van
Ebenezer Erskine
bedienaar van het Evangelie te Stirling - Schotland
over
Ezech. 34:29 De Plant van naam
Mich. 2:13 Christus als de Doorbreker, opent alle toegangen naar de heerlijkheid, die ontoegankelijk waren
Ps. 132:17 Een lamp toegericht voor Gods Gezalfde
2 Kor. 4:7 De schat van het Evangelie in aarden vaten
Kol. 1:7 Het kenteken van een getrouwe dienaar van Christus
Deel 6
Inhoud
De Plant van naam *
Christus als de Doorbreker, opent alle toegangen naar de heerlijkheid, die ontoegankelijk waren
*Een lamp toegericht voor Gods Gezalfde (1e preek)
*Een lamp toegericht voor Gods Gezalfde (2e preek)
*De schat van het Evangelie in aarden vaten
*Het kenteken van een getrouwe dienaar van Christus
*Ezech. 34:29. En Ik zal hun een plant van naam verwekken.
Indien wij op het voorafgaande gedeelte van dit hoofdstuk terugzien, vertoont zich daar een zeer somber toneel aan onze ogen. Wij zien daar hoe de kudde en erfenis van God verstrooid, beroofd en geplunderd wordt door de burgerlijke en kerkelijke overheden van die tijd. Het was een tijd, die veel overeenkomst had met de tijd waarin wij leven: het verderf van de gemeente van Christus is in alle eeuwen en tijden veroorzaakt door complotten tussen verdorven geestelijken en verdorven staatslieden. Zo zult u het ook vinden in het voorafgaande gedeelte van dit hoofdstuk: Er wordt een zware beschuldiging ingebracht tegen de herders van Israël, en een vreselijke en ontzaglijke bedreiging wordt door de grote en opperste Herder tegen hen uitgesproken wegens de slechte behandeling, die de kudde van Christus van hen had ondervonden. Al worden de schapen van Christus nog zo geschoren, verstrooid en beroofd, de Heere ziet toch op hen, en hun worden in die boze dag vele dierbare beloften tot hun bemoediging gedaan, die u op uw gemak kunt nalezen; want ik kan daar nu niet bij stilstaan. Onder al de andere beloften die gedaan zijn is Christus de Overste, Die toezicht houdt op de Kerk, in welke verdrukking zij ook is. In Jesaja 7 had de Kerk een bevend hart, het Israël Gods werd bewogen, gelijk de bomen des wouds bewogen worden van de wind, omdat twee koningen zich tegen hen verbonden hadden. En wat zegt de Heere? Ziet een maagd zal zwanger worden, en zij zal een zoen baren, en Zijn Naam Immanuel heten. De Kerk mocht zeggen: Wat hebben wij daaraan? Welke bemoediging is daarin gelegen in onze tegenwoordige benauwdheid? Wel, de Messias zal voortkomen uit de stam van Juda, en uit het geslacht Davids: daarom moet die stam en dat geslacht bewaard worden, omdat die belofte moet vervuld worden. Hoever de tijd af is, al liggen er nog honderden of duizenden jaren tussen de werkelijke komst van de Messias, toch is de belofte van Zijn komst, gelijk die de grond van uw geloof voor de eeuwige zaligheid is, ook een waarborg voor het tegenwoordige, dat het de vijand niet zal gelukken de stam van Juda en het geslacht van David uit te roeien. In al de benauwdheden van de Kerk wordt Christus haar altijd voorgesteld in de belofte als het Voorwerp van haar hoop en de Grond van haar vertroosting. Dienovereenkomstig hebben zij op Hem gezien in de beloften, en zijn verlicht; en hun aangezichten zijn niet schaamrood geworden. Hij wordt hier beloofd onder het begrip van David; Hij wordt beloofd onder het begrip van Gods Knecht, en in de woorden van onze tekst wordt Hij beloofd als een vermaarde Plant, als de Plant van naam, Die in de volheid des tijd zou opschieten. En geloofd zij God, Hij is gekomen, en is reeds in de hemel, en steekt boven al Zijn vijanden uit, en al Zijn vijanden zullen de voetbank van Zijn voeten zijn.
Hier hebt u dan een troostelijke belofte van de Messias, waarin wij kunnen aanmerken: 1e De Belover (Ik), Ik zal verwekken, Het is waarlijk een grote Ik het is de Heere in de Persoon van de Vader, Hij, Die Hem op een bijzondere wijze zond: "Alzo lief heeft God de wereld gehad, dat Hij Zijn eniggeboren Zoon gegeven heeft, opdat een iegelijk, die in Hem gelooft, niet verderve maar het eeuwige leven hebbe." "In de volheid des tijd heeft God Zijn Zoon uitgezonden, geworden uit een vrouw, geworden onder de wet; opdat Hij degenen, die onder de wet waren, verlossen zou, en opdat wij de aanneming tot kinderen verkrijgen zouden." God beloofde Hem te zenden, en dienovereenkomstig heeft Hij Zijn belofte vervuld. 2e Wij kunnen letten op de beloofde zegen, dat is, een Plant van naam. Christus krijgt in de Schrift vele overdrachtelijke Namen, waarbij Hij beschreven wordt. Soms wordt Hij een Roos genaamd, soms een Zon, soms een Deur, soms de Boom des levens: soms wordt Hij het Ene, en dan weer iets anders genaamd, Hij wil elke naam dragen, om Zich daardoor aan ons te doen kennen; hier wordt Hij een Plant, een Plant van naam genoemd. Doch hierover later meer. 3e Wij hebben hier de voortbrenging van deze Plant: Ik zal Hem verwekken. De hel zal trachten Hem ten onder te houden, de duivel en zijn engelen zullen trachten Hem te vertrappen, zodra Hij Zijn hoofd boven de grond steekt. Zo zien wij, dat Satan Herodes zendt, en Herodes zendt de bloeddorstige krijgsknechten om Hem te vermoorden, toen Hij in de wereld kwam. Doch laat de hel haar best doen, zoals zij alle eeuwen door gedaan heeft, en heden nog doet, om deze Plant te verstikken, Hij zal opschieten: Ik zal Hem verwekken; en daarom zal Hij gedijen. En ten 4e kunnen wij hier aanmerken voor wie, of waartoe, Hij nuttig of dienstig is. Ik zal hun een Plant van naam verwekken. Wie dat zijn kunt u zien, als u het voorafgaande gedeelte van dit hoofdstuk nagaat: Het zijn de schapen des Heeren, Zijn onderdrukte erfenis, op wie door boze overheden, burgerlijke en kerkelijke, wordt losgestormd: Ik zal hun een Plant van naam verwekken, en Hij zal hun Bevrijder zijn.
De leer, die zich vanzelf in dit vers vertoont is in korte woorden deze:
"Dat Christus een Plant van naam is, die God verwekt tot nut en voordeel van dit volk, of tot hun vertroosting en ondersteuning in al hun benauwdheden: Hij is een Plant van naam, die God verwekt.".
In het verhandelen van deze leer zal ik, indien tijd en kracht het vergunnen,
1. Enige dingen betreffende deze gezegende Plant vooropstellen.
II. Onderzoeken waarom Hij een Plant van naam genoemd wordt.
III. Een weinig spreken over het verwekken van deze Plant.
IV. Aantonen voor wie Hij verwekt is.
V. Aantonen waartoe Hij verwekt is. En dan
VI. tenslotte, toepassing maken.
Ik zal dus eerst enige dingen betreffende deze gezegende Plant vooropstellen.
1e U moet weten, dat, wat hier aan Christus wordt toegekend en toegeschreven, niet volstrekt van Hem als God moet worden verstaan, maar ambtelijk, zoals Hij een Middelaar en Verlosser is. Wanneer men Hem volstrekt als God aanmerkt kan niet eigenlijk van Hem gezegd worden, dat Hij verwekt werd, want Hij is God, evengelijk en van hetzelfde Wezen met de Vader, doch beschouwt men Hem als Middelaar, dan is Hij een Plant, als het ware, Die God gekweekt heeft. U zult uit het verband gewaarworden, dat alles wat van Christus gesproken wordt, opzicht op Hem heeft als Middelaar; dat Hij Gods Knecht zou zijn om Zijn werk te doen. In die betrekking wordt Hij hier een Plant, een Plant van naam genoemd. Daarom gebruikt Zacharias, wanneer hij over Hem spreekt, een spreekwijze, die hiermee veel overeenkomst heeft: "Hij heeft een hoorn der zaligheid ons opgericht in het huis Davids zijns knechts."
2e U moet ook opmerken, dat deze Plant maar klein en nietig is in de ogen van een blinde wereld. Men lette niet veel op Hem, toen Hij in Zijn vleeswording uitsproot, en toen Hij hier in een staaf van vernedering was. De mensen beschouwden Hem als een wortel, die opschoot uit een dorre aarde, zij zagen geen gedaante noch heerlijkheid in Hem, dat zij Hem zouden begeerd hebben. En noch heden ten dage, hoewel Hij in een staat van verhoging aan de rechterhand Gods is, heeft de grote hoop van de mensen, en degenen, die het Evangelie horen, maar geringe gedachten van Hem: "Hij is veracht en de onwaardigste onder de mensen:" (Eng. Overz. "van de mensen verworpen").
3e U moet ook opmerken. dat deze Plant van naam, hoe verachtelijk Hij is in de ogen van een blinde wereld, nochtans de hoogste Plant is in Gods ganse Libanon. Men vindt daar Zijn gelijke niet: Hij is veel schoner dan de mensen kinderen, Hij is als de Appelboom onder de bomen des wouds. Als u hem ooit gezien hebt, zult u niet aarzelen van Hem te zeggen: "Wien heb ik nevens U in de hemel? Nevens U lust mij ook niets op de aarde."
4e Ik merk ook nog op, dat deze gezegende Plant van naam in Zijn dood werd afgesneden, en in Zijn opstanding weer heerlijk is opgeschoten. Het zwaard van de goddelijke rechtvaardigheid heeft deze Plant op de heuvel Golgotha afgehouwen, maar binnen drie dagen is Hij weer heerlijk ontsproten, en wel veel heerlijker en lieflijker dan tevoren, en Hij "is krachtiglijk bewezen te zijn de Zoon van God, naar de Geest der heiligmaking, uit de opstanding der doden."
Tenslotte moet u nog dit aanmerken, dat al de kleine planten in de hof in deze Plant van naam geënt zijn. "Ik ben de Wijnstok en gij de ranken: die in Mij blijft, en Ik in hem, die draagt veel vrucht: want zonder Mij kunt gij niets doen. Ik ben als een groenende Dennenboom, uw vrucht is uit Mij gevonden." Vrienden, indien u niet in deze Plant geënt bent zult u nimmer groeien; alle bomen, die Hem niet ingeplant zijn, zijn maar onkruid. Er zal een tijd komen wanneer al het onkruid zal worden uitgetrokken; daarom wacht u, dat u niet door het geloof van de werking Gods in Hem geënt bent.
II. Ons tweede punt was, dat ik zal aantonen, dat Hij een Plant van naam, een vermaarde Plant is. Hij is vermaard in de hemel, en Hij is vermaard op de aarde, en dat zal Hij blijven, want "Zijn Naam zal zijn tot in eeuwigheid" (Ps. 72:17).
O Hij is vermaard! Waarom, zegt u, is Hij vermaard?
Ik heb hier een uitgestrekt veld voor mij, doch ik zal u alleen vertellen, dat Hij vermaard is wegens Zijn Persoon. Nooit was er iemand Hem gelijk; in Hem zijn de twee naturen van God en mens in één Persoon verenigd. Hebt u dat ooit gezien? Indien u dat nooit hebt gezien, hebt u de verborgenheid der godzaligheid niet gezien. Hij is de meest vermaarde Persoon in de hemel; Hij is "Immanuël, God met ons;God geopenbaard in het vlees." Hij is vermaard wegens Zijn afkomst: "Wie zal Zijn leeftijd uitspreken?" Als God aangemerkt, kan Zijn eeuwige generatie van de Vader niet worden uitgesproken. Wij kunnen u zeggen, dat Hij de Eniggeborene van de Vader is, maar de wijze van voortbrenging kunnen wij u niet meedelen. Het is een verborgenheid waarover God een sluier heeft getrokken, en het is gevaarlijk zich eraan te wagen, het te willen naspeuren; zij, die het hebben trachten te doen zijn gewoonlijk in Ariaanse, Arminiaanse en Sabelliaanse dwalingen verzeild geraakt. Als mens aangemerkt is Hij voortgekomen uit een geslacht van oude koningen, waarvan u een beroemde lijst kunt lezen in Matth. 1. En wie kan zelfs als mens Zijn generatie verklaren? Want Hij werd geboren uit een maagd, en ontvangen door de overschaduwende kracht van de Heilige Geest. Hij is ook vermaard wegens Zijn Naam: Hij heeft een Naam boven allen naam, die genaamd wordt, niet alleen in deze wereld, maar ook in de toekomende. Hij is vermaard wegens Zijn wijsheid, want al de schatten van de wijsheid en van de kennis zijn in Hem verborgen. Hij is beroemd wegens Zijn macht; want Hij is niet alleen de wijsheid Gods, maar ook de kracht Gods; Hij is de Man van Gods rechterhand, namelijk de Zoon des mensen, Die Hij Zich gesterkt heeft. Hij is vermaard wegens Zijn waarheid en getrouwheid: want gerechtigheid zal de gordel van Zijn lendenen zijn. Hebt u een woord van Hem gekregen? Vertrouwt daarop, het is een gewis woord, het zal niet vallen; het woord des Heeren blijft in der eeuwigheid, wanneer hemel en aarde zullen voorbijgaan. Hij is vermaard vanwege Zijn gerechtigheid; want Hij heeft een eeuwige gerechtigheid aangebracht, waardoor de wet groot gemaakt en heerlijk gemaakt is, en door welker toerekening de schuldige overtreders zijn vrijgesproken: "Dien, Die geen zonde gekend heeft, heeft Hij zonde voor ons gemaakt, opdat wij zouden worden rechtvaardigheid Gods in Hem." Dat is Zijn Naam: de Heere onze gerechtigheid." Hij is vermaard wegens Zijn volheid; want al de volheid der Godheid woont in Hem lichamelijk: Hij is vol van genade en waarheid, vol van alle geschapen voortreffelijkheden. Hij is vermaard wegens Zijn liefde; wat anders dan liefde bracht Hem uit de schoot van de Vader naar deze benedenwereld? Wat anders dan liefde deed Hem Zijn leven afleggen voor Zijn volk? Hij is vermaard wegens Zijn milddadigheid; Hij heeft een volle hand en een mededeelzaam hart; Hij geeft zonder geld, en Hij nodigt allen om te komen en deel te hebben aan Zijn volheid. Hij is vermaard wegens Zijn onveranderlijkheid; Hij is Jezus, gisteren en heden Dezelfde en in der eeuwigheid. En dan is Hij ook vermaard wegens Zijn gezag en Zijn heerschappij; die zijn groot en zij strekken zich ver en wijd uit, hetzij in de hemel boven, of op de aarde beneden. Hij zal heersen van de zee tot aan de zee, en van de rivieren tot aan de einden van de aarde; alle koningen van de aarde zijn maar vazallen van Hem. Daarom zeg ik: Christus is in elk opzicht vermaard.
Doch, Hij is een vermaarde Plant, en vraagt u: waarin is Hij vermaard? Dan antwoord ik:
Ten eerste. Hij is vermaard wegens Zijn oudheid: "Ik ben van eeuwigheid af gezalfd geweest, van de aanvang, van de oudheden der aarde aan." Al de planten in de hogere en lagere hoven van God zijn maar opschieters bij Hem vergeleken; engelen en archangelen en de grootste Serafs, zijn maar van gisteren in vergelijking van deze Plant. Hij is vermaard wegens Zijn oudheid; want Hij is de Oude van dagen, en de Vader van de eeuwigheid.
Ten tweede. Hij is vermaard wegens Zijn schoonheid; Hij is de schoonste Plant in Gods ganse hof: "Ik ben een roos van Saron, een lelie der dalen; Hij is als de appelboom onder de bomen des wouds." Ik zeg, Hij is vermaard om Zijn schoonheid en heerlijkheid, want de heerlijkheid Gods is in Hem. Al de heerlijkheid, die in Zijn eeuwige Vader is, blinkt in haar luister uit in onze Immanuël: "Hij is het Afschijnsel van Zijns Vaders heerlijkheid, en het uitgedrukte Beeld van Zijn zelfstandigheid." Nu vrienden, indien uw ogen ooit door de Geest Gods werden geopend om de heerlijkheid van deze Plant te aanschouwen, dan heeft Zijn heerlijkheid uw ogen verblind; u, die nooit enige heerlijkheid in Hem gezien hebt, hebt Hem tot op deze dag toe nog nooit aanschouwd. Bidt, dat het licht van de heerlijkheid Gods in het aangezicht van Jezus Christus nog in uw harten mag schijnen; wat zou het een vrolijk Avondmaal zijn, als deze Plant in haar heerlijkheid onder ons tentoongespreid werd. Vrienden, bent u hier gekomen om Hem in zijn heerlijkheid te aanschouwen? O houdt aan bij God, totdat Hij Zich aan uw zielen ontdekt.
