Theodorus van der Groe

 

Vierde leerrede over de bekering

 

Uit Ef. 4:22, 24. Ook Rom. 6: 6 en Kol. 3:9.

 

Te weten, dat gij zoudt afleggen, aangaande de vorige wandeling, de oude mens, die verdorven wordt door de begeerlijkheden van de verleiding, en de nieuwe mens aandoen, die naar God geschapen is in ware rechtvaardigheid en heiligheid.

 

De Apostel Paulus, die hoog verlichte leraar des Heilig Evangelie, vertoont ons in de woorden, die wij daar voor onze tekst hebben voorgelezen, waarin eigenlijk de waarachtige bekering van de mens bestaat, volgens de waarheid die in Christus is, namelijk in 2 stukken, in het afleggen van de oude, en in het aandoen van de nieuwe mens. Meer mijn toehoorders, behoort er niet tot de bekering van een mens, dan deze twee stukken, dat de vorige oude mens, die verdorven wordt door de begeerlijkheden van de verleiding, wordt afgelegd, en dat er een nieuwe mens, die naar God geschapen is, in ware rechtvaardigheid en heiligheid, wordt aangedaan. Daar dit waarlijk alzo geschiedt, daar is de mens ook waarlijk bekeerd, en van een gans walgelijk, ondeugend en verdorven zondaar in de Heere Jezus, een geheel nieuw en heilig schepsel geworden. Het is ook hierom dat onze Onderwijzer, zullende ons een korte zakelijke beschrijving geven van de bekering van de mens, dezelve op het voorbeeld van Paulus en van de gehele Heilige Schrift, maar ook in deze twee wezenlijke stukken komt te begrijpen, in de afsterving van de oude, en de opstanding van de nieuwe mens. Zaken, geliefden, die zich met het hart en weinige woorden laten uitdrukken, maar die grote en heerlijke dingen in zich bevatten. Die bij bevinding weet wat het is, dat er een oude mens wordt afgelegd, en sterft, en dat er een ten enenmale nieuwe mens in de plaats daarvan wordt aangedaan, en komt op te staan. Die ooit deze grote omkering, deze wezenlijke mensverandering heeft mogen ondergaan, zal er eerst recht bij het licht van de Heere iets van kunnen begrijpen, maar die er nooit van ondervonden hebben, voor deze zijn het afsterven van een oude en het opstaan van een nieuwe mens diep verzegelde verborgenheden, daar zij, wat verstandigs vleselijks zij er ook van maken mogen, nochtans niet het allerminste recht en geestelijke van kunnen vatten of begrijpen. Het zijn dingen, die van de Geest van God zijn, daar een natuurlijk mens niets van verstaat: het zijn dingen die de Heere God, volgens zijn soeverein en aanbiddelijk welbehagen, voor de wijze en verstandige, voor de wet- en schriftgeleerde heeft verborgen gehouden, en die hij aan de kindertjes in Christus Jezus alleen heeft geopenbaard, en gelukkig zijn ze die onder die kindertjes mogen gerekend worden.

Het is dan nu alzo, geliefden! dat wij tot nog in drie onderscheiden preken, bij wijze van voorbereiding, van de hartelijke bekering van de mens gehandeld hebbende, nu wat nader in het binnenste geheim ervan zouden indringen en onderzoeken. Welke de wezenlijke daden of stukken van die bekering zijn, och! dat het dan nu de Heere behagen mocht, ons duister verstand met zijn goddelijk licht te bestralen, en ons bij dat licht zelf, in de verborgenheden van de bekering in te leiden! O, allerhoogste God! kan het wezen, laat deze dingen, tot de beschouwing waarvan wij onszelf nu zouden begeven, toch niet langer voor de meesten van onze een verzegeld boek blijven, waarin zij niet kunnen inzien, maar belief er hun toch eens een klare ontdekking van te geven, en hen te leren, wat het is de oude mens of te leggen en de nieuwe mens aan te doen, doe het toch omwille van Uw grote Naam. Amen!

