alzo lief heeft God de wereld gehad, dat Hij Zijn eniggeborenen Zoon gegeven heeft, opdat een iegelijk, die in Hem gelooft, niet verderve, maar het eeuwige leven hebbe".
7e Nadat de ark ongeveer zeven maanden op de wateren gedobberd had, rustte zij eindelijk op de bergen van Ararat (Gen. 8:4). Zo ook Christus, onze Nieuw Testamentische Ark, nadat Hij in deze wereld gezworven had, en Hem in Zijn Naam, Persoon, wonderen en bediening geen rust was gelaten, rustte Hij van Zijn werk en Zijn strijd in Zijn opstanding en hemelvaart; nadat Hij geleden had, ging Hij in Zijn heerlijkheid in (Luk. 24:26). Het werk voleindigd hebbende, dat Hem de Vader gegeven had om te doen, vond Hij rust in de hemel, en kwam Hij weer in het bezit van die heerlijkheid, die Hij bij de Vader had, eer de wereld was (Joh. 17:4,5).
8e Zij die in de ark behouden werden, namelijk Noach en zijn gezin, werden erfgenamen van een nieuwe wereld. Zo ook worden allen, die door het geloof in Christus worden behouden, erfgenamen van God en de heerlijkheid, en "wedergeboren tot een levende hoop; tot een onverderfelijke, en onbevlekkelijke, en onverwelkelijke erfenis, die in de hemelen bewaard is" (1 Petr. 1:3,4).
9e Noach en zijn huisgezin kregen, nadat zij door de ark behouden waren, een belofte, "dat er geen vloed meer zijn zou, om de aarde te verderven," en tot een teken daarvan werd de boog in de wolken gegeven.
Zo ook zijn allen, die tot Christus vlieden, door Gods verbond en belofte beveiligd tegen de toorn en de vloek van God: (Rom. 8:1) "Zo is er dan nu geen verdoemenis voor degenen, die in Christus Jezus zijn". (Jes. 54:10-12) "Want bergen zullen wijken, en heuvelen wankelen, maar Mijn goedertierenheid zal van u niet wijken, en het verbond Mijns vredes zal niet wankelen, zegt de Heere uw Ontfermer. Gij verdrukte, door onweder voorgedrevene, ongetrooste, ziet Ik zal uw stenen gans sierlijk leggen, en Ik zal u op saffieren grondvesten. En uw glasvensters zal Ik kristallijnen maken, en uw ganse landpalen van aangename stenen". Wij lezen in Openb. 4:3 van een regenboog rondom de troon van Christus, met zinspeling op het verbond met Noach aangaande de vloed.
10e Alle soorten van schepselen, reine en onreine, werden zonder onderscheid in de ark toegelaten. De ark stond voor allen open.
Zo is het ook nu, onder het Nieuwe Testament, sedert de komst van Christus in het vlees, wordt het Evangelie van de genade van God zonder onderscheid aan Joden en heidenen gepredikt. Wel is waar, dat vóór de dood van Christus, en gedurende Zijn persoonlijke bediening op aarde, de arme heidenen uitgesloten waren, en werden de discipelen, toen zij werden uitgezonden om het Evangelie te prediken, alleen gezonden tot de steden van de Joden, en werd hun geboden niet op de weg van de heidenen te gaan (Matth. 10:5), noch in enige stad van de Samaritanen in te gaan; doch na Zijn dood en opstanding wordt hun opdracht uitgebreid, en wordt de deur voor alle volkeren opengezet: (Mark. 16:15) "Ga heen in de gehele wereld, predikt het Evangelie allen creaturen". Het is ook waar, dat de apostelen, zelfs na de opstanding van Christus en de uitstorting van Zijn Geest in Zijn buitengewone gaven. de opdracht om het Evangelie aan alle mensen te prediken niet konden aannemen; zij gingen voort met alleen aan de Joden te prediken, (Hand. 10:19) totdat zij van hun dwaling werden genezen door het gezicht, dat Petrus kreeg, van de dieren van de aarde, beide reine en onreine, (Hand. 10) en doordat de Heilige Geest op de heidenen viel, zowel als op de Joden. Daarop begonnen zij overeenkomstig hun opdracht, het Evangelie aan allen zonder onderscheid te prediken, en toen de Joden het Evangelie afwezen, keerden de apostelen zich tot de heidenen (Hand. 13:43,49). Zodat ik zeg, dat, gelijk Noach reine en onreine dieren in de ark liet komen, om behouden te worden van de zondvloed; zo ook onze grote Nieuw Testamentische Ark open staat voor zondaren van elke soort en grootte. Allen, die afstammen van de eerste Adam, zijn welkom bij de tweede Adam: (Spr. 8:4) "Tot u, o mannen, roep ik, en Mijn stem is tot der mensen kinderen". Doch dit leidt mij tot:
IV. Het vierde punt, dat was, dat wij een weinig zullen spreken over de deur van toegang tot de Nieuw Testamentische Ark.
De ark van Noach stond open voor alle creaturen, die niet konden leven in de wateren, die de aarde bedekte zolang de zondvloed duurde; want als zij gesloten was geweest, had geen schepsel in haar kunnen ingaan en behouden worden.
Evenzo zou, als er geen weg of deur van toegang tot Christus was, geen vlees behouden kunnen worden. Doch wij verkondigen u grote blijdschap. Christus is een algemene Ark, een algemene Zaligmaker, voor zondaren van het menselijk geslacht. Om arme verloren gaande zondaren te bemoedigen zal ik u verscheidene deuren noemen, waardoor u door het geloof in de Nieuw Testamentische Ark kunt ingaan, opdat u niet in de zondvloed mag omkomen.
1e De deur van de openbaring van Christus, als een Zaligmaker, die in de wereld gekomen is. Wat is het oogmerk van de ganse Schrift, van het begin tot het einde anders, dan Christus aan de kinderen der mensen bekend te maken, opdat zij in Hem zullen geloven, om verlost te worden van de toekomende toorn? (Joh. 20:31) "Deze dingen zijn geschreven, opdat gij gelooft, dat Jezus is de Christus, de Zoon van God, en opdat gij gelovende het leven hebt in Zijn Naam". (Joh. 5:39) "Onderzoekt de Schriften, want gij meent in dezelve het eeuwige leven te hebben, en die zijn het, die van Mij getuigen". Vrienden, Christus is u, gelezen en gepredikt, voor de ogen geschilderd geweest, Zijn ganse gerechtigheid en zaligheid is u voorgesteld, en nabij u gebracht; en waartoe anders dan, dat u gebruik van Hem zult maken tot al de doeleinden van de zaligmakende ambten? Zij, die de Bijbel en het gepredikte Woord niet hebben, zullen het niet zo zwaar te verantwoorden hebben dan u, tot wie het Woord van God en het Evangelie van de zaligheid gezonden is: (Rom. 10:14) "Want hoe zullen zij geloven in Hem van Welke zij niet gehoord hebben? En hoe zullen zij horen zonder die hun predikt?" Doch dit is niet het geval met u; want Christus is nabij u, in uw mond en in uw hart. Dit is het woord des geloofs hetwelk wij prediken (Rom. 10:8). Zodat de openbaring van Christus een deur van het geloof is voornamelijk wanneer wij u uit Christus’ Eigen mond verklaren, "dat Hij niet in de wereld gezonden is, opdat Hij de wereld veroordelen zou, maar opdat de wereld door Hem zou behouden worden." (Joh. 3:17).
2e De vleeswording van de Zoon van God, of Zijn aannemen van onze natuur in een persoonlijke vereniging met Zijn goddelijke natuur, is een gezegende deur van het geloof voor een verloren gaande zondaar van Adams geslacht. Dit wordt de gehele Schrift door voorgesteld tot een grond van het geloof. Het was het eerste wat Adam en Eva terstond na de val werd voorgesteld, toen zij onder ontzaglijke bevattingen waren van dadelijk te zullen sterven, in die belofte (Gen. 3:15), dat het Zaad van de vrouw de slang de kop zou vermorzelen. Zij moesten geloven, dat de Zoon van God, Die tot hem sprak, in de volheid des tijds, het Zaad van de vrouw zou worden, of in het vlees zou komen, om hun twist te wreken. Het geloof hiervan kalmeerde en stilde hen, omdat zij hierin zagen, dat God aan hun zijde was. Zo ook in de belofte aan Abraham gedaan werd hem en zijn nakomelingschap de menswording van de Zoon van God voorgesteld: (Gen. 22:18) "In uw Zaad zullen gezegend worden alle volken der aarde". De apostel geeft hiervan de volgende verklaring: (Gal. 3:16) "Hij zegt niet: En de zaden, als van velen, maar als van één; En uw Zaad, hetwelk is Christus." Overal in de Schrift, waar deze twee beloften meer volledig worden ontsloten, vinden wij, dat de vleeswording van de Zoon van God als een grond van geloof en hoop aan de Kerk van God wordt voorgesteld. David spreekt in de Psalmen dikwijls van Hem als mens, (Ps. 8:5 vergeleken met Hebr. 2:6) de Zoon des mensen, en de Man van Gods rechterhand (Ps. 80:18). Jesaja spreekt van Hem (Hoofdst. 9:5) als een Kind, dat ons geboren is, hoewel Zijn Naam tevens is: Sterke God; en in hfdst. 53:3, als "een Man van smarten en verzocht in krankheid". Jeremia spreekt van hem, als een Spruite der gerechtigheid (Hoofdst. 30:15), Die zou voortkomen uit de wortel van Isaï (Jes. 11:1). Bijna overal in het Nieuwe Testament wordt Hij voorgesteld als het vleesgeworden Woord (Joh. 1:14); geworden uit een vrouw (Gal. 4:4); het Zaad van de vrouw, geboren uit een maagd (Matth. 1:16); Die "niet de natuur van de engelen, maar het zaad Abrahams aanneemt" (Hebr. 2:16). Wanneer Hij van zichzelf spreekt, noemt Hij Zich door al de Evangeliën heen meer bij Zijn menselijke, dan bij Zijn goddelijke natuur, "de Zoon des Mensen". Ik houd het er voor, dat een bijzondere reden hiervan is, omdat het geloof van zondaren zich niet kan bepalen of vastzetten op Zijn goddelijke natuur, dan krachtens Zijn menselijke natuur. De hand van het geloof grijpt de zoom van de menselijke natuur aan, om daardoor, als het ware, de goddelijke natuur mee te trekken, wetende, dat de persoonlijke vereniging van die twee naturen niet kan worden ontbonden. Dat hier een algemene grond van het geloof wordt gelegd voor alle mensen, die over de grote verborgenheid der godzaligheid, God geopenbaard in het vlees, horen spreken, blijkt duidelijk, als wij overwegen, dat Christus niet de persoon, maar de natuur van de mens heeft aangenomen. De natuur van de mens is evengelijk verwant aan iedere man en vrouw, die een wezenlijk lichaam en een redelijke ziel bezit. Zodat iedereen, die van Hem hoort, gerechtigd is te zeggen: Deze is mijn Broeder, been van mijn been, en vlees van mijn vlees", evenals Adam van Eva zeide, toen zij tot hem gebracht werd, en daarom een Hulp voor mij. O vrienden, overweegt dit, en denkt daarover na. Christus is uit kracht van Zijn menswording onze Goël of Losser; Hij is onze bloedverwant, en Hij is uw vlees deelachtig geworden, opdat Hij zo bekwaam mocht wezen voor te u doen, wat niemand anders van het menselijk geslacht doen kon, namelijk u door Zijn bloed te verlossen, en door de dood de kop van de slang te vermorzelen. Is dit niet een edele grond van geloof, hoop en vertrouwen in hem? O vrienden! Gaat in en betrekt de Nieuw Testamentische Ark, door deze deur van Zijn vleeswording, en maakt aanspraak op Hem als de uwe, door een toeëigenend geloof, zeggende met de Kerk: "een Kind is mij geboren, een Zoon is mij gegeven". Deze leer werd bij de geboorte van Christus door de engelen overgeleverd, als een verkondiging van grote blijdschap, die al den volke wezen zal (Luk. 2:10,11). Zij zeggen daar niet tot de Herders: dat ons, maar, "dat u heden geboren is de Zaligmaker, welke is Christus de Heere."
