van
Ralph Erskine
bedienaar van het Evangelie te Dunfermline - Schotland
over
Rom. 8:28 De liefhebbers Gods hoog bevoorrecht, of de grote vertroosting van de gelovigen, in de medewerking van alle dingen hun ten goede
Pred. 1:2 De ijdelheid van de aardse dingen en van werelds genot
Rom. 12:2 Het bevel om de wereld niet gelijkvormig te zijn; of het kwaad en het gevaar van het kenmerk van de goddelozen te dragen, opengelegd
Hab. 3:2 Om ontferming bidden, een gepaste plicht in tijden van zonde en toorn
Deel 4
Inhoud
De liefhebbers Gods hoog bevoorrecht, of de grote vertroosting van de gelovigen, in de medewerking van alle dingen hun ten goede *
De ijdelheid van de aardse dingen en van werelds genot
*Het bevel om de wereld niet gelijkvormig te zijn; of het kwaad en het gevaar van het kenmerk van de goddelozen te dragen, opengelegd
*Om ontferming bidden, een gepaste plicht in tijden van zonde en toorn (1e preek)
*Om ontferming bidden, een gepaste plicht in tijden van zonde en toorn (2e preek)
*De liefhebbers Gods hoog bevoorrecht, of de grote vertroosting van de gelovigen, in de medewerking van alle dingen hun ten goede
Rom. 8:28. En wij weten, dat dengenen, die God liefhebben, alle dingen medewerken ten goede, [namelijk] dengenen, die naar [Zijn] voornemen geroepen zijn.
Dit hoofdstuk is als een snoer van parels, waarvan de ene al kostbaarder is dan de andere. Als wij dit snoer mogen losmaken en deze ene uit de andere uitkiezen, om die in het bijzonder te bezien, zullen wij zien, dat zij van een onmetelijke waarde en kostbaarheid is. De gehele inhoud van dit hoofdstuk is vertroostend, en bevat enige bijzondere gronden van vertroosting, om hen, die gerechtvaardigd en geheiligd zijn, tegen alle kwaad, wat het ook zij, te ondersteunen. Wij kunnen de inhoud van dit hoofdstuk in vier punten verdelen.
1. Er is vertroosting tegen het veroordelend vonnis van de wet, in het begin van het hoofdstuk tot het vijfde vers. Zij die deel aan Christus hebben, behoeven het vreselijk vonnis van het dreigend deel van de wet niet te vrezen.
2. Er is vertroosting tegen de inwonende zonde, die zelfs hun die gerechtvaardigd en geheiligd zijn, aankleeft: want het zal hier de inwoning van de Geest, noch de heerlijke opstanding van het lichaam op de laatste dag, noch de eeuwige zaligheid van beide ziel en lichaam, niet verhinderen; vanaf het vijfde tot het zeventiende vers.
3. Er is vertroosting tegen alle verdrukkingen, kruisen en beproevingen in deze wereld; van het zeventiende tot het drie en dertigste vers.
4. Er is niet alleen vertroosting tegen alle tegenspoed, maar ook tegen alle tegenpartijders, welke ook, en tegen alle beschuldigingen en uitdagingen, in zoverre, dat de gelovigen worden ingevoerd als triomferende in God, Die rechtvaardig maakt, zodat niemand beschuldiging tegen hen kan inbrengen
Dit hoofdstuk begint te betuigen, dat er voor de gelovige geen verdoemenis is, en het eindigt met te verklaren, dat hij niet van Christus kan worden gescheiden; en waarlijk, de hoofdsteen heeft een stevig fondament; want niets kan zekerder zijn dan dit: Dat er geen verdoemenis kan zijn voor hen, voor wie geen scheiding van Christus mogelijk is.
Deze tekst is een van de parels van het derde deel van dit hoofdstuk, en het bevat een korte inhoud van de vertroostingen van de gelovigen. Er zijn voornamelijk twee dingen, die de vertroosting van een gelovige kunnen verhinderen, namelijk de zonde, de kop van de slang, en de verdrukking, de staart van de slang. De apostel wijst daar tegen een soeverein geneesmiddel aan, getrokken uit de voorzienigheid Gods, welke de dagelijkse uitvoerder is van het voornemen van Hem, "Die alle dingen werkt naar de raad van Zijn wil," en ze de middelen doet zijn, om het zalig doel te bevorderen. Niets zal hun geestelijk welzijn en hun eeuwige zaligheid verhinderen, maar alles zal die bevorderen: "Alle dingen zullen medewerken ten goede, dengenen die naar Zijn voornemen geroepen zijn."
De woorden bevatten twee algemene delen. 1. Een goddelijke vertroosting, een bemoediging en een voorrecht; "Wij weten, dat alle dingen ten goede medewerken," 2. Een behoorlijke bepaling of beperking, de voorwerpen beschrijvende, wie deze vertroosting toekomt: "zij die God liefhebben en naar Zijn voornemen geroepen zijn."
1. Hier wordt van een goddelijke vertroosting, of een groot voorrecht gesproken, waarin vier troostelijke en aanmerkelijke dingen kunnen worden opgemerkt. (1). Een gezegend einddoel, namelijk: Goed; geestelijk en eeuwig goed. (2) De overvloedige middelen om dit einde te bevorderen, namelijk: Alle dingen. Hier worden alle bijzonderheden algemeen ingesloten. (3) De eensgezinde invloed van deze middelen, tot bereiking van dit einde: zij werken; zij werken samen in een verwonderlijke overeenstemming. (4) De zekerheid hiervan: "Wij weten het", zegt de apostel, beide door het geloof en bij bevinding, "dat alle dingen medewerken ten goede, dengenen, die God liefhebben." De werking van de Geestes, in de zwakheden van de heiligen te hulp te komen, waarover de Apostel zo juist had gesproken, is niet zekerder dan deze verwonderlijke bedeling van de voorzienigheid. Want het wordt met nadruk verklaard, in verband met die en de andere hier verkondigde voorname waarheden, "En wij weten, dat dengenen, die God liefhebben, alle dingen medewerken ten goede."
2. Hier is een behoorlijke bepaling of beperking; of, zo u wilt, een beschrijving van de voorwerpen, voor wie deze vertroosting is: dengenen, die God liefhebben, en naar Zijn voornemen geroepen zijn. Hier kunnen ook vier dingen worden opgemerkt. (1) De voornaamste genade waarbij het gelovig kind van God wordt beschreven, namelijk: de liefde. (2) Het heerlijk Voorwerp, op Wie deze liefde zich vestigt, namelijk: God. Elke gelovige is een liefhebber, en het voornaamste voorwerp van zijn liefde is God in Christus. (3) De onmiddellijke wortel en bron van deze liefde is de roeping; zij zijn geroepen, namelijk, krachtdadig, en zo zijn zij nieuwe schepselen, in wie Christus een gestalte heeft gekregen. (4) Het eeuwig fondament van deze roeping, dat is, het voornemen Gods: zij zijn naar zijn voornemen geroepen. Dit voornemen Gods als het fondament van de krachtdadige roeping, wordt in de volgende verzen (29, 30) duidelijker verklaard: "Want die Hij tevoren gekend heeft, die heeft Hij ook tevoren verordineerd het beeld Zijns Zoons gelijkvormig te zijn. En die Hij tevoren verordineerd heeft, deze heeft Hij ook geroepen; en die Hij geroepen heeft, deze heeft Hij ook gerechtvaardigd; en die Hij gerechtvaardigd heeft, deze heeft Hij ook verheerlijkt." Wij hebben hier dan ook een aanmerkelijke keten ter beantwoording van deze vraag: Wie zij zijn, voor wie alle dingen zullen medewerken ten goede? Wel, dat zijn de uitverkorenen. Doch hoe zullen wij weten wie uitverkoren zijn? Wel, dat zijn zij, die in de tijd krachtdadig zijn geroepen. Maar hoe zullen wij weten wie krachtdadig zijn geroepen? Wel, aan hun liefde tot God. Wij kunnen de eeuwige verkiezing kennen uit de roeping; en de krachtdadige roeping uit onze innerlijke liefde tot God in Christus.
Merkt in het algemeen op: "Dat Gods vrije liefde en genadig voornemen vruchtbaar zijn en vele kostelijke vruchten voortbrengen." Op deze wortel groeit de zegening van de krachtdadige roeping, waarin het zaad van alle genade is gezaaid, waaruit in het bijzonder de liefde opschiet; zodat onze liefde tot God, als die waar en oprecht is, de vrucht is van Gods eeuwige liefde tot ons. Op deze wortel groeit ook de medewerking van alle dingen ons ten goede, zodat met recht van de gelovigen in Christus en de liefhebbers Gods mag worden gezegd: "alles is uwe." Die God, Die alles heeft geschapen, had, in dat te doen, geen ander oogmerk, dan Zijn Eigen eer en het welzijn van Zijn vrienden en liefhebbers. O! Hoe vruchtbaar is Zijn vrije liefde en het voornemen van Zijn genade! Ik zou u hier enkele van de bijzondere vruchten van Zijn liefde kunnen vermelden, doch ik ga voort tot de leer, die ik voornamelijk op het oog heb.
Opmerking. Het is het troostelijk voorrecht van al Gods liefhebbende kinderen, dat "Alle dingen hun ten goede zullen medewerken."
De wijze waarop wij, indien het de Heere behaagt ons bij te staan, dat gewichtig onderwerp zullen behandelen, is de volgende:
1. Onderzoeken wat wij hebben te verstaan door deze opmerking, van algemeenheid: "alle dingen."
II. Wat dit goed is, dat alle dingen zullen werken, opdat zij die God liefhebben mogen weten wat zij hebben te verwachten.
III. Wat daarmee bedoeld wordt, dat zij ten goede werken en medewerken.
IV. Het kenmerk een weinig onderzoeken van hen, die zo bevoorrecht zijn, namelijk, dat zij God liefhebben en naar Zijn voornemen geroepen zijn.
V. Aantonen wat de oorzaak is. dat alle dingen hun ten goede zullen medewerken, en zo aanwijzen welke bewijzen de apostel heeft voor zijn zeggen: Wij weten dat het zo zal zijn. Ook zullen wij hierop de gepastheid en het verband letten tussen dit merkteken van God lief te hebben, en dit voorrecht, dat alle dingen hun ten goede zullen medewerken.
VI. Uit het geheel enige gevolgtrekkingen afleiden ter toepassing.
I. Wij zullen eerst deze opmerking van algemeenheid verklaren: alle dingen. Wij zullen dit zowel in ontkennende als bevestigende zin verhandelen.
1e Laat ons dit in ontkennende zin beschouwen. In het algemeen, moet dit niet in volstrekte maar in betrekkelijke zin worden verstaan. Ik wil zeggen, wij moeten het niet zo beschouwen alsof alle dingen zonder uitzondering, zelfs die waarbij de gelovige niet betrokken is, of waarvan hij geen kennis neemt, ten goede voor hem medewerken; zoals alle dingen die in China of in Japan gebeuren, terwijl hij hier woont. Maar wij moeten het in betrekkelijke zin verstaan, van alle dingen, die tot hem in betrekking staan, waarbij hij onmiddellijk betrokken is, en waardoor hij geoefend wordt, zoals alle dingen waardoor hij verdrukt wordt, waarover de Apostel had gesproken.
2e Laat ons het daarom in bevestigende zin en meer persoonlijk beschouwen; alle dingen met welke hij te doen heeft, hetzij goede of kwade. Ik zal u een beknopte lijst aanbieden van goede en kwade dingen, die de gelovige ten goede en tot zijn nut zullen werken. Wij hebben hier een klein woord, alle, doch het is groot van betekenis. Alles wat van alle dingen kan worden gezegd, moet slechte enkele dingen zijn, want alle dingen is een onderwerp, dat nooit uitgeput zou zijn.
[1] Ik zal u een lijst aanbieden van goede dingen die hun tot voordeel zullen werken.
1. Laat ons met het beste beginnen: God Zelf, Die het voornaamste goed is, werkt hun ten goede. Hij, Die alle dingen gemaakt heeft, en alles beschikt, en alles regeert, bij Wie alle dingen niets zijn, en door Wie alle dingen bestaan en zich bewegen; als Hij hun ten goede werkt dan moeten alle dingen dat doen, aangezien Hij ze bevel geeft; en dat is zo, dat God, en alle dingen in God, hun ten goede werken.
Al de eigenschappen van God werken hun ten goede: Zijn wijsheid, macht, heiligheid, rechtvaardigheid, goedheid, en getrouwheid; Zijn oneindigheid, eeuwigheid, onveranderlijkheid. Ik zou in elk van die afzonderlijk het met een voorbeeld kunnen staven, doch ik beschouw ze alleen samen, als hun ten goede werkende. (Gen. 17:1, 2) "Ik ben God de Almachtige; wandel voor Mijn aangezicht, en zijt oprecht. En ik zal Mijn verbond stellen tussen Mij en tussen u;" te kennen gevend, dat Zijn algenoegzaamheid bij wijze van vrije verbondsbelofte zou worden bevestigd. "Mijn genade is u genoeg;" Mijn wijsheid zal genoeg zijn tot uw besturing; Mijn macht tot uw bescherming; Mijn heiligheid tot uw heiligmaking; Mijn rechtvaardigheid gegrond op een rechtvaardigheid voldoenende offerande tot uw rechtvaardigmaking; Mijn waarheid en getrouwheid tot uw vertroosting; Mijn onveranderlijkheid. tot uw zekerheid en bevestiging; Mijn eeuwig bestaan tot uw eeuwige zaligheid.
Gelijk al de eigenschappen van God, zo ook werken al de werken van God, die Hij heeft voortgebracht, Zijn volk ten goede. Zijn voornaamste doel, in het scheppen van de wereld, was de eer van Zijn Naam en het goede van Zijn uitverkorenen. Waarom heeft Hij de hemel en de aarde geschapen? Wel, Hij schiep de hemel, opdat die tenslotte hun woning zou zijn; en de aarde om daar onderweg te logeren; daarom zijn zij niet alleen erfgenamen van de hemel, maar ook van de aarde. (Matth. 5:3) "Zalig zijn de zachtmoedigen, want zij zullen het aardrijk beërven."
Niet alleen al Zijn werken, doch ook al Zijn woorden werken hun ten goede. Beide wet en Evangelie: De wet is hun tuchtmeester om hen tot Christus te leiden, door aan hen hun zonde en ellende bekend te maken; het Evangelie is de spiegel waarin zij de heerlijkheid van Christus en van God in Hem zien, tot hun gedaanteverandering (2 Kor. 3:18). Kortom, al de bedreigingen van het Woord zijn om hen te prikkelen; al de beloften tot hun vertroosting; al de geboden tot hun besturing; al de leerstukken tot hun onderrichting; en alle delen van het woord, ja, alles wat er in staat, tot hun stichting.
Niet alleen al Gods woorden en daden, maar ook al Gods gedachten en voornemens werken hun ten goede "Want Ik weet de gedachten, die Ik over u denk, spreekt de Heere: gedachten des vredes en niet des kwaads, dat Ik u geve het einde en de verwachting" (Jer. 29:11). Gelijk zij naar Zijn voornemen geroepen zijn, zo zijn zij ook naar Zijn voornemen gerechtvaardigd, geheiligd en zalig gemaakt, en zij zullen naar Zijn voornemen eeuwig worden verheerlijkt.
2. Christus, en al Zijn heerlijkheid werken hun ten goede, want "Hij is hun geworden wijsheid van God, en rechtvaardigheid, en heiligmaking en verlossing" (1 Kor. 1:30). Alles wat Christus in het vlees deed; alles wat Hij van eeuwigheid en in de tijd heeft gedaan; alles wat Hij in de hemel doet; en alles wat Hij in de grote dag zal doen, werken hun ten goede. Al Zijn verschijningen zijn hun ten goede: Hij leefde om hunnentwil, Hij stierf voor hun zonde en is opgestaan tot hun rechtvaardigmaking. Ziet hoe de apostel hier in dit verband triomfeert in het goed, dat uit de dood, de opstanding, de hemelvaart en de voorbidding van Christus voortkomt (vs. 33. 34). Al Zijn ambten werken hun ten goede: Als een Profeet is Hij de wijsheid Gods tot hun verlichting; als een Priester is Hij de gerechtigheid Gods tot hun rechtvaardigmaking; en als een Koning is Hij de kracht Gods tot hun heiligmaking. O! Wat is hier een stof, als wij over alle dingen zouden spreken, die behoren bij Zijn Persoon en Zijn koop; Zijn gezag en Zijn macht om zalig te maken; Zijn volheid om alle gebrek te vervullen; Zijn geschiktheid om te verlossen, Zijn liefelijkheid om Hem dierbaar te maken, en Zijn heerlijkheid om al de heerlijke volmaaktheden van God tentoon te spreiden! "Want in Hem woont al de volheid der Godheid lichamelijk" (Kol. 2:9). "En het Woord is vlees geworden, en heeft onder ons gewoond (en wij hebben Zijn heerlijkheid aanschouwd, een heerlijkheid als des Eniggeborenen van de Vader) vol van genade en waarheid. En uit Zijn volheid hebben wij allen ontvangen, ook genade voor genade" (Joh. 1:14, 16).
