Tot hiertoe is mijn gehele toeleg geweest, aan het gemoed van die, die erkennen, dat God hun Schepper is, openbaar te maken, hoe billijk, hoe heerlijk, hoe voordelig, hoe vermakelijk en noodzakelijk het is aan zijn Schepper te gedenken in zijn jeugd, om dus te ontgaan, of te verzoeten de smarten van de ouderdom. En ook hoe gevaarlijk en dwaas het is dat grote werk uit te stellen totdat de kwade en verdrietelijke dagen en jaren komen van de gebrekkige ouderdom. Nu zal mijn toeleg zijn in 't vervolg,
I. Voor het oog van Nederlands volk open te leggen het droevig verval en verzuim van deze plicht onder de jeugd, en de oorsprong daarvan te ontdekken, om dus dit kwaad te kunnen tegengaan.
II. De onbedachtzame jeugd tot hun plicht op te wekken.
III. De jongelingen en jongedochters, de jonge mannen en vrouwen die met Maria het beste deel verkoren hebben, aan te moedigen tot standvastigheid.
IV. De ouden van dagen, in de naam van God, hun rechte plicht voor ogen te stellen.
I. Ik begin dan nu van een bittere klacht over de toestand van de jeugd in deze onze dagen. Als de bedroefde toestand van de eerste wereld door Mozes beschreven wordt, en dat de Heere zei, dat Zijn Geest niet langer twisten zou met de mensen, maar dat Hij haar, nadat Hij ze de tijd van 120 jaren gesteld had, zou uitroeien, was dit een van de reden, dat het gedichtsel der gedachten van het hart te allen dag, van de jeugd aan, alleen boos was, Gen. 6: 5 en 8: 21. Die tegenwoordig op de gestalte der mensen, en voornamelijk op de jeugd acht geeft, en blijft ontkennen de natuurlijke verdorvenheid van 's mensen hart, is zeker moedwillens blind.
Mogelijk zal iemand, die de erfzonde loochent, zeggen: Dat er nu zo'n boosheid in de jeugd gezien wordt, komt daar vandaan, omdat zij zoveel kwade voorbeelden zien.
Maar ik verzoek dat de voorstanders van de ongeschonden vrije wil, die deze reden willen geven van dit algemeen verderf, dit volgende eens gelieve te overdenken:
1. Is 't verderf in de jeugd alleen voortgekomen uit de kwade voorbeelden? Hoe is 't dan zo doorgebroken in de allereerste nakomelingen van Adam? Hun vader had zwaar gezondigd, maar God toonde zijn misnoegen over die zonde, en Adam was er over beroerd en beschaamd, toen hij zich voor God verborg. Hoe kwam het dat de nakomelingen niet veeleer oversloegen tot het goede als tot het kwade, toen zij hoorden en zagen dat het zo bitter was tegen God te zondigen?
2. Zo de Kaïnieten al volgden het kwaad voorbeeld van hun vader, waarom hebben de nakomelingen van Seth niet opgevolgd de goede voetstappen van hun vrome vaderen? De wil was immers, naar 't voorgeven van de voorstanders van de ongeschonden vrije wil, onverschillig. En de goede voorbeelden zijn immers voor een gezond verstand aangenamer, en navolgelijker als de kwade. Nochtans zag men voor de zondvloed, dat de boosheid des mensen menigvuldig was op de aarde, en dat al het gedichtsel der gedachten zijns harten alleen boos was. Dat alle vlees zijn weg bedorven had op de aarde, Gen. 6: 5, 12. Dat de hele wereld onbekeerlijk bleef, totdat de zondvloed ze allen weg nam. Als de wil geheel onverschillig was, hoe is 't mogelijk, dat de wil van al de mensen zo algemeen tot het kwade kon overslaan, en wel met zo'n hardnekkigheid als er in de eerste wereld te zien is geweest, volgens het getuigenis van Mozes, Gen. 6, en van Christus, Matth. 24: 38, 39.
3. Neemt, het gebeurde dat onder een zeker geslacht de wil ten kwade oversloeg. Indien zij in alle mensen van de geboorte al geheel onverschillig is ten goede of ten kwade, hoe komt het dat de wil juist onder alle slag van mensen zo ten kwade overslaat, dat men onder alle volkeren altijd vindt dat de bozen de meeste hoop zijn? Ja dat de kinderen van de vroomsten dikwijls de snoodsten zijn? Zeker die dit bedaard en zonder vooroordeel overweegt, zal erkennen, dat God in zijn woord de waarheid getuigenis geeft, als Hij zegt: het gedichtsel van 's mensen hart is boos van zijn jeugd aan, Gen. 8: 21. En zo iemand zal, zo God hem kinderen geeft, voor de opvoeding bekommerd zijn, en toeleggen om het boze van zijn kinderen tegen te gaan, en daartoe hulp zoeken bij zijn God, Die machtig is de ziel naar Zijn beeld te vernieuwen, gelijk Hij die naar Zijn beeld geschapen heeft. Maar helaas! nu is 't heel anders gesteld.
Horatius, een heiden, zei in zijn tijd,
AEtas parentum pejor avis, tulit
Noi nequióres, mox daturos
Progeniem vitiofiorem.
De zin is:
De eeuw van onze ouders, bozer als die van haar voorouders, heeft ons voortgebracht, die onze ouders in boosheid overtreffen, en wij staan weer in 't korte nog bozer nakomelingen voort te brengen.
Dit woord wordt in onze dagen bevestigd. Van tijd tot tijd verslechten de nakomelingen. Daar rijst nu een geslacht op, dat zeker het tegenwoordige in boosheid zal overtreffen. En verstandige ouden moeten met droefheid aan de toekomende tijden gedenken.
Het is tegenwoordig wat zeldzaams, een jongeling of jongedochter te vinden, die met haar gedrag toont, dat ze aan haar Schepper denkt. Beziet het eens van rondom:
Daar zijn menigte van kinderen daar geen handen aan geslagen worden om die voor God op te brengen. Die zijn als wilde woudezels, nergens toe bekwaam als om kwaad te doen. Die kennen God hun maker niet. Zij zijn dommer als een os of ezel, Jes. 1: 3.
Zij verschonen zich, dat hun ouders hen niet hebben laten leren. Voor zoverre zijn ze te beklagen. Maar zij denken niet, dat ze de goddeloze voetstappen van haar ouders volgen, en zo in 't zelfde oordeel vallen. Dat, gelijk hun ouders onnatuurlijk met hen hebben gehandeld, zij ook zo met zichzelf handelen, zichzelf vermoordende.
Daar zijn er daar veel aan ten koste gelegd wordt, maar die hun ouders veel bitterheid toebrengen. Dat er zo'n oordeel wel komt over een familie, is maar al te klaar. God wil dus tonen dat de opvoeding niet genoeg is, maar dat Hij moet mee werken. In zo'n geval past ons het stilzwijgen. Doch zulke kinderen mogen toezien, en met aandacht lezen die plaatsen, die men vindt, Deut. 17: 16, Vervloekt zij, die zijn vader of moeder veracht: en al het volk zal zeggen Amen. En Spr. 20: 20, Wie zijn vader of moeder vloekt, diens lamp zal uitgeblust worden in zwarte duisternis.
Daar zijn er die in hun jeugd wat goeds beloofden, maar die in handen van kwaad gezelschap vervallen zijnde, daarna zeer uitspatten, en van de goddelooste worden. Apostaten in leer en leven, zijn doorgaans de ergste. In zulken is 't waar, Heroum filii noxa. Dat zijn smetten van de families daar zij uitgesproten zijn, Spr. 29: 15 en 30: 17.
God zal ze vinden op Zijn tijd.
Zo men gaat door de steden en dorpen van Nederland, en men zijn ogen laat gaan over de spelende jongens en meisjes op de straten, moet men niet uitroepen, o tijden, o zeden! Kleine jongens en meisjes zijn groot en als volwassen in de boosheid. Men hoort uit hun monden een taal, of hun kelen open graven waren, daar niets als stank uit voort komt. Het vloeken, 't misbruiken van Gods heilige naam, het lichtvaardig en goddeloos zweren, de oordeelpraat die uit haar mond gehoord wordt, de dartelheid, de spotternijen, de Goddeloosheid, de woestheid die in hun spelen en ravotten gehoord en gezien wordt, getuigen dat ze op geen God denken, en dat ze als zonder enige tucht opgebracht worden. Die hun kinderen, schoon ze al veel moeite doen om die te leren, maar toelaten om met hen te spelen, krijgen ze doorgaans bedorven thuis.
De klachten van Godvruchtige schoolmeesters en schoolvrouwen groeien alle dagen, en zij moeten betuigen, dat het ondoenlijk wordt de jeugd onder banden te houden.
Beziet eens de jongelingen en jongedochters die uit de kindse jaren gaan, en de eerste scholen en tucht ontwassen zijn, vertonen die dat ze aan haar Maker gedenken? De hoogmoed en de pracht in kledingen, haar gezelschappen die zij zoeken, de discoursen die zij voeren, en haar gedragingen vertonen dat ze toegerust worden om de wereld geheel gelijkvormig te worden.
Beziet men de jonge dienstknechten en dienstmaagden, wie kan het bederf onder hen genoeg beklagen? Het gedrag van de meesten toont dat ze geen vrees Gods voor haar ogen hebben.
Zo men zijn ogen wendt tot de jeugd van de aanzienlijke families, dan moet men besluiten dat het einde van onze Republiek nadert. Vele van de voornaamste jongelingen en juffers zijn genegen tot bals, saletten, gezelschappen, daar men de tijd met dansen, dobbelen, zot geklap, gekkernijen, wereldse discoursen van lekker eten en drinken, mooi gekleed te gaan, zijn vermaak te nemen, met lasteringen en achterklappen, doorbrengt, daar men nooit, of ten minste zelden, een woord van God de Maker en Weldoener hoort spreken. Daar de gemoederen verwijderd en verwoest, en van de ware Godsvrucht afkerig gemaakt worden.
Hoe het de jeugd op de academiën en hogescholen maakt, weten die, die maar enige kennis van zaken hebben.
Hoe kooplieden u klagen over de jongelingen, die voor de koopmanschap opgebracht worden, weten die, die enige verkeringen met hen hebben.
De beloften over de dagen van 't N. Testament zijn, dat God Zijn Geest zou uitgieten over alle vlees, dat de zonen en dochteren zouden profeteren, en de oude dromen dromen, en dat de jongelingen zouden gezichten zien. Ook dat over de dienstknechten en dienstmaagden die Geest zou uitgestort worden, Joël 2:28, 29. God volbrengt zeker Zijn beloften ook in onze dagen, maar dit is ook openbaar, dat des Heeren Geest tegenwoordig op weinigen gezien wordt.
Beziet eens in 't bijzonder, wat het gedenken aan de Schepper al insluit, en oordeelt dan, verstandige lezer, of mijn klachten over de jeugd gegrond zijn.
1. Aan zijn Schepper te gedenken sluit zeker in, God onze Schepper recht te leren kennen, omdat men niet gedenken kan aan dien, die men niet kent. Maar mag de Heere nu niet klagen en tegen velen betuigen: De jongelingen en jongedochters, die door de doop Mij zijn opgedragen, kennen Mij niet, hoe zullen zij dan aan Mij gedenken? Onder de armsten zijn er velen die als 't vee opgebracht zijn, die dommer zijn dan heidenen: hun kinderen volgen hun voetstappen na, en zijn van God vervreemd door een heidense onwetendheid. Van de meeste kinderen van de armen en geringsten van het volk mag men zeggen met Jeremia, deze zijn arm, zij handelen zot, omdat zij de weg des Heeren en het recht van hun God niet weten, Jer. 5: 4.
Maar gaat eens tot de groten, van welke men vermoeden zou dat ze immers de weg des Heeren en het recht van hun God weten, dat hun kinderen daarin zouden onderwezen zijn. Is 't daar beter gesteld? Het eerste daar velen van dezelve op gesteld zijn, is, dat ze de zwieren en modes van de wereld mogen kennen, om zich naar alle gezelschappen te kunnen voegen. Dit noemt men, zijn wereld te kennen. Veel van de eerste beste tijd wordt doorgebracht om enig kunst en handwerk te leren, dat voor de jeugd prijselijk is, ook om te leren zingen, spelen, dansen, en dan te weten, hoe men de wereld zal behagen.
Maar waar is de kommer om God hun Schepper vroeg en eerst te leren kennen? En dus de kennis en vrees Gods te leggen als een eerste grond en beginsel van de wijsheid? Op zijn best zal men, omdat het fatsoen het meebrengt, nog enige tijd afzonderen om zoveel te leren dat men ternauwernood zijn belijdenis kan doen, om lidmaat te worden, maar dat gedaan zijnde, bemoeit men zich niet om in kennis op te wassen. Waar zijn de Timotheüssen, die de Schriften van jongsaf weten?
Vele jongelingen en jongedochters van de groten zouden beschaamd zijn om een oefening tot bevordering van de kennis Gods waar te nemen, hoe naarstig zij ook zijn om haar dagelijkse gezelschappen waar te nemen. Daarom vindt men bij de grootste en kleinsten de allerminste kennis van God hun Schepper, schoon de grootste het meeste door weldaden aan God verbonden zijn, en de armsten het meeste moesten uitzien om na deze eens een beter staat te mogen genieten.
Was dit zo niet, daar werd meer werk gemaakt van de Bijbel, men zou zoveel tijd niet verkwisten met leeg zijn, of met lang slapen, met het spelen van kaarten enz., met dansen, bals en saletten, en dergelijke dingen, die het gemoed zo verijdelen, en de jeugd zo bederven. Arme lieden hun kinderen zouden in scholen, in kerken en andere oefeningen, als ze tijd hadden, meer gezien worden, en hadden zij geen vermogen, hulp verzoeken om hun kinderen te laten leren.
2. Aan zijn Schepper te gedenken sluit ook in een oprechte erkentenis van de verbintenis aan God de Schepper. Maar waar vindt men nu zulke jongelingen en jongedochters, die daar werk van maken?
De ouders en getuigen beloven bij de doop, hun kinderen te zullen onderwijzen en te helpen onderwijzen in de leer van de waarheid, en ze dus indachtig te maken wat voor hen bij de doop beloofd is. Maar vele ouders en getuigen weten niet wat ze beloven, 't is hun genoeg als 't water maar op het kind besprengd is, en dat het kind bij de doop de naam ontvangen heeft, maken daarom geen werk, ja kunnen het niet doen, om hun kinderen te doen gedenken aan God hun Maker, daar zij zo solemneel aan verbonden zijn. De ouders dom en onwetende zijnde, en de kinderen van de buik af van God vervreemd zijnde, hoe zullen die gedenken aan hun Schepper? en erkennen de verbintenis die op haar legt?
Wie zal 't ze leren en doen heugen, hoe heerlijk zij geschapen zijn? Hoe ellendig zij in Adam geworden zijn, hoe God weer een genadeverbond met de uitverkoren zondaar gemaakt heeft, dat zij nu even onder die bediening van dat verbond? Dat zij al aan God zijn opgedragen, dat God het oog over ze heeft, en getuige is van al hun gedraging? Dat ze voor Zijn vierschaar moeten verschijnen, dat Zijn gunst hun leven, Zijn toorn hun dood is? Ouders en getuigen hebben geen kennis van deze Goddelijke waarheden.
Als de kinderen dit nooit wordt voorgedragen, en men maakt het hun niet indachtig, is 't dan wel wonder dat ze de verbintenis die op hen legt nooit herdenken, maar leven of zij van geen God afhingen? Gedachten de jonge lieden aan de verbintenis die God hun Maker op hen heeft, en waardoor zij aan Hem verbonden zijn, zij zouden op wedervergelding denken. Zij zouden zich zo los en trouweloos niet verbinden aan de wereld, die een vijandschap tegen God voert, Jak. 4: 4. De meest gezegenden van God zouden de vriendschap met God het hoogste achten, en zoeken te voeden. Nu, helaas! is 't of de jeugd vrijheid had om zich te verblijden in hun jeugd, hun hart en vermaak op te volgen, te wandelen in de wegen van hun harten, en in de aanschouwing van hun ogen, alsof ze onder geen wetten van God hun Maker stonden. En die door God met gezondheid, middelen, vrienden en andere gaven begiftigd zijn, zijn dikwijls de alleronhandigste, alsof ze gezegend waren om onbeschaamd alle gruwelen en boosheden te plegen. Dit is een klaar bewijs dat God in de betrekking die Hij op de jeugd heeft, niet gezien noch erkend wordt.
3. Aan zijn Schepper te gedenken is niet alleen Hem te kennen en te erkennen, maar dat sluit ook in, met Hem te verzoenen in het bloed van de Middelaar Jezus, en dan Hem gedurig te vertegenwoordigen, aan Wie men zo verbonden is, om zo voor Gods aangezicht bedachtzaam te wandelen, en als onder Zijn ogen te leven. Van Jozua leest men, Richt. 23: 3, Dat bij een verbond maakte om de Heere na te wandelen. Van Jozef, dat het oog van God hem bedwong om tegen zijn God niet te zondigen. De Heere vraagde eens, Jer. 2: 32, Vergeet ook een jonkvrouw hun versiersels, of een bruid haar bindsels. En klaagt daarop, nochtans heeft Mijn volk Mij vergeten, dagen zonder getal. Maar mag die klacht nu niet vernieuwd worden? Waar zijn die jongelingen en jongedochters die op een ware bekering en verzoening met God denken. Onze jongelingen en jonkvrouwen vergeten hun versierselen niet, maar maken daar tegenwoordig zoveel werk van, dat het bij velen de voornaamste bezigheid is: maar zij gedenken niet, dat zolang zij met God niet verzoend zijn, dat alle hun versiersels maar bewijzen zijn van hun hoogmoed, en ze dus voor God walgelijk maken. Zij gedenken niet dat hun klederen ze het verlies van Gods beeld verwijten. En zich zo met dit sieraad ophoudende, vergeten zij God dagen zonder getal. Onder het oog van een alziend God te wandelen, Hem voor ogen te stellen, om dus Hem te behagen, is nu een vreemd werk, vooral bij de jeugd. Zo zij dachten aan die God, die de hovaardige weerstaat, hoe zouden zij hun hoogmoed zo openlijk durven vertonen? Zo zij dachten aan God, die zo rein is van ogen, hoe zouden zij zo durven opvolgen hun onreine begeerten? en zich zo gewennen aan onkuise woorden en daden? Dachten zij, dat een vrouw, welker hart netten en garen, en hun handen banden zijn, van God verklaard wordt een ding te zijn bitterder als de dood, Pred. 7: 26. Dat een hoer een diepe gracht is, en dat die, daar de Heere op vergramd is, daarin vallen, zouden zij ooit durven de deur van haar huis naderen? Zouden zij de taal der heidenen, dat hoereren voor jongelingen geen zonde is, durven voorspreken? Zo zij dachten dat God hun doen zou voor 't gericht brengen, zouden zij zo leven naar het goeddunken van hun verdorven hart?