Ten derde. Hij is vermaard wegens Zijn frisheid, Zijn altijddurende groenheid. Andere planten verwelken, u en ik zijn verdorrende planten: "Alle vlees is gras, en al zijn goedertierenheid als een bloem des velds." Hij is een Boom, die altijd groen is; Hij verdort nooit, ‘s zomers noch ‘s winters. Hij zal voor de heiligen tot in alle eeuwigheid, als het ware, een altijd groene Plant zijn. Wanneer in de hemel miljoenen, ja tienduizend maal tienduizenden eeuwen voorbij zijn, zal Hij voor de gelovige nog even fris en groen zijn, als toen hij Hem voor het eerst zag, of als het eerste ogenblik toen de heilige in de heerlijkheid inging. Daarom zijn de liederen van de verlosten in de heerlijkheid altijd nieuw, en zullen het de eeuwigheid door altijd nieuwe liederen zijn; want zij zullen altijd stof zien voor oen nieuw lied, en hoe meer zij zien, hoe meer zij Hem de ganse eeuwigheid door zullen bewonderen.
Ten vierde. Deze Plant is vermaard niet alleen wegens Zijn groenheid, maar ook om Zijn geneeskracht. Wij lezen in Openb. 22, dat de bladeren van deze boom waren tot genezing der heidenen." Die Boom des levens is dezelfde als deze Plant van naam; de bladeren van deze Plant zijn tot genezing van de heidenen, en wij, leraars, zijn heden gekomen, om de bladeren van deze Boom des levens, van deze Plant van naam onder u uit te strooien; tracht een blad daarvan op uw zielen aangebracht en toegepast te krijgen, en rekent er op, dat er kracht is in elk van Zijn woorden. Vrienden, mengt een woord met het geloof, en u zult bevinden, dat het bij u dezelfde krachtige werking zal hebben als bij de arme bloedvloeiende vrouw, die al haar leeftocht aan dokters had uitgegeven, en genezen werd door een aanraking van de zoom van Zijn kleed. O ziet, of u Hem kunt vinden; ik verzeker u, dat Hij hier is, Hij staat achter de deur van een ieder zijn hart: (Openb. 3:20) "Ziet, Ik sta aan de deur en Ik klop; indien iemand Mijn stem zal horen, en de deur opendoen, Ik zal tot hem inkomen, en Ik zal met hem avondmaal houden, en hij met Mij." O laat Hem binnen, er is in Hem kracht om u allen te genezen; al waren er tienduizenden miljoenen meer van u dan er zijn, er is kracht in Hem om een ieder van u te genezen.
Ten vijfde. Deze gezegende Plant is niet alleen beroemd om haar geneeskracht, maar Hij is ook beroemd om Zijn vruchtbaarheid. Hij is geen onvruchtbare plant; Hij zou niet vermaard zijn als Hij onvruchtbaar was; Hij brengt van maand tot maand Zijn vrucht voort; ja, ik mag er aan toevoegen, van ogenblik tot ogenblik. U leest in Openb. 22 van de Boom des levens, voortbrengende twaalf vruchten, van maand tot maand gevend Zijn vrucht; dat wil zeggen, Hij brengt allerlei vrucht voort, die een arme ziel nodig heeft; alles wat uw ziel behoeft is in Hem te vinden. Ziet dan en plukt, ziet of u er iets van kunt inzamelen: Daar is de vrucht van Zijn vleeswording; daar is de vrucht van Zijn dood; daar is de vrucht van Zijn opstanding; daar is de vrucht van Zijn hemelvaart; daar is de vrucht van Zijn voorbidding en van Zijn zitten aan de rechterhand Gods; daar is de vrucht van Zijn profetisch, van Zijn priesterlijk en van Zijn koninklijk ambt; daar is de vrucht van hetgeen Hij deed buiten het voorhangsel en buiten de legerplaats. O wat een vrucht is hier! Hier is wijsheid voor dwazen; hier is rechtvaardigmaking voor de veroordeelde ziel, hier is heiligmaking voor de besmette ziel, en kleding voor de naakte; rijkdom voor de arme, brood voor de hongerige, drank voor de dorstige; hier is allerlei vrucht. En wij, vrienden, trachten de boom des levens onder ulieden te schudden en, geloofd zij God, zij mogen ingezameld worden. O vrienden, zij vallen onder u! O raapt, raapt, want er is zaligheid in ieder woord, dat van Hem af valt, want Zijn woorden Zijn de woorden van het eeuwige leven.
Ten zesde. Deze gezegende Plant is beroemd wegens Zijn geur en aangename reuk. O vrienden, er is zo’n gezegende geur in deze Plant van naam, Hij heeft het gehele paradijs hierboven welriekend gemaakt, Hij heeft de gehele strijdende Kerk, die Gods wijngaard genoemd wordt, met een welriekende geur doortrokken. O vrienden, wordt u iets van de geur van deze Plant gewaar. Ik kan u zeggen als het u ooit gegeven is Hem te kennen, dan zal het zo zijn: (Hoogl. 1:3) "Uw oliën zijn goed tot reuk, uw Naam is een olie, die uitgestort wordt; daarom hebben u de maagden lief." De gelovige wordt een reuk gewaar bij Hem, hij haalt een geur uit Hem. Welk ander oogmerk hebben wij leraars, dan deze reuk te verspreiden; daardoor winnen wij zielen. Het is geen wonder, dat de preken van hen, die de Plant van naam uit hun preken weglaten, in slechte reuk staan, en zijzelf zullen tot in eeuwigheid stinken. Het voornaamste werk van leraars is, dat zij de reuk van Christus onder de mensen verspreiden. Ik zal u een woord dienaangaande voorlezen uit 2 Kor. 11:14,16): "En God zij dank, Die ons alle tijd doet triomferen in Christus;" de apostel triumfeert in Hem, en alle andere getrouwe leraars zullen in Hem triomferen, en alle Christenen, die Hem kennen triomferen in Hem; en de reuk van Zijn kennis door ons openbaar maakt in alle plaatsen. "Want wij zijn Gode een goede reuk van Christus, in degenen, die zalig worden, en in degenen, die verloren gaan. Dezen wel een reuk des doods ter dood; maar hen een reuk des levens ten leven. En wie is tot deze dingen bekwaam?" Wie is in staat de zoete reuk, die in Hem is, recht mee te delen?
Ten zevende. Deze gezegende Plant, waarvan de tekst spreekt, is ook vermaard om haar schaduw: (Hoogl. 2:3) "Ik heb grote lust in Zijn schaduw en zit er onder," namelijk de schaduw van de Plant van naam. U zit of staat daar allen, maar zit u wel onder de Plant van naam? Jona’s wonderboom was hem van dienst tegen de verschroeiende hitte van de zon, die hem zijn leven scheen te zullen ontnemen. Doch, helaas! Die begaf hem weldra. God toch zond een worm, die hem stak, dat hij verdorde, en de worm van de dood zal u en mij ook spoedig steken en doen verdorren. O begeeft u onder de schaduw van deze Plant van naam, en u zult voor altoos beveiligd zijn tegen de dood en wrekende toorn; begeeft u onder Zijn schaduw, de schaduw van Zijn voorbidding, de schaduw van Zijn macht, de schaduw van Zijn voorzienigheid, de schaduw van Zijn getrouwheid. O zit neer onder Zijn schaduw en u zult schuiling vinden tegen alles wat dodelijk is, welke verzengende winden er ook zullen komen, u zult daar veilig zijn. Wilt u beschaduwd zijn voor de koning der verschrikkingen, de dood is voor velen een verschrikking; O, als u beschaduwd wilt zijn tegen de ontzaglijke verschrikkingen van de dood en van de wraak Gods; kom dan onder deze schaduw, en u bent veilig.
Ten achtste. Deze Plant is beroemd wegens Zijn gedaante; het is een hoge, een grote Plant. U ziet de hemelen boven u, doch die zijn maar als kruipende dingen, bij Hem vergeleken; deze heerlijke Plant is "de Hoge en Verhevene, Die in de eeuwigheid woont." U kunt nooit Zijn hoogte zien. Uw oog zal hoog zien, en uw gedachte zal hoger reiken; maar noch uw oog, noch uw gedachte zal tot Hem kunnen reiken. Hij is hoger dan al de cederen van Gods Libanon; geen oog heeft gezien, geen oor heeft gehoord, noch is het in het hart van de mens opgekomen, een gedachte te vormen van de hoogte en heerlijkheid van deze Plant van naam.
Ten negende. Deze Plant is vermaard wegens Zijn uitgebreidheid, het is niet alleen een hoge, maar ook een brede Plant. Hij werd geplant in de eerste belofte in het Paradijs, Hij breidde Zich uit door de Oudtestamentische Kerk, Hij vervulde het gehele land van Judea, en tenslotte heeft deze Plant Zich ook tot ons uitgestrekt. En o, dat ik Hem onder u kon verbreiden; O, dat ik de bladeren van deze Plant kon openen, om u in te winnen, Hij is een brede Plant, Hij zal u allen dienstig zijn. Wij lezen van de boom des levens op de ene en de andere zijde van de rivier. Er is een grote rivier tussen ons en de hemel, dat is de dood, en wij lopen aan deze doodsrivier. Gelijk iemand terecht opmerkt over deze plaats, deze rivier loopt in het midden van deze boom, hij is aan deze zijde van de tijd, en hij is aan gene zijde van de tijd. Nu deze Plant is aan beide zijden van de rivier. Al gaat u naar de woestenijen van Amerika, u zult Hem daar zowel vinden als hier, als u de kunst maar verstaat om gebruik van Hem te maken. Deze Plant zal Zich door alle koninkrijken verspreiden: (Hab. 2:14) "Want de aarde zal vervuld worden, dat zij de heerlijkheid des Heeren bekenne, gelijk de wateren de bodem der zee bedekken." Hij zal niet alleen de aarde vervullen, maar ook de hemelen, de ganse eeuwigheid door. O Hij is een wijd uitgestrekte Plant, Die zich beide tot de hemel en de aarde zal uitstrekken. Doch genoeg over het tweede punt, om u aan te tonen, dat deze Plant waarlijk een vermaarde Plant is.
III. Ons derde punt was, dat wij een weinig zullen spreken over het verwekken van deze Plant.
U ziet, dat het niemand anders is dan de grote God, Die deze Plant heeft verwekt. Ik zie dat de grote Heere roemt in Zijn vernuft en Zijn wijsheid, dat Hij deze Plant tot nut van de Kerk heeft verwekt. De Heere zegt: (Ps. 89:20,21) "Ik heb hulp besteld bij een held; Ik heb een Verkorene uit het volk verhoogd. Ik heb David Mijn Knecht gevonden, met Mijn heilige olie heb ik Hem gezalfd." Hij roemt er in, dat Hij deze heerlijke Plant van naam verwekt heeft.
Ik zal u enkele dingen noemen met betrekking tot het verwekken van deze gezegende Plant.
1e Hij werd van eeuwigheid verwekt in de Raad des vredes. De Drieëenheid beraadslaagde over het verwekken van Hem: (Zach. 6:13) "De raad des vredes zal tussen Die Beiden wezen." De Vader en de Zoon kwamen overeen, dat de Zoon, in de volheid des tijds, in de wereld zou komen.
2e Hij werd verwekt in de eerste belofte aan Adam en Eva. Totdat deze Plant werd verwekt scheen het, dat zij als verdwaasd zouden moeten rondlopen. En waarlijk, vrienden, als zondaren, die buiten Christus zijn, zagen hoe het met hen gesteld is, dat de toorn Gods boven hun hoofd hangt, zij zouden als krankzinnig rondlopen, zolang Christus niet aan hen geopenbaard was. al de beloften, al de profetieën, al de afschaduwingen, en al de leringen van het Oude Testament, waren de trapsgewijze verwekkingen van deze Plant. Doch zij bleef nog onder de grond, tot
3e Zijn werkelijke openbaring in het vlees, toen Hij in de volheid des tijd verscheen: "Wanneer de volheid des tijd gekomen is, heeft God Zijn Zoon uitgezonden, geworden uit een vrouw, geworden onder de wet; opdat Hij degenen, die onder de wet waren verlossen zou, en opdat wij de aanneming tot kinderen verkrijgen zouden."
4e Deze Plant werd verwekt zelfs in Zijn dood. Hij werd afgesneden uit het land der levenden, en toch werd Hij ook toen, namelijk in Zijn dood, verwekt. Toen deze Plant op Golgotha werd afgesneden, verspreidde zich Zijn reuk en geur tot de uiterste einden van de aarde. Wat is het anders dan de leer van het kruis van Christus, waardoor tot op deze dag toe zondaren gegrepen worden. Die leraars moeten dienaars van de duivel, en geen dienaars van Christus zijn, die in plaats van een Gekruisigde te prediken, hun hoorders onthalen op redevoeringen van heidense zedeleer, vertoningen van welsprekendheid, leerstellingen van eigenliefde als de grondbeginselen van godsdienstige daden, en dergelijke dwaasheden. Zullen die ooit de ziel voeden, of zal daardoor een ziel tot Christus bekeerd worden? Die wijze van prediken mag het oor kittelen en de verbeeldingskracht behagen, maar kan nooit de kracht Gods tot zaligheid zijn. Het was de leer van het kruis van Christus, die de volken onderworpen heeft, en tot aan het einde van de wereld zal dat de wijze zijn waarop zondaren voor Christus worden gewonnen. "Het zij ver van mij," zegt Paulus, dat ik zou roemen anders dan in het kruis van onze Heeren Jezus Christus, door welke de wereld mij gekruisigd is, en ik der wereld." En aan de Korinthiërs schrijvende zegt hij: "Ik heb niet voorgenomen iets te weten onder u, dan Jezus Christus, en Die gekruisigd," en zo zal elke getrouwe dienaar van Christus handelen.
5e Deze Plant werd verwekt in Zijn opstanding uit de doden. Want in Zijn opstanding uit de doden "is Hij krachtiglijk bewezen te zijn de Zoon van God, naar de Geest der heiligmaking." Door de verwekking van deze Plant, nadat Hij was afgesneden, begon onze hoop weer op te komen. Vrienden, als deze Plant niet weer verwekt was, zou onze hoop voor eeuwig vergaan zijn. Doch geloofd zij de God en Vader van onze Heeren Jezus Christus, Die naar Zijn grote barmhartigheid, ons heeft wedergeboren tot een levende hoop, door de opstanding van Jezus Christus uit de doden;" of, door het verwekken van deze Plant van naam, nadat Hij was afgesneden. Een levende Christus, vrienden, een levende Verlosser is geen kleine zaak; ons leven is in deze Plant van naam ingebonden: "Ik leef, en gij zult leven."
6e Deze Plant van naam werd hoger verwekt in Zijn hemelvaart, toen Hij gezet is "aan de rechterhand van de Majesteit in de hoogste hemelen," nadat Hij de reinigmaking van onze zonden door Zichzelf had teweeggebracht. Hoewel deze Plant van naam "onder ons heidenen in de strijdende Kerk gepredikt wordt," toch is Hij nu in Persoon "opgenomen in heerlijkheid" (1 Tim. 3:16); Hij is nu boven in de triumferende Kerk, Hij is opgevaren met gejuich. O laat ons de lof zingen van deze Plant van naam, want Hij is opgevaren in de hoogte als ons Hoofd, als onze God, als onze Hogepriester, in het Hogerhuis.
7e Hij is eveneens verwekt in de openbaring van het eeuwig Evangelie. Ook wij trachten Hem heden te verwekken in Woord en sacrament. Evenals Mozes de slang in de woestijn verhoogd heeft, zo trachten wij de Plant van naam te verhogen, "opdat een iegelijk, die in Hem gelooft, niet verderve, maar het eeuwige leven hebbe". O vrienden! Ik stel u deze Plant van naam voor, ik bied Hem aan een ieder van u aan, en zeg: Wilt u Hem hebben? O wilt u deze Plant aannemen, opdat Hij Zijn reuk onder u verspreidt? Hij is de Uitverkorene des Vaders en Zijn verlustiging, en zal niet deze gehele vergadering zeggen: In Hem heeft mijn ziel een welbehagen? O, dat een ieder van u, dat deze ganse vergadering dit zeide uit een levendig gevoel daarvan in uw harten! O neemt Hem met u mee, draagt Hem in uw harten en op uw voorhoofden, en laat de ganse wereld weten, dat Hij de uwe is: "Mijn Liefste is mijne, en ik ben Zijne."
