Preken
van
Ebenezer Erskine
bedienaar van het Evangelie te Stirling - Schotland
over
Matth. 25:6 De wijze maagden uitgaande de bruidegom tegemoet
Joh. 6:66 De afkerige gekenschetst, of het kwaad en gevaar van afvalligheid beschreven
Matth. 16:27 Christus komende ten oordeel op de wolken
Hand. 13:26 Het woord der zaligheid
Jes. 42:21 De verbroken wet groot gemaakt en heerlijk gemaakt
Deel 5
Inhoud
De wijze maagden uitgaande de bruidegom tegemoet (1e preek)
*De wijze maagden uitgaande de bruidegom tegemoet (2e preek)
*De wijze maagden uitgaande de bruidegom tegemoet (3e preek)
*De afkerige gekenschetst, of het kwaad en gevaar van afvalligheid beschreven
*Christus komende ten oordeel op de wolken
*Het woord der zaligheid
*De verbroken wet groot gemaakt en heerlijk gemaakt
*De wijze maagden uitgaande de bruidegom tegemoet (1e preek)
Matth. 25:6. En ter middernacht geschiedde een geroep: Ziet, de bruidegom komt, gaat uit hem tegemoet!
De woorden, die ik heb afgelezen zijn een gedeelte uit de welbekende gelijkenis van de tien maagden. Om die op te helderen moet u nauwkeurig acht geven op de volgende twee of drie dingen.
1e De Bruidegom over Wie hier gesproken wordt is niemand andere dan Christus Jezus de Heere, de eeuwige Zoon van God, Die van alle eeuwigheid spelende was in de wereld Zijns aardrijks, en Wiens vermakingen zodanig met van de mensen kinderen waren, dat Hij eerst onze natuur trouwde in een persoonlijke vereniging met Zichzelf, opdat er zodoende in de overeenkomst zeker soort van gelijkheid zou zijn; en zo van ons geslacht geworden zijnde komt Hij ons voor eeuwig in huwelijksgemeenschap met Hem ondertrouwen.
2e De maagden van wie hier wordt gesproken zijn de belijders van de godsdienst, leden van de zichtbare Kerk. De Kerk of de Gemeente van Christus wordt de bruid, de vrouw des Lams, genoemd (Openb. 19:7-9): en voornamelijk worden de belijders, heiligen en gelovigen, ten minste in belijdenis, maagden genoemd, wegens de schoonheid van de heiligen, die hen behoort te versieren.
3e De bezigheid van die maagden is, dat zij de Bruidegom tegemoet gaan. Dit zinspeelt op een gewoonte onder de Joden, die hun huwelijken ‘s nachts voltrokken. Wanneer de bruidegom op weg was naar de plaats, waar het huwelijk werd voltrokken, gingen de bruid met zoveel maagden als haar vergezelden hem met lampen tegemoet, om hem naar de kamer van de bruid te geleiden. Nu, met zinspeling op deze gewoonte wordt van de belijders van de godsdienst gezegd, dat zij de Bruidegom tegemoet gaan.
4e Let op de verschillende benamingen van deze maagden, vijf van haar waren wijs, en vijf waren dwaas. De dwazen stellen de toestand voor van belijders in naam, of geveinsde belijders, die de lamp van een belijdenis hebben, en tevreden zijn met een naam, dat zij leven, terwijl zij vervreemd zijn van het leven en de kracht van de godsdienst; door de wijze maagden hebben wij de ware heiligen te verstaan, of hen, die waarlijk gelovigen zijn, die niet alleen Christus en de Christelijke godsdienst belijden, maar die inderdaad Christenen zijn, de olie van Zijn genade en van Zijn Geest in zich hebben.
5e De gewone fout van beide deze soorten van maagden wordt ons aangewezen: zij werden allen sluimerig en vielen in slaap; alsmede de onverwachte oproeping, die zij allen ontvingen, om de Bruidegom tegemoet te gaan: (vs. 6) "Ziet de Bruidegom komt, gaat uit Hem tegemoet". Het is het laatste zindeel van dit vers, waarover ik voornemens ben te spreken, namelijk: Ziet de Bruidegom komt, gaat uit Hem tegemoet.
Ons wordt, in vs. 13, een sleutel gegeven om het algemene deel van deze gelijkenis te ontsluiten: "Zo waakt dan, want gij weet de dag niet noch de ure, in dewelke de Zoon des mensen komen zal." Hoewel deze woorden hoofdzakelijk en voornamelijk betrekking hebben op de komst van Christus bij de dood, of op Zijn komst in het laatste oordeel; toch, en daarin stemmen Shepard en andere uitleggers overeen, sluiten zij Zijn andere onmiddellijke komsten, hetzij in de uitdeling van het Woord en de sacramenten, in de ordinanties, of in de voorzienigheid, niet uit, maar in, en is het de plicht van allen zich voor te bereiden op Zijn komst, en Hem gunstig te ontvangen.
De afgelezen woorden (vs. 6) zijn een verbazingwekkende oproeping of kennisgeving aan de Kerk in het algemeen, en aan ieder lid daarvan in het bijzonder, om zich gereed te maken Hem te ontvangen, omdat Hij aan de deur staat: "En te middernacht geschiedde een geroep," enz. Wij kunnen hier acht geven op de volgende bijzonderheden:
(1.) Wie het zijn, die worden opgeroepen. Het zijn allen in het algemeen, beiden de wijze en de dwaze maagden. Het Evangelie wordt gepredikt aan een gemengde schare van goeden en bozen, begenadigden en onbegenadigden, volgens het bevel van Christus: "Gaat heen in de gehele wereld, predikt het Evangelie allen creaturen".
(2.) Wij hebben hier de wijze waarop de oproep wordt gedaan. Het geschiedt door een geroep, zodat allen het kunnen horen, en gewaarschuwd worden: (Jes. 57:1) "Roep uit de keel en houd niet in, verhef uw stem als een bazuin". Leraars zijn Gods omroepers of herauten. Van Johannes de Doper wordt gezegd, dat hij was "de stem des roependen in de woestijn". Wat ook de boodschap is, die God in onze mond legt, of die van goedertierenheid of van recht is, wij moeten niet in een hoek fluisteren, maar als van de daken roepen. (Spr. 1:20,21) "De opperste Wijsheid roept overluid daar buiten: zij verheft haar stem op de straten. Zij roept in het voorste van de woelingen; aan de deuren van de poorten spreekt zij haar redenen in de stad".
(3.) Wij hebben hier de tijd, wanneer het geroep werd gehoord: Te middernacht, toen zij allen sluimerden en sliepen, en alle hoop op en verwachting van Zijn komst hadden opgegeven; zowel de wijze als de dwaze maagden zeiden: "Mijn Heere vertoeft te komen;" en daarom, "Een weinig slapens, een weinig sluimerens, een weinig handvouwens al nederliggende". In deze toestand, namelijk, te middernacht, onverwachts, wordt het geroep gehoord: "Ziet de Bruidegom komt".
(4.) Hier is de oproep of kennisgeving zelf: "Ziet de Bruidegom komt, gaat uit Hem tegemoet". Over deze woorden ben ik voornemens voornamelijk te spreken, en kunnen wij daarin op de volgende bijzonderheden acht geven.
1. De plechtigheid in het woord "Ziet", dat daar kan genomen worden om oplettendheid of verwondering te kennen te geven.. Het is als de omroeper, die, als de afkondiging door de heraut is uitgeroepen, luid roept: Hoort! om de aandacht van degenen die het horen op te wekken; evenals: (in Jes. 55:1) "O alle gij dorstigen, komt tot de wateren". Wij kunnen het ook aanmerken als een teken van verwondering: Ziet, en verwondert u over de heerlijkheid van de Bruidegom, die op komst is. Wanneer door de Profeten onder het Oude Testament over de Messias wordt gesproken, leiden zij, in hun profetieën aangaande Zijn komst, die gewoonlijk in met een teken van verwondering: Ziet! (Jes. 7:14) "Ziet, een maagd zal zwanger worden, en zij zal een zoon baren, en zijn naam Immanuël heten;" (Jes. 42:1) "Ziet Mijn Knecht, Die Ik ondersteun;" (Jes. 55:4) "Ziet, Ik heb Hem tot een Getuige der volken gegeven, een Vorst en Gebieder der volken;" (Zach. 9:9) "Verheug u zeer, gij dochter Sions, juich gij dochter Jeruzalems, ziet, uw Koning zal u komen"; hetwelk te kennen geeft, dat Christus een wonderlijk Persoon is, en dat Zijn komen tot ons in goedertierenheid wonderlijk is.
2. Wij hebben hier de benaming van de Persoon, Die hier wordt aangekondigd. Hij wordt de Bruidegom genoemd, en wel de Bruidegom bij uitnemendheid, omdat er niemand van die naam is, die bij Hem te vergelijken is. Wanneer wij de naam van bruidegom horen, dan stellen wij dadelijk vast, dat er een huwelijk op handen is; zo ook hier, wanneer Christus Zich deze beminnelijken naam en titel geeft, dan moeten wij terstond besluiten dat er een huwelijk op handen is, dat Christus een Minnaar is, en dat Hij een bruid heeft, en een voornemen om haar te trouwen, volgens Hos. 2:18,19: "Ik zal u Mij ondertrouwen in eeuwigheid; ja, Ik zal u Mij ondertrouwen in gerechtigheid en in gericht, en in goedertierenheid, en in barmhartigheden. En Ik zal u Mij ondertrouwen in geloof, en gij zult de Heere kennen". Doch hierover later meer, zo de Heere wil.
3. Wij hebben in de woorden van onze tekst de nadering van de Bruidegom: Ziet de Bruidegom komt. Wij lezen in de Schrift van onderscheiden komsten van Christus. Er is Zijn eerste komst in het vlees, en Zijn tweede komst ten oordeel, hetzij algemeen of bijzonder. Dan zijn er Zijn afschaduwende en profetische komsten tot de Kerk onder het Oude testament, en Zijn werkelijke komst in persoon om het grote werk van de verlossing te vervullen en uit te voeren, door Zijn gehoorzaamheid, dood, en opstanding. Er is Zijn komst in de uitdeling van het Evangelie aan een kerk, of een volk. Ook is er Zijn komst, in de kracht van Zijn Woord en Geest in een dag van de bekering, tot een gemeente, of tot een bijzondere ziel, zoals toen Hij tot Zacheüs zeide: "Heden is deze huize zaligheid geschied". En dan is er nog Zijn komst in Woord en sacrament met de vernieuwde openbaring van Zijn liefde, of de vernieuwde invloeden en mededelingen van Zijn Geest der genade, zoals die waarvan wij lezen in Ps. 72:6: "Hij zal neerdalen als een regen op het nagras, als droppelen, die de aarde bevochtigen". Ik sluit in mijn voorgenomen verhandeling van deze woorden geen van deze komsten van Christus, die ik genoemd heb, uit; doch ik zal ze nu aanmerken als te zien op Zijn komst in genade en liefde, in de uitdeling van Woord en sacrament, of welke andere door Hem ingestelde ordinantie, waarin Hij Zich pleegt te openbaren en de vruchten van Zijn stervende liefde aan de zielen van Zijn volk mee te delen.
Een reden waarom ik de woorden uit dit oogpunt wens te beschouwen is, omdat Hij Zich hier voorstelt in de hoedanigheid van een bruidegom, die met het voornemen komt om te trouwen of te ondertrouwen. Wij hebben een woord, dat dit zeer gelijk is: (Hoogl. 3:11) "Gaat uit, en aanschouwt, gij dochteren Sions, de Koning Salomo, met de kroon waarmee hem zijn moeder kroonde op de dag van zijn bruiloft en op de dag der vreugde zijns harten."
4. Wij zien hier, welke plicht op alle de maagden rust bij de nadering van de Bruidegom: Gaat uit Hem tegemoet. Zoals ik reeds aanstipte wordt hier gezinspeeld op de gewoonte bij huwelijken onder de Joden, in de tijd toen onze Zaligmaker op aarde was. De bruid en haar maagden gingen hem tegen de nacht tegemoet met brandende lampen, om hem met zekere huwelijksplechtigheid naar de huwelijkswoning te begeleiden. Met zinspeling op deze gewoonte wordt de Kerk in het algemeen, en alle belijders in het bijzonder, geboden en geroepen uit te gaan Christus tegemoet, wanneer Hij in de uitdeling van Zijn Woord en de ordinanties komt, of wanneer Hij komt bij de dood of het laatste oordeel. Doch wat deze uitdrukking te kennen geeft zal later voorkomen bij de behandeling van de volgende leer.
Leer. "Dat het de onvermijdelijke plicht van elk en een ieder is, wanneer Christus, de heerlijke Ziel Bruidegom, op komst is, uit te gaan Hem tegemoet, door Hem op een gepaste wijze te ontvangen en te onthalen". "Ziet de Bruidegom komt, gaat uit Hem tegemoet."
Ik zal slechts twee Schriftuurplaatsen bijbrengen tot bewijs en bevestiging van deze leer. De ene vindt u in Ps. 24:7, waar Christus, onder het begrip van een hooggeplaatst persoon, wordt voorgesteld als dicht bij de deuren of poorten van een groot huis, of een grote stad te komen, en dat daarop wordt uitgeroepen: Doet de poorten open, en maakt plaats om Hem in te halen; "Heft uw hoofden op, gij poorten, en verheft u, gij eeuwige deuren; opdat de Koning der ere inga". En wanneer dan de vraag wordt gesteld: "Wie is de koning der ere?" dan wordt geantwoord: "De Heere, sterk en geweldig; de Heere geweldig in de strijd’. De oproep wordt weer herhaald: "Heft uw hoofden op, gij poorten, ja heft op, gij eeuwige deuren; opdat de Koning der ere inga", Nog een tekst ter zake dienende is Hoogl. 3:9 en verder, waar Christus wordt voorgesteld onder het begrip van de Koning Salomo, die zich een koets gemaakt had van het hout van Libanon. De pilaren ervan maakte hij van zilver; haar vloer van goud; haar verhemelte van purper; het binnenste was bespreid met de liefde van de dochteren van Jeruzalem. Deze staatsiekoets is niets anders dan de koets van het eeuwig Evangelie, waarin Christus, als de Bruidegom, rijdt, openbarende de heerlijkheid van Zijn Persoon en de heerlijke vinding van de Oneindige Wijsheid tot zaligheid van zondaren. En in het laatste vers wordt, evenals in mijn tekst, alle belijders van de godsdienst, die met de dochteren Jeruzalems worden bedoeld, toegeroepen: Aanschouwt de Koning Salomo met de kroon waarmee Hem Zijn moeder kroonde op de dag Zijner bruiloft, en op de dag van de vreugde Zijns harten".
In het verhandelen van deze leer zal ik, met Gods bijstand de volgende orde in acht nemen.
I. Zal ik enige dingen vooropstellen met betrekking tot het geestelijk huwelijk waarover in deze gelijkenis gesproken wordt.
II. Iets spreken over de Bruidegom en Zijn heerlijke innemende eigenschappen.
III. Een weinig spreken over de bruid en de grote ongelijkheid van de partijen.
IV. Een weinig spreken over de komst van de Bruidegom, en Zijn genadige nadering tot Zijn volk.
V. Zal ik spreken over de betekenis van de plicht, die vereist wordt, wanneer Hij komt: Gaat uit Hem tegemoet.
VI. Zal ik de redenen aanwijzen van de leer, waarom wij hem moeten tegemoetgaan, en een gepaste ontvangst bereiden.
VII. Zullen wij een praktisch gebruik maken van het geheel.
I. Het eerste punt is, dat wij enige dingen zullen vooropstellen met betrekking tot het geestelijk huwelijk; want, zoals ik in de verklaring reeds zeide, een bruidegom veronderstelt een huwelijksvoornemen.
1e God de Vader had van alle eeuwigheid een huwelijksvoornemen tussen Zijn geliefde Zoon en een uitverkoren gezelschap van het gevallen geslacht en nakroost van Adam. Christus zegt daarvan: (Matth. 22:2) Het koninkrijk der hemelen is gelijk een zeker Koning, Die Zijn zoon een bruiloft bereid had". Het huwelijk was van eeuwigheid vastgesteld in het voornemen Gods, en de bruid was aan de Bruidegom gegeven, voordat zij een aanzijn had: (Joh. 17:6) "Zij waren Uwe, en Gij hebt Mij dezelven gegeven;" (Ps. 2:8) "Ik zal de heidenen geven tot Uw erfdeel, en de einden der aarde tot Uw bezitting". En dat zij Hem in een huwelijksvoornemen waren gegeven blijkt duidelijk uit hetgeen de Heere tot en over de Kerk van de heidenen door de Geest van de profetie heeft gesproken, lange tijd voordat zij door het Evangelie werden geroepen: (Jes. 54:1,5) "Zing vrolijk gij onvruchtbare, die niet gebaard heeft, want de kinderen der eenzame zijn meer dan de kinderen der getrouwde. Uw Maker is uw Man, Heere der heirscharen is Zijn Naam".
2e Dit voorstel, om een bruid te trouwen uit het geslacht van Adam, werd door de Zoon van God, eer de wereld was, gunstig ontvangen en aangenomen: (Spr. 8:31) "Hij was spelende in de wereld Zijns aardrijks, en Zijn vermakingen weren met der mensen kinderen;" Ps. 40:9) "Ik heb lust, o Mijn God, om Uw welbehagen te doen;" dat wil zeggen: "Ik stem toe en ben van harte gewillig en bereid; dat zij vastgesteld; laat het in de rol des boeks worden aangetekend;" dat is: laat het in de kronieken van de hemel worden ingeschreven, en een afschrift daarvan in de Schriften van de waarheid aan zondaren van het menselijk geslacht worden gegeven, opdat zij het mogen overdenken.