De Onderwijzer vangt dan nu aan, na de wezenlijke stukken, waarin de waarachtige bekering van de mens, van welke wij tot nog toe in het algemeen gehandeld hebbon, bestaat, te onderzoeken, en ons dan nu in het vervolg die stukken nader te verklaren en open te leggen. Dit is de grote zaak, mijn toehoorders! daar het alles op aan komt, en daar de meeste mensen ten enenmale onkundig van zijn. Want dat er zo veelvuldige valse en bedrieglijke schijnbekeringen in de wereld zijn, als wij op verleden dag des Heeren aangetoond hebben, komt alleen uit die bron en grond voort, dat de mensen gans geen rechte kennis hebben van het wezen van de bekering, waarin die eigenlijk bestaat. Werd dit recht begrepen, de Satan zou zijn rol alzo niet spelen, tot verderf van zo vele arme zielen, die voor bekering aanzien, hetgeen in het allerminste geen bekering is. De mensen zouden zich op zulke gebroken rietstaven niet vertrouwen, en het huis van hun eeuwige zaligheid op zulke loze en bedrieglijke zandgronden niet neerzetten, indien zij wisten waarin het wezen van de bekering bestond. Mochten zij dat maar eens van ver slechts in het oog krijgen, zij zouden aanstonds uit zichzelf moeten uitroepen en belijden dat zij nog geheel onbekeerd zijn, en zich tot nog toe met een valse hoop gevleid hebben, ja beving zou de huichelaars aangrijpen, wanneer zij klaar aan zichzelf zouden ontdekt worden en zien dat al deze hun werken hun niet het minste nut zullen kunnen doen, maar dat zij gans verloren zijn. Hierom is het voor alle dingen nodig, dat een mens door de genade van de Heilige Geest een rechte kennis verkrijgt van het wezen van de ware bekering, en daar onderzoekt de Onderwijzer nu naar, en verklaart ons, dat de waarachtige bekering van een zondaar bestaat, als wij reeds gezegd hebben, in twee stukken, in een afsterving van de oude, en de opstanding van de nieuwe mens. Dat deze leer van de Onderwijzer geheel overeenstemt met, en genomen is uit de Heilige Schrift, blijkt klaar uit onze voorgelezen tekstwoorden, en uit andere plaatsen van Gods woord, die ons duidelijk leren dat in de bekering een oude mens wordt afgelegd of uitgedaan, en dat er een nieuwe mens in plaats daarvan aangedaan wordt, gelijk als Col. 3: 9, 10, daar Paulus zegt aan de gelovigen: en liegt niet tegen elkaar, omdat gij uitgedaan hebt de oude mens met zijn werken en aangedaan hebt de nieuwe mens, die vernieuwd wordt tot kennis, naar het evenbeeld van degene die hem geschapen heeft. Zodat deze leer van de Onderwijzer dan ten enenmale schriftuurlijk is, en geheel op het woord Gods rust, doch om dezelve recht te verstaan is het nodig, dat wij weten wat eigenlijk deze oude en nieuwe mens, van welke hier gesproken wordt, betekenen, namelijk niet anders als de twee╬rlei staat of toestand van de mens voor en na zijn bekering, of wedergeboorte. De staat, in welke de mens is en leeft voor zijn bekering, wordt ons voorgesteld onder de benaming van de oude mens, en de staat na zijn bekering onder de benaming van de nieuwe mens, het is gewis, wanneer de Heilige Geest ons de staat van de gelovigen voor en na hun bekering aldus vertoont als een ouden en nieuwe mens, dat hij dan daarmee bijzonder het oog heeft op de eerste en tweede Adam, of op Adam en Christus, deze worden ons in het woord voorgesteld onder de benaming van de eerste en van de tweede mens. Zo onderscheidt de Apostel Paulus hen 1 Kor. 15: 47, daar hij leert dat de eerste mens uit de aarde aards is en de tweede mens de Heere uit de hemel. Van beiden deze mensen dragen de uitverkorenen het beeld of de afbeelding in hun zielen, en zijn hun ten enenmale gelijkvormig. Voor hun wedergeboorte, geloof en bekering, dragen zij in hun zielen het zondige en verdorven beeld van de eerste mens Adam; hun staat vertoont ons dan alleszins de eerste mens in zijn zonde en verdorvenheid; maar wanneer zij nu wedergeboren en bekeerd zijn, dan is het met hen gans anders gelegen; dan dragen zij in hun zielen het beeld van de tweede mens Christus, die de Heere is uit de Hemel, die zijn zij dan enigermate in heerlijkheid en heiligheid gelijkvormig, en vertonen zijn beeld dan evenzo als zij tevoren in hun onbekeerde staat het zondige beeld van de eerste mens Adam gedragen en vertoond hebben. Ziet, zo heeft de Heilige Geest, wanneer hij ons de staat van Gods volk voor en na hun bekering onder de benaming van een oude en nieuwe mens voorstelt, dan het oog op de eerste en tweede mens, zijnde Adam en Christus, doch wij moeten de zaken zelf wat nader inzien en