3e Een andere deur, waardoor het geloof in de Nieuw Testamentische Ark kan ingaan, is de gehoorzaamheid van Christus aan de wet, die geschonden, verbroken en onteerd was door de zonde van de eerste Adam en al zijn nakomelingen. Tot recht verstand hiervan moet u weten, dat de voorwaarde waarop aan Adam, en het ganse menselijk geslacht in hem, het leven was beloofd, volmaakte gehoorzaamheid aan het gebod van de wet was: (Lev. 18:5 en Gal. 3:12) "De mens, die deze dingen doet, zal door dezelve leven". Als Adam in zijn gehoorzaamheid was gebleven, zouden hij en zijn nakomelingschap recht hebben gehad op het tijdelijk, geestelijk en eeuwig leven, als een schuld, die hun verschuldigd was, niet krachtens de innerlijke verdienste van zijn gehoorzaamheid, maar krachtens het verbond der werken. Doch de mens, die in waarde was, bleef niet. Hij verbrak het verbond door van de verboden vrucht te eten, en de tanden van al zijn kinderen zijn stomp geworden; het bedenken van hun vlees is vijandschap tegen God, want het onderwerpt zich aan de wet Gods niet. Hierdoor hebben zij hun recht op het leven, dat in het eerste verbond beloofd was, verloren, en zijn zij onder het vonnis des doods gevallen. Tenzij nu de eer van de wet hersteld wordt door een volmaakte gehoorzaamheid, aan haar opgebracht door de mens, of door iemand in de menselijke natuur, staat dit, als een eeuwige sluitboom, het leven en de zaligheid van alle mensen in de weg. Wel, Christus, de eeuwige Zoon van God, heeft op Zich genomen, als Losser en Borg van de mens, de verbroken wet te herstellen, zeggende tot Zijn Vader; Ps. 40:8, 9 vergeleken met Hebr. 10:7) "Zie, Ik kom, in de rol des boeks is van Mij geschreven. Ik heb lust, o mijn God, om Uw welbehagen te doen, en Uw wet is in het midden mijns ingewands". Alsof Hij zeide: "Laat in deze zaak Mijn oor in uw dienst doorboord worden, want het is het vast besluit van Mijn hart, alle gerechtigheid te vervullen, die de wet van alle mensen als zondaren eist." Dienovereenkomstig is Hij, in de volheid des tijd niet alleen geworden uit een vrouw, maar ook geworden onder de wet (Gal. 4:4), en heeft Hij in onze plaats de wet verhoogd en verheerlijkt. Hierdoor zijn alle wettelijke hinderpalen en beletselen, die, van de zijde van het gebod van de wet, de zaligheid en het leven in de weg stonden, weggenomen, en is de wet even volkomen voldaan alsof zij nooit was verbroken geworden, en het recht tot het leven tot stand gekomen in de persoon van ons aller Losser en bloedverwant. Terwille hiervan is Zijn gerechtigheid en Zijn heil bekendgemaakt, en tot allen nabij gebracht, zelfs tot de stijven van hart, en die ver van de gerechtigheid zijn (Jes. 46:12,13). In de 40e Psalm ziet u, dat Hij, nadat Hij in de Raad des vredes tot Zijn Vader had gezegd: Ik heb lust, o mijn God, om Uw welbehagen te doen, en Uw wet is in het midden Mijns ingewands", er onmiddellijk op laat volgen: (vs 10,11) "Ik boodschap de gerechtigheid in de grote gemeente, ziet, Mijn lippen bedwing Ik niet, Heere, Gij weet het. Uw gerechtigheid bedek Ik niet in het midden Mijns harten, Uw waarheid en Uw heil spreek ik uit: Uw weldadigheid en Uw trouw verheel ik niet in de grote gemeente". Zo ziet u, dat allen, aan wie het Evangelie wordt gepredikt, recht van toegang hebben tot Zijn gerechtigheid of gehoorzaamheid aan de wet. Wie zij ook zijn, die in Hem als de Heere onze gerechtigheid geloven, zij gaan in de Nieuw Testamentische Ark, en worden behouden van de zondvloed van de toorn Gods. "Zo is er dan nu geen verdoemenis voor degenen, die in Christus Jezus zijn" (Rom. 8:1,3,4), omdat het recht van de wet in hen vervuld is; en (Rom. 10:4) Christus hun het einde der wet wordt tot rechtvaardigheid. Hierom zegt de apostel: (2 Kor. 5:19,21) "God was in Christus, hun zonden hun niet toerekenende. Want Dien, Die geen zonde gekend heeft, heeft Hij zonde voor ons gemaakt, opdat wij zouden worden rechtvaardigheid Gods in Hem".
4e De dood van Christus, of Zijn verzoend bloed, is een andere deur waardoor arme zondaren in de Nieuw Testamentische Ark ingaan, en behouden worden van de zondvloed van goddelijke toorn. Er staat geschreven (Hebr. 12:24) dat wij door het geloof "komen tot het bloed der besprenging", en (Hoofdst. 10:19) "ingaan in het heiligdom door het bloed van Jezus". In de uitdeling van het Evangelie wordt Christus als gekruist zijnde klaarblijkelijk voorgesteld (Gal. 3:1). Daarom zegt de apostel tot de Korinthiërs: (1 Kor. 2:2) "Want ik heb niet voorgenomen iets te weten onder u, dan Jezus Christus en Die gekruisigd ". Christus zegt, over Zijn dood sprekende (Joh. 12:32) "En ik, zo wanneer ik van de aarde zal verhoogd zijn, zal ze allen tot Mij trekken" En wat was, dienovereenkomstig, toen de apostelen de landen doorreisden, predikende het Evangelie, de grote zaak waarop zij altijd weer aandrongen? "Wij", zegt Paulus, "prediken Christus de Gekruisigde, den Joden wel een ergernis, en den Grieken een dwaasheid: maar hen, die geroepen zijn, beiden Joden en Grieken, prediken wij Christus de Kracht Gods, en de Wijsheid Gods" (1 Kor. 50:23,24).
Om dit stuk van de dood van Christus als een grond van het geloof op te helderen, moet u weten, dat er drieërlei genoegzaamheid in de dood van Christus is.
1. Een innerlijke genoegzaamheid, ontstaande uit de oneindige waardigheid van Zijn Persoon, Die leed, zijnde de oneindige God in de Persoon van de Zoon, bekleed met een voorhangsel van vlees. In dit opzicht was er zo’n waarde in Zijn dood en in Zijn bloed, dat het genoegzaam was, om niet alleen, als het zo verordineerd was, het ganse menselijk geslacht, maar tien duizend werelden te verlossen, verondersteld, dat die bestonden en gevallen waren.
2. Dan is er een verordineerde genoegzaamheid, waardoor de dood en de voldoening van Christus tot de uitverkorenen is beperkt. In dit opzicht verklaart Christus, dat Hij Zijn leven aflegt voor de schapen. (Joh. 10:15).
3. Ook is er een wettelijke genoegzaamheid, waardoor de wet en haar wettige straf ten volle genoegdoening heeft ontvangen: zodat noch de wet, noch de rechtvaardigheid, op enigerlei wijze een hinderpaal of een beletsel is voor de zaligheid van een zondaar, die in Hem gelooft. Integendeel, op hetzelfde ogenblik, dat een zondaar in Hem gelooft, worden alle beschuldigingen, die de wet en de rechtvaardigheid tegen de arme zondaar kunnen inbrengen, ingetrokken, of vernietigd.
Wanneer wij nu over de dood van Christus als een grond van het geloof spreken, trekken wij ons geheel af van de verordineerde genoegzaamheid daarvan voor de uitverkorenen. Dit toch kan, als behorende tot de verborgen dingen, die voor de Heere onze God zijn (Deut. 29:29), nooit voor enig mens, neen, zelfs niet voor de uitverkorenen, een geloofsgrond zijn, dat Christus voor de uitverkorenen is gestorven. Een mens diende dan zijn verkiezing te weten voordat hij zou mogen geloven; hetgeen volstrekt onmogelijk is, aangezien onze verkiezing van God alleen gekend kan worden door de roeping van het Evangelie te gehoorzamen; waarom ons in 2 Petr. 1:10 wordt geboden, ons te benaarstigen, onze roeping en verkiezing vast te maken. Aangezien het dan niet de verordineerde genoegzaamheid van de dood van Christus is, die wij moeten prediken, welke ons tot de verborgen besluiten Gods zou afvoeren, die niet voor ons zijn, moet het noodzakelijk de innerlijke en wettelijke genoegzaamheid van de dood van Christus zijn, die als de grond van het geloof van zondaren van het menselijk geslacht moet worden voorgesteld. Vandaar zijn die algemene en uitgebreide uitdrukkingen in de Schrift: (Joh. 1:29) "Ziet het Lam Gods. dat de zonde der wereld wegneemt; (Joh. 2:2) "Hij is een Verzoening voor onze zonden, en niet alleen voor de onze, maar ook voor de zonden van de gehele wereld;" (1 Tim. 4:10) "Die een Behouder, (Eng Overz. de Zaligmaker) is aller mensen, maar allermeest van de gelovigen." Alle mensen hebben zo’n belang bij de dood en de voldoening van Christus, als de duivelen niet hebben. Ja, overwegende, dat de menselijke natuur door Hem geofferd is, en dat alle mensen aan Hem verwant zijn door Zijn aanneming van de menselijke natuur, is het onmogelijk te begrijpen hoe niet alle mensen, voornamelijk de hoorders van het Evangelie, belang zouden hebben bij Zijn dood; ik meen, een zodanige, dat hen machtigt in het geloof te zeggen: "Hij heeft mij liefgehad, en zichzelf voor mij overgegeven" (Gal. 2:20); "Hij is overgeleverd om onze zonden" (Rom. 4:25); "Hij is om onze overtredingen verwond, om onze ongerechtigheden is Hij verbrijzeld" (Jes. 53:5). Naar mijn gedachte wordt hierom van de dood van Christus en de weldaden, die daaruit voortvloeien, gezegd, dat het een vette maaltijd is voor alle volken, een maaltijd van reine wijn, van vet vol mergs, van reine wijnen, die gezuiverd zien (Jes. 25:6). Dit is het dode lichaam, daar al de hongerige arenden van het menselijk geslacht zullen vergaderd worden (Matth. 24:28). Hierom worden de armen. de verminkten, de kreupelen, en de blinden, die in de wegen en heggen liggen, genodigd, ja gedwongen, in te komen, en met Hem avondmaal te houden" (Luk. 14:21, 23).
5e De grote en dierbare beloften van het verbond der genade, voornamelijk de volstrekte beloften, aan welke generlei voorwaarden verbonden zijn, zijn een andere deur waardoor het geloof ingaat in de nieuwtestamentische Ark, en de ziel behouden wordt van de zondvloed van goddelijke toorn. Een belofte van Christus was de eerste deur, die terstond na de val voor Adam en Eva werd geopend: (Gen. 3:15) "Datzelve," namelijk het zaad van de vrouw, "zal u," namelijk de slang, "de kop vermorzelen." Op dezelfde wijze werd de deur voor Abraham geopend: (Gen. 21:18) "En in uw Zaad zullen gezegend worden alle volken der aarde." En, in dat beloofde Zaad, "zal Ik u zijn tot een God en uw zaad na u" (Hoofdst. 16:7). Al de andere beloften zijn zoveel stromen en beekjes van genade, die uit de baarmoeder van deze twee beloften voortvloeien, zoals deze: (Jes. 44:3) "Want Ik zal water gieten op de dorstige, en stromen op het droge;" (Jer. 24:7) "En ik zal hun een hart geven om Mij te kennen, dat ik de Heere ben:" (Ezech. 36:25-27) "Dan zal Ik rein water op u sprengen, en gij zult rein worden; van al uw onreinigheden en van al uw drekgoden zal Ik u reinigen. En Ik zal u een nieuw hart geven, en zal een nieuwen geest geven in het binnenste van u; en Ik zal het stenen hart uit uw vlees wegnemen, en zal u een vlesen hart geven. En Ik zal Mijn Geest geven in het binnenste van u; en Ik zal maken, dat gij in Mijn inzettingen zult wandelen, en Mijn rechten zult bewaren en doen." (Hos. 14:5), "Ik zal hunlieder afkeringen genezen, Ik zal ze vrijwillig liefhebben." Nu, het is uit kracht van deze grote en dierbare beloften van het nieuwe verbond, dat wij Christus, en Zijn gerechtigheid en volheid, aannemen en toepassen, zoals onze voortreffelijke geloofsbelijdenis het zo uitnemend uitdrukt. Daarom noem ik deze belofte Gods een deur door welke wij in de Nieuw Testamentische Ark ingaan.
Om dit stuk verder op te helderen, moet u deze volgende bijzonderheden weten en overwegen.
1. Vanaf de val van de mens, en de ontdekking van het voornemen van Zijn genade, heeft God, zoals wij zo juist hebben duidelijk gemaakt, met de mens gehandeld door een vrije en vrijwillige belofte.
2. De waarheid en getrouwheid van God is in Zijn belofte verbonden, eerst, onmiddellijk aan Christus als het Verbondshoofd, en in Hem, uit Hem, en door Hem, aan ons geschonken en toegediend. God zou nooit een belofte aan iemand van het geslacht van Adam hebben gedaan, als Hij niet op Zich had genomen de verbroken wet te vervullen en de rechtvaardigheid voor de zonde van de mens te bevredigen. Op die voorwaarde wordt God een belovend God aan Christus. en aan ons om Zijnentwil; daarom wordt gezegd, dat al de beloften Gods in Hem zijn. Christus heeft de voorwaarde van al de beloften vervuld, en daardoor worden zij ons om niet, zonder geld en zonder prijs aangeboden.
3. Het wezenlijk doel van een belofte is, dat zij geloofd en vertrouwd zal worden als een waarborg voor hen aan wie zij gedaan en geschonken is. Als zij geloofd en er op vertrouwd wordt, ontvangen wij de weldaad die in haar beloofd wordt, doch indien zij niet geloofd wordt, wordt zij verworpen, en is de belover niet gebonden, maar is hij vrij van elke verplichting, die uit zijn belofte voortvloeit. Indien u, of ik, een wissel of obligatie voor de betaling van een zeker bedrag aan iemand afgeeft, en hij aan wie die wissel of obligatie is overgedragen, dat geld niet wil hebben, is hij die hem heeft afgegeven vrij, en niet meer onder enige verplichting. Evenzo is het in het onderhavige geval. God schenkt ons de weldaad van Zijn belofte en tekent die tot des te meerdere zekerheid in de Schrift aan, en is door Zijn getrouwheid verbonden de belofte te vervullen aan een iegelijk die Zijn wissel aanneemt, en ter betaling aanbiedt aan de troon der genade, en Christus gebruikt als Zijn Advocaat om zijn zaak te behartigen. Doch hij, die Gods belofte afwijst, haar als een ongenoegzame zekerheid verwerpt, of verzuimt betaling te vragen, of Christus niet als zijn Advocaat gebruikt, verliest de weldaad van de belofte, en beledigt de God van waarheid, alsof Zijn belofte niet de minste waarde had. En is het dan te verwonderen, dat God zo iemand doet weten, dat hij Zijn belofte geschonden heeft? Nochtans zal Zijn getrouwheid niet falen, want God is waarachtig, maar alle mensen leugenachtig (Rom. 3:4).
4. Om het ongeloof elke gelegenheid af te snijden zijn de beloften in het algemeen aan het ganse geslacht van Adam, en voornamelijk aan de ganse zichtbare Kerk gericht en overgedragen: (Luk. 2:10) "Ik verkondig u grote blijdschap, die al den volke wezen zal". De belovende stem van de wijsheid is tot mensen en tot der mensen kinderen: "Tot u is het woord van deze zaligheid gezonden". De apostel Petrus, predikende voor een schare van mensen, die hun handen gebaad hadden in het bloed van Christus, roept hen tot bekering: (Hand. 2:38) "Bekeert u, en een iegelijk van u worde gedoopt in de Naam van Jezus Christus, tot vergeving der zonden". En om hun de weg te wijzen tot bekering, ontdekt hij hen de barmhartigheid Gods in Christus, door hun de belofte van vergeving in het bloed van de Messias, dat zij vergoten hadden, voor te stellen: (vs. 39) "Want u komt de belofte toe, en uw kinderen, en allen die daar verre zijn, zo velen als er de Heere uw God toe roepen zal". Wat Petrus tot zijn hoorders zeide, dat zeg ik tot een ieder van u: "U komt de belofte toe, en uw kinderen". En zoals de apostel de Hebreeën zegt, (Hebr. 4:1) is de belofte u als Gods vrijbrief voor het goede land van de heerlijkheid nagelaten. Evenals Gods belofte aan Israël als een waarborg of vrijbrief voor het land Kanaän werd gegeven, zo ook is de belofte Gods ons onderpand voor het eeuwige leven; "laat ons dan vrezen, dat niet te eniger tijd, de belofte van in Zijn rust in te gaan nagelaten zijnde, iemand van u schijne achtergebleven te zijn". Doch gelijk dat geslacht van mensen, dat uit Egypte kwam, niet kon ingaan vanwege hun ongeloof; evenzo zijn er velen, velen, die nooit in het land van de heerlijkheid, dat boven is, zullen ingaan vanwege hun ongeloof. Zij hebben een goed recht, maar zij verliezen het voordeel van dat recht evenals de Israëlieten, omdat zij in God niet geloofden en op Zijn heil niet vertrouwden (Ps. 78:22); zodat u ziet, dat de belofte een deur is om de in Ark in te gaan. O sluit de deur van het geloof niet voor uzelf toe, opdat God die ook niet sluit, en in Zijn toorn zweert, dat u niet zult ingaan, maar in de zondvloed zult omkomen.
