Preken

van

Ralph Erskine

bedienaar van het Evangelie te Dunfermline - Schotland

over

Kol. 3:3 De beste bewaarplaats voor het beste leven, of, een leven met Christus verborgen in God

Hand. 7:34 Christus, de ware Mozes, gezonden om Zijn ware Israël te verlossen uit hun geestelijk Egypte

Ezech. 16:63 Evangelische verootmoediging gegrond op het gelovig zien, dat God bevredigd is

Rom. 4:18 De hoorders van het Evangelie hebben in de slechtste tijden een vaste grond voor het geloof en de hoop

Jes. 30:7 Standvastigheid in het geloof, de sterkte van de Kerk

Openb. 2:10 Getrouwheid tot de dood bekroond met het eeuwige leven

 

 

Deel 6

 

 

 

Inhoud

 

De beste bewaarplaats voor het beste leven, of, een leven met Christus verborgen in God *

Een gedeelte van de toespraak voor het bedienen van de tafel *

De toespraak bij de bediening van de eerste tafel *

Een toespraak bij het einde van de plechtigheid *

Christus, de ware Mozes, gezonden om Zijn ware Israël te verlossen uit hun geestelijk Egypte *

Evangelische verootmoediging gegrond op het gelovig zien, dat God bevredigd is *

De hoorders van het Evangelie hebben in de slechtste tijden een vaste grond voor het geloof en de hoop (1e preek) *

De hoorders van het Evangelie hebben in de slechtste tijden een vaste grond voor het geloof en de hoop (2e preek) *

Standvastigheid in het geloof, de sterkte van de Kerk *

Getrouwheid tot de dood bekroond met het eeuwige leven *

De beste bewaarplaats voor het beste leven, of, een leven met Christus verborgen in God

Kol. 3:3. Uw leven is met Christus verborgen in God.

Hoewel de Avondmaalstafel openlijk gedekt is met de zichtbare elementen van brood en wijn, toch worden daardoor zulke grote verborgenheden en zulke geestelijke spijze voorgesteld, dat niemand in staat is, die te bevatten of zich daarmede te voeden, dan zij, die een verborgen en geestelijk leven hebben. Zulken worden in deze tekst aangewezen, en als het ware uit al de overigen van de gemeente uitgekozen, zodat tot hen kan worden gezegd: Gij man, gij vrouw, gij die recht hebt aan deze tafel des Heeren aan te zitten, u, die dit verborgen manna kunt eten, u hebt door genade een leven ontvangen, dat daartoe enigermate geschikt is, en dat alleen door zulke verborgen spijze kan worden onderhouden; "Uw leven is met Christus verborgen in God." Men kan dan ook dadelijk zien, dat deze tekst gepast is voor het werk van deze dag, en hij staat ook in nauwe betrekking tot het onderwerp, dat hier bij de laatste gelegenheid van deze soort is behandeld. Die tekst handelde over de doden: "De ure komt en is nu, wanneer de doden zullen horen de stem des Zoons Gods, en, die ze gehoord hebben, zullen leven" (Joh. 5:25). Deze tekst handelt over de levenden, ja, wordt in het bijzonder tot hen gesproken, en beschrijft het leven, dat zij door de levendmakende stem van de Zoon van God hebben ontvangen: "Uw leven is met Christus verborgen in God."

Ik heb, in Gods voorzienigheid, op enkele vorige Sabbatdagen over het voorafgaand verband gepreekt, uit het begin van dit hoofdstuk, waar de apostel in het eerste en tweede vers de gelovigen vermaant, te zoeken en te bedenken de dingen, die boven zijn. Ik heb ook, op enige van de vorige dagen, het eerste lid van dit ons tekstvers behandeld: "Want gij zijt gestorven;" en daaruit gelegenheid genomen, de gelovige te beschrijven, als zijnde aan de wereld, aan de zonde, aan het eigen, en aan de wet als een verbond, gestorven; en nu blijft dit deel van het vers nog ter behandeling over: "Uw leven is met Christus verborgen in God."

Dit vers bevat enige van de beweegredenen, welke de apostel gebruikt om de voorafgaande vermaningen aan te dringen, en die aantonen: dat het leven van de Christen is samengesteld uit goddelijke paradoxen, of schijnbare tegenstrijdigheden; zij kunnen niets doen en nochtans kunnen zij alle dingen doen; zij zijn gestorven en toch leven zij.

Wij hebben in deze woorden twee opmerkelijke dingen: een verslag van de dood van de gelovige, en van zijn leven.

1e Hier is de dood van de Christen: "Gij zijt gestorven." 1. Niet dood in de zonde, want dat waren zij van nature, en dat zijn allen, die in de natuurstaat blijven. 2. Niet gestorven voor de zonde; onze Heere Jezus heeft alleen de eer, dat Hij dit op Zich heeft genomen. Maar, 3. gestorven aan de zonde en aan alles in de wereld, waardoor de zonde oorzaak kan nemen.

2e Het leven van de Christen: "Uw leven is met Christus verborgen in God." Dit is niet een natuurlijk leven, want dit hebben wij, en Christus is gekomen om te herstellen wat de mens heeft verloren; het is ook niet een vleselijk of zondig leven, want dat is een leven zonder Christus; maar het is een geestelijk en bovennatuurlijk leven, een leven met Christus in God.

Hier zijn enkele dierbare eigenschappen van het leven van de gelovigen; het is met Christus verborgen, en het is met Christus verborgen in God. En meer in het bijzonder kunnen wij hier een schat, een schatbewaarder en een schatkamer waarnemen.

1. Een schat, namelijk het leven; dit is een verborgen schat voor de gelovige, waartoe Christus is gekomen, om die te herstellen. Het is een verborgen schat, zowel ten opzichte van verborgenheid, dat hij niet gezien kan worden, als ten opzichte van veiligheid, dat hij niet verloren kan worden.

2. Een schatbewaarder, met wie hij verborgen is. Hij is met Christus verborgen; hij is in Zijn hand; Hij is de Uitdeler van de schat, want "In Hem zijn al de schatten der wijsheid en der kennis verborgen." Hij is met Christus verborgen.

3. De schatkamer, of het schathuis waarin hij met Christus verborgen is: hij is met Christus verborgen in God.

Uit dit veel omvattend overzicht van de woorden komt vanzelf de volgende leerstelling naar voren:

Dat het leven van de gelovige innig verborgen en veilig opgelegd is met Christus in God.

In het spreken over dit leerstuk zullen wij, met goddelijke bijstand trachten de volgende dingen te doen:

I. Een weinig spreken over de schat, het leven van de gelovige.

II. Daarover spreken, dat hij verborgen is, en aantonen in welke opzichten dat zo is

III. Aantonen met Wie hij verborgen is, en wat dat inhoudt, dat hij verborgen is met Christus.

IV. Waar hij verborgen is, namelijk in God, en wat dat te kennen geeft.

V. Het gehele onderwerp toepassen.

I. Wij zullen een weinig spreken over het Leven van de gelovige. Daar hij een gelovige in Christus is, is al het leven, dat hij heeft, in Christus. Zijn leven is Christus in Hem, Die zegt: "Ik leef, en gij zult leven". In het vers, dat op onze tekst volgt, wordt Christus het leven van de gelovige genoemd. Dit leven, dat de gelovige in Christus heeft, kan tot de volgende drie soorten worden herleid, namelijk: het leven van de gerechtigheid, het leven van de genade, en het leven van de heerlijkheid.

1. Het leven van de gerechtigheid, of van de rechtvaardigmaking, waardoor al zijn zonden zijn vergeven, en hij als rechtvaardig in de ogen Gods is aangenomen, door de toerekening van de gerechtigheid van Christus (Rom. 3:22). Door dat middel is de grote rekening, die hij aan de wet en de rechtvaardigheid schuldig was, waarin de erfzonde onuitwisbaar geschreven was, en bovendien al de dadelijke zonden, in Gods gedenkboek doorgehaald en uitgewist met een "Aldus zegt de Heere: Ik, Ik ben het, Die uw overtredingen uitdelg, om Mijnentwil, en Ik gedenk uwer zonden niet". (Jes. 43:25.) Door dit leven is de vloek van de wet weggenomen en het vonnis van de verdoemenis omgekeerd, zodat er geen verdoemenis is voor degenen, die in Christus Jezus zijn, (Rom. 8:1) en de gelovige zegevierende mag zeggen, zonder vrees voor dood, hel, of toorn: "Wie zal beschuldiging inbrengen tegen de uitverkorenen van God? God is het, Die rechtvaardig maakt. Wie is het die verdoemt? Christus is het, Die gestorven is; ja wat meer is, Die ook opgewekt is, Die ook ter rechterhand Gods is, Die ook voor ons bidt (vs. 33, 34). Want gelijk Hij gestorven is om onze zonden, is Hij ook opgewekt om onze rechtvaardigmaking (Rom. 5:25). Dit leven van de gerechtigheid, of van de rechtvaardigmaking, is in alle gelovigen gelijk; "de rechtvaardigheid Gods door het geloof van Jezus Christus, is tot allen en over allen, die geloven; want er is geen onderscheid" (Rom. 3:22). Het is volmaakt, eeuwig, en onafgebroken, omdat de gerechtigheid van Christus steeds op hen is, en hun vereniging met Christus vast staat.

2. Het leven, dat de gelovige in Christus heeft, is een leven van genade, of heiligmaking: dat, hoewel het onafscheidelijk van het leven van de rechtvaardigmaking is, daarvan nochtans oneindig verschilt. De rechtvaardigmaking is het vonnis van een rechter; de heiligmaking is het werk van een heelmeester. God, als rechter, rechtvaardigt de persoon; maar, als een heelmeester, heiligt en geneest Hij de natuur. Hoewel rechtvaardigmaking en heiligmaking beide uit Christus voortvloeien, nochtans is Hij niet op één en dezelfde wijze onze rechtvaardigmaking en onze heiligmaking. Wel zijn ze beide gekocht, doch de heiligmaking vloeit niet zo onmiddellijk uit het priesterlijk ambt van Christus voort. De heiligmaking vloeit onmiddellijk voort uit de Geest van Christus, doch de heiligmaking vloeit uit Christus voort in de uitvoering van Zijn priesterlijk ambt, en Zijn gerechtigheid is daarvan niet alleen de verdienende, maar ook de stoffelijke oorzaak. Door het leven van de genade en van de heiligmaking wordt de ziel versierd met de genaden van de Geest van Christus, en is van de Koning dochter geheel verheerlijkt inwendig, en haar kleding van gouden borduursel. En het moet voorzeker goed gewrocht zijn, wanneer God Zelf er de Werkmeester van is, Die nooit een verachtelijk werk onder handen heeft genomen: "Wij zijn Zijn maaksel, geschapen in Christus Jezus tot goede werken" (Ef. 2:10). Dit is een leven, waarvan Christus het Voedsel, het Geneesmiddel, het Voorbeeld, de Werker, de Bewaarder en de Volmaker is. Wij zijn daardoor de goddelijke natuur deelachtig; daar door verheerlijken wij God. en zijn wij in de wereld nuttig en dienstig, en het is de lieflijke aanvang van de hemel, en dat is:

3. Het leven van de heerlijkheid, waarvan het volgende vers spreekt: "Wanneer nu Christus zal geopenbaard zijn, Die ons leven is, dan zult ook gij met Hem geopenbaard worden in heerlijkheid". Het leven van de genade is soortelijk hetzelfde als het leven van de heerlijkheid, hoewel het verschil in trap even groot is, als dat van een kind in de baarmoeder, en een man, die tot zijn volle verstand, rede en oordeel is gekomen. De genade is echter het zaad van de heerlijkheid, en wordt ook heerlijkheid genaamd; "De heerlijkheid des Heeren als in een spiegel aanschouwende, worden wij naar hetzelfde beeld in gedaante veranderd, van heerlijkheid tot heerlijkheid" (2 Kor. 3:18). Elke gelovige in Christus heeft, naar de mate van het geloof en van de hoop, de beginselen en de eerstelingen van de heerlijkheid: het geloof van de heerlijkheid, de hoop van de heerlijkheid, de Geest van de heerlijkheid, en soms een onuitsprekelijke en heerlijke vreugde, wanneer hij blijdschap en vrede heeft in het geloven. "Die in Christus gelooft heeft het eeuwige leven en de heerlijkheid". Hij heeft die in de belofte; in het recht daarop; en hij heeft die in het zaad en in de wortel, welke zullen opspringen tot heerlijkheid; want hij heeft de Geest in zich, als een Fontein van water, opspringende tot in het eeuwige leven. Christus bereidt dit leven voor hen, en Hij bereidt hen voor dit leven. Het leven van de gelovige is in deze drie soorten begrepen.

II. Ons tweede punt was, dat wij over deze eigenschap van dit leven zullen spreken, dat het verborgen is: "Uw leven is verborgen". Het is verborgen, zowel ten opzichte van verborgenheid, als van veiligheid.

1e Ten opzichte van verborgenheid, is het voor de wereld geheel verborgen, en is het ten dele voor de gelovigen zelf verborgen.

1. Het is geheel verborgen voor de wereld; voor de goddeloze, onwedergeboren wereld is dit leven geheel en al verborgen. De bewerker van dit leven, Jezus Christus, is verborgen, want "de god van deze eeuw heeft de zinnen van de ongelovigen verblind", zodat zij Hem niet kunnen zien. Hij is in alle eeuwen verborgen geweest, verborgen voor tijden en geslachten. Weinigen onder het Oude Testament hebben Hem gezien in de typen en offeranden vanouds. De Joden, onder het Nieuwe Testament, die Hem in het vlees hebben gezien, ziende zagen zij niet; zij beschouwden Hem slechts als de zoon van de timmerman. Hoe weinigen zijn er nog onder hen, die van Christus horen, die Hem kennen in de kracht van Zijn opstanding! Het onderwerp van het leven is verborgen, want "die alleen is een Jood, die het in 奏 verborgen is, en de besnijdenis van het hart, in de geest, niet in de letter is de besnijdenis, wiens lof niet is uit de mensen, maar uit God" (Rom. 2:29). Het leven van de genade van de gelovige is in de verborgen mens van het hart (1 Petr. 3:4). De middelen van dit leven zijn verborgen, want de gelovige kan met Christus zeggen: "Ik heb een spijze om te eten, die de wereld niet kent"; zijn leven wordt onderhouden door het Woord en de Geest Gods. Het Woord nu is een verborgen Woord, niet zozeer wat de geschiedenis betreft, maar de verborgenheid daarvan; niet wat de letter aangaat, maar in zijn werking op de zielen van de gelovigen. Daarom wordt het Woord van het Evangelie genoemd: "de wijsheid Gods bestaande in verborgenheid" (1 Kor. 2:7), en, (vs 14) "de natuurlijke mens begrijpt niet de dingen, die des Geestes Gods zijn". De natuurlijke wijsheid tot haar hoogste punt opgevoerd kan die niet zien. Daarom zeide Augustinus eens: "De ongeleerden zullen doorgaan en de hemel met geweld nemen". Vele grote geleerden zullen met al hun geleerdheid in de hel vallen, wanneer anderen de hemel met geweld nemen. Evenals het Woord is ook de Geest een verborgen Geest. Hij wordt daarom vergeleken bij de wind; gij weet niet van waar hij komt. en waar hij heengaat; alzo is een iegelijk, die uit de Geest geboren is". Het is voor de geleerden een raadsel wat de wind is, en hoeveel temeer zijn de werkingen van de Geest verborgen! Ook de werkingen van dit leven zijn verborgen. O! Welke verborgen dingen zijn de weeën van de nieuwe geboorte; het werk van overtuiging; de wijze waarop de zonde een last is: de wijze waarop de ziel Christus aanneemt en in Hem rust vindt; het inwendig verlangen en de begeerten van de ziel naar Christus, het hartelijk omhelzen van de belofte en het uitgieten van het hart voor de Heere, onder de uitstortingen van de Geest in de ziel! Er kan iemand naast u zitten, en u weet niet wat een lieflijk werk in zijn ziel gaande is, het is als de witte keursteen en de nieuwe naam, die niemand kent dan, die hem ontvangt. Ook de voorrechten van dit leven zijn verborgen voorrechten. Het zegel van de Geest is een verborgen voorrecht, wanneer zij, nadat zij geloofd hebben, verzegeld zijn met de Heilige Geest der belofte. De vergeving van zonde is een verborgen voorrecht, de bekendmakingen daarvan zijn verborgen; vrede met God en gemeenschap met God zijn verborgen voorrechten. In één woord; de vertroostingen van dit leven zijn verborgen; "een vreemde zal zich met deszelfs blijdschap niet vermengen".