3e Het hart van de Bruidegom was zozeer er op het huwelijk gezet, dat Hij op Zich nam alle beletselen weg te nemen, die in de weg stonden; welke beletselen zo groot en onoverkomelijk waren, dat niets de almachtige kracht, bezield met oneindige en verbazende liefde, ze kon uit de weg ruimen; en toch zijn zij door de wijsheid en kracht van de Bruidegom weggenomen.
(1.) Het eerste beletsel was de ongelijkheid van de natuur van de beide partijen. Wij kunnen licht indenken, dat op het eerste voorstel van het huwelijk de vraag werd gesteld, hoe God en de mens, de Schepper en het schepsel, ooit in een huwelijksvereniging konden samenkomen. De afstand van de naturen is oneindig en daarom kan daar geen huwelijk zijn. Wel, zegt de Zoon van God, (het Afschijnsel van de heerlijkheid des Vaders, en het uitgedrukte Beeld van Zijn zelfstandigheid, Die er voor zorgt, dat die afstand wordt weggenomen) Ik zal de menselijke natuur aannemen in een persoonlijke vereniging; Ik zal het zaad van de vrouw, het zaad Abrahams, worden; ik zal in het vlees geopenbaard worden; ik zal Immanuël worden, God met hen, en zo zal dat natuurlijk beletsel worden opgeruimd: Ik zal op gelijke hoogte als de bruid gaan staan, en zo zal ik haar een geschikte hulp zijn.
(2.) Een tweede beletsel ontstaat uit de wet. O, zegt de wet, ik heb een aanklacht tegen de voorgenomen bruid. Zij was eens aan mij getrouwd, en ik beloofde haar de erfenis des levens onder voorwaarde, dat zij mijn geboden een volmaakte gehoorzaamheid zou bewijzen; doch zij is ongehoorzaam geworden, en heeft gehoereerd, en ligt onder de vloek, en daarom kan er van een huwelijk geen sprake zijn. Wel, zegt de Bruidegom, Ik zal dat beletsel ook wegnemen, Ik zal een vloek voor haar worden, en haar zodoende van de vloek verlossen; Ik zal het handschrift, dat tegen haar is, hetwelk haar enigerwijze tegen is, vernietigen.
(3.) Ja maar, zegt de rechtvaardigheid, ik sta op een volkomen voldoening, want zonder de dood en zonder bloedstorting zal geen vergeving geschieden. Goed, zegt de Bruidegom, Ik zal voor haar en in haar plaats sterven; het zwaard van de gerechtigheid zal in Mijn bloed worden gedoopt, in plaats van in het hare; Mijn leven zal een losprijs zijn voor het hare; Ik zal om haar overtredingen verwond, en om haar ongerechtigheden verbrijzeld worden; Ik zal zonde worden gemaakt voor haar.
(4.) Een andere hinderpaal, die uit de weg geruimd moet worden, is deze: De bruid haat de Bruidegom, zij is geheel afkerig van het huwelijk, en wat zal nu in dit geval gedaan worden? Wel, zegt de Bruidegom, ik zal op mij nemen haar genegenheid te winnen: (Ps. 110:3) "Uw volk zal zeer gewillig zijn op de dag van Mijn heirkracht", Ik zal haar trekken met mensenzelen, met touwen van de liefde, en dan zullen haar genegenheden worden ingewonnen, en "zij zal Mij noemen: mijn Man" (Hos. 2:15).
(5.) Nog een voornaam beletsel voor het huwelijk is, dat de bruid een wettige gevangene is van de zonde en de satan: Wat, zegt de duivel, zou de wettige gevangene worden vrijgelaten? Beide de wet en de rechtvaardigheid hebben haar in mijn macht gegeven; daarom zal ik mijn gevangene niet loslaten. Ja maar, zegt de gezegende Bruidegom, wel is waar, dat u de wet en de rechtvaardigheid aan uw zijde hebt; doch ik zal de wet vervullen en de rechtvaardigheid voldoen, en zodoende zal uw kop vermorzeld worden, en de gevangene van de rechtvaardige ontkomen, en aan de machtige zal de vang ontnomen worden. Ik zal haar verlossen door koop en door kracht. En dienovereenkomstig heeft Hij de overheden en machten uitgetogen en de bruid met alle macht uit de gevangenis van de duivel gehaald, zeggende tot de gevangenen: "Gaat uit".
Uit hetgeen gezegd is blijkt, dat het hart van de Bruidegom ten zeerste op het huwelijk gesteld is. Hij verlangde sterk gedoopt te worden met Zijn Eigen bloed, om haar verlossing te volbrengen; en haar verlossing voleindigd hebbende verlangt Hij naar de dag van de ondertrouw, wanneer Hij de liefde en genegenheid van de bruid wint. Zozeer was het hart van de Bruidegom op het huwelijk gezet, dat Hij, toen Hij de bruid in gevaar zag van verloren te gaan, als het ware, uit de schoot des Vaders vloog; al de heerlijkheid van de hemel achterliet; de heirlegers van de hel en van de aarde doortrok; ja de legioenen van de toorn van Zijn Vader tegemoet trok ten strijde, om haar bevrijding te volbrengen. Hiervan lezen wij in Jes. 63:1: "Wie is Deze, Die van Edom komt, met besprenkelde klederen van Bozra? Die versierd is in Zijn gewaad? Die voorttrekt in Zijn grote kracht? Ik ben het, Die in gerechtigheid spreek, Die machtig ben te verlossen." En in vs. 3 "Ik heb de pers alleen getreden, en daar was niemand van de volkeren met Mij".
4e In de vierde plaats stellen wij voorop, dat het genadeverbond het huwelijkscontract is, waarvan het plan in de Raad des vredes tussen de Vader en de Zoon, van alle eeuwigheid was overeengekomen: (Ps. 89:4) "Ik heb een verbond gemaakt met Mijn uitverkorene, ik heb Mijn Knecht David gezworen". Het werd oorspronkelijk met de Bruidegom, als het Hoofd, de Man en Plaatsbekleder van de bruid, gemaakt, en Hij neemt daarin op Zich, dat de genade van God zal heersen en verheerlijkt worden door Zijn gerechtigheid tot haar eeuwig leven en haar eeuwige zaligheid. Als de Borg van het verbond neemt Hij op zich de voorwaarde ervan te vervullen door Zijn gehoorzaamheid tot de dood; Zijn bruid uit de handen van de rechtvaardigheid te kopen, door de losprijs van Zijn bloed voor haar te betalen, en op dezelfde tijd al de zegeningen en goederen van het verbond ten dienste van haar te kopen; alsmede, dat Hij, door de kracht van Zijn Woord en Geest haar Zijn verbond zal doen aangrijpen, haar binnen de band van het verbond zal brengen, en geven, dat zij daarvan, volgens de orde van het verbond, op de rechte tijd een krachtdadige toepassing zal maken: en dat Hij haar Zich ondertrouwen zal "in gerechtigheid, en in gericht en in goedertierenheid, en in barmhartigheden; ja, dat Hij haar Zich zal ondertrouwen in geloof, en dat zij de Heere zal kennen" (Hos. 2:18,19).
5e In de dag van de ondertrouw is dit alles vervuld. De Bruidegom stelt Zich aan de bruid voor in Zijn goddelijke en menselijke heerlijkheid, volheid en voortreffelijkheden. Hij maakt, dat het licht van de kennis der heerlijkheid Gods, en Zijn Persoon, in haar hart schijnt; waardoor zij hem krijgt te zien, en zo verliefd op Hem wordt, dat zij niet kan nalaten uit te roepen: "O! Hij is veel schoner dan de mensenkinderen, Hij is als de appelboom onder de bomen des wouds, Hij draagt de banier boven tienduizend, Hij is blank en rood, zijn gestalte is als de Libanon, uitverkoren als de cederen; zijn gehemelte is enkele zoetigheid, en al wat aan Hem is, is gans begeerlijk. Zulk een is mijn Liefste, ja zo een is mijn Vriend; als ik tien duizend harten en handen had te geven, zou Hij ze alle hebben. Ik heb lust in Zijn Persoon; een welbehagen in het contract, dat Hij gemaakt en met Zijn bloed ondertekend heeft; ik heb een welbehagen in al de beloften; mijn lust is in Zijn wet, ik zal Hem volgen overal waar Hij heengaat". Op, deze wijze wordt het huwelijk gesloten en overeengekomen: (Jes. 55:3) "Ik zal met u een eeuwig verbond maken, en u geven de gewisse weldadigheden Davids"; (Jer. 32:40) "En Ik zal een eeuwig verbond met hen maken, dat Ik van achter hen niet zal afkeren, opdat Ik hen weldoe; en Ik zal Mijn vrees in hun hart geven, dat zij niet van Mij afwijken. Ik zal u niet begeven, en Ik zal u niet verlaten".
II. Ons tweede punt is, dat wij een weinig zullen spreken over de gezegende Bruidegom, van Wie hier wordt gezegd, dat Hij op komst is. Ziet de Bruidegom komt.
Doch o! Wie zou over Hem kunnen spreken zoals het behoort? Wij kunnen, wanneer wij over Hem spreken, slechts de raad verduisteren met woorden zonder wetenschap; en geen wonder, want Hij is de onuitsprekelijke gave Gods. Al de heiligen, die ooit op aarde waren, en alle getrouwe leraars, martelaren, en getuigen, die ooit in de strijdende Kerk waren, hebben altijd met lof van Hem gesproken, maar zij hebben altijd erkend, dat Hij boven allen lof verheven was. Het meeste, dat zij van Hem konden zeggen, was dat al wat aan Hem is, geheel begeerlijk is, en dat er niemand in de hemel of op aarde is, die in het minste bij Hem kan worden vergeleken. Vraagt de ontelbare schare van engelen, en de geesten van de volmaakt rechtvaardigen, die Hem zien gelijk Hij is, en Hem kennen gelijk ook zij van Hem gekend zijn, wat hen van Hem dunkt. Alles wat zij van Hem kunnen zeggen is: "Hij is waardig het boek te nemen, en zijn zegelen te openen. Waardig is het Lam, dat geslacht is". Doch hoe waardig Hij is, dat kunnen zij niet zeggen, Zijn lof is in al de gemeenten, beide in de strijdende en de triumferende Kerk. Hun lofzeggingen zijn echter slechts een diepe stilte, in vergelijking van hetgeen Hij is en verdient: (Ps. 65:2) "De lofzang is in stilheid tot u, o God, in Sion; gaat uit en aanschouwt Hem, gij dochteren Sions, want ziet Hij komt, gaat uit Hem tegemoet.
Alles wat ik van Hem zal zeggen zal begrepen zijn in het antwoord op een paar vragen, die de een of andere arme ziel zou willen stellen, betreffende de gezegende Bruidegom. Zij, die Christus liefhebben, en graag met Hem zouden willen trouwen, hebben gewoonlijk veel over Hem te vragen.
Vraag 1. Zeg ons, als u het weet, wat de Naam van de Bruidegom is?
Antwoord. Dat is niet zo gemakkelijk te beantwoorden, want het is een gedeelte van de geloofsbelijdenis van Agur: (Spr. 30:4) "Wie is naar de hemel opgeklommen en nedergedaald? Hoe is Zijn Naam, en hoe is de Naam Zijns Zoons, zo gij het weet? Toen Manoach de Engel vroeg wat Zijn Naam was, opdat hij Hem mocht vereren, antwoordde Hij, namelijk Christus de Engel des verbonds: "Waarom vraagt gij dus naar Mijn Naam, Die is toch (verborgen; Engelse overzetting) wonderlijk". Zijn Naam is zo verborgen, dat niemand Hem Heere kan noemen, dan door de Heilige Geest. U kunt Zijn Naam in uw Bijbels leren, en toch zal Zijn Naam een geheim zijn, zolang niet de Geest des Heeren die voor u ontsluit, door Zijn Persoon in uw ogen te verheerlijken, en eerst dan en niet eerder, zult u uitroepen: O! Zijn Naam is als een olie, die uitgestort is. O! Hij heeft een Naam, die boven allen naam is, die genaamd wordt, niet alleen in deze wereld, maar ook in de toekomende. In de Naam van Jezus zal zich buigen alle knie van degenen, die in de hemel, en die op de aarde, en die onder de aarde zijn; en alle tong zal belijden, dat Jezus Christus de Heere is, tot heerlijkheid God des Vaders.
Ik zal met u over enige schriftuurlijke namen van de Bruidegom spreken. O! Ziet tot Hem op, dat Hij u daarin iets van Zijn heerlijkheid mag doen zien.
Zijn Naam is Jezus. Nu, wat dunkt u van die Naam? "Gij zult Zijn Naam heten Jezus, want Hij zal Zijn volk zaligmaken van hun zonden". O verloren zondaar, kauwt de naam des bruidegoms, als een zoete bete onder uw tong. Zijn Naam is Christus, of de vermaarde Messias, de Gezalfde Gods. Genade is uitgestort in Zijn lippen, want God, Zijn Vader, heeft Hem gezalfd met vreugdeolie boven Zijn medegenoten. Zijn Naam is de Heere, want Hij is de Heere van alles; de Heere der heren. Hij is Gods eerstgeborene, Die Hij verhoogd heeft boven de koningen der aarde; ja, alle koningen van de aarde moeten Hem op ene of andere tijd hulde bewijzen, en geen wonder, want "door Hem heersen de koningen en stellen de vorsten gerechtigheid". Wat is Zijn Naam? Zijn naam is Immanuël. Godmens of God met ons, om onze twistzaak te twisten; om het voor ons op te nemen tegen de oude slang; en dienovereenkomstig heeft Hij zijn kop vermorzeld, en door de dood teniet gedaan degene, die het geweld des doods had.
Wij vinden een hele rij namen van de Bruidegom bij elkaar in Jes. 9:5; waar de bruid, de vrouw des Lams, in haar heerlijke Man roemende, in heilige verrukking uitroept: "Een Kind is ons geboren, een Zoon is ons gegeven, en de heerschappij is op Zijn schouder; en men noemt Zijn Naam Wonderlijk, Raad, Sterke God, Vader der eeuwigheid, Vredevorst".
1e Zijn Naam is een grote, heerlijke en vermaarde Naam, een Naam, die boven allen naam is: (Filip. 2:9-11) "God heeft Hem uitermate verhoogd, en heeft Hem een Naam gegeven, welke boven allen naam is; opdat in de naam van Jezus zich zou buigen alle knie dergenen, die in de hemel, en die op de aarde, en die onder de aarde zijn; en alle tong zou belijden, dat Jezus Christus de Heere is, tot heerlijkheid Gods des Vaders." Zo ook: (Ef. 1:20,21,22) "God heeft Hem gezet tot Zijn rechterhand in de hemel. Ver boven alle overheid en macht, en kracht, en heerschappij, en allen naam, die genaamd wordt, niet alleen in deze wereld, maar ook in de toekomende. En heeft alle dingen aan Zijn voeten onderworpen, en heeft Hem de gemeente gegeven tot een Hoofd boven alle dingen".
2e Zijn Naam is een geurige Naam: (Hoogl. 1:3) "Uw oliën zijn goed tot reuk, Uw Naam is een olie, die uitgestort wordt; daarom hebben U de maagden lief". O vrienden! In de Naam van Christus is zo’n welriekende geur, dat een arme ziel, wanneer zij die eens heeft geroken, Hem nooit kan vergeten, en de gedachtenis daarvan een maaltijd en een banket voor haar is: (Jes. 26:8,9) "Wij hebben ook in de weg Uwer gerichten U, o Heere, verwacht; tot Uw Naam en tot Uw gedachtenis is de begeerte van onze ziel. Met mijn ziel heb ik U begeerd in de nacht, ook zal ik met mijn geest, die in het binnenste van mij is, U vroeg zoeken.
3e Zijn Naam is een geneeskrachtige Naam. Als het geloof werkzaam is met Zijn Naam, dan verheugen zich de beenderen, die verbrijzeld waren; dat doet de blinden zien, de doven horen, de kreupele springen als een hert, en de tong des stommen juichen.
4e Zijn Naam is een Naam tot beschutting en verberging. Wanneer stormen loeien, hetzij van de hemel, van de aarde, of van de hel, dan is (Spr. 18:10) "de Naam des Heeren een sterke toren; de rechtvaardige zal daarheen lopen, en in een hoog vertrek gesteld worden". Hij is niet alleen een sterke, meer ook een onneembare Toren, de poorten van de hel zullen die ziel niet overweldigen, die daarheen de toevlucht heeft genomen.
5e Zijn Naam is een aantrekkelijke Naam, Hij trekt hart en ziel tot Zich; op het geklank van deze Naam zullen de volkeren tot de gezegende Silo vergaderd worden. Wat maakt het Evangelie tot een kracht Gods tot zaligheid? Wel, het is de tentoonspreiding van de heerlijkheid van Zijn vermaarde Naam: "Zo wanneer Ik van de aarde zal verhoogd zijn, zegt Christus, zal Ik ze allen tot Mij trekken".
6e Zijn Naam is een verlichtende Naam voor de arme ziel, die in de duisternis wandelt; (Jes. 50:10) "als hij in de duisternissen wandelt en geen licht heeft; dat hij betrouwe op de Naam des Heeren, en steune op zijn God". Dit geeft duidelijk te kennen, dat een lichtstraal van de Naam van Christus, door het oog van het geloof opgevangen, onder de donkerste wolken van verlating, het licht uit de duisternis in de ziel zal doen schijnen. En geen wonder, want Hij is "het Licht der wereld, het waarachtige Licht, de Zon der gerechtigheid".