Tegenwerping. "Ik twijfel nog steeds of ik wel recht heb de belofte aan te nemen: ik ben bevreesd, dat ik mij aan vermetelheid zal schuldig maken".
Antwoord. Het kan nooit vermetelheid zijn te doen wat God u gebiedt, "en dit is Zijn gebod, dat wij geloven in de naam Zijns Zoons Jezus Christus". Als de belofte u, en allen aan wie zij geopenbaard is, niet toekomt als een grond van het geloof, is het onmogelijk te verstaan, hoe een ongelovige God tot een leugenaar kan maken (Joh. 5:10) door haar niet te geloven; want niemand is verplicht een belofte te geloven, die hem niet gedaan is.
6e Een andere deur, waardoor het geloof in de Nieuw Testamentische Ark ingaat, is de gift van de Vader van Christus aan het verloren mensdom. Er is zo’n gift van Christus in het Woord, die een ieder die het leest machtigt, Christus en al Zijn verworven heil voor zichzelf in het bijzonder aan te nemen, toe te eigenen, toe te passen, en zich in Hem als zijn Eigendom te verheugen; (Jes. 55:4) "Ziet, Ik heb Hem tot een Getuige der volken gegeven, een Vorst, en Gebieder der volken; (Jes. 42:6) "Ik zal U geven tot een Verbond des volks, tot een Licht der heidenen; (Jes. 49:6) "Ik heb U ook gegeven tot een Licht der heidenen, om Mijn Heil te zijn tot aan het einde der aarde;" (Joh 3:16) "Alzo lief heeft God de wereld gehad, dat Hij Zijn eniggeborenen Zoon gegeven heeft, opdat een iegelijk, die in Hem gelooft, niet verderve, maar het eeuwige leven hebbe." (Joh. 6:32) "Mijn Vader geeft u dat ware brood uit de hemel." (Jes. 9:5) "Want een kind is ons geboren, een Zoon is ons gegeven." Uit deze, en uit vele andere Schriftuurplaatsen blijkt, dat er zo’n algemene gift of schenking van Christus aan zondaren van het menselijk geslacht is, die een ieder veroorlooft en machtigt Christus aan te nemen, van Hem gebruik te maken en Hem toe te passen, tot al de einden waartoe Hij gegeven is: tot wijsheid, rechtvaardigheid, heiligmaking en verlossing. Niemand twijfelt aan Zijn recht om een gift aan te nemen, die hem wordt aangeboden, en hem bovendien geboden wordt, die aan te nemen. Wij hebben een spreekwoord, dat veel onder ons in zwang is: "‘Dat mag je hebben’, zou een dove doen horen." Het bewijst, dat er onder mannen en vrouwen een wonderlijke verdwaasdheid is, dat zij zo gretig naar een gift van het goed van deze wereld grijpen, en zo traag zijn in het aannemen van de onuitsprekelijke gave Gods, die hen voor de tijd en voor de eeuwigheid te pas komt. Als ik dit huis vol goud en zilver had om onder u uit te delen en rond te strooien, en ik nodigde iedere man en elke vrouw, jong en oud, zoveel te komen halen als zij nodig hebben; ik ben er zeker van, dat er in dat geval maar weinigen, of geen zouden wezen, die zouden achterblijven, iedereen zou de anderen voorbijstreven, om aan te nemen of te vergaderen. Wel vrienden, waarom zo vooraan om wereldse rijkdommen te verkrijgen, die zich vleugelen maken en wegvliegen, en toch te weigeren Christus en Zijn onnaspeurlijke rijkdommen aan te nemen. die wij onder u rondstrooien in de uitdeling van het Woord! Hier is de grote gave van de hemel, zonder geld of prijs. Hier is de genadegift van het leven, "want die de Zoon heeft, die heeft het leven" (1 Joh. 5:12). Hier is de gave van de rechtvaardigheid. die u recht zal geven op God, de hemel, de heerlijkheid en al het goede van het verbond. Hier wordt gegeven, goud beproefd komende uit het vuur (Openb. 3:18), dat noch mot noch roest verderft (Matth. 6:20). Hier is het beste kleed (Luk. 15:22); witte klederen, klederen, die niet verouderen. Hier is de koophandel van de wijsheid die beter is dan de koophandel van zilver, en haar inkomsten dan het uitgegraven goud (Spr. 3:14).
U in het bijzonder, die jongelingen en kinderen bent, u verlangt misschien naar de dag van morgen, zijnde de eerste maandag en de eerste dag van het Nieuwe Jaar 1750, om van uw vrienden en bekenden uw nieuwjaarsgift te vragen. Ik wil u vooraf mijn raad geven, en dat is, dat u, voordat u naar iemand toe gaat om iets te vrager, eerst naar God gaat, "Die een ieder mild geeft, en niet verwijt" (Jak. 1:5), om uw nieuwjaarsgift van Hem te vragen.
Vraagt u: Wat zullen wij van Hem vragen? Wilt u ons woorden in de mond geven?
Dan is mijn antwoord: Ik zal u zeggen wat u voor uw nieuwjaarsgift van Hem moet begeren. Ga tot God en zeg: "Heere, geef mij genade het nieuwe jaar tot Uw eer, en tot mijn eeuwig welzijn en voordeel te gebruiken, als U mij wilt sparen. Heere, geef mij Uzelf om mijn God en mijn Deel te zijn in eeuwigheid, want U hebt gezegd: Ik ben de Heere uw God. Heere, geef mij Christus, en laat Hij mijn Profeet, Priester en Koning, Borg, Middelaar en Voorspraak wezen. Heere, geef mij Uw Geest, want Gij zult de Heilige Geest geven aan degenen die Hem bidden. Heere, geef mij een nieuw hart, en een nieuwe geest, want U hebt die beloofd: Heere, geef mij een hart om U te kennen, dat Gij de Heere zijt; Heere, geef Uw vrees in mijn hart, dat ik niet van U afwijk. Heere, vergeef mij al mijn zonden, en leid mij niet in verzoeking, maar verlos mij van alle kwaad, voornamelijk van het kwaad van de zonde, dat die gruwelijke zaak is, die U haat. Heere, leer mij hoe ik aan mijn hoofddoel zal beantwoorden, hoe ik U hier zal verheerlijken zodat ik U eeuwig hiernamaals zal mogen genieten.
Ik zeg dan, gaat in de morgen van de Nieuwjaarsdag tot God, en begeert deze en dergelijke dingen van Hem als uw nieuwjaarsgift. Om u aan te moedigen vurig te zijn in uw smeken, overweegt: (1) Deze giften van de ziel zijn veel beter dan al wat uw vrienden u kunnen geven.
(2.) Uw God is mild, en meer genegen te geven, dan u bent om te vragen. Christus zegt: "Tot nog toe hebt gij niet gebeden in Mijn Naam; bidt en gij zult ontvangen." Uw hemelse Vader heeft een volle hand en een vrijwillig hart: "Bidt, en u zal gegeven worden; zoekt, en gij zult vinden; klopt, en u zal opengedaan worden." (3.) De Heere heeft graag, dat jonge kinderen naar Hem toe komen: (Ps. 34:12) "Komt, gij kinderen, hoort naar Mij, ik zal u des Heeren vreze leren". (Spr. 8:17) "Ik heb lief, die Mij liefhebben, en die Mij vroeg zoeken, zullen Mij vinden". (4.) Gods nieuwjaarsgift zal u van alles voorzien, wat u voor uw ganse leven, ja voor de eeuwigheid nodig hebt. De zaligmakende genade, die Hij geeft, zal Hij nooit terugnemen, "want de genadegiften en de roeping Gods zijn onberouwelijk’ (Rom. 11:29). Houdt maar bij de Heere aan, en laat u niet afwijzen; zegt als Jacob: (Gen. 32:26) "Heere, ik zal U niet laten gaan, tenzij dat Gij mij zegent"; en vraagt alles wat u van God begeert om Christus’ wil; want Christus zegt: "Zo gij iets begeren zult in Mijn Naam, Ik zal het doen". En wordt niet ontmoedigd, al krijgt u niet dadelijk wat u vraagt, maar gaat weer, en telkens weer tot Hem. Als u uw nieuwjaarsgift de eerste dag niet krijgt, gaat de volgende dag weer, en houdt aan in de gebed, en u zult de Heere vinden; want Hij heeft gezegd: (Jer. 29:12,13) "Dan zult gij Mij zoeken en vinden, wanneer gij naar Mij zult vragen met uw ganse hart", en met uw ganse ziel.
Nu, voordat wij scheiden zal ik nog een enkel woord spreken tot u, die op meer gevorderde leeftijd, en ouden van dagen bent.
Ik weet, dat de eerste dag, of de eerste week van het nieuwe jaar gewoonlijk slecht wordt doorgebracht met eten en drinken, en dat zeer overdadig. Laat ik u dit protest of deze waarschuwing meegeven, die Christus aan allen geeft, die Zijn Naam belijden: (Luk. 21:34) "Wacht uzelf, dat uw harten niet te eniger tijd bezwaard worden met brasserij en dronkenschap, en zorgvuldigheden dezes levens, en dat u die dag niet onvoorziens overkomt". Het is een slechte vergelding aan God voor Zijn goedheid in deze verlopen jaren, het aanstaande jaar te beginnen met uzelf, en de goede schepselen Gods in onmatigheid te misbruiken, daarom "laat uw matigheid in alle dingen blijken, want de Heere is nabij (Filip. 5:5).
De Nieuw Testamentische Ark geopend tegen de vloed van goddelijke toorn (2e preek)
Hebr. 11:7. Door het geloof heeft Noach, door Goddelijke aanspraak vermaand zijnde van de dingen, die nog niet gezien werden, en bevreesd geworden zijnde, de ark toebereid tot behoudenis van zijn huisgezin.
Wij lezen, in Deut. 22:11,12 en verder, van twee grote bergen, namelijk, de berg Ebal, en de berg Gerizim. De ene was een berg van vervloeking, en de andere van zegening. Op deze twee bergen plaatst God tweeërlei troon; op de berg Ebal plaatst Hij een troon van gerechtigheid, en op de andere een troon van genade. Van de berg Ebal is een uitbarsting van wee en vloeken tegen alle mensenkinderen, die, evenals de zondvloed, het gelaat van het ganse aardrijk overdekt, want zij hebben allen gezondigd en derven de heerlijkheid Gods (Rom. 3:23). Daarom achtervolgt de toorn Gods hem, evenals de zwellende zondvloed, overal waar zij zich heenwenden, totdat zij vlieden naar de berg Gerizim of de berg Sion, waar het verbond der genade staat, de Nieuw Testamentische Ark, Jezus Christus, van welke de arme zondaar, die niet weet wat hij zal doen, om verlost te worden van de vloek van de wet en de toorn van de Wetgever, wordt toegeroepen: (Zach. 9:12). "Keert gijlieden weer tot de sterkte", gaat in de Ark; en die dat doet, "zal niet verderven, maar het eeuwige leven hebben" (Joh. 3:16).
Ik heb getracht de deuren van de Nieuw Testamentische Ark open te zetten, opdat arme, door de wet, de rechtvaardigheid en het geweten veroordeelde zondaren er voordeel van zouden hebben, en van de vloed behouden worden, Ik heb er u zes genoemd en open gezet, namelijk: (1.) De deur van de openbaring van Christus in het Woord, want hiertoe is Hij geopenbaard, opdat zondaren in Hem zullen geloven en zalig worden. (2.) De deur van de vleeswording, waardoor God onze Bloedvriend wordt in de Persoon van Zijn Zoon, opdat wij de slip van deze Joodse Man zullen grijpen (Zach. 8:23) en met Hem gaan, en zalig worden. (3.) De deur van Zijn volmaakte gehoorzaamheid aan de wet, in de plaats van de eerste Adam, waardoor het recht op het eeuwige leven, dat door de ongehoorzaamheid van de eerste Adam verloren was, weer hersteld is: en zo heeft Hij macht het eeuwig leven te geven aan wie Hij wil, zoals Hijzelf verklaart in Joh. 5:21 en 22. (4.) De deur van Zijn voldoening, waardoor het handschrift van de vloek, dat tegen ons was, is teniet gedaan, en de schuldbrief of obligatie, die in de handen van de rechtvaardigheid was, welke ons onder de toorn hield, is ingetrokken: (Gal. 3:13) "Christus heeft ons verlost van de vloek der wet, een vloek geworden zijnde voor ons". (5.) Ik heb u ook gezegd dat de grote en dierbare, voornamelijk de volstrekte, onvoorwaardelijke beloften van het verbond der genade, een deur zijn, om daardoor in te gaan in de Nieuw Testamentische Ark; welke beloften alle zijn overgedragen aan zondaren, die ver zijn, en die nabij zijn, om hen aan te moedigen ze aan te grijpen als touwen van de zaligheid, waardoor zij, uit de verdelgende vloed van toorn, kunnen worden opgetrokken in de Ark Jezus Christus, in Wie alle beloften Gods Ja en Amen zijn (2 Kor. 1:20). (6.) De laatste deur, die ik genoemd heb, was de deur van de schenking, of gift van God de Vader van Zijn Zoon als Zaligmaker, door prijs en kracht; door de prijs van Zijn bloed en de kracht van Zijn Geest. Hij heeft Hem gegeven tot een Zaligmaker, Getuige, Vorst en Gebieder van de volken. En waartoe anders wordt een gave gegeven en aangeboden, dan opdat zij zal worden aangenomen? Over deze deuren heb ik reeds gesproken. Ik ga nu voort om u,
7e Een zevende deur te openen waardoor het geloof in de Nieuw Testamentische Ark ingaat, en dat is, de Naam van God, zoals die door Christus in het heerlijk Evangelie geopenbaard is: (Spr. 18:10) "De Naam des Heeren is een sterke toren; de rechtvaardige zal daarheen lopen, en in een hoog vertrek gesteld worden". (Ps. 9:11) "En die Uw Naam kennen zullen op U vertrouwen". "Die in de duisternissen wandelt en geen licht heeft, dat hij betrouwe op de Naam des Heeren, en steune op zijn God." Uit deze en dergelijke Schriftuurplaatsen kunt u zien, dat de Naam van God in Christus gegeven is tot een gezegende grond van geloof, hoop en vertrouwen; en geen wonder, wanneer men overweegt, dat God in Christus de wereld met Zichzelf verzoenende was, hun zonde hun niet toerekenende (2 Kor. 5:19).