2. Het is ten dele voor de gelovigen zelf verborgen. Hun leven is voor hen zelf verborgen. Soms is het sprankje genade, door de overblijfselen van de zonde in hen, zo met de as van de verdorvenheid bedekt, dat het voor hun ogen verborgen is. Soms, wanneer de satan hen door zijn verzoekingen zift, evenals hij Petrus deed; wanneer de tarwe gezift wordt komt het kaf boven, en dan is de tarwe verborgen. Soms kan hun leven, door de druk van de verdrukkingen en de winterstormen, voor hen verborgen zijn, evenals het leven van de boom des winters in de wortel verborgen is. Soms zijn hun leven en hun vertroosting door verlating verborgen; wanneer God zijn aangezicht verbergt worden zij verschrikt; het kan zijn, dat zij in de duisternis wandelen en geen licht hebben (Jes. 50:10). Hun leven der gerechtigheid en der genade kunnen beide verborgen zijn onder de donkere wolken van ongeloof, twijfelingen en vrezen; en wat hun leven der heerlijkheid betreft, dit is meer bijzonder in de tijd voor hen verborgen; want, hoewel zij nu kinderen Gods zijn, het is nog niet geopenbaard wat zij zijn zullen (Joh. 3:2).

2e Het leven van de gelovige is verborgen ten opzichte van de veiligheid; het is zo verborgen dat het niet kan worden verloren. Hoewel zij hun leven soms niet kunnen bekijken, toch kunnen zij het niet verliezen; het is goed verborgen en beveiligd: (Joh. 10:28, 29, 30) "Ik geef hun het eeuwige leven; en zij zullen niet verloren gaan in der eeuwigheid, niemand zal dezelven uit Mijn hand rukken. Mijn Vader, Die ze mij gegeven heeft, is meerder dan allen, en niemand kan ze rukken uit de hand Mijns Vaders. Ik en de Vader zijn Een." Wat zou een arme ziel in tijden van beroering meer kunnen bemoedigen dan dit, dat zij een leven heeft, dat zij niet kan verliezen, een schat, die niet gestolen, een beter deel, dat haar niet ontnomen kan worden. Wat is dan dit leven zeker, dat verborgen is en veilig bewaard wordt. Het is met Christus verborgen in God. Dit leidt mij dan.

III. Tot ons derde punt: Bij Wie het verborgen is; het is met Christus verborgen, en dat in velerlei opzichten, die ik alleen zal aanstippen, het aan het geloof en het geestelijk verstand overlatende, het verder uit te breiden.

1. Het leven van de gelovige is veilig verborgen met Christus ten opzichte van onverbreekbare vereniging. Er is een nauwe, geestelijke huwelijksvereniging tussen Christus en de gelovige; Christus is in de gelovige door Zijn Geest. Daarvan staat geschreven: "Christus in u de hoop der heerlijkheid;" en, "die de Heere aanhangt is één Geest met Hem." De gelovige is in Christus door het geloof, waarom gezegd wordt, dat Christus door het geloof in hun harten woont. Deze vereniging kan nooit verbroken worden, want Hij heeft gezegd: "Ik zal u mij ondertrouwen in eeuwigheid." Deze vereniging met Christus verzekert het leven van de gelovige in Christus, want zij vloeit voort uit tweeërlei gift Gods, namelijk, dat Hij hen van eeuwigheid aan Christus heeft gegeven, en dat Hij hen in de tijd aan Christus heeft gegeven. Dat God hen in de verbondsonderhandeling voor de tijd aan Christus heeft gegeven:(Joh. 27:6) "Zij waren Uwe, en Gij hebt Mij dezelven gegeven," is de grond van hun verbondsvereniging met Hem. En dat Hij hen aan Christus heeft gegeven in de bedeling van dat verbond der genade in de tijd, en maakt, dat zij Hem aannemen: (Joh. 6:44, 45) "Niemand kan tot mij komen tenzij, dat de Vader, Die Mij gezonden, hem trekke, en Ik zal hem opwekken ten uiterste dage. Daar is geschreven in de profeten: Een ieder dan, die het van de Vader gehoord en geleerd heeft, die komt tot Mij"; dit is de grond van hun werkelijke vereniging met Hem. Uit deze eeuwige vereniging vloeit een eeuwige levensinwerking voort uit dit heerlijk Hoofd. Want

2. Hun leven is met Christus verborgen, ten opzichte van een veilige bewaring; het leven van de gelovige is Hem in bewaring gegeven. De Vader heeft Hem aangesteld tot de Bewaarder van hun leven en van al hun levensbehoeften. "De Vader heeft de Zoon lief, en heeft alle dingen in Zijn hand gegeven," en Hij heeft Hem in het bijzonder hen en hun leven toevertrouwd: "Zij waren Uwe, en Gij hebt Mij dezelven gegeven. Gelijkerwijs Gij Hem macht gegeven hebt over alle vlees opdat al wat Gij Hem gegeven hebt, Hij hun het eeuwige leven geve" (Joh. 17:6, 2). De gelovige stelt Hem ook aan tot het bewaren van zijn leven, waarom bij zegt: (1 Tim. 1:12) "Want ik weet in Wien ik geloofd heb, en ik ben verzekerd, dat Hij machtig is mijn pand bij Hem weggelegd te bewaren tot die dag." De gelovige legt zijn leven, en alles wat daarmee in betrekking staat, bij Christus weg, en Christus acht Zich verplicht het voor hem te bewaren, omdat Hij de Gevolmachtigde, zowel van de gelovige als van de Vader is.

3. Hun leven is met Christus verborgen ten opzichte van verbondszekerheid, waardoor dit leven voor hen, in Christus als het Hoofd van het nieuwe verbond, goed verzekerd is. Hun leven is met Christus verborgen, dat is, met Zijn volbracht werk, waardoor Hij alle gerechtigheid vervuld heeft, en zo heeft Hij de voorwaarde van het verbond vervuld, en daardoor hun eeuwig leven verzekerd. Hun leven van het geloof en van de hoop is hierdoor ook met Christus verborgen; dat is, met en in Zijn dood, opstanding en verhoging; want "door Hem geloven wij in God, Welke Hem opgewekt heeft uit de doden en Hem heerlijkheid gegeven heeft, opdat ons geloof en hoop op God zijn zou" (1 Petr. 1:21). Hun leven is met Hem verborgen in Zijn overwinning over de zonde, de dood en de duivel, want daarin is hun leven van zegepraal en overwinning voor eeuwig verborgen: "Gode zij dank, Die ons de overwinning geeft door Jezus Christus onze Heere." In één woord, hun leven is met Christus verborgen in Zijn leven; omdat Hij leeft, zullen zij ook leven. Hier is hun leven volstrekt veilig en zeker. Dat hun leven met Christus verborgen is geeft te kennen, dat hun leven even zeker en veilig is als het leven van Christus, dat op Zijn dood gevolgd is. Wij plegen te zeggen: Dit of dat is zo zeker als de dood, doelende op de dood, die te komen staat; doch het leven van de gelovige is zo zeker als de dood, die gepasseerd en voorbij is; even zeker, als het zeker is, dat Christus, Die leeft, dood geweest is, en in alle eeuwigheid levend is, hebbende de sleutels der hel en des doods.

4. Hun leven is met Christus verborgen, ten opzichte van Zijn plaats en betrekking als Middelaar, voor hen in het bijzonder.

(1). Hun leven is met Hem verborgen als de Heere van hun leven, de Schatmeester, de grote Uitdeler, Die gekomen is om het leven en overvloed te geven; die hun geestelijk leven begint met hun de Geest des levens te geven, waardoor zij worden wedergeboren, en geboren zijn tot een onverderfelijke, en onbevlekkelijke, en onverwelkelijke erfenis, die in de hemelen voor hen bewaard is. De Geest is het onderpand van de erfenis.

(2). Hun leven is met Christus verborgen als de Verwerver daarvan. Hij is er de verdienende oorzaak van; Hij heeft er voor betaald met de prijs van zijn bloed: "Zij zijn niet door vergankelijke dingen, zilver of goud, verlost, maar door het dierbaar bloed van Christus, als van een onbestraffelijk en onbevlekt Lam."

(3). Hun leven is met Christus verborgen als de Wortel, waarin het sap gedurende de winter verborgen is; daarom zegt Christus: "Ik ben de Wijnstok, en gij de ranken."

(4). Hun leven is met Christus verborgen, zoals Hij hun Vertegenwoordiger is. Hij is naar de heerlijkheid gegaan, en heeft voor hen en in hun plaats deze woningen van de heerlijkheid in bezit genomen, en daar zijn zij met Hem gezet in de hemel (Ef. 2:6). Hier vandaan werpen zij het anker van hun geloof in het binnenste des voorhangsels, daar de Voorloper voor ons is ingegaan (Hebr. 6:20). Zo is hun leven verborgen met Christus.

In één woord, ons leven is met Hem verborgen, zoals Hij de Vorst des levens is, Die met macht en gezag gebiedt, dat de dode ziel zal leven; zoals Hij de boom des levens is, die levend maakt allen, die nemen en eten; zoals Hij het brood des levens is, Die verlevendigt en doet herleven allen, die zich met Hem voeden: Zo iemand van dit brood eet, die zal in der eeuwigheid leven." Hun leven is met Hem verborgen, zoals Hij de opstanding en het leven is: (Joh. 11:25) "Ik ben de opstanding en het leven; die in Mij gelooft zal leven, al ware hij ook gestorven"; en zoals Hij die God is, Die de doden levend maakt.

IV. Ons vierde punt was, na te gaan wat dat te kennen geeft, dat dit leven met Christus verborgen is in God. Hierin is voorzeker enige diepte, in welke wij nog niet hebben ingezien, namelijk de oorsprong waar dit leven verborgen is. Het is verborgen. Met Wie? Met Christus. In Wie? In God: Met Christus in God; zodat Christus en de gelovige tezamen in God verborgen zijn. Moge God onze ogen openen voor wat hier te zien is. Hoewel er meer te zien is dan mensen of engelen ons kunnen zeggen, toch kunnen wij er enigermate inzien, voorzover de Schrift ons grond geeft, waarop wij onze voet kunnen zetten, zodat wij niet in de diepte wegzinken.

1. Een leven, dat met Christus in God verborgen is, dat voor God even aannemelijk is, als Christus Zelf: "Hij heeft ons begenadigd (of aangenomen) in de Geliefde" (Ef. 1:6). Toen Christus het werk had volbracht, dat Hem de Vader had te doen gegeven, werd Hij gerechtvaardigd in de Geest, en van de Vader aangenomen: (Joh. 10:17, 18) "Daarom heeft Mij de Vader lief, omdat Ik Mijn leven afleg, opdat Ik het wederom neme. Dit gebod heb Ik van Mijn Vader ontvangen." Christus van de Vader aangenomen zijnde, worden de gelovigen in Hem aangenomen en in Hem begenadigd; hun leven is een leven van gunst bij God, op grond van de gunst, die Hij Christus toedraagt. Zij, die zonder God in de wereld zijn, zijn zonder hoop, zonder ontferming, zonder de genade van God, omdat zij zonder God zijn; maar in God te zijn, is gunst bij God te vinden door Christus, of aangenomen en begenadigd te worden in Christus, en zo leeft de gelovige in de liefde Gods en is hij vervuld met de volheid Gods.

2. Een leven met Christus verborgen in God is een leven van zodanige vereniging met God, als Christus de Middelaar leeft, Die met Hem Één is. Over dit wonderlijk leven wordt gesproken als over iets, dat in de andere wereld beter gekend zal worden dan hier: (Joh. 14:20) "In die dag zult gij bekennen, dat Ik in Mijn Vader ben, en gij in Mij, en Ik in u." Het is ook een deel van het gebed van de Middelaar: (Joh. 17) "Opdat zij allen één zijn, gelijkerwijs Gij Vader in Mij, en Ik in U, dat ook zij in Ons één zijn; (en vs. 22) opdat zij één zijn, gelijk als Wij Één zijn." Hier is een oceaan, die voor u en mij te diep is, om er in de tijd in te duiken; o, dat wij daarin tot in eeuwigheid mogen zwemmen!

3. Een leven, dat met Christus in God verborgen is, is een leven van zo地 vertrouwen op God, als waarmee Christus de Middelaar op Hem vertrouwt. De Godheid van Christus verbergt Zijn mensheid; de goddelijke natuur verbergt, ondersteunt en onderhoudt de menselijke natuur. Christus, als mens, is waarlijk personeel (door de wonderlijke vereniging van God en mens in Zijn Persoon) in Christus, als God,verborgen. Nochtans wordt Christus, als de Middelaar en het Hoofd van het nieuwe verbond, in Zijn bemiddeling en in Zijn middelaarswerk door God ondersteund: (Jes. 42:1) "Ziet Mijn knecht, Die Ik ondersteun." Aldus wordt het leven van de gelovige door God ondersteund en onderhouden; het is zijn God, Die zijn ziel in het leven bewaart. Christus, het Hoofd van het nieuwe verbond en Zijn gehele zaad, al Zijn leden, bestaan in en hangen af van God, als hun Verbondsgod: (Ps. 89: 4, 5) "Ik heb een verbond gemaakt met mijn Uitverkorene; Ik heb Mijn knecht David gezworen: Ik zal Uw zaad tot in eeuwigheid bevestigen."

4. Een leven, dat met Christus verborgen is in God, is een leven van zo地 waardigheid; heerlijkheid en eer, als het leven, dat Christus Zelf leeft en waartoe Hij is bevorderd. Christus is verhoogd om aan de rechterhand van God te zitten, en zij, mede levendgemaakt zijnde, zijn met Hem opgewekt en met Hem gezet in de hemel in Christus Jezus (Ef. 2:5, 6). Dit heerlijk leven van de gelovige in Christus is nu alleen te zien met het oog van het geloof, doch de dag komt, wanneer alle oog Hem zal zien. "Wanneer nu Christus zal geopenbaard zijn, Die ons leven is, dan zult gij ook met Hem geopenbaard worden in heerlijkheid." O wat een verheven en eervol leven is het leven van de heiligen in Christus! Hij leeft in de heerlijkheid Gods, en van de gelovige, wiens leven met Christus verborgen is in God, staat geschreven, dat hij tot de heerlijkheid Gods zal worden aangenomen: (Rom. 15:7) Daarom neemt elkander aan, gelijk ook Christus ons aangenomen heeft tot de heerlijkheid Gods. De kerk wordt daarom onzichtbaar genoemd: (Openb. 12:1) "Een vrouw, bekleed met de zon, en de maan was onder haar voeten;" zittende, als het ware, in de troon van God, Die de hemel tot Zijn troon, en de aarde tot de voetbank Zijner voeten gesteld heeft. Hoe gelijken zij God in Zijn heerlijkheid, die ook de hemel tot hun troon, en de maan, de aarde, onder hun voeten hebben, daar zij de voet op zetten!

5. Een leven met Christus verborgen in God is een leven, dat even zeker en duurzaam is, als het leven, dat Christus leeft; want Hij leeft in God en hun leven is daar met Christus verborgen, waar het niet anders dan veilig en zeker kan zijn; even zeker als het leven van God zelf. Het is verborgen in al de eigenschappen van God, zoals die op het hoogste verheerlijkt zijn in Christus, Wiens troon gevestigd is op al de verheerlijkte volmaaktheden van God: (Ps. 89:15). "Gerechtigheid en gericht zijn de vastigheid Uws troons; want de goedertierenheid en waarheid hebben elkaar ontmoet, de gerechtigheid en vrede hebben elkaar gekust". Daarom wordt van de gelovige, wiens leven met Christus verborgen is in God, gezegd, dat hij in de hoogten woont, en dat de sterkten van de steenrotsen zijn hoog vertrek zullen zijn. Dat wil zeggen, dat God een Steenrots is, Die hem aan alle zijden omringt; al de eigenschappen van God omringen hem, als zoveel sterke muren en voorschansen.

6. Een leven, dat met Christus verborgen is in God, is een leven van zodanige rust en gelukzaligheid, als waarin Christus leeft. God leeft in Zichzelf, Christus leeft in God, en de gelovige leeft met Christus in God, Die in de schoot des Vaders, en alzo in de zaligheid Gods rust. Het is de zaligheid van God Zichzelf te genieten, en het is de zaligheid van de ziel God te genieten. God wordt de rustplaats van Zijn volk genoemd. God rust in Zichzelf, Christus rust in God, en de gelovige rust met Christus in God. Wanneer hij door ongeloof buiten zijn rustplaats is, is hij als een dwalend schaap, of als de duif van Noach, die, toen zij uit de ark gelaten was, geen rust kon vinden voor het hol van haar voet, zolang zij niet was wedergekeerd. Laat de omzwervende ziel daarom zeggen: "Mijn ziel, keer weder tot uw rust", want wanneer hij hier rust is hij hetzelfde geluk en dezelfde gelukzaligheid, dezelfde blijdschap en voldoening deelachtig als God Zelf. Hij leeft in God, en, o wat een verblijdend en aangenaam leven is het leven van Gods! "Verzadiging van de vreugden is bij Uw aangezicht; lieflijkheden zijn in Uw rechterhand eeuwiglijk."