1. Handelen van de oude mens en van de afsterving ervan, en dan

2. Van de nieuwe mens en van de opstanding ervan.

 

1. Wat het eerste aanbelangt, de Onderwijzer verstaat hier met de Heilige Schrift door de oude mens niet anders als de rampzalige staat, waarin alle mensen liggen en leven van nature; die gehele verdorvenheid van de mens naar ziel en lichaam, waardoor zij geheel en al van Gods beeld ontbloot, en ten enenmale onbekwaam zijn tot enig waarachtig goed, zijnde dood in zonden en misdaden. Deze rampzalige natuurstaat en zondige verdorvenheid van de mens komt ons onder velerhande benamingen in het Woord voor, zij wordt genaamd de voorhuid van het hart, daar de mens van moet besneden worden Jer. 4: 4; het lichaam van de zonde, dat te niet gedaan moet worden, Rom. 6: 6; de verdorvenheid, van welke de mensen voor hun bekering dienstknechten zijn, 2 Petr. 2: 19. In het algemeen wordt die verdorvenheid en gesteldheid voor de bekering ons in de Heilige Schrift voorgesteld onder de benaming van vlees of van vlees en bloed, gelijk wij met zeer vele plaatsen zouden kunnen bevestigen, doch op andere plaatsen, als wij reeds gezien hebben, wordt ze ons vertoond onder de benaming van de oude mens, naar de reden van welke benaming wij nu wat nader onderzoek zullen moeten doen, uw aandacht openleggende.

1. Waarom deze verdorvenheid en zondige natuurstaat een mens geheten wordt.

2. Waarom in het bijzonder een oude mens.

A. Het eerste dan belangende, die staat van zondige verdorvenheid, in welke alle mensen van nature en dus ook de uitverkorenen en gelovigen voor hun bekering zijn, wordt een mens genaamd, niet alleen omdat zij in de mens is, en hem zo na bestaat en aankleeft, dat hij van de mens niet kan gescheiden worden, maar zijn gesteldheid, aard en natuur uitmaakt, zodat de mens van nature zonder die niet kan begrepen worden te zijn. Hij is de ziel en het leven van de natuurlijke mens; want de mens leeft van nature geheel in, uit en door die verdorvenheid, even als het lichaam leeft door middel van zijn bloed en geesten, die zich door al zijn leden en delen verspreiden, doch in het bijzonder wordt deze staat van natuurlijke verdorvenheid een mens genaamd, om deze twee redenen.

1. Omdat hij zijn invloed heeft in, en zijn kracht en heerschappij oefent over de gehele mens. Het is een vuile melaatsheid en onreinheid, met welke de gehele mens van nature aangestoken en besmet is; de mens bestaat uit ziel en lichaam, en deze natuurlijke verdorvenheid heerst geheel over die beide, de ziel van de mens belangende. Die is er geheel van besmet en ingenomen, want deze verdorvenheid gaat a. over het gehele verstand van de ziel, welk verstand daardoor ten enenmale verduisterd, ja duisternis zelf is. Ef. 4: 18, en 5: 8. b. Zij gaat over het oordeel dat door die verdorvenheid gans en geheel verkeerd en verdraaid is geworden, zodat het ten enenmale onbekwaam is om waarheid en leugen, goed en kwaad, deugd en ondeugd, ja iets dat goddelijk en geestelijk is, recht te onderscheiden. 1 Kor. 2: 14. c. Deze verdorvenheid gaat ook over de gehele wil en maakt hem ten enenmale boos, zondig en onheilig, zodat zij God en al wat goddelijk is haat, en zich aan de wet Gods niet kan onderwerpen, maar zich neigt tot alle zonden, onheiligheid en goddeloosheid, Rom. 8: 7. d. Zij gaat ook over het geweten, blust die uit, schroeit die toe, bevlekt die ganselijk met dode werken en vervult dezelve met angst, benauwdheid, schrik en vrees wegens de zonde, volgens Tit. 1: 15, Hebr. 9: 14, en andere plaatsen van Gods woord. e. Ook gaat deze verdorvenheid van de zonde over de memorie of het geheugen, zodat hetzelve voor geen goddelijke, geestelijke en hemelse dingen vatbaar is, maar alleen om gedachten van de ijdelheid in het binnenste te laten vernachten, Jer. 5: 14. f. Eindelijk, deze zondige verdorvenheid heeft de overhand over alle de hartstochten der ziel, die door dezelve ten enenmale ongeregeld zijn en zich tegen Gods wet aankanten, rennende als tomeloze paarden in de zonden en in alle boosheid daar heen; ziet zo gaat de staat van des mensen natuurlijke verdorvenheid over de gehele ziel en alle de krachten en vermogens ervan, niet minder gaat dezelve ook over het lichaam van de mens, dat door de zonde ook gans en geheel verdorven is, zodat er niets goeds aan dat lichaam wordt gevonden. De Bijbel vertoont ons al de leden van het lichaam van nature zodanig door de zonde besmet, en bedorven, dat geen een ervan, voordat de mens bekeerd is, aan het rechte einde, waartoe het gesteld is, namelijk de eer van God, in het minste kan beantwoorden. Hierom wordt het lichaam in de staat der verdorvenheid genaamd een lichaam der zonde, een lichaam des doods, en de leden ervan worden genoemd, wapenen der ongerechtigheid, aardse leden of leden die op aarde zijn, gelijk dit alles uit de Heilige Schriftuur genoeg kenbaar is. Ziet, zo gaat deze natuurlijke verdorvenheid van de zonde dan nu over de gehele mens, beide over ziel en lichaam en wordt daarom nu ook een mens geheten, doch

