Theodorus van der Groe

 

Achtste leerrede over de bekering

 

Uit Psalm 97 vs. 10.

 

Gij liefhebbers des Heeren haat het kwade.

 

 

De psalm, uit welke wij onze tekst genomen hebben, komt ons voor, zonder een enig bijzonder opschrift aan zijn voorhoofd, dus wij niet zeker kunnen weten, wie de schrijver of maker er van is. De y70 Griekse taalsmannen houden dezelve voor een lied van de koning David, en schrijven er daarom vooraan: een lied Davids. Doch, of waarlijk David de maker en opsteller van deze psalm geweest zij, kunnen zij noch wij klaar bewijzen: dit kunnen wij zien, dat de dichter van dit lied een goddelijk schrijver geweest is, die veel inzien en licht gehad heeft in de heerlijkheid, majesteit en hoogheid van God, en in de gelukzaligheid van het volk en de gunstgenoten van de Heere, die verwaardigd worden zo groten en heerlijke God te kennen, te dienen, te beminnen en aan te kleven. Die geestelijk zijn onder mijn toehoorders. lezen deze psalm wanneer zij tehuis gekomen zijn, maar eens met gezette aandacht na, en verwaardigt de Heere hen met zijn licht, dan ben ik verzekerd, dat zij dezelve bij uitnemendheid dierbaar, heerlijk en goddelijk zullen vinden, en getuigenis geven, dat de dichter ervan God van nabij gekend heeft en een ootmoedig dienstknecht van de Heere geweest is. Hier in onze tekst vermaant de vrome man al de liefhebbers en gunstgenoten van de Heere, dat zij toch het kwaad van de zonde zouden haters, uit aanmerking van de hoogheid van de Heere, tegen welke de zonde begaan wordt, en van zijn geduchte rechtvaardigheid en strenge oordelen over de zondaars en goddelozen, die zich tegen hem aankanten en zijn heilige dienst verlaten. Gelijk een ieder geoefend Christen dit verband en die aaneenschakeling van de rede van de dichter, als hij de psalm naleest, gemakkelijk zal gewaar worden. De vermaning dan, die de vrome man hier aan het volk van de Heere geeft, is ten hoogste nuttig, heilzaam en noodzakelijk. Doch verwacht niet, aandachtigen! dat wij die zo woordelijk, als dezelve hier voorkomt, zullen verklaren en voor u opleggen: ons oogmerk is maar alleen om er ons van te bedienen als een grondslag van onze voorgenomen verhandeling over het haten en vlieden van de zonde, hetgeen behoort tot de ware bekering des mensen. Wij zijn bezig met de verklaring van het eerste deel der bekering, te weten, de afsterving van de oude mens, deze stelt onze Catechismus gelegen te zijn in twee stukken, in een hartelijk leedwezen, namelijk, dat wij God door onze zonden vertoornd hebben, en in de zonden hoe langer hoe meer te haten en te vlieden. Het eerste stuk namelijk, het hartelijk leedwezen over de zonden, hebben wij aan uw aandacht in twee achtereenvolgende predikaties opengelegd en verhandeld, nu is het nodig, dat wij u het andere stuk, te weten het haten en vlieden van de zonden, op dezelfde wijze openleggen, gelijk wij nu dan in dit morgenuur wensen te doen, de Heere smekende dat de fontein van het licht en van de geest zich over ons opent, en wij in dat goddelijke licht heden het licht zien mogen. Amen.

Wij keren ons dan nu wederom tot onze Onderwijzer, die, handelende over de afsterving van de oude mens, in de tweede plaats dezelve daarin stelt gelegen te zijn, dat men, aangedaan zijnde met een hartelijk leedwezen, van God de Heere door de zonden vertoornd te hebben, dezelve hoe langer hoe meer komt te haten en te vlieden. Drie bijzondere stukken komen ons hier dan nu ter verhandeling voor.

1. Het voorwerp of de voorwerpen, te weten de zonden.

2. De gesteldheid van Gods kinderen daaromtrent in de bekering, zij moeten die zonden haten en vlieden, en dan

3. Hun voortgang en toenemen daarin, zij moeten zulks hoe langer hoe meer doen.

1. Wat het eerste aangaat, de voorwerpen van de haat van degenen, die bekeerd worden, zijn de zonden, waardoor wij verstaan moeten a. al die daden, handelingen en werkzaamheden van de mens, die tegen God en zijn Heilige wet aanlopen en die ons doorgaande in het woord met de naam van ongerechtigheid en worden voorgesteld, omdat zij van de regel van Gods wet ten enenmale afwijken. b. Ten anderen, moeten wij hier door de zonden ook verstaan de gehele zondige verdorvenheid, daar de mens naar ziel en lichaam mee besmet is, al dat verkeerde, boze en onreine, dat de mens van nature aankleeft, al die ongerechtigheid, daar Christus zichzelf voor gegeven heeft, om er de zijnen van te verlossen, Titus 2: 14, want daar is niets algemener in de Heilige Schrift, als dat onder de benaming van zonden, de gehele zondige verdorvenheid des mensen naar ziel en lichaam wordt voorgesteld; in die zin leert Paulus, Gal. 3: 22; dat de Schrift het nu al, dat is alle mensen van nature onder de zonden besloten heeft, ja dat alles zonde is, wat uit het geloof niet is, Rom. 14: 23. Zo dat derhalve aan een mens van nature niet anders dan zonde wordt gevonden, gelijk wij breedvoerig beschouwd hebben, wanneer wij handelden van de oude mens van de zonde en van zijn afsterving.