7. Een leven, dat met Christus verborgen is in God, is van dezelfde duur, als het leven, dat Christus in God leeft. God leeft eeuwig in Christus, Christus leeft voor eeuwig in God, en het leven van de gelovige is voor altoos en eeuwig met Christus verborgen in God. God is de eeuwige God, en in God te leven is het eeuwige leven te hebben. Christus, Die dood geweest is, leeft, en is levend in alle eeuwigheid; ja, Christus is de waarachtige God en het eeuwige leven, en het kan niet anders of Hij, Die de waarachtige God is, moet het eeuwige leven zijn. Wanneer wij onderscheid maken tussen Christus en God, spreken wij alleen van Christus, als de Middelaar tussen God en de mens; doch Christus, als God, is het eeuwige leven, en het leven, dat met Christus verborgen is in God, is het eeuwige leven. O gelovige in Christus, uw leven is voor eeuwig verborgen en verzekerd. U kunt uw vrienden en uw middelen verliezen; u kunt uw naam en uw roem verliezen, maar u kunt uw leven niet verliezen, dat met Christus verborgen is in God; want het is verenigd met Hem, Die leeft in alle eeuwigheid.

8. Een leven, verborgen met Christus in God, is een leven, dat even onuitsprekelijk nauw aan God verbonden is als het leven van Christus. Het is niet alleen een leven met God, maar in God; het is een leven van gemeenschap met Hem, en van gelijkvormigheid aan Hem, dat voortvloeit uit een leven in Hem; zodat dit leven, als het ware, een leven Gods is. Van de natuurlijke mens staat geschreven (Ef. 4:18); dat hij vervreemd is van het leven Gods, door de onwetendheid die in hem is; doch men kan van de gelovige zeggen, uit kracht van zijn vereniging met Christus en van bekendheid met Hem, dat hij het leven Gods leeft, omdat hij met Christus in God leeft, waardoor zijn leven van zo地 volmaaktheid is als waarvoor een eindig schepsel vatbaar is.

In één woord, een leven, dat met Christus verborgen is in God, is niet alleen een leven uit Hem, en door Hem, en tot Hem, maar ook in Hem. En staat geschreven: (Rom. 11:36) "Uit Hem, en door Hem, en tot Hem zijn alle dingen. Hem zij de heerlijkheid in der eeuwigheid. Amen". Nu, dit leven is,

(1.) Uit God als de werkende oorzaak; het is in God verborgen, evenals de oorzaak het gevolg verbergt, of, evenals het gevolg in de eerste oorzaak verborgen is. Christus is in de verdienende oorzaak verborgen; God is er de eerste en werkende oorzaak van; daarom wordt van Christus gezegd, dat Hij ons van God geworden is wijsheid, en rechtvaardigheid, en heiligmaking, en verlossing. Dus is het uit God.

(2.) Het is een leven door God, als de beschikkende en bewarende oorzaak; het is in God verborgen evenals wat men inmaakt verborgen is in het vat waarin het is ingemaakt, of het bewaarde verborgen is in de plaats waar het bewaard wordt. Zo wordt van de gelovigen gezegd. (Jud. 1:1), dat zij door of (Engelse overzetting) in Jezus Christus worden bewaard. Die God, Die de doden levendmaakt, is die God, Die de levenden ondersteunt.

(3.) Het is een leven tot God als de eindoorzaak. Daarom staat, in betrekking tot dit verborgen leven, geschreven, dat al de beloften Gods in Hem Ja, en in hem Amen zijn, Gode tot heerlijkheid. Doch dit leven is niet alleen uit Hem en door Hem, en tot Hem, maar ook,

(4.) Is het in Hem, als de stoffelijke oorzaak; het is een leven in God, Die zelf de stof van ons leven is: het leven van ons leven, het al van ons leven, het zelfstandige leven. Het leven van God is het leven van de gelovige in Christus. Hier vandaan is de taal van een gelovige ziel krachtens haar natuur: "Mijn hart en mijn vlees roepen uit tot de levende God, tot God, Die de doden levend maakt; zeg tot mijn ziel: Ik ben uw heil". Gij zijt niet alleen mijn Zaligmaker, maar mijn zaligheid; niet alleen de Werker van mijn leven, maar mijn leven zelf: "In God is mijn heil en mijn eer" (Ps. 62:8); "Ziet God is mijn heil, ik zal vertrouwen en niet vrezen" (Jes. 12:2).

Doch om dit punt verder te verklaren kunnen wij de vraag stellen: Hoe wij God hier moeten begrijpen, wanneer Hij door tegenstelling van Christus wordt onderscheiden? "Uw leven is met Christus verborgen in God".

Antw. Wij moeten God hier begrijpen op één van beide, of op beide de volgende wijzen, namelijk of persoonlijk, als de eerste Persoon van de heerlijke Drie-eenheid, of wezenlijk, als God, Vader, Zoon en Heilige Geest, één God.

1. Indien wij hem begrijpen, als de eerste Persoon van de heerlijke Drie-eenheid, dan is een leven met Christus verborgen in God een leven, dat verborgen is in God, als de God en Vader van onze Heere Jezus Christus, zoals Hij de Gever, de Zender, en de Verzegelaar van Christus is. God de Vader heeft Hem gegeven; "Want alzo lief heeft God de wereld gehad, dat Hij Zijn eniggeboren Zoon gegeven heeft, opdat een iegelijk, die in Hem gelooft, niet verderve, maar het eeuwige leven hebbe". "Want die God gezonden heeft, deze heeft God de Vader verzegeld", Nu, ons leven is met Christus verborgen in God, zoals Hij de God en Vader van Christus is, Die Hem gegeven, gezonden en verzegeld heeft om voor ons de opstanding en het leven te zijn.

2. Indien wij het verstaan van God wezenlijk, Vader, Zoon en Heilige Geest, dan geeft de tekst te kennen, dat ons leven met Christus verborgen is in God, zoals Hij een God in Christus is; ik zeg, het is met Christus verborgen in God, zoals Hij een God in Christus is, Een heerlijke Godheid, de Drie-enige God, is een God in Christus, de wereld met Zichzelf verzoenende; een verzoend God in Christus, en een verzoenend God in Christus. Dus is ons leven met Christus verborgen in God, zoals Hij een bevredigd God is in Christus, in Wie Hij een welbehagen heeft; zoals Hij een God is, Die Christus lief heeft, en ons in Hem; zoals Hij een belovend God is aan Christus, en aan ons in Hem; zoals Hij een God is, Die met Christus een verbond heeft gemaakt, en met ons in Hem. Een verbond is meer dan een belofte, het is een verdrag, en krachtens het verdrag met Christus, die de voorwaarden van het verbond heeft vervuld, moeten de verbondszegeningen worden medegedeeld. De getrouwheid Gods is verbonden al de beloften te vervullen.

Dus is ons leven met Christus verborgen in God, zoals Hij een God in Christus is, een God Die in Christus woont en al Zijn volheid in Hem doet wonen. Het is des Vaders welbehagen, dat in Hem al de volheid wonen zou, ja, dat al de volheid van de Godheid in Hem lichamelijk zou wonen; en ons leven is verborgen in die onmetelijke schat, die in Christus verborgen is.

Dus is ons leven ook met Christus verborgen in God, zoals Hij een God in Christus is, of, Die Zich in Christus verblijdt, in Wie Zijn ziel een welbehagen heeft. O vrienden! Is het niet genoeg, om ons eeuwig leven, dat met Christus verborgen is, te verzekeren, dat Christus in God en God in Christus is, zodat het leven Gods, en het leven van Christus, en ons leven samengewikkeld zijn? "Uw leven is met Christus verborgen in God."

V. Wij zullen in de vijfde plaats toepassing maken, doch ik moet mij hierin tot enige gevolgtrekkingen bepalen. Is het zo, dat het leven van de gelovige, zowel ten opzichte van de verborgenheid als van de veiligheid, met Christus in God verborgen is?

1e Indien dit zo is ten opzichte van de verborgenheid, ziet dan hieruit,

1. Het verschil tussen de rechtvaardigen en de goddelozen, dat nochtans moeilijk is te onderscheiden, omdat het leven van de rechtvaardigen verborgen is. Zij zijn niet van de wereld en daarom haat hen de wereld. Hun leven is geen natuurlijk, maar een geestelijk leven; geen zichtbaar, maar een onzichtbaar leven; het is geen blootgelegd maar een verborgen leven, het beste deel daarvan ligt in de verborgen mens van het hart. Hun godsdienst wordt dan ook veelal voor bedrog gehouden, en hun oprechtheid als geveinsdheid gesmaad en gehoond. Eenmaal zal hun verborgen leven openbaar worden, wanneer Christus zal geopenbaard worden, Die hun leven is.

2. Vele gelovigen zijn daarom aan vrezen en twijfelingen over hun staat onderworpen, omdat hun leven zo verborgen is, dat het voor hen niet altijd geopenbaard is. Hun leven is een leven van het geloof en niet van aanschouwen; het is het geloof van dingen, die niet gezien worden. Hierin beoogt God de heerlijkheid van Zijn onzienlijke volmaaktheden, voornamelijk Zijn getrouwheid en waarheid, wanneer wij op Hem vertrouwen, om meer dan wij zien. Hieruit blijkt de voortreffelijkheid van het geloof. De apostel spreekt over drie dierbare dingen: de dierbare beloften, het dierbaar bloed van Christus, en het dierbaar geloof. Het geloof zal ons in staat stellen getroost te leven op een Jezus, Die niet gezien wordt, en wanneer alle uitwendige steunsels ons zijn ontvallen: In Dewelke gij nu, hoewel Hem niet ziende, maar gelovende, u verheugt met een onuitsprekelijke en heerlijke vreugde." Het wordt daarom ook bij een anker vergeleken. Wanneer het anker is uitgeworpen blijft het schip midden in zee vast liggen, omdat het anker iets vasthoudt, dat de zeeman niet kan zien: zo ook gaan geloof en hoop in het binnenste des voorhangsels in (Hebr. 6:19). De gelovige werpt zijn anker uit, en het houdt vast aan dingen, die niet gezien worden, die even onzienlijk zijn als God in Christus en Christus in God.

3. Zo is er enige gelijkvormigheid tussen het leven van Christus en het leven van de gelovige:Wij zijn tevoren verordineerd het beeld Zijns Zoons gelijkvormig te zijn. Toen Christus op aarde was, was Zijn godheid zeer verborgen door Zijn mensheid. Hoewel stralen van Zijn godheid soms uitblonken in de wonderen, die Hij deed tot overtuiging van de wereld, nochtans zeide de goddeloze wereld, dat Hij, hetgeen Hij deed, door Beëlzebul deed; Zijn goddelijke Persoon en Zijn heerlijkheid waren voor de wereld verborgen, en zo is het ook met het geestelijk leven van de gelovige. Gelijk Christus een spijze had om te eten, waarvan de wereld niet wist; want Zijn spijze was, dat Hij deed de wil van Degene, Die hem gezonden had, zo hebben ook de gelovigen een verborgen spijze, het manna, dat verborgen is, een verborgen maaltijd: "Dit verborgen brood is lieflijk." Onze Heere Jezus toont de uitnemendheid van de dingen van Zijn koninkrijk aan, bij hun verborgenheid: "Wederom is het koninkrijk der hemelen gelijk een schat in de akker verborgen, welke een mens gevonden hebbende, verbergde die, en van blijdschap over dezelve gaat hij heen en verkoopt al wat hij heeft, en koopt diezelve akker" (Matth. 13:44).

4. Laat daarom niemand zich tevreden stellen met het uiterlijk deel van de godsdienst, en niet meer zoeken; dit is het verborgen leven niet. De ware gelovige schat de uitwendige middelen hoog, als het kanaal van het leven, doch hij ziet, dat die het water des levens niet zijn. Hij kan dan ook niet voldaan zijn zonder vereniging met Christus, want zijn leven is verborgen met Christus; of buiten gemeenschap met God, omdat zijn leven met Christus verborgen is in God. Het verborgen deel van de godsdienst is het beste deel: zij, die dit verborgen leven missen, hebben slechts een schaduw van het leven.

2e Is hun leven met Christus verborgen in God, ten opzichte van de veiligheid? Ziet dan hieruit, niet alleen welke verborgen voorraad de gelovigen hebben tot onderhoud van hun verborgen leven, maar ook welke goede waarborg zij hebben, dat hun leven tot in alle eeuwigheid zal duren. O gelovige! Uw leven van de gerechtigheid, of van rechtvaardigmaking is gewaarborgd, uw leven van heiligmaking is verzekerd, uw leven van de heerlijkheid is beveiligd, want het is met Christus verborgen in God. Wanneer u het Heilig Avondmaal viert, doet het met een gezang des lofs, omdat Christus uw leven is, en omdat het veilig is, want het is verborgen met Christus en het is verborgen in God. O vrienden! Hoe groot is de zegen van het eeuwige leven, het is beveiligd in de hand van de eeuwige God. Had God ons leven en onze zaligheid in onze handen gelaten, dan hadden wij het zeker verloren; doch, o wat hebben wij reden God te danken, Die dit voor ons heeft gedaan, dat Hij ons leven heeft opgelegd, waar noch mensen, noch dood, noch duivelen het kunnen bereiken, en waar de poorten van de hel het niet zullen kunnen overweldigen! Zalig zijn zij, die tot Christus gevloden en wedergeboren zijn! Zij werden geboren als kinderen des toorns, maar nu zijn zij kinderen des levens. Zij, van welken het leven met Christus verborgen is in God, zijn voor eeuwig even veilig en zeker als het leven van Christus in God, en bijgevolg als het leven van God Zelf is. Doch wie zijn zij, die aanspraak mogen maken op dit leven, en dus ook op het zegel van deze zekerheid in het sacrament? Dit leidt mij tot een andere gevolgtrekking.

3e Is het leven van de gelovige met Christus verborgen in God, dan is hier een verborgen kenmerk van hen, die in Gods ogen waardige avondmaalgangers zullen zijn: zij hebben dat geestelijk leven, dat, zoals ik u zeide, bestaat in een leven van de gerechtigheid, een leven van de genade, en een leven van de heerlijkheid. Over het laatste behoef ik niet te spreken, behalve in zoverre de twee eerste, die er het begin en de eerstelingen van zijn, hun grond verschaffen voor de hoop van de heerlijkheid, doch alle gelovigen in Christus, voor wie de avondmaalstafel gedekt is, hebben werkelijk een leven van de gerechtigheid en een leven van de genade, dat met Christus verborgen is in God. Daarom, beproeft en onderzoekt uzelf, of u van een staat des doods in de eerste Adam bent overgebracht tot een staat des levens in de tweede Adam.

1. Bent u tot een leven van de gerechtigheid en van de rechtvaardigmaking voor God gebracht? Zo niet, dan bent u dood volgens de wet, en onder het vonnis van de verdoemenis; doch is het anders met u, zegt mij dan, waar uw leven van de gerechtigheid verborgen is: waar ligt het? Kunt u zeggen, dat het niet in u is? Het is niet in uw werken, het is niet in uw plichten, het is niet in uw genaden, het is niet in uw gestalten, het is niet in uw bevindingen; waar is het dan? Kunt u voor God betuigen, dat u uit alle hoop op het leven en de rechtvaardigmaking, op een andere grond dan de gerechtigheid Gods, het doen en sterven van de Zoon van God, Zijn gehoorzaamheid en voldoening, bent uitgeschud? (Rom. 3:21, 22). "Maar nu is de rechtvaardigheid Gods geopenbaard geworden zonder de wet, hebbende getuigenis van de wet en de profeten, namelijk de rechtvaardigheid Gods door het geloof van Jezus Christus, tot allen, en over allen, die geloven". Bent u er toe gebracht van de toorn Gods, die van de hemel is geopenbaard over alle goddeloosheid en ongerechtigheid der mensen, te vlieden tot het bloed Gods, dat van de hemel is geopenbaard in het Evangelie, om u voor die wrekende toorn te bedekken? Want er staat geschreven: (Rom. 5:9) "Zijnde nu gerechtvaardigd door Zijn bloed, zullen wij door Hem behouden worden van de toorn". Bent u wedergeboren tot een levende hoop door de opstanding van Jezus Christus, en hebt u in deze gehele weg geen leven, dan door het geloof, zeggende: In de Heere heb ik gerechtigheid? Ik heb geen gerechtigheid tot aanneming bij God, dan in Hem, die "de Heere mijn gerechtigheid" is. Dan hebt u een leven van de gerechtigheid, dat met Christus verborgen is in God, en een recht op het zegel van het sacrament, dat een zegel is van de rechtvaardigheid van het geloof.

