van
Ralph Erskine
bedienaar van het Evangelie te Dunfermline - Schotland
over
Jona 2:4 Het geloof in Christus de zekerste weg, om in de droevigste toestand geholpen te worden
Joh. 16:15 De schatten van Christus door Zichzelf open gelegd, verklarende, dat alles wat God de Vader heeft, het Zijne is
Zach. 14:7 Enige tekenen van een sombere avondtijd voor de Kerk van God
Joh. 16:32 Het beste gezelschap in de grootste verlatenheid
Ps. 40:8 / Hoogl. 2:8 De vereniging en verbinding van verheugingen; of de heuglijke komst van de Zaligmaker, hartelijk verwelkomd door de echo van het geloof van de Kerk
Deel 2
Inhoud
Het geloof in Christus de zekerste weg, om in de droevigste toestand geholpen te worden (1e preek) *
Het geloof in Christus de zekerste weg, om in de droevigste toestand geholpen te worden (2e preek)
*De schatten van Christus door Zichzelf open gelegd, verklarende, dat alles wat God de Vader heeft, het Zijne is
*Gedeelte van de toespraak voor het Avondmaal; wie de toegang tot de tafel verboden en wie daar genodigd worden
*De toespraak bij de bediening van de eerste tafel
*De predikatie nadat het plechtig werk was geëindigd
*Enige tekenen van een sombere avondtijd voor de Kerk van God
*Het beste gezelschap in de grootste verlatenheid
*Een gedeelte van de toespraak voor het bedienen van de eerste tafel
*Toespraak bij de bediening van de eerste tafel
*De vereniging en verbinding van verheugingen; of de heuglijke komst van de Zaligmaker, hartelijk verwelkomd door de echo van het geloof van de Kerk
*Het geloof in Christus de zekerste weg, om in de droevigste toestand geholpen te worden (1e preek)
Jona 2:4. En ik zeide: Ik ben uitgestoten van voor Uw ogen; nochtans zal ik den tempel Uwer heiligheid weder aanschouwen.
De Geest van God, maakt ons in het Woord van God bekend dat "vele zijn de tegenspoeden des rechtvaardigen, maar uit die alle redt hem de Heere". Hoewel zij gelovigen zijn, zijn hun benauwdheden vele, waardoor de kinderen Gods in deze wereld soms zeer treurig, en op andere tijden weer zeer aangenaam gesteld zijn. In het eerste deel van onze tekst bevindt de profeet zich in een zeer moeilijke gesteldheid: "Ik zeide: ik ben uitgestoten van voor Uw ogen": in het tweede deel is hij in een zeer aangename en verlevendigende gestalte: "nochtans zal ik de tempel Uwer heiligheid weer aanschouwen".
In deze woorden komen ons voor:
1. De droevige toestand waarin Jona verkeerde: "Ik zeide: ik ben uitgestoten van voor Uw ogen".
2. Het herstel uit die toestand: "nochtans zal ik de tempel Uwer heiligheid weer aanschouwen."
1. Jona verkeerde in een droevige toestand. "Ik zeide: ik ben uitgestoten van voor Uw ogen". Het is geen wonder, dat hij vreesde, dat het met hem gedaan was, toen hij in de buik van de walvis was geworpen en wel moest denken, dat hij geheel zou worden verslonden, Jona was zijn God ongehoorzaam geweest. Hij weigerde met de boodschap, die God hem had opgedragen, naar Nineve te gaan en uit te roepen: "Nog veertig dagen, dan zal Nineve worden omgekeerd". Jona hield dit mogelijk voor een zeer onaangenaam werk, en misschien dacht hij wel: Als het volk van God, Israël zelf, zich op mijn prediking niet wil bekeren, waarom zou ik dan tot deze gaan, die vreemdelingen van God zijn? Volgens sommigen zal hij misschien hebben gedacht, een trotse gedachte, dat zijn voornemen zou worden verijdeld, dat Nineve hem zou verdelgen omdat hij met zo’n onaangename boodschap kwam; of, indien zijn prediking aan het doel beantwoordde, dat het God zou berouwen, zodat Hij het oordeel niet uitvoerde, waardoor hij voor een valse profeet zou worden gehouden. Hierop was hij willens de hemelse boodschap ongehoorzaam. Doch God achtervolgde hem met vaderlijke toorn en gramschap, totdat hij hier in deze droevige omstandigheden was gebracht. En hij ontwaakte niet voordat hij in de zee geworpen en in de buik van de grote vis gebracht was, die hij de buik van het graf of (Engelse overzetting) de buik van de hel noemt. Jona was midden in zee, nadat hij was neergegaan aan de zijden van het schip en zich had neergelegd, met een diepe slaap bevangen; en hij was door de storm niet wakker geworden. Vrienden, wanneer de mensen slapen in de tijd van een storm, of in tijden van de toorn, dan is dat een droevig teken, dat de storm om hunnentwil is opgestoken en dat zij de Jona’s zijn, die de storm hebben verwekt. Doch God had in de zin, dat Jona zou worden wakker gemaakt, en daarom ging hij niet aan het roepen tot God, zolang hij niet in de buik van de vis was. Daar had hij zijn vrees, daar riep hij uit zijn benauwdheid; "Ik zeide: ik ben uitgestoten van voor Uw ogen". Jona wist, dat hij in de tegenwoordigheid Gods was, daar God wezenlijk overal is, want God achtervolgde hem nu. Merkt hier op, dat Jona hier in een zeer droevige toestand was, want hij verkeerde in de bevatting, dat God hem geheel had verstoten; "Ik zeide: ik ben uitgestoten van voor Uw ogen". Alsof hij zeide: ik heb nu geen grond Gods genadige tegenwoordigheid te verwachten; er schijnt nu geen genade voor mij te zijn. In die toestand bleef hij, totdat het geloof zijn stem deed horen; hier is ondersteuning en hulp: "Nochtans zal ik de tempel Uwer heiligheid weer aanschouwen". Zien wij verder:
2. Het herstel uit deze droevige en deerniswaardige toestand: het geloof aanschouwt de tempel van Gods heiligheid. Jona wist wat het was, op te zien tot een God in Christus, de tempel van Gods heiligheid. De tempel beeldde Christus af; daarin was de Ark des verbonds; daar waren de zoenoffers, die een afschaduwing waren van de enige verzoenende offerande, de Heere Jezus Christus. Jona zag tot God op in zijn benauwdheid en hij werd geholpen door deze geloofsdaad.
In deze twee gevallen zijn de volgende twee dingen opmerkelijk:
1. Dat de ware kinderen van God onder grote vrezen kunnen worden gebracht en onder bevattingen, dat zij uitgestoten zijn van voor Gods ogen; of, in andere bewoordingen, dat begenadigde zielen soms onder overheersende vrezen kunnen worden gebracht, dat zij geheel zijn verstoten, en dat er geen genade voor hen is; "Ik zeide: ik ben uitgestoten van voor Uw ogen".
2. Dat de zekerste weg, om uit de droevigste toestand waarin Gods volk kan komen, geholpen te worden, het geloof in de barmhartigheid Gods door Jezus Christus is; of, dat het geloof opnieuw de tempel van Gods heiligheid aanschouwt; nochtans zal ik de tempel Uwer heiligheid weer aanschouwen.
Wij zullen nu de eerste van deze opmerkingen voor u open leggen, namelijk:
Dat een waarlijk begenadigde ziel soms onder twijfelmoedige vrezen kan geraken, of zij niet van voor Gods aangezicht verstoten is.
Wij zullen met Gods hulp deze leer op de volgende wijze behandelen:
I. De uitdrukking: "ik ben uitgestoten van voor Uw ogen", een weinig verklaren.
II. Enkele opmerkingen maken over de vrezen, die het volk des Heeren kunnen bevangen, of zij niet verworpen zijn.
III. Enige van de gronden voor deze vrees blootleggen.
IV. Enige gevolgtrekkingen afleiden tot toepassing.
I. Wij wensen eerst de uitdrukking: "Ik ben uitgestoten van voor Uw ogen" een weinig te verklaren. Wij zullen dit trachten te doen in de drie volgende bijzonderheden:
1. "Ik zeide: ik ben uitgestoten van voor Uw ogen". Het is, alsof Jona zeide: Nu ben ik uitgestoten van nog langer een profeet van God te zijn: de Heere wil mij voortaan niet meer gebruiken. Ik ben uitgestoten uit dit ambt: er is voor mij geen plaats meer in Gods wijngaard.
2. "Ik zeide: Ik ben uitgestoten van voor Uw ogen": dat is, ik heb geen hoop meer, dat ik de heerlijkheid van God in het heiligdom zal zien; ik heb die vroeger gezien, doch ik zal haar niet meer zien. Ik verwacht niet, dat God mij ooit weer Zijn lieflijk aangezicht zal doen aanschouwen.
3. Ik zeide, door ongeloof, toen ik onder droevige omstandigheden was gebracht, dat er nu geen grond van hoop meer was; ik kon niet anders zien dan grond voor wanhoop; ik had geen andere bevatting dan, dat er geen genade bij God voor mij was. O vrienden! Dat is een sombere toestand voor de ziel, wanneer de hoop op Gods ontferming weg is, en wanneer zij zegt: Ik ben verworpen; God zal mij nooit weer Zijn genadig aangezicht doen aanschouwen.
II. Wij zullen u drie of vier opmerkingen geven over de vrezen welke Gods volk kunnen bevangen.
1. Het is zeker, dat zij die in een staat van vereniging met Christus zijn, nooit zullen verloren gaan. Er is iets, dat hen beveiligt; Christus zal hen nooit geheel verwerpen. Zij worden beveiligd door de onveranderlijkheid van de liefde van Christus; die Hij liefheeft, "heeft Hij lief tot het einde toe". De onbeweeglijkheid van Zijn genade en van Zijn verbond getuigt, dat zij nooit geheel zullen worden verstoten. De belofte Gods spreekt: "Ik zal u niet begeven, noch Ik zal u niet verlaten" (Hebr. 13:5). "Want bergen zullen wijken, en heuvelen wankelen, maar Mijn goedertierenheid zal van u niet wijken, en het verbond Mijns vredes zal niet wankelen, zegt de Heere uw Ontfermer" (Jes. 54:10).
2. Een andere opmerking is deze, dat hoewel de Heere Zijn volk nooit geheel zal verstoten, zij nochtans voor een tijd wezenlijk verlaten kunnen zijn. Zij kunnen zo ver van voor Gods ogen uitgestoten zijn, dat zij wezenlijk menen, dat zij geheel verworpen zijn, dat zij zich hebben bedrogen. (Ps. 30:23) "Ik zeide in mijn haasten: Ik ben afgesneden van voor Uw ogen." Hij zeide het, doch het was door ongeloof, en in Zijn haasten; daarom voegt hij er onmiddellijk aan toe: "dan nog hoorde Gij de stem mijner smekingen als ik tot U riep". Hoewel de kinderen van de genade kunnen menen, dat zij verstoten zijn, wanneer zij alleen maar voor een tijd zijn verlaten, toch vergissen zij zich wanneer zij zeggen, dat zij geheel zijn afgesneden. "Voor een klein ogenblik heb Ik u verlaten" (Jes. 54:7). Ik zeg, dit toont, dat er een wezenlijke verlating kan zijn. Dit was ook het geval met het heerlijk Hoofd van het lichaam. Hij riep uit: Mijn God, Mijn God, waarom hebt Gij Mij verlaten? Zo kan ook Zijn volk wezenlijk verlaten en, als het ware, van voor Zijn ogen uitgestoten zijn.
3. Ik merk op, dat er trappen zijn in Gods verlaten van Zijn volk. Hij kan op een afstand zijn; soms, als het ware, achter onze muur staan. niet veraf. en soms kan Zijn troostelijke tegenwoordigheid verder van ons af zijn. Waarlijk, wanneer zij ver van God afwijken, is het een droevig bewijs, dat de Heere ver van hen geweken is. Er zijn vele trappen van verlating, en het is moeilijk te zeggen hoever God een kind van Hem kan verlaten. Deze verlating wordt soms een verbergen van Zijn aangezicht genoemd; soms een sluiten van Zijn oren voor hun gebed en soms een Zich bedekken met een wolk, zodat er geen gebed door kan.
4. Ik merk op, dat er voor Gods kinderen niets meer benauwend is dan, dat de Heere hen verlaat. Dat is een zeer zware verdrukking voor hen, die waarlijk kinderen van God zijn. Vandaar hun geroep: "Hoelang, Heere, zult Gij Uw aangezicht verbergen? Zal dan de Heere in eeuwigheden verstoten? En voortaan niet meer goedgunstig zijn?" Dit leidt mij tot het volgende punt.
III. Ons derde punt was: enige van de gronden bloot te leggen waaruit deze vrezen ontstaan, die Gods kinderen kunnen bevangen. Zij kunnen oprijzen uit zulke dingen als in de toestand van Jona plaatsgrepen.
1. Zware bedelingen van de voorzienigheid beroerden Jona. Zo ook, wanneer Gods volk omringd is van vreselijke voorzienigheden, vermeerdert dit hun vrezen, hetgeen hen doet uitroepen: "Ik ben uitgestoten van voor Uw ogen".
2. Jona werd in het grootste doodsgevaar gebracht waarin een mens kan komen: Jona kon niet verwachten, dat hij verlost kon worden, of er moest een wonder geschieden; ook kon hij niet verwachten, dat God een wonder zou werken voor hem, die tegen Zijn gebod gerebelleerd had. Hetzelfde is dikwijls het geval met Gods volk.
3. Jona kon niet inzien hoe hij van de ondergang zou kunnen worden bevrijd. Zo ook vloeien de vrezen van Gods volk dikwijls hieruit voort, dat zij onder zeer moeilijke omstandigheden verkeren en geen weg van ontkoming kunnen zien: zij kunnen niet inzien hoe de belofte Gods zou kunnen worden vervuld.
4. Jona was in die toestand, dat de Trooster was weggegaan. Hij was de troostelijke hoop op de hemel kwijtgeraakt. Dit vervult ook dikwijls Gods volk met vrezen, of zij niet verworpen zijn: "Omdat de Trooster, die hun ziel zou verkwikken, ver van hen is."
5. De toorn van God achtervolgde Jona. Dit is ook een reden waarom een kind van God kan vrezen, dat hij verworpen is: Hij ziet de ene golf na de andere op hem aanrollen.
6. Een andere oorzaak van Jona’s vrezen was, dat zijn geweten nu ontwaakt was en zijn zonde hem in het aangezicht staarde. Hij moest zeggen: ik ben in het grootste gevaar, doch het is mijn zonde, die mij in deze toestand heeft gebracht. Door mijn zonde ben ik tot aan de poorten van de dood gekomen. Dit is ook de reden waarom Gods kinderen menen, dat zij verworpen zijn. Een bewustzijn van schuld vliegt hun in het aangezicht, en dat God hen daarom vervolgt: dat zij zelf de storm hebben verwekt. Dit zijn enige van de gronden waarom Gods volk kan vrezen, dat zij verworpen zijn.
IV. Ons vierde punt was de toepassing. Uit hetgeen ik gezegd heb kunnen wij afleiden:
1. Hoe dankbaar een kind van God behoort te zijn, als hij voor zulke wanhopige gedachten wordt bewaard van te besluiten, dat hij verworpen is. Het is een droevige toestand, wanneer een kind van God vreest, dat hij verworpen zal worden. De Heere vergadert de verdrevenen Israëls; doch het ongeloof kan hen met Jona doen zeggen: "Ik ben uitgestoten van voor Uw ogen". Toch is er nog grond van hoop, wanneer zij zich tot God wenden.
2. Hieruit kunnen wij afleiden wat Gods volk behoort te zijn, zullen zij de Heere niet tergen hen voor een tijd van Zijn aangezicht te verstoten; opdat zij Hem niet verbitteren, zodat hij hen aan zichzelf overgeeft.
3. Wij kunnen hier zien, dat, hoewel twijfelingen en vrees onbestaanbaar zijn met het geloof, zij nochtans daar kunnen zijn waar het ware geloof is. Jona was een profeet en een gelovige en toch verviel hij tot die twijfelingen: "En ik zeide: Ik ben uitgestoten van voor Uw ogen".
4. Hieruit kunnen wij zien, dat die twijfelingen en vrezen zolang de overhand over Gods kinderen zullen hebben, totdat het geloof zijn stem doet horen. Jona dacht, dat hij uitgestoten was, totdat hij een gezicht kreeg van God in Christus.
Ten tweede. Wij kunnen van deze leer gebruik maken ter beproeving voor allen die onze Heere Jezus Christus toebehoren en menen, dat zij onder verlating zijn. Laat hen zichzelf onderzoeken, of zij onder wezenlijke verlating zijn, of niet.
Hoe zal ik weten of de verlating, waaronder ik ben, wezenlijke verlating is? Ik zal u met twee dingen in kennis stellen, die in de toestand van Jona voorkwamen.
1. Het was zijn aanhoudende weerspannigheid en zijn toegeven aan de zonde en de verdorvenheid, die bewezen, dat hij onder wezenlijke verlating was. Zo ook, wanneer Gods kinderen aan de zonde toegeven, en aan weerspannigheid, en evenwel afkerig heengaan in de weg huns harten, dan is dat zeker een teken van werkelijke verlating.