4. Aan zijn Schepper te gedenken sluit in: Een standvastige volbrenging van al die plichten, die men aan zijn Schepper schuldig is, en die vloeien uit dat kennen, erkennen en vertegenwoordigen van de Allerhoogste. Waar is nu de kommer om dankbaarheid te bewijzen? om zichzelf aan God op te dragen? te tonen dat de vrees Gods de schat is? dat de liefde Gods de ziel dringt om voor God te leven? dat de dienst van God geacht wordt voor de rechte vrijheid?
Als men de grootste hoop van de jeugd nu eens beschouwt, zou men uit hun woorden, daden, gedrag onder de Godsdienst, in gezelschappen van elkaar, wel kunnen merken, dat zij zo denken aan hun Maker? dat hun toeleg is Hem groot te maken? dat ze toeleggen om het juk des Heeren te dragen in hun jeugd?
Het zware juk van de wereld nemen zij vrijwillig op hun schouders, over het juk des Heeren klagen zij gedurig, en schamen zich dat te dragen.
De edelen kunnen naar het hof gaan, alles ondergaan om de stoel der ere te beklimmen, zullen zich voor mensen buigen, op hun wenken acht geven, en vergeten dikwijls in alle hun pogingen hun knieën eens voor God te buigen. En door Gods beleid tot ere gekomen zijnde, leven ze tot oneer van Hem, die hen met die ere bekleed heeft.
Die voor de koopmanschap opgroeien, en daar lust in hebben, nemen beurstijden, comptoiren, comparities waar, leren alles rekenen, nemen acht op alles waar hun intrest in is: en dat is prijselijk in een braaf koopman: maar dat is smartelijk, dat velen van die geen werk maken om de handel op de hemel te verstaan. En dat zijn nog al de beste.
Veel van die jongelingen vergeten zo hun Schepper, dat ze hun toegeven om alle goddeloosheid te bedrijven Zoeken een naam te maken door gruwelen te doen, worden schandvlekken van hun geslachten. Hun eerste kommer is geld te krijgen, dan naar koffiehuizen, hoerhuizen, kroegen, of andere gezelschappen. Daar gezelschap gevonden hebbende, legt men toe om door drinken, dobbelen, spelen en boze stukken, het geld, dat zij hebben weten te krijgen, door te brengen, bederven kooplieden, wiens comptoiren zij waarnemen, hun ouders, die hun welstand zoeken, en zichzelf: worden een ballast van de gemeenschap en van de familie.
Vele jonkvrouwen leggen toe om lang te slapen, van het bed naar de koffie, dan gaat men zich paleren en opschikken: dus opgetooid, wordt het tijd om te eten. Van de tafel opstaande, denkt men aan dit of dat gezelschap. Daar wordt het gemoed zo verwuft dat men aan God niet durft denken, men durft geen ernstige predikatie horen, of een godvruchtig boek lezen, opdat het geweten niet zou wakker worden: daarom bemint men leraars die het oor wat strelen, en met loze kalk pleisteren. Of wil men een boekje lezen, 't zal zijn of een historie op zijn best, of iets dat de geest wat kan vermaken, een komedie, een versierde historie, of iets dergelijks. En zo worden de beste dagen van het leven zonder denken aan God begonnen en geëindigd.
En omdat men jong is, meent men dat alles wel past. Als men ouder wordt, zal de tijd van zorg wel komen, en zo wordt het eerste en het voornaamste vergeten. Daarom vindt men weinigen, die, met Maria, het beste deel verkoren hebben, dat nooit van hun zal genomen worden.
Jongelingen die met hun handen de kost moeten winnen, zo zij naarstig zijn in 't werken, menen zij dat zij bevoorrecht zijn om Gods dag tot hun vermaak te gebruiken, en dat men van hun het godsdienstige niet moet vorderen. Die niet veel lust hebben in 't werken, worden boosdoeners en allemansverdriet.
Maar het zal ook nodig zijn hier eens aan te wijzen de oorsprong van dit verderf onder de jeugd. Ik wil het wel graag overgeven aan de lezer of ik dwaal. Het komt mij voor dat dit verderf in onze tijd hier vandaan meest voortkomt:
1. Omdat op de opvoeding van de jeugd, door de ouders zelf, zo weinig in acht genomen wordt: Leert, zegt Salomo, Spr. 22: 6, de jongen de eerste beginselen, naar de eis zijns wegs, als hij ook oud zal geworden zijn, en zal hij daarvan niet afwijken. Het hebreeuwse grondwoord betekent iets inwijden, of iets zijn eerste vorm en verf geven. Dus leert hij, dat de jeugd, als een nieuw huis, aan God moet worden geheiligd, ja dat hun zielen, als een tempel voor Gods Geest, moeten worden toebereid. Of, dat in de jeugd de kinderen als hun eerste fatsoen moet gegeven worden. Daarom spreekt hij zo dikwijls van de noodzakelijkheid van de tucht voor de jeugd. De roede en de bestraffing geeft wijsheid, maar een kind dat zichzelf gelaten is, beschaamt zijn moeder, Spr. 29: 15 en vers 17. Tuchtig uw 'n zoon, en hij zal u gerustheid aandoen, hij zal uw ziel vermakelijkheden geven, hfdst. 23: 13, 14. Weert de tucht van de jongen niet, gij zult zijn ziel van de hel redden.
In zacht was kan men zegelen drukken, niet in de rotsen, daar moet men houwijzers toe gebruiken. Een goede akker moet intijds van onkruid gezuiverd, en met goede vruchten bezaaid worden, en een naarstig landman houdt daar gedurig de hand aan. Zo moet de verdorvenheid, daar een kind mee geboren wordt, en die uitspruit als het begint te werken, worden tegen gegaan, en in hun zielen moeten geplant worden de eerste beginselen van de ware kennis Gods, de vrees, liefde en dienst van de ware God. Ook de eerste beginselen van een eerlijk, Christelijk en burgerlijk leven, hoe zij kunnen zijn de kroon van hun ouders, nuttige leden van de staat, levende leden van de Kerk, stutten voor hun familie en nuttig voor zichzelf.
Elk vader moet in zijn huisgezin zijn als een koning, profeet en priester, om te regeren, te leren en te bidden. God, de Vader der geesten, moet in de zorg voor zijn kinderen worden nagevolgd.
Elke moeder moet arbeiden dat ook Christus een gestalte in haar kinderen krijgt, zij moet een levende spiegel van nederigheid, zachtmoedigheid en alle christelijke deugden zijn, voor al haar huisgenoten, en vooral, voor haar kinderen. Augustinus, sprekende van Monica zijn moeder getuigt: Zij maakte meer haar werk daarvan, dat (gij Heere) mijn Vader zoudt zijn, omdat ze meer in arbeid was om mijn zaligheid te bevorderen, als om mij in mijn eerste geboorte ter wereld te brengen.
Hier is wel gedurig werk aan vast, maar die kinderen begeert, moeten deze arbeid gewillig ondergaan, of hij is niet waardig de naam van vader of moeder te dragen.
De getrouwheid in de opvoeding van kinderen is als een van de beste bewijzen van de ware genade. Dus toont men, dat men het gewicht van onsterfelijke zielen heeft leren kennen. Dat men het dierbaarste dat men heeft, aan God zoekt op te dragen. Paulus zei, dat een, die zijn huisgenoten niet verzorgt, erger is als een ongelovige, 1 Tim. 5: 8.
Op de getrouwheid van de ouders heeft God zegen beloofd. Tuchtigt uw zoon, hij zal u gerustheid aandoen, hij zal uw ziel vermakelijkheden aandoen, Spr. 29: 17. Leert de jongen de eerste beginselen enz. Hij zal, oud geworden zijnde, daar niet van afwijken, Spr. 22: 6. De ouders hebben het meeste interest in het goed of kwaad gedrag van hun kinderen. Zijn de kinderen goed, zij zijn hun kronen. Zijn ze boos en goddeloos, zotte zonen zijn 's moeders bittere droefheid.
Maar schoon de opvoeding van de ouders zo nodig en voordelig is voor de jeugd, hoe weinig echter wordt er nu acht op gegeven. God heeft het huwelijk ingesteld, opdat zij, die de gave van onthouding niet hebben, hierdoor middel zouden vinden om met een goede en geruste consciëntie te leven. Opdat de mensen in een zoete samenleving elkaar zouden vergezelschappen en behulpzaam zijn, maar ook, opdat er een heilig zaad zou geteeld worden, Mal. 2:15. Maar, helaas! hoe weinigen beogen de rechte einden van een Christelijk huwelijk! Velen verzamelen alleen uit een natuurlijke drift, als de beesten; anderen hebben andere einden, doch weinigen beogen zo'n heilig zaad, dat echter de begeerte van een recht Christen moest zijn. En daar vandaan komt het, dat er zo weinig zorg gedragen wordt voor de opvoeding van veel kinderen. .
Vele vaders en moeders uit enkel drift getrouwd zijnde, behandelen hun kinderen, als het vee hun jongen; zijn voor de buiken en hun lichamen bezorgd, maar denken aan de zielen niet. Ja was er niet een grote menigte, die erger zijn als 't onredelijke vee, die noch voor de zielen, noch voor de lichamen zorgen, die zonder .natuurlijke liefde zijn, Rom. 1: 31. Hoe zullen deze hun kinderen doen denken aan hun Schepper, daar zij zelf geen kennis, achting of liefde hebben?
Anderen, in plaats van aan de Schepper te doen gedenken, leren hun kinderen God hun Maker vergeten door hun boze en verderfelijke voorbeelden. Zij zelf zijn buikdienaren die op hun mond en lusten gezet zijn. Zullen zulke hun kinderen de ware godsdienst leren? Zij zien zelden of nooit in de Bijbel, Gods dag is hun dag van zonde, de vergaderingen van Gods volk haten of verachten zij: en zullen zulke hun kinderen Gods Woord en dienst smakelijk maken? Zij zelf zijn vloekers en schenders van Gods naam, zullen zulke hun kinderen leren bidden en de vrees voor de grote en vreselijke naam van de Allerhoogste indrukken? Zij zijn tuissers en dobbelaren, is 't wonder dat de kinderen dat navolgen? Zij zelf leren hun kinderen alle pracht en hoogmoed, zij hebben hun saletten, bals, komedies en wellustige gezelschappen. Thuis komende spreken zij van zulke vermakelijke dingen voor het vlees, is dat niet al die dingen de kinderen aanprijzen? In plaats van met de kinderen te spreken van Gods daden, van Gods Woord, van Jezus en van de weg der zaligheid, vertelt men hun de zotte en goddeloze daden die men in zijn jeugd bedreven heeft, of leert hun een deel fabelen of zotternijen! Ja waren er geen die hun kinderen al vroeg de gronden van een Hobbes, Spinoza of dergelijke gedrochten leerden! Waren er geen, die, afgericht zijnde op allerlei spotternijen, vooral om met God, Zijn dienst, en Zijn getrouwste vrienden te spotten! Is 't wel wonder dat er onder de jeugd zo weinigen zijn die aan hun Schepper denken, als men eens bedaard inziet hoe het in vele families toegaat?
Men ontmoet nog wel ouders die veel liefde hebben voor hun kinderen, ja die alles daarvoor zouden opzetten om hun kinderen groot en rijk te maken, maar nauwelijks eens denken aan hun onsterfelijke zielen. Zelfs zijn zij bekommerd om schatten op te hopen, die naderhand het verderf van hun erfgenamen zijn. Hun zorg is, dat de kinderen tot ambten mochten bevorderd worden om vele inkomsten te hebben voor hun huizen, maar om ze bekwaam te maken om in de vrees Gods hun ambten te kunnen bedienen, daar wordt niet eens aan gedacht.
Men ziet wel om naar leermeesters die ze de zwier van de wereld leren, die ze leren op de maat dansen en springen en hoe zij zich zullen buigen en beleefd vertonen voor mensen, maar hoe weinig kommer is er om ze te leren hoe zij hun weg zullen zuiver houden voor God? Hoe zij hun knieën voor God zullen leren buigen? Men ziet wel om naar dienstknechten en dienstmaagden, die hen dienen en oppassen, maar wordt er wel gezorgd om Godvruchtige knechten en dienstmaagden, die ze met hun voorbeeld kunnen trekken, in huis te nemen? Zo de zielen van de kinderen op 't hart wogen, zou men ze vertrouwen aan domme, bittere Papisten, aan verleidende paapse klappen, of ruwe mensen, die aan God hun Schepper nooit gedenken?
Integendeel is er nog een meester of een bode, die zich graag vroeg zou buigen, en enige goede beginselen leren, dien zal men dat verbieden, en men weert de tucht van de jongelingen. Zo er nogal van sommigen tucht geoefend wordt, 't is of te streng, zodat men zijn ziel wel zou verheffen om de kinderen te doden, of men verwekt ze tot toorn, en maakt dat de kinderen afkerig worden van hun ouders. Of men roept altijd: handelt de jongen zacht, men durft ze nauwelijks eens zuur aanzien, en volgt de voetstappen van de oude Eli, totdat ze zo verdorven zijn dat er geen helen meer aan is. Men let niet op de gezelschappen daar zij mee verkeren, men denkt nauwelijks aan de spreekwoorden, die door de ervaring zo bevestigd zijn, dat een schurftig schaap de hele kudde verontreinigt, dat die met pek omgaan besmet worden, dat die bij kreupelen woont leert hinken, dat vuile gronden de kabels verderven, dat het ene schaap het andere doet dolen.
Zij belonen hun kinderen niet genoeg, om ze aan te moedigen tot het leren van de eerste beginselen van een eerlijk en christelijk leven. Zij zijn niet gezet om zulke meesters of boden te belonen die hun kinderen de goede weg aanwijzen. Om een maaltijd of hun pracht te vertonen, zullen zij dikwijls geen kosten ontzien, maar om de welstand van de zielen van hun kinderen te bevorderen, daarvoor hebben zij niets ten beste, dan is 't altijd: waartoe dat verlies?
Als wij eens onze ogen laten gaan op de voorbeelden van velen, hoe zij gelet hebben op de opvoeding van kinderen, moet schaamte de aangezichten van de Christenen bedekken. De joden plegen hun kinderen, zodra als zij lezen konden, aan het woord van God te verbinden, bij hen is dat tot een spreekwoord geweest (of zij het nog doen weet ik niet): een zoon van vijf jaren naar de Schrift toe.
De Turken leggen daarop toe om de jeugd vroea de Alkoran te leren, al die lezen kunnen moeten elke dag iets in dat hun boek, dat ze voor Gods Woord houden, lezen.
Van de Waldenzen wordt verhaald, dat zij hun zelf en hun kinderen zo oefenden in Gods Woord, dat er velen waren die hele boeken van buiten kenden. Dat niemand ten Avondmaal werd toegelaten als die het Evangelie van Mattheüs en Johannes, de Zendbrief van Jakobus, en de twee Brieven van Petrus, en de drie Brieven van Johannes, de Zendbrief van Judas, met een gedeelte van Paulus' Brieven van buiten konden. Hun kinderen waren in staat om belijdenis van de waarheid te doen. Hoe ernstig onze voorouders geweest hebben om de kinderen te leren, getuigen de histories. Toen de Papen de Bijbels verbrandden, riep men uit: 't is te laat, de Geuzen hebben ze al vroeg van buiten geleerd! Maar hoe weinig wordt dit nu in onze tijden gezien?
2. Een tweede oorsprong van het verderf der jeugd is het verderf en het verval van de scholen, daar de jeugd moet worden opgevoed.
Altijd als de Kerk gebloeid heeft, hebben ook de scholen gebloeid. Onze Catechismus, sprekende over het vierde gebod van Gods heilige wet, leert, dat God in 't vierde gebod ons gebiedt, dat het predikambt en de scholen zouden onderhouden worden. Zij voegt de kerkendienst of het predikambt, zonder welke het volk woest wordt, en de scholen bijeen, als van even grote noodzakelijkheid. In de verklaring van dit gebod, zoals men het vindt in het schatboek der verklaring uit de lessen van Z. Ursinus, fol. 137, vindt men deze nadrukkelijke woorden:
Uit de scholen moeten voortkomen en genomen worden degene, die de gemeenten zullen regeren tot Gods eer en zaligheid der gelovigen. Daarom heeft men altijd, onder het volk van God, over de scholen goed acht gehad. Want hiertoe moet gebracht worden al hetgeen men leest van de kinderen der Profeten, en van de colleges over welke Samuël, Eliseus, en meer andere gesteld zijn geweest. Het is ook wel bekend, dat Paulus aan de voeten van Gamaliël is onderwezen geweest, en dat Timotheüs, van zijn kindsheid af, de heilige schriften heeft geleerd. De Kerkelijke Historie verhaalt van de Evangelist Marcus, dat hij in de vermaarde stad van Egypte, Alexandria, gehad heeft een grote menigte der discipelen, die hij de heilige schrift heeft voorgelezen en uitgelegd, en deze school heeft zeer treffelijke mannen uitgeleverd. En in de volgende tijden zijn er ook verschillende geweest, die door deze voorbeelden bewogen zijnde, openbare scholen hebben opgericht. Want in Italië wordt Bononia gehouden voor de alleroudste winkel der Christelijke Leer, die een weinig, na de dood van Augustinus, als Theodosius Keizer was, opgericht is door de Bisschop van deze stad, Petrovius. Op dezelfde tijd is er geen onvermaarde school geweest te Lion in Frankrijk. In Engeland is ook geweest de school van Bonnochra, uit welke voortgekomen is de ketter Pelagius. In Duitsland is geweest de school van Trier,waar Athanasius, en na hem Hieronymus, een lange tijd geweest is. Door de Keizer Carolus Magnus zijn opgericht en vernieuwd in Italië de scholen van Pavien en van Padua. In Frankrijk de scholen van Parijs en van Toulouse,en in Bemerland, de scholen van Praag, en andere elders. Daarom, omdat het blijkt, dat altijd enige Godzalige mannen naarstig geweest zijn, om de gemeente Gods door dit middel te vermeerderen en versieren, zo behoorden de godzalige overheden de voetstappen ervan na te volgen. Want hoeveel daaraan gelegen is, te hebben scholen die welgesteld zijn, heeft de ervaring in deze laatste tijden wel geleerd: terwijl de waarheid, door de arbeid van geleerde mannen, gelijk als uit een zeer dikke duisternis der dwalingen, in 't licht is gebracht en voort verbreid. Waarom ook Julianus, de afvallige Keizer, verboden heeft dat de kinderen der Christenen in de scholen niet zouden geleerd worden, omdat alzo het Christengeloof en Religie, beroofd zijnde van bekwame leraars, vanzelf zou vervallen. Daarom de Christen Prinsen en Overheden, tenzij dat zij deze Julianus willen gelijk zijn, behoren metterdaad te betonen, dat de zorg van scholen hun inzonderheid ter harte gaat.