3. De Geest en al Zijn volheid werken hun ten goede: Zijn bewerkingen en invloeden, (Joh. 16:8) "En die gekomen zijnde zal de wereld overtuigen van zonde, en van gerechtigheid, en van oordeel;" al zijn vruchten en genaden, (Gal. 5:26) De vrucht des Geestes is liefde, blijdschap, vrede, lankmoedigheid, goedertierenheid, goedheid, geloof, zachtmoedigheid, matigheid;" al zijn onderscheiden werkingen, hetzij als water om hen te reinigen, als wind om hen te verfrissen, als vuur om hun harten te verwarmen, of als olie om de raderen van hun zielen te zalven; al de heiligende bewerkingen van de Geest; al Zijn vertroostende werkingen; al Zijn verlichtende, verlevendigende, versterkende, verwijdende en verzegelende bewerkingen. Ik noem hier de velden maar, die ik zou kunnen doorwandelen. De Geest werkt hun ten goede zoals Hij een geest van het geloof, en een Geest der bekering, een Geest der liefde, van kracht en van gematigdheid is; zoals Hij een Geest van het gebed, van genade en der smeking is; Die onze zwakheden te hulp komt en ons leert bidden met onuitsprekelijke zuchtingen; zoals u ziet in de verzen, die onze tekst onmiddellijk voorafgaan.
4. Het eeuwig Verbond en al de zegeningen ervan werken hun ten goede, ja, daarin is al hun heil, en alle lust. Dit verbond der belofte is een bundel of een hoop goede dingen, die voor hen is opgelegd. De volheid van het verbond brengt hun een goede tijding van vervulling, al zijn zij nog zo hulpbehoevend en leeg. De vrijheid van het verbond brengt hun een goede boodschap van zaligheid, hoe schuldig en onwaardig zij in zichzelf ook zijn. De duurzaamheid van het verbond brengt hun goed nieuws van volharding, hoe wispelturig, veranderlijk en ongestadig zij in zichzelf ook zijn. Het bloed des verbonds, dat er de voorwaarde van is, de eeuwige gerechtigheid van Christus, brengt de blijde boodschap van alle geestelijke zegeningen, die met het bloed gekocht zijn van Hem, "in Wie al de beloften Ja en Amen zijn."
5. Alle goddelijke voorzienigheden werken hun ten goede: "Zijne ogen doorlopen de ganse aarde, om Zich sterk te bewijzen aan degenen welker hart volkomen is tot Hem" (2 Kron. 16:9). al de bijzondere daden van de voorzienigheid, alles wat Adam overkwam, voor de val, in de val, en na de val. Hij was in een staat van rechtheid, nochtans zondigde hij: hoe waakzaam moet ik dan wel wezen, mag de gelovige wel zeggen, al ben ik in de staat van de genade. Zo werkt Zijn rechtheid hun ten goede. In Adams val ziet hij hoe de zonde in de wereld is ingekomen, en dat hij gezondigd heeft. Wat Adam overkwam na de val doet zowel de ellende van de natuurstaat, als het middel zien, dat God in Christus, het beloofde Zaad, heeft daargesteld. Alles wat de goede engelen overkwam is een deel van de genadige voorzienigheid, die hun ten goede werkt: zij toch omvingen hun bevestiging in hun zalige staat door de Middelaar, de Heere Jezus Christus, hoeveel temeer mogen de gelovigen verwachten, dat zij in de staat van de genade door de Heere Jezus zullen worden bevestigd, Die niet de natuur van de engelen heeft aangenomen, om hun Verlosser te zijn, maar het zaad Abrahams? Al de grote verlossingen voor de Kerk, Gods volk, in alle eeuwen gewerkt, werken hun ten goede. Wat Hij voor Israël deed in Egypte, aan de Rode Zee, in de woestijn; wat Hij voor hen deed aan de Jordaan; wat Hij voor hen deed in Kanaän; hoe Hij de heidenen uitdreef en koningen bestrafte om hunnentwil; wat Hij voor Zijn Kerk in het algemeen en voor Zijn kinderen in het bijzonder heeft gedaan, het werkte alles ten goede, om hun geloof aan te moedigen en hun vertrouwen op de Heere te versterken.
Alle goddelijke ordinanties werken hun ten goede. De Evangeliebediening en alle daartoe behorende gaven, zij zijn gegeven tot de volmaking der heiligen en tot opbouwing van het lichaam van Christus (Ef. 4:12). De sacramenten van het Evangelie, namelijk, de doop en het avondmaal; het ene een zegel van hun inlijving in Christus en het andere een zegel van hun bevestiging. Indien de bediening van het sacrament enig zaligmakend goed voor u werkt, is het een vrucht van deze belofte. al de gaven en de genaden, niet alleen van de dienaars, maar ook van gewone Christenen, werken hun ten goede, zowel als hun eigen gaven en genaden; want niet alleen Paulus en Apollos, en Cefas, zijn hunne, maar ook de gemeenschap der heiligen werkt hun ten goede mee. (Hebr. 10:24, 25) "En laat ons op elkander achtnemen tot opscherping der liefde en der goede werken; en laat ons onze onderlinge bijeenkomsten niet nalaten, gelijk sommigen de gewoonte hebben, maar elkander vermanen: en dat zoveel te meer, als gij ziet, dat de dag nadert." Al de gebeden van de heiligen werken hun ten goede: Gelijk hun gebeden, hun krachtige gebeden, veel vermogen, zo is het een sterke vertroosting, dat er een voorraad, of een samenvoeging van talloze gebeden is, die voor hen opgaan, wanneer zijzelf in benauwdheid, of slecht gestemd, of ongeschikt voor dit werk zijn. Al de goddelijke ordinanties, het Woord en de sacramenten, werken dus ten goede. Het woord is hun een reuk des levens, en de sacramenten een medicijn des levens; en geen wonder, want in het Woord is de adem Gods, en in de sacramenten, het bloed Gods.
7. In één woord, al Gods goedertierenheden, tijdelijke en geestelijke, werken hun ten goede: want de goedertierenheid Gods leidt hen tot bekering, en al de werken van de godvruchtigen werken de gelovigen ten goede, want hun goede werken en hun goed voorbeeld dienen tot hun prikkeling en ter navolging. Ik zou ook,
[2] Een lijst kunnen aanbieden van kwade dingen, die hun ten goede werken.
1. Om met het ergste te beginnen; De zonde zelf, het kwaad van alle kwaden, hoewel ze, krachtens haar natuur, de dood en de verdoemenis werkt; nochtans, als wij haar beschouwen, als overheerst door oneindige wijsheid en gematigd door Christus, Die de wijsheid Gods en de kracht Gods is. werkt zij ten goede; evenals een ervaren dokter het vergif matigt, en maakt, dat het ten goede en genezend werkt. Zo baande de zonde van de eerste Adam de weg voor de gerechtigheid van de tweede Adam; in dit opricht werkte het grootste kwaad mee tot het grootste goed. Het is een gedeelte van de wijsheid Gods in een verborgenheid, dat Hij goed uit kwaad, licht uit duisternis, en het leven uit de dood kan doen voortkomen. Voorwaar, de zonde, uit zichzelf, werkt geen geestelijk goed: zij werkt schande en smart, verschrikking en kwelling. Zij die zich dan ook op deze grond kunnen aanmoedigen om te zondigen: "Al zondigen wij nog zo, het zal ons ten goede werken," hebben nooit in het goed, dat in deze tekst wordt beloofd, gedeeld; want het voornaamste goed, dat alle dingen werken voor hen die God liefhebben is, dat zij de zonde zullen haten; en het kwade te doen, opdat het goede daaruit kome, doet onze verdoemenis rechtvaardig zijn (Rom. 3:8). Alleen de verdorven natuur kan deze leer zo misbruiken, want overal waar ware genade is, zal zij het beste gebruik bevorderen, tot aanprijzing van de heiligheid en tot bestrijding van de zonde. Wanneer God toch zo wijs beschikt, dat Zijn volk nu en dan uit hun zonden en vallen goed ontvangt, zoals, wanneer de zonde hun daardoor bitterder en Christus dierbaarder wordt, en zij ootmoediger en waakzamer worden, scherpt niets ter wereld meer hun haat en tegenstand tegen de zonde dan dit. In dit opzicht mogen wij zeggen, dat de zonde, die ons nederig en waakzaam maakt, beter is dan de plicht, die ons trots en zeker maakt. Om echter in de zonde voort te gaan, omdat God er het goede uit kan doen voortkomen, is even goddeloos en godloochenend, alsof iemand tot de duivel zou gaan, omdat God zijn verzoekingen ten goede kan doen werken.
De zonde zelf zal ten goede medewerken voor hen, die God liefhebben. Merkt op wat ik zeg: ik zou voor de hele wereld niet willen zeggen, dat de zonde ten goede zal medewerken dengenen, die de zonde liefhebben en in de zonde leven; maar ik kan voor de gehele wereld betuigen, dat zij ten goede zal medewerken dengenen, die God liefhebben en de zonde haten. Zij zal ten goede medewerken voor hen die haar haten, en die zichzelf wegens de zonde haten. Zij zal hun ten goede medewerken, die God liefhebben en van zichzelf walgen wegens de zonde; zij zal hun ten goede medewerken, die er over vernederd zijn, en hun, die tot Christus de toevlucht nemen, om er van te worden zalig gemaakt, en die voor geen wereld zichzelf in de minste zonde durven toegeven. Zij zal ten goede medewerken voor hen, die er tegen strijden en er tegen bidden, en die, hoewel zij met David moeten erkennen, dat ongerechtige dingen de overhand over hen hebben, er nochtans tegen in de wapenen zijn; zij stellen er het bloed van Christus tegenover; zij zetten er de kracht Gods tegenover; zij roepen er de hulp van de hemel tegen in. Omdat zij God liefhebben en de zonde haten, daarom zullen alle dingen hun ten goede medewerken. "Die oren heeft om te horen, die hore." Als een boze en verworpene wereld wil struikelen, daar is geen hulp voor. Het is een stof van vertroosting, dat de uitverkorenen het zullen verkrijgen; en van deze spreekt de tekst: "Alle dingen zullen medewerken ten goede, dengenen, die God liefhebben, namelijk, dengenen die naar Zijn voornemen geroepen zijn."
2. Satan, en al Zijn verzoekingen en inblazingen werken Gods kinderen mede ten goede, want "de Heere weet de godzaligen uit de verzoeking te verlossen" (2 Petr. 2:9). God zou de slang nooit hebben toegelaten hun verzenen te bijten, indien Hij niet had voorgenomen haar kop te breken en de duivel onder zijn voeten te verpletteren. Alles wat de duivel en zijn instrumenten kunnen doen zal hun ten goede medewerken. Zij mogen plannen smeden, samenspannen, smaden, vervolgen, gevangen zetten, verbannen, ja, ons het leven benemen, en nochtans zal alles ten goede medewerken, want "Hiertoe is de Zoon van God geopenbaard, opdat Hij de werken des duivels verbreken zou:" zowel zijn innerlijke werken van bedrog, als zijn uiterlijke werken van geweld.
3. Al hun noden en zwakheden werken hun ten goede. Van hun noden maakt Hij gebruik om Zijn genoegzaamheid te verheerlijken, en van hun zwakheden om Zijn kracht bekend te maken: "Mijn genade is u genoeg: want Mijn kracht wordt in zwakheid volbracht. Zo zal ik dan," zegt de apostel, "veel liever roemen in mijn zwakheden, opdat de kracht van Christus in mij wone."
4. Al de inwendige beproevingen werken hun ten goede, zelfs die welke daaruit ontstaan, dat de Heere Zich verbergt en onttrekt, hetzij, dat Hij in het stuk van genade de invloeden van Zijn Geest inhoudt, of dat Hij inzake de vertroosting Zijn aangezicht verbergt. (Jes. 54:7, 8) "Voor een klein ogenblik heb Ik u verlaten, meer met grote ontfermingen zal Ik u vergaderen. In een kleine toorn heb Ik mijn aangezicht van u een ogenblik verborgen, maar met eeuwige goedertierenheid zal Ik Mij uwer ontfermen, zegt de Heere uw Verlosser." Hij fronst een weinig, opdat het hun temeer zal goed doen, wanneer Hij hen daarna toelacht. Hij beschikt hun tijdelijke, kortstondige verlating, om de prijs van Zijn eeuwige vertroostingen te verhogen, Zijn oogmerk in Sion te verlaten, zodat het zegt: "De Heere heeft mij verlaten, en de Heere heeft mij vergeten," is, opdat Hij aanleiding mocht hebben om Zijn volk des te vriendelijker, evenals een moeder haar kind doet, aan Zijn hart te drukken en te liefkozen. (Jes, 49: 15) "Kan ook een vrouw haar zuigeling vergeten, dat zij zich niet ontferme over de zoon haars buiks? Ofschoon deze vergate, zo zal Ik toch u niet vergeten."
5. Al hun uiterlijke beproevingen en verdrukkingen werken hun ten goede; hetzij die straffend zijn, om hen wegens hun zonden te tuchtigen, of dat zij beproevend zijn, om hun genaden te beproeven; bij de uitkomst zullen zij steeds gelegenheid hebben met David te zeggen: "Het is mij goed, dat ik verdrukt ben geweest" (Ps. 119:71). Een purgeermiddel is dikwijls even goed als voedsel, ja, dikwerf veel noodzakelijker, hoc onaangenaam het ook mag zijn. "Uit alle geslachten des aardbodems heb Ik ulieden alleen gekend, daarom zal Ik al uw ongerechtigheden over ulieden bezoeken." Het is evengoed voor een kind van God getuchtigd te worden, als voor een jonge boom gesnoeid te worden. "Al wie vrucht draagt, die reinigt Hij, opdat zij meer vrucht drage" (Joh. 15:2); ja, de druk van de verdrukking kan de krachtige geur van hun genade uitpersen.
6. Al hun lijden voor de zaak van Christus werkt mee hun ten goede. Dit strekt tot bevordering van het Evangelie en tot hun zaligheid: (Filip. 1:12, 19) "En ik wil, dat gij weet, broeders, dat hetgeen aan mij is geschied, meer tot bevordering van het Evangelie gekomen is. Want ik weet, dat dit mij ter zaligheid gedijen zal door uw gebed en toebrenging des Geestes van Jezus Christus." Zij behoeven geen smaad of vervolging te vrezen, welke hun om de waarheden van het Evangelie, of om de liefde tot Christus overkomt, noch enige schade die zij in hun naam, krediet, of inkomsten om deze zaak lijden, want het zal hun worden vergolden, hier honderdvoudig en hiernamaals duizendmaal duizendvoudig. Hierop schijnt de apostel in het verband van de tekst voornamelijk te doelen: (vs. 17, 18) "Zo wij anders met Hem lijden, opdat wij ook met Hem verheerlijkt worden." En: "Want ik houd het daarvoor, dat het lijden van deze tegenwoordige tijd niet is te waarderen tegen de heerlijkheid, die aan ons zal geopenbaard worden." Deze bijzondere zaak is echter zodanig ingesloten, dat niets anders uitgesloten is, want: "Alle dingen zullen hun medewerken ten goede." Alle dingen, goede of kwade, zullen hun ten goede medewerken; alle dingen, verleden, tegenwoordige, of toekomende: de verleden besluiten Gods, de tegenwoordige bedelingen Gods, en de toekomstige vervulling van het voornemen Gods. Alle dingen in de hemel, op de aarde en in de hel: al de goedertierenheden van de hemel, al de kwaadaardigheid van de aarde, en al de boosheid van de hel, zullen hun ten goede medewerken. Laten de broeders van Jozef, door nijd gedreven, hem in een kuil werpen, of hem naar Egypte verkopen; laat Potifar hem in een vunzige kerker werpen; nochtans zal de wijsheid Gods er zich in mengen en alles schoon en heerlijk doen uitlopen op de verhoging van Jozef, en daarop, dat duizenden in de hongersnood in het leven worden gespaard. Wat zou het, al moet Mordechai een poos lijden en Haman een poosje regeren en honen? Oneindige Wijsheid houdt de weegschaal van de voorzienigheid in haar hand en zal spoedig de schaal doen overslaan. Zo heb ik enkele van die alle dingen aangestipt, die zullen medewerken ten goede. Doch nu is de vraag:
II. Wat dit Goed is, waartoe alle dingen zullen medewerken? Opdat zij die God liefhebben, mogen weten wat zij hebben te verwachten. Wij zullen hier, evenals bij de behandeling van het voorgaande punt, de zaak zowel in ontkennende als in bevestigende zin behandelen.
1. Laten wij het eerst ontkennend beschouwen. Zij hebben niet te verwachten, dat alle dingen die hun overkomen tot hun tijdelijk goed en tot hun voorspoed in de wereld zullen medewerken. Wel gebeurt dit somtijds, zoals Jozef tot zijn broeders sprak: "Gijlieden wel, gij heb. kwaad tegen mij gedacht, doch God heeft dat ten goede gedacht." En zoals het Israël in Egypte ging: "Hoe meer zij het verdrukten, hoe meer het vermeerderde en hoe meer het wies." Men mag de tekst ook verstaan als doelende op dit goede, doch het moet niet altijd verwacht worden, omdat uiterlijke voorspoed voor Gods volk niet altijd goed is. Ook moeten zij niet verwachten, dat alle dingen zullen medewerken tot dit goed van volstrekte vrijmaking van de inwonende zonde, zolang zij hier zijn. God acht het goed en nuttig, dat zij door het geloof leven, in dagelijkse gebruikmaking van Christus tot verzoening van hun zonde. Zij moeten ook niet verwachten, dat alle dingen zullen medewerken tot hun volstrekte vrijmaking van verliezen en kruisen in de wereld; omdat het niet goed voor ons is, zonder die te zijn, en zij delen zijn van die dingen, die hun ten goede medewerken. Evenmin moeten zij verwachten, dat alles zal medewerken tot het goede, dat zij op het oog hebben, doch tot het goede, dat God beoogt, Wiens gedachten oneindig hoger zijn dan de onze. Doch
2e Laat ons de zaak stellig beschouwen. Zij mogen verwachten, dat alle dingen zullen medewerken tot hun geestelijk goed en hun eeuwig welzijn. Wij zullen trachten dit in enkele bijzonderheden te ontwikkelen.
