Preken
van
Ralph Erskine
bedienaar van het Evangelie te Dunfermline - Schotland
over
Spr. 3:17 De wegen van de Wijsheid lieflijkheid, en haar paden vrede
Pred. 9:14,15 De kleine stad belegerd en verlost; of: de verlossing van de Kerk door Christus, en de ondankbaarheid van de mensen aan de heerlijke Verlosser voorgesteld
Jes. 8:18 Het oordeel van de wereld over Christus en Zijn volgelingen, of: de ware godvrezende door de goddelozen bespot en gesmaad
Deel 1
Inhoud
De wegen van de Wijsheid lieflijkheid, en haar paden vrede (1e preek) *De wegen van de Wijsheid lieflijkheid, en haar paden vrede (2e preek)
*De wegen van de Wijsheid lieflijkheid, en haar paden vrede (3e preek)
*De wegen van de Wijsheid lieflijkheid, en haar paden vrede (4e preek)
*De wegen van de Wijsheid lieflijkheid, en haar paden vrede (5e preek)
*De kleine stad belegerd en verlost; of: de verlossing van de Kerk door Christus, en de ondankbaarheid van de mensen aan de heerlijke Verlosser voorgesteld
*Het oordeel van de wereld over Christus en Zijn volgelingen, of: de ware godvrezende door de goddelozen bespot en gesmaad
*De wegen van de Wijsheid lieflijkheid, en haar paden vrede (1e preek)
Spr. 3:17. Haar wegen zijn wegen der liefelijkheid, en al haar paden vrede.
Gelijk de weg van de godsdienst een veilige en zekere weg is (Spr. 10:9), zo wordt hij hier beschreven als een aangename en liefelijke weg. In de voorafgaande verzen worden verscheidene andere kentekenen gegeven, welke als zoveel gronden zijn, om ons te bewegen naar de ware wijsheid en Christus, de wezenlijke Wijsheid van de Vader, te vragen. De gelukzaligheid van hen die wijsheid vinden is een zeer voortreffelijke gelukzaligheid, ver te boven gaande wat in deze wereld te vinden is, (vs. 14, 15). Het is ware gelukzaligheid, waarin al die dingen begrepen zijn, welke verondersteld worden een mens gelukkig te maken (vs. 16, 17). De wijsheid wordt hier voorgesteld als een verstandige en schone koningin, die giften uitdeelt aan haar geliefde onderdanen; zoals, lengte van dagen, ja het eeuwig leven; rijkdom en eer. Hier zijn ware rijkdommen, de onnaspeurlijke rijkdommen van Christus; ware eer, "de rechtvaardige is voortreffelijker dan zijn naaste;" ja, al waren zij in deze wereld in donkerheid begraven, in de toekomende zullen zij blinken gelijk de zon. Hier is waar genoegen; "haar wegen zijn wegen der liefelijkheid."
Het is geen bewijsgrond tegen dit onderwerp, dat de goddeloze wereld geen vermaak kan scheppen in de wegen van de Wijsheid; want gelijk dat voedsel verrukkelijk is voor een beest, dat voor een mens walglijk zou zijn als de dood, zo ook zijn die dingen liefelijk voor een onvernieuwd mens, daar een geheiligde ziel van zou walgen. Het is daarom geen wonder, dat die dingen die voor een vernieuwde ziel zeer liefelijk zijn, verafschuwd worden door hen, van welken de beestachtige natuur nooit werd veranderd, of die geen geestelijke gezondheid hebben. Indien wij wilden bewijzen, dat wijn aangenamer smaakt dan azijn, of brood dan as, zouden wij ons daartoe niet wenden tot een zieke of kranke; een gezonde, die moet dat beoordelen. Zij die geringe gedachten van God hebben, kunnen Hem niet liefhebben, of zich in Hem verlustigen, doch allen, die Hem in Christus eren, weten en erkennen, dat "de wegen der wijsheid wegen der liefelijkheid zijn, en alle haar paden vrede."
Zoals de mensen zien, zo is datgene waarin zij zich vermaken. Wij zijn van nature vol van boosaardige vijandschap tegen God en de godzaligheid, en daarom zijn zij door geen rede te overtuigen, dat God en de godzaligheid de liefelijkste dingen zijn; ik zeg, geen rede zal hen van die vijandschap overtuigen, geen rede zal een luiaard overtuigen, dat arbeid beter is dan slaap of luiheid; geen rede zal een dronkaard, vraat, of wellusteling overreden, dat onthouding en matigheid het aangenaamste leven zijn. Zolang God hun harten niet verandert, zullen zij niet veranderen van datgene waarmee zij zich vermaken.
De woorden van onze tekst bevatten tweeërlei leer. De ene is, "dat de wegen der wijsheid liefelijkheid zijn;" de andere, "dat haar paden vrede zijn."
Verscheidene vragen kunnen hier worden voorgelegd en opgelost, om de woorden daardoor nauwkeuriger te verklaren en tot beter begrip van hun mening.
( l ) Wat moeten wij verstaan door de wegen van de Wijsheid?
Aangezien wij door de Wijsheid voornamelijk Christus moeten verstaan, Die de Wijsheid Gods is, in Wie al de schatten van wijsheid en kennis verborgen zijn, zo moeten wij door de wegen van de Wijsheid verstaan, of de wegen waarin de Wijsheid tot ons komt, welke zijn goedertierenheid en waarheid: "Gij zult Jakob de trouw [of waarheid] Abraham de goedertierenheid geven, die Gij onze vaderen van oude dagen af gezworen hebt" (Micha 7:20); "Hij is gedachtig geweest Zijner goedertierenheid, en Zijner waarheid aan het huis Israëls" (Ps. 98:3). Goedertierenheid legt het fondament; waarheid legt de hoeksteen aan; of de wegen welke de Wijsheid ons aanwijst, om er in te wandelen, welke zijn geloof en liefde. Het geloof ziet Christus en neemt de toevlucht tot Hem: de liefde verlustigt zich in Hem. Door het geloof komen wij tot Christus: door de liefde wandelen wij in Zijn liefelijke wegen.
(2) Waarom wordt er gezegd, dat de wegen der Wijsheid liefelijkheid zijn? Zij zijn niet slechts liefelijk, maar liefelijkheid, in het afgetrokkene.
Dit is om aan te wijzen, dat de wegen van de Wijsheid zodanig zijn, dat er overvloedige verlustiging en voldoening in te vinden is. Al de genietingen en vermakelijkheden van de zinnen zijn niet te vergelijken bij het vermaak, dat de begenadigde ziel vindt in de omgang en de gemeenschap met God, en in de loopbaan van heilige Evangeliedienst en gehoorzaamheid. Het is dan ook niet slechts deze of die weg van de Wijsheid, maar haar wegen zijn alle bestrooid met rozen en vermaken
(3) Wat moet men verstaan door de paden van de Wijsheid?
Indien dit iets anders betekent dan de wegen van de Wijsheid, en niet maar een andere uitdrukking voor dezelfde zaak is, dan schijnt het te betekenen, dat niet slechts de wegen van de godsdienst in het algemeen, maar dat al de bijzondere paden van die weg liefelijk zijn. Iedere genadedaad, elke plicht, elk bijzonder deel van de geestelijke dienst, ja het verborgen pad van de godsdienstplichten, zowel als de openbare wegen van de godsdienst, zijn alle liefelijkheid.
(4) Wat moet verstaan worden door vrede?
Dat de paden der Wijsheid niet alleen vredig, maar vrede zelf zijn; niet alleen op vrede uitlopen, want: "Let op de vrome, en ziet naar de oprechte; want het einde van die man zal vrede zijn:" want zij brengen ook mee, bevorderen en vermeerderen vrede en verzoening tussen God en de mens; vrede van het geweten tussen de mens en Hem; en vrede van overeenstemming tussen mensen onderling. Van het eerste leest u in Rom. 5:1 "Wij de gerechtvaardigd zijnde uit het geloof hebben vrede bij God door onze Heere Jezus Christus;" van het tweede in Spr. 15:15 "Een vrolijk hart is een gedurige maaltijd;" en van het derde in Ps. 133:1 "Ziet hoe goed en hoe liefelijk is het, dat broeders ook samen wonen."
De woorden zelf zijn een leerstellig voorstel,waaraan wij in de behandeling niets toevoegen, namelijk:
Dat de wegen van de Wijsheid liefelijkheid en haar paden vrede zijn.
De volgorde waarin wij dit leerstuk ter opheldering, met de Goddelijke bijstand, zullen behandelen is de volgende:
I. Zullen wij de waarheid van dit voorstel aantonen, dat de wegen van de Wijsheid liefelijkheid zijn.
II. De hoedanigheid overwegen van dat vermaak, dat in de wegen van de Wijsheid wordt gevonden.
III. Over de bijzondere paden van de Wijsheid spreken, welke alle vrede zijn.
IV. De natuur en de eigenschappen van die vrede verklaren, en
V. Het gehele onderwerp toepassen.
I. Wij zullen de waarheid van dit voorstel trachten aan te tonen, namelijk, "dat de wegen van de Wijsheid liefelijkheid zijn." Dit kunnen wij doen, (1) bij wijze van gevolgtrekking uit bijzonderheden, door sommige van de wegen van de Wijsheid, die liefelijkheid zijn, voor te stellen. (2) Door enkele van de bronnen van vermaak te ontsluiten, waaruit de kinderen van de Wijsheid, die hun wegen bewaren, hun vermaken en vertroostingen putten.
1e Wij kunnen de waarheid van de opmerking bewijzen uit een gevolgtrekking van bijzonderheden, door sommige van de wegen van de Wijsheid die liefelijkheid, zijn na te speuren. Ik zal hier vier wegen van de Wijsheid vermelden, namelijk: voorzienige besturingen; leerstellingen; evangelische genaden; en geestelijke weldaden en werken van God in en omtrent de kinderen van de Wijsheid, die alle liefelijkheid zijn.
[1] Er zijn voorzienige besturingen, die een deel zijn van de wegen van de Wijsheid. Deze zijn wonderlijk vermakelijk en onnaspeurlijk. (Rom. 11:33) "O diepte des rijkdoms, beide der wijsheid en der kennis Gods! Hoe ondoorzoekelijk zijn Zijn oordelen, en onnaspeurlijk Zijn wegen!" (Openb. 15:3) "Groot en wonderlijk zijn Uw werken, Heere, Gij almachtige God; rechtvaardig en waarachtig zijn Uw wegen; Gij Koning der heiligen". De Heere geeft Zijn volk dagelijks reden Hem te loven voor Zijn goedertierenheid, (Ps. 35:27) "Groot gemaakt zij de Heere die lust heeft tot de vrede Zijns knechts".
Tegenwerping. Doch wat te zeggen van Zijn roeden en verdrukkingen? "Alle kastijding, als die tegenwoordig is, schijnt geen zaak van vreugde maar van droefheid te zijn" (Hebr. 12:11)
Antwoord. Men moet in aanmerking nemen, dat er niet geschreven staat, dat zij een zaak van droefheid zijn, maar dat zij dat schijnen te zijn. Zij zijn niet waarlijk smartelijk, maar verblijdend, want er kan veel blijdschap zijn in de verdrukking (1 Thess. 3:7). Indien wij de Schrift raadplegen, zullen wij vinden, dat grote verdrukking gepaard gaat met blijdschap (Hab. 3:16, 17, 18). Zo ook David was zeer bang; Saul jaagde hem na als een veldhoen en vervolgde hem; de Filistijnen verdachten hem; zijn vrienden, in plaats van hem te kunnen troosten, waren gevangen genomen; het volk sprak van hem te stenigen; doch David sterkte zich in zijn God (1 Sam. 30:6). Ziet ook Jak. 1:2 en 2 Kor. 12:10. "Acht het voor grote vreugde, mijn broeders, wanneer gij in velerlei verzoekingen valt." "Daarom heb ik een welbehagen in zwakheden, in smaadheden, in noden, in vervolgingen, in benauwdheden om Christus wil. Want als ik zwak ben, dan ben ik machtig." Zij waren verblijd in hun verdrukking. Zij hebben de roving van hun goederen met blijdschap aangenomen (Hebr. 10:34). Er zijn veel voorbeelden, die dit bewijzen; zelfs verheugden de martelaars zich in de vlammen. Waarom riep die martelaar uit, dat het vuur en de pijniging welke hij verduurde, liefelijker waren dan een bed van rozen? Waarom waren Paulus en Silas zo opgewekt en vrolijk in een duistere kerker en hun voeten verzekerd in de stok? Wel, zij bezegelden dit met hun bevinding, dat de wegen van de Wijsheid liefelijkheid zijn, namelijk in voorzienige besturingen en zeer droevige bedelingen, zowel als in voorspoedige.
[2] Er zijn leerstellingen die een deel zijn van de wegen van de Wijsheid, en ook die zijn alle liefelijkheid. De waarheden en leerstukken van Gods Woord zijn zoeter dan honig en honigzeem (Ps. 19:11). "Uw getuigenissen zijn mijn vermakingen", zegt David (Ps. 119:24). "Als Uw woorden gevonden zijn, zo heb ik ze opgegeten, en Uw Woord is mij geweest tot vreugde en tot blijdschap mijns harten (Jer. 15:16). Hiermee wordt te kennen gegeven, dat Zijn woorden moeten worden opgegeten en verwerkt, voordat de zoetigheid daarvan kan worden gesmaakt. Er is voornamelijk in de leer van het Evangelie van Christus een bijzondere aangenaamheid, Hoe liefelijk is het leerstuk van Zijn vleeswording! Ziet hoe de engelen die bezingen voor de herders (Luk. 2:10—14). Gaat van Zijn vleeswording tot Zijn dadelijke gehoorzaamheid; wat is die liefelijk! Zij is de gerechtigheid Gods; de menselijke natuur van Christus had nimmer enig bestaan afgescheiden van de goddelijke; zodra zij er was, was zij verenigd met God. Zo verheerlijkte Hij de wet. Laat ons voortgaan van Zijn doen tot Zijn lijden. Hoe liefelijk is de leer van Zijn lijdelijke gehoorzaamheid! Hij is om onze overtredingen verwond; bevredigde de rechtvaardigheid Gods, "heeft Zichzelf voor ons overgegeven tot een offerande en een slachtoffer, Gode tot een welriekende reuk" (Ef. 5:2). O wat een liefelijk en smakelijk leerstuk kan dat voor ons zijn! Doch, laat ons van Zijn lijden voortgaan tot Zijn opstanding. Hoe liefelijk is de leer van Christus’ opstanding! Hier is de grondslag van onze blijde hoop. "Wij zijn wedergeboren tot een levende hoop door de opstanding van Jezus Christus uit de doden" (1 Petr. 1:3). Gaan wij van Zijn opstanding over tot Zijn hemelvaart. Hoe liefelijk is de leer van de hemelvaart van Christus! (Ef. 4:8) "Als Hij opgevaren is in de hoogte heeft Hij de gevangenis gevangen." (Hand. 5:31) "Deze heeft God door Zijn rechterhand verhoogd tot een Vorst en Zaligmaker, om Israël te geven bekering en vergeving van de zonden. (Ps. 68:19) "Gij zijt opgevaren in de hoogte, Gij hebt de gevangenis gevankelijk gevoerd, Gij hebt gaven genomen, om uit te delen onder de mensen. De woorden zijn zeer nadrukkelijk: "Hij is opgevaren in de hoogte, Hij heeft gaven genomen voor de mensen." Ziet verder van Zijn hemelvaart op Zijn voorbidding. Hoe liefelijk is de leer van Zijn voorbidding in de hemel. Hiervan lezen wij: 1 Joh. 2:1, 2) "Indien iemand gezondigd heeft, wij hebben een Voorspraak bij de Vader, Jezus Christus de Rechtvaardige". (Hebr. 7:25) "Hij kan volkomen zaligmaken degenen die door Hem tot God gaan, alzo Hij altijd leeft om voor hen te bidden." Hij is God in onze natuur; niets kan de mens nader zijn dan de mensheid. Christus is van ons geslacht, en Gods eeuwige Zoon, Zijn geliefde Zoon; al wat Hij vraagt verkrijgt Hij; "de Vader hoort Hem altijd." Deze leerstellingen zijn zoveel bronnen, waaruit ware gelovigen veel vertroosting en zoetigheid kunnen putten.
Ik kan over dit punt een menigte liefelijke dingen aanvoeren; zoals, de liefelijke raadgevingen van Christus, de liefelijke nodigingen, de liefelijke beloften, en de liefelijke getuigenissen van het Woord.
1. De liefelijke raadgevingen van Christus in het Woord zoals: (Openb. 3:17, 18) "Ik raad u, dat gij van Mij koopt goud, beproefd komende uit het vuur, opdat gij rijk moogt worden; en witte klederen, opdat gij moogt bekleed worden, en de schande van uw naaktheid niet geopenbaard worde; en zalf uw ogen met ogenzalf, opdat gij zien moogt." O wat een liefelijke Raadgever is Christus, de Wijsheid Gods! "Hij zal u leiden door Zijn raad, en daarna zal Hij u in heerlijkheid opnemen."