2. Draagt zij ook met nadruk de naam van een mens, omdat zij zelf gelijk als een mens is, en al de delen en eigenschappen van een mens heeft, want a. een mens heeft zijn geboorte en oorsprong, zo heeft deze natuurlijke verdorvenheid van de zonde ook haar geboorte en oorsprong uit de Satan; zij is het eigen beeld en uitdruksel van de Satan, die haar vader is, want die de zonde doet is uit de duivel 1 Joh. 3: 8. b. Een mens is levendig en werkzaam, maar zo heeft de verdorvenheid van de zonde ook haar daden en werkzaamheden, want zij leeft en heerst in de onbekeerde zondaar en houdt hem in het zondigen gedurig werkzaam, zodat hij door haar bewerkende kracht niet anders kan doen dan zondigen, hierom lezen wij van de oude mens met zijn werken, Col. 3: 9. Een mens heeft zijn groei en wasdom, en neemt door de tijd toe in sterkte, maar zo is het ook met deze natuurlijke verdorvenheid van de zonden, ook zij neemt in de onbekeerden hoe langer hoe meer toe, wortelt hoe langer hoe vaster in hun zielen en groeit op. d. Eindelijk een mens, wanneer hij uitgeleefd is, sterft, maar zo heeft deze natuurlijke verdorvenheid ook in alle de uitverkorenen haar tijd, wanneer zij, lang genoeg geleefd hebbende, in en door de bekering komt op te houden en te sterven, zoals wij aanstonds zien zullen. Zo dan uit allen deze blijkt nu klaar, om wat redenen die natuurlijke, zondige en verdorven gesteldheid des mensen voor zijn bekering, in de Heilige Schrift en hier in de Catechismus de naam van een mens draagt.