8e Deze Plant van naam wordt verwekt op de dag van de reformatie van de Kerk. Wanneer de vervallen hut van Davids weer wordt opgericht, dan verschijnt deze Plant in Zijn heerlijkheid en schoonheid. Het is tot eer van Christus, dat de Kerk gereformeerd wordt. Helaas! Wij hebben onlangs een gerucht gehoord van grote reformatie; doch waar is zij? Of hoever gaat zij? Wat is er voor Christus gedaan? Is er enige plant uitgeroeid, die Hij niet geplant heeft? Zijn er ook indringers in de Christelijke gemeenten, door voordracht of voorgewende beroepen, uitgeworpen? Wat is er geschied met verkeerde hoogleraars in de godgeleerdheid, terwijl de dwaling het land doortrekt? O! Wat zijn er weinigen in deze tijd, die voor de waarheid opkomen, wanneer men zulke personen zonder berisping laat begaan, zonder dat zelfs geprotesteerd wordt door hen, van wie ik zeker ben, dat zij liefhebbers van Christus zijn. Helaas! Het blijkt, dat er weinig moed is om het op te nemen voor Christus, aan Wie wij ons alles verschuldigd zijn. Ik zeg, deze Plant van naam is in de reformatie van de Kerk verwekt; en mag ook niet worden gezegd: "Het is Sion, niemand vraagt er naar?" Het burgerlijk en kerkelijk gezag doen hun best om Christus neer te halen, maar deze Plant zal Zich over hen verheffen, hoe zij Hem ook in Zijn leden vertrappen. Zijne allerhoogste Godheid en soevereiniteit in Zijn Kerk zal nochtans blijken, want Zijn Vader heeft gezegd: "Zit aan Mijn rechterhand, totdat Ik Uw vijanden gezet zal hebben tot een voetbank Uwer voeten."
9e Deze Plant van naam zal ook verwekt worden bij Zijn tweede komst; en dan zal Hij verschijnen in verschillende gezichtspunten en in verschillend licht! Aan de heiligen zal Hij verschijnen in heerlijkheid, zij zullen hun hoofden opheffen en zingen; doch wat de goddeloze wereld betreft, die zullen Hem zien in rode vlammen, gereed om hen te verderven en te verslinden. Ziet, Hij zal komen in de wolken, en alle oog zal Hem zien; zij, die Hem door dwalingen doorstoken hebben; zij, die Hem doorstoken hebben door Zijn volk te plunderen, en te beroven van de voorrechten, waarmee Hij hen heeft vrijgemaakt; zij die hen beroven de kostbare voorrechten, die Hij met Zijn bloed voor hen gekocht heeft, zullen in die dag huilen en krijten; "zij, die Hem doorstoken hebben, en alle geslachten de aarde, zullen over Hem rouw bedrijven."
10e En dan zal deze Plant van naam nog verwekt worden in de gezangen van de verlosten, de eindeloze eeuwigheid door. Het werk van al de vrijgekochten in de heerlijkheid zal zijn, de heerlijkheid van deze Plant van naam te verheffen in de hoogste halleluja’s "Het Lam, Dat geslacht is, is waardig te ontvangen de kracht, en rijkdom, en wijsheid, en sterkte, en eer, en heerlijkheid, en dankzegging in alle eeuwigheid." Iedere vogel en elke struik zal daar van de heerlijkheid en schoonheid van deze Plant van naam zingen, en Hij zal al de miljoenen en tienduizend maal tienduizenden inwoners van het Hogerhuis achter Hem aan doen komen; zij zullen voortdurend Hem op het hoogste loven. Zo ziet u, dat Christus een Plant van naam is, en hoe Hij verwekt wordt.
IV. Ons vierde punt, is, dat ik zal aantonen voor wie Hij verwekt is.
O zal misschien de een of andere arme worm zeggen, werd Hij ooit voor mij verwekt? Laat mij u zeggen, vrienden, dat Hij nooit voor de gevallen engelen verwekt is: "Want waarlijk Hij neemt de engelen niet aan, maar Hij neemt het zaad Abrahams aan." Onze natuur was in het eerst hoog vereerd, maar zij zonk spoedig weg beneden de beesten, die vergaan. Doch de tweede Adam nam onze natuur aan, en Hij voerde die op tot een hogere waardigheid dan die van de engelen; want wie van de engelen is deze eer te beurt gevallen met de Zoon van God verenigd te worden? Zodat ik zeg, dat deze Plant van naam verwekt is voor zondaren van het menselijk geslacht; niet voor zondaren van het geslacht van de engelen; en iedere zondaar uit de mensen, die over Hem hoort spreken, moest aanspraak op Hem maken: "Want een kind is ons geboren, een Zoon is ons gegeven, en de heerschappij is op Zijn schouder." Ik raad een ieder van u, zondaren van het menselijk geslacht, van die woorden gebruik te maken: En men noemt Zijn Naam Wonderlijk, Raad, Sterke God, Vader der eeuwigheid, Vredevorst". Hij is ons gegeven, Hij is ons geboren. Mij komt in de gedachten, dat de engel bij de geboorte van Christus tot de herders sprak: "Ziet ik verkondig u grote blijdschap, die al den volke wezen zal; namelijk, dat u (hij zegt niet: dat ons) heden geboren is de Zaligmaker, welke is Christus de Heere, in de stad Davids." O vrienden! Laat deze ganse vergadering dit ontvangen als een verkondiging van grote blijdschap: want ik zeg u, dat deze Plant van naam voor u verwekt is, als u maar een hart hebt om van Hem gebruik te maken. Gelijk het uitspansel voor u is, als u uw ogen maar wilt open doen, zo is de Zon der gerechtigheid voor u, als u uw harten maar voor Hem wilt ontsluiten. Om ‘s Heeren wil, wijst Hem niet af, anders zal het u geen nut doen, dat wij u dit verkondigen, maar u zult het zich eeuwig beklagen. Misschien zullen sommigen van u zeggen: Vertelt u ons, dat Christus voor het ganse mensdom verwekt is?" Dat zeg ik niet, maar ik zeg, dat Christus aan het ganse mensdom geopenbaard werd. Ik spreek nu niet over de verborgen dingen. Onze plicht is "heen te gaan en het Evangelie te prediken aan alle creaturen"; daarom brengen wij, overeenkomstig onze lastgeving, deze Plant van naam tot ieder mens, hij zij jong of oud, tot ieder redelijk schepsel. Wij bevelen u, en bedenkt, u zult u hebben te verantwoorden voor de rechterstoel Gods in de dag van het gericht, dat u deze Plant van naam aanneemt. Om ‘s Heeren wil, wijst Hem niet af; want dit is het oordeel, dat deze Plant in de wereld gekomen is, en dat de wereld Hem niet wil aannemen. Laten niet de duivel en een ongelovig hart u afhouden van Hem te omhelzen en aan te nemen, zoals Hij in dit Evangelie wordt aangeboden, dat wij prediken. De duivel en een ongelovig hart zullen u zeggen, dat u zoveel zonden hebt, en dat u zover in de zonde bent doorgegaan, dat Hij niet voor u kan zijn; doch, dat u grote zondaars bent, dat maakt juist, dat u Christus nodig hebt. Ik nodig een ieder van u, die deze Plant van naam nodig hebt, Hem niet alleen mee naar huis te nemen in uw handen en in uw bijbels; doch geeft hem om ‘s Heeren wil onderdak in uw harten en laat Hem daar tussen uw borsten vernachten, zeggende: "Deze God is onze God eeuwiglijk en altoos; Hij zal ons geleiden tot de dood toe." Indien u deze Plant van naam hebt gekregen, zult u bij de dood rechtstreeks tot God gaan met gejuich, met een lied, zeggende: O dood, ik daag u uit! Dood, waar is uw prikkel? Hel, waar is uw overwinning? Welk kwaad kunt u mij doen? "Want het leven is mij Christus, en het sterven is mij gewin," een eindeloos eeuwig gewin, omdat ik de onmiddellijke genieting van God zal gewinnen, en voor altoos onder de verkwikkende schaduw van deze Plant van naam zal blijven.
V. Ons vijfde punt is, dat ik zal aantonen waartoe deze Plant van naam door de Heere verwekt is.
1. Hij is verwekt als een Verlosser om de gevangenen van de machtige vrij te maken. Het was een moeilijke vraag, die alle mensen zou hebben doen stilzwijgen: (Jes. 49:24) "Zou ook een machtige de vang ontnomen worden, of zouden de gevangenen van een rechtvaardige ontkomen?’ Wel, dat Christus juist daartoe verwekt is, lost de moeilijke vraag op in de woorden, die er onmiddellijk op volgen: "Alzo zegt de Heere: Ja de gevangenen des machtigen zullen hem ontnomen worden, en de vang des tirans zal ontkomen." En vraagt u: Hoe doet Hij dat? Dan vindt u een antwoord in Hebr. 2:14: "Omdat dan de kinderen des vleses en des bloed deelachtig zien, zo is Hij ook desgelijks derzelve deelachtig geworden; opdat Hij door de dood te niet doen zou degene, die het geweld des doods had, dat is, de duivel."
2. Hij is verwekt als een Middelaar van het Nieuwe verbond, om vrede te maken tussen een beledigde God en beledigende opstandelingen, door "de ongerechtigheid te verzoenen." "God was in Christus de wereld met Zichzelf verzoenende.Toen wij vijanden waren werden wij met God verzoend door de dood Zijns Zoons." O wat is dat een grote zaak, hersteld te worden in de gunst en vriendschap van die heerlijke Majesteit, aan Wiens toorn wij blootgesteld liggen.
3. Hij is verwekt als een Borg om de schuld te betalen van een menigte misdadige bankroetiers, en om Zich bij contract te verbinden de rechtvaardigheid te voldoen voor hun misdaden, en hen terug te brengen tot de gehoorzaamheid van hun beledigde Heere. Daarom wordt Hij de Borg van een zoveel beter verbond genoemd, en als onze Borg vervult Hij de wet, die wij als een verbond hebben verbroken, beide in Zijn doen en in Zijn sterven voor ons en in onze plaats; en dan verbindt Hij Zich, dat Hij door Zijn Geest de wet, als een regel, in hun harten zal schrijven, en dat Hij, door Zijn Geest in hun binnenste te geven, zal maken, dat zij in Zijn inzettingen zullen wandelen, en Zijn rechten zullen bewaren en doen.
4. Hij is verwekt als een vermaarde Heelmeester, een onvergelijkelijke Heelmeester: "Ik ben de Heere uw Heelmeester" (Exod. 15:26). De mens is door de zonde melaats geworden van de voetzolen af tot het hoofd toe, vol wonden, en striemen, en etterbuilen, hetgeen hem ongeschikt maakt om iets goeds te doen, onbekwaam om te beantwoorden aan de einden waartoe hij geschapen is, namelijk, om God te verheerlijken en Hem eeuwig te genieten. Nu, Christus is verwekt om kranke zielen te herstellen en weer gezond te maken; Hij heeft een geneeskrachtige Bron geopend; een Fontein die geopend is tegen de zonde en de onreinheid. Welke ook uw krankheid is, wij nodigen u tot deze Fontein te komen, en u te wassen, en u zult rein worden, gelijk Naäman in de wateren van de Jordaan. O Hij is geheel en al geneeskracht! "Zijn bladeren zijn tot genezing der heidenen." Het is Hem op een bijzondere wijze opgedragen, "te genezen de gebrokenen van hart, en hen te verbinden in hun smarten."
5. Hij is verwekt als een Getuige, om de waarheid te zeggen, of als een Profeet, om die te openbaren. Wij hebben door de val de kennis van God en van Zijn waarheid verloren, en die geringe kennis van de waarheid die ons van nature is bijgebleven, wordt in ongerechtigheid ten onder gehouden. Doch Christus is gekomen, om ons God en de dingen Gods te openbaren. Daartoe is Christus verwekt: (Deut 13:18) "Een Profeet zal Ik hun verwekken uit het midden van hun broederen als u; en Ik zal Mijn woorden in Zijn mond geven en Hij zal tot hen spreken alles, wat Ik Hem gebieden zal". Doch ziet de ontzaglijke verklaring, die volgt: "En het zal geschieden, de man die niet zal horen naar Mijn woorden, die Hij in Mijn Naam zal spreken, van die zal Ik het zoeken".
6. Hij is verwekt om het volk tot een Vorst, een Leider te zijn. Wij zijn van de weg naar de hemel afgedwaald, en Satan leidde het ganse menselijk geslacht geblinddoekt naar de hel toe. Doch Christus is gekomen, om ons het pad des levens bekend te maken, en ons daarin te leiden: en die onder Zijn leiding deze weg wandelt, zelfs de dwazen zullen niet dwalen: "Ik zal de blinden leiden door de weg, die zij niet geweten hebben. Ik zal hen doen treden door de paden, die zij niet geweten hebben; Ik zal de duisternis voor hun aangezicht ten licht maken, en het kromme tot recht: deze dingen zal Ik hun doen, en Ik zal ze niet verlaten.".
7. Hij is verwekt tot een Gebieder van de volken, om de Overste leidsman van de zaligheid te zijn, om onze strijden te strijden, en vooraan de heirlegers van het Israël Gods op hun weg naar de heerlijkheid te gaan. Door Zijn ervarenheid en leiding maakt Hij hen allen, eer de dag voorbij is, overwinnaars, ja meer dan overwinnaars.
Ik zou hier nog aan kunnen toevoegen, dat Hij verwekt is als de Hogepriester van onze belijdenis, opdat Hij door één offerande zou volmaken degenen, die geheiligd zijn: als onze Voorspraak bij de Vader om onze zaak te bepleiten, en te doen wat voor ons in de hemel te doen is; als een Herder, om Zijn Kerk, Zijn volk, in deze woestijn te weiden: "Hij zal Zijn kudde weiden gelijk een herder; Hij zal de lammeren in Zijn armen vergaderen en in Zijn schoot dragen; de zogenden zal Hij zachtkens leiden;" als een Vorst, om hen door Zijn Woord en Geest te regeren; Hij is de "Vredevorst, en van de grootheid dezer heerschappij en des vredes zal geen einde zijn:" als een eeuwige Vader, in Wie het vaderloze geslacht van Adam ontferming vindt: als een wonderlijke Raadgever, of om raad te geven in alle donkere en moeilijke gevallen; als een Man en Bruidegom om Zijn gemeente, Zijn volk, te liefkozen en te troosten, en daarom ondertrouwt Hij hen in eeuwigheid. Doch ik kan over dat alles niet uitweiden en haast mij tot
VI. Ons zesde punt, dat is de toepassing van de leer.
Is het zo, dat Christus een Plant van naam is die de Heere verwekt heeft? Ziet dan hier
1e De ongerechtigheid en goddeloosheid van die mensen, die er hun werk van maken de heerlijkheid van deze vermaarde Plant te verkleinen. De Arianen trachten de vermaardheid van deze gezegende Plant te verkleinen door Zijn hoogste Godheid te loochenen, en Hem tot een ondergeschikt, afhankelijk wezen te maken; de Socinianen door te loochenen, dat Hij enig aanzijn had voor zijn werkelijke vleeswording; de Arminianen door Zijn gerechtigheid te loochenen, en door de krachtige werking van Zijn genade afhankelijk te maken van de wil van de mens, en het vermogen van de verdorven natuur. O vrienden, Christus is in deze tijd, in ons land, zowel onder leraars, als onder belijders, niet zo vermaard als Hij wel eens geweest is. "De Steen, Die tot een hoofd des hoeks geworden is, is verworpen;" de Plant van naam is door vele leraars in ons land aan kant gedaan; en Hij wordt verworpen door allen, die niet waarlijk in Hem geloven.
2e Ziet hieruit waaraan men een ware en getrouwe dienaar van Christus kan kennen. Nu er zulke verdeeldheden, en zo’n vloed van verkeerde leraars in de kerk komen, vragen velen zich in deze tijd af wie zij zullen horen. Wel, vrienden, u kunt een ware dienaar van Christus kennen aan de reuk van de Plant van naam, die hij met zich omdraagt. Of hij in de kansel is, of er buiten; of hij in een kerkelijke vergadering zitting heeft, of waar hij ook is, zijn voornaamste werk zal zijn de eer van de Plant van naam te bevorderen, de reuk en de geur van zijn Meester zal bij hem zijn, en dat zullen de ware discipelen van Christus onderscheiden.
3e Ziet hieruit hoe het komt, dat de gelovigen samenstromen onder de instellingen van het Evangelie, waar zij die aan hen uitgedeeld kunnen krijgen door degenen, die van Christus last ontvangen hebben om ze uit te delen. Wel, het is de geur van de Plant van naam, die hen daarheen trekt. Daarom zijn Zijn woningen lieflijk, en "is één dag in Zijn voorhoven beter dan duizend elders;" omdat Zijn geur deze paleizen van Sion welriekende maakt als met mirre, aloë, en kassie.
4e Ziet hieruit waarom God de Vader een Landman wordt genaamd. Hij wordt zo genoemd met betrekking tot Zijn verwekken van deze Plant van naam: (Joh. 15:1) "Ik ben de ware Wijnstok, en Mijn Vader is de Landman."
Hij verwekte Hem als de wortel en ondersteunde Hem, en neemt takken van de wilde olijfboom, en ent die op Hem, en maakt ze vruchtbaar.
5e Ziet hieruit de achting, die God voor Zijn Kerk op aarde heeft als Zijn hof. Hij heeft er deze Boom des levens in geplant, waardoor zij een nieuw paradijs is geworden. De boom des levens, die in het aardse paradijs groeide, die het zegel en sacrament van het werkverbond was, is reeds lang verdord en weg; maar de Boom des levens in de nieuwe hof, Die God geplant heeft, waarvan een zondaar mag eten en eeuwig leven, zal nooit verdorren. O laat ons de weg van de genade van God bewonderen, want die is vol van wonderen, in deze vermaarde Plant, deze nieuwe Boom des levens voor ons te verschaffen. Het is er zo ver van af, dat deze Boom verboden zou zijn, dat het Gods grote gebod aan alle zondaren is, dat zij "komen, en eten, en leven."