2 De liefelijke nodigingen van het Woord, zoals deze: (Jes. 55:1) "O alle gij dorstigen, komt tot de wateren, en gij die geen geld hebt, komt, koopt en eet, ja komt, koopt zonder geld, en zonder prijs wijn en melk;" en, (Matth. 11:28) "Komt herwaarts tot Mij allen, die vermoeid en belast zijt, en Ik zal u rust geven."(Hosea 14:2) "Bekeer u, o Israël, tot de Heere uw God toe, want gij zijt gevallen om uw ongerechtigheid". (Jer. 3:4, 14, 22) "Zult gij niet van nu af tot Mij roepen: Mijn Vader, Gij zijt de Leidsman mijner jeugd". Bekeert gij u, afkerige kinderen, spreekt de Heere, want Ik heb u getrouwd; en Ik zal u aannemen, een uit een stad, en twee uit een geslacht, en zal u brengen te Sion". "Keert weder, gij afkerige kinderen, Ik zal uw afkeringen genezen". En hoe liefelijk zal Hij hen op de laatste dag nodigen, die hier Zijn nodiging gehoor geven. "Komt, gij gezegende mijns Vaders! Beërft dat koninkrijk hetwelk u bereid is van de grondlegging der wereld."
3. De liefelijke beloften van het Woord, die groot en dierbaar, en Ja en Amen zijn in Christus, zoals de belofte van wedergeboorte; (Ezech. 36:26) "En Ik zal u een nieuw hart geven, en zal een nieuwe Geest geven in het binnenste van u, en Ik zal het stenen hart uit uw vlees wegnemen, en Ik zal u een vlezen hart geven." De belofte van rechtvaardigmaking en vergeving van zonde; (Hebr. 8:12) "Want Ik zal hun ongerechtigheden genadig zijn, en hun zonden en hun overtredingen zal Ik geenszins meer gedenken." De belofte van aanneming tot kinderen; (2 Kor. 6:18) En Ik zal u tot een Vader zijn, en gij zult Mij tot zonen en dochteren zijn, zegt de Heere, de Almachtige". De belofte van heiligmaking; (Ezech. 36:27) "En Ik zal Mijn Geest geven in het binnenste van u; en Ik zal maken, dat gij in Mijn inzettingen zult wandelen, en Mijn rechten zult bewaren en doen. De belofte van de Geest daartoe overvloediglijk te zullen geven; "Want Ik zal water gieten op de dorstige, en stromen op het droge; Ik zal Mijn Geest op uw zaad gieten, en Mijn zegen op uw nakomelingen" (Jes. 44:3). De belofte van vernieuwde mededelingen uit Zijn volheid; Joh. 1:16) "En uit Zijn volheid hebben wij allen ontvangen, ook genade voor genade". De beloften van vrede en vertroosting; (Joh. 16:33) "Deze dingen heb Ik tot u gesproken, opdat gij in Mij vrede hebt." De belofte van sterkte en ondersteuning, en van alles wat nodig is tot de verrichting van de dadelijke en lijdelijke plicht, tot doen en lijden; (Jes. 40:29) "Hij geeft de moeden kracht, en Hij vermenigvuldigt de sterkte dien, die geen krachten heeft". De belofte van Zijn altijddurende tegenwoordigheid; (Hebr. 13:5) "Ik zal u niet begeven, en Ik zal u niet verlaten", De belofte van volharding; (Jer. 32:40) "En Ik zal een eeuwig verbond met hen maken, dat Ik van achter hen niet zal afkeren, opdat Ik hun weldoe; en Ik zal Mijn vrees in hun hart geven, dat zij niet van mij afwijken."
4. De liefelijke getuigenissen van het Woord, met betrekking tot andere dingen, behalve wat ik nu vermeld heb; zoals:
(1) Een getuigenis van liefelijke gelijkenissen; onder anderen die van de verloren penning, en welke blijdschap het terugvinden daarvan verschafte. Daardoor wordt voorgesteld welke waarde de Heere stelt op de verloren ziel, wanneer zij gevonden wordt; alsof het een schat is waarin Hij bijzonder vermaak schept. De gelijkenis van het verloren schaap; zo een als wij zijn, en welke blijdschap er was toen het gevonden werd. De gelijkenis van de verloren zoon, en wat een vreugde er was toen hij terugkwam. Deze zijn alle drie aangetekend in Luk. 15.
(2) Een getuigenis van liefelijke voorzienigheden; zoals de voorzienigheid over Jozef; de voorzienigheid over Esther; alle voorzienigheden in betrekking tot Israël; de voorzienigheid omtrent de drie jongelingen en Daniël, die in het boek van Daniël zijn aangetekend: Wat een veld van liefelijke overdenking is hier!
(3) Een getuigenis van liefelijke bevindingen van de heiligen; zoals de bevinding die David had, dat de Heere hem uit de klauw van de leeuw gered en uit de ruisende kuil opgehaald had; zijn bevinding van gemeenschap met God; (Ps. 84:11) Één dag in Uw voorhoven is beter dan duizend elders"; (Ps. 63:2) "Voorwaar ik heb U in het heiligdom aanschouwd, ziende Uw sterkheid en Uw eer". De bevinding van de bruid: (Hoogl. 2:3) "Ik heb grote lust in Zijn schaduw, en zit er onder, en Zijn vrucht is mijn gehemelte zoet. Hij voert mij in het wijnhuis, en de liefde is Zijn banier over mij." Ja, tot onze vertroosting zijn er getuigenissen opgetekend van hun bevindingen onder verlating en duisternis; (Ps. 77:8) "Zal dan de Heere in eeuwigheden verstoten? Heeft God vergeten genadig te zijn? (Jes. 49:14) Doch Sion zegt: De Heere heeft mij verlaten, en de Heere heeft mijner vergeten."
(4) Een getuigenis van liefelijke benamingen, die God, Christus, de Geest en de heiligen worden gegeven.
1. Vele liefelijke benamingen worden aan God gegeven, als: "de Vader der barmhartigheden;" de God en Vader van onze Heere Jezus Christus;" de Vader der wezen". O! Laten arme, vaderloze, hulpeloze zondaren opmerken, wat een liefelijke, aangename bron hier voor hen geopend wordt. (Ps. 10:14) "Gij ziet het immers, want Gij aanschouwt de moeite en het verdriet, opdat men het in Uw hand geve; op U verlaat zich de arme; Gij ziet geweest een Helper der wezen". Hij wordt genoemd; (Jer. 2:13) De Springader des levendigen waters;" een Fontein die altijd opspringt en overvloeit. (Jes. 35:6, 7) "Alsdan zal de kreupele springen als een hert, en de tong des stommen zal juichen; want in de woestijn zullen wateren uitbarsten, en beken in de wildernis. En het dorre land zal tot staand water worden, en het dorstig land tot springaders der wateren; in de woning der draken, daar zij gelegen hebben, zal gras met riet en biezen zijn". Hij wordt genoemd de Hoop Israëls; (Jer. 14:1) "O Israëls (hoop, of) verwachting, zijn Verlossing in tijd van benauwdheid!" Hij wordt een zondevergevend God genoemd; (Exod. 34:6, 7) Heere, Heere, God, barmhartig en genadig, Die de ongerechtigheid, en overtreding, en zonde vergeeft." Hij wordt een gebed-verhorend God genoemd; (Ps. 65:3) "Gij hoort het gebed; tot U zal alle vlees komen."
2. Veel liefelijke namen worden Christus gegeven. Hij wordt de Herder genoemd; de getrouwe Herder; de overste Herder; de goede Herder, Die niet zal dulden, dat Zijn volk iets ontbreekt; hun zal geen voorraad, bescherming, besturing, raad, of wat ook ontbreken; ook een goedertieren Herder; Hij zal Zijn kudde weiden gelijk een herder; Hij zal de lammeren in Zijn armen vergaderen en in Zijn schoot dragen; de zogenden zal Hij zachtjes leiden (Jes. 40:11). Hij wordt de Heelmeester genoemd; de barmhartige Samaritaan; de Heere onze Heelmeester. Hij wordt de Verlosser genoemd, Die ons rantsoen betaalt. Hij wordt de Wens aller heidenen genoemd; een Vriend; een Man; een Bruidegom; een Broeder; een Voorspraak; Wonderlijk, Raad, Sterke God, Vader der eeuwigheid, Vredevorst, Zon der gerechtigheid, de Zaligmaker van zondaren. Elk van deze betrekkelijke titels is vol van zoetheid en liefelijkheid. Ook Zijn vergelijkende benamingen zijn vol liefelijkheid: Hij is veel schoner dan de mensenkinderen; heerlijker dan de roofbergen; de blinkende Morgenster; de Roos van Saron; de Appelboom onder de bomen des wouds. En naast al deze zijn Zijn volstrekte namen vol van liefelijkheid: Hij is God boven allen te prijzen in der eeuwigheid; de Waarachtige God en het eeuwige leven. O wat een heerlijk veld van overdenking is hier voor de begenadigde ziel!
3. Vele liefelijke benamingen worden gegeven aan de Heilige Geest. Hij wordt de Indachtigmaker genoemd (Joh. 14:26); de Helper, Die onze zwakheden te hulp komt (Rom. 8:26); de Leraar (1 Joh. 2:27); de Openbaarmaker van diepe en verborgen dingen, Die alle dingen onderzoekt, ook de diepten Gods; de Overtuiger (Joh. 16:8); Hij Die heiligt; de heidenen worden geheiligd door de Heilige Geest (Rom. 15:16). Daarom wordt Hij de Geest der heiligmaking genoemd (Rom. 1:4); de Trooster (Joh. 14:26); de Getuige (Joh. 15:26); Die zal van Mij getuigen; de Voorbidder, Die voor ons bidt met onuitsprekelijke zuchtingen (Rom. 8:26). Het woord, dat door Trooster is overgezet, betekent een Voorspraak. O wat zijn hier liefelijke dingen!
4. Vele liefelijke benamingen worden de kinderen Gods gegeven. Zij worden Gods tempel genoemd (1 Kor. 3:16); Gods gewenste akker (Jer. 35:10) zij hebben Hem veel gekost: de leden van Zijn lichaam; elke gelovige mag Hem zijn Hoofd noemen; de beminden des Heeren, die zeker zullen wonen; de beminde van Zijn ziel (Jer. 12:7) de bruid, de vrouw des Lams (Openb. 21:9). O wat een liefelijke verwantschap is dit! Zij zijn Zijn kroon; zij zullen een sierlijke kroon zijn in de hand des Heeren (Jes. 62:3); het eigendom van de Heere der heirscharen (Mal. 3:17); Zijn kudde; ja Zijn oogappel, "want die ulieden aanraakt raakt Zijn oogappel aan" (Zach. 11:8).
Al deze liefelijke dingen en een grote verscheidenheid van andere, zijn te vinden in de leerstellingen van Zijn Heilig Woord, welke een deel zijn van de wegen van de Wijsheid. Zij zijn dan voorzeker liefelijkheid.
Tegenwerping. Doch wat zegt u van de geboden en bedreigingen van het Woord? Is daar enige liefelijkheid in?
Antwoord. Zeker het Woord is een magazijn van verlustiging. De geboden leggen ons een liefelijk werk op; de striktste dienen slechts om onze ellenden van ons te weren, en ons van het mes af te houden waarmee wij onze vingers, indien niet onze keel, zouden afsnijden. De strengste bedreigingen weerhouden ons slechts van in het verterend vuur te lopen en ons enig genot te ontlopen. Zo dragen zelfs de bitterste delen van Gods Heilig Woord bij tot ware verlustiging en wezenlijk genoegen.
[3] Behalve voorzienige besturingen en leerstellingen zijn er evangelische genaden, die een deel zijn van de wegen van de Wijsheid. Iedere genadedaad brengt voldoening en verlustiging mee. Ik zal tot voorbeeld nemen: kennis, geloof, liefde en hoop.
1. De kennis, welke een deel is van de wegen van de Wijsheid, in welke wij genodigd worden te wandelen, is liefelijk. Wat een liefelijke zaak is het God in Christus te kennen, zoals dat geopenbaard is in het Evangelie! Dit is een spiegel waarin zoveel uitnemende dingen te zien zijn. Het genot van de natuurlijke kennis is groot, maar de liefelijkheid van de zaligmakende kennis is veel groter. Het genot, dat de groten hebben in hoven, in grootsheid, en praal, en luister, is niet te vergelijken bij het genot, dat een ijverig student in zijn boeken heeft; nochtans is dat genoegen niets, bij hetgeen een gelovige heeft in de kennis van God en Christus. Indien u dat genot en dit genoegen bij elkaar vergelijkt, versmaden wij de vergelijking; doch wanneer u het genot, dat dronkaards, hoereerders en wellustelingen hebben in hun vleselijk wegen, vergelijken wilt met de liefelijkheid van de wegen van de Wijsheid, dat versmaden wij niet alleen, maar dat verfoeien wij. De Wijsheid geeft ons de kennis van de beste dingen; de kennis van toekomende dingen; de kennis van dingen die zeer liefelijk zijn. O wat is liefelijker dan de kostelijke zaligheid, God, en de heerlijkheid! De verlustigingen van de zintuigen zijn de laagste en dierlijkste, ja walgelijk, in vergelijking van de hemelse verlustigingen van een vernieuwd gemoed. Hoe liefelijk is de kennis van de dingen die het nauwst in verband staan met onze zielen en de eeuwige zaligheid! Dit moet een feestmaal zijn voor de gemoederen van de wijzen. Vraag iemand, die kermt onder het gewicht van de zonde en de vrees voor de toorn Gods, of de geruststellende kennis van vergeving van de zonde, en verzoening met, en aanneming bij God, hem niet aangenamer zou zijn, dan al uw vleselijk genot u zijn kan. Vraag een ziel, die het bewijs van haar genade heeft verloren en in duisternis wandelt, of de ontdekking van haar deel aan Christus, en de verzekering van de liefde Gods, en het terugkeren van het licht van Zijn aanschijn haar niet aangenamer zou zijn, dan enig vermaak of genoegen, dat de aarde kan verschaffen. Vraag iemand op zijn sterfbed, als hij niet onzinnig is, of de kennis van zijn zaligheid hem nu niet beter en liefelijker zou zijn, dan al de zinnelijke vermaken en waardigheden van de wereld. Hoe liefelijk is de kennis die zeker en onfeilbaar is! En dat is deze kennis. Zij is gegrond op het onfeilbaar Woord van God, dat duurt tot in eeuwigheid. Hoe liefelijk is de kennis die bevindelijk is! Dat de ziel gesmaakt heeft, dat de Heere genadig is, en dat zij de zoetigheid van Zijn liefde heeft geproefd, is een liefelijker kennis, dan de geleerdste goddelozen in de wereld kunnen hebben.
2. Wat is het geloof een liefelijke genade! Te ervaren, dat wij op een rots staan, en dat onder ons eeuwige armen zijn, en dat wij zo’n volkomen zekerheid van onze zaligheid hebben als de onveranderlijke eed van de onveranderlijke God, wat een genot moet dat zijn voor de gelovige ziel! De moeite van de godvruchtigen vloeit meest voort uit hun ongeloof, doch hoe meer zij geloven, hoe meer zij vertroost worden; (Joh. 14:1) "Uw hart worde niet ontroerd: Gijlieden gelooft in God gelooft ook in Mij." Het leven van het geloof is een liefelijk leven. Dewelke gij niet gezien hebt, en nochtans liefhebt; in dewelke gij nu, hoewel Hem niet ziende, maar gelovende, u verheugt met een onuitsprekelijke en heerlijke vreugde (1 Petr. 1:8). Gij, "die in de kracht Gods bewaard wordt door het geloof, tot de zaligheid, die bereid is, om geopenbaard te worden in de laatste tijd. In welke gij u verheugt, nu een weinig tijd (zo het nodig is) bedroefd zijnde door menigerlei verzoekingen (1 Petr. 1:5, 6). Er is blijdschap en vrede in het geloven (Rom. 15:13). O hoe liefelijk is het geloof van de onzienlijke dingen (Hebr. 11:1) Hem te zien Die onzienlijk is! Hoe liefelijk is het geloof van eeuwige liefde! De terugblik van het geloof, en het vooruitzien van het geloof van eeuwige liefde!
3. De liefde is een liefelijke genade; de liefde Gods. Helaas! Alle genoegens van de wereld zijn maar beuzelingen en als het speelgoed van een kind, vergeleken bij het genot van de liefde Gods. Er is een liefelijkheid in het uitgaan van de ziel naar zo’n voorwerp. Indien de zinnelijken vermaak hebben in hun snode en ongeoorloofde begeerten, en de eerzuchtige wereld genot vindt in haar ijdele begeerten, dan moeten de godvruchtigen zeker een ander soort van genoegen hebben in hun geestelijke verlangens, en nog veel meer in hun liefde. En, indien elke liefde, krachtens haar natuur, een liefelijkheid ziet in het geliefde voorwerp, wat een onuitsprekelijke liefelijkheid moet er dan zijn in de liefde Gods! Hoe liefelijk zijn de diensten van de liefde! Zoals die van Jakob voor Rachel. Hoe liefelijk zijn de smarten van de liefde! Er is een liefelijkheid in krankheid van liefde (Hoogl. 2:4).
4. De hoop is een liefelijke genade. Wat een blijdschap is er in de hoop van de heerlijkheid (Rom. 5:2). Het is niet een hoop op verderfelijke rijkdommen, maar op een onverderfelijke kroon. Het is niet een hoop op het woord van een bedrieglijk mens, maar op het woord van de eeuwige God. Deze hoop zal ons nooit beschamen. Hoe liefelijk is het, wedergeboren te zijn tot een levende hoop op die hemelse erfenis (1 Petr. 1:3). O wat is het genot van spijs en drank, van vrolijkheid en dartelheid, van hoogmoed en dapperheid? Niets dan blote verdwijnende dromen. "Indien wij alleen in dit leven zijn hopende, zo zijn wij de ellendigste van alle mensen", maar deze hoop op het toekomende leven hebbende, zijn wij de gelukkigste van alle mensen.