2. Bent u tot een leven van de genade of van heiligmaking gebracht? Indien niet, dan bent u nog dood in de zonde, en onder haar macht en heerschappij; doch, indien het anders met u is, waar is dan uw leven van de genade verborgen en opgelegd? Sommigen vinden het leven van hun hand, zoals in Jes. 57:10 geschreven staat: "Gij zijt vermoeid door uw grote reis, maar u zegt niet: het is buiten hoop: gij hebt het leven uwer hand gevonden, daarom wordt gij niet ziek". Doch de ware gelovige heeft zijn leven in zijn Hoofd, namelijk in Christus, "het Hoofd van de gemeente": (Ef. 1:21, 23) En heeft Hem de gemeente gegeven tot een Hoofd boven alle dingen: Welke zijn lichaam is, en de vervulling van degene, Die alles in allen vervult". Het leven van de genade is waarlijk in ons onderwerpelijk, doch zo, dat Christus er alleen het fondament van is. Dit leven van de genade geeft, in allen die er de onderwerpen van zijn, een verandering van nature, hart, en leven. Weerhoudende genade houdt de wolf alleen vast, meer wederbarende genade maakt hem als een lam, en geeft hem enige overeenkomst met het heilig Lam Gods. Christus, door Zijn Geest, is het leven van de genade, volgens de belofte:(Joh. 4:14) "Het water, dat ik hem zal geven, zal in hem worden een fontein van water springende tot in het eeuwige leven". Christus is de wortel van dit leven. Scheidt de tak van de wortel, of breekt haar van de wortel af, dan is het leven eruit, zij sterft; (Joh. 15:5) "Ik ben de wijnstok en gij de ranken; die in Mij blijft en Ik in hem, die draagt veel vrucht; want zonder Mij kunt u niets doen". Christus is de bron van dit leven, evenals de zon de bron van licht en de fontein van die stralen is, die in het huis schijnen. Kunnen de stralen enige zelfstandigheid van zichzelf hebben, als zij van de zon worden afgescheiden? Neen, u kunt niet de vensters sluiten en de stralen binnen houden, of die bewaren, wanneer u de zon afsluit; neemt de zon weg, en de stralen verdwijnen. Zo heeft het leven van de genade geen grondslag in zichzelf; wanneer u het van Christus afscheidt vergaat het. Van zichzelf afhangen is dan ook zelfmoord, want het nieuwe schepsel kan niet op zichzelf bestaan zonder Christus, evenmin als een straal zonder de zon.

Nu dan, hebt u hiervan zo地 kennis en bevinding, met betrekking tot het leven van de genade, dat u ziet, dat dit leven niet in uw handen, maar in uw Hoofd Christus Jezus is? Bent u tevreden en ingenomen met deze goddelijke beschikking, zodat u, al is het, dat u geen leven of levendigheid, geen sterkte of geschiktheid in uzelf kunt gewaarworden, door het geloof kunt zeggen: In de Heere is mijn leven en sterkte; in de Heere heb ik gerechtigheid en sterkte? Wanneer u zichzelf ledig vindt, kan dan dit uw hart bevredigen, dat het "des Vaders welbehagen is, dat in Hem al de volheid wonen zou", en niet in u; dat uw voorraad in Zijn handen is gegeven en niet in de uwe; dat Hij de heerlijkheid van uw sterkte, de Heere van uw leven is, Die het uitdeelt en erover beschikt, zoals het Hem behaagt? Ja, wanneer u zichzelf dood bevindt te zijn, kan dan nochtans het geloof hiervan, dat Jozef nog leeft, of, dat Jezus leeft, uw hart, meer vergenoegen dan, dat u zelf over het leven kon beschikken? Durft u met David zeggen: "De Heere is mijns levens kracht; zo vertrouw ik hierop?" (Ps. 27:1, 3). Dit getuigt, dat uw leven van de genade met Christus verborgen is in God, en dat u, zo dood als u in uzelf bent, welkom zult zijn aan de tafel van Hem, Die zegt: "Ik leef, en gij zult leven."

4e Andere gevolgtrekkingen voorbijgaande zal ik hiermee sluiten, dat wij hieruit de plicht kunnen zien, zowel van al degenen, die dit leven missen, opdat zij in het bezit mogen komen van hetgeen zij missen; als van hen, die dit leven hebben en bezitten, opdat zij de vertroosting mogen genieten van hetgeen zij hebben.

[1.] Tot u, die dit leven mist, wil ik een enkel woord spreken aangaande uw plicht. Indien u niet voor eeuwig in een staat des doods, verstoken van gerechtigheid en genade wenst te blijven, en de zekerheid van een leven van de gerechtigheid, van de genade en van de heerlijkheid zoudt begeren te bezitten, dan moet u tot Christus komen, opdat u een leven mag hebben, dat met Christus verborgen is in God. En opdat u hieraan mag voldoen, zullen wij: (1) U enige beweegredenen voorstellen, om u te bewegen deze plicht na te komen; en (2) Enige besturingen geven, opdat u die welbehaaglijk mag doen.

(1) Wij zullen u enige beweegredenen voorstellen,om u te bewegen deze plicht na te komen.

1. Overweegt, bij wijze van beweegreden, dat u, zolang u in het ongeloof blijft, dood blijft zolang u leeft. De ware gelovigen, van welken het leven met Christus verborgen is in God, zijn aan de zonde, en aan de wet als een verbond, gestorven; maar u bent dood in de zonde, en dood in de wet, en onder haar vloek en haar veroordelend vonnis Daarom moet u worden levendgemaakt, of voor eeuwig rampzalig zijn.

2. Overweegt, dat het leven dierbaar is; zelfs het natuurlijk leven is zeer dierbaar: (Job 2:4) "Huid voor huid, en al wat iemand heeft, zal hij geven voor zijn leven." Ik heb eens gehoord van een Romein, die verdronken werd; hij greep de boot met zijn rechterhand en hield die vast, totdat men haar afhieuw; toen hield hij die beet met zijn tanden, zolang totdat men zijn hoofd afhieuw. De mensen zullen veel voor hun leven doen, en als het natuurlijk leven zo dierbaar is, wat moet dan wel het geestelijk en eeuwig leven zijn?

3. Overweegt, dat het beter was, dat u nooit het natuurlijk leven had gehad, dan dat u dit verborgen leven niet hebt. Het zou voor Judas beter geweest zijn, zo hij nooit ware geboren geweest dan, dat hij de Heere des levens heeft verraden; u kon beter nooit geboren zijn, dan dat u niet wedergeboren bent tot dit leven, of, dat u niet tot Christus komt om dit leven, of, dat dit een deel van uw doemvonnis zal zijn, uit de mond van Christus: "Gij wilde tot Mij niet komen, opdat gij het leven mocht hebben."

(2.) Wij zullen u verder nog enige besturingen geven, opdat u deze plicht recht mag nakomen. Daarom vermanen wij u:

1. Dat u weet en ervan overreed bent, dat u geen leven in uzelf kunt hebben, noch uw zielen kunt levendmaken; dat u geheel dood bent. Het is zeker, dat u zichzelf niet kunt opwekken, evenmin als de doden, die in het graf liggen, zichzelf kunnen levendmaken. Het is God, die de doden levendmaakt, die dit leven in u kan blazen, en u dit bovennatuurlijk leven door het geloof kan doen leven. Dit geloof ziet, dat er geen leven is, dan in Christus, zeggende: "Ik leef, doch niet meer ik, maar Christus leeft in mij." Het leven van het geloof is een verborgen leven op een ander zijn leven, een leven dat met Christus verborgen is in God; en toch is het niet alleen Zijn leven, maar het onze in Hem, want er staat: "Uw leven is met Christus verborgen in God." Wat is dit? Een leven niet in onszelf, maar met Christus verborgen in God, en toch moet 奏 het onze zijn door het geloof, zodat van ons persoonlijk kan worden gezegd: "Uw leven is met Christus verborgen in God."

2. Hoort en gelooft daartoe het woord van Christus. Zijn Woord is het woord des levens: (Joh. 6: 68) "Heere, tot wie zullen wij heengaan? Gij hebt de woorden des eeuwigen levens." Noch mensen, noch engelen, kunnen door hun woorden het leven geven, want geen leraar op aarde, noch engel in de hemel, heeft de woorden van het eeuwige leven; doch indien Christus mij gemachtigd heeft ze in Zijn Naam te spreken, dan kan Hij ze tot het krachtig kanaal des levens maken voor de zielen van u, die dode zondaren bent en mij hoort. Ik moet u zeggen, dat deze woorden van het eeuwige leven, die Christus alleen heeft, in Mijn lastbrief begrepen zijn, opdat ik ze spreek tot elk en een ieder, die zich binnen deze muren bevindt, naar het woord van de Engel des Heeren: (Hand. 5:20) "Gaat heen, en staat, en spreekt in de tempel tot het volk al de woorden dezes levens." Wel dan, nu er een volmacht is gegeven door Hem, die zegt: "Gaat heen, predikt het Evangelie allen creaturen," en een machtiging om in Zijn Naam tot u te spreken al de woorden van dit leven, dat met Christus verborgen is in God: laat dan, die oren heeft, horen de stem van de Zoon van God, Die de woorden van het eeuwige leven heeft, zodat Hij machtig is het leven door één woord mee te delen, en Die zegt: (Joh. 5:25) Voorwaar, voorwaar zeg ik u: de ure komt en is nu, wanneer de doden zullen horen de stem des Zoons Gods, en die ze gehoord hebben, zullen leven."

Uw dode en levenloze staat is geen geldige tegenwerping; uw dood en levenloos hart is hier geen bezwaar: een dode en levenloze gestalte staat niet in de weg: het dient nergens toe, dat u deze bezwaren opwerpt, wanneer Hij dat geval in handen neemt om het te genezen. Het zijn juist dode en levenloze zielen, tot wie Hij spreekt. Het leven kan alles goed maken, en Hij Die spreekt is de Heere des levens. De dood kan voor Hem geen beletsel zijn: neen, juist de dood is dat hopeloze geval, waartoe Hij gekomen is, om dat met Zijn woord te genezen. Welk woord? "Ik ben de opstanding en het leven; die in Mij gelooft zal leven, al ware hij ook gestorven" (Joh. 11:25).

O vrienden! Gelooft u nu? Helaas! zegt u, ik word niet gewaar, dat er leven in mijn ziel komt. O, arme ziel vat het niet verkeerd op, u spreekt alsof u geroepen wordt te geloven, dat er leven in u is, of, dat u eerst moet gevoelen, dat er leven in u is, voordat u gelooft. Dit staat recht tegenover het geloof. De vraag is niet of u leven in u gevoelt; het is beter, dat u de dood en dodigheid in u gevoelt, en zonde en ellende in u gewaar wordt; maar de vraag is, of u wilt geloven, dat er leven in een ander is; namelijk, dat het leven in Christus verborgen is voor u. Gelooft u, dat het leven, dat u nodig hebt en mist, in Hem is, en dat Hij het zal meedelen, als het Hem behaagt? Al was het, dat u gestorven was, en riekte, omdat u al vier dagen in het graf van de zonde en van de dood had gelegen, ja vier jaren, of tachtig jaren, dat voor Hem één en hetzelfde, wanneer Hij als de Heere van leven en dood tot u spreekt, zeggende: "Lazarus, kom uit: Sta op, de Meester roept u. Heb ik u niet gezegd, dat, zo gij gelooft, gij de heerlijkheid Gods zien zult?"

Als het eeuwige leven van uw zielen niet in Christus verborgen en onzichtbaar was, dan zou het niet het voorwerp zijn van het geloof, dat een bewijs is van de zaken, die men niet ziet, maar het voorwerp van gewaarwording en gevoel, evenals de dingen, die zichtbaar en waarneembaar zijn. Daarom, als u nu gelooft, hoewel u geen leven in uzelf gevoelt of gewaarwordt, en gelooft, dat dit leven met Christus verborgen is in God, en dat God oneindig wijs en barmhartig over u is, dat Hij uw leven en zaligheid voor u in zulke veilige handen heeft opgelegd, dan verzeker ik u, dat u op de rechte tijd, nadat u geloofd hebt, zult verzegeld worden met de Heilige Geest der belofte, en de kracht en invloed van Zijn geloofd Woord zult ondervinden.

[2] Daarom zullen wij nog een enkel woord spreken tot hen, die dit leven hebben, en het door het geloof deelachtig zijn, opdat zij de vertroosting mogen hebben van wat voor hen in Christus verborgen en opgelegd is. In betrekking tot wat ik u hierna wil zeggen, zal ik nu alleen zeggen, dat het uw bijzondere plicht is nog in het geloof toe te nemen, en sterk te zijn in het geloof van het leven, dat u in Christus hebt, en sterk te zijn in de genade, die in Christus Jezus is. Al was u nog zo dood en levenloos, duister en hulpeloos in uzelf, nochtans is uw plicht, geen vertrouwen in het vlees hebbende, u in Christus Jezus te verheugen, in Wie al de schatten van wijsheid en kennis verborgen zijn; al de schatten van licht, leven, genade, waarheid, en volheid van wijsheid, rechtvaardigheid, heiligmaking en verlossing, en alles wat met Hem in God verborgen is, om uw geestelijk leven in tijd en eeuwigheid te onderhouden, zeggende: "Zo vertrouw ik hierop;" en in dit vertrouwen is het uw plicht tot Zijn tafel toe te gaan, Hem prijzende, en niet vertrouwende op iets, dat in u kan gezien worden. Doch ziet op Hem door de spiegel van Zijn Woord, door het geloof, en berust op hetgeen verborgen en onzienlijk is: omdat uw verborgen leven moet worden onderhouden door het manna, dat verborgen is; en aldus gelovende, zult u het getuigenis in uzelf hebben, dat "Uw leven met Christus verborgen is in God"

 

Een gedeelte van de toespraak voor het bedienen van de tafel

Het Heilig Avondmaal, dat wij nu zullen vieren, is een openbaar zegel van een verborgen leven, een zichtbaar zegel van een onzichtbaar leven, en zij, die daaraan van Godswege mogen worden toegelaten, zijn alleen zulken, van welken het leven met Christus verborgen is in God, die Christus tot hun leven hebben. Daarom moeten al de doden worden geweerd, enz.; en al de levenden moeten worden genodigd, die door het geloof leven, enz.

Opdat gelovigen in Christus met des te meer geloofsvertrouwen mogen toegaan zal ik u enkele kenmerken voorstellen van het leven, dat met Christus verborgen is in God, zowel ten opzichte van de verborgenheid, als van veiligheid.

1. U kunt weten, dat u een leven hebt, dat met Christus verborgen is in God, indien u waarlijk oordeelt, dat het veiliger is in de hand van Christus, dan wanneer u het leven en de levendigheid in uw eigen hand had. Dunkt u, dat uw leven veiliger in Zijn hand is dan in de uwe? Kunt u God danken, dat Hij alle dingen, en ook uw leven, in Zijn hand heeft gegeven? Dunkt u, dat de Vader behoort geliefd en aangebeden te worden, omdat Hij de Zoon liefheeft en alle dingen in Zijn hand heeft gegeven? (Joh. 3:35).

2. U kunt weten, dat uw leven met Christus verborgen is in God, als u uw verborgen veiligheid het beste voor u acht, ja zelfs beter dan gevoelde genietingen. Hoewel gevoelige genietingen het aangenaamst zijn, zolang zij duren, weet en gelooft u nochtans, dat uw verborgen leven in Christus het zekerst is? En kunt u hierom gelovig op een belofte leven, ook wanneer u de vervulling niet kunt gewaarworden, omdat u weet, dat alle beloften Gods Ja en Amen zijn in Christus Jezus, Gode tot heerlijkheid? Als u dit, door genade kunt doen, dan hebt u een leven, dat met Christus verborgen is in God. 3. U kunt dit verborgen voorrecht hieraan kennen, dat u in Hem gelooft, als in een Christus, Die in God is, ook al kunt u niet gevoelen, dat Hij Christus in u is. Het is waar, dat zij gelukzalig zijn, aan wie God heeft willen bekendmaken, "welke daar zij de rijkdom van de heerlijkheid van deze verborgenheid onder de heidenen, welke is Christus onder u, (Eng. in u) de hoop der heerlijkheid" (Kol. 1:27). Christus in u is een grote zaak, en toch is Christus in God een groter en dieper deel van de verborgenheid. Christus geestelijk in ons is een grote verborgenheid; Christus in God, in de vereniging van de goddelijke en de menselijke natuur in een persoon, en buitengewoon voortreffelijk, is een diepe en aanbiddelijke verborgenheid; en Christus in God, verbondsgewijze, is een zeer diepe verborgenheid. Ik bepaal mij ertoe, hierover op zo地 wijze te spreken, dat, naar ik hoop, gewone gelovigen het kunnen verstaan. Wanneer u niet kunt gevoelen, dat Christus in u is, ten opzichte van zijn genadige, troostelijke tegenwoordigheid, kunt u dan toch geloven, dat Hij Christus in God is, ten opzichte van een heerlijke, onuitsprekelijke tegenwoordigheid met de Vader, als uw Plaatsbekleder, wetende, dat u een Voorspraak bij de Vader hebt? Dan hebt u een leven, dat met Christus verborgen is in God, als u door het geloof kunt leven op de fontein des levens, wanneer de stromen van gevoelige genietingen opgedroogd zijn.

