Preken
van
bedienaar van het Evangelie te Dunfermline - Schotland
over
Matth. 3:17 Het kort begrip van het Evangelie, of, God in Christus
Jes. 26:8 De plicht van de heiligen in boze tijden
Gal. 1:6 Vleselijke beraadslaging ontvouwd, of, het grote kwaad van in de dingen Gods door vleselijke beginselen te worden gedreven, blootgelegd
Hand. 13:26 Het woord der zaligheid tot zondaren gezonden
Hagg. 2:20 Het begin van alle zaligmakende zegeningen
Deel 5
Inhoud
Het kort begrip van het Evangelie, of, God in Christus *
De plicht van de heiligen in boze tijden
*Vleselijke beraadslaging ontvouwd, of, het grote kwaad van in de dingen Gods door vleselijke beginselen te worden gedreven, blootgelegd (1e preek)
*Vleselijke beraadslaging ontvouwd, of, het grote kwaad van in de dingen Gods door vleselijke beginselen te worden gedreven, blootgelegd (2e preek)
*Het woord der zaligheid tot zondaren gezonden
*Het begin van alle zaligmakende zegeningen
*Het kort begrip van het Evangelie, of, God in Christus
Matth. 3:17. Deze is Mijn Zoon, Mijn Geliefde, in Denwelken Ik Mijn welbehagen heb!
In dit hoofdstuk komen voornamelijk twee dingen voor: 1. Het opgaan van de morgenster, Johannes de Doper, die de weg voor het aangezicht van Christus kwam bereiden. 2. De veel heerlijker opgang en het schijnen van de Zon der gerechtigheid Zelf, in het bijzonder in de doop van Christus. Johannes maakt hier een tegenwerping tegen het dopen van Jezus, toen Hij kwam om van hem gedoopt te worden: (vs. 13, 14) "Toen kwam Jezus van Galilea naar de Jordaan, om van hem gedoopt te worden. Doch Johannes weigerde hem zeer, zeggende: Mij is nodig van U gedoopt te worden, en komt Gij tot mij?" Daarop volgt de afdoende tegenwerping van Christus, waarin Hij er op aandringt, dat hij Hem zal dopen, met opgave van de reden: (vs. 15) "Maar Jezus antwoordende zeide tot hem: Laat nu af: want aldus betaamt Ons alle gerechtigheid te vervullen." Dan volgt de plechtigheid van de doop, met een bijzondere tentoonspreiding van hemelse heerlijkheid, zowel tot bemoediging van Christus, Die nu gereed stond het werk van Zijn openbare bediening te beginnen, dat Hij op Zich had genomen, als om ons aan te moedigen Hem aan te nemen, in en door Wie de hemelen voor ons zijn geopend. Hierop hebben wij:
1e Een bode van de hemel, en dan een stem. "Hij zag de Geest Gods nederdalen, gelijk een duif" (vs. 16). Indien er een lichamelijke verschijning moet zijn, moet het niet die van een mens zijn; want het was bijzonder de tweede Persoon Eigen, in gedaante gezien te worden als een mens. Daarom was er geen meer geschikt dan de gedaante van een van de vogelen van de hemel, en onder alle vogelen was er geen zo betekenisvol als de duif. Waarom? De Geest van Christus heeft veel overeenkomst met een duif; niet een botte duif zonder hart, maar een onnozele duif zonder gal, argeloos, oprecht, zonder kwaad. De duif was een vogel, die geofferd werd, en Christus heeft door de eeuwige Geest Zichzelf aan God onstraffelijk opgeofferd. De tijding van het afnemen van de wateren van de zondvloed werd door een duif gebracht met een olijftak in haar bek. Daarom wordt de blijde boodschap van vrede met God door de Geest als een duif gebracht, door de stem van de tortelduif die in ons land wordt gehoord, waarmee in de Chaldeeuwse uitlegging de Heilige Geest wordt verstaan.
2e Hier is een stem uit de hemelen. Gelijk de Heilige Geest Zich openbaart in de gelijkenis van een duif, zo openbaart God, de Vader, Zich door een stem. En het is een stem, die het beste nieuws brengt, dat ooit op aarde was gehoord, en dat ooit van God tot de aarde kwam, want zij verkondigt met duidelijke bewoording Gods welbehagen in Christus, en in ons in Hem.
1. Deze stem verkondigt Gods welbehagen in Christus Jezus onze Heere: "Deze is Mijn Zoon, mijn Geliefde. Dit drukt beide Zijn betrekking en Zijn liefde tot Hem uit.
(1). Het drukt de betrekking uit waarin Hij tot Hem staat: Hij is Mijn Zoon. Christus is de Zoon van de Vader door een eeuwige generatie. Dus, als God, is Hij even gelijk met de Vader, uit Hem geboren voor de tijden der eeuwen. (Kol. 1:15) "Die is het beeld des onzienlijken Gods, de Eerstgeborene aller creaturen." Als mens, is Hij de Zoon van God, door een bovennatuurlijke ontvangenis, ontvangen door de kracht des Heiligen Geestes. Hij is ook de Zoon van God door een bijzondere bestemming tot het werk en ambt van Verlosser; Hij is geheiligd, verzegeld, en hiertoe gezonden, daarvoor was Hij een voedsterling bij de Vader, en daartoe is Hij gesteld.
(2). Het drukt de liefde van de Vader tot Hem uit. Deze is Mijn Zoon, Mijn Geliefde. Hij is Zijn geliefde Zoon de Zoon van Zijn liefde (Kol. 1:13). Hij lag van eeuwigheid in Zijn schoot (Joh. 1:18), en Hij was dagelijks Zijn vermakingen (Spr. 8:30). Doch voornamelijk als Middelaar, en daarin, dat Hij het werk van de verlossing van de mens op Zich had genomen, was Hij Zijn geliefde Zoon, Zijn Uitverkorene, in Dewelke Zijn ziel een welbehagen heeft (Jes. 42:1). "Daarom heeft Mij de Vader lief, omdat ik mijn leven afleg, opdat ik hetzelve wederom neme" (Joh. 10:17). "De Vader heeft de Zoon lief, en heeft alle dingen in Zijn hand gegeven (Joh. 3:35). Hieraan kunnen wij zeker weten en dit bewonderen, dat Hij ons, en zulken als wij zijn, zo liefhad, dat Hij Zijn Zoon, Zijn enige Zoon, Zijn Izak, Die Hij liefhad, niet gespaard heeft, maar Hem heeft gegeven tot een offerande voor onze zonden. en Hem daarom liefhad, omdat Hij voor ons Zijn leven heeft afgelegd.
Beschouwt daarom Gods goedgunstigheid over ons in Hem. Hij is Mijn geliefde Zoon. Niet alleen met Wie, maar in Wie Ik Mijn welbehagen heb. Niet alleen een welbehagen aan allen, die in Hem zijn, en met Hem door het geloof verenigen doch, Ik heb een welbehagen aan het inzijn in Hem, en Ik verklaar, dat Ik daaraan een welbehagen heb en daarmede voldaan ben.
De betekenis van het grondwoord betekent iets anders dan die liefde, toegenegenheid en verlustiging in Christus, in het eerste zindeel. Hoewel het Griekse woord goedkeuring en genegenheid te kennen geeft, toch heeft het zijn betekenis niet van het Grieks, maar van het Hebreeuws; want dit vers is genomen uit Jes. 42:1: "Mijn Uitverkorene, in Dewelke Mijn ziel een welbehagen heeft." Hoewel het door de Zeventig, evenals hier, wordt overgezet, nochtans betekent het eigenlijk: bevredigd, verzoend zijn, en zo zegt het niet alleen, in Wie Ik lust heb, en een welbehagen heb om Uzelf, maar ook, in Wie Ik bevredigd en verzoend ben met allen, die de Uwe zijn. Dit is het kort begrip van het Evangelie, zoals het in 2 Kor. 5:19 wordt uitgedrukt: "God was in Christus de wereld met Zichzelf verzoenende." Buiten Christus is Hij een verterend vuur, maar in Christus is Hij een verzoend God. Hij heeft Zichzelf geofferd tot een offerande om de goddelijke rechtvaardigheid te voldoen, en ons met God te verzoenen.
Wij hebben in de woorden twee leerstellingen waargenomen. De eerste was, dat Christus Jezus, de Zoon van God, de geliefde van de Vader, het Voorwerp van Zijn hoogste liefde, verlustiging, en achting, is. Over dit leerstuk hebben wij vroeger zeer uitgebreid gesproken. Wij zullen nu de tweede leer behandelen, namelijk:
Dat God in Christus, en in Hem alleen, een welbehagen heeft, en een bevredigd God is.
Ziet, om deze leer te bewijzen en te verduidelijken de volgende overeenkomende teksten: (Jes. 42:1) "Ziet, Mijn knecht, Die ik ondersteun, Mijn Uitverkorene in Dewelke Mijn ziel een welbehagen heeft," vergeleken met Matth. 12:18 "Ziet, Mijn Knecht, Welke Ik verkoren heb, Mijn Beminde, in Welke Mijn ziel een welbehagen heeft." (Jes. 49:3) "Gij zijt Mijn Knecht, Israël, door Welke Ik verheerlijkt zal worden." (Joh. 13:31) "Nu is de Zoon des mensen verheerlijkt, en God is in Hem verheerlijkt." (Matth. 17:5) "Deze is mijn geliefde Zoon, in Dewelke ik Mijn welbehagen heb, hoort hem." (2 Kor. 5:19) "God was in Christus de wereld met Zichzelf verzoenende."
Wij zullen dit onderwerp, met Gods hulp, verder be handelen als volgt:
I. Wij zullen eerst spreken over Gods zijn in Christus.
II. Onderzoeken hoe God in Christus is.
III Aantonen, dat Hij in Christus een welbehagen heeft
IV. Ons onderwerp toepassen.
I. Wij zullen eerst spreken over Gods zijn in Christus
Om dit goed te verstaan, kunnen wij overwegen: 1. Wat God buiten Christus is. 2. Wat God in Christus is
1. Wat God buiten Christus voor de zondaar is. Dan is Hij een beledigd, een bedreigend, een onteerd, en een veraf zijnd God.
1. God is buiten Christus voor een zondaar een vertoornd God: (Ps. 7:12) "God is een rechtvaardig Rechter, en een God, Die alle dagen toornt;" of, (volgens de Engelse Overz.) "God richt de rechtvaardigen; God toornt alle dagen op de goddelozen." Omdat Hij een rechtvaardig Rechter is, daarom kan het niet anders, of Hij moet misnoegd, beledigd, en toornig op Hem zijn. O, de toorn en grimmigheid Gods is iets vreselijks! Wie kent de sterkte Zijns toorns? Wanneer die begint te ontbranden, zal hij branden tot in de onderste hel.
2. God buiten Christus is een bedreigend God: Zijn toorn openbaart zich in bedreigingen en vloeken. (Ps. 7: 13, 14) "Indien hij zich niet bekeert, zo zal Hij Zijn zwaard wetten; Hij heeft Zijn boog gespannen en die bereid, en heeft dodelijke wapenen voor hem gereed gemaakt; Hij zal Zijn pijlen tewerkstellen," om wraak te nemen. Zijne bedreigingen zijn geen blote woorden; doch evenals God in Christus een wezen geeft aan de woorden van Zijn genade, zo geeft God buiten Christus een wezen aan de woorden van Zijn toorn, zeggende: "Ziet nu, dat Ik, Ik, Die ben, en geen God met mij: Ik dood en maak levend, Ik versla en Ik heel; en daar is niemand, die uit Mijn hand redt. Want ik zal Mijn hand naar de hemel opheffen, en Ik zal zeggen: Ik leef in eeuwigheid. Indien Ik Mijn glinsterend zwaard wet, en Mijn hand ten gerichte grijpt, zo zal Ik de wraak op Mijn tegenpartijen doen terugkeren, en Mijn haters vergelding. Ik zal Mijn pijlen dronken maken van bloed," (Deut. 32:39, 40, 41). God buiten Christus is een God Wiens mond vol van vervloekingen en bedreigingen is, en Wiens hand vol van vreselijke wraak is, om de bedreiging uit te voeren. (Gal. 3:10) "Vervloekt is een iegelijk, die niet blijft in al hetgeen geschreven is in het boek der wet, om dat te doen."
3. God buiten Christus is een onteerd God. Dit is de reden waarom Hij een vertoornd God en een dreigend God is; omdat Hij een onteerd God is. Aangezien de zonde een overtreding van Gods wet is, wordt daardoor Zijn gezag veracht, Zijn wijsheid geminacht, Zijn macht geringgeschat, Zijn heiligheid getart, Zijn rechtvaardigheid in woede ontstoken, en al Zijn heerlijke eigenschappen geschonden en beledigd.
4. God buiten Christus is een veraf zijnd God. De zonde heeft een twist verwekt tussen God en de mens en hen van elkaar verwijderd; daarom staat er geschreven dat de mensen ver zijn: (Ef. 2:13) "Maar nu in Christus Jezus, gij die eertijds verre waart, zijt nabij geworden door het bloed van Christus." Niet ten opzichte van enige plaatselijke afstand, want God is overal; maar uit een oogpunt van zedelijke afstand. Wij zijn ver van het beeld Gods, ver van de gunst Gods, ver van de kennis van God, ver van de liefde Gods daarvan vervreemd zijnde door de onwetendheid, die in ons is, door de verharding onzer harten (Ef. 4:18) en van enigerlei betrekking tot God, uitgenomen die van een wraakvorderend Rechter en een Wreker van de zonde een verterend Vuur, ieder ogenblik op het punt staande in eeuwige vlammen uit te breken. Er is tussen dit en de zondaar zonder Christus, niets dan de zwakke, tere levensdraad, die het kleinste vonkje van dat vuur van Gods toorn kan verbranden en doen breken, en dan valt hij in de diepte van eindeloze en onherstelbare pijniging. Zo hebt u een kort verslag van wat God buiten Christus is.
2e Laat ons nu overwegen wat God in Christus is.
1. God in Christus is een verzoend God, Wiens toorn gestild en uitgeblust is door het bloed van Zijn Zoon, Die Zichzelf heeft overgegeven tot een offerande en een slachtoffer, Gode tot een welriekende reuk; waarom Hij hier uitroept: "Deze is Mijn Zoon, Mijn Geliefde, in Dewelke Ik Mijn welbehagen heb." Daarom zendt Hij dienaars om het Woord der verzoening te verkondigen, namelijk: "Dat God in Christus de wereld met Zichzelf verzoenende was, hun zonden hun niet toerekenende."
2. Evenals God buiten Christus een bedreigend God is, zo is God in Christus een belovend God. Het verbond der belofte verzegeld en bevestigd zijnde door de dood en het bloed van Christus, wordt dit daarom het Nieuwe Testament in Zijn bloed genoemd (1 Kor. 11:25). De voorwaarde van al de beloften zo goed vervuld, en de prijs daarvan zo volkomen betaald ziende, komen zij, in de bedeling van het Evangelie, om niet en volstrekt tot ons, om zonder prijs en zonder geld door ons te worden ontvangen, omdat het geld, of de prijs, reeds ten volle betaald is; in het vloeibaar goud van het bloed van de Godmens, Dat om niet ontvangen zijnde, mogen wij met verzekerde hoop wachten, totdat zij volkomen vervuld zijn, omdat: "Alle de beloften Gods in hem Ja en amen zijn Gode tot heerlijkheid" (2 Kor. 1:20).
3. God in Christus is een verheerlijkt God, gelijk God buiten Christus voor een zondaar een beledigd en onteerd God is; want God is in Christus een geëerd en verheerlijkt God. Christus, de wet vervuld, ja verheerlijkt hebbende, heeft een eeuwige gerechtigheid aangebracht; al die eer aan God en aan Zijn volmaaktheden, die de zonde heeft weggenomen, hersteld: "Dat ik niet geroofd heb moet ik alsdan wedergeven" (Ps. 69:5). Christus getuigt: "Ik heb u verheerlijkt op de aarde," namelijk op de aarde, waar U onteerd was. Waarom? "Ik heb voleindigd het werk, dat Gij Mij gegeven hebt om te doen" (Joh. 17:4). God in Christus is niet alleen een God Wiens goedertierenheid verheerlijkt is, maar ook Wiens waarheid gehandhaafd. Wiens heiligheid vermaard geworden, en Wiens rechtvaardigheid voldaan is, Wiens wijsheid en macht en andere eigenschappen in het verlossingswerk meer zichtbaar zijn geworden, dan zij ooit werden vertoond in het maken van de hemel en de aarde. Hij is in Christus een God, tot Wie wij mogen opzien om zaligheid door Christus, tot eer, tot de hoogste eer en heerlijkheid van al Zijn voortreffelijkheden.
4. God in Christus is een dichtbij ons komende God, en nauw aan ons verwant. In Christus komt hij genadig nabij, zeggende: "Ik breng Mijn gerechtigheid nabij, zij zal niet ver wezen, en Mijn heil zal niet vertoeven; maar Ik zal heil geven in Sion, aan Israël Mijn heerlijkheid" (Jes. 46:13). Hij komt nabij krachtens betrekking, zeggende: "Ik zal uw God zijn, en gij zult Mijn volk zijn," en dat, omdat Christus, in onze plaats als onze Borg tot God genaderd is: (Jer. 30:21) "Want wie is hij, die met zijn hart borg worde, om tot Mij te genaken, spreekt de Heere?" Daarom is die nauwe verwantschap beloofd: (vs. 22) "En gij zult Mij tot een volk zijn, en Ik zal u tot een God zijn." Deze nabijheid en deze nauwe betrekking van God tot ons in Christus, is een eeuwige nabijheid, en daarom mogen wij Hem horen zeggen: (Hebr. 13:5) "Ik zal u niet begeven en Ik zal u niet verlaten;" en mag de Kerk zeggen (Ps. 48:15), "Deze God is onze God eeuwiglijk en altoos; Hij zal ons geleiden tot van de dood toe." Zover over wat God in Christus is.