7e Zijn Naam is een levendmakende en verlevendigende Naam. Door de Naam van Jezus worden de doden opgewekt, en geen wonder, want een van Zijn Namen is het Leven, en de Opstanding en het Leven. Laat een kwijnende gelovige, wanneer hij met de gesnedene moet zeggen: (Jes. 56:3) "Ziet, ik ben een dorre boom," slechts de Naam van de Heere Jezus horen, als hij slechts een glimpje van de heerlijkheid van Zijn Persoon ziet, zal hij geneigd zijn met de apostel uit te roepen: (Kol. 3:3) "Ik ben gestorven, en mijn leven is met Christus verborgen in God;’ of, (Gal. 2:20) "Ik ben gestorven, en mijn leven is met Christus gekruist. En ik leef, doch niet meer ik, maar Christus leeft in mij; en hetgeen ik nu in het vlees leef, dat leef ik door het geloof des Zoons Gods, Die mij liefgehad heeft, en Zichzelf voor mij overgegeven heeft."
8e Zijn Naam is een overmogende Naam in de hemel, zo, dat onze gebeden, als Zijn Naam een plaats vooraan in onze gebeden krijgt, zullen overmogen, en gehoord, en genadig verhoord worden: (Joh. 14:13) "En zo wat gij begeren zult in Mijn Naam, dat zal Ik doen, opdat de Vader in de Zoon verheerlijkt worde. Zo gij iets begeren zult in Mijn Naam, Ik zal het doen." Deze Naam maakt onze gebeden welriekend als wierook.
9e Het is een waardige Naam. In Jak. 2:7 staat, in betrekking tot de rijke met de gouden ring aan de vinger en de sierlijke kleding: "Lasteren zij niet de goede Naam, die over u aangeroepen is." De triumferende schare in de hemel weet ook, dat het zo is, want zij zingen de lof van Zijn Naam, zeggende: "Waardig is het Lam, Dat geslacht is" (Openb. 5:9).
10e Het is een duurzame en eeuwige Naam: (Ps. 72:17) "Zijn Naam zal zijn tot in eeuwigheid; zolang als er de zon is zal Zijn Naam van kind tot kind voortgeplant worden; en zij zullen in Hem gezegend worden: alle heidenen zullen Hem welgelukzalig roemen. En geloofd zij de Naam Zijner heerlijkheid tot in eeuwigheid, en de ganse aarde worde met Zijn heerlijkheid vervuld." Deze Naam zal de ganse eeuwigheid door in de hemel een lieflijk gezang uitmaken.
Nu, vrienden, wat dunkt u van de Bruidegom, wanneer u over Zijn Naam hoort spreken? Wilt u met Hem in ondertrouw komen? Wilt u met Hem trouwen? Kunt u met uw hart zeggen: O, als ik tienduizend harten en handen had, ik zou ze alle aan Hem geven? Als dit de taal van uw hart is, dan is de koop gesloten; Hij is de Bruidegom en u bent de bruid, de vrouw des Lams.
Vraag 2. O, ik zou graag meer van Hem horen. Wilt u mij vertellen van welke geboorte en afkomst de Bruidegom is? Van Wie Hij is afgestamd?
Antwoord. Ik kan u iets over Zijn stamboom meedelen: Hij is van het zaad Davids naar het vlees; Hij is de nakomeling van oude koningen, zoals u uit Zijn stamboom kunt zien (Matth. 1 en Luk. 3.).Vraagt u naar Zijn Goddelijke afkomst, dan is Hij de eniggeboren Zoon des Vaders, het Afschijnsel van Zijns Vaders heerlijkheid. en het uitgedrukte Beeld van Zijn zelfstandigheid." Doch wat de wijze van Zijn generatie betreft, wie kan die verklaren? Dat is een verborgenheid, en de verborgen dingen zijn voor de Heere. U kunt uit deze paar woorden slechts zien, dat de Bruidegom van zo’n verheven afkomst is, dat het een wonder is, dat Hij iemand van het gevallen Adamsgeslacht wil trouwen.
Vraag 3. Wat is de persoonlijke waardij en uitnemendheid van de Bruidegom?
Antwoord. Er is zo’n goddelijke heerlijkheid in Zijn Persoon, dat de glans daarvan de zon in het uitspansel verdonkert, zodat zij slechts een haren zak en duisternis schijnt te zijn. Er is zo’n heerlijkheid in Zijn persoon, dat het de ogen van de engelen verblindt Hem te aanschouwen: (Jes. 6:2,3) "Zij bedekken hun aangezichten met hun vleugelen, en roepen elkaar toe: Heilig, heilig, heilig is de Heere der heirscharen; de ganse aarde is van Zijn heerlijkheid vol." Al de volmaaktheden van de Godheid blinken met middagluister en heerlijkheid uit in de Persoon van onze heerlijke Bruidegom. De volheid van de Godheid woont lichamelijk in Hem. Hij is "in de gestaltenis Gods en acht het geen roof Gode evengelijk te zijn." Zo heerlijk is de Persoon des Bruidegoms, dat Hij elk oog en hart, dat Hem aanschouwt, bekoort, en Zijn heerlijkheid enigermate meedeelt aan elke ziel, die Hem met het oog van het geloof ziet: (2 Kor. 3:18) "En wij allen met ongedekt aangezicht de heerlijkheid des Heeren als in een spiegel aanschouwende, worden naar hetzelfde Beeld in gedaante veranderd, van heerlijkheid tot heerlijkheid, als van des Heeren Geest." De bruid wordt door het aanschouwen van de Bruidegom als "des konings dochter, geheel verheerlijkt inwendig; zij ziet er uit als de dageraad, schoon gelijk de maan, zuiver als de zon, schrikkelijk als slagorden met banieren. Gaat uit, gij dochteren Sions," en aanschouwt Zijn heerlijkheid.
Vraag 4. Welke zijn de gaven en hoedanigheden van de Bruidegom?
Antwoord. Zijn hoedanigheden zijn zo zeldzaam en buitengewoon dat de tong ze niet kan uitspreken, noch het hart ze kan bevatten. Om Hem aan uw achting, liefde en genegenheden aan te prijzen, zal ik u enkele hoedanigheden voorstellen, die Hem aan elke redelijke ziel kunnen aanbevelen.
1. Wat schoonheid betreft, Hij is blank en rood, Hij draagt de banier boven tienduizend, Zijn gestalte is als de Libanon, uitverkoren als de cederen; Hij is veel schoner dan de mensenkinderen, en al wat aan Hem is, is zeer begeerlijk.
2. Wat wijsheid betreft, al de schatten van wijsheid en kennis zijn in Hem verborgen: Hij is wijs van hart en machtig van raad. Hij is zo wijs, dat Hij al de macht en geslepenheid van de hel en de aarde heeft te schande gemaakt; hoewel Zijn vijanden in hun raadslagen zo diep graven als de hel, toch zijn de hel en het verderf naakt voor hem, Hij vangt de wijzen in hun arglistigheid, dat de raad van de verdraaiden gestort wordt; Hij deelt wijsheid mee aan de onnozele bruid, en maakt haar wijs tot zaligheid, en Hij doet haar de verborgenheden van het koninkrijk weten, die voor de wijzen en verstandigen van de wereld verborgen zijn.
3. Wat rijkdom betreft, de Bruidegom, die aanbiedt met u te trouwen, is onmetelijk rijk; Hij is waarlijk een vermogend man, Die Zijn liefhebbers doet beërven, dat bestendig is; Zijn rijkdommen zijn onnaspeurlijk, rijkdom en eer is bij Hem, duurachtig goed en gerechtigheid.
4. Wat eer betreft, Hij is vermaard in de hemel en op aarde; "Hij heeft een Naam ver boven allen naam, die genaamd wordt." Majesteit en heerlijkheid zijn voor Zijn aangezicht, en Hij maakt allen, die in hem geloven, heerlijk: (Jes. 43:4) "Van toen af dat gij kostelijk zijt geweest in Mijn ogen, zijt gij verheerlijkt geweest."
5. Wat sterkte betreft, Hij is de Man van Gods rechterhand, Die Hij Zich gesterkt heeft. De sterkte van de almacht is hem, want Hij is de Sterke God, de Almachtige. Hij kwam van Edom en van Bozra, "voortrekkende in Zijn grote kracht, tonende dat Hij machtig is te verlossen".
6. Wat gezag betreft, Hij heeft macht over alle vlees, opdat Hij, al wat de Vader Hem gegeven heeft, het eeuwige leven geve. Hij heeft alle macht in hemel en op aarde. De "dingen, die in de hemel en op de aarde, en die onder de aarde zijn, ja alle knie moet voor Hem buigen, en alle tong moet belijden, dat Jezus Christus de Heere is, tot heerlijkheid des Vaders."
7. Wat zachtmoedigheid en nederigheid betreft is Hij onvergelijkelijk, en stelt Hij Zichzelf voor als ons grote Voorbeeld, opdat wij het zullen navolgen: (Matth. 11:29) "Neemt Mijn juk op u, en leert van Mij, dat Ik zachtmoedig ben, en nederig van hart, en gij zult rust vinden voor uw zielen".
8. Wat standvastigheid betreft in Zijn liefde, in Zijn beloften, en in al Zijn beminnelijke voortreffelijkheden, Hij is Christus Jezus, "gisteren, en heden, en in der eeuwigheid dezelfde. Zijn naam is "Ik Ben"; Hij rust in Zijn liefde, en "verandert niet, daarom zijn de kinderen Jacobs niet verteerd". Zijne beloften zijn niet als de beloften van mensen, heden ja en morgen neen; "want zoveel beloften Gods als er zijn, die zijn in Hem Ja, en zijn in Hem Amen; geen jota noch tittel van hetgeen Hij zegt zal ooit voorbijgaan; bergen zullen wijken en heuvelen wankelen, maar Mijn goedertierenheid zal van u niet wijken, en het verbond Mijns vredes zal niet wankelen, zegt de Heere uw Ontfermer". Dit zijn enkele, doch slechts een klein deel, van de hoedanigheden van de gezegende Bruidegom. "Gaat dan uit, gij dochteren Sions, en aanschouwt Hem".
III. Ons derde punt was, dat ik een weinig zal spreken over de bruid, want waar een bruidegom is, daar moet noodzakelijk een bruid zijn. De bruid van Christus kan hier beschouwd worden in drieërlei staat, en wel 1. Als in de staat van de natuur. 2. Als in een staat van de genade. 3. Als in de staat van de heerlijkheid.
1e Laat ons haar eerst beschouwen als in de natuurstaat, en dan zullen wij zien, dat zij in een jammerlijke en beklaaglijke staat is (ik spreek over de uitverkorenen, hetzij persoonlijk, of gezamenlijk beschouwd). Als wij haar in haar natuurlijke afkomst beschouwen, dan is zij een verdorven tak, opgeschoten uit de aangestoken wortel van de eerste Adam, in zonde ontvangen, in ongerechtigheid geboren, geheel onrein, zwart als een Moor, doordat zij tussen de potten van de hel ligt. In Ezech. 16 brengt Christus Zijn gemeente en volk haar natuurlijke staat in gedachtenis, en de Heere stelt daar de staat van het ganse menselijk geslacht voor door een levendige gelijkenis van een pasgeboren kind.
1. "Uw navel was niet afgesneden," dat is, u voedde u met en leefde op de dingen, die beneden zijn, want "hetgeen uit het vlees geboren is, dat is vlees". De natuur van de mens zuigt het vergif van vleselijk dingen in, en het bedenken van het vlees is de dood.
2. "Gij waart ook geenszins met zout gewreven". Zout bewaart voor bederf. De geest en de genade van God worden soms bij zout vergeleken: "hebt zout in uzelven". Nu, de mens is van nature geheel van dit zout verstoken en moet dus geheel bedorven en verdorven zijn, waarom hij bij een verrot lijk, of bij een open graf wordt vergeleken.
3. "Geen oog had medelijden over u, om u een van deze dingen te doen". De mens is het hulpelooste van alle schepselen wanneer hij pas geboren is, voornamelijk als hij op de vlakte des velds geworpen is. Wat kan een zondaar voor zichzelf doen? Of wat kunnen engelen of mensen voor hem doen? De ganse schepping staat van ver, en roept: Wij kunnen u niet van onder de vloek van de wet, of de toorn van een vertoornde God verlossen. Daarom moet hij onvermijdelijk omkomen als het pasgeboren kind, dat op het vlakke des velds geworpen is, tenzij iemand het opneemt.
Nu, in deze toestand is de bruid van Christus wanneer Hij Zijn liefde op haar vestigt, zoals u in het 6e en 8e vers kunt zien: "Als Ik bij u voorbijging, zo zag Ik u vertreden zijnde in uw bloed, en Ik zeide tot u in uw bloed, Leeft, ja Ik zeide tot u in uw bloed, Leeft." Wij hebben nog een zeer duidelijke beschrijving van de mens in zijn natuurstaat in Ef. 2:I—12: "En u heeft Hij mede levendgemaakt, daar gij dood waart door de misdaden en de zonden," enz.; alsmede in Titus 3:3: "Want ook wij waren eertijds onwijs, ongehoorzaam, dwalende, menigerlei begeerlijkheden en wellusten dienende, in boosheid en nijdigheid levende, hatelijk zijnde en elkander hatende" Zo ziet u hoe de Geest Gods de natuurlijke staat van het ganse menselijk geslacht beschrijft. O hoe moet het ons met verwondering vervullen, als wij bedenken, dat zo’n schepsel een bruid voor de Zoon van God zal worden! En toch gaat Zijn liefde alles te boven. "O die breedte, en lengte, en diepte, en hoogte van de liefde Gods".
(2.) Laat ons de bruid ook beschouwen in de staat van de genade, en zien wat een wonderlijke verandering vrije genade in haar teweegbrengt. Dit wordt ook in Ezech. 16 op sierlijke wijze door een gelijkenis voorgesteld, van vers 6 tot 14.
1. Hij maakt haar levend en geeft haar leven: vs. 6, "Ik zeide tot u, Leef."
2. Hij breidt de vleugel van Zijn eeuwige gerechtigheid over haar uit (vs. 8.)
3. Hij maakt met haar een huwelijksovereenkomst, binnen de band van het verbond (vs. 8).
4. Hij wast en reinigt haar met het bad van de wedergeboorte (vs. 9).
5. Hij zalft haar met de olie van Zijn Geest.
6. Hij bedekt en versiert haar met de versierselen van de heiligheid, de genaden van Zijn Geest (vs. 11, 12).
7. Hij verleent haar een koninklijke waardigheid, en zet een kroon op haar hoofd (vs. 12).
8. Hij maakt haar volmaakt in Hem, door de heerlijkheid, die Hij op haar legt (vs. 14). Zo ziet u wat de liefde van Christus voor Zijn bruid doet, terwijl Hij nog slechts met haar in ondertrouw is.
(3.) Wij zouden haar ook kunnen beschouwen in een staat van heerlijkheid, wanneer het huwelijk voltrokken zal worden bij de tweede komst van Christus, doch dit is wat, het oog niet heeft gezien, en het oor niet heeft gehoord, en in het hart des mensen niet is opgeklommen. Ik zal u naar slechts twee of drie teksten verwijzen, die ons een zwak licht geven van de heerlijkheid, die Christus dan op Zijn bruid zal leggen: (Matth. 13:43) "Dan zullen de rechtvaardigen blinken, gelijk de zon, in het koninkrijk huns Vaders;" (Dan. 12:3) "De verstandigen [Engelse overzetting] zullen blinken als de glans des uitspansels, en die er velen rechtvaardigen, gelijk de sterren, altoos en eeuwiglijk;" (Kol. 3:4) "Wanneer nu Christus zal geopenbaard zijn, Die ons Leven is, dan zult u ook met Hem geopenbaard worden in heerlijkheid." (1 Joh. 3:2) "Geliefden, nu zijn wij kinderen Gods, en het is nog niet geopenbaard wat wij zijn zullen. Maar wij weten, dat als Hij zal geopenbaard zijn, wij Hem zullen gelijk wezen; want wij zullen Hem zien, gelijk Hij is." Zo heb ik u een kort overzicht gegeven van de bruid in haar natuurstaat, en in de staat van de genade en van de heerlijkheid.
IV. Het vierde punt was, dat wij een weinig zullen spreken over de komst van de Bruidegom. "Ziet de Bruidegom komt."
Nu, om dit punt duidelijk te maken, moet u weten, dat ik voor tegenwoordig niet spreek over Christus’ eerste komst in het vlees, of over Zijn tweede komst ten oordeel. Zijne eerste komst in het vlees was om Zich een bruid te kopen door zijn gehoorzaamheid en zijn dood. Zijne tweede en laatste komst, aan het einde van de wereld, zal zijn om het huwelijk plechtig te vieren en de bruid thuis te halen naar het koninklijk paleis, het huis van vele woningen, waar Hij plaats bereidt om haar te ontvangen, wanneer zij geheel gereedgemaakt zal zijn. Ik zeg, ik spreek op deze tijd over geen van deze beide, hoewel de laatste in deze gelijkenis bedoeld zal zijn. Ik zal nu spreken over die tussentijdse bezoeken, die de Bruidegom Zijn bruid brengt gedurende de tijd van de ondertrouw, voordat Hij op de laatste dag komt, om het huwelijk voor mensen en engelen plechtig te vieren.