Zo zou ik over al de genaden van de Geest kunnen handelen. Elke genadedaad bevat een bron van liefelijkheid in zich, zelfs die geestelijke handelingen van bekering of berouw, droefheid naar God en doding, welke zeer moeilijk en bitter schijnen te zijn. Geestelijk vasten gaat gepaard met geestelijk feesthouden. (Zach. 8:19) "Alzo zegt de HEERE der heirscharen: Het vasten van de vierde, en het vasten van de vijfde, en het vasten van de zevende, en het vasten van de tiende maand, zal den huize Juda tot vreugde, en tot blijdschap, en tot vrolijke hoogtijden wezen". Hoe kon hun vasten een hoogtijd zijn? Wel er is liefelijkheid in evangelische boetvaardigheid. De tranen van droefheid naar God zijn tranen van blijdschap. Nooit heeft de gelovige meer genoegen, dan wanneer hij met een betraand oog tot Christus opziet. (Ps. 126:5, 6) "Die met tranen zaaien zullen met gejuich maaien. Die het zaad draagt, dat men zaaien zal, gaat al gaande en wenende, maar voorzeker zal hij met gejuich wederkomen, dragende zijn schoven". Zij maaien zowel terwijl zij zaaien als daarna; en als de zaaitijd een oogsttijd is, wat zal dan wel de oogst zelf zijn? Zo ziet u; dat de wegen van de Wijsheid liefelijkheid zijn.
[4.] Er zijn geestelijke weldaden en werken Gods in en omtrent de kinderen van de Wijsheid, die een deel zijn van de wegen van de Wijsheid, en die alle liefelijkheid zijn. De werken Gods zijn de wegen Gods. (Openb. 15:3) "Groot en wonderlijk zijn uw werken, Heere, Gij almachtige God; rechtvaardig en waarachtig zijn Uw wegen, Gij Koning der heiligen". Ik zal vier van Zijn weldadige werken vermelden, die vol van liefelijkheid zijn, namelijk: verlichting, rechtvaardigmaking, heiligmaking en verheerlijking.
1. Verlichting is het werk van Christus, de Wijsheid Gods, zoals hij een Profeet is. O hoe liefelijk is dit goddelijk licht. (2 Kor. 4:6) "God, Die gezegd heeft, dat het licht uit de duisternis zou schijnen, is Degene, die in onze harten geschenen heeft, om te geven verlichting der kennis der heerlijkheid Gods in het aangezicht van Jezus Christus". Het is een licht, dat in de ziel schijnt, waardoor niet alleen het hoofd onderricht, maar ook het hart verzadigd en veranderd wordt. Is het licht van de natuurlijke zon liefelijk, wat moet dan het licht van de Zon der gerechtigheid wel zijn?
2. Rechtvaardigmaking is het werk van Christus, zoals hij een Priester is. O wat een liefelijkheid ontdekt zich in dit werk, in deze weg van de Wijsheid! (Rom. 5:1, 2, 11.) "Wij dan, gerechtvaardigd zijnde uit het geloof, hebben vrede bij God, door onzen Heere Jezus Christus; door Welken wij ook de toeleiding hebben door het geloof tot deze genade, in welke wij staan, en roemen in de hoop der heerlijkheid Gods. En niet alleenlijk dit, maar wij roemen ook in God, door onzen Heere Jezus Christus, door Welken wij nu de verzoening gekregen hebben". Ziet hoe David zich in dit werk verheugt: (Ps. 103:3, 4, 5) Loof den HEERE, mijn ziel, en vergeet geen van Zijn weldaden; Die al uw ongerechtigheid vergeeft, die al uw krankheden geneest; Die uw leven verlost van het verderf, die u kroont met goedertierenheid en barmhartigheden; Die uw mond verzadigt met het goede, uw jeugd vernieuwt als eens arends." Wat een vrede geeft een bekendmaking van de vergeving van de zonde in de ziel: "Zoon! wees welgemoed, uw zonden zijn u vergeven."
3. Heiligmaking is het werk van Christus, zoals hij een Koning is, want hiermede richt Hij Zijn troon op in het hart. O wat een liefelijkheid is daarin te zien, want overeenkomstig de mate van heiligheid zijn de geestelijke zinnen geoefend. Als het oog zich verlustigt in het geliefde voorwerp, en het oor gestreeld wordt door welluidende tonen, en de smaak geniet van voedsel, en de reuk van welriekende geur; hoe liefelijk moet het dan wel zijn de heerlijkheid van Christus te aanschouwen, Zijn stem te horen, Zijn goedheid te proeven, Zijn kracht gewaar te worden en Zijn geur te ruiken. Is er enige liefelijkheid in versiering en in schoonheid, hoe liefelijk moet het dan wel zijn, versierd te wezen met het schone beeld van God! De vruchten van dit werk zijn liefelijk, zowel voor God als voor de ziel. (Hoogl. 4:16; 5:1; en 2:14) "Ontwaak Noordenwind, en kom gij Zuidenwind, doorwaai mijn hof, dat zijn specerijen uitvloeien. O, dat mijn Liefste tot Zijn hof kwame, en ate Zijn edele vruchten! Ik ben in Mijn hof gekomen, o Mijn zuster, o bruid. Ik heb Mijn mirre geplukt, met Mijn specerijen; Ik heb Mijn honigraten met Mijn honig gegeten, Ik heb Mijn wijn, mitsgaders Mijn melk gedronken. Eet, vrienden, drink en wordt dronken, o Liefste. Mijn duive, zijnde in de kloven der steenrotsen, in het verborgene van een steile plaats, toon Mij uw gedaante; doe Mij uw stem horen, want uw stem is zoet, en uw gedaante is liefelijk."
4. Verheerlijking en volkomen zaligheid is het werk van Christus en daarin is het genot van de heiligen volkomen. Hij is hun een oorzaak van de eeuwige zaligheid geworden (Hebr. 5:9). Het is Zijn werk hen te roepen tot deze vreugde, en hen in Zijn vreugde te doen ingaan, en hen daarvan ten volle te overtuigen. "Gij zult mij het pad des levens bekend maken; verzadiging van de vreugde is bij Uw aangezicht; liefelijkheden zijn in Uw rechterhand eeuwiglijk" (Ps. 106:11). Dan zijn gewis de wegen van de Wijsheid liefelijkheid.
2e Om deze waarheid verder te bewijzen, namelijk, dat de wegen van de Wijsheid liefelijkheid zijn, door enige liefelijke bronnen van genot te ontsluiten, waaruit de kinderen van de Wijsheid, die haar wegen bewaren, hun vertroosting putten, zal ik een viervoudige bron en fontein vermelden, waaruit de gelovige zijn genot kan trekken, namelijk: God en Zijn eigenschappen; Christus en Zijn volheid; de Geest en Zijn werkingen; het verbond en zijn beloften.
1. God en Zijn eigenschappen zijn de bron en fontein van de vergenoeging van de gelovigen. O wat is hier een oceaan van verlustiging! Hij is een God van oneindige macht, wijsheid en goedheid. Hier is wijsheid om te besturen, macht om te beschermen, heiligheid om te heiligen, rechtvaardigheid om te voldoen, goedheid om medelijden te hebben, en getrouwheid om alles te doen wat Hij gezegd heeft. Waar zult u troost vinden, als u die niet in God vindt? Wat een schraal portie is de wereld. Doch God is het eeuwig en onveranderlijk Deel van Zijn volk. Er is meer grond van troost in dat ene woord: "Ik zal uw God zijn", dan in duizend werelden. Wat kan hun ontbreken, die een God hebben om er heen te gaan? Kan hem water ontbreken die de Oceaan bezit? Kan hij licht missen, die de Zon tot zijn beschikking heeft?
2. Christus en Zijn volheid zijn de Fontein en Bron van zijn genot; de Schatkamer van Zijn verlustiging waaruit hij dagelijks mag halen wat hij tot zijn troost behoeft. De grote dingen die hij voor Zijn bruid doet zijn onuitsprekelijk. Hij betaalt al haar schulden en voorziet in al haar behoeften. Al haar fonteinen zijn in Hem, en uit Zijn volheid ontvangen zij ook genade voor genade (Joh. 1:16). In Hem woont al de volheid van de Godheid lichamelijk (Kol. 2:9, 10) en zij zijn volmaakt in Hem. Hij is ons geworden wijsheid van God, en rechtvaardigheid, en heiligmaking, en verlossing (1 Kor. 1:30).
3. De Geest en Zijn werkingen zijn de Bron en Fontein van de vertroostingen van de gelovigen. Hij is de Trooster (Joh. 16:7) en Hij geeft soms een sterke vertroosting: (Hebr. 6:18) "Opdat wij door twee onveranderlijke dingen, in welke het onmogelijk is, dat God liege, een sterke vertroosting zouden hebben, wij namelijk, die de toevlucht genomen hebben, om de voorgestelde hoop vast te houden." Zij die de Geest van het geloof en van de bekering hebben, hebben de belofte van de Geest tot vertroosting, en in al Zijn onderscheiden werkingen zijn menigvuldige vertroostingen. De Geest wordt in Zijn werking vergeleken bij de wind: (Hoogl. 4:16) "Ontwaak Noordenwind, en kom gij Zuidenwind, doorwaai mijn hof, dat zijn specerijen uitvloeien"; bij water: (Joh. 3:5) "Voorwaar, voorwaar zeg Ik u, zo iemand niet geboren wordt uit water en Geest, hij kan in het koninkrijk Gods niet ingaan;" bij vuur: (Matth. 3:11) "Die zal u met de Heilige Geest en met vuur dopen;" bij olie: (Ps. 45:8) "Gij hebt gerechtigheid lief en haat goddeloosheid; daarom heeft U, o God, Uw God gezalfd met vreugdeolie boven Uw medegenoten; (1 Joh. 2:27) "En de zalving, die gijlieden van Hem ontvangen hebt, blijft in u, en gij hebt niet nodig, dat iemand u lere; maar gelijk dezelve zalving u leert van alle dingen, zo is zij ook waarachtig, en is geen leugen; en gelijk zij u geleerd heeft, zo zult gij in Hem blijven." Nu, dit is de wind, die liefelijk hun zeilen vult, en hun reis naar de hemelse haven bevordert. Dit is die fontein van water in hen, opspringende tot in het eeuwige leven; en de beekjes van deze rivier verblijden de stad Gods. Dit is het vuur, dat hun harten brandende in hen maakt, en dit is de vreugdeolie, die de raderen van hun ziel smeert, om de Christelijke loopbaan te lopen, terwijl de blijdschap des Heeren hun sterkte is.
4. Het verbond en zijn beloften zijn voor de gelovigen fonteinen en bronnen van vermaak. De gehele schat van het Evangelie is hun gegeven, om er zich in te verlustigen. De zinnelijke, onwetende wereld weet er weinig van, welke liefelijke en ondersteunende genoegens daar voor hen uit voortvloeien. Wat verschafte dit een vertroosting aan David: "Hoewel mijn huis alzo niet is bij God. nochtans heeft Hij mij een eeuwig verbond gesteld, dat in alles wel geordineerd en bewaard is, voorzeker is daarin al mijn heil, en alle lust, hoewel Hij het nog niet doet uitspruiten." (2 Sam. 3:5). Gods verbond der belofte, dat in Christus vast staat, is de vertroosting van de Christen in al zijn ellenden: (Ps. 119:50) "Dit is mijn troost in mijn ellende; want Uw toezegging heeft mij levend gemaakt". Een belofte uit de Schrift, van de liefde Gods en van het toekomende leven, is oneindig meer waard dan al de rijkdommen, waardigheden en genoegens van de wereld; deze vergaan, "maar het Woord des Heeren bestaat in der eeuwigheid". Wij hebben beloften, die gepast zijn voor elke staat en iedere moeilijkheid. O vrienden, welke vertroosting zouden wij kunnen vinden, als wij geen belofte hadden? Wat anders dan een belofte kan hen vertroosten, die in het gemis verkeren? Wij kunnen meer verblijd zijn in ziekte, met een belofte dan anderen in hun gezondheid, zonder een belofte. Een belofte in de gevangenis is meer dan vrijheid; een belofte in armoede is meer dan rijkdom; een belofte in de dood is beter dan het leven. Al wat u hebt, zonder een belofte, kunt u in één ogenblik verliezen, samen met uw ziel en uw hoop; doch al wat u hebt, met een belofte, staat vast. Ja gelovige, u bent onuitsprekelijk veel zekerder van hetgeen u in belofte hebt, dan van wat u bezit. De vertroosting die u bezit is de stroom-vertroosting, die spoedig kan ophouden, doch de vertroosting die u in belofte hebt is de fontein-vertroosting, die nooit kan worden afgesneden. Daarom worden wij geroepen door het geloof te leven en niet bij gevoel. Gevoelige vertroostingen zijn hier niet vast, maar de belofte, de grond van het geloof, is vast en onbeweeglijk. Wij kunnen met blijdschap door de dood gaan met een belofte van het leven in onze hand, terwijl de ongelovigen in wanhoop in het stof terneer liggen. Al zouden wij door ongeloof aan de belofte Gods twijfelen, nochtans zal dat de belofte niet krachteloos maken, want: "Het vaste fondament Gods staat." Al zouden hemel en aarde voorbij gaan, Zijn Woord zal niet voorbij gaan, totdat alles zal vervuld zijn.
De wegen van de Wijsheid lieflijkheid, en haar paden vrede (2e preek)
Spr. 3:17. Haar wegen zijn wegen der liefelijkheid, en al haar paden vrede.
Onze gezegende Verlosser wordt gedurig in de heilige bladeren en voornamelijk in dit Spreukenboek voorgesteld onder de naam van Wijsheid; niet alleen in dit teksthoofdstuk van ons, vanaf vers 13—18, doch ook in hfdst. 4:7; 8; 9:1; enz. Onder deze Naam, wordt Zijn heerlijke voortreffelijkheid, in vele van de bovengenoemde plaatsen, in een helder licht gesteld, dat zij kostelijker is dan robijnen, en dat al wat u lusten mag niet met haar is te vergelijken. Wat zo sierlijk en verheven door Job, (Hoofdst. 28:12—20) wordt gezegd tot lof van de wijsheid, kan met recht van Hem worden gezegd. Gelijk Christus, de wezenlijke Wijsheid Gods zozeer voortreffelijk heerlijk is in en van Zichzelf, zo ook draagt alles wat Hem aangaat en tot Hem behoort een indruk van Zijn heerlijke waardigheid. Hij is het Afschijnsel van de heerlijkheid des Vaders en het uitgedrukte Beeld Zijner zelfstandigheid, en de Zijnen vertonen uit kracht van hun vereniging met Hem het beeld Gods; zij zijn de goddelijke natuur deelachtig geworden en worden aangemerkt als de heerlijken op aarde. De rechtvaardige is voortreffelijker dan zijn naaste; van des Konings dochter is geheel verheerlijkt inwendig. De godsdienst van de gezegende Jezus is heerlijk, voortreffelijk en goddelijk, en het onderscheidend kenmerk van allen, die toebereid worden voor de heerlijkheid. De belijdenis hiervan is ten hoogste raadzaam en waarlijk een sieraad, en de oprechte en godvruchtige beoefening het kenmerk van de ware Christen, en dat een goddelijk levensbeginsel in de ziel geplant is. In één woord, alles wat God aangaat is beminnelijk en liefelijk, en brengt de grootste verlustiging en voldoening voort, want "de wegen der Wijsheid zijn liefelijkheid en al haar paden vrede."
Wij hebben reeds volbracht wat ons voornemen was te zeggen over het eerste algemene hoofdpunt volgens de voorgestelde wijze van behandeling, welke was om de waarheid te betogen van het voorstel, namelijk, dat de wegen van de Wijsheid liefelijkheid zijn. Wij hebben dit gedaan bij wijze van gevolgtrekking uit bijzonderheden, door enige van de wegen van de Wijsheid die liefelijkheid zijn, te behandelen, en daarna door enige van de bronnen van vermaak te ontsluiten, welke Sions kinderen hebben, die haar wegen bewaren. Wij zullen nu voortgaan tot:
II. De tweede zaak die wij voorstelden, welke was: te spreken over de hoedanigheid van dat vermaak, dat in de wegen van de Wijsheid wordt gevonden. Hier zullen wij gelegenheid hebben de voortreffelijkheid van de liefelijkheid van de wegen van de Wijsheid na te gaan, en hoe die alle werelds genoegen overtreffen.