4. U kunt weten of u een leven hebt, dat met Christus verborgen is in God, als u Christus ziet in het licht Gods, en God in het licht van Christus. Christus in het licht van God, en God in het licht van Christus; ik bedoel daarmee; als u tot enige kennis van, en kennismaking met God in Christus gebracht bent, bij het licht van het Woord, dat het licht Gods is, en in het licht, en door de verlichting van de Geest, die de Geest van God is. God wordt niet gekend dan in het licht en door de openbaring van Christus: "Niemand heeft ooit God gezien; de eniggeboren Zoon, Die in de schoot des Vaders is, Die heeft Hem ons verklaard" (Joh. 1:18). Christus wordt niet gekend dan in Gods licht, door de onderwijzing van de Vader: "Niemand kan tot mij komen, tenzij dat de Vader, Die mij gezonden heeft, hem trekke" (Joh. 6:44). En hoe trekt Hij ons tot de kennis van Christus? Wel, "daar is geschreven in de profeten. En zij zullen allen van God geleerd zijn. Een iegelijk dan die het van de Vader gehoord en geleerd heeft, die komt tot Mij" (vs. 45). Zegt mij dan, is de Geest van de Vader en de Zoon gezonden, zodat Hij u van Christus in het Woord heeft getuigd, en u in die spiegel Zijn heerlijkheid hebt aanschouwd een heerlijkheid als des eniggeborenen van de Vader, vol van genade en waarheid, waardoor Hij in uw ogen zonder weerga was, en zodat u Zijn heerlijkheid aanschouwende naar datzelfde beeld werd veranderd? Dit getuigt, dat "Uw leven met Christus verborgen is in God."

5. U kunt dit verborgen voorrecht, dat uw leven met Christus verborgen is in God, hieraan kennen, dat u weet waar uw leven verborgen is, of, dat u weet met Wie, en in Wie het verborgen is, doordat u de wederzijdse vereniging en betrekking tussen Christus en God kent. Waarlijk, het is een van de diepste stukken van de kennis, waarover kan gesproken worden: Christus in God, en God in Christus te kennen. Onze Heere spreekt hierover tot Filippus: (Joh. 14:9) Toen Filippus gezegd had: "toon ons de Vader, en het is ons genoeg," zeide Jezus tot hem: "ben Ik zo lange tijd met ulieden, en hebt gij Mij niet gekend, Filippus? Die Mij gezien heeft, die heeft de Vader gezien." En in vs. 10: "gelooft gij niet, dat Ik in de Vader ben, en de Vader in Mij is? De woorden, die Ik tot ulieden spreek, spreek Ik van Mijzelf niet, maar de Vader, Die in Mij blijft, Dezelve doet de werken." En in vs. 11: "gelooft Mij dat Ik in de Vader ben, en de Vader in Mij is." Wel wat is dit dat te geloven? Het is te geloven, dat Christus in God, en God in Christus is; dit te kennen, en te weten waar ons leven ligt.

Doch iemand zou met recht kunnen aanvoeren, dat de tijd nog niet gekomen is, om dit verborgen stuk van de kennis te kennen, aangezien Christus spreekt van een andere dag waarin dit gekend zal worden: (Joh. 14:20) "in die dag zult gij bekennen, [Engelse overzetting kennen] dat Ik in Mijn Vader ben, en gij in Mij, en Ik in u." Waarlijk, de dag van de heerlijkheid zal het op een andere wijze bekendmaken, doch de dag van de genade maakt het ook bekend, daarin wordt het gemaakt tot het voorwerp van het geloof, al is het nog niet het voorwerp van zien en aanschouwen. Onze Heere schijnt hier over dit kennen te spreken, als het voorwerp van het geloof in de tijd; want Hij belooft, (vs. 16, 17) dat de Geest der waarheid na Zijn hemelvaart zal worden gezonden, door Wiens verlichting zij Hem zouden zien, want, zegt Hij, "nog een kleine tijd, en de wereld zal Mij niet meer zien, maar gij zult Mij zien; want Ik leef, en gij zult leven." En dan volgt: "in die dag zult gij bekennen, (kennen) dat Ik in de Vader ben, en de Vader in Mij is." Zodat dit verborgen leven in deze kennis verborgen is; evenals dat woord: "Ik leef en gij zult leven," staat tussen het zien, dat vooraf gaat, en het kennen, dat er op volgt: Gij ziet Mij, en omdat Ik leef zult gij ook leven: in die dag zult gij kennen. Wanneer de Geest u Mij laat zien, in Wie uw leven verborgen is, dan zult u kennen, dat Ik in de Vader ben.

Vraagt u: Hoe zal iemand weten, dat hij zo地 diepe verborgenheid als deze is verstaat? Dan is mijn

Antwoord. Gelijk het niet kan geweten worden dan doordat u het gelooft, zo gelooft u het waarlijk dan, al is het, dat u daaromtrent uw onwetendheid moet belijden, wanneer uw geloof daarvan nochtans een soort van blijdschap in de ziel verwekt, zoals het de onuitsprekelijke eenheid tussen Christus en God, de nauwe en dierbare betrekking tussen hen, aan uw gezicht vertoont; ja, zo地 natuurlijke verbondsvereniging tussen hen, waardoor hun leven en belang onafscheidelijk samengebonden is, en uw leven, als het ware, tussen hen ingebonden is, omdat het met Christus verborgen is in God, als Zijn God en uw God, Zijn Vader en uw Vader. Dit is het eeuwige leven, God te kennen, in Wie ons leven verborgen is. "Gij zult bekennen, dat Ik in Mijn Vader ben, en gij in Mij, en Ik in u". Dit is zo地 grote zaak, dat God daarvan spreekt tot Zijn Vader, zowel als tot Zijn broeders: (Joh 17:3) "Dit is het eeuwige leven, dat zij U kennen de enige waarachtige God, en Jezus Christus, die Gij gezonden hebt".

6. Dat uw leven met Christus verborgen is in God, kunt u hieruit weten, dat u weet, dat de dingen van Christus de dingen Gods zijn; doordat de Geest, Die gezonden is om Christus te verheerlijken, u deze dingen van Christus heeft verkondigd, en u daardoor in alle waarheid heeft geleid, en zo tot de kennis van de waarheid, zoals die in Jezus is, en tot alle lijnen van de waarheid, die betrekking hebben op Jezus de Zaligmaker en Verlosser en in God als haar middelpunt samenkomen, zodat die worden gezien als de waarheden van God in Christus en van Christus in God. Dan mag u op deze waarheden besluiten, dat uw geloofsleven een leven is, dat met Christus verborgen is in God.

Om dit nog duidelijker en meer persoonlijk te maken, zegt mij: Hebt u gezien, dat al de handelingen van Christus als Middelaar in de Naam van God en op Gods gezag geschieden? Vertrouwt u op grond daarvan op Hem en legt u het gewicht van uw eeuwig leven op Hem, wetende. dat al Zijn werken in God gewerkt zijn volgens hetgeen geprofeteerd was: (Micha 5:3) "En Hij" namelijk het kindeke van Bethlehem, waarover hier wordt gesproken, "zal staan, en zal weiden in de kracht des Heeren, in de hoogheid van de Naam des Heeren, Zijn God". Hebt u gezien dat Christus in Zijn doen en lijden door God werd ondersteund; dat is, beide door de kracht van Zijn eeuwige Godheid, als de tweede Persoon van de heerlijke Drie-eenheid, en door de kracht van Zijn eeuwige Vader en eeuwige Geest, als een God met Hem, en dat hij dus door God gesterkt en ondersteund is, Die gesproken heeft: (Jes. 42:1) "Ziet Mijn knecht, Die Ik ondersteun, Mijn Uitverkorene in Dewelke Mijn ziel een welbehagen heeft; Ik heb Mijn Geest op Hem gegeven, Hij zal het recht den heidenen voortbrengen?" Ziet u, dat het bloed en de gerechtigheid van Christus het bloed en de gerechtigheid Gods zijn? En dat daarom uw leven van de rechtvaardigheid zalig bij Christus beveiligd is, zoals Hij de Heere onze gerechtigheid is, en dat het zo een gerechtigheid is, die met Christus verborgen is in God? Ziet u, dat de genade, die in Christus is, de genade van God is, en dat de volheid, die in Christus is, de volheid Gods is? En dat daarom het leven van de genade, dat u hebt, niet zozeer leven en genade is, die u zijn toebetrouwd, als wel een leven en genade, die in Christus zijn, en met Christus verborgen in God; wetende, dat de genade en het leven, die u zijn medegedeeld, slechts als water in een vat zijn, die spoedig doorgebracht en vermorst zijn, doch, dat de genade en het leven, die u in Christus hebt, als water in de fontein van levende wateren zijn, dat steeds vloeit en opspringt, steeds onveranderlijk en onuitputtelijk is? Bent u dan ook afgebracht van het steunen op ontvangen genade, en van het bebouwen op enige genade, leven, of levendigheid in u, zodat u niet wanhopig of hopeloos wordt, wanneer u, naar uw gevoelen, dood en levenloos bent; maar u Hem kunt danken en aanbidden, dat uw leven elders vast ligt, en het aan Zijn oneindige wijsheid kunt overlaten, de Geest des levens uit te laten en te zenden, naar het Hem goeddunkt, dan en zodanig als het 奏 meeste tot Zijn eer en uw welzijn kan strekken? Is dit zo, dan "is uw leven met Christus verborgen in God." Ik nodig u dan ook in Zijn Naam en op Zijn gezag uit tot Zijn tafel te komen, opdat uw geloof mag worden versterkt, en misschien uw ziel vervuld met blijdschap en vrede in het geloven.

 

De toespraak bij de bediening van de eerste tafel

Nu, mijn geliefde vrienden in Christus, u, van welken het leven met Christus verborgen is in God, die aan deze tafel des Heeren aanzit, hoewel uw leven, wat de verborgenheid betreft, voor de wereld geheel, en voor uzelf veel verborgen is; en wat de veiligheid betreft, voor u goed verborgen en beveiligd is. Als u weet waar uw leven verborgen is, kunt u weten, dat uw leven niet ver te zoeken is; uw God is wezenlijk overal, en uw Hoofd, Christus Jezus, is persoonlijk overal, hoewel Zijn menselijke natuur in de hemel is, Zijn goddelijke Persoon is overal waar God is, omdat Hij Godmens in één Persoon is; en mogen wij niet hopen dat Hij genadig en geestelijk door Zijn genade en Zijn Geest tegenwoordig is, nu Hij ook symbolisch tegenwoordig is in de elementen van brood en wijn. Uw leven is niet ver te zoeken, als u de plaats maar wist waar het te vinden is. Een Engel zeide eens nadat Christus was opgestaan en nog niet was naar de hemel gevaren: "Komt herwaarts, ziet de plaats, daar de Heere gelegen heeft". Dit werd van Zijn menselijk lichaam gesproken, en de plaats waar Hij gelegen had kon met het oog van het lichaam gezien worden, maar nu Christus naar de hemel is gevaren, heb ik een gewichtiger woord te zeggen dat betrekking heeft op Zijn goddelijke natuur, en dat is: Komt herwaarts, ziet de plaats waar de Heere ligt; komt en ziet Hem in de schoot van de Vader; komt en ziet Christus in God. Dit kunt u niet anders zien dan door het geloof, en door te geloven, dat Hij Christus in God, of, dat Hij de Christus Gods is. Indien u met uw lichamelijke ogen de elementen van brood en wijn aanschouwt, beschouwt die dan echter niet anders dan zoals die de plaats zijn, niet waar Hij gelegen heeft, maar waar Hij nu ligt. Wel, zegt u, hoe moet dit verstaan worden? Zijn het brood en de wijn de plaats waar Hij nu ligt, wanneer u ons nodigt te komen en Hem in God te zien? Ik zal u zeggen hoe u kunt zien, dat het brood en de wijn de plaats zijn waar Hij ligt. Indien u de ogen van het geloof opent om te zien, dat dit brood het brood Gods, en deze wijn het bloed Gods is: dat dit brood het brood Gods is, dat uit de hemel is nedergedaald, dat deze wijn het bloed Gods is, dat voor u vergoten is, dan zult u zien waar uw leven verborgen ligt, namelijk met Christus in God, en dat het niet ver is. Het geloof behoeft niet ver te gaan, om te zien waar uw leven verborgen is.

Onze Heere Jezus, in de nacht in welke Hij verraden werd, nam het brood, en als Hij gedankt had, brak Hij het, zeggende: Neemt, eet: dat is Mijn lichaam, dat voor u gebroken wordt; doet dat tot Mijn gedachtenis: gedenkt, dat Ik het brood des levens ben, het verborgen manna tot onderhouding van uw verborgen leven. Mijn vlees is waarlijk spijs, en mijn bloed is waarlijk drank.

Desgelijks nam Hij ook de drinkbeker na het eten des Avondmaals, en zeide: Deze drinkbeker is het Nieuwe Testament in Mijn bloed. Doet dat zo dikwijls als gij die zult drinken, tot Mijn gedachtenis.

Nu, dit nieuwe verbond der belofte, verzegeld met het bloed van Christus, is de spiegel waarin te zien is, dat "uw leven met Christus verborgen is in God." Laat daarom uw geloof hierin versterkt worden, o gelovige, dat uw leven met Christus verborgen is in de belofte Gods, of, in, een belovend God, want "zo vele beloften Gods als er zijn, die zijn in Hem Ja, en zijn in Hem Amen, Gode tot heerlijkheid". "En dit is de belofte, die Hij ons beloofd heeft, namelijk het eeuwige leven", het leven van de gerechtigheid, het leven van de genade, en het leven van de heerlijkheid.

Ziet nu uw leven met Christus verborgen in de schoot van God, want Hij is de eniggeboren Zoon, Die in de schoot des Vaders is. O wat hebt u een welverzekerd leven, wanneer het met Christus verborgen is in de schoot Gods, namelijk, in de schoot van Zijn eeuwige liefde, welke Hem deed zeggen: "Ik heb u liefgehad met een eeuwige liefde, daarom heb Ik u getrokken met goedertierenheid."

Uw leven, met Christus verborgen in God, is een leven dat met Christus verborgen is in de zegen Gods, want God heeft Hem gezegend en tot zegeningen gezet in eeuwigheid (Ps. 21:7) "Mensen zullen in Hem gezegend worden; alle heidenen zullen Hem welgelukzalig roemen". O gelovige, God heeft Hem en u gezegend; God heeft Hem gezegend, om u tot een zegen te zijn; gezegend wegens de liefde, die Hij hem en u toedroeg; Hij heeft Hem gezegend om Zijn liefde die Hij u toedroeg; Hij heeft wat Hij u gedaan heeft en dat Hij voor u gestorven is, gezegend en dat aangenomen; Hij heeft Zijn vlees en bloed gezegend, om u tot spijs en drank te zijn.

Ziet nu uw leven met Christus verborgen in het zegel Gods, het geheim zegel, dat gehecht is aan Zijn lastbrief, aan Zijn namen en ambten, en Zijn betrekkingen tot u want: "Hem heeft God de Vader verzegeld", en verzegeld om voor eeuwig het voedsel van uw leven te zijn, en de spijze, die duurt tot in eeuwigheid.

Ziet nu uw leven met Christus verborgen in het voornemen en het besluit Gods: "Die ons heeft zalig gemaakt en geroepen; niet naar onze werken, maar naar Zijn Eigen voornemen en genade, die ons gegeven is in Christus Jezus voor de tijden der eeuwen" (2 Tim.1: 9). Nu kunt u uw roeping en verkiezing vast zien staan in de roeping en verkiezing van Christus, die van God geroepen en uitverkoren is, om uw Zaligmaker en Borg te zien; "gelijk Hij ons uitverkoren heeft in Hem, voor de grondlegging van de wereld, opdat wij zouden heilig en onberispelijk zijn voor Hem in de liefde."

Ziet nu ook uw leven met Christus verborgen in God in de betrekkingen waarin Hij tot God staat, zoals Hij de Zoon van God en de Gezondene van God is. Zolang toch Zijn Zoonschap vast staat, staan ook uw leven van aanneming en uw kindschap vast: "En indien wij kinderen zijn, zo zijn wij ook erfgenamen; erfgenamen Gods en mede-erfgenamen met Christus". Weet en gelooft u, dat de Zoon van God de Gezondene Gods is? Hierop moet nauw gelet worden; want wat u zo weet en gelooft op de woorden van Christus, zoals het de woorden Gods zijn, daarvoor prijst Christus u in Zijn gebeden tot Zijn Vader; (Joh. 17:8) "Want de woorden, die Gij Mij gegeven hebt, heb Ik hun gegeven, en zij hebben ze ontvangen, en zij hebben waarlijk bekend, dat Ik van U uitgegaan ben, en hebben geloofd, dat Gij Mij gezonden hebt."