1e De Bruidegom komt Zijn gemeente, Zijn volk, bezoeken in de koets van Zijn voorzienigheid; ik meen Zijn goedgunstige beschikkingen, wanneer Hij komt om Sion op te bouwen, in Zijn heerlijkheid verschijnt, en Zich wendt tot het gebed desgenen, die geheel ontbloot is. Zo kwam de Heere toen Hij Israël met een sterke hand en uitgestrekte arm uit zijn Egyptische dienstbaarheid verloste, Egypte plaagde, hun eerstgeborenen sloeg, en ten laatste Zijn gemeente en volk door de Rode Zee voerde, terwijl Hij tegelijkertijd Farao en Zijn leger vernietigde, bij welke gelegenheid Israël dat lied zong, dat wij vinden in Exod. 15. Zo ook, toen Hij hun gevangenschap in Babel wendde, en hen weer in hun geboorteland vestigde; stad en tempel weer werden opgebouwd, zodat het dagelijks slachtoffer en spijsoffer weer konden geofferd worden, was dat een goedgunstig bezoek in de koets van Zijn voorzienigheid. Hiermede had veel overeenkomst het bezoek, dat de Heere in Zijn voorzienigheid aan dit arme land bracht, toen Hij, bij onze reformatie uit het Pausdom, onze adel, de grondbezitters en het volk opwekte om het juk van Paapse tirannie en afgodendienst af te schudden en het Evangelie van Christus te omhelzen, en de ware hervormde godsdienst door wetten en besluiten van het Parlement te bekrachtigen en vast te stellen, die nog tot op deze dag van kracht zijn, en door deze Kerk in het jaar 1638 werden aangenomen, en bij de Revolutie en van die tijd af, weer wettelijk zijn goedgekeurd. Het waren genadige bezoeken, die de Heere Zijn Kerk bracht, als Hij in de koets van de voorzienigheid reed, met de heldere zijde naar haar toe gekeerd; en hoe dikwijls bezocht Hij bijzondere gelovigen door goedgunstige beschikkingen van de voorzienigheid, wanneer zij niets dan dood en verderf verwachtten. Hoe genadig is Hij wel tussenbeide gekomen tot hun verlossing, zodat zij met David konden zingen: (Ps. 116:6) "Ik was uitgeteerd, doch Hij heeft mij verlost; en, (Ps. 103:4) "Die mijn leven verlost van het verderf: Die mij kroont met goedertierenheid en barmhartigheden."
Soms weer verschijnt de koets in duistere en op toorn gelijkende bedelingen, zoals wanneer Hij de rechterhand van de wrede vijand over hen verhoogt, en hen overgeeft "als slachtschapen, zodat zij de ganse dag gedood worden". Wanneer Hij hen verbreekt met breuk op breuk, en "op hen aanloopt als een geweldige;" zoals in het geval van Job, en toen Hij de drie jongelingen in de vurige oven liet werpen, en Daniël in de leeuwenkuil. Deze en dergelijke beschikkingen hebben een zeer zwart en somber aanzien, zodat in die toestand Gods volk en kinderen met Jacob zullen uitroepen: "Al deze dingen zijn tegen ons". Toch is die zwarte koets van de voorzienigheid bespreid en bekleed met liefde, genade en barmhartigheid, zoals bleek in het geval van Job, Daniël, de drie jongelingen, en Jacob; en zo wordt de Schrift vervuld, dat "al de wegen des Heeren goedertierenheid en vrede zijn dengenen, die Hem liefhebben," en, dat "alle dingen medewerken ten goede dengenen, die God liefhebben, namelijk dengenen, die naar Zijn voornemen geroepen zijn."
Doch ik spreek nu niet zozeer over de bezoeken, die de Heere Zijn volk brengt in de koets van de voorzienigheid, als wel over de bezoeken, die Hij hun brengt in de koets van de openbaring van het Evangelie, en de door hem ingestelde ordinanties, zoals het Woord, de sacramenten, het gebed, meditatie, Christelijke bijeenkomsten, en dergelijke, die zoveel plaatsen van bijeenkomst zijn, waarin de Bruidegom Zijn bruid komt bezoeken, haar Zijn heerlijkheid openbarende, en de banier van Zijn liefde over haar ontplooiende. Wat nu de bezoeken van dit soort betreft, die Christus Zijn bruid brengt in de koets van de openbaring van het Evangelie, dienaangaande zal ik de volgende dingen aanmerken.
1e Het eerste bezoek van onderscheidende liefde, dat Hij de bruid brengt, is in de dag van de bekering, wanneer Hij de voorhangsels van onwetendheid, ongeloof, dwaling en vooroordeel wegtrekt, en Zich zodanig aan haar openbaart in Zijn goddelijke heerlijkheid, volheid, gepastheid en uitnemendheid, dat Hij haar hart bekoort door Zijn liefde en beminnelijkheid. Dit wordt de tijd van de ondertrouw genoemd, omdat de bruid dan haar toestemming geeft, en haar hart de Bruidegom achterna gaat, getrokken door de onweerstaanbare koorden van overwinnende liefde. Hieraan herinnert de Heere Israël, wanneer Hij zegt: (Jer. 2:2) "Ik gedenk de weldadigheid uwer jeugd, de liefde uwer ondertrouw, toen gij Mij nawandelde in de woestijn, in onbezaaid land".
2e Het hart van de bruid zo ingewonnen of genomen zijnde door de heerlijkheid van de Bruidegom, onttrekt Hij gewoonlijk om heilige en wijze einden Zijn gevoelige tegenwoordigheid, en laat haar achter met een belofte, dat Hij op de rechte tijd zal terugkeren; zoals: (Joh. 14:18) "Ik zal u geen wezen laten; Ik kom weder tot u", of; (Joh. 14:21) "Die mij liefheeft zal van Mijn Vader geliefd worden: en Ik zal hem liefhebben, en Ik zal Mijzelf aan hem openbaren;" of, (Joh. 16:22) "Ik zal u wederom zien, en uw hart zal zich verblijden, en niemand zal uw blijdschap van u wegnemen". U weet, dat het niet gebruikelijk is, dat de bruidegom, zelfs na de ondertrouw, bij de bruid blijft of met haar samenwoont, zolang het huwelijk niet voltrokken is; doch daarna gaan zij samenwonen. Voor die tijd echter komt hij alleen korte bezoeken brengen; doch wanneer hij weggaat, gaat hij van haar met een belofte, dat hij weer terugkomt. Evenzo is het in dit geval: Christus verlaat Zijn volk met belofte, dat Hij hen in Zijn afwezigheid zal ondersteunen.
3e Christus is vele malen bij de bruid, zonder dat zij het gewaar wordt. Een voorbeeld hiervan hebben wij in het geval van Jacob. De Heere verschijnt Jacob in een droom, en als hij wakker wordt zegt hij: (Gen. 28:16) "Gewis is de Heere aan deze plaats, en ik heb het niet geweten". Van Maria staat geschreven, dat zij wenende zegt: (Joh. 20:13) "Zij hebben mijn Heere weggenomen, en ik weet niet waar zij Hem gelegd hebben". Zij sprak tot Christus Zelf, maar zij wist nies, dat het Christus was; "zij menende, dat het de hovenier was, zeide tot hem: heer, zo u Hem weggedragen hebt, zeg mij waar gij Hem gelegd hebt, en ik zal Hem wegnemen." Wij zien hetzelfde bij de discipelen, die op weg waren naar Emmaüs. Christus sprak met hen en opende hun de Schriften; Hij bestrafte hen wegens hun ongeloof, en toch wisten zij niet dat Hij het was; totdat zij, bij nader inzien, tot elkaar zeiden: "Was ons hart niet brandende in ons, als Hij tot ons sprak op de weg, en als Hij ons de schriften opende" (Joh. 24:32).
4e Ieder bezoek, dat de Zielebruidegom Zijn bruid brengt is een zeker onderpand van volgende bezoeken, totdat Hij aan het einde van de dag het huwelijk komt voltrekken: want; (Hos. 6:3) "Zijn uitgang is bereid als de dageraad". Gelijk de dageraad een onderpand is van het opgaan van de zon; en haar opgang een onderpand is, dat zij tot de middaghoogte zal rijzen; zo baant ieder bezoek, dat Christus de ziel brengt, de weg voor verdere ontdekkingen van Zijn heerlijkheid, totdat de dag van de heerlijkheid aanbreekt, en alle schaduwen voor altoos wegvlieden
5e De Bruidegom heeft soms lust de bruid met Zijn bezoeken te verrassen: ja, Hij komt wel ter middernacht, wanneer zij haast niet naar Hem uitziet: (Hoogl. 6:12) "Eer ik het wist, zette Mij Mijn ziel op de wagens van Mijn vrijwillig volk". Zo ook: (Jes. 49:14,15) Sion zegt daar: "De Heere heeft mij verlaten, en de Heere heeft mij vergeten", Doch onverwacht komt de Heere, en zegt: "Kan ook een vrouw haar zuigeling vergeten, dat zij zich niet ontferme over de zoon haars buiks? Ofschoon deze vergate, zo zal Ik toch u niet vergeten".
6e Deze gevoelige verrassende bezoeken van de Bruidegom zijn slechts zeldzaam en van korte duur; zij zijn als een heldere zonnestraal, die tussen de wolken door schiet en terstond weer door een andere wolk wordt overdekt, evenals bij de verheerlijking van Christus op de berg Thabor, toen de discipelen zagen, dat Zijn aangezicht blonk als de zon, Zijn kleding wit was als het licht, en een wolk hen plotseling overschaduwde, en een stem uit de wolk sprak: Deze is Mijn geliefde Zoon, hoort Hem." En vraagt u, waarom de bezoeken van de Bruidegom zo zeldzaam en kort van duur zijn, dan is mijn antwoord: De Heere wil dat zo, om de bruid te doen weten, dat het huwelijk nog niet voltrokken is, en zij nog in een staat van ondertrouw is: het samenwonen volgt pas op de voltrekking van het huwelijk in de hemel. Zolang de bruid nog hier in een staat van onvolmaaktheid is, kan zij een voortdurende gemeenschap met de Bruidegom, ik meen die levendige gevoelige openbaringen, niet verdragen, de oude lederzakken kunnen niet veel van die nieuwe wijn houden. Paulus zelf liep gevaar van zich te verheffen wegens de overvloed van de openbaringen, en daarom werd hem een engel van de satan gezonden, om hem met vuisten te slaan, En, op deze wijze doet Hij hen naar de hemel verlangen, waar de Bruidegom en de bruid bij elkaar zullen komen, om nooit weer te scheiden: zodat zij hier zeggen: "Ik heb begeerte om ontbonden te worden en met Jezus te zijn. Want dat is zeer verre het beste".
7e De Bruidegom kan Zijn bezoeken dikwijls gedurende geruime tijd onderbreken, en Hij doet dat ook, Hij kan niet slechts dagen, of weken, of maanden, maar jaren, ja vele jaren achtereen wegblijven. Men meent u dat er twintig jaren voorbijgingen tussen het bezoek, dat Jacob te Bethel kreeg en dat waarvan wij lezen in Gen. 31:13, toen de Heere tot hem sprak: "Ik ben die God van Bethel, alwaar u het opgericht teken gezalfd hebt, daar u Mij een gelofte beloofd hebt". Het is niets vreemds voor de heiligen, dat zij in de duisternis wandelen en geen licht zien, zodat zij met David uitroepen: (Ps. 13:2) "Hoelang, Heere, zult Gij mij steeds vergeten? Hoelang zult Gij Uw aangezicht voor mij verbergen?" (Ps. 89:50) "Heere waar zijn Uw vorige goedertierenheden?" (Ps. 77:10) "Heeft God vergeten genadig te zijn? Heeft Hij Zijn barmhartigheden door toorn toegesloten?" De reden van dit heengaan is, of, dat zij een afgod herbergen, of, om hen voor hoogmoed te bewaren, of, om het verlangen van de ziel naar Hem levendig te maken, of, om hen te onderwijzen of op te leiden tot een leven des geloofs op de belofte; want "wij wandelen hier door geloof, niet door aanschouwen".
8e Hoewel de Bruidegom lange tijd afwezig kan zijn, toch zal Hij eindelijk terugkeren, wanneer het Zijn Eigen tijd is, die altijd de beste is voor Zijn heerlijkheid en hun welzijn. Hij zal niet altoos twisten, noch eeuwiglijk de toorn behouden. opdat de geest van de arme bruid niet in het binnenste van haar bezwijkt: (Ps. 30:6) "Des avonds vernacht het geween, maar des morgens is er gejuich". (Jes. 54:5—8) "Uw Maker is uw Man. Voor een klein ogenblik heb Ik u verlaten, en in een kleine toorn heb Ik Mijn aangezicht van u een ogenblik verborgen; maar met eeuwige goedertierenheid zal ik Mij uwer ontfermen, zegt de Heere uw Verlosser".
9e Laat Hem komen wanneer Hij wil, of hoe Hij wil, Hij is altijd welkom, want Hij brengt alle goed met zich mee. Vraagt u: Wat brengt Hij dan mee? Mijn antwoord is: Hij brengt Zijn Vader met Zich mee. (Joh. 14:23) "Mijn Vader zal hem liefhebben, en Wij zullen tot hem komen, en zullen woning bij hem maken". 2. Hij brengt de Trooster mee, namelijk de Heilige Geest; dan wordt de ziel als met verse olie gezalfd, waardoor haar hart verblijd en haar gedaante blinkende wordt. 3. Hij brengt vrede en blijdschap mee, "een vrede, die alle verstand te boven gaat, een onuitsprekelijke en heerlijke vreugde". 4. Hij brengt overwinning over de zonde, duivel, dood en hel met zich mee; in één woord, Hij brengt vergeving van zonde en allerlei zaligheid mee. Daarom zeg ik: wanneer of hoe Hij ook komt, Hij is altijd welkom.
Doch ik stap hiervan af, en moest nu overgaan tot ons vijfde punt, om te spreken over de plicht, die van alle maagden vereist wordt, op de kennisgeving en waarschuwing, die hun wordt gegeven: Gaat uit Hem tegemoet. Maar ik bewaar dit tot een volgende gelegenheid. De Heere zegene het gesprokene. Amen.
De wijze maagden uitgaande de bruidegom tegemoet (2e preek)
Matth. 25:6. En ter middernacht geschiedde een geroep: Ziet, de bruidegom komt, gaat uit hem tegemoet!
Wij hebben in de voorgaande predikatie gesproken over de Bruidegom en de bruid, en over de komst van de Bruidegom. Ik ga nu voort om te spreken over de oproeping en de aanmaning, die de maagden, zowel de wijzen als de dwazen, gezonden wordt: Gaat uit Hem tegemoet. Ik zal trachten hierover te handelen door de volgende vragen te beantwoorden, die gesteld kunnen worden door hen die mij horen, en krachtens belijdenis maagden zijn.
1. Wat veronderstelt of te kennen gegeven wordt in de plicht: Gaat uit Hem tegemoet?
2. Wat de beweging of werkzaamheid van de ziel is, als zij Hem tegemoetgaat?
3. Met welk doel of waartoe wij de Bruidegom moeten tegemoetgaan?
4. Waar wij mogen verwachten Hem te ontmoeten?
5. Wie de meeste kans hebben Hem in liefde en goedertierenheid te ontmoeten?
6. Wat voor soort van ontmoeting de wijze maagden met de Bruidegom hebben, wanneer zij door het geloof uitgaan Hem tegemoet?
Vraag 1. Wat wordt veronderstelt of te kennen gegeven in de plicht: Gaat uit Hem tegemoet?
1e Het veronderstelt, dat er een bestaande afstand is tussen hen en de Bruidegom. Er was een algehele afstand tussen Hem en de dwaze maagden; met het gehoor des oors hadden zij van Hem gehoord, doch zij hadden Hem nooit gezien; nooit had het licht van de kennis van Zijn heerlijkheid in hun hart geschenen. O, wat zijn er vele zodanigen in onze Christelijke bijeenkomsten, die de god van deze eeuw de zinnen verblind heeft, opdat hen niet bestrale de verlichting van het Evangelie van de heerlijkheid van Christus, die het Beeld Gods is! En gelijk er een algehele afstand was tussen Christus en de dwaze maagden, zo was er ook een gedeeltelijke afstand tussen Hem en de wijze maagden, anders zouden zij niet sluimerig geweest en in slaap gevallen zijn.
2e Gaat uit Hem tegemoet. Het veronderstelt, dat ‘t het werk van Gods herauten is de weg te bereiden voor een ontmoeting tussen Christus en zonderen: Christus nabij zondaren en zondaren tot Christus te brengen. Toen Christus tot het Joodse volk zou komen, ja werkelijk in het vlees gekomen was, riep Johannes de Doper: "Bereid de weg des Heeren, maakt recht in de wildernis een baan voor onze God." Wij, als gezanten van de Bruidegom, smeken en bidden zondaren, dat zij door het geloof zullen uitgaan de Bruidegom tegemoet, en heiligen of wijze maagden, dat zij zullen uitgaan en gemeenschap met Hem houden in vernieuwde geloofsoefeningen. De Wijsheid roept tot allen zonder onderscheid: "Komt, eet van Mijn brood, en drinkt van de wijn, die Ik gemengd heb."
3e Gaat uit Hem tegemoet. Het geeft te kennen, dat de Bruidegom niet veraf, maar dichtbij is. Een ongelovig en bedrieglijk hart zal zeggen: "De Heere vertoeft te komen;" Hij is achter de bergen; terwijl Hij nochtans aan de deur staat: (Openb. 3:20) "Ziet. Ik sta aan de deur en Ik klop; indien iemand Mijn stem zal horen, en de deur opendoen, Ik zal tot hem inkomen, en Ik zal met Hem avondmaalhouden, en hij met Mij." Daarom, "zegt niet in uw hart, wie zal in de hemel opklimmen? Het is Christus van boven afbrengen. Of, wie zal in de afgrond neerdalen? Het is Christus uit de doden opbrengen. Want nabij u is het woord, in uw mond en in uw hart. Dit is het woord des geloofs, hetwelk wij prediken" (Rom. 10:6—8).
4e Gaat uit Hem tegemoet. Het geeft te kennen, dat de Bruidegom een Man van betekenis en verdienste is, en dat Hij waardig is ontvangen en goed onthaald te worden: (1 Tim. 1:15) "Dit is een getrouw woord en aller aanneming waardig, dat Christus Jezus in de wereld gekomen is om de zondaren zalig te maken." Vrienden, wij zeggen u, dat de Bruidegom de hartelijkste verwelkoming waardig is. Zijn Persoon is waardig, want Hij is de Zoon van God; Hij komt met een waardige en wonderlijke boodschap, namelijk, om zondaren zalig te maken, en dat niet alleen, maar om hen te ondertrouwen en tot Zijn bruid te nemen; want Hij zegt: "Ik zal u Mij ondertrouwen in eeuwigheid."