2. Het is een teken van wezenlijke verlating, wanneer men, evenals Jona, gemakkelijk kan slapen onder een schuldig geweten. De storm wekte de heidense zeelieden, doch hij kon Jona niet doen ontwaken. Wanneer mensen onder schuld in slaap zijn gevallen, is dat een droevig teken van wezenlijke verlating. Wanneer de Heere bij Zijn volk tegenwoordig is, zijn zij wakker en zullen zij met de Kerk zeggen: "Ik bezweer u, gij dochteren Jeruzalems, die bij de reeën, of bij de hinden des velds zijt, dat gij die liefde niet opwekt, noch wakker maakt totdat het dezelve luste". Doch op andere tijden vinden wij de Kerk zo vast slapende, dat zij niet wakker te krijgen was. Wanneer haar Heere haar wekte, was zij onwillig om wakker te worden, en onwillig om op te staan: "Ik heb mijn rok uitgetogen, hoe zal ik hem weer aantrekken? Ik heb mijn voeten gewassen, hoe zal ik ze weer bezoedelen?" Wanneer een kind van God de tegenwoordigheid Gods geniet, zal de geringste schuld op het geweten hem tot de troon uitdrijven, doch wanneer hij gemakkelijk kan slapen met opgelopen schuld op het geweten, dat is een teken van wezenlijke verlating.
Anderzijds moet u er op letten, of er iets hoopvols in uw toestand is. Ik zal u twee dingen aanwijzen, die in Jona’s toestand hoopvol waren.
1. Één ding was hoopvol bij hem; hij had hoge gedachten van God temidden van zijn verlating. Hij sprak evenals de Psalmist: "Gij zijt rechtvaardig in mij in deze hel van ellende te werpen. Gij zijt rechtvaardig, Heere! Mijn God, mijn God, waarom hebt Gij mij verlaten? Doch Gij zijt heilig". Gij hebt mij verlaten, doch Gij zijt heilig. Jona rechtvaardigt God hier, dat Hij deze verdrukking over hem doet komen. Daarom is het een hoopvol iets, wanneer men hoge gedachten van God blijft koesteren, en God rechtvaardigt in zijn ellende.
2. Het is een hoopvol teken in de toestand van Jona, dat hij enige begeerten had naar een God, Die van hem was geweken. Dit blijkt uit het volgende deel van de zin: "Nochtans zal ik de tempel Uwer heiligheid weer aanschouwen;" of, "Nochtans zal ik voortvaren te zien naar Uw heilige tempel." Die ziel is niet werkelijk van God verlaten, die nog verlangend uitziet naar een verlatende God.
Ten derde. Ik zal nog een woord van vermaning spreken tot zulken, die in een toestand van verlating zijn, die moeten uitroepen: "Ik ben uitgestoten van voor Uw ogen". Ik vermaan zulken, dat zij er zich voor wachten het besluit op te maken, dat zij geheel verworpen zijn: daar is hoop voor Israël, deze aangaande. Al bevond gij u in de buik van de walvis, de deur van de hoop staat nog open, omdat Christus Jezus u nog wordt voorgesteld als Die van God gegeven is tot wijsheid, rechtvaardigheid, heiligmaking en verlossing, en zo als een tegengif dient tegen alle ellende. Het zou een blijk zijn van uw deel aan deze zegeningen, indien u van uw eigen wijsheid werd gebracht tot Christus, Die ons geworden is Wijsheid van God; van uw eigen gerechtigheid tot Christus, Die ons geworden is rechtvaardigheid; van uw eigen heiligheid, eigen goedheid, en alle waan van eigen geschiktheid tot een gezicht van de volstrekte noodzakelijkheid van Christus tot heiligmaking; en indien u uit een bewustzijn van uw ellende tot Christus werd gebracht tot volkomen verlossing. O, zegt dan niet, dat de deur van de hoop voor u gesloten is; zulke gevolgtrekkingen geeft de duivel u in, om u van Christus af te leiden. O! Zegt u; ik vind vreselijke toorn en gramschap in Gods bedelingen met mij. Dat kan zijn. maar bevond Jona niet hetzelfde, en nochtans zegt Hij: "Ik zal voortvaren naar uw heilige tempel te zien." Ja maar, zegt u, ik ben in diepten van ellende gedompeld. Laat dat zo zijn; was dat ook niet het geval met Jona? Zijn opstand tegen God bracht hem in die verschrikkelijke diepten, en toch zegt hij: "Nochtans zal ik de tempel Uwer heiligheid weer aanschouwen."
Wat ik gezegd heb betreffende gelovigen, die in zulke grote diepten zijn gekomen, is niet voor u, die vreemdelingen bent van zulke werkzaamheden, of die niet weet wat geloofsoefening is. U ziet, dat het geloof in deze en vele andere Schriftuurplaatsen uitgedrukt wordt door zien of aanschouwen. (Jes. 45:22; Engelse overzetting) "Ziet op Mij en wordt behouden". Dit is de roeping van God tot gelovigen, telkens weer naar Gods heilige tempel te zien. U die nooit tot Christus hebt opgezien. Hij roept u toe: "Wendt u naar Mij toe en wordt behouden’. Hij zegt: "Ik ben de grote God, werpt uzelf uit uw oude schip, waarin u hoopt behouden te worden en kom tot de Rots der eeuwen. En opdat u tot Hem mag komen, gelooft de wet. Ik verwacht niet, dat u het Evangelie zult geloven zolang u de wet niet gelooft: dat is, zolang u niet gelooft, dat u buiten Hem verloren bent. Gelooft de volstrekte noodzakelijkheid van onder het oude verbond uit te komen en uzelf uit het oude schip te werpen. Mensen die op het punt staan schipbreuk te lijden zullen er niet zo spoedig toe overgaan in het water te springen, tenzij ervaren zeelieden hem zeggen, dat er geen hoop is, indien zij niet overboord springen en trachten zwemmende het strand te bereiken.
Nu, dit is het geval met verloren zondaars, zij hebben niet de minste lust hun oude schepen te verlaten, zij vertrouwen op hun doen; zij denken, dat God hun genadig zal zijn als zij zo en zo doen; zij willen de oude schepen niet verlaten, tenzij die getrouwe Gezagvoerder, de Geest van God, hen onderricht, dat zij in de diepten van goddelijke toorn zullen vergaan, wanneer zij de Rots niet bereiken. Doch misschien zegt u: ik kan niet zwemmen, hoe zal ik de Rots bereiken. O vrienden, verlaat de oude schepen en tracht op Hem te zien, naar Hem u toe te wenden. "Wendt u naar Mij toe, wordt behouden, alle gij einden der aarde: want Ik ben God en niemand meer." Dit was hier de toestand van Jona: "Nochtans zal ik voortvaren te zien naar Uw heilige tempel".
Het geloof in Christus de zekerste weg, om in de droevigste toestand geholpen te worden (2e preek)
Jona 2:4. Nochtans zal ik den tempel Uwer heiligheid weder aanschouwen.
Dat de zaligheid uit genade is, is een krachtig argument en een grote bemoediging voor het geloof, dat in onze tekst wordt gevonden, namelijk: telkens en telkens weer naar Gods heilige tempel te zien. Dit is de geloofsoefening waartoe Jona gebracht was. Jona had in het schip vast liggen slapen; doch hier vinden wij hem, wakker geschud zijnde, in de buik van de vis biddende en roepende tot God. In het grootste gevaar doet de Heere de Zijnen goed door verdrukkingen, en Hij werpt dikwijls stormen over hen om ze wakker te schudden. Overtuigingen rijzen op in het geweten en het gebed wordt uitgestort: (Jes. 26:16) "Heere, in benauwdheid hebben zij U bezocht; zij hebben hun stil gebed uitgestort, als Uw tuchtiging over hen was". Zo vinden wij Jona hier werkzaam.
Ik behandelde gisteren de toeleiding tot deze woorden, en merkte na een korte inleiding aan, dat de tekst bevatte: 1e De toestand in welke Jona zich bevond: "En ik zeide: Ik ben uitgestoten van voor Uw ogen". 2e Het middel tot herstel dat is, het geloof: "Nochtans zal ik de tempel Uwer heiligheid weer aanschouwen", of, "nochtans zal ik weer naar Uw heilige tempel zien." Uit het eerste deel van het vers merkte ik op: "Dat begenadigde zielen onder twijfelmoedige vrezen kunnen worden gebracht, of zij niet verworpen zijn". "En ik zeide: Ik ben uitgestoten van voor Uw ogen". Dit voorstel heb ik eerst verklaard en toen enige opmerkingen gemaakt betreffende de vrezen, die zij kunnen hebben. Daarop heb ik enige van de gronden voor deze vrees blootgelegd; en tenslotte enige gevolgtrekkingen ter toepassing afgeleid uit het verhandelde.
Ik ga nu over tot de tweede leer, die ik heb getrokken uit het tweede deel van ons tekstvers: "Nochtans zal ik de tempel Uwer heiligheid weer aanschouwen". Ik heb reeds verklaard waarom het zo is uitgedrukt en in welk opzicht het een aanschouwen van God, of een zien op God genoemd wordt.
De zekerste weg, om uit de droevigste toestand waarin Gods volk kan komen, geholpen te worden, is het geloof in de barmhartigheid van God, door Jezus Christus, of, dat het geloof opnieuw de tempel van Gods heiligheid aanschouwt.
Wij zullen met Gods hulp deze leer op de volgende wijze behandelen:
I. Enkele opmerkingen maken ter opheldering van het leerstuk.
II. Wens ik onderzoek te doen naar hetgeen begrepen is onder dat besluit, dat Jona in de tekst uitspreekt.
III. Wens ik te letten op sommige van de bijzondere ontmoedigingen, waarmee het geloof heeft te worstelen en die het heeft te overwinnen wanneer het naar Gods heilige tempel ziet.
IV. Verder zal ik enige redenen aanwijzen, waarom dit de beste weg is, om uit de grootste moeilijkheden waarin Gods kinderen kunnen komen, geholpen te worden.
V. En tenslotte, zullen wij het geheel toepassen.
I. Wij zullen eerst enkele opmerkingen maken om het leerstuk op te helderen.
1. Ik merk op, dat er in de beste van Gods kinderen een krachtige worsteling is tussen hun geloof en het ongeloof. Onze tekst vertoont ons die worsteling. Er zijn twee uitspraken in dit ene vers. De kracht van het ongeloof spreekt: "En ik zeide; ik ben uitgestoten van voor Uw ogen". In de andere zin wordt de zegepraal van het geloof uitgedrukt: "Nochtans zal ik de tempel Uwer heiligheid weer aanschouwen". Zodat de gelovige in Christus een wonderlijk soort van schepsel is: er zijn, als het ware, twee volkeren in hem aan ‘t worstelen.
2. Ik merk op, dat de verdorvenheid en het ongeloof dikwijls overwicht hebben op het geloof en op de genade. Wij zien hoe in de tekst het ongeloof spreekt: "Ik ben uitgestoten van voor Uw ogen". De kracht van het ongeloof kan zo groot zijn, dat het geloof geheel uit het gezicht verdwenen is, zoals zeker het geval is, wanneer de ziel zegt: Ik ben uitgestoten van voor het aangezicht Gods.
3. Merkt op, dat, al zijn de werkingen van het geloof voor een tijd nog zo gering, het nochtans zijn hoofd weer zegevierend zal opheffen. Hij toch, Die het geloof werkt, is ook de Onderhouder en de Voleinder van het geloof. Deze gezegende Heere heeft voor Zijn volk gebeden, dat hun geloof niet ophoude. Hij heeft op Zich genomen hen te bewaren door de sterkte van Zijn macht.
4. Ik merk op, dat het eerste wat de ziel verlevendigt, en de eerste genade, die in de ziel wordt verlevendigd, het geloof is. Wanneer het geloof eenmaal werkzaam is in op de Heere Jezus Christus te zien; worden al de andere genaden ook verlevendigd. Het geloof toch werkt in op de liefde, en werkt door de liefde, en werkt berouw en bekering: "Zij zullen Mij aanschouwen, Die zij doorstoken hebben, en zij zullen over Hem rouwklagen". Het geloof werkt in op al de andere genaden, en het is het eerste wat in de ziel verlevendigd wordt, nadat de machten van de hel haar omringd en omvangen hebben.
5. Ik merk op, dat, wanneer na groot verval het geloof weer wordt verlevendigd, de Geest der gebeden met het geloof meekomt. Dit is duidelijk, wanneer u beschouwt, hoe de woorden biddende tot God worden gesproken: "Nochtans zal ik de tempel Uwer heiligheid weer aanschouwen".
II. Ons tweede punt was, onderzoek te doen naar wat begrepen is onder dit besluit: "Nochtans zal ik voortvaren te zien naar Uw heilige tempel". Het geloof komt in de Schrift voor onder verschillende benamingen, overeenkomstig de vele namen waaronder het Voorwerp ervan wordt voorgesteld. Indien Christus als onvergelijkelijk wordt voorgesteld, dan wordt het geloof een aanschouwen genoemd: "Gaat uit, en aanschouwt, gij dochteren Sions, de koning Salomo". Wordt Hij als een Gift voorgesteld dan wordt het geloof een aannemen van deze Gave genoemd: "Zo velen Hem aangenomen hebben, die heeft Hij macht gegeven kinderen Gods te worden". Wordt Christus als Spijs en Drank voorgesteld, de komt het geloof voor onder de naam van eten en drinken: "het vlees van de Zoon van God eten, en Zijn bloed drinken". Wordt Christus een Rots of een Fondament genoemd, dan heet het geloof een rusten op dit Fondament. Wordt Christus voorgesteld als een Vrijstad, dan heet het geloof een toevlucht nemen tot Hem. Wanneer Hij als een heerlijk Voorwerp wordt voorgesteld, dan komt het geloof voor onder de benaming van een naar Hem zien, of zich tot Hem wenden. "Ziet Mij aan, of, wendt u naar Mij toe, wordt behouden, alle gij einden der aarde, want Ik ben God en niemand meer."
Onder dit besluit zijn vier dingen begrepen, daar wij acht op zullen geven. 1. De daad van het geloof en wat onder dit zien begrepen is. 2. Het besluit tot deze daad: "Ik zal aanschouwen". 3. Het voorwerp van deze daad: "de tempel Uwer heiligheid". 4. De omstandigheden van dit besluit. Het sluit in een zien naar Hem, met een nochtans: "Nochtans zal ik voortvaren te zien naar Uw heilige tempel".
1e De daad van het geloof. Het geloof wordt een zien of aanschouwen genoemd, en onder die benaming zijn er de volgende dingen onder begrepen:
1. Deze geloofsdaad sluit de kennis van Christus, of een gezicht van Hem in. Het is een zien van de Zoon; het is een kennis van Hem als een onbeweeglijke grond van betrouwen voor Zijn volk. Jona had de kennis van God; hij kende een God in Christus, toen hij Hem aanschouwde als de tempel Gods.
2. Het sluit in, dat de ziel wanhoopt aan enigerlei hulp van een ander oord. "Waarlijk, tevergeefs verwacht men het van de heuvelen en de menigte der bergen; waarlijk in de Heere onze God is Israëls heil". De ziel ziet in het geloven, dat alle andere toevluchten haar ontvallen, en zo wordt zij er toe gebracht haar ogen alleen op Christus te vestigen.
3. Deze geloofsdaad, hier een zien op de Heere Jezus Christus genoemd, sluit een gezicht van Zijn algenoegzaamheid in. Dit is een aangrijpen in het geloof zowel van de macht van de Heere Jezus om zalig te maken, als, dat Hij komt in de Naam van Zijn Vader, met gezag bekleed om te verlossen. Het geloof ziet op Hem als zeer bevoegd om volkomen zalig te maken.
4. In deze geloofsdaad, dit zien op Jezus, is niet alleen een gezicht van Zijn genoegzaamheid of gepastheid, maar ook een hoop van door Hem geholpen te zullen worden. Waar geen hoop is, daar is geen zien op de Heere Jezus Christus. Maar door dit zien hebben wij te verstaan dat de ziel zich op de Heere Jezus Christus wentelt en in Hem rust vindt. "Komt herwaarts tot Mij allen, die vermoeid en belast zijt, en Ik zal u rust geven." Het is het vlieden van de ziel tot Christus, als tot een vrijstad.
5. Dit zien op Christus sluit in, dat de ziel op Hem wacht temidden van alle moeilijkheden: "Ik zal de Heere verbeiden, Die Zijn aangezicht verbergt voor het huis van Jakob."
2e Het besluit tot deze daad: "Ik zal voortvaren te zien naar uw heilige tempel." Dit besluit sluit de vier volgende dingen in.
1. Het sluit in, dat Jona tevoren Gods heilige tempel had aanschouwd. Hij had tevoren op Jezus Christus gezien wanneer hij in een benauwde toestand was, en zo te handelen was voor hem nuttig en voordelig geweest. Daarom besloot hij weer op Hem te zien: "Zij hebben op Hem gezien, ja Hem als een waterstroom aangelopen" (Ps. 34:6).