6e Ziet hieruit de uitnemendheid van Christus, in Zijn Persoon, natuur, ambten en verschijningen. Hij toch is de Plant van naam. O vrienden, Christus is zo’n uitnemend Persoon, dat Hij de Roem is van het geslacht van de hemel en van de aarde; Hij is de Roem van Zijn Vader, want Hij is "het afschijnsel Zijner heerlijkheid". Hij is de Roem van de aarde, want door Hem is de menselijke natuur tot een hogere heerlijkheid opgevoerd, dan die van de engelen; Hij toch is, namelijk als Middelaar, "zoveel treffelijker geworden dan de engelen, als Hij uitnemender Naam boven hen geërfd heeft". O moest niet iedere zondaar van het menselijk geslacht gereed zijn uit te roepen: "Zijn Naam zal zijn tot in eeuwigheid; zolang als er de zon is zal Zijn Naam van kind tot kind voortgeplant worden, en zij zullen in Hem gezegend worden. Geloofd zij de Naam van Zijn heerlijkheid tot in eeuwigheid, en de ganse aarde worde met Zijn heerlijkheid vervuld Amen, ja Amen".
7e Ziet wat een land of een Kerk lieflijk maakt, een "Hefzibah, Mijn lust is aan haar," of een "Beulah, het Getrouwde". Het is de Plant van naam, Die een Kerk of een land verrukkelijk maakt. Indien de Plant van naam en Zijn belang in een land of Kerk bloeien, maakt het haar "schoon van gelegenheid, een vreugde van de ganse aarde".
8e Ziet wanneer een Kerk haar schoonheid en heerlijkheid verliest, en afvallig wordt. Dit geschiedt, wanneer Christus Zijn geur onder haar leraars en belijders verliest. Wanneer deze Plant van naam wordt verworpen, verwerpt God die Kerk, en geeft haar over tot een plundering en ten roof. Vrienden, Christus is lang tijd in ons land gepredikt geworden, doch de mensen hebben Hem niet door het geloof gunstig ontvangen, en daarom dreigt de Heere, heden ten dage, Zijn Christus geheel van ons weg te nemen.
9e Ziet hieruit hoe iemand kan weten, of het goed of verkeerd met hem staat, of hij in genade bloeit en vooruitgaat, of, dat hij kwijnt en achteruitgaat. Het staat altijd goed met die ziel, in wie en bij wie Christus het overwicht heeft. Gaat de Plant van naam bij u in de hoogte, of gaat Hij achteruit? Indien Hij toeneemt, dan zal Hij (l.) in uw achting rijzen, evenals bij David: (Ps. 73:25) "Wien heb Ik nevens u in de hemel? Nevens U lust mij ook niets op de aarde:" en als bij Paulus, die "alle dingen schade en drek achtte om de uitnemendheid van Christus Jezus zijn Heere" (2.) In uw genegenheden en liefde: Dewelke gij niet gezien hebt en nochtans liefhebt; in Dewelke gij nu, hoewel Hem niet ziende, maar gelovende, u verheugt met een onuitsprekelijke en heerlijke vreugde". "Heere", zegt Petrus, "Gij weet alle dingen, Gij weet, dat ik U liefheb". (3.) Hij zal verwekt worden in onze overpeinzing; elke gedachte zal gevangen geleid worden tot Zijn gehoorzaamheid, en onze overdenking van Hem zal zoet zijn, onze zielen zullen als met smeer en vettigheid verzadigd worden, als wij Zijner gedenken op onze legersteden, en aan Hem peinzen in de nachtwaken. (4.) Hij zal verwekt worden in uw gesprekken en in uw wandel, die zullen naar de Plant van naam rieken, en het geklets en de praatjes van de wereld zullen u smakeloos zijn als het wit van een ei; doch het spreken over Christus, en Zijn waarheden, en de dingen, die Zijn eer betreffen, zullen er bij u in gaan. (5.) Hij zal verwekt worden in uw godsdienst, zowel de openbaren als de huiselijke; wanneer u zich tot het gebed begeeft, of tot het gehoor van het Woord, of tot de bediening van het avondmaal, niets zal u behagen dan Christus Zelf. "Och, dat ik wist waar ik hem vinden zou. Één ding heb ik van de Heere begeerd, dat zal ik zoeken; dat ik al de dagen mijns levens mocht wonen in het huis des Heeren, om de lieflijkheid des Heeren te aanschouwen en te onderzoeken in Zijn tempel." (6.) Hij zal verwekt worden in uw wensen en pogingen tot bevordering van Zijn koninkrijk en eer, in zoverre u daartoe in staat bent. En wanneer Zijn zaak in het gedrang komt, of het geroep wordt gehoord: "Wie is aan de zijde des Heeren?" zult u zich altijd benaarstigen in uw kring die zijde te kiezen, waar u meent, dat Christus staat, en naar uw vermogen strijden en getuigen voor Hem, Zijn waarheid, Zijn wegen en Zijn dienst.
10e Hier is ook een gebruik van beklag.
Indien Christus de Plant van naam is, Die door Zijn eeuwige Vader verwekt is, moet het dan geen stof van klagen zijn, dat er in onze dagen zo weinig naar de Plant van naam wordt gevraagd, en dat de heerlijkheid van deze gezegende Plant zo wordt afgeplukt. Sommigen rukken, zoals u gehoord hebt, de heerlijkheid weg van Zijn hoogste Godheid, en trachten Hem een plaats te geven onder de geschapen en afhankelijke wezens. Sommigen rukken aan Zijn soevereiniteit en oppermacht, als het enig Hoofd en de enige Koning van Zijn Kerk, door wetten te maken, die onbestaanbaar en rechtstreeks in strijd zijn met de wetten, die Hij in Zijn Woord heeft gegeven. Sommigen rukken aan de "vrijheid waarmee Hij Zijn volk heeft vrijgemaakt", door aan de gemeenten met geweld leraars op te dringen, in strijd met het voorschrift van de Schrift en de met een verbond bezworen beginselen van de Kerk van Schotland, die in haar boeken zijn opgenomen
O Vrienden! Als de Plant van naam in het land goed gedijde, zou men niet toelaten, dat er zoveel stinkende planten in Zijn wijngaard groeien of opschieten, als er in deze tijd gezien worden. De plant van Paapse afgoderij wordt toegelaten en neemt hand over hand toe zowel in Schotland, als in Engeland en Ierland. De planten van bisschoppelijke regering, dwaling en bijgeloof worden verdragen, in strijd met de verbintenissen, waartoe het land zich met een plechtig verbond heeft verbonden. De plant van onrechtzinnige hoogleraars in de godgeleerdheid, waardoor de bronnen van de wetenschap en de kweekscholen voor de heilige bediening worden vergiftigd; de plant van lakse, onrechtzinnige dienaars en predikanten neemt hand over hand toe, en vervult het land dagelijks meer. De plant van de oude kwaadwilligheid tegen de kracht van de godsdienst en een verbondsreformatie schiet welig op, voornamelijk onder een kring van vals zich noemende Presbyterianen. De plant van onheiligheid groeit overal welig; de mensen geven zich over aan goddeloosheid, en laten de vrije loop aan drinken, vloeken, zuipen, hoererij, sabbatschenden, dronkenschap en allerlei gruwelen, spotten met de Schrift, belachen van de dienst van God, en onheilig schertsen met de dingen Gods. De plant van kerkelijke tirannie, die de twee laatste jaren een weinig de kop scheen ingedrukt te zijn, spruit weer even snel uit als ooit te voren, niettegenstaande het groot geroep over een zogenaamde reformatie, waarvan wij onder vele leraars en belijders in de Staatskerk horen; getuige de handelingen van de laatste Synode in de zaak van Dennie en Traquair en het onthaal, dat het verzoekschrift van de parochie van Stow te beurt viel. Al deze en nog vele andere dingen, die ik kon aanhalen bewijzen duidelijk, dat de Plant van naam niet onder ons verwekt wordt, maar eerder, dat Zijn reuk en geur in een hoge mate van overheden en leraars, gerechtshoven en vergaderingen voor de dienst van God, en de grote hoop van de belijders en inwoners van het land, is geweken, Ja velen gaan zo ver, dat zij, evenals de Gadarenen, blij zouden zijn, als Christus geheel uit onze landpalen vertrok, opdat zij met meer vrijheid hun zwijnachtige lusten konden botvieren; en waarlijk, Hij schijnt ons te zullen verlaten. Doch o, wat zal op Zijn vertrek volgen? "Wee, hen, als Ik van hen zal geweken zijn", Ziet in Jes. 5, wat er van de wijngaard wordt, wanneer Hij Zijn omtuining wegneemt.
11e Nog een woord van vermaning. Is het zo dat Christus een Plant van naam is, Die de Heere verwekt heeft? Benaarstigt u dan, u allen, die de Naam van de Heere draagt, voornamelijk u, die aan Zijn tafel onthaalt bent, en Zijn bijzondere liefde en goedheid hebt gesmaakt, Gods doel te beantwoorden in deze Plant van naam voor ons te verwekken.
Let daartoe op de volgende bijzonderheden, waarmee ik zal sluiten.
(1.) Zit neer, en laat uw vermoeide zielen rusten onder de schaduw van deze vermaarde Plant, naar het voorbeeld van de Bruid: (Hoogl. 2:3) "Ik heb grote lust in Zijn schaduw, en zit er onder." Wanneer u geen rust in de wereld vindt wegens verzoekingen, verdrukkingen, en de werkingen van de inwonende verdorvenheid; wanneer u uitroept: "Zeg mij aan, waar Gij de kudde legert," neem dan uw toevlucht altijd tot de Plant van naam; want "naar Hem zullen de heidenen vragen, en Zijn rust zal heerlijk zijn." (2.) Ik nodig u de heerlijkheid en schoonheid van deze Plant van naam te komen zien. "O wendt u naar Hem toe, wordt behouden, al gij einden der aarde." God de Vader heeft zulke gunstige gedachten over deze Plant, die Hijzelf verwekt heeft, dat Hij de gehele wereld nodigt, Hem te zien in Wie Zijn ziel een welbehagen heeft (Jes. 42:1). Door het aanschouwen van Zijn heerlijkheid wordt het werk van de heiligmaking en van de gelijkvormigheid aan het beeld Gods, en het leven van de godsdienst onderhouden en in stand gehouden: (2 Kor. 6:18) "Wij allen met ongedekten aangezicht de heerlijkheid des Heeren als in een spiegel aanschouwende, worden naar hetzelfde beeld in gedaante veranderd." (3.) Komt en voedt u met de vrucht van deze Plant van naam. "Want Zijn vlees is waarlijk spijs, en Zijn bloes is waarlijk drank." U bent aan Zijn tafel geweest, en misschien hebt u daar een maaltijd gekregen; maar, vrienden, u moet u gedurig met Hem voeden. U aan het slot van ons tekstvers, dat deze Plant verwekt is, om de hongerigen tot voedsel te zijn: "Ik zal Hem hun verwekken, en zij zullen niet meer weggeraapt worden door honger in het land"; voedt u daarom steeds met Zijn vruchten, want "zij zijn het gehemelte zoet, als goede wijn, die recht tot mijn beminde gaat, doende de lippen van de slapenden spreken." Wanneer u verwond bent door verwondingen of verdorvenheid, of de wereld, komt dan tot deze Plant om genezing, want "zijn bladeren zijn tot genezing der heidenen." U hebt hiertoe een zoete belofte in Mal. 4:2: "Gijlieden daarentegen, die Mijn Naam vreest, zal de Zon der gerechtigheid opgaan, en daar zal genezing zijn onder Zijn vleugelen; en gij zult uitgaan, en toenemen als mestkalveren." (5.) Laat mij u vermanen. elk in uw kring, leraars en gewone Christenen, en ik zal graag de vermaning ook tot mijzelf spreken: O, laat ons allen met de Vader van Christus samenwerken en trachten deze Plant van naam te verwekken, en Hem meer en meer vermaard te maken; dit zal het streven, het besluit en het pogen zijn van allen, die Hem kennen. De Kerk zegt in Ps. 45:18: "Ik zal Uw Naam doen gedenken van elk geslacht tot geslacht: daarom zullen u de volken loven, eeuwiglijk en altoos." Laat ons, die leraars zijn, Zijn gerechtigheid en Zijn Naam, en de heerlijkheid van Zijn Persoon boodschappen en prediken in de grote gemeente. En u, volk, benaarstigt u Hem door uw wandel en uw spreken, en door de heiligheid van uw verkeer, bij alle gelegenheden aan te prijzen, en laat ons, nu Zijn zaak en Zijn belang in ons land zo diep wegzinken, die allerwegen verheffen. Laten wij ons aan een troon van genade neerleggen, pleitende, dat Hij toch het land niet verlaat, maar dat Hij mag terugkeren, en tot heerlijkheid wezen in het midden van ons. Amen.
Christus als de Doorbreker, opent alle toegangen naar de heerlijkheid, die ontoegankelijk waren
Micha 2:13. De doorbreker zal voor hun aangezicht optrekken; zij zullen doorbreken, en door de poort gaan, en door dezelve uittrekken; en hun koning zal voor hun aangezicht henengaan; en de HEERE in hun spits.
In hoeverre ook deze woorden letterlijk mogen zien op de terugkering van de kinderen Israël uit hun Babylonische gevangenschap door middel van Cyrus, toch wordt algemeen aangenomen niet alleen door Christelijke, maar ook zelfs door sommige Joodse uitleggers, dat zij voornamelijk zien op de heerlijke Messias, en het grote werk van de zaligheid, dat Hij in de volheid des tijd zou komen volbrengen.
De profeet zegt ons in het voorafgaande vers, dat Christus, als de grote Herder Israëls, de verloren schapen van het huis Israëls zou verzamelen, en dat Hij Zich een Nieuw Testamentische Kerk zou vergaderen; en dat wegens de menigte bekeerden, die tot de eeuwig gezegende Silo zouden toevloeien, het gerucht en de tijding van hun vergadering ver en nabij over de aarde zou worden gehoord. Doch verstand en rede zouden dit als iets geheel ondoenlijks beschouwen, vanwege de sterke sluitbomen, die in de weg stonden, en de grote tegenstand, die de hel en de aarde zouden bieden tegen de oprichting en vergadering van de Nieuw Testamentische Kerk. Daarom profeteert de Profeet hier, dat Christus de weg zou banen, en de toegang zou vrij maken, en bergen zou maken als een vlak veld.
In deze woorden komen drie dingen voor:
1e De weg van de vrijgekochten des Heeren geopend door de grote Verlosser: De doorbreker zal voor hun aangezicht optrekken.
2e De ontkoming van de vrijgekochten door deze weg, of het gebruik, dat zij daarvan maken door het geloof. Dit wordt voorgesteld in deze drie uitdrukkingen: zij zullen doorbreken — zij zullen door de poort gaan — zij zullen door dezelve uittrekken.
3e De heerlijke tocht van de vrijgekochten onder de leiding van de Verlosser, als hun beroemde Veldoverste: hun Koning zal voor hun aangezicht heen gaan, en de Heere in hun spits.
1e Hier komt voor: de opening van de weg door de grote Verlosser: De Doorbreker zal voor hun aangezicht optrekken. Hierin hebben wij weer:
l. De benaming, die aan de heerlijke Messias wordt gegeven. Hij wordt de Doorbreker genaamd. Cyrus was een instrument in Gods hand om het Babylonische juk te verbreken, en zo de weg te banen, dat Israël naar zijn geboorteland kon terugkeren. Hierin was hij een type van Christus, door Wie het juk van onze geestelijke gevangenschap onder de zonde en de duivel verbroken, en een weg gebaand is om op te gaan tot het land van de rust en van de heerlijkheid, dat boven is, waarvan het aardse Kanaän een vergankelijke type was. Er zijn er, die denken dat in deze uitdrukking gezinspeeld wordt op de ram, die in een storm voorop gaat voor de overigen van de kudde, om de wind te breken. Christus is "gegeven tot een Leider en Gebieder der volken;" Hij opent de toegang tot de heerlijkheid voor ons door de stormen en orkanen van mensen en duivels. Waar ook in de naam op gezinspeeld mag zijn, dit is allerduidelijkst, dat Christus bedoeld wordt. Hij toch, Die in het begin van het vers de Doorbreker wordt genoemd, wordt in het slot van het vers hun Koning en Heere genoemd: "Hun Koning zal voor hun aangezicht heengaan, en de Heere aan hun spits; en wie anders kan die Naam dragen dan Hij, Die "een Naam boven allen naam heeft."
2. Wij hebben hier de kloekmoedige verschijning van de heerlijke Verlosser in Zijn doorbrekend werk. Hij komt op, Hij verschijnt in het veld met onverschrokken heldenmoed. om de vijanden en de tegenstand, die in de weg stonden, tegemoet te treden, Hij gaat recht op hen af, en is niet bevreesd om de vijand op het slagveld te ontmoeten.