B. Doch niet alleen wordt het zo een mens genaamd, maar zij wordt in het bijzonder en met nadere bepaling van de Heilige Geest, genaamd de oude mens, en dat om verscheiden redenen. a. Om haar te onderscheiden van de zaligen staat van genade, die in en door de bekering in Gods volk wordt opgericht, die een nieuwe mens geheten wordt, als wij nog zien zullen. b. Omdat deze verdorvenheid der zonde in zichzelf zeer oud is, als zijnde al terstond na de schepping in de wereld gekomen, en hebbende van Adams tijden of geheerst over alle mensen. Rom. 5: 12. c. Omdat deze zondige verdorvenheid het eerste en het oudste is in elk mens, als wordende tegelijk met alle mensen ontvangen en geboren, Ps. 50: 7, want het gedichtsel van des mensen hart is boos van zijner jeugd af, Gen. 6: 5. d. Deze verdorvenheid wordt een oude mens genaamd, om haar lelijkheid, walgelijkheid en afschuwelijkheid, evenals een mens, die oud en vol rimpels, zwakheden en gebreken is, zijn kracht, fleur en aangenaamheid heeft verloren en nu lelijk en mismaakt door ouderdom begint te worden, zo is deze verdorven gesteldheid van de mens ook een zeer mismaakt, lelijk en afschuwelijk ding in de ogen van God, van zijn heiligen, en van de bekeerden mens zelf, wanneer zij aan hem recht bekend gemaakt is, zodat hij zichzelf vanwege deze zijn boosheid en verdorvenheid moet schamen en verfoeien, Jerem. 31: 15. e. Ook een oude mens, om haar diepe ingeworteldheid en bezwaarlijkheid om ze uit te roeien en ten onder te brengen, gelijk een oude boom, die zo vast geworteld staat en een oude haat, of gewoonte. f. Eindelijk deze verdorvenheid is en wordt een oude mens genaamd, omdat zij nabij haar ondergang, verdwijning en dood is, want in de bekering sterft zij reeds in de beginselen en wordt dan van dag tot dag minder, zwakker en ouder, totdat zij eindelijk in het uur van de dood ook geheel en voor eeuwig met Gods kinderen komt te sterven. Met recht dan wordt de staat der zonde en verdorvenheid, waarin de uitverkorenen van nature, voor hun bekering leven, een oude mens genaamd.

Maar wat is er nu van die oude mens? Wat moet er aan hem geschieden in de bekering? Dit vertoont de Onderwijzer ons, sprekende van een afsterving van de oude mensen, als het eerste stuk of deel van de bekering.

Gezien hebbende, hoe de staat van de zonde en van de verdorvenheid ons in de Heilige Schrift wordt voorgesteld en afgebeeld als een oude mens, moeten wij nu verder gaan beschouwen, hoe of op welke wijze die verdorven oude mens zijn kracht bij al Gods kinderen verliest in de bekering en in hun komt of te sterven. Want zo getuigt en leert ons de Onderwijzer, dat het eerste deel van de Bekering bestaat in een afsterving van de oude mens. Het is waar, deze spreekmanier van het afsterven van de oude mens ontmoeten wij wel niet in de Heilige Schrift, met deze eigenlijke bewoording, als hier bij de onderwijzer; wij lezen daar wel van een afleggen en van een uitdoen van de oude mens, even als een verouderd en versleten kleed, dat men niet langer dragen kan, maar niet eigenlijk van een afsterving van de oude mens. Doch de Heilige Geest gebruikt nochtans genoegzame spreekwijzen, die hetzelfde de betekenen, en uit welke de Onderwijzer zijn bewoordingen ontleend heeft. Zo lezen wij van een kruisigen van de oude mens, Rom. 6; van de leden die op der aarde zijn, te doden, Col. 3: 5; van de werken des vleses te doden, Rom. 8: 113; van de zonden of te sterven, 1 Petr. 2: 24; van het vlees te kruisigen met deszelfs bewegingen en begeerlijkheden, Gal. 5: 24; en niets is er algemener in Gods woord, als dat de gelovigen en bekeerden ons daar voorgesteld worden als aan zichzelf en hun zondige natuur te sterven en gekruist te worden, alle welke spreekwijzen hetzelfde betekenen als hier bij onze Onderwijzer, de afsterving van de oude mens. De zondige en verdorven natuur of de oude mens, wordt dan voor de bekering verondersteld in de uitverkorenen te leven, en dat is ook zo. Voor de bekering heeft die oude mens geheel de overhand, dan is hij in zijn fleur en kracht en beheerst Gods kinderen geheel en al, gelijk wij gezien hebben; maar, zo gauw komt de Heere hen door zijn woord en geest in de tijd van de minne niet roepen en bewerken tot bekering, of die oude mens ondergaat een zeer grote verandering en wordt van het leven ter dood gebracht, zodat hij in en door de bekering komt of te sterven, gedood en gekruisigd wordt, en zo wordt door deze afsterving van de oude mens dan eigenlijk anders niet verstaan, als een dadelijke ten onderbrenging en verbreking van die natuurlijke verdorvenheid en dat lichaam van de zonde, dat tevoren zo over de gehele mens heerschappij voerde, als wij gezien hebben. Die bij bevinding door de genade van de Heere weet, hoe een mens van de zonde tot God bekeerd wordt, die kan begrijpen, hoe en op welke wijze de natuurlijke zondige verdorvenheid, die over de mens geheel de overhand heeft, in en door middel van die krachtdadige bekering van God wordt tegengegaan en verbroken, ja zelfs als gekruist en gedood wordt. Want in de bekering komt God de ziel van de mensen met zijn heerlijk licht bestralen, en maakt zichzelf aan hen openbaar en bekend. Nu, dat licht is dodelijk voor de oude mens der zonde, die kan dat licht niet verdragen, die kan onmogelijk bij dat licht langer blijven leven, want dat licht ontdekt niet alleen de zonden, maar het drijft ze ook uit de ziel, het is een zuiverend licht, waardoor het hart op een krachtige wijze van de zonden en verdorvenheden gereinigd en ontheven wordt, evenals de aarde door middel van het licht wordt gereinigd van alle duisternis. Door deze drie dingen geschiedt die afsterving.