1. Alle dingen zullen medewerken om hun kennis van God en Christus te bevorderen. Dit is waarlijk een aanmerkelijk goed! Dit is het eeuwige leven, dat zij U kennen de enige waarachtige God, en Jezus Christus. die Gij gezonden hebt" (Joh. 17:3). Nu, alle dingen zullen medewerken, om de heiligen meer en meer te doen kennen van "de wijsheid Gods bestaande in verborgenheid, die bedekt was, welke God tevoren verordineerd heeft tot onze heerlijkheid, eer de wereld was" (1 Kor. 2:7): "En allen te verlichten, dat zij mogen verstaan welke de gemeenschap van de verborgenheid zij, die van alle eeuwen verborgen is geweest in God, Welke alle dingen geschapen heeft door Jezus Christus, opdat nu door de gemeente bekend gemaakt worde de overheden en de machten in de hemel de veelvuldige wijsheid Gods" (Ef. 3:9,10). Opdat zij, met de apostel (Rom. 11:33) aan de oever van deze oceaan staande, mogen uitroepen: "O diepte des rijksdoms, beide der wijsheid en der kennis Gods! Hoe ondoorzoekelijk zijn Zijn oordelen, en onnaspeurlijk Zijn wegen! En opdat zij, door alle dingen, meer mogen leren kennen van de macht, heiligheid, rechtvaardigheid waarheid, goedheid en heerlijkheid Gods in Jezus Christus. Wij plegen te zeggen: "De ervaring leert zelfs de dwazen;" doch dit is zeker, dat er niet één ervaren Christen is, die niet zal getuigen, dat hij, door alle goede en kwade dingen, die hem wedervaren zijn, door al de onderscheiden veranderingen en wisselingen van de voorzienigheid, meer van God heeft gezien, dan hij tevoren zag.
2. Alle dingen zullen medewerken, dat zij het beeld Gods in een meerdere mate deelachtig worden. Dit is zeker iets goeds, en het wordt uitgewerkt door de beloften Gods. (2 Petr. 1:4) "Door welke ons de grootste en dierbare beloften geschonken zijn, opdat u door dezelve de goddelijke natuur deelachtig zoudt worden." Alsmede door de voorzienigheden Gods, voornamelijk de beproevende: "Hij kastijdt ons tot ons nut, opdat wij Zijn heiligheid zouden deelachtig worden" (Hebr. 12:10).
3. Alle dingen zullen medewerken tot hun verdere reiniging, zij zullen de een of andere bijzondere begeerlijkheid of verdorvenheid uitdrijven. "Hierdoor zal de ongerechtigheid Jakobs gezuiverd worden; (Eng. Overz. Jes. 27:9) en dat is de gehele vrucht, dat Hij zijn zonde zal wegdoen." Dit is een begeerlijk goed, welk middel ook gebruikt wordt. om dat einde uit te werken.
4. Alle dingen zullen medewerken tot bevordering van hun gemeenschap met Hem. Al wat zij van het Woord Gods, of de roede Gods hebben gehoord, of gezien, of getast, werkt tot dit goede einde mee: "Deze onze gemeenschap is met de Vader, en met Zijn Zoon Jezus Christus" (1 Joh. 1:3). Wij mogen met vrijmoedigheid tot God gaan door het bloed van Jezus; Hem het verborgenste van onze harten meedelen, en ervaren, dat Hij ons de verborgenheden van Zijn verbond bekend maakt.
5. Alle dingen werken mee tot hun verdere verootmoediging, en dat is zeker een goed: "Die u geleid heeft in die grote en vreselijke woestijn, daar vurige slangen. en schorpioenen, en dorheid, daar geen water was." Dit is een optelling van kwade dingen, die hun overkwamen, doch er volgt: "Die u water uit de keiachtige rots voortbracht; Die u in de woestijn spijsde met man, dat uw vaderen niet gekend hadden." Dat is een optelling van de goede dingen, die hun wedervoeren. En wat was het einde, het doel, van al deze dingen? Wel, dat volgt: "Om u te verootmoedigen en u te verzoeken, opdat Hij u ten laatste weldeed" (Deut. 8: 15, 16). Het is goed, dat wij verootmoedigd zijn en geringe gedachten van onszelf hebben. Wij zijn zo geneigd in onze voorspoed te zeggen, dat onze berg vaststaat, er dat wij in eeuwigheid niet zullen wankelen; wij menen met Petrus, dat wij met Christus kunnen lijden en grote dingen voor Hem doen; of met de zonen van Zebedeüs dat wij met Hem kunnen heersen; doch wij moeten verootmoedigd en beproefd worden, opdat wij mogen weten wat wij zijn.
6. Alle dingen werken mee tot hun verdere vertroosting, en dit is een gewenst goed. God doet met alles wat hun overkomt enige blijdschap en vertroosting van Zijn Geest gepaard gaan. Hetzij Hij hes tot de berg brengt, of in de woestijn voert; dit goede einde zal op des Heeren tijd worden bereikt. Wanneer Hij hen tot Zijn heilige berg brengt, zal Hij hen verheugen in Zijn bedehuis (Jes. 56:7); en wanneer Hij hen in de woestijn voert, zal Hij naar hun hart spreken (Hosea:1:13, 14); ja, Hij zal hun geven het dal Achor tot een deur der hoop, en daar zullen zij zingen. En gelijk hun lijden overvloedig is, alzo is ook hun vertroosting overvloedig (2 Kor. 1:4, 5).
7. Alle dingen werken hun ten goede mee tot bevordering van hun geloofsleven, opdat zij meer mogen weten wat het is, door het geloof des Zoons Gods te leven (Gal. 2:20). Indien de gelovigen hier, in hun tegenwoordige omstandigheden, altijd gevoelige genieting werd vergund, zouden zij geneigd zijn op hun voorraad te teren, daarom beschikt de Heere bij hun zoete maaltijden enige bittere saus, om hun spijsvertering te bevorderen, opdat zij niet bij gevoel, maar door het geloof zouden leven. In voorspoed praten wij over door het geloof te leven, en verduisteren de raad met woorden zonder wetenschap; doch in tegenspoed krijgen wij praktische kennis van wat het is door het geloof te leven. En dat is waarlijk een gelukzalige en gezegende bedeling, welke daartoe strekt, dat de ziel verder geworteld wordt in een gekruiste Christus, en op een belofte leeft wanneer er nergens ter wereld een steunsel te vinden is, om op te leunen; dit is zuiver geloven.
8. Alle dingen werken mee tot bevordering van hun onderwerping aan de wil van God en heilige vergenoegdheid in elke omstandigheid, opdat zij met Paulus mogen leren vergenoegd te zijn in hetgeen zij zijn, wetende vernederd te worden en ook overvloed te hebben, en te zeggen: "Ik vermag alle dingen door Christus Die mij kracht geeft" (Filip. 4:11—13). Ik kan zowel smaadheid verwelkomen als eer en achting; een gevangenis, zowel als een paleis; een harde steen tot mijn hoofdkussen, zowel als een zachte peluw; hoewel ik, evengoed als anderen, de Heere loof en dank voor aangename geriefelijkheden en goedgunstige bedelingen, wanneer God die verleent. Wil Hij ze echter onthouden, ik ben vergenoegd en tevreden: "Zouden wij het goede van God ontvangen, en het kwade niet ontvangen?" O vrienden! Hoe goed is het in die gestalte te mogen verkeren!
9. Alle dingen werken mee tot bevordering van hun geestelijkgezindheid, om hun harten van de wereld te spenen, en hun genegenheden hemelwaarts te verheffen, zodat zij minder van de geest van de wereld en meer van de Geest van Christus in hun harten hebben wonen: "Geliefden, houdt u niet vreemd over de hitte van de verdrukking onder u, die u geschiedt tot verzoeking, alsof u iets vreemds overkwame. Indien gij gesmaad wordt om de Naam van Christus, zo zijt gij zalig, want de Geest de heerlijkheid en de Geest Gods rust op" ( 1 Petr. 4:12,14). Namelijk, de Geest Gods, opdat u ook in de openbaring, van Zijn heerlijkheid u mag verblijden en verheugen. O! Wat is dit een goed ding, de goede Geest Gods, de heerlijke Geest Gods te hebben! Al treft u van buiten een geest van smaad, nochtans zal de Geest der heerlijkheid en des gejuichs binnen in u alles vergoeden. O wat een goed werk is dit wanneer alle dingen medewerken, om een lage, vleselijke, wereldse geest uit te drijven, en meer van een heerlijke en hemelse Geest in te brengen!
10. Alle dingen werken mee om hun voorbereiding voor de hemel te bevorderen; niets zal hun loop naar de hemel verhinderen, doch die eerder bevorderen. Gelijk alle beproevende bedelingen bewerken, dat zij meer van de Geest ontvangen, waarover de apostel in het voorafgaand verband spreekt, zo werken zij mee om hun voortgang naar de hemel te bespoedigen, en die kunnen dan ook geen verhindering zijn, maar zij moeten die bevorderen. Dit blijkt uit de juichtaal van de apostel in het volgend verband van dit hoofdstuk: "Wie zal ons scheiden van de liefde van Christus? Verdrukking, of benauwdheid, of vervolging, of honger, of naaktheid, of gevaar, of zwaard! (Gelijk geschreven is: Want om Uwentwil worden wij de ganse dag gedood; wij zijn geacht als schapen ter slachting). Maar in dit alles zijn wij meer dan overwinnaars, door Hem, Die ons liefgehad heeft. Want ik ben verzekerd. dat noch dood, noch leven, noch engelen, noch overheden, noch machten, noch tegenwoordige, noch toekomende dingen, noch hoogte, noch diepte, noch enig ander schepsel ons zal kunnen scheiden van de liefde Gods, welke is in Christus Jezus onze Heere." Het fronsen van de mensen kan Gods toelachingen veroorzaken; verlies van wereldse goederen kan door hemelse schatten worden goedgemaakt. "Want onze lichte verdrukking, die zeer haast voorbijgaat, werkt ons een geheel zeer uitnemend eeuwig gewicht der heerlijkheid" (2 Kor. 4:17).
In één woord, gelijk er geen einde zou zijn aan het spreken over alle dingen, die voor hen ten goede medewerken, zo is er ook geen einde aan het spreken over al het goed, dat alle dingen voor hen werken. Die God, Die alle dingen tot Zijn bevel heeft, zet alle dingen voor hen te werk, en maakt, dat zelfs de ergste dingen tot hun voordeel medewerken. Herodus en Pilatus, Joden en heidenen, spanden samen, om Christus, de Heere der heerlijkheid, te kruisigen. Hier is het ergste wat ooit is gedaan, doch ziet de vrije genade en de diepte van de wijsheid in God, die dit werk tot het grootste goed maakte, dat ooit geweest is. Nog een voorbeeld, dat alle andere dingen Gods volk ten goede werken, zien wij in de woede en grimmigheid van mensen en duivels, die, in strijd met hun oogmerken, tot hun zaligheid medewerkten, ja, de dood zelfs, tegen zijn natuur, hun het eeuwige leven werkende.
III. Het derde punt was; Dat wij zouden aantonen, wat daarmee wordt bedoeld, dat zij ten goede werken en medewerken. Dit drukt uit, dat alle dingen eenstemmig samenwerken in dit goed voort te brengen. Hoe kunnen alle dingen, zelfs de ergste dingen ten goede medewerken? "Leest men ook een druif van doornen, of vijgen van distelen?"
1e In het algemeen, alle dingen zijn in Gods hand, Die de krachtige Werker is, Die door deze dingen werkt; zij kunnen niet uit zichzelf zonder God werken. Zij schijnen eerder de ondergang van Gods volk, dan hun zaligheid en hun goed te werken, doch Gods oneindige wijsheid en almachtige arm kan het licht uit de duisternis, het leven uit de dood, en het goede uit het kwade doen voortkomen. Evenals het Woord en de ordinanties niet door enig innerlijk vermogen, of door hun eigen kracht zaligmaken, toch is er een lijdelijke geschiktheid in, om de hand van de Almacht te dienen, om zaligmakende einden uit te werken, een geschiktheid, om als middel te dienen, evenals een bijl, of een hamer, in de hand van de werkman. Evenmin als een zwaard kan hakken, of een pen kan schrijven zonder een hand, die ze bestuurt, evenmin kunnen alle dingen voor Gods kinderen ten goede medewerken, zo zij niet in de hand van God zijn. Het is God, Die hierdoor het geestelijk en eeuwig goed van Zijn volk bevordert.
2e Zij kunnen dan ook in vierderlei opzicht medewerken. 1. Ten opzichte van de God van de voorzienigheid. 2. Ten opzichte van de bijzondere werkingen van de voorzienigheid. 3. Ten opzichte van de gehele reeks van voorzienigheden. 4 Ten opzichte van de wijze van hun medewerking, waarin zij dienstig zijn tot dit goede.
1. Dit medewerken kan zijn ten opzichte van God en Zijn medewerking met de voorzienigheid, aangezien, zoals ik reeds zei, niet een van deze dingen uit zichzelf iets kan doen; doch zij werken mee met God, en in Zijn Hand. Al is zo iets werkelijk een groot kwaad, een verpletterende bedeling; laat echter God begaan en wacht op hem, Hij kan het grootste goed daaruit voor u doen voortkomen. Al is er in zo’n handeling van de voorzienigheid geen natuurlijke strekking tot uw goed, maar eerder tot uw nadeel, toch zal er zo’n bovennatuurlijke kracht en werking met gepaard gaan, dat die ten goede moet medewerken; want zij werken met God, Wiens raad zal bestaan en Hij zal al Zijn welbehagen doen.
2. Zij kunnen medewerken ten opzichte van de bijzondere werkingen van de voorzienigheid, niet afzonderlijk maar gezamenlijk beschouwd. Indien wij de ene voorzienigheid bij de andere nemen, zullen wij zien, dat zij ten goede werken, doch nemen wij ze afzonderlijk, dan kunnen wij niet zien, hoe zij medewerken. Misschien lacht de ene werking van de voorzienigheid u toe, terwijl een andere u dreigend aanstaart en u uw ondergang verkondigt. Neemt ze samen, dan kunt u zien, dat zij u ten goede medewerken, doch maakt ze van elkaar los en neemt ze afzonderlijk, en u kunt van die dreigende voorzienigheid. noch de schoonheid, noch het goede, noch het voordeel zien. De ene voorzienigheid schijnt wit en liefelijk; een andere schijnt roodachtig en bloedig, gekleurd en verschrikkelijk te zijn, maar neemt de rode en de witte samen, en dan komt het schone aanzien van de voorzienigheid te voorschijn: zij werken samen ten goede.
3. Alle dingen kunnen medewerken ten opzichte van de gehele reeks en de samenhang van voorzienigheden, van het begin tot het einde. Het is niet altijd te zien, dat een moeilijk begin een goed begin is, totdat wij het begin en het einde bij elkaar vergelijken. De donkere zijde van de wolk van de voorzienigheid kan medewerken om de luister van de heldere zijde te verduidelijken en in het licht te stellen; en wanneer wij de beide zijden bezien zal er samenstemming blijken te zijn in al de werkingen van de voorzienigheid. Hij, die God vreest, kan "de gehele dag geplaagd zijn, en zijn bestraffing is er alle morgens" (Ps.73: 14), dat is de donkere zijde; doch beziet de andere zijde, en ziet het schone einde van de voorzienigheid: "Let op de arme, en ziet naar de oprechte; want het einde van die man zal vrede zijn". (Ps.37: 37): doch het einde van de goddelozen wordt uitgeroeid, hoewel zij een poosje bloeien en het vermogen vermenigvuldigen.
Zij kunnen ook samenwerken ten opzichte van de wijze van hun medewerking, waarin zij dienstig zijn tot dit goede. Alle dingen werken mede, en dat niet alleen in overeenstemming, maar ook krachtdadig. Wanneer God, en alle dingen met Hem, ten goede van een schepsel medewerken, dan is er niets, dat de uitwerking daarvan kan verhinderen. Wanneer alle dingen medewerken, wat blijft er de over om het werk te verhinderen of te beletten? Wanneer alle dingen medewerken, dat geeft te kennen, dat zij wonderlijk en verwonderlijk werken. Goede dingen en slechte dingen, hebben op zichzelf genomen, een geheel tegenstrijdige natuur en strekking; doch evenals bij de raderen van een klok of een horloge, sommige zich vooruit en andere zich achteruit bewegen, en nochtans al die tegen elkaar ingaande bewegingen uitwerken, dat de wijzer regelmatig voortgaat en de tijd aanwijst; zo ook werken de raderen van de voorzienigheid uit, sommige met een rechtstreekse en andere met een teruggaande beweging, dat zij alle ten goede van Gods kinderen werken. Dit is alles het werk van Hem, Die groot van raad en machtig van daad is, en Die maakt, dat al die dingen, die tegen elkaar in werken, nochtans medewerken tot dit einde.
IV. De vierde zaak in de tekst is: Het kenmerk van hen, die zo bevoorrecht zijn, en wie alle dingen ten goede zullen medewerken.