Laat het geloof versterkt worden, o gelovige, dat uw leven met Christus verborgen is, zowel in de betrekkingen waarin Hij tot God staat, als in de betrekkingen waarin God tot Hem staat, namelijk, zoals Hij de God en Vader van Christus is, overeenkomstig de voorzegging van het nieuwe verbond: "Hij zal Mij noemen: Gij zijt mijn Vader, mijn God;" en dienovereenkomstig sprak Hij, toen Hij naar de hemel ging: "Ik vaar op tot Mijn Vader, en uw Vader; en tot Mijn God, en uw God." O zalig leven, met Christus verborgen in God, als Zijn God en uw God, als Zijn Vader en uw Vader. En overmits gij kinderen zijt, zo heeft God de Geest Zijns Zoons uitgezonden in uw harten, die roept, Abba, Vader."

Laat het geloof hier zien, dat uw leven met Christus verborgen is in de goedgunstigheid van God. Er staat geschreven: (Ps. 30:6) Er is een leven in Zijn goedgunstigheid;" en, (Ps. 89:18) "Door Uw welbehagen zal onze hoorn verhoogd worden." Welke goedgunstigheid? Wel, de goedgunstigheid, het welbehagen, dat Hij tot Christus heeft, want in vs. 33, 34 en 35, (rijmpsalm vs. 15), staat geschreven:

Ik wil bezoeken haast haar misdaden al,

Met plagen ik die scherpelijk ook straffen zal.

Doch zal ik Mijn goedheid van hen niet geheel afwenden,

Mijn waarheid zal Ik niet laten feilen, noch enden.

Ik wil geheel niet afwijken van Mijn verbonde,

Noch ook van 奏 woord, dat gegaan is uit Mijn monde.

Uw leven is verborgen in de goedgunstigheid Gods, die Hij Christus toedraagt; u bent begenadigd in de Geliefde.

O gelovige, eet en drink, ja drink en word dronken van de krachtige wijn van de vertroosting, zodat u vervuld wordt met blijdschap en vrede in het geloven, dat uw leven verborgen is in de wijsheid Gods. Waarlijk, oneindige wijsheid kan geen betere noch veiligere plaats bedenken, ter verberging van uw eeuwig leven.

Uw leven is met Christus verborgen in de kracht Gods; want gelijk Christus de wijsheid Gods is, en u tot wijsheid geworden, zo is Hij ook de kracht Gods en u van God geworden tot een sterke Verlosser, machtig te verlossen en volkomen zalig te maken. Is niet een leven, dat in de Almachtige kracht verborgen is, goed verzekerd tegen al de machten van de aarde en de hel? Het leven van velen, namelijk van onze landslieden, die in deze tijd buitenslands zijn, is, naar u hoort, niet verzekerd tegen de macht van een bloedig zwaard. Het leven van dit geslacht in Brittannïe is niet gewaarborgd voor de macht van Frankrijk en Spanje; wij weten niet hoe spoedig het duizenden het verslindend zwaard ten prooi doch hier is vertroosting in dreigende tijden, want ik kan u niet slechts zeggen:Misschien zult u verborgen worden in de dag des toorns des Heeren;" als u door het geloof van deze verborgen zekerheden, die u met Christus in God hebt, leeft; doch zonder enig misschien, er kome wat wil, is uw geestelijk leven veilig met Christus verborgen in de kracht Gods, en u zult door Zijn kracht, door het geloof, bewaard worden tot de zaligheid.

Voedt u met deze maaltijd, dat uw leven met Christus verborgen is in de heiligheid van God, Die bij Zijn heiligheid heeft gezworen, dat Hij aan David niet zal liegen, dat Zijn zaad in der eeuwigheid zal zijn. Ja Zijn heiligheid in Christus waarborgt, dat u heilig zult zijn gelijk Hij heilig is, en ten laatste, de volmaaktheid van de heiligheid.

Voedt u verder met deze maaltijd, dat uw leven met Christus verborgen is in de rechtvaardigheid Gods. Het is waar, dat zonde wrekende rechtvaardigheid de eeuwige dood en het eeuwig verderf van alle goddelozen verzekert; maar, o gelovige, de in Christus bevredigde rechtvaardigheid Gods verzekert uw eeuwig leven, uw leven van rechtvaardigmaking en bevrijding van de eeuwige dood en verdoemenis, en van alle verplichting tot strafvorderende toorn, "want God is rechtvaardig, en rechtvaardigende degenen, die in Jezus geloven."

Uw leven is met Christus verborgen in de goedertierenheid Gods, zoals die zich uitlaat door het bloed van Christus, en in de genade van God, zoals die heerst door de rechtvaardigheid van Christus, tot het eeuwige leven. Ja, het is ook met Christus verborgen in de getrouwheid Gods, want de goedertierenheid en waarheid hebben elkaar ontmoet; de gerechtigheid en vrede hebben elkaar gekust. En God zegt: "Mijn getrouwheid en Mijn goedertierenheid zullen met Hem zijn." Wat! Zijn die volmaaktheden Gods met Hem verborgen, en is uw leven met Hem verborgen in deze volmaaktheden Gods? Dit getuigt, dat uw leven met Hem in dezelfde bundel is ingebonden.

In één woord, uw verzekerdheid, o gelovige, is zodanig, dat uw leven met Christus verborgen is in al de andere eigenschappen Gods, die ik nog niet genoemd heb, en daar ik nu niet verder bij zal stilstaan. Alleen zal ik er dit aan toevoegen, dat de beker van sterke vertroosting, die u zult drinken, dit in zich bevat, dat uw leven met Christus in God verborgen is, zoals Hij een God in drie Personen is, Vader, Zoon en Heilige Geest. Gelijk u met Christus verbonden bent door de Geest, waarvan Hij zegt: (Jes. 61:1) "De Geest des Heeren Heeren is op Mij, omdat de Heere Mij gezalfd heeft; zo ook, Hij voor u gezalfd zijnde, en u met dezelfde vreugdeolie gezalfd zijnde, waarmee Hij gezalfd is boven Zijn medegenoten, wanneer uw leven, krachtens deze zalving en vereniging met Hem, met Christus, de tweede Persoon, de middelste Persoon van de Godheid, verborgen is; is het dan niet, als het ware, in het middelpunt van de heerlijke Drie-eenheid verborgen? O drinkt uit deze beker van de vertroosting! Kunt u beter zekerheid verlangen, of u grotere veiligheid voor uw leven in de tijd of in de eeuwigheid indenken? Mijn tekst vergunt mij u alle vertroosting en verzekering te geven, die inbegrepen is in een leven, dat met Christus verborgen is bij God.

Gij hebt nu enig voedsel gekregen voor uw geloof. Leeft daarom een leven van het geloof, opdat u, door het geloof, een leven van heiligheid en vertroosting mag leven tot de eer van Zijn Naam. Heeft Hij zo goed voor uw leven gezorgd, en in de veiligheid daarvan voorzien? O leeft dan tot de eer van Zijn Naam een leven, dat tegen alle zonden, en tegen al de vijanden van Zijn eer, getuigt en waarschuwt. Schaamt u niet voor Hem, noch voor Zijn woorden, in dit overspelig en zondig geslacht, maar komt nu voor Hem uit, want: "wanneer Christus zal geopenbaard zijn, Die ons leven is, dan zult gij ook met Hem geopenbaard worden in heerlijkheid;" terwijl, "zo wie zich Zijns, en Zijner woorden en waarheid zal geschaamd hebben in dit overspelig en zondig geslacht, diens zal Zich de Zoon des mensen ook schamen, wanneer Hij zal komen in de heerlijkheid Zijns Vaders, met de heilige engelen."

 

Een toespraak bij het einde van de plechtigheid

Ik zal met een enkel woord sluiten. Ten eerste tot hen die nog dood zijn in de zonde. Ten tweede tot hen, die in Christus zijn levend gemaakt, en een leven hebben, dat met Christus verborgen is in God,

1e U, die nog nooit bent levendgemaakt door het horen van de levendmakende stem van de Zoon van God en vreemdelingen bent van dit leven, dat met Christus verborgen is in God, wil ik voordat u van hier gaat de volgende raad geven.

[1.] Weest u die dingen bewust, die betrekking hebben op uw tegenwoordige stand.

(1.) Weest u de tekenen van uw doodstaat bewust; u mist de tekenen van geestelijk leven. Ik zal er een paar van opnoemen, en wel in het bijzonder de volgende vier:

1. Hitte, of warmte is een teken van leven, dat u mist. Een ieder, die in Christus is levendgemaakt, heeft iets van een vurig uitgaan van het hart tot God en de mens; tot God in het gebed en tot de mens in het samenzijn en in het spreken over goddelijke dingen. Doch u bent in deze dingen ijskoud: uw koudheid bewijst, dat u dood in de zonde bent, want waar leven is, daar is warmte. Als u door een geestelijk leven bent levendgemaakt, dan zal er enige geestelijke hitte, en een brandend uitgaan van het hart in liefde tot de Heere Jezus zijn: "Waren onze harten niet brandende in ons?" Waar het verstand verlicht is met enig zaligmakend inzicht in de dingen Gods, wordt het hart met liefde tot die dingen aangevuurd; zij betrachten de waarheid in liefde.

2. Het leven is kenbaar aan eetlust en begeerte tot voedsel; het geestelijk leven gaat gepaard met geestelijke honger naar Christus, het ware brood des levens. De levende ziel verlangt en hijgt naar de levende God, maar uw gebrek aan eetlust toont, dat u dood bent in zonde.

3. Groei is een teken van leven; doch bij u is geen groei, of het moet zijn, dat u van kwaad tot erger groeit; u wast niet op in de genade, noch in de kennis van onze Heere en Zaligmaker Jezus Christus. Wat leeft groeit, totdat het tot volle wasdom is gekomen, zo ook is daar, waar geestelijk leven is, groei en vooruitgang. Weliswaar zijn de gelovigen soms onder verval, en de overblijvende verdorvenheid en de overhand hebbende begeerlijkheid kunnen soms, evenals een dief aan de kaars, zijn genaden doen kwijnen; doch als het levende Christenen zijn strijden zij daartegen, en herstellen weer en groeien, is het niet in de massa van genade en plichten, nochtans in meerdere lieflijkheid. Evenals appelen, die tot hun volle grootte zijn uitgegroeid, al groeien zij niet meer in de grootte, toch worden zij rijper en aangenamer; zo ook een gelovige, al groeit hij niet meer in de massa van plichten en genaden, toch groeit hij meer in de wezenlijkheid en de aangenaamheid van de plichten, en meer tot een geworteld zijn in Christus; hij groeit in genade en in ootmoedigheid. Daarom groeit hij, hoewel hij opwast in kennis, in een ootmoedig besef van onwetendheid; hij wast op in het geloof, en toch in een nederig gevoel van zijn ongeloof; hij groeit in liefde, en tevens in een nederig bewustzijn van zijn overgebleven vijandschap.

4. Beweging is een teken van leven. De gelovige is in een voortdurende beweging, zelfs wanneer hij standvastig en onbeweeglijk is, altijd overvloedig zijnde in het werk des Heeren; onvermoeid in dienst van Christus. Het leven heeft tweeërlei beweging, een voorwaartse beweging tot alles, dat strekt om het te bevorderen, en een achterwaartse beweging van alles af, dat strekt om het te verwoesten. Zo heeft de gelovige een vooruitgaande beweging, een natuurlijke neiging, een hebbelijkheid, tot alles, dat kan bijdragen tot bevordering van zijn geestelijk leven; zodat hij het woord en de ordinanties, en de middelen van de genade liefheeft en op prijs stelt; en ook een achteruitgaande beweging, of een hebbelijke haat van alles, dat kan medewerken om zijn geestelijk leven te verwoesten; zodat hij zonde en dwaling, verzoeking en verleiding zal verfoeien; hoe meer leven hij heeft, hoe meer hij de zonde haat, die verderfelijk voor hem is. Evenals de natuur datgene schuwt, wat haar bestaan bedreigt, zo ook heeft de nieuwe natuur een afkeer van datgene, wat tot haar verderf strekt. De zonde is dan ook voor de gelovige het hatelijkst, wanneer hij het levendigst is, of wanneer het geestelijk leven het meest werkzaam is; doch dit teken van leven, deze geestelijke beweging en werking mist u. Weliswaar is er beweging in de huichelaars, doch die is evenals bij een klok, en wordt alleen veroorzaakt door het gewicht, dat er aan hangt. Zo kunnen de huichelaars zich soms in de plichten bewegen door het gewicht van de bedreigingen van de wet, of door het gewicht van hun goede naam, gewoonte en dergelijke; doch de gelovige beweegt zich uit een inwendig beginsel: "Het water, dat Ik hem zal geven, zal in hem worden een fontein van water springende tot in het eeuwige leven" (Joh. 4:14). Dit inwendig beginsel van geestelijke beweging mist u, die nog in uw bent; uw plichten zijn dode plichten; uw geloof is een dood geloof.

(2). Weest u de kwaden van deze uw doodstaat bewust. In het bijzonder:

1. Weest u de zondigheid van uw doodstaat bewust. Dood zijn in de zonde is de ergste van de doden, dood te zijn in het graf is niets, want Christus is daar eens geweest; maar het dood zijn in de zonde is een dood die Hij nooit kon sterven. Een schandelijke, pijnlijke, onterende en vervloekte dood sterven is bestaanbaar met de gunst Gods en met de heiligheid Gods, want Christus is zo地 dood gestorven, maar een zondige dood is in elk opzicht in strijd met God.

2. Weest u de vreselijkheid van uw doodstaat bewust. U bent daarin onder het verlies van alles wat begeerlijk is. Gelijk een mens, wanneer hij dood is, alle recht op zijn goederen verliest, zij gaan op de naaste erfgenaam over; zo ook hebt u, die dood bent, evenmin recht op tijdelijke zegeningen, als op de hemelse erfenis in het toekomende leven. U hebt nergens recht op dan op de hel en goddelijke toorn. Ja, u hebt waarlijk een menigvuldig recht en aanspraak op de eeuwige toorn; een recht door het verraad van uw eerste vader; een aanspraak daarop door de oorspronkelijke en algemene verdorvenheid van uw natuur; een recht door uw ontelbare dadelijke zonden en opstand; en een aanspraak daarop doordat u Gods schadeloosstelling afwijst, en het middel verwerpt, dat God in het Evangelie heeft daargesteld.

3. Weest u de mismaaktheid van die doodstaat bewust. Gelijk een lijk, dat aan het verrotten is, een walgelijk gezicht is, zo ook bent u walgelijk in Gods oog; en in de ogen van alle levende Christenen. Uw persoon en uw gebeden zijn gruwelijk voor God, en u bent voor de rechtvaardigen een gruwel.

4. Weest u bewust, dat het een verlaten staat is. Een dood lichaam is verlaten van de ziel, en een dode ziel is verlaten van God. U bent ontbloot van de heiligheid Gods, het beeld Gods, de genade van God, de gunst van God; verstoken en vervreemd van het leven Gods; ontbloot van sterkte en bekwaamheid om uzelf te helpen; ja, u bent verstoken van de wil, dat God u mag helpen. U bent niet gewillig om te worden zaliggemaakt van uw zonde, om te worden verlost van uw vleselijke wandel en uw vleselijk gezelschap. U hebt geen leven, en u hebt geen wil, om verlost te worden van de dood: "Ik heb u willen bijeenvergaderen, doch gij hebt niet gewild. Waarom wilt gij sterven?"

[2]. Weest rusteloos in het gebruik van de middelen des levens, totdat u dit geestelijk leven deelachtig wordt, en een leven hebt, dat met Christus verborgen is in God. Vraagt u welke middelen? Wel, er is een horen, dat met het leven gepaard gaat: "Hoor, en uw ziel zal leven." Er is een leven, dat gepaard gaat met het leven: "Onderzoekt de Schriften, want gij meent in dezelve het eeuwige leven te hebben." Er is een bidden, dat met het leven gepaard gaat: "gij die God zoekt, ulieder hart zal leven." Er is ook een komen, een wijze van tot Christus te komen, dat met het leven gepaard gaat, wegens het gemis waarvan Christus klaagt: "gij wilt tot Mij niet komen, opdat gij het leven moogt hebben."

O dode zondaar, kom dan tot Christus om het leven, want het eeuwige leven is met Hem verborgen, en "die de Zoon heeft, die heeft het leven."

Tegenwerping. Waarom verlangt u van een dode, dat hij tot Christus zal komen?

Antwoord. Omdat wij het in de Naam van de levende God doen, die God, Die de doden levendmaakt. Waarom gebood God Ezechiël, dat hij tot de dorre doodsbeenderen zou profeteren? Omdat God, in Wiens Naam hij profeteerde, de geest des levens in hen kon brengen. Daarom hoort Hem, Die tot u spreekt: "Ik ben de opstanding en het leven; die in Mij gelooft zal leven, al ware hij ook gestorven."

Tegenw. Doch hoe, als Hij niet gewillig is?