5e Gaat uit hem tegemoet. Het geeft te kennen, dat de Bruidegom niet binnen maar buiten te vinden is. Kwakers en geestdrijvers beroemen zich op een Christus binnen in hen; doch hoewel Christus door Zijn Geest in het hart van een ware gelovige woont, toch heeft de eerste ontmoeting van Christus, die het geloof heeft, plaats door uit te gaan Hem tegemoet. Het ware geloof handelt met een Christus, Die uitwendig in het Woord geopenbaard is. Wel heeft de genade van het geloof haar zitplaats in de ziel, evenals het oog in het lichaam, doch dan houdt het zich, evenals het oog van het lichaam, geheel bezig met voorwerpen, die daarbuiten liggen. Het geloof bestaat in een voortdurend uitgaan naar Christus, Die in het Woord geopenbaard en vertoond wordt. Israël zou nooit het manna hebben gevonden, wanneer zij niet waren uitgegaan om het te vergaderen; ook zouden zij nooit genezen zijn van de beten van de vurige slangen, als zij niet van zich af gezien hadden op de koperen slang; zo ook zullen wij nooit de Bruidegom ontmoeten, als wij niet uitgaan Hem tegemoet.
6e Gaat uit Hem tegemoet. Het geeft te kennen, dat in het geloven in Christus, in Hem aan te nemen, is inbegrepen, dat men alle andere minnaars afzegt; want "niemand kan twee heren dienen." Zonde, duivel en wereld heersen over de mens, zolang hij in de staat van de natuur buiten Christus is; hij boeleert met andere liefhebbers; hij liefkoost de een of andere afgod of begeerlijkheid, die hem zo lief is als een rechterhand of rechteroog. Doch nu, wanneer hij uitgaat de Bruidegom tegemoet, roept hij met Efraïm uit: (Hos. 14:9) "Wat heb ik meer met de afgoden te doen?" Heere onze God, andere heren behalve Gij hebben over ons geheerst; doch door U alleen gedenken wij Uw Naam" (Jes. 26:13).
7e Gaat uit Hem tegemoet. Het geeft te kennen, dat de ziel, in het geloven of in het aannemen van Christus alle valse rustgronden verlaat, en uit al die bedden van zorgeloosheid en zekerheid, waarop zij zich uitstrekte, opstaat. Deze maagden hier waren allen sluimerig en slapende, sommigen op een bed van zorgeloosheid, en sommigen op een ander. Doch "ter middernacht geschiedde een geroep: Ziet de Bruidegom komt, gaat uit Hem tegemoet;" hetwelk duidelijk te kennen geeft, dat zij hun te korte bedden moesten verlaten, en hun te smalle deksels moesten wegwerpen, zouden zij de Bruidegom ontmoeten en gemeenschap met Hem hebben. 1. Daar is het bed van geestelijke dood en zekerheid: (Ef. 5:14) "Ontwaakt, gij die slaapt, en staat op uit de doden, en Christus zal over u lichten". 2. Wij moeten het bed van kerkvoorrechten verlaten en die loslaten, en er ons voor wachten, dat wij zouden zeggen: "Des Heeren tempel, des Heeren tempel, des Heeren tempel zijn dezen". 3. Het bed van beschaafdheid. De rijke jongeling in het Evangelie kon zeggen: "Al deze dingen heb ik onderhouden van mijn jonkheid aan," en toch was hij een vreemdeling van Christus en de wedergeboorte. 4. Het bed van een wettische gerechtigheid. Wij moeten daaruit opstaan, want "uit de werken der wet kan geen vlees gerechtvaardigd worden". Zij maken hun geloof, liefde, bekering en gehoorzaamheid tot een soort van gerechtigheid van hun eigen, en daarop bouwen zij hun geloof en hoop van de toerekening van de gerechtigheid, dat anders niet is dan een fijn omkeren van het gehele Evangelie van Christus, en van de rechtvaardigmaking om niet, alleen door de gerechtigheid van Christus; een bouwen van de toerekening van de gerechtigheid van Christus op hooi en stoppelen, en op zijn best een goddeloos vermengen van de gerechtigheid van Christus met hun eigen gerechtigheid, een dwaling waartegen de apostel een vervloeking uitspreekt (Gal. 1:8, 9).
8e Gaat uit Hem tegemoet. Het geeft enige kennis van de Bruidegom te kennen, gepaard gaande met een hartelijke toestemming van de getuigenis van het Evangelie, en de getuigenis van God aangaande Hem. Wij kunnen toch geen vreemdelingen tegemoet gaan, die wij niet kennen, of van wie wij nooit gehoord hebben; de ziel, die uitgaat, Christus tegemoet, heeft Hem leren kennen. "Door Zijn kennis zal Mijn Knecht de Rechtvaardige velen rechtvaardig maken," en uit de kennis, die de ziel van Zijn Persoon en middelaarschap heeft, stemt zij toe wat in het Woord van Hem getuigd, en in een gepredikt Evangelie van Hem verkondigd wordt. Zij zal, evenals de koningin van Scheba, toen zij de heerlijkheid van Salomo zag, en Zijn wijsheid hoorde, zeggen: "De helft is mij niet aangezegd, in het gerucht, dat ik gehoord heb, van hetgeen ik nu zie en weet". "Dit is het eeuwige leven, dat zij u kennen de enige waarachtige God, en Jezus Christus, die Gij gezonden hebt".
9e Het geeft een hoogachting voor, en een hartelijke goedkeuring te kennen van de Persoon van Christus, en van de wijze waarop zondaren door Hem gerechtvaardigd, geheiligd en zaliggemaakt worden. O! Zal de ziel zeggen: Hij is aller aanneming waardig. Wien heb ik nevens U in de hemel? Nevens U lust mij ook niets op de aarde. Ja gewis, ik acht ook alle dingen schade te zijn, om de uitnemendheid van de kennis van Christus Jezus mijn Heere, opdat ik Christus moge gewinnen en in Hem gevonden worde. U dan, die u gelooft, is Hij dierbaar."
10e Gaat uit Hem tegemoet. Het geeft te kennen, dat de ganse ziel in al haar krachten en vermogens naar de Bruidegom uitgaat, en dat zij het verdrag van het Nieuwe verbond met hart en hand werkelijk ondertekent, overeenkomstig hetgeen geprofeteerd en beloofd is: (Jes. 44:5) "Deze zal zeggen: Ik ben des Heeren, en die zal zich noemen met de naam Jacobs; en gene zal met de hand schrijven: Ik ben des Heeren, en zich toenoemen met de naam Israëls". En van die tijd af is de bruid ondertrouwd met de Bruidegom; volgens hetgeen geschreven staat in Hos. 2:19,20. Nu begint zij Hem te noemen: Mijn Man; zijnde dat de weerklank van de stem van de bruid op de woorden van de Bruidegom: (Jes. 54:5) "Uw Maker is uw Man, Heere der heirscharen is Zijn Naam".
11e Gaat uit Hem tegemoet. Het geeft te kennen, dat het de plicht is en zijn zal van de ziel, die met Christus ondertrouwd is, zolang zij in de staat van ondertrouw is, in al de plichten en ordinanties, die Hij heeft ingesteld, naar genieting van Hem en gemeenschap met Hem te jagen, totdat aan het einde van de tijd het huwelijk zal worden voltrokken. (Ps. 27:4) "Een ding heb ik van de Heere begeerd, dat zal ik zoeken; dat ik al de dagen mijns levens mocht wonen in het huis des Heeren, om de lieflijkheid des Heeren te aanschouwen en te onderzoeken in Zijn tempel". Het is voor de bruid maar een leeg huis, wanneer de Bruidegom afwezig is, en daarom gaat zij, wanneer zij Hem mist, zwart daarheen, niet van de zon, uitroepende Och of ik wist, dat ik Hem vinden zou; hebt u Hem gezien, Die mijn ziel liefheeft?" Wij gaan nu over tot
De tweede vraag: Wat de beweging van de bruid is, of hoe zij werkzaam is, wanneer zij uitgaat de Bruidegom tegemoet? Want uitgaan Hem tegemoet geeft beweging te kennen.
Ik antwoord: 1e Het is geen vleselijk of lichamelijke, maar een geestelijke en een zielsbeweging: O mijn ziel, gij hebt tot de Heere gezegd: Gij zijt de Heere" (Ps. 16:2); "Mijn ziel keer weder tot uw rust, want de Heere heeft aan u wel gedaan (Ps. 116:7); Met mijn ziel heb ik U begeerd in de nacht, ook zal ik met mijn geest, die in het binnenste van mij is, U vroeg zoeken’ (Jes. 26:9).
2e Het is niet een werktuiglijke, maar een redelijke en verstandelijke beweging; Hij trekt met mensenzelen en met touwen van liefde. De opening van Gods Woord licht gegeven hebbende, heeft hij het verstand gekregen, om de Waarachtige te kennen. Zodat de mens, wanneer hij uitgaat de Bruidegom tegemoet, goed weet wat hij doet, want hij kent de Heere, en daarom vervolgt hij, Hem hoe langer hoe meer te kennen.
3e De ziel heeft geen gedwongen, maar een vrijwillige beweging, wanneer zij uitgaat de Bruidegom tegemoet: (Ps. 110:3) "Uw volk zal zeer gewillig zijn op de dag Uwer heirkracht". Zij verblijdt zich wanneer zij de Heere ontmoet in Zijn wegen.
4e Het is niet een koele maar een zeer hartelijke beweging. Al de genegenheden van de ziel zijn ingenomen met de heerlijkheid van de Bruidegom; zoals liefde, verlustiging, verlangen, die tevoren andere minnaars najaagden en zich nu alleen op Hem vestigen.
5e Het is geen trage, maar een snelle en haastige beweging. "Ik heb gehaast en niet vertraagd Uw geboden te onderhouden;" evenals een duif naar haar vensters vliegt, wanneer zij door roofvogels achtervolgd wordt, of gelijk de doodslager naar de vrijstad vlucht.
6e Het is niet een zorgeloze, maar een zorgvuldige en besliste beweging. Hij, die de Bruidegom tegemoet gaat, is vast besloten Hem te ontmoeten en bij Hem te zijn, welke hinderpalen of beletselen ook in de weg staan; hij zal niet zeggen: daar is een felle leeuw op de weg, een leeuw is op de straten. Neen, al zijn er leeuwen en luipaarden op zijn weg; al komen alle machten van de hel hem tegen, zodat hij met vurige pijlen bestookt wordt, hij zal door die alle heenbreken.
7e Het is een biddende, dringende en worstelende beweging, Hij, die de Bruidegom tegemoet gaat, roept uit: "O, wanneer zult U tot mij komen? O, of ik wist waar ik Hem vinden zou, ik zou tot Zijn stoel komen".
8e Het is een zeer geheimzinnige beweging. De ziel wordt uitgehaald naar Christus, en zij weet niet hoe. "Evenals de wind, die blaast waarheen hij wil, wij horen zijn geluid, maar weten niet van waar hij komt, noch waar hij heengaat."
9e Het is een vrolijke blijmoedige beweging. O met wat een opgewektheid ontvangt en omhelst de ziel de Bruidegom op de dag van de ondertrouw! De ziel wordt vervuld met vrede en blijdschap in het geloven, ja, met een onuitsprekelijke en heerlijke vreugde, zeggende: "Laat ons blijde zijn en vreugde bedrijven, want de bruiloft des Lams is gekomen".
Vraag 3. Met welk doel, of, waartoe moeten wij de Bruidegom tegemoetgaan?
1e Wij moeten uitgaan en Hem aanschouwen, en Zijn heerlijkheid beschouwen. (Hoogl. 3:11) "Gaat uit, en aanschouwt, gij dochteren Sions, de Koning Salomo, met de kroon waarmee Hem zijn moeder kroonde op de dag van Zijn bruiloft, en op de dag van de vreugde Zijns harten". (Jer. 42:1) Ziet Mijn Knecht, Die Ik ondersteun, Mijn Uitverkorene in Dewelke Mijn ziel een welbehagen heeft." De Heere had, in het voorgaande hoofdstuk, door de profeet, die volkeren bestraft wegens hun afgoderij: (Jes. 40:29) "Ziet, zij zijn allemaal ijdelheid, hun werken zijn een nietig ding, hun gegoten beelden zijn wind en een ijdel ding." Om nu hun harten van de afgoden af te trekken, stelt Hij hun een voorwerp voor, dat waardig is, om er naar te zien. Het is alsof de Heere gezegd had: Wendt uw ogen af van die dingen, die maar ijdelheid zijn, en ziet "Mijn Uitverkorene, in Wie Mijn ziel een welbehagen heeft"; Hij is waardig aanschouwd te worden, en als u Hem kende, u zoudt niet zoveel ophebben met andere voorwerpen, die nu uw hart innemen.
2e Wij moeten uitgaan en ons verwonderen over de heerlijkheid van Zijn Persoon en Zijn middelaarschap, en die bewonderen. Één van de namen van de Bruidegom is toch "Wonderlijk" (Jes. 9:5). Bewondert de vereniging van de twee naturen in Hem, want "buiten allen twijfel de verborgenheid der godzaligheid is groot; God is geopenbaard in het vlees". Bewondert de hoogte, de diepte, de breedte en de lengte van de liefde Gods, in onze natuur aan te nemen, opdat Hij een gepaste Bruidegom voor ons mocht zijn. en Zich onze personen zou ondertrouwen: "Want waarlijk Hij neemt de engelen niet aan, maar Hij neemt het zaad Abrahams aan." Bewondert de heldendaden, die Hij verricht heeft in het grote werk van onze verlossing; Hij heeft een vertoornd en beledigd God bevredigd, om een God met ons te zijn. Bewondert hoe Hij de kop van de slang vermorzeld, de overtreding gesloten, de zonden verzegeld, de gerechtigheid verzoend, en het verbond met velen versterkt heeft, en het slachtoffer en het spijsoffer heeft doen ophouden. O! Hoe moesten deze dingen ons met de Kerk in verwondering doen uitroepen: (Jes. 63:1) "Wie is Deze, Die van Edom komt met besprenkelde klederen van Bozra? Die versierd is in Zijn gewaad? Die voorttrekt in Zijn grote kracht?"
3e Wij moeten uitgaan Hem tegemoet om met Hem te trouwen, want Hij is de Bruidegom, die een bruid wil hebben onder de kinderen der mensen. De dag van Zijn ondertrouw met een arme ziel is de dag van de blijdschap Zijns harten; Hij verheugt Zich over die arme ziel, die haar toestemming geeft hem tot Man te nemen, gelijk een bruidegom vrolijk is over Zijn bruid. Als de tijding daarvan in de hemel vernomen wordt verblijden zich alle engelen en de geesten van de volmaakt rechtvaardigen met Hem. O gaat dan uit Hem tegemoet en biedt uzelf als kuise maagden aan deze enige Man aan.
4e Gaat uit Hem tegemoet en viert feest met Hem, en voedt u met Hem, want de Bruidegom en Zijn koninklijke Vader hebben een feestmaal bereid voor een ieder, die tot de bruiloft wil komen, en Hij heeft Zijn dienstknechten uitgezonden, zeggende: "Zegt de genodigden, Ziet Ik heb Mijn middagmaal bereid, Mijn ossen en de gemeste beesten zijn geslacht, en alle dingen zijn gereed, komt tot de bruiloft (Matth. 22:4); "En de Heere der heirscharen zal op deze berg allen volken een vetten maaltijd maken, een maaltijd van reinen wijn, van vet vol mergs, van reine wijnen, die gezuiverd zijn" (Jes. 25:6).
5e Gaat uit Hem tegemoet en laat u voor Hem aanwerven, want de Bruidegom is een Krijgsman, en heirlegers in de hemel volgen Hem (Openb. 19:14). Van de zielen van de maagden staat geschreven, dat zij "het Lam volgen waar Het ook heen gaat" (Openb. 14:4), en Hij maakt hen, die Hem volgen, overwinnaars, ja, meer dan overwinnaars, en Hij zal hun geven met Hem te zitten in Zijn troon, gelijk Hij overwonnen heeft, en met Zijn Vader gezeten is in Zijn troon (Openb. 3:21). Vrienden, wij zijn de werfofficieren van de Bruidegom, de Overste Leidsman van de zaligheid, Die vele kinderen tot de heerlijkheid leidt. Wij verlangen, dat u in dienst treedt van de Koning der koningen en de Heere der heren, opdat u onder Zijn overwinnende banier strijd mag voeren tegen de zonde, de duivel en de wereld die Hij is komen verbreken.
Vraag 4. U vermaant ons uit te gaan de Bruidegom tegemoet, doch waar kunnen wij Hem ontmoeten? O! zal misschien een arme ziel zeggen, dat ik wist waar ik Hem kon vinden. O! zeg mij, waar Hij weidt, en waar Hij de kudde legert in de middag.
Antwoord. Hoewel de Bruidegom naar Zijn menselijke natuur in de hemel is, en in dit opzicht "de hemel hem moet ontvangen tot de wederoprichting aller dingen," toch is Hij overal op aarde te vinden, wat Zijn goddelijke, geestelijke, genadige tegenwoordigheid aangaat, door hen, die wezenlijk naar gemeenschap met Hem zoeken door het geloof, in de wegen en middelen, die Hijzelf heeft ingesteld. Hij heeft dit aan Zijn Kerk beloofd: "Ziet Ik ben met ulieden al de dagen tot de voleinding der wereld. Aan alle plaatsen, daar Ik Mijns Naams gedachtenis stichten zal, zal Ik tot u komen, en zal u zegenen. Waar twee of drie vergaderd zijn in Mijn Naam, daar ben Ik in het midden van hen." Ik zeg daarom, dat er nu, hoewel Hij naar de hemel is gevaren, een even wezenlijke gemeenschap met Christus kan verkregen worden, als ooit Zijn discipelen hadden, toen Hij in de staat der vernedering hier op aarde met hen in en uit ging. De apostel Johannes zegt dan ook aangaande Christus, nadat Hij naar de hemel gevaren was: (I Joh 1:3) "Opdat deze onze gemeenschap ook zij met de Vader en met Zijn Zoon Jezus Christus."