2. Het sluit in, dat dit de beste weg, de enige weg is: "Ik zal voortvaren naar Gods heilige tempel te zien". Wanneer een kind van God in moeilijkheid verkeert, kan hij van geen andere zijde hulp en vertroosting ontvangen, dan door op te zien tot God in Christus. Dit is de weg die de Geest van God aanwijst: "Ziet op Mij, wendt u naar Mij toe, wordt behouden, alle gij einden der aarde".
3. Het sluit in, dat deze weg nog even veilig is als hij ooit was: "Ik zal voortvaren te zien". Alsof Jona zeide; hoewel ik God heb beledigd met de hemelse boodschap ongehoorzaam te zijn, nochtans weet ik, dat Hij in Christus bevredigd en verzoend is; "daarom zal ik voortvaren naar zijn heilige tempel te zien", als de enige veilige weg, dat Hij Zijn toorn van mij afkeert.
4. Het sluit in, dat hij overtuigd was, dat hij nooit goed handelde zolang hij een andere kant uitzag, sedert hij, door zijn roeping ongehoorzaam te zijn, van God af liep: "Ik zal weer naar Zijn heilige tempel zien". Ja, "ik zal heengaan, en keren weder tot mijn vorige man, want toen was mij beter dan nu".
3e In de derde plaats zouden wij het voorwerp van deze daad bezien:Ik zal naar Uw heilige tempel zien. De tempel was een type van Christus. Daar was het heiligdom: daar was het altaar; daar werden de offeranden geofferd; daar waren zo vele zinnebeelden van de tegenwoordigheid van God, die alle afschaduwingen waren van onze Heere Jezus Christus. Zodat "ik zal voortvaren te zien" de volgende zes zaken insluit:
1. Dat overal waar God gaat, het geloof daar ook heengaat; waar de volheid Gods heengaat, daarheen wendt zich ook het geloof. God is uit de eerste Adam en al zijn natuurlijk zaad uitgegaan; God is in de tweede Adam, en het geloof moet God volgen. Het geloof achtervolgt de volheid van God overal waar zij verblijf houdt: "In Christus woont de volheid Gods lichamelijk".
2. Het sluit in, dat het geloof met God handelende, dienovereenkomstig niet met God onmiddellijk werkzaam is, doch in en door de tussenkomst van middelen; en wel in het bijzonder, door het voornaamste Middel, Jezus Christus. Het geloof ziet naar God in Christus. Het kan geen toegang hebben tot een volstrekte God; het durft tot geen absolute God opzien. Wij mogen tot God komen door Jezus Christus en naar God zien in Zijn heilige tempel.
3. Het geloof, aangemerkt zoals het naar Gods heilige tempel ziet, sluit in, dat het zijn oog vestigt op de heiligheid en reinheid van de Heere Jezus Christus, en op deze grond verwacht het de toegang tot de tegenwoordigheid van God. Onze Heere Jezus Christus was heilig, onnozel, onbesmet. Hij werd verhoord uit de vrees; of zoals het ook kan worden overgezet: "om Zijner godvruchtigheid wil". De heiligheid Gods is in Hem, en het geloof ziet op de heiligheid van Christus en verwacht om zijn godvruchtigheid en heiligheid verhoord te worden. "Nochtans zal ik de tempel Uwer heiligheid weder aanschouwen".
4. Het geloof, zoals het geoefend wordt in naar Gods heilige tempel te zien, sluit in, dat het, in het geloven, met de eer van Gods heiligheid rekent. "Nochtans zal ik weer naar uw heilige tempel zien". Daar schijnt schoonheid; daar schijnt de heiligheid van Gods; daar blinken al de eigenschappen van God uit; en het geloof verwacht de zaligheid van God, door Jezus Christus. "Nochtans zal ik de tempel Uwer heiligheid weder aanschouwen."
5. Het geloof aanschouwt Christus, in het zien naar Gods heilige tempel, als de geheiligde weg tot God: "Ik zal weer naar uw heilige tempel zien". Het is Gods weg; Gods geheiligde weg. Ik hoop door deze weg tot God te genaken; het is de weg, die door het voorhangsel van het vlees van de Verlosser in ingewijd. "Nochtans zal ik de tempel Uwer heiligheid weer aanschouwen."
6. Deze geloofsdaad, zoals het een zien naar Gods heilige tempel is, sluit in, de vrijmoedige toenadering van het geloof tot God, door Jezus Christus: "Wij hebben vrijmoedigheid, om in te gaan in het heiligdom door het bloed van Jezus." Hoe schuldig en vuil ook in onszelf, hier is een grond van vrijmoedigheid. Deze vrijmoedigheid van het geloof wordt voor het aangezicht van God uitgedrukt in de woorden van de tekst: "Nochtans zal ik weer naar Uw heilige tempel zien". Zo heb ik u iets doen zien van wat begrepen is onder het geloof, zoals het een zien, een wederom zien, en een zien naar Gods heilige tempel is.
4e De vierde zaak is: onder welke omstandigheden het geloof naar Gods heilige tempel ziet, namelijk met een niettegenstaande, of een nochtans. Niettegenstaande alles dat gebeurd is: niettegenstaande alle moeilijkheden, die mij zijn overkomen; niettegenstaande ik het besluit had opgemaakt, dat ik verworpen was; nochtans komt het geloof alle bezwaren te boven. "Nochtans zal ik de tempel van Gods heiligheid weer aanschouwen".
III. Ons derde punt was: op sommige van de ontmoedigingen acht te geven, waarmee het geloof heeft te worstelen, zoals in het nochtans van de tekst ligt ingesloten. Het geloof is een genade, die vele, ja alle moeilijkheden heeft te overwinnen. Mocht u vragen; wat zijn die moeilijkheden? Ik zal mij aan de samenhang van de tekst houden, en dan zal ik mij bepalen tot drie grote bezwaren, die Jona in de weg stonden, om te geloven en op te zien naar Gods heilige tempel. Er staan vele moeilijkheden in de weg van velen van Gods volk, indien niet van allen; en wel deze: 1. Zeer grote schuld; 2. Sterke en krachtige verdorvenheden; 3. Pijnlijke voorzienigheden en vreselijke bedelingen.
1e Grote schuld kan het geloven in de weg staan, welke het geloof nochtans moet te boven komen in het zien naar Gods heilige tempel. Dit blijkt uit de toestand, in welke Jona hier was. Lag er niet een grote schuld op zijn geweten?
1. Hij had het duidelijk gebod van God, naar Nineve te gaan en hun te prediken: "nog veertig dagen, dan zal Nineve worden omgekeerd". Maar hij verzette zich hardnekkig tegen het gebod van God.
2. Zijn schuld moest noodzakelijk groot zijn, in aanmerking genomen, dat God hierdoor de ondergang van Nineve wilde voorkomen; nochtans wilde hij niet gaan om hun Gods boodschap over te brengen.
3. De verontschuldigingen die Jona maakte, of de drijfveren die hem verhinderden zijn last uit te voeren, waren een profeet Gods zeer onwaardig. Hij was misnoegd, dat God de Ninevieten genade zou bewijzen.
4. Zijn schuld werd zeer verzwaard, doordat God hem barmhartigheid had bewezen. Hij had hem genade geschonken; Hij had hem verwaardigd een profeet te zijn; Hij had hem vele dingen geschonken, die zijn schuld in grote mate verzwaarden. En wat zal er nu van hem worden? Wel, het geloof komt die alle te boven: "Nochtans zal ik de tempel Uwer heiligheid weer aanschouwen". Hoe komt het geloof die zware schuld te boven? Wel, het ziet op de barmhartigheid van God; het ziet, dat God de Heere God is, Die de ongerechtigheid vergeeft, barmhartig en genadig, in de tempel. Het ziet vergeving en uitdelging van zonden in deze tempel; het ziet, dat al de beloften ja, en amen zijn in Christus Jezus; het grijpt de belofte aan: "Ik, Ik ben het, Die uw overtredingen uitdelg, om Mijnentwil, en Ik gedenk uw zonden niet". Het geloof, Gods tempel, of God in Christus aanschouwende, ziet dat Gods ingewanden van barmhartigheid rommelen, ziet God als een belovende God, en komt zo het bezwaar van zware schuld, die op het geweten ligt, te boven.
2e Een ander bezwaar is: sterke verdorvenheden. Dit was het geval bij Jona. Hij lag niet alleen onder zware schuld, doch zijn verdorvenheden waren sterk, zijn vijandschap tegen de wil van God was krachtig. Merkt hier op: 1. Jona zondigde tegen veel licht: zijn verdorvenheid overwon zijn bekering. 2. Jona hield in dit geval het licht voor hen verborgen. 3. Jona was door de kracht van zijn verdorvenheid verhard geworden. Hij kon niet bidden en tot zijn God roepen, zijn hart was vervreemd geworden van de plicht van het gebed, totdat hij in de buik van de walvis was geworpen. 4. Door deze dingen was hij aan de rand van het verderf gebracht.
Wat kan de ziel doen onder zulke krachtige verdorvenheden? Kan Jona verwachten, dat God een wonder zal werken voor hem, die tegen God in opstand was? Hoe zou hij God kunnen aanschouwen, nu God hem achtervolgde met toorn en grimmigheid? Doch het geloof heft zijn hoofd op en komt deze zwarigheden te boven. Hoe? Door naar Gods heilige tempel te zien. "Nochtans zal ik de tempel Uwer heiligheid weer aanschouwen". Wel, wat is daar te zien, dat gepast is tegen de kracht van de verdorvenheid? Het geloof ziet, dat Christus, de kracht Gods, niet alleen machtig is de schuld van de zonde weg te nemen, doch ook de kracht van de zonde te verbreken. Het ziet, dat Christus de Kracht van God is. "Ik zal naar Uw heilige tempel zien". In deze tempel ziet het geloof de belofte van God niet alleen in betrekking tot de vergeving van de zonde, doch ook tot wegneming van de kracht van de zonde. "De zonde zal over u niet heersen".
3e Een ander groot bezwaar, dat het geloven in de weg staat, dat een zien met een niettegenstaande, of een nochtans zal ik weer aanschouwen, noodzakelijk maakt, is: pijnlijke voorzienigheden en vreselijke bedelingen. En was dat niet het geval met Jona? Ja, waarlijk. Hij was onder verschrikkelijke bedelingen van de voorzienigheid, want hij was nu geheel verstoken van de troostelijke tegenwoordigheid van God. De Trooster, Die zijn ziel zou verkwikken, was ver van hem, en op dezelfde tijd achtervolgde God hem wegens zijn ongehoorzaamheid. Een ieder, die het verhaal hiervan naleest, kan zien onder welke verschrikkelijke bedelingen hij was gebracht. God achtervolgt hem, en allen die met hem waren, wegens zijn ongehoorzaamheid. Men zegt, dat de zeelieden, die bij Jona waren, te Nineve woonden, en dat zij na hun thuiskomst gedachten wat hun was overkomen; hoe God Jona in de zee had geworpen; hoe hij door de walvis was ingeslokt, en hoe God een wonder voor hem had gewerkt. Dit maakte zijn prediking van des temeer kracht. Doch Jona was onder zeer wonderlijke en dreigende voorzienigheden. Bovendien kon hij onderstellen, dat zijn zien naar Gods heilige tempel geen oprecht werk was, omdat het uit nood en vrees, en niet uit vrije verkiezing voortvloeide, toen het zover met hem gekomen was. Doch zijn geloof overwon al deze zwarigheden: "Ik zeide, nochtans zal ik de tempel Uwer heiligheid weer aanschouwen". Wij kunnen in deze voorzienigheid opmerken hoe het geloof door deze en dergelijke middelen de overwinning behaalt.
1. Hoewel de ziel, in engten, onder zijn moeilijkheden tot Christus wordt gedreven, nochtans zal de ziel, die Christus tot haar laatste Toevlucht stelt, onze Heere Jezus Christus welkom zijn, en het geloof zal daarna des te krachtiger werken.
2. Het geloof is een genade, die, temidden van alle pijnlijke bedelingen Gods, tot de barmhartigheid van God kan opzien; het kan ontferming zien temidden van de toorn.
3. Het geloof ziet op de grimmige voorzienigheden van God en op Zijn vreselijke bedelingen waarmee de ziel wordt bezocht, ja het aanschouwt die in de spiegel van de belofte, en wel voornamelijk die belofte: (Jes. 57:17,18) "Ik was verbolgen over de ongerechtigheid van hun gierigheid, en sloeg ze; ik verbergde Mij en was verbolgen, evenwel gingen zij afkerig heen in de weg huns harten". Dit was een zeer beproevende voorzienigheid: hier was toorn ontstoken en in toorn werd de ziel achtervolgd; hier waren pijnlijke voorzienigheden, die als het ware, de verdorvenheid opwekten en haar meer tegen God deden strijden: "zij ging afkerig heen"; en nochtans, zelfs in deze toestand, ziet het geloof op vrijmachtige ontferming: "Ik zie hun wegen en Ik zal ze genezen".
4. Het geloof overwint, temidden van verschrikkelijke tijden waarin God Zich toornig toont, door naar Gods heilige tempel te zien en over alle grimmige bedelingen die in de weg staan heen te zien. De Kananese vrouw (Matth. 15) komt tot Christus, zeggende: "Heere, Gij Zone Davids, ontferm u mijner". Zij kreeg de ene afstoting na de andere. De eerste was: "Hij antwoordde haar niet één woord;" Hij wilde, als het ware, niet eens naar haar omzien. Toen zijn discipelen voor haar kwamen spreken, wordt haar een tweede ontmoediging tegengeworpen: "Ik ben niet gezonden dan tot de verloren schapen van het huis Israëls". Doch de vrouw kwam voor de derde maal en aanbad Hem, zeggende: "Heere, help mij". Weer wordt zij afgestoten: "Het is niet betamelijk het brood van de kinderen te nemen, en de hondekens voor te werpen". Dit was genoeg om haar met wanhoop te vervullen, doch het geloof was bij de hand en voert bewijsgronden aan uit datgene wat stof van ontmoediging voor haar kon geweest zijn: "Ja Heere, doch de hondekens eten ook van de brokjes, die daar vallen van de tafel hunner heren". En hierop zegt onze gezegende Heere: "o vrouw, groot is uw geloof". Zo gaat ‘t het geloof, dat op Christus ziet, niettegenstaande alle bezwaren, die in de weg staan, en temidden van alle grimmige bedelingen van de goddelijke voorzienigheid.
IV. Ons vierde punt was, dat wij enige redenen zullen aanwijzen, waarom het geloof de zekerste weg is, om uit de grootste moeilijkheden waarin Gods kinderen kunnen komen, geholpen te worden. Ik zal kort de volgende vier redenen aanwijzen:
1. Omdat het de weg is, die God geboden heeft. God heeft ons bevolen in de diepste ellende op Hem te betrouwen: "Vertrouwt op de Heere tot in der eeuwigheid, want in de Heere Heere is een eeuwige rotssteen." God heeft ons geboden de weg te kiezen van naar Zijn heilige tempel te zien.
2. Een andere reden is, omdat de belofte aan deze weg is verbonden: "Die gelooft zal zalig worden".
3. Dit is de weg, die al de heiligen in al hun moeilijkheden hebben bewandeld: (Hebr. 11) "Want door het geloof hebben de ouden getuigenis bekomen", en u ziet hoe zij door het geloof wonderen hebben verricht.
4. Dit is de weg waarin Gods volk in Zijn nabijheid zijn gekomen, en zij hebben bevonden, dat dit een veilige weg is. Er staat geschreven: "Zij hebben op Hem gezien, ja Hem als een waterstroom aangelopen. Deze ellendige riep, en de Heere hoorde. Op Hem heeft mijn hart vertrouwd en ik ben geholpen. Zo ik niet had geloofd, dat ik het goede des Heeren zou zien in het land der levenden, ik ware vergaan".
V. Wij zullen nu overgaan tot de toepassing van het onderwerp in een gebruik van onderrichting, beproeving en vermaning.
1e Zullen wij er gebruik van maken tot onderrichting.
1. Wij kunnen hieruit zien, waarom het geloof een doorn in het oog van de hel is. De satan bestrijdt noch kleinen, noch groten, maar deze genade van het geloof alleen. Het is door het geloof, dat wij de kop van de satan vermorzelen; door het geloof zijn wij krachtig bij God en overwinnen wij.
2. Ziet hieruit wat de grond is van al de moedeloosheden waaraan Gods kinderen onderhevig zijn. Het is hun ongeloof; zij zijn niet werkzaam in naar Gods heilige tempel te zien.