Dat zijn zij, die God liefhebben en naar Zijn voornemen geroepen zijn. De volledige omschrijving van dit kenmerk zou vele boekdelen vullen, daarom zal niemand veronderstellen, dat ik dit uitvoerig kan behandelen. Ik zal daarom een kort overzicht geven van dit kenmerk van Gods bevoorrecht volk, namelijk, dat zij liefhebbers Gods zijn, en daartoe de vier volgende dingen overwegen, die in de tekst vervat zijn. 1. Het voorwerp, namelijk God. 2. De handeling, namelijk, liefde tot deze God. 3. De onmiddellijke tak, waaraan zij groeit; namelijk, de krachtdadige roeping. 4. De bron en de oorsprong waaruit zij ontspringt, namelijk, het goddelijk voornemen: zij zijn naar Zijn voornemen geroepen.
1. Het voorwerp van de liefde van hen, wie alle dingen ten goede medewerken, is God, Die men boven alle dingen en alleen omwille van Hemzelf moet liefhebben. Hij wil geen mededinger naast Zich dulden: (Matth. 10:37) "Die vader of moeder liefheeft boven Mij, is Mijns niet waardig; en die zoon of dochter liefheeft boven mij, is Mijns niet waardig." Deze liefde tot God sluit noodzakelijk de liefde tot Christus, of tot God in Christus in. Gelijk toch Zijn welbehagen in Christus is en Hij in Hem met zondaren verzoend is, zo ook kunnen wij Hem buiten Christus niet liefhebben als een vriend, doch Hem slechts vrezen als een vijand. God is in Christus en al Zijn volheid woont in Christus, en waar Gods volheid woont, daar wenst de ware gelovige ook te wonen. Deze liefde tot God sluit ook een regelmatige liefde tot onszelf in. Het is duidelijk, dat, waar in Gods wet geschreven staat, dat wij onze naaste zullen liefhebben als onszelf, dit vooronderstelt, dat wij onszelf behoren lief te hebben. Dit is zozeer in de liefde Gods ingesloten, dat gelijk hij, die zichzelf niet liefheeft, God niet kan liefhebben, zo ook hij, die God niet liefheeft, zichzelf niet kan liefhebben. Evenals een krankzinnige in zijn razernij, zijn eigen lichaam verwondt, en iedereen medelijden met hem heeft behalve hijzelf, zo verderven de goddeloze of natuurlijke mensen zichzelf, en hebben God, de engelen en de vromen medelijden met hen, doch zij hebben geen medelijden met, noch ware liefde tot zichzelf. (Matth. 23:37) "Jeruzalem, Jeruzalem: Hoe menigmaal heb Ik uw kinderen willen bijeenvergaderen, gelijkerwijs een hen haar kiekens bijeenvergadert onder de vleugelen, en gijlieden hebt niet gewild." Nog eens, deze liefde tot God sluit liefde tot onze naaste in, want de liefde tot God en de mensen is de vervulling van de wet. "Want die zijn broeder niet liefheeft, die hij gezien heeft, hoe kan hij God liefhebben, die hij niet gezien heeft" (1 Joh. 4:20). Deze liefde tot onze naaste sluit in, dat men zich in zijn welzijn verheugt en dat begeert, en dat men over zijn ellende smart heeft en die tracht te verlichten. Iemands onwaardigheid, welke ook, moet onze liefde niet uitblussen, maar zij moest ontbranden, wanneer het water van de beledigingen van de mensen die zouden uitblussen. (Matth. 5:44, 45) Wij worden vermaand, "onze vijanden lief te hebben; te zegenen, die ons vloeken; wel te doen aan degenen die ons haten; en te bidden voor degenen, die ons geweld doen en vervolgen; opdat wij mogen kinderen zijn van onze Vader, die in de hemelen is: want Hij doet Zijn zon opgaan over bozen en goeden, en regent over rechtvaardigen en onrechtvaardigen." Ware liefde tot God gaat gepaard met welwillendheid jegens allen, en in het bijzonder met welbehagen tot de vromen. Zelfs ten opzichte van hen, die door enige misdaad zijn overvallen, moeten wij onze liefde tot hen betonen door de zodanigen terecht te brengen met de geest der zachtmoedigheid: ziende op onszelf, opdat ook wij niet verzocht worden (Gal. 6:1). In één woord, deze liefde tot God, met betrekking tot haar voorwerp, sluit een liefde in tot alles, dat God liefheeft, en dat het stempel draagt van Zijn beeld en gezag; zoals dit Evangelie en de ordinanties ervan, waarin Zijn liefde uitblinkt.
2e Overweegt de daad, welke op dit voorwerp uitloopt: Liefde. Wat is dat, God liefhebben? En hoe heeft Zijn volk Hem lief? Gelijk deze daad de kennis van God in Christus veronderstelt zonder welke wij Hem niet kunnen liefhebben, evenmin als wij een onbekende God kunnen aanbidden; alsmede geloof in Hem en Zijn liefde en barmhartigheid door Christus, want dit geloof werkt door de liefde; zo sluit zij ook het krachtig werk van de Geest Gods in, in de natuurlijke vijandschap tegen God ten onder te brengen en de genegenheden tot Hem uit te halen. De Geest aller genade bracht toch bij Zijn eerste inkomen in de ziel, met de andere genaden liefde mee; Hij blaast dit vuur aan, dat Hij heeft ontstoken, en de vlam daarvan klimt op tot God in de hemelse begeerten en geestelijke verlustigingen.
Wat de wijze betreft hoe de gelovige God liefheeft, wij kunnen dat niet beter beschrijven dan door de regel te beschouwen, welke aanwijst hoe hij Hem behoort lief te hebben. De liefde tot onszelf en tot onze naaste moet beperkt worden; maar er is geen maat gesteld voor onze liefde tot God: (Luk. 10:27) "Gij zult de Heere uw God liefhebben uit geheel uw hart, en uit geheel uw ziel, en uit geheel uw kracht, en uit geheel uw verstand, en uw naaste als uzelf."
1. Uit geheel uw hart; dat is, hartelijk en liefhebbend: met het hart, en met het gehele hart. Als de wereld ons hart heeft kan God het niet hebben: (1 Joh. 2:15) "Hebt de wereld niet lief, noch hetgeen in de wereld is; zo iemand de wereld liefheeft, de liefde des Vaders is niet in hem." Gelijk het een het andere verdringt, zo zal de liefde van Christus de liefde tot de wereld uitdrijven.
2. Uit geheel uw ziel; dat is krachtig en allervolledigst. Gelijk geheel het hart, alle zijn genegenheden veronderstelt, zo veronderstelt geheel de ziel, al haar vermogens. God liefhebben met hart en ziel sluit in, dat men Hem geweldig en allervolledigst liefheeft, zodat men niet toelaat, dat enig vermogen van de ziel van dit Voorwerp afwijkt, maar het geheel daarop vestigt en bepaalt. Dit schijnt te kennen gegeven te worden in Jes. 26:8, 9; "Tot Uw Naam, en tot Uw gedachtenis is de begeerte onzer ziel. Met mijn ziel heb ik U begeerd in de nacht, ook zal ik met mijn geest, die in het binnenste van mij is, U vroeg zoeken."
3. Uit geheel uw kracht; dat is, algemeen en ijverig, alle gaven, bekwaamheden. vermogens en talenten, die God ons heeft geschonken, in Zijn dienst bestedende, en die alle aanwendende tot Zijn eer: onszelf aan de Heere gevend, en onze leden Gode tot wapenen van de gerechtigheid stellende (Rom. 6:13).
4. Uit geheel uw verstand: dat is, wijs en met oordeel. Men kan Christus liefhebben met een hartelijke toegenegenheid, en nochtans niet met kennis en verstand. Zo was het zelfs met de apostelen: Joh. 14:28) "Indien gij Mij lief had, zo zoudt gij u verblijden, omdat Ik gezegd heb: Ik ga heen tot de Vader." Doch zij verblijdden zich hierin niet, noch kenden zij er het belang van. Daarom, hoewel zij Hem met het hart en de ziel liefhadden, nochtans hadden zij hem niet met geheel hun verstand en oordeel, of met kennis en verstand lief. Nu, op deze wijze hebben al Gods kinderen Hem lief, of ten minste begeren zij Hem lief te hebben, welke vijandschap en verdorvenheid ook nog overblijven. Tot dusverre over de daad van liefde.
3e Beschouwt de onmiddellijke tak, waaraan deze liefde groeit, namelijk, de krachtdadige roeping; zij zijn geroepen. Ik spreek hiervan als zichtbaar; zoals dit het eerste klaarblijkelijk gevolg van Gods eeuwige liefde is, dat boven de grond uitbreekt, dat voor die van alle eeuwigheid onder de grond verborgen lag. Ook omdat het, hoewel de krachtdadige roeping inwendig en voor de wereld onzichtbaar is, nochtans een waarneembare inwendige verandering van zaken is, die een naar buiten zichtbare verandering teweegbrengt. Nu, niemand heeft God lief, die niet krachtdadig geroepen is, Alle mensen zijn van nature haters van God; liefde tot God groeit niet in de hof van de natuur, maar is uit genade, en de eerste werking van de genade in de ziel is een krachtdadige roeping. Indien u vraagt wat dit is, dan kan er u geen betere beschrijving van worden gegeven, dan die in onze Kortere Catechismus: "Het is het werk van Gods vrije Geest, waardoor Hij, ons van zonde en ellende overtuigende, ons verstand verlichtende in de kennis van Christus en onze wil vernieuwende, ons overreedt en bekwaam maakt om Jezus Christus te omhelzen, zoals Hij in het Evangelie om niet wordt aangeboden." Daar kunt u zien, dat, gelijk het uitwendig middel het Evangelie en de bedeling daarvan is; en het inwendig middel en de krachtig werkende oorzaak de vrije Geest van God is, met het gepredikte Woord gepaard gaande, er zo ook vier delen in zijn, die betrekking hebben op de onderscheiden vermogens van de ziel.
1. Krachtdadige overtuiging van zonde en ellende, waardoor de ziel geraakt en ontwaakt is, zodat zij ging uitroepen: "Wat moet ik doen om zalig te worden" (Hand. 2:37).
2. Krachtdadige verlichting, waardoor het verstand verlicht is in de kennis van Christus. Het is een openen van de ogen van de ziel, een bekeren van de duisternis tot het licht en van de macht van de satan tot God. (Hand. 26:18). "God, Die gezegd heeft, dat het licht uit de duisternis zou schijnen, is Degene, Die in onze harten geschenen heeft, om te geven verlichting der kennis der heerlijkheid Gods in het aangezicht van Jezus Christus" (2 Kor. 4:6).
3. Krachtdadige vernieuwing, waardoor de wil vernieuwd is, volgens dat woord: (Ps. 110:3) "Uw volk zal zeer gewillig zijn op de dag Uwer heirkracht." Het nieuwe hart en de nieuwe Geest, in Ezech. 36:26 beloofd, worden gegeven.
4. Het krachtdadig trekken van de ziel tot Christus, waardoor het hart overreed en bekwaam gemaakt wordt, om Christus Jezus te omhelzen, zoals Hij in de belofte van het Evangelie wordt aangeboden en vertoond: (Joh. 6:44, 45) "Niemand kan tot Mij komen, tenzij dat de Vader, Die Mij gezonden heeft, hem trekke. Er is geschreven in de profeten: En zij zullen allen van God geleerd zijn. Een ieder dan, die het van de Vader gehoord en geleerd heeft, die komt tot Mij." Dus komt de Geest met innerlijke kracht, werkende in de ziel, door de uitwendige roeping, beide het willen en het werken, naar Zijn welbehagen (Filip. 2:13), en zo wordt zij inwendig en krachtdadig geroepen en met Christus verenigd. Dit is de onmiddellijke tak aan welke de liefde groeit.
4e Overweegt de bron en de oorsprong waaruit zij ontspringt, namelijk het voornemen Gods; zij zijn naar Zijn voornemen geroepen. Dit is beide de wortel van de krachtdadige roeping en van die liefde tot God, die daaruit ontspringt: "Wij hebben Hem lief, omdat Hij ons eerst heeft liefgehad." De ware liefde tot God komt voort uit Zijn eeuwige liefde tot ons. Doch dit voornemen Gods heeft hier betrekking op de krachtdadige roeping. Ik zal het in betrekking daarop bezien, en het schijnt met betrekking op deze roeping vier dingen aan te duiden.
1. Het wijst de bijzonderheid van deze roeping aan, niet alleen, dat het een bijzondere, inwendige roeping is, die bepaald is door het bijzondere voornemen van God, in onderscheiding van de uitwendige, welke velen hebben, die nochtans de bekering derven; doch het is een roeping, die aan de uitverkorenen bijzonder eigen is, zoals die vermeld wordt: (2 Petr. 1:10) "Benaarstigt u, om uw roeping en verkiezing vast te maken." Het is een roeping, die aan de verkiezing verbonden is, zozeer, dat zij, die dus geroepen zijn, even zeker kunnen zijn van hun verkiezing van eeuwigheid, als van hun roeping in de tijd. O vrienden! Laat ons de vrijmacht van de genade bewonderen in deze inwendige roeping aan sommigen te schenken, en niet aan andere. Gewis, zij, die dus inwendig en krachtdadig zijn geroepen, kunnen nooit genoeg die God liefhebben en prijzen, die deze bijzondere genade aan hen heeft geschonken. Laten zij, die nog alleen uitwendig zijn geroepen, zoals allen zijn tot wie het Evangelie komt, naarstig luisteren naar die uitwendige roeping, en niet rusten totdat zij genade krijgen die te beantwoorden, door tot Christus te komen. Deze uitwendige roeping toch is het middel tot de krachtdadige: laten zij zich daarom niet bemoeien met het voornemen Gods, voordat zij er toe gebracht zijn de roeping van het Evangelie te beantwoorden; want dit is de regel, die u moet volgen, aangezien het goddelijk voornemen een verborgen zaak is, die niet wordt geopenbaard, zolang u de uitwendige regel niet hebt gevolgd. Het aanbod van het Evangelie is aan allen; "Die wil, die kome." Indien u zichzelf, door uw ongeloof, niet van deze openlijke roeping en nodiging uitsluit, zult u nooit van enig verborgen besluit worden uitgesloten, want zodra uw hart voor Christus opengaat, ontsluit zich het besluit tot uw gunst. Weest daarom vlijtig in het gebruik van de middelen van het Evangelie, die strekken om het hart voor Christus te openen. Wel, zegt u, als God mijn zaligheid niet heeft besloten, dan zal mijn hart nooit voor Christus worden geopend, en waartoe zou ik dan de middelen gebruiken? Het voorafgaande is wel waar, maar de gevolgtrekking is ongerijmd. U kunt evengoed zeggen: Als God heeft besloten, dat ik niet langer zal leven, dan zal ik sterven: waarom zou ik dan nog langer eten of drinken, of levensmiddelen gebruiken? Ik houd het er voor, dat u niet zo dwaas zult redeneren in betrekking tot het leven van uw lichaam, en waarom zoudt u zich dan zo door de duivel laten bedriegen, dat u het leven van uw zielen tot in alle eeuwigheid zoudt vermorsen?
2. Naar Zijn voornemen geroepen te zijn, geeft de vrijheid van de roeping te kennen, dat die uit zuivere genade voortvloeit. Indien het toch een roeping naar Zijn voornemen is, dan is het geen roeping naar onze werken: (2 Tim. 1:9) "Die ons heeft zalig gemaakt, en geroepen met een heilige roeping, niet naar onze werken, maar naar Zijn Eigen voornemen en genade, die ons gegeven is in Christus Jezus, voor de tijden der eeuwen." Zij moet vrij zijn, want de ergste en de voornaamste van de zondaren werden en worden nog krachtdadig geroepen. Laten de grootste zondaren zich laten overreden naar deze soevereine genade van God uit te zien, en smeken dat Hij Zijn vrije genade mag verheerlijken in hen zalig te maken.
3. Het geeft de kracht en het vermogen van de roeping te kennen, want het voornemen Gods is een vaststaand voornemen: "Zijn raad zal bestaan, en Hij zal al Zijn welbehagen doen." Daarom is zijn roeping onwederstandelijk en nochtans niet door kracht en geweld. Zij is onweerstaanbaar liefelijk, en liefelijk onwederstandelijk. Hier is geen dwang, dan die van de liefde, liefdekoorden.
4. Het geeft de duurzaamheid van de roeping te kennen, omdat het de vrucht is van een onveranderlijk voornemen; Zijn voornemen is onherroepelijk: "De genadegiften en de roeping Gods zijn onberouwelijk" (Rom. 11:29). Zo ziet u deze liefde in haar voorwerp, haar werking, haar onmiddellijke bron, en haar oorsprong. Hier is het kenmerk van hen voor wie alle dingen medewerken ten goede; zij zijn liefhebbers Gods krachtens Zijn roeping en Zijn voornemen,
V. Ons vijfde punt was, dat wij zouden aantonen, waar het uit voortvloeit, dat alle dingen hun, die God liefhebben, zullen medewerken ten goede, en zo aanwijzen welke bewijzen de apostel heeft voor Zijn zeggen: Wij weten, dat het zo zal zijn. Ook zullen wij hier op de gepastheid en het verband letten tussen dit merkteken van God lief te hebben, en dit voorrecht, dat alle dingen hun ten goede zullen medewerken.