De Jezuïeten weten dit wel hoeveel dat er aan de jeugd gelegen is, dat blijkt uit hun handel met de Gereformeerden in Frankrijk. Daarom hebben zij overal hun scholen, daar zij hun toeleggen om het hart van de jeugd te stelen, en vandaar hun verderfelijke gronden in te boezemen, en dat is een van de sterkten van de Paapse Kerk. De Gereformeerden behoorden daarom door hen tot jaloersheid verwekt te worden. Zullen die boze mensen zoveel doen om de jeugd te verderven, en zouden wij nalatig zijn om hun de eerste gronden van het Christendom te laten leren?
Door Gods genade, het ontbreekt ons land niet aan allerlei hoge en lage scholen, daar worden nog veel onkosten aan ten koste gelegd: maar de vraag alleen is, of er wel een generale toeleg is in die scholen, om de jeugd deze les te leren, en in te drukken, dat zij aan hun Schepper moeten gedenken in de dagen van hun jongelingschap?
Ik geloof niet dat iemand van een gezond oordeel ontkennen zal, dat van de welstand van de scholen ook afhangt de voorspoed van de opvoeding der jeugd. Maar ook kan ik mij niet verbeelden, dat iemand, die geen vreemdeling is in Nederland, mij niet zal toestaan dat hieromtrent een droevig verval is, zowel in de hoge als lage scholen.
Als ik dit breder uithaalde, 't zou mogelijk geen ingang vinden, want men let tegenwoordig weinig op hetgeen gezegd of geleerd wordt, maar meest op de persoon die het zegt en leert. Daarom zal ik tegenwoordig alleen enige vragen voorstellen, en die dan laten aan 't gemoed van de lezer.
1. Behoorden niet degenen, die het beleid hebben over hoge en lage scholen, eerst en vooral toe te zien, of de leraars wel gezond en zuiver zijn in de gronden van het Christendom? En of zij de ware Godvrucht vertonen, lief hebben en voorstaan? Zo men geleerde mannen vordert in de scholen voor allerlei jeugd, die gaven en bekwaamheden hebben, en die ondertussen vijanden zijn van de waarheid, zoals die in Christus is, of zo zij vijanden zijn van de Godvrucht, zullen zij niet arbeiden om de jeugd hun boze gronden in te boezemen? Zijn zij daar niet bekwaam toe? Zijn dan de meest geslepen verstanden, die wijs zijn om kwaad te doen, niet de allergevaarlijkste? Ziet wat Paulus leert 1 Kor. 1: 18-22. En zijn de zielen van de jeugd, die toch verdorven zijn van nature, niet genegen eerder naar zulken te luisteren, dan naar anderen, die hun de rechte weg aanwijzen? Wat baat geleerdheid, als ze op het doodsbed geen troost toebrengt? Als men zijn gehele verstand en al zijn wijsheid besteedt om onder mensen de naam te hebben van een geleerd man, en men moet sterven als een dwaas, of als een beest, dat men na dit leven geen hoop heeft, heeft men dan zijn ziel niet gekweld in zijn leven met het onderzoeken van dingen, die enkel kwelling aanbrengen? In zulken is waarachtig, dat Salomo leert, Pred. 1: 18, In veel wijsheid is veel verdriet, en die wetenschap vermeerdert, vermeerdert smart. Maar wijsheid, gepaard met Godvrucht, maakt dat men getroost kan leven en sterven. Daarom zijn godvruchtige geleerden waardig door alle moeite gezocht.
2. Past het wel Gereformeerde ouders of voogden, dat zij tere spruiten, hun toevertrouwd, aanbevelen aan Jezuïeten, Papen, Kloppen of Begijnen, gezworen dienaars en dienaressen van de Antichrist? Is dat niet de ziel van de kinderen te vertrouwen aan verraders? En gebeurt het niet maar al te veel?
3. Behoorden niet de meesters en meesteressen van de jeugd voorbeelden te zijn van alle Christelijke deugden? 't Is niet genoeg als zij kunnen leren lezen, schrijven, cijferen, of handwerken leren maken, als ze voor de rest voorbeelden zijn van alle lichtvaardigheid, en mensen, die tonen dat ze de wereld lief hebben, en bekwaam zijn om de jonge jeugd te verijdelen en te leren, hoe zij aan de wereld gelijkvormig zullen worden. Let nu eens op de meeste scholen daar de teerste jeugd aanbevolen wordt, en ziet eens of aan hen de eerste beginselen van de kennis, en van de vrees Gods geleerd wordt. Of hun indachtig gemaakt wordt wat voor de kinderen bij de doop beloofd is, opdat ze aan hun Schepper mochten leren gedenken?
4. Moesten Magistraten en de leraars in steden en dorpen niet gehouden worden om een nauw toezicht te nemen over de scholen? Indien die van tijd tot tijd bezocht werden, de goede werden aangemoedigd, de trouwlozen gestraft, de goede en naarstige kinderen werden door enige prijzen, gelijk in de Latijnse scholen, aangemoedigd, de luie en ongehoorzame werden beschaamd gemaakt, dan zou er voor de gemeenschap groot voordeel uit komen! Zouden trouweloze of Paapse Ambachtsheren dan wel durven de schoolambten op de dorpen voor de meeste prijs verkopen, en zo onbekwame invoeren?
5. Indien de Professoren meer werk maakten om naar het leven en gedrag van de studenten te vernemen, zij promoveerden geen onbekwame voor geld, zij gaven altoos attestaties en getuigschriften naar waarheid, zouden er zulke boze stukken door vele studenten worden uitgevoerd? Zou de kerk met zo veel onnutte en onbekwame leraars vervuld worden?
6. Behoorden de studenten in de theologie niet geoefend te worden, niet alleen in de waarheid, maar ook in de ware praktijken der Godzaligheid? Behoorde hun niet geleerd te worden, hoe zij zielen zullen behandelen om die voor Jezus te winnen en op te sieren? Hoe zij kinderen zullen onderwijzen, en hoe zij allerlei slag van mensen in de waarheden zullen opkweken? Zou 't daarom niet goed zijn, dat ze genoodzaakt werden deze of geen Catechisatie waar te nemen, ook bij ziekbedden te gaan in 't gezelschap van oude en Godvruchtige leraren? en dat ook dit in hun Testemonia naar waarheid moest worden getuigd? Wat zou er een ander wezen op de academiën gezien worden? Maar ik durf mij niet inlaten om dit stuk naakter open te leggen. Die lust heeft om te zien hoe de jeugd in hoge en lage scholen behoorde geleid te worden, leze eens met opmerking wat de oude Teeling in zijn Noodwendig Vertoog, het 5e Boek, het 7e capittel, pag. 207. daar van schrijft. Schoon men nu doorgaans die schriften veracht, en niet leest, vertrouw ik echter, dat een oprecht Christen, die het Christendom waarlijk lief heeft, zal moeten erkennen, dat die man daar de weg aanwijst, waardoor het verderf van de jeugd wonderlijk zou kunnen worden voorgekomen, en hun behoudenis worden bevorderd.
3. Voorts komt mij voor dat het verderf van de jeugd ook spruit uit de menigte der plaatsen, daar de jeugd nu verleid en verijdeld worden. Drinkhuizen daar men bijeen komt, enkel om bij de sterken drank te vertoeven, zijn bij bevinding, altijd geweest de slachthuizen van de jeugd, die daar verkeerd heeft.
Maar sedert dat de koffiehuizen zo zijn vermeerderd, en dat allerlei jeugd daar zo vrij en onverhinderd bijeen komt, al is 't maar om iets te nuttigen, dat geoorloofd is in zijn gebruik, is de jeugd wonderlijk verwoest. Hierdoor vervallen zij tot kwaad gezelschap, dat zij daar menigmaal ontmoeten. Daar gewennen zij om hun, als die van Athene, over te geven om alleen van wat nieuws te spreken en te horen spreken. De spotternijen van spotters leren zij na, begeven zich tot ijdelheid en ledigheid. Vervallen allengs van spelen, die middelmatig zijn, tot dobbelen, en spelen die tot hun fundament het lot hebben, en daarop verhit zijnde, zoeken zij alle middelen om geld te krijgen, en deze hun lust te voldoen, en dan staan zij voor alle boze stukken open.
Nu men ook openlijk de komedies voorspreekt, en toelaat daar de hoge scholen zijn, nemen de jongelingen die naarstig waar, zij hebben daartoe geen aanmoediging nodig. Ondertussen vervreemden zij van de Kerk, hun gemoederen worden zo woest en zo verijdeld, dat al wat ernstig is op hun hart geen vat heeft.
De scholen daar men ook de dansmeesters laat komen om de kinderen te leren dansen, en dus ook al de zwieren van de wereld leert, en zelfs toelaat het spelen met de kaarten en dobbelstenen, mag ik ook wel stellen onder de rang van die huizen, die de jeugd tot in de grond verderft, en nochtans worden die scholen openlijk aanbevolen en geprezen.
De gewone Sociëteiten en Colleges daar de jeugd nu bijeen komt, daar elk zich naar de mode opgetooid, op zijn tijd laat vinden om een bakje thee te drinken, zich te vermaken in 't gezelschap, om de wereld te leren kennen;
Daar men voorwendt, dat men slechts speelt met kaarten en andere spelen, om geen tijd te hebben om van anderen kwaad te spreken, zijn waarlijk de netten daar de zielen gevangen, en op de wereld verslingerd worden! Ja daar veel jongedochters zo bedorven worden, dat ze, getrouwd zijnde, onbekwaam zijn om een huis te regeren en zo verijdeld worden, dat ze vijandinnen worden van al wat naar ernst zweemt en naar de deftigheid van 't Christendom maar smaakt.
Het toenemen en bloeien van deze scholen, is het verval van de scholen daar de ware wijsheid en de deugd geleerd wordt en is waarlijk de rechte weg om de jeugd van God te vervreemden en het gedenken aan de Schepper te doen vergeten. Ik beroep mij op vele ouders, families, die door een onwijs bestier van zulken, die zo hun jeugd hebben versleten, geheel te gronde gaan.
4. De vierde oorsprong van het verderf is dat, dat de jeugd niet goed geleerd wordt wat er al aan vast is om aan zijn Schepper te gedenken in de dagen van hun jongelingschap. Dit dient wat klaarder voorgesteld te worden. Ik wil dit zeggen, dat er in de opvoeding verzuimd wordt het nuttigste en dat eerst moest geleerd worden, en dat tegen het schadelijke niet genoeg gewaakt wordt.
1. Een groot getal jongelingen ontbreekt de onderwijzing van de eerste grondbeginselen van de waarheden van het Christendom. Hun wordt de zekerheid en de aangelegenheid van die niet genoeg op het hart gedrukt. Zij worden nog wel soms in de bijzondere waarheden van het Christendom onderwezen, want sommigen zullen kunnen disputeren over de waarheden die door anderen, die buiten de Kerk zijn, worden tegengesproken, maar men verzuimt ze de eerste en gewichtigste op het hart te drukken.
Zal een jongeling aan zijn Schepper gedenken, hij moest eerst en vooral overtuigd worden, dat God zijn Schepper is. Dat die God zijn wil in het geschreven Woord geopenbaard heeft en dat dit Woord goddelijk is, dat het Christendom daar op gevestigd is. Dat die God op zijn daden acht geeft en dat hij eens zal geroepen worden om aan zijn Schepper rekenschap te geven van al zijn doen en laten. Dit wordt doorgaans verzuimd in de opvoeding van de jeugd. Men stelt die eerste en gemeenste waarheden voor vast en men doet de jeugd de zekerheid en aangelegenheid van die waarheden niet zien. Velen nemen de Religie, daarin zij opgevoed zijn, aan, omdat zij daarin opgevoed zijn, en volgen zo hun ouders, maar zijn van de waarheid van hun Religie niet overreed.
Zo er in de opvoeding veel werk gemaakt werd om de jeugd te doen tasten dat er een God is, die hun, en alles dat er is, geschapen heeft, die zo Volmaakt, zo Almachtig, zo Heilig en zo Algenoegzaam is, daar zou zeker meer vrees voor God gevonden worden. Zo men hun de Goddelijke merktekenen van de Bijbel klaar toonde, zij zouden meer liefde voor het Woord hebben. Zo men hun deed zien, dat Christus, de ware Messias, de enige Zaligmaker is en men leerde hun zien de kracht van Zijn dood en de waarheid van Zijn opstanding, zij zouden uit zo'n grond het Christendom aannemen en daarbij blijven Zo men hun dat veel op de zielen bond, dat God al ons doen ziet en dat er na dit leven zo'n streng en rechtvaardig oordeel wezen zal, daar zou zo'n ongebondenheid bij de jeugd niet gevonden worden. Maar zeker de eerste en algemeenste waarheden, de zekerheid en aangelegenheid van dezelve, worden hun niet genoeg ingescherpt en daarom vergeten zij hun Maker en leven veel in die gedachten, dat God op alles zo geen acht geeft.
2. Ook dit wordt verzuimd in de opvoeding, dat de jeugd niet genoeg geleerd wordt de noodzakelijkheid van de heiligheid en van alle goede werken.
Het is of 't genoeg is, dat men zich begeeft tot de uiterlijke belijdenis van het Christendom, dat men geen grove misdaden begaat, dat men de burgerlijkheid onderhoudt. Maar spreekt eens van een voorzichtige en heilige wandel voor God en voor de mensen, 't is of men een vreemde leer leerde, vooral, zo men daar bijvoegt, dat men door God moet geheiligd en naar Zijn beeld moet vernieuwd worden, en spreekt men van een nieuwe schepping, wedergeboorte, innige verandering, of dat men God niet zien zal, 't is of 't een nieuwe leer was daar de Bijbel niet van weet, die de jeugd niet aangaat. Nochtans zijn dit, en dat een Christen moet heilig zijn en geheiligd worden, waarheden, of daar is geen Waarheid. Leest alleen, Lev. 19: 2 en 1 Petr. 1: 15, 16, elk zal ze ook toestemmen, maar als er gesproken wordt van goede werken en van de noodzakelijkheid van die, dan vindt elk mens een uitvlucht om zichzelf van zijn plicht te ontslaan.
Vele zonden gaan zo door, dat men zich inbeeldt, dat God daarop niemand zal veroordelen, als daar is: liegen, gebrek van oprechtheid in woorden en werken, de wellust, de ledigheid, en verwijfd en overdadig leven, het gebruik van kwade middelen om zich te verrijken, die door het gebruik bevestigd zijn, enz. Van zulke zonden wordt de jeugd zelden onderwezen, daarom leven zij daar onbekommerd in.
Dit is ook een grondwaarheid, dat de gewoonte van zondigen een merkteken is van een verdorven mens. Maar de meeste van de mensen gewennen zich aan zekere zonden, die zij liefhebben en gewoon zijn, zij worden daarin oud, vernederen zich er nooit voor God over en menen echter dat God hun daarover niet oordelen zal, omdat zij dat hun gebrek noemen. Dit wordt de jeugd niet geleerd om vroeg de gewoonte van zonden te voorkomen.
Men stelt ook vast, alle mensen zijn zondaren, maar men maakt geen onderscheid tussen de wijze hoe een vrome en hoe een onvrome zondigt en daarop gaat men maar stil heen, zonder zich te bekommeren. Al zondigt men met opzet, uit hoogmoed enz. 't Is, elk heeft zijn zwakheden, ook de vroomste, en dat leert men de jeugd en die gaan dan zorgeloos daarin voort alles waar het hart zich naar toe neigt.
3. Nog wordt de jeugd in deze tijd al vroeg vele verderfelijke gronden geleerd omtrent de ware Godsdienst en plichten die zij aan hun Maker schuldig zijn. Het is tegenwoordig een algemeen gevoelen van allen die de brede weg zoeken, dat men in alle Religies, als men maar op deugd gezet is, kan zalig worden, en dan beschrijft men de deugd zo, dat ze bijna in elk mens gevonden wordt. Of men leert, dat de Godsdienst maar is om de mens te troosten en gelukkig te maken, maar niet om hem heilig te maken, opdat hij God zijn Maker zou gelijk zijn! 't Is of de Godsdienst maar was ingesteld om de zondaars van de pijn der hel te bevrijden, en zonder verandering in de hemel te brengen, wat weg dat zij ook inslaan: en of Christus maar gekomen was om de zondaar van de Goddelijke Wetten en gehoorzaamheid te ontbinden, en zo getroost te doen sterven, als hij naar het goeddunken van zijn hart geleefd heeft, voornamelijk nu in de dagen van het Nieuwe Testament, dit wil er bij de jeugd graag in. Daarom kan men hun nog wel brengen tot enig onderzoek van waarheden, tot het aanhoren van predikatiën die het oor strelen, maar zij vluchten voor zulke, waardoor zij in hun zorgeloze staat ontroerd worden. Dat zij door de waarheid moeten geheiligd worden, dat is geen leer waar zij smaak in vinden.