2. Wat is er nu van deze zonden en van al deze zondige verdorvenheid? De Onderwijzer gewaagt van ze te haten en te vlieden, als wezende een noodzakelijk vereiste van de ware bekering, behorende tot de afsterving van de oude mens. Twee dingen komen ons hier voor, a. het haten, b het vlieden van de zonden.

a. Wat het eerste aanbelangt, iets te haten, is niets anders dan ergens met het hart afkerig van zijn, ergens tegen aangekant wezen, uit hoofde van de lelijkheid of schadelijkheid, dat er in zulk een voorwerp, dat men haat, wordt gevonden. Onze natuur is genegen, al wat ons enige droefheid aanbrengt of schade, te haten, uit grond van eigen zelfliefde, en integendeel te beminnen, alles wat ons vermaak en voordeel aanbrengt. Nu, zo lang als de mens onbekeerd is, vindt hij zijn vermaak en voordeel in de zonden, de zonde is dan zijn element, daar hij eveneens in leeft, als, een vis in het water, hij bemint de zonden dan op het allerinnigste en tederste, en kleeft er zo vast aan, dat hij er niet van gescheurd kan worden: daarentegen haat hij dan alle heiligheid en al wat licht, goddelijk en geestelijk is, hebbende de duisternis liever dan het licht. Maar wanneer het de Heere behaagt de mens in de handen van zijn Zoon Christus te stellen en hem van de duisternis tot het licht te bekeren, dan wordt des mensen natuur geheel omgekeerd en veranderd, het verstand en oordeel worden verlicht en de wil met zijn uitgangen en genegenheden wordt geheiligd, zodat de mens nu de zonden, die hij te voren alleen beminde, ganselijk komt te haten en daartegen ten enenmale aangekant wordt. De reden hiervan is voor een verlicht verstand zeer gemakkelijk en licht te begrijpen, want alle haat en afkerigheid, die wij in onze zielen omtrent enig voorwerp gewaar worden, spruit uit een klare beschouwing van de lelijkheid en schadelijkheid van zulk een voorwerp, en uit het gevoelen van het ongemak, droefheid en smart, die het ons veroorzaakt. Nu hebben wij in onze vorige verhandeling gezien, op welke wijze een mens van de Heere in de bekering wordt gebracht tot een klare, onderscheiden en geestelijke kennis van zijn zonden en zondige hartsverdorvenheid, en tot een hartelijke droefheid en leedwezen daarover. God de Heere komt het duistere verstand van de uitverkorenen met zijn goddelijk licht bestralen, zijn geest komt hen op een zaligmakende wijze van zonden overtuigen, hierop beschouwen zij de zonde nu in haar afschuwelijke aard, en vinden die zo lelijk, zo gruwelijk, schandelijk en God onterende, dat zij daarvan schrikken en walgen, als van het snoodste wangedrocht en afschuwelijkste monster, dat er zijn kan. Zij vinden de zonden ook ten hoogste schadelijk. Zij leren dezelve kennen als de bron en oorzaak van het allerverderfelijkste ziels- en lichaamskwaad, dat de mens van God, het hoogste goed, geheel berooft, en in een jammerpoel van de onbeschrijfelijkste ellenden neerstort. Dit gezicht vervult de zielen van Gods kinderen in de bekering met een innige, hartelijke en geestelijke droefheid, berouw en leedwezen over hun zonden en zondige verdorvenheid, hun harten worden daarover verslagen, verbroken en verbrijzeld. Zij moeten zichzelf om hun zonden en onheilige natuur, geheel verfoeien en veroordelen. Zij moeten op de heup kloppen, voor God beschaamd en schaamrood worden, gelijk wij dit alles te voren voor uw aandacht breedvoerig hebben opengelegd en verhandeld. Langs deze weg nu komt een mens in de bekering tot een klaar en geestelijk gezicht, van de gruwelijkheid, lelijkheid, verfoeilijkheid en schadelijkheid van de zonde, en ondervindt de bitterheid ervan levendig in de ziel. Nu kan het niet anders zijn, toehoorders! of waar zon geestelijk gezicht en gevoel van de gruwelijkheid en schadelijkheid van de zonde is, oprechtste en hartelijkste haat en afkeer zijn van de zonden, zodat de zonde als het gruwelijkste en schadelijkste monster gehaat wordt, en het hart met alle zijn uitgangen en genegenheden daar geheel tegen wordt aangekant. De zonde wordt dan gehaat, niet alleen om haar schandelijkheid, als stortende de mens in een onbeschrijfelijk rampzalig verderf, en hem geheel van God