II. Ons tweede punt was, te onderzoeken hoe God in Christus is. Om dit op te helderen, kunnen wij overwegen:
1. Wat het is van God, dat in Christus is. 2. Hoe en op welke wijze God in Christus was en is. 3. Wat het is in Christus, daar God in is.
1e Wat het is van God, dat in Christus is. Ik zal mijzelf tot deze twee veelomvattende zaken bepalen, namelijk: 1. Al de Personen van de Godheid zijn in Christus. 2. Al de volheid van de Godheid is in Christus. Wij hebben hier een onderwerp voor diepe, gewichtige overdenkingen en overwegingen.
(1). Al de Personen van de Godheid zijn in Christus. Ik bedoel: God de Vader is in Christus: God de Zoon is in Christus; God de Heilige Geest is in Christus; één God, in drie Personen, is in Christus.
1. God de Vader is in Christus. (Joh. 14:10, 11) "Gelooft gij niet, dat Ik in de Vader ben, en de Vader in Mij is?" "Gelooft Mij, dat Ik in de Vader ben, en de Vader in Mij is." Hierom wordt Hij (in vs. 6) de Weg tot de Vader genoemd. Niemand kan tot de Vader komen dan door Hem, omdat de Vader in Hem is, namelijk de eerste Persoon van de heerlijke Drie-eenheid; wat nochtans niet uitsluit, dat Hij de Weg is tot de andere Personen van de heerlijke Drie-eenheid.
2. God de Zoon is in Christus. Gelijk God de Zoon Christus is, zo is ook God de Zoon in Christus; dat is te zeggen: God de Zoon, als de tweede Persoon van de heerlijke Drie-eenheid aangemerkt, is in Christus, aangemerkt als de Middelaar tussen God en de mens. De goddelijke Persoon van de Zoon is voor ons even ongenaakbaar, als de goddelijke Persoon van de Vader. Wij hebben dan ook een middelaar nodig tussen Hem en ons, zoals Hij God is, evenzeer als tussen de Vader en ons. Gelijk er toch een wezenlijke Eenheid is tussen Hem en de Vader: (Joh. 10:30) "Ik en de Vader zijn Één," zo is er ook een persoonlijke gelijkheid: (Filip. 2:6) "Die, in de gestaltenis Gods zijnde, geen roof geacht heeft Gode evengelijk te zijn." Daarom moest Zijn oneindige heiligheid en rechtvaardigheid zowel voldaan worden, als die van de Vader, door het doen en sterven van Christus, als Middelaar, anders konden wij nooit toegang tot God hebben. Aangezien Christus de Zoon evengelijk en van hetzelfde wezen met de Vader is, zo is Christus, als Middelaar, zowel de weg tot Zichzelf als God, als Hij de weg tot de Vader is; omdat Hij de weg tot God is. (1 Petr. 3:18) Want Christus heeft eens voor de zonde geleden, Hij rechtvaardig voor de onrechtvaardigen, opdat Hij ons tot God zou brengen. Door Hem geloven wij in God, Welke Hem opgewekt heeft uit de doden, en Hem heerlijkheid gegeven heeft, opdat ons geloof en hoop op God zou zijn" (1 Petr. 1:21). Daarom nodigt Hij ons, als Zaligmaker, Godmens, en Middelaar tussen God en de mens, tot Hem als God te komen: (Jes. 45:22) "Wendt u naar Mij toe, wordt behouden, alle gij einden der aarde; want Ik ben God en niemand meer." Als Middelaar is Hij het middel, door Wie, en als God is Hij het Einddoel, tot Wie wij komen. Zo kunt u zien hoe noodzakelijk het is, dat wij recht verstaan, en onderscheid maken tussen Christus, wezenlijk aangemerkt, wat betreft Zijn goddelijke natuur, en zoals Hij één met de Vader is; en persoonlijk aangemerkt, wat Zijn goddelijke Persoon betreft, zoals Hij evengelijk met de Vader is; en huishoudelijk, wat betreft Zijn goddelijk ambt van Middelaar, en zoals Hij Gods Knecht is in het werk van onze verlossing: Knecht, zowel van Zichzelf als van de Vader, aangezien Hij kwam om Zijn Eigen wet te vervullen, en Zijn Eigen rechtvaardigheid te bevredigen, in dit werk wordende aangemerkt als een tussenpersoon tussen God en de mens, en dat in tegenstelling daarmee, dat Hij de middelste Persoon is, tussen de Vader en de Heilige Geest.
3. God de Heilige Geest is in Christus. De derde Persoon van de heerlijke Drie-eenheid, die van de Vader en de Zoon uitgaat, is ook in Christus de wereld met Zichzelf verzoenende; want Hij is één God met de Vader en de Zoon: (1 Joh. 5:7) "Want Drie zijn er Die getuigen in de hemel, de Vader, het Woord en de Heilige Geest; en deze Drie zijn Één." Wanneer ik zeg, dat de Heilige Geest in Christus is, bedoel ik hier niet de buitengewone zalving met de Heilige Geest, waarvan de Schrift vermeldt, dat Hij met de Heilige Geest gezalfd is bovenmate, om Hem voor Zijn middelaarsambt te bekwamen; doch ik bedoel dit, dat de Heilige Geest, die één God is met de Vader en de Zoon, in Christus is: in Christus verzoend, in Christus voldaan, in Christus bevredigd, zowel als de Vader en de Zoon. God is één, en het is God, Vader, Zoon en Heilige Geest tegen Wie gezondigd is; en het is deze God, Vader, Zoon en Heilige Geest, Die verzoend is door het middelaarswerk en de voldoening van Christus, zodat wij, als deze verzoening niet was teweeggebracht, tot geen van de Personen van de heilige Drie-eenheid hadden kunnen naderen en aangenomen worden. De toegang is nu tot allen tegelijk ontsloten omdat de toegang tot God, of tot de goddelijke natuur die in al de drie Personen dezelfde is, is daargesteld.
Wanneer u overdenkt wat van God in Christus is, gedenkt dan, dat al de Personen van de Godheid in Christus zijn; en laat dit de misvattingen herstellen van hen, die droomden, dat Christus Middelaar is tussen God de Vader en ons; aangezien God, Vader, Zoon en Heilige Geest, die ene God is, tussen Wie en ons Christus Middelaar is. Wanneer wij, bij voorbeeld in het gebed, God, door Christus, aanspreken, zullen wij gewoonlijk, en dat behoren wij ook te doen, ons tot de Vader bij Name richten, omdat Hij de eerste Persoon is in orde van bestaan. Wij moeten er ons echter voor wachten te denken, dat wij tot Hem alleen bidden en niet tot de andere Personen. Welke van de drie Personen wij, naar de gelegenheid vereist, noemen, meent niet, dat Die alleen en geen Andere wordt aangebeden, zodat de Overigen worden uitgesloten; dit toch zou geen aanbidden zijn van de waarachtige God, Die één in Wezen, en drie in Personen, of in persoonlijk bestaan is. Wij kunnen niet recht een Persoon zien, zonder de Anderen te beschouwen, want, "die de Zoon ziet, ziet de Vader;" en die de Vader en de Zoon ziet, ziet de Heilige Geest, want de Vader is in de Zoon, en de Zoon is in de Vader, en de Heilige Geest is in Beiden. Het Voorwerp van aanbidding is één, namelijk, Vader, Zoon, en Heilige Geest, een God; en het Voorwerp van het geloof is Één, namelijk, God, Vader, Zoon, en Heilige Geest, in en door Christus. Het is een geestesdwaling eerst de ene Persoon te aanbidden en dan een andere, als waartoe de Paapse en kerkelijke formulieren aanleiding schijnen te geven: "Heere, ontferm U onzer; Christus ontferm U onzer," enz.; alsof er verscheidene Voorwerpen van aanbidding waren. Wij moeten er ons voor wachten God te aanbidden, alsof Zij onderscheiden voorwerpen van aanbidding waren, anders aanbidden wij niet de ware God. Het eigenlijk voorwerp is niet God en Christus als twee; maar God in Christus, en dus is het Voorwerp Één.
(2) Gelijk al de Personen van de Godheid in Christus zijn, zo is al de volheid van de Godheid in Hem: (Kol. 2:9) "Want in Hem woont al de volheid der Godheid lichamelijk." Ik zal hier drieërlei volheid vermelden, namelijk: Een volheid van Godheid; een volheid van genoegzaamheid; een volheid van werkdadigheid.
1. Een volheid van godheid, of van de Godheid; ja, al de volheid van de Godheid. Gods giften en genaden worden in anderen gevonden, maar de Godheid Zelf wordt in Christus gevonden; niet een gedeeltelijke, maar al de volheid van Christus, en dat lichamelijk, dat is, wezenlijk, zelfstandig, of persoonlijk. De Zoon is dezelfde persoonlijke natuur met de Vader, en de Arianen, die Christus van de eer van Zijn Godheid willen beroven, moeten voor hun godslastering verantwoording doen, aangezien er maar één Godheid, één Goddelijk Wezen is, de Vader, de Zoon, en de Heilige Geest.
2. Hij heeft een volheid van genoegzaamheid, benevens Zijn natuurlijke volheid als God: "Want het is des Vaders welbehagen geweest, dat in Hem (als Middelaar) al de volheid wonen zou" (Kol. 1:19). Gelijk Jozef de graanschuren van Egypte met koren vulde, en waartoe? Omdat niet alleen Egypte, maar ook alle omliggende volkeren in de tijd van de hongersnood daaruit van koren zouden worden voorzien; zo behaagde het God, dat in Christus alle volheid zou wonen, opdat alle Joden en heidenen tot Hem zouden komen om genade; alles moest door de hand van Jozef gaan, en zo tot Zijn volk komen. De zee is vol water, omdat alle rivieren hun water daaruit moeten ontvangen. De zon is vol licht, omdat zij licht aan de gehele wereld meedeelt; zo ook is Christus vol van genade, omdat Hij de Overbrenger van de genade moet zijn: Hij is gezalfd met vreugdeolie boven Zijn medegenoten. Daarom is deze volheid van genoegzaamheid in Christus, omdat er in Hem een volheid van godheid is. De menselijke natuur personeel met de Godheid verenigd zijnde, moet alle genade deelachtig zien. Het is noodzakelijk, dat in Hem een volheid van genoegzaamheid is, wegens Zijn drieërlei ambt. Als Profeet heeft Hij een volheid van wijsheid; als Priester heeft Hij een volheid van gerechtigheid; als Koning heeft Hij een volheid van macht. Daarom
3. Heeft Hij een volheid van werkdadigheid: zo’n vervullende volheid, waarmee alle gelovigen vervuld worden, welke Zijn gerechtigheid is: (Ef. 1:23) "De volheid van Hem, Die alles in allen vervult." Christus vervult in alle gelovigen al de vermogens van hun ziel: het verstand met licht; de wil met vrijheid; het hart met leven, elk lid van het lichaam van Christus wordt vervuld naar zijn mate: (Ef. 4:13) "De mate van de grootte der volheid van Christus." Allen hebben niet dezelfde maat. Het ene is vol als een arm, een ander is vol als een vinger, doch een ieder heeft de volheid van een lid, en alle samen maken zij de volheid uit van het verborgen lichaam van Christus. In één woord, al Gods zegeningen zijn in Christus; al Zijn vertroostingen, eigenschappen en beloften zijn in hem. Doch daarover hierna meer.
2. Laat ons ten tweede overwegen, hoe en op welke wijze God in Christus was en is.
1. God was in Christus in de raad des vredes, krachtens verbond, een verbond makende met Zijn Uitverkorene: van alle eeuwigheid een middel bereidende tegen dat verderf waarvan Hij voorzag, dat de mens daarin zou lopen. (Ps. 89:4) "Ik heb een verbond gemaakt met Mijn Knecht." Daarom wordt van de genade van het Nieuwe verbond gezegd, dat die ons is gegeven in Christus Jezus voor de tijden der eeuwen (2 Tim. 1:9).
2. God was in Christus in de belofte, krachtens vertegenwoordiging: (Gen. 3:15) "Het zaad van de vrouw zal de slang de kop vermorzelen." Gelijk Hij het zaad van de vrouw vertegenwoordigde, zo ook het zaad Abrahams in de belofte: (Gen. 22:18) "In uw Zaad zullen gezegend worden alle volken der aarde." "Nu zo zijn de beloftenissen tot Abraham en zijn zaad gesproken. Hij zegt niet: En de zaden, als van velen, maar als van één: En uw Zaad; welke is Christus" (Gal. 3:26).
3. God was in Christus in de ceremoniële wet, krachtens afschaduwing, het paaslam was een afschaduwing van het Lam Gods, Dat de zonde van de wereld wegneemt (Joh. 1:29). De ark des verbonds, schaduwde Christus de Middelaar van het Nieuwe verbond af. Het bloed van het zondoffer was een afschaduwing van het bloed van Christus, dat van alle zonde reinigt.
4. God was in Christus in Zijn vleeswording, werkelijk en volmaakt, krachtens de beide naturen van God en mens in één Persoon. Toen werd de belofte vervuld, toen gezegd werd: (Luk. 2:11) "Dat u heden geboren is de Zaligmaker, Welke is Christus de Heere, in de stad Davids."
5. God was in Christus in Zijn middelaarsbediening, krachtens gehoorzaamheid, beide in de dadelijke gehoorzaamheid in Zijn leven, en de lijdelijke gehoorzaamheid in Zijn sterven. Want Hij kwam om de wil te doen van Hem, Die Hem had gezonden, en werd gehoorzaam tot de dood, ja de dood des kruises (Filip. 2:8).
6. God was in Christus, in Zijn opstanding krachtens overwinning; want toen heeft Hij de dood teniet gedaan en het leven en de onverderfelijkheid aan het licht gebracht (2 Tim. 1:10). Ook "heeft Hij door de dood te niet gedaan dengenen, die het geweld des doods had, dat is de duivel" (Hebr. 2:14).
7. God was in Christus, in Zijn hemelvaart, op een zegepralende wijze; want, "toen Hij opvoer in de hoogte, heeft Hij de gevangenis gevankelijk gevoerd, en gaven genomen om uit te delen onder de mensen, ja ook de wederhorigen. om bij U te wonen, o Heere God" (Ps. 68:19). Gaven voor de mensen genomen hebbende, heeft Hij ook gaven aan de mensen gegeven, tot het werk van de bediening, en tot opbouwing des lichaams van Christus (Ef. 4:12).
8. God is in Christus, in Zijn koninkrijk, op een heerlijke wijze, waar Hij nu gezien wordt met heerlijkheid en eer gekroond (Hebr. 2:9). "Omdat Hij Zichzelf vernederd heeft, gehoorzaam geworden zijnde tot de dood, ja de dood des kruises; daarom heeft Hem ook God uitermate verhoogd en heeft Hem een naam gegeven, welke boven allen naam is" (Filip. 2:8, 9).
3e Men zou kunnen vragen: wat het is van Christus, daar God in is.
1. God is in de menselijke natuur van Christus: Het Woord is vlees geworden" (Joh.1:14); "God is geopenbaard in het vlees" (1 Tim. 3:16). Dit is de bijzondere wijze waarop God in Christus is, door de vereniging van God en mens in Christus, in één Persoon. Zijn menselijke natuur is Gods tempel, daar Hij woont, zijn genadetroon. daar Hij zetelt, Zijn troon, daar Hij genadig en heerlijk regeert. O! Wat is dit een goede tijding: God is in onze natuur: God is in ons vlees!
2. God is in de middelaarsambten van Christus. Elk ambt van Christus is een woning Gods. De wijsheid Gods is in Zijn profetisch ambt; de gerechtigheid Gods is in Zijn priesterlijk ambt; de kracht Gods is in Zijn koninklijk ambt. Daarom wordt Hij de kracht Gods, de wijsheid Gods en de gerechtigheid Gods genoemd.
3. God is in de Naam van Christus. Er is geen Naam, die Christus heeft, of wij zouden er, als wij die gelovig konden beschouwen, God in vinden. Is Zijn Naam Immanuël? God is daar, als God met ons. Is Zijn Naam Jezus? God is daar, als een Zaligmaker voor ons. Is Zijn Naam Christus? God is daar, Hem zalvende om zondaren zalig te maken. Omdat God in Zijn Naam is, daarom is Zijn Naam een olie, die uitgestort wordt. (Hoogl. 1:3).
4. God is in de gemeente van Christus; daarom wordt haar naam genoemd: Jehovah schammah, de Heere is daar" (Ezech. 48:35). In de onzichtbare Kerk is God in ieder lid van Christus, in elke vriend en navolger van Christus. Hoe meer zij de voetstappen van Christus volgen, hoe meer van God in en bij hen gezien wordt. Wanneer zij veel van Christus in zich hebben, dan is het soms voor de toeschouwers zichtbaar, dat God waarlijk in hen is (1 Kor. 14:25).