3. Ziet hieruit wat de plicht is van afkerige gelovigen en van afkerige kerken en belijders, die hun ogen hebben afgewend van Gods heilige tempel. Hun plicht is terug te keren tot de Heere, van Wie zij zich door hun ongerechtigheden hebben afgekeerd. Dit is de plicht van het tegenwoordig geslacht en van ons afkerig land, om tot de Heere terug te keren. Het is de plicht van hen, die zich neigen tot hun kromme wegen, tot de Heere terug te keren. Het is de plicht van hen, die van de weg Gods zijn afgeweken en hun heilige belijdenis hebben verlaten, tot de Heere weder te keren. In zoverre iemand zijn heilige belijdenis verlaat, waarin hij gedoopt is, in zoverre heeft hij zijn ogen afgewend van Gods heilige tempel. Het is de plicht van het afwijkend geslacht weder te keren; en waarlijk, zij die openlijke getuigen voor God en Zijn zaak zijn geweest, hebben meer te doen dan vroeger. Zij hebben niet alleen te getuigen tegen de Gerechtshoven (Judicatories), hetgeen het oorspronkelijk doel van het Verbonden Hof (Associate Court) was, omdat wij de leer, de tucht, de dienst en de regering van de Kerk van Schotland handhaven; doch wij hebben meer te doen, dat is, te getuigen tegen de buitensporigheden van nieuwe Afgescheidenen (Separatists). Wij behoeven hen niet te noemen, alsof ons voornemen zou zijn hen openbaar te maken; neen, door hun gewelddadige en dolzinnige handelingen hebben zij zichzelf voor de verstandige toeschouwers reeds aan de kaak gesteld, evenals die in 2 Tim. 3:3 genoemd worden en van wie gezegd wordt: "Maar zij zullen niet meerder toenemen, want hun uitzinnigheid zal allen openbaar worden". Wij hebben echter reden te verwachten, dat vreselijke oordelen over dit geslacht zullen komen, voornamelijk wegens het toenemend verval. O vrienden, roept tot God, dat Hij zulken, die door de verzoekingen van de tijd verstrikt zijn, mag terechtbrengen, dat zij tot de goede oude weg mogen terugkeren en weer naar Gods heilige tempel zien.
4. Ziet hieruit wat een gezegend voorrecht het is een gezicht van Christus te hebben. O wat is dat goed, wanneer zo iemand in engten is gebracht! Zijn verlossing is nabij; wederom te zien en daar hulp te vinden. O vrienden! Zij hebben veel voor, die een gezicht van God in Zijn tempel gekregen en Zijn heerlijkheid in Zijn heiligdom gezien hebben. Welke wisselingen ook hun in de wereld mogen overkomen, de gelovigen hebben een onuitsprekelijk voordeel, als zij aan deze God van Bethel mogen denken, dat Hij is wat Hij was: "Ik ben de God van Bethel". In welke engte ook de gelovige in Christus ooit kan komen, als Hij eens naar Christus heeft gezien, behoeft hij slechts weer naar Christus te zien.
Een 2e gebruik is tot beproeving. Beproeft uzelf, vrienden, of u ooit naar Christus hebt gezien, Die de heilige Tempel is. Hebt u nooit een gezicht van Gods Heilige tempel, dat is, een gezicht van God in Christus gehad? Vraagt u: hoe zal ik dat weten? Wel, beproeft het aan de volgende zaken:
1. Indien u er toe gebracht bent naar Gods heilige tempel te zien, dan bent u ook op de een of andere tijd in de zee van de benauwdheid geworpen. Nooit krijgt een mens het onderpand, dat God hem goedertieren zal zijn, wanneer hij niet op het punt geweest is van in de oceaan van goddelijke toorn tenonder te gaan.
2. Beproeft of uw ogen zijn geopend geworden, om de heiligheid van God in Zijn Tempel, in Christus Jezus, te zien: of u hebt gezien, dat de weg van de zaligheid door Christus zodanig is, dat hij Gods heiligheid eer toebrengt, en dat alle eigenschappen en volmaaktheden Gods er door verheerlijkt worden. Dit is een gezicht, dat het geloof krijgt, wanneer het naar Gods heilige Tempel ziet.
3. Beproeft wat dit op u heeft uitgewerkt. Indien u ooit Gods heilige Tempel hebt aanschouwd, hebt u dan niet ondervonden, dat het een hart vertederend gezicht was? Was het geen hart veranderend gezicht? Door Zijn heerlijkheid te aanschouwen, bent u ook naar datzelfde beeld veranderd. Was het niet een hart vernederend gezicht? En hebt u niet ervaren, dat het een hart spenend gezicht was, waardoor u van de wereld bent gespeend, en dat u alle dingen schade heeft doen rekenen en drek heeft doen achten om Christus wil? Hebt u het ook niet een zonde dodend gezicht bevonden te zijn, dat u heeft doen zeggen: "Wat heb ik meer met de afgoden te doen?" Maakte het u Christus dierbaar? "Hun die geloven is Hij dierbaar." Onderzoekt welke kracht van het aanschouwen van Christus is uitgegaan: het zal u alle andere dingen met verachting doen beschouwen.
4. Beproeft uzelf of u naar Gods heilige tempel hebt gezien, dan zult u zeker uw blik volgen en vervolgen de Heere te kennen. Vrienden, zij die eens Christus hebben aanschouwd zullen niet terugzien. Één blik zal hen niet verzadigen, zij zullen telkens weer naar Hem zien; zij zullen naar Hem zien, Die het tegenspreken van de zondaren tegen Zich heeft verdragen. Zo, zeg ik, indien u naar Christus hebt gezien, zult u uw blik volgen; uw leven zal een gelovig leven zijn: "Het leven, dat zij nu in het vlees leven, dat leven zij door het geloof des Zoons Gods". Weliswaar krijgt het ongeloof dikwijls de overhand over hen, doch wanneer het ongeloof de overhand heeft, dat is niet het leven van de gelovigen, dat is veeleer hun krankheid en hun dood; hun leven is een leven door het geloof des Zoons Gods.
5. Beproeft u hierbij: indien u naar Hem gezien hebt, zal het zijn en is het geweest met een niettegenstaande, of een nochtans, evenals in de tekst: "Ik zeide: ik ben uitgestoten van voor Uw ogen; nochtans zal ik voortvaren te zien naar uw heilige tempel". Al hebt u vele moeilijkheden in uw weg gehad, nochtans bent u ze te boven gekomen; bergen stonden u in de weg, en nochtans bent u er overheen gekomen; u is gegeven in de Zoon van God te geloven, niettegenstaande de grote schuld daar u onder lag en niettegenstaande sterke verdorvenheden. "Nochtans zal ik zien;" en niettegenstaande grimmige voorzienigheden en zware beproevingen. nochtans mocht u de tempel van Gods heiligheid weer aanschouwen. Hoewel u moest denken, dat uw toestand de vreselijkste, de meest wanhopige, de verschrikkelijkste toestand was, waarin ooit een ziel geweest was, nochtans hebt u gezegd: "Nochtans zal ik de tempel Uwer heiligheid weder aanschouwen".
Het 3e gebruik is tot vermaning. Deze leer kan gebruikt worden tot vermaning: 1. Van hen, die nooit naar Christus, de heilige tempel Gods hebben gezien. 2. Van hen die eens gezien hebben, doch onder zulke omstandigheden verkeren, dat zij niet weer durven zien. 3. Van hen, die tot dit besluit in de tekst zijn gekomen en niettegenstaande alle zwarigheden zeggen: "Nochtans zal ik voortvaren naar Uw heilige tempel te zien."
1. U die tot op deze dag nooit naar Christus hebt gezien, die nooit geloof hebt gekregen:
(1). Overweegt, dat u uw leven lang nooit Gods heerlijkheid hebt aanschouwd, dat u niets dan ijdelheid hebt gezien. Waar ziet u naar? Naar voorbijgaande schaduwen, de ijdele voordelen en genoegens van de tijd. U hebt uw gehele leven door niets dan ijdelheid aanschouwd.
(2). Wat zult u doen in de dag van de bezoeking? Wat zult u aanschouwen wanneer de dood u in het aangezicht ziet; wanneer u de dood, het oordeel en de eeuwigheid zult moeten zien? Tot wie zult u vlieden om hulp?
(3.) Overweegt, u die nooit naar Christus hebt uitgezien, in welke ellendige toestand u zult zijn, wanneer alle andere dingen u verlaten.
(4). O bedenkt waar u nu toe geroepen wordt. Gij bent gewis eeuwig verloren, wanneer u niet naar Gods heilige tempel ziet. Daarom raad ik u, o zondaar, zich tot de Heilige Geest Gods te wenden, dat Die uw ogen zelf met ogenzalf, opdat u de Christus Gods mag zien en Hem aanschouwen; want er is ook onder de hemel geen andere naam, die onder de mensen gegeven is, door welke wij moeten zalig worden, dan de Naam van Jezus. O komt tot Hem, Die de Rots der eeuwen is: rust niet in gerustheid in het oude schip, of in uw eigen wettische gerechtigheid onder het verbond der werken, want daar is geen zaligheid te verkrijgen. U moet uit dat oude schip uitspringen en naar de Rots der eeuwen zwemmen. Wanneer mensen in groot gevaar verkeren van te zinken, of op een rots verpletterd te worden, zullen zij er niet licht toe overgaan het schip te verlaten, zolang niet hun ervaren schipper hun zegt, dat zij zullen zinken en vergaan, wanneer zij er niet uit springen en naar de rots zwemmen. Zo ook, vrienden, u, die in het oude schip vaart, onder het werkverbond, die meent, dat het er niet zo kwaad met u voorstaat, en u inbeeldt, dat u vrij goed kunt geloven, en denkt, dat u God een goed hart toedraagt, en dat God tevreden over u zal zijn, wanneer u uw best doet, zoveel u kunt: O, verlaat dat oude schip en zwemt naar de Rots der eeuwen. O, zegt u, ik kan niet zwemmen. O vrienden, dat is uw grootste ellende niet, dat u niet tot Hem kunt komen, maar dat u niet tot Hem wilt komen. Indien u niet naar Christus toe kunt zwemmen, ziet dan naar Hem; "ziet op Mij en wordt behouden". O vrienden, Hij is tevreden met één blik; de Rots is een levende Rots, die tot u kan komen. Ziet naar de Rots en de Rots zal u tot Zich trekken. Mij komt in de gedachte wat die kleine jonge dochter, die in de dienst van de huisvrouw van Naäman was, zeide: "Och, of mijn heer was voor het aangezicht van de profeet, die te Samaria is, dan zou hij hem van zijn melaatsheid ontledigen". Zo zeg ik ook: Och, of u was voor het aangezicht van Christus, Hij zou u genezen; zijn naam is JEHOVA ROFÈ, Ik ben de Heere uw Heelmeester.
2. Een woord tot u, die Christus hebt gezien, doch niet weer tot Hem durft opzien. Zegt het ongeloof: "Ik ben van voor Uw aangezicht verstoten?" Zo was het ook met Jona; en nochtans zag hij op. Ligt er zware smartelijke schuld op uw geweten? Bij Jona ook, en nochtans zag hij naar Gods heilige tempel. O mijn lieve vrienden! Laat niets u verhinderen naar Christus te zien. Is uw ellende zeer groot; hebt u met een toornig God te doen? Jona ook, en nochtans zag hij op. Zijn uw zonden de oorzaak, dat er een storm van toorn over u is losgebroken? Jona was ook zelf de oorzaak van de vreselijke storm, die de zee beroerde en nochtans zag hij weer naar Gods heilige tempel. Zegt niet, dat u niet weer durft zien; dat u eens gezien hebt, doch, dat uw toestand nu zodanig is, dat u vreest niet meer welkom te zullen zijn. Wel, wat scheelt u, arme ziel, dat u niet weer durft zien? Is Christus niet zo goed als Hij ooit tevoren was? Welke veranderingen u ook ondergaat, Hij is God, Hij verandert niet. Laat daarom niets u verhinderen tot Hem te komen.
3. Nog een woord tot hen, die tot dit besluit in de tekst zijn gekomen, dat zij, hoewel zij in de mening verkeren, dat zij uitgestoten zijn van voor Gods ogen, nochtans naar Gods heilige tempel zullen zien en wederom zien. Is dit uw werk? Is dit uw besluit? O, dan zal Gods zegen dit werk vergezellen. O ziet niet op mensen, noch engelen, noch schepselen; ziet naar geen leraars, naar geen plichten noch gestalten, doch ziet naar Gods heilige tempel. Ziet daarheen, niettegenstaande alle moeilijkheden die u in de weg staan; volvoert uw besluiten; een vast besluit kan veel doen. De zeeman vertrekt uit zekere haven: zijn besluit is zekere haven binnen te lopen; zijn besluit doet hem koers zetten naar die haven, hoewel hij met stormen heeft te worstelen; vele stormen die hem weer achteruitslaan; nochtans tracht hij zijn besluit te volvoeren, en eindelijk bereikt hij de begeerde haven. Heeft God zo’n besluit in u gewerkt naar Zijn heilige Tempel te zien? O houdt u bij uw besluit, dat zal u tenslotte in de begeerde haven brengen; naar de Heere Jezus Christus uitziende, van Hem levende, op Hem rustende. O ziet naar de tempel waarin God woont; daar is genoeg voor u in Gods heilige tempel. Al heeft het ongeloof krachtig de overhand in u, zodat u zegt: "Ik ben uitgestoten van voor Uw ogen;" nochtans, niettegenstaande dit, zal geloofsoefening op de Heere Jezus Christus u uithelpen, wanneer het u gaat zoals het hier Jona te beurt viel: "Nochtans zal ik de tempel Uwer heiligheid weer aanschouwen". Amen.
De schatten van Christus door Zichzelf open gelegd, verklarende, dat alles wat God de Vader heeft, het Zijne is
Joh. 16:15. Al wat de Vader heeft, is Mijn.
De heerlijke voortreffelijkheid, volheid en algenoegzaamheid van onze Heere Jezus Christus is onuitsprekelijk groot. Niemand kan er zo goed over spreken als Hijzelf; en Hijzelf is hier de Prediker. Aangezien wij hier Zijn woord hebben, kunnen wij, indien het met Zijn Geest gepaard gaat, in deze spiegel Zijn weergaloze heerlijkheid aanschouwen, want die wordt hier zo wonderlijk beschreven, dat de tongen van mensen, noch die van engelen, in zo weinig woorden zoveel kunnen zeggen van Zijn heerlijke volheid en uitrusting: "Al wat de Vader heeft is Mijne".
Onze Heere zegt Zijn discipelen eerlijk aan, welke kruisen zij in deze wereld hebben te wachten: (vs. 2). Zij zullen u uit de synagogen werpen; ja de ure komt, dat een iegelijk die u zal doden, zal menen Gode een dienst te doen". Och op dezelfde tijd verzekert Hij hun welke vertroostingen Hij hun zou verschaffen. Gelijk de profeten onder het Oude Testament de Kerk in dagen van tegenspoed plachten te vertroosten met de belofte van de Messias, zo ook, de Messias gekomen zijnde, vertroost Hij Zijn volk met de belofte van de Geest, de Trooster, welke de grote belofte van het Nieuwe Testament is.
Christus belooft hier (vanaf vs 5) de Geest, als een vrucht van Zijn hemelvaart, zeggende: Indien ik heenga, zo zal Ik hem zenden;" en dat omdat het zenden van de Geest niet alleen de vrucht was van hetgeen Hij op aarde had verworven, doch het antwoord op Zijn gebeden in de hemel en van Zijn voorbidding binnen het voorhangsel (Joh. 16:16). Voor de gift van de Geestes moet betaald en gebeden worden, opdat wij dit voorrecht zeer hoog zouden waarderen.
Vanaf vs. 8 en verder lezen wij welk een grote weldaad de komst van de Geest zou zijn voor een blinde wereld: "Die gekomen zijnde, zal de wereld overtuigen van zonde, en van gerechtigheid, en van oordeel". Verder lezen wij, vanaf vs. 13, wat een grote weldaad Zijn komst voor de discipelen zou zijn: "Wanneer die zal gekomen zijn, namelijk de Geest der waarheid, Hij zal u in al de waarheid leiden".
Verder wordt het voornaamste werk opgesomd: (vs. 14) "Die zal mij verheerlijken: want Hij zal het uit het Mijne nemen, en zal het u verkondigen". En nu volgt deze tekst als een reden van het voorgaande. Wilt u een reden weten, waarom de Geest, wanneer Hij zal komen, Mij zal verheerlijken, door het uit het Mijne te nemen en het u te verkondigen? Wel hierom, omdat al wat de Vader heeft het Mijne is: daarom heb Ik gezegd, dat Hij het uit het Mijne zal nemen, en u verkondigen. Daar Hij zowel de Geest van de Vader als de Geest van de Zoon is, komt Hij, wanneer Hij komt om Mij te verheerlijken, ook om de Vader in Mij te verheerlijken, en door u de dingen die Mijne zijn te verkondigen, welke niet verschillen van, maar die dezelfde zijn als de dingen van de Vaders, zal Zijn verkondigen van het Mijne u verkondigen wat een Heerlijke ik ben, want "al wat de Vader heeft is Mijne".
Onze Heere Jezus spreekt nooit alleen over Zijn verheerlijkt zijn, zonder te melden, dat de Vader in Hem verheerlijkt is, noch van Zijn Eigen heerlijkheid afgescheiden van de heerlijkheid van de Vader. Toen Zijn lijdenswerk op aarde zou beginnen, sprak Hij: "Nu is de Zoon des mensen verheerlijkt, en God is in Hem verheerlijkt" Joh. 13:31). Toen Hij Zijn voorbiddend werk op aarde begon, sprak Hij: (Joh. 17:1) "Vader, de ure is gekomen, verheerlijk Uw Zoon, opdat ook Uw Zoon U verheerlijke". En zo ook hier in Zijn bekendmaking, wat na Zijn verhoging het werk van de Geest in Zijn Naam zou zijn: "Die zal Mij verheerlijken, want Hij zal het uit het Mijne nemen, en zal het u verkondigen." Zal dan de verheerlijking van de Vader hier over het hoofd gezien worden? Neen, neen: door Mijn heerlijkheid te verkondigen, zal Hij de heerlijkheid des Vaders verkondigen; door het Mijne te verkondigen, zal Hij de dingen des Vaders verkondigen, want "al wat de Vader heeft is Mijne". Deze dingen zal de Geest tonen of bekend maken; dat is, Hij zal die zo aan u en in u verklaren en bewijzen, dat u ze bij bevinding zult verstaan, en dat beide door openbaring in u daarin te onderwijzen, en door mededeling in er u deel aan te geven.