Men spreekt veel van een gelovig vertrouwen, en steunen op Christus, en men gaat voorbij de vereniging met Christus opdat zijn Geest in ons zou werken, om te wandelen gelijk Hij gewandeld heeft. Daar nu van te spreken is een werkheilige te willen zijn.
En dat komt hier vandaan, omdat velen onder de jongelingen en jongedochters geen gezonde bevatting hebben van het zaligmakende geloof. En hier vandaan komt die misvatting van de noodzakelijkheid van de goede werken, en van de doorbrekende kracht tot heiligmaking.
Zij maken geen onderscheid tussen een levend geloof en een dood geloof.
Een levend geloof is, dat werkzaam is door de liefde, Gal. 5: 6. Dat stemt het getuigenis, dat God geeft van Zijn Zoon, zo toe, als 't met de natuur van de geopenbaarde waarheid overeen komt. Het getuigenis van God nu van Zijn Zoon is dit. Dat ons God het leven gegeven heeft, en dat zelf leven is in Zijn Zoon, die de Zoon heeft, die heeft het leven: die de Zoon niet heeft, die heeft het leven niet, 1 Joh. 5: 11, 12. Die in Hem gelooft wordt niet veroordeeld: Maar die niet gelooft is reeds veroordeeld, dewijl hij niet heeft geloofd in de naam des eniggeboren Zoons Gods, Joh. 3: 18.
Dit getuigenis van God van Zijn Zoon, dat alleen het leven is in zijn Zoon, veronderstelt: 1. Dat allen die niet in Christus zijn, dat is, gelijk Christus zelf verklaart, die niet waarlijk met Hem verenigd zijn, als vruchtbare ranken, met Hem de ware wijnstok, nergens anders toe deugen als om in 't vuur geworpen en verbrand te worden, Joh. 15: 3, 4, 5 6. Dat daarom allen, die zonder Christus zijn, vervreemd zijn van het burgerschap Israëls, vreemdelingen van de verbonden der belofte, geen hoop hebbende, en zonder God in de wereld, Ef. 2: 12. En ook, 2. Dat elk mens, in de natuurstaat, buiten Christus is, en daarom, zolang hij daarin blijft, ook reeds veroordeeld is, en leeft zonder God, en zonder hoop, als een die Gods raad tegen zijn ziel verwerpt.
Het ware zaligmakend geloof nu, dat dit getuigenis aanneemt, zoals 't met de natuur van de zaak overeenkomt, stemt dit getuigenis en hetgeen dit getuigenis veronderstelt, zo toe,
1. Dat het aan de Waarheid niet twijfelt, als zijnde een Goddelijke getuigenis. Dus gelooft zo een, die dit geloof ontvangt, dat voor hem, in de natuurstaat blijvende, geen hoop is, maar dat hij van staat moet veranderen en Christus moet worden ingelijfd, zal hij zalig worden. en dat gelooft hij zo zeker, alsof hij het uit de mond van God zelf gehoord had.
2. Hij stemt het toe als een waarheid daar hem ten hoogste aan gelegen is Dit maakt hem bekommerd, doet hem opstaan om Jezus te gaan zoeken. Het maakt hem hongerig en dorstig naar Jezus' gemeenschap. Zijn begeerte is zo'n begeerte als van een hongerige en dorstige en niet als een luipaard, zij maakt dat hij niet rust voor dat bij in Christus gevonden is. Als Christus door het Evangelie hem wordt aangeboden, zo wendt hij zich naar Hem, hoort zijn aanbiedingen, bewilligt die, neemt de hele Jezus aan zoals hij geworden is tot wijsheid, rechtvaardigmaking, heiligmaking en tot een volkomen verlossing. Hem nu dus aangenomen hebbende, zal zo een, die het gehele getuigenis van God aanneemt en gelooft, zoals 't met de natuur van de zaak overeenkomt, nooit de heiligmaking van de rechtvaardigmaking scheiden. Want bij gelooft dat de verzoening in Christus' bloed gemaakt is, om hem tot God te brengen, 1 Petr. 3: 18, en dat het onmogelijk is God zonder heiligmaking te zien, Matth. 5: 8, Hebr. 12: 14. Door dit licht verlicht zijnde, zal hij die waarheid van onze Catechismus, vraag 64, met zijn hart en hand onderschrijven. Het is onmogelijk, dat zo wie Christus door een waarachtig geloof ingeplant is, niet zou voortbrengen vruchten der dankbaarheid.
Maar een dood geloof, dat stemt Gods getuigenis, of maar ten dele toe, of het twijfelt aan de Waarheid, zodat het niet gelooft, dat allen die geen gemeenschap aan Christus hebben, zo rampzalig zijn. Of het stemt het maar toe als een blote waarheid, daar het geen interest in heeft, omdat de ziel alvorens niet overreed is van de diepte van haar ellende en de noodzakelijkheid van de voldoening aan Gods gerechtigheid en van die onverbrekelijke samenvoeging van rechtvaardigmaking en heiligmaking. Daarom blijft het dood geloof staan bij de waarheid en de waarheid maakt zo een, die dit alleen bezit, niet vrij van zijn natuurlijke vijandschap tegen heiligheid en van al de vooroordelen die hij daartegen heeft opgevat ja in zijn hart wenst zo iemand wel, dat het getuigenis van God zo waarachtig niet was, of dat het zo onverbrekelijk niet was; hij neemt van Gods getuigenis maar zoveel aan als hem kan dienen, om gerust in zijn natuurstaat te blijven.
Daarom ziet men dat vele jongelingen en jongedochters eerst de wereld zo dicht volgen als zij kunnen, en dan gaan zij bezien of hun Christendom hun niet zou kunnen dienen als een middel, om in het navolgen van de wereld, gerust te kunnen leven, en nog voor een goed Christen te kunnen doorgaan. Hierom oefenen ook sommigen hun nog in de waarheden, nemen nogal deze of geen oefening waar, spreken nog graag eens van 't Christendom. Vooral behaagt het hun, als er veel gesproken wordt van de vrijheden van de Christenen in 't Nieuwe Testament om dan, onder de naam van Christelijke vrijheid, die dingen te kunnen doen, daar de verdorven natuur zeer op gezet is, en zo de dienst van Christus en de dienst van de wereld te verenigen. Daarom hoort men van een, die het dode geloof alleen bezit, zelden deze ernstigste vraag, wat moet ik doen om zalig te worden? Maar veeltijds hoort men zo iemand disputeren tegen de nauwe weg. Altijd is de vraag, komt het zo nauw? Strijdt dat tegen het Christendom? Zou dat iemand buiten de hemel sluiten? De meeste veroordelen oprechte Christenen, die teer voor God wandelen, als geveinsden, als schijnheiligen, als werkheiligen. Want de wandel der tere vromen zou hun ongerust maken, daarom haten zij ze, of zij horen niet graag hen spreken. Of zij zien ze als onnozele mensen, die niet meer verstand hebben. Dus wordt verdoofd de leer van de noodzakelijkheid van goede werken, en van de kracht van Heiligmaking, en men vergeet Jezus' les, Joh. 15:8, Hierin is mijn Vader verheerlijkt dat gij veel vruchten draagt en gij zult Mijn discipelen zijn.
Aan de andere zijde, zijn er ook mensen, die van het Christendom een denkbeeld geven, alsof 't een juk was dat niet te dragen is. Sommigen doen het uit een kwade bevatting, en door een ernst, die niet verstandig bestierd wordt. Anderen, die geveinsden zijn, en hun onder de vromen mengen om gezien te worden, (want onder de vroomsten schuilen de booste en gemaaktste huichelaars) deze stellen het Christendom in een uitwendig vertoog, ondertussen hebben zij hatelijke zonden lief, plegen die, en gaan daarin stil voort; deze geven ook de jeugd een kwade indruk van de Godsvrucht, geven stof om te spotten met de gemaaktheid die zij vertonen, en dus beginnen zij allengs met de hele Godzaligheid te spotten. Dit is ook verderfelijk voor de jeugd. Volgen zij het na, zo stellen zij dikwijls al hun Godsvrucht daarin. Zo niet, krijgen zij een vijandschap tegen al wat Godvruchtig is.
4. Nog worden vele jongelingen van de ware Godvrucht, dat het gedenken aan de Schepper insluit, afgetrokken, omdat de verkeerde schaamte niet vroeg in hun wordt tegengegaan. Zij worden niet gewapend tegen een zondige en verderfelijke schaamte, omdat vele ouders en voorgangers dit kwaad in zichzelf voeden. Men leert hun wel in 't burgerlijke vrijmoedig te zijn, en tegelijk beleefd: maar men gewent ze niet om voor de Godvrucht uit te komen.
De ware Godvrucht is tegenwoordig iets zeldzaams in de wereld, weinigen oefenen en beminnen die. Daarom menen velen, 't is niet veilig die aan te kleven. 't Is beter de menigte te volgen. Als men zich wil onderscheiden, vreest men voor bespotting. Dat is de eerste grond van schaamte voor de Godvrucht.
Nog wordt ook de Godvrucht, omdat de Godvrucht zo zeldzaam is, in hun schoonheid niet gekend, men vat vooroordelen daartegen op, men begint ze te verachten als iets schandelijks, men bespot ze. Dit maakt de ziel afkeriger van dezelve, omdat men zich niet kloek genoeg vindt om de verachting van de wereld te verachten. Daar strijdt toch niets meer tegen de eigenliefde, als veracht te worden.
Nabij de verachting van de Godvrucht komt ook een boze haat tegen dezelve, want de ware Godvrucht is als een licht, die bestraft dus, door hun gedrag, de boze mensen, die de duisternis liever hebben als het licht.
Een Godvruchtige kan ook dikwijls de snode stukken, die bij ziet in zijn partij of gezelschap, daar hij mee omgaat, niet dragen, spreekt ze tegen, dit baart haat in 't hart van zulken, die altijd spreken van toegevendheid. Om deze reden schamen zich vele mensen zich voor de ware Godvrucht te verklaren. Uit deze schaamte komt het, dat zij eerst hun plicht niet durven doen, en zo wordt de kennis van onze plicht ten enenmale onnut, want men heeft geen vrijmoedigheid om voor de Waarheid en Godvrucht uit te komen, en zijn plicht te doen. Als men nu door schaamte zijn plicht nalaat, durft men zich niet onttrekken van kwaad te doen, en anderen daarin te volgen. Men zwijgt eerst, men schijnt het toe stemmen, men doet als anderen, men klopt het geweten op de mond.. Men wordt het kwaad gewend. Anderen, die goede gedachten van iemand hadden, ziende dat zulken ook nalatig worden, ja voor God en Zijn zaak niet durven uitkomen, krijgen gedachten dat Godvrucht iets verachtelijks is, omdat de vrienden van dezelve daar niet voor durven spreken, maar al hetzelfde doen, en zo wordt de Godvrucht allengs gebannen.
Hoe zullen de mensen, die zulke grondregelen volgen, hun kinderen leren vrijmoedig voor God en Zijn zaak uit te komen? Zullen zij hun kinderen, niet inboezemen hun eigen grondwetten? Daarom, maakt men nu zoveel werk om, zo men het noemt, zijn kinderen hun wereld te leren kennen. Dat is, zich naar alle modes en gewoontes voegen. Bij de goeden moet men goed schijnen, en bij de kwade zich zo voegen, dat men niet gehaat of bespot wordt, maar allemans vriend blijft, ondertussen wordt God onze Schepper, en de verplichting aan Hem zo droevig vergeten en verzuimd.
II. Dus ver gezien hebbende het verval van de jeugd en deszelfs oorsprong, moet ik hier nog bijvoegen een ernstige en getrouwe waarschuwing, zo aan de jeugd, die verzuimt aan hun Schepper te gedenken, als aan de Ouders, die zo nalatig zijn, om hun kinderen te leren gedenken aan hun Schepper in hun jongelingschap.
1. Tot u, o jonge lieden, die verzuimt aan uw Schepper te gedenken in uw jongelingschap, heb ik het woord van God, tot uw waarschuwing. In Gods naam bid ik U. E., gedenkt aan dit volgende:
Eerst, indien gijlieden verzuimt aan uw Schepper te gedenken in de dagen van uw jongelingschap, zo is dit zeker, dat gij leeft in die rampzalige natuurstaat, daar het gehele menselijk geslacht door de val van Adam in gekomen is. Dit leert ons het Woord van God, dat de gehele wereld voor God verdoemelijk is, Rom. 3: 19. Dat wij allen van nature zijn kinderen des toorns, Ef. 2: 3. Dat de zondaar van God vervreemd is van de baarmoeder aan, Ps. 58: 4. Dat wij allen in Adam hebben gezondigd, Rom. 5: 12, en dus onder de schuld ter verdoemenis zijn gekomen, Rom. 5: 18, 19. Ja in Adam gestorven zijnde, 1 Kor. 15:22. Zolang nu iemand aan zijn Schepper niet gedenkt, om weer met Hem te verzoenen in het bloed van die Middelaar, welke God heeft voorgesteld tot een verzoening door het geloof in Zijn bloed, Rom. 3: 25, zo blijft bij immers in die staat, daar hij, met de hele wereld, door de Bondbreuk van Adam, in gevallen is. En bedenkt nu eens hoe naar en troosteloos dat die staat is.
In opzicht van het zondige. Gij hebt gezondigd, en derft de heerlijkheid Gods, Rom. 3: 23. Het Beeld van God, waarnaar gij geschapen was, is in u verbroken, en het beeld van de Satan is in de plaats gekomen. Tot u mag gezegd worden: Gij bent uit de vader de duivel, en wilt de begeerte uws vaders doen, Joh. 8:44. Dus bent u beroofd van dat schone licht dat God in uw ziel legde, en bent voortgebracht als 't veulen van een woudezel, Job 11:12. De duisternis zelf, Eph 5:8. Uw ziel is beroofd van het ware leven, zijnde vervreemd van het leven Gods door de onwetendheid die in u is, Ef. 4: 18. Ook van de ware liefde tot God en uw naasten, zijnde geworden een hater Gods, Rom. 1: 30. Hatelijk zijnde en elkaar hatende, Tit. 3: 3. Dus bent gij dood door de zonden en misdaden, Ef. 2:1, 2. Uw ziel is in een boze gestalte, zij begrijpt niet de dingen die des geestes Gods zijn, 1 Kor. 2: 14. Daar is een vijandschap tegen God in te vinden, Rom. 8:7. Zij is bekwaam om alle gruwelen te bedenken en uit te vinden, gelijk in zoveel moordenaars, dieven en gruwelijke mensen, die aan hun zelf gelaten zijn, dagelijks gezien wordt. Uw hart is een stinkende modderpoel, die u verontreinigt, daaruit voort komen kwade gedachten, overspelen, hoererijen, doodslagen, dieverijen, gierigheden, boosheid, bedrog, ontuchtigheid, boze ogen, lasteringen, hovaardij en onverstand, Mark. 7: 21, 22. Uw ziel heeft in geen ding behagen, als in 't geen God haat, en vindt een mishagen in 't geen God bemint. Uw keel is een geopend graf, met uw tong pleegt gij bedrog, slangenvenijn is onder uw lippen, uw mond is vol van vervloeking en bitterheid enz., Rom. 3: 12-19, al uw leden zijn wapenen der ongerechtigheid, Rom. 3: 6, 19, en gij bent een dienstknecht der zonde, 2 Petr. 2: 19.
Deze gestalte hebt gij door erfenis. Van Adam af tot op u toe, zijn al uw voorouders zulke mensen van natuur geweest, zodat uw geheel geslachte, (al ware uw vader en moeder een koning of koningin, al was uw adel de grootste van de wereld) zo ondeugende is geweest, tenzij dat God hun of door genade veranderd, of door zijn macht bedwongen heeft. Gij bent toch een onreine uit een onreine, Job 14: 4. In zonden ontvangen en geboren, Ps. 51: 7. Boos van der jeugd aan, Gen. 8: 21. Ziet, o jongelingen en jonge dochters, zo'n monster bent gij in de natuur, dat blijft gij, zolang gij aan uw Schepper niet gedacht en hebt, om met Hem te verzoenen en door Hem herschapen te worden.
Beziet eens een akker die niet beploegd noch bebouwd is, wat is zij niet vruchtbaar in doornen en distelen? De oorzaak is, dat ze vervloekt is om de zonde, Gen. 3: 17. Dit is een rechte spiegel van uw natuurlijke gestalte, zolang gij niet naar Gods beeld vernieuwd bent. Als gij uzelf in een spiegel ziet en u zo behaagt wegens uw schone gedaante en optooisels, kunt gij u dan wel verbeelden dat gij in uzelf voor God zo'n monster bent?
In opzicht van de straf, die op de zonde, als de schaduw op het lichaam volgt, bent gij ook een ellendig schepsel zolang gij niet gedacht hebt om met uw Schepper te verzoenen.
Dat de straf op de zonde volgt, wil de zondaar niet geloven. Hij beeldt zich in, dat straffen een werk is van de Soeverein, die straffen of niet straffen kan naar Zijn welbehagen. Dat God zulken zal straffen, die hardnekkig blijven tot het einde toe. Maar dat Hij de straf zal opschorten en wegnemen, als de zondaar maar voor zijn dood daarover leedwezen toont. Hij kent de volmaakte heiligheid, gerechtigheid en ongekreukte waarheid Gods niet. Hij gelooft niet, dat het Gode betaamde, willende kinderen tot heerlijkheid leiden, de Overste Leidsman door lijden te heiligen, schoon Paulus, Hebr. 2: 10, dat zo nadrukkelijk getuigt. Hij versiert liever enige redenen van het lijden en de vervloekte dood van Gods Zoon, dan dat hij dat lijden en die dood zou erkennen als absoluut nodig om de verzoening met God te maken. Getuigt God, dat wij vijanden zijnde, met God verzoend zijn door de dood Zijnes Zoons, Rom 8: 10. Dat Christus een verzoening geworden is voor de zonden, 1 Joh. 2: 2. Hij zal liever de zin van die woorden verdraaien, als die geloven, om in zijn natuurstaat niet gepijnigd te worden voor de tijd.