5. God is in de schat van Christus; "al de schatten der wijsheid en der kennis zijn in Hem verborgen" (Kol. 2:3). Al de schatten van genade en heerlijkheid, al de schatten van licht, en leven, en geestelijke zegeningen, die Hij verworven heeft; God is in die alle; ja, God Zelf is het Al van de schat, die in Hem is.
6. God is in het kruis van Christus, zowel in het ergste als in het beste van Christus. Daarom roemt de apostel in het kruis van Christus (Gal. 6:14), en roemt Zijn volk in de verdrukkingen (Rom. 5:3). Wanneer Hij een roede, een kruis, een beproeving voor Zijn volk bestelt, is God daarin, zodat de hitte van de verdrukking slechts dient om hun schuim op het aller reinste af te zuiveren. Een verzoend God is in het kruis van Christus. Dat maakt het zo licht en gemakkelijk, zo zoet en draaglijk, zo weldadig en voordelig, dat het onder de beste van hun zegeningen behoort: "Het is mij goed, dat ik verdrukt ben geweest." "Welgelukzalig is de man, o Heere, die Gij tuchtigt, en die Gij leert uit Uw wet." De beker mag bitter zijn voor vlees en bloed, maar de dood is er niet in; neen, God is er in, Zijn zegen is er in, en Zijn Geest is er in, als het een kruis van Christus is.
7. God is in het werk van Christus. Niet alleen in het werk van zijn schepping en voorzienigheid, waarvan Christus de Werker en Onderhouder is, is God te zien in Zijn oneindige kracht en wijsheid, maar in het bijzonder in Zijn werken van genade en verlossing. God is in Zijn werk, dat Hij voor ons werkt. Evenals God in al Zijn wonderen was, zo was Hij ook in hetgeen Hij op aarde deed, en in Zijn sterven, en is Hij in Zijn voorspreken en voorbidden in de hemel. God is in deze Zijn werken: "Het zijn de daden des Heeren, en het is wonderlijk in onze ogen." God is in Zijn werk, dat Hij in ons werkt, wanneer Hij zondaren komt te overtuigen en bekeren, en hen tot Zich trekt. O vrienden! De vinger Gods is daarin; dan wordt de arm des Heeren geopenbaard" (Jes. 53:1).
8. God is in het Woord van het Evangelie van Christus. Wanneer Christus in dit Evangelie wordt aangeboden, dan wordt God in Hem aangeboden. O! Wanneer de openbaring van het Evangelie krachtdadig is, dan is het de kracht Gods tot zaligheid (Rom. 1:16). Zo zijn er enige uitwendig zichtbare dingen, waarin u de onzienlijke God kunt zien en onderscheiden, indien het de dingen van Christus zijn, zoals: het Evangelie van Christus, het gepredikte Woord, de uitwendige bedeling van het Evangelie en het geschreven Woord. Zegt niet, dat God ver is, als het Woord nabij u is in uw mond en in uw hart (Rom. 10:8).
9. God is in het hart van Christus. De liefde Gods toch is in Zijn hart, en de wet Zijns Gods is in Zijn hart: (Ps. 40:9) "Ik heb lust, o Mijn God, om Uw welbehagen te doen, en Uw wet is in het midden Mijns ingewands. Gelijk Christus in de schoot van de Vader is, zo is de Vader als het ware in Zijn schoot, in het midden Zijns ingewands. Als u in het hart van Christus kon zien, zoudt u daar niets zien dan God, liefde tot Gods wet, tot Gods eer.
10. God is in de handen van Christus. Gelijk God in het hart van Christus is, zodat Hij de grootste Liefhebber van God is, zo is God ook in de handen van Christus, zodat Hij de enige Gever van God is. Wat is de grote gift van het Nieuwe verbond? God Zelf is de grote Gift, volgens die belofte: "Ik zal uw God zijn." Wie is de gever van zo’n grote gift? Wie anders dan Christus, in Wiens handen alle dingen gegeven zijn, alle goederen en zegeningen van het Nieuwe verbond, namelijk Hij, Die God gegeven heeft tot een Verbond des volks. Het is vreemd, en toch waarachtig, Christus is de grote Gift van God, en God is de grote Gift van Christus. God geeft ons Christus, en dan geeft Christus ons God. Hij geeft God, en Hij geeft Zichzelf, en Hij geeft Zijn Geest. Hij komt met al deze dingen in Zijn handen en biedt ze ons om niet aan, onder het begrip van levende wateren: "En die dorst heeft, kome; en die wil, neme het water des levens om niet" (Openb. 22:17). Zo heb ik u er iets van doen zien, hoe God in Christus is.
III. Ons derde punt was, aan te tonen, dat God alleen in Christus een welbehagen heeft. Dit zal duidelijk blijken, als wij overwegen 1. Wat God ten opzichte van Christus Zelf heeft gedaan. 2. Wat Hij doet voor Zijn volk, in Hem.
1. Laat ons overwegen wat Hij gedaan heeft ten opzichte van Christus Zelf.
1. Hij heeft Zijn goedkeuring van Zijn Persoon, en van hetgeen Hij op Zich heeft genomen, plechtig van de hemel uitgeroepen, op drie verschillende tijden, met een hoorbare stem, namelijk, bij Zijn doop, bij de verheerlijking op de berg, en bij de aanvang van Zijn lijden: "Deze is mijn geliefde Zoon, in Dewelke Ik Mijn welbehagen heb." Hiermede in overeenstemming is die openlijke afkondiging: (Jes. 42:1) "Ziet Mijn Knecht, Die Ik ondersteun; Mijn Uitverkorenen, in Dewelke Mijn ziel een welbehagen heeft."
2. Hij heeft Hem uit de kerker van het graf vrijgelaten, waarin Hij, als onze Borg, voor een tijd was opgesloten. (Jes. 53:8) "Hij is (Engelse overzetting) uit de kerker en uit het gericht weggenomen." Hij is daaruit weggenomen krachtens een openbaar vonnis, dat een ontwijfelbaar bewijs was, dat de schuld, waarvoor Hij in de kerker was geworpen, ten volle betaald was, en dat het rantsoen de Heere welbehaaglijk was. Hierom is het zeer opmerkelijk, dat de opstanding van Christus aan God, als verzoend, wordt toegeschreven. Er staat geschreven, (Hebr. 13:2) dat de God des vredes, de Heere Jezus Christus, de grote Herder der schapen, uit de doden heeft teruggebracht."
3. Het gezag, de macht, en de eer, waarmee onze Borg bekleed is, als het loon voor Zijn zware arbeid, is een bewijs, dat God een welbehagen in Hem heeft.
Vraagt u welke beloning Hij Hem verleend heeft;
Dan antwoord ik: (1) Hij heeft Hem aan Zijn rechterhand gezet in de hoogste hemelen: (Hebr. 12:2) "Ziende op de overste Leidsman en Voleinder des geloofs Jezus, Dewelke voor de vreugde, die Hem voorgesteld was, het kruis heeft verdragen en schande veracht, en is gezeten aan de rechterhand des troons Gods." De martelaar Stefanus zeide in zijn laatste woorden: (Hand. 7:56) "Ziet, ik zie de hemelen geopend en de Zoon des mensen staande ter rechterhand Gods." Als Hij niet in de tegenwoordigheid van Zijn Vader was toegelaten, dan zou dat een teken zijn geweest, dat zijn toorn nog ontstoken was, beide tegen de Borg en de schuldige; doch, dat Hij weer werd toegelaten tot die heerlijkheid, die Hij bij de Vader had, eer de wereld was, is een bewijs, dat Hij Zijn welbehagen in Hem had.
(2). Hij vereert Hem met een volkomen overwinning over al Zijn vijanden. Hij doet al de machten van de hel voor Hem in het stof bukken: (Ps. 110:1) "De Heere heeft tot mijn Heere gesproken: Zit aan Mijn rechterhand, totdat Ik Uw vijanden zal gezet hebben tot een voetbank Uwer voeten." (Filip. 2: 10) In de Naam van Jezus zouden zich buigen alle knieën van degenen, die in de hemel, en die op de aarde, en die onder de aarde zijn. Toen de mens zondigde gaf God de macht van de dood aan de duivel, als zijn beul, over, doch de gerechtigheid van de Borg is Hem zo’n lieflijke reuk, dat Hij de sleutelen des doods de duivel ontrukt en ze onze Verlosser ter hand stelt. Daarom roept Christus het als een goede tijding voor al Zijn vrienden uit: (Openb. 1:17, 18) "Vreest niet: Ik ben de Eerste, en de Laatste; en Die leeft, en Ik ben dood geweest, en ziet Ik ben levend in alle eeuwigheid. Amen. En Ik heb de sleutels der hel en des doods."
(3) Hij doet hem niet alleen al de machten van de hel overwinnen, doch Hij bekleedt Hem, als Middelaar, met een voortreffelijkheid boven al de engelen in de hemel; "ver boven alle overheid, en macht, en kracht, en heerschappij, en allen naam, die genaamd wordt, niet alleen in deze wereld, maar ook in de toekomende." "Zoveel treffelijker geworden dan de engelen, als Hij uitnemender naam boven hen geërfd heeft" (Hebr. 1:4). "En als Hij wederom de Eerstgeborene inbrengt in de wereld, zegt Hij: en dat alle engelen Gods Hem aanbidden" (vs. 6), Getuigt dit niet, dat God een welbehagen in Hem heeft?
(4) Hij heeft Hem met alle rechterlijk gezag bekleed, en Hem aangesteld tot de enige Rechter van de wereld; "want ook de Vader oordeelt niemand, maar heeft al het oordeel de Zoon gegeven" (Joh. 5:22). "Daarom, dat Hij een dag gesteld heeft, op welke Hij de aardbodem rechtvaardig zal oordelen, door een Man, Die Hij daartoe geordineerd heeft" (Hand. 17:31).
2e Laat ons in de tweede plaats overwegen wat Hij voor Zijn volk doet, voor wie Christus Borg is geworden. Het zal dan daaruit blijken, dat God in Hem een welbehagen heeft.
1. In Hem, en om Zijnentwil, vergeeft Hij al hun zonden. "Welke God voorgesteld heeft tot een verzoening door het geloof in Zijn bloed, tot een betoning van Zijn rechtvaardigheid, door de vergeving der zonden"
2. In Hem, en om Zijnentwil, hoort Hij hun gebeden. (Openb. 8:3, 4) "En daar kwam een andere Engel, en stond aan het altaar, hebbende een gouden wierookvat; en Hem werd veel reukwerk gegeven, opdat Hij het met de gebeden aller heiligen zou leggen op het gouden altaar, dat voor de troon is. En de rook des reukwerks met de gebeden der heiligen ging op van de hand des Engels voor God." Dit is het reukwerk, dat ze welbehaaglijk voor God maakt, en zonder hetwelk zij een gruwel zijn.
3. In Hem, en om Zijnentwil, laat Hij hen in Zijn gemeenschap toe: (Hebr. 10:19-22) "Omdat wij dan, broeders, vrijmoedigheid hebben om in te gaan in het heiligdom door het bloed van Jezus, op een verse en levende weg, welke Hij ons ingewijd heeft door het voorhangsel, dat is, door Zijn vlees; en omdat wij hebben een grote Priester over het huis Gods: Zo laat ons toegaan met een waarachtig hart, in volle verzekerdheid des geloofs."
4. In hem, en om Zijnentwil, hebben zij de aanneming tot kinderen, met al de voorrechten, die daaraan verbonden zijn. (Gal. 4:4, 5) "Maar wanneer de volheid des tijds gekomen is, heeft God Zijn Zoon uitgezonden, geworden uit een vrouw, geworden onder de wet; opdat Hij degenen, die onder de wet waren, verlossen zou, en opdat wij de aanneming tot kinderen verkrijgen zouden."
5. In Hem, en om Zijnentwil, hebben zij ten laatste de toegang tot de heerlijkheid. De gerechtigheid van Christus neemt de sluitboom, dat is de zonde, weg, waardoor de poorten van de hemel voor ons gesloten waren. (Hebr. 2:10) "Hij heeft Christus, de overste Leidsman hunner zaligheid, door lijden geheiligd, opdat Hij vele kinderen tot de heerlijkheid zou leiden."
IV. Ons vierde punt was, dat wij ons onderwerp zullen toepassen, en wij zullen dat doen:
1e Bij wijze van onderrichting. Is God in Christus? Laat ons dan God hier zien. Hier is de spiegel, waarin al de goddelijke heerlijkheid is te zien. In Christus kunnen wij God zien in al Zijn eigenschappen en in Zijn volheid; in al Zijn zaligmakende ambten en in Zijn betrekkingen tot ons; in al Zijn genaden en in al Zijn zegeningen.
1 In Christus is God te zien in al Zijn eigenschappen en in Zijn volheid. Er is niets, dat de Vader heeft, uitgenomen Zijn persoonlijkheid, dat niet de Zoon, als Middelaar, heeft: "Al wat de Vader heeft is Mijne" (Joh. 16:15); alles wat God heeft, behoort ook de Middelaar, de Godmens, toe. Hier is een oceaan, waarin u en ik voor eeuwig zouden kunnen induiken, zonder ooit de bodem te bereiken. In Hem kunnen wij de wijsheid Gods zien, "in Hem zijn al de schatten der wijsheid en der kennis verborgen" (Kol. 2: 3). Arme, dwaze zondaar, die geen wijsheid, kennis of verstand hebt, hier is een schat voor u: Christus, de wijsheid Gods. (1 Kor. 1:23, 24) "Doch wij prediken Christus de gekruisigde, den Joden wel een ergernis, en den Grieken een dwaasheid: maar hun, die geroepen zijn, beide Joden en Grieken, prediken wij Christus, de Kracht Gods en de Wijsheid Gods." Arme zwakke, die niets kunt doen, hier kunt u een goede koop sluiten: "Hij is het, Die in u kan werken, beide het willen en het werken, Die een zeer gewillig volk maakt op de dag Zijner heirkracht." U wordt niet geroepen anders tot Christus te komen, dan door de kracht van Christus, dat is, door de kracht Gods. U moet Hem aannemen, Die u macht kan geven Hem aan te nemen, en als iemand, die volstrekt van alle kracht ontbloot is, Zijn sterkte aangrijpen, en uitzien naar de kracht van Hem, aan Wie alle macht gegeven is in de hemel en op aarde. In Hem kunnen wij al de heiligheid van God zien. Van Hem staat geschreven, dat Hij ons van God geworden is heiligmaking; en hier is waarlijk een onmetelijke fontein van heiligheid, de oneindige heiligheid Gods. O arme, snode, vuile zondaar, die, door de val van de eerste Adam, het beeld Gods, en Zijn onvolmaakte heiligheid hebt verloren, hier is een beter Hoofd en een betere Man voor u, in Wie al de volheid van de goddelijke heiligheid is, opdat u volmaakt mag zijn in Hem. In Hem kunnen wij al de rechtvaardigheid en al de gerechtigheid Gods zien. Wij kunnen zien, dat de rechtvaardigheid in Hem voldaan is door Zijn middelaars gerechtigheid; want de Heere heeft lust aan Hem om van Zijner gerechtigheidswille, ja, Hij, Die de gerechtigheid Gods is, is ons geworden rechtvaardigheid van God. En, o wonderlijk woord! (2 Kor. 5:21) "Want Dien Die geen zonde gekend heeft, heeft Hij zonde voor ons gemaakt, opdat wij zouden worden rechtvaardigheid Gods in Hem." O schuldige, schuldige zondaar! Hier is een blij geklank in uw oren. "Die oren heeft om te horen, die hore:" U kunt in Christus, meer gerechtigheid in de ogen Gods zijn, dan u ooit in Zijn ogen schuldig was; ja, in Hem, kunt u de gerechtigheid van God zijn. Niet alleen, dat u gerechtvaardigd kunt worden, maar u kunt ervaren, dat God rechtvaardig is in u te rechtvaardigen, omdat de rechtvaardigheid Gods in Hem is en in Hem is bevredigd, groot gemaakt, en verheerlijkt In Hem kunnen wij al de barmhartigheid Gods zien. Al de oneindige liefde, de ontferming en het medelijden Gods is in Hem, in Zijn hart. Wat is Christus anders, dan de liefde Gods, ingewikkeld in klederen van vlees en bloed? Hierin is de liefde Gods jegens ons geopenbaard, dat God Zijn eniggeboren Zoon gezonden heeft in de wereld, opdat wij zouden leven door Hem. Hierin is de liefde, niet dat wij God liefgehad hebben, maar dat Hij ons lief heeft gehad, en Zijn Zoon gezonden heeft tot een verzoening voor onze zonden" (1 Joh. 4:9, 10). "Bewaart uzelf in de liefde Gods" (Jud.: 21). Hoe? "Verwachtende de barmhartigheid van onze Heere Jezus Christus tot het eeuwige leven." O arme, ellendige zondaar! zoudt u genade willen vinden in het uur van de doods, en barmhartigheid verkrijgen in de grote dag? Weet, dat u geen barmhartigheid kunt verwachten van een God buiten Christus, en tenzij u ziet op Zijn ontferming, zoals die in Christus is. Nooit zal Hij barmhartigheid bewijzen met benadeling van Zijn rechtvaardigheid, want het is alleen in Christus, dat goedertierenheid en waarheid elkaar ontmoet, en gerechtigheid en vrede elkaar gekust hebben. In Hem kunnen wij al de getrouwheid en waarheid Gods zien: "Mijn getrouwheid en Mijn waarheid zullen met Hem zijn". (Ps. 89:25). Ik heb opgemerkt, dat er tussen dertig en veertig schriftuurplaatsen zijn, waarin goedertierenheid en waarheid, goedertierenheid en getrouwheid samengevoegd zijn, en hier ziet u, dat zij in Christus zijn samengevoegd. In Hem vinden de goedertierenheid en liefde Gods een uitweg tot verheerlijking van de goddelijke waarheid, die verpand is in al de bedreigingen van de wet, zowel als de goddelijke waarheid verpand is in al de beloften van het Evangelie, omdat in Hem al de bedreigingen en vloeken van de wet hun kracht verteerd hebben: (Gal. 3:13) "Christus heeft ons verlost van de vloek der wet, een vloek geworden zijnde voor ons." (2 Kor. 1:20) "Want zo vele beloften Gods als er zijn, die zijn in Hem Ja, en zijn in Hem Amen, Gode tot heerlijkheid door ons." Hij is de weg en de waarheid; de waarheid zelf, de God der waarheid, de waarheid Gods. O trouweloze, ongelovige, ontrouwe, en verraderlijke zondaar, die vele malen de God der waarheid hebt belogen, zoudt u willen, dat uw valsheid geheel werd weggedaan en verzwolgen in de waarheid en de waarheidsliefde van God, en uw zaligheid vastgemaakt, niettegenstaande uw valsheid, wispelturigheid, en onstandvastigheid? Hier is een steunpilaar, waarop u, temidden van alle wisselingen, hetzij in uw inwendig lot, of uw inwendige gestalte, vast kunt staan, want "Alle vlees is gras, maar het Woord onzes Gods bestaat in der eeuwigheid." Het Woord Gods blijft onveranderlijk hetzelfde. In Hem is al het gezag van God te zien: (Exod. 23:21) "Mijn Naam is in het binnenste van Hem." O arme verloren zondaar, wanneer Christus in Zijn Evangelie komt, om te zoeken en zalig te maken wat verloren was, zeg niet: Op welk gezag doet Hij deze dingen? Hij is de Gezondene en Verzegelde van God, en Hij heeft al het gezag, dat God Hem kan geven. En vraagt u, op wiens gezag wij, die arme sterfelijke wormen zijn, evenals u, Hem u aanbieden, met al Zijn rijkdommen? Wij konden waarlijk geen gezag hebben, als Hij niet had gezegd: "Gaat heen in de gehele wereld, predikt het Evangelie allen creaturen, en ziet, Ik ben met ulieden al de dagen tot de voleinding der wereld." In één woord, in Hem is al de volheid Gods te zien: "Want het is des Vaders welbehagen geweest, dat in Hem al de volheid wonen zou." In Hem woont al de volheid van de Godheid lichamelijk; niet alleen al de eigenschappen Gods, maar al de volheid van al de goddelijke eigen~ schappen. Niet alleen de wijsheid Gods, maar al de volheid van de goddelijke wijsheid: niet alleen de kracht Gods, maar al de volheid van de goddelijke kracht; niet alleen de heiligheid Gods, maar al de volheid van de goddelijke heiligheid: niet alleen de rechtvaardigheid en gerechtigheid Gods, maar al de volheid van de goddelijke gerechtigheid: niet alleen de goedertierenheid Gods, maar al de volheid van de goddelijke goedertierenheid; niet alleen de waarheid en getrouwheid Gods, maar al de volheid van goddelijke getrouwheid: niet alleen het gezag van God, maar al de volheid van goddelijk gezag; niet alleen is God in Hem, maar al de volheid van de Godheid. O arme, lege zondaar! Hier zijn onuitsprekelijke rijkdommen, hier is een bodemloze put van eeuwige zaligheid en vertroosting voor u.