Ik zal bij deze gelegenheid voornamelijk spreken over de reden die onze Heere Jezus hier geeft: "Al wat de Vader heeft is Mijne". Wij hebben hier de onmetelijke uitgestrektheid van de dingen die van Christus zijn, welke de gelovigen door de Geest zullen worden verkondigd; het is alles wat de Vader heeft: dat is Mijne, zegt Christus. Deze dingen nu, kunnen genomen worden, of volstrekt, met betrekking tot de Persoon van de Zoon: of bepalend, met betrekking tot het ambt van Christus, als Middelaar tussen God en de mens.
1. Volstrekt beschouwd, is alles wat de Vader heeft het Zijne, namelijk de ganse, gehele goddelijke ratuur, hebbende Hij Zijn persoonlijkheid van de Vader, door een eeuwige, noodzakelijke en onuitsprekelijke generatie. Al wat de Vader heeft moet noodzakelijk het Zijne zijn, want "Hij en Zijn Vader zijn Één". In deze zin kon Christus zeggen: Al wat de Vader heeft is Mijne, namelijk, al de wezenlijke eigenschappen van de Godheid; er is geen verschil tussen het Zijne en het Mijne, Zijn natuur en wezen zijn Mijne, alleen Onze persoonlijke eigenschappen zijn onderscheiden: Hij is de eerste en Ik ben de tweede Persoon van de heerlijke Drie-eenheid, volgens de orde van bestaan van de drie-enige God; Hij is mijn eeuwige Vader en ik ben Zijn eeuwige Zoon door onuitsprekelijke generatie. Doch het al waarvan hier wordt gesproken, schijnt niet in deze absolute zin genomen te moeten worden, het sluit niet alles in van de goddelijke natuur, welke Hij door eeuwige generatie had. Daarom,
2. Moeten wij het in een meer beperkte zin nemen in betrekking tot het ambt van Christus als Middelaar. Al wat de Vader van eeuwigheid in Zijn hart en voornemen had, om het in de tijd bij vrije schenking te ontdekken en uit te delen, is Mijne, volgens deze Schriftuurplaatsen: (Matth. 11:27) "Alle dingen zijn Mij overgegeven van Mijn Vader;" (Joh. 3:35) "De Vader heeft de Zoon lief, en heeft alle dingen in Zijn hand gegeven". (Joh. 13:3) "Jezus, wetende dat de Vader Hem alle dingen in de handen gegeven had, nam een linnen doek en omgordde Zichzelf, en begon de voeten van Zijn discipelen te wassen". Al, dat is, al de uitwerkingen van de liefde, de genade en de wil van de Vader, alles wat Hij van eeuwigheid in Zichzelf had voorgenomen; al wat Zijn oneindige kracht en goedheid in de uitvoering daarvan zou voortbrengen, het was alles aan Christus gegeven en toevertrouwd; en aldus is "al wat de Vader heeft het Mijne".
De orde van werking in de Heilige Drie-eenheid, met betrekking tot onze zaligheid, is overeenkomstig de orde van bestaan van de onderscheiden Personen van de Godheid. Wij zien hier dan ook: 1. De dingen, die ons bekend gemaakt en geschonken worden, zijn oorspronkelijk de dingen van de Vader; Hij is de oorspronkelijke Fontein van die alle; Zijn liefde, goedheid, Zijn raad en wil zijn hun hoogste oorzaak en oorsprong; daarom worden zij hier genoemd: al wat de Vader heeft. 2. Zij zijn de dingen van de Zoon: zij zijn Mijne, zegt Christus, als Middelaar. Zij zijn Mij gegeven en tot Mijn beschikking gesteld, krachtens Mijn middelaarsambt; waardoor zij voor ons bereid en ons gegeven zijn tot heerlijkheid Gods. 3. Zij worden ons werkelijk medegedeeld door de Heilige Geest; "Daarom heb ik gezegd, dat Hij het uit het Mijne zal nemen en u verkondigen". Hij deelt ze ons niet onmiddellijk van de Vader mee. Wij kunnen niet onmiddellijk met de Vader handelen of te doen hebben; alleen door de Zoon hebben wij toegang tot Hem, en alleen door de Zoon geeft Hij ze ons uit Zijn genade en milddadigheid. Alle genade en barmhartigheid zijn aan Christus als de grote Schatmeester van de hemelse dingen toebetrouwd. Daarom verkondigt de Heilige Geest ze ons, niet eerst als de dingen van de Vader, maar zoals zij de vruchten zijn van Christus’ middelaarschap, en daardoor als de vruchten van de liefde en milddadigheid van de Vader.
Hier dan is de honig, die ons heden zal worden te eten gegeven, zoals geschreven staat: (Hoogl, 5:1) "Ik ben in mijn hof gekomen, o mijn zuster, o bruid; Ik heb mijn mirre geplukt met mijn specerijen; Ik heb mijn honigraten met mijn honig gegeten: Ik heb mijn wijn, mitsgaders mijn melk gedronken, Eet vrienden, drinkt en wordt dronken, o Liefste". Deze honing wordt hier voorgesteld overeenkomstig de orde van bestaan van de drie onderscheiden Personen van de Godheid. 1. Als honig in de bloem, welke zover buiten ons bereik ligt, dat wij die er nooit zouden kunnen uithalen, namelijk: "Al wat de Vader heeft." 2. Als honig in de raat, die voor ons bereid is in onze Immanuël, Godmens, Verlosser, het Woord, Dat vlees geworden is, zeggende: "Al wat de Vader heeft is Mijne", Mijne tot uw nut en u ten diepste, want: 3. Hier is honig in de mond; de Geest neemt alles en past het toe, door het ons te verkondigen, en ons te verkondigen, en ons te doen eten en drinken met Christus, en in al die dingen te doen delen. Ja, Hij doet ons niet alleen de honig, maar de honigraat met de honig eten; Hij verkondigt niet alleen Zijn weldaden maar Zichzelf, Zijn Persoon met Zijn weldaden: Hemzelf en alle dingen, die de Vader Hem heeft toebetrouwd. Hier is brood genoeg en meer dan genoeg in het huis van onze Vader; hier spreekt de Huisbezorger, "Alles is het Mijne", om het u uit te delen door de hand van Mijn Geest.
Het onderwerp waarover hier wordt gesproken is niet minder dan alle dingen, die betrekking hebben op onze eeuwige zaligheid, en van deze wordt gesproken. 1. In betrekking tot hun oorsprong: het zijn de dingen Mijns Vaders. 2. De schenking daarvan aan Christus, als Middelaar: ze zijn Mijne. 3. Hun mededeling, zij worden ons wezenlijk medegedeeld door de Heilige Geest.
Uit het eerste deel van dit vers stellen wij de volgende leer vast:
De weergaloze heerlijkheid van Christus in de volheid en in de voorraad van zijn middelaarschap is zodanig, dat Hij kan zeggen: "Al wat de Vader heeft is Mijne".
Hij, als Middelaar, bezit alles wat de Vader heeft ten goede van zondaren, Dit is de reden waarom de Geest, als Hij de dingen van Christus neemt en die ons verkondigt, Christus verheerlijkt, omdat al de heerlijke dingen des Vaders van Christus zijn; zij zijn Mijne. Hoe zou de openbaring en de mededeling door de Geest van de dingen van Christus Zijn weergaloze heerlijkheid openbaren, als die niet de dingen Gods waren? Of aldus:
Alles wat de Vader heeft ten goede van zondaren is aan Christus onze Verlosser toebetrouwd.
Indien deze dingen alleen van de Vader en niet van Christus waren, konden wij tot die dingen geen toegang, noch er deel aan hebben: wij konden ze dan nooit in het hart van de Vader zien; want, "Niemand heeft ooit God gezien", hoewel alles wat in betrekking staat tot ons eeuwig leven, daar zijn oorsprong heeft; doch de eniggeboren Zoon, Die in de schoot des Vaders lag, is daaruit gekomen, beladen met al de goede en grote, en heerlijke dingen, die daar van eeuwigheid verborgen waren, en heeft ze ons verklaard, en bekend gemaakt, dat alle dingen die de Vader heeft de Zijne zijn.
In de verdere behandeling van dit onderwerp zal ik, met Gods hulp, de volgende dingen onderzoeken:
I. Welk recht en aanspraak Christus heeft op alles wat de Vader heeft.
II. Enkele van al die dingen aanwijzen, die de Vader heeft en welke de Zijne zijn.
III. Onderzoeken hoe en in welke zin zij de Zijne zijn.
IV. Aantonen waarom het zo geordend is; of, dat schoonheid van deze beschikking, dat alles wat de Vader heeft het Zijne is.
V. Het gehele onderwerp toepassen.
I. Het eerste voorgestelde punt is: Aan te tonen welk recht en aanspraak Christus heeft op alles wat de Vader heeft.
1e Hij heeft een natuurlijk recht op alles wat de Vader heeft, en dat zoals Hij God is, één God met de Vader en de Heilige Geest; in welke zin Hij zeide: "Ik en de Vader zijn één". Zo heeft Hij hetzelfde wezenlijk recht en dezelfde aanspraak met de Vader op alle dingen, ten opzichte van de eenheid van wezen van de heerlijke Drie, en hun gelijkheid in macht en heerlijkheid: De Heere onze God is een enig Heere.
2e Hij heeft een middelaarsrecht en aanspraak op alle dingen.
1. Als Middelaar heeft Hij een verbondsrecht op alles: (Ps. 89:4,25) Ik heb een verbond gemaakt met Mijn Uitverkorene; Mijn getrouwheid en Mijn goedertierenheid zullen met Hem zijn", (vs. 5 en 12) "Ik zal Uw zaad tot in eeuwigheid bevestigen En uw troon opbouwen van geslacht tot geslacht. De hemel is Uwe, ook is de aarde Uwe;" te kennen gevend, dat Hij een verbondsrecht op alle dingen heeft krachtens het verbond met Zijn Vader,
2. Als Middelaar heeft Hij een bij schenking ontvangen recht en aanspraak op al wat de Vader heeft: De Vader heeft de Zoon lief, en heeft alle dingen in Zijn hand gegeven" (Joh. 3:35). Christus zegt: (Matth. 28:18) "Mij is gegeven alle macht in hemel en op aarde".
3. Als Middelaar heeft Hij een verkregen recht door Zijn verwerving van alles wat de Vader aan de kinderen der mensen heeft weg te schenken. Door Zijn dood aan het kruis heeft Hij een Naam die boven allen naam is verdiend en verkregen, en is Hij de gemeente gegeven tot een Hoofd boven alle dingen.
4. Als Middelaar heeft Hij, krachtig zijnde in de strijd, een recht door verovering; de overheden en de machten uitgetogen hebbende, en overwinnende degenen die tegen Hem krijgen (Openb. 17:14). "Hij kan alle dingen aan Zichzelf onderwerpen" (Filip. 3:21). En dienovereenkomstig zijn alle dingen onder Zijn voeten onderworpen (Hebr. 2:8). Hij onderwerpt Zijn volk aan Zich, en maakt hen zeer gewillig op de dag van Zijn heirkracht (Ps. 110:3).
5. Hieraan kan nog worden toegevoegd, dat Hij een erfrecht heeft, want Hij is de Erfgenaam van alle dingen. Er staat geschreven: (Ps. 89:28) "Ook zal ik Hem ten eerstgeborenen Zoon stellen; ten hoogste over de koningen van de aarde". Ook wordt Hij (Kol. 1:18) "de Eerstgeborene uit de doden genoemd, opdat Hij in allen de Eerste zou zijn".
6. Hij heeft een recht krachtens toestemming van Zijn Vader."Want het is des Vaders welbehagen geweest, dat in Hem al de volheid wonen zou".
Zo zien wij ook, dat de Vader het recht, dat Christus, als Middelaar, op alle dingen heeft, met een bijzondere plechtigheid heeft vastgesteld en bevestigd. Het is bevestigd door een plechtige verkiezing: (Jes. 42:1) "Ziet Mijn Knecht, Die Ik ondersteun: Mijn Uitverkorene in Dewelke Mijn ziel een welbehagen heeft". Door een plechtige en formele roeping: (vs. 6) "Ik de Heere heb U geroepen in gerechtigheid, en Ik zal U geven tot een Verbond des volks, tot een Licht der heidenen". Door een plechtige opdracht onder het zegel van de Vader: (Joh. 6:27) "Deze heeft God de Vader verzegeld". Verzegeld om alles te zijn wat de Vader aan arme zondaren wil schenken. Het is bevestigd met de plechtigheid van een belofte: "Dat Hij zal heersen van de zee tot aan de zee, en van de rivier tot aan de einden der aarde (Ps. 72:8). Alsmede met de plechtigheid van een eed: (Ps. 89:36) "Ik heb eens gezworen bij Mijn heiligheid. Zo Ik aan David liege!" Doch wij zuilen dit niet verder uitbreiden.
II. Ons tweede punt was: Enkele van die alle dingen aan te wijzen, die de Vader heeft en welke de Zijne zijn. Over alles te spreken, wat de Vader heeft en aan Christus is toebetrouwd, is onmogelijk, maar ik zal er enkele vermelden.
1. Al de volmaaktheden van de Vader zijn de Zijne. Er is niets dat de Vader heeft, behalve Zijn persoonlijk bestaan, of, dat Hij de Eerste is in orde van bestaan, wat niet de Zoon als Middelaar heeft; ja, Hij heeft niet alleen, maar Hij is de kracht Gods en de wijsheid Gods (1 Kor. 1:24). Hier is wijsheid voor alle verstandeloze schepselen, die niets weten. Hier is kracht voor de machteloze, die niets kan doen. Hij, Die zegt: "Al wat de Vader heeft is Mijne"; zegt hierover: Zijn wijsheid is Mijne u ten goede, Zijn kracht is Mijn en al Zijn andere volmaaktheden. Hij Die het wezenlijk Beeld is, is ook het vertegenwoordigend beeld van God; het Beeld van de onzienlijke Gods, in Wie alle onzienlijke eigenschappen Gods door het geloof kunnen worden gezien. Ziet de heiligheid Gods in deze heilige Gods, Die ons heiligmaking van God geworden is, en Die de heiligheid Gods in het gebod van de wet verheerlijkt, door alle gerechtigheid te vervullen. Ziet de rechtvaardigheid Gods in Jezus Christus de rechtvaardige, Die ons rechtvaardigheid van God geworden is, en Die zonde voor ons is gemaakt, opdat wij zouden worden rechtvaardigheid Gods in Hem. Zodat de schuldige zondaar rechtvaardiger kan worden in Gods ogen, dan hij ooit in zijn ogen schuldig was, en niet alleen door Zijn bloed en gerechtigheid gerechtvaardigd, doch hij kan ook ervaren en zien, dat God rechtvaardig is in en door Hem te rechtvaardiger, Welke God voorgesteld heeft tot een verzoening door het geloof in Zijn bloed, waardoor de rechtvaardigheid ten volle bevredigd en ten hoogste verheerlijkt is. Over enkele andere volmaaktheden zullen wij misschien hierna nog handelen.
2. Al de heerlijkheid die de Vader heeft is Zijne: ja, de heerlijkheid van al de volmaaktheden van zijn Vader is in hem te zien: want Hij is het afschijnsel Zijner heerlijkheid en het uitgedrukte beeld van Zijn zelfstandigheid (Hebr. 1:3). "Want God die gezegd heeft, dat het licht uit de duisternis zou schijnen, is Degene Die in onze harten geschenen heeft, om te geven verlichting der kennis der heerlijkheid Gods in het aangezicht van Jezus Christus". Het is niet alleen het licht van de kennis van God, maar het licht van de kennis van de heerlijkheid Gods. En waar is die? In het aangezicht of de Persoon van Jezus Christus.
3. Al de volheid welke de Vader heeft is Zijne: "Want het is des Vaders welbehagen geweest, dat in Hem al de volheid wonen zou (Kol. 1:19); Want in Hem woont al de volheid der Godheid lichamelijk" (Kol. 2:9). O! Op wat een hechte grondslag zegt Hij: Al wat de Vader heeft is Mijne", wanneer al de volheid van de Vader in Hem is en woont. O! Moesten niet alle arme zielen op Hem zien en Zich op Hem verlaten, en uit Zijn volheid ontvangen genade voor genade? O! Mogen wij komen wonen waar de volheid woont!
4. Al de beloften welke de Vader in Zijn verbond heeft zijn Zijne. Zij zijn eerst aan Hem, en aan ons in Hem gedaan in Wie het verbond vaststaat: "Al de beloften Gods zijn in Hem Ja, en zijn in Hem Amen, Gode tot heerlijkheid" (2 Kor. 1:20). Gelijk de beloften Gods alle door Zijn Woord bevestigd en door zijn Bloed bekrachtigd zijn, zo is ook Hem de schenking en toepassing van de beloften toebetrouwd. Daarom is Hij de overste Leidsman en Voleinder van dat geloof, waardoor wij Christus in de belofte en de belofte in Christus zien.