Echter wat blijkt er klaarder als dat, dat God de zonden straffen zal en nooit ongestraft zal laten? Hij is immers een rechtvaardig Rechter, Ps. 7: 12. Een Rechter der gerechtigheid, Ps. 9: 5, die zijn naam en lof uitroepende, getuigde: Dat Hij de schuldige geenszins onschuldig houdt, Exod. 34: 7. Dat Hij een Wreker is, Nah. 1: 2. Dat Hij een heilig en ijverig God is, die de zonde niet zal vergeven, Jos. 24: 19.
Hij heeft immers bij Zijn Wet dit vreselijk dreigement gedaan, vervloekt is een ieder die niet blijft in al hetgeen geschreven is in 't boek der Wet om dat te doen, Gal. 3: 10. En, omdat niemand hier aan zou bestaan te twijfelen, zijn eigen Zoon voorgesteld tot een betoning van Zijn rechtvaardigheid, Rom. 3: 25. Daarom ontsloeg Hij Hem ook niet van die vervloekte dood, schoon Hij in Gethsémané zo smeekte, dat de drinkbeker van Hem mocht voorbijgaan. ja, tot een bewijs van Zijn rechtvaardigheid, heeft hij de Engelen niet gespaard, maar ook die in de hel geworpen, 2 Petr. 2: 4 en Matth. 25: 41. Eens heeft Hij ook een gehele wereld door de zondvloed verdronken, en Hij laat ons weten, 1 Petr. 3: 19, dat de meesten van die ook in de hel geworpen zijn. Ja Hij heeft het in het geweten der mensen ingeschreven, opdat een ieder zou vrezen. Ziet het in de Barbaren, Hand. 28: 4 en in de Heidenen, Rom. 1: 32, Die weten het recht Gods, dat die zulke dingen doen des doods waardig zijn.
Zo dit nu een onbetwistbare waarheid is, erkent gij dan niet, o jongeling of jonge dochter, wie gij zijn mag, dat Gods toorn billijk tegen u ontstoken is? Omdat gij van natuur zo'n boze zondaar bent, en omdat gij dit toont met uw Schepper te vergeten in uw jeugd, wanneer God van u wil gezocht worden? Daarom noemt Gods Woord u een kind des toorns, Ef. 2: 3. Kent gij nu wel die God, die gezegd heeft, Mijn is de wraak, Ik zal 't vergelden? Is 't niet vreselijk te vallen in de handen van de levende God? Hebr. 10:30, 31. O gij hebt alles verbeurd, dat de Goddelijke lankmoedigheid u nog laat genieten. Gij bent, in de natuurstaat, als een die op de hals gevangen zit, en die de Rechter nog zijn kleren en voedsel geeft tot op de dag dat de straf zal uitgevoerd worden. Verbeeldt u niet dat Gods toorn zo iets is, dat gemakkelijk kan gedragen worden. Leest maar met aandacht hoe die beschreven wordt, Ps. 76: 8 en 90: 11, Hebr. 10: 29, 30, 31. De spranken van Gods toorn, als daar zijn de smarten van steen, graveel, en kanker, al de smarten van een vervloekten ouderdom, zijn zo heet, wat moet dat vreselijke vuur zijn? Klagen Gods kinderen zo, als hun Vader hun kastijdt, of alleen beproeft: de pijlen des Almachtigen zijn in mij, welker vurig venijn mijn geest uitdrinkt: De verschrikkingen Gods rusten zich tegen mij, Job 6: 4. Kon Jezus, die door zijn Godheid ondersteund werd, die altijd kon zeggen, in al zijn lijden, Mijn Vader, die wist dat Hij na lijden zou verheerlijkt worden, zo uitroepen, Mijn ziel is rondom bedroefd tot der dood toe, zodat zijn zweet, met bloed gemengd, langs Zijn lichaam op de aarde viel. Hoe zult gij, ellendige, dan die vreselijke toorn dragen?
Hier komt nog een derde verzwaring bij. Zolang gij in die natuurstaat ligt, bent gij onmachtig om uzelf te kunnen redden. Gij kunt in der eeuwigheid, door uzelf, aan Gods gerechtigheid niet voldoen, uw tranen kunnen de vlam van Gods toorn niet stillen, uw ongelovige gebeden kunnen Zijn gerechtigheid niet voldoen. Gij kunt Gods Wet niet volbrengen, gij maakt nog alle dagen de schulden groter. Gij kunt uzelf nooit bekeren, dood zijnde, Ephes. 2: 2. Het kwaad gewoon zijnde, en u tot een natuur geworden zijnde, Jer. 13: 23. ja gij wilt tot Jezus niet komen, Joh. 5: 40. En dit maakt de onmacht nog ongeneeslijker, gij weet het niet, dat gij zo arm, ellendig, jammerlijk en naakt bent, Openb. 3: 17, en wilt ook niet gewaarschuwd zijn. Die u tuchtigen, vermanen, waarschuwen, zijn uw vijanden.
O! hoe walgelijk moet gij dan zijn in de ogen van die God, Die zo rein is, en in Wiens gemeenschap al ons heil bestaat? Was gij ellendig, en een voorwerp dat medelijden waardig was, daar was nog hoop. Maar een jongeling, die zijn Maker vergeet, is dom als een muilezel, Ps. 32. Ongevoelig door zijn onwetendheid, Ef. 4: 18, en dan nog de trotsheid zelf. De een is trots op zijn geboorte, de ander op zijn vrienden, een ander op zijn goed, of op zijn ingebeelde deugd, met dien jongeling, Matth. 19: 20. Hierom wil hij bemind en geëerd of gevreesd worden. Zegent God hem in zijn lankmoedigheid, hij beeldt zich in, dat God een welgevallen in hem neemt, Mal. 3: 15. Bezoekt en slaat hem God, hij vergrimt tegen de Heere, Spr. 19: 3. Nooit is hij vergenoegd, menende dat hij meer waardig is als hij geniet, altijd vol nijd als 't een ander beter gaat als hem. Daarom is de rechte naam van zulken, die in de natuurstaat leven, Lo ruchama, niet ontfermde, een geslacht van verbolgenheid, een gruwel, Hos. 2: 22. Jer. 7: 29. Ps. 5: 7.
Ten tweede, nog heb ik een harde boodschap aan u, o jongelingen en jonge dochters, die in uw jongelingschap uw Schepper vergeet en niet aan Hem gedenken wilt. God is zo'n Rechter die een ieder vergeldt naar dat hij zal gedaan hebben, Jer. 17: 10. Vergeet gij God, God zal U ook vergeten, zo zei God tot dat volk, dat Hem vergeten had dagen zonder getal, Jer. 23: 39, 40, Ziet Ik zal van Uw ook ganselijk vergeten, en u, mitsgaders de stad, die Ik u en uw vaders gegeven heb, van Mijn aangezicht laten varen, en Ik zal u eeuwige smaadheid aandoen, en eeuwige schande, die niet zal worden vergeten, en Amos 4: 6, Omdat gij de Wet uws Gods vergeten hebt, zo zal Ik ook uw kinderen vergeten. Tegen Salomo zei David, indien gij Hem verlaat, Hij zal u tot in eeuwigheid verstoten, 1 Kron. 28: 9. Die Mij eren, is 't Woord van uw Maker, zal Ik eren. Maar die mij versinaden zullen licht geacht worden, 1 Sam. 2: 30. En dat ondervonden ook die twee boze jongelingen Hofni en Pinehas, tegen welke het gezegd werd ter waarschuwing.
Van God nu verlaten te worden, zodat hij zich niet wil erbarmen, is geen klein kwaad. Wee zulken, waar God van geweken is, Hos. 9: 12. Hij is toch de fontein van alle goed. Als Hij van de ziel wijkt, gaat alle zegen heen, en alle vloeken komen in de plaats. Als Gods kinderen maar voor een tijd verlaten worden, hoe kunnen zij kermen? Dan is hun nare klacht: Zal dan de Heere in eeuwigheid verstoten? en voortaan niet meer goedgunstig zijn? Houdt Zijn goedertierenheid in eeuwigheid op? Heeft God vergeten genadig te zijn? Heeft Hij Zijn barmhartigheid door toorn toegesloten? Ps. 77: 9, 10.
O dit is de staat van zulken, die hun Schepper vergeten hebben in hun jongelingschap, als God hun ook vergeet, als de kwade dagen komen. Hij heeft dan ook geen lust aan hun kermen, Hij kan dan in hun verderf lachen, en spotten als de vrees komt, Spr. 1:26.
En als God door toorn Zijn barmhartigheid toesluit en vergeet genadig te zijn, dan ziet men doorgaans dat al de schepselen ook beginnen te wijken. Een oud vervloekt zondaar vindt geen medelijden, zijn vorige vrienden, die hem aankleefden, toen hij met hun kon kwaad doen, weigeren hem dikwijls de draf die men de zwijnen zou geven, gelijk verbeeld wordt in de verloren zoon, Luk. 15. Als dan alle ellende de zondaar omringen, elk verlaat hem, niemand denkt aan hem, of, als zij er aan denken en van spreken, is 't met de uiterste verachting en verontwaardiging, en God wil dan hem niet gedenken, is dat niet bitter? David zei, Ps. 27: 10, Vader en Moeder hebben mij verlaten, maar de Heere zal mij aannemen. Recht anders zal 't zijn met die, die hun Schepper vergeten hebben, tot dat de kwade dagen komen, en daar God nu geen lust aan zal hebben, dan zal men moeten zeggen, ik ben van alle man verlaten, ik vind noch troost, noch ontferming, en God is ook van mij geweken. Zo kermde Saul, toen het te laat was, 1 Sam. 28: 15, Ik ben zeer beangstigd, de Filistijnen krijgen tegen mij, en God is van mij geweken, en antwoordt mij niet meer, noch door de dienst der Profeten, noch door dromen. En al de troost die hij kreeg, was dit bitter verwijt, dat de duivel zelf hem toevoegde: Waarom vraagt gij mij, omdat de Heere van u geweken, en uw vijand geworden is, 1 Sam. 28: 16.
Ten derde, voeg ik dit hier nog bij. Als de jongelingen en jonge dochters zo te samen God hun Maker vergeten, en aan Hem niet gedenken, zo zal dat land, daar zo'n jeugd, daar zulke jonge mannen en vrouwen wonen, eindelijk worden tot een land van de uiterste goddeloosheid, en dan van God worden gestraft en verwoest. Als zulke jongelingen trouwen, die volgen na de jeugd van de eerste wereld, daar van men leest Gen. 6: 2, Gods zonen, dat is, die nog de ware religie beleden, zagen de dochteren der mensen, dat is van die, die de ware godsdienst verlaten hadden, aan dat ze schoon waren, en zij namen hun vrouwen uit allen, die zij verkoren hadden. Uit zulke huwelijken werden die reuzen, die sterk van kracht, maar ook reuzen in goddeloosheid waren, geboren, Gen. 6: 2, 3. En toen zei God, mijn Geest en zal niet eeuwig twisten met de mens, omdat hij ook vlees is, vers 3, en besloot toen het verderf van de eerste wereld.
Ouders die toch zelf God vergeten, zullen hun kinderen niet leren aan hun Schepper gedenken, en zo wordt mettertijd het hele land goddeloos. Zulke kinderen, zo opgevoed, worden regenten, en ook wel leraars in de kerk. Maar wee zo'n land daar de regenten goddeloos, en leraars voorgangers zijn van alle goddeloosheid. Als dan het gehele land van God is afgeweken, dan trekt God Zijn ziel van zo'n volk af.
Zo leest men, Jer. 15: 1, 2, 5, 6, De Heere zei tot mij, zegt Jeremia daar, al stond Mozes en Samuël voor Mijn aangezicht, zo zou toch Mijn ziel tot dit volk niet wezen: drijft ze weg van Mijn aangezicht, en laat ze uitgaan ... wie ter dood ter dood, wie ten zwaarde ter zwaarde, en wie ten honger ten honger, en wie ter gevangenis ter gevangenis. Wie zou U verschonen, o Jeruzalem? of wie zou meedelijden met u hebben? Of wie zou aftrekken om u naar vrede te vragen? Gij hebt mij verlaten spreekt de Heere, gij bent achterwaarts gegaan: Daarom zal ik Mijn hand tegen u strekken en u verderven: Ik ben des berouwens moe geworden. Als zo'n volk dan naar God komt vragen, is het antwoord: Zo zult gij tot hem zeggen, wat last? dat Ik ulieden verlaten zal, Jer. 23: 33.
Bedenkt toch dit, o jongelingen, dat het vergeten van uw Schepper mee sleept niet alleen uw verderf, maar zelfs het verderf van dat land, stad of plaats daar gij in woont, en dus veroorzaakt gijlieden het verderf van al wat u dierbaar is. Daar, integendeel, vromen het steunsel zijn van het land, en bij de eiken, en haageiken, in welke, na de afwerping der bladeren, nog steunsel is, vergeleken worden, Jes. 6: 13.
Ten laatste wil ik UEd. allen ook dit nog indachtig maken: Dat, schoon gij nu niet wilt denken aan uw Schepper in de dagen van Uw jeugd, dat er een tijd zal komen waarin gijlieden wel aan Hem denken zult, maar 't zal maar tot uw droefheid en tot uw smart wezen. Dit is 't dat Salomo de jongelingen voorstelt, Pred. 11:9, Verblijdt u, o jongeling, in uw jeugd enz. Maar weet, dat God u om allen deze zal doen komen voor het gericht. Daar zal God een ieders werk in 't gericht brengen, met al dat verborgen is, hetzij goed of het zij kwaad, Pred. 12: 14. Als 't dan daar zal blijken dat gij aan uw Schepper niet gedacht hebt, en daar over zult veroordeeld zijn, zal dat vorige, dat gij vergeten had, u heel anders voorkomen als 't u is voorgekomen in dit leven.
Uw verstand zal dan, door de bevinding van Gods toorn, opklaren, en gij zult de waarde van 't verlorene beter kennen als nu. Nu kent gij die zoetigheid niet van de gemeenschap van uw Schepper, daarom kunt gij die zonder smart missen, maar die kennende, zal 't nadenken bitter vallen. Die een juweel van grote waarde verloren heeft, en meende 't was maar een valse steen, acht dat verlies niet. Maar als 't hem kennelijk wordt wat bij verloren heeft, dan groeit zijn smart. Nu acht een jongeling hoog dat zijn oog en hart kan vermaken. Hij meent dat zijn eer bij mensen, goederen, vermaak, gezondheid, gaven, geleerdheid en wellusten beter zijn als de goederen van de toekomende eeuw. Hij gelooft niet, dat God de zondaar bespot, om dat eigen, dat de ene zondaar in de andere prijst en roemt. Maar als al die dingen, die hem zo beminnelijk schenen, hem in de kwade dagen zullen ontvallen en in hem een eeuwige ellende laten steken, dan zal hij door ondervinding andere bevatting van die zaken krijgen, die hij maar kende door horen zeggen of lezen, en daar hij weinig geloof aan gaf. Die niet gelooft dat branden smartelijk is, oordeelt daar anders van als hij 't ondervindt.
Het vermeerderen van de kennis zal de smart vermeerderen. Men leest wel van zulken die op een schavot, geblind zijnde om de doodslag te ontvangen, als zij, op 't ontvangen van pardon, wederom van de doek, die hun blindde, werden losgemaakt, dat ze dood gevonden zijn. Kan de inbeelding van de dood, de dood veroorzaken? Hoeveel temeer zal een ware bevatting van Gods toorn de ziel kunnen pijnigen? Dit ondervond Adam toen hij van de boom der kennis des goeds en des kwaads gegeten had, toen bevatte hij wat bij verloren had, en dat smartte hem toen zeer. O jongelingen hoe gelukkig zoudt gij dan zijn, zo gij niet wist dat er een hemel bereid is voor die, die hun God vroeg gezocht hebben. Maar als gij andere jongelingen zult verheerlijkt zien, dan zal dat uw smart vermeerderen, gelijk het de smart vermeerderde van de rijke man, Lazarus te zien in Abrahams schoot. Nu zijn onbedachte en ongodsdienstige jongelingen als in een diepe slaap gevallen, en dromen dat zij de allergelukkigste zijn, en dat Godvruchtige jongelingen maar een hoop precieze zotten en dwepers zijn, en dat de Hemel hen zo zeker zal ten deel vallen als hun. Maar als zij in de hel zullen ontwaken, hoe verbaasd en beschaamd zullen zij alsdan niet wezen? Hoe zal dan het oordeel veranderen?
Gelijk gij, o jongelingen, dan door ondervinding, tot uw smart, uw verlies, en nare staat beter zult bevatten, zo zal ook dat verlies u nader worden toegepast. Laat nu een leraar u de hel nog zo levendig voorstellen, gij wilt niet geloven dat het treffen zal.
Dit is een algemeen kwaad bij elke zondaar. Met vermaak pleegt hij de zonde, die begaan hebbende, verbergt hij die. Overtuigd zijnde, verschoont hij die. Een hovaardige noemt zichzelf een genereuze, een verkwister een mildadige, een gierigaard een spaarzame, een roekeloze een kloekmoedige, een luie een geruste, een vreesachtige een voorzichtige. Dit is de oorzaak dat weinige van hun zelf geloven dat hun Gods toorn treffen zal. Laat nu een dartele jongeling eens lezen in 't Woord van God, die niet liegen kan, zonder heiligmaking zal niemand God zien, Hebr. 12: 14. Hij zal geloven, dat bij zowel God zal zien als de beste, al is hij een vijand van ware heiligheid. Al stond er iemand uit de doden op, om hun te waarschuwen, Mozes en de Profeten niet gelovende zullen zij zich niet laten gezeggen, Luk. 16:31. Maar als nu die ongelovigen zich in de smart zullen bevinden, dan zal de toepassing op hun zelf niet zwaar te maken zijn, maar die zal hun smart vermeerderen, als zij zullen moeten uitroepen: O mijn dwaasheid! O mijn onuitsprekelijk verlies en smart!
Hier zal nog bijkomen dat zij dan zo ongevoelig niet zullen zijn. Nu is een slapende jongeling zo ongevoelig, dat alle vermaningen en waarschuwingen van 't hart afstuiten. Nu weet bij alle wroegingen te versmoren, zoekt divertissementen. Klopt het geweten op de mond. Maar hoe gelukkig zou bij zijn, zo hij onder het gevoelen zo hardvochtig kon zijn, als onder alle waarschuwing? Zo hij de tijd van de ontdekking van Gods toorn zo kon doorslapen, als hij wel de predikatie die hem waarschuwde, kon doorslapen. Onder het gevoelen van Gods toorn zult gij u niet kunnen verdiverteren met een praatje, en spotternijtje, een muziekje, een glas wijn, of iets dergelijks, dat u nu al het tijdig denken aan uw Schepper wegneemt.