Doch zegt u: O zeg mij meer in het bijzonder waar ik Hem ontmoeten en vinden kan? Dan is mijn antwoord: Hij is zo op een ontmoeting met zondaren gesteld, dat Hij soms, ja dikwijls, gevonden wordt van degenen, die Hem niet zoeken; zoals in het geval van Paulus, die naar Damascus ging met een snode boodschap, en de arme Zacheüs, die in een vijgeboom was geklommen met geen ander doel dan om zijn nieuwsgierigheid te bevredigen. En is dit zo, hoeveel temeer zal Hij gevonden worden van degenen, die Hem zoeken in de wegen, die Hijzelf heeft ingesteld; want Hij heeft gezegd, dat Hij "ontmoet de vrolijke, en die gerechtigheid doet, degenen, die Zijner gedenken op Zijn wegen."
Vraagt u, wat die wegen en middelen zijn, die Hij heeft ingesteld, en waarop u de Bruidegom ontmoeten en gemeenschap met Hem hebben kunt? Dan is mijn antwoord, dat Hij soms wordt gevonden op de berg van eenzame overdenking. David zegt: "Een vuur ontbrandde in mijn overdenking." De zielen van de gelovigen hebben in de overdenking menig zoet onderhoud met Christus gehad. (Ps. 63:7) Als ik Uwer gedenk op mijn legerstede, zo peins ik aan U in de nachtwaken; (vs. 6) "Mijn ziel zou als met smeer en vettigheid verzadigd worden." Men kan Hem ontmoeten en het verborgen gebed: "En gij zult Mij zoeken en vinden, wanneer gij naar Mij zult vragen met uw ganse hart." Jacob vond in deze plicht de Heere, en worstelde om de zegen tot aan de dageraad, en overmocht als een vorst: (Hos. 12:4,5) "In moeders buik hield hij zijn broeder bij de verzenen, en in zijn kracht droeg hij zich vorstelijk met God. Ja hij droeg zich vorstelijk tegen de Engel, en overmocht Hem, hij weende en smeekte Hem: Te Bethel vond hij Hem, en daar sprak Hij met ons," (Vergeleken met Gen. 32:24—26) "Doch Jacob bleef alleen over, en een man worstelde met hem totdat de dageraad opging. En toen Hij zag, dat Hij hem niet overmocht, roerde Hij het gewricht van zijn heup aan: zodat het gewricht van Jacobs heup verwrongen werd, als hij met Hem worstelde. En Hij zeide: Laat mij gaan, want de dageraad is opgegaan; meer hij zeide: Ik zal U niet laten gaan tenzij, dat Gij mij zegent." Men kan Hem ontmoeten in de plicht van persoonlijk, huiselijk, of openbaar vasten en bidden. (Jes. 66:2) "Maar op deze zal ik zien, op de arme en verslagene van geest, en die voor Mijn Woord beeft." U kunt hem ontmoeten in de plicht van Christelijke bijeenkomst en gemeenschap, wanneer degenen, die de Heere vrezen, een ieder tot zijn naaste spreken: "De Heere merkt er toch op en hoort." Hij wordt ontmoet in het lezen en onderzoeken van de Schriften: (Joh. 5:39), "onderzoekt de Schriften, want gij meent in dezelve het eeuwige leven te hebben, en die zijn het, die van Mij getuigen." Terwijl de Moorman, de kamerling, zijn Bijbel las, ontmoette de Heere hem in de bediening van Filippus, zodat hij "zijn weg met blijdschap reisde." De bruid heeft menige zoete vertoning van de heerlijkheid van de Bruidegom gehad, terwijl zij naar Hem zag door de spiegel van de openbaring: (2 Kor. 3:18) "En wij allen met ongedekt aangezicht de heerlijkheid des Heeren als in een spiegel aanschouwende, worden naar hetzelfde beeld in gedaante veranderd, van heerlijkheid tot heerlijkheid, als van des Heeren Geest." Hij wordt voornamelijk gevonden in de poorten Sions, de openbare instellingen van Zijn eredienst, waar het volk hem opwacht in hun bijeenkomsten voor het gebed en dankzegging, voor het prediken en het horen van het Evangelie, en voor de plechtige viering van de sacramenten van Doop en Avondmaal. "De Heere bemint die poorten Sions boven alle woningen Jacobs." Dit zijn de wijken en straten waar de bruid hem zocht (Hoogl. 3). Weliswaar moest zij hem een poosje missen, maar eindelijk ontmoette zij de Bruidegom, en kon zij zeggen: (vs. 4) "Ik vond Hem, Die mijn ziel liefheeft: ik hield Hem vast, en liet Hem niet gaan." David zag Zijn sterkheid en eer in het Heiligdom. Hij verklaart dan ook: (in Ps. 84:2,11) "Hoe lieflijk zijn Uw woningen. o Heere der heirscharen; want een dag in Uw voorhoven is beter dan duizend elders; ik koos liever aan de dorpel in het huis mijns Gods te wezen, dan lang te wonen in de tenten der goddeloosheid".
U kunt Hem voornamelijk ontmoeten in het breken des broods aan een avondmaalstafel: want "de drinkbeker der dankzegging, die wij dankzeggende zegenen, is die niet een gemeenschap des bloeds van Christus? Het brood, dat wij breken, is dat niet een gemeenschap des lichaams van Christus?" Hier wordt de gezegende Bruidegom gezien in Zijn met bloed geverfde klederen; want uit liefde tot Zijn bruid heeft Hij "de pers alleen getreden en er was niemand van de volkeren met Hem". Indien Hem die vraag wordt gesteld: "Waarom zijt Gij rood aan uw gewaad? En uw klederen als van één, die in de wijnpers treedt?" Dan mag Hij wel antwoorden: Het is geen wonder, dat Mijn gewaad rood is, want Ik ben "om uw overtredingen verwond, en om uw ongerechtigheden ben Ik verbrijzeld".
Vraag. 5. Wie hebben de meeste kans de Bruidegom in liefde en goedertierenheid te ontmoeten?
Antwoord. Wij weten niet wat God, in een weg van vrije genade, kan doen voor buiten Christus zijnde, ongelovige, onheilige zondaren, die in verbond met de dood zijn, en een voorzichtig verdrag met de hel hebben gemaakt, want Hij kan een brandhout uit het vuur rukken, en de machtige de vang ontnemen, wanneer en zoals het Hem behaagt. Hij grijpt de woudezel bij zijn bek, die de oostenwind van zonde en ijdelheid schept. Alleen wanneer u op de brede weg naar de hel loopt, hebt u geen reden iets anders te verwachten dan verbolgenheid en toorn, verdrukking en benauwdheid, die gedreigd worden over alle ziel van de mens, die het kwaad werkt. U, die tot de grote hoop van de dwaze maagden behoort, die zich tevreden stellen met de lege lampen van een belijdenis, en die de dag van de genade weg slaapt en sluimert, zonder de olie van de genade voor uw lampen te kopen; u kunt aan het slot van deze gelijkenis zien wat u te wachten hebt, namelijk, voor een gesloten deur te komen, en wanneer u dan zult roepen, Heere, Heere, doe ons open; het antwoord te moeten horen, Ga weg van Mij, Ik ken u niet.
Doch ik spreek nu niet over u of uws gelijken, maar over arme zielen, die wezenlijk bekommerd zijn over de toestand van hun ziel, en die het om de Bruidegom en gemeenschap met Hem te doen is. Ik zal u vertellen wie het zijn, die grote kans hebben op een troostelijke ontmoeting van de Bruidegom in de ordinanties en middelen, die Hij daartoe en met dat doel heeft ingesteld.
1. U, die evenals de wijze maagden niet tevreden bent met de lamp van een belijdenis, doch die olie voor uw vaten koopt, terwijl de markt van de genade nog geopend is, u ziet, dat de wijze maagden uitgaan de Bruidegom tegemoet, en met Hem in het huwelijk treden.
2. U, die de Bruidegom liefhebt en Zijn woorden met lust overdenkt, en die als een zoete bete onder uw tong houdt, Hij heeft beloofd, dat u Hem zult ontmoeten: (Joh. 14:23) "Zo iemand Mij liefheeft, die zal Mijn woord bewaren, en Mijn Vader zal hem liefhebben, en Wij zullen tot hem komen, en zullen woning bij hem maken".
3. U, die het verbond der werken loslaat en herroept, dat met de eerste Adam gemaakt is, en het verbond der genade en van de belofte aangrijpt, dat met de tweede Adam gemaakt is, u hebt veel kans, dat u de Bruidegom zult ontmoeten. Ik zal u Zijn belofte geven om daarop te steunen: (Jes. 56:4,5) "Want alzo zegt de Heere van de gesnedenen, die Mijn Sabbatten houden, en verkiezen hetgeen daar Ik lust toe heb, en vasthouden aan Mijn verbond. Ik zal hun ook in Mijn huis en binnen Mijn muren een plaats en een naam geven, beter dan der zonen en dan der dochteren; een eeuwige naam zal Ik een ieder van hen geven, die niet uitgeroeid zal worden". Dit wordt weer herhaald: (in vs. 7) "Die zal Ik ook brengen tot Mijn heilige berg, en Ik zal ze verheugen in Mijn bedehuis; hun brandoffers en hun slachtoffers zullen aangenaam wezen op Mijn altaar; want Mijn huis zal een bedehuis genaamd worden voor alle volkeren". Daarom gaat uit Hem tegemoet.
4. U, die met hoop en verwachting op een bezoek van de Bruidegom wacht, hebt veel kans Hem te ontmoeten; "want Hij is goed dengenen, die Hem verwachten, der ziel, die Hem zoekt. Hij heeft een welgevallen aan hen, die Hem vrezen; die op Zijn goedertierenheid hopen. Het is goed dat men hope, en stil zij op het heil des Heeren".
5. U, die arm en nooddruftig bent, en verlangend uitziet naar een vervulling van uw zielenoden uit de volheid, die in Christus is; want Hij heeft gezegd, "dat de nooddruftige niet altoos zal vergeten worden; dat Hij al uw nooddruft zal vervullen". "De ellendigen en nooddruftigen zoeken water, maar daar is geen, hun tong versmacht van dorst; ik de Heere zal ze verhoren, Ik de God Israëls zal ze niet verlaten."
6. De onbeschaamde bedelaar, die aanhoudt aan de troon der genade, en aan de deur van het huis van barmhartigheid, en zich niet laat afwijzen, zal de Bruidegom ontmoeten en krijgen wat hij vraagt; want Hij heeft gezegd: "Klopt en u zal opengedaan worden. Gij zult Mij zoeken en vinden, wanneer gij naar Mij zult vragen met uw ganse hart."
7. De arme vermoeide beladen ziel, die uitroept: "Mijn ongerechtigheden gaan over mijn hoofd; ik ellendig mens! Wie zal mij verlossen uit het lichaam dezes doods? Als een zware last zijn ze mij te zwaar geworden". De Bruidegom zegt tot zulken: "Werpt uw zorg op de Heere, Hij zal u onderhouden. Komt herwaarts tot Mij, allen, die vermoeid en belast bent, en Ik zal u rust geven".
8. De arme verlaten ziel, die in de duisternis wandelt en geen licht ziet, uitroepende: O wanneer zal Hij tot mij komen; de Heere heeft mij verlaten, en de Heere heeft mij vergeten." De Bruidegom hoort hoe u om Hem kermt, en zegt: (Jes. 49:16) "Kan ook een vrouw haar zuigeling vergeten, dat zij haar niet ontferme over de zoon haars buiks? Ofschoon deze vergate, zo zal Ik toch u niet vergeten." Of Hij zegt: (Jes. 54:7,8) "Voor een klein ogenblik heb Ik u verlaten, maar met grote ontfermingen zal Ik u vergaderen. In een kleine toorn heb Ik Mijn aangezicht van u een ogenblik verborgen; maar met eeuwige goedertierenheid zal ik Mij uwer ontfermen (vs. 10). Want bergen zullen wijken en heuvelen wankelen, maar Mijn goedertierenheid zal van u niet wijken." Zo ziet u, wie u bent, die naar een ontmoeting van de Bruidegom mag uitzien.
De zesde en laatste vraag was; Welke soort van ontmoeting is er tussen de bruid en de Bruidegom.
Antwoord. 1. Het is een wezenlijke ontmoeting hoewel die inderdaad van een geestelijke natuur is. Een onbegenadigde wereld, die hiervan niets kent, beschouwt alle godsdienst, alle gemeenschap met Christus, als inbeelding. Doch zij, die er kennis en bevinding van hebben, kunnen enigermate zeggen: "Deze onze gemeenschap is met de Vader, en met Zijn Zoon Jezus Christus." Er is veel meer werkelijkheid in dan in al de zondige en zinnelijke vermaken. David zegt ervan (Ps. 4:8) "Gij hebt vreugde in mijn hart gegeven, meer dan ter tijd, als hun koren en hun most vermenigvuldigd zijn." (Ps. 84:1 l ) "Één dag in Uw voorhoven is beter dan duizend elders."
2e Het is een zeer vriendschappelijke en gemeenzame ontmoeting. De Bruidegom en de bruid leggen in hun samenzijn, zonder de minste achterhoudendheid, hun harten voor elkaar open. Christus maakt de bruid Zijn verborgenheden bekend: (Ps. 25:14) "De verborgenheid des Heeren is voor degenen, die Hem vrezen. (Joh. 15:15) "Al wat Ik van Mijn Vader gehoord heb, dat heb Ik u bekend gemaakt." En anderzijds ontsluit de bruid haar hart met onbelemmerde vrijmoedigheid voor de Bruidegom, en vertelt Hem al wat in haar hart is, zelfs die geheimen, die zij niet graag aan iemand ter wereld zou openbaren.
3e Het is een zeer blijde ontmoeting aan beide zijden. Het is voor de Bruidegom "de dag van Zijn bruiloft en de dag van de vreugde Zijns harten." Wanneer Hij Zijn bruid ontmoet roept Hij uit: "gij hebt Mij het genomen, Mijn zuster, o bruid; gij hebt Mij het hart genomen, met een van uw ogen, met een keten van uw hals" (Hoogl. 4:9); en dan laat Hij er op volgen. (vs. 10) "Hoe schoon is uw uitnemende liefde, Mijn zuster, o bruid! Hoeveel beter is uw uitnemende liefde, dan wijn! (vs. 11) en de reuk van uw klederen is als de reuk van Libanon." En anderzijds verheugt zich de bruid, de vrouw des Lams, met een onuitsprekelijke en heerlijke vreugde: (Openb. 19:7) "Laat ons blijde zijn en vreugde bedrijven, en Hem de heerlijkheid geven, want de bruiloft des Lams is gekomen."
4e Het is aan de zijde van de bruid een eervolle en onderscheidende ontmoeting. Gelovigen, die aan de Zoon van God ondertrouwd zijn, zijn waarlijk hoog bevoorrecht; de vrouw van het Lam te zijn is groter eer de ooit verleend werd aan de hoogste engel in de hemel, die gedienstige geesten zijn ten diepste van de erfgenamen van de zaligheid: (Jes. 43:4) "Van toen af, dat gij kostelijk zijt geweest in Mijn ogen, zijt gij verheerlijkt geweest."
5e Het is een ontmoeting, op welke nooit weer een gehele scheiding zal volgen, het is een voorspel van die eeuwige ontmoeting, die zij met Hem zullen hebben bij Zijn tweede komst, wanneer de bruiloft plechtig voor mensen en engelen gevierd wordt.
VI. Het zesde punt, dat ik heb voorgesteld was, dat ik de redenen zal aanwijzen van de leer, dat het de plicht van al de maagden is, zowel van wijze als dwaze, uit te gaan de Bruidegom tegemoet
(1.) Omdat het in overeenstemming is met het grote voornemen Gods in Zijn geliefde Zoon in de wereld te zenden. Waartoe anders zond Hij Hem dan opdat Hij zou worden aangenomen? Hij wordt de Gezondene Gods genaamd, om ons te verbinden in Hem te geloven.
(2.) Omdat God het geboden heeft. Zijn gezag is tussenbeide gekomen, opdat zondaren van het menselijk geslacht Hem door het geloof zullen ontvangen: (1 Joh. 3:23) "Dit is Zijn gebod, dat wij geloven in de naam Zijns Zoons Jezus Christus." Hoort naar Hem, en hij die niet naar Hem hoort, zal "uit het midden van zijn volk uitgeroeid worden, en de toorn Gods blijft op hem."
(3.) Omdat de Bruidegom Zelf ons roept, dat wij zullen uitgaan Hem tegemoet. Komt tot Mij. Ziet hier ben Ik, ziet hier ben Ik.
(4.) Omdat de Heilige Geest in het Woord, en door al Zijn roeringen en werkingen ons toeroept, uit te gaan de Bruidegom tegemoet, (Hebr. 3:7) "De Heilige Geest zegt: Heden indien gij Zijn stem hoort, zo verhardt uw harten niet." (Openb. 22:17) "De Geest zegt: Komt." En hoe gevaarlijk is het, de Geest te weerstaan, wanneer Hij Christus verheerlijkt en van Hem getuigt.
(5.) Omdat de bruid van Christus, alle ware gelovigen, die het best met Hem bekend zijn, alle anderen oproepen, te komen en Hem te ondertrouwen. Zij begeert niet Hem alleen te genieten, neen, zij zou wel willen, dat allen zo gelukkig in Hem waren als zij zelf is. Daarom roept zij uit: "Smaakt en ziet, dat de Heere goed is. Komt, hoort toe, o allen gij, die God vreest, en ik zal vertellen wat Hij aan mijn ziel gedaan heeft." Wanneer de dochteren Sions dan ook gevraagd wordt: Wat is uw Liefste meer dan een ander liefste? begint zij Hem aan te prijzen en te verheffen (Hoogl. 5:10-16).