5. Alle genade en goedertierenheid, die de Vader voor zondaren beschikbaar heeft zijn Zijne. "Genade is uitgestort in Zijn lippen" (Ps. 45:3). Dit is ook een aanmerkelijk deel van de heerlijkheid Gods, die in Hem te zien is: "Het Woord is vlees geworden, en heeft onder ons gewoond, (en wij hebben Zijn heerlijkheid aanschouwd, een heerlijkheid als des eniggeborenen van de Vader) vol van genade en waarheid" (Joh. 1:14). Er is in Hem zo’n volheid en genoegzaamheid van genade voor ons, dat deze uitspraak voldoende is: "Mijn genade is u genoeg."De Geest aller genade is in Hem boven mate; Hij is met deze olie gezalfd, opdat Hij die op ons zou kunnen uitgieten. Gelijk Hij genade heeft voor de genadeloze, zo heeft Hij goedertierenheid voor de ellendige: gelijk alle genade, zo ook is alle goedertierenheid Gods de Zijne: (Ps. 89:25) "Mijn goedertierenheid zal met Hem zijn". Goedertierenheid wordt uitgelaten door Zijn bloed evenals van de genade gezegd wordt, dat zij heerst door Zijn rechtvaardigheid. God heeft Zijn wet tot Christus gezonden om die te gehoorzamen, en Zijn rechtvaardigheid om die te voldoen, opdat goedertierenheid zich zou kunnen uitlaten, en genade zou heersen door Zijn rechtvaardigheid tot het eeuwige leven.
6. Al de waarheid en getrouwheid van God de Vader zijn Zijne: "Mijn getrouwheid zal met hem zijn". Waarheid en genade worden samengevoegd: (Joh. 1:14) "Vol van genade en waarheid". O wat is Christus terecht de liefde en getrouwheid Gods! De goedertierenheid en waarheid Gods elkaar ontmoet hebbende en gewikkeld in een kleed van vlees en bloed! In een vorige preek heb ik tussen de dertig en veertig teksten aangehaald, waarin de goedertierenheid en de waarheid Gods zijn samengevoegd. Het was het werk van de goedertierenheid de belofte te geven, en het is het werk van de waarheid de belofte te vervullen. Daarom, o gelovige, wanneer u niets hebt om bij een belovend God op te pleiten of te overmogen tot uw hulp of onderstand, gedenk dan, dat er twee redenaars in Zijn boezem zijn, die krachtdadig tot uw hulp zullen tussenbeide komen, namelijk: Zijn goedertierenheid en waarheid in Jezus Christus. "God is geen man, dat Hij liegen zou, noch eens mensen kind, dat het Hem berouwen zou; de hemel en de aarde zullen voorbijgaan, maar Zijn woorden zullen geenszins voorbijgaan". God heeft nooit iets in Zijn Woord gezegd, dat Hij niet kan en zal doen. Hij sprak: Het zaad van de vrouw zal de slang de kop vermorzelen, en Hij heeft het vervuld door Christus’ komst in het vlees en door Zijn lijden in het vlees. God sprak tot Abraham, dat hij bij Sara een zoon zou hebben, en hoewel de baarmoeder verstorven is, nochtans leeft de belofte: Izaäk, het kind van de belofte moet uit deze verstorven baarmoeder voortkomen, om te tonen, dat God een getrouw God is. God zeide tot Mozes, dat Hij Israël uit Egypte zou uitleiden, en daarom heeft Hij, niettegenstaande de hardheid van Farao’s hart en de kracht van zijn tegenstand, nochtans door vele wonderen Zijn woord gestand gedaan. O vrienden! Getrouwheid, of waarheid, is de gordel van Zijn lendenen, en deze gordel om Hem zijnde, mogen wij deze gordel vasthouden, zelfs wanneer Hij Zijn rug toekeert en Zich verbergt achter de meest duistere voorzienigheden, want Zijn goedertierenheid is in eeuwigheid en Zijn waarheid van geslacht tot geslacht. De goedertierenheid van de mens verandert spoedig in wreedheid en Zijn waarheid in leugen, doch de goedertierenheid en waarheid Gods hebben elkaar in Jezus Christus ontmoet. Wanneer u dan ook geen goedertierenheid noch waarheid bij mensen kunt vinden, aanschouwt en ziet dan alle goedertierenheid en waarheid Gods in Christus en schuilt daar, want Hij zegt: "Al wat de Vader heeft is Mijne".
7. Alle werken die de Vader werkt zijn Zijne, het werk van de schepping, van de voorzienigheid en van de verlossing. Gods scheppingswerk was het Zijne: Alle dingen zijn door Hetzelve gemaakt, en zonder Hetzelve is geen ding gemaakt, dat gemaakt is" Joh. 1:3). De werken van Gods voorzienigheid zijn al de Zijne, want, "Hij draagt alle dingen door het woord Zijner kracht" (Hebr. 1:3). Hij is de Bestuurder van de natiën, en al de teugels van de voorzienigheid zijn in Zijn hand. Gods verlossingswerk is het Zijne; het werk van verlossing door prijs was het Zijne; Hij heeft voleindigd dit werk, dat de Vader Hem gegeven heeft om te doen. Het werk van de verlossing door macht is het Zijne, en Hij zal nooit rusten totdat Hij dat ook voleindigd heeft, en daartoe belooft Hij hier de Geest om Hem te verheerlijken, door alle dingen die Zijne zijn te openbaren, en tot dat doeleinde zijn al de invloeden van de Geest Gods de Zijne. En wij mogen zeggen al de winden van de hemel zijn Zijne. Het is de begeerte van Zijn volk, dat die op hen zullen blazen: "Ontwaak noordenwind, en kom gij zuidenwind". Hij belooft die, wanneer de Trooster zal komen: "Ik zal hem tot u zenden". (Ezech. 37:9) "Zo zegt de Heere Heere: Gij Geest, kom aan van de vier winden, en blaas in deze gedoden, opdat zij levend worden". O zegt: Amen, ja kom Heere Jezus; kom haastiglijk in de kracht van Geest. In één woord, al de werken van Zijn Vaders zijn Zijne. Daarom zegt Hij: "Mijn Vader werkt tot nu toe, en Ik werk ook" (Joh. 5:17).
8. Alle macht, die de Vader heeft, is de Zijne, en die is Hem als Middelaar toebetrouwd. Daarom zegt God de Vader: "Mijn Naam is in het binnenste van Hem;" en, "Hij heeft Hem macht gegeven ook gericht te houden, omdat Hij des mensen Zoon is" (Joh. 5:27). "Want ook de Vader oordeelt niemand, maar heeft al het oordeel de Zoon gegeven. Deze heeft God de Vader verzegeld", en heeft Hem macht gegeven om beide de Zaligmaker en de Rechter te zijn.
9. Al de uitverkorenen die de Vader heeft, zijn Zijne: "Ik heb Uw Naam geopenbaard de mensen, die Gij Mij uit de wereld gegeven hebt; zij waren Uwe, en Gij hebt Mij dezelven gegeven" (Joh. 17:6). Zij waren Uwe door verkiezing, en Gij hebt ze Mij gegeven, om door Mij verlost te worden. Zij waren uitverkoren in Hem voor de grondlegging der wereld (Efeze 1:4). Zij worden Zijn zaad genoemd: (Jes. 53:10). "Als Zijn ziel zich tot een schuldoffer gesteld zal hebben, zo zal Hij zaad zien; om de arbeid Zijner ziel zal Hij het zien en verzadigd worden".
10. Hierom zijn al de zegeningen die de Vader heeft om die uit te delen de Zijne; Hij is aangesteld als de Uitdeler daarvan. (Ps. 21:6) "Gij zet hem tot zegeningen in eeuwigheid;" om de Uitdeler van eeuwige zegeningen te zijn. Het was beloofd, (Ps. 72:17) dat mensen in Hem zullen gezegend worden, en dienovereenkomstig is Hij gezonden om ons te zegenen. "God opgewekt hebbende Zijn kind Jezus, heeft Dezelve eerst tot u gezonden, dat Hij ulieden zegenen zou, daarin dat Hij een ieder van u afkere van uw boosheden" (Hand. 3:26). In Hem zegent God ons met alle eeuwige zegeningen; met de zegeningen van vergeving van zonde, vrede en verzoening met God; met de zegeningen van rechtvaardigmaking, heiligmaking en vertroosting; met de zegeningen van genade en heerlijkheid en alle goed. Wilt u Gods zegen hebben? U moet die uit de hand van Christus ontvangen; want de zegen van de Vaders, en al wat de Vader heeft is Mijne, zegt Christus; zij zijn Mijne om uit te delen, en zij zouden nooit de uwe zijn geweest, als zij niet de Mijne geweest waren.
In één woord, alles wat de Vader van eeuwigheid in Zijn hart en in Zijn raad had, en wat in Zijn eeuwig gemoed verborgen lag, is Mijne, om het u te openbaren; want, "Niemand heeft ooit God gezien; de eniggeboren Zoon des Vaders, Die in de schoot des Vaders is, Die heeft Hem ons verklaard". Al wat de Vader in Zijn hart en in Zijn ontfermende ingewanden heeft voor de kinderen der mensen, is Mijne om het te openbaren, en Ik ben gekomen om Zijn hart te verklaren, zeggende: "Ik heb u liefgehad met een eeuwige liefde, daarom heb ik u getrokken met goedertierenheid". Al wat de Vader heeft in Zijn gedachten, die een eeuwige diepte zijn, is Mijn, om die in woorden te brengen. Al zijn Zijn gedachten hoger dan onze gedachten, gelijk de hemelen hoger zijn als de aarde; ziet nochtans, dat het gedachten des vredes en niet des kwaads zijn, om u te geven het einde en de verwachting. Alles wat de Vader heeft, dat Hij in Zijn vrijmachtig welbehagen voor zondaren zal doen, is Mijne, opdat ik het doe. Daarom is in de rol des boeks van Mij geschreven: "Zie Ik kom; Ik heb lust, o Mijn God, om Uw welbehagen te doen". O oneindig heerlijke Christus, Die kon zeggen: "Al wat de Vader heeft is Mijne", daarom zal de Geest Mij verheerlijken!
III. Ons derde punt was: aan te tonen hoe en op welke wijze al wat de Vader heeft Zijne is. Ik heb reeds bij de behandeling van het eerste punt, betreffende Zijn recht en aanspraak op al wat de Vader heeft, aangetoond, dat alles van nature het Zijne is zoals Hij God is; en krachtens schenking, of volgens de huishoudelijke orde zoals Hij Middelaar is. Ik zal hier met een paar woorden nog het volgende aan toevoegen.
1, Al wat de Vader heeft is wezenlijk het Zijne, niet symbolisch, of zinnebeeldig, zoals van Christus wordt gezegd, dat Hij in het Avondmaal in de elementen van het brood en de wijn is: of zoals van God geschreven staat, dat Hij in de tempel was door de symbolen of zinnebeelden van Zijn tegenwoordigheid. Neen, het is niet zinnebeeldig maar wezenlijk, het is niet de schaduw, maar het wezen van alles wat de Vader heeft is Zijne. Daarom staat geschreven, (Kol. 11:9) dat "in Hem al de volheid der Godheid lichamelijk woont; dat is wezenlijk, en dus op een heerlijke, verheven, zeer voortreffelijke, alles te boven gaande wijze. Christus is het Wezen van alle schaduwen, offeranden en ceremoniën onder de wet. Zij waren maar een schaduw van de toekomende goederen (Hebr. 10:1). Alle goed is in Christus wezenlijk.
2. Al wat de Vader heeft is mededeelzaam het Zijne. De volheid des Middelaars is mededeelbaar aan ons. Zoals zij de dingen van de Vader zijn, hebben wij er geen onmiddellijke toegang toe, doch zoals zij in de handen van Christus zijn gegeven, Die de Vader de Uitdeler daarvan gemaakt heeft, hebben wij onmiddellijk toegang tot Hem. Christus heeft de deur ontsloten van het schathuis van Zijn Vader en beschikt nu over alles wat de Vader heeft. Alle andere winkels zijn gesloten, vergunt mij die uitdrukking, doch de winkel van Christus is open; met dit opschrift boven de deur: "Die wil, die kome, en hij neme van alles wat de Vader heeft, want het is Mijne". De volheid van Christus, welke de volheid Gods is, is mededeelbaar; daarom kunnen wij uit Zijn volheid alles ontvangen (Joh. 1:16). Het zou niet nodig zijn over deze voorraad te prediken, indien die in Hem was opgesloten; neen, in Hem woont al de volheid van de Godheid, opdat wij in Hem volmaakt kunnen zijn (Kol. 2:10). Christus is een kabinet vol kostbare en zeldzame juwelen. die u rijk kunnen maken tot in eeuwigheid. Er zijn twee sleutels waarmee dit kabinet wordt geopend: het geloof is een sleutel, want wij ontvangen uit Zijn volheid door het geloof; het gebed is ook een sleutel, want "iemand van u wijsheid ontbreekt, dat hij ze van God begere". Hebt u misschien deze sleutels nu niet in uw handen, zij zijn toch zeker in de handen van Hem, Die zegt: "Alles is Mijne". O vrienden, smeekt Hem u de sleutels toe te werpen, en u de Geest van het geloof en van de gebeden te geven.
3. Alles wat de Vader heeft is genoegzaam, bij Hem is overvloed van brood (Luk. 15:17). Overvloed voor de behoeftigen; licht genoeg voor die in duisternis verkeren; leven genoeg voor de doden; vergeving in overvloed voor schuldige zondaren; volop van alles voor de armen en nooddruftigen; overvloed van brood. Denkt u, dat er niets voor u over is, dat is omdat u niet gelooft, dat er genoeg in Hem is, en dat alles wat de Vader heeft, het Zijne is. O, laat ons onze oneindig edele en heerlijke Heere niet door ongeloof die schande aandoen, dat wij zouden denken, dat er niet genoeg in Hem is. Filippus zeide eens tot Christus: (Joh. 14:8) "Heere, toon ons de Vader, en het is ons genoeg". Er is zo’n genoegzaamheid in God de Vader, dat wij, als Hij ons getoond wordt, zullen hebben wat genoeg is, om al de onverzadelijke begeerten van de onsterfelijke ziel volkomen voldoening te geven; daarom; "Toon ons de Vader, en het is ons genoeg". Wel, wat doet Christus hier heden onder ons; toont Hij ons niet de Vader en al Zijn schatten in Zichzelf, in Wie alleen al de schatten van de wijsheid en van de kennis verborgen zijn, en door Wie alleen zij voor ons kunnen worden ontsloten, hetwelk Hij doet, als Hij zegt: Al wat de Vader heeft is Mijne". O vrienden! er is genoeg in Hem, en hoe gemakkelijk kan Hij de dorstige ziel verzadigen en de hongerige ziel met goed vervullen.
Niets anders is er in de wereld, dat de ziel kan verzadigen. Het was een dwaas, die, toen hij volle schuren had, zeide: "Ziel, gij hebt vele goederen, die opgelegd zijn voor vele jaren, neem rust". Wij kunnen even goed van een kist vol van genade en heerlijkheid dromen, als van een ziel vol koren en most. Christus alleen heeft een gepaste en verzadigende volheid voor de ziel, genoeg om een volkomen, degelijke, duurzame en eeuwige verzadiging te geven.
4. Alle dingen die de Vader heeft, zijn krachtdadig of uitwerkende, zodat wij van die voorraad zullen gebruik maken en er deel aan hebben. Hij kan ons liefelijk maken door Zijn schoonheid; rechtvaardig door Zijn gerechtigheid; en heerlijk door Zijn heerlijkheid: "Uw schoonheid was volmaakt door Mijn heerlijkheid, die Ik op u gelegd had" (Ezech. 16:14). Hij rekent de rechtvaardigheid toe zonder werken (Rom. 4:6). "En wij allen met ongedekt aangezicht de heerlijkheid des Heeren als in een spiegel aanschouwende, worden naar hetzelfde beeld in gedaante veranderd, van heerlijkheid tot heerlijkheid als van des Heeren Geest" (2 Kor. 3:18). Er is een kracht en werkdadigheid in elke zaligmakende ontdekking van deze heerlijke schat, hij maakt allen rijk, die Hem aanschouwen, en verzadigt volkomen allen, die er recht toe hebben en die er deel aan hebben.
5. Al wat de Vader heeft is onveranderlijk het zijn, want Hij is gisteren en heden Dezelfde, en in der eeuwigheid (Hebr. 13:8). Wat u ook van Hem ontvangt, Zijn voorraad en overvloed blijft steeds dezelfde. Laat het geloof nog zoveel wissels op Hem trekken om in allerlei behoeften te voorzien, telkens weer; al zou Hij niet eens, (hoe zal ik het noemen?) jaarlijkse rente of dagelijkse rente ontvangen, toch blijven kapitaal en interest beide in Zijn hand: en daar, bij Christus, is alles voor de gelovige in veilige handen, al hebt u alles doorgebracht wat u ooit in handen hebt gekregen; deze Bron en Fontein van zaligheid zal altijd springen tot in het eeuwige leven. U mag dan eens vol, en dan eens leeg zijn, doch Hij is onveranderlijk dezelfde: "Ik, de Heere, word niet veranderd".