Indien u dan vraagt: Waarom werken alle dingen ten goede mee, voor degenen, die God liefhebben, voor degenen, die naar Zijn voornemen geroepen zijn? Dan antwoord ik: Er ligt in de boezem van de tekst een algemeen antwoord, dat uit het voornemen, uit het besluit Gods is afgeleid. Er is daarvoor van eeuwigheid in de hemel een vaste wet: "Zij zijn tevoren verordineerd naar het voornemen Desgenen, Die alle dingen werkt naar de raad van Zijn wil" (Ef. 1:11). In deze wereld gebeurt niets, dat niet van eeuwigheid is besloten en vastgesteld, dat het zo en zo zou geschieden. Mensen en duivels kunnen evengoed opklimmen tot de rollen van het hof van de hemel, om daar de eeuwige besluiten en inzettingen van God door te halen en te vernietigen, dan dat zij het goede kunnen verhinderen van hen, die God liefhebben en naar Zijn voornemen geroepen zijn. "Het vaste fondament Gods staat." Doch meer in het bijzonder:
1. De voornaamste bewijsgrond, waarop wij weten, dat alle dingen moeten medewerken ten goede dengenen, die God liefhebben, namelijk dengenen, die naar Zijn voornemen geroepen zijn, wordt afgeleid uit de natuur van God. Hij toch is de Heere der heirscharen, de God van de legerscharen, Die alle heirscharen van mensen, en engelen, en schepselen in Zijn hand, en alle legioenen duivels achter Zich heeft. Hij gebiedt de sterren in hun loop, dat zij strijden voor Zijn volk en tegen Zijn vijanden. Hij kan een leger van vorsen, en luizen, en sprinkhanen doen opkomen; Hij behoeft ze slechts last te geven en zij voeren Zijn voornemen uit.
Hij is een God van oneindige wijsheid, Die weet wat het beste voor Zijn volk ten goede zal medewerken. Laat het maar aan God over, o gelovige, hoe Hij met u wil handelen. Wat ook uw toestand is, Hij weet wanneer Hij verdrukking zal zenden, en wanneer voorspoed. Hij weet de godzaligen uit verzoeking en moeite te verlossen. Schrijf oneindige wijsheid niets voor.
Hij is een God van oneindig vermogen Hij kan doen wat Hij wil; geen ding is hem te wonderlijk. Gelijk Hij alle dingen weet, zo kan Hij ook alles doen, en alle dingen laten doen naar Zijn welbehagen, en laten werken wat Hem lust. O gelovige! Hij heeft Zichzelf aan u geschonken, en met Zichzelf Zijn oneindige macht, om alle dingen voor u ten goede te doen medewerken.
Hij is een God van oneindige liefde en ontferming voor hen, die Hem liefhebben. "Gelijk zich een vader ontfermt over de kinderen, ontfermt Zich de Heere over hen." Zijne eeuwige liefde doet Hem Zijn liefdevoornemen door alle middelen, welke ook, uitvoeren.
Gelijk het de natuur van God is, zo is het ook Gods weg, met Zijn volk te handelen overeenkomstig Zijn natuur. Zijn gewone weg is door strijdige middelen grote dingen voor Zijn volk uit te werken, zoals te zien is in Gods weg met Daniël, David, Jozef, Mordechai, en anderen.
In één woord, Zijn voorzienige regering van de wereld gaat over alle schepselen en meer bijzonder over Zijn volk. Hij strekt zich uit tot de vogelen van de hemel, de leliën van het veld, en de haren van het hoofd, en veel meer tot hen (Matth. 6: 28-34). Wat ook duivelen en mensen beramen, het zal alles te niet worden, en niet verder gaan dan God veroorlooft. Ezechiël zag in zijn gezicht een rad in een rad. Hoewel in een uurwerk de raderen tegen elkaar in schijnen te gaan, nochtans weet de wijze werkman wat elk zijn werk is.
2. Een andere bewijsgrond waarop wij weten, dat alle dingen zullen medewerken ten goede, voor degenen, die God liefhebben, wordt afgeleid uit de Middelaar, Christus Jezus. Zij zijn Hem door de Vader toevertrouwd, door Wie zij Hem van alle eeuwigheid zijn opgedragen: (Joh. 17:6) "Ik heb Uw Naam geopenbaard den mensen, die Gij Mij uit de wereld gegeven hebt. Zij waren Uwe, en Gij hebt Mij dezelve gegeven." Nu, Christus zal getrouw zijn in hetgeen Hem is toevertrouwd, ja, Hij heeft al de volheid van de Geest ontvangen, en dat niet voor Zichzelf, maar voor hen, opdat Hij die tot nut van hun zielen zal gebruiken; ja, als Middelaar is Hem de gehele wereld gegeven, en "alle macht in hemel en op aarde" (Matth. 28:18). Gelijk Hij alle dingen draagt door het Woord Zijner kracht (Hebr. 1:3), zo zijn ook alle dingen Zijn voeten onderworpen, en is Hij de gemeente gegeven tot een Hoofd boven alle dingen (Ef. 1: 22), opdat Hij over koninkrijken en naties heerse en die regere naar Zijn wil, en over alle schepselen beschikke, om het goede voornemen van de Vader te bevorderen, waartoe Hij is gezonden.
Uit kracht van dit grote vermogen en deze opdracht, behaagt het Hem een bijzondere last en opdracht te geven aan miljoenen voortreffelijke geesten in de hemel om het oog op Zijn volk te houden: "Hij heeft zijn engelen van hen bevolen; en "zijn zij niet allen gedienstige geesten, die tot dienst uitgezonden worden om dergenen wil, die de zaligheid beërven zullen?" (Hebr. 1:14). Zo zijn zij omringd door deze onzichtbare wacht: de Engel des Heeren legert Zich rondom degenen, die Hem vrezen. Ja, de Heere Heere Zelf is hun lijfwacht; "Rondom Jeruzalem zijn bergen: alzo is de Heere rondom Zijn volk. De sterkten van de steenrotsen zullen zijn hoog vertrek zijn."
Uit kracht van de macht van Christus heeft Hij verscheidene mensen met gaven en genaden toegerust, en hun Zijn volk opgedragen, zeggende tot hen, evenals tot Petrus: "Weidt mijn lammeren." Toen Christus opvoer in de hoogte, heeft Hij gaven genomen, om uit te delen onder de mensen, en de mensen gaven gegeven; en waartoe? Het was tot volmaking van de heiligen. Toen Christus van de wereld heenging, om met eer en heerlijkheid aan de rechterhand des Vaders te worden gekroond, liet Hij kroningsgaven achter, en Hij deelt daarvan bij deze gelegenheid sommige onder u uit.
Christus heeft alle dingen uit de weg geruimd, die het goede voor Zijn volk zouden kunnen verhinderen. Opdat de zonde het niet zal doen, heeft Hij de zonde veroordeeld in het vlees, door Zichzelf te geven tot een offerande voor de zonde. Opdat de duivel het niet zal kunnen doen, heeft Hij de werken van de duivel verbroken en de overheden en machten overwonnen, zodat de poorten van de hel zijn gemeente niet zullen overweldigen. Opdat de lieden van de wereld het niet zullen doen, heeft Hij de wereld overwonnen, en opdat de dood het niet zal kunnen doen, heeft Hij de prikkel des doods weggenomen. Wel, wat blijft er dan over, om het goede voor hen te verhinderen, en hun eeuwige zaligheid te belemmeren?
Gelijk Hij alle dingen heeft weggenomen, die hun goed zouden kunnen verhinderen, zo heeft Hij alle dingen verworven, die hun ten goede kunnen medewerken: "Alle geestelijke zegeningen in de hemel" (Ef. 1:3). De lieden van de wereld mogen hen van hun rijkdom, eer, vrijheid, goede naam, en uitwendige vrede beroven, maar zij kunnen hen de vrede van het geweten en de blijdschap in de Heilige Geest niet ontnemen, noch hen van hun recht en aanspraak op de heerlijkheid beroven. Christus heeft al deze dingen verworven, "opdat wij verlost zijnde uit de hand van onze vijanden, Hem dienen zouden zonder vrees, in heiligheid en gerechtigheid voor hem, al de dagen van onze levens" (Luk. 1:74, 75). De mensen kunnen onze geest niet bedwingen, noch ons verhinderen tot God te gaan.
In één woord, Christus is door Zijn Geest altijd bij hen. Dat heeft Hij beloofd, dat "Hij hen niet begeven noch verlaten zal." Waarheen dan ook de wind blaast, elk weer zal medewerken, dat zij een voorspoedige reis naar de hemel hebben. Gelijk het lijden van Christus medewerkte tot Zijn heerlijkheid, zo zal ook het lijden van de heiligen in Christus daartoe medewerken. Indien een medicijn goed is voor het hoofd, dan is zij ook goed voor de leden van het lichaam. De bitterste medicijn, die Hij voorschrijft is met Zijn liefde vermengd, en Zijn liefde maakt dat die hun goed doet; niets ter wereld kan het tij van Zijn liefde veranderen. Daarom zullen alle dingen hun ten goede medewerken.
3. Een derde bewijsgrond, waarop wij weten, dat alle dingen hun ten goede zullen medewerken, is getrokken uit het verbond der genade en der belofte. Er is aan de zijde Gods een plechtige belofte en een eed, dat Hij zo en zo voor Zijn volk doen zal. Al de gelovige kinderen Abrahams hebben hetzelfde pand bij zich: (Hebr. 6:13,14) "Omdat Hij bij niemand, die meerder was, had te zweren, zo zwoer Hij bij zichzelf, dat Hij hen zegenende zou zegenen." En waarom anders bevestigt Hij Zijn belofte met Zijn eed, dan om daarmee overvloediger te bewijzen de onveranderlijkheid van Zijn raad? "Opdat wij door twee onveranderlijke dingen, in welke het onmogelijk is, dat God liege, een sterke vertroosting zouden hebben, wij namelijk, die de toevlucht genomen hebben om de voorgestelde hoop vast te houden." Gelijk al de beloften in Christus Ja en Amen zijn, zo is de grote allesomvattende belofte: "Ik zal uw God zijn;" en, "Welgelukzalig is het volk, wiens God de Heere is." Deze eeuwige God is het eeuwig goed van Zijn volk; Hij is die God, Die was en Die komen zal. Hij is een goed in de voltooid verleden, in de tegenwoordige en in den toekomende tijd; daarom moeten alle dingen, de verleden, de tegenwoordige en de toekomende, hun ten goede medewerken, van welken Hij de God is, krachtens verbond en belofte.
4. De vierde grond, waarop wij weten, dat alle dingen zullen medewerken ten goede, voor degenen, die God liefhebben, is afgeleid uit het volk zelf, aan wie de belofte gedaan is: Zij zijn Zijn betrekkingen en Zijn liefhebbers.
(1) Zij zijn Zijn betrekkingen: zij zijn geboren uit Zijn eeuwig voornemen, zijnde, in de tijd, naar Zijn voornemen en zo in een bijzondere betrekking, tot Hem gebracht. Hij is hun eeuwige Vader; en wat zal Hij niet voor Zijn vrouw, de bruid, de vrouw des Lams doen? Hij is hun Hoofd; en wat zal Hij niet voor Zijn leden doen? Hij is hun Medicijnmeester; en zal Hij niet voor zijn patiënten zorgen? "Ik ben de Heere uw Heelmeester;" ja, Hij zal hen langs wonderlijke wegen genezen en te hulp komen, door hun alle dingen ten goede te doen medewerken.
(2) Zij zijn Zijn liefhebbers, en dit leidt mij tot het tweede deel van ons vijfde punt, namelijk, dat wij de gepastheid en het verband zullen nagaan, tussen dit merkteken van God lief te hebben, en dit voorrecht, dat alle dingen hun ten goede zullen medewerken. Deze liefde tot God is dienstig, om alle dingen voor zulke liefhebbers Gods ten goede te doen medewerken.
1. De liefde tot God in Christus doet hen alle dingen schade en drek rekenen om de uitnemendheid van deze Heerlijke, Die zij liefhebben. Wel, zegt God, rekent u alle dingen schade om Mij? Dan zal ik u alle dingen tot gewin maken. U zult er niets bij verliezen: alle dingen zullen u ten goede medewerken.
2. De liefde tot God doet hen het verlies van alle dingen ondergaan en maakt, dat zij zich aan alle dingen verloochenen om Zijnentwil. Wel, zegt God, dan zal Ik alle dingen doen medewerken om uw verlies te vergoeden; zo dat, als u enerzijds alle dingen verliest, u anderzijds alle dingen zult winnen; u zult mede-erfgenamen zijn met Hem, Die de Erfgenaam van alle dingen is: (Openb. 21:7). "Die overwint zal alles beërven."
3. De liefde tot God neigt hen, om op Hem te vertrouwen en zich op Hem te verlaten om alle dingen, die zij nodig hebben, en alles in Zijn hand te stellen. Zij geven hun behoeften en zwakheden in Zijn hand, om door Hem verzorgd en geholpen te worden; zij stellen hun krankheden in Zijn hand, opdat Hij hen geneest; zij komen met hun zonde en schuld tot Hem, opdat Hij hun vergeving schenkt; zij brengen hun vijanden tot Hem, opdat Hij ze straft; zij komen met hun sterke verdorvenheden tot Hem, opdat Hij die ten onder brengt; zij wentelen hun lasten op Hem, opdat Hij die draagt; zij stellen hun hart en hun ziel in Zijn hand, opdat Hij die bewaart. Wat! Geeft u alle dingen in Mijn hand, en dat op grond van mijn nodiging? "Werpt uw zorg op de Heere!" Dan zullen alle dingen u ten goede medewerken.
4. Liefde doet hen begeren, al wat zij doen te doen tot eer van God; Hij heeft hen Zich geformeerd, om Zijn lof te verkondigen. Gelijk Hij hun een gesteldheid heeft gegeven, om al wat zij doen tot Zijn eer te doen, zo is het in Zijn hart, al wat Hij doet en beschikt tot hun goed te doen medewerken. Evenals zij begeren, hetzij zij eten of drinken, of wat zij ook doen, alles tot Gods eer te doen, zo wil ik voor hen niet onderdoen; gelijk zij alle dingen zouden willen doen medewerken tot Zijn eer, zo zal Hij alle dingen doen medewerken hun ten goede.
5. De liefde tot God onderhoudt goede gedachten van God in de ziel, laat Hem doen wat Hij wil. Zij weten, dat Hij zeer wijs, heilig, genadig en liefderijk is, dat Hij daarom niets doet dan wat het beste is, en dat Hij het best weet wat goed is voor Zijn volk. De apostel zegt: "De liefde denkt geen kwaad, en dit is zeker, dat de ware liefde geen kwaad van Hem kan denken, en geen kwaad van Hem voorspelt: zo iemand kan niet teleurgesteld worden; alle dingen moeten hem medewerken ten goede. Het ongeloof, dat werkt door vijandschap en verwacht niets goeds van God, maar het "geloof is door de liefde werkende" en verwacht geen kwaad van God, en zal dat ook niet ondervinden, omdat, welke zware beproevingen zo’n liefhebbende ziel ook ondervindt, de liefde alles met lijdzaamheid en genoegen uit Gods hand ontvangt. De liefde toch, denkt geen kwaad, zij is lankmoedig, zij handelt niet ongeschikt, zij wordt niet verbitterd; maar zij bedekt alle dingen, zij gelooft alle dingen, zij hoopt alle dingen, zij verdraagt alle dingen (1 Kor. 13:4, 5, 7). Daarom werken voor de liefhebbers Gods alle dingen mede ten goede.
6. De liefde tot God trekt het hart af van de wereld en van al wat in haar is, voornamelijk van zulke dingen, die het zouden schaden, namelijk, al wat in de wereld is: de begeerlijkheid van het vlees, de begeerlijkheid van de ogen, en de grootsheid des levens. Hoe volmaakter de liefde is, hoe meer zij de vrees uitdrijft en het kwade verwerpt, evenals Paulus de adder afschudde in het vuur. Alle dingen moeten ten goede medewerken voor die ziel, die alles overwint wat ten kwade zou werken.
7. De liefde trekt het hart tot God, het hoogste Goed. Beproevingen en verdrukkingen brengen de ziel in beweging, en de liefde brengt haar nabij God, en wat is daarvan het gevolg? "Het is mij goed nabij God te zijn." Daarom moeten alle dingen ten goede medewerken dengenen, die God liefhebben.
8. Gelijk liefde de ziel tot God trekt, zo doet zij de ziel bij God blijven, wanneer zij tot Hem gebracht is. want, "die in de liefde blijft. die blijft in God" (1 Joh. 4: 16). "ie in de schuilplaats des Allerhoogste is gezeten, die zal vernachten in de schaduw des Almachtigen. U zal geen kwaad wedervaren, noch geen plaag zal uw tent naderen" (Ps. 91:1,10). Niets kan hem ten kwade werken, maar alles moet hem ten goede werken. Wat ook schijnt hem te zullen schaden, de liefde is zo geneeskrachtig en zo versterkend, want zij is sterker dan de dood en zij werkt zo krachtig herstellend, dat zij door haar krachtige werking alles weer spoedig in orde brengt. Hoe meer dan ook een gelovige, aangevuurd door een gezicht van Gods eeuwige liefde tot hem, God liefheeft, hoe meer hij van de gevoelige en vertroostende smaak van dit voorrecht zal hebben, en zien, dat alle dingen hem ten goede medewerken. Doch hoe minder liefde tot God, uit het geloof van Gods liefde tot hem, hoe minder hij deze waarheid tot zijn voordeel zal zien en gevoelen; hij zal dan eerder het tegendeel vrezen, en met Jakob zeggen: "Al deze dingen zijn tegen mij."