1. Het liefelijk genot van de wegen van de Wijsheid is wezenlijk en duurzaam. Het wordt genoemd, een onuitsprekelijke en heerlijke vreugde (1 Petr. 1:8), terwijl daarentegen de zinnelijke vermaken, evenals het lachen van de kinderen, voorbijgaand vluchtig zijn. Evenals kinderen het ene ogenblik lachen en het volgende schreien, zo wordt de wereldse blijdschap op de hielen gevolgd door droefheid, want zij heeft geen diepte en versterkt het hart niet tegen benauwdheid, gelijk de blijdschap van het geloof dat doet. Daarom wordt van het vermaak van de wereld, wanneer het met het geestelijk genoegen wordt vergeleken, gezegd, dat "gelijk het geluid van de doornen onder een pot, (Pred. 7:6) alzo het lachen eens zots is;" het is niets dan een flikkering en het is voorbij. Hierom ook kunnen de wereldse genoegens worden vergeleken bij Jona’s wonderboom, die in één nacht werd, en in één nacht verging (Jona 4:6, 7). Wij zijn vlug klaar ons te verheugen in de troost, die het schepsel biedt, doch God beschikt een worm, en hij verdort. Wanneer een mens er de meeste verwachting van heeft, dan komt er een worm, die ze met wortel en tak opeet. Het zijn zulke vertroostingen, die de wind kan uitdrogen, of het water kan ze verdrinken, het vuur kan ze verbranden; de mot kan ze opeten, of de dief kan ze stelen; krankheid kan ze doen vergaan, of de dood kan ze vernietigen; de een of andere worm kan er aan knagen en ze opeten. Doch de genoegens van de godzaligheid zijn zo hecht en wezenlijk, dat zij vuur en water kunnen trotseren. (Jes. 43:1,2) "Maar nu, alzo zegt de Heere, uw Schepper, o Jakob, en uw Formeerder, o Israël; Vrees niet, want Ik heb u verlost, Ik heb u bij uw naam geroepen, gij zijt Mijn. Wanneer gij zult gaan door het water, Ik zal bij u zijn, en door de rivieren, zij zullen u niet overstromen; wanneer gij door het vuur zult gaan zult gij niet verbranden, en de vlam zal u niet aansteken." Zij kunnen verdrukking, of benauwdheid, of vervolging, of honger, of naaktheid, of gevaar, of zwaard uitdagen: (Rom. 8:35, 38, 39) zij kunnen dood, of leven, of engelen, of overheden, of machten, of tegenwoordige of toekomende dingen trotseren; noch hoogte, noch diepte noch enig ander schepsel zal ons kunnen scheiden van de liefde Gods, welke is in Christus Jezus onze Heere.
2. De liefelijkheden van de wegen der Wijsheid zijn redelijke genoegens, en wel gegrond, en veilig. Zij zijn niet gegrond op misvattingen en inbeeldingen, doch zij zijn bekrachtigd door de belofte en de eed van God, die twee onveranderlijke dingen, in welke het onmogelijk is dat God liege (Hebr. 6:18). Niemand, behalve een liegende duivel, of een ongelovig hart vol van godslastering zal de grondslag van hun geloof en vertroosting in twijfel trekken. De goddelozen echter verheugen zich in hun waan, zij hebben het aan hun onwetendheid en dwaling te danken, dat zij vrolijk kunnen zijn; zij lachen maar in hun slaap, en als krankzinnigen in hun verdwaasdheid. Als zij de kortstondigheid van hun vermaken en de langdurigheid van hun smarten kenden: als zij wisten hoe zij God ergeren met hun vleselijk genot, hoe de duivel zich verblijdt in hun vreugde, en hoe dicht zij bij de hel, en eeuwig wee en gejammer zijn, het zou hun gelach in een klaaglied veranderen. Zij verblijden zich op een blote vergissing; het hart zal ook in het lachen smart hebben, en het laatste van die blijdschap is droefheid (Spr. 14:13). "Zoveel als zij zichzelf verheerlijkt heeft, en weelde gehad heeft, zo grote pijniging en rouw doet haar aan" (Openb. 18:7). Ik heb van een zeker onkruid gelezen, dat de schepselen, die het eten, hun leven lang doet lachen; zo’n onkruid eten de goddelozen van de wereld, dat zij lachende naar de hel gaan.
3. Het liefelijk genot van de wegen van de Wijsheid is geestelijk, rein en heilig. De duivel is er een vijand van; het is in strijd met de zonde, en het is een gebod: "Verblijdt u te allen tijd" (1 Thess. 5:16). Het is de gave Gods, de vrucht van de Geest Gods, en het gaat gepaard met de vreze Gods. (Hand. 9:31) "De gemeenten wandelden in de vreze des Heeren en de vertroosting des Heiligen Geestes." Het is gewaarborgd door Zijn gebod en bevorderd door Zijn belofte. De vermaken van de goddelozen daarentegen zijn onrein en zondig, dat zijn verboden vermaken, die door God veroordeeld en door Zijn bedreigingen vervloekt zijn. De goddelozen hebben geen vrede, zegt de Heere (Jes. 48:22). Hij verbiedt de blijdschap aan een wederstrevig volk: Verblijdt u niet, o Israël, tot opspringens toe, gelijk de volken: want gij hoereert van uw God af (Hos. 9:1). Hij vermaant hen tot wenen, en rouwklagen, en het hart te scheuren. (Joël 2:12, 13) "Bekeert u tot Mij met uw gehele hart, en dat, met vasten en geweer, en met rouwklage. En scheurt uw hart en niet uw klederen, en bekeert u tot de Heere uw God, want Hij is genadig, en barmhartig, lankmoedig, en groot van goedertierenheid, en berouw hebbende over het kwade." (Zie Jak. 5:1—5) God betuigt tegen hun vrede, en spreekt het vonnis over hen uit, dat zij zullen wenen en huilen. "Welaan nu, gij rijken, weent en huilt over uw ellendigheden, die over u komen. Uw rijkdom is verrot, en uw klederen zijn van de motten verteerd geworden; uw goud en zilver is verroest en hun roest zal u zijn tot een getuigenis en zal uw vlees als een vuur verteren".
4. De liefelijkheden van de wegen van de Wijsheid zijn verlichtend, zij schenken rust in het midden van ellende en moeilijkheden. (Ps. 94:19) "Als mijn gedachten binnen in mij vermenigvuldigd werden, hebben Uw vertroostingen mijn ziel verkwikt." Zij geven verlichting van tegenwoordige vrezen voor gevaar en benauwdheid, en ontslag van toekomende vrezen voor dood en oordeel. Doch de wereldse genoegens, in plaats van verlichting van ellende te geven, vermeerderen die. Ja, de gedachten over de dood, het oordeel en de eeuwigheid, zullen al hun blijdschap schielijk bederven en een einde maken aan hun verheuging.
5. De liefelijke genietingen van de wegen van de Wijsheid zijn zowel reinigende, als reine wegen; zij zijn verbeterende, zij maken ons beter. Het is er zo ver van af, dat zij het gemoed zouden krenken en tot de zonde leiden, dat zij het integendeel in orde brengen en reinigen, en de zonde, meer dan ooit, hatelijk maken. Niemand haat de zonde zozeer als hij, die het meest van de liefelijkheid van de goddelijke genade heeft geproefd en die het meeste geniet van de blijdschap van Gods heil. Zij worden niet gevangen in de strikken van het vlees, zolang zij de smaak van de goddelijke genietingen niet verliezen, en hun verlustiging in Christus niet laten verwelken. Zolang wij ons in God blijven verlustigen is de wereld maar drek, is eer ons als rook, en is begeerlijkheid ons een stank. Dat is de beste en sterkste Christen, die de meeste geestelijke verlustiging en genieting heeft; en waarom? God ontmoet de vrolijke en die gerechtigheid doet, degenen die Hem gedenken op hun wegen (Jes. 64:5). Doch de vleselijke vermaken bederven, in plaats van reinigen; zij maken de mens erger en niet beter. Dat zijn strikken om de mensen te vangen, en om hun zielen te betoveren en te bevlekken, die zuiver voor God moesten zijn. Het geraas van de zinnelijke genietingen smoort de stem Gods en van de rede. O! Wat is er weinig van God in de jacht, in dobbelen en kaarten, drinken dansen, tieren en brassen, waarmee de mensen zich vermaken. Hoe weinig is er van de hemel in hun gemoed, wanneer het hart in zinnelijke lusten verzonken en verdronken ligt. Dan is het versteend en verhard tegen het Woord en de waarschuwingen van God. Dan zijn zij dwaas, ongehoorzaam, dwalende, wanneer zij menigerlei begeerlijkheden en wellusten dienen (Tit. 3:3). Dezulken zijn onwillig, de dingen die hun eeuwige vrede aangaan kalm en ernstig te overwegen, en daarom zien wij zo dikwijls, dat zij verachters en bespotters van de genademiddelen worden.
6. De liefelijkheden van de wegen van de Wijsheid zijn edel en hemels. Zij zijn van dezelfde natuur als die welke de heiligen en engelen van God hebben. Welk verschil er ook is in graad, zij zijn nochtans van dezelfde soort. Het is dezelfde God en dezelfde heerlijkheid, die nu de gelovige verheugt, zoals die met ongedekt aangezicht aanschouwd worden. Indien de hemel de staat van de hoogste blijdschap en vergenoeging is, dan moet de staat van genade, welke er het dichtst bij komt, een liefelijke staat zijn. Doch de zinnelijke genietingen zijn laag en aards, zo ongelijk aan de genietingen van de hemel, dat niets het hart meer van de hemel aftrekt en het er meer ongeschikt voor maakt.
7. De liefelijke genietingen van de wegen van de Wijsheid zijn hoog en verheven; hier verlustigt de ziel zich in dingen van de hoogste waarde. De vermaken van de heiligheid zijn heerlijke en verheven verlustigingen, die voortkomen uit de grootste en heerlijkste dingen, en onderhouden worden door God, en Zijn genade, en eeuwige heerlijkheid, terwijl het genot van de zinnen gevoed wordt met beuzelingen en zwijnendraf. De genoegens van de vleselijke mens in deze wereld zijn als die van jonge kinderen, die met poppen, en speelgoed, en snuisterijen, en vlinders spelen. Wij kunnen aan de stof waarmee hun vermaken worden gevoed oordelen welk van de twee het liefelijkste en vermakelijkste leven is; met de goddelozen zich te vermaken in hun schande, en aan de rand van de ellende te liggen, of met de ware gelovige zich te verlustigen in de liefde Gods, en zich te verblijden in de zekerheid van de hoop van de heerlijkheid Gods. Het ware genot van de gelovigen is met de engelen, zich in God en in de heerlijkheid Gods in Christus te verlustigen, maar het genot van de zondaars is, evenals de zwijnen, in het slijk van de zonde te wentelen, en evenals de honden hun eigen uitbraaksel op te eten (2 Petr. 2:22).
8. De liefelijkheden van de wegen van de Wijsheid zijn duurzaam, ja eeuwig. Wij verheugen ons niet in een beweeglijk, maar in een onbeweeglijk goed, in de onveranderlijke God; in de onveranderlijke liefde Gods; in de onveranderlijke belofte van het verbond, en in de hoop van een onbeweeglijk koninkrijk. Deze liefelijkheden zijn liefelijkheden eeuwiglijk (Ps. 16:11). Weliswaar, dat de blijdschap van de gelovigen hier in deze wereld dikwijls wordt onderbroken door de nabijheid van het vlees, en de overmacht van de zonde, en de verbergingen van Gods aangezicht, doch nochtans houdt God, ten minste in de wortel, hun vertroostingen in het leven, en Hij zal ze doen uitspruiten, als wij ze nodig hebben en het goed voor ons is, en niemand zal hun blijdschap van hen wegnemen (Joh. 16:22). De dood kan de blijdschap van een gelovige niet doden, het graf kan die niet begraven, miljoenen eeuwen zullen haar niet doen eindigen, want God heeft ons gegeven een eeuwige vertroosting, en goede hoop in genade (2 Thess. 2:16). De wereldse genoegens zijn echter maar van korte duur; zij zijn al voorbij voordat wij gewaarworden, dat wij ze gehad hebben, en de wereldlingen zaaien daarmede de zaden van eeuwige smart. De duivel is daarin bezig hen te krauwen, evenals de slachter de keel van een varken scheert voordat hij het de nek afsnijdt. Hij, die vele dagen, en maanden, en jaren in zondige vermaken heeft doorgebracht, heeft er geen genot meer van wanneer het voorbij is; niet meer, dan wanneer het er nooit geweest was, ja veel erger. De beenderen en het stof van vele duizenden liggen op het kerkhof, die menige zoete beet geproefd en menige vrolijke, wulpse dag gehad hebben; en wat zijn zij er nu te beter om? Wat hebben zij meer, dan diegenen die hun tijd in smart en droefheid hebben doorgebracht? Die armoede en smart geleden heeft is daar hun gelijke. Hun zielen hebben even weinig van dat genot, als hun stof. In de hemel worden die vleselijk verlustigingen verafschuwd, in de hel zijn zij in eeuwige vlammen omgezet, en de nagedachte is als brandhout voor het verterend vuur. Helaas! Hoe dwaas is het de genieting van de zonde te verkiezen, die maar voor een tijd is (Hebr. 11:25). De blijdschap van de goddelozen gaat schielijk ten onder in eeuwige droefheid. (Job. 20:4-9) Weet gij dit? Van altoos af, van dat God den mens op de wereld gezet heeft, dat het gejuich de goddelozen van nabij geweest is, en de vreugde des huichelaars voor een ogenblik? Wanneer zijn hoogheid tot den hemel toe opklom, en zijn hoofd tot aan de wolken raakte; zal hij, gelijk zijn drek, in eeuwigheid vergaan; die hem gezien hadden, zullen zeggen: Waar is hij? Hij zal wegvlieden als een droom, dat men hem niet vinden zal, en hij zal verjaagd worden als een gezicht des nachts. Het oog, dat hem zag, zal het niet meer doen; en zijn plaats zal hem niet meer aanschouwen." (Job 21:12, 13) "Zij heffen op met de trommel en de harp, en zij verblijden zich op het geluid des orgels. In het goede verslijten zij hun dagen; en in een ogenblik dalen zij in het graf." Dan zal de kortstondige droefheid van de vromen in eeuwige blijdschap vergeten zijn. (Joh. 16:20) "Voorwaar, voorwaar Ik zeg u, dat gij zult schreien, en klaaglijk wenen, maar de wereld zal zich verblijden; en gij zult bedroefd zijn, maar uw droefheid zal tot blijdschap worden". O vrienden! wie kan de vermaken van de goddelozen op prijs stellen, die op hun einde let? Indien dwaas en onzinnig te zijn een wonder was, dan zou het een wonder zijn, dat de goddelozen vrolijk kunnen zijn, wanneer hun gewetens hun aanzeggen, dat zij niet verzekerd zijn, dat zij nog een uur buiten de hel zullen blijven. Wanneer zij toch zeggen; "Ziel neem rust, eet, drink en wees vrolijk", dan kan God plotseling tot hen zeggen: "Gij dwaas, in deze nacht zal men uw ziel van u afeisen; en hetgeen u bereid hebt, wiens zal het zijn", en waar is dan uw sport en uw pret? Gelijk een papieren muur geen weerstand kan bieden aan het verterend vuur, evenmin kunnen uw vergankelijke genoegens bestaan voor het fronsen van God, of voor het gezicht van de dood. Ja, zij kunnen maar nauwelijks verduren, dat men eens ernstig denkt aan de dag van de dood en van het oordeel dat ophanden is. Zij hebben hun gerustheid en plezier te danken aan hun dwaasheid, zekerheid en onzinnigheid. Ook verhindert en verijdelt hun tijdelijk genot hun eeuwige genietingen, terwijl het liefelijk vermaak van de heiligen eeuwig is.
III. Ons derde punt was, dat wij zouden spreken over enige van de bijzondere paden van de Wijsheid, welke beide vrede en liefelijkheid zijn. Vrede en liefelijk vermaak zijn zo nauw aan elkaar verwant, dat de vrede als het vuur, en het vermaak als de vlam is. Vrede is de wortel van die liefelijke genietingen, en het genot is de vrucht van de vrede. Ik heb in de verklaring gezegd, dat de paden van de Wijsheid òf zulke wegen zijn waarin de Wijsheid tot ons komt, òf zulke die de Wijsheid ons aanwijst, opdat wij die zullen bewandelen. Bij de behandeling van het eerste algemene hoofd, heb ik voornamelijk die wegen geschetst waarlangs de Wijsheid tot ons komt, en wel in het bijzonder: haar liefelijke voorzienige besturingen, waaraan wij ons met blijdschap onderwerpen en waarin wij liefelijk berusten; liefelijke leerstellingen welke wij met blijdschap mogen geloven en aankleven; liefelijke evangelische genaden welke wij met vermaak ontvangen en beoefenen; en liefelijke geestelijke weldaden en werken Gods in en omtrent ons, welke wij met blijdschap hebben te koesteren en waarvoor wij Hem aanbidden.
Behalve de algemene wegen van de Wijsheid zijn er echter ook bijzondere paden, voornamelijk zodanige welke de Wijsheid ons aanwijst, om die te bewandelen, welke zullen bevonden worden liefelijkheid en vrede te zijn. Die paden zijn òf inwendig, dat zijn zulke, welke het oefenen van de genaden betreffen, òf uitwendig, en dat zijn de zodanige, die het verrichten van de plichten betreffen
1e Er zijn inwendige paden van de Wijsheid, die betrekking hebben op de genaden, die geoefend worden. Ik heb dit reeds aangestipt bij de behandeling van het eerste algemene hoofd, waarin ik over de algemene evangelische genaden heb gesproken, en zal daarom hierover niet verder uitweiden, noch herhalen wat ik daarover gezegd heb, doch alleen een paar dingen daaraan toevoegen, en wel voornamelijk de beide volgende:
1. Blijdschap. Inwendige blijdschap is een genade waartoe de gelovigen vermaand worden die te beoefenen. Gelijk het Koninkrijk Gods bestaat in rechtvaardigheid zo ook in vrede, en blijdschap door de Heilige Geest (Rom. 14:17). Zij ontvangen niet de Geest der dienstbaarheid wederom tot vrees, meer de Geest de aanneming tot kinderen, door welke zij roepen. Abba, Vader (Rom. 8:15). O vrienden! Wat moet dat liefelijk zijn, bekwaam gemaakt te worden met vrijmoedigheid, liefde en vertrouwen, God Vader te noemen, en in elk gevaar en elke nood tot Hem de toevlucht te nemen om hulp en onderstand. Zij alleen, die het genieten, kennen er de liefelijkheid van. De vrucht des Geestes is liefde, blijdschap en vrede (Gal. 5:22). Indien de blijdschap zelf een deel is van de staat van de genade, dan kunt u beseffen dat het een allerliefelijkst pad is.