3. Dan is hier de partij, die Hij het hoofd biedt, of zij welken hun twist de Doorbreker verschijnt: Hij trekt voor hun aangezicht op. Dit een betrekkelijk voornaamwoord zijnde, leidt ons terug tot het voorafgaande vers, waar zij worden voorgesteld onder het begrip van een kudde schapen: onnozele, zwakke en beschroomde schepselen, die niets kunnen doen om zich te verdedigen; het geblaf van een hond zal er tienduizend van hen op de vlucht drijven. Zulke zwakke hulpeloze schepsels zijn wij, wanneer Christus verschijnt tot onze hulp: De Doorbreker zal voor hun aangezicht optrekken. Wat de andere bijzonderheden betreft, wij zullen in het vervolg van de verhandeling wel gelegenheid krijgen die te behandelen. Ik trek nu de volgende leer uit de woorden:
"Dat, gelijk Christus de Doorbreker is op onze weg naar de heerlijkheid, Hij zo ook, tot onze bemoediging, als de vermaarde Overste leidsman der zaligheid voor ons aangezicht optrekt".
In het verhandelen van deze leer zal ik met de bijstand Gods trachten te onderzoeken,
I. Waarom Christus de Doorbreker wordt genaamd.
II. Zal ik over het optrekken van deze Doorbreker spreken.
III. Onderzoeken wat dit optrekken voor het aangezicht van Zijn volk betekent.
IV. Aantonen waarom Hij als een Doorbreker optreedt.
V. Toepassing maken.
I. Ons eerste punt is, dat ik naar de reden van deze Naam zal onderzoeken. Waarom wordt Christus de Doorbreker genaamd?
1. Hij wordt in het algemeen zo genoemd wegens de grote tegenstand, daar Hij door moest breken in het heerlijk werk van onze verlossing, dat Hij op Zich had genomen, zowel wat de verwerving als de toepassing betreft. De eeuwige Zoon van God zou een geestelijk koninkrijk In deze benedenwereld oprichten onder het verloren geslacht van Adam, doch voordat Hij zijn voornemen kon uitvoeren moest Hij op de machten van de hel inbreken en het koninkrijk omverwerpen, dat met geweld verkregen was door de duivel, die wegens de algemeenheid van zijn rijk de god van deze eeuw genoemd wordt. Het is dan ook het eerste werk, dat de Zoon van God onderneemt de kop van de slang te vermorzelen of te verbreken, dat is, zijn macht te vernietigen of hem de regering te ontrukken. Wanneer Hij dan ook het werk van onze verlossing aan het kruis had volbracht wordt van Hem gezegd, dat Hij "de overheden en de machten uitgetogen hebbende, die in het openbaar ten toon gesteld en door hetzelve over hen getriumfeerd heeft"
2. De kop van de slang verbroken hebbende breekt Hij ook zijn gevangenis open, en roept de gevangenen bevrijding en vrijheid uit. Als die vraag aan alle engelen in de hemel, en alle mensen op aarde gedaan was: (Jes. 49:24) "Zou ook een machtigen de vang ontnomen worden? Of zouden de gevangenen eens rechtvaardigen ontkomen?" dat zou hen hebben doen zwijgen en eeuwig in verlegenheid gebracht hebben. Doch, wie beantwoordt deze vraag? De gezegende Doorbreker, Die voor ons aangezicht optreedt, treedt te voorschijn: (vs. 25) "Alzo zegt de Heere: Ja de gevangenen des machtigen zullen hem ontnomen worden, en de vang des tirans zal ontkomen; want met uw twisters zal Ik twisten, en uw kinderen zal Ik verlossen". O vrienden! Wij zouden eeuwig gevangenen van de duivel zijn gebleven, als niet de Zoon van God op Zich had genomen ons te verlossen en de ketenen van onze gevangenschap te verbreken: (Zach. 9:11) "U ook aangaande, o Sion, door het bloed uws verbonds heb ik uw gebondenen uit de kuil daar geen water in is, uitgelaten".
3. Hij wordt zeer gepast de Doorbreker genaamd omdat Hij een verse en levende weg aanlegt waarlangs wij toegang hebben tot God en de heerlijkheid. De oude weg van het verbond der werken was door sluitbomen, doornen, weeën en vloeken afgesloten zodat die onbegaanbaar was geworden. Langs die weg kon niemand van het gevallen geslacht van Adam toegaan; maar onze gezegende Goël, onze goedertieren Losser komt, en opent door Zijn gehoorzaamheid tot de dood een nieuwe toegang of doorgang, waardoor wij toegang tot God hebben. Christus Zelf is die Weg; (Joh. 14:7) "Ik ben de Weg, de Waarheid, en het Leven. Niemand komt tot de Vader dan door Mij". Van deze nieuwe weg, die gemaakt is door de Doorbreker, Die voor ons aangezicht optrekt, spreekt de Profeet Jesaja: (Hoofdst. 35:8-10) "En daar zal een verheven baan en een weg zijn, welke de heilige weg zal genaamd worden; de onreine zal daar niet door gaan, maar hij zal voor deze zijn. Die deze weg wandelt, zelfs de dwazen zullen niet dwalen. Daar zal geen leeuw zijn, noch verscheurend gedierte zal daarop komen, noch daar gevonden worden, maar de verlosten zullen daarop wandelen. En de vrijgekochten des Heeren zullen terugkeren, en tot Sion komen met gejuich, en eeuwige blijdschap zal op hun hoofd wezen; vrolijkheid en blijdschap zullen zij verkrijgen, maar droefenis en zuchting zullen wegvlieden."
4. Hij wordt de Doorbreker genoemd, omdat Hij door de stormen van goddelijke toorn en de grimmigheid van mensen en duivels heen breekt, om onze verlossing uit te werken. De rechtvaardigheid Gods stond in Zijn weg met een vlammend zwaard, gereed om in Zijn ingewanden gestoken te worden; de vloek van de verbroken wet rolde bergen in Zijn weg; de heirlegers van de hel verenigden zich om Hem in Zijn werk tegen te staan, "vele varren omsingelden Hem, sterke stieren van Basan omringden Hem;" een zee van bloed en lijden vertoonden zich in hetgeen Hij zou ondernemen; doch zodanig was de liefde van Zijn hart, dat Hij door alles heen breekt, Hij gaat voort in Zijn weg, Hij stelt Zijn aangezicht als een keisteen tegen alle ontmoedigingen.
5. Hij mag de Doorbreker genoemd worden, omdat Hij in een dag van Zijn heirkracht de vijandschap van onze harten tegen Hem verbreekt; "de sterkten der ongerechtigheid," die de duivel in onze harten heeft opgeworpen "terneer werpt, en alle gedachten gevangen leidt tot de gehoorzaamheid van Christus." De harten van de kinderen der mensen zijn van nature zo hard als van de Leviathan, (Job. 41:15) "zijn hart is vast gelijk, een steen, ja vast gelijk het onderste des molensteens," maar Hij verbreekt ze door de hamer van Zijn wet. Het hart is tegen Hem gegrendeld met vijandschap, ongeloof, hoogmoed en vooroordelen, maar Hij breekt die grendelen aan stukken door de kracht van Zijn overwinnende, alles veroverende genade.
6. Hij mag de Doorbreker genoemd worden, omdat Hij hen, die niet onder Zijn koninklijk gezag willen buigen in stukken breekt: (Ps. 11:9) "Gij zult ze verpletteren met een ijzeren scepter, Gij zult ze in stukken slaan als een pottenbakkersvat"; (Ps. 63:22) "Voorzeker zal God de kop van Zijn vijanden verslaan, de harige schedel van degene, die in zijn schulden wandelt." De trotse Farao weigert voor Zijn woord en bevel te buigen, en de Heere verbreekt hem en zijn talrijk heir, en doet hem zinken als lood in geweldige wateren. Hij heeft vele verbrekende oordelen tot Zijn beschikking, waardoor Hij gehele volken en koninkrijken kan vernielen, wanneer zij tegen Hem opstaan, gelijk wij kunnen zien in de tien plagen van Egypte.
7. Hij mag de Doorbreker genoemd worden, wegens de verbrekende beproevingen. die Hij dikwijls in deze wereld over Zijn volk en kinderen doet komen. "Hij heeft mij gebroken met breuk op breuk", zegt Job. (Hoofdst. 16:14); "Hij is tegen mij aangelopen als een Geweldige." (Ps 44:20) "Gij hebt ons verpletterd in een plaats der draken, en ons met een doodsschaduw bedekt." En waarlijk, wie ook ontkomt, zij zullen niet ontkomen, indien zij Hem ergeren: "Uit alle geslachten des aardbodems heb Ik ulieden alleen gekend; daarom zal Ik al uw ongerechtigheden over ulieden bezoeken. Indien zijn kinderen mijn wet verlaten, en in mijn rechten niet wandelen; indien zij Mijn inzettingen ontheiligen, en Mijn geboden niet houden, zo zal Ik hun overtreding met de roede bezoeken, en hun ongerechtigheid met plagen." O! Hoe verbrekend is de roede van een vader voor zijn lieve kinderen. wanneer zij hem door de zonde vertoornd hebben! David was zo verbroken door het gevoel van Gods toorn over hem, dat het hem deed klagen, dat zijn beenderen gebroken waren: (Ps. 51:10) "Doe mij vreugde en blijdschap horen, dat de beenderen zich verheugen, die Gij verbrijzeld hebt."
8. Hij mag de Doorbreker genoemd worden, vanwege Zijn verbrekende oordelen en rampen, die Hij over een zondig land of een Hem beledigende Kerk brengt; zoals het zwaard, hongersnood, pestilentie, verwoesting door vuur of water, de inhouding van Zijn Geest, en de onttrekking van de middelen der genade. Ziet in Jes. 5 hoe de Heere Zijn wijngaard tot woestheid maakt en verbreekt.
II. Ons tweede punt was, dat ik zal spreken over het optrekken van deze Doorbreker. Ik versta dat van Zijn optrekken om de twist van Zijn kinderen en Zijn volk te wreken. Als een geweldige Kampvechter komt Hij in het strijdperk en bindt de strijd aan met de machten van de hel en van de aarde, om de twist van Zijn Israël te wreken.
Van deze beroemde Kampvechter en van Zijn optrekken in de zaak en de twist van Zijn Kerk hebben wij een beschrijving in Jes. 59:16-18: "Omdat Hij zag, dat er niemand was, zo ontzette Hij Zich, omdat er geen voorbidder was; daarom bracht Hem Zijn arm heil aan, en Zijn gerechtigheid, die ondersteunde Hem. Want Hij trok gerechtigheid aan als een pantsier, en de helm des heils zette Hij op Zijn hoofd, en de klederen der wraak trok Hij aan tot kleding, en Hij deed de ijver aan als een mantel. Even naar de werken, even daarnaar zal Hij vergelden, grimmigheid aan Zijn vijanden; de eilanden zal Hij het loon vergelden." Ik zal u hier spreken over enige tijdige optrekkingen van deze gezegende Doorbreker tot hulp en bijstand van verloren zondaren, en dan verder spreken over de wijze van Zijn optrekken.
1e De gezegende Doorbreker trok tijdig op, en verscheen in onze twist, in de Raad des vredes. Toen de vraag gesteld werd: Wie zal de strijd aanbinden tegen de oude slang en zijn zaad, om verloren zondaren van het geslacht van Adam te helpen en bij te staan? verscheen de gezegende Doorbreker terstond in onze twistzaak, zeggende: Zie, Ik kom, zend Mij en Ik zal de kop; van de slang vermorzelen," en de gevangenen bevrijden, tot verheerlijking van de goddelijke rechtvaardigheid, en tot eeuwige eer van Zijn wet.
2e Hij trok tijdig op ten strijde, terstond na de val van de mens. Niet zodra was de prooi in de tanden van de machtige gevallen, of de machtige Verlosser trad op de vijand toe, en gaf hem een dodelijke houw. Met het Woord Zijns monds verslaat Hij de boze, zeggende: "datzelve zal u de kop vermorzelen, en Gij zult het de verzenen vermorzelen"; waardoor Hij de vijand ineens een dodelijke wond toebracht, en de arme gevangenen verloste uit de kuil daar geen water in was." Al de verschijningen van Christus voor zijn Kerk gedurende de Oud Testamentische bedeling waren op de genade van deze eerste belofte gegrond.
3e Hij trok wezenlijk en persoonlijk op in Zijn vleeswording. Wat was Zijn ganse leven in deze wereld anders dan een voortdurend bestormen en afbreken van het koninkrijk van de duisternis? Dit was het doel van Zijn leer, wonderen, leven en dood. Door het prediken van Zijn Evangelie in de steden Israëls zag Hij "de Satan als een bliksem uit de hemel vallen"; door een gesproken woord wierp Hij hem op een wonderdadige wijze tegelijk uit de zielen en lichamen van de mensen, en "door de dood heeft Hij teniet gedaan degene, die het geweld des doods had, dat is de duivel." Met het oog hierop zegt Hij tot Zijn discipelen: "Nu is het oordeel dezer wereld; nu zal de Overste van deze wereld buitengeworpen worden." Door Zijn opstanding uit de doden en Zijn hemelvaart trok Hij, als een overwinnende en vermaarde Veroveraar, van het slagveld op, die de buit van zonde en duivel, hel en dood met zich meevoerde:God vaart op met gejuich, de Heere met geklank der bazuin; tienduizend wagenen, de duizenden verdubbeld, vergezelden Hem evenals op Sinaï. Hij is opgevaren in de hoogte en heeft de gevangenis gevankelijk gevoerd."
4e Men kan zeggen, dat Hij optrekt of de strijd aanbiedt tegen de vijand, wanneer Hij in de uitdeling van het Evangelie in de kracht van Zijn Geest verschijnt, wanneer Hij Zijn zwaard aan Zijn heup gordt, en voorspoediglijk rijdt in Zijn heerlijkheid op Zijn wagen van het Woord der waarheid; als Hij een deel ontvangt van velen, en de machtigen als een roof deelt. O, hoe verschrikkelijk is deze Doorbreker voor de machten van de hel, wanneer Hij de scepter van Zijn sterkte zendt uit Sion, en Zich een zeer gewillig volk maakt op de dag van Zijn heirkracht! Wanneer de heirlegers in de hemel Hem volgen, Wiens Naam is: "het Woord Gods!" Wanneer Hij de volkeren slaat met het scherpe zwaard, dat uit Zijn mond gaat!" Terwijl een ieder, die voorbij loopt Zijn Naam kan lezen, "die op Zijn kleed en op Zijn dijen geschreven is: Koning der koningen en Heere der heren."
5e Men kan zeggen, dat Hij optrekt in de uitwendige bedeling van Zijn voorzienigheid tot hulp en bevrijding van Zijn gemeente en volk, wanneer zij in hun tijdelijke of geestelijke voorrechten worden gekweld of onderdrukt, door boosaardige mensen, die over hen heersen. Zo trok de Doorbreker tijdig op tot verlossing van Israël in Egypte, toen zij zuchtten onder hun Egyptische drijvers, en verbrak Hij hun onderdrukkers en vijanden met plaag op plaag. Zo trok Hij dikwijls op tot hun hulp gedurende de regering van de richters en koningen van Israël. Zo trok Hij op na de zeventig jaren van ballingschap, en brak het Babylonische rijk aan stukken, opdat Zijn volk naar hun geboorteland zou kunnen terugkeren.
6e Hij trekt op als een machtige Doorbreker, wanneer Hij de godsdienst ziet ten onder gaan, en lust heeft Zijn Eigen werk in een afwijkend land en in een kwijnende Kerk te verlevendigen. Hij komt eerst afbreken, voordat Hij begint te bouwen. Er gaat gewoonlijk een doen-beven-der-volken vooraf, voordat de Wens aller heidenen komt om Sion op te bouwen. Ziet in wat een ontzaglijke majesteit de Doorbreker verschijnt, als Hij komt om Zijn werk te verlevendigen in het midden der jaren: (Hab. 3) De Profeet zendt een gebed op: (vs. 2) "Uw werk, o Heere, behoudt dat in het leven in het midden der jaren, maak het bekend in het midden der jaren, in de toorn gedenk des ontfermens." Dit gebed wordt verhoord, God komt om Zijn werk verlevendigen, maar Zijn heerlijk optrekken was zo ontzaglijk, dat het de Profeet zelf deed beven: (vs. 16) "Als ik het hoorde, zo werd mijn buik beroerd, voor de stem hebben mijn lippen gebeefd: verrotting kwam in mijn gebeenten, en ik werd beroerd in mijn plaats. Zeker, ik zal rusten ten dage der benauwdheid, als hij optrekken zal tegen het volk dat hij het met benden aanvalle." En toch, hoe zoet en heerlijk het slot is van die ontzaglijke bedeling, kunt u in het volgende vers zien.
7e Men kan zeggen, dat Hij optrekt in de betoning van Zijn genade en liefde aan een gelovige persoonlijk, wanneer Hij tijdig tussenbeide komt tot ondersteuning van een arme ziel, die bezwijkt onder de last van zonde, verzoeking, benauwdheid en verlating. De Doorbreker trekt tijdig op, wanneer Hij wolken verdrijft, en het licht Zijns aanschijns verheft: wanneer Hij de briesende leeuw bestraft en zijn vurige pijlen verstompt en verbreekt: wanneer Hij tot de arme ziel zegt: "Vrees niet, Ik ben met u": wanneer Hij de arme gelovige aanmoedigt of bezielt voor zijn werk of zijn strijd, zeggende:Vrees niet, gij wormpje Jacobs — Ik heb u tot een scherpe nieuwe dorsslede gesteld, die scherpe pinnen heeft. Mijn genade is u genoeg."