Antw. Wel, ik kan u waarlijk verzekeren uit Zijn Woord, dat Hij gewilliger is, om het leven te geven, dan u bent, om het te vragen, en als u gewillig en bereid gemaakt bent, om te bidden, dan is Hij gewillig en bereid, om te geven: (Joh. 4:10) "Indien gij de gave Gods kende, en Wie Hij is, Die tot u spreekt, zo zoudt gij van Hem hebben begeerd, en Hij zou u levend water gegeven hebben, namelijk de Geest des levens." (Matth. 7:11) "Indien dan gij, die boos zijt, weet uw kinderen goede gaven te geven, hoeveel temeer zal uw Vader, Die in de hemelen is, goede gaven geven dengenen, die ze van Hem bidden?" Daarom, o zondaar, als u niet voor eeuwig wilt sterven, ga van hier naar een verborgen hoekje, en begeer van Hem dit levend water, de levende Geest; wie weet of u wel ooit weer zo地 gelegenheid en zo地 aanbod krijgt.

2e Een enkel woord tot u, die in Christus bent levendgemaakt, en van welken het leven met Christus verborgen is in God. Ik zal dit trachten te doen, door u enige raad te geven.

1. Geeft God de eer van uw leven, ook al moet u een lichaam des doods omdragen: "Ik ellendig mens! Wie zal mij verlossen uit het lichaam dezes doods? Ik dank God door Jezus Christus onze Heere, er is geen verdoemenis voor degenen, die in Christus Jezus zijn" (Rom. 7:24, 25, en 8:1).

2. Weest veel werkzaam in het geestelijk leven, weest veel bezig in de oefening van de geestelijke genaden en in de verrichting van geestelijke plichten. "Zijt standvastig, onbeweeglijk, altijd overvloedig zijnde in het werk des Heeren" (1 Kor. 15:58).

3. Bent u met Christus opgewekt en levendgemaakt? Dan, "zoekt de dingen, die boven zijn, daar Christus is zittende aan de rechterhand Gods. Bedenkt de dingen die boven zijn, niet die op de aarde zijn;" (Kol. 3:1,2) daar uw leven verborgen is

4. Wanneer u onder verval of dodigheid komt, grijpt dan Christus des te vaster aan, en leeft door het geloof in Hem, en u zal geen leven ontbreken: "Die de Zoon heeft, heeft het leven," en hoe meer u de Zoon hebt, hoe meer leven u hebt.

5. Maakt gebruik van uw leven tot levendmaking van anderen, en laat de wereld door uw voorbeeld, uw wandel, uw gesprekken en uw gehele gedrag zien, dat u een beter leven en betere vreugden hebt, dan die ijdelheden, waarin zij behagen scheppen.

6. Hoedt u voor alles wat uw geestelijk leven, of de vertroosting daarvan kan bederven. Wacht u voor geestelijke hoogmoed; wacht u voor vleselijk gezelschap; doden en levenden passen niet in elkaars gezelschap. Past op, dat u niet verzuimt te waken: "Waakt en bidt, opdat gij niet in verzoeking valt."

Doch de voornaamste raadgeving, die ik op het oog had, was, dat u de vertroosting van uw leven onderhoudt door u in Christus Jezus te verblijden, zodat de blijdschap des Heeren uw sterkte zij. Dit is beide uw plicht en uw voorrecht, u in de Heere te verblijden: "Verblijdt u in de Heere allen tijd; wederom zeg ik: Verblijdt u" (Filip. 4:4). Verblijdt u in Zijn liefde, dat Hij u liefgehad en Zichzelf voor u overgegeven heeft. Verblijdt u in Zijn verdienste en gerechtigheid, als de grond van uw toegang tot, en uw aanneming bij God. Verblijdt u in Zijn sterkte en macht om u volkomen zalig te maken, al uw zonden ten onder te brengen, uw krankheden te genezen en al uw noden te vervullen. Verblijdt u in Zijn verbond, dat in alles wel geordineerd en bewaard is. Verblijdt u in Zijn overwinning over de wereld, en de god van deze eeuw, en de dood: "God zij dank, die ons de overwinning geeft door onze Heere Jezus Christus, en ons allen tijd doet triomferen in Christus". Geestelijke blijdschap in de Heere is een gedeelte van het leven, dat u leeft. En eindelijk, verblijdt u hierin, dat uw leven met Christus verborgen is in God.

Ik heb reeds vele onderwerpen van vertroosting behandeld, en zal er nog enkele aan toevoegen. Wij hebben dikwijls over God in Christus gesproken, doch nooit zo rechtstreeks over Christus in God. De reden van de wisseling van die spreekwijze in de Schrift vloeit voort uit de nauwe vereniging tussen God en Christus, zoals Christus zegt: "Ik en de Vader zijn één", dat is: Christus is in God, en God is in Christus. Deze onuitsprekelijke vereniging is zowel natuurlijk als krachtens verbond, zoals Christus beide de Zoon van God en de verzegelde van God is. Hieruit ontstaan de volgende gronden van sterke vertroosting voor de gelovigen:

1. Is het niet vertroostend, dat uw leven met Christus verborgen is in de wil en het welbehagen van God, Die zegt: "Deze is Mijn Zoon, Mijn Geliefde, in Dewelke Ik Mijn welbehagen heb"? Wij zijn onze zaligheid verschuldigd aan de wil van God, en aan de wil van Christus, Die de wil des Vaders met lust is komen doen, zeggende: "ziet Ik kom; Ik heb lust, o mijn God, om Uw welbehagen te doen." In welke wil wij geheiligd zijn.

2. Is het niet een stof van vertroosting, dat uw leven met Christus verborgen is in de heerlijkheid Gods, of in Zijn voornemen, om al Zijn uitnemendheden op het hoogst te verheerlijken, door u in deze weg het leven te geven en te verzekeren: "Opdat wij zouden zijn tot prijs van Zijn heerlijkheid? (Ef. 1:12). Uw leven kan evenmin worden verloren, dan God Zijn heerlijkheid kan verliezen; en dan zou Zijn verlies groter zijn dan het uwe.

3. Is het niet vertroostend, dat uw leven met Christus verborgen is in de eenheid van God? Niet alleen in de Drie-eenheid van de Personen, zoals ik eerder zeide, maar in de eenheid van de Godheid, de Personen onderscheiden, doch niet gescheiden, maar in Christus verenigd zijnde. Christus spreekt over de zekerheid van het leven en de zaligheid van Zijn volk, als zijnde in de hand van zijn Vader en in zijn hand, uit deze grond: dat Hij en Zijn Vader één zijn; want één in Wezen zijnde, zijn zij ook één in belang en in voornemen.

4. Wat is dat troostelijk, dat uw leven met Christus verborgen is in de geestelijkheid van God; of, zoals Hij een Geest, de Vader van de geesten, en de fontein van geestelijk leven en van alle geestelijke zegeningen is! Geest en leven worden bijeengevoegd: "de woorden, die Ik tot u spreek, zijn geest en leven." Ons leven kon niet met Christus verborgen zijn, als het niet was in God, als een Geest.

5. Hoe heerlijk is die verborgenheid, dat ons leven met Christus verborgen is in de oneindigheid van God, zo als Hij een oneindige Geest is, Wiens verstand oneindig is, en Die oneindig is in Zijn wijsheid, macht, heiligheid, rechtvaardigheid, goedheid en getrouwheid! Hoewel wij eindige schepselen zijn, toch kan onze zaligheid en ons leven niet in eindige dingen liggen, omdat die begrensd en beperkt zijn; terwijl de begeerten van de redelijke ziel onbegrensd en onverzadelijk zijn.

6. Hoe vertroostend is het, dat uw leven met Christus verborgen is in de eeuwigheid en onsterfelijkheid van God! Daarom zegt Hij: "De eeuwige God zij u een woning en van onder eeuwige armen". En hierom mogen wij zeggen: "Deze God is onze God, eeuwiglijk en altoos."

7. Wat is hier een vertroosting, dat ons leven verborgen is in de onveranderlijkheid Gods, of in God, zoals Hij de onveranderlijke God is, Die spreekt: "Ik, de Heere, word niet veranderd; daarom zijt gij, o kinderen Jakobs, niet verteerd!" Welke veranderingen er dan ook komen, al komen zwaard, hongersnood en pestilentie; laat komen duisternis en verwoesting; laat komen dood en oordeel; uw leven is nochtans veilig in Hem, Die gisteren en heden, en in der eeuwigheid Dezelfde is.

8. O, wat is hier een vertroosting, uw leven is met Christus verborgen in de onzichtbaarheid van God, of in God, zoals Hij de onzienlijke God is! Zienlijke en tijdelijke dingen zijn voorbijgaand en verdwijnend, doch de onzichtbare, de onzienlijke dingen, zijn duurzaam en bestendig. Daarom zegt de apostel: (2 Kor. 4:18) "Omdat wij niet aanmerken de dingen, die men ziet, maar de dingen, die men niet ziet. Want de dingen, die men ziet, zijn tijdelijk, maar de dingen, die men niet ziet, zijn eeuwig". Hoe meer wij op de onzienlijke God leven, hoe meer wij boven al de zichtbare wisselingen van de tijd leven, en al de moeilijkheden van onze weg overmeesteren, en al de tegenstanders en de tegenstand, al was het de grimmigheid van mensen en duivels, zullen overwinnen. Daarom staat van Mozes geschreven: "Want hij hield zich vast als ziende de Onzienlijke". (Hebr 11:27).

9. Is het ook niet goed en troostelijk dat uw leven met Christus verborgen is in de alomtegenwoordigheid en alwetendheid Gods, zowel als in de almachtige kracht, waarover ik tevoren sprak? Het is met Christus verborgen in allen God, Die overal tegenwoordig is, en daarom zegt: Ziet Ik ben altijd met u; vervul Ik niet de hemel en de aarde? Waar u ook heengaat, Ik zal met u gaan. al was het door vuur en water, waar u woont, zal Ik ook wonen, Hij Die de eeuwigheid bewoont, woont overal, en kan bij Zijn volk zijn in een brandende oven, in een leeuwenkuil, in de buik van een walvis, in een kerker; Hij weet altijd in welke toestand zij zijn, Hij hoort hun geroep, Hij legt hun tranen in Zijn fles, en luistert naar hun meest verborgen zuchtingen en kermingen, omdat Hij de alwetende God is.

10. In één woord: O hoe troostelijk is het, dat uw leven verborgen is in het leven en in het bestaan van God! Want Christus is in God, en God is in Christus: "Ik ben in de Vader, en de Vader is in Mij;" Hun leven is samengebonden, en uw leven is ingebonden in het Hunne. O wat is dit onuitsprekelijk en ondoorgrondelijk; nooit zult u de bodem bereiken van deze beker van de vertroosting; hier is een diepte, daar u eeuwig mag induiken.

In een leven, dat met Christus verborgen is in God, zijn al deze dingen inbegrepen, en oneindig veel meer, dan ik kan zeggen. Hier zijn al de fonteinen van eeuwige vertroosting, en dat in vier opzichten:

(1.) Omdat Christus Zelf God is, evengelijk met de Vader en de Geest, in macht en heerlijkheid, en daarom het leven in Zichzelf heeft, en levend kan maken die Hij wil: (Joh. 5:21, 26.) "Want gelijk de Vader de doden opwekt en levendmaakt, alzo maakt ook de Zoon levend, die Hij wil. Want gelijk de Vader het leven heeft in Zichzelf, alzo heeft Hij ook de Zoon gegeven het leven te hebben in Zichzelf".

(2.) Omdat Hij als Middelaar, Godmens, volkomen toegerust is, om Zijn leden levend te maken; want in Hem woont al de volheid der Godheid lichamelijk" (Kol. 2:9).

(3.) Omdat deze levensvoorraad, die Hij heeft, mededeelbaar is. Daarom staat er geschreven: "Uit zijn volheid hebben wij allen ontvangen" (Joh. 1:16). Hij kreeg het, opdat Hij het aan dode zondaren zou uitdelen, want "Hij is het brood Gods, Die uit de hemel nederdaalt, en Die de wereld het leven geeft" (Joh, 6:33).

(4.) Omdat u, die gelovigen bent, door het geloof bent verbonden aan de fontein des levens, en verenigd met de Heere des levens, Die zegt: "Ik leef, en gij zult leven. Uw leven is met Christus verborgen in God."

O vrienden, gaat dan van hier, u verblijdende in het leven, dat u hebt; niet enkel in het leven, dat u is geschonken, of medegedeeld, dat maar een vulsel van het vat is, maar voornamelijk in het leven, dat voor u bewaard wordt, en met Christus verborgen is in God: want dat is de volheid van de bron. Looft God voor hetgeen u geschonken is; dit kan het voorwerp zijn van geestelijk bewustzijn en geestelijke bevinding; hier proeft u, dat God genadig is; maar roemt in hetgeen voor u verborgen en veilig bewaard wordt, want dat is het voorwerp van het geloof, waarop u altijd kunt leven, door te geloven, dat Hij, Die uw leven is, Christus in God is, ook wanneer u niet kunt gevoelen, dat Hij Christus in u is. Zo zult u, door het geloof van de fontein des levens leven, ook wanneer de beekjes van gevoelige genietingen opgedroogd zijn; en u zult dit altijd kunnen doen, zolang als u gelooft, dat "uw leven met Christus verborgen is in God."

 

Christus, de ware Mozes, gezonden om Zijn ware Israël te verlossen uit hun geestelijk Egypte

Hand. 7:34. Ik heb merkelijk gezien de mishandeling Mijns volks, dat in Egypte is, en Ik heb hun zuchten gehoord en ben nedergekomen, om hen daaruit te verlossen; en nu, kom herwaarts, Ik zal u naar Egypte zenden.

De tijdelijke verlossing, die God Zijn Kerk gaf, uit haar Egyptische dienstbaarheid, was een afschaduwing van de geestelijke verlossing van zijn volk in latere eeuwen uit allerlei geestelijke dienstbaarheid, die zij onderworpen zijn. De voorgelezen tekst toont Gods ontferming en medelijden met Zijn volk, nadat het vele jaren in een jammerlijke toestand en onder smartelijke verdrukkingen had verkeerd. Er zijn vijf bijzonderheden in de woorden waarop ik uw aandacht wil vestigen: 1. De aanwijzing van het volk waarmee de Heere medelijden had: "Mijn volk". 2. De droevige toestand en de ellende waarin zij verkeerden. Het wordt genoemd: hun mishandeling in Egypte. 3. De houding en het gedrag van dit volk in hun benauwdheid: zij zuchtten. 4. Hoe de Heere hun Zijn medelijden betoonden, namelijk, beide door naar hun ellende te zien; "Ik heb merkelijk gezien", en door te horen: "Ik heb hun zuchten gehoord"; en dan door hen te hulp te komen: "Ik ben nedergekomen, om hen daaruit te verlossen" 5. Welk middel Hij daartoe gebruikte, en hoe Hij Mozes met dat doel riep: "En nu kom herwaarts, Ik zal u naar Egypte zenden."

Ons ditmaal niet houdende aan de vorm van een leerstelling, zullen wij in de voorgestelde orde een weinig over elk van deze bijzonderheden spreken, namelijk:

I. De aanwijzing van het volk, daar God medelijden met had.

II. De droevige toestand en ellende, daar zij in verkeerden.

III. Hun gedrag in hun benauwdheid.

IV. Hoe de Heere hun Zijn medelijden betoonde.

V. Welk middel Hij daartoe gebruikte.

VI. Van het geheel gebruikmaken ter toepassing.

1. De eerste zaak is: De aanwijzing van hen, met wie God medelijden had, en over wie Hij Zich ontfermde: "Mijn volk"; "Ik heb merkelijk gezien de mishandeling Mijns volks." Wel, zijn dan niet al de volken van de aarde Zijne? Wel zeker, want "de aarde is des Heeren en haar volheid." Alle volken van de aarde zijn Zijne. De gehele bevolking van de hemel, engelen en heiligen, zijn Zijne. Alles wat op aarde is, ja, alles wat in de hel is: Hij is Heere van alles en heeft macht over alles. Er is geen vis in het water, geen vogel in de lucht, en geen worm op aarde, die niet des Heeren zijn. Doch nochtans, niettegenstaande dit alles, heeft God een volk, dat op een bijzondere wijze het Zijne is. Zij worden beschreven in Rom. 9:4, 5: "Welker is de aanneming tot kinderen, en de heerlijkheid, en de verbonden, en de wetgeving, en de dienst Gods, en de beloftenissen; welker zijn de vaders, en uit welken Christus is, zoveel het vlees aangaat, Die is God boven allen te prijzen in der eeuwigheid. Amen." God maakt aanspraak op een recht op hen.