2. Inwendige droefheid, vrezen, zorgen en onrust worden de kinderen van God verboden. De kinderen van de Wijsheid, en daarom ook de wegen van de Wijsheid, moeten liefelijkheid en vrede zijn. God heeft ons bevolen onze bekommernissen op Hem te werpen, en heeft beloofd voor ons te zorgen (1 Petr. 5:7). Hij vermaant ons in geen ding bezorgd te zijn, maar dat wij onze begeerten in alles, door bidden en smeken, met dankzegging laten bekend worden bij God. (Filip. 4:6). Kan er een liefelijker koers zijn dan die, welke alle buitensporige zorgen, vrezen en smarten uitsluit, evenzeer als gezondheid ziekte buitensluit? Hier wordt het ongeoorloofd verklaard ellendig en bedroefd te zijn; geen droefheid wordt vergund dan die, welke tot onze blijdschap strekt. Ja, God heeft zorg, en vrees, en onrust verboden,, want Zijn gebod is: "Zijt niet bezorgd, (Jes. 35:4 en 41:10) Zegt de onbedachtzamen van hart: Weest sterk en vreest niet, ziet ulieder God zal ter wraak komen met de vergelding Gods, Hij zal komen en ulieden verlossen." "Vreest niet, want Ik ben met u, zijt niet verbaasd, want Ik ben uw God, Ik sterk u, ook help Ik u, ook ondersteun Ik u met de rechterhand Mijner gerechtigheid". Wat vreest u dan? Vreest u smaadheid? Dan doet u dat in strijd met de wil van God, die zegt: "Vreest niet de smaadheid van de mens, en voor hun smaadredenen ontzet u niet" (Jes. 51:7). Vreest u de grimmigheid van de mensen, de macht en woede van de vijanden? (Jes. 51:12) "Wie zijt gij, dat gij vreest voor de mens, die sterven zal? En voor eens mensen kind, dat hooi worden zal? Wel, het is in strijd met uw godsdienst, want God zegt: Vreest hen niet. (Jes. 45:5, 13) "Vreest niet, want Ik ben met u, Ik zal uw zaad van de opgang brengen, en Ik zal u verzamelen van de ondergang. Ook eer de dag was, ben Ik, en daar is niemand die uit Mijn hand redden kan; Ik zal werken en wie zal het keren?" (Jes. 44:2, 8) "Zo zegt de Heere uw Maker, en uw Formeerder van de buik af, Die u helpt: Vrees niet, o Jakob Mijn Knecht, en gij Jeschurun, die Ik uitverkoren heb." "Verschrikt niet, en vreest niet, heb Ik het u van toen af niet doen horen, en verkondigd? Want gijlieden zijt Mijn getuigen. Is er ook een God behalve Mij? Immers is er geen andere Rotssteen, Ik ken er geen." Vreest u vervolging of de dood door wreed geweld? Wel, dat is in strijd met de wil van God, Die zegt: Matth. 10:28) "Vreest u niet voor degenen die het lichaam doden, en de ziel niet kunnen doden; maar vreest veel meer Hem, Die beide ziel en lichaam kan verderven in de hel". O, wat moet dit dan een liefelijk, vredig pad zijn, waar alles wat kwellend en smartelijk is verboden, en alles wat verrukkelijk en verblijdend is, geboden is! Hier wordt ons het werk en de plicht opgelegd, ons in de Heere te verblijden: ja, ons te aller tijd te verblijden (Filip. 4:4). Nu, o arme misleide zondaar, die graag vrij zoudt willen zijn van zorgen, vrees en droefheid, als u zichzelf aan Christus geven en de paden van de Wijsheid kiezen wilt, dan zult u van die alle vrij zijn, uitgenomen in zoverre ze noodzakelijk zijn voor uw blijdschap. (Ps. 33:1 en 97:11) "Gij rechtvaardige, zing vrolijk in de Heere, en verheug u, gij rechtvaardige, en zingt vrolijk alle gij oprechten van hart." (Ps. 132:9, 16) "En dat Uw gunstgenoten juichen; en hun gunstgenoten zullen zeer juichen." (Ps. 5:12) "Maar laat verblijd zijn allen die op U betrouwen; tot in eeuwigheid laat ze juichen, omdat Gij ze overdekt; en laat in U van vreugde opspringen die Uw Naam liefhebben". (Filip. 3:1) "Voorts, mijn broeders, verblijdt u in de Heere." U die geen leven liefhebt dan een leven van genot en vrolijkheid, hier is het te krijgen. Als u God tot uw God, en Christus tot uw Meester wilt hebben, en u verkiest de wegen van de Wijsheid, dan zullen vrolijkheid en geestelijke blijdschap uw werk en uw bezigheid zijn. Doch er zijn ook:
2e Uitwendige paden van de Wijsheid, die betrekking hebben op het verrichten van de plichten, welke ook alle vol van liefelijkheid en vrede zijn. Ik zal enkele van deze behandelen.
1. De plicht van het horen en lezen van het Woord: wat is het liefelijk daarin bezig te zijn. Dit blijkt helder uit de bevinding van allen, die door het Woord verlevendigd, vernieuwd en verkwikt zijn geworden. Indien u die er geen liefelijkheid in ziet, hen niet wilt geloven die zeggen, dat zij het ervaren, gelooft dan ten minste het Woord van God en de verklaringen van de heiligen vanouds. (Ps. 119:14, 16, 24, 47, 92, 93, 72, 103, 111, 127, 162, 165.) "Ik ben vrolijker in den weg Uwer getuigenissen, dan over allen rijkdom. Ik zal mijzelven vermaken in Uw inzettingen; Uw woord zal ik niet vergeten. Ook zijn Uw getuigenissen mijn vermakingen, en mijn raadslieden. En ik zal mij vermaken in Uw geboden, die ik liefheb. De wet Uws monds is mij beter, dan duizenden van goud of zilver. Indien Uw wet niet ware geweest al mijn vermaking, ik ware in mijn druk al lang vergaan. Ik zal Uw bevelen in der eeuwigheid niet vergeten, want door dezelve hebt Gij mij levend gemaakt. Ik heb Uw getuigenissen genomen tot een eeuwige erve, want zij zijn mijns harten vrolijkheid. Daarom heb ik Uw geboden lief, meer dan goud, ja, meer dan het fijnste goud. Ik ben vrolijk over Uw toezegging, als een, die een groten buit vindt. Die Uw wet beminnen, hebben groten vrede, en zij hebben geen aanstoot." Het is het werk en het kenmerk van een welgelukzalig mens, dat zijn lust is in des Heeren wet, en hij overdenkt Zijn wet dag en nacht (Ps. 1:1, 2).
Vraagt u: Wat is er in het Woord, dat zoveel genoegen verschaft?
Dan antwoord ik: Daarin worden vele liefelijke dingen gevonden voor Gods kinderen, om er zich in te verlustigen. Behalve de aangename leringen van het Woord, vindt men er ook liefelijke raadgevingen, nodigingen, beloften en getuigenissen, zoals ik reeds heb aangemerkt.
2. De plicht van het gebed, zowel in het verborgen als in gezelschap, wat is die liefelijk voor hen, die daarin geoefend zijn? (Jer. 33:3) "Roept tot Mij, en Ik zal u antwoorden; en Ik zal u bekendmaken grote en vaste dingen, die gij niet weet". Wij kunnen de vraag, wat het horen zo onaangenaam maakt, in betrekking tot het vorige punt beantwoorden: Wel, omdat zij horende, niet horen. Indien zij toch de stem Gods hoorden, zou het hun de liefelijkste zaak ter wereld zijn, want het is een levendmakende, een hartversterkende en opwekkende stem. En zo ook, wat maakt het gebed verdrietig? Wel, omdat zij, biddende, niet bidden. Als de mensen wisten wat dat was, evenals Jakob, met God in het gebed te worstelen, zij zouden de naam van de plaats Bethel, een huis Gods, de poort van de hemel noemen; zij zouden die Pniël noemen, waar zij God gezien hadden, aangezicht tot aangezicht (Gen. 28:17 en 32:30). Kan iemand menen, dat het een smartelijk werk voor een schuldige ziel is, om vergeving, en voor een vuile ziel, om reiniging te bidden? Zou het verdrietig werk voor een liefhebbend kind zijn met zijn vader om te gaan en te spreken? Het is het godloochenend hart; dat zegt: Het is tevergeefs God te dienen, want wat nuttigheid is het, dat wij Zijn wacht waarnemen? Ziet, wat een vermoeidheid" (Mal. 3:14 en 1:13); dat is maar een kreupele en levenloze dienst. De tijd zal echter komen, wanneer zij, die nu het gebed verachten, zullen gaan bidden; ziekte, dood en verschrikking zullen hen, die het nu met een paar dode, vormelijke en harteloze woorden afmaken, leren ernstig te bidden.
3. De plicht van loven en danken, wat is die liefelijk voor hen, die daarin geoefend zijn! Zij weten voorzeker niets van dit werk, die er het genot niet van kennen. Indien er iets in de wereld liefelijk is, dan is het de lof van God, die voortvloeit uit een liefhebbend, gelovig hart, dat vervuld is met de majesteit, barmhartigheid, goedheid en voortreffelijkheid van God in Christus om Zijn heerlijke en aanbiddelijke eigenschappen te vermelden, zoals die in het aangezicht van Jezus uitblinken, met een licht, dat de zon in helderheid oneindig te boven gaat. O! Wat is dat liefelijk, de Vader in de Zoon, de Godheid in de mensheid van onze Heere Jezus Christus, en de rijkdom van de genade in de spiegel van het Evangelie, de menigvuldige wijsheid Gods, te zien en te aanbidden! Er is niet één volmaaktheid Gods, niet één plaats in het Evangelie, niet één deel van het werk van de Geest in de ziel, of het bevat zodanige stof van lof aan God, dat die de gelovige zielen met blijdschap kan vervullen, en het een zeer liefelijk werk doet zijn. Zij weten niets van het leven van de godsdienst, die zich nooit in het loven hebben vermaakt; zij moeten aan een gevaarlijke kwaal lijden, die hen van de liefelijkste dingen doet walgen. Ziet hoe de Geest van God de aangenaamheid van deze bezigheid voorstelt. (Ps. 147:1; 149: 1, 2; 95:1, 2, 3; 96:1, 2, 3). "Looft den Heere, want onze God te psalmzingen is goed omdat Hij liefelijk is; de lof is betamelijk. Halleluja. Zingt den Heere een nieuw lied; Zijn lof zij in de gemeente van Zijn gunstgenoten. Dat Israël zich verblijde in Dengenen Die hem gemaakt heeft; dat de kinderen Sions zich ver heugen in hun Koning. Komt, laat ons de Heere vrolijk zingen, laat ons juichen de Rotssteen onzes heils. Laat ons Zijn aangezicht tegemoet gaan met lof, laat ons Hem juichen met psalmen. Want de Heere is een groot God, ja een groot Koning, boven alle goden. Zingt den Heere een nieuw lied, zingt den Heere gij gehele aarde. Zingt de Heere, looft Zijn Naam; boodschapt zijn heil van dag tot dag. Vertelt onder de heidenen Zijn eer, onder alle volken Zijn wonderen". O wat is dat verblijdend, wanneer de drang van de liefde onze lippen opent, zodat onze mond Zijn lof verkondigt. Dit is de verlustiging van heiligen en engelen. Hoe zijn zij te beklagen, die geen betere ontspanning, of genezing van zwaarmoedigheid kennen, dan het gebruik van een glas bier, een stel kaarten en een gezelschap van onheilige vloekers, dronkaards en losbollen! Wie ook zich wil overladen met de genietingen van het vlees, er zijn nog enige weinige gelukkige zielen, die het met dat ene ding van David houden: (Ps. 27:4) "Een ding heb ik van de Heere begeerd, dat zal ik zoeken: dat ik al de dagen mijns levens mocht wonen in het huis des Heeren, om de liefelijkheid des Heeren te aanschouwen, en te onderzoeken in Zijn tempel". (vs. 5 en 6) "Want Hij versteekt mij in Zijn hut, ten dage des kwaads; Hij verbergt mij in het verborgene Zijner tent; Hij verhoogt mij op een rotssteen. Ook nu zal mijn hoofd verhoogd worden boven mijn vijanden, die rondom mij zijn, en ik zal in Zijn tent offeranden des geklanks offeren; ik zal zingen, ja, psalmzingen den HEERE."
4. De plicht van het deelnemen aan het Heilig Avondmaal; wat is dat liefelijk, waardige avondmaalsgangers te zijn. Zij, die weten wat het is God bij zulke gelegenheden te ontmoeten, zullen weten, dat er niets op aarde te vergelijken is bij hetgeen soms bij die plechtige maaltijd wordt genoten. Dit heilig feestmaal is opzettelijk door de Koning van de heiligen van spijs voorzien tot liefelijk onderhoud van Zijn geslacht. Daar is het geslachte Lam van God, ons Pascha, dat voor ons geslacht is om onze zonden weg te nemen, het liefelijk voedsel. Gelijk onze zondige vermaken Zijn droefheid waren, zo ook is Zijn droefheid onze blijdschap: Zijn smart ons genoegen; Zijn dood ons leven; Zijn lijden ons feestmaal. (Joh. 6:33, 50, 51) "Want het Brood Gods is Hij, Die uit den hemel nederdaalt, en Die der wereld het leven geeft. Dit is het Brood, dat uit den hemel nederdaalt, opdat de mens daarvan ete, en niet sterve. Ik ben dat levende Brood, dat uit den hemel nedergedaald is; zo iemand van dit Brood eet, die zal in der eeuwigheid leven. En het Brood, dat Ik geven zal, is Mijn vlees, hetwelk Ik geven zal voor het leven der wereld." Hier hebben wij gemeenschap met God, als een verzoende God in Christus, Zijn eeuwige Zoon, Die Hij, de beledigde Majesteit, gezonden heeft, om onze Verlosser, Zaligmaker en Borg te zijn. Hier hebben wij met Christus, als voor ons gekruisigd en verheerlijkt, voor ons geofferd en tentoongesteld als ons levendmakend en versterkend Hoofd. Hier hebben wij gemeenschap met de Heilige Geest, Die de weldaad van de verlossing aan onze zielen toepast, ons tot de Zoon trekt, en licht, leven, sterkte en vertroosting uit Hem aan ons meedeelt. Hier hebben wij gemeenschap met het lichaam van Christus, Zijn geheiligd volk, de erfgenamen van het eeuwig leven in Christus; ook worden ons hier vergeving van zonden en de zaligheid verzegeld en de grootste goedertierenheden, die in de wereld worden genoten, in zichtbare afbeeldingen voorgesteld, opdat de middelen gepast zouden zijn voor de broosheid en zwakheid van onze tegenwoordige staat. Indien u nooit enig vermaak in deze dingen hebt gevonden, dan is dat omdat u voor de zonde levend en voor God dood bent en geestelijke zin mist. De hemel zelf toch zal u niet liefelijk zijn, wanneer niet uw natuur veranderd is, en u dus een verandering hebt ondergaan in betrekking tot hetgeen u liefelijk is. Indien de kinderen Gods, op enige tijd, weinig genot vinden in die goddelijke instelling, dan vindt dit zijn oorzaak hierin, dat de een of andere ongesteldheid de eetlust wegneemt en de zoetste dingen bitter doet smaken, omdat dan het geloof niet geoefend wordt en hun geestelijke zintuigen verstompt zijn.
5. De plichten van de Sabbatdag dienst, of van het werk van de dag des Heeren. Hoe liefelijk is dit voor allen, die de Sabbat een verlustiging noemen, opdat de Heere geheiligd worde, die te eren is! (Jes.58:13) Hoe liefelijk gaat dan de geoefende gelovige van bloem tot bloem, om voor zijn ziel honing te vergaderen voor de winter! Hoe liefelijk gaat hij van belofte tot belofte; van plicht tot plicht; van bidden tot lezen en horen, en wederom van lezen en horen tot bidden; van bidden tot loven; van de openbare tot de verborgen, en van de verborgen tot de openbare dienst van God; van de ene stichtelijke bezigheid tot de andere en van de ene stichtelijke lering tot de andere, om daardoor honig en zoetigheid voor zijn ziel te vergaderen en voorraad op te leggen voor de dood en de eeuwigheid! Helaas! Mijn vrienden, indien zinnelijke wereldlingen, die de Sabbat maar een dag van spel en ledigheid maken, wisten welk onuitsprekelijk genot geoefende zielen soms in hun openbare en huiselijke godsdienst vinden, zij zouden zich schamen over hun dwaasheid en onzinnigheid, dat zij een dag in een kroeg verkiezen boven een dag in Gods huis! Wat moest het hen beschaamd maken, als zij de koning David horen zeggen: Één dag in Uw voorhoven is beter dan duizend elders". O vleselijke, dierlijke zondaar! Wat voor u zwaar werk is, is de ontspanning van de heiligen, en die dwaasheden welke uw sport en uw ontspanning zijn, zouden hun gevangenis, en blok, en zware arbeid zijn, want zij verlustigen zich in op die Heere te wachten, Die u niet kent.