6. Alle dingen Die de Vader heeft, zijn eeuwig; het zijn de eeuwige dingen van de eeuwige Vader. De volheid des Vaders, die de Zijne is, is een inblijvende volheid. Het is het welbehagen des Vader, dat in Hem alle volheid wonen zou. Al de volheid van de Godheid woont in Hem, en zij woont eeuwiglijk in Hem. Daarom zijn de zegeningen, die Hij meedeelt, eeuwige zegeningen, eeuwige vrede, eeuwige vergeving, eeuwige vertroosting. Zo worden zij genoemd, omdat, al mogen de mensen uit vergankelijke dingen vergankelijke vertroostingen ontvangen, de vertroostingen van de Geest uit eeuwige dingen voortvloeien, zoals eeuwige liefde, eeuwige gerechtigheid, en een eeuwig erfdeel. Hier is een diepte om eeuwig in te duiken, o arme sterveling, die eeuwig zalig zou willen zijn! Alle dingen die Christus heeft te geven zijn eeuwigdurende en eeuwige dingen; omdat Hij kan zeggen: "Al wat de Vader heeft is Mijne".
IV. Ons vierde punt was: Aan te tonen waarom al wat de Vader heeft van Christus is, of waaruit de schoonheid blijkt van deze beschikking.
1. De schoonheid en wijsheid van deze beschikking blijkt hieruit, dat geen van de partijen in zijn recht en eigendom verlies of schade lijdt. Wanneer Christus zegt: "Al wat de Vader heeft is Mijne", wordt het recht van de Vader niet verkort. Wanneer onder mensen een erfenis van de ene op de andere wordt overdragen dan doet de overdrager afstand van zijn recht, en de andere kan alleen zeggen: Het is alles het mijne. Doch zo is het hier niet; wanneer Christus zegt: "Al wat de Vader heeft is Mijne", dan stemt Hij toe, dat God de Vader alles heeft, en tegelijk verklaart Hij Zijn eigen recht en eigendom; het is alles van mij. Ja, wanneer God ons Christus en alles geeft, houdt Hij toch Zijn recht op alles wat Hij geeft: (1 Kor. 3:22) "Alle dingen zijn Uw. Doch gij bent van Christus, en Christus is Gods". Dus blijft wat de Vader in de hand van Christus geeft, toch in de hand van de Vader: "En Ik geef hun het eeuwige leven; en zij zullen niet verloren gaan in der eeuwigheid, en niemand zal dezelve uit Mijn hand rukken. Mijn vader, Die ze Mij gegeven heeft is meerder dan allen, en niemand kan ze rukken uit de hand Mijns Vaders. Ik en de Vader zijn één" (Joh. 10:28,- 29, 30).
2. Hierin vertoont zich de schoonheid en wijsheid van dit bestel, namelijk, in de geschiktheid van de grote Beheerder, aan Wien alles wat de Vader heeft, is opgedragen, dat Hij Die, om zo te zeggen, het Middelpunt van de heerlijke Drie-eenheid, de middelste Persoon is, ook het Middelpunt van alle dingen zou zijn. O vrienden, hoe gepast is het, dat alle dingen zich naar hun middelpunt bewegen en daar samenkomen! Dat Hij de Middelaar zou zijn tussen God en de mens, het centrale punt van bijeenkomst, waar God en de mens onderling alle dingen kunnen gemeenschappelijk hebben, en om weer alles tot één te vergaderen in Christus, beide, dat in de hemel is, en dat op de aarde is (Ef. 1:10). Van alle dingen, goede en kwade, kan worden gezegd, dat zij onder Christus’ bestuur zijn gesteld: alle goede dingen zijn in Zijn hand tot bewaring gegeven en alle kwade dingen zijn onder Zijn voeten gesteld, opdat Hij ze beheerst tot heerlijkheid van God en ten goede van Zijn volk. Niemand dan Christus kon zo iets worden toevertrouwd; geen bloot schepsel onder mensen of engelen was machtig deze eer te dragen. "Ja Hij zal de tempel des Heeren bouwen, en Hij zal de sieraad (of de eer) dragen" (Zach. 6:13). Niemand dan Hij was bekwaam de algemene Ontvanger te zijn van al wat de Vader heeft, en daarover te beschikken en die uit te delen.
3. Hierin ontdekt zich schoonheid en wijsheid, dat in deze bedeling alle partijen zijn geraadpleegd; namelijk al de Personen van de heerlijke Drie-eenheid. "Het is des Vaders welbehagen geweest, dat in Hem al de volheid wonen zou". Het woord Vader is daar bijgevoegd, het staat niet in de grondtekst. Dit werk van alle dingen, alle volheid, in Christus een plaats te geven, moet dan ook niet alleen als het werk van de Vader worden aangemerkt, maar als het werk van de heerlijke Drie-eenheid; het behaagde Vader, Zoon en Heilige Geest, dat in Christus, als Middelaar, alle volheid zou wonen: de Vader stelde voor, de Zoon nam aan, de Heilige Geest gaf Zijn instemming te kennen, dat in Hem alle volheid wonen zou. Dit geschiedde met een verrukkelijk welgevallen. Het behaagde de Vader het voor te stellen, want Hij zegt: "Ik heb hulp besteld bij een Held;" en, "deze is Mijn Zoon, mijn Geliefde, in Dewelke ik Mijn welbehagen heb". Het behaagde de Zoon het aan te nemen, want Hij zegt: "Zie Ik kom; in de rol des boeks is van Mij geschreven; Ik heb lust, o Mijn God, om Uw welbehagen te doen." Het behaagde de Heilige Geest er mee in te stemmen, want Hij rustte op Christus, en voorzag Hem van alles wat Hij tot Zijn werk nodig had: "De Geest des Heeren Heeren is op mij, omdat de Heere mij gezalfd heeft" (Jes. 61:1). Dit onuitsprekelijk welgevallen wordt uitgedrukt: (Jes. 42:1) "Ziet Mijn Knecht, Die ik ondersteun, Mijn Uitverkorene in Dewelke Mijn ziel een welbehagen heeft;" alsmede: (Spr. 8:30, 31) "Ik was dagelijks Zijn vermakingen, te aller tijd voor Zijn aangezicht spelende. Spelende in de wereld Zijns aardrijks; en Mijn vermakingen zijn met der mensen kinderen". Gelijk God Zijn Eigen welbehagen hierin raadpleegde, zo is het ook de lust van alle verlosten, van welken de ogen geopend zijn om de heerlijkheid te zien van deze weg van de zaligheid. Wat vervult het hen met onuitsprekelijke vreugde, dat zij in Christus alles hebben!
4. Hierin vertoont zich schoonheid en wijsheid, dat in deze beschikking gelet is op het aanzien en de eer van allen, die er bij betrokken zijn.
(1) Hierin heeft God het aanzien en de eer van Zijn majesteit en grootheid beraadslaagd, dat Hij alle dingen in de hand van de tweede Adam heeft gegeven, dat Hij, nu de mens in opstand is gekomen tegen Zijn kroon en waardigheid, niet meer met hem persoonlijk, maar onmiddellijk met Christus, een Persoon van gelijke waardigheid met Hem, onderhandelt, en ons alle dingen door Hem schenkt. Dit leert ons, ons op een behoorlijke afstand van deze oneindig heerlijke Heerser te houden, en dat wij niet onmiddellijk tot God moeten gaan om zegeningen, doch dat wij die ontvangen uit de hand van de Middelaar, Die zegt: "Ik ben de Weg; niemand komt tot de Vader dan door mij".
(2). Hij beraadslaagde het aanzien en de eer van Zijn Naam, en van al Zijn andere voortreffelijkheden: de eer van Zijn verbroken wet, hoe die niet alleen vervuld, maar ten hoogste verheerlijkt zou worden; de eer van Zijn beledigde rechtvaardigheid, hoe die niet alleen voldoening ontvangen, maar ook op het hoogst verheerlijkt zou worden. De oneindige Wijsheid wist, dat er niets was, dat de geschonden wet of de beledigde eigenschappen van God konden eisen tot herstel van hun eer, waaraan de Borg van de zondaar, alles hebbende, niet met gemak en tot oneindige voldoening kon voldoen. De Schuldeiser wist wel, dat de Borg niet alleen betrouwbaar, en verantwoordelijk zijnde in staat was de gehele schuld te betalen, maar ook machtig zalig te maken, machtig al de geëiste oneindige voldoening te geven: zodat goedertierenheid aan zondaren wordt bewezen zonder krenking van de rechtvaardigheid, en de schijnbaar strijdige eigenschappen van God elkaar in eensgezindheid in Christus ontmoeten: "De goedertierenheid en waarheid zullen elkaar ontmoeten; de gerechtigheid en vrede zullen elkaar kussen;" waarop God de zonde vergeeft en rechtvaardigt, zodat Hij niet alleen barmhartig maar ook rechtvaardig is in het rechtvaardigen van de goddeloze.
(3). Hij beraadslaagde daarin de eer van Zijn Zoons, Christus Jezus, Die aldus vereerd is met een Naam, die boven allen naam is, dat alle dingen van Hem zijn, niet alleen om Hem te voorzien van alles wat Hij nodig had voor Zijn middelaarsbediening, maar ook om Hem daarvoor te belonen. "Hij gehoorzaam geworden zijnde tot de dood, ja de dood des kruises; daarom heeft Hem ook God uitermate verhoogd, en heeft Hem een naam gegeven, welke boven allen naam is" (Filip. 2:8, 9). Hij is vereerd met een aanmerkelijke trein, een groot gevolg van smekelingen, want nu alles wet de Vader heeft het Zijne is, kan Hij de vergadering van de volken van al het nodige voorzien en zullen de inkomsten van lof Hem tot in eeuwigheid worden toegebracht.
4. Ja hierin is zowel de eer als het voordeel van alle verlosten beoogd. Nooit heeft God de Kerk, het volk van God, meer geëerd, noch tot een hogere waardigheid bevorderd, dan door Christus, als het Hoofd van het lichaam, aan de gemeente een algemene volheid over te dragen. Elke gelovige kan nu zeggen, mijn Hoofd, mijn Man, mijn Heere, heeft alles wat de Vader heeft; dit is de eer van alle heiligen, dat zij alles in Christus hebben. "Hij is ons geworden Wijsheid van God, en rechtvaardigheid, en heiligmaking, en verlossing. Opdat het zij gelijk geschreven is: Die roemt, roeme in de Heere".
V. Ons vijfde of laatste punt is de toepassing. Is het zo, dat onze Heere Jezus Christus als Middelaar, alles bezit wat de Vader heeft, dan
1. Is het zeer natuurlijk daaruit het besluit te trekken dat de Heere Jezus er Zelf door betoogt, namelijk: dat er goede reden is waarom de Heilige Geest Christus verheerlijkt, door het uit het Zijne te nemen en ons te verkondigen; omdat al wat de Vader heeft het Zijne is. De dingen van Christus zijn heerlijke dingen. Waarom? 1e Het zijn de dingen van de Vaders, de dingen van God. 2e Het zijn alle dingen; in onze Heere Jezus ontbreekt niets. 3e Het zijn alle dingen, die de Vader wezenlijk heeft; het zijn werkelijk de Zijne. Het is alles het Mijne, zegt Christus; daarom wanneer de Heilige Geest het uit het Mijne neemt, en het u verkondigt, dan kan dit niet anders dan Mij verheerlijken en Mijn heerlijkheid verkondigen. Indien toch wat de Vader heeft heerlijk is, dan is het Mijne dat ook, want "al wat de Vader heeft is het Mijne". Het is opmerkelijk in het verband, dat alles wat hier de Geest wordt toegeschreven, wanneer Hij komt om de wereld te verlichten, door Hem met een bewijsvoerende helderheid wordt gedaan; en met een helder, duidelijk bewijs. Hoe overtuigt Hij de wereld van zonde? Door deze betoging: "Omdat zij in Mij niet geloven." Dit zal meer dan alles de zonde en de vijandschap van de wereld tegen God ontdekken en bewijzen, wanneer Hij hen van ongeloof overtuigt, of daarvan, dat zij in Mij niet geloven, maar dit grootste Voorbeeld van goddelijke liefde verwerpen. Hij zal overtuigen van gerechtigheid; en hoe? Door dit aan te tonen, dat Ik ben heen gegaan tot Mijn Vader: want dit toont aan, dat God een welbehagen heeft in deze Mijn gerechtigheid, anders zou Mijn Vader Mij niet zo hartelijk ontvangen, en Mij een plaats gegeven hebben in het midden van de troon. Hij zal van oordeel overtuigen, en hoe? Door dit te betogen, dat de overste van deze wereld geoordeeld is. Ik heb door de dood te niet gedaan degene, die het geweld des doods had, en voer persoonlijk het oordeel uit over Mijn vijanden; daarom zal Hij het oordeel uitbrengen tot overwinning ten behoeve van al Zijn volk. En zo ook hier: "Hij zal Mij verheerlijken", zegt Christus, en hoe? En door welke betoning? Wel, Hij zal het uit het Mijne nemen, en zal het u verkondigen. Wel, hoe zal dit Mijn heerlijkheid betogen? De bewijsgrond is vol bewijsvoerende helderheid: "Al wat de Vader heeft is Mijne; daarom heb ik gezegd, dat Hij het uit het Mijne zal nemen, en u verkondigen". Onze Heere verklaart hier door de uitdrukking te verdubbelen, hoe de Geest Zijn heerlijkheid aantoont; want altijd wanneer de Geest iets uit Christus neemt en het ons verkondigt, dan laat Hij een straal van de heerlijkheid van de Vader in. Omdat nu al wat de Vader heeft, het Mijne is, en het Mijne het Zijn is, daarom is het onmogelijk, dat niet de heerlijkheid van God de Vader zal uitblinken, wanneer Hij Mijn heerlijkheid verkondigt en toont, en Mij verheerlijkt.
2. Indien al wat de Vader heeft het Zijne is, dan is de Geest van de Vader de Zijne. Hij is God, evengelijk met de Vader, en de Geest Gods is de Geest van Christus, en de Geest van Christus is de Geest Gods. De Geest van de Vaders is de Zijne, niet alleen van nature als God, doch ook krachtens schenking als Middelaar. Het is in Zijn macht de Geest aan de mensen te geven, want "als Hij opgevaren is in de hoogte, heeft Hij de gevangenis gevangen genomen, en heeft de mensen gaven gegeven" (Ef. 6:8); en Hij heeft nog macht de Geest te geven. De Vader zegt: (Jes. 42:1, 3, 4) "Ik heb Mijn Geest op Hem gegeven, Hij zal het recht den heidenen voortbrengen. Met waarheid zal Hij het recht voortbrengen. Hij zal niet verdonkerd en Hij zal niet verbroken worden, totdat Hij het recht op aarde zal hebben besteld, en de eilanden zullen naar Zijn leer wachten." Daarom zegt Hij: "De Geest des Heeren Heeren is op Mij, omdat de Heere Mij gezalfd heeft". "Hij heeft gaven genomen om uit te delen onder de mensen, ja ook de wederhorigen" Ziet hieruit op welk gezag wij zulk plechtig werk doen en onze bediening uitvoeren. Al de gaven en genaden van de Geest van de Vader zijn Zijne, om ze ons mee te delen, en daarom, gelijk Hij macht en gezag had de Geest te beloven, zeggende: "Indien Ik heenga, zo zal Ik Hem tot u zenden, en Hij zal Mij verheerlijken, want Hij zal het uit het Mijne nemen, en zal het u verkondigen": zo heeft Hij ook macht en gezag om Zijn belofte te vervullen. Zijn macht is nog heden dezelfde die zij was, toen Hij eerst heeft gegeven, sommigen tot apostelen, en sommigen tot profeten, en sommigen tot evangelisten, en sommigen tot herders en leraars. Tot de volmaking van de heiligen, tot het werk der bediening, tot opbouwing des lichaams van Christus; en naar ik hoop geeft en verzegelt Hij nog tot op deze dag onze lastbrief; want Hij die gezegd heeft: "Al wat de Vader heeft is Mijne", en, "Mij is gegeven alle macht in hemel en op aarde", laat er in een adem op volgen: "Gaat dan heen, onderwijst al de volkeren, en ziet Ik ben met ulieden al de dagen tot de voleinding der wereld".