Doch ik zal nu een weinig stilstaan bij die Naam van God, die Hij aan Mozes openbaarde en voor hem uitriep, toen Hij Zich verwaardigde, op diens verzoek al Zijn heerlijkheid voorbij zijn aangezicht te laten gaan: (Exod. 34:6, 7) "Als nu de Heere voor zijn aangezicht voorbijging, zo riep Hij: HEERE HEERE, God, barmhartig en genadig, lankmoedig en groot van weldadigheid en waarheid. Die de weldadigheid bewaart aan vele duizenden, Die de ongerechtigheid en overtreding en zonde vergeeft; Die de schuldige geenszins onschuldig houdt".
Laat ons nu deze Naam des Heeren een weinig beschouwen, en zien of er niet genoeg in is om het ongeloof voor altoos te beschamen,
Het is een allerzekerste waarheid, dat onkunde van God en van wat Hij in Christus is, de moeder is van het ongeloof, waardoor wij ons van de levende God als van een vijand afkeren. De satan weet dit zeer goed, en daarom is zijn voorname oogmerk en listigheid, het oog van een zondaar, wiens geweten ontwaakt is, op zijn zondige, ellendige en beklagenswaardige staat te vestigen, en hem God voor te stellen als een God van onverbiddelijke rechtvaardigheid, een wrekende vijand, een verterend vuur, om hem daardoor met wanhoop te vervullen, en in dezelfde toestand te brengen waarin hijzelf is. Hij tracht met alle macht de openbaring, die God van Zijn Naam door Christus gedaan heeft, te verbergen, zoals de apostel zegt: (2 Kor. 4:4) "De god van deze eeuw heeft de zinnen verblind, namelijk van de ongelovigen, opdat hen niet bestrale de verlichting van het Evangelie van de heerlijkheid van Christus, die het Beeld Gods is." Doch de duivel, en al zijn bekwaamheid en listigheid ten spijt, die de Naam van God in Christus zoekt te verdonkeren, zullen wij trachten de Naam des Heeren te ontvouwen, zoals Hij Zich in de zoëven aangehaalde plaats heeft bekendgemaakt, en zien of daar niet een heerlijke en edele grond van geloof en vertrouwen voor de zondaar is, hoe wanhopig en beklaaglijk zijn toestand er naar zijn gedachte ook mag uitzien.
1. U ziet, dat Zijn eerste Naam een Naam is van heerlijkheid, grootheid en majesteit: "HEERE HEERE, GOD," Dit is een Naam van grote en heerlijke majesteit, en die wordt vooraan gezet en beloofd, om ons te doen weten wat God in Zichzelf is; dat Hij het oneindig eeuwig en onveranderlijk Wezen is; dat Hij "de hemel en de aarde vervult" (Jer. 23:24); dat Hij "de hemel heeft tot Zijn troon, en de aarde tot de voetbank Zijner voeten" (Jes. 66:1); dat "alle de inwoners der aarde voor Hem als niets geacht zijn" Dan. 4:35), ja, "minder dan niets en ijdelheid" (Jes. 40:17). God wil in de eerste plaats, dat wij weten wat Hij in Zichzelf is; en hoe wij, en alle schepselen in Hem leven, en ons bewegen, en zijn (Hand. 17:28). Deze en dergelijke uitdrukkingen van de heerlijke majesteit van God zijn het fondament van alle waar geloof, en van alle godsdienstige eredienst en aanbidding. De ziel krijgt zulke gezichten en ontdekkingen van de heerlijkheid en majesteit van God, dat zij daardoor met ontzag en eerbied voor Hem vervuld wordt; zodat de ziel met Mozes uitroept: (Exod. 15:11) "O Heere, wie is als Gij onder de goden? Wie is als Gij, verheerlijkt in heiligheid, vreselijk in lofzangen. doende wonder?" O! "Wie zal verkeren in Uw tent? Wie zal wonen op de berg Uwer heiligheid?" Zo staat de arme tollenaar, onder gevoel van zonde en bevattingen van oneindige majesteit van God, van ver, hij slaat op zijn borst en roept uit: "O God, wees mij zondaar genadig" (Luk. 18:13). Doch, hoewel deze Naam van majesteit, kracht en grootheid, wordt vooropgesteld, om de ziel te vernederen en in haar eigen ogen gering te maken, ziet nochtans welk een heerlijk gevolg van beminnelijke namen die volgen, teneinde levendig te maken de geest van de nederigen, en het hart van de verbrijzelden: "HEERE HEERE, God, barmhartig en genadig." Het is aangenaam, na te gaan hoe elk van Zijn betrekkelijke Namen beantwoordt aan de toestand en behoefte van de ziel.
2. Barmhartig. De toestand van de arme mens is zodanig, dat hij uitroept: O! Ik ben zo ongelukkig en ellendig, dat het niet te bevatten of uit te drukken is; ik ben waarlijk een beklagenswaardig voorwerp; ik ben diep gezonken door mijn zonde in Adam, en in mijn eigen persoon: (Ps. 69:3) "Ik ben gezonken in grondeloze modder, daar men niet kan staan." Wel weet en geloof ik, dat de Heere, de sterke en almachtige God, machtig is mij te bewaren en te verlossen, maar wat zegt dat voor mij, die niet weet, of Zijn almachtige arm zich over mij zal uitstrekken tot mijn verderf, of tot mijn zaligheid? Wel, hierop antwoordt de Heere indien naam; "Ik ben de Heere, barmhartig." Bent u ellendig, ik ben barmhartig zowel als sterk; rechtvaardigheid is Mijn vreemd werk, Mijn vreemde daad (Jes. 28:21), want Ik heb lust aan goedertierenheid (Micha 7:18); "Mijn hart is in Mij omgekeerd, al Mijn berouw is samen ontstoken" (Hos. 40:8), totdat Ik mijn barmhartigheid kan uitlaten. Zegt mij, vrienden, wat is barmhartigheid? Wat anders dan een sterke drang en neiging in God, om goed te doen en een zondaar in ellende te helpen. Ellende is juist het voorwerp en het onderwerp waarop barmhartigheid werkt; daarom, o ellendige zondaar! Vertrouw op Mijn barmhartigheid, die uitstroomt door het bloed van Mijn eeuwige Zoon. Een derde titel in zijn naam is:
3. Genadig. Misschien zegt de arme, schuldige en overtuigde zondaar: "Ik ben een van de ellendigste schepselen op aarde; ik ben ontbloot van alle genade, van alle goedheid; ik heb geen hoedanigheden om mij bij God aan te bevelen." Wel, zegt de Heere: "Ik ben genadig." Ik vraag naar geen genade, goedheid of geschiktheid in de zondaar, om hem bij Mij aan te bevelen; maar Ik wil, dat de arme, blinde, naakte, ellendige zondaar zal komen om te ontvangen, niet om te geven; dat hij bij Mij om niet komt kopen goud beproefd komende uit het vuur, witte klederen, ogenzalf, melk en honing, en alle genade en goedheid, "zonder prijs en zonder geld." Zoekt niet naar geloof, bekering, liefde, nederigheid, een verbroken hart, als koopgeld om genade en gunst bij God te vinden; doch komt van alle genade verstoken, "tot de troon der genade, om barmhartigheid te verkrijgen en genade te vinden."
4. Misschien zal de arme ontwaakte zondaar zeggen: "Ik ben een vermetel zondaar geweest, en ben al zolang in de zonde en in opstand tegen God doorgegaan, dat ik bevreesd ben, dat God mij niet langer wil verdragen; dat de dag van genade voor mij voorbij is." Wel, zegt de Heere: "Ik ben lankmoedig," Mijn geduld jegens zondaren is niet spoedig uitgeput. Wel is waar, heb Ik de hoon mij door de engelen, die gevallen zijn, aangedaan niet lang verdragen; want op hetzelfde ogenblik, dat zij zondigden werden zij uit de hemel geworpen, en worden zij "tot het oordeel des grote dags met eeuwige banden onder de duisternis bewaard" (Jud.: 6). Doch zo handel Ik niet met zondaren van het geslacht van Adam, de natuur van wie Ik heb aangenomen, wanneer Ik de gevallen engelen ben voorbijgegaan. "Ik wil niet, dat enigen verloren gaan, maar dat zij allen tot bekering komen" (2 Petr. 3:9) "Ik heb geen lust in de dood des goddelozen; maar daarin heb ik lust, dat de goddeloze zich bekere van zijn weg, en leeft" (Ezech. 33:11); "daarom zal Ik wachten, opdat Ik genadig zij" (Jes. 30:18). Ziet, Ik sta aan de deur, en Ik klop; indien iemand Mijn stem zal horen, en de deur opendoen, Ik zal tot hem inkomen, en Ik zal met hem avondmaal houden en hij met Mij" (Openb. 3:20). Wat is lankmoedigheid) wat anders dan geduld, boven alle verwachting en boven alle verdienste uitgestrekt. Als Ik van plan was u af te snijden en in de hel te werpen, zou Mij daartoe de gelegenheid en de geschikte tijd niet ontbroken hebben; maar Ik heb u tot hiertoe met al uw dwaasheid en goddeloosheid gedragen, en tot op deze dag sta Ik met uitgebreide armen van liefde en goedertierenheid, roepende: "Wendt u naar Mij toe, wendt u naar Mij toe; bekeert u, want waarom zoudt gij sterven?"
5. Misschien zegt de arme twijfelende ziel: Er was, en er is nog zo’n overvloeien van zonde en boosheid bij mij, dat mijn zonden de grote bergen gelijk zijn, zij zijn naar de hemel gestegen en roepen om toorn en wraak als de zonde van Sodom: daarom heb ik ook niets dar grimmigheid en toorn te wachten. Wel, maar de Heere zegt: Laat het zo zijn, dat u overvloedig bent in boosheid, Mijn Naam is groot van weldadigheid, of (volgens de Engelse overzetting) overvloedig in goedheid. Alsof Hij zeide: Hoewel uw boosheid en zondigheid groot is, toch is het maar de boosheid en zondigheid van een eindig schepsel, doch Mijn weldadigheid is de goedheid van een oneindige God, die onuitputtelijk is; komt daarom tot Mij, en laat "naar Mijn rijkdom vervuld worden al uw nooddruft, in heerlijkheid, door Jezus Christus". Mijn goedheid is zodanig, dat Ik goed ben zelfs voor de boze en ondankbare: Ik doe Mijn zon opgaan over bozen en goeden, en regen over rechtvaardigen en onrechtvaardigen" (Matth. 5:45). Mijn weldadigheid strekt zich over allen uit; daarom, komt, ja komt "doet uw mond wijd open, en Ik zal hem vervullen" (Ps. 81:I1). "Smaakt en ziet, dat de Heere goed is" (Ps. 34:9). Mijn schatkameren zijn vol, en staan open: Daarom, die wil, die neme van Mijn goedheid om niet; eet het goede, en laat uw ziel zich verlustigen in de overvloed van Mijn goedheid: "Ik verzadig de dorstige ziel, en vervul de hongerige ziel met goed."
6. Het kan zijn, dat de arme ziel zegt: Ik kan geen goed van de hand des Heeren ontvangen, want ik heb een boos en ongelovig hart, dat Zijn waarheid en getrouwheid in twijfel trekt. Wel zie Ik grote en dierbare beloften in het Woord, doch ik durf er geen aanspraak op maken, en wanneer ik het waag mij er mee in te laten, trekt mijn ongelovig hart mijn hand terug, zeggende: "Zijne toezegging heeft een einde," en zo verlies ik het voordeel van de belofte Gods. Wel, zegt God, om u, o mens, van uw ongeloof te genezen, maak ik u Mijn Naam bekend, niet alleen als overvloedig in goedheid maar als groot van waarheid. Mijn Naam is getrouw en waarachtig (Openb. 19:11): "Gerechtigheid is de gordel van Mijn lendenen; ook is de waarheid de gordel van Mijn lendenen" (Jes. 40:5); "het is onmogelijk, dat Ik liegen kan" (Tit. 1:2), "Mijn waarheid is in de hemelen bevestigd" (Ps. 89:3). Ja de hemel en de aarde zullen voorbijgaan, maar er zal geen jota noch tittel van Mijn Woord op de aarde vallen; daarom kunt u met de grootste veiligheid op het Woord van Mijn belofte vertrouwen. Het is niet iets, dat op en neer gaat; het is niet heden ja, en morgen neen, maar het is altijd Ja en Amen (2 Kor. 1:17,18). Daarom, geloof de belofte, verzegel haar, want u kunt Mij niet meer eer aandoen, dan door te verzegelen, dat Ik waarachtig ben (Joh. 3:33). Daarom gelooft en ziet het heil onzes Gods (Jes. 52:10).
7. O, zal de arme bevende ziel zeggen: Wat zal ik doen, als God Zijn barmhartigheden door toorn toegesloten heeft, en mij dus niet meer goedgunstig zal zijn? (Ps. 77:8,10). Hierop wordt geantwoord: "Die de weldadigheid bewaart aan vele duizenden, of, (volgens de Engelse overzetting) Die barmhartigheid bewaart voor duizenden;" dat wil zeggen: Ik heb barmhartigheid bewezen aan duizenden, aan ontelbare menigten, en nochtans zijn de schatkameren van Mijn genade en barmhartigheid zo vol als ooit, en Ik ben even bereid Mijn barmhartigheid te bewijzen aan duizenden personen, ja, aan duizenden geslachten, als ooit te voren; "Een iegelijk, die in Mijn Naam gelooft, zal niet verderven, maar het eeuwige leven hebben; want gelijk de hemelen hoger zijn dan de aarde alzo zijn Mijn gedachten hoger dan ulieder gedachten".