Zo ziet u welke invloed deze liefde heeft op dit voorrecht en hoe dienstig zij daartoe is; of het verband tussen dit kenmerk van liefhebbers Gods te zijn, en het voorrecht, dat alle dingen hun ten goede medewerken, en dus op welke vaste grond en met welk goed bewijs de apostel verklaarde en zeide, en alle gelovigen mogen verklaren en zeggen: "Wij weten, dat dengenen, die God liefhebben, alle dingen medewerken ten goede, namelijk dengenen, die naar Zijn voornemen geroepen zijn."
VI. Ons zesde punt was: Het onderwerp toe te passen.
Hier is een grondslag gelegd voor een zeer uitgebreide toepassing, doch ik zal mijzelf daarin zoveel mogelijk beperken.
Het eerste gebruik, dat ik van deze leer maak is tot onderrichting. Is dit zo, dat dengenen, die God liefhebben, alle dingen medewerken ten goede:
1 Ziet en bewondert dan hierin de oneindige wijsheid Gods en de diepte van de goddelijke voorzienigheid, zelfs wanneer Hij toelaat, dat alle dingen schijnbaar voor Zijn gemeente en volk ten kwade werken, dat Hij ook dan alle dingen voor hen ten goede doet werken. O gelovige! Geloof het gevoel niet, het is een dwaas en een schurk wanneer het anders spreekt dan God. Welk voorkomen de dingen ook mogen hebben, en welke het ook zijn, alle dingen zullen medewerken ten goede voor hen, die God liefhebben. Zo zal het zijn voor elke liefhebber van God in het bijzonder, en veel meer zal het zo zijn voor de gehele gemeente van de liefhebbers en vrienden van Christus.
Misschien werden er nooit grotere kwaden van allerlei soort in de wereld gevonden, zelfs temidden van de zichtbare Kerk, dan heden ten dage; nochtans durf ik verklaren, dat God uit al de kwaden van onze tijd veel goeds voor Zijn vrienden en liefhebbers zal doen voortkomen. Doch al kunt u Zijn wegen niet doorgronden; die onnaspeurlijk zijn, gelooft op hoop, zeggende: (Jes. 8:17) "Daarom zal ik de Heere verbeiden, Die Zijn aangezicht verbergt voor het huis van Jakob, en ik zal Hem verwachten." (Micha 6:6-9) "Waarmee zal ik de Heere tegen komen, en mij bukken voor de hoge God? Zal ik Hem tegenkomen met brandofferen? Met eenjarige kalveren? Zou de Heere een welgevallen hebben aan duizenden van rammen? Aan tienduizenden van oliebeken? Zal ik mijn eerstgeborene geven voor mijn overtredingen? De vrucht mijns buiks voor de zonde mijner ziel? Hij heeft u bekend gemaakt, o mens, wat goed is, en wat eist de Heere van u, dan recht te doen, en weldadigheid lief te hebben, en ootmoediglijk te wandelen met uw God? De stem des Heeren roept tot de stad, (want Uw Naam ziet het wezen) [Engelse overzetting] (en een wijs man zal Uw Naam kennen); hoort de roede, en wie ze besteld heeft." Wat! Zal een vloed van dwalingen, ketterijen en ergernissen, waarmee de kerk overstroomd wordt, ten goede medewerken? Ja, "want er moeten ook ketterijen onder u zijn, opdat degenen, die oprecht zijn, openbaar mogen worden onder u" (1 Kor. 11:19). Stormen zullen openbaar maken, wie op de rots gebouwd zijn. Zullen lasteringen, welke geuit worden tegen de heerlijke Godheid van Christus, ten goede werken? Ja, Zijn heerlijkheid zal des te helderder door de donkere wolk heen schijnen; Zijn vrienden zullen des te meer worden opgewekt, om de kroon op Zijn hoofd te zetten, wanneer de vijanden, die willen vertreden. O de wijsheid Gods! Die kan maken, dat verdeeldheden, twistingen en verwarringen in een kerk, ten goede werken voor een verborgen overblijfsel; evenals Hij het verraad van Judas, de woede van Joden en heidenen, en de boosaardigheid van de duivel deed medewerken tot de verlossing van de wereld, en de zaligheid van zondaren.
2. Ziet hier de reden waarom God veelmaals de uitwendige zegen van vrede onthoudt aan hen, aan wie Hij de inwendige zegen van genade heeft verleend, en weerom Hij tegenspoed beschikt in plaats van voorspoed; het is hun ten goede. Het is in sommige gevallen noodzakelijk, dat zij in de hand van hun vijanden moeten worden overgegeven, omdat zij, wanneer Hij hun rust zou geven, zouden terugkeren om kwaad te doen voor Zijn aangezicht (Neh. 9:28). Hij wil daardoor de goddelozen overtuigen, dat Gods kinderen hem niet om uitwendige dingen dienen, zoals de duivel Job lasterde, toen hij zeide: "Is het om niet, dat Job God vreest?" Hij wil niet, dat Zijn dienstknechten een loongeest zullen omdragen, en van Zijn dienst een gewin maken; dat zij de Christelijke lijdzaamheid in vleselijk hebzucht veranderen en door de godzaligheid hun voordeel zoeken. Hij wil, dat daardoor Zijn volk de behoefte zal leren kennen aan meer geloof en meer wijsheid. Als het mooi weer is, wordt er weinig zeemanschap van de zeeman vereist, maar wanneer de storm opsteekt, en de zee zich verheft en onstuimig wordt dan komt het er op aan. Hij wil hen overtuigen, dat dit maar hun herberg en niet hun tehuis is; de woestijn en niet Kanaän, een plaats van loutering, waarvan Hij zegt: "Ik heb u gekeurd in de smeltkroes der ellende" (Jer. 48:10). Zij worden van de Heere getuchtigd, opdat zij met de wereld niet zouden veroordeeld worden (1 Kor. 40:32). Uitwendige en lichamelijke voorspoed gaat niet altijd gepaard met inwendige zielevoorspoed; neen, neen, velen hebben vette lichamen en magere zielen.
3. Ziet hieruit de ellende van de goddelozen, die vijanden en hater van God zijn en in die vijandschap leven en sterven. O vreselijke toestand! Alle dingen werken hun mede ten kwade. De vromen werken kwade dingen mede ten goede, doch de goddelozen werken goede dingen mede ten kwade: Hun voorspoed is tot hun verderf; "hun tafel is hun tot een strik." De bediening van het Woord, welke voor sommigen een reuk des levens is, is hun een reuk des doods. O vrienden, dat is wat, dat hetzelfde Woord, dezelfde stem, dezelfde wind, die sommigen naar de hemel blaast, hen naar de hel blaast! Het avondmaal, dat een inzetting is tot vertroosting van de gelovige, werkt mee tot verdoemenis van de ongelovige, "hij eet en drinkt zichzelf een oordeel." Ja, Christus Zelf, dat grootste Goed, dat ooit in de wereld gezonden is, werkt hun ten kwade, want Hij is hun "een Steen des aanstoots en een Rots der ergernis" (1 Petr. 2: 8). O! Moet dit de goddeloze niet doen beven! O spotter met God en de godzaligheid! Is dat niets bij u, te horen, dat God op u toornt, zoals Hij op de goddelozen ten allen dage toornt, en dat u zichzelf.. toorn vergadert als een schat, in de dag des toorns! O man, vrouw, als u er geen werk van maakt, om een plaats te mogen innemen onder hen, die God liefhebben en naar Zijn voornemen geroepen zijn; als de roeping van het Evangelie nooit een krachtig voornemen in u heeft gewerkt, om u van de zonde tot God te bekeren, door het geloof in Christus; als daardoor nooit een krachtig voornemen is gewerkt, om uit uzelf uit te gaan, en in Christus in te gaan; aan de zonde te sterven en Gode te leven; dan, o, beeft bij de gedachte daaraan! is het een teken, dat God een voornemen heeft u te verderven. Helaas! Zult u niet beven voor het aangezicht des Heeren? De helft van deze vreselijke tijding heeft sommige kinderen Gods met vervaardheid en twijfelmoedigheid vervuld. Als uw stoutmoedig geweten nu niet beeft, de dag van toorn en beving is aanstaande.
4. Ziet hieruit anderzijds het geluk van de vrienden en liefhebbers Gods, en welke vertroosting dat voor hen meebrengt, dat alle dingen, de slechtste zowel als de beste, voor hen ten goede zullen medewerken, wat ook hun lijden of hun verdrukking mag zijn. Zelfs wanneer u verloren schijnt te zijn, is nochtans het oog van uw Vader op u gevestigd; wanneer u in de duistere nacht van verdrukking, verzoeking, of verlating, niets kunt zien, zult u, als u opziet naar de hemel, zien, dat duizenden sterren op u neerzien: zo is Gods oog altijd op u gericht. Het kind mag de Vader kwijtraken, maar de Vader verliest het kind niet uit het oog; u bent in de hand van Christus, en niemand kan u uit Gods hand rukken; u bent in diezelfde hand, die voor u werkt en die alle dingen voor u doet medewerken ten goede. Wat zou het, dat de listigheid van de hel tegen u is. wanneer de wijsheid van de hemel voor u werkt: De Heere vernietigt de raad van de heidenen. Hij verbreekt de gedachten van de volkeren. Maar de raad des Heeren bestaat in eeuwigheid; de gedachten Zijns harten van geslacht tot geslacht (Ps. 33:10, 11). "Welgelukzalig is het volk diens God de Heere is; het volk, dat Hij zich ten erve verkoren heeft." Wat is alle tegenstand van mensen en duivelen? Wat zijn miljoenen heirscharen van mensen, en miljoenen legers van ijdelheden en nieten, voor deze oneindige Wijsheid: "Alle volkeren zijn als niets voor Hem, en zij worden bij Hem minder geacht als niet en ijdelheid" (Jes. 40:17). "Ik, ben het, Die u troost, wie zijt gij, dat gij vreest voor de mens, die sterven zal? En voor eens mensen kind, dat hooi worden zal?" (Jes. 51:12). U hebt een wonderdadige Vriend, Die nooit zal sterven, en dat zal u nooit ontvallen. Wij kunnen op rijkdommen en wereldse eer geen staat maken, wij weten niet wanneer wij ze hebben en wanneer wij ze zullen missen; maar temidden van alle veranderingen is God uw onveranderlijke Vriend, in Wie u zich kunt verblijden. Een zeker vorst, horende dat velen van zijn vrienden in de strijd gesneuveld waren, troostte zich hiermede: "Het is mij genoeg, dat de keizer nog leeft." O gelovige, zou het u niet genoeg zijn, dat de Heere leeft? (Ps. 18:15, 47), "Zo haast als hun oor van mij hoorde, hebben zij mij gehoorzaamd. De Heere leeft en geloofd zij mijn Rotssteen, en verhoogd zij de God mijns heils." (Ps. 102:26-29) "Gij hebt voormaals de aarde gegrond, en de hemelen zijn het werk Uwer handen. Die zullen vergaan maar Gij zult staande blijven, en zij alle zullen als een kleed verouden; Gij zult ze veranderen als een gewaad, en zij zullen veranderd zijn. Maar Gij zijt dezelfde, en uw jaren zullen niet geëindigd worden. De kinderen Uwer knechten zullen wonen, en hun zaad zal voor Uw aangezicht bevestigd worden." Wat zou het, al zouden uw beproevingen lang duren, Gods vertoeven is het zaad van grotere goedertierenheden. De goudsmid houdt zijn metaal in de smeltkroes totdat het gesmolten en gelouterd is: "Doch de nooddruftige zal niet voor altoos vergeten worden, noch de verwachting der ellendigen in eeuwigheid verloren zijn" (Ps. 9:19). Gods tijd is beter dan de onze, en Hij weet wanneer u rijp bent voor de bevrijding; Hij zal het vuur laten branden totdat het schuim van het metaal gescheiden is. "Het gezicht is tot een bestemde tijd." O gelovige, loof God voor die pilaar van hoop en vertroosting, dat alle dingen u zullen medewerken ten goede. Wat ook in de voorzienigheid uw toestand is, wees vergenoegd, toon een blij gelaat; alle dingen werken mee om u tot die staat te brengen, waarin u niet meer geslingerd en beangst zult worden; waarin u deze gewesten, waar het weer aan verandering onderhevig is, zult te boven zijn; en waar u geen bewolkte, mistige dagen meer zult hebben. Menigmaal bestaat al uw geluk hierin, dat u weet, dat uw ellende eenmaal eindigen, en de zonde, de wortel van alle ellende, zal worden uitgeroeid. Als Hij voor Zijn volk alle dingen doet medewerken ten goede, dan mogen wij wel zeggen: "Immers is God Israël goed;" wat hun ook overkomt, Hij is immers goed.
Tegenwerping. Indien ik alleen met moeilijkheden en verdrukkingen te doen had, dan zou deze leer, dat alle dingen zullen medewerken ten goede, mij misschien tot troost kunnen zijn; doch, helaas! De zonde ligt aan de deur; de verdorvenheid heeft de overhand over mij; mijn geestelijke vijanden vertrappen mij, en dit doet mij vrezen, dat alles tot mijn verderf zal medewerken.
Antwoord. Dit kan zo zijn, en dat nochtans de heerschappij aan de zijde van Gods kinderen is. De overwinning is niet aan één klap af te meten, maar aan de afloop van de strijd: "Het gekrookte riet zal Hij niet verbreken, en het rokende lemmet zal Hij niet uitblussen, totdat Hij het oordeel zal uitbrengen tot overwinning" (Matth. 12:20). U kunt met Paulus gevangen genomen zijn door de wet der zonde, en dat nochtans tenslotte het Evangelie in uw hart overwinnaar is. Bedenkt, dat de Geest het veld behoudt, in diezelfde ziel waarin het vlees grote kracht heeft: "Want het vlees begeert tegen de Geest, en de Geest tegen het vlees; en deze staan tegen elkaar, alzo dat gij niet doet, hetgeen gij wilde" (Gal. 5:17). In een vleselijk mens is de Geest in het geheel niet te velde, daarom is hij een dienstknecht van de zonde, en niet een gevangene; doch wanneer Gods kinderen zondigen, zijn zij haar gevangenen en geen dienstknechten. Wanneer zij zondigen is het maar half met hun wil, dus heeft het vlees maar een halve stem; er wordt tegen geprotesteerd, door dat bovennatuurlijk leven van de Geest, dat hun gegeven is. De vallen en nederlagen van Gods kinderen zijn het zaad van verootmoediging, en waakzaamheid is het zaad van honger en dorst naar een meerdere mate van genade, en van een meer nauwgezette en omzichtige wandel, en zo is de zonde, door de genade van God, behulpzaam tot haar eigen doding. Wij lezen van David (2 Sam. 23:15-17), dat hij lust kreeg, om water te drinken uit Bethlehem’s bornput, die midden in het leger van de Filistijnen was, en toen drie helden het hem met gevaar van hun leven hadden gehaald, wilde hij het niet drinken, zeggende: "Zou ik drinken het bloed van de mannen die heengegaan zijn, met gevaar huns levens?" Wij kunnen hieruit zien, dat hij, die tevoren onschuldig bloed had vergoten, nu in zijn geweten ontrust is, omdat hij het bloed van deze mannen had gewaagd in dit onbezonnen waagstuk, en dat hij, die tevoren de vrouw van een andere man had geschonden, nu berouw heeft, dat hij water begeerde te drinken uit de bornput van een andere man. Doch andere gevolgtrekkingen voorbijgaande zullen wij overgaan tot:
Een gebruik van beproeving.
Beproeft daarom uzelf, of u de onderwerpen bent van dit voorrecht, dat alle dingen u ten goede medewerken. Beproeft het, want het is geen onbeduidende zaak, geen onzin: het is geen kleinigheid waarbij u geen belang hebt en daar u zich niet druk over behoeft te maken; neen, het is een zaak van het hoogste gewicht en van zeer groot aanbelang; een zaak waarbij uw eeuwig welzijn betrokken is. Of alle dingen ook u ten goede zullen medewerken? Doen zij dit niet, dan zullen zij tot uw verderf en ondergang medewerken; want het bevestigende van de tekst sluit krachtig een ontkenning in. Zegt u echter: "Ik geloof, dat dit een van de heerlijkste voorrechten is, die er zijn; hoe zal ik weten, of mij alle dingen zullen medewerken ten goede?" Dat kunt u op tweeërlei wijze beproeven. 1. Aan de kenmerken die de tekst vermeldt. 2. Aan de begonnen bevinding van de zaak zelf.
1e Beproeft het aan de kenmerken, die de tekst geeft van hen, voor wie alle dingen ten goede zullen medewerken, namelijk, dat zij de zodanigen zijn, die God liefhebben en die naar Zijn voornemen geroepen zijn. Die zijn de personen voor wie alle dingen zullen medewerken ten goede. Hier worden u vier dingen ter beproeving voorgesteld. Indien u volkomen zeker wilt zijn, of u een ware liefhebber Gods bent, dan moet u het beproeven. 1. Bij het voorwerp van uw liefde, of het God Zelf is, Die u liefhebt, de waarachtige God. 2. Aan de eigenschappen van de daad, of het ware liefde tot deze God is. 3. Aan de onmiddellijke oorsprong van deze liefde, of zij voortgevloeid is uit de krachtdadige roeping. 4. Aan haar oorspronkelijke wortel, of het een liefde is, die voortkomt uit de eeuwige liefde Gods tot u, en uit het voornemen van Zijn genade over u. Ik zal daarom trachten u in dit onderzoek een weinig behulpzaam te zijn, waarin u en ik beiden nodig hebben, dat wij zeker zijn van hetgeen wij zeggen en doen; want er is veel valse, vermeende liefde tot God in de wereld.