Wij moeten hier aanmerken dat, in deze en verscheidene andere plaatsen van de Schrift over deze benaming van Gods volk wordt gesproken met betrekking tot een zichtbare gemeente, een gemengd volk van goede en kwaden. Zo zegt Hij tot Israël: "Ik ben de Heere, uw God, Die u uit Egypteland, uit het diensthuis, uitgeleid heb." En aangezien er in vele gevallen van het gehele lichaam van de Kerk gezamenlijk wordt gesproken, moet deze regel worden in acht genomen, dat, waar de Heere zo genoemd wordt, in betrekking tot een gemengd volk, al de voorrechten, die uit zo地 betrekking tot God voortvloeien, voor dat volk slechts gewone voorrechten zijn: ik bedoel, die aan allen in die zichtbare kerk gemeenschappelijk zijn. Zo was het voorrecht van de uitleiding uit Egypte een algemeen voorrecht, dat aan allen, goede en kwaden onder hen, gemeen was; evenals onze bevrijding uit het Roomse Babel, in de Reformatie. Doch hoewel God de God van een kerk, of van een volk, gezamenlijk genomen, genoemd wordt, en zij Zijn volk worden genoemd, dat vele uitnemende voorrechten insluit, hoewel die allen gemeenschappelijk zijn, evenals in het tevoren aangehaalde Rom. 9:4, 5; toch is Hij niet in hetzelfde opzicht hun God, als Hij de God is van allen, die onder hen ware Israëlieten en gelovigen zijn. Gelijk die "niet allen Israël zijn, die uit Israël zijn," zo worden aan het ware Israël onderscheiden gunsten en voorrechten boven anderen verleend; Hij is hun God, en zij zijn Zijn volk, op een bijzondere wijze, zij bezitten zaligmakende voorrechten. Israël, of de Kerk, in het algemeen genomen, heeft een recht op Christus, maar de ware Israëlieten hebben een recht in Christus, omdat hun gegeven wordt zich het algemene recht toe te eigen, dat al de overigen hebben, krachtens de verbondsbetrekking op Hem als Zijn volk. Israël was een volk, dat met God in verbond was: Hij verkoos hen tot Zijn volk, en zij kozen Hem door belijdenis tot hun God, en dat waren welgelukzalige Israëlieten, die dat in werkelijkheid deden. Zij hadden Zijn waarheid tot hun beveiliging, Zijn goedertierenheid tot hun vertroosting, Zijn wijsheid tot hun raad, Zijn Geest tot hun leidsman, Zijn engelen tot hun bewaarders en gedienstige geesten.

Mijn volk: dat is (1.) een bijzondere, eigenaardige benaming, die een afscheiding van andere mensen te kennen geeft. Zij zijn niet de lieden van de wereld, maar zij zijn uit de wereld uitverkoren; zij zijn niet een volk van zichzelf, zij zijn duur gekocht. (2.) Het is een gepaste benaming, die insluit, dat God belang bij hen heeft; het is een volk van Zijn keuze, Zijn koping, Zijn belofte, Zijn verovering, Zijn liefde en Zijn zorg. (3.) Het is een benaming van waardigheid, welke hun hoge voorrecht te kennen geeft. Zij zijn Zijn lust, Zijn schat, Zijn erfenis, Zijn kudde, Zijn getuigen, Zijn kroon, Zijn eer, enz. (4 ) Het is een verheven benaming, Gods volk. Het geeft te kennen, dat zij krachtens belijdenis, of wezenlijk, de goddelijke natuur en het beeld Gods deelachtig zijn; een volk, dat Hij Zich geformeerd heeft, om Zijn lof te vertellen.

Mijn volk: zij waren dat krachtens verbond, uit kracht van het verbond, dat God met hun vaderen gemaakt had. God zeide tot Mozes, toen Hij hem uitzond om hen te verlossen: "Ik ben de God Abrahams, de God Izaäks, en de God Jakobs". Hij noemt hen Zijn volk, omdat zij uit hen gesproten waren, van wie Hij verklaarde, dat Hij hun God en de God van hun zaad was, en met wie Hij tevoren in een verbond was getreden, zeggende: "Ik ben uw God;" namelijk, in Christus, de Middelaar des verbonds, Die, naar het vlees, uit hen zou voortkomen. Waarlijk, het is alleen door Christus, dat wij Gods volk kunnen zijn; want al de beloften zijn aan Hem, en door Hem aan ons gedaan. De belofte aan Abraham gedaan was van de Messias: "In uw Zaad zullen gezegend worden alle volken der aarde". En er staat geschreven: (Hosea 11:1) "Ik heb Mijn Zoon uit Egypte geroepen". Het schijnt, dat de profeet daar alleen Gods volk bedoelde, dat Hij uit Egypte verlost had: doch wij zien in Matth. 2:15, dat het in het bijzonder op Christus wordt toegepast, omdat het alleen door Hem, en om Zijnentwil, was, dat deze verlossing beide beloofd en uitgewerkt was. Wij zijn niet van het getal van Gods volk, als wij niet van Christus zijn. Neemt Christus en het Evangelie weg, en u neemt uw recht weg om tot Gods volk te behoren.

Mijn volk: Hoe? Zij waren de Zijne uit kracht van de oude betrekking tot hun vaderen. Een lange tijd was verlopen tussen Zijn zeggen: "Ik zal u tot een God zijn, en uw zaad na u:" en de tijd, dat Hij tot Mozes zeide: "Ik ben de God Abrahams, Izaäks, en Jakobs". Het was ten minste vier honderd jaren daarna. Nochtans noemt Hij hen, die uit hem waren voortgekomen, zo lange tijd daarna, krachtens dat verbond: "Mijn volk". Daarom blijft het verbond bestaan, vele jaren nadat een verbond gemaakt is. Wanneer God Zijn genadeverbond aan een volk heeft geopenbaard, hen tot de Zijnen aannemende; en zij daarop in een verbond van plicht met Hem zijn getreden, daardoor betuigende, dat Hij hun God is, en belovende door genade Hem onderworpen te zullen zijn; al was het ook vier honderd jaren oud, ja, al was het vier duizend jaren, dan staat het, en zij die opvolgen, zijn door dat verbond gebonden. Er zijn persoonlijke verbonden, en nationale verbonden. In de doop en het avondmaal is er een persoonlijk verbondmaken om des Heeren te zijn, en tegen de duivel, de wereld en het vlees te strijden. Doch bovendien zijn er nationale verbonden, waarin wij onszelf in deze landen plechtig aan de Heere hebben verbonden. en beleden hebben de Zijnen te zullen zijn. De Schrift machtigde ons daartoe op vele plaatsen, zoals Jozua 24: 14, 18; 2 Kon. 23: 2 Kron. 15, enz. Nooit werd enig werk bezadigder en beradener gedaan dan het maken van dit verbond, dat nu zo opgeborgen, vergeten en veracht is. Dat de bindende verplichting daarvan nog op ons rust is duidelijk. Als wij nog beweldadigd zijn met die godsdienst, die onze voorvaderen een honderd jaar geleden bezworen hebben, dan moeten wij erfgenamen zijn van de eed, waaronder zij gekomen zijn, aan de allerhoogste God. Wij lezen in de Schrift, dat Levi tienden heeft betaald aan Melchizedek; en toch was Levi toentertijd nog niet geboren, doch het was Abraham, die tienden betaalde, en omdat Levi uit Abraham zou voortkomen, wordt van hem gezegd, dat hij ze, om zo te zeggen, betaald heeft. Daarom, toen onze vaders dit Verbond hebben bezworen, hebben wij zowel gezworen als zij, en wij zijn verplicht het gestand te doen, al is het nog zoveel jaren daarna. Dit tegenwoordig geslacht veracht ons verbond met God, en in zoverre herroepen zij hun betrekking op Hem als Zijn volk krachtens een plechtig Verbond. Doch ziet hoe God in de Schrift over Zijn volk spreekt, en over hun nakomelingen na hen. In Ps. 66:6 staat geschreven: "Hij heeft de zee veranderd in het droge; zij zijn te voet doorgegaan door de rivier; toen (Eng, Overz.), daar hebben wij ons in Hem verblijd." Hoe kon dit zijn, dat zij zich in Hem verblijdden, toen en daar, aangezien zij nog niet in de wereld waren gekomen? Wel, omdat zij toentertijd verlost werden; anders waren zij vernietigd geworden, zij zouden niet hebben kunnen bestaan. Zo ook, aangezien dit land in de Reformatie van het Pausdom is verlost geworden, en bij plechtig Verbond, de ware gereformeerde godsdienst deelachtig werd, zijn wij, die de weldaden daarvan deelachtig zijn, verplicht te doen, wat zij beloofd hebben daarvoor te doen. Zo zegt de Profeet Hosea, als hij spreekt van de worsteling van Jakob met God te Bethel: (Hos. 12:5) "Te Bethel vond Hij hem, en daar sprak Hij met ons"; hoewel het vele jaren voordat zij geboren waren geschied was. Hier toont de profeet aan, dat zij van hun gelovige voorvaderen ontaard waren; zij hadden Bethel in Bethaven veranderd, het huis Gods in het huis van de ijdelheid. Zo wordt in de Schrift het volk beschuldigd met de bondsbreuk van hun vaderen.

Wat hebben wij van onze voorvaderen ontvangen? Veel licht was van hen overgebracht; doch wat anders dan duisternis en afvalligheid dragen wij over op ons nageslacht? Is het te verwonderen, dat wij wegens een verbroken Verbond aan stukken worden gebroken? De kinderen Israëls maakten een verbond met de Gibeonieten; en hoewel het door bedrog was tot stand gekomen, nochtans werden zij, vier honderd jaren daarna, toen men had kunnen menen, dat het vergeten was, wegens hun verbreken van dat verbond, met een zware hongersnood van God geplaagd; en Gods toorn kon niet gestild worden voordat zeven zonen van Saul waren opgehangen, omdat zij er de hand in gehad hadden. Zal God dan de verbreking van een wettige eed, die Hem in dit land gezworen is, niet wreken? Wanneer een ouder zijn kinderen beveelt en verplicht zo en zo te doen, dan achten wij het recht, dat het gedaan wordt, en wij houden het voor een groot onrecht en grote zonde, wanneer het niet gedaan wordt, al zijn hun ouders reeds lang gestorven en weg. Is niet hun zaad, en zijn niet hun erfgenamen, door hun recht, belofte, of verbond, evenzeer daartoe verplicht als zij dat waren? Welke voortdurende verandering en verwarring zouden er in de wereld zijn, als de mensen alleen verbonden waren wegens hun persoonlijke verbintenissen? Hoeveel groter zonde is het, dat mensen de verplichting verloochenen, die op hen rust krachtens een verbond dat hun voorvaderen in hun naam met God gemaakt hebben? Waarlijk, ons land is meer verschuldigd dan andere natiën, want God was nooit meer met enig volk, dan met ons, en geen natie, was meer met hem, dan de onze. God heeft op zo地 natie, als wij een natie zijn, vele pijlen af te schieten en Hij heeft vele pijlen geschoten. Evenals iemand van de Israëlieten aanmerkt, dat nadat zij het gouden kalf gemaakt hadden en dat aanbaden, "daarna nooit een plaag over hen kwam, of er was een ons van het gouden kalf in". God kon niet vergeten, dat het zo地 afschuwelijke zonde was. Zo mogen wij ook zeggen, dat God in deze verlopen jaren menige plaag heeft gezonden, en het schijnt, dat er vele nog verschrikkelijker plagen op komst zijn, doch ons is nog nooit een plaag overkomen, daar niet een ons van deze grote zonde van ons verbondsbreken in was. God heeft een twist met ons land wegens ons verbreken van het verbond en onze meinedigheid. Ondertussen is dit, hoe wij ook ons plechtig verbond verachten, nochtans een van de gronden van onze aanspraak op Hem, als Zijn volk. Het is ook een van de gronden, dat Hij nog voortgaat met aanspraak op ons te maken, die deze Verbonden erkennen, en dat Hij ons Zijn volk noemt: Mijn volk.

II. Ons tweede punt is, dat wij iets zullen spreken over de ellendige toestand, daar zij in verkeerden: "Ik heb merkelijk gezien de mishandeling (Engelse overzetting de verdrukking) Mijns volks, dat in Egypte is", Ik heb gezien, dat het een grote verdrukking is. De grootheid daarvan kan blijken uit de volgende bijzonderheden:

1. Zij handelden listiglijk met hen, toen zij vermenigvuldigden, want de koning van Egypte en zijn raadslieden zeiden: "Komt aan, laat ons wijselijk tegen het handelen". Hun verdrukking was door de koning en zijn raad ontworpen. Al hun vernuft en beleid werden te werk gesteld om Gods volk te verdrukken, en de wijsheid van de Egyptenaren was niet klein; hoewel het geen ware wijsheid was, nochtans was zij groot, evenals die van de oude slang. De verdrukkingen van Gods volk zijn groot, wanneer de wijsheid en het beleid van mensen en duivels tegen hen worden te werk gesteld.

2. De grootheid van hun verdrukking blijkt uit de wijze waarop zij als slaven gebruikt werden; zij moesten aan de oever van de rivier de Nijl in modder en klei werken, en tichelstenen maken, om huizen voor de koning te bouwen en hun piramiden op te richten. Zij werden niet voor keurig werk gebruikt, maar voor het ruwste werk, het maken van bakstenen, en hun taak werd verdubbeld, zij moesten tweemaal zoveel werk opleveren als te voren. Aandrijvers werden over hen gesteld, door wie zij geslagen werden, als zij hun dagwerk niet af hadden; en toch moest een deel van hen stro gaan zoeken, omdat het hun niet gegeven werd, en een ander deel moest tichelstenen maken.

3. De grootheid van hun verdrukking blijkt hieruit, dat het lang duurde. want het schijnt reeds kort na de dood van Jozef en zijn broeders begonnen te zijn, toen een andere koning opstond, die Jozef niet gekend had, en hoewel hun ellende niet al die tijd op zijn hoogst was, nochtans was het een aanwassende ellende, totdat zij tenslotte

4 Van alle hoop, dat zij een nakomelingschap zouden hebben, werden afgesneden. De vroedvrouwen van Egypte ontvingen bevel alle kinderen van het mannelijk geslacht te doden, en toen de vroedvrouwen weigerden, werd de Egyptenaars geboden hen te nemen en in de rivier de Nijl te werpen; en u weet, hoe dit de oorzaak was van de wonderdadige bewaring van Mozes. Zo was hun verdrukking groot en smartelijk; zij was zo groot als de wijsheid van Egypte, en ook even laag; eveneens aanwassende en zo lang durende, totdat zij tenslotte haar hoogste punt bereikte. Toen was het, dat de Heere zeide: "Ik heb merkelijk gezien de mishandeling Mijns volks".

Vraagt u: Hoe kwam dat, dat zij zo verdrukt werden? Was het niet door de voorzienigheid Gods? Dan antwoord ik: Ja, waarlijk, was het dat. Wij zien dat in Ps. 105:25, waar geschreven staat: "Hij keerde hun hart om dat zij Zijn volk haatten, dat zij met Zijn knechten listiglijk handelden;" zodat hun verdrukkingen van de Heere besteld waren tot de volgende en dergelijke einden:

(1.) Opdat Zijn volk, dat onder de Egyptenaren woonde, niet te gemeenzaam met hen zou worden, en zo door hun afgoderij worden afgetrokken, wilde Hij, dat zij hen zouden haten; want als zij goed door hen behandeld waren, konden zij, sommigen van hun, van de ware God zijn afgevallen, omdat zij zo zwaar werden verdrukt. Hoeveel te meer zouden zij gevallen zijn. als zij vriendelijk door hen waren ontvangen? Zij hadden toch evenveel natuurlijke neiging, om van de dienst van de ware God tot afgoderij te vervallen, als andere mensen; daarom wilde Hij, dat de Egyptenaren hen verdrukten.

(2.) Opdat zij zouden verlangen uit hun smartelijke verdrukking te worden verlost, en het goede land, dat hun als het zaad Abrahams beloofd was, in bezit te nemen. Hij wilde dus een besef in hen opwekken van hun tegenwoordige staat, en een begeerte naar vrijheid. Toen dan ook Mozes gezonden werd, waren zij verblijd, dat zij van hun verlossing hoorden, en dat er hoop was, dat zij hun hoofd nog eens zouden opheffen uit het juk van de dienstbaarheid, dat op hen lag.

(3.) Opdat zij niet weer naar Egypte zouden terugkeren wanneer zij er eenmaal uit waren, gedenkende in welke slavernij zij daar waren. Het lijkt wel vreemd, dat zij, zoals wij in Num. 14 lezen, verlangden, dat zij maar weer in Egypte terug waren. Hoewel Kanaän een land genoemd wordt overvloeiende van melk en honing, en Egypte een land van uien en knoflook, nochtans begeerden zij terug te keren, zodra zij maar een weinig tegenspoed in de woestijn ondervonden; hoeveel temeer zouden zij verlangd hebben terug te keren, als zij in Egypte niet zo vreselijk waren mishandeld geworden, Ik kan er nog een andere reden bijvoegen, namelijk:

(4). Opdat in hun verlos