6. De plicht van heilige samenspreking is een ander liefelijk deel van het werk. Hoezeer dit ook onder Gods volk in onbruik is geraakt, nochtans blijft de plicht altijd bindend, en is de oefening liefelijk voor allen, die er zich mee bezighouden, die met elkaar spreken, niet van horen zeggen, doch bij bevinding, over de gemeenschap met God. die zij genoten hebben: de gebeden, die Hij verhoord, de verlossingen, die hij geschonken, en de ondersteuning en vertroosting in ellende, die hij vergund heeft. Zij spreken over de strijd met hun verzoekingen en hoe zij die mochten overwinnen; zij besturen elkaar in hun zwarigheden, en vertroosten elkaar met dezelfde vertroosting waarmee zij door de Heere zijn vertroost geworden; en zo stichten zij elkaar door hun geestelijke gesprekken. O Christenen! Indien uw genade niet kwijnend en uw ziel de smaak van de hemelse dingen niet verloor, zoudt u meer lust hebben in heilige samenspreking met de vromen en daartoe meer behoefte hebben aan onderlinge bijeenkomsten. (Mal. 3:16; Hebr. 10:24, 25; 3:13) "Alsdan spreken, die den HEERE vrezen, een ieder tot zijn naaste: De HEERE merkt er toch op en hoort, en er is een gedenkboek voor Zijn aangezicht geschreven, voor degenen, die den HEERE vrezen, en voor degenen, die aan Zijn Naam gedenken. En laat ons op elkander acht nemen, tot opscherping der liefde en der goede werken; en laat ons onze onderlinge bijeenkomst niet nalaten, gelijk sommigen de gewoonte hebben, maar elkander vermanen; en dat zoveel te meer, als gij ziet, dat de dag nadert. Maar vermaant elkander te allen dage, zolang als het heden genaamd wordt, opdat niet iemand uit u verhard worde door de verleiding der zonde". O vrienden! U die zich nooit hebt kunnen vermaken in de gesprekken van de vromen, over geestelijke onderwerpen, wat is het onderwerp van uw gesprekken met hen met wie u omgang hebt? Spreekt u over betere dingen dan God? Over hogere dingen dan de hemel? Of over dingen waarbij u nader belang hebt dan die van uw eeuwige belangen? Gaat naar een gezelschap van vrolijke kerels, zoals u ze noemt, en naar een gezelschap van ernstige, godvrezende mensen, en schrijft heimelijk al de woorden op, die u in beide gezelschappen hoort, en leest ze over, en ziet wat het liefelijkst en aangenaamst is. Wat een mengelmoes van onzin, onbeschaamdheid, lichtzinnigheid, wereldsgezindheid, hoogmoed en dwaasheid, en misschien ook wel onreinheid en godslastering zult u in het ene vinden; en wat een smakelijk, noodzakelijk en stichtelijk gesprek in het andere. Het is vrij wat aangenamer onder blatende schapen, en onder zingende vogels te verkeren, dan onder nietsdoende, kakelende, dwaze gezellen. Bij de eerste zult u nog enig natuurlijk goed vinden zonder inmenging van zondig kwaad, doch wat anders zult u in een goddeloos, dwaas gezelschap bespeuren, dan hoezeer de natuur verdorven is? Hoe zijn de zondaars bulten zichzelf, hoe verdwaast de duivel hen, en wat wordt God vergeten, terwijl Hij bij hen tegenwoordig is en zij in de ketenen van de duivel aan de rand van de dood en de hel liggen! Gewis, heilig samenspraken met de vromen is in zichzelf liefelijker, dan al de onbetekenende pret en de onbeduidende grappen van de goddelozen. Als u er niet zo over denkt, is dat, omdat u uw smaak hebt verloren, de duivel u bedrogen en de zonde u van uw verstand beroofd heeft. Zo heb ik u enige van de paden aangetoond, die vrede zijn, welke de Wijsheid ons aanwijst, opdat wij er in zullen wandelen.
IV. Ik kom nu tot ons vierde punt, namelijk: De natuur en de eigenschappen te verklaren van die vrede, die in de paden van de Wijsheid wordt gevonden. Het is een vrede, die onmetelijk verschilt van de vrede die de goddeloze kunnen hebben. Ik zal daarom, 1e Die vrede ontkennenderwijze beschrijven, door aan te tonen welke soort van vrede die van de goddelozen is, en 2e zullen wij die vrede stellig behandelen, door aan te tonen wat voor soort van vrede in de paden van de Wijsheid wordt gevonden.
1e Laten wij die vrede ontkennenderwijze bezien, en aantonen wat voor soort van vrede de goddelozen hebben.
1. Het is een vrede, die geen schriftuurlijke proef kan doorstaan. De mens kan niet verdragen, dat hij doorzocht wordt, omdat hij het licht haat. (Joh. 3:19, 20) "En dit is het oordeel, dat het licht in de wereld gekomen is, en de mensen hebben de duisternis liever gehad dan het licht, want hun werken waren boos. Want een ieder, die kwaad doet haat het licht, en komt tot het licht niet, opdat zijn werken niet bestraft worden." De ware vrede echter heeft lust onderzocht te worden bij de regel van het Woord. (Ps. 26:2) "Proef mij, Heere, en verzoek mij; toets mijn nieren en mijn hart." (Ps. 139:23, 24) "Doorgrond mij, o God, en ken mijn hart; beproef mij, en ken mijn gedachten. En zie of bij mij een schadelijke weg zij, en leid mij op de eeuwige weg."
2. Het is een vrede, die niet op schriftuurlijke kenmerken gegrond is. Welke schijn van waarheid en echtheid iemands vrede ook mag hebben, ja, al beroept hij zich op een groot deel van de Schrift, hij is vals indien hij geen volledig bewijs uit het Woord heeft (Jes. 8:20) "Tot de wet en tot het getuigenis; zo zij niet spreken naar dit woord, het zal zijn, dat zij geen dageraad zullen hebben."
3. Het is een vrede, die stand houdt met zonde en luiheid. Hij is bestaanbaar met het aan de hand houden van bekende zonde; terwijl de ware vrede de ziel doet volharden in de strijd tegen elk kwaad. (Ps. 68:17) "Waarom springt gij op, gij bultige bergen? Deze berg heeft God begeerd tot Zijn woning, ook zal er de Heere wonen in eeuwigheid". Hij blijft bestaan niettegenstaande traagheid en zekerheid, terwijl de ware vrede de luiheid doodt en tot geestelijke werkzaamheid opwekt. (Filip. 4:6, 7) "Weest in geen ding bezorgd; maar laat uw begeerten in alles, door bidden en smeken, met dankzegging bekend worden bij God. En de vrede Gods, die alle verstand te boven gaat, zal uw harten en zinnen bewaren in Christus Jezus." (Ps. 119:32) "Ik zal de weg van Uw geboden lopen, als Gij mijn hart verwijd zult hebben".
4. Het is een vrede, die de duivel behaagt en geen tegenstand tegen hem verwekt; terwijl de ware vrede door de gehele macht en al de list van de hel wordt tegengestaan. (Luk. 11:21) "Wanneer een sterk gewapende zijn hof bewaart, zo is al wat hij heeft in vrede". (Ef. 6:11) "Doet aan de gehele wapenrusting Gods, opdat gij kunt staan tegen de listige omleidingen van de duivel."
5. De vrede van de goddelozen is een goddeloze vrede. (Deut. 29:19) "Zij zeggen: Ik zal vrede hebben, wanneer ik schoon naar mijns harten goeddunken zal wandelen". Zij denken, dat zij mogen liegen, en stelen, en zweren, en hoereren, en Sabbatschenden, en toch vrede hebben. Dit is een onheilige vrede. Het is beter een brullend geweten te hebben, vol van de verschrikkingen van de Almachtige.
6. Het is een vrede, die op bedrog gegrond is. "Hij voedt zich met as, het bedrogen hart heeft hem terzijde afgeleid; zodat hij zijn ziel niet verlossen kan, noch zeggen: Is er niet een leugen in mijn rechterhand?" (Jes. 44:20). Het is alsof iemand in de top van een mast slaapt, op het punt van in de oceaan geslingerd te worden, en nochtans droomt, dat hij over alles heerst. Zou iemand hem benijden? Dit is de toestand van de onheiligen. Zij zijn aan alle gevaar onderhevig, aan de zwaarste donder van de hemel blootgesteld, en nochtans over niets dromende dan gerustheid en stilheid, terwijl zij elk ogenblik in de oceaan van Gods toorn kunnen storten; want zij hebben geen schuilplaats, geen sterkte; wie zou hen benijden?
7. Het is een gevaarlijke verderfelijke vrede. (Jes. 50:11) "Ziet, gij allen die een vuur aansteekt, die u met spranken omgordt: wandelt in de vlam van uw vuur, en in de spranken die gij ontstoken hebt; dat geschiedt u van Mijn hand, in smart zult gijlieden liggen." (1 Thess. 5:3) "Want wanneer zij zullen zeggen: Het is vrede, en zonder gevaar, dan zal een haastig verderf hen overkomen, gelijk de barensnood een bevruchte vrouw, en zij zullen het geenszins ontvlieden". De voorspoed van de zotten zal ze verderven, en zo verderft de vrede van de goddelozen hen. Zij wachten naar vrede en aanschouwen moeite; zij menen, dat zij veilig zijn, terwijl zij op het punt zijn voor eeuwig om te komen.
8. Het is een heiligschennende vrede, want God vergunt Zijn vijanden geen vrede. "De goddelozen, zegt God, hebben geen vrede" (Jes. 57:21). Indien u een onbekeerd mens bent, die in een staat van vijandschap tegen God leeft, Hij zal u geen ogenblik gemoedsrust toestaan; en als u het neemt, dat is diefstal, dan neemt u wat het uwe niet is. Overweeg dit, o mens, in uw vrolijke en luidruchtige uren. Uw gemoed moest op de pijnbank liggen, zolang niet de vijandschap tussen God en u is weggenomen, en u deel hebt aan de gezegende Vredemaker. En dat temeer, aangezien er sluitbomen zijn, zowel aan de zijde van God, als aan uw zijde, die u bulten alle vrede sluiten, welke alleen het voorrecht is van hen, die de wegen van de Wijsheid betreden.
[1] Aan de zijde van God zijn er vier sluitbomen, die ons buiten de vrede sluiten.
(1) De macht van God is een slagboom, die uitsluit. God alleen is met gezag bekleed, om vrede te geven. Alle engelen in de hemel kunnen geen troostelijk woord tot een zondaar spreken, indien God tegen hem is. Hij schept de vrucht der de lippen, vrede, vrede, dengenen die ver zijn, en dengenen die nabij zijn (Jes. 57:19). Mensen of engelen kunnen niet scheppen, dit is een werk, dat aan God alleen eigen is. Vleselijke mensen beschouwen vergevende genade als een lichte zaak; zij menen, dat het licht is vergeving te schenken en gemakkelijk die aan te nemen. Doch neem een schuldige geweten, die zichzelf, als het ware, boven de hel ziet hangen. elk ogenblik verwachtende er in te storten, dan kunnen alle leraars in de wereld zo iemand geen goed doen, wanneer de Heere hem niet bemoedigt. Helaas, dit is zo’n zwaar slot, dat niemand dan de Geest Gods het kan omdraaien.
(2) De heiligheid Gods is een sluitboom, die de goddelozen buiten de vrede sluit. Zijn heiligheid, in de geboden van de wet geopenbaard, zegt: voordat u vrede zult hebben, moet Ik volmaakte gehoorzaamheid ontvangen. Wat vrede, zolang als uw geestelijke hoererijen daar zijn?
(3) De rechtvaardigheid Gods is een sluitboom, want Zijn rechtvaardigheid, in de bedreiging, zegt: voordat u vrede zult hebben, moet Ik voldoening ontvangen. (Gal. 3:10) "Want zo velen als er onder de werken der wet zijn, die zijn onder de vloek." (Jes. 57:21) "De goddelozen, zegt mijn God, hebben geen vrede’.
(4) Ja, de goedertierenheid Gods sluit ons van de vrede uit, want gelijk goedertierenheid zich niet zal uitlaten tot oneer van de rechtvaardigheid, zo volgt op verachte goedertierenheid de hevigste wraak. "Of veracht gij de rijkdom Zijner goedertierenheid, en verdraagzaamheid, en lankmoedigheid, niet wetende, dat de goedertierenheid Gods u tot bekering leidt? Maar naar uw hardigheid en onbekeerlijk hart vergadert gij uzelf toorn, als een schat, in de dag des toorns en der openbaring van het rechtvaardig oordeel Gods" (Rom. 2:4, 5). "Ziet toe, dat gij Dien die spreekt niet verwerpt; want indien dezen niet zijn ontvloden, die degene verwierpen, welke op aarde goddelijke antwoorden gaf, veel meer zullen wij niet ontvlieden, zo wij ons van Die afkeren Die van de hemelen is (Hebr. 12:25).
[2] Aan de zijde van de zondaar zijn er ook vier sluitbomen, die hen van de vrede uitsluiten.
(1) Hun verdorvenheid is een belemmering; de ene zonde maakt plaats voor de andere, en verschillende begeerlijkheden verwekken grote beroering. "De goddelozen zijn als een voortgedreven zee, want die kan niet rusten, en haar wateren werpen slijk en modder op" (Jes. 57:20).
(2) Hun geweten is een slagboom, die hun vrede belet. Het geweten laat zich niet bevredigen zonder onderhouding van de wet. Gods afgevaardigde is een verschrikking voor de mens. Zij is als een Rebekka, toen de kinderen zich samen stieten in haar lijf. Het geweten veroordeelt en doorsteekt het hart van de zondaar met dolken.
(3) Hun kruisen staan hun vrede in de weg. Evenals de Israëlieten toen zij in Egypte waren en in de woestijn, hoewel God hun monden stopte, dit hun murmureringen niet kon stoppen, zo kunnen zij niet leren in elke staat vergenoegd te zijn. Zij murmureren tegen God. Het kruis verbittert hen, en alles maakt hen bevreesd; terwijl van de rechtvaardige geschreven staat: "Hij zal van geen kwaad gerucht vrezen; zijn hart is vast, betrouwende op de Heere" Zo is het met de goddeloze niet.
(4) Hun vertroostingen zijn een sluitboom, die deze vrede van hen weert. Gelijk zij God niet kunnen dienen zonder afgetrokken te worden, zo ook kunnen zij niet in voorspoed leven zonder afgeleid te worden. (Pred. 5:11) "De slaap des arbeiders is zoet, hij hebbe weinig of veel gegeten: maar de zatheid des rijken laat hem niet slapen". Een begenadigd mens kan rustig slapen, omdat hij zijn hoofd neerlegt op de hoofdkussens van Gods voorzienigheid en belofte, terwijl de goddelozen, wanneer zij beweren, dat zij hun ziel aan God toevertrouwen, nochtans hun rijkdommen Hem niet kunnen toevertrouwen. Zij kunnen Hem hun tijdelijke belangen niet opdragen; hun vertroostingen weren hun vrede van hen.
2e Wij zullen nu deze vrede stellig omschrijven, door aan te tonen wat die vrede is, die in de paden van de Wijsheid wordt gevonden.
1. Het is een innerlijke vrede. Er is een uitwendige uiterlijke vrede in de wereld, tussen mensen en mensen, zoals ik in de verklaring van de woorden heb opgemerkt; doch de wereldse vrede wordt Gods volk dikwijls onthouden: "In de wereld zult gij verdrukking hebben." Doch Hij heeft de Zijnen vrede van een geestelijke natuur beloofd, zeggende (Joh. 16:33) "In Mij zult gij vrede hebben". Deze innerlijke vrede is, of een vrede boven ons, met God, of vrede binnen in ons, in ons hart. De ene is de oorzaak, de ander het gevolg. Vrede met God hebben alle ware gelovigen in de eerste ogenblikken van hun rechtvaardigmaking. (Rom. 5:1) "Wij dan gerechtvaardigd zijnde uit het geloof hebben vrede bij God door onze Heere Jezus Christus". Deze innerlijke vrede, welke ontstaat uit de vrede met God, kan beschouwd worden, òf in betrekking tot de zonde, òf tot verdrukking. Zoals die betrekking heeft op de zonde, heeft hij drieërlei gezichtspunt. Hij ziet op de zonde en haar schuld; op God en Zijn toorn, het loon, dat de zonde verdient; en op Christus en Zijn bloed, als het middel voor beide, dat de schuld van de zonde en de toom Gods wegneemt, zoals Hij de zonde verzoend heeft door het bloed van Zijn kruis. In dit opzicht is deze vrede "een liefelijke bedaardheid en stilheid van het gemoed, ontstaande uit een besef van vergeving en verzoening in en door de Heere Jezus Christus, door de Geest Gods in de ziel gewerkt". En zoals deze vrede betrekking heeft op verdrukking, sluit het dezelfde zaak in, "namelijk een zoete bedaardheid van geest en stilheid van het gemoed, voortvloeiend uit een besef van de gunst van God door Christus." Verder houdt hij drie dingen in;
(1) Een berusten in en onderwerping aan de wil van God, wat de mens ook overkomt, vast besloten het kruis op te nemen met een volstrekte onderwerping aan het welbehagen Gods.
(2) Een heldenmoed, om alle moeilijkheden het hoofd te bieden, zeggende: (Ps. 60:14) "In God zullen wij kloeke daden doen, en Hij zal onze wederpartijders vertreden". (Ps. 18:30) "Want met U loop ik door een bende, en met mijn God spring ik over een muur".