Als de zondaar zegt: Ik heb zoveel zonden, zij zijn zo vermeerderd en verzwaard, dat ik vrees, dat Hij ze mij nooit zal vergeven; dan antwoordt de Heere hierop: Die de ongerechtigheid, en overtreding, en zonde vergeeft;" dat wil zeggen, allerlei soort van zonde en terging, die bedacht kan worden: (Jes, 1:18) "Al waren uw zonden als scharlaken, zij zullen wit worden als sneeuw, al waren zij rood als karmozijn, zij zullen worden als witte wol". Bij Mij is menigvuldige verlossing, opdat men die van Mij begeert; daarom vreest niet, gelooft alleen: want dit is Mijn voorrecht, dat Ik lust heb ten toon te spreiden: (Jes. 43:25) "Ik, Ik ben het, Die uw overtreding uitdelg, om Mijnentwil, en Ik gedenk uw zonden niet."
Zo ziet u welk een wijde deur in de Nieuw Testamentische Ark is geopend, of welk een edele grond van het geloof is gelegd in die Naam van God, die voor Mozes is uitgeroepen.
Doch, omdat zondaren geneigd zijn, evenals de spin, vergif te zuigen uit deze voortreffelijke bekendmaking van Gods Naam, Barmhartig en Genadig, Zijn genade in ontuchtigheid te veranderen, en te zeggen: Als dit zo is, zullen wij zondigen opdat de genade te meerder worde (Rom. 6:1); dan behoeven wij de toorn van zo’n barmhartige God niet te vrezen. Daarom moeten wij acht geven op het ontzaglijk woord, dat onmiddellijk volgt: "Die de schuldige geenszins onschuldig houdt;" dat is: Het doel van al deze genade en barmhartigheid, die Ik heb bekend gemaakt, is zondaren tot bekering te leiden, door een bevatting van Mijn goedertierenheid in Christus. Doch indien iemand Mijn Naam "Barmhartig en Genadig" zal misbruiken, om zichzelf te sterken in de zonde en de opstand tegen Mijn gezag, laat die weten, dat Ik zulken niet onschuldig zal houden: Neen, neen, "die is reeds veroordeeld, en de toorn Gods blijft op hem" (Joh. 3:18,36). En wanneer hij deze genade in ontuchtigheid verandert, "vergadert hij zichzelf toorn, als een schat, in de dag des toorns en der openbaring van het rechtvaardig oordeel Gods" (Rom. 2:5). Daarom, "de goddeloze verlate zijn weg, en de ongerechtige man zijn gedachten. en Hij bekere zich tot de Heere," uit deze overweging, dat ik ben, de HEERE, HEERE, God, barmhartig en genadig; "grimmigheid is bij Mij niet" (Jes. 27:4). Ik heb geen lust in de dood van de zondaar, maar daarin, dat Ik barmhartigheid bewijs aan duizenden. Doch indien hij zich in de zonde verhardt omdat Ik barmhartig en genadig ben, zal hij het tot zijn schade doen; want "wie zou Mij als een doorn en distel in oorlog stellen, dat Ik tegen hem zou aanvallen en hem tegelijk verbranden zou? Of hij moest Mijn sterkte (de Man van Mijn rechterhand) aangrijpen, hij zal vrede met Mij maken; vrede zal hij met Mij maken".
Vrienden, ik zou niet graag willen, dat het bloed van een enige ziel, die onder mijn gehoor zit, of aan mijn zorg is toevertrouwd, op mijn hoofd komt, daarom heb ik u daartoe reeds zeven deuren geopend door welke u door het geloof kunt ingaan in de Nieuw Testamentische Ark. Ik zal er nog enkele meer open zetten, en o, dat God, terwijl ik die open, u moge overreden en bekwamen in te gaan en behouden te worden.
1e De last, die Christus van Zijn Vader heeft ontvangen, verloren zondaren van Adams geslacht zalig te maken en te verlossen, is een lieflijke deur, waardoor men in de Nieuw Testamentische Ark kan ingaan. Hij heeft Zelf dit ambt niet aangenomen, maar is er van God toe geroepen, gelijkerwijs Aäron (Hebr. 5:4). "Ik de Heere heb U geroepen in gerechtigheid, en Ik zal U bij Uw hand grijpen, en Ik zal U behoeden" (Jes. 42:6). U weet, dat, wanneer iemand regelmatig tot een ambt geroepen en aangesteld is, dit een voldoende machtiging voor hem is in zijn ambt werkzaam te zijn, en hij verplicht is de plichten van zijn ambt te vervullen voor hen, die hem in hun dienst hebben genomen. Nu, zo staat het ook met Christus. Om dit voor u op te helderen moet u de volgende bijzonderheden overwegen.
1. Hij werd tot Zijn ambt als Zaligmaker uitverkoren (Jes. 42:1) "Ziet Mijn Knecht, Die Ik ondersteun, Mijn Uitverkorene in Dewelke Mijn ziel een welbehagen heeft." Daarom zegt Hij ons: (Spr. 7:23) "Ik ben van eeuwigheid af gezalfd geweest, van de aanvang, van de oudheden der aarde af."
2. Hij werd gezalfd, uitgerust met en voorzien van alle gaven, genaden en giften, die nodig waren tot de uitvoering van Zijn zaligmakend werk. Hier vandaan verklaart Hij: (Jes. 56:1) "De Geest des Heeren Heeren is op Mij, omdat de Heere Mij gezalfd heeft, om een blijde boodschap te brengen de zachtmoedigen;" en de Vader zegt: "Ik heb Mijn Geest op Hem gegeven, Hij zal het recht den heidenen voortbrengen," en dienovereenkomstig gaf God hem de Geest niet met mate (Joh. 3:34), en is Hij opgevaren in de hoogte, en heeft Hij gaven genomen, om uit te delen onder de mensen (Ps. 68:19).
2. Zijn Vader zond Hem werkelijk in de wereld met de grote boodschap van de verlossing: (Jes. 61:1) Hij heeft Mij gezonden om de gevangenen vrijheid uit te roepen, en de gebondenen opening der gevangenis; om uit te roepen het jaar van het welbehagen des Heeren." Een jubeljaar van vrijlating voor alle gevangenen van de Zonde en de Satan, en de dag van de wraak van onze God, namelijk: wraak over de oude slang, die Hij de kop kwam vermorzelen; want, "hiertoe is de Zoon van God geopenbaard, opdat Hij de werken van de duivel verbreken zou" (1 Joh. 3:8).
4. Hij heeft vrijwillig de opdracht zijns Vaders aangenomen, om Diens boodschap voor ons te komen doen, en Hij kwam bereidwillig en opgeruimd, "springende op de bergen, huppelende op de heuvelen" (Hoogl. 2:8). Hij stelde Zijn aangezicht als een keisteen (Jes. 50:7) tegen al de stormen, die op Hem bliezen van de hemel, de aarde, en de hel, en nooit bezweek Hij, noch werd Hij ontmoedigd; totdat Hij had "voleindigd het werk, dat Zijn Vader Hem gegeven had om te doen" (Joh. 17:4).
5. Hij opent Zijn lastbrief, en verklaart, dat Hij de Gezondene Gods, de grote Afgezant van de hemel is, om te handelen in de grote zaak van vrede, vergeving en zaligheid voor verloren zondaren. (Joh. 3:17) "God heeft Zijn Zoon niet gezonden in de wereld, opdat Hij de wereld veroordelen zou, maar opdat de wereld door Hem zou behouden worden." Joh. 4:34) "Mijn spijze is, dat Ik doe de wil Desgenen, Die Mij gezonden heeft, en Zijn werk volbreng." (Joh. 12:44,45) "Jezus riep, en zeide; Die in Mij gelooft, gelooft in Mij niet, maar in Degene, Die mij gezonden heeft. En die Mij ziet, die ziet Degene, Die Mij gezonden heeft."
6. Hij opent niet alleen Zijn lastbrief, maar toont ook het zegel van Zijn Vader, dat eraan gehecht is: (Joh. 6:27) "Dezen heeft God de Vader verzegeld." Hij werd plechtig verzegeld bij Zijn plechtige inhuldiging, toen Hij door Johannes in de Jordaan gedoopt werd, toen de hemelen geopend werden, en de Geest Gods nederdaalde in de gelijkenis van een duif, en op Hem kwam, en zijn Vader van Hem met een hoorbare stem getuigde, zeggende: "Deze is Mijn Zoon, Mijn Geliefde, in Dewelke Ik Mijn welbehagen heb." leder wonder, dat Hij deed, in door een aanraking met Zijn hand, of een woord uit Zijn mond, doden op te wekken; de ogen van de blinden te openen; de oren van de doven te doen horen; allerlei krankheden te genezen; Zijn opstanding uit de doden; Zijn Geest op de Pinksterdag over Zijn discipelen uit te storten en hen met kracht uit de hoogte te begiftigen; al deze en vele andere dingen waren plechtige zegels, die aan Zijn lastbrief werden gehecht.
7. Gelijk Hijzelf door Zijn Vader was gezonden en gemachtigd, zo zendt Hij ook Zijn apostelen en andere dienaren, om het Evangelie van de genade van God aan de gehele wereld te verkondigen en bekend te maken: (Joh. 20:21) "Gelijkerwijs Mij de Vader gezonden heeft, zend Ik ook ulieden." En welke opdracht geeft Hij hun? "Gaat heen in de gehele wereld, predikt het Evangelie aan alle creaturen". (Matth. 28:19,20) "Gaat dan heen, onderwijst al de volkeren, dezelve dopende in de Naam des Vaders, en des Zoons, en des Heiligen Geestes, lerende hen onderhouden alles wat Ik u geboden heb. En ziet, Ik ben met ulieden al de dagen tot de voleinding der wereld." (2 Kor. 5:20) "Zo zijn wij dan gezanten van Christus wege, alsof God door ons bede: wij bidden u van Christus wege, laat u met God verzoenen." Nu, is er niet in dit alles een duidelijke en behoorlijke grond voor u gelegd om te geloven, of in de Nieuw Testamentische Ark in te gaan? O vrienden, overdenkt ernstig waartoe de Vader Christus heeft gezonden; want "dit is het werk Gods, dat u gelooft in Hem, Die Hij gezonden heeft" (Joh. 6:29). "Ziet toe, dat u Dien Die spreekt, Die van de hemelen is, niet verwerpt" (Hebr. 12:25) want het is het plechtig gebod van Zijn Vader: "Hoort hem;" dat is: gelooft in Zijn Naam, want zij, die naar Hem niet willen horen, zullen in de zondvloed omkomen.
2e De bekendgemaakte bekwaamheid en genoegzaamheid van Christus om zalig te maken is een andere deur voor het geloof, om in te gaan in de Nieuw Testamentische Ark. Niemand zal gemakkelijk de oceaan ingaan op een onvoldoende vaartuig. Indien iemand, die op reis is naar een vreemd land, opmerkt, of er opmerkzaam op gemaakt wordt, dat zeker schip niet zeewaardig is, of, dat hij slechts vermoedt, dat het zo is, zal hij zich daarvan afwenden, en er zijn persoon, of zijn goederen niet op wagen. Dit is het geval met iedere wettische en ongelovige; hij heeft een heimelijke verdenking in zijn hart, dat Christus alleen niet genoegzaam is, om hem zalig te maken. Daarom zal hij liever zijn eeuwig leven wagen op de algemene barmhartigheid Gods, of op de wet en de werken van de wet, op zijn inhangende genade, zijn plichten en goede hoedanigheden, dan op Christus. Of als hij Christus niet geheel aan kant zet, zal hij zich deels op Christus en deels op iets, dat hij zelf gedaan heeft wagen; Christus en mijn geloof, Christus en mijn werken en plichten, Christus en mijn gehoorzaamheid, Christus en mijn tranen en gebeden, zullen, hoop ik, alles in orde brengen, en mij behouden van de zondvloed van Gods toorn. Nu, vanwaar komt dit alles anders, dan uit een heimelijke jaloersheid en verdenking van de bekwaamheid en genoegzaamheid van Christus, en dat men zich niet alleen tot Hem moet wenden? Zo komt het, dat zij zich door een boos en ongelovig hart van Hem afkeren, en het gewicht van hun zaligheid op deze en die, en geen plank van hun eigen maaksel en verzinsel leggen, zeggende: (Micha 6:6) "Waarmee zal ik de Heere tegenkomen, en mij bukken voor de hoge God? Zal ik Hem tegenkomen met brandofferen? Met eenjarige kalveren? Zou de Heere een welgevallen hebben aan duizenden van rammen?" In één woord, zolang de zondaar niet volkomen en door en door overtuigd is van de volstrekte genoegzaamheid van de Nieuw Testamentische Ark, en van Zijn volledige bekwaamheid om zalig te maken, zal hij nooit in Hem geloven tot behoudenis van zijn ziel.
Tot uw overtuiging van Zijn bekwaamheid en genoegzaamheid moet u op de volgende getuigenissen aangaande Hem acht geven: (1). Het getuigenis van God de Vader: (Ps. 89:20) "Ik heb hulp besteld bij een Held." (2). Zijne Eigen getuigenis: (Jes. 63:1) "Ik ben het, Die in gerechtigheid spreek, Die machtig ben te verlossen." (3.) Het getuigenis van de Heilige Geest, Wiens ambt het is van Hem te getuigen: "Die," zegt Christus, (Joh. 16:14) "zal Mij verheerlijken, want Hij zal het uit het Mijne nemen, en zal het u verkondigen" opdat u in Mij geloven mag. (4). Het getuigenis van deze drie getuigen in de hemel: (1 Joh. 5:11) "Dit is het getuigenis, namelijk, dat ons God het eeuwige leven gegeven heeft, en ditzelve leven is in Zijn Zoon" (5). De getuigenis van de apostel Paulus, sprekende door de ingeving, van de Heilige Geest: (Hebr. 7:25) "Waarom Hij ook volkomen kan zaligmaken degenen, die door Hem tot God gaan, alzo Hij altijd leeft om voor hen te bidden. (6). De getuigenis van de verlosten in de heerlijkheid. die uit hun bevinding getuigen, dat Hij alleen op Zich heeft genomen hen zalig te maken en dat ook heeft gedaan: (Openb. 5:9) "Gij zijt waardig dat boek te nemen, en zijn zegelen te openen, want Gij zijt geslacht, en hebt ons Gode gekocht met Uw bloed." Zo ziet u, dat er voldoende grond voor uw geloof is, te vertrouwen op de bekwaamheid van Christus om u zalig te maken. Dit dan ook te betwijfelen is God tot een leugenaar te maken (1 Joh. 5:10) en allen, die Hem hebben leren kennen, leugenaars te noemen.