2. In Christus zien wij God, in al Zijn zaligmakende ambten. U weet, dat de Vader Hem gezalfd heeft tot de ambten van Profeet, Priester en Koning. O vrienden, welk werk wilt u Hem in handen geven? Hij is het, als Profeet, Die zegt: "Zij zullen allen van God geleerd zijn;" ziet tot Hem op om de beloofde onderwijzing. Hij is het, als Priester, Die op grond van de offerande, Die Hij heeft opgeofferd, zegt: Ik ben het, Die uw ongerechtigheid vergeef, om Mijns Naams wil; ziet op Hem om vergeving in Zijn bloed. Hij is het, als Koning, Die zegt: Ik zal uw ongerechtigheden dempen; de zonde zal over u niet heersen". O onwetende zondaar! Zal dat in uw hart opkomen, zo’n Profeet af te wijzen als Christus is? Wie is een Leraar, gelijk Hij?" O schuldig zondaar, zult u zo’n Hogepriester afwijzen, als Deze is? Zo’n offerande als Deze? O slaaf geworden zondaar! Zult u de hulp weigeren van zo’n Koning en Overwinnaar, als Deze is. Indien geen van deze ambten kan worden gemist, grijpt Hem dan aan in die alle.
3. In Christus kunnen wij God zien, zoals Hij bekleed is met alle betrekkingen, die tot de zaligheid van een zondaar kunnen bijdragen. Welke vriend of betrekking mist u? O zondaar! Mist u een vader om zich over u te ontfermen? Ziet, hier hebt u een eeuwige Vader, want dat is Zijn Naam (Jes. 9:6. Engelse overzetting); "immers zal een wees bij Hem ontfermd worden." Mist u een moeder om teer over u te zijn? Ziet, hier kunnen de moederloze kinderen hun verlies vergoed krijgen. Wanneer vader en moeder u verlaten, is hier iemand om u aan te nemen (Ps. 27:10). Hij is iemand, die u duizendmaal beter kan zijn dan vader en moeder, en meer liefde betoont dan de teerste moeder, die er ooit geweest is. (Jes. 49:15) "Kan ook een vrouw haar zuigeling vergeten, dat zij zich niet ontferme over de zoon haars buiks? Ofschoon deze vergate, zo zal Ik toch uwer niet vergeten." Mist u een man? O, wat zoudt u er van denken, met de Erfgenaam van alles getrouwd te zijn? Wel, als het oor van het geloof geopend is, kunt u Hem horen zeggen: "Uw maker is uw Man" (Jes. 54:5), en, (Hos. 2:18) "Ik zal u Mij ondertrouwen in eeuwigheid." Zegt u: Maar zal dat bestaanbaar zijn met de rechtvaardigheid Gods, dat Hij zo’n zwarte bruid trouwt? Wel, zegt Hij: "Ik zal u mij ondertrouwen in gerechtigheid." En zegt u: Maar hoe zal het kunnen bestaan met de wijsheid, goedertierenheid, waarheid en getrouwheid Gods, Zich zo iemand te ondertrouwen als ik ben? Hij zegt: "Ik zal Mij u onderbouwen in gericht, en in goedertierenheid en in barmhartigheden. En Ik zal Mij u ondertrouwen in geloof, en gij zult de Heere kennen." U zult God in Christus kennen, Die u Hem kan ondertrouwen, en toch oneindig wijs, en goedertieren, en getrouw kan zijn in dat te doen; omdat de goedertierenheid en getrouwheid elkaar hebben ontmoet in Christus, de heerlijke Bruidegom; zij hebben zich aan elkaar verbonden, en elkaar omhelsd, opdat niets de verbintenis tussen Christus en u zou kunnen verhinderen. Ontbreekt u dan, o zondaar, een geschikte huwelijkspartij, of een gepaste hulp, arme bankroetier? Loop, als u zo diep in de schuld steekt, tot de wet en de rechtvaardigheid Gods. Is niet Hij, Die onnaspeurlijke rijkdommen heeft, een geschikte Partij voor u? Arme sterveling, die binnenkort tot voedsel voor de wormen zult zijn, hier is een levend Hoofd voor u, Die kan maken, dat u eeuwig leeft. O sterfelijke worm, hier is een onsterfelijke Man voor u. Arm, veranderlijk schepsel, hier is een onveranderlijk Partner voor u: Christus, "gisteren en heden dezelfde en in der eeuwigheid." Ontbreekt u een liefhebber? Bent u een verschoppeling, die uzelf beschouwt als iemand, die door de hele wereld veracht wordt, zodat niemand om u geeft, of u lief heeft? Ziet, hoe een oneindige liefhebbende en beminnelijke Jezus u Zijn liefde biedt, zeggende: "Ik zal uw afkeringen genezen, Ik zal u vrijwillig liefhebben" (Hos. 14:5). Hij zoekt uw huwelijksliefde, zeggende: "Mijn zoon geef Mij uw hart." Hebt u een leidsman nodig, door de donkere en moeilijke paden van uw weg, een gids, een wegwijzer en raadsman, in elke zaak, die u op de handen gezet is, waarin u nodig hebt bestuurd te worden? O vrienden! Hier is de wonderlijke Raad, die zegt: (Jes. 42:16) "Ik zal de blinden leiden door de weg, die zij niet geweten hebben, Ik zal ze doen treden door de paden, die zij niet geweten hebben; Ik zal de duisternis voor hun aangezicht tot licht maken en het kromme tot recht; deze dingen zal Ik hun doen en Ik zal hen niet verlaten." Hebt u een herder nodig, om u te weiden? Of een overste, om uw krijgen te krijgen? Hebt u behoefte aan een heelmeester, wanneer u krank bent, om u te genezen? Of iemand, om u te louteren en te reinigen, wanneer u in de oven bent, om uw schuim van u weg te nemen? Ziet, een God in Christus heeft al die betrekkingen, welke u kunt wensen.
4. In Christus zien wij God in al Zijn genaden. Dit is een groot deel van de heerlijkheid van de Eniggeborene des Vaders, dat Hij vol is van genade en waarheid; (Joh. 1:14, 16) "En uit Zijn volheid hebben wij allen ontvangen, ook genade voor genade." "Genade is uitgestort in Zijn lippen" (Ps. 45:3), en ik hoop, dat Hij heden van Zijn lippen, door Zijn Woord, genade uitstort onder sommigen van ons. De Geest des Heeren is op Hem, want Hij heeft Hem gezalfd; Hij is gezalfd met vreugdeolie boven Zijn medegenoten; gezalfd met de Geest van alle genade. Ontbreekt u genade om te geloven? Ziet, zij is in Hem, zoals Hij het is, Die het geloof werkt. Hebt u genade nodig, om u te bekeren? Die is in Hem, Die God verhoogd heeft tot een Vorst en Zaligmaker, om te geven bekering en vergeving van zonden. Mist u genade, om te bidden? Hij kan over u uitstorten de Geest der genade en der gebeden (Zach. 12: 10). Ontbreekt u genade om recht avondmaal te houden; genade om de zonde af te sterven; genade om het kruis te dragen; genade om de verzoekingen te weerstaan; genade om te doen en te lijden? Hij heeft alle genade, om die te schenken, Die zegt: "Mijn genade is u genoeg." Daarom wordt Zijn volk vermaand, gesterkt te worden in de genade, die in Christus Jezus is.
5. In Christus kunnen wij God zien in al de zegeningen, die Hij heeft te geven. Hij is de Heere, de Uitdeler van tijdelijke zegeningen; want, "de aarde is des Heeren, en haar volheid." Hij is de Uitdeler van geestelijke zegeningen, want de hemel en zijn volheid is Zijne. Hij is de Uitdeler van eeuwige zegeningen; want het eeuwige leven is in Hem: "Hij is de waarachtige God en het eeuwige leven." Van Hem was beloofd, dat mensen in Hem zouden gezegend worden, en dienovereenkomstig is Hij gezonden, om ons te zegenen: (Hand. 3:26) "God, opgewekt hebbende Zijn kind Jezus, heeft Dezelve eerst tot u gezonden, dat Hij ulieden zegenen zou daarin, dat Hij een ieder van u afkere van zijn boos~ heden." Ik zou hier vele bijzondere zegeningen kunnen opnoemen: De zegen van verlichting is in Hem, want "Hij is een Licht tot verlichting der heidenen." De zegen, om met Hem te verkeren is in Hem, want Hij zegt: "Zo wanneer Ik van de aarde zal verhoogd zijn, zal ik ze allen tot Mij trekken." De zegen van rechtvaardigmaking is in Hem, want "wij worden om niet gerechtvaardigd, uit Zijn genade." De zegen van verzoening met God is in Hem, want Hij is het, Die vrede gemaakt heeft door het bloed Zijns kruises. De zegening van heiligmaking is in Hem, want "Hij is ons van God geworden tot heiligmaking." De zegening van aanneming bij God is in Hem, want "Hij heeft ons begenadigd [of aangenaam gemaakt] in de Geliefde." De zegening van toegang tot God is in Hem, want, in Hem hebben wij de vrijmoedigheid, en de toegang met vertrouwen door het geloof aan Hem. De zegen van vertroosting is in Hem, want, Hij is de vertroosting Israëls." De zegen van een gelukzalige dood is in Hem, want, "Zalig zijn de doden, die in de Heere sterven." De zegening van een zalige opstanding is in Hem, want "Hij is de Opstanding en het Leven." De zegening van een verblijdend vonnis in de grote dag is in Hem, want al het oordeel is Hem gegeven, Die tot de goddelozen zal zeggen: "Gaat weg van Mij, gij vervloekten," en tot de rechtvaardigen: "Komt gij gezegenden Mijns Vaders." De zegening van eeuwige verheerlijking is in Hem, want, gelijk Hij de heerlijkheid van het Hogerhuis is, zo zegt Hij: "Vader, Ik wil, dat daar ik ben, ook die bij Mij zijn, die Gij Mij gegeven hebt, opdat zij mijn heerlijkheid mogen aanschouwen; en zo zullen zij altijd met de Heere wezen," Kunt u mij enigerlei geestelijke zegening noemen, die niet in Hem is? Neen! (Ef. 1:3) "Wij worden gezegend met alle geestelijke zegeningen in de hemel in Christus." En nu, na dit alles, wat denkt u van Hem? Hebt u geen lust om zo’n welvoorziene Zaligmaker de hand te geven, in Wie al de volheid der Godheid lichamelijk woont? Als uw hart niet geneigd is zo’n goede koop te doen, is dit zeer droevig; doch, omdat het een dag van goede tijding is, wil ik u, onder al het andere, ook nog dit verkondigen dat alle harten in Zijn hand zijn, en dat het Zijn voorrecht is het gesloten hart te ontsluiten. Het valt Hem gemakkelijk een rein hart te scheppen, het harde hart week te maken, het dwalende hart vast te stellen, het vuile hart te reinigen, het verslagen hart op te richten, het wederstrevige hart te overwinnen, het dode hart levend te maken, het afkerige hart te trekken. Als iets uw hart tot Hem zal trekken, dan zal het de openbaring zijn van Zijn genade en volheid, en daarvan, dat God in Hem is en in Hem een welbehagen heeft.
In het licht van deze waarheid, dat God in Christus is, kunnen wij verder nog zien:
I. Hoe weinig van God in het tegenwoordig geslacht is; want indien God in Christus, en alleen in Christus is, dan is een geslacht, dat zonder Christus is, zonder God. Een Christusloos geslacht is een Godloos geslacht. God wordt niet gevonden waar Christus niet gevonden wordt. Als Christus niet in een huisgezin is, dan is God daar niet; als Christus niet in het hart is, dan is God daar niet; als Christus in een preek gemist wordt, dan wordt God daarin gemist. Waar Christus erkend wordt, daar wordt God erkend; waar Christus onteerd wordt, wordt God onteerd; waar Christus weg is, daar is God weg, want God is in Christus. En, o! is het niet al te duidelijk. dat God weg is van onze adel, wanneer Christus onder hen wordt verworpen, onteerd en geminacht? Dat God weg is van de burgerij en van de grote hoop van de mensen, wanneer Christus zo weinig gekend en bemind wordt? God wordt niet gevonden onder de Arianen: en waarom niet? Zij beroven Christus van Zijn allerhoogste Godheid en van Zijn eeuwige Godheid. God wordt niet gevonden onder de Arminianen; en waarom niet? Zij beroven Christus van de vrijheid en de kracht van zijn genade. U behoeft God niet te zoeken onder de Roomsen; en waarom niet? Omdat Christus daar onttroond en de verdienste van de werken in Zijn plaats gesteld wordt. U moet God niet zoeken onder wettische, dwalende predikers; en waarom niet? Als Christus in hun prediking gemist wordt, is God daar niet; hoewel zij de Naam van Christus wel noemen, nochtans prediken zij de ware God niet, omdat zij de ware Christus niet prediken. Het is zo helder als de zonnestralen, dat God ver weg is van het tegenwoordig geslacht, omdat, wanneer Christus er niet is, God er niet is. God is niet onder de onwetenden en dwalenden, omdat Christus, als Profeet, daar niet is. God is niet onder de eigengerechtigen, omdat Christus, als Priester, daar niet is. God is niet onder de goddelozen en onheiligen, omdat Christus, als Koning, daar niet is. God is niet onder hen, die als verdronken zijn in zinnelijkheid en wereldsgezindheid, omdat Christus en Zijn Geest daar niet zijn. God is niet onder hen, die loochenen, dat er een goddelijke aandrijving is, die een mens tot deze of gene plicht leidt en die hem daarin doet voortgaan; omdat het in strijd is met Christus, Die, als de Weg en de Leidsman, beloofd heeft, dat Hij de blinden zal leiden door de weg, die zij niet geweten hebben, en dat Hij de duisternis voor hun aangezicht ten licht zal maken; en dat Hij een stem achter hen zal zijn, zeggende: "Dit is de weg, wandelt in dezelve." Deze Geest is beloofd, dat Hij in alle geslachten met Zijn knechten en Zijn volk zal zijn: "Ziet Ik ben met ulieden al de dagen tot de voleinding der wereld. Ik zal u niet begeven, en Ik zal u niet verlaten." Doch,
2. In het licht van deze waarheid, kunnen wij zien wie het zijn, die vals en vermetel met God omgaan, namelijk zij, die het wagen met een God buiten Christus te handelen. Wie handelt met God buiten Christus? Dat doen zij, die in ongeloof en onboetvaardigheid leven; want allen, die met God in Christus handelen, bewandelen een weg van geloof en bekering. Zij die hopen, dat alles goed met hen is, en zijn zal, hoewel zij nog nooit de toevlucht tot Christus hebben genomen, noch weten wat het is door het geloof van Hem te leven; zij, die God hopen te verzoenen door zich te bekeren en te verbeteren, door in het vervolg hun best te doen en door hun gebeden, en nooit de verzoening aannemen; zij die op Gods barmhartigheid hopen, zonder dat zij ooit bevreesd waren voor Zijn rechtvaardigheid, er zich noch ooit over bekommerden hoe een oneindige rechtvaardigheid een oneindige voldoening zou ontvangen, door zich onder de bedekking van het bloed van de Godmens te begeven; deze, en zo zijn er velen, handelen vermetel met God buiten Christus, voor wie Hij, als zij daar blijven, een verterend vuur zal zijn.