(3) Heilige zekerheid en een liefelijk inwendig gevoel van kalmte, temidden van moeite en ellende. Temidden van de stormen bezitten zij hun zielen in lijdzaamheid.
Deze vrede, zoals hij betrekking heeft op de zonde, staat tegenover vijandschap. De vijandschap heeft een dodelijke slag gekregen in de wedergeboorte en rechtvaardigmaking. God heeft vrede met de ziel, en de ziel heeft vrede met God. En zoals deze vrede betrekking heeft op verdrukking, is hij het tegenovergestelde van ontrustende gedachten, onlijdzaamheid onder moeite, en een murmurerende gesteldheid.
2. Het is een goddelijke vrede en hij heeft een goddelijke oorsprong. Al de drie Personen van de heerlijke Drie-eenheid werken hierin samen, als de Oorzaak van deze vrede. God de Vader wordt de God des vredes genoemd, Die de Satan onder onze voeten verplettert. Hij geeft vrede, Hij schept, onderhoudt, bewaart en volmaakt die. De Zoon wordt Vredevorst genoemd. Als Profeet predikt hij vrede, als Priester verwerft Hij hem; en als Koning roept Hij die uit en beveelt hem. Ja, in het afgetrokkene, Hij is onze vrede en blijdschap in het geloven, Die door Zijn krachtige, heilzame, onwederstandelijke werking alle stormen van de ziel overmeestert. Vrede is een vrucht van de Geest (Gal. 5:22).
3. Het is een heilige vrede; "Die Uw wet beminnen hebben grote vrede, en zij hebben geen aanstoot." Zo velen als er naar deze regel zullen wandelen, over dezelven zal zijn vrede, en barmhartigheid, en over het Israël Gods". Gelijk geschreven staat: "Een ieder, die deze hoop op Hem heeft, die reinigt zichzelf, gelijk Hij rein is," zo ook, die deze vrede heeft, die is de zonde bitter. Vrede met God kan niet bestaan zonder oorlog met de zonde. Wanneer de zonde de overmacht heeft kunnen de gelovigen niet rusten, totdat zij opnieuw besprengd zijn met het bloed van de Vredemaker.
4. Het is een wonderlijke vrede; het is een wonder, want het is een vrede in het midden van vuur en water. De drie jongelingen wandelen in het midden van het vuur en hebben vrede; de Israëlieten gaan door de Rode Zee, en hebben vrede. Dit is overeenkomstig Zijn belofte: "Wanneer gij zult gaan door het water, Ik zal bij u zijn, en door de rivieren, zij zullen u niet overstromen; wanneer gij door het vuur zult gaan zult gij niet verbranden, en de vlam zal u niet aansteken" (Jes. 43:2).
5. Het is een edele en veredelende vrede. Hij verheft de ziel boven alle lagere dingen, zodat zij met een edelmoedige verachting neerziet op de niet noemenswaardige ijdelheden, welke de genegenheden van de wereld betoveren. Een mens, die deze vrede heeft, kan kronen en diademen vertreden, alsof zij mest waren. Hij is niet bevreesd noch met teveel ontzag vervuld voor de verschrikkingen, die de geesten ontmoedigen, en kleinmoedige mensen in de wereld verslaan, maar hij overwint de wereld. (1 Joh. 5:4, 5) "Want al dat uit God geboren is overwint de wereld; en dit is de overwinning die de wereld overwint, namelijk ons geloof. Wie is het die de wereld overwint, dan die gelooft, dat Jezus is de Zoon van God?" (Ps. 46:2—6) "God is ons een Toevlucht en Sterkte; Hij is krachtelijk bevonden een Hulp in benauwdheden. Daarom zullen wij niet vrezen, al veranderde de aarde haar plaats, en al werden de bergen verzet in het hart der zeeën. Laat haar wateren bruisen, laat ze beroerd worden; laat de bergen daveren, door derzelver verheffing! Sela. De beekjes der rivier zullen verblijden de stad Gods, het heiligdom der woningen des Allerhoogsten. God is in het midden van haar, zij zal niet wankelen; God zal haar helpen in het aanbreken van den morgenstond."
6. Het is een vaste en welverzekerde vrede, vaster dan de bergen en heuvelen. (Jes. 54:10) "Want de bergen zullen wijken, en heuvelen wankelen, maar Mijn goedertierenheid zal van u niet wijken, en het verbond Mijns vredes zal niet wankelen, zegt de Heere uw Ontfermer". Het is een eeuwige vrede en vertroosting, gebouwd op eeuwige grondvesten, zoals de eeuwige liefde Gods en de eeuwige gerechtigheid van Christus.
7. Het is een zoete en verzoetende vrede. Hij verzoet ieder lot en doet een mens zeggen: "Ik heb geleerd vergenoegd te zijn in hetgeen ik ben". Hij verzoet het kruis en doet hem daarin roemen, zeggende: "Maar het zij verre van mij, dat ik zou roemen anders dan in het kruis van onze Heeren Jezus Christus". Hij kan een gevangenis in een paleis, en een pijnbank in een bed van rozen veranderen. Hij doet de ziel kennismaken met die wonderspreuk: (2 Kor. 6:10) "Als droevig zijnde, doch altijd blijde; als arm, doch velen rijk makende; als niets hebbende, en nochtans alles bezittende" Hij verzoet het aanzien en het vooruitzicht van de dood. O hoe zal deze vrede de gedachten over de koning van de verschrikkingen verzachten! en de ziel doen zeggen: "O dood! Waar is uw prikkel?" Hij verzoet de overdenkingen en bevattingen van de dag van het oordeel, omdat de mens de Rechter als zijn Vriend en zijn Gerechtigheid aanmerkt, en dat hij bevredigd is met de goddelijke rechtbank, door het bloed van Jezus. Dat is een ellendige vrede, die niet bestaan kan met, maar verslagen en verward wordt bij de gedachten aan de dood, het oordeel en eeuwigheid. Daarom verbant de goddeloze, temidden van zijn vleselijke vrede, de gedachten aan die ontzaglijke dingen, die anders zijn vrede zouden verstoren. Doch hier is een vrede die de ziel bevredigt met de dood, het oordeel en de eeuwigheid, ja, haar zich doet verheugen in het gezicht van deze ontzaglijke en onvermijdelijke dingen.
8. Het is een volmaakte vrede. "Gij zult hem in volmaakte vrede bewaren, wiens gemoed vast op U staat" (Engelse overzetting Jes. 26:3). Hij is volmaakt daarin, dat het niet een flauwe indruk is, maar het is zo’n vrede, die het doel zal bereiken waartoe hij gegeven is en die niet vruchteloos zal zijn. Ja, hij is volmaakt daarin, dat hij niet alleen na de tijd tot volmaaktheid zal aanwassen maar zelfs reeds in de tijd een soort van volmaaktheid heeft. Het is toch een vrede, die alle verstand te boven gaat, een onuitsprekelijke en onbegrijpelijke vrede, er is geen einde aan zijn toeneming: "Der grootheid (of aanwas) van deze heerschappij, en des vredes zal geen einde zijn" (Jes. 9:6). Hij is ook volmaakt ten opzichte van zijn grondslagen, zodanige als: God en Zijn eigenschappen; Christus en Zijn gerechtigheid; de Geest en Zijn werkingen: het verbond en Zijn beloften.
Wanneer het geloof de vrijheid van het verbond in het oog krijgt, dan komt de vrede in als een rivier, hoe onwaardig de ziel ook in zichzelf is; ziet het op de volheid van het verbond, dan komt de vrede in, hoe leeg de ziel ook in zichzelf is; beschouwt het geloof de vastheid van het verbond, dan komt de vrede in de ziel, al is zij nog zo veranderlijk. Wanneer het geloof de Middelaar van het verbond beschouwt, brengt dat vrede in. Onder een besef van onwetendheid komt de vrede in daaruit, dat Hij een Profeet is, om te onderwijzen; onder een bewustzijn van schuld daaruit, dat Hij een Priester is; onder een gevoel van dienstbaarheid daaruit, dat Hij een Koning is. Wanneer het geloof deze dingen in het oog heeft komt de vrede in de ziel. De verbondsbelofte door het geloof gezien verwekt vrede. Kan ik vrede hebben, die zo’n bedrieglijk hart heb? Ja, wanneer ik op de belofte zie, die de waarachtige God geschonken heeft. Kan ik vrede hebben, die zo’n afkerig hart heb, dat nooit woord houdt? Ja, omdat, al breek ik mijn woord, God Zijn woord niet breken kan. De waarheid zal de gordel van Zijn lendenen zijn, en Zijn verbond zal Hem vast blijven. Wanneer het geloof de voorwaarde van het verbond ziet, namelijk; de gerechtigheid van Christus, komt de vrede in als een waterstroom, want de beloften zijn daardoor bekrachtigd. Het geloof maakt gebruik van de gerechtigheid van Christus, als een rechtvaardigheid bevredigende gerechtigheid, als een schuldbetalende en zaligheid verwervende gerechtigheid, als een verbond verzegelende en sterkte gevende gerechtigheid. Het geloof gebruikt haar als een rantsoen, een wasvat en een ladder.
De wegen van de Wijsheid lieflijkheid, en haar paden vrede (3e preek)
Spr. 3:17. Haar wegen zijn wegen der liefelijkheid, en al haar paden vrede.
De dingen, die voor de goddelozen liefelijk zijn, kunnen niet op prijs gesteld worden door iemand die waarlijk ziet wat het einde van die dingen is. Wie zou hem benijden, die slechts voor één dag een kroon draagt, en de volgende dag een voorwerp van bespotting van de goddelozen is? Of wie zou een dag van pret en vermaak verkiezen, als hij wist, dat die zou veroorzaken, dat het overige van zijn leven vol van smart en ellende zou zijn? Wie zou de staat van de bozen en goddelozen benijden, van welken de levenstijd maar op zijn best een dag van zondig vermaak is, die uitloopt in een eeuwigheid van wee en pijniging? Wat kan dat smartelijk zijn voor een nadenkende gelovige, een werelds zinnelijk mens te zijn, temidden van zijn verwaandheid en vrolijkheid, als hij overdenkt waar die mens binnenkort zal wezen, en hoe spoedig zijn gehele toestand veranderd zal zijn? Het zou onze harten bedroeven wanneer wij zo iemand plotseling dood zagen neervallen, en helaas! zou het ons niet smarten, wanneer wij de slag van de doods en van de toorn zien aankomen, waaronder zij voor eeuwig zullen omkomen? Als de zaak zo staat, wie zou dan niet hechter en duurzamer genoegens verkiezen, zulken als ons hier worden voorgesteld:De wegen der Wijsheid zijn liefelijkheid".
Nu wij hebben afgehandeld wat wij wilden zeggen over het leerstellig gedeelte van het onderwerp, door de waarheid van het voorstel aan te tonen, namelijk. dat de wegen van de Wijsheid liefelijkheid zijn; de hoedanigheid hebben overwogen van dat vermaak, dat in de wegen van de Wijsheid wordt gevonden; over sommige van de bijzondere paden van de Wijsheid hebben gesproken, welke alle vrede zijn; en de natuur en de eigenschappen van die vrede hebben verklaard, zullen wij overgaan tot de toepassing van ons onderwerp.
V. Ons vijfde punt was de toepassing. Is het zo, dat "de wegen der Wijsheid liefelijkheid zijn", dan is de gevolgtrekking welke ik er voor het ogenblik uit wil afleiden, de misvatting en dwaling van de wereld en van alle vleselijk mensen open te leggen, die het er voor houden, dat iemands genoeglijke dagen ten einde zijn, dat hij gek, gemelijk en zwaarmoedig zal worden, wanneer hij zijn goddeloosheden begint te verzaken, en Christus gaat zoeken. Omdat zij zelf niet weten wet een liefelijke smaak de geestelijke vertroostingen en goddelijke genietingen hebben; omdat zij geen verlustiging kennen dan die, welke vleselijk en werelds is, daarom beelden zij zich in, dat de weg van de godsdienst een zeer onaangename weg is.
Om er dit gebruik van te maken, zal ik de volgende drie dingen behandelen: 1. Dit denkbeeld bestrijden, om er de ongerijmdheid van aan te tonen. 2. Enige vleselijk tegenwerpingen tegen de liefelijkheid van de godsdienst beantwoorden. 3. Aantonen wat die dingen zijn, waarin de gelovigen een liefelijkheid zien, welke de wereld niet kent.
1e Ik zal iets spreken tot de bestrijding van die misvatting en dwaling van de wereld, dat de weg van de Wijsheid en van de ware godsdienst geen liefelijke weg is.
1. Moet niet die weg liefelijk zijn, die God aangenaam is? En dat is de weg van de Wijsheid en van de godsdienst, zoals wij kunnen zien in 1 Petr. 2:5, waar de gelovigen genoemd worden: "Een heilig priesterdom om geestelijke offeranden op te offeren, die Gode aangenaam zijn door Jezus Christus." De Heere heeft een welgevallen aan hen, die Hem vrezen, die op Zijn goedertierenheid hopen (Ps. 147:11). En moet dat niet het voornaamste genot van de heiligen zijn, God te behagen?
2. Moet dit voor de ziel niet liefelijk zijn, wat haar leven en gezondheid is? Nu, de weg van de Wijsheid, of de weg van geloof, liefde en heiligheid is de wezenlijke gezondheid van de gelovige ziel. De weg van ongeloof, vijandschap en zonde daarentegen is de zwaarste krankheid van de ziel. Leven en gezondheid is een voortdurend, liefelijk genot. Alleen de zonde staat tegenover zielsgezondheid. "Genees mijn ziel, want ik heb tegen U gezondigd".
3. Moet dat niet een liefelijke, aangename weg zijn, die alle vrezen en moeiten wegneemt? Nu, zodanig is de weg van de Wijsheid, de weg van het geloof in de Heere Jezus Christus. (Joh. 14:1) "Uw hart worde niet ontroerd; gijlieden gelooft in God, gelooft ook in Mij". Hij neemt de vrees van de dood en van de verdoemenis weg, en moet daarom groter genot schenken, dan deze wereld kan geven. Een ernstige gedachte van de eeuwige zaligheid, waarvan de wegen van de Wijsheid de eerstelingen zijn, kan die ware vergenoeging aan de ziel schenken, welke alle wereldse rijkdom en eer nooit kan geven.
4. Moet niet die weg liefelijk zijn, die de oorzaak van alle droefheid, namelijk, de zonde wegneemt? Zodanig is de weg van de Wijsheid; hij neemt de zonde, de oorzaak van de ellende, weg. Op deze weg, wordt de schuld van de zonde, door de rechtvaardigmaking, en de heerschappij van de zonde, door de heiligmaking weggenomen, totdat haar bestaan zal worden weggenomen in de verheerlijking. De weg van de Wijsheid is de weg van heiligheid, welke de ondergang van de zonde is.
5. Moet die weg niet liefelijk en vermakelijk zijn, welke bestaat in zich te verblijden en in genaden die niet zonder vermaak kunnen worden geoefend; zoals, kennis, geloof, liefde, hoop en blijdschap? "Want het koninkrijk Gods is niet spijs en drank, maar rechtvaardigheid en vrede, en blijdschap door de Heilige Geest" (Rom 14:17). De weg van de Wijsheid bestaat in die blijde oefeningen, hetzij men die beschouwt als de weg welke de Wijsheid ons aanwijst, opdat wij er in zullen wandelen, of als de weg waarin de Wijsheid tot ons komt.
6. Moet niet die weg aangenaam zijn, die bestaat in gemeenschap met God, Die de Fontein van liefelijkheid en verlustiging is, en ons dicht bij Hem brengt, als een God van liefde? Zodanig is de weg van de Wijsheid: (1 Joh. 4:16) "En wij hebben gekend en geloofd de liefde, die God tot ons heeft. God is liefde; en die in de liefde blijft, die blijft in God, en God in hem."
7. Moet dat niet een liefelijke weg zijn, die een ieder, die dat verkiest, vrijwillig alle genietingen in de wereld doet verlaten en die laat varen voor het genot van deze weg. Zij verkiezen met Mozes het minste van Christus boven het beste van de wereld. "Verkiezende liever met het volk Gods kwalijk gehandeld te worden, dan voor een tijd de genieting van de zonde te hebben. Achtende de versmaadheid van Christus meerdere rijkdom te zijn, dan de schatten in Egypte" (Hebr. 11:25, 26). Zouden zij zo’n ruil doen, als zij het niet een liefelijker weg hadden gevonden, en die tot eeuwig genot strekt? Allen, die ooit de weg van de Wijsheid hebben beproefd kunnen er nooit genoeg van krijgen. Hoe heiliger zij zijn, hoe heiliger zij zouden willen zijn. Die het meeste heeft, verlangt nog meer te hebben. (Filip. 3:12, 14) "Niet dat ik het reeds gekregen heb, of reeds volmaakt ben; maar ik jaag daarnaar, of ik het ook grijpen mocht, waartoe ik van Christus Jezus ook gegrepen ben. Maar een ding doe ik, vergetende hetgeen dat achter is, en strekkende mij tot hetgeen dat voor is, jaag ik naar het wit tot de prijs van de roeping Gods, die van boven is in Christus Jezus.’ (Ps. 27:4) "Een ding heb ik van de Heere begeerd, dat zal ik zoeken; dat ik al de dagen mijns levens mocht wonen in het huis des Heeren, om de liefelijkheid des Heeren te aanschouwen, en te onderzoeken in Zijn tempel".