Om deze grond van het geloof nog iets verder duidelijk te maken zal ik nog iets spreken over vierderlei bekwaamheid en genoegzaamheid in Christus.
1. Een bekwaamheid van verdienste, omdat Hij vergeving en aanneming verworven heeft door Zijn gehoorzaamheid tot de dood. Zoals reeds werd aangetoond zijn er twee dingen, die de zondaar nodig heeft, om hem in de gunst van God te herstellen en hem het eeuwige leven terug te geven, dat door zijn verbreking van het verbond der werken verbeurd werd: (1.) Vergeving van zonde en (2) een volmaakte rechtvaardigheid voor de wet. Nu, deze worden beide in Christus gevonden. Wat het eerste aangaat, namelijk vergeving, die hebben wij in Hem, want Hij heeft de overtreding gesloten en de zonde verzegeld (Dan. 9:24). Wat haar veroordelende kracht betreft: "Hij is het Lam Gods, Dat de zonde van de wereld wegneemt" (Joh. 1:24.) "In welke wij hebben de verlossing door zijn bloed, [namelijk] de vergeving van de misdaden, naar de rijkdom van Zijn genade" (Ef. 1:7). De apostel Johannes verklaart dan ook: (1 Joh. 1:7) "Het bloed van Jezus Christus Zijn Zoon reinigt ons van alle zonden;" en op deze grond van de voldoening van Jezus verklaart God, dat Hij "de Heere is, Die de ongerechtigheid, en overtreding, en zonde, vergeeft," en belooft Hij, (Hebr. 8:12) dat "Hij hun ongerechtigheden zal genadig zijn." Wat het tweede aangaat, namelijk, een volmaakte rechtvaardigheid voor de wet, die is in Christus volkomen te verkrijgen, want het einde der wet is Christus, tot rechtvaardigheid een ieder die gelooft" (Rom. 10:4). Want Hem, Die geen zonde gekend heeft, heeft Hij zonde voor ons gemaakt, opdat wij zouden worden rechtvaardigheid Gods in Hem" (2 Kor. 5:21). "Opdat het recht der wet vervuld zou worden in ons" (Rom. 8:4). Dit is dat beste kleed, dat de arme doorbrenger wordt aangedaan wanneer hij thuis komt (Luk. 15:22), waardoor de schande van zijn naaktheid wordt bedekt; dit is het bruiloftskleed, dat past voor gemeenschap met God, en de ziel recht geeft op die onverderfelijke, onbevlekkelijke en onverwelkelijke erfenis" (1 Petr. 1:4). Zodat er in Christus een volheid van verdienste tot rechtvaardigmaking is.
2. Er is in Christus een volheid van wijsheid, om de ziel in alle gevallen ter onderrichting en besturing te dienen; want "in Hem zijn al de schatten van de wijsheid en kennis verborgen" (Kol. 2:3). Door deze Geest der wijsheid en des verstands geeft Hij aan dwazen en kinderkens de kennis "der diepten Gods, die voor de wijzen en verstandigen verborgen zijn" (Matth. 11:25 vergeleken met 1 Kor. 2:10). En door Zijn ervarenheid en wijsheid wijst Hij Zijn arme volk de weg, en leidt hen door al de donkere en moeilijke paden in hun weg totdat Hij hen in de heerlijkheid opneemt; en zo vervult Hij die belofte: (Jes. 42:16) "Ik zal de blinden leiden door de weg, die zij niet geweten hebben; Ik zal ze doen treden door de paden, die zij niet geweten hebben; Ik zal de duisternis voor hun aangezicht ten licht maken en het kromme tot recht."
3. Er is in Hem een volheid van sterkte en bekwaamheid om de arme ziel te ondersteunen onder alle werk en strijd, waartoe zij geroepen wordt. Soms is de arme gelovige, ziende hoe weinig en welke zwakke genade hij in zich heeft, op het punt van te bezwijken, zodat hij uitroept: Helaas! Dit en dat werk, dat de Heere mij te doen geeft, zal door mij bedorven worden, ik ben niet bekwaam iets te denken, te willen, noch te doen. Hier echter, gelovige, is een algenoegzame voorraad van bekwaamheid: (Ps. 68:29) "Uw God heeft uw sterkte geboden;" daarom, "wordt krachtig in de Heere en in de sterkte Zijner macht" (Ef. 6:10). "Hij geeft de moeden kracht, en Hij vermenigvuldigt de sterkte dien, die geen krachten heeft" (Jes. 40:29). Soms zal de arme gelovige bezwijken vanwege de vele en machtige vijanden met welke hij te worstelen heeft. Helaas! zal hij zeggen, ik heb geen macht deze of die sterke begeerlijkheid en verdorvenheid ten onder te brengen; zij zal mij overmeesteren; ik zal nog op enige tijd in de handen van mijn vijanden vallen; de satan ondersteunt de kracht van de inwonende zonde, zodat ik niet alleen "de strijd heb tegen vlees en bloed, maar tegen de overheden, tegen de machten, en de geestelijke boosheden in de lucht" (Ef. 6:12). Ik weet niet wat ik moet aanvangen. Wel, arme gelovige, hier ligt de heerlijkheid van uw sterkte, namelijk in Christus, die in Zijn Eigen Persoon de zonde en de satan reeds heeft teniet gedaan, en Die ook heeft gezegd, dat Hij uw ongerechtigheden zal dempen; de zonde zal over u niet heersen. En wat de Satan aangaat, "de God des vredes zal de Satan haast onder uw voeten verpletteren (Rom. 16:20), en intussen zal Zijn genade u genoeg zijn.
4. Er is in Hem een algenoegzame voorraad van genade ter voorziening in al uw behoeften; want "het heeft de Vader behaagd, dat in Hem al de volheid wonen zou" (Kol. 1:19), opdat "wij uit Zijn volheid allen zouden ontvangen, ook genade voor genade" (Joh. 1:16). De genade, die in Hem als Middelaar is, heeft Hij niet voor Zichzelf, maar voor ons arme nooddruftige zondaren; (1 Kor. 1:30) "Hij is ons geworden wijsheid van God, en rechtvaardigheid, en heiligmaking, en verlossing." Hij heeft gaven ontvangen voor mensen, opdat mensen in Hem zouden gezegend worden met alle geestelijke zegeningen. Daarom worden mensen en de kinderen der mensen genodigd tot Hem te komen om hetgeen het hunne is; want Hij, en alles wat Hij is, of heeft, is voor ons. O komt dan, ja komt, komt en neemt het water des levens om niet.
3e Een andere deur van toegang tot de Nieuw Testamentische Ark is de deur van Zijn welbehagen, dat Hij tot de gevallen mens heeft, en niet tot de gevallen engelen, die van nature schepselen van hogere rang zijn dan de mens: want God heeft de mens een weinig minder gemaakt dan de engelen (Ps. 8:6). Toen de engelen uit hun eerste staat vielen, werd er geen welbehagen tot hen ontdekt; ja, integendeel, zij zijn buiten de hemel gesloten en naar de hel verwezen, waar zij "tot het oordeel des grote dags met eeuwige banden, onder de duisternis bewaard worden" (Judas: 6). Doch toen de mens zondigde, en uit de staat viel, waarin hij geschapen was, wat een wonderlijk werk is toen gedaan tot zijn herstelling. Vandaar die verklaring van de engelen bij de geboorte van Christus: "vrede op aarde, in de mensen een welbehagen", Hij wil niet, "dat enige verloren gaan, maar dat zij allen tot bekering komen" (2 Petr. 3:9).
Vraagt u: Waaruit blijkt dit welbehagen van God in de mens? Dan antwoord ik: In de volgende dingen:
1 Blijkt het niet daaruit, dat Hij aan ons gedacht heeft in onze nederigheid (Ps. 136:23), toen wij het kind gelijk waren, dat op het vlakke des velds geworpen was: dat Hij toen op ons zag, en onze tijd de tijd van de minne was (Ezech. 16:5,8)?
2. Hoe bleek Zijn welbehagen, toen onmiddellijk na de val, het middel tot herstelling werd bekend gemaakt: (Gen. 3:15) "Datzelve," namelijk het Zaad van de vrouw, "zal u," namelijk het zaad van de slang, "de kop vermorzelen", De pleister is gereed om toegepast te worden, reeds voordat de slang de wond heeft toegebracht.
3. Was het geen welbehagen tot mensen op de aarde, dat Hij het werk van hun verlossing niet aan een Engel of archangel wilde toevertrouwen, maar dat Hij het Zijn enige Zoon, Zijn geliefde Zoon opdroeg, "Die in de gestaltenis Gods is" (Filip. 2:6) en volkomen bekwaam is voor het werk?
4. Was het geen welbehagen in de Zoon van God, dat Hij niet alleen de menselijke natuur, maar ook onze plaats voor de wet wilde aannemen, zodat de wet en de rechtvaardigheid Hem konden aanspreken voor onze schuld? Want Hij is geworden "uit een vrouw, geworden onder de wet" (Gal. 4:4); Hij is zonde voor ons gemaakt (2 Kor. 5:21), en Hij is met de overtreders geteld geweest" (Jes. 53:12).
5. Was het geen welbehagen in Hem, te willen "sterven om onze zonden en opgewekt te worden om onze rechtvaardigmaking" (Rom. 5:25)? Niemand heeft meerder liefde dan deze, dat iemand zijn leven zet voor zijn vrienden (Joh. 15:13); "maar God bevestigt zijn liefde jegens ons, dat Christus voor ons gestorven is, als wij nog zondaars waren" (Rom. 5:8).
6. Is dit geen welbehagen in mensen, dat Hij, toen Hij onze verlossing op aarde had volbracht, naar de hemel wilde opvaren om voor ons voor het aangezicht Gods te verschijnen (Hebr. 9:24) als een Voorspraak aan het Hoog Gerechtshof? Hij is met de overtreders geteld geweest, en heeft velen hun zonden gedragen, en voor de overtreders gebeden (Jes. 53:12). "Indien iemand gezondigd heeft, wij hebben een Voorspraak bij de Vader, Jezus Christus de Rechtvaardige" (1 Joh. 2:1).
7. Is het geen welbehagen in mensen op de aarde, dat Hij beveelt, dat de witte vredevlag voor het oog van de mensen wordt omhoog gestoken, en dat "Hij schept de vrucht der lippen, vrede, vrede, dengenen die ver zijn, en dengenen die nabij zijn" (Jes. 57:19)?
8. Is het geen welbehagen in mensen, dat Hij zichzelf, en zijn ganse zaligheid, aan zondaren aanbiedt? (Jes. 46:12,13) "Hoort naar mij, gij stijven van hart; gij, die ver van de gerechtigheid zijt. Ik breng Mijn gerechtigheid nabij, zij zal niet ver wezen en Mijn heil zal niet vertoeven; maar ik zal heil geven in Sion, aan Israël Mijn heerlijkheid".
9. Is het geen welbehagen tot mensen, dat Hij, wanneer Hij hen naar hun verderf ziet lopen op de brede weg, die naar het verderf leidt, hen achtervolgt, roepende: "Bekeert u, bekeert u van uw boze wegen, want waarom zoudt gij sterven? Want, zo waarachtig als Ik leef, zo Ik lust heb in de dood des goddelozen! Maar daarin heb Ik lust, dat de goddeloze zich bekere van zijn weg, en leeft" (Ezech. 33:11) O hoe dikwijls heeft Hij Israël achterna geroepen! (Jer. 3:1) "Gij hebt met vele boeleerders gehoereerd, keert nochtans weder tot Mij, spreekt de Heere." En, (vs. 14) "Bekeert u, gij afkerige kinderen, spreekt de Heere, want Ik heb u getrouwd".
10. Zijn hart is verblijd en de hemel weergalmt van vreugde, wanneer een doorbrenger wederkeert: (Luk. 15:23,25) "Laat ons eten en vrolijk zijn, want deze mijn zoon was dood; en is weder levend geworden; en hij was verloren, en is gevonden. Alzo is er blijdschap in de hemel, voor de engelen Gods, over één zondaar, die zich bekeert" (vs 7—10).
11. Zijn welbehagen blijkt uit Zijn gedrag, wanneer zondaren de aanbiedingen van Zijn genade hardnekkig blijven weigeren: (Ps. 81:14) "Och, dat Mijn volk naar Mij gehoord had!" Hij weende over Jeruzalem, zeggende: Luk. 19:42) "Och of gij ook bekendet, ook nog in deze uw dag, hetgeen tot uw vrede dient!" Hij betuigt voor de hemel en de aarde, dat hun bloed niet aan Zijn, maar aan hun eigen deur ligt: (Jer. 11:12,13) "Ontzet u hierover, gij hemelen, en weest verschrikt, wordt zeer woest, spreekt de Heere. Want Mijn volk heeft twee boosheden gedaan; Mij, de Springader des levenden waters, hebben zij verlaten, om zichzelf bakken uit te houwen, gebroken bakken, die geen water houden". Zo ziet u wat een welbehagen Christus en Zijn Vader hebben in uw zaligheid. En is dit niet een deur, waardoor u mag ingaan in de Nieuw Testamentische Ark, en behouden worden van de zondvloed? O hoe rechtvaardig zal de zondaar voor eeuwig verloren gaan, die dit welbehagen veracht, en al deze genade tevergeefs ontvangt!