3. Hieruit kunnen wij zien, wie recht en eerlijk met God handelen, namelijk zij, die God in Christus, en alle dingen in Christus, zo opnemen, dat zij niet anders tot God durven naderen, dan in Christus. Zij durven niet op Gods barmhartigheid hopen, dan door Christus; zij durven niet tot God bidden, dan in Christus; zij durven niet op de belofte hopen, dan zoals die is gedoopt in het bloed van Christus; zij durven niets verwachten, dan in Christus. Doch in en door Hem en Zijn bloed komen zij vrijmoedig en hopen zij met vertrouwen: (Hebr.10:19) "omdat wij vrijmoedigheid hebben om in te gaan in het heiligdom door het bloed van Jezus." Indien zij zich in God verblijden is het door Jezus Christus: indien zij met God onderhandelen over vergeving van zonde, is het door het bloed van Christus; indien zij met God handelen om rechtvaardigmaking, is het door Christus, als de Heere hun gerechtigheid; als zij met God handelen over heiligmaking, is het door Christus als hun Sterkte; als zij tot God gaan om genade, is het door Christus als de plaats waar alle genade is opgelegd.
4. Hieruit kunnen wij zien wat de kenmerken zijn waarbij u kunt weten, of u ooit een ontdekking van God in Christus hebt gehad.
(1). Welk gezicht hebt u gehad van God buiten Christus? Zij die Hem in de spiegel van het Evangelie hebben gezien, hebben Hem eerst gezien in de spiegel van de wet. Het geloof aan de wet gaat gewoonlijk het geloof aan het Evangelie vooraf. Hebt u bevatting van Hem gekregen als een toornig God, wegens uw zonde, als een dreigend God, een onteerd God, een verafzijnd God, zodat u zag, dat u zonder God en zonder Christus in de wereld was? Hebt u daar met droefheid een bewustzijn van omgedragen?
(2) Welke bevatting hebt u van God gehad, om u uit deze ellende te verlossen? Als u God in Christus hebt gezien, dan hebt u Hem gezien als een verzoend God een belovend God, een verheerlijkt God, en een nabijzijnd God, Die naar u toekomt vliegen op vleugelen, van genade en goedertierenheid, en met genezing onder Zijn vleugelen, en met balsem die welriekend is gemaakt door de gerechtigheid van Christus (Mal. 4:2).
(3) Wat hebt u in Christus van God gezien? Hebt u de grootste heerlijkheid Gods, ja al de heerlijkheid Gods in Hem gezien? Hebt u gezien, dat al de Personen van de Godheid in Hem verheerlijkt, verzoend en bevredigd zijn, en in Hem een welbehagen hebben? Hebt u gezien, dat al de volheid der Godheid in Hem woont en verblijft? Hebt u meer van de heerlijkheid Gods in Hem gezien, dan u ooit in de zon, de maan, en de sterren gezien hebt. Hebt u gezien dat de wijze van zalig te maken door Hem, Gode waardig is, dat daardoor al de goddelijke eigenschappen worden opgeluisterd, zodat God, in Jakob te verlossen, Zich in Israël verheerlijkt?
(4) Wat hebt u in Christus van God gezien? Hebt u de heerlijkheid Gods gezien in het aangezicht van Jezus Christus (2 Kor. 4:6); in Zijn Persoon, in Zijn menselijke natuur, en daarin, dat Hij is God geopenbaard in het vlees? Hebt u God en Zijn heerlijkheid gezien in het werk, dat Christus op Zich genomen heeft te doen? In Zijn vleeswording, in Zijn doen, sterven, opstaan, naar de hemel varen, en in Zijn verhoging aan de rechterhand Gods? Hebt u God en Zijn heerlijkheid gezien in de voorbidding van Christus, in Zijn ambten, namen, volheid, gerechtigheid, en in Zijn Evangelie en de beloften ervan?
(5) Hoe handelt u met God over zegeningen? Alleen in Hem, omdat er geschreven staat, dat in Hem alle geslachten des aardrijks zullen gezegend worden? Hoe handelt u met God over beloofde voorrechten? Alleen in Hem, in Wie de beloften Ja en Amen zijn? Hoe handelt u met Hem over vergeving? Alleen in Christus, Wiens bloed van alle zonden reinigt? Hoe handelt u met God over reiniging? Alleen in Christus, Die ons van God geworden is tot heiligmaking, en de Geest heeft beloofd, om het uit Christus te nemen en ons te verkondigen? Hoe handelt u met God in het gebed? Alleen in de naam van Christus? Hoe handelt u met God in het leven? Is het alleen in Christus, dat u God zowel lof, als gebeden offert? Op welke wijze handelt u met God in het geloven? Gelooft u door Christus in God? Hoe handelt u met God in het verheugen? Verheugt u zich in God, door Christus, door Wie wij de verzoening verkregen hebben? Hoe handelt U met God in de toenadering tot Hem in welke plicht ook? Weet u wat het is, vrijmoedigheid te hebben, om in te gaan in het heiligdom door het bloed van Jezus, op een verse en levende weg, welke Hij ons ingewijd heeft, door het voorhangsel, dat is, door Zijn vlees? Hoe handelt u met God in uw wandel? Is die zodanig als het Evangelie van Christus betaamt? Is het uw wens en pogen de reuk van Zijn Naam te verspreiden, opdat de Vader in de Zoon verheerlijkt worde?
(6) Welke hoop en verwachting hebt u van God met betrekking op toekomstige dingen? Welke hoop hebt u op God met betrekking op dagen van moeite, beproeving en tegenspoed? Is uw hoop alleen op Christus, de Toevlucht? Welke hoop op God hebt u met het oog op de dood? Hoopt u alleen op Hem, omdat Christus de prikkel des doods heeft weggenomen? Welke hoop hebt u, ziende op het oordeel? Is uw hoop op Christus, de Heere uw gerechtigheid? Welke hoop hebt u op een zalige eeuwigheid? Is die alleen in Christus gegrond? "De genadegift Gods is het eeuwige leven, door Jezus Christus onze Heere." Merkt u Christus Zelf aan als de waarachtige God en het eeuwige leven, en dat de eeuwige heerlijkheid bestaat in het eeuwig gezicht van de heerlijkheid van God in Christus, en de genieting van deze God?
5. Nu God in Christus is, en in Hem een welbehagen heeft, kunnen wij hieraan zien en beproeven, of Hij ook een welbehagen aan u in Hem heeft.
(1) Als hij een welbehagen aan u in Hem heeft, dan hebt u te eniger tijd gezien en bevonden, dat God toornig op u was, en geen welbehagen in u had, zoals (Ps. 60:3) geschreven staat: "o God, Gij had ons verstoten, Gij had ons gescheurd, Gij zijt toornig geweest; keer weder tot ons." Zij, die het geloof hebben, dat God een welbehagen in hen heeft, hebben Zijn ongenoegen ondervonden, en zijn bevreesd geworden voor Zijn toorn wegens hun zonden.
(2) Dan hebt u gezien, dat u God niet kon behagen, noch bevredigen, door enigerlei offerande of dienst van uzelf: "Waarmee zal ik de Heere tegenkomen, en mij bukken voor de hoge God? Zal ik Hem tegen komen met brandofferen? met eenjarige kalveren? Zou de Heere een welgevallen hebben aan duizenden van rammen? aan tienduizenden van oliebeken? Zal ik mijn eerstgeborene geven voor mijn overtredingen? De vrucht mijns buiks voor de zonde mijner ziel?" (Mich.6:6, 7) "Brandofferen en offer voor de zonde hebben U niet behaagd. Toen sprak Ik: Ziet Ik kom, (in het begin des boeks is van Mij geschreven) om Uw wil te doen, o God" (Hebr. 10:6, 7). Dan kon niets u voldoen, dan wat God voldoet; u kont geen rust vinden, dan in Hem in Wie God rust.
(3) Dan zult u een welbehagen hebben in Christus, lust hebben aan de weg van de zaligheid door Hem en Zijn gerechtigheid, evenals de Heere lust aan Hem had om van Zijner gerechtigheidswil, omdat daardoor de wet groot gemaakt en verheerlijkt wordt. Zo heerst de genade door rechtvaardigheid tot het eeuwige leven. U zult lust hebben in Hem te zijn, zeggende: "Dit is mijn rust tot in eeuwigheid, hier zal ik wonen, want ik heb ze begeerd. Het zal uw lust zijn Hem gelijk te wezen, zeggende: O, dat ik Zijn beeld gelijkvormig was! Dan zal het uw lust zijn voor Hem te wezen, het met Hem te houden, met Zijn zaak, waarheid, en Zijn belang, al zou de gehele wereld tegen Hem zijn. Dan zal dat uw lust zijn, met Hem te wezen; met Hem te zijn op aarde, en omgang en gemeenschap met Hem te hebben: bij Hem te zijn in de hemel en dat uw hoogste zaligheid te rekenen altijd met de Heere te wezen. En als u een welbehagen hebt in Christus, dan zult u niet veel ophebben met uzelf, met uw eigen gerechtigheid, met uw beste plichten en verrichtingen.
(4) Dan zal uw lust zijn aan God in Hem. Als God een welbehagen aan u in Christus heeft, dan zult u een welbehagen hebben aan God in Christus, dat is, dan zult u met God in Hem verzoend zijn. Het welbehagen en de liefde tot God in Christus zal, naarmate u dat mag geloven, uw onverenigdheid met God en uw vijandschap tegen God doden; want het geloof is door de liefde werkende, evenals het ongeloof door de vijandschap werkt. "En hij heeft u, die eertijds vervreemd waart en vijanden door het verstand, in de boze werken, nu ook verzoend" (Kol. 1:21). "Hij heeft de vijandschap in Zijn vlees te niet gedaan, namelijk de wet der geboden in inzettingen bestaande, opdat Hij die twee zou in Zichzelf tot een nieuwe mens scheppen, vrede makende. En opdat Hij die beide met God zou in één lichaam verzoenen door het kruis, de vijandschap aan hetzelve gedood hebbende" (Ef. 2:15, 16). Niet alleen de vijandschap tussen Joden en heidenen, maar tussen God en de mens. U zult dan een welbehagen hebben in Gods keuze van Hem; u zult volgaarne zeggen, wat de koningin van Scheba aangaande Salomo zeide: (2 Kron. 9:8) "Geloofd zij de Heere uw God, Die behagen in u heeft, om u op Zijn troon de Heere uw God tot een Koning te zetten. Omdat uw God Israël bemint, om het tot in eeuwigheid op te richten, zo heeft Hij u tot een Koning over hen gesteld, om recht en gerechtigheid te doen." U zult dan een welbehagen hebben in Gods volmaaktheden, zoals zij in Christus zijn; een welbehagen daarin, dat God Christus en Zijn werken heeft aangenomen en Hem op de troon heeft gezet; een welbehagen daarin, dat God Hem gezalfd en alle dingen in Zijn handen gegeven heeft.
6. Hieruit kunnen wij zien wat God is voor de ongelovige ziel, die Christus mist. Gelijk God in Christus een bevredigd God is, zo is God buiten Christus alles wat verschrikkelijk en vreselijk is. Hij is buiten Christus oneindige toorn en grimmigheid, vuur en zwavel en wraak; de hel van de hel. "Wie is er onder ons, die bij een verterend vuur wonen kan? Wie is er onder ons, die bij een eeuwige gloed wonen kan" (Jes. 33:14). Hij is een God, Die vlammen van gramschap bereidt, om de ziel te verbranden en te verderven, die in die staat buiten Christus blijft. (Jes. 30:33) Want Tofet is van gisteren bereid, ja hij is ook voor de koning bereid Hij heeft hem diep en wijd gemaakt; zijns brandstapels vuur en hout is veel, de adem des Heeren zal hem aansteken als een zwavelstroom." De hel wordt geroemd de poel die brandt van vuur en sulfer, dit is de tweede dood.
7. Nu God in Christus is en in Hem een welbehagen heeft, kunnen wij daaruit zien, dat Christus het grote Onderwerp is, dat de Evangelie dienaars moeten prediken. Wel is waar, dat ook de werken en de plichten op hun plaats gepredikt moeten worden; doch een groot verschil tussen evangelisch en wettisch prediken is niet, dat de ene de plichten predikt en de andere niet, maar het wettisch prediken maakt de plichten tot het fondament van de voorrechten van het Evangelie, terwijl het evangelisch prediken de voorrechten van het Evangelie tot het fondament van de plicht maakt, of Christus en Zijn genaden tot de grondslag van alle heilige gehoorzaamheid. Het ene is volgens de orde van het werkverbond: Doe dat, en leef; het andere volgens de orde van het Nieuwe verbond: Leef en doe dat. U moet geestelijk leven in Christus hebben, voordat u enige plicht kunt doen. Wanneer wij Christus niet prediken, prediken wij de ware God niet, noch gehoorzaamheid aan Hem. God buiten Christus is geen God, Die een welbehagen in mensen heeft, maar een wrekend God. Gehoorzaamheid aan God buiten Christus is daarom slechts opstand tegen God; geloof in God buiten Christus is slechts ongelovigheid; liefde tot God buiten Christus is slechts vijandschap gelijk de goedertierenheid Gods buiten Christus slechts grimmigheid is. Christus zegt: Die de Zoon niet eert, eert de Vader niet." De apostel zegt: En alle tong zou belijden, dat Jezus Christus de Heere zij, tot heerlijkheid Gods des Vaders." Daarom is Christus te veronachtzamen, de Vader gering te achten. Waarom roeren de dienaars van het Evangelie telkens deze snaar aan? Omdat, als wij de mensen maar eens in Christus konden krijgen, zij de heiligheid niet zouden missen. Waarom niet? Omdat zij dan God niet zouden missen, want zij zouden in Hem de gunst Gods, de genade van God, het beeld Gods vinden. Dit is alles in Hem, en nergens anders. Men kan de wet prediken, en toch de wet en alle gehoorzaamheid aan haar missen; doch men kan niet Christus prediken en de wet missen. Evenals toch God in Christus is, zo is ook de wet van God in Hem, Die het einde der wet is tot rechtvaardigheid een ieder die gelooft, en in Wie, als onze Ark, de wet bewaard is. De wet als een verbond is in Hem, als de Heere onze gerechtigheid; de wet als een regel is in Hem, als de Heere onze sterkte, tot heiligmaking. Als wij dan ook de mensen maar in Christus konden krijgen, dan zouden zij beide gerechtvaardigd en geheiligd zijn. Als iemand dan ook zou denken, waarom dringt u in uw prediken niet meer op werken en plichten aan? Ik zal niet zeggen, als u zich aan de prediking van Christus ergert, dat ik vrees, dat u van werken en plichten beide onkundig bent, ja ook onkundig van God, die u voorgeeft te eren en te gehoorzamen; want, aangezien God in Christus is, zo wordt Hij in al uw werken en plichten gemist, omdat u buiten Christus bent. Voordat u ooit één plicht kunt verrichten, die God zal aanschouwen, moet u zijn waar God is, dat is, in Christus: (Joh. 15:4, 5) "Blijft in Mij, en Ik in u. Gelijkerwijs de rank geen vrucht kan dragen van zichzelf, zo zij niet in de wijnstok blijft; alzo ook gij niet zo gij in Mij niet blijft. Ik ben de Wijnstok en gij de ranken; die in Mij blijft en Ik in hem, die draagt veel vrucht; want zonder Mij kunt gij niets doen." "Hij heeft ons begenadigd (of Engelse overzetting Ef. 1:6 aangenaam gemaakt) in de Geliefde." Wee hen; voor wie Christus een Steen des aanstoots is; maar zalig zijn allen, die aan Hem niet zullen geërgerd worden.