[1] Onderzoekt dan uw liefde aan haar voorwerp, of het God is, of Hij het waarlijk is, Die u liefhebt. Onderzoekt, of het niet misschien een God van uw eigen inbeelding is, en niet de ware God.
Men zou hier kunnen vragen: Hoe kan ik weten of het God Zelf is, Die het Voorwerp van mijn liefde is? Om deze vraag te beantwoorden, zal ik u twee andere vragen doen;
1. Welke overtuiging hebt u ooit gekregen, dat u van nature een Godloochenaar, en zonder God in de wereld bent, zoals alle mensen van nature zijn? (Ef. 2:12). Als u zichzelf nooit als een godloochenaar hebt beschouwd, en nooit hebt gezien, dat u zonder God was, dan schijnt het, dat u tot op deze dag nog zonder God en zonder liefde tot Hem bent. Aangezien toch alle mensen van nature God zijn kwijtgeraakt, en zonder God zijn, hoe kunnen zij Hem dan liefhebben, zolang zij Hem niet hebben gevonden, Die zij verloren hebben? En die hebben Hem zeker nooit gevonden, die nooit hebben gezien, dat zij Hem kwijt waren. De waarachtige God is die God, Die wij verloren hebben; Wiens kennis wij hebben verloren, Wiens beeld wij hebben verloren, Wiens gunst wij hebben verloren. Daarom indien de God, Die u zegt lief te hebben, een God is, Die u nooit kwijt bent geweest, en als u nooit gezien hebt, dat u zonder Hem was, dan is die god, die u liefhebt, niet de waarachtige God; dan bent u nog een godloochenaar, die nooit hebt gezien, dat u dat bent, en dat u zonder God bent.
2. Welke kennis en bevatting hebt u van God gekregen? Want liefde tot God veronderstelt kennis van God. Wel kan er zeer veel kennis zijn zonder liefde, doch er kan geen liefde zijn zonder kennis. Nu dan, heeft God u Zijn bestaan en Zijn heerlijke voortreffelijkheid getoond, als alle schepselen oneindig te boven gaande, en dat alle schepselen onbetekenende nieten zijn, vergeleken bij Zijn algenoegzaamheid? Heeft Hij Zichzelf aan u geopenbaard, in Christus, in Wie Hij alleen een welbehagen heeft; in Wie alleen Hij verzoend is; in Wie alleen Zijn volheid woont; in Wien alleen Zijn heerlijkheid zeer luisterrijk uitblinkt en zaligmakend gezien wordt?
Geen zondaar kan God liefhebben, die Hem niet in Christus heeft gezien: Die Mij gezien heeft," zegt Christus, "heeft de Vader gezien." Die Christus niet gezien heeft, heeft God niet gezien, en heeft dus het ware voorwerp van de liefde niet gezien. Dat een zondaar beweert, dat Hij God liefheeft, en nochtans geen gezicht van Hem in Christus heeft ontvangen, is de hoogst denkbare onkunde, omdat Hij, buiten Christus, een verterend vuur, een zonde wrekend God is. Indien u de God, Die u meent lief te hebben, kende, u zoudt Hem, buiten Christus, niet anders liefhebben, dan u het vuur liefhebt, dat u tot as zou verteren. Doch God in Christus is een God van de liefde; want in Hem is Zijn wet verheerlijkt, Zijn rechtvaardigheid voldaan, Zijn toorn gestild. Daarom, als u God waarlijk liefhebt, is uw verstand verlicht geworden, om Hem in Zijn heerlijkheid in Christus aan te grijpen. Heeft die God, Die gezegd heeft, dat het licht uit de duisternis zou schijnen, in uw hart geschenen, om u verlichting der kennis van Zijn heerlijkheid in het aangezicht van Jezus Christus te geven? (2 Kor. 4:6). Hebt u Hem gezien in het licht van het Evangelie, waarin Christus wordt aangeboden? Hebt u Hem onderscheiden gezien bij het licht van de Geest, dat het Woord met kracht deed gepaard gaan? Want dat is een licht, dat God gebiedt en dat Hij schept. Hebt u Hem leren kennen, niet alleen bij het licht, dat in uw hoofd, maar dat in uw hart heeft geschenen? Hebt u Hem gezien bij een licht, dat u de kennis van Zijn heerlijkheid gaf; de heerlijkheid van Zijn wijsheid en macht: de heerlijkheid van Zijn heiligheid, en rechtvaardigheid, en waarheid, zowel als, op dezelfde tijd, de heerlijkheid van Zijn genade, liefde en ontferming; de heerlijkheid van al Zijn voortreffelijkheden? Hebt u deze heerlijkheid in het aangezicht van Jezus Christus, of in de Persoon van Christus gezien, als het Afschijnsel van de heerlijkheid van de Vader, en het uitgedrukte Beeld Zijner zelfstandigheid? (Hebr. 1:3). Hebt u deze heerlijkheid Gods in Hem zien uitblinken, zoals Hij een Jezus en een Christus is; dat is, zoals Hij een Zaligmaker is, en van God gezalfd om dat te zijn; van God gezonden en verzegeld om door Zijn bloed en Zijn gerechtigheid verdienstelijk, en door Zijn Geest en genade krachtdadig zalig te maken? Hebt u in dit wonderlijk werk van de verlossing en zaligheid door Christus zulke wonderbare raadslagen gezien, als de oneindige wijsheid Gods betaamt, en aan al de einden van de heerlijkheid van de volmaaktheden Gods, zowel als aan het zaligmaken van de zondaar, beantwoordt? In dit geval is uw liefde een rechte liefde, die op het rechte Voorwerp is gevestigd; indien, op dezelfde tijd, dat gezicht van God gepaard ging met zoveel toepassing van het geloof, en overreding van de liefde Gods tot u persoonlijk, dat dit ten minste goedertieren gedachten van God in u verwekte? Zodat, hoewel u Hem als oneindig rechtvaardig en heilig, en uzelf als een zondig schepsel beschouwt, nochtans uw bevatting van de verzoening en bevrediging in het bloed van Jezus, alle harde gedachten van God, als een vijand, heeft weggenomen, en u goedertieren gedachten van Hem, als een Vriend, Die Zijn welbehagen, door Christus, in het Woord der genade heeft verklaard, hebt gekregen. De overreding van het geloof is hier ingesloten, of u het gezien hebt of niet.
[2] Onderzoekt uw liefde tot God, aan de natuur en de eigenschappen van de daad, of het ware liefde tot deze God is. Hoe zal ik dit weten? Wel, onderzoekt hoe uw liefde werkzaam is omtrent dit heerlijk Voorwerp. Het is de natuur van de liefde, dat men naar gemeenschap verlangt met het geliefde voorwerp; dus, als u ware liefde tot God hebt, zult u verlangen naar een nauwere vereniging en gemeenschap met Hem. Wat is dan uw voornaamste begeerte en bede? Is het die van Psalm 27:4: "Één ding heb ik van de Heere begeerd, dat zal ik zoeken: dat ik alle dagen mijns levens mocht wonen in het huis des Heeren, om de liefelijkheid des Heeren te aanschouwen en te onderzoeken in Zijn tempel." Het is de natuur van de liefde, dat zij iemand ongeduldig maakt, als het geliefde voorwerp afwezig is: dan zullen alle andere vertroostingen Zonder hem geen waarde voor u hebben. "O, dat ik wist, waar ik Hem vinden mocht! O hoe lang, hoe lang!’ Het is de natuur van de liefde zich te verlustigen in bij het geliefde voorwerp te zijn; zo ook zal, als u God waarlijk liefhebt, Zijn tegenwoordigheid uw verlustiging zijn: Welkom, o Liefste! Het is mij goed dat ik U mag omhelzen. Ik wil U niet laten gaan. "Ik hield Hem vast, zegt de bruid, en liet Hem niet gaan, totdat ik Hem in mijns moeders huis gebracht had, en in de binnenste kamer van degene, die mij gebaard heeft. O wekt hem niet op! Ik bezweer u bij de reeën en de hinden des velde, dat u mijn Liefste niet opwekt, noch wakker maakt, totdat het hem luste." Het is de natuur van de liefde, alles liefde toe te dragen, dat het geliefde voorwerp gelijk is: zo ook zult u, als u God liefhebt, allen liefhebben, die Zijn beeld dragen; u zult een metgezel zijn van degenen, die Zijn Naam vrezen, en uw lust zal zijn in de heiligen, de heerlijken, die op de aarde zijn. Hoe kunnen zij God liefhebben, die niet houden van hen, die Zijn beeld dragen? Het vloeit uit de natuur van de liefde voort, dat men alles haat wat het geliefde voorwerp onaangenaam is. Waar oprechte liefde tot God is, zal dan ook een oprechte haat tegen de zonde zijn; liefde tot God en liefde tot de zonde zijn tegenstrijdige dingen. Een gelovige kan door de zonde worden overwonnen, maar hij heeft de overwinnaar niet lief, en dit blijkt duidelijk, omdat zijn zonde hem menig gebed kost, en veel tranen doet storten, en hem veel doet kermen, en zuchten, en waken, en hem gedurig uitdrijft tot de troon der genade, en tot het bloed van Christus, om reiniging en genezing. De liefde Gods doodt de liefde tot de zonde en de liefde tot de wereld. Het is de natuur van de liefde veel over het geliefde voorwerp te denken; zo doet de liefde Gods, waar zij gevonden wordt, de gedachten naar Hem uitgaan, en de overdenking van Hem is zoet. De liefde kan gekend worden aan onze gedachten en overpeinzingen; velen denken, dat zij God liefhebben en nochtans is God niet in al hun gedachten. Zij denken over niets dan over de wereld en de dingen van de wereld: zij kunnen niet bij dit heerlijk Voorwerp blijven stilstaan, noch hebben zij smart over hun afzwervende gedachten. Het is de natuur van de liefde veel over het geliefde voorwerp te spreken; de spraak van velen maakt hen openbaar, dat zij God niet liefhebben; zij zullen van de morgen tot de avond nooit de Naam van God in hun mond nemen, of het moest zijn om die te ontheiligen. Ware liefde zal onder de mensen over Hem, en in het gebed tot Hem, en tot verdediging van Zijn zaak en waarheid voor Hem, doen spreken. In één woord, het is de natuur van de liefde, dat een mens leeft waar hij lieft. O! Waarin dient u God? Dringt de liefde van Christus u te oordelen: Dat indien één voor allen gestorven is, zij dan allen gestorven zijn. En dat Hij voor allen gestorven is, "opdat degenen, die leven, niet meer zichzelf zouden leven, maar Dien, Die voor hen gestorven en opgewekt is?"
[3] Onderzoekt uw liefde aan haar onmiddellijke oorsprong, of aan het middel waardoor zij in de ziel gewrocht is, namelijk: De krachtdadige roeping. Hier zou men kunnen vragen: Hoe zal ik weten of mijn liefde tot God de vrucht is van de krachtdadige roeping? Het antwoord hierop kan zijn: Indien uw liefde vrucht is van de krachtdadige roeping, dan zult u overtuigd zijn, dat zij van nature niet in uw hart groeide; dat zij niet de vrucht van uw natuurlijk vermogen, of van de vrije wil is; en dat u van nature haters van God bent. Als u nooit uw vijandschap tegen God hebt gezien, en uw liefde tot Hem nooit hebt verdacht: als u nooit enige liefde tot Hem hebt gehad, dan zodanige als u uw gehele leven van nature hebt gehad, dan moet ik u zeggen, dat uw liefde tot Hem niets is dan vijandschap tegen Hem, want ware liefde groeit in de hof van de genade en niet op de akker van de natuur. Indien uw liefde de vrucht van de krachtdadige roeping is, dan zijn uw genegenheden liefelijk en onwederstandelijk, als met een koord van liefde uitgehaald; want deze trekkende kracht wordt in de krachtdadige roeping te werk gesteld: "Ik heb u liefgehad met een eeuwige liefde, daarom heb ik u getrokken met goedertierenheid" (Jer. 31:3).Wij hebben Hem lief, omdat Hij ons eerst heeft liefgehad" (1 Joh. 6:19). Indien uw liefde de vrucht van de krachtdadige roeping is, dan zal het Evangelie van vrije genade u zeer dierbaar zijn, want dat is het uiterlijk middel van de krachtdadige roeping: en wat het middel tot de nieuwe geboorte is, is nog steeds het middel tot geestelijken groei. (1 Petr. 1:23) "Die wedergeboren zijt niet uit vergankelijk, maar uit onvergankelijk zaad, door het levende en eeuwig blijvende Woord Gods." Daarom hebben zij, die geroepen en wedergeboren zijn, daar lust in en zij verlangen daar ernstig naar: (1 Pet. 2:2) "Als nieuw geboren kinderkens, zijt zeer begerig naar de rederijke onvervalste melk, opdat u door dezelve mag opwassen." Indien uw liefde tot God niet gepaard gaat met liefde tot de leer van het Evangelie, is het maar een onecht broedsel, en niet van de rechte soort. Indien uw liefde tot God vrucht is van de krachtdadige roeping, dan zal de Geest Gods u zeer dierbaar zijn, omdat het door de kracht en werking van de Geest is, dat de roeping krachtdadig wordt; want dan komt het Evangelie niet alleen in woorden, maar ook in kracht, en in de Heilige Geest (1 Thess. 1:5). Dan zult u meer en meer van die vrijmoedige Geest begeren, om het werk van het geloof met kracht te werken en elke genade, die ooit werkzaam was, op te wekken; uw gebed zal zijn: "Ontwaak noordenwind en kom, gij zuidenwind, doorwaai mijn hof, dat zijn specerijen uitvloeien." U zult altijd ervaren, dat de Geest, wanneer Hij komt in Zijn genadige werkingen, door het kanaal van de leer van het Evangelie loopt, dat strekt om de mensen tot Christus en Zijn gerechtigheid uit te leiden; en niet door het kanaal van een wettische leer, welke een strekking heeft, om de mensen in zichzelf en hun eigen werken in te leiden, want zo is de Geest in het eerst in de krachtdadige roeping tot u gekomen. (Gal. 3:3) "Hebt gij de Geest ontvangen uit de werken der wet, of uit de prediking des geloofs? Uw liefde is zeker niet de vrucht van de krachtdadige roeping, indien de Geest, Die krachtdadig roept, voor u niet dierbaar is. Als u dag aan dag preken kunt horen, en u zich nooit bekommert, of de Geest daarmee krachtig gepaard gaat, dan is uw liefde te verdenken, doch als Hij het goede werk in u heeft begonnen, dan zult u behoefte gevoelen aan dezelfde kracht, die het begon, om het voort te zetten; dan zal uw roepen zijn: "O, dat ik meer van de Geest had! O, levenloos prediken en horen, zonder de Geest? O, dat ik Gods sterkte en eer mocht zien, zoals ik die in het heiligdom aanschouwd heb!"
[4] Onderzoekt uw liefde aan haar oorspronkelijke wortel, de eeuwige liefde Gods en het voornemen van Zijn genade; want het is een liefde, die daaruit voortvloeit, dat men naar Zijn voornemen geroepen is. Hier zou een bestreden mens kunnen zeggen, "Hoe zal ik weten, of mijn liefde tot God de vrucht is van Gods eeuwige liefde in Christus tot mij, en van Zijn eeuwig voornemen aangaande mij! Is het mogelijk te weten, dat mijn liefde tot Hem in de tijd zodanig is, dat zij een bewijs is van Zijn liefde tot mij van eeuwigheid? O, hoe zal ik dat weten?" Wel, dit kan niet alleen worden geweten uit de kenmerken, die wij reeds hebben gemeld, doch verder, uit de volgende vier bijzonderheden.