8e O hoe tijdig trekt Hij op bij de dood, wanneer de arme ziel beeft bij de gedachte, dat zij door de Jordaan moet, die haar in de wijde eeuwigheid overbrengt. Wat een lieflijk optrekken is dat wanneer Hij tot de ziel zegt: "Vrees niet, Ik ben de Eerste en de Laatste: en Die leef, en Ik ben dood geweest: en zie Ik ben levend in alle eeuwigheid." Zo heb ik u iets gesproken over enige van de tijdige optrekkingen van de gezegende Doorbreker.
Vraagt u: Op welke wijze trekt Hij op in onze twist, tot hulp van de zwakken tegen de sterke?
Ik antwoord: l. Hij trekt tijdig op. Al Zijn verschijningen tot hulp en ondersteuning van Zijn volk zijn altijd juist op tijd geweest. O hoe tijdig tred Hij tussenbeide terstond na de val, toen de brullende leeuw op het punt stond de roof te verscheuren, evenals Farao in een ander geval, zeggende: "Ik zal vervolgen, ik zal achterhalen, ik zal de buit delen!" Toen trad Hij inderdaad op, en vermorzelde de kop van de slang. Hoe tijdig verloste Hij Israël uit Egypte! Hoe tijdig wendde Hij hun gevangenis! Hoe tijdig trad Hij tussenbeide in ons land bij de jongstleden plaats gehad hebbende revolutie toen wij op het punt stonden door de antichristelijke tirannie en duisternis verslonden te worden! O hoe tijdig trekt Hij op om de arme ziel te helpen en bij te staan, wanneer zij op het punt is van door verzoeking, verlating en verdrukking te worden verslonden! (Deut. 32:36) "De Heere zal Zijn volk recht doen, en het zal Hem over Zijn knechten berouwen: want Hij zal zien, dat de hand is weggegaan, en de beslotene en verlatene niets is."
2. Hij trekt alleen op tot hulp van Zijn Kerk en Zijn volk, Zijn arm beschikt Hem heil, Hij stond alleen in het heerlijk werk van de verlossing: "Hij heeft de pers alleen getreden, en er was niemand van de volkeren met Hem," en daarom moet Hij er alleen de eer van hebben: "Niet ons, o Heere, niet ons, maar Uw Naam geef eer." Wanneer Hij optrekt, om Zijn Kerk en Zijn volk van dwingelandij en onderdrukking te bevrijden, van welke instrumenten Hij Zich daartoe ook bedient, moet Hij nochtans alleen de eer hebben, omdat zij maar instrumenten zijn, en niets meer kunnen doen dan het gereedschap zonder de hand van de timmerman: (Ps. 44:4) "Want zij hebben het land niet geërfd door hun zwaard, en hun arm heeft hun geen heil gegeven: maar Uw rechterhand en Uw arm, en het licht uws aangezichts; omdat Gij een welbehagen in hen had."
3. Hij trekt in onze twist op met de grootste opgewektheid en vrolijkheid: "Hij was spelende in de wereld Zijns aardrijks, en Zijn vermakingen zijn met der mensen kinderen." De Zon der gerechtigheid is vrolijk als een held om het pad te lopen; en als een reus of een held, die verkwikt is met nieuwe wijn, juichte Hij toen Hij in het strijdperk trad: "Ik moet met een doop gedoopt worden,’ zegt Hij, "en hoe wordt Ik geperst, tot dat het volbracht zij."
4. Hij trekt met spoed op, Hij talmde niet, noch vertoefde Hij toen Hij optrok in Zijn verlossende en zaligmakende onderneming: neen Hij vloog als het ware op vleugelen: (Hoogl. 2:8) "Ziet Hem, Hij komt, springende op de bergen, huppelende op de heuvelen."
5. Hij trekt kloekmoedig op om Zijn doorbrekend werk te doen, en daagt als het ware alle machten van de hel uit tot de strijd. Met welk een onverschrokken kloekmoedigheid zag Hij de zaak onder de ogen, toen Hij het strijdperk intrad: (Jes. 50:8,9) "Hij is nabij, Die Mij rechtvaardigt, wie zal met Mij twisten? Laat ons tezamen staan: wie heeft een rechtszaak tegen Mij? Hij kome herwaarts tot Mij. Ziet, de Heere Heere helpt Mij, wie is het, die Mij zal verdoemen? Ziet, zij zullen allemaal als een kleed verouden, de mot zal ze eten."
6. Hij trekt overwinnend op. Hij deelt dood en verderf uit onder alle vijanden van Hem en van Zijn gemeente. De overwinning volgt Hem overal waar Hij gaat; Zijn vijanden zijn voor Hem niet anders dan doornen en distels, die de strijd aanbinden met een verterend vuur. "Wanneer Hij Zijn glinsterend zwaard wet, en Zijn hand ten gerichte grijpt, zal Hij de wraak op Zijn tegenpartijen doen terugkeren, en Zijn haters vergelden."
7. Zijn optrekken tot Zijn doorbrekend werk is onweerstaanbaar. Wie kan Zijn hand afslaan, of Hem tegenhouden in Zijn optrekken? Toen Rode zeeën en Jordanen van toorn en wraak in Zijn weg lagen, brak deze Doorbreker er door heen; toen de heirlegers van de aarde en van de hel voor Hem lagen, "heeft Hij ze getreden in Zijn toorn, en vertrapt in Zijn grimmigheid, en al Zijn gewaad met hun bloed bezoedeld." Hieruit volgt
8. Dat het optrekken van de Doorbreker met veel ontzaglijke majesteit en verbazende grootheid geschiedt. Toen Hij optrok op het slagveld van deze wereld werden de machten van de hel met verschrikking bevangen. Toen zij Zijn goddelijke majesteit en grootheid zagen, riepen zij uit: "Wat hebben wij met u te doen, Jezus, Gok Zoon van God des Allerhoogsten; zijt Gij hier gekomen om ons te pijnigen voor de tijd?" Wanneer Hij optrekt om de twistzaken van Sion te bepleiten, zouden de trotsen en goddelozen van de aarde, die hun hand tegen Zijn gemeente en volk hebben opgeheven, blij zijn als zij zich in de spelonken van de steenrotsen en in de holen van de aarde konden verbergen, "vanwege de schrik des Heeren, en vanwege de heerlijkheid van Zijn majesteit" (Jes. 11:19). En wanneer worden zij zo met verschrikking bevangen? Wij kunnen dat in het slot van dit vers zien, het is dan, wanneer de Heere optrekt om Zijn doorbrekend werk te doen: "wanneer Hij Zich opmaken zal om de aarde te verschrikken."
III. Ons derde punt was, dat ik zal onderzoeken wat dit optrekken voor hun aangericht te kennen geeft.
Doch voordat ik hiertoe overga, zal ik de vraag beantwoorden: wie dat zijn, voor wie Hij optrekt?
1. Als de Herder Israëls trekt Hij op voor de schapen van Zijn weide, om hen te bewaren of te verlossen van wolven of vossen, die hen zouden verscheuren.
2. Hij trekt op als een Overste voor Zijn krijgsknechten, om voor hen uit te gaan en hen te leiden tegen de legers van de bondgenoten; want "Hij is gegeven tot een Vorst en Gebieder der volken."
3. Hij trekt op als een Koning voor Zijn onderdanen, of aan het hoofd van Zijn leger, om hen te leiden en te verdedigen, om al Zijn en hun vijanden te bedwingen en te overwinnen; zoals het slot van het vers luidt, "Hun Koning zal voor hun aangezicht heen gaan, en de Heere in hun spits." Zo ziet u, dat de Doorbreker voor Zijn schapen, krijgsknechten en onderdanen optrekt; en de Doorbreker trekt op tegen allen, die niet onder hen behoren, want die staan niet aan de zijde van de Heere.
Om nu tot de vraag te komen, wat dit te kennen geeft, dat Hij voor hun aangezicht optrekt?
1e Het geeft te kennen, dat zij en hun zaak hem zeer ter harte gaan, dat Hij hun twist van hart op Zich heeft genomen; hoe zou Hij anders als een Doorbreker voor hun aangezicht optrekken? Velen, die in onze tijd de naam dragen van herders van de kudde, nemen de zaak van Christus’ schapen, Zijn kleinen, zo weinig ter harte, dat zij er zich niet veel van aantrekken hoe het met hen gaat, als zij de groten van de wereld en de beschermheren maar kunnen behagen. Doch hoe weinig rekening zij houden met hen, en hun rechten en voorrechten, toch liggen zij de grote Herder zo na aan het hart. dat Hij verklaard heeft, dat het voor zulken beter was, dat het "hun nutter ware, dat een molensteen aan hun hals gehangen, en zij in de diepte van de zee verzonken waren, dan dat zij een van deze kleinen, die in Hem geloven, ergeren," Als de Doorbreker optrekt zal het gewicht van dit wee gevoeld worden, hoe weinig sommigen er zich nu van aantrekken, terwijl zij de kudde van Christus verscheuren en hen noodzaken, dat zij menige zware aanklacht naar de hemel opzenden.
2e Zijn optrekken voor hun aangezicht geeft te kennen, dat hun doortocht zwaar en moeilijk is, dat zij op hun weg met vele ontberingen, vijanden en zwarigheden te kampen hebben; want waarom zou Hij anders voor hun aangezicht optrekken? Sommigen menen, dat hier gezinspeeld wordt op wegbereiders, die het leger vooruit gezonden worden, om de weg te banen, en oneffen plaatsen vlak te maken, opdat de opmars van het leger niet vertraagd wordt. Vrienden, de weg naar de hemel is een weg, die bergop gaat; het is een doornig en ruw pad, waar wij op vele moeilijkheden en beproevingen moeten rekenen. Christus zegt: "In de wereld zult gij verdrukking hebben." Het is niet een misschien, maar het zal zo zijn: (Openb. 7:14) "Deze zijn het, die uit de grote verdrukking komen." Doch hier ligt uw vertroosting, de Doorbreker is voor uw aangezicht opgetrokken; Hij heeft de onoverkomelijke bergen van de wet en de rechtvaardigheid, zonde en toorn, uit de weg gerold, en Hij heeft niets ongedaan gelaten, dat onze opgang naar de heerlijkheid zou kunnen verhinderen, want, een paar lichte verdrukkingen, die zeer haast voorbijgaan, zullen (door Zijn albesturende voorzienigheid) ons werken een "gans zeer uitnemend gewicht van eeuwige heerlijkheid."
3e Dat Hij voor hun aangezicht optrekt geeft Zijn gezag en recht te kennen om hen te besturen en over hen te heersen, evenals een veldoverste macht en gezag in het leger heeft. Hij komt in de gedachte, wat de Heere tot Jozua zeide toen Hij hem in de gedaante van een man verscheen: (Joz. 5:14) "Jozua zeide tot Hem: zijt Gij van ons of van onze vijanden? En Hij zeide: Neen, maar Ik ben de Vorst van het heir des Heeren, Ik ben nu gekomen." Zo ook hier, de Doorbreker komt tot hen: dat geeft te kennen, dat Hij hun tot een Vorst is, gelijk het ook in het slot van het vers wordt te kennen gegeven: Hun Koning zal voor hun aangezicht heen geen, en de Heere in hun spits. God heeft Zijn Christus gezalfd als Zijn Koning over Sion, de berg Zijner heiligheid; "Hij heeft Hem de gemeente gegeven tot een Hoofd boven alle dingen," en Zijn Naam is Koning der koningen en Heere der heren. Daarom erkennen zij de ook Zijn gezag, zeggende: "De Heere is onze Rechter, de Heere is onze Wetgever, de Heere is onze Koning, Hij zal ons behouden."
4e Het geeft niet alleen gezag te kennen, maar ook sterkte en bekwaamheid. De Doorbreker, Die voor hen optrekt, is de machtige, ja, almachtige God. De naam van Hem Die in hun spits is, is HEERE. Niemand is er gelijk God, Die op de hemel vaart tot hulp van Zijn Israël en met Zijn hoogheid op de bovenste wolken. Hij is het "Die de bergen weegt in een waag, en de heuvelen in een weegschaal; die van de hemelen met de span de maat genomen heeft, en met een drieling het stof van de aarde heeft begrepen." O wie kan voor deze machtige Doorbreker bestaan, Die voor hun aangezicht optrekt?
5e Het geeft hun onwetendheid en onbekwaamheid te kennen om zelf hun weg te banen. Er zijn twee dingen waarin de gelovigen ten hoogste gebrekkig zijn op hun reis naar Immanuëls land.
1. Zij zijn onkundig van de weg, gelijk Thomas zeide: (Joh. 14:5) "Hoe kunnen wij de weg weten? Het is een weg, die in God verborgen lag, en die niemand had kunnen ontdekken als Christus het niet gedaan had. De Doorbreker is die Leeuw uit Juda’s stam, die de zeven zegelen van het boek van de raad Gods aangaande onze verlossing heeft opgebroken. Hij verbreekt de zegelen van het boek leerstellig, door de wil van God te openbaren, en het leven en de onsterfelijkheid aan het licht te brengen; en werkdadig, als Hij door de krachtige werking van Zijn Geest ons het verstand geeft om Hem te kennen, dat Hij de weg, de waarheid en het leven is; en "die deze weg wandelt, zelfs de dwazen zullen niet dwalen," wanneer de Doorbreker voor hun aangezicht optrekt.
2. Onbekwaamheid is een ander ding, waaraan de heiligen onderhevig zijn zolang zij op weg zijn. Zij missen sterkte om de weg te bewandelen, wanneer die hun geopenbaard is. Wel, de Doorbreker trekt voor hun aangezicht op, en "Hij geeft de moede kracht, en Hij vermenigvuldigt de sterkte dien, die geen krachten heeft."
6e De Doorbreker trekt voor hun aangezicht op; dat geeft te kennen dat Hij de weg gebaand heeft, en dat Hij voor hen, als hun Vorst en Gebieder, de weg bereisd heeft. Er zijn voornamelijk vier dingen waarin Christus voor het aangezicht van Zijn volk optrekt.
1. In gehoorzaamheid. 2. In lijden. 3. In door de dood in de heerlijkheid in te gaan.
1. Hij gaat voor ons in gehoorzaamheid, want Hij is Zelf onder de wet geworden. Hoewel Hij, wat Zijn Persoon betreft boven de wet was, want Hij was de grote Wetgever, nochtans heeft Hij Zich onderworpen haar te gehoorzamen: als Borg heeft Hij Zich onderworpen haar als een verbond te gehoorzamen, en als een Voorbeeld van heiligheid en gehoorzaamheid heeft Hij Zich aan haar als een regel onderworpen. Daarom vermaant Hij ons van Hem te leren, Zijn juk op ons te nemen, voornamelijk het juk van gehoorzaamheid aan de wet; "want, zegt Hij, Mijn juk is zacht en Mijn last is licht." Een nieuw juk is voor het vee kwellend en ongemakkelijk, totdat het een poosje gedragen en gebruikt is. Wel, zegt Christus; Ik heb het juk van Mijn wet zacht gemaakt, door het voor u te gebruiken of te dragen; Ik heb het als een verbond vervuld, en als een regel gehoorzaamd, opdat het u niet zwaar zal vallen.
2. Hij gaat voor ons in lijden. De apostel Petrus zegt; dat "Christus voor ons geleden heeft, ons een voorbeeld nalatende, opdat wij Zijn voetstappen zouden navolgen (1 Petr. 2:21). En, zegt hij verder (hoofdst. 4:1) "Omdat dan Christus voor ons in het vlees geleden heeft, zo wapent gij u ook met dezelfde gedachte", namelijk, opdat u Hem mag navolgen in dezelfde weg van lijden. Daarop ziet ook wat de apostel zegt: (Hebr. 12:2,3) "Ziende op de Overste Leidsman en Voleinder des geloofs Jezus, Die voor de vreugde die Hem voorgesteld was, het kruis heeft verdragen en schande veracht. Want aanmerkt Deze, Die zodanig een tegenspreken van de zondaren tegen Zich heeft verdragen, opdat gij niet verflauwt en bezwijkt in uw zielen."