8. Hieruit kunnen wij zien, waar God en alles wat wij nodig hebben nu te vinden zijn: (Joh. 3:35) "De Vader heeft de Zoon lief, en heeft alle dingen in Zijn hand gegeven." Waar God heengaat, gaan alle dingen met Hem: God is in Christus gegaan, daarom volgen alle dingen Hem daar. Nu God in Christus is, en alle dingen met Hem, waar zouden wij dan anders heengaan, dan waar God heengaat? Waar zou de vis anders heengaan dan waar het water heenloopt? God de Fontein van levende wateren is in Christus gegaan, en laat ons Hem daar volgen. Waar het Hem lust te wonen, laat het ook onze lust zijn daar te wonen; waar Hij blijft, laat ons daar blijven; waar Hij rust, laat ons daar rusten; laat ons een welbehagen hebben in Hem, in Wie God een welbehagen heeft: "tot Wien zullen wij heengaan?" zeide Petrus, "Gij hebt de woorden des eenwigen levens." O vrienden! Tot wie zouden wij heengaan, dan tot Hem in Wie God een welbehagen heeft? Tot Wie zouden wij heengaan, dan tot Hem in Wie de eeuwige God is, en het eeuwige leven, en eeuwige zegeningen, en alle dingen, die de eeuwige zaligheid in Hem betreffen.
Mijn vrienden, al had u nooit tevoren een woord van het Evangelie gehoord, deze waarheid, dat God in Christus een welbehagen heeft, is meer waard dan de gehele wereld: "Deze is Mijn Zoon, Mijn Geliefde, in Dewelke ik Mijn welbehagen heb." Hij, en alle dingen in Hem, worden u in dit Evangelie aangeboden. O vrienden! Als uw hart geopend was om Hem te ontvangen, zoudt u tot in eeuwigheid zalig zijn. Ik weet niet wat het blij geklank van het Evangelie is, als het niet deze goede tijding is, dat God in Christus is, en in Hem een welbehagen heeft. Zalig is het volk, dat dit weet en omhelst, en vervloekt is het volk, dat dit veracht en geringschat; en al het volk van God moet zeggen, Amen: "Hoe zullen zij ontvlieden, die op zo grote zaligheid geen acht geven?" Gelukzaligheid en ellende, in leven en in sterven, en voor eeuwig, staan nu voor u, o hoorder van dit Evangelie. Indien God in Christus is en in Hem een welbehagen heeft, en indien dit het Evangelie van Christus is, dan handelt God daarin met u, man, vrouw, met u en met elk van u, van welke staat of stand ook, hoog of laag, rijk of arm, jong of oud. Gelijk het was toen God op Horeb aan Elia verscheen (1 Kon. 19:13-13): daar was een sterke wind, en daarna een aardbeving, doch de Heere was daarin niet; doch daarna was er het suizen van een zachte stilte, en daar was God in; zo kunnen wij ook heden ten dage zeggen, dat er sterke winden van verzoekingen zijn, waardoor velen met de wind meedraaien, maar God is daar niet. Er zijn grote aardbevingen van verwarring en beroering, maar God is daar niet; en er zijn vuren verdeeldheid, toorn en twist, maar God is daar niet. O! Waar is God dan? Wel, er is een stille stem van het Evangelie, die in uw oren suist, en indien de Naam van Christus daarin vermeld wordt, is God daar: "Mijn Naam is in het binnenste van Hem" (Exod. 23:21). Moge Hij de bewijzen geven van Zijn krachtige tegenwoordigheid, door uw hart uit te halen tot Hem, van Wie de Vader hier uitroept: "Deze is Mijn Zoon, Mijn Geliefde, in Dewelke ik een welbehagen heb."
De plicht van de heiligen in boze tijden
Jes. 26:8. Wij hebben ook in den weg Uwer gerichten, U, o HEERE! verwacht.
God heeft zijn volk beloofd, hun te geven het dal Achor tot een deur der hoop, en dat zij daar zullen zingen. Deze woorden zijn een gedeelte van een lied, een weinig voor de gevankelijke wegvoering gemaakt, waarin al vooruit wordt aangetoond welke vertroosting kan worden ondervonden temidden van alle verdrukkingen. Het eerste gedeelte van dit lied is in een hoge toon gesteld, vol van vertroosting; doch de samenhang weglatende, kunt u in deze tekst opmerken: 1. De omstandigheid waarin Gods volk verkeerde; zij waren onder gerichten of oordelen. Door gerichten moeten soms in de Schrift de wet en de geboden worden verstaan; doch hier geeft het, evenals in het volgende vers, verdrukking te kennen. 2. Vanwaar deze verdrukking voortkwam, van God: Uw gerichten. 3. De verscheidenheid daarvan, het zijn gerichten, in het meervoud, en de weg Zijner gerichten. 4. De personen, die er met bezocht werden, namelijk Gods volk, die hier hun toestand voorstellen, wij. 5. Aan Wie zij hun omstandigheden vertellen, aan God zelf: In de weg van uw gerichten, o Heere." 6 Hun werkzaamheid: wij hebben U verwacht, of op U gewacht.
Hierin zijn even zoveel leerstukken op te merken, tot grond overdenking.
1. Het worden wegens de verdrukkingen, daar zij onder waren, gerichten genoemd, Merkt op, dat als God iemand enige straf oplegt, die altijd rechtvaardig is. Zij zijn]n toch gerichten, delen van Zijn rechtvaardige toediening en, als de rechtvaardige Rechter van de gehele aarde. Leer
1. God te rechtvaardigen, welke ook de verdrukking is, die u overkomt, en Hem gerechtigheid en heiligheid toe te schrijven. Zo deed David, toen God Hem had verlaten en weigerde Hem gehoor te verlenen: (Ps. 22:2, 3, 4). "Mijn God, mijn God, waarom hebt Gij mij verlaten? ver zijnde van mijn verlossing, van de woorden mijns brullens? Mijn God, ik roep des daags, maar Gij antwoordt niet; en des nachts, en ik heb geen stilte. Doch Gij zijt heilig, wonende onder de lofzangen Israëls," Zo behoren wij ook te zeggen: "Ik word zo en zo verdrukt; doch Gij zijt heilig, doch Gij zijt rechtvaardig, doch Gij zijt recht."
2. Onszelf te oordelen. wanneer God ons zo rechtvaardig oordeelt. Wij behoren aan God niets ongerijmde toe te schrijven, maar de beschuldiging wegens zonde aan te nemen, en des Heeren gramschap te dragen, omdat wij tegen Hem gezondigd hebben.
3. Te zien, dat zonde een ongerechtigheid en een onrechtvaardig iets is, omdat Zijn verdrukking wegens de zonde rechtvaardig is: "Gij zijt rechtvaardig in Uw slaan, en rein in Uw richten."
4. De verdrukking eerbiedig en nederig te ontvangen. Omdat wij het goede van God ontvangen, en Hem behoren te loven, omdat Hij barmhartig is: daarom moeten wij ook het kwade van Hem ontvangen en Hem aanbidden, omdat Hij rechtvaardig is. Hij kan in Zijn soevereiniteit bedroeven; doch als Hij onze ongerechtigheid voor Zijn aangezicht tekent, behoeven wij niet te twisten over de straf, die Hij oplegt.
II. Opmerking. Dat Gods gerichten over een volk niet bij toeval komen, doch, dat het God is, Die ze zendt, waarom zij Zijn oordelen, uw gerichten worden genoemd.
Het kwaad van de zonde is van ons, doch het kwaad van de verdrukking schrijft de Heere Zichzelf toe: "Zal er een kwaad in de stad zijn, dat de Heere niet doet?" Het is God Die kastijdt. Wie bracht die mens op het ziekbed, en wie bracht die ellende over hem? Wie maakte die man weduwnaar en zijn kinderen moederloos; en die vrouw weduwe en haar kinderen vaderloos? Wel, zegt God, ben Ik het niet, Die dat doet? Ik ben het, Die de vertroostingen wegneem; Ik, Die kruisen opleg. De wreedste daad, die ooit in de wereld geschiedde, namelijk de overlevering van Christus om gekruisigd te worden, zover het een verdrukkende bezoeking was, daarvan getuigt God, dat Hij het deed. Het was niet Pilatus, maar God Zelf. Toen toch Pilatus Christus aansprak, zeggende: "Weet Gij niet, dat IK macht heb U te kruisigen, en macht heb U los te laten?" antwoordde Jezus: "gij zoudt geen macht hebben tegen mij, indien het u niet van boven gegeven ware: daarom, die mij aan u heeft overgeleverd, heeft grotere zonde" (Joh. 19:10, 11.) "Gij Israëlitische mannen, hoort deze woorden: Jezus de Nazarener, een Man van God, onder ulieden betoond door krachten, en wonderen, en tekenen, die God door Hem gedaan heeft, in het midden van u, gelijk ook gijzelf weet. Deze, door de bepaalde raad en voorkennis Gods overgegeven zijnde, hebt gij genomen, en door de handen van de onrechtvaardigen aan het kruis gehecht en gedood. (Hand. 2:22, 23), Welke ook de tweede oorzaak is, God is de eerste Oorzaak en Oorsprong. Leert hieruit:
1. Uw ogen en hartstochten af te wenden van de middelen van de ellende, en van de steen die geworpen wordt, en te zien op de hand, Die hem werpt. Ziet God in iedere verdrukking; het is Zijn oordeel, hetzij het vaderlijk of rechterlijk is.
2. Leert onderwerping, lijdzaamheid en verdraagzaamheid te beoefenen. Als het alleen de hand van een mens, en de blote werking van een tijdelijke oorzaak was, dan kon er misschien enige vrijheid worden genomen: doch het is God. Laat daarom uw mond altoos gestopt zijn: "Ik ben verstomd, ik zal mijn mond niet opendoen; want Gij hebt het gedaan" (Ps. 39:10).
3. Dit moet u niet alleen tot verdraagzaamheid aanzetten maar ook om God te smeken. "Is iemand onder u in lijden? Dat hij bidde." Bidt om genade, om te dragen wat Hij u oplegt; bidt niet alleen om lijdzaamheid, maar ook om volharding, want het is zwaar werk het onder verdrukking uit te houden. Bidt, dat u op Hem mag vertrouwen: verdrukkingen nemen de schepselvertroostingen en het rusten daarop weg; daarom is het nodig. dat wij bidden om de Heere gelovig en nauw te mogen aankleven, en dat Hij ons mag verlossen; doch met onderwerping aan Zijn wil.
4. Leert Zijn wijze voorzienigheid erkennen, die door recht goedertierenheid kan bewijzen. Aangezien het Zijn gerichten zijn, mogen wij verwachten, dat Hij er Zijn goedertierenheid mee zal doen gepaard gaan, en ze ten goede zal doen medewerken, om het hart van het schepsel los te maken. "Hij plaagt noch bedroeft der mensen kinderen niet van harte", maar Hij beschikt de verdrukking in ontferming.
5. Leert voordeel trekken uit het oordeel; u te keren tot Hem, Die u slaat; en de roede te horen, want zij komt met een les: "De school des kruises, de school des heils."
III. Opmerking. Dat de gerichten van God verscheiden zijn; van boven, van beneden, van buiten, van binnen, van deze zijde en van die zijde: daarom wordt hier gesproken van de weg van Zijn gerichten." Er is een verscheidenheid van verdrukkingen in de hand Gods. Sommigen oefent Hij door verdrukkingen op deze wijze, en andere weer op een andere wijze: sommigen in onderscheiden wegen, en door verschillende verdrukkingen, en dat met menigten. David kende dat: De afgrond roept tot de afgrond". Verzoekingen, verlatingen, en vele andere wegen: Paulus kwam in allerlei perikels. Leert hieruit:
1. Dat men zich moet wachten voor het vermenigvuldigen van de zonde opdat God de gerichten niet vermenigvuldigt; want Hij heeft vele pijlen in Zijn pijlkoker: een onboetvaardig zondaar kan nooit Zijn toorn te boven zondigen: Zijn pijlen van wraak kunnen nooit worden uitgeput.
2. Er is weinig reden om te menen, wanneer een gericht voorbij is, dat de bitterheid des doods nu geweken is; God doet dikwijls een wolk opkomen na de regen. Wanneer u de ene verdrukking bent ontkomen, kan God spoedig een andere over u doen komen: Hij kan spoedig een zoon tegen zijn vader doen opstaan, evenals Absalom tegen David. U kunt de honger ontkomen en door het zwaard vallen; u kunt van de ene beproeving vrijkomen, en er kan een grotere op volgen. Weest niet zeker.
3. Indien God zoveel en verscheidene verdrukkingen heeft, waarmee Hij u kan treffen, laat het dan aan Gods wijsheid over met welke soort en op welke wijze Hij u wil kastijden. Wacht u, dat u zichzelf geen verdrukkingen bezorgt; kiest niet zelf uw ellenden uit laat het aan God over, die voor u te bereiden en klaar te maken.
4. Leert hieruit bij de eerste slag te bukken, opdat God niet vele pijlen op u behoeft af te zenden. Hij zal overwinnen, wanneer Hij gericht oefent, gelijk Hij Farao die trotse vorst overwon; het zou beter voor hem zijn geweest, als hij Israël dadelijk had laten trekken
IV. Opmerking. "Dat de zonden van Gods volk Hem kunnen tergen gerichten te doen komen over hen en over de plaats waar zij wonen." Zij kunnen zondigen evenals hier het geval is, en gerichten over zichzelf en anderen brengen. God kan tot toorn verwekt worden wegens de ongerechtigheid van zonen en dochteren. "Uit alle geslachten des aardbodems heb Ik ulieden alleen gekend, daarom zal Ik al uw ongerechtigheden over ulieden bezoeken. Leert hieruit:
1. Dat Gods kinderen niet moeten vergeten, dat zij aan de regels en tucht van Zijn huis onderworpen zijn: "Indien zijn kinderen Mijn wet verlaten, en in Mijn inzettingen niet wandelen; zo zal Ik hun overtreding met de roede bezoeken, en hun ongerechtigheid met plagen" (Ps 79:31,33).
2. Laat een ieder zijn eigen hart onderzoeken, welke hand hij heeft in zo’n gericht en oordeel, hetzij tijdelijk of geestelijk, over zich te brengen.
3. Dit moest ons leren in de bres te gaan staan wanneer anderen, ja zelfs het volk van God, die al wijder maken. Wat zien er in deze dagen van ontaarding en afwijking weinigen, die daar staan, om die toe te muren of dicht te stoppen.
4. Dit moest ons leren, de zonden, ook van Gods volk, hun vleselijkheid, lichtzinnigheid, wulpsheid, enz. te bewenen, en voortdurend in afhankelijkheid van de Heere Jezus te leven opdat wij niet aan de overmacht van onze begeerlijkheden worden overgegeven, alsmede onszelf te verootmoedigen. (2 Kron. 7:14) "Als mijn volk, over dewelken Mijn Naam geroemd wordt, zich verootmoedigen, en bidden, en Mijn aangezicht zoeken, en zich bekeren van hun boze wegen: zo zal Ik uit de hemel horen, en hun zonden vergeven, en hun land genezen". Hier mogen wij opmerken, dat gelijk verootmoediging, smeking en reformatie noodzakelijk zijn tot genezing van een land, indien het geslagen wordt ook om de zonden van Gods volk; dat het zo niet het verrichten van onze plichten is, doch Gods bijzonder recht op ons, en Zijn verbond met ons, dat Hem ons ontferming doet betonen. Dit leert ons ook, hoe wij met God in de gebed moeten worstelen; de grond daarvan moet aan Zijn vrije genade worden ontleend. Alsmede hoe wij de plicht welbehaaglijk zullen verrichten: alleen door het geloof in Christus. Evenals onze personen, zo zijn ook onze diensten alleen in Hem aangenaam, en Zijn deel aan Zijn volk is onveranderlijk.
V. Opmerking. "Dat wij ons nergens beter kunnen heenwenden, om onze drukkende omstandigheden voor te stellen, dan tot de hand, die ons slaat. Het volk zegt hier: "In de weg van Uw gerichten, o Heere, komen wij onze klachten uitstorten."
1. Hier is de verborgenheid des geloofs! Het brengt een mens tot diezelfde God, Die beledigd is; tot Hem, Die rechtvaardig oordeelt, opdat Hij ook barmhartig mag oordelen.
2. Gods volk zal, in hun grootste beproevingen, nooit een toevlucht ontbreken; wanneer zij onder gerichten zijn, stellen zij hun Rechter tot hun toevlucht.
3. Hoe veroordelenswaardig zijn zij, die tot andere nietige medicijnmeesters gaan, en God Zelf voorbij gaan, hoewel het het oogmerk van Zijn kastijdingen is, hen tot Hem uit te drijven.
4. Verdrukkingen die van God komen, met een zegen, leiden tot God door het gebed. Wanneer wij waarlijk zien, dat Hij ze zendt, als Zijn gerichten, dan zullen zij ons tot Hem leiden, om onze zielen bij hem, als de Bevrijder, ontlasten.
VI. Opmerking. "Dat het de plicht van de verdrukten is op Hem te wachten." Het is de eigenschap van Gods volk met lijdzaamheid hopende te wachten op de tijd van Gods ontferming: (Klaagl. 3:25, 26) "De Heere is goed dengenen die Hem verwachten, der ziel die Hem zoekt. Het is goed, dat men hope en stil zij op het heil des Heeren." Het is niet genoeg, dat men op God wacht in de weg van Zijn goedertierenheid; maar wij moeten ook op God wachten in de weg van Zijn gerichten. Hier zal ik 1. Enige vragen voorstellen, om deze leer te verklaren en op te helderen. 2. Enige tegenwerpingen oplossen, die kunnen worden opgeworpen tegen deze plicht van op God te wachten in de weg van Zijn gerichten.