4e Het gebod Gods, dat iedereen, die het Evangelie hoort, wordt gegeven, dat hij in Christus moet geloven, is een gezegende deur van toegang in de Nieuw Testamentische Ark: (1 Joh. 3:23) "Dit is Zijn gebod, dat wij geloven in de Naam Zijns Zoons Jezus Christus." Vrienden! God heeft zo’n welbehagen in onze zaligheid, dat Hij ons onder een wet heeft besloten, en met Zijn gezag is tussenbeide gekomen, ons gebiedende in de Naam Zijns Zoons te geloven; en Hij heeft Zijn wet omheind met de ontzaglijkste en verschrikkelijkste bedreigingen in geval van ongehoorzaamheid (Joh. 3:18) "Die niet gelooft is reeds veroordeeld, omdat hij niet heeft geloofd in de Naam des eniggeborenen Zoons Gods;’ (Hebr. 11:3) "Hoe zullen wij ontvlieden, indien wij op zo grote zaligheid geen acht nemen?" (Hebr. 10:28,29) "Als iemand de wet van Mozes heeft tenietgedaan, die sterft zonder barmhartigheid onder twee of drie getuigen. Hoeveel te zwaarder straf, meent gij, zal hij waardig geacht worden, die de Zoon van God vertreden heeft;" (hoofdstuk 6:6) "als welke zichzelf de Zoon van God wederom kruisigen en openlijk te schande maken." Zo ziet u, dat het gebod volstrekt is, dat u in de Naam van Christus moet geloven. U moet Hem aannemen als de gave Gods, anders zult u verzinken in de geweldige wateren van de zondvloed van eeuwige toorn en wraak, en Christus zal er in de hoogste mate over toornen, indien Zijn zaligheid licht geacht wordt; want "Hij zal met vlammend vuur wraak doen over degenen, die God niet kennen. en over degenen, die het Evangelie van onze Heere Jezus Christus niet gehoorzaam zijn," in dit gebod te gehoorzamen, van te geloven in de Naam van de eniggeboren Zoon van God (2 Thess. 1:8).
Tegenwerping. 1. Ik vrees, dat, in Christus te geloven en Hem toe te passen, vermetelheid in mij zou zijn.
Antwoord. Het kan nooit vermetelheid zijn een uitdrukkelijk en stellig gebod van God te gehoorzamen. 1s het vermetelheid te bidden? 1s het vermetelheid het Woord te lezen? 1s het vermetelheid het Woord te horen? Is het vermetelheid Gods Naam te heiligen? Is het vermetelheid de Sabbatdag te gedenken. U acht het geen vermetelheid te zijn, deze dingen te doen, omdat God ze gebiedt; evenmin kan het vermetelheid zijn "in Christus te geloven", aangezien het Zijn gebod is.
Tegenwerping. 2. Ik ben zo’n groot zondaar, dat ik bevreesd ben, dat het niet aan mij wordt geboden.
Antwoord. Het gebod, dat men moet geloven, is aan allen zonder onderscheid, grote zondaars en minder grote zondaren: (Jes. 1:18) "Komt dan, en laat ons samen rechten, zegt de Heere. Al waren uw zonden als scharlaken, zij zullen wit worden als sneeuw, al waren zij rood als karmozijn, zij zullen worden als witte wol." Indien het gebod van te geloven niet aan iedereen was, dan zou hun ongeloof hun zonde niet zijn; want de "zonde wordt niet toegerekend, als er geen wet is" (Rom. 5:13). Doch het ongeloof is een zonde van het ergste soort, die elke andere zonde onvergeeflijk maakt, omdat daardoor het enige geneesmiddel wordt verworpen.
Tegenwerping. 3. U zegt, dat ons geboden wordt te geloven, en toch zegt u ons tegelijkertijd, dat wij het vermogen missen om te geloven, dat ‘t het werk Gods is (Joh. 6:29), en "die uitnemende grootheid van zijn kracht aan ons, die geloven, naar de werking van de sterkte Zijner macht, die Hij gewrocht heeft in Christus, als Hij Hem uit de doden heeft opgewekt" (Ef. 1:19,20).
Antwoord. Het is waar, u kunt niet geloven. (Joh. 6:44) "Niemand kan tot Mij komen, tenzij dat de Vader, Die Mij gezonden heeft, hem trekke," en toch wordt u geboden te geloven, niet door ons, maar door die God, "Die roept de dingen, die niet zijn, alsof zij waren" (Rom. 4:17), en Hij gebiedt u, onmachtige zondaren, die dood bent door de zonde, in de Naam Zijns Zoons te geloven, opdat u uit een gevoel van uw onmacht het werk aan Hem mag overdragen, als de overste Leidsman en Voleinder des geloofs (Hebr. 12:2); Zijn gebod is het voertuig van Zijn macht. Evenals toen Hij die man met de verdorde hand gebood: "Strek uw hand uit," toen poogde die arme man te gehoorzamen, en in de poging om te gehoorzamen kreeg hij kracht om zijn hand uit te strekken, gelijk hem geboden was. Handelt naar dit voorbeeld. Tracht de plicht te doen, vertrouwende op de kracht van Hem, Die u gebiedt te geloven, dat Hij "in u vervulle al het welbehagen van Zijn goedigheid en het werk van het geloof met kracht" (2 Thess 1:11),
Tegenwerping. 4. Ik heb gepoogd en getracht te geloven, in gehoorzaamheid aan het gebod, en toch, helaas! ben ik precies dezelfde gebleven; ik kan niet zien, dat er de kracht Gods mee gepaard ging.
Antwoord. Volhardt in het gebruik van de door God ingestelde middelen; volhardt in het horen van het Woord, en tracht het met het geloof te mengen; volhardt in de gebed, en tracht te geloven, dat God u zal verhoren; en wacht in die weg op de Heere. Gedenkt aan die arme man, die acht en dertig jaren aan het badwater had gelegen, wachtende op de roering van het water, en ten laatste kwam de Heere, en genas hem. Doet ook zoo; want "welgelukzalig zijn zij, die de Heere verwachten."
Tegenwerping. 5. Doch al mijn arbeid zal tevergeefs zijn indien ik niet uitverkoren ben; want alleen zij zullen geloven, die verordineerd zijn tot het eeuwige leven (Hand. 13:48).
Antwoord. Het is waar, de uitverkorenen zullen het verkrijgen, terwijl de anderen verhard worden (Rom. 11:7); doch laat mij u zeggen, dat u, in het stuk van geloven, niet meer belang hebt bij de verborgen raad Gods dan u daarbij hebt in betrekking tot het kopen of verkopen, eten of drinken, of dergelijke gewone handelingen in het leven. Indien iemand zou zeggen: Ik zet mijn winkeldeur niet open, omdat ik niet weet of God heeft besloten, dat ik iets zal verkopen; of, omdat ik niet weet of God verordineerd heeft, dat iemand mijn waren zal kopen. Of, als iemand zou zeggen: Ik wil niet eten of drinken, omdat God mijn levenstijd heeft vastgesteld; ik ben er zeker van, dat ik zolang zal leven als God bepaald heeft, wat ik ook doe; of, ik mag mijzelf van een steilte afwerpen, of trachten op het water te lopen, omdat ik toch niet zal omkomen voordat de van God bestemde tijd daar is; zoudt u zo iemand niet voor dwaas of krankzinnig houden, die op die wijze redeneerde? Toch is het precies hetzelfde, wanneer hij redeneert, dat hij niet tot Christus behoeft te vlieden, of in de Nieuw Testamentische Ark behoeft in te gaan, omdat hij, als hij uitverkoren is, niet zal verloren gaan. hetzij hij gelooft of niet. Vrienden, laat de duivel en een arglistig hart u niet afleiden tot de besluiten Gods, die verborgen zijn; want "de verborgen dingen zijn voor de Heere onze God; maar de geopenbaarde zijn voor ons en voor onze kinderen" (Deut. 29:29). Volgt de geboden plicht op; gelooft in de Zoon van God, en dan zult u uw verkiezing van God weten.
V. Wij zullen nu overgaan tot ons vijfde punt, dat was, dat wij er een weinig over zullen spreken, hoe een zondaar dadelijk in deze Nieuw Testamentische Ark ingaat, zodat hij van de zondvloed behouden wordt.
Alles, wat ik over dit punt zal zeggen zal dienen tot opheldering van de natuur van het geloof onder de gelijkenis van het ingaan in de ark van Noach en de schepselen die daar met hem behouden werden.
Het geloof wordt soms in de Schrift uitgedrukt onder het begrip van ingaan: (Joh. 10:9) "Ik ben de Deur; indien iemand door Mij ingaat, die zal behouden worden", (Heb. 4:3) "Want wij, die geloofd hebben, gaan in de rust;" (vs. 1) "Laat ons dan vrezen, dat niet te eniger tijd de belofte van in Zijn rust in te gaan nagelaten zijnde, iemand van u schijne achtergebleven te zijn." Van dezelfde betekenis is die uitdrukking (Zach. 9:12), waar Christus wordt voorgesteld als een Sterkte, of Toevlucht; "Keert gijlieden weder tot de sterkte, gij gebondenen, die door hoopt."
1. Wij zien dan in de tekst, dat Noach, voordat hij een ark toebereidde, of daarin de toevlucht nam, door God gewaarschuwd werd voor het gevaar, dat hem dreigde.
Evenzo is het met zondaren ten opzichte van het geloven in Christus; God waarschuwt de zondaar voor het gevaar waarin hij verkeert van de toekomende toorn. Gelijk God de oude wereld voor de naderende zondvloed waarschuwde door de dienst van Noach, zo worden ook alle zondaren, door het gelezen en gepredikte Woord gewaarschuwd, voornamelijk door de prediking van de wet, dat zij in gevaar zijn eeuwig verloren te gaan. De stem Gods in de wet is tot zondaren: (Gal. 3:10) "Vervloekt is een iegelijk, die niet blijft in al hetgeen geschreven is in het boek van de wet, om dat te doen." (Rom. 2:8,9) "Verbolgenheid en toorn, verdrukking en benauwdheid, over alle ziel des mensen, die het kwaad werkt." (Ps. 9:18) "De goddelozen zullen terugkeren naar de hel toe: alle God vergetende heidenen. "De bezoldiging der zonde is de dood". Deze en dergelijke waarschuwingen worden door de kracht van de eeuwige Geest tot de ziel gebracht en haar persoonlijk toegepast, voordat de zondaar in de Nieuw Testamentische Ark gaat: hij wordt er toe gebracht de waarheid van deze bedreigingen te geloven. Want er is een wet van het geloof en een persoonlijke toepassing van deze en dergelijke bedreigingen, voordat er een waar evangelische geloof van het middel tot verlossing en genezing is.
2. U ziet hier dan ook, dat Noach bevreesd werd, voordat hij een ark toebereidde, of er in ging. U zegt: Waarvoor was hij bevreesd? Ik antwoord: Hij was bevreesd, dat hij met de overigen van de goddeloze wereld in de zondvloed zou omkomen.
Evenzo is het, in het stuk van geloven, of van het vlieden tot Christus, gelegen met zondaars; zij worden met vrees bevangen voor een vertoornd God. Zo komt het, dat de zondaar, door de verschrikkingen Gods en van een ontwaakt geweten, evenals de stokbewaarder, begint te beven, en uitroept: "Wat moet ik doen, opdat ik zalig worde?" O! Tot wie zal ik vlieden om hulp? (Jes. 33:14) "Wie is er onder ons, die bij een verterend vuur wonen kan? Wie is er onder ons, die bij een eeuwige gloed wonen kan?" Dit wordt gewoonlijk een wetswerk genoemd, dat iedereen, die gelooft, in meerdere of mindere mate heeft: Want de wet is onze "tuchtmeester geweest tot Christus, opdat wij uit het geloof zouden gerechtvaardigd worden" (Gal. 3:24).
3. Noach verwierp alle valse gronden van vertrouwen, waarheen de lieden van de eerste wereld zich begaven, ter schuiling tegen de zondvloed. Er is geen twijfel aan, of de bewoners van de oude wereld hebben, toen zij zagen, dat alle fonteinen des groten afgronds opgebroken, en de sluizen van de hemel geopend werden, hun toevlucht genomen tot de hoogste huizen, of bergen, om behouden te worden van de wateren van de zondvloed, in de hoop, dat de wateren zouden stilstaan, voordat zij de plaats waar zij zich bevonden bereikten. Doch Noach wist beter; hij wist, dat het maar toevluchten van de leugens waren, en dat de wateren de hoogste bergen, die in de wereld waren, zouden bedekken. Daarom verwierp hij al die ijdele toevluchten, en begaf zich in de ark.
Evenzo staat het met het geloven in Christus; de arme ziel krijgt te zien, dat zij het "tevergeefs verwacht van de heuvelen en de menigte van de bergen" Jer. 3:23) dat de hagel de toevlucht des leugens zal wegvagen. (Jes. 28:17), en de wateren al deze schuilplaatsen zullen overlopen, waarheen de huichelaars, de vleselijk wereldling of de wettische, zichzelf begeven. Daarom neemt zij de toevlucht tot Christus om de zalige hoop, die haar in het Evangelie wordt voorgesteld, vast te houden (Hebr. 6:18), wetende, dat er geen andere naam gegeven is, door welke wij moeten zalig worden, dan de Naam van Jezus.
4. Noach geloofde, dat de ark van God ingesteld zijnde, genoegzaam was, om hem en zijn huisgezin van de zondvloed te behouden.
Zo is het ook in het geloven, daarin wordt Christus aangegrepen als een algenoegzame Zaligmaker, Die "volkomenlijk kan zaligmaken degenen, die door Hem tot God gaan" (Hebr. 7), en zoals Hij van God aangesteld en geordineerd is om een Zaligmaker te zijn, die in elk opzicht van alles voorzien is wat nodig is tot zaligheid van verloren zondaren, en "ons van God geworden is, wijsheid, en rechtvaardigheid, en heiligmaking, en verlossing".
5. God gaf de levende schepselen, die door de ark in het leven zouden behouden worden, een zeker instinct, waardoor zij zich van alle delen van de aarde naar de ark begaven, en er ten laatste ingingen.
Zo gaat het ook in zondaar een innerlijke aandrijving, een bovennatuurlijke neiging, die hem niet doet rusten, voordat hij Christus gewint en in Hem gevonden wordt. Dit is niet anders dan die trekkende kracht van het Woord en de Geest Gods, waardoor de zondaar geleid wordt op de Rotssteen, "Die hoger is dan alle andere toevluchten. (Joh. 6:44) "Niemand", zegt Christus, "kan tot Mij komen, tenzij de Vader, Die Mij gezonden heeft, hem trekke; " (Hos. 11:4) Ik trok ze met mensenzelen, met touwen der liefde". U weet, dat de bijen door zeker instinct, wanneer er een bui in aantocht is. in de korf vlieden; evenzo is het hier.