Nog moet ik u dit indachtig maken, o jongeling, dat uw geheugenis alsdan uw smart zal vermeerderen. Gij zult wel wensen vernietigd te worden, doch 't zal tevergeefs zijn. Zo zult gij ook wel wensen, dat gij kon vergeten wat occasie u is voorgekomen om uw verlies te voorkomen, maar zeker zullen het ijdele wensen zijn. Verstand, consciëntie, hartstochten en memorie zullen moeten medewerken tot uw verderf, alzo die hadden moeten medewerken om aan uw Schepper te gedenken. Dit geeft God de zondaar te kennen, Jer. 23: 20, Des Heeren toorn zal zich niet afwenden, totdat Hij zal hebben gedaan, en totdat Hij zal hebben daargesteld de gedachten zijns harten: In 't laatste der dagen zullen zij met verstand daarop letten. Zo hoort men de zondaar kermen, als hij in zijn laatste brullen zal: hoe heb ik de tucht gehaat, en mijn hart de bestraffing versmaad. En heb niet gehoord naar de stem van mijn onderwijzers, noch mijn oor geneigd tot mijn leraars. Ik ben nabij in alle kwaad geweest in 't midden der gemeente en der vergadering, Spr. 5: 11-15.
Zal dit volgende ook niet smartelijk vallen te gedenken?
Dat gij nu, met Gods gunst te verwaarlozen, iets verloren hebt, dat gij niet kon missen, en dat nergens door kan vergoed worden? Dat die gunst van uw Maker u werd aangeboden, maar dat gij die versmaadde. Dat gij in uw doen zo menige klopping hebt ondervonden en dat gij u tegen al die verhardde? .
Dat gij, om aan uw Maker te gedenken, zulke schone tijd gehad hebt, en dat gij daartoe in uw jeugd zo bekwaam was? Zal 't niet bitter vallen te gedenken, dat men geen tijd kon vinden om dat werk te behartigen, waartoe ons al onze tijd gegund is? Dat men zoveel tijd had, dat men naar tijdkorting om zag, en ondertussen de onwederroepelijke dag zo verkwistte? Dat er zoveel moeite gedaan is om uw welvaren te behartigen, dat God zelf zoveel jaren gewacht heeft om u genadig te zijn?
Zal de geheugenis van al Jezus' minzame nodigingen, van al de overtuigingen des Geestes u niet tot een gedurige smart zijn? Voornamelijk als gij eens zult denken, op hoe voordelige conditie u de kroon van het eeuwige leven werd aangeboden, en hoe zwaar de slavernij van de duivel, de wereld en de zonde was, en hoe klein en gering het vermaak is geweest dat gij genoten hebt, toen gij uw Schepper ging vergeten.
't Was alleen wat groots in uw inbeelding. Gij verkocht uw Zaligmaker, met Judas, voor enige penningen. Gij genoot een droom van vermaak, en liet het wezenlijke varen, ontwaakt zijnde, is alles verdwenen, uw eer, uw achtbaarheid, uw vleiers, uw knechten, uw lekkere spijze, uw zoete wijnen, uw lieve en schone doelen, en al uw grote inbeeldingen houden op, zij zijn er niet meer. En dit is alles dat gij genoten hebt voor dat schone goed dat God uw Maker, u aanbood, had gij Hem recht gekend, geëerd en gediend. Zult gij uzelf niet eeuwig vervloeken over uw keuze, dat gij, voor zo'n niet, Hem, die 't Al is, verliet? en dat gij voor Zijn dienst liever dat harde juk van de zonde verkoos, als op een voordelige voorwaarde Jezus te volgen?
Doet hierbij, dat dit te geheugen zeer smartelijk zal zijn, als 't u zal voorkomen, dat uw gehele verderf uit u is, dat gij God en de Hemel mist, en u in de hel vindt, omdat gij het zo hebt gewild, ja dat het uzelf zoveel moeite kostte. Wat kostte het al moeite voor een geslepen Godverzaker zijn consciëntie te doen zwijgen, en in de verloochening van de Godheid te volharden? Wat kost het al studerens eer men iets gevonden heeft om het Woord van God te kunnen tegenspreken, en zijn verdorven reden en denkbeelden erboven te verheffen? Wat neemt een stout zondaar al bij de hand om zijn eigen verderf uit te voeren? om God te weerstaan? de Geest te bedroeven en uit te blussen? Het geweld van Gods barmhartigheden, oordelen, en van zijn Goddelijk Woord te overwinnen, en het geweten de mond te stoppen! Wat moet hij alle Heeren tegelijk dienen, die alle evenzeer gezet zijn op het volle volbrengen van hun geboden en inzettingen, die de enige God niet wil onderworpen zijn? Wat een gevaar ondergaat een zondaar om aan de zonde getrouw te blijven?
Wat laat hij om de gunst van de wereld, en het vermaak van de zonde al varen? Te weten, God en al zijn aanbieding, Jezus en al zijn genaden, de heilige geest en al zijn vertroostingen, de vrede van zijn consciëntie, zijn beste en getrouwste vrienden, die zijn zaligheid bevorderen, de hoop van een eeuwige zaligheid?
Zij, die om Christus' wil niet één wellust, niet een weinig eer, gemak of gunst, of geld wilden verzaken, wat verzaken en verliezen zij niet al om de wereld te behagen?
Wat moeite doet een wereldse pop niet om hun lichaam te versieren? Wat onkosten besteedt ze niet voor hun kleren en juwelen? Hoe gram is zij, als die naar hun zin niet vallen? Wat kost het al moeite al die strikken, krullen, bijster net te stellen? Hoe menigmaal moet de buik lijden, om de tooi te kunnen opvolgen? ja zelfs kan men zijn dierbare kinderen arm en ellendig maken, om voor een tijd rijk te schijnen en een vertoog te maken.
O rampzalige moeite, om zichzelf verdoemd te maken. De matigheid kan men goedkoop hebben, en gezondheid en gemak tot een toegift genieten, nochtans heeft de dwaze zondaar in verkwisting, gulzigheid en dronkenschap, die vergezelschapt worden met armoede, schaamte, ziekte, braken, vallen, gekerm van vrouw en kinderen, verwijten van het geweten, meer lust als in de matigheid.
Vergenoeging is een groot gewin, niettemin wil de zondaar liever met gierigheid naar veel jagen en in veel zware verzoekingen vallen, als met het zijne tevreden zijn. Nijd, toorn, haat en wraakzucht, wat brengen zij al smarten aan? Nochtans verkiest de zondaar die boven de oprechte liefde. Schoon, door onkuisheid het lichaam bedorven, de naam, de tijdelijke goederen en zaligheid verloren worden, echter willen onkuise dit alles liever ondergaan, als zo'n lust tegengaan.
Hoe blankette en versierde Izebel zich om door de paarden vertrapt en door de honden gegeten te worden? Hoe stijf liep Gehazi om melaats te worden? Wat moeite kostte het Nimrod, om een voorwerp van de algemene haat te worden? Hoe mager werd Amnon om zijn zuster te schenden, en zo zichzelve te doden? wat richtte Absalom niet al uit om aan een boom te blijven hangen? Hoe overlegde Achitofel alles om een strop voor hemzelf te maken? Hoe slapeloos was Judas om zijn verdoemenis te verzegelen. Als nu dit alles eens in de eeuwige verdoemenis zal herdacht worden, zal 't geen eeuwige smart vergroten? Nu kan men behouden worden, met tijdig, gelovig en naar Gods wet, aan zijn Schepper te gedenken, dan zal elk dwaas voor eeuwig zijn schade vruchteloos moeten herdenken, en nooit kunnen vergeten. Is 't dan niet een onzinnig ding, zijn Schepper niet te gedenken in zijn jeugd?
Mogelijk zult gij bij uzelf denken, God zal dit zo kwalijk niet opnemen, omdat het zo niet bedacht wordt van de jeugd, en omdat de dwaasheid zo gebonden is aan het hart van de jeugd.
Maar ik zal deze inval alleen beantwoorden met het antwoord van de agent van keizer Karel de V tegen de ambassadeur van China. Die van China waren opgestaan tegen de keizer, zij zonden naderhand een ambassadeur aan de keizer om zoiets te verschonen. Maar hij deze daad niet kunnende verschonen, meende hij het met een klucht te vergoeden. Wat, zei hij, zullen wij van China niet verschoond worden, daar het bekend is, dat wij allemaal zot zijn? De agent antwoordde, ja dat zal u verschonen, maar met deze voorwaarde, die voor zotten goed past, dat men u gekerkerd en geketend houdt. O mens, denk hier aan, maakt gij door dwaasheid voor God uw leven verdrietig, God zal voor u uw dood en hel eeuwig verdrietig maken.
Dit had ik te zeggen tot waarschuwing van de jeugd die verzuimen hun Schepper te gedenken in hun jongelingschap.
II. Hier moet ik nu nog bijvoegen een getrouwe waarschuwing aan zulke Vaders en Moeders, die zo nalatig en trouweloos zijn, om hun kinderen het gedenken aan hun Schepper indachtig te maken.
Als een Vader of Moeder maar natuurlijke liefde had voor zijn kinderen en overdacht de smart die zo'n Godvergetend jongeling staat over te komen, zo zou immers zijn ingewand over zijn eigen kind ontstoken worden. Maar behalve de smart van uw kinderen moet ik u ook, trouweloze Vaders en Moeders, waarschuwen.
1. Zo gij verzuimt uw kind aan zijn Maker te doen gedenken, zo denkt vrij dat dit een dodelijk teken is voor uw staat en een bewijs, dat gij ook tot op dien tijd toe nooit recht aan uw Schepper hebt gedacht. Want,
Indien gij een getrouw dienaar en onderdaan van uw maker was, gij zoudt zo trouweloos uw belofte voor uw kind, aan God uw Maker gedaan, niet vergeten., Heb je niet, toen uw kind gedoopt werd, beloofd, dat gij, naar uw vermogen, het zou onderwijzen en in de vrees van God opbrengen? Is die belofte niet in Gods huis, ten aanhore van de Gemeente, gedaan? Is dat nu uw getrouwheid aan uw BondsGod? zo'n solemnele belofte, omtrent een kind, dat gij, door de doop, Gode heiligde en voor Hem afzonderde, te vergeten, en tot verderf van uw kind na te laten?
Indien gij zo dacht aan uw Maker, dat gij Hem oprecht liefde en in vriendschap met Hem leefde, zoudt gij dat voor uw kind kunnen verbergen? Zoudt gij niet arbeiden om uw eigen bloed, uw ingewanden, zo gelukkig te maken als gij bent? Temeer omdat God, die gij uw vriend noemt, aanbiedt uw God en uws zaads Gods te wezen? Zou 't u niet tot aan de ziel smarten, als gij dacht, mijn kind is van dit goed verstoten en zal vallen onder de toorn van zo'n God?
Kunt gij God liefhebben en uw naasten haten? Kunt. gij zeggen dat gij uw naasten liefhebt, als gij uw eigen kinderen niet liefhebt? Of kunt gij zeggen, ik heb mijn kind lief, daar gij het voor de hel optrekt? Of daarnaar toe ziet lopen, zonder het te waarschuwen?
Eli was verzuimig geweest in dat stuk, maar men, kan, uit de zachte bestraffingen van die man, echter wel zien hoe smartelijk de zonden van zijn kinderen, hem vielen. God die heeft hem ook niet weinig daarover gekastijd, schoon Hij zijn Vader was. Gelijk men lezen kan 1 Sam. 3 en 4.
2. Zo gij verzuimt uw kinderen indachtig te maken, dat zij aan hun Schepper moeten gedenken, God zal het u vergelden. Als gij in de boze en kwade oude dagen ook graag zag dat uw kinderen aan u gedachten om wedervergelding aan u te doen, dan zal God ook hun harten voor u sluiten. Kinderen die geen werk maken van God, zullen zelden werk maken van hun ouders, tenzij gedwongen, om de erfenis, of eigen voordeel, maar 't zal uit geen liefde voortkomen. Vervalt eens tot armoede en hebt dan kinderen die God niet vrezen en aan hun Maker niet gedenken, zullen zij aan u gedenken?
3. Zo gij uw kinderen zo verzuimt in de opvoeding, weet ook dit, dat gij de kerk van God en het land van uw woning zeer benadeelt. De kinderen moeten ook voor de Kerk en voor het Algemeen, om die beide dienst te kunnen doen, opgevoed worden. Zo zij, door uw verzuim, nu schandvlekken worden voor Gods volk, komt niet die blaam op u, als de oorzaak van hun verderf? Zo zij als kinderen Belials opgroeien, en God vergeten, zullen zij 't niet zijn, die Gods toorn over't land daarin zij wonen ontsteken? daar men anders, in de kinderen en kindskinderen, lang leeft in 't land dat God ons tot een woning geeft.
4. Zo uw kinderen God niet vrezen, staan zij niet op de weg om tot alle goddeloosheid uit te breken? Is dat de weg niet om alle zegen van God van hun te weren, en hun zo vervloekt te maken? Maar tot wiens smart zullen dan zulke kinderen zijn? Bent gij niet de naaste? Had Eli niet de eerste en bitterste smart, toen zijn kinderen zo goddeloos waren? Als de ouders over hun kinderen bestonden te klagen, had God een zware straf daartoe verordineerd. Maar het moest eerst blijken dat de ouders hun best gedaan hadden, om hun kind van de weg des verderfs terug te houden, gelijk men leest in Mozes' Wet, Deut. 21:18, 22. In hun jeugd kunnen zij u vermoeien door hun woelen, maar goddeloos zijnde, u op 't hart trappen, als ze mannen en vrouwen worden. Een zot mens, en dat zijn allen die God vergeten, veracht zijn Moeder, Spr. 15:20. Een zotte zoon is een verdriet voor zijn Vader, en bittere droefheid voor degene die hem gebaard heeft, Spr. 17: 25. Een zotte zoon is zijn Vader een grote ellende, Spr. 19: 13. Zo groot als de zegen is, als de kinderen God vrezen, en de ouders tot een kroon zijn, zo smartelijk is 't, als men een Absalom, een Ezau, een Hofni, en een Pinehas opgevoed heeft, die in de ingewanden wroeten, en het huis beroeren en verwoesten. En valt dat zo smartelijk in dit leven, hoe bitter zal 't wezen met zijn kinderen van God verstoten en eeuwig vergeten te zijn, en dan nog op zijn rekening te vinden, dat men niet alleen zichzelf vervloekt gemaakt heeft, maar ook de oorzaak is van het verderf van zijn eigen kinderen: wat zal dat de hel niet voor eeuwig zwaar maken! Zeker zal God hun bloed van u afeisen, als van trouweloze wachters, Ezech. 33: 8.
Nu ga ik over tot het tweede dat ik voorgenomen had te doen.
II. De onbedachtzame jeugd, die tot hiertoe aan hun Schepper niet recht gedacht heeft, wil ik nu, naar mijn vermogen, in mijn laatste dagen, nog eens met Salomo toeroepen: En gedenkt toch aan uw Schepper in de dagen van Uw jongelingschap.
Verzuimt niet langer de ware kennis van die God, in Wiens kennis het eeuwige leven bestaat; zonder welke kennis alle wijsheid verdriet en een smartelijke bezigheid is, ja een kwelling des geestes.
Erkent toch een waarheid die gij niet als tot uw schande loochenen kunt. Erkent dat God uw Maker is, en dat gij door alle banden aan Hem verbonden bent. Ontveinst toch God uw Schepper niet. Daar zijn geen hatelijker kinderen, als die zich voor hun Ouders schamen. Maar nog snoder zijn die, die zich voor God hun Maker schamen, die hun hun Ouders heeft gegeven, en, door hun, al wat zij van hun ontvangen hebben.
Laat u toch met uw Maker verzoenen. Want geen gramschap is er voor u meer te vrezen, als van die God, die uw lichaam kan doden, en dat gedood hebbende nog bovendien uw ziel voor eeuwig kan verderven. Aan niemands gunst is u meer gelegen, als aan de gunst van zo'n machtig, goedertieren, genadige, en menslievende God. Zijn gunst is beter als 't leven.
Leeft toch onder het oog van die God, Wiens ogen toch in alle plaatsen zijn, beschouwende de goede en de kwaden, en Wiens oog gij nooit ontvluchten zult.
Laat het gedenken aan uw Schepper u gedurig gaande maken, om al die plichten van liefde, gehoorzaamheid, kinderlijke vrees en gelovig vertrouwen te volbrengen, die gij aan uw Maker schuldig bent.
O jongelingen en jonge dochteren, en gij allen, die nog de zomer van uw leven beleeft, laat mij toe dat ik u voor ogen stel wat u daartoe bewegen moet. Behalve al de voordelen, die daarin leggen, als men vroeg aan zijn Schepper gedenkt in de dagen zijner jongelingschap, gelijk tevoren getoond is, en al de nadelen en gevaren die het uitstellen van dit werk mee brengen, wil ik u nog dit indachtig maken.
1. Is God, uw Maker, geen gedenkens waardig?
Zo er een God is, (daar zelfs aan te twijfelen goddeloosheid is) is immers die God het Volmaaktste Wezen, die de oorzaak is van al wat maar goed kan genaamd worden. Die oneindigmaal meer bezit als al de schepselen te samen bezitten, en alles zonder de minste onvolmaaktheid. Kan zo'n God uw ziel niet vervullen, vermaken in de tijd, en in de Eeuwigheid verzadigen?