8. Moet niet dat een liefelijke weg zijn, die zodanig is, dat zij, die hem eens verkozen en beproefd hebben, nooit zullen verkiezen weer tot hun vorige genoegens terug te keren? Nu, zo één is de weg van de Wijsheid. Elk proefje van het genot daarvan doet de gelovige met Efraïm zeggen: "Wat heb ik meer met de afgoden te doen?" (Hos. 14:8). "Uw hand zij over de Man Uwer rechterhand, over van des mensen Zoon, Die Gij U gesterkt hebt, zo zullen wij van U niet terugkeren" (Ps. 80:18). Het doet de mens zeggen: "ik zal Uw bevelen in der eeuwigheid niet vergeten, want door dezelve hebt Gij mij levend gemaakt." Als Gods weg niet aan hun verwachtingen had beantwoord, dan hadden zij overvloedige gelegenheid en meer dan voldoende verzoekingen gehad, om tot de staat waaruit zij gekomen waren, en tot een loszinnig goddeloos leven terug te keren. Dat leven willen zij echter voor de hele wereld niet weer verkiezen. Daarom is het zeker, dat zij dit de liefelijkste weg vinden, zij het niet altijd in gevoelige verlustiging, dan toch ten minste terwijl hun geweten daar bevrijd en hun gemoed beveiligd blijft voor de verschrikkingen welke die zondige genoegens teweegbrengen. Ja, wanneer zij op hun plaats zijn, dan walgen zij zelfs van de nagedachte over hun zondige vermaken.
9. Moet niet die weg liefelijk zijn, die de smartelijkste dingen in aangename kan veranderen? Dat wat gal en alsem kan zoet maken, moet noodzakelijk zelf zeer zoet zijn. Zodanig is de weg van de Wijsheid. die de ziel onder alle verdrukkingen kan opbeuren en verblijden, ja, daarin doen roemen (Rom. 5:3). Leest tot dit einde 2 Kor. 12:9, 10: "En Hij heeft tot mij gezegd: Mijn genade is u genoeg, want Mijn kracht wordt in zwakheid volbracht. Zo zal ik dan veel liever roemen in mijn zwakheden, opdat de kracht van Christus in mij wone. Daarom heb ik een welbehagen in zwakheden, in noden, in vervolgingen, in benauwdheden om Christus’ wil. Want als ik zwak ben, dan ben ik machtig.
10. Moet niet dat een liefelijke weg zijn, die voor de verlichte ziel het gezicht van de dood en het oordeel zo beminnelijk kan maken, als het ooit schrikkelijk geweest is voor de ontwaakt geweten? Zeker, die weg en dat genoegen is niet veel waard, dat geen ernstige gedachte over de dood en het oordeel kan verdragen. Hoe onbetekenend is dat genot, dat vergaat bij het gezicht van de dood, en dat verschrikt wordt en wegvliedt bij het vooruitzicht van het oordeel! Doch in de weg van de Wijsheid kan men de dood in het aangezicht zien, en zeggen: Kom, o vriend! Waarom vertoeft uw wagen te komen? De dood toch, als een vijand, is een van de zegetekens van de overwinning van het geloof: "De dood is verslonden tot overwinning" (1 Kor. 15:54); en als een vriend, is hij de wagen waarmee de ziel naar de hemel gevoerd wordt. Die deze weg bewandelt kan tot het oordeel opzien en tot de Rechter zeggen: "Kom, Heere Jezus, kom haastelijk" (Openb. 22:20). "Kom haastelijk, mijn Liefste, en wees Gij gelijk een ree, of gelijk een welp der herten op de bergen der specerijen" (Hoogl. 8:14).
In één woord, het moet een eeuwig liefelijke weg zijn, die tot liefelijk genot leidt.
2e Wij zullen enige tegenwerpingen beantwoorden, die het vlees bedenkt tegen de liefelijkheid van de wegen van de Wijsheid, of het vermaak van de godsdienst.
Tegenwerping. 1. Hoe kan die weg liefelijkheid zien, die alle vermaak verbiedt? Die vereist het vlees te doden, de wereld te laten varen, onszelf te verloochenen, en dus al onze genoegens op te geven?
Antwoord. De kracht van deze tegenwerping ligt hierin, dat de wegen van de Wijsheid ondankbaar zijn voor het vlees en ons verplichten van onze zonden te scheiden. Gelijk zij, die in het vlees zijn God niet kunnen behagen, zo kunnen zij ook geen behagen hebben in God of in Zijn wegen. Een nieuwe en geestelijke natuur is noodzakelijk zullen wij lust hebben in deze nieuwe en geestelijke dingen, want, "de natuurlijke mens begrijpt niet de dingen, die des Geestes Gods zijn. Want zij zijn hem dwaasheid, en hij kan ze niet verstaan, omdat ze geestelijk onderscheiden worden." Denkt u toch, o zondaar, dat de zonde zo liefelijk is, dat een mens niet genoeglijk of vrolijk kan leven zonder haar? Terwijl zij waarlijk het aangenaamste leven hebben, die het meest vrij zijn van de zonde. De zonde is een verbreking van de wet van God en een verzet tegen Zijn gezag. Is er dan geen vrolijkheid behalve in zich tegen God te verzetten, geen ander genot, dan onze Schepper en Verlosser te beledigen? Wat een zondige naturen hebben wij, die zulke genoegens moeten hebben! Kan een mens niet vrolijk leven, tenzij hij de God des levens tergt en Zijn barmhartigheid vertreedt? Kan hij niet genoeglijk leven, tenzij hij zich in het slijk wentelt en vergif drinkt? Helaas! Welk genot is daarin, God te onteren en onszelf te verwoesten? Laat het wel overwogen worden dat het tot onze eeuwige blijdschap is, en om eeuwige pijn te verhoeden, dat de genietingen van de zonde verboden zijn, die toch alle geestelijke en eeuwige blijdschap uitsluiten. Zult u het Woord van God en de weg van de Wijsheid beschuldigen, omdat die u willen behoeden voor zulk duur genot en zulke gevaarlijke genoegens? U zult het gebruik van de heerlijkste vruchten en dranken nalaten, als uw dokter u zegt, dat het uw leven in gevaar zal brengen, of u zware pijn zal veroorzaken; en zoudt u zich ergeren wanneer de Heelmeester van de zielen u waarschuwt, u te wachten voor dat liefelijk vergif, dat de ziel verwoest? Ja, is niet, zelfs voor het tegenwoordige, de deugd liefelijker dan de ondeugd? Matigheid liefelijker dan dronkenschap? Kuisheid liefelijker dan onreinheid, en matigheid liefelijker dan vraatzucht en onmatigheid? Brengen niet die dingen zulke beroeringen van het geweten, ongesteldheid, schande en wroeging teweeg, dat zij hun straf meebrengen? Al is het, dat iemands rijkdom en uitwendige staat er niet door verteerd zouden worden, dan toch zijn kostelijke ziel.
2e Tegenw. Hoe kan de weg van de Wijsheid liefelijkheid zijn, wanneer het een deel van die weg is ons kruis op te nemen en op verdrukking te rekenen, want er staat geschreven, dat "wij door vele verdrukkingen moeten ingaan in het koninkrijk Gods"; en, dat "allen die godzaliglijk willen leven zullen vervolgd worden".
Antw. 1. Wat het lijden en de kastijdingen betreft, daarvan ligt de oorzaak in de zonde. God straft de mensen niet omdat zij in de weg van de Wijsheid wandelen, maar omdat zij er niet in wandelen. Het is geen gering deel van de liefelijkheid van de weg van de Wijsheid, dat die de mensen buiten de weg van de straf houdt. Is het dan niet onredelijk wanneer wij het onszelf moeilijk maken met het in onze Heelmeester af te keuren, dat Hij ons pijn aandoet, om ons te genezen? Wanneer wij onszelf ziek gemaakt hebben met teveel te gebruiken van het schepsel en van zinnelijk genot, dan is het geen wonder, dat een pijnlijke en onaangename behandeling voor ons nodig is.
2. Wat het lijden voor de zaak van Christus betreft, dat wordt gewoonlijk beloond met liefelijke genietingen, zowel hier als hiernamaals. Als wij de vreugde van de martelaren kenden, wij zouden nooit huiveren voor hun lijden. Wat anders heeft velen van hen, die voor Christus hebben geleden, de zwaarste kwellingen met onverschrokken moed en vastberadenheid doen tegemoet treden, dan het innerlijk genoegen, dat zij in God en Zijn dienst hebben gevonden?
3. In één woord, het lijden en de beproevingen van de kinderen Gods zijn alleen een kastijding tot hun nut; of om tot beproeving te dienen; of als geneesmiddel tot bevordering van de gezondheid. Een weinig van de edik van de verdrukking zal hen hun genoegen en hun voorspoed des te beter doen smaken. O wat hebben voorspoed, rijkdom en eer al een jammerlijk werk in de wereld gemaakt! Zien wij niet dat zij, die in de wereld het voorspoedigst zijn, gewoonlijk de trotste en weerstrevigste zijn? En zullen wij dan tegenzin hebben in die noodzakelijke, gematigde verdrukking, welke strekt om ons tegen zo’n verkeerdheid te beveiligen? Gods volk zou, door hun zwakheid, geneigd zijn zich met hun genoegens te overladen, indien niet oneindige Wijsheid hun de een of andere bittere saus toediende, om de spijsvertering te bevorderen. Nochtans weten zij allen bij ervaring, dat de tijden van hun grootste verdrukking gewoonlijk de tijden zijn waarin zij het meest vertroost worden. Wanneer Hij ze voert in de woestijn, dan spreekt Hij naar hun hart, en geeft hun het dal Achor tot een deur van de hoop, zodat hun verdrukkingen hun vertroosting niet verhinderen, maar die bevorderen (Hos. 2:13, 14). Gelijk hun verdrukkingen overvloedig zijn, alzo zijn ook hun vertroostingen overvloedig (2 Kor. 1:5). Wanneer hun gedachten binnen in hen vermenigvuldigd werden, hebben Zijn vertroostingen hun ziel verkwikt (Ps. 94:19). Hun lijden werkt mee tot hun blijdschap en hun beproevingen tot hun overwinning.
Tegenw. 3. Hoe kan de weg van de Wijsheid liefelijkheid zijn, of kunnen wij voor waar aannemen, dat zij die God vrezen het hoogste genot hebben, wanneer wij het tegendeel zien in de bedruktheid van hun aangezichten, in hun hevige twijfelingen, en vrezen, en klachten; zodat, terwijl vele goddelozen een leven van vrolijkheid hebben, zij daarentegen een leven van smart en rouw hebben?
Antw. Deze tegenwerping, aangaande hetgeen over het algemeen het geval schijnt te zijn, vereist nader overwogen te worden.
1. Wij moeten onderscheid maken tussen jongbekeerden en bevestigde heiligen. Het is geen wonder, dat iemand die pas veranderd is grote smart en droefheid onderworpen is, dat hij zolang in de zonde en ellende heeft geleefd. Doch wie zal hieruit afleiden, dat de weg van de godzaligheid niet liefelijk is, omdat iemand, die er pas op gekomen is, het beklaagt, dat hij zolang de weg van de goddeloosheid heeft bewandeld? De klacht van boetvaardige zielen betreft niet hun tegenwoordige godsvrucht, maar hun vroegere goddeloosheid.
2. Wij moeten onderscheid maken tussen zwakke en sterke christenen. Hoe meer genade en godsvrucht iemand heeft, hoe meer vrede en genot daarmede gewoonlijk gepaard gaan. Luistert naar de klachten van de godzaligen; hebben zij droefheid over hun godzaligheid? Of gaat het daarover, dat zij niet godzalig zijn? Klagen zij over hun geloof, of over hun ongeloof? over hun geestelijkheid, of over hun vleselijkheid? Wie zal dan zeggen dat de heiligheid niet liefelijk is, omdat de mensen. die haar bezitten er graag meer van zouden willen hebben?
3. Wij moeten onderscheid maken tussen gelovigen, die sedert hun bekering in de een of andere grote en verwondende zonde zijn gevallen, en tussen gelovigen, die meer oprecht met God wandelen en hun tere wandel en vrede hebben behouden. Het is geen wonder, dat David, na zijn zonde, klaagt, dat zijn beenderen verbrijzeld zijn, en dat Petrus naar buiten gaat, bitterlijk wenende. De gelovigen kennen zoveel van het kwaad van de zonde, dat zij er niet zo gemakkelijk onder kunnen wandelen, als de blinde, verstokte wereld, die er ongevoelig voor is.
4. Wij hebben onderscheid te stellen tussen de verzekerden gelovige en de twijfelende, die bevreesd is, of hij wel in een staat van genade en van vereniging met Christus is. De droefheid van die mens gaat daarover, dat hij vreest of hij niet misschien nog ongeheiligd is. Dit geeft niet te kennen, dat de godsdienst onaangenaam is; neen het toont juist, dat de weg van de Wijsheid zeer liefelijk en aangenaam in zijn ogen is. Waarom zou hij anders zo ontroerd zijn, wanneer hij er aan twijfelt of hij zijn voeten wel op die weg heeft gezet.
5. Wij moeten onderscheid maken tussen gelovigen, die de uitgebreidheid van het genadeverbond recht verstaan, en anderen, die dat licht missen. Indien een gelovige, door een verkeerde bevatting, van gedachte is, dat de genade van het Evangelie, zich niet tot zo’n onwaardig schepsel, tot zo’n groot zondaar als hij is, uitstrekt, dan is het geen wonder, dat hij verontrust is. Dit sluit echter niet in, dat zo iemand overtuigd is, dat er geen liefelijkheid in de weg van de Wijsheid is: neen, dat geeft veeleer te kennen, welke hoogachting hij heeft voor de voortreffelijkheid van het Evangelie en de welgelukzaligheid van de erfgenamen van de belofte, hoewel hij door een verkeerde opvatting zichzelf uitsluit en daardoor onder vrees verkeert.
6. Overweegt, dat de droefheid van de gelovigen met blijdschap bestaanbaar is. Beproeft de meest ontmoedigde, treurigste Christenen, of zij hun staat en hun genietingen zouden willen ruilen voor het beste en grootste, dat de bozen en goddelozen genieten, en u zult ervaren, dat zij het niet voor heel de wereld zouden willen doen, noch tot de staat waarin zij geweest zijn terugkeren. Ja, de droefheid naar God van een gelovige gaat gepaard met een duurzame blijdschap, in vergelijking met welke het vleselijk genot en gelach maar onzinnigheid en dwaasheid is. Kleine, niet noemenswaardige, belachelijke voorvallen en beuzelingen prikkelen tot luid gelach, doch grote dingen geven ons innerlijke, liefelijke vergenoeging en blijdschap, welke er een afkeer van heeft zich door lachen te uiten. De genietingen van de gelovigen zijn daarom gewoonlijk niet zo zichtbaar voor anderen, als het vleselijk genot van de wereld.
7. Overweegt, dat de wortel van het vermaak van de gelovigen niet naar buiten te onderscheiden is; de wereld kan hun vrede en hun genoegen niet verstaan. Het is een vrede, die alle verstand te boven gaat, en een vreemde zal zich met de blijdschap ervan niet vermengen. Zij hebben het manna, dat verborgen is, en de witte keursteen, en de nieuwe naam, welke niemand kent, dan die hem ontvangt (Openb. 2:17). De wereld kan de genade van Christus, noch de vertroostingen van de Geest binnen in hen, niet zien. Hun kruisen zijn zichtbaar, doch niet hun zalving door de Heilige Geest, de Trooster.
8. Overweegt, dat hoe bedrukt de heiligen dikwijls zijn door menigerlei verzoekingen, zij dat echter niet altoos zijn: neemt hen waar als zij in hun element zijn, en dan zult u zien hoe verheugd zij zijn. Wanneer zij tot Gods heilige berg gebracht zijn, dan verheugen zij zich in Zijn bedehuis (Jes. 56:7). Misschien ontmoet u ze, wanneer zij in een dal zijn. Een vis is een zeer levendig schepsel, maar het moet in het water zijn, niet op het land. Zo is het ook met een gelovige. (Ps. 122:1, vergeleken met Ps. 120:5, 6) "Ik verblijd mij in degenen, die tot mij zeggen: Wij zullen in het huis des Heeren gaan".— "O wee mij, dat ik een vreemdeling ben in Mesech, dat ik in de tenten Kedars woon. Mijn ziel heeft lang gewoond bij degenen, die de vrede haten." Neemt een gelovige, wanneer hij zichzelf is, wanneer de Heere Zijn lamp over hem doet lichten, wanneer er geen twist tussen hem en zijn God is, wanneer zijn geweten besprengd en zijn hart gereinigd is, wanneer de Heere het licht van Zijn aanschijn over hem verheft, en ziet dan of hij geen verheugd mens is (Ps. 4: 7, 8).
9. Als u wilt beoordelen of de weg van de Wijsheid liefelijk is, ziet dan naar hen, die door het geloof in de Heere Jezus Christus leven en overeenkomstig de barmhartigheid van het Evangelie, en staart niet op de neerslachtigheid en droefheid van hen, die zichzelf smart aandoen door hun afzwerven van de weg van de Wijsheid en van de heiligheid. Toch hebben zelfs de zwakke en treurende gelovigen meer vreugde dan de goddeloze wereld, ja zelfs zij, die vele malen door zwakheid vallen. De bewaring van een ziel voor die wanhoop, waarin zij zouden worden geworpen, als zij geen Christus hadden om daarheen te vlieden, en de proefjes van barmhartigheid die zij hebben genoten, en de verlevendigingen die zij ontvangen onder hun smarten, en de hoop die zij hebben op betere dagen, zijn voldoende om al hun sma