(6.) Dit is het doel van de getuigenis Gods aangaande Hem en Zijn Woord. Waartoe anders heeft God Hem in het woord voorgesteld en van Hem getuigd, dan om de wereld er toe te bewegen, dat zij verliefd op Hem zullen worden, als de Bruidegom van de ziel? Dit is het doel van alle getrouwe leraars en vrienden van de Bruidegom, een vereniging tot stand te brengen tussen Christus en u. Vrienden, u zult nooit onze boodschap, of het doel van onze lastbrief, als gezanten van Christus, beantwoorden, zolang u niet uitgaat Hem tegemoet, en Hem hart en hand geeft, zodat u kunt zeggen, wat Paulus tot de Korinthiërs zeide: (2 Kor. 11:2) "Want ik heb ulieden toebereid, om u als een reine maagd een Man voor te stellen, namelijk Christus. Wij zullen nu overgaan tot
VII. Ons zevende punt, namelijk de toepassing.
Het eerste gebruik zal zijn tot onderrichting in de volgende bijzonderheden.
1e Ziet hieruit de onuitsprekelijke en verbazende liefde Gods tot verloren zondaren van Adams geslacht, want Hij had van alle eeuwigheid een plan beraamd, om met ons geslacht een huwelijk aan te gaan. Niet zodra had God de mens gemaakt en de adem des levens in zijn neusgaten geblazen, of Hij had zoveel liefde tot het werk van Zijn handen, dat Hij een huwelijkscontract met hem sluit, op voorwaarde van volmaakte gehoorzaamheid aan de wet, zeggende: "Uw Maker is uw Man," en alles wat Ik van u vereis is, dat u Mijn geboden gehoorzaamt; waartoe Hij hem macht gaf dat te doen. Ja, nadat de mens dit contract had verbroken, en zich aan de duivel, de wereld en zijn begeerlijkheid had overgegeven, en andere boelen was nagegaan; wie had kunnen denken, dat God hem ook toen nog zo zou liefhebben, dat Hij zijn natuur zou aannemen, door Zich, in Zijn eeuwige Zoon, daarmede persoonlijk te verenigen, en dan zou komen, en zeggen: "Uw Maker is uw Man, Ik zal u Mij ondertrouwen in gerechtigheid, en in gericht, en in goedertierenheid, en in barmhartigheden." O wie kan over deze liefde denken zonder met verwondering getroffen te zijn, en uit te roepen: O wie kan de breedte, en diepte, en hoogte en lengte daarvan begrijpen? Want zij gaat alle kennis van engelen en mensen te boven. Hoe dierbaar is Uw goedertierenheid! Heere, wat is de mens, dat Gij zijner gedenkt, en de zoon des mensen, dat Gij hem bezoekt"?
2e Ziet hieruit, dat Gods wegen niet onze wegen, en Zijn gedachten niet onze gedachten zijn. Wij zouden het als een wonderlijke verkleining aanmerken voor iemand van hoge rang en stand, bij voorbeeld, een voornaam heer, een edelman, een graaf, een koning of een keizer, dat Hij zoveel liefde zou opvatten voor een arme, verlaten, ellendige bedelaarster, die van het hoofd af tot de voetzolen toe, geheel met wonden en etterbuilen overdekt was, dat hij haar zou trouwen, tot vrouw nemen, om zijn gemalin en koningin te zijn, en haar met hem op de troon te zetten. Ik zeg, dat zou ons wonderlijk voorkomen wegens de ongelijkheid van het huwelijk. Doch o vrienden, er is oneindig veel grotere ongelijkheid tussen de Zoon van God, en een vuile, schuldige zondaar, dan tussen de grootste koning, die ooit op aarde regeerde, en het verachtelijkste schepsel, dat ooit uit het geslacht van Adam is voortgekomen. Dit geeft de apostel Paulus te kennen, als hij zegt: Want gij weet de genade van onze Heere Jezus Christus, dat Hij om uwentwil is arm geworden, daar Hij rijk was, opdat gij door Zijn armoede zoudt rijk worden". En hoe anders maakt Hij ons rijk, dan door ons in een huwelijksvereniging met Hem te nemen; want wanneer wij met de Erfgenaam getrouwd zijn, is alles het onze krachtens contract.
3e Ziet uit deze leer de wonderlijke nauwe verwantschap tussen Christus en Zijn gemeente, en iedere afzonderlijke gelovige; Hij is de Bruidegom, en zij worden beiden gezamenlijk en elk afzonderlijk aangemerkt als de bruid, de vrouw des Lams: "Gelijk de bruidegom vrolijk is over de bruid, alzo zal uw God over u vrolijk zijn." Wij lezen in de Schrift over drieërlei verborgen vereniging.
1. De verborgen vereniging van de drie Personen in één Wezen; Vader, Zoon en Heilige Geest, drie in één, en één in drie.
2. De verborgen vereniging van twee naturen, namelijk: God en mens in één Persoon (l Tim. 3:16) "En buiten allen twijfel, de verborgenheid der godzaligheid is groot: God is geopenbaard in het vlees."
3. De mystieke of verborgen huwelijksvereniging tussen Christus en de gelovigen: (Ef. 5:32) "Deze verborgenheid is groot; doch ik zeg dit ziende op Christus en de gemeente." (vs. 30) "Want wij zijn leden van Zijn lichaam, van Zijn vlees, en van Zijn benen". O wat een wonderlijke verwantschap is dit, tussen Christus en ons. De apostel had, vanaf vs. 25, gesproken over de betrekkelijke plichten tussen man en vrouw, en deze plicht aangedrongen uit de overweging van de nauwe en innige betrekking tussen die beiden: "zij twee zullen tot een vlees wezen;" en dan laat hij er terstond op volgen: "Deze verborgenheid is groot; doch ik zeg dit, ziende op Christus en op de gemeente." Hij geeft ons daarmede te kennen, dat het natuurlijke huwelijk tussen Adam en Eva, of andere mannen en hun vrouwen, een flauwe afschaduwing of voorstelling is van het geestelijk huwelijk tussen Christus en de gemeente.
Er is zo’n diepte van de oneindige wijsheid in de werken Gods in de zichtbare wereld, dat zij als een spiegel dienen om het geestelijk bedenken op te leiden tot een andere wereld, en tot de verborgen heilgeheimen van onze godsdienst. Vandaar is het, dat de Schriften van de waarheid, die een openbaring van de gedachten Gods zijn, zo overvloeien van gelijkenissen en leenspreuken, die niets anders zijn dan een openbaring van goddelijke, bovennatuurlijke verborgenheden, door uitdrukkingen, die ontleend zijn aan de dingen van deze wereld, welke zichtbaar zijn voor onze uitwendige zintuigen. De apostel zegt ons (Rom. 5:14), dat de eerste Adam het voorbeeld of de afbeelding was Desgenen, Die komen zou, dat is van een tweede Adam, een nieuw Verbondshoofd. Ik zou hier de overeenkomst en ook de tegenstelling in vele opzichten kunnen vaststellen; doch ik blijf daar nu niet bij stilstaan; ik bepaal mijzelf bij het punt, dat ik behandel, namelijk, het huwelijk van man en vrouw, in het bijzonder dat van Adam en Eva, dat menigerlei overeenkomst heeft met het huwelijk van Christus en de gemeente. Ik zal trachten dit in de volgende bijzonderheden op te helderen.
1e Toen God onze eerste vader Adam schiep, gaf Hij hem deze ganse aarde tot zijn erfenis. Hij plaatste hem in een lusthof, en gaf hem heerschappij over al de werken van Zijn handen, zodat hem niets ontbrak om hem gelukzalig te maken. Het was echter enige vermindering en verkleining van zijn gelukzaligheid, dat hij iemand miste, die als hijzelf was om als een makker of deelgenoot dezelfde gelukzaligheid met hem te genieten. Zeker heidens wijsgeer merkt op, dat er geen aangename en genoeglijke genieting van enigerlei gelukzaligheid voor iemand alleen is. Zo zeide God ook betreffende Adam: "Het is niet goed, dat de mens alleen zij," daarmede te kennen gevend, dat het zijn gelukzaligheid zou verhogen als hij een schepsel van zijn eigen aard en soort had om met hem om te gaan en in zijn gelukzaligheid te delen. Nu hierin was de eerste Adam een voorbeeld van Hem, Die komen zou. De gezegende Zielebruidegom, Jezus Christus, was van eeuwigheid gelukzalig, en bezat alle goddelijke volmaaktheid en heerlijkheid; doch Hij besluit, dat Hij een bruid, een gemalin zal hebben, die met Hem in dezelfde gelukzaligheid en heerlijkheid zal delen, die Hijzelf bezat. Daartoe laat Hij het oog vallen op het gevallen geslacht van Adam, dat in zijn bloed vertreden ligt, en Hij kiest daaruit een bruid en vrouw voor Zich. Hiervan staat geschreven in Spr. 8, dat Hij, voor de schepping van de wereld, spelende was in de wereld Zijns aardrijks, en dat Zijn vermakingen waren met der mensen kinderen; de begeerten van Zijn ogen en Zijn hart waren tot hen, in het vooruitzicht van een huwelijksvereniging met hen.
2e U weet, dat de eerste vrouw uit Adams zijde genomen werd, toen een diepe slaap op hem gevallen was. Hierom zegt de apostel: "Want de man is uit de vrouw niet, maar de vrouw is uit de man." Evenzo is, in het geestelijk huwelijk de bruid en vrouw van Christus, als het ware, uit Zijn zijde genomen, toen Hij aan het kruis en in het graf de slaap des doods sliep. De Kerk is gegrondvest in het bloed van Christus. Zijn dood was haar leven; de prijs voor onze verlossing was niet "zilver of goud, of zulke vergankelijke dingen. maar het dierbaar bloed van Christus de Heere."
3e De man en de vrouw zijn van een en dezelfde natuur. Zo is het ook in het geestelijk huwelijk: (Hebr. 2:11 )Want en Hij, Die heiligt, en zij, die geheiligd worden, zijn allen uit één; om welke oorzaak Hij Zich niet schaamt hen broeders te noemen." De Bruidegom is wel, wat Zijn goddelijke natuur aangaat, de Zoon van God, de tweede Persoon van de heerlijke Drie-eenheid, en als zodanig van een natuur, die geheel van de onze verschilt, en zo oneindig ver boven ons, dat er geen huwelijk tussen Hem en ons kan zijn; doch in de volheid des tijd is Hij geworden uit een vrouw, geworden onder de wet, opdat Hij zo, met ons op gelijke hoogte gekomen zijnde, ons in alle dingen zou gelijk worden, en ons hem zou ondertrouwen als Zijn geliefde bruid en vrouw.
4e Toen God de vrouw uit een rib, die Hij uit de zijde van de man had genomen, gebouwd had (Gen. 2:22) bracht Hij haar tot de man. Zij wist niet, dat er zo’n schepsel als Adam in de wereld was, daarom kon zij niet tot hem komen, tenzij zij tot hem gebracht werd. Evenzo is ook de bruid en vrouw van Christus, de tweede Adam, van nature onkundig van God en Zijn Zoon Christus Jezus, en zij zou nooit tot Hem komen, wanneer zij niet door de kracht Gods tot Hem werd gebracht: (Joh. 6:44). "Niemand." zegt Christus, "kan tot Mij komen tenzij dat de Vader, Die Mij gezonden heeft, hem trekke.’ Zo ook (vs. 45) "Een iegelijk dan, die het van de Vader gehoord en geleerd heeft, die komt tot Mij." Vraagt u: Hoe geschiedt dat? Het antwoord is: Hij verlicht het verstand in de kennis van Christus, vernieuwt de wil, en zo overreedt en bekwaamt Hij ons, de Bruidegom aan te nemen, zoals Hij in het Evangelie om niet wordt aangeboden.
5e Toen Eva aan Adam werd voorgesteld ontving hij haar met blijdschap en verheuging, en hij drukte zijn voldaanheid over haar uit, zeggende: "Deze is ditmaal been van mijn benen, en vlees van mijn vlees." Zo ook, wanneer door de Vader bepaald is, dat een arme zondaar tot Christus komt, o hoe verheugt Hij zich, en met hoeveel blijdschap ontvangt Hij hem: Dit is "de dag van Zijn bruiloft, en de dag van de vreugde Zijns harten." "Al wat Mij de Vader geeft zal tot Mij komen, en die tot Mij komt, zal Ik geenszins uitwerpen." Dit wordt te kennen gegeven door de ontvangst van de verloren zoon (Luk. 15).
6e In het huwelijk van man en vrouw verlaten beide partijen in zeker opzicht hun vorige betrekkingen, om elkaar aan te hangen: "Daarom zal een mens zijn vader en moeder verlaten, en zal zijn vrouw aanhangen;" en anderzijds doet de vrouw hetzelfde. Evenzo is het ook tussen Christus en Zijn bruid. Toen Hij Zijn bruid ging verlossen en kopen, verliet Hij de schoot Zijns Vaders en de heerlijkheid van het Hogerhuis, opdat Hij onze verlossing ten koste van Zijn leven zou volbrengen. Toen Hij een bruid zocht onder de heidenen, verliet Hij het huis van Zijn moeder, de Joodse Kerk, om haar Zich te ondertrouwen in eeuwigheid. Hij zegt in het bijzonder met het oog op de heidenen: (Jes. 54:6) "Uw Maker is uw Man." En anderzijds wordt van de ziel, die waarlijk met Christus, de Bruidegom, ondertrouwd is, gezegd, dat zij haar volk en haars vaders huis vergeet: (Ps. 45:11) "Hoor, o dochter, en zie, en neig uw oor; en vergeet uw volk en uws vaders huis." Dit betekent, dat zij de duivel, de wereld en de begeerlijkheden van het vlees, en de wet als een verbond, die zij had aangekleefd, verlaat en zegt: Heere mijn God, andere heren behalve Gij hebben over mij geheerst," doch nu zal ik onder de wet voor Christus zijn, als mijn enige Heere en Wetgever.
Andere bijzonderheden van deze natuur zouden hieraan kunnen worden toegevoegd, doch sommige daarvan zullen misschien later voorkomen: deze, die ik genoemd heb, zijn voldoende om aan te tonen, dat er een wonderlijke nauwe verwantschap is tussen Christus in de hemel en de gelovigen op aarde, en dat het de oneindige Wijsheid goedgedacht heeft, de huwelijksvereniging tussen Christus en zijn gemeente af te schilderen en op te helderen door de betrekking, die er is tussen een man en vrouw. Dit deed de apostel zeggen, als hij over de nauwe betrekking tussen een man en zijn vrouw sprak: (Ef. 5:32) "Deze verborgenheid is groot, doch ik zeg dit, ziende op Christus en op de gemeente."
4e Ziet uit deze leer welke gelukzalige en aanzienlijke mensen de gelovigen zijn, en waarom zij de heerlijken worden genaamd, die op de aarde zijn, in dewelken al de lust van Christus is. Zij toch zijn de bruid van een aanzienlijke Bruidegom. O wie heeft zo’n goed huwelijk gedaan? Iedere gelovige is getrouwd met zijn Maker, de Vorst des levens, de Heere der heerlijkheid, de Erfgenaam Gods; en Hij maakt Zijn bruid ook een erfgenaam Gods en een medeërfgenaam met Hem van alle dingen. Er zijn twee of drie verborgenheden of schijnbare tegenstrijdigheden omtrent de bruid van Christus. (1.) Zij is van geringe en toch van aanzienlijke afkomst. Als wij de gelovige beschouwen in zijn natuurlijke geboorte en afkomst, dan is hij een kind van de duivel en een erfgenaam van de hel. O! Wat een wonder is dit, dat de Zoon van God zo’n schepsel wil ondertrouwen! Doch krachtens haar nieuwe geboorte en aanneming tot kind, stroomt het koninklijk bloed van de hemel in haar aderen: (Joh. 1:13) "Welke niet uit den bloede, noch uit de wil des vleses, noch uit de wil des mans, maar uit God geboren zijn." (2.) De bruid van Christus is zwart, en toch schoon: "ik ben zwart, doch lieflijk, u dochteren Jeruzalems, gelijk de tenten Kedars, gelijk de gordijnen van Salomo." Beschouwt haar in haar natuurstaat, of zoals zij onophoudelijk door de duivel, de wereld en de inwonende zonde gekweld wordt, zo is zij zwart en lelijk van tint, en toch is zij lieflijk door de heerlijkheid van de Heere haar God; Hij zegt van haar: "Geheel zijt gij schoon, mijn vriendin, en daar is geen gebrek aan u." (3.) Christus’ bruid is naakt, en toch goed gekleed. Zij is naakt in zichzelf, geheel van alle gerechtigheid verstoken; "Er is niemand rechtvaardig, ook niet een". Maar de Bruidegom bekleedt haar met de klederen des heils, en doet haar de mantel der gerechtigheid om (Jes. 61:10). (4.) Zij is arm en bezit toch grote rijkdommen. In zichzelf beschouwd is zij arm, en heeft zij niets dan armoede, ongeluk en ellende, ja, zit zij onder de schuld aan de wet en de rechtvaardigheid, en toch bezit zij, uit kracht van haar huwelijksbetrekking tot de Bruidegom, onnaspeurlijke rijkdommen, en goud beter dan het goud van Ofir. In één woord, zij is veroordeeld in het Hof van de wet, van de rechtvaardigheid, en van het geweten, en toch is zij krachtens haar betrekking tot Christus de Bruidegom vrijgesproken, en is haar alles kwijtgescholden, zodat zij haar hoofd kan opheffen. en zeggen: "Wie kan beschuldiging inbrengen tegen mij? God is het Die rechtvaardig maakt. Wie is het die verdoemt?" Zo ziet u welke gelukzalige en aanzienlijke personen de gelovigen zijn, uit kracht van hun huwelijksbetrekking op Christus.