1e Wij zullen eerst enige vragen voorstellen, om de plicht van op God te wachten duidelijk te maken.
Vraag 1. Om wat moeten wij op God wachten?
Antwoord. Om elke beloofde zegening van het nieuwe verbond; wij behoren Zijn verbond aan te grijpen en dan het goede, dat daarin is beloofd, verwachten.
1. Om God Zelf, dat Hij onze God mag zijn, en Zich als God aan ons mag bekend maken, overeenkomstig die grote belofte: "Ik zal u tot een God zijn, en gij zult Mij tot een volk zijn."
2. Om het nieuwe hart en de nieuwe Geest, volgens de belofte: "En Ik zal u een nieuw hart geven, en zal een nieuwe geest geven in het binnenste van u; en Ik zal het stenen hart uit uw vlees wegnemen, en zal u een vlezen hart gegeven." Om beloofde vergeving van zonden: "Want Ik zal hun ongerechtigheden genadig zijn, en hun zonden en hun overtredingen zal Ik geenszins meer gedenken." Om beloofde genezing, overeenkomstig de belofte: "Ik zal hunlieder afkering genezen; ik zal hen vrijwilliglijk liefhebben." Om de beloofde Geest: "Ik zal water gieten op de dorstige, en stromen op het droge." Om beloofde tegenwoordigheid: "Ik zal u niet begeven, en Ik zal u niet verlaten." Om beloofde leiding: "Ik zal de blinden leiden door de weg, die zij niet geweten hebben." Om beloofde zaligheid, genade en heerlijkheid en alle goed, dat in het verbond beloofd is; om wat Hij aan Zijn kinderen, aan de Kerk, aan de natie heeft beloofd. Zijn belofte is de regel, om onze verwachting naar te regelen, in ons wachten op God. Wij moeten weten, waar wij op wachten.
Vraag. 2. Hoe en op welke wijze moeten wij op Hem wachten?
Antwoord. 1. Wij moeten gelovig wachten. Geloven en wachten worden samengevoegd: "Zo ik niet had geloofd, dat ik het goede des Heeren zou zien in het land der levenden, ik ware vergaan. Wacht op de Heere, zijt sterk, en Hij zal uw hart versterken, ja wacht op de Heere" (Ps. 27:13, 14). Wat is dit wachten anders dan een doorgaand wachten, een leven door het geloof?
2. Wij moeten werkzaam, gehoorzaam en vlijtig op de Heere wachten. Het ware geloof is werkzaam en werkende. Wij moeten op de Heere wachten in de weg van plicht en naarstigheid. Zo handelde Elia, toen hij om regen bad en zijn knecht uitzond om te zien of er reeds iets van te bespeuren was; hij bad weer en wederom, zeven malen.
3. Wij moeten ootmoedig wachten. Wachten is ontleend aan de dienst van een mindere aan zijn meerdere, die met eerbied en ontzag op hem wacht. O die oneindige afstand tussen God en ons! Hoe nederig en eerbiedig moesten wij op Hem wachten, als onze grote Heere en Meester: (Ps. 123:1, 2.) "Ik hef mijn ogen op tot U, Die in de hemelen zit. Ziet, gelijk de ogen van de knechten zijn op de hand hunner heren; gelijk de ogen van de dienstmaagd zijn op de hand harer vrouw; alzo zijn onze ogen op de Heere onze God, totdat Hij ons genadig zij,"
4. Wij moeten hopende wachten: (Klaagl. 3:26) "Het is goed, dat men hope en stil zij op het heil des Heeren". Indien Zijn genade vrij is, wie, al is Hij nog zo onwaardig, zou dan niet op Zijn barmhartigheid hopen en wachten?
5. Wij moeten met opgeruimdheid en toegenegenheid op de Heere wachten: "Want Hij ontmoet de vrolijke en die gerechtigheid doet. Wat buigt gij u neder, o mijn ziel! Hoop op God." Geeft niet toe aan moedeloosheid en terneergebogenheid, want daarmede onteren wij God en doen wij Zijn Naam schande aan. Hij heeft een blijmoedige gever, een opgeruimde zoeker, een vrolijke wachter, lief.
6. Wacht op de Heere, standvastig en met volharding: (Hosea. 12:7) "Wacht gedurig op uw God." Wacht aan het badwater, totdat de Engel het water beroert; wacht en hoopt al de dagen van uw strijd op Hem, totdat uw verandering zal komen. Daar is geen andere tijd voor gesteld, dan bij de dood.
Vraag. 3. Wanneer moeten wij wachten, op welke tijd?
Antwoord. Zoals ik zo-even gezegd heb: te aller tijd, en in het bijzonder in de weg van Zijn gerichten. Zoals
1. In een tijd van moeite en verdrukking. Verdrukking van God is de oven, waarin Hij Zijn metaal beproeft, waarin Hij hun geloof, hun hoop en lijdzaamheid beproeft; daarin moeten wij op Hem wachten.in verdrukkingen van mensen. Zegt niet in uw haasten, dat u het kwaad, dat men u aandoet, zult vergelden: ik zal het hem wel betaald zetten. "Als Christus gescholden werd schold Hij niet weder, en wanneer Hij leed dreigde Hij niet." In verdrukkingen van vrienden, van vijanden, van duivels. Deze overkwamen Job, en hij wachtte daar in op God.
2. In een tijd van gebrek. Uitwendig gebrek, is een tijd van wachten. Daarom worden wij vermaand in geen ding bezorgd te zijn, maar onze begeerten in alles, door bidden en smeken, met dankzegging bij God bekend te maken. Heeft Hij een Christus voor uw zielen gegeven, en zal Hij niet voor een kruimeltje voor uw lichamen zorgen? In een tijd van inwendig gemis. Wanneer "de ellendigen en nooddruftigen zoeken water, maar daar is geen, hun tong versmacht van dorst; ik de Heere zal ze verhoren, ik de God Israëls zal ze niet verlaten. Ik zal rivieren op de hoge plaatsen openen, en fonteinen in het midden der valleien, ik zal de woestijn tot een waterpoel zetten, en het dorre land tot watertochten." (Jes. 41:17, 18).
3. Een tijd van verzoeking, is een geschikte tijd om op de Heere te wachten; toen Paulus verzocht werd bad hij de Heere driemaal.
4. In een tijd van verlating: (Jes. 8: 17) "Daarom zal ik de Heere verbeiden, Die Zijn aangezicht verbergt voor den huize Jakobs, en ik zal Hem verwachten."
5. In een tijd van vrezen: (Ps 56:4) "Ten dage als ik zal vrezen, zal ik op U vertrouwen."
6. In een tijd van zwakheid. Al wordt u tot de plicht of tot de strijd geroepen, wacht op Hem om sterkte: (Jes. 40:31) Die de Heere verwachten zullen de kracht vernieuwen".
7. In één woord, wij moeten de Heere verwachten in het verborgen, als wij alleen zijn, in het openbaar, in goed en kwaad gezelschap, in alles wat wij aanvatten en waarmee wij bezig moeten zijn.
Vraag. 4. Waarom moeten wij Hem verwachten?
Antwoord. 1. Wij moeten Hem verwachten, omdat Hij het bevolen heeft: (Ps. 27:14) "Wacht op de Heere, zijt sterk, en Hij zal uw hart versterken; ja wacht op de Heere." Al wat Hij gebiedt is zeker onze plicht; en er is geen hogere reden voor enige plicht, dan Zijn soevereine wil.
2. Wegens Zijn betrekking tot ons als onze God, Maker en Heere: "Gelijk de ogen van de knechten zijn op de hand hunner heren, gelijk de ogen van de dienstmaagd zijn op de hand harer vrouw; alzo zijn onze ogen op de Heere onze God, totdat Hij ons genadig zij."
3. Omdat alles op Hem wacht: (Ps. 145:15) "Aller ogen wachten op U, en Hij geeft kun hun spijze te zijner tijd," Alle onbezielde schepselen doen dat lijdelijk; wij behoren het dadelijk te doen.
4. Omdat het ons belang is. (Jes. 30:18) "Welgelukzalig zijn die allen, die Hem verwachten." (Jes. 40:31) "Die de Heere verwachten zullen de kracht vernieuwen, zij zullen opvaren met vleugelen gelijk de arenden; zij zullen lopen en niet moede worden: zij zullen wandelen en niet mat worden."
2e Wij zullen enige tegenwerpingen behandelen, die kunnen worden ingebracht tegen deze plicht van God te verwachten in de weg van Zijn gerichten.
[1] Sommigen pleiten tegen deze plicht, omdat zij geen licht en helderheid hebben, of zij zaligmakend deel hebben aan de God, op Wie zij geroepen worden te wachten: Als ik wist, dat Hij mijn God was, dan zou ik moed hebben om op Hem te wachten; doch het is mij duister of ik deel aan Hem heb, en waarom zou ik Hem dan verwachten?
Antw. 1. Laat het een van uw redenen wezen, waarom u op God wilt wachten, dat u met Hem in onderhandeling moet komen, om uw recht op het verbond vast te maken. Bidt, dat God Zijn licht en Zijn waarheid mag zenden, dat die u leiden.
2. Uw gemis aan helderheid in deze zaak, doet Zijn roeping en zijn bevel aan u, dat u op Hem zult wachten, niet te niet. Dit is hoog nodig om het meer gemoedigd en met betere uitslag te doen.
3. Wanneer u Hem niet kunt verwachten, als van Wie u weet, dat Hij de Uwe is krachtens bijzonder recht, wacht dan op Hem, zoals Hij Zich aan u aanbiedt, om door Christus de Uwe te zijn.
4. Laat uw donkerheid geen lui, u leeg latend, gemis van licht zijn, doch wordt tot een naarstig gebruik van de plicht en de middelen opgewekt. Wanneer u even vlijtig. teer, nederig en heilig onder uw donkerheid bent, als anderen onder hun licht en verzekering, dan is het wel, en zal het goed met u aflopen.
[2]. Sommigen werpen tegen: Hoe kan ik Hem verwachten in de weg van Zijn gerichten, wanneer ik mij deze oordelen door mijn zonde heb berokkend? Indien mijn lijden rein was. dan kon ik God onder de gerichten verwachten, doch mijn menigvuldige overtredingen hebben Hem rechtvaardig getergd deze oordelen over mij te doen komen.
Antw. 1. Al hebben uw zonden gerichten over u gebracht, dat stelt u niet vrij van uw verplichting, om daaronder op God te wachten, hoewel het kan zijn, dat het u daarom moeilijk zal vallen. David riep (Ps. 130) uit de diepten tot God, hoewel de zonde aan de deur lag, daarom riep hij ook om vergeving, te kennen gevend, dat de zonde hem in die diepten had gebracht.
2. Dat de zonde u die berokkend heeft, verplicht u des te meer onder de gerichten Gods op Hem te wachten, van welke zijde u deze plicht van Hem te verwachten ook beschouwt. (1) Indien u er onderwerping aan God onder smartelijke voorzienigheden, en een lijdzaam verbeiden van Gods geschikte tijd en gelegenheid, door verstaat, dan is uw zonde een krachtige drangreden tot dit wachten. Welke betere reden voor heilige onderwerping aan Zijn oordelen kan er zijn, dan, dat u die zelf over u hebt gebracht? En welke betere reden om Zijn tijd af te wachten, dan, dat wij door onze zonde eeuwige ellende verdienen? (Micha 7:7) "Ik zal uitzien naar de Heere; ik zal wachten op de God mijns heils; mijn God zal mij horen." (Klaagl. 3:39) "Wat klaagt dan een levend mens? Een ieder klage vanwege zijn zonde." (2) Indien u door wachten een hoopvolle verwachting verstaat van het goede van God en van in het verbond beloofde ontferming, dan behoort de overweging van uw zonden niet te verhinderen, dat u die verwacht in de weg van Zijn gerichten, al hebt u Hem daartoe getergd. De grond van uw hoop toch op de vervulling van de verbondsbeloften is de vrije genade van God in Christus; en vrijmachtige genade kan noch door uw goed bevorderd, noch door uw kwaad verhinderd worden, hoewel het goede, dat in het verbond beloofd is, niet moet worden verwacht in een weg van in de zonde voort te geen, maar in de weg van plicht. Weest daarom met Efraïm werkzaam tot bekering, uzelf evenals hij veroordelende, en wendt u door het geloof tot de fontein van het bloed van Christus. (Jer. 31:18, 19, 20) "Ik heb wel gehoord, dat zich Efraïm beklaagt, zeggende: Gij hebt mij getuchtigd en ik ben getuchtigd geworden als een ongewend kalf: Bekeer mij, zo zal ik bekeerd zijn, want Gij zijt de Heere mijn God. Zeker, nadat ik bekeerd ben heb ik berouw gehad, en nadat ik mijzelf ben bekend gemaakt, heb ik op de heup geklopt: ik ben beschaamd, ja ook beschaamd geworden, omdat ik de smaadheid mijner jeugd gedragen heb. Is niet Efraïm mij een dierbare zoon? Is hij mij niet een troetelkind? Want sinds Ik tegen hem gesproken heb denk ik nog ernstig aan hem; daarom rommelt mijn ingewand over hem; ik zal Mij zijner zeker ontfermen, spreekt de Heere." (1 Joh. 1:9) "Indien wij onze zonden belijden, Hij is getrouw en rechtvaardig, dat Hij ons de zonde vergeve, en ons reinige van alle ongerechtigheid."
3. Het is de praktijk van Gods kinderen geweest onder de gerichten op Hem te wachten, ook al waren zij zich bewust, dat zij zich die door de zonden hadden op de hals gehaald (Ps. 49:6) "Waarom zou ik vrezen in kwade dagen, als de ongerechtigen, die op de hielen zijn, mij omringen?" Zo zegt de Kerk: "Hoewel onze ongerechtigheden tegen ons getuigen, o Heere, doe het om Uws Naams wil; vergeef mijn ongerechtigheid, want die is groot." Hebben wij niet des te meer reden, op Hem te wachten om vergevende en reinigende genade, daarom, dat onze zonde droevige dingen over ons heeft gebracht?
4. Christus heeft medegevoel met u, zelfs in die verdrukkingen, die u zelf wegens uw zonde over u haalt. Als een Koning tuchtigt Hij u om uw zonden, en nochtans heeft Hij, als een Man en Hoofd, medegevoel met u, en het smart Hem, dat die ellende u treft, die u zichzelf door uw zonde en dwaasheid hebt berokkend. (Jes. 63:9) "In al hun benauwdheid was Hij benauwd;" zelfs in die, welke zij door hun zonden teweegbrachten. Israël had door zijn afgoderij God tot toorn verwekt, zodat Hij hen aan wrede vijanden overgaf, nochtans: (Richt. 10:16) "was Zijn ziel verdrietig, of benauwd. over de arbeid van Israël." Hoe moest dit ons aanmoedigen, om op Hem te wachten, en Zijn ontferming te verwachten!
[3] Sommigen pleiten in hun hart tegen deze plicht wegens de vreselijkheid van de voorzienigheid, die hen overkomt, de onherstelbaarheid van hun verliezen en de zonderlingheid van hun toestanden, klagende: "Is er een smart gelijk mijn smart?"
Antw. 1. Geen verdrukking, al is ze nog zo groot, is u overkomen, welke, of dergelijke, niet andere kinderen Gods is ten deel gevallen; zegt daarom niet, dat uw toestand zonderling is: (1 Petr. 4:12) "Geliefden, houdt u niet vreemd over de hitte van de verdrukking onder u, die u geschiedt tot verzoeking, alsof u iets vreemds overkwame."
2. Hoe vreemd uw verdrukking ook is, toch bent u des te meer tot deze plicht verbonden, als een plicht die juist voor een treurige toestand geschikt is. Ik ken geen toornige bedeling, die een kind van God kan doormaken, die onbestaanbaar is met gedachten des vredes over hem, om hem te geven het einde en de verwachting; en in welke het niet goed is, dat hij hoop en stil zij op het heil des Heeren.
3. In het wachten op God, moeten wij verwachten wat Hij heeft beloofd, en zoals Hij het heeft beloofd. Uw tijdelijke verliezen, hetzij van een vriend, een man, een vrouw, een vader, een moeder, of kinderen, enz. kan waarlijk onherstelbaar zijn. In vele gevallen moet u niet iets verwachten van diezelfde zaak, door het verlies waarvan God u tuchtigt, maar het is genoeg, indien Hij geeft wat even goed is; als Hij u in goud geeft,wat u in zilver hebt verloren. Hij kan op een andere wijze uw verliezen vergoeden, door u te geven wat even goed is; ja, Hij kan u in Zichzelf meer vertroosting, zoetheid en voldoening doen vinden, dan u ooit in die genietingen hebt gevonden. Er zijn verliezen, die zonder wonder niet kunnen worden hersteld in datgene wat verloren is; en daarvoor hebt u geen belofte; doch moet u op Hem wachten, dat Hij uw verlies heiligt en het liefelijk goed maakt.
4. Gevoel en rede, welke op zichtbare verschijningen steunen, zijn de gronden niet van het geloof, noch van het wachten op God; doch het verbond en de belofte zijn de grond daarvan. Daarom moet u Hem verwachten, omdat u Gods Woord hebt om op te bouwen, al is er voor gevoel en rede niets waar te nemen, dat hulp belooft. Laat het geloof zien op wat God heeft gesproken in Zijn heiligdom, dan is er grond om u te verblijden en te hopen. Het geloof, dat een bewijs is van de zaken, die men niet ziet, zal verlossing zien komen, wanneer het gevoel niets daarvan kan bemerken, doch het tegenovergestelde schijnt te zien; leert daarom door het geloof te leven, en niet door aanschouwen.