1. Door Gods licht.

2. Door Christus bloed, en

3. Door de krachtige werking van de Heilige Geest in de ziel of door de vernieuwing ervan.

Deze zijn de drie middelen, die God hiertoe gebruikt aan zijn zijde, en nevens dezelve gebruikt hij ook drie middelen van zijn geest aan des mensen zijde.

1. Het smartelijk gevoelen en hartelijk leedwezen van zijn ontstoken toorn, wegens de zonde.

2. Het aanhouden, het toenemen, haten en verfoeien van de zonde.

En 3. Het vlieden en verlaten van de zonde.

Dus drie middelen aan Gods zijde, en drie aan onze zijde; door de genade van de Heilige Geest.

Dan, laat niemand van mijn toehoorders dit zo begrijpen, alsof de oude mens van de zonde, in de bekering bij Gods licht, zo ten enenmale gedood en ten onder gebracht wordt, dat hij geheel en al ophoudt met te leven; neen, gans niet, in de bekering wordt de oude mens der zonde maar alleen aanvankelijk gedood en ten onder gebracht, en wordt voor zover verbroken, dat hij nooit in eeuwigheid over Gods kinderen meer heerschappij kan voeren. Hij ontvangt in de bekering zo een zware krak en geweldige slag, dat hij zich nooit in eeuwigheid wederom herstellen kan, maar integendeel nog dagelijks in Gods kinderen meer verzwakt, gedood en ten onder gebracht wordt. Hij mag het bekeerd volk van de Heere nog zo lang zij hier op aarde zijn, blijven aankleven en zwaar kwellen (ziet zoiets in Gal. 5: 7 en in het voorbeeld van de Apostel Rom. 7, en in al die jammerklachten van de heiligen over hun nog inwonende verdorvenheid en bestrijding) maar nooit in alle eeuwigheid zal hij zijn troon in hun zielen weer kunnen oprichten, omdat Christus daar nu in heerst en leeft door zijn Heilige Geest, door welke geest, die oude mens der zonde met zijn werken nog dagelijks meer wordt gekruist, gedood en ten onder gebracht, gelijk daartoe zo veelvuldige vermaningen in de Heilige Schrift aan Gods kinderen gedaan worden, om toch niet op te houden, met hun geestelijke wapenen tegen het overblijfsel van de oude mens te voeren, totdat zij in het uur van de dood geheel en voor eeuwig van hem zullen verlost worden, ziet hier over Col. 3: 5, en bijzonder 2 Kor. 4:10, 11. Deze dagelijkse doding moet ook aanhoudend geschieden.

1. Door Gods licht.

2. Door Christus bloed en

3. Door de geest, ziet dit laatste Rom. 8: 13 en Gal. 5: 16 en 26.

Ziet, op zodanig een wijze wordt de oude mens van de zonde in de bekering dan nu aanvankelijk gedood en ten onder gebracht, en dit wordt nu een afsterving van de oude mens genaamd.

I. Omdat hij nu ophoudt meer als te voren in Gods kinderen te leven en over hun zielen en lichamen te heersen.

II. Omdat hij, zoals wij gezien hebben, al van trap tot trap sterft en omkomt. Want het sterven van enig ding geschiedt niet aanstonds in een ogenblik, maar als van langzamerhand, Paulus getuigde van zichzelf, dat hij alle dagen stierf, 1 Kor. 15: 31, en zo sterven ook onze lichamen alle dagen, omdat zij dagelijks door ouderdom afnemen, verzwakken en naar hun dood en ondergang haasten, even zo gaat het ook met de oude mens van de zonde; in de bekering ontvangt hij een dodelijke slag, en wordt zodanig gekwetst, gewond en verbroken, door Gods hemels licht en het leven van de Geest, hetgeen alsdan in de ziel ontstoken wordt, dat hij het nooit wederom kan te boven komen, maar zodanig aan het kwijnen raakt, dat hij van dag tot dag verzwakt en afneemt, en vermindert; al zijn gewoel, dat hij naderhand maakt, zijn maar doodstuipen, waardoor hij zichzelf afmat en zijn einde en ondergang verhaast.