3. De Doorbreker trekt voor ons op door de dood, en door als onze Voorloper in de heerlijkheid in te gaan. De dood, de koning van de verschrikkingen, ziet er soms zo ontzaglijk uit, dat zelfs de gedachte aan Zijn nadering genoeg is om ons met vrees en verschrikking te overstelpen; en de apostel zegt ons, dat er zijn, "die met vrees des doods door al hun leven de dienstbaarheid onderworpen zijn." Maar hoe kan een arme ziel van de vrees van de dood verlost worden? Wel, hier is het tegengif, de Doorbreker is voor ons door het dal van de schaduw des doods opgetrokken; Hij heeft zijn kracht verbroken, en de prikkel van die geduchte alles overwinnende koning uitgetrokken door Zijn dood en Zijn opstanding uit de doden. Hij heeft ons aangetoond, dat de dood niet het einde van onze loopbaan is, maar een doorgang tot een zalige onsterfelijkheid. Hij belooft dan ook, "dat een iegelijk, die in Hem gelooft, zal leven, al ware hij ook gestorven." Ja, hij zal niet zodanig door de dood en het graf verslonden worden, of "Hij zal hem opwekken ten laatsten dage." Zo redeneert de apostel in ‘t brede; in 1 Kor. 15:12-21, "dat Christus voor ons in de dood gegaan is, en Eersteling is geworden dergenen, die ontslapen zijn." Indien Christus evenals Henoch en Elia naar de hemel was overgegaan, voordat Hij gestorven was, dan hadden wij het grote onderpand en bewijs van onze onsterfelijkheid gemist. Doch Christus heeft als de grote Overste Leidsman van onze zaligheid geleden, is gestorven, en daarna in Zijn heerlijkheid ingegaan, om ons te verzekeren, dat wij Hem op de dat pad moeten volgen, opdat wij met Hem mogen zijn.
7e De Doorbreker is voor hun aangezicht opgetrokken; dit geeft te kennen, dat Hij al die vijanden, die onze zaligheid in de weg stonden in verwarring op de vlucht gedreven en verstrooid heeft.
De voornaamste vijanden, met welke de gelovige heeft te worstelen, zijn: 1. Satan; 2. de zonde; 3. de wereld; en 4. de dood. Nu, de Doorbreker heeft, door voor ons aangezicht op te trekken, al deze vijanden op de vlucht gedreven en hun sterkte verbroken.
1. Hij heeft de duivel de kop vermorzeld en hem door de dood te niet gedaan.
2. Wat de wereld aangaat, Hij heeft zowel haar toelachende als haar fronsende dingen overwonnen; Hij zegt: "Hebt goede moed. Ik heb de wereld overwonnen".
3. Wat de zonde betreft, Hij heeft "de zonde veroordeeld in het vlees." Door Zijn offerande op het kruis heeft Hij haar als een aartsverrader tegen de hemel veroordeeld.
4. Hij is in het gebied van het graf, of de hel, ingegaan en heeft de dood van zijn macht en sterkte beroofd: (Engelse overzetting van Hos. 13:14) "O dood, Ik zal uw pestilentie zijn; o graf, Ik zal uw verderf zijn." Deze vijanden deden een aanslag op de Zoon van God, maar zij werden allen in die onderneming verijdeld.
De Doorbreker, Die voor ons aangezicht heenging, heeft ze verbroken en verpletterd, zodat wij geen reden hebben voor hen te vrezen. Aan hetgeen Christus heeft gedaan kunnen wij zien, dat deze vijanden niet onoverwinnelijk zijn, dat hun macht niet onbedwingbaar is. Zij werden door hem als ons Hoofd en onze Plaatsbekleder. in onze twistzaak overwonnen, en daarom mogen wij door het geloof aanpakken en de buit delen, zeggende: "God zij dank, Die ons alle tijd doet triomferen in Christus;" want wat door het Hoofd in Zijn Eigen Persoon gedaan is, zal eerlang in al de leden geschieden.
Christus heeft deze vijanden, doordat Hij de strijd tegen hen heeft aangebonden, geheel verminkt en ontwapend, en hun het recht ontnomen Zijn vrienden en volgelingen enig letsel toe te brengen. Door de verbreking van het werkverbond hadden deze vijanden een wetsrecht over al de kinderen der mensen; de vloek van de verbroken wet gaf de duivel een wetsrecht om te heersen; de wereld om te kwellen; de zonde om tot slavernij te brengen; de dood om te vernielen en ons aan de hel over te geven. Dit alles was vervat in "dat handschrift, dat tegen ons was, hetwelk enigerwijze ons tegen was." Doch nu heeft Christus aan het kruis dat handschrift verscheurd en vernietigd, door voor ons een vloek te worden en de rechtvaardigheid te voldoen, en van die tijd af heeft de duivel geen wetsrecht om ons te verzoeken of kwaad te doen; de wereld heeft geen wettig recht om ons te verontrusten of te kwellen; de zonde heeft haar wettige heerschappij verloren, en de dood heeft geen recht meer om een lid van Christus te prikkelen of te verschrikken. De inbreuken, die deze vijanden op de gelovige maken, zijn, recht beschouwd, niets anders dan onwettige invallen en overweldigingen. Wanneer een gelovige in Christus op de dood en de voldoening van Christus ziet, waardoor Hij dat handschrift heeft vernietigd, mag hij, wanneer een van die vijanden hem aanvalt, hem wettig in het aangezicht zien, en zeggen: Waar is uw wettig recht om mij moeite aan te doen of lastig te vallen? U hebt uw wetsrecht verloren, toen mijn Hoofd en Borg het handschrift, dat tegen mij was, verscheurd heeft. U weet, dat, welke macht of sterkte een vijand ook mag hebben, dit hem ten zeerste verzwakt en ontmoedigt wanneer zijn wetsrecht vernietigd is, en hij dat niet kan tonen; omdat, in dat geval, zijn handelingen slecht boosaardige indringingen zijn, en hij als een dief en rover behandeld mag worden. Daarom, leer met uw vijanden op een rechtsgrond te handelen, op de grondslag van de dood en de voldoening van Jezus Christus; dat zal u in uw tegenstand met moed bezielen, en hen in hun aanvallen ontmoedigen.
8e De Doorbreker zal voor hun aangezicht optrekken.
Dit geeft te kennen, dat de weg naar de tremel openbaar is, en dat er geen wettige sluitboom of hinderpaal is, om hun doortocht te verhinderen naar het land van de heerlijkheid, waarheen de Doorbreker is opgetrokken. Christus is als een Borg en Plaatsbekleder tot ons gekomen, en heeft door Zijn gehoorzaamheid tot de dood aan de wet en de rechtvaardigheid volkomen voldoening gegeven en zodoende de weg vrij gemaakt van alle wettige beletselen, die ontstaan zijn uit de verbreking van het eerste verbond. De gelovigen zijn dan ook door de dood en de opstanding van Christus bevoegd geworden, alle tegenstanders en beschuldigers uit te dagen, zeggende (Rom. 8:33,34) "Wie zal beschuldiging inbrengen tegen de uitverkorenen van God? God is het, Die rechtvaardig maakt. Wie is het, die verdoemt? Christus is het, Die gestorven is, ja, dat meer is, Die ook opgewekt is; Die ook ter rechterhand Gods is: Die ook voor ons bidt." Alsof de apostel zeide: "De Doorbreker is voor ons aangezicht opgetrokken; wat zouden wij dan te vrezen hebben van de hel of de aarde, als de grote Rechter bevredigd is?"
9e De Doorbreker zal voor hun aangezicht optrekken. Dit geeft te kennen, dat welke gevaren, of moeilijkheden, of tegenstand in hun weg staan, zij nochtans onder Zijn leiding volstrekt veilig zijn. Wanneer hun Koning voor hun aangezicht heengaat, en de Heere aan hun spits is, wat hebben zij dan te vrezen? Want wanneer Hij opstaat zullen al Zijn vijanden verstrooid worden. Hierom berispt de Heere Zijn volk zo gedurig over hun ongelovige vrezen, wegens die gevaren en vijanden, die hen op hun weg bedreigen: (Jes. 41:10) "Vreest niet, want Ik ben met u, zijt niet verbaasd, want Ik ben uw God; Ik sterk u, ook help Ik u, ook ondersteun Ik u met de rechterhand Mijner gerechtigheid." Wanneer het geloof dan ook de tegenwoordigheid van een verzoende God in Christus ziet, veracht het de meest dreigende gevaren: (Ps. 23:4) "Al ging ik ook door een dal van de schaduw des doods, ik zou geen kwaad vrezen, want Gij zijt met mij."
IV. Ons vierde punt was, dat ik zal onderzoeken naar de gronden en redenen van deze bedeling, waarom Christus voor Zijn volk de weg baant? Waarom trekt Hij in hun twist naar het slagveld op?
1e Omdat zij Hem van de Vader waren geschonken, tot een erfdeel en een bezitting (Ps. 2:8); "Zij waren Uwe en Gij hebt Mij dezelven gegeven" (Joh. 17:6). Nu, Christus schat de gift van Zijn Vader hoog, zij zijn van Hem geliefd om Zijns Vaders wil, en om Zijns Vaders wil, Die ze Hem gaf, zal Hij hun de weg bereiden
2e Omdat zij met Zijn bloed gekocht zijn. Hij heeft hen tot een dure prijs uit de hand van de rechtvaardigheid gekocht. De gezegende Doorbreker werd in hun twist gebroken; "Hij is om onze overtredingen verwond, en onze ongerechtigheden is Hij verbrijzeld;" daarom is het geen wonder, dat Hij in hun zaak optrekt en de weg voor hen ontsluit door de heirlegers van de hel heen.
3e Omdat Zijn getrouwheid verbonden is hen door al de moeilijkheden van hun pelgrimsreis heen te leiden: "Ik zal de blinden leiden door de weg die zij niet geweten hebben; Ik zal ze doen treden door de paden, die zij niet geweten hebben; Ik zal de duisternis voor hun aangezicht ten licht maken, en het kromme tot recht; deze dingen zal Ik hun doen, en Ik zal hen niet verlaten. Ik zal u nooit begeven, en Ik zal u nooit verlaten. Met uw twisters zal Ik twisten, en uw kinderen zal Ik verlossen."
4e Omdat Hij rekenschap van hen moet geven aan Zijn Vader, Die ze Hem gegeven heeft. De dag komt, wanneer Christus het koninkrijk aan "God en Zijn Vader zal overgeven, opdat God zij alles en in allen." Wanneer de tegenwoordige bediening van Christus, als Middelaar, ten einde is, zal Christus "al Zijn uitverkorenen bijeen vergaderen," en zeggen: "Ziet daar, Ik en de kinderen, die Mij God gegeven geeft." Nu opdat Hij getrouw rekenschap van hen zal kunnen geven, zal Hij hun weg voor hen doorbreken.
5e Christus baant hun weg, omdat zij het zelf niet kunnen doen: "Want Christus, als wij nog krachteloos waren, is te zijner tijd voor de goddelozen gestorven." De gelovigen zijn een machteloos volk, onbekwaam om uit zichzelf iets te denken of te doen, Nu, de Heere houdt er van Zijn kracht in hun zwakheid te volbrengen, uit zwakheid krachten te doen verkrijgen; want Hij is de arme een sterkte geweest, een sterkte voor de nooddruftige, als hem bang was.
6e Hij baant hun weg en trekt voor hen op, omdat zij op Hem als hun Vorst en Gebieder vertrouwen; en Hij zal niet verraden wat zij hem toevertrouwen; neen, Hij zal aan de verwachting van de ellendige beantwoorden. "Deze ellendige riep, en de Heere hoorde. Zij hebben op Hem gezien, ja Hem als een waterstroom aangelopen, en hun aangezichten zijn niet schaamrood geworden."
7e Hij trekt voor hen op als een machtige Doorbreker, "om de vijand en wraakgierige te doen ophouden"; om Zich op de duivel te wreken, omdat hij de schepping Gods in wanorde heeft gebracht, Zijn werken verstrooid heeft, naar het beeld van Zijn Vader heeft geslagen, en een aanslag heeft gedaan op de mens, die Hij als Zijn onderkoning in deze benedenwereld had geplaatst. Daarom zei de Heere die vijand, terstond na de val, dat Hij zijn kop vermorzelen, hem en al zijn werken in stukken breken zou, en zo onze twist op die overweldigende vijand zou wreken. Hij zegt: "de dag der wraak was in Mijn hart, en het jaar Mijner verlosten was gekomen."
8e Hij trekt als een Doorbreker op in hun twist, wegens de nauwe verwantschap tot hen, onder welken Hij gekomen is. Hij is hun Verlosser, en zal Hij niet optrekken in de twistzaak van Zijn vrijgekochten? Hij is hun eeuwige Vader, en zal Hij het niet opnemen voor Zijn kinderen, Zijn zaad, dat de Heere Hem gegeven heeft? Ja, want gelijk een Vader zich ontfermt over de kinderen, ontfermt Zich de Heere over degenen, die Hem vrezen." Hij is hun Herder en zal Hij de weg niet banen voor zijn kudde, die achter Hem aan komt? Ja, gewis, want "Hij leidt Jozef als schapen; Hij zal de lammeren in Zijn armen vergaderen, en in Zijn schoot dragen; de zogenden zal Hij zachtkens leiden." Hij is hun Man en Bruidegom, en zal Hij niet door alle tegenstand van de hel heen breken voor Zijn geliefde Bruid, die Hij Zich in eeuwigheid ondertrouwd heeft? Hij is hun Koning, Vorst en Krijgoverste, en zal Hij niet verschijnen in de twist van Zijn soldaten, en in hun tocht naar de heerlijkheid voor hen heen trekken? Ja hun Koning zal voor hun aangezicht heen gaan.
V. De woorden leerstellig open gelegd hebbende zal ik nu over gaan tot de toepassing.
Het eerste gebruik zal zijn tot onderrichting.
Uit hetgeen gezegd is kunnen wij zien
1. Hoe het komt dat de ware gemeente van Christus "schrikkelijk is als slagorden met banieren." Wel, de Doorbreker is in het midden van haar, en trekt voor haar op. Wanneer de Heere aan haar spits is, kan het niet anders of zij is een verschrikking voor de poorten van de hel en al haar bondgenoten. Dit blijkt onder andere ook uit Ps. 76:2,3, vergeleken met vs. 4,6,7 en 8: "God is bekend in Juda; Zijn Naam is groot in Israël; en in Salem is Zijn hut; en Zijn woning in Sion. Daar heeft Hij verbroken de vurige pijlen van de boog, het schild, en het zwaard, en de krijg, Sela! De stouthartigen zijn beroofd geworden; zij hebben hun slaap gesluimerd, en geen van de dappere mannen hebben hun handen gevonden. Van uw schelden, o God Jacobs, is samen wagen en paard in slaap gezonken. Gij, vreselijk zijt Gij; en wie zal voor Uw aangezicht bestaan, van de tijd Uws toorns af?"
2. Ziet hieruit hoe het komt, dat het Jeruzalem van God een lastige steen zal zijn, en dat allen, die zich daarmede beladen, gewis zullen doorsneden worden. In deze tijd zijn enkele stoute slagen gegeven op de graveerselen van de tempel Gods; op de grondrechten en voorrechten van Gods gemeente en volk wordt inbreuk gemaakt, in het bijzonder in het verkiezen van hun eigen herders; beschermheren en bedorven geestelijken, met hun volgelingen plunderen en beroven de Bruid van Christus, en "nemen haar sluier van haar." Doch wacht een weinig, totdat de Doorbreker optrekt, tot de Heere in het strijdperk treedt, en dan zullen wij breuk voor beuk zien. Ik zal u een woord hierover voorlezen uit Jes. 41:11,12,13 en 16: "Ziet, zij zullen beschaamd en te schande worden, allen, die tegen u ontstoken zijn; zij zullen worden als niet, en die lieden, die met u twisten, zullen vergaan. Gij zult hen zoeken, maar zult hen niet vinden; de lieden, die met u kijven, zullen worden als niet, en die lieden, die met u oorlogen, als een nietig ding. Want Ik, de HEERE, uw God, grijp uw rechterhand aan, Die tot u zeg: Vrees niet, Ik help u. Gij zult ze wannen, en de wind zal ze wegnemen, en de stormwind zal ze verstrooien; maar gij zult u verheugen in den HEERE; in den Heilige Israëls zult gij u roemen."
3. Ziet hieruit hoe het komt, dat de ware kerk van God soms in de handen van de vijand valt, hoewel de Heere haar Hoofd, Beschermheer en Beschermer is. De verborgenheid daarvan is hierin gelegen, dat zij haar Doorbreker wegzondigt, door Hem niet te volgen in de weg, die Hij voor haar gebaand heeft. Christus heeft de weg gereisd, Hij heeft ons de weg aangewezen, zowel wat de leer, als de tucht, dienst en regering betreft. Nu, wanneer een zichtbare Kerk Hem niet volgt, maar, evenals Israël, beslist andere leidslieden wil volgen, en naar de geboden van mensen wandelt, en de zaken van Christus’ koninkrijk naar het plan van wereldse staatslieden inricht, waarnaar de koninkrijken van deze wereld bestuurd en geregeerd worden; dan volgt zij in dat geval haar Koning niet, maar verloochent zij inderdaad de Heere als haar Hoofd, en daarop worden haar "muren des heils doorgebroken, haar wagens en ruiters zijn weg, en, het zwijn uit het woud wroet haar uit, en het wild gedierte des velds weidt haar af." De Kerk van Christus kan nooit bloeien, dan door in de voetstappen te wandelen van Christus, de Doorbreker, Die voor ons is opgetrokken, en "ons een voorbeeld heeft nagelaten, opdat wij Zijn voetstappen zouden navolgen."