5e Uit deze leer kunnen wij de dwaasheid, dolzinnigheid en ellende zien van een vleselijke, Christusloze en ongelovige wereld, die onder de dwaze maagden behoren. Hoewel zij, zowel als de wijze maagden geroepen worden om uit te gaan de Bruidegom tegemoet, toch liggen zij steeds te sluimeren en te slapen in hun bedden van luiheid, zeggende: "Een weinig slapens, een weinig sluimerens, een weinig handvouwens al nederliggende," en zij verzuimen olie te kopen voor hun vaten, en zo gaan zij niet uit de Bruidegom tegemoet, maar liggen gerust in de omhelzing en liefkozingen van de een of andere begeerlijkheid of afgod, die zij verkiezen boven Christus, de heerlijke Bruidegom. O! Ontzet u hierover gij hemelen, en weest verschrikt, wordt zeer woest," op het gezicht van de dwaasheid van zondaren, die hunlieder weldadigheid verlaten voor valse ijdelheden, die hun geen nut kunnen doen. U verkiest een zielsvermoordende begeerlijkheid boven de heerlijke Bruidegom, evenals de Joden, die Barabbas verkozen boven Christus. "Dit is het oordeel, dat het licht in de wereld gekomen is, en gij hebt de duisternis liever gehad dan het licht." U hebt reden te vrezen, dat de Heere tot u zal zeggen, wat Hij tot Efraïm zeide: "Hij is vergezeld met de afgoden, laat hem varen."
6e Ziet het goede ambt van de Geest Gods: Hij is het, Die van de heerlijkheid van de Bruidegom getuigt en de ogen van de arme zondaar verlicht, om de heerlijkheid van Zijn Persoon en Zijn middelaarschap te zien en zo de toestemming van de bruid te winnen; ja Hij is de voornaamste band van vereniging tussen de partijen: want, "die de Heere aanhangt, is één geest met Hem."
7e Ziet de nuttigheid van een Evangeliebediening; zij zijn de vrienden van de Bruidegom, en komen op last van Hem, een bruid voor Hem zoeken onder de kinderen der mensen. Een getrouw leraar is als in barensnood, totdat het jawoord is gegeven, en o! wanneer dat geschied is, is dat de blijdschap en verheuging van hun harten, want zij zijn hun kroon van roem in de dag des Heeren. Zij die ingewonnen zijn, om de Bruidegom het jawoord te geven, en uit te gaan Hem tegemoet, zullen bereid zijn, te zeggen: "Hoe lieflijk zijn op de bergen de voeten desgenen, die het Evangelie des vredes prediken, desgenen die het goede verkondigen".
8e Ziet de uitnemendheid van de genade van het geloof. Het is de band van de vereniging, waardoor wij met Christus, als onze Man, getrouwd zijn; want het sluit in, dat de ziel haar toestemming en het jawoord geeft aan deze betere Man, waardoor Hij ons Hem ondertrouwt in eeuwigheid. Om niet langer bij bijzonderheden stil te staan, het is door geloof, dat wij Christus aandoen als de Heere onze gerechtigheid. Door het geloof ontvangt de bruid uit de volheid van Christus genade voor genade, waardoor het hart gereinigd, de oude mens gekruisigd, en het lichaam van de zonde teniet gedaan wordt, opdat wij niet meer de zonde dienen. Door het geloof overwinnen wij de wereld: (1 Joh. 5:4) "Dit is de overwinning, die de wereld overwint, namelijk ons geloof." Door het geloof weerstaan wij de duivel, en blussen wij zijn vurige pijlen uit (Ef. 6:12,16). En vraagt u, hoe het geloof dit doet? Dan antwoord ik: (l.) Het geloof zwaait het zwaard des Geestes in het aangezicht van de vijand, evenals Christus deed, zeggende: "Daar is geschreven." (2.) Het geloof neemt het bloed des Lams en stelt dat de vijand voor; op het gezicht waarvan hij vliedt, gedenkende, dat door dit bloed zijn kop op Golgotha vermorzeld werd, waarom hij het gezicht daarvan niet kan verdragen. Vandaar dat woord: (Openb. 12:11) "En zij hebben hem overwonnen door het bloed des Lams, en door het woord van hun getuigenis." Door het geloof nemen wij de grootste en dierbare beloften aan, waardoor wij de goddelijke natuur deelachtig worden. Allerlei genade is, evenals melk in de borst, en de beloften opgelegd voor zuigelingen van de genade; en het geloof is de mond van de ziel, die, de borst nemende, de redelijke onvervalste melk zuigt van het woord, en van de genade van God door het woord, waardoor de ziel opwast in de genade, evenals een zuigeling, die voorspoedig opgroeit van de borst. "En als nieuw geboren kinderkens, zijt zeer begerig neer de redelijke onvervalste melk, opdat gij door dezelve mag opwassen." Amen.
De wijze maagden uitgaande de bruidegom tegemoet (3e preek)
Matth. 25:6. En ter middernacht geschiedde een geroep: Ziet, de bruidegom komt, gaat uit hem tegemoet!
Ik heb uit onze tekstwoorden de volgende leer afgeleid: "Dat het de onvermijdelijke plicht van elk en een ieder is, wanneer Christus, de heerlijke Zielebruidegom op komst is, uit te gaan Hem tegemoet, door Hem op een gepaste wijze te ontvangen en te onthalen." Ziet, de Bruidegom komt, gaat uit Hem tegemoet.
Deze leer overeenkomstig onze verdeling verhandeld hebbende, zijn wij begonnen die toe te passen in een gebruik tot onderrichting, en zal ik de toepassing daarvan voortzetten, door een tweede gebruik van deze leer te maken tot beproeving en onderzoek.
Hier doen zich vanzelf twee vragen op, namelijk: 1. Hebt u het jawoord aan de Bruidegom gegeven? Bent u met die enige Man getrouwd? 2. Hebt u ooit de Bruidegom ontmoet, en hebben Hij en u enige aangename en troostelijke ontmoetingen gehad?
Vraag 1. Bent u de bruid? Bent u met Christus de gezegende Zielebruidegom getrouwd? Om dit op te helderen zal ik de volgende kenmerken voorstellen.
1e De ware bruid van Christus bewondert de Bruidegom ten zeerste, zij acht Hem zo hoog, dat zij alles bewondert, wat in en aan Hem is. Zij bewondert Zijn persoonlijke heerlijkheid als Immanuël; zij verwondert zich daarover, dat de tweede Persoon van de heerlijke Godheid de natuur van de engelen voorbijging, en uit liefde tot haar de menselijke natuur aannam in een persoonlijke vereniging, opdat Hij haar tot een Hulp zou kunnen zijn. Dat woord van de apostel is dan ook dikwijls in haar mond en in haar hart: "Buiten allen twijfel, de verborgenheid der godzaligheid is groot: God is geopenbaard in het vlees." O Hij is weergaloos! "Als de appelboom onder de bomen des wouds; Hij draagt de banier boven tien duizend." Wanneer de bruid denkt over de liefde, die Hij haar toedroeg eer de wereld was, en hoe Hij in de volheid des tijd gekomen is, en Zijn bloed voor haar gestort heeft om haar te verlossen; hoe Hij haar in de tijd getrokken heeft met touwen van liefde, en haar vijandschap heeft overwonnen door Zijn liefde in haar hart uit te storten; dan zinkt zij weg in verwondering en roept uit: "Wie ben ik, Heere Heere, en wat is mijn huis, dat Gij mij tot hiertoe gebracht hebt? Is dit naar de wet van de mensen, Heere Heere? O wat heeft God gewerkt! O de hoogte, diepte, breedte en lengte van Zijn liefde! Zij gaat alle kennis te boven."
2e De ware bruid van Christus kent de stem van de Bruidegom, en is zeer ingenomen met de woorden van Zijn mond: (Joh. 10:16) "Mijn schapen horen Mijn stem." Hoe gaat haar hart naar Hem uit, als Hij Zijn mond opent: (Hoogl. 2:8) "Dat is de stem mijns Liefsten;" zij is mij zoeter dan het gezang van engelen of archangelen. Ieder woord van de Bruidegom verwekt bewondering in haar hart, en zij overdenkt ze met lust en vermaak: (Hoogl. 2:10) "Mijn Liefste antwoordt, en zegt tot mij: Sta op, Mijn vriendin, Mijn schone, en kom." Zulke woorden doen haar hart binnen in haar ontvonken en branden. O, zegt Job, "de redenen Zijns monds heb ik meer dan mijn bescheiden deel weggelegd." David zegt: "De wet Uws monds is mij beter dan duizenden van goud of zilver; zij zijn begeerlijker dan goud, ja dan veel fijn goud, en zoeter dan honig en honigzeem." O, zegt Jeremia: "Als Uw woorden gevonden zijn, zo heb ik ze opgegeten, en Uw Woord is mij geweest tot vreugde en tot blijdschap mijn harten"
3e Niet alleen ieder woord, maar elke gedachte van de Bruidegom is een feestmaal voor de ziel van de bruid: "Hoe kostelijk, o God, zijn mij Uw gedachten. Mijn overdenking van Hem zal zoet zijn; ik zal mij in de Heere verblijden. Als ik Uwer gedenk op mijn legerstede, zo peins ik aan U in de nachtwaken; mijn ziel zou als met smeer en vettigheid verzadigd worden." Menige zoete samenkomst heeft de bruid met Christus op de berg van overpeinzing, waarmee vreemden zich niet vermengen.
4e De ware bruid van Christus haat al Zijn mededingers. Zij is aan de wet, haar eerste man gestorven, en zegt dan ook: "Ik ben door de wet gestorven." Zij is van de zonde gestorven en kruisigt het vlees met de bewegingen en begeerlijkheden, al zijn zij zo dierbaar als rechterhand of rechteroog. Zij is aan de wereld gestorven, en acht al haar voordelen genoegens en eerbewijzen niets te zijn dan enkel ijdelheid. "De wereld is mij gekruisigd, en ik aan de wereld." Daarom zeg ik, dat de bruid van Christus al Zijn mededingers haat: "Ik acht ook alle dingen schade te zijn om de uitnemendheid van de kennis van Christus Jezus mijn Heere, om Wiens wil ik al die dingen schade gerekend heb, en acht die drek te zijn, opdat ik Christus moge gewinnen." Ja, zij is bereid om Zijnentwil van alle betrekkingen te scheiden; zij laat die allen voor Hem varen; ja, ook haar leven, als het in mededinging komt met Christus, zal zij geredelijk zeggen: "Ik ben bereid niet alleen gebonden te worden, maar ook te sterven voor de eer van de Bruidegom. Zij hebben hun leven niet liefgehad tot de dood toe," wegens de liefde, die zij de Heere Jezus toedroegen.
5e De bruid heeft de Bruidegom veel toe te betrouwen en stelt veel vertrouwen in Hem, en door op Hem te vertrouwen wordt zij in allerlei vrede bewaard, en met blijdschap en vrede vervuld in het geloven. Zij durft zich, wanneer zij er toe geroepen wordt, in de grootste gevaren begeven, in het vertrouwen op Zijn Woord: "Vrees niet, want Ik ben met u, weest niet verbaasd, want Ik ben uw God, Ik sterk u, ook help Ik u, ook ondersteun Ik u met de rechterhand van Mijn gerechtigheid." De Naam van de Bruidegom is de grond van haar vertrouwen, en is haar als een sterke toren, waar zij heen vliedt, en veilig is. Het vertrouwen van de bruid op de Bruidegom spreekt: (Ps. 36:8) "Hoe dierbaar is Uw goedertierenheid, o God! Dies de mensenkinderen onder de schaduw van Uw vleugelen toevlucht nemen." (Ps. 27:5) "Want Hij versteekt mij in Zijn hut ten dage des kwaad, Hij verbergt mij in het verborgene van Zijn tent."
6e De bruid van Christus heeft hoge achting voor Zijn geboden, en is bereid Hem te volgen overal waar Hij heengaat. De Bruidegom zegt tot de bruid: (Joh. 14:15) "Indien gij mij liefhebt, zo bewaar Mijn geboden, (vs. 21 ) "die Mijn geboden heeft en dezelve bewaart, die is het, die Mij liefheeft." De wijze maagden zullen zich kuis houden ten dienste van de Bruidegom, en zullen zich niet bevlekken met het "verderf, dat in de wereld is door de begeerlijkheid." Daarop ziet wat geschreven staat van de honderd vier en veertig duizend, die met het Lam op de berg Sion stonden. (Openb. 14:4) "Deze zijn het, die met vrouwen niet bevlekt zijn (dat is, met de dwalingen, afgoderijen en gruwelen van de Antichrist), want zij zijn maagden. Deze zijn het, die het Lam volgen waar het ook heengaat."
7e De ware bruid van Jezus houdt de getuigenis van Jezus vast tegenover de duivel, de wereld en al de dwalingen en verdorvenheden, die uit de hel worden geworpen om Zijn geopenbaarde heerlijkheid te verdonkeren (Openb. 12:17). Wij lezen daar, dat de draak "vergrimde op de vrouw en heenging om krijg te voeren tegen de overigen van haar zaad, die de geboden Gods bewaren, en het getuigenis van Jezus Christus hebben." En wanneer gevraagd wordt, wat de getuigenis van Jezus Christus is? Dan is het antwoord: (Openb. 19:10) "Want het getuigenis van Jezus is de geest der profetie," dat is, "het Woord van God, dat de heilige mannen Gods, door de Heilige Geest gedreven zijnde, hebben gesproken." Nu, de ware bruid van Christus "strijdt voor het geloof, dat eenmaal de heiligen overgeleverd is," en zal geen leer, gebruik, of beslissing, al was zij van de algemene vergadering van de engelen aangenomen, dan wat overeenstemt met, en gegrond is op de getuigenis en het Woord van Jezus. Christus heeft dit aan Zijn bruid, de gemeente, en aan iedere gelovige afzonderlijk, belast: (Jes. 8:20) "Tot de wet en tot het getuigenis; zo zij niet spreken naar dit Woord, het zal zijn, dat zij geen dageraad zullen hebben."
8e De bruid van Christus is er zeer op gesteld een zaad voort te brengen, dat Hem zal dienen, en tot dat doeleinde benaarstigt zij zich Hem in haars moeder huis te brengen, en tot de ordinanties, die Hij heeft ingesteld. Het is alleen Zijn tegenwoordigheid in de Kerk, die het Woord krachtdadig maakt tot bekering van zondaren, en tot opbouwing van de heiligen. Daarom zijn zij, die met de Bruidegom getrouwd zijn, zeer begerig Zijn sterkte en eer in het heiligdom te zien, opdat van Sion mag worden gezegd: (Ps. 87:5) "Die en die is daarin geboren," en: (Jes. 49:21) "Wie heeft mij deze gegenereerd?"
9e De bruid van Christus verlangt soms naar de voltrekking van het huwelijk bij de dood, voornamelijk bij het laatste oordeel, wanneer het verenigde lichaam van Christus geheel voltooid zal zijn, en de Bruidegom Zijn bruid aan Zijn Vader zal voorstellen, "zonder vlek of rimpel, of iets dergelijks," en zij zal "blinken, gelijk de zon, in het koninkrijk haars Vaders." Paulus had dit op ‘t oog, als hij zeide: "Voorts is mij weggelegd de kroon der rechtvaardigheid, welke mij de Heere, de rechtvaardige Rechter, in die dag geven zal; en niet alleen mij, maar ook allen, die Zijn verschijning liefgehad hebben;" en waar de Kerk op doelde, als zij zeide: (Hoogl. 8:14) "Kom haastelijk, mijn Liefste, en wees Gij gelijk een ree, of gelijk een welp der herten op de bergen der specerijen."
De tweede vraag ter beproeving is: Hebt u ooit de Bruidegom ontmoet? Hebben Hij en u enige aangename en troostelijke ontmoetingen gehad? Is Hij nabij u gekomen, en heeft Hij Zich aan u geopenbaard zoals Hij het niet aan de wereld doet? Ik zal hier niet over uitweiden. Slechts een paar woorden.
1e Een ontmoeting met Christus, de Bruidegom, deelt leven, nieuw leven, mee aan de kwijnende ziel en geest van de bruid; en geen wonder, want Hij is "de opstanding en het leven. Die de Zoon heeft, heeft het leven."
2e Een ontmoeting met Christus, de Bruidegom, geeft de bruid licht wanneer zij in de duisternis gezeten is; en geen wonder, want Hij is "de blinkende Morgenster", Die de dag met Zich doet aanbreken. Hij is het waarachtige Licht, en de duisternis verdwijnt voor Hem.
3e Een samenkomst met de Bruidegom doet het hart ontbranden in een liefde, die vele wateren niet kunnen uitblussen, ja, die de rivieren niet kunnen verdrinken. Liefde is Zijn banier, en de bruid zal de banier volgen in leven en sterven. Niets kan haar scheiden van de liefde Gods, welke is in Christus Jezus haar Heere (Rom. 8:38,39).
4e Een samenkomst met de Bruidegom brengt vrijheid en verruiming van de ziel mee. De ziel, die in banden verkeerde, wordt door de Zoon vrijgemaakt, en dan zingt zij: (Ps. 116:16) "Och Heere, zekerlijk ik ben Uw knecht, een zoon Uwer dienstmaagd; Gij hebt mijn banden losgemaakt," en dan loopt zij met een verwijd hart de weg van Zijn geboden.
5e Een ontmoeting met de Bruidegom verlevendigt de verlangens van de ziel naar een nieuwe samenkomst; want de bruid is Zijn gezelschap nooit moe, en wanneer Hij doet alsof Hij wil heengaan, doet zij haar best om Hem terug te houden, zeggende: "Waarom zoudt Gij zijn als een vreemdeling in he