III. Eindelijk, het is een afsterving van de oude mens, ja een doding en kruisiging vanwege de smart, pijn, angst en benauwdheid, waarmee het komt toe te gaan en te geschieden. Het sterven toch weten wij, valt pijnlijk, benauwd en smartelijk, voornamelijk als de dood iemand met geweld wordt aangedaan, gelijk in het kruisigen geschiedt, maar zo is het hier in het geestelijke ook, het afsterven, doden en kruisigen van de oude mens der zonde is een hard, benauwd en pijnlijk werk, dat zelden anders als met veel smart toegaat, want hij is zo nauw aan Gods kinderen verbonden, dat hij voor de bekering hun eigen aard, natuur, ja hun allerliefste medemens is, aan wiens bewerking, macht en heerschappij zij zich ganselijk en met de hartelijkste gewilligheid gewoon waren over te geven, en wie zij van hun geboorte of aan onafscheidelijk hebben aangekleefd. Van deze oude mens nu, daar men tot nog toe met zulke allernauwste banden aan gebonden is geweest, voor eeuwig te scheiden en los gemaakt te worden, hem af te sterven en niet meer te leven, ja hem zelfs met geweld te doden en te kruisigen, hoe kan dat anders als zeer pijnlijk, smartelijk en moeilijk vallen, want hier moet de rechterhand afgekapt, de rechtervoet afgehouwen, het rechteroog weggeworpen, en vlees en bloed ten onder gebracht worden. Die kennis van deze dingen hebben, weten hoe dit in de praktijk toegaat, en welke strijd, pijn en smart zij de mens veroorzaken; zo dan terecht wordt de verbreking van de natuurlijke verdorvenheid in de bekering ons vertoond en voorgesteld als een afsterving, doding en kruisiging van de oude mens der zonde. De onderwijzer zal daar nader van handelen vs. 89, en ons openleggen en vertonen, waarin die afsterving van de oude mens eigenlijk bestaat, en hoe die in Gods kinderen komt toe te gaan.

Ziet daar geliefden! Hier hebt gij dan nu het eerste stuk of deel van een waarachtige bekering, doch dit alleen zou nog geen rechte en volkomen bekering tot zaligheid kunnen uitmaken, maar daar moet noodzakelijk nog een tweede deel of stuk bijkomen, te weten, de opstanding van een nieuwe mens, over welke wij in de naaste reis, als het de Heere behaagt, ook hopen te handelen, zullen de zaken hier nu wederom bij laten berusten.

Aangaande nu onszelf, wij hebben gezien en gehoord, geliefden, welk een grote en krachtige zaak de ware bekering, is, hoe ver in dezelve een gehele mens gedood en ten onder gebracht wordt, hoe de oude zondige natuur het gehele lichaam van de zonde daar bij dan aanvang wordt verbroken, om plaats te maken voor een geheel nieuwe mens, die in de plaats van de oude, die gestorven en gedood is, moet opstaan. Hieruit zien wij, dat de bekering een krachtig genadewerk Gods is, en dat er de mens wezenlijk geheel door vernieuwd, veranderd en ganselijk omgekeerd wordt. Hebt gij nu allen te samen kennis aan zulke dingen, geliefden! Weet gij van een zo grote omkering en verandering aan u geschied, te spreken, is er bij u waarlijk een oude mens gestorven en zoudt gij er wel iets van kunnen zeggen, hoe dat in zijn werk gegaan is? Och, mensen! gaat en keert hier eens naar binnen; onderzoekt toch eens uzelf, en vraagt toch eens uzelf of voor de Heere, wanneer is toch mijn oude zondemens gestorven? Op welke manier is hij gestorven? Wie heeft hem gedood? Wilt u weten welke tekenen in u moeten zijn, als gij zult kunnen besluiten en geloven, dat waarlijk uw oude mens gestorven is, zo geeft acht.