Het is daarom in de Naam van Hem, Die zegt: "Al wat de Vader heeft is Mijne", en op Zijn gezag, dat wij deze last uitvoeren; en wie zijn de mensen op aarde, of engelen in de hemel, die zich durven vermeten te zeggen, dat het ongeoorloofd is, of die onder enige nieuwe voorwendsels, of eigengemaakte vindingen zich de macht durven aanmatigen Zijn bevelen tegen te werken? Onze Heere heeft zelfs Zijn apostelen nooit enige macht of gezag gegeven, anders dan tot opbouwing en niet tot neerwerping. Wat een vernederende en verbazende voorzienigheid is het, dat enigen, die de naam van heiligen en dienstknechten Gods dragen, door God worden overgegeven aan zulke verbazende dwaasheid en verbijstering, dat zij zich een macht tot nederwerping aanmatigen, een macht om de geheiligde ambten van dienaars en ouderlingen te schenden en te beroven; een macht om de deur te sluiten, die Hij heeft geopend, Die alleen kan zeggen: "Ik heb de sleutel Davids, Die opent en niemand sluit". Van deze sleutelen, de sleutelen van het koninkrijk des hemels kan niemand zeggen, dat hij recht heeft ze te geven en te nemen, ja geen Engel zou durven zeggen: zij zijn de mijne. Doch Hem zij de eer en heerlijkheid, Die alleen het recht heeft te zeggen: "Al wat de Vader heeft is Mijn". En wat de geliefde broederen aangaat, die losgelaten zijn om zich zulke onwettige macht aan te matigen, het ergste wat ik, in de geest der zachtmoedigheid, van hen zal zeggen is, wat Christus eens tot Zijn discipelen zeide: "Zij weten niet van hoedanige geest zij zijn".
Doch om terug te keren tot de zaak waarover ik sprak: De Geest van Christus is de Geest van de Vaders, en waarlijk een vaderlijke en vriendschappelijke, geen grimmige noch gewelddadige geest. Alzo zegt de Heere: Grimmigheid is bij Mij niet". Het is door deze Geest, dat Hij de lastbrief verzegelt, die Hij de Evangeliedienaar geeft.
Wij lezen in Joh. 20:22, dat "de Heere Jezus op zijn discipelen blies, en tot hen zeide: Ontvangt de Heilige Geest". Wij beweren geen nieuwe openbaring van de Geest, of zulke buitengewone uitstortingen van de Geest, als de apostelen hadden, doch nochtans, hetgeen wij gezien en gehoord hebben, dat verkondigen wij u, opdat gij met ons gemeenschap zoudt hebben in dezelfde Geest. Ik hoop, dat ik kan zeggen, dat de Heere van de tijd af, dat ik deze tekst begon te overdenken, zo nu en dan op mijn ziel heeft geblazen; en mag ik niet hopen, dat Hij sedert ik er over ben gaan spreken ook op u heeft geblazen? Ja wie weet of Hij niet nu op sommigen die hier zijn blaast, zeggende: "Ontvangt de Heilige Geest". Want gelijk al wat de Vader heeft Mijne is, zo zijn ook alle giften, en genaden, en invloeden van de Geest des Vaders Mijne, om die uit te delen; daarom: "Ontvangt de Heilige Geest". En zover dit enigermate plaatsgrijpt, zover verzegelt Hij onze bediening, hoezeer ook de mensen, die op hun eigen verantwoording verscheuren en vertreden.
3. Ziet waarin de wezenlijke personele heerlijkheid van Christus, als Middelaar, gelegen is. Zijn personele heerlijkheid ligt hierin, dat alle dingen die de Vader heeft de Zijne zijn; en opdat deze heerlijkheid zal worden verkondigd, openbaart Hij die dingen en deelt ze mee door Zijn Geest. Het is niet mogelijk, dat Hij al die dingen voor Zichzelf kan houden zonder ze uit te delen; neen, daar is Zijn eer en goede naam als Middelaar en als Schatmeester van de Kerk mee gemoeid, dat Hij die schat van genade en volheid, die in Hem ten onze behoeve is opgelegd, uitdeelt. Hier is een deur van hoop voor zondaren, dat Christus, als een getrouwe Beheerder, Zijn genade moet uitdelen, om Zijn volk gewillig te maken en tot Hem toe te brengen. (Joh. 10:16) "Ik heb nog andere schapen, die van deze stal niet zijn, deze (heidenen zowel als Joden) moet Ik ook toebrengen, en zij zullen Mijn stem horen": Ik moet die toebrengen. Zo lezen wij in Joh. 4:4: "En Hij moest door Samaria gaan". En waartoe? Het was om Zijn genade uit te delen aan een arme hoer, een goddeloze zondige vrouw, die daar woonde. Zo ook, hoop ik, moet Hij heden door deze vergadering gaan, om uit die voorraad en volheid van alle dingen, die Hij heeft, uit te delen aan de een of andere arme, goddeloze zondaar, die hier tegenwoordig is. Gelijk er een gezegende noodzakelijkheid was voor Zijn lijden te Jeruzalem; want, "moest de Christus niet deze dingen lijden, en alzo in Zijn heerlijkheid ingaan?" (Luk. 24:6). Evenzo is er een gezegende noodzakelijkheid, om de kracht van Zijn dood en zijn lijden toe te passen, door Zijn Geest uit te storten en uit Zijn volheid mee te delen. Het verband hier toont aan, dat Zijn heerlijkheid en eer, en ook die van Zijn Vader, vereisen, dat de Geest wordt gezonden, om Zijn schatten te verkondigen, die beide van de Vader en van Hem zijn. Christus is niet trots op Zijn schatten. Ziet hoe hoog, en tevens hoe nederig onze Heere Jezus is, dat Hij het niet beneden Zich acht, zich neer te buigen om daarvan onder arme zondaren uit te delen. Het ongeloof zegt: O zal Hij zo laag bukken, om zulk een melaatse als ik ben te wassen, daar Hij zo verheven en zo oneindig heerlijk is, dat al wat de Vader heeft het Zijne is? Doch Zijn grootheid en heerlijkheid maakt Hem niet verachtend en heerszuchtig. (Joh. 13:3) "Jezus wetende dat de Vader Hem alle dingen in de handen gegeven had, omgordde Zichzelf, en nederbukkende begon de voeten van de discipelen te wassen". O vrienden, wat is dat wonderlijk! Een mens, die niets heeft is zeer trots, doch Hij Die alles heeft is zeer nederig. Omdat Hij zo buitengewoon verhoogd is, daarom buigt Hij Zich zo laag neer, om arme vuile zondaren te wassen, zeggende: "Indien Ik u niet was, gij hebt geen deel met Mij". Hij is daartoe verhoogd, om schuldige, vuile zondaren de zonde te vergeven en te reinigen. (Hand. 5:31) "Dezen heeft God door Zijn rechterhand verhoogd tot een Vorst en Zaligmaker, om Israël te geven bekering en vergeving van de zonden". Het is geen smaad voor Zijn verhoogde staat, te bukken en uw voeten te wassen, en uw hart te wassen, en dit is de wijze waarop Hij wast, dat Hij bekering geeft en vergeving van de zonden. Hij weet, hoe lager Hij bukt, hoe hoger Hij geëerd zal worden in de harten van Zijn volk. Denkt u daarom te minder van Hem, o gelovige, dat Hij bukt en Zich neerbuigt om u te wassen? Neen, dat doet u des te hoger van Hem denken. O zondaar, denk door uw ongeloof niet, dat Hij te hoog is om op u neer te zien. Neen, hoe hoger Hij is, hoe lager Hij bukt: daarom hoe hoger bevatting u van Hem hebt, hoe meer hoop u mag koesteren, dat Hij u ontferming en genade wil bewijzen, en hoe meer gezicht u hebt van de goddelijke overvloed die Hij heeft, hoe hoger uw verwachting mag rijzen, want dan heeft het geloof des te meer grond onder de voeten.
Ziet hieruit, hoe de oneindige wijsheid van God de listigheid van de duivel, de oude slang, heeft te schande gemaakt, toen hij meende het gehele menselijk geslacht te verderven, door de eerste Adam al zijn voorraad te ontroven; want ziet, de tweede Adam komt te voorschijn met een voorraad, die onvergelijkelijk veel groter is dan die, welke de eerste Adam verloor! Het was een droevige zaak op de verbreking en schending van het oude verbond zo’n treurige tijding te horen: Ziet, alles wat de mens had is verloren! Doch Christus, het nieuwe Verbondshoofd komt in met de blijde tijding: Ziet, al wat God heeft is het Mijne! O zalige wisseling van Adams! Zalige wisseling van verbonden en verbondshoofden! O wat een welvoorziene Zaligmaker is hier! Alle dingen zijn Mijne. En, o hoe veilig is het bewaard in de handen van beide de Vader en de Zoon; want: "Al wat de Vader heeft is Mijne". O, hoe volkomen, goddelijk heerlijk is de schat! Wat is meer volledig en uitgebreid dan alle dingen? En wat meer goddelijk dan alle dingen Gods? Deze heerlijke dingen, die anders nooit konden worden aanschouwd, namelijk al de heerlijkheid Gods, is te zien in het aangezicht en de Persoon van Christus, Die, niet in sommige, maar in alle dingen, de Vader vertegenwoordigt. Hier is al de heerlijkheid van God vertegenwoordigd en te aanschouwen.
5. Ziet hieruit wat een groot gemis het is, Christus te missen. O in wat een ellendige toestand is de boze goddeloze, Christusloze wereld; zij zijn vervloekt in het gemis van alle dingen: Zij missen alles wat God heeft omdat zij buiten Christus zijn. Buiten Hem zijn de goddelijke inzettingen niets dan een lege dop; het Avondmaal zonder Christus, is maar een ledige tafel; preken zonder Christus is maar een ijdel geklank; de hemel zonder Christus zou slechts duisternis zijn, als Christus er niet was als het licht van die plaats. Doch, anderzijds, wat moet dat iets groots zijn Christus te hebben. Want die Hem hebben, hebben alles. Wanneer God Christus geeft, kan Hij niet anders dan ons met Hem alle dingen schenken, alle dingen die Christus heeft, en alle dingen die de Vader heeft. O wat zijn de gelovigen welgelukzalig! "Alles is uwe, want gij bent van Christus, en Christus is Gods". U hebt wijsheid gerechtigheid, heiligmaking, verlossing, en alle dingen in Christus. Het is voor Christus gemakkelijk al uw noden te vervullen, en u in alles een algenoegzaamheid te geven. O wat een welvoorziene tafel is de Tafel des Heeren, waarop de Heere Zelf vertegenwoordigd is! In Christus is een overvloeiende oceaan van alle goed voor zondaren, oneindig al onze zonden en al onze behoeften te boven gaande. Het ongeloof vermindert en beperkt de volheid van Christus; het openbaart een menigte van zonden en gebreken, maar het verbergt en ziet niet de schat van genade en de volheid van alle dingen, die in Christus zijn.
6. Ziet hieruit de plicht van alle arme en nooddruftige zondaren en waar zij zich heen moeten wenden om al wat zij nodig hebben, alsook wat een groot vast fondament hier is voor het geloof. God in Christus is de Fontein van levende wateren. God de Vader heeft alle dingen; maar hoe zullen wij die verkrijgen? Wel, zegt Christus, komt tot Mij, want alles is het Mijne; het Mijne om het uit te delen onder arme nooddruftige zondaren. Hier is genoeg, zowel tot opwekking als tot besturing van uw geloof.
1e Om uw geloof gaande te maken en op te wekken. O, dat de Geest daartoe mocht komen. Hier wordt alles beantwoord wat u kunt tegenwerpen.
(1) Denkt u bij uzelf: Ach! ik ben van alles ontbloot, ik heb niets? Wel, hier is alles, zegt Christus, het is alles het Mijne; daarom, kom tot Mij.
(2) Denkt u, dat God toornig op u is wegens uw zonde; en dat de Vader van Christus u geen genade zal bewijzen? Ja, maar de volheid die hier wordt tentoongesteld is de volheid van God de Vader; ja alles wat de Vader heeft.
(3) Denkt u: O de Vader is ver van mij! Hoe kan ik alles hebben wat de Vader heeft? Het antwoord is: Het is alles opgelegd in de handen van een nauw verwante Vriend en Bloedverwant; het is alles het Mijne, zegt Christus, u tot nut.
(4) Denkt u: Helaas! Ik hoor van deze heerlijke dingen, maar ik bevat ze niet; ik ben blind en in het duister, zodat ik niets van die alle dingen, die Christus en Zijn Vader hebben kan zien? Wel, Christus zegt: Mijn Geest is er, om het uit het Mijne te nemen en het u te verkondigen en aldus Mij te verheerlijken; Hij Zou mij niet verheerlijken, als Hij het u niet verkondigde. Doch nu verheerlijkt Hij Mij, in zoverre Hij het u verkondigt, door u te tonen hoe heerlijk Ik ben, veel heerlijker dan de roofbergen.
De Geest doet ons deze heerlijkheid van Christus in de spiegel van het Woord aanschouwden (2 Kor. 3:18). Indien Hij u Die toont, dan moet u gewis gaande gemaakt worden, om met toepassing te geloven, dat als Christus zo veel heeft, u niets zal ontbreken, dat Hij volop voor u heeft. Is het mogelijk te geloven, dat alles het Zijne is, dat Hij een onmetelijke volheid bezit, en dat Hij niet volop voor u zou hebben? Laat het geloof zeggen: Het is voor mij, ja voor mij. Hij heeft gaven genomen, om uit te delen onder de mensen; ja ook de wederhorigen, O vrienden, gelijk de volheid van God in Hem is, zo ook, al waren er tienduizenden miljoenen werelden, zou dat Christus niet in verlegenheid kunnen brengen al uw behoeften te vervullen. Hier is de fontein van het leven, doch wie kan haar diepte peilen? Dit recht te overwegen, zou de hele wereld aanzetten uit deze fontein des heils, die voor u geopend is, water te komen scheppen met vreugde.
2. Hier is genoeg om uw geloof te besturen, in en door dezelfde zaken, die de tekst zelf aanwijst.
(1) Gedenkt waar alles is te verkrijgen, en dat daarom, als u zoudt willen geloven, ook het geloof om in de Zoon van God te geloven daar te verkrijgen is, waar alle andere dingen zijn opgelegd. Het geloof is een gave Gods, en Christus is het, Die het geloof werkt. Zoekt daarom het geloof niet uit uw eigen ingewanden te spinnen, want gelijk het geloof uit het gehoor is, zo ook kan niets dan de kracht Gods het geloof krachtdadig werken, daardoor, dat het Evangelie niet alleen in woorden komt, maar in kracht en in de Heilige Geest. Deze kracht bewerkt heimelijk en in stilheid het hart in het horen, terwijl misschien de persoon er weinig van weet, dat het de kracht Gods is, die zijn hart bewerkt. Nochtans kan het Zijne, dat, terwijl de Geest in het Woord is en de dingen van Christus verkondigt, zijn hart naar Hem uitgaat, bloedt, verbreekt en brandende in hem is: misschien ook smelt het hart, dat hard was als een rots, nu als water voor de Heere; ja, onder deze trekkende kracht van de Geest kan zijn hart hijgen naar de Heere, en dat nochtans de arme ziel niet weet, dat de kracht Gods tegenwoordig is. Dit geloof komt niet door werken of doen, of door uzelf met geweld het doen van krachtige daden op te dringen, maar het komt door het gehoor. De werkingen van het geloof komen door het horen van het Voorwerp van het geloof, zoals Dat in het Woord wordt voorgesteld, en door te horen wat de Geest van Zijn heerlijkheid zegt. Waarom staat u zich dan blind te staren op uw gemis van vermogen om geloof te oefenen, alsof u dat uit uw eigen ingewanden moest scheuren? U zult dichter bij uw doel zijn, als u op het Voorwerp van het geloof staart, waarin alle dingen zijn. Als de ziel gelovig werkzaam is, denkt zij niet: Wat kan ik doen, maar, wat kan Christus doen? Niet: Wat heb ik in mij, maar, wat heeft Christus in Zich? Hij houdt zich met niets bezig dan met Christus, en dat is de beste geloofsdaad waarbij men zichzelf verliest en in Zijn volheid verslonden wordt.
(2) De volgende besturing voor uw geloof is: Laat de rechtmatige aanspraak, welke Christus heeft op alles wat de Vader heeft, ook uw aanspraak zijn. Christus heeft eerst alle dingen van de Vader ontvangen, en wij kunnen niets ontvangen dan uit Zijn hand. Wij hebben geen recht of aanspraak op iets wat de Vader heeft, dan in Hem, Die de Vader liefheeft en in Wiens hand Hij alle dingen heeft gegeven; zij moeten de Zijne zijn, voordat zij de onze kunnen wezen. Alles is eerst van Mij, zegt Christus, voordat u er in kunt delen. Alle dingen zijn van Mij, opdat zij de uwe kunnen zijn; Mijn middelaarsrecht daarop is om uwentwil. Zijn liefde is op Mij gevallen, opdat zij op u kan afdalen; Zijn zegen daalt op Mij af, opdat u die kunt ontvangen; Zijn Geest is Mij gegeven, opdat Die u kan worden geschonken; Zijn volheid woont in Mij, opdat gij uit Mijn volheid mag ontvangen, genade voor genade; Zijn belofte rust op Mij, opdat zij aan u wordt vervuld. Laat daarom uw aanspraak op iets, dat de Vader heeft, gegrond zijn op Mijn recht, want: "Al wat de Vader heeft is Mijne". Hij is uw God, omdat Hij Mijn God, en uw Vader, omdat Hij Mijn Vader is; Hij is de uwe, omdat Hij de Mijne is, en alle dingen, die de Vader heeft zijn voor u, omdat zij van mij zijn. Alles is uwe, want gij zijt van Christus en Christus is Gods. Gods goedertierenheid over ons is alleen in Christus Jezus. Wij zijn alleen gezegend met alle geestelijke zegeningen in