4. Ziet hieruit hoe de koers van afvalligheid, die wij nu reeds zo lang tijd gevolgd hebben, het krachtigst gestopt kan worden, wanneer de godsdienst kwijnt en laag afgelopen is. Wanneer een bedorven partij of kerk de overhand heeft; wanneer de dwaling doorwerkt als het koudvuur, en de fondamenten waggelen; wat is dan de beste wijze om de vijand tegen te houden, die komt gelijk een stroom? Wel, in dat geval moeten wij tot de machtige Doorbreker roepen, dat Hij tot ons wederkeert, want zodra Hij verschijnt zal de vijand, die gelijk een stroom komt, teruggedreven worden: (Ps. 114:3,4) "De zee zag het, en vlood; de Jordaan keerde achterwaarts; de bergen sprongen op als rammen; de heuvelen als lammeren." Ja, dan "beeft de aarde voor het aangezicht van de God Jacobs (vs. 7 en 8), Die de rotssteen verandert in een watervloed, de keisteen in een waterfontein."
5. Ziet hieruit hoe het komt, "dat de rechtvaardige zijn weg zal vasthouden, en in sterkte zal toenemen," niettegenstaande hij met de machten van de hel, de wereld en de inwonende verdorvenheid heeft te worstelen. Wel, de reden is, dat de Doorbreker voor Zijn aangezicht is opgetrokken; Hij heeft zijn weg ontsloten, de Heere is aan zijn spits, als de Overste Leidsman van zijn zaligheid. Zo komt het, dat hoewel "de schutters hem wel bitterheid aangedaan, en beschoten, en gehaat hebben, zijn boog toch in stijfheid is gebleven, en de armen van zijn handen gesterkt zijn geworden door de handen des Machtigen Jacobs."
Een tweede gebruik is tot beproeving.
Is het zo, dat de heerlijke Verlosser de Doorbreker is van de weg naar de heerlijkheid, en dat Hij als een machtige Krijgsoverste optrekt, om hun strijden te strijden tegen de machten van de hel en van de aarde? Mogen wij dan bij deze gelegenheid niet uitroepen: Wie is met de Heere? Bent u voor deze Doorbreker, of bent u tegen Hem? Het gehele geslacht van Adam is verdeeld tussen Christus en de duivel, zij zijn òf van het zaad van de vrouw, òf van het zaad van de slang. Dat u de naam van Christenen draagt, bewijst niet, dat u aan de zijde van de Heere staat, want velen, die die naam dragen, werden nooit met Zijn Geest gezalfd, en "zo iemand de Geest van Christus niet heeft, die komt Hem niet toe." Het zal niet bewijzen, dat u aan Zijn zijde staat, dat u aan de Avondmaalstafel bent toegelaten, want velen zullen in de dag van het oordeel zeggen: "Wij hebben in Uw tegenwoordigheid gegeten en gedronken"; ja sommigen zullen in staat zijn meer te zeggen, namelijk: "Hebben wij niet in Uw Naam geprofeteerd, en in uw Naam vele krachten gedaan?" tot wie Hij nochtans openlijk zal aanzeggen: "Ik heb u nooit gekend. Gaat weg van Mij, gij, die de ongerechtigheid werkt." U hebt dan ook wat anders nodig, om u te onderscheiden van anderen, of te bewijzen, dat u aan de zijde staat van deze machtige Doorbreker, Die optrok voor het aangezicht van de legerscharen van Israël.
Vraagt u: Hoe zal ik weten of ik voor Hem, of tegen Hem ben? Dan zal ik, in mijn antwoord, slechts kenmerken geven die in de tekst voorkomen.
1e Ik vraag u dan ter beproeving, of u uit uw natuurlijke dienstbaarheid en gevangenschap bent uitgegaan? Ieder zondaar is van nature in gevangenschap, een gevangene in ketenen, gebonden "in een geheel bittere gal en samenknoping der ongerechtigheid." Nu, Christus met Zijn bloed vrijgekocht hebbende, komt in de uitdeling van het Evangelie, en "roept den gevangenen vrijheid uit, en den gebondenen opening der gevangenis." Nu vraag ik u: Heeft de Heere u ooit, door de kracht van de Geest, tot het vast besluit gebracht uw geestelijke boeien te verbreken en af te schudden? Is de keten van geestelijke duisternis ooit verbroken geworden, doordat de Heere met Zijn licht in uw harten heeft geschenen? Is de keten van vijandschap verbroken geworden, doordat de liefde Gods in uw harten is uitgestort door de Heilige Geest? Is de keten van ongeloof verbroken geworden, zodat u nu wel duizend werelden zoudt willen geven, om bevrijd te worden van een boos en ongelovig hart, dat u doet afwijken van de levende God? Hebt u afscheid genomen van al de onvruchtbare werken van de duisternis, zodat u met Efraïm kunt zeggen: "Wat heb ik meer met de afgoden te doen?"
2e Ik vraag u ter beproeving: Bent u door de poort gegaan? Want gelijk zij, die de Doorbreker volgen, doorbreken, zo ook gaan zij door de poort. Ik zal u over tweeërlei poort spreken, die u doorgegaan bent, als u volgelingen van Christus bent.
(1.) De poort van de wet, en (2.) de poort van het Evangelie.
(1.) Velen gaan door de wetspoort van overtuiging, die nochtans nooit door de Evangeliepoort van het geloof in de Zoon van God gaan. Ik geloof niet, dat er ooit volwassen mensen door de poort van het Evangelie gaan, zonder dat zij door de poort van de wet zijn gegaan; "want de wet is onze tuchtmeester tot Christus." Ik vraag u dan: bent u door de wetspoort van overtuiging, verschrikking en vernedering gegaan? Heeft Christus, de machtige Doorbreker de hamer van Zijn wet genomen, en de steenrots in stukken geslagen? Heeft Hij u met de stokbewaarder bevende doen uitroepen: "Wat moet ik doen, opdat ik zalig worde?" Ik bepaal de Heilige Israëls niet tot een bepaalde mate van het werk van de wet. Hij handelt als een Soeverein, zowel in de bedeling van de verschrikkingen van de wet, als van de vertroostingen van het Evangelie. Maar mij dunkt, dat ik veilig mag zeggen, dat een zondaar nooit tot de Zaligmaker de toevlucht zal nemen, zolang hij niet ziet, dat als God Zijn ongerechtigheden gadeslaat naar de inhoud van de wet, hij niet voor Hem kan bestaan. Doch zoals ik zeide, velen gaan door de poort van verschrikkingen van de wet en overtuiging, die nooit verder komen. Kaïn, Judas, Felix en vele anderen staan als getuigen van deze waarheid aangetekend.
(2.) De hoofdzaak is daarom, of u waarlijk door de enge poort en de nauwe weg van het geloven in de Zoon van God bent gegaan? Christus is de enige Poort en Deur van de zaligheid voor een verloren zondaar. In Hem geloven is een ingaan door Gods deur, een ingaan in Gods rust, een staat van vrede, gunst en gemeenschap met God, Daarom vraag ik: Bent u door deze deur ingegaan, door in de Heere Jezus te geloven? Christus zegt: "De poort is eng en de weg is nauw, die tot het leven leidt, en weinigen zijn er die dezelve vinden".
Als u onder die weinigen behoort, hebt u twee of drie dingen achtergelaten; "want het is lichter, dat een kemel ga door het oog van een naald," dan dat iemand die dingen niet aflegt, wanneer hij door deze poort gaat van het geloven in de Heere Jezus Christus.
1e U hebt dan de eigendunk achtergelaten. Want, zegt Christus, "zo iemand achter Mij wil komen, die verloochene zichzelf"; in het bijzonder, eigengerechtigheid of de werken van de wet, in het stuk van rechtvaardigheid of aanneming. Dit kan nooit door de poort ingaan; neen, neen, Christus zegt tot de eigengerechtige Farizeeën: "voorwaar Ik zeg u, dat de tollenaars en de hoeren u voorgaan in het koninkrijk Gods". Hoewel Paulus eertijds, naar de rechtvaardigheid, die in de wet is, onberispelijk was, toch achtte hij die drek te zijn, zodra hij door deze poort was gegaan.
2e U hebt dan uw zonden en begeerlijkheden achtergelaten. De enge poort van de zaligheid laat geen van deze dingen door; zodra iemand deze poort ingaat, roept hij met Efraïm: "Wet heb ik meer met de afgoden te doen? Heb ik onrecht gewrocht, ik zal het niet meer doen". Ja, al waren zij hem zo lief en na als zijn rechterhand en zijn rechteroog, hij zal ze niet sparen; neen, hij werpt ze alle voor de mollen en vleermuizen, en voert voor altijd strijd tegen elke bekende zonde.
3e U hebt dan de liefde van de wereld verlaten; want "zo iemand de wereld liefheeft, de liefde des Vaders is niet in hem. De vriendschap van de wereld is een vijandschap Gods". De liefde Gods en de liefde van de wereld kunnen niet in hetzelfde hart heersen: "Niemand kan twee heren dienen; wij kunnen niet God dienen en de Mammon. Zodra iemand door deze poort ingaat worden de ogen van zijn verstand geopend om te zien, dat het oordeel, dat God daarover heeft uitgesproken, waarachtig is, dat het al ijdelheid is en kwelling des geestes. Gelijk hij dan zijn dunk van de dingen van de wereld kwijt raakt, zo verlaat hij ook de wegen en gedragingen van de wereld, volgens die vermaning van de apostel: "Wordt dezer wereld niet gelijkvormig, maar wordt veranderd door de vernieuwing uws gemoeds" In het bijzonder verlaat hij de vleselijk rede en het vleselijk beleid als zijn leidsman in de dingen van Christus, en de zaken, die de heerlijkheid Gods en de zaligheid van zijn ziel betreffen. U ziet in de apostel Paulus, dat hij zodra "het Gode behaagde Zijn Zoon in hem te openbaren, terstond niet te rade ging met vlees en bloed".
4e Hier wordt ook gezegd, dat zij, die Christus, de heerlijke Doorbreker volgen, door de poort uittrekken, die Hij voor hen heeft doorgebroken. Wij hebben een dergelijke uitdrukking in Joh. 10:9: "Ik ben de Deur; indien iemand door Mij ingaat, die zal behouden worden, en hij zal ingaan en uitgaan, en weide vinden". Zodra de arme ziel door deze poort gaat, vindt zij buiten de poort, als het ware, enige dingen, die zij tevoren niet kon vinden. Ik zal u onder vele dingen enkele tot voorbeeld geven, tot welke hij uitgaat, wanneer "hij door de poort gaat."
1. Hij gaat uit van de duisternis tot het licht: "eertijds waart gij duisternis, maar nu zijt gij licht in de Heere." Hij krijgt "verlichte ogen zijns verstands, opdat hij moge weten welke zij de hoop van zijn roeping, en welke de rijkdom zij van de heerlijkheid van zijn erfenis in de heiligen," Die mens begint dingen te zien, die tevoren niet door hem gezien werden. Hij ziet de heiligheid van de wet; de majesteit van de Wetgever; de bovenmatige zondigheid van de zonde, de heerlijkheid van Christus; de schoonheid van de heiligheid; de nietigheid van de tijdelijke en het gewicht van de eeuwige dingen.
2. Hij gaat uit van de dood tot het leven. Voordat die mens door deze poort ging was hij dood, wettig dood, geestelijk dood, en ieder ogenblik in gevaar van de tweede dood in te gaan; doch nu gaat hij in het leven, in een leven van rechtvaardigmaking, het handschrift is uitgewist en doorgehaald door het bloed van het Lam. "Er is geen verdoemenis voor degenen, die in Christus Jezus zijn." Neen, zij zijn Gode levend door Christus. Hij gaat in een leven van heiligmaking en heiligheid. Hij, die tevoren tussen de potten woelde, wordt nu bekleed met de heerlijkheid van de Heere Zijn God, waardoor hij blinkt als de vleugelen ener duif. Hij gaat een leven van vertroosting in, dat ontstaat uit de omgang en de gemeenschap met de Heere, die hij nu ondervindt. Het licht van Gods aanschijn geeft meer blijdschap in zijn hart, dan "wanneer koren en most vermenigvuldigen." In één woord, iemand gaat niet zodra door deze poort uit, of hij gaat in het eeuwige leven in. Want "die de Zoon heeft, heeft het leven, Die in de Zoon gelooft heeft het eeuwige leven." En, als een erfgenaam van zo’n erfenis gedraagt hij zich als een vreemdeling op aarde, verwachtende de stad, die fondamenten heeft, welker Kunstenaar en Bouwmeester God is.
3. Die mens gast uit de dienstbaarheid uit; de dienstbaarheid van de zonde, de duivel en de vloek, tot "de vrijheid van de heerlijkheid van de kinderen Gods." Die mens beschouwt het niet langer als een soort van slavernij, evenals Doëg, opgehouden te zijn voor het aangezicht des Heeren in Zijn ordinanties, neen, hij zal zeggen: (Ps. 27:4) "Één ding heb ik van de Heere begeerd dat zal ik zoeken, dat ik alle dagen mijns levens mocht wonen in het huis des Heeren, om de lieflijkheid des Heeren te aanschouwen en te onderzoeken in Zijn tempel; (Ps. 84:11) "want één dag in Uw voorhoven is beter dan duizend elders. Ik koos liever aan de dorpel in het huis mijns Gods te wezen, dan lang te wonen in de tenten der goddeloosheid." Het is voor hem geen slavernij in de nauwgezette en zuivere wegen van de heiligheid te wandelen. Neen, hij bevindt, dat de zonde en haar wegen hem onder een geest van de dienstbaarheid brengen; maar wat de wegen des Heeren betreft, die zijn zijn lust. Hij verheugt zich in gerechtigheid te werken, en zal met David zeggen: "Och, dat mijn wegen gericht werden, om Uw inzettingen te bewaren! Mijn ziel is verbroken vanwege het verlangen naar uw oordelen te aller tijd."
Een derde gebruik van deze leer zal zijn tot verschrikking van de boze en goddeloze wereld, die in een staat van zonde en opstand tegen God leeft.
Deze machtige Doorbreker zal de strijd tegen u aanbinden, en o, wanneer Hij "Zijn glinsterend zwaard wet, en Zijn hand ten gerichte grijpt, zal Hij de wraak op Zijn tegenpartijen doen terugkeren, en Zijn haters vergelden."
Wie mogen onder het getal van de vijanden van Christus geteld worden, die Hij als met een ijzeren roede zal verbreken? Ik antwoord:
1e De grote machthebbers van de aarde, die hun macht niet gebruiken ten diepste van Zijn koninkrijk, of die hun macht aanwenden, om Zijn zaak en zijn belang in de wereld te benadelen of afbreuk te doen. Zij zijn niet van Zijn gezag uitgezonderd, neen, zij staan voor deze machtige Doorbreker op gelijke voet met anderen: (Ps. 2:9) "Gij zult ze verpletteren met een ijzeren scepter, Gij zult ze in stukken slaan als een pottebakkersvat. Nu dan gij koningen, handelt verstandiglijk, laat u tuchtigen, gij rechters der aarde." Wanneer mannen van macht en gezag tegen Hem beginnen achteruit te slaan, kan Hij Zich met het grootste gemak aan hen wreken, want "Hij snijdt de geest der vorsten als druiven af; Hij is den koningen der aarde vreselijk. Hij giet verachting over de prinsen uit; Hij zal koningen verslaan ten dage zijns toorns."
2e Deze machtige Doorbreker zal te zijner tijd de strijd aanbinden tegen alle ontrouwe leraars en herders, die, in plaats van de schapen van Christus te weiden. het vette eten; en die in plaats van de schapen des Heeren te vergaderen, over hen heersen met strengheid en wreedheid. Leest thuis op uw gemak Ezechiël 34, van het begin tot het einde, en ziet of die woorden niet op enige van onze toepasselijk zijn, die op de huidige dag herders genoemd worden.
3e De Doorbreker zal strijden tegen alle onwetenden, die temidden van het licht in duisternis leven; "want het is geen volk van enig verstand, daarom zal Hij, Die het gemaakt heeft Zich erover niet ontfermen, en Die het geformeerd heeft, zal aan hetzelve geen genade bewijzen."
4e Tegen alle ongelovigen, die de aanbiedingen van Zijn genade door Christus verwerpen: "Die niet gelooft is reeds veroordeeld, en de toorn Gods blijft op hem". Hij zal komen "met vlammend vuur, wraak doende over degenen, die God niet kennen, en over degenen, die het Evangelie van onze Heeren Jezus Christus niet gehoorzaam zijn".
5e Tegen alle naamchristenen, die zich tevredenstellen met een naam, dat zij leven, terwijl zij dood zijn in zonde.
6e Hij bindt de strijd aan tegen alle verbondsbrekers, die inzake plechtige geloften, hetzij die nationaal of persoonlijk zijn, bedrieglijk handelen met God of mensen. Een zware beschuldiging, die wij in dit land op onszelf mogen toepassen, en waarvoor, naar te vrezen is, God Zich aan ons zal wreken: "Zal hij het verbond breken en ontkomen?" Neen, zegt de Heere: "Want Ik zal een zwaard over u brengen", dat de wraak des verbonds wreken zal.
7e Hij zal als een Doorbreker optrekken tegen alle afvalligen en afwijkers, die de wegen Gods wel schenen te lopen, maar, evenals een bedrieglijke boog, haast afwijken en zich neigen tot hun kromme wegen. Velen van u hebben aan een avondmaalstafel uw handen opgestoken, en plechtig belijdenis gedaan