Zeker, Hij is 't hoogste goed voor Zijn gunstgenoten. Zo getuigt Hij zelf, Gen. 15: 1, Vreest niet Abraham, Ik ben uw schild en loon zeer groot, Spr. 8: 17, 18, 19, Ik heb lief die Mij liefhebben, en die Mij vroeg zoeken, zullen Mij vinden. Rijkdom en eer is bij Mij; duurachtig goed en gerechtigheid, Mijn vrucht is beter dan uitgegraven goud, en dan dicht goud; en Mijn inkomen dan uitgelezen zilver. Zo getuigen Zijn gunstgenoten, Ps. 68: 20, 21, Die God is onze zaligheid, Sela! Die God is ons een God van volkomen zaligheid, en bij de Heere, de Heere Zijn uitkomsten tegen de dood, Ps. 73:25, Wien heb ik nevens U in de hemel? Nevens U en lust mij niets op de aarde. Bezwijkt mij vlees en mijn hart, zo is God de rotssteen mijnes herten, en mijn deel in eeuwigheid.
Hij, bezit alle conditie die tot het hoogste Goed vereist worden.
Hij is waardig om Zijn zelfs wil bemind te worden. Die Hem niet lieft, kent Hem niet, want Hij is de liefde zelf, 1 Joh. 4: 8. Christus, de Zaligmaker zelf, is daarom zo beminnelijk, omdat men alleen door Hem tot God kan gaan, Joh. 14: 6.
Dit goed maakt zijn bezitters goed. Die de heerlijkheid des Heeren met ongedekt aangezicht maar als in een spiegel aanschouwen, worden naar hetzelve beeld in gedaante veranderd, van heerlijkheid tot heerlijkheid, als van des Heeren Geest, 2 Kor. 3: 18.
Dit is een oneindig, zeker, gestadig, eeuwigdurend goed, verzadiging der vreugde is bij Hem, lieflijkheden zijn in Zijn rechterhand eeuwig, Ps. 16: 11. Hij kan de ziel vervullen en verzadigen. Hij doet zijn liefhebbers beërven dat bestendig is en zal hun schatkamers vervullen, Spr. 8: 21.
Hier vloeit het eerlijke, het vermakelijke, het voordelige en het heerlijke tezamen.
Hij is een eerlijk goed, omdat Hij de heiligheid zelf is, Exod. 15: 11 en Lev. 19: 2.
Het allervoordeligste goed, omdat Hij zichzelf aan Zijn schepselen meedeelt. Hij is goed dien, die rein van hart zijn, Ps. 73: 1. Zijn gemeenschap brengt Zijn gunstgenoten toe alle tijdelijke zegeningen, Hos. 2:18-22, alle rust voor 't gemoed. Gewent u maar aan Hem en hebt vrede, daardoor zal u het goede overkomen,werd tot Job gezegd, Job 22:21. Een eeuwige heerlijkheid, Ps. 31: 21. 1
Het allervolmaaktste. Want Zijn gemeenschap is de grond van alle vreugde en blijdschap. Hij vervrolijkt Zijn gunstgenoot door vreugde met Zijn aangezicht, Ps. 21: 7, zelfs onder alle tegenspoeden, Hab. 3:17, 18, Als de vijgenboom niet bloeien zal, zal ik nochtans in de Heere van vreugde opspringen, ik zal mij verheugen in de God mijns heils.
Ja ook het allerheerlijkste goed. Hij maakt de zijnen tot koningen en prinsen, Openb. 5: 10. Is dan zo'n God, zo'n Maker niet waardig om aan gedacht te worden in de jongelingschap?
2. Heeft Hij niet zelf al vroeg aan u gedacht? Gij bent verplicht Hem te loven, omdat Hij u op een heel vreselijke wijze wonderlijk gemaakt heeft. Uw gebeente was voor Hem niet verholen, toen gij in 't verborgen gemaakt bent en als een borduursel gewrocht werd in de nederste delen der aarde, Ps. 139: 14. Zodra gij uit de baarmoeder voortkwam, zorgde Hij al voor u. Hij beschikte u de knieën daar gij op gekoesterd bent. De borsten die gij gezoogd hebt. De klederen die uw naaktheid bedekken. Het voedsel dat u heeft opgevoed en groot gemaakt. Hebben uw ouders u liefde bewezen en voor u gezorgd, Hij heeft die tere liefde voor u in ze gelegd. Bent gij door de opvoeding ergens toe bekwaam geworden, God heeft de opvoeding gezegend, God heeft u het verstand en al de vermogens gegeven.
Maar vooral blijkt het, hoe vroeg Hij al voor u gezorgd heeft, uit de doop, dat bad der wedergeboorte. Bij die gelegenheid, dat uw ouders u voor de doop opdroegen aan de Drie-enige God en u van de wereld afzonderden als een vat dat voor God, tot een heilig gebruik, werd afgezonderd, bood God de Vader zich aan om u tot Zijn kind aan te nemen; God de Zoon, om u door Zijn bloed en Geest te reinigen; God de Heilige Geest, om u te heiligen en tot de zalige gemeenschap van God te brengen.
Dit hebben uw ouders beloofd, tot uw verstand gekomen zijnde, UEd. indachtig te maken. Hebben zij hun woord gehouden, zo moet gij overreed zijn, dat God al vroeg aan u gedacht heeft, en dat toen Zijn ingewand al over u gerommeld heeft; zult gij dan, nu een jongeling of jonge dochter door Zijn goedheid geworden zijnde, Hem gaan vergeten? O dat betaamt u niet, 't zou een onverschoonlijke boosheid en trouwloosheid zijn. Zegt liever met David, Ps. 71:17, 0 God, Gij hebt mij geleerd van van mijn jeugd aan, en nu verkondig ik Uw wonderen.
3. Doet hier bij het voorbeeld van onze dierbare Zaligmaker. Hij kwam in de wereld om Zijn Vader te gehoorzamen tot de dood des kruises, en zo Zijn uitverkoren volk te verlossen. De fleur en de bloem van Zijn leven heeft Hij daartoe besteed. Toen Hij maar 12 jaar oud was, was Hij al bezig in de dingen Zijns Vaders, Luk. 2: 42-49. Al Zijn overig leven tot Zijn openbare vertoning aan Israël toe, heeft Hij geweest een voorbeeld van gehoorzaamheid en getrouwheid, Luk. 2: 51. Maar toen Hij zich aan Israël openbaarde, beginnende omtrent dertig jaren te worden, wat heeft Hij toen niet in arbeid geweest om al dat werk te verrichten tot Zijn dood toe, daardoor gij moest verlost worden? Zal Hij Zijn jeugd en de bloem van Zijn leven voor u besteden en zoudt gij Hem uw jonge en beste krachten ontnemen, en die besteden voor de zonde, die Hem zo bitter viel? O neen, Zijn liefde moet u dringen om voor Hem te leven, 2 Kor. 5: 14, 15.
4. Overdenkt ook eens, of het gedenken aan uw Schepper in uw jongelingschap iets is hetgeen u niet betaamt? Of het u nadeel zal toebrengen, dan of het is het allervermakelijkste, het voordeligste, en allerheerlijkste voor een jongeling.
Betaamde het u niet uw Maker te kennen? Kent een os zijn bezitter, en een ezel de kribbe zijnes heren, en mag een redelijk schepsel ontbloot blijven van de kennis aan zijn Maker en Weldoener? Versiert de wijsheid niet het redelijk schepsel? Maakt ons die niet voortreffelijker als de beesten? Is niet de kennis van Goddrieëenig het voornaamste van de wijsheid? Bestaat niet daarin het eeuwig leven? Joh. 17: 3. Die zich beroemt, beroeme zich hierin, dat hij verstaat, en Mij kent dat Ik de Heere ben, doende weldadigheid, recht en gerechtigheid, want in die dingen heb Ik lust, spreekt de Heere, Jer. 9: 24. Zo gij Hem recht kent, zult gij Hem zeker erkennen voor die God, in Wie gij leeft, beweegt, en bent, Hand. 17: 28. Dit kan u immers geen nadeel, maar zal u voordeel toebrengen. Want dan weet gij Wie al uw noden kan vervullen, voor Wie gij uw krachten moet besteden, Wie u alleen kan en zal zaligen.
Zo gij u met dien God laat verzoenen, wat zal u scheiden van Zijn liefde? Moeten niet alle dingen meewerken ten goede dengenen, die God lief hebben, en naar Zijn voornemen geroepen zijn, Rom. 8: 28. Vrede met God hebbende door Jesum Christum, hebt gij de toeleiding door het geloof tot deze genade, in welke gij staat en kunt roemen in de hoop der heerlijkheid Gods. Zelfs kunt gij roemen in de verdrukking, wetende dat die lijdzaamheid werkt, en de lijdzaamheid bevinding, en de bevinding hoop, en de hoop beschaamt niet als de liefde Gods in het hart is ingestort, Rom. 5: 1-6.
Zo gij nu met God verzoend bent, en aan hem kunt denken als aan uw BondsGod, zal dan aan die God te denken, Hem te eren, te lieven, en te vertrouwen, u vervelen? Zal dat lastig zijn. Zal 't niet veeleer uw leven, uw vermaak en blijdschap zijn?
Wel ziet, o jongelingen en jonge dochteren, dit is 't alleen dat uw Maker van u vordert. Dit wil Hij van u hebben in uw jongelingschap, opdat gij vroeg de voordelen van dit werk mag genieten. Ei verwerpt het juk des Heeren niet in uw jeugd, maar gewent u daar aan, eer de kwade dagen komen, en de jaren van welke gij zeggen zult, wij hebben daar geen lust aan.
Maar ik weet wel, dat de onbezonnen jeugd hier veel tegenredenen zal tegen inbrengen, daarom zal ik ook die trachten te beantwoorden, om dus de jeugd alle voorwendselen te benemen.
1. Mij dunkt, ik hoor de jongelingen mij tegenwerpen:
Men moet een paar narschoenen verslijten eer men recht wijs wordt. Het voorrecht van de jeugd is, eerst wat mal te zijn, dat zal geen wijs man in de jeugd misprijzen. Hoc commune malum est, semel insanivimus omnes. Het is een algemeen kwaad, eens zijn wij alle op de hol geweest.
Is dit niet een algemeen spreekwoord? Een jonge engel een oude duivel. Praeconia ingenia raroperveniunt ad frugem.
Dat is,
Vroeg wijs, vroeg zot.
Vroeg vuur, vroeg as.
Vroeg zomer, kwaad gewas.
Nullus idem est diuturnus & praecox fruxtus. Vroeg rijpe vruchten duren niet lang.
Maar kom hier jongelingen en jonge dochteren, op wiens verderf zo velen toeleggen, en voor wiens voeten de wereld strikken legt om u te vangen, bedenkt dit navolgende eens met bedaardheid:
Op wiens woorden is meer staat te maken, op het Woord van God uw Maker, die niet liegen kan, dan op de algemene spreekwoorden, gebruikt van mensen, die zo verduisterd zijn in hun verstand? Eist God, uw Maker, dit niet van u, dat gij aan Hem zou gedenken in uw jeugd? Is de eis niet duidelijk en klaar om te verstaan? Is die niet door kracht van reden aangedrongen? Als David vraagde, Ps. 119: 9, Waarmee zal de jongeling zijn pad zuiver houden? Was toen het antwoord, als hij dat houdt naar de algemene spreekwoorden, en de algemene slender? Was 't niet, als hij dat houdt naar Uw Woord? Hoort dan God spreken in zijn Woord, dat kan u wijs maken tot zaligheid, 2 Tim. 3:15.
Bovendien, kan ik zeggen, dat al deze spreekwoorden de waarheid meer bevestigen die hier geleerd wordt, dan dat ze die zouden tegenspreken.
Zegt men gewoonlijk, men moet een paar narschoenen verslijten, eer men recht wijs wordt? Is dit zo'n algemeen kwaad, Jemel infanivimus omnes, eens hebben wij alle gaan hollen? Tonen die spreekwoorden niet, dat het gedichtsel des mensen harten alleen boos is van zijn jeugd aan? Dat men daarom intijds tegen zo'n verderf moet waken? Komt dit niet overeen met Salomo's woord, de dwaasheid is in 't hart des jongens gebonden, Spr. 22: 15. Maar was bij van oordeel, dat men die dwaasheid moet voeden, en voor een tijd laten geworden? Zei hij daarom niet: De roede des tuchts zal ze ver van hem weg doen, en vers 6, Leert de jongelingen de eerste beginselen, naar de eis zijnes wegs. En Spr. 13: 24, Zoekt hem vroeg met tuchtiging? Kan men weten of men tijd zal hebben om zijn narschoenen te verslijten? En men wist het, zal 't niet moeilijk zijn de voeten, die aan zulke schoenen gewend zijn, weer aan andere te gewennen?
Voorts, stelt eens tegen deze algemene spreekwoorden al de spreuken der wijzen, die ons leren, dat het jong rijs te buigen is, maar geen oude bomen, gelijk wij die tevoren u, o jongelingen, al hebben voorgesteld. Weet dat die eigen mensen, die deze spreekwoorden gebruiken, dit daar ook bijvoegen:
De kortste zotheid wordt geprezen.
Het is wijsheid dat men haastig keert.
Niet te koten ware best,
Maar vrij beter eerst, als lest.
Dat spreekwoord: Een jonge Engel, een oude Duivel, is een woord dat recht aan Gods Woord tegenspreekt, hetwelk ons leert, dat een jongeling, die de eerste beginselen, naar de eis zijns wegs recht geleerd heeft daarvan als hij oud geworden is, niet zal afwijken, Spr. 22: 6.
Of anders wordt de waarheid bevonden, die zulke jongelingen, die, door een goede tucht in banden zijnde gehouden, en die, 't hart niet veranderd zijnde, zich voor dien tijd aan de tucht onderwerpen, en de Godsvrucht uiterlijk vertonen, toch daarna uitspatten in openbare goddeloosheid. En om u voor zo'n kwaad te waarschuwen, zal ik u hier twee exemplaren voorstellen.
Het eerste is dat van Joas, de zoon van Ahazia, de koning van Juda. Hij was, door een wonderlijke voorzienigheid, door de zorg van Josebath, de dochter van de koning Joram, uit de bloeddorstige klauwen van Athalia ontrukt. Toen hij zeven jaar oud was, werd hij, door het beleid van Jojada, tot koning gezalfd over Juda. Hij deed dat recht was in de ogen des Heeren al de dagen, die de Priester Jojada hem onderwees, 1 Kon. 11, en 12: 2, Maar na de dood van Jojada kwamen de vorsten van Juda, bogen zich neer voor de Koning. Toen hoorde de Koning naar hen. Zo verlieten zij het Huis des Heeren des Gods van hun vaderen, en dienden de bossen en de afgoden: Toen was een grote toornigheid over Juda en Jeruzalem, om deze hun schuld.
God zond Profeten ... maar zij neigden de oren niet. De Geest Gods toog Zacharia, de zoon van Jojada de Priester aan, die boven het volk stond, en zei tot hen: Zo zegt God, waarom overtreedt gij de Geboden des Heeren? Daarom zult gij niet voorspoedig zijn; omdat gij de Heere verlaten hebt, zal Hij u verlaten. En zij maakten een verbintenis tegen hem en stenigden hem met stenen door het gebod van de koning, in 't Voorhof van het huis des Heeren: Zo gedacht de Koning Joas niet de weldadigheid, die zijn Vader Jojada aan hem gedaan had, maar doodde zijn zoon, de welke als hij stierf, zei: de Heere zal het zien en zoeken, 2 Kron. 24: 17-23. Ziet daar een jongen en geveinsden Engel, onder de opvoeding van Jojada, die als in een bloeddorstige duivel veranderde door de vleierijen van zijn goddeloze Vorsten. Maar God zag het en zocht het. Het geschiedde met de omgang des jaars, dat de heirkracht van Syrië tegen hem optoog, en zij kwamen tot Juda en Jeruzalem, en verdorven uit het volk al de Vorsten van het volk ... hoewel de heirkracht van Syrië met weinig mannen kwamen, evenwel gaf de Heere in hun hand een heirkracht van grote menigte ... alzo voerden zij de oordelen uit tegen Joas. Zij lieten hem in grote krankheden, en zijn knechten maakten een verbintenis tegen hem, om het bloed des zoons des Priester Jojada, en zij sloegen hem dood op zijn bed dat hij stierf. 2 Kron. 24:23-26.
Het ander is een verschrikkelijk voorbeeld van een Engels Edelman, wiens naam om de voortreffelijkheid van zijn familie verzwegen is, die gestorven is de 8 December 1692. De historie, vertaald in 't Nederduits, met een voorrede van de zaligen Heer Professor Witsius, is gedrukt binnen Utrecht, de 1 September 1696. Zij wordt geheel verhaald in de Verse Wonderen van de Allerhoogste, door J. D. W.
Deze edelman had in zijn jeugd het voordeel van een Godsdienstige en deugdelijke opvoeding. Was in zijn jonkheid zeer ijverig in alle Godsdienstige oefeningen. Op zijn zestiende jaar was hij in de Latijnse en Griekse taal zoverre gevorderd, dat hij naar de Academie bevorderd werd, daar hij zich vijf jaar ophield, en zich zeer goed gedroeg. Een en twintig jaar oud zijnde, kwam hij te Londen aan het Hof, met het oogmerk om verder in de Rechten te studeren, en zich daarin te oefenen, omdat hij, veel goed hebbende, zijn eigen goederen zou kunnen besturen.
Aan het Hof komende werd hij bespot door zijn nieuwe kennissen. Om niet van allen bespot te worden, speelde hij met hen voor een tijd de geveinsde, en nam de gedaante van een goddeloze aan, schoon met schroom van zijn hart. Sprekende met zijn nieuwe vrienden voor de Religie, werden hem zulke redenen tegemoet gevoerd, dat zijn ziel door het vergit van de Atheïsterij besmet werd.
Hierop begaf hij zich om met zijn makkers alle goddeloosheid te bedrijven, werd een lid van die kabale, die gedurig bijeen kwamen, om alle goddeloosheid te kunnen bepleiten, en de wetten die daar tegen waren, krachteloos te maken. Enige jaren leefde hij dus bedekt zeer goddeloos en verkortte dus zijn dagen.
Op de 30 November 1692 overviel hem een dodelijke ziekte, die duurde tot de 8 December toe. De vrees des doods maakte hem terstond, zodra hij gevaar zag, zeer benauwd. Hij kon de gedachten van een leven na dit leven niet verzetten. Hij viel te bed, redeneerde dus: Houd ik staande dat er geen hel is, en voel ik ze echter in mijn boezem! Ben ik verzekerd dat er namaals geen vergelding wezen zal, daar ik reeds een oordeel in mij gewaar worde? Zeg ik dat mijn ziel zo sterfelijk is als mijn lichaam, daar mijn lichaam verzwakt, en mijn ziel zo vigoureus en sterk blijft als ooit? Och kon ik tot mijn vorige onstraffelijke staat weer hersteld worden! Maar dat is te laat, enz.