6. Noachs geloof betrouwde niet op de planken van de ark, maar op God, Die hem had aangesteld om haar toe te bereiden.
Zo is het ook met het geloven; het ware geloof bepaalt zich op God, Die in Christus de wereld met Zichzelf verzoenende was. Het grote doel Gods in Zich in het vlees te openbaren is niet, dat ons geloof zich zal bepalen op de Mens Christus Jezus, maar op God in Hem. Wij lezen dienaangaande in (1 Petr. 1:21) "Gij die door Hem gelooft in God, Welke Hem opgewekt heeft uit de doden, en Hem heerlijkheid gegeven heeft, opdat uw geloof en hoop op God zijn zou". Zodat u ziet, dat het doel van het ganse werk van de verlossing door Christus is, ons tot het geloof en vertrouwen op God te brengen, en dat wij ons vertrouwen op Hem zullen stellen, als God met ons. Vrienden, gedenkt, dat God alleen het Voorwerp van het geloof is, en dat uw geloof geen zaligmakend geloof is als het zich op iets minder bepaalt, dan op God, Vader, Zoon, en Heilige Geest, want dan beantwoordt het niet aan het eerste gebod van de wet: "Gij zult geen andere goden voor mijn aangezicht hebben",
7. Toen Noach in de ark ging, was hij vast besloten, daar te blijven, totdat de wateren van de zondvloed gelicht waren.
Zo is het ook hier. Wanneer een zondaar door het geloof tot Christus komt om bij Hem te schuilen, komt hij met het voornemen om bij Hem te blijven, niet, zoals Noach in zijn ark, voor een poosje, maar voor altoos. De ziel, die in Christus gelooft, roept aangaande Hem uit: (Ps. 132:14) "Dit is mijn rust tot in eeuwigheid, hier zal ik wonen, want ik heb ze begeerd". Het is de wil van Christus, dat wij in Hem zullen blijven: (1 Joh. 11:28) "En nu, kinderkens, blijft in Hem: opdat, wanneer Hij al geopenbaard zijn, wij vrijmoedigheid hebben en wij van Hem niet beschaamd gemaakt worden in Zijn toekomst". (Joh. 15:5-7) "Ik ben de Wijnstok, en gij de ranken; die in Mij blijft, en Ik in hem, die draagt veel vrucht; want zonder Mij kunt gij niets doen. Zo iemand in Mij niet blijft, die is buiten geworpen, gelijkerwijs de rank, en is verdord; en men vergadert dezelve, en men werpt ze in het vuur, en zij worden verbrand. Indien gij in Mij blijft, en Mijn woorden in u blijven, zo wat gij wilt, zult gij begeren, en het zal u geschieden.
VI. Ons zesde punt was, dat wij deze leer zullen toepassen. De enige gebruiken, die ik ervan zal maken, zullen zijn een woord van beproeving en van vermaning.
Het eerste gebruik zal een woord van beproeving en onderzoek zijn.
Wat ik wil, dat u zult onderzoeken, is: Of u in de Nieuw Testamentische Ark bent gekomen, waar een zondaar alleen veilig kan zijn voor de zondvloed van de toorn Gods. Het komt mij te binnen, dat Johannes de Doper tot de Schriftgeleerden en Farizeeën zeide: (Matth. 3:7) "Gij adderengebroedsels, wie heeft u aangewezen te vlieden van de toekomende toorn?" Zo zeg ik ook tot u: Hebt u op Gods waarschuwing, door het woord van de wet, de toevlucht tot Christus genomen en verblijf bij Hem gemaakt? Ik zal u de volgende kenmerken geven ter beproeving.
Indien u tot de Nieuw Testamentische Ark bent gevloden, dan hebt u gezien, dat de verslindende vloed van Gods toorn gereed was u te verzwelgen, en dat u op het punt was van voor eeuwig in de diepte van de wateren om te komen, zodat u moest uitroepen: O, "wat moet ik doen, opdat ik zalig worde?"
2. God heeft dan al uw leunsels en steunsels verbroken, en u doen zien, dat het slechts toevluchten van de leugens zijn, die u zullen bedriegen. Zo ging het Paulus in zijn bekering; de dingen, die hem gewin waren, rekende hij schade om Christus wil. (Hos. 14:4) "Assur zal ons niet behouden".
3. U hebt dan bij het licht van het Woord en de Geest zo’n ontdekking gekregen van de heerlijkheid, de bouw, de schoonheid en voortreffelijkheid van de Nieuw Testamentische Ark, dat het u vervuld heeft met verwondering en bewondering van de liefde, goedertierenheid en genade van God, in voor zo’n Ark, zulk een Zaligmaker, te zorgen: (2 Kor. 4:6) "Want God, Die gezegd heeft, dat het licht uit de duisternis zou schijnen, is Degene, Die in onze harten geschenen heeft, om te geven verlichting van de kennis van de heerlijkheid Gods in het aangezicht van Jezus Christus". O, zal de ziel zeggen, bij het gezicht van deze Ark Christus: "Wat heeft God gewerkt?" (Ps. 118:23) "Dit is van de Heere geschied, en het is wonderlijk in onze ogen". (1 Tim. 3:16) Buiten twijfel, de verborgenheid der godzaligheid is groot; God is geopenbaard in het vlees!"
4. Indien u ooit in deze Ark bent ingegaan, dan hebt u een verzoend God in deze Ark Christus gezien: "Want God was in Christus de wereld met Zichzelf verzoenende". Dit is het wat de ziel beweegt en bemoedigt in haar in te gaan. De arme ziel kon tevoren niet anders zien dan dat God een verterend vuur was; maar op Christus ziende ziet zij een vriendelijk God, Die zegt: "Deze is Mijn geliefde Zoon in Dewelke ik Mijn welbehagen heb". O vrienden, dit is het wat geloof, hoop, liefde en vertrouwen baart; de liefde Gods in Christus te geven: "Alzo lief heeft God de wereld gehad, dat Hij Zijn eniggeborenen Zoon gezonden heeft." Nu, hebt u gezien, dat God liefde is? Hebt u hierin Zijn liefde geopenbaard gezien, dat Hij Zijn eniggeboren Zoon gezonden heeft in de wereld, opdat wij zouden leven door Hem (1 Joh. 4:9)? En heeft het geloof van deze liefde uw vijandschap gedood?
5. Indien u tot de Nieuw Testamentische Ark bent gevloden, dan zult u zo verblijd zijn met uw nieuwe woning, en uw veiligheid daarin, dat uw harten met dankbaarheid vervuld zullen zijn, en uw tongen de lof des Heeren zullen vermelden, die voor zo’n Ark gezorgd, en u daarin gebracht heeft. U zult dan met de Kerk zingen en zeggen: (Micha 7:18) "Wie is een God gelijk Gij, Die de ongerechtigheid vergeeft, en de overtreding van het overblijfsel van Zijn erfenis voorbijgaat?" En met David: (Ps. 103:1,2) "Loof de Heere, mijn ziel, en al wat binnen in mij is Zijn heilige Naam. Loof de Heere mijn ziel, en vergeet geen van Zijn weldaden;" en met de Israëlieten, toen God hen door de Rode Zee gebracht en uit de hand van de Egyptenaren verlost had: (Deut. 15:1) "Ik zal de Heere zingen, want Hij is hooglijk verheven."
6. Indien u ooit in de Ark bent gevloden dan zult u nieuwe schepselen zijn: (2 Kor. 5:17) "Zo dan indien iemand in Christus is, die is een nieuw schepsel; het oude is voorbijgegaan, ziet, het is al nieuw geworden." U hebt dan nieuw licht gekregen in uw verstand, een nieuwe wil en genegenheden; u zult dan niet naar uw oude begeerlijkheden in het vlees wandelen, of naar de vloek van de wereld; neen, maar gelijk de ark en zij die daarin waren op de wateren boven de aarde, naar de hemel verheven werden, zo ook zult u niet op de aarde liggen kruipen, maar "de dingen zoeken, die boven zijn, waar Christus is" (Kol. 3:1).
7. U hebt dan iets van de Geest van Christus u kregen; (Rom. 8:9) "Maar zo iemand de Geest van Christus niet heeft, die komt Hem niet toe. (l Kor. 6:17) "Maar, die de Heere aanhangt is één Geest met Hem." Dan zal Zijn Geest in u zijn als "een Fontein van water springende tot in het eeuwige leven". (Joh. 6:14). "De Geest zal u overtuigen van zonde, van gerechtigheid, en van oordeel."
8. Indien u tot de Nieuw Testamentische Ark bent gevloden, zult u de behoefte gevoelen zo velen als mogelijk is met u in de Ark te krijgen. Daartoe zult u met hen spreken over hun gevaar, zolang zij buiten Christus zijn, en van de grote zaligheid, die in Hem te vinden is. Hoe werkzaam was Paulus, nadat hij Christus had leren kennen, om Hem anderen aan te bevelen.
Een tweede gebruik zal zijn van vermaning aan allen in het algemeen.
Is het zodat Christus onze grote Nieuw Testamentische Ark is, om van de zondvloed van de toorn Gods te behouden? O vrienden, laat mij u de bidden en smeken op uw veiligheid te letten, door in deze gezegende Ark te vlieden, voordat de wateren van de zondvloed u in een ellendige eeuwigheid zullen meevoeren.
Ik zal u een paar beweegredenen voorstellen, om u op te wekken in de Ark te vlieden.
1. Overweegt, dat er ontelbare menigten van mensen zijn, die reeds onherstelbaar in de zondvloed van de toorn Gods verloren zijn, doordat zij niet in de Ark zijn gegaan. Van de inwoners van de oude wereld staat geschreven, dat zij, tot wie Noach gepredikt heeft, in de gevangenis zijn. O wat een ontelbare scharen van mannen en vrouwen zijn, sedert de zonde in de wereld is gekomen, in de hel nedergestoten, aan de zijden van de kuil. "Breed is de weg, die tot het verderf leidt, en velen zijn er, die door dezelve ingaan." Is het niet in uw belang, dat u zich laat waarschuwen uit het verderf van zovelen?
2. Overweegt, dat u onvermijdelijk dezelfde weg moet uit gaan; ik meen, dat u in de zondvloed zult omkomen, zo u niet in de Ark ingaat: "Want daar is ook onder de hemel geen andere naam, die onder de mensen gegeven is, door welke wij moeten zalig worden." Het zijn niet de gebroken planken van uw belijdenis van de godsdienst, uw hoop op de algemene barmhartigheid Gods, uw beschaafdheid, zedelijkheid, en wettische gerechtigheid, die zullen gelden; Gods toorn zal alle rietstaven in stukken breken, en daarom spoedt u tot de Ark Jezus Christus.
3. Er is een vaste dag, een tijd gesteld voor uw ingaan in de Nieuw Testamentische Ark, en als u die laat voorbijgaan zult u niet in de Ark kunnen ingaan, maar onvermijdelijk in de zondvloed omkomen. "Hij, Die leeft in alle eeuwigheid" heeft Zijn hand opgeheven naar de hemel en gezworen, dat daar niemand meer in de Ark zal ingaan. Vraagt u: Welke is die gestelde tijd? Dan antwoord ik; Het is de dag van de genade, de tijd des levens, de dag van de zaligheid; indien die voorbij is, bent u voor eeuwig verloren, daarom "Heden indien gij Zijn stem hoort, zo verhardt uw harten niet."
4. God heeft de Ark voor u toebereid, en dat met oneindige kosten. God heeft voor een Zaligmaker gezorgd: (Ps. 89:23) "Ik heb hulp besteld bij een Held." "Alzo lief heeft God de wereld gehad, dat Hij Zijn eniggeboren Zoon gegeven heeft, opdat een iegelijk, die in Hem gelooft, niet verderve." De Ark is voltooid, en volmaakt, en voor u gereed: "Alle dingen zijn gereed" (Matth. 22:4).
5. De Ark is bij de hand, zij is nabij ons: (Jes. 42:13) "Ik breng mijn gerechtigheid nabij, zij zal niet ver wezen, en Mijn heil zal niet vertoeven; maar Ik zal heil geven in Sion, aan Israël Mijn heerlijkheid." "Nabij u is het woord, in uw mond, en in uw hart. Dit is het woord des geloofs, hetwelk wij prediken" (Rom. 10:8).
6. De Ark is toebereid voor mensen van ons soort, ik meen mannen en vrouwen van de menselijke natuur. Daarom gaat de roepstem uit "tot mannen en tot der mensen kinderen" (Spr. 8:4). Christus is een Zaligmaker, niet voor gevallen engelen, maar voor ons: "Een Kind is ons geboren, een Zoon is ons gegeven. Hij is ons geworden wijsheid van God, en rechtvaardigheid, en heiligmaking, en verlossing."
7. Velen zijn reeds ingegaan en behouden; een "ontelbare schare, die niemand tellen kan."
8. De deuren van de Ark zijn ook voor u wijd opengezet, en wel met een belofte van behoudenis: "Een iegelijk, die gelooft, zal niet verderven, maar het eeuwige leven hebben."
9. De grote God gebiedt u in de Ark in te gaan: (1 Joh. 3:23) "Dit is zijn gebod, dat wij geloven in de Naam Zijns Zoons Jezus Christus."
Ik sluit met een enkel woord tot gelovigen, die in de Ark zijn gevloden.
(1.) Bij wijze van vertroosting.
1. God is bij u in de Ark; "want God is in Christus en Hij zal u nooit verlaten."
2. "Uw leven is met Christus verborgen in God." Hij zegt: "Ik leef, en gij zult leven."
3. Gij bent vrijgemaakt van de verdoemenis: De wet kan u niet vervloeken. De mensen mogen het doen. maar God zal u niet vervloeken. (Rom. 8:1).
4. De wateren van de verdrukking zullen u niet overstromen; de golven mogen druisen, maar zij zullen als de golven van de zee in schuim overgaan.
5. De dood en het graf kunnen u geen kwaad doen, want u bent uit beider macht vrijgekocht: (Hos. 13:14) "Ik zal ze vrijmaken van de dood".
(2.) Een woord van raadgeving aan u, die in de Ark bent.
1. Looft God, Die de Ark verschaft heeft.
2. Looft God, Die u daarin heeft gebracht.
3. Verblijdt u, en beroemt u in de Heere, triumfeert in Hem.
4. Leeft van Christus en van de voorraad, die u in de Ark vindt.
5. "Opdat u mag wandelen waardig de Heere tot alle behaaglijkheid, in alle goede werken vrucht dragende, en wassende in de kennis Gods".
De eerste belofte vervuld; of, de kop van de slang vermorzeld door het Zaad van de vrouw
1 Joh. 3:8. Hiertoe is de Zoon van God geope