1. Dan moet gij uw oude mens van de zonde klaar en onderscheiden bij Gods licht hebben leren kennen, en van uw verdorven zonden en natuurstaat bevindelijk door woord en geest zijn ontdekt en overtuigd geworden, zodat u zichzelf hebt leren beschouwen als een gans verdorven, verdoemelijk, blind, onheilig, boos en zondigschepsel, waarin niet het allerminste goed woonde; dan hebt u zich over uzelf moeten schamen, uzelf verfoeien en het vonnis van de dood over uzelf en al wat van u is moeten uitspreken.

2. Dart hebt u door Gods woord en geest ook ontdekking moeten ontvangen van uw allerdienste-, machte- en krachteloosheid om zelf iets tot doding en kruisiging van uw oude mens te kunnen teweeg brengen; dan hebt u klaar moeten zien en overtuigd staan, dat gij met al uw plichten en werkzaamheden niets kon uitvoeren, dat die oude mens u veel te machtig was en geheel over u heerste.

3. Dit gezicht van uw diepe onmacht heeft u toch geenszins onverschillig kunnen laten, gelijk het geschiedt met sommige onbekeerde mensen, die gedurig roepen, wij zijn onmachtig, God moet ons helpen, en alles in ons werken, en daar dan zo maar gerust onder heen leven, neen, maar uw onmacht heeft u dan wel degelijk ellendig moeten maken, zodat gij ze niet kon dragen, maar uit het binnenste van Uw zielen tot Christus geroepen hebt, om zijn licht, hulp, kracht en Geest, ja gij hebt uzelf dan zo gans ellendig machte- en krachteloos als gij was, in de handen van Christus gewillig en onbepaald moeten overgeven en het doden en kruisigen van uw oude mens geheel aan hem moeten toevertrouwen, hem aannemende voor uw enig Hoofd, Koning en Verlosser, en hem in u latende werken door zijn Heilige Geest.

4. Gij hebt dan ook de pijn en smart van het doden en kruisigen van uw oude mens moeten ondervinden, gij hebt de moeilijkheid en zwaarheid van dat grote werk van de doding dan in uw vlees moeten smaken, gij hebt met droefheid, angst en benauwdheid menigmaal moeten worstelen en vele bloedige wonden en snijdingen in uw zielen moeten ontvangen, die naderhand zelf van de Heere met zijn balsemwijn en olie wederom geheeld en genezen zijn geworden.

5. Eindelijk zo uw oude mens der zonde waarlijk gestorven en gedood is, dan zult gij nu bij ondervinding weten, welk een kracht er nog van hem in u is overgebleven, hoe hij nog dagelijks moet gekruist en gedood worden; dan zult gij de wijze kennen, hoe en waardoor dat moet geschieden, en weten welke strijd, smart en ongelegenheid gij daardoor nog dagelijks moet uitstaan, zodat gij soms wel eens tot die moedeloosheid gebracht wordt van te zuchten met Paulus: ik ellendig mens, wie zal mij verlossen van het lichaam dezes doods. Ziet daar, aandachtigen! Hebt gij waarlijk kennis aan deze dingen, kunt gij in oprechtheid voor de Heere belijden, dat ze u gans niet vreemd zijn, zo is voorzeker uw oude mens der zonde gestorven en daar is een nieuwe mens, naar Gods beeld herschapen, in u opgestaan, maar hebt gij wezenlijke en bevindelijke kennis van deze voorgestelde dingen, is het met u, zoals wij het daar nu voorgesteld hebben, niet waarlijk toegegaan, zo is uw oude mens der zonde ook nooit in waarheid gestorven, gedood of gekruist, maar zij leeft nog wel degelijk, zij heerst nog over u, en gij ligt nog geheel vleselijk onder de zonde verkocht, gij bent dan nog geheel en al onbekeerd, en mist God en zijn zalige gemeenschap. Och, mocht gij uw ongeluk en rampzaligheid dan nog eens kennen! Het schrikkelijk gevaar, waarin gij leeft, zien en mocht gij niet een ogenblik gerust meer kunnen leven, de Heere drukke het gewicht van deze rampzaligheid nog eens met kracht op uw zielen, en doe zijn uitverkorenen toch eens haastelijk uit de zonden opstaan en ontwaken. Amen.

 

Gepredikt voor het laatst in het jaar 1781 te Kralingen