Een van zijn oude makkers kwam hem bezoeken, zocht hem te diverteren, en in zijn goddeloze gronden te stijven. Hij antwoordde: Gij en de rest van uw makkers hebt in mij gronden gelegd die mij begeven, nu ik ze nodig heb, die mij in wanhoop en verwarring laten steken enz.
Hij met deze zijn makker in gesprek zijnde, kwam de Godgeleerde, die de historie heeft uitgegeven, in de kamer. De zieke verzocht hem, dat hij zijn makker, die voor zijn bed zat, wilde overtuigen, dat de ziel niet iets lichamelijks, noch stoffelijks is.
Dit deed die Godgeleerde met zulke redenen, dat de zieke daar op niets kon antwoorden, maar alleen voortbracht zulke nare zuchtingen alsof zijn hart brak; en daarop ging zijn vriend, schielijk zonder spreken, uit het vertrek.
Naar de reden hiervan gevraagd zijnde, antwoordde hij: Helaas, mijnheer gij hebt mij uit mijn bedrog geholpen, nu het te laat is ... nu gij mij van de onsterfelijkheid van mijn ziel verzekerd hebt, hebt gij mijn verdoemenis verzegeld, enz. Die heer wendde alle moeite aan om hem te onderrichten en te vertroosten. Doch hij antwoordde alles met zulke verschrikkelijke uitdrukkingen, dat die heer ten uiterste ontsteld was, en wenste, dat de Godverzakers die hadden mogen horen, om verschrikt te worden.
Onder andere woorden zei hij ook dit. Gij hebt, door het bewijzen van de onsterfelijkheid van mijn ziel, mij een gevoelige schrik wegens mijn zonden aangejaagd, ik zou anders in mijn oude verdoemelijke gevoelens rechtuit naar de hel gaande, maar één hel hebben uitgestaan, nu voel ik er twee: Een onuitdrukkelijke pijn, die ik nu in mijn hart heb, en een verwachting van ik en weet niet hoedanige verandering. O dat ik in de hel was, opdat ik het ergste gevoelen mocht! En echter ik schrik en vrees voor het sterven, omdat dit ergste nooit een einde hebben zal.
Die heer verzocht, dat hij God voor hem, in zijn tegenwoordigheid, mocht bidden. Na veel tegenstand stond hij het toe. Onder het bidden gaf hij zware zuchten en tekens van doodsbenauwdheid. Het gebed geëindigd zijnde, werd hem gevraagd, hoe hij zich gevoelde? Hij antwoordde: Wanneer ik, die bij mijzelf van verharding bewust ben, hoor de gebeden der heiligen, daar de oren van de Almachtige altijd voor open staan, dat vermeerdert mijn smarten, als ik gedenk, dat ik van zo'n voorrecht uitgesloten ben, en voor mij niet anders overgebleven is als lasteringen, huilen, wenen en knersingen der tanden voor eeuwig en altoos.
Hem werd tegemoet gevoerd, dat God de dood van een zondaar niet begeert, maar dat hij zich zou bekeren en leven, en dat Christus voor zondaren gestorven is.
Hij antwoordde, Christus is voor zulke zondaren gestorven, die zich bekeren en geloven: maar al wilde ik, ik kan geen van beide doen. Ik heb mijn dag van genade gehad, maar heb mij daar tegen verhard, en ben een verworpeling geworden. God wil de dood niet van die zich bekeren, maar Zijn rechtvaardigheid wil zich wreken aan zulke, aan zulke hardnekkige als ik ben, die met mijn woorden en werken Zijn macht en voorzienigheid geloochend heb, daarom heeft God zich tegen mij gekant, en o hoe vreselijk is 't, te vallen in de handen van de levende God!
Deze woorden deden de omstanders wenen. Hij dat ziende, zei: Hoe! kunt gij wenen op de verbeelding van 't bloot verhaal van de uitwerking van Gods toorn? Wat dunkt u dat ik te lijden heb, die dagelijks onder het gewicht van Zijn verwoedheid lig. Bedwingt uw tranen voor mij, die zijn tevergeefs en ijdel. Medelijden is geen plicht die gij aan mij behoeft te doen. Daar is niets dat voor mij over is, als nog een kleine tijd om mijn ellende te vervullen, en mij te bevrijden van de smarten van deze verwachting. Hierop volgden deze vreselijke woorden, zoals hij was ziende naar een vuur dat in 't vertrek was:
Och dat ik op dat vuur te branden lag honderd duizend jaren, om de gunst van God te winnen, en met Hem weer verzoend te zijn! Maar dat is een vruchteloze en ijdele wens. Miljoenen van jaren zullen mij niet nader aan het einde van mijn pijnen brengen, dan één arm uur. O eeuwigheid! Eeuwigheid! Wie kan ontdekken de afgrond der eeuwigheid! Wie kan bekwaam uitleggen de woorden: tot in alle eeuwigheid!
Op een anderen dag werd hem voorgesteld het voorbeeld van Petrus, die zijn Meester ook verloochend had. Hij antwoordde:
Petrus verloochende zijn Meester: maar wat dan? Zijn Meester had voor hem gebeden dat zijn geloof niet zou ophouden. Hij zag op Hem tot bekering en kwam hem te hulp door zijn Heilige Geest. Maar Hij heeft mij Zijn voorbidding onttrokken. Ik heb Zijn Heilige Geest zo menigmaal bedroefd, dat God dezelve van mij genomen heeft, en in deszelfs plaats mij overgelaten heeft aan de geest van onbekeerlijkheid en verwarring, die mij verzekert van een vreselijke erfenis in 't andere leven.
Dan bad hij eens, dat God hem maar eeuwig wilde vernietigen, en voor eeuwig zijn naam uitdelgen. Maar voegde daar terstond weer bij, O wat vruchteloos en vergeefse verzoeken zijn dit! Want ik twiste met een God, die Zijn oren voor mij gesloten heeft, die mijn gebed voor altoos heeft uitgestoten, die mij maar een weinig laat blijven, om anderen tot een voorbeeld te verstrekken.
Een van zijn goddeloze vrienden schreef hem een brief, waardoor hij hem zocht te doen terugkeren tot zijn godverzakende gronden. Maar als die brief hem was voorgelezen, barstte hij uit in deze droevige vloekwoorden:
Vervloekt zij de dag, daarin ik zulken ongelukkige vriendschap begonnen heb! Ach rampzalige tijd, wanneer ik deze Atheïstische gronden ingedronken heb! Wanneer ik het Christelijke geloof voor dat van Spinoza en de Leviathan verwisseld heb.
Hij dicteerde een antwoord op deze brief, die geheel waardig is gelezen te worden, om voor zulke Atheïstische gronden te schrikken. Deze uitdrukkingen komen daarin: Wij hebben voor een tijd elkaar bedrogen, en met God en de gelukzaligheid gespot: doch God, die zich van zijn schepsel niet altijd wil laten bespotten, heeft mij afgezonderd tot een voorbeeld voor u allen, en tot een waarschuwing voor de lusteloze en onverschillige Christenen. Maar helaas! wie kan zijn eigen tragedie beschrijven zonder tranen? Of zijn verzegelde verdoemenis uittekenen zonder de uiterste schrik? Dat er een God is, weet ik, omdat ik gedurig de uitwerking van zijn gramschap voel: dat er een hel is, ben ik niet minder verzekerd, als hebbende een verzekering van mijn erfenis in dezelve in mijn boezem ontvangen, daar mijn smarten zo groot zijn, dat mijn uitdrukkingen daaromtrent oneindig tekort komen. Dat er een natuurlijke consciëntie is, die niet een gevolg is van een door vooroordelen bezette opvoeding, voel ik nu met schrik en verbaasdheid, omdat zij mij gedurig al mijn goddeloosheden verwijt, en al mijn zonden in verse geheugenis brengt, enz.
Enige van zijn vrienden hadden gehoord dat hij een soort van uitzinnigheid had, deze sprak hij dus aan:
Gij mag menen dat ik melancholiek of uitzinnig ben. Ik wenste dat ik een van beide was: maar het is een gedeelte van mijn oordeel, dat ik zodanig niet ben. Mijn bevatting van zaken en kennis van mensen is eerder sterker en levendiger, als toen ik in volkomen gezondheid was, en dat is mijn vloek, omdat ik daardoor gevoeliger ben van mijn ongelukkigen staat, daar ik thans in ben. Wilt gij weten, waarom ik in drie á vier dagen zo'n geraamte geworden ben? Weet dat ik heb gezondigd tegen de Heilige Geest, en de Geest der genade heb ik smaadheid aangedaan, omdat ik mijn Maker heb veracht, en mijn Verlosser heb verloochend. Met één woord, omdat ik van de Christelijke Religie ben afgevallen, en mij bij de Atheïsten en goddelozen gevoegd heb, enz. Zijn dood naderende, en enige tijd sprakeloos gelegen hebbende, werd in 't vertrek nog eens voor hem gebeden. Hij dat horende, maakte zoveel geluid als hij kon omdat niet te horen, en weer tot zijn spraak gekomen zijnde, zei hij:
Tijgers en monsters, bent gijlieden ook duivelen geworden om mij te pijnigen? Geeft gijlieden mij een gezicht van de hemel om mijn hel onverdraaglijk te maken?
Hem werd geantwoord, dat zij maar beoogden zijn verzoening met God, en dat zij daarom hun tot Hem, bij Wien alleen hulp was, hadden gewend. Hierop, antwoordde hij nog dit volgende:
Recht zo, dat is mijn wond. God is mijn vijand. geworden, en daar is niemand zo sterk als Hij, om mij uit Zijn handen te redden; Hij geeft mij over aan Zijn eeuwige toorn en wraak, en daar is niemand die mij verlossen kan. Was er een andere God, die zo machtig was als Hij, die mijn zaak wilde voorstaan, of was ik boven God, of hing ik van God niet af, dan zou ik met mijzelf doen en over mijzelf beschikken, zoals 't mij goed dacht, dan zou er een einde zijn van mijn schrik en de verwachting en het oogmerk van mijn vreselijke vijand zou bedrogen uitkomen, maar dit kan niet zijn. En dus begaf hem de spraak: hij begon te doodbraken en naar de adem te snakken, die hij nog eens weer kreeg, en voor het laatst riep hij uit met zo'n vervaarlijke en luide zucht, alsof het van geen mens was,
O de onlijdelijke angsten van de hel en verdoemenis! en zo stierf hij.
Ziet daar jongelingen, die het voordeel genoten hebben van een goede opvoeding, en die, buiten banden zijnde, u toegeeft in alle goddeloosheid, nadat gijlieden het verderf in uw eerste jeugd scheen ontvloden te zijn, spiegelt u aan deze twee voorbeelden! en wacht u, dat in u niet waar wordt het spreekwoord een jonge engel en een oude duivel.
Een Nero zelf kan u tot een voorbeeld dienen, die in zijn jeugd wat goeds beloofde en ook in de eerste vijf jaren van zijn regering. Maar veinzen was hem eigen en hij is geworden een van de wreedste tirannen. De ouden pleegden in de doop de dopelingen een wit kleed aan te trekken, met bijvoeging van deze woorden: Neemt gij dit wit kleed, ziet toe dat gij het zonder vlekken voor Christus' Rechterstoel brengt. Viel iemand af, zo werd het hem wel eens voorgelegd als iets, dat in 't oordeel tegen hem zou getuigen. Het woord van Jeremia, Hoofdst. 17: 13, moeten al die afvalligen op hun hart drukken, O Heere, Israëls verwachting, allen die U verlaten, zullen beschaamd worden en die van U afwijken zullen in de aarde geschreven worden.
Die spreekwoorden,
Vroeg rijp, vroeg rot
Vroeg wijs, vroeg zot
Vroeg vuur, vroeg as
Vroeg zomer, kwaad gewas
raken de Godsvrucht niet, die men in zijn jonkheid vertoont en najaagt. Een jongeling, die vroeg aan zijn Schepper gedenkt, is niet vroeg rijp, noch vroeg wijs. Hij is alleen als een boom, die in het voorjaar tijdig bloeit en zo vrucht belooft op zijn tijd; Hij geeft gegronde hoop van rijpe vruchten op zijn tijd, als geplant aan de beken der genade. Hij leert de eerste beginselen van de ware wijsheid en zo is er van hem hoop dat bij op zijn tijd ook wijs zal worden tot zaligheid.
Het vuur dat in hem is, heeft nog te worstelen tegen al de begeerlijkheden van de jonkheid. Zo het door die as niet verdoofd wordt, is er hoop dat er met de tijd in zijn ziel zullen groeien vlammen van liefde, die vele wateren niet zullen kunnen uitblussen. Zijn vruchbare lente geeft hoop van goede vruchten in de herfst van zijn leven, daar bomen, die in 't voorjaar niet bloeien, doorgaans dat hele jaar geen vruchten geven.
Toch gelieft het God zulken vroeg weg te nemen, gelijk als dikwijls gebeurt, en gelijk God deed aan Abia, zo laat God ze ook wel vroeg rijp en wijs worden, omdat Hij hun bij Hem wil opnemen in heerlijkheid. En is dat niet een schoon loon?
Maar die spreekwoorden kunnen worden omgekeerd tegen jonge deugnieten. In zulken wordt het woord, vroeg rijp, vroeg rot, waarachtig, omdat zij vroeg rijp zijnde voor de zonde, voor de wereld, en voor de duivel, dikwijls niet tot de helft van hun dagen komen, van hun kan men zeggen:
Vroeg los, vroeg vast,
Vroeg waard, vroeg gast,
Vroeg wild, vroeg tam,
Vroeg rap, vroeg lam,
Vroeg te wijn, vroeg bedorven.
Vroeg dronkaard, vroeg gestorven.
Zulken ook, die vroeg wijs genoeg zijn in hun eigen ogen, en zo de tucht ontvlieden, die zijn. vroeg zot, en van een dwaas is meer verwachting als van zulke wijzen.
II. Maar hoe? Zal een jongeling zeggen, mag dan de jeugd zich niet vermaken in de dagen zijner jongelingschap, eer de kwade dagen komen, waarin dat men geen lust meer in dezelve scheppen kan? Oude lieden vergeten dat zij jongelingen zijn geweest, en willen daarom dat men oud wordt voor de tijd. Heeft God al die dingen, die tot het vermaak strekken, tevergeefs geschapen? Heeft Hij al die schepselen, die tot versiering van 't lichaam geformeerd zijn, ons niet gegeven tot ons gebruik? En aan wiens lichaam past een sierlijk kleed, is 't niet aan 't lichaam van een jongeling, of jonge dochter. Mag een jonge dochter zich niet versieren om begeerd te worden op haar tijd? Voor wien is de muziek, is ze niet om het oor van jonge lieden te strelen? Mag men zich niet vermaken in al die smakelijke spijzen en dranken, die God ons zo mild geeft? Mag men niet een maaltijd maken om te lachen? Mag men niet een vrolijk gezelschap zoeken om de ziel en 't lichaam eens te verlustigen, en zo weer bekwamer te zijn tot zijn werk? Zegt de Prediker niet: Is 't niet goed voor de mens dat hij ete en drinke, en dat hij zijn ziel het goede doe genieten in zijn arbeid? Ik heb ook gezien dat zulks van de hand Gods is, Pred. 2: 24. Ik heb gemerkt dat er niet beters voor hen is, dan zich te verblijden en goed te doen in zijn leven: ja dat ook ieder mens ete en drinke,en het goede geniete van zijn arbeid: dit is een gave Gods. Pred. 3: 12, 13. Zo men nu in zijn jeugd zich moet overgeven om altijd zo ernstig aan zijn Schepper te gedenken, dan kan men dat vermakelijke, dat de jeugd zo streelt, niet genieten. Men zou oud en grijs worden eer dat er de tijd is, en zo het zoete van de wereld niet eens smaken. De zorg en kommer zal ons vroeg genoeg overvallen.
Maar hoor eens, lieve jongelingen en jonge dochteren. Ik weet het wel, dat de vijanden van uw ziel daar op toeleggen, om de Godzaligheid door lasteringen bij u zwart te maken. Daarom schildert men die af met zo'n lelijke gedaante. Men geeft voor, dat men de mensen leert zuchten en steunen, dat men die stelt in zulken of zulken kleedje te dragen, in een treurig of stuurs gelaat te vertonen, dat men niet eens zijn tronie tot lachen mag vertrekken.
Heeft men een geveinsde hypocriet gezien, die de Godzaligheid voorwendde en die alleen in gemaaktheden vertoonde, men geeft voor, dat dit de maximen zijn van al de fijnen, en dan voegt men daar de gebreken der vromen, en die excessen van een deel huichelaren bij, zo schrikt men u doorgaans af van het gezelschap van die, die waarlijk God vrezen.
Maar wees verzekerd, 't is bedriegerij en leugentaal. De vraag is niet, of jongelingen en jonge dochters niet mogen vrolijk zijn, en de wereld genieten? Uw Schepper aan Wien gij gedenken moet, roept Zijn lievelingen toe.: Dient de Heere met blijdschap, komt voor Zijn aangezicht met vrolijk gezang, Ps. 100: 2. Verblijdt u allen tijd, 1 Thess. 5: 16. De blijdschap des Heeren is de sterkte van die voor God getrouw zijn, Neh. 8: 11. Omdat Israël God niet had willen dienen met vrolijkheid en goedheid van het hart, vanwege de veelheid van alles, dreigde hij hun, dat zij hun vijanden zouden moeten dienen in honger, in dorst, in naaktheid en in gebrek van alles, Deut. 28: 47, 48. Daar is niet beter, zegt Salomo, dan zich te verblijden, en goed te. doen in zijn leven, Pred. 3: 12.
De vraag alleen is, wat blijdschap gijlieden beoogt? Zo de hemelse blijdschap, de dingen daar men in de hemel zich over verblijden zal, het werk dat de hemelingen met blijdschap zullen verrichten, u tot verdri