[4] Sommigen pleiten, dat zij lang hebben gewacht, en dat zij er niet beter aan toe zijn, maar, dat hun verdrukking eerder is vermeerderd, die daarom geneigd zijn te zeggen: "Wat zou ik verder op de Heere wachten? Hoe langer ik wacht, hoe meer mijn ellende vermeerdert."
Antw. 1. Het is niet zo vreemd, dat de Heere Zijn volk lang doet wachten, ja, dat zij het goede verwachten, en dat het kwade komt, en dat Hij een grotere verdrukking de kleinere doet verdringen: (Jer. 8:15) "Men wacht naar vrede, maar daar is niets goeds, naar tijd van genezing, maar ziet, daar is verschrikking." (Micha 1:12) "Want de inwoneres van Maroth is krank om des goeds wil, of, (Engelse overzetting) wacht zorgvuldig op het goede, maar een kwaad is van de Heere afgedaald tot aan de poort van Jeruzalem. Wanneer het eind waartoe de verdrukking kwam niet bereikt is, dan is het nog onze plicht te blijven wachten, zolang Hij de verdrukking doet aanhouden: (Hos. 12:7) "Wacht gedurig op uw God." Wij moeten op Hem wachten, totdat de dag van de bezoeking voorbij is: (Ps. 57:2) "Zijt mij genadig, o God, zijt mij genadig, want mijn ziel betrouwt op U, en ik neem mijn toevlucht onder de schaduw Uwer vleugelen totdat de verdervingen zullen voorbij zijn gegaan."
2. Welke wisselingen de goddelijke voorzienigheid ook ondergaan, Zijn liefde is onveranderlijk. Hij kan nieuwe verdrukkingen vermenigvuldigen, in plaats van de oude weg te nemen, doch dit alles kan ons niet scheiden van Zijn liefde. "Wie kan ons scheiden van de liefde van Christus? Verdrukking, en benauwdheid, of vervolging, of honger, of naaktheid, of gevaar, of zwaard? Noch hoogte, noch diepte, noch enig ander schepsel zal ons kunnen scheiden van de liefde Gods, welke is in Christus Jezus onze Heere" (Rom. 8:35, 39).
3. Al zijn de tijden van benauwdheid nog zo uitgebreid en langdurig, zij zijn toch niet te vergelijken bij de eeuwige pijniging van de verdoemden, of bij de eeuwige blijdschap van de verlosten; het eerste hebt u verdiend, tot het laatste bent u gerechtigd. Waarom murmureert u dan, en wacht u niet lijdzaam op God, onder uw ellenden? Zij zijn niets, bij de eeuwige ellende van de verdoemden, van welke u verlost bent; niets, bij de eeuwige zaligheid van de verlosten, op welke u recht hebt, en die spoedig alle droefheid zal verzwelgen.
4. Al zijn ze nog zo groot of langdurig, zij zullen een einde hebben. (Ps. 9:19) "Want de nooddruftige zal niet voor altoos vergeten worden, noch de verwachting der ellendigen in eeuwigheid verloren zijn." (Ps. 37:37) "Let op de vrome, en ziet naar de oprechte, want het einde van die man zal vrede zijn:" (Ps. 34:20) "Vele zijn de tegenspoeden des rechtvaardigen; maar uit alle die redt hen de Heere." (Hab. 2:3) "Het gezicht is tot een bestemde tijd." (Ps. 40:2) "Ik heb de Heere lang verwacht; en Hij heeft zich tot mij geneigd, en mijn geroep gehoord." Des Heeren tijd om verbondsontfermingen uit te delen is de rechte tijd, de enige tijd, de beste tijd, de geschiktste tijd. Door haastigheid van geest kunt u misschien denken, dat het meer dan tijd is, dat de beloofde uitkomst, of de beloofde goedertierenheid wordt gegeven, doch u bent in dit geval geen bevoegd rechter. Indien wij die in onze tijd ontvingen, zou God de eer niet ontvangen en wij zouden het voordeel verliezen, dat Hij er mee ten doel heeft. Hij heeft ieder ding schoon gemaakt in Zijn tijd, niet in de onze. Laat daarom niets u verhinderen hem te verwachten in de weg van Zijn gerichten: "De Heere is een God des gerichts; welgelukzalig zijn allen, die Hem verwachten" (Jes. 30:18).
Wij zullen nu verder enige besturingen geven tot rechte gebruikmaking van deze plicht, van de Heere te verwachten in de weg van Zijn gerichten.
Zegt u, ik kan God niet verwachten, want ik ben een ongelovige grommer. Waarmee zoudt u mij hulp kunnen bieden?
Dan antwoord ik: In het algemeen, is het, zonder verandering van nature door wederbarende genade, en zonder kracht door de genade van bijstand van de Geest onmogelijk deze plicht te verrichten. Weest hiervan bewust. En meer in het bijzonder;
1. Arbeidt om de ongenoegzaamheid en ijdelheid van alle dingen buiten God te zien; en een rechte bevatting te hebben van Zijn genoegzaamheid, en dat Hij genadig is door Christus, en dat Hij in uw ergste toestand gereed is u te hulp te komen; zonder dit zal een ziel God nooit verwachten. Zolang men hulp verwacht van het schepsel en van dit of dat middel, en men de ongenoegzaamheid niet ziet van alles buiten God, en hoe onprofijtelijk en vruchteloos elke weg, die wij inslaan buiten Hem, zal blijken te zijn, zal men nooit naar God uitzien en Hem verwachten, Zolang de mensen geen geestelijke bevatting hebben van de genoegzaamheid van God, om het in elke toestand voor hen goed te maken, en van Zijn genadigheid, om die genoegzaamheid te doen voortkomen door Christus, doch God blijven wantrouwen, zullen zij Hem niet verwachten. Als men maar eens een recht gezicht had van de ongenoegzaamheid van het schepsel, en de algenoegzaamheid van God en van Zijn genadigheid om het te doen voortkomen, zou dit wonderlijk tot hulp zijn om Hem te verwachten, en uit te roepen: "Assur zal ons niet behouden, wij zullen niet rijden op paarden, en tot het werk onzer handen niet meer zeggen: ‘Gij bent onze God’" (Hos. 14:4).
2. Wekt uw zielen gedurig op tot deze plicht, vastbesloten het te beproeven, niettegenstaande alle hinderpalen en moeilijkheden: (Jes. 8:17) "Ik zal de Heere verbeiden, Die Zijn aangezicht verbergt voor den huize Jakobs, en ik zal Hem verwachten." (Micha 7:27) "Maar ik zal uitzien naar de Heere; ik zal wachten op de God mijns heils: mijn God zal mij horen." Zulke besluiten zouden de ziel in een verwachtende en wacht houdende gestalte brengen.
3. Haalt door het geloof sterkte uit Christus, Die u gemakkelijk kracht kan geven. want zonder Hem kunnen wij niets doen. De apostel zegt: (Filip. 4:13) Ik vermag alle dingen door Christus, Die mij kracht geeft." Trekt alle bemoediging uit het verbond, waarin beloften zijn gedaan om te wachten, en op het wachten: (Ps. 27:14) "Wacht op de Heere: zijt sterk." En werpt u tegen: Maar ik kan niet wachten: Wel, er is aan toegevoegd: "en Hij zal uw hart versterken." Er zijn ook lieflijke beloften op het wachten: (Jes. 40:31) "Maar die de Heere verwachten zullen de kracht vernieuwen, zij zullen opvaren met vleugelen, gelijk de arenden; zij zullen lopen en niet moede worden: zij zullen wandelen en niet mat worden." (Jes. 30:18) "En daarom zal de Heere wachten, opdat Hij u genadig zij, en daarom zal Hij verhoogd worden, opdat Hij Zich over ulieden ontferme, want de Heere is een God des gerichts; welgelukzalig zijn die allen, die Hem verwachten. (Jes. 64:4) "Ja vanouds heeft men het niet gehoord, noch met oren vernomen, noch een oog heeft het gezien, behalve U, o God, wat Hij doen zal dien, die op Hem wacht." (Klaagl. 3:25) "De Heere is goed dengenen, die Hem verwachten, der ziel, die Hem zoekt."
Weest veel in het gebed om een wachtende gestalte, en tegen de ongesteldheden van de geest, die het verhinderen. Gaat en spreekt met God over uw behoeften en uw kwaden, en bidt Hem, dat Hij u lijdzaamheid, geloof, hoop en heilige onderwerping, en een wachtende geest geeft. "Gij die God zoekt, ulieder hart zal leven."
5. Laat het een daad van de ziel zijn: "Mijn ziel wacht," zegt de Psalmist: (1) Laat het een bewuste duidelijke daad van de ziel zijn: "Immers wacht mijn ziel op God" (Engelse overzetting Ps. 62:2). (2) Een vrijwillige daad van de ziel; niet uit nooddwang, maar uit vrije keuze en met lust: (Micha 7:7). "Ik zal wachten op de God mijns heils." (3) Een ernstige daad van de ziel: (Rom. 8:19 Engelse overzetting) "Want de ernstige verwachting van het schepsel wacht op de openbaring van de kinderen Gods;" evenals de vermoeide wachter met verlangen op de morgen wacht (Ps. 130:6). (4). Een nederige daad van de ziel. Het rechte wachten geeft de afstand te kennen, die er is tussen een mindere en zijn meerdere; tussen de persoon die wacht, en de persoon op wie gewacht wordt: (Ps. 123:2) "Gelijk de ogen der knechten zijn op de hand hunner heren; gelijk de ogen der dienstmaagd zijn op de hand harer vrouw; alzo zijn onze ogen op de Heere onze God totdat Hij ons genadig zij." Beschouwt de grote afstand tussen God, uw hemelse Heere, en u. (5) Laat het een vast besloten daad zijn, zoals deze: "Ik heb gezworen en zal het bevestigen." (Ps. 27:4) Één ding heb ik van de Heere begeerd, dat zal ik zoeken, dat ik alle dagen mijns levens mocht wonen in het huis des Heeren, om de lieflijkheid des Heeren te aanschouwen, en te onderzoeken in Zijn tempel." (7) Laat het een gevestigde en standvastige daad van de ziel zijn, niettegenstaande de ene teleurstelling op de andere; volgt gedurende de gehele weg van Zijn gerichten. "Wacht gedurig op uw God." Ik ben vermoeid van mijn roepen, mijn keel is ontstoken, mijn ogen zijn bezweken; daar ik ben hopende op mijn God. Verwacht God in de weg, in het vervolg van onze tekstwoorden vermeld: "Tot Uw Naam en tot Uw gedachtenis is de begeerte onzer ziel."
Wij zullen nu nog enige beweegredenen voorstellen, om u tot deze plicht op te wekken. 1. Overweegt, dat God, en het goede, dat u in uw droevige toestand nodig hebt, waardig zijn er op te wachten. (Ps. 62:6-8) "Doch gij, o mijn ziel, zwijg Gode; want van Hem is mijn verwachting. Hij is immers mijn Rotssteen en mijn Heil: mijn hoog Vertrek, ik zal niet wankelen. In God is mijn heil en mijn eer; de rotssteen mijner sterkte, mijn toevlucht is in God." Zal een landman in lijdzaamheid wachten op de vroege en spade regen, en op de vrucht van de aarde; zal de krijgsman op de overwinning wachten: de koopman op winst, en de wachter op de morgen, en zullen zielen, die in benauwdheid zijn niet wachten op God, hun Rots, hun Heil, hun hoog Vertrek? 2. De tijd waarin God vertoeft met de beloofde goedertierenheden en bevrijding te komen, is Gods wachtenstijd, zowel als de onze; "Hij wacht, om genadig te zijn". Hij wacht op een gepaste tijd om ontferming te bewijzen. U denkt, dat u lang op God moet wachten; doch Hij wacht wel zo lang als u, en op een geschikte tijd, om Zijn goedertierenheid te betonen aan de ziel, die Hem verwacht. 3. God verwachten in de verdrukking, bewaart van weggevoerd te worden met de verzoeking, die de verdrukking vergezelt. Satan gebruikt de tijd van de benauwdheid om arme zielen met zijn verzoekingen te ziften, en hen, in de ene of andere verkeerde richting, tot de verlossing ingeslagen, van God af te drijven; doch wanneer de ziel maar eens in een wachtende gestalte is gekomen, is zij beveiligd tegen deze verzoekingen. "Op hem heeft mijn hart vertrouwd, en ik ben geholpen. Wacht op de Heere, en Hij zal uw hart versterken." 4. God maakt alle dingen wel, en doet alles ten goede medewerken, dengenen, die Hem liefhebben en verwachten. Zij zullen er allen toe gebracht worden, te zeggen, dat Hij bij hen goed gedaan heeft, naar Zijn Woord. Laat ons daarom, in de weg van Zijn gerichten, Hem verwachten. 5. Overweegt hoe volkomen Hij is: "Christus is alles en in allen". Overweegt hoe begeerlijk Hij is: "Alles wat aan Hem is, is gans begeerlijk" (Hoogl. 5:16). Verwacht Hem daarom zelfs in de weg van Zijn gerichten.
Wij hebben reden te verwachten, dat vreselijke dagen goede dagen zullen voorafgaan. Waarom heeft God zo’n opdracht gegeven als Jesaja kreeg: (kap. 6:10) "Maak het hart dezes volks vet, en maak hun oren zwaar, en sluit hun ogen: opdat het niet zie met zijn ogen, noch met zijn oren hore, noch met zijn hart versta, noch zich bekere, en Hij het geneze". Wij kunnen de Heere geen perk stellen, noch Zijn tijd bepalen, doch dit is zeker, dat de zonden van onze tijd te boven gaan de zonden in de tijd van Jesaja, want wij hebben tegen meer licht, tegen helderder evangelielicht gezondigd, dan zij ooit gehad hebben. Hoe groter onze voorrechten zijn, hoe groter onze schuld is in die te veronachtzamen: en hoc groter onze schuld is, hoe ontzaglijker onze gerichten zullen zijn. Misschien zal Hij al de heidenen doen beven, voordat de Wens aller heidenen zal komen. Gelooft, waakt en bidt, want uw vijanden leven en zijn levendig; de verdorvenheid is nog niet vernietigd. Waakt, en laat uw waken u niet tot een last zijn, maar doe het in de weg van het Evangelie, dat is een lichte en vermakelijke weg. En hoe moet u het doen? U weet, dat het niet het werk van de wachter is tegen de vijanden te strijden, maar de opperbevelhebber te doen weten, wanneer de vijand aankomt; zo ook is uw werk in het waken niet, tegen de vijand op te trekken, maar zodra u hem ziet aankomen, zodra de Satan u met een verzoeking aanvalt, op de eerste beweging van de vijand, het de overste Leidsman van uw zaligheid mee te delen, zeggende: "Heere, hier is de vijand; Heere, help mij!" Ziet toe, dat u Christus niet misverstaat, wanneer u tot Hem roept, en Hij u niet schijnt te horen en te antwoorden. Verstaat Hem niet verkeerd. De Kananeese vrouw doorzag Christus beter; niettegenstaande al de afwijzingen, die zij ontving, zag zij door die alle heen Zijn goedertieren hart. Gedenkt wat David deed: (Ps. 85:9) "Ik zal horen wat God de Heere spreken zal". Ik zal naar Hem horen. Satan, zonde en wereld doen hun stem horen, maar zij hebben nooit een goed woord van Christus te zeggen; daarom zal ik niet horen wat zij zeggen, noch wat het ongeloof zegt, noch wat de vijand zegt, maar ik zal horen wat God de Heere spreken zal. Hij zal van vrede spreken, als een God, Die in Christus de wereld met Zichzelf verzoenende was. Hij spreekt van vrede in het verbond der genade; Hij spreekt van vrede in Zijn Woord; ik zal naar Hem horen, en naar Zijn Woord luisteren. Komt tot Jezus, zeggende: Heere help mij! Hoe groot de vergadering ook is, toch is er in Christus plaats voor u allen. Ik bid u daarom allen tot Hem te komen en Hem te verwachten. U moet tot Hem komen of verloren gaan. Laat dan de weerklank van uw ziel zijn: Wij zijn tot u, o Heere, gekomen; "Wij hebben ook in de weg Uwer gerichten, u, o Heere, verwacht."
Vleselijke beraadslaging ontvouwd, of, het grote kwaad van in de dingen Gods door vleselijke beginselen te worden gedreven, blootgelegd (1e preek)
Gal. 1:16. Zo ben ik terstond niet te rade gegaan met vlees en bloed
Toen ik overwoog wat, te dezer dage, de voorname bron van alle bewegingen en handelingen van de meeste mensen is, en wat de grote raadsman is, waarmee over het algemeen beraadslaagd wordt, was het, dacht mij, duidelijk, dat vlees en bloed het voornaamste beginsel zijn, dat de houding en het gedrag van dit geslacht beïnvloedt. Toen ik verder overwoog, dat niet alleen de goddeloze wereld, maar zelfs de uitstekendste belijders van de godsdienst, en de ware godvrezenden, door hun wandel en hun zondige gelijkvormigheid aan de wereld en hun meegaan met de stroom van de tijd, s