1. Als uw liefde tot God een zodanige is, die voortvloeit uit, en een blijk is van Zijn eeuwige liefde tot u en van Zijn genadig voornemen over u, dan heeft dit liefdevol voornemen tot u, ook een liefdevol voornemen tot Hem in u voortgebracht. Welk een voornemen is het? Het is een huwelijksvoornemen met de Zoon van God. Zijn huwelijksvoornemen met u van eeuwigheid heeft in u een huwelijksvoornemen met Hem in de tijd teweeggebracht. Kunt u mij zeggen, of ooit zo’n voornemen in uw hart gewerkt is? Weliswaar zijn er voornemens, die op niets uitlopen, maar dit is een krachtig voornemen, dat Zijn uitwerking niet heeft gemist, zodat u geen rust kon vinden, totdat het voornemen tot stand gebracht was, evenals Naomi van Boaz zeide: "Die man zal niet rusten totdat hij deze zaak voleind hebbe." Zo ook, gelijk Jezus Christus, wanneer Hij een zondaar ondertrouwt, niet zal rusten, totdat Hij deze zaak voleind heeft, werkt Hij dat voornemen ook in de ziel, dat zij niet kan rusten, totdat deze zaak voleind is. Nu, kunt u zeggen, dat er een tijd is geweest, toen de Heere zo’n huwelijksvoornemen met Hem in uw hart heeft gewerkt, dat u niet kon rusten, totdat het enigermate volvoerd was, door de Zoon van God de hand te geven? Zodat, toen Hij u Zijn hart en hand aanbood, u ook uw hart en hand aan Hem kon aanbieden, zeggende: Heere, neem U mij tot U, neemt U mij, want mijn hart is zo bedrieglijk, dat ik niet weet of ik wel durf zeggen; zo zij het, ik neem U aan: dat is waarlijk mijn begeerte; doch aangezien U, ja U alleen, een vast werk en een zekere overeenkomst kunt maken, stel ik het sluiten van het huwelijk in Uw hand. O neem mij, opdat ik eeuwig de Uwe ben; ik bied mijzelf aan met een hartelijk welbehagen; o neem mij, neem mij, neem mij om geheel de Uwe te zijn tot in eeuwigheid. Ik stel mijn hart in Uw hand en laat het bij u. Zeg mij, man, vrouw, bent u ooit tot zo’n voornemen als dit gebracht? O arme ziel, het is een vrucht van Zijn eeuwig voornemen, om u te trouwen; het is een vrucht daarvan, dat u in de raad des vredes aan Christus bent gegeven; want Christus zegt: (Joh. 6:37) "Al wat Mij de Vader geeft, zal tot Mij komen". Indien Zijn liefdevol voornemen aangaande u, een liefdevol voornemen in u tot Hem heeft voortgebracht dan is het niet alleen een huwelijksvoornemen, maar ook een voornemen om Hem achteraan te kleven, een voornemen om Hem nooit te verlaten. Evenals Zijn voornemen is bij hen te blijven in der eeuwigheid (Joh. 14:16), zo werkt het ook in hen een voornemen voor altoos bij Hem te blijven, met Ruth zeggende: "Val mij niet tegen, dat ik u zou verlaten, om van achter u weder te keren; want waar gij zult heengaan, zal ik ook heengaan, en waar gij zult vernachten, zal ik vernachten: uw volk is mijn volk, en uw God mijn God." Het is een voornemen om tafel en bed met Hem te delen, als ik die uitdrukking mag gebruiken: om met Hem te leven en te sterven; om van Hem te leven en Hem te gebruiken tot wijsheid, rechtvaardigheid, heiligmaking en verlossing. Nog een ander deel van hun liefdevol voornemen, dat uit Zijn voornemen voortvloeit, is een voornemen, om Hem, door genade, te verheerlijken; zij nemen voor, Hem in de tijd te verheerlijken, en Hem de eeuwigheid door te verheerlijken. Hoe weinig zij dit voornemen ook bereiken, zolang zij hier beneden zijn, nochtans is het een gesteldheid, die allen eigen is, die Hem liefhebben, omdat zij naar Zijn voornemen geroepen zijn, dat zij een sterke neiging, een krachtig voornemen hebben, Hem met hun hart, en mond, en leven te verheerlijken. Zij zijn een uitverkoren geslacht, een eigenaardig, een verkregen volk, opdat zij zouden verkondigen de deugden Desgenen, Die hen uit de duisternis geroepen heeft tot Zijn wonderbaar licht (1 Petr. Il: 9). Deze zijn het, die Hem liefhebben en van welken de liefde tot Hem voortvloeit uit, en een bewijs is van, Zijn eeuwige liefde tot hen, naar het voornemen van Zijn genade.
2. Indien uw liefde tot God een vrucht is van Zijn eeuwig voornemen tot u, dan zal het een eeuwig voornemen tot Hem in u voortbrengen, om Hem aldus achteraan te kleven, te dienen en te verheerlijken. Er zijn bij velen van die vluchtige voornemens, die maar voor een ogenblik zijn; doch het voornemen van de gelovige, om God te verheerlijken en Hem altoos te genieten, is een eeuwig voornemen; het is een hecht, bestendig, vast, voortdurend, standvastig voornemen. Welke winden hem ook kunnen afdrijven van de zaak, die hij voorneemt; van zijn voornemen zelf kan geen wind hem afdrijven, wanneer het eenmaal door God in zijn hart is gewerkt. De verzoeking kan hem soms afdrijven van zijn God te zoeken en te dienen, doch die kan hem niet afdrijven van zijn voornemen, om God te zoeken en te dienen. Hij kan tot de zonde worden getrokken. doch hij kan nooit worden getrokken tot een voornemen, om te zondigen of tot een voornemen, om in de zonde te leven. Neen indien sommige sterke verdorvenheden de overhand over hem hebben en hem gevangen nemen, kan hij zich nochtans vrijmoedig op de hemel beroepen, dat het nooit zijn vast voornemen was, ja, dat, niettegenstaande zijn voornemen, zijn gebeden, zijn tranen, en zijn hoop, deze of die ongerechtigheid de overhand op hem heeft gekregen. Het gaat hem als een zeeman, die naar een zekere haven koers zet, met een vast voornemen er recht op af te varen, doch die tegen zijn voornemen naar deze of die haven wordt gedreven, die hij nooit voornemens was aan te doen; die misschien door tegenwind her en derwaarts wordt gedreven; wiens voornemen nochtans onveranderd blijft, zodat hij niet rust totdat hij op de voorgenomen plaats aanlandt.
3. Indien uw liefde tot God de vrucht is van Zijn eeuwig voornemen en besluit, dan zal uw hart met deze eeuwige raadslagen van God, aangaande het verkiezen van sommigen en het voorbijgaan van anderen, verzoend zijn. De leer van de voorverordinering, waarover de apostel hier in het verband spreekt, zal u geen verschrikkelijke en harde leer zijn; u bent dan tot zo’n gezicht van de volstrekte soevereiniteit van God gebracht, dat u niet met Zijn besluiten durft twisten; neen, uw hart zal God rechtvaardigen en in Zijn wijze en soevereine beschikkingen berusten, zeggende: O! Is het niet betamelijk en recht, dat de pottenbakker van het leem maakt wat Hij wil? En dat God Zich ontfermt, diens Hij Zich ontfermt, en barmhartig is, dien Hij barmhartig is? Is er onrechtvaardigheid bij God? Dat zij verre (Rom. 9:14, 15, 19, 20). Daarom, kunnen wij niet denken, dat een Arminiaan God kan liefhebben, omdat hij, in beginsel, werkelijk God van de troon van Zijn volstrekte soevereiniteit en heerschappij afrukt.
4. Indien uw liefde tot God de vrucht is van Zijn eeuwige liefde en van het voornemen van Zijn genade over u, dan zal uw liefde tot Hem gepaard gaan met bewondering en aanbidding van Zijn vrije en soevereine genade. Dan zult u niet alleen voor de soevereiniteit van God bukken zonder over Zijn besluiten te twisten, maar u zult de vrijheid van Zijn onderscheidende liefde bewonderen en aanbidden, en elk deeltje van uw zaligheid aan deze vrije en soevereine genade Gods toeschrijven. U zult begeren met de apostel te zeggen: "O, diepte des rijkdoms beide der wijsheid en der kennis Gods. Hoe ondoorzoekelijk zijn Zijn oordelen, en onnaspeurlijk Zijn wegen! (Rom. 11:33) en met dezelfde apostel te erkennen: "Die ons heeft zalig gemaakt en geroepen met een heilige roeping, niet naar onze werken, maar naar Zijn Eigen voornemen en genade, die ons gegeven is in Christus Jezus, voor de tijden der eeuwen" (2 Tim. 1:9). Dan zult u verlangen de schoonheid en heerlijkheid van al de schalmen van deze gouden keten te bewonderen: "Die Hij tevoren gekend heeft, die heeft Hij ook tevoren verordineerd, den beelde Zijns Zoons gelijkvormig te zijn. En die Hij tevoren verordineerd heeft, deze heeft Hij ook geroepen; en die Hij geroepen heeft, deze heeft Hij ook gerechtvaardigd; en die Hij gerechtvaardigd heeft, deze heeft Hij ook verheerlijkt.
2e Beproeft aan de begonnen bevinding van de zaak zelf, of u alle dingen zullen medewerken ten goede: of u de voetstappen van deze waarheid reeds in uw hart hebt opgemerkt, dat God alle dingen voor u doet medewerken ten goede. Onderzoekt of Hij u reeds enige dingen ten goede heeft doen medewerken, want als Hij daarmee is begonnen, dan mag u daaruit besluiten, dat Hij voort zal gaan alle dingen voor u ten goede te doen medewerken. Ik zal dit tot vier punten herleiden.
1. Zijn er onder u, die ziekte en lichamelijke ellenden hebben doorgemaakt? Rakelt uw bevinding eens wat op, en ziet eens terug, of het u geen goed gedaan heeft? Heeft het u in het stof vernederd, dat u in het stof moest wonen? Bracht het uw zonde en schuld voor u, en deed het u de toevlucht nemen tot een Zaligmaker? Stelde het u uw sterfelijkheid voor ogen en wekte het u op, om naar een zalige onsterfelijkheid te streven? Was het een tijd van bidden, van worstelen, van treuren en van terugkeren? Sommigen worden erger door de verdrukking, maar is zij goed voor u geweest? Kunt u zeggen: "Het is mij goed, dat ik verdrukt ben geweest?"
2. Zijn er onder u, die zware tijdelijke verliezen hebben geleden, zodat het naar het uitwendige zeer laag met u afliep? Wel, overweegt dan, of het enig goed voor u heeft uitgewerkt: Deed het u naar de oorzaak onderzoeken, en zag u uw zonde aan de deur liggen? En welke bijzondere zonden de Heere verbitterden? Ziet u nu, dat deze dingen de beste dingen niet zijn, dat er ijdelheid op geschreven is, ja, op alle dingen onder de zon? Dan is daardoor uw hart meer gezet geworden in het najagen van het ene nodige. Ziet u uw verlies vergoed in God, en in gemeenschap met Hem; en is daarop deze God u beter dan alles wat u hebt verloren? De eerste goden, daar u uw hart op had gezet, waren ijdele en vergaande voorwerpen van liefde; doch nu bent u waar u behoort te wezen, en waar u wilt zijn; alleen zoudt u wel willen, dat u meer nabij deze waarachtige en eeuwige, eeuwig levende God leefde? Of hebt u geleerd iets meer op de voorzienigheid Gods, en op de beloften Gods, in het gebruik van geoorloofde middelen, te leven? Hebt u geleerd een weinigje, dat God u geeft, op prijs te stellen, en het met dankbaarheid te ontvangen? Terwijl u tevoren van een gastmaal kon walgen: "De verzadigde ziel vertreedt het honigzeem." Of heeft het dit in u teweeggebracht, dat u meer boosheid in uw hart ziet, dan u wilde geloven, dat er in was? Dat het zowel een murmurerend, gierig en onlijdzaam hart, als een hard, goddeloos en omzwervend hart is? En bent u voor God verootmoedigd wegens de hoogmoed van uw hart? Dit is iets goeds.
3. Heeft God u aan uzelf overgegeven om zulke en zodanige zonden te doen, waardoor God getergd en uw vrede verstoord is? Nu, welk goed heeft u deze bedeling opgeleverd? Heeft het u in het verborgen vele tranen gekost? Heeft het u veel doen zien op de fontein, Die geopend is tegen de zonde, en tegen de onreinheid? Of heeft de Heere u daardoor doen zien, wie u van nature bent? "Ik ben in ongerechtigheid geboren en in zonde ontvangen." Heeft het een heilige waakzaamheid tegen elke zonde in u veroorzaakt? Of heeft het u de vrije, volstrekt vrije genade van God in Christus, en de verdraagzaamheid van God leren bewonderen? Heeft het medelijden in u verwekt met anderen, die in dezelfde verzoeking verkeren? En heeft het u meer doen toeleggen op het eren van God, ten ooit tevoren? Dan heeft het u zeker medegewerkt ten goede.
4. Bent u onder de verberging van Gods aangezicht gebracht, en is dit goed voor u geweest? Heeft het de zonde bitter gemaakt, omdat die er de oorzaak van is? Heeft het de nabijheid Gods dierbaarder voor u gemaakt? Heeft het u opgewekt om meer en vuriger in heilige plichten werkzaam te zijn? Heeft het u nuttiger en behulpzamer gemaakt voor arme verzochte en verlaten zielen, dan tevoren, toen u zei: "Helaas! Er was nooit iemand zoals ik! Ik ben een verworpeling! Het is tevergeefs, dat ik de genademiddelen nog gebruik?" Wel, u kunt de zodanigen vertellen: "Ik ben in dezelfde toestand geweest, waarin u nu bent;" dat kan hun enige verlichting geven. Ziet welke bevinding u hebt van de genade van God, in te beginnen alle dingen voor u te doen medewerken ten goede. Heeft Hij dat begonnen te doen? Wel, Hij is een Rotssteen, Wiens werk volkomen is. Hij zal alle dingen ten goede doen medewerken.
Wij zullen nu ons onderwerp sluiten met:
Een woord van vermaning, beide tot heiligen en tot zondaren. Er zijn enkele plichten tot welke ik de gelovigen wil vermanen.
1. Bewondert de wonderlijke goedheid van deze God, Die alle dingen voor u doet medewerken ten goede. Wel mag u zeggen: Wien heb ik nevens U in de hemel? Nevens U lust mij ook niets op de aarde. Wie is een God gelijk Gij? Hoe groot zal Zijn goed wezen!
2. Ik belast een ieder, die hier tegenwoordig is, van deze waarheid geen gebruik te maken om aan een zonde toe te geven, of in de weg van de zonde voort te gaan: Wat! "Zullen wij in de zonde blijven, opdat de genade te meerder worde? Dat zij verre. Zullen wij het kwade doen, opdat het goede daaruit kome?" (Rom. 3:8 en 6:1). Wat God in Zijn oneindige macht en wijsheid kan doen is één zaak: en wat wij in het geloof mogen verwachten is een andere. Is hier iemand, die de ene of andere begeerlijkheid koestert? O, als u iets goeds uit de hand van God verwacht, zegt dan uw begeerlijkheden vaarwel, zeggende: "Wat heb ik meer met de afgoden te doen?" Want gelijk alle dingen medewerken ten goede, dengenen, die God liefhebben, zo zullen alle dingen medewerken ten kwade dengenen die de zonde liefhebben; daarom, weg met de zonde.
3. Koestert goedertieren gedachten van God in al de wegen van Zijn voorzienigheid, en wanneer ooit de donkere zijde zich vertoont, slaat door het geloof het oog op de heldere zijde, en u zult zien, dat al Zijn wegen goedertierenheid en waarheid zijn, voor degenen, die Zijn Naam vrezen. Wacht u voor harde gedachten van God. Rust niet, voordat u van twee dingen verzekerd bent, namelijk: dat God u liefheeft, en dat u God liefhebt. Gelovigen, als u altijd in het gezicht daarvan kon leven, dan zoudt u ook altijd zeker zijn, dat alle dingen u zullen medewerken ten goede.
4. Waaraan de voorzienigheid u ook mag blootstellen, laat dit vast besluit bij u zijn, door het geloof te leven en in de liefde te blijven; en dan, wat er ook gebeuren mag, zult u overtuigd zijn, dat alles nog goed is, en dat alles steeds goed zal zijn. Door een leven van het geloof zult u gewaar worden, dat alle dingen ten goede medewerken.
5. Pas op, dat u niet feitelijk het oogmerk van de voorzienigheid in u ten goede mee te werken tegenstaat, of dat u er de hand in zoudt hebben, dat zij u ten kwade werkt, zodat u er schade door lijdt. Dit kan op verscheiden wijzen geschieden; bijvoorbeeld, als men in verdrukking zijnde, zich van ongeoorloofde middelen bedient om verlichting te krijgen; wanneer men geoorloofde middelen gebruikt zonder op God te vertrouwen; wanneer men Gods vorige gunstbewijzen als valstrikken beschouwt; wanneer men in de verdrukking de vertroostingen van Gods Woord afwijst; en wanneer men verdrietig is over zijn leven.
6. Wacht er u voor, dat u de voorzienigheid niet bedilt of bestrijdt, wanneer zij u nochtans ten goede medewerkt. De mensen maken zich schuldig aan het bedillen van Gods voorzienigheid, niet alleen door godloochening, in de voorzienigheid te ontkennen, maar ook door ongeloof, in de liefde Gods in twijfel te trekken; door vleselijkheid, in elke voorzienigheid verkeerd uit te leggen, die niet met hun lusten en vleselijk begeerten overeen komt. Soms door haastigheid, in de voorzienigheid te veroordelen, voordat de tijd daar is, waarin haar doel openbaar wordt. Soms door onkunde, en gemis van onderscheiding, niet wetende, dat God een minder kruis kan zenden, om een zwaarder te verhoeden.
7. Let aandachtig op al het goede, dat u door Gods voorzienigheid krijgt. Gedenkt hoe dikwijls het kruis op uw hoogmoed is losgestormd, uw overheersende zonde heeft beteugeld, u aan het bidden, en tot een God in Christus, de Hoorder van het gebed. heeft gebracht. Het is noodzakelijk, dat u uw aandacht schenkt aan het goede van de voorzienigheid, omdat, wanneer u dat doet en er een goed gebruik van maakt, de kruisen, die u zo licht tot gronden voor uw ongeloof maakt, eerder zullen blijken versterkingen voor uw geloof te zijn.
8. Verbindt de voorzienigheid aan de uitkomst, en tracht zodoende uit elke bedeling, en bijzonder uit de verdrukking, zoveel goed te verkrijgen als u kunt. Bidt veel. (Jak. 5:13) "Is iemand onder u in lijden, dat hij bidde." (Hebr. 12:5, 11) "Acht niet klein de k