afscheidende, maar zij wordt dan ook innerlijk gehaat om haar uitnemende verfoeilijkheid, schande, lelijkheid en walgelijkheid, als ten enenmale strijdende tegen het zuivere goddelijke licht en de ware heiligheid. Daar wordt dan zo veel gruwelijkheid en lelijkheid in de zonde gezien, dat het onmogelijk is voor de zie1, die langer aan te hangen, te beminnen en er enige gemeenschap mee te hebben, maar, het hart krijgt er de grootste, innigste en wezenlijkste afkeer van, en verklaart de zonde ganselijk voor vijand, niet alleen de grote zondige daden, maar alles was aan de zonde vast en verknocht is, en dat maar de minste gemeenschap heeft met de zonde, hoe klein en gering het ook zou mogen schijnen, want de ziel wordt dan, bij het zuivere licht van God, in de diepten van de zonde ingeleid; dat licht openbaart dan de zonde in haar eigen aard en natuur, als zijnde duisternis en vlees, en zo kan het dan niet anders zijn, of de zonde wordt in haar diepte en eigen natuur als zonde beschouwd, en als zodanig van een verlichte ziel innerlijk gehaat; en dit is nu het grote onderscheid tussen bekeerden en onbekeerden. Een onbekeerd mens mag sommige grove zondige daden, die tegen het licht van zijn geweten strijden, afkeuren en haten, maar daarom haat hij nochtans niet de zonde als zonde zelf. Want een onbekeerd mens weet niet wat zonde is, maar hij leeft in de zonde, en kan noch wil niet anders doen dan zondigen. Doch een bekeerd mens, die de zonde bij Gods licht, in haar eigen natuur heeft leren kennen, haat de zonde als zonde, ontvangt van de Heere een nieuw hart en een nieuwe geest, die, uit God geboren zijnde, niet kunnen zondigen, maar geheel tegen de zonde zijn aangekant als licht en duisternis, leven en dood. Gods licht doet hem gedurig zien wat de zonde is, en nooit ziet hij ze, of hij haat en verfoeit ze, en wenst er ganselijk van bevrijd en ontslagen te zijn. Hij haat niet alleen de zondige daden, maar hij haat de zonde zelf, met alles wat daaraan vast is, en met de zonde enige gemeenschap heeft. Hij haat de bron en fontein van de zonde, namelijk de duisternis; hij haat de poel waaruit de zonde opwelt, zijnde het boze en verdorven hart, die schatkamer van alle vuile en onreine daden; hij haat alles wat met de zonde samenspant en er aanleiding toe geeft, kortom, hij haat alles zonder onderscheid, de rok die van het vlees besmet is, Jud. vs. 23, alles wat maar naar vlees en duisterheid helt, en van Gods licht en heiligheid afwijkt, is het voorwerp van zijn haat en verfoeiing. Hij kan er zich, wanneer hij maar enigszins in het licht is, onmogelijk mee verenigen, of er enige gemeenschap mee houden. O neen, hij is ganselijk aller zonden vijand, en haat ze met een innige en volkomen haat, en deze is nu die oprechte haat en gekantheid tegen de zonde, daar Gods volk, de bekeerden in de Heilige Schrift, zozeer toe opgewekt en vermaand worden, gelijk als Amos 5: 15, haat het boze en hebt lief het goede, en Rom. 12: 9, hebt een afkeer van het boze, en hangt het goed u aan. En Salomon, of liever Christus, de opperste wijsheid des Vaders, leert ons dat hierin de rechte vrees Gods gelegen is, zeggende, Spreuk 8: 13, de vrees des Heeren is te haten het kwade, en David getuigt van zichzelf, Psalm 119: 128, dat hij alle Gods bevelen van alles voor recht gehouden gehad, maar dat hij alle valse pad had gehaat. Doch toehoorders, de zaak verdient wel, dat wij dezelve nog een weinig nader van nabij zien en beschouwen, waaraan de ware en geestelijke haat van de zonde eigenlijk kan gekend worden, om ze van alle valse en ingebeelde haat te onderscheiden, want God heeft nauwelijks een weg, of de duivel heeft er een weg tegen, die naar Gods weg zweemt en gelijkt, doch die nochtans met dezelve de minste gemeenschap niet heeft, maar alleen dient om de arme zielen te bedriegen, en naar het eeuwige verderf te leiden, door die een valse verbeelding, dat zij op Gods weg wandelen, omdat zij zo iets dergelijks in zich bevinden. Dus is het hier met het haters van de zonde zo gelegen. De Satan brengt in de zielen van de onbekeerden dikwijls een haat tegen sommige zonden, en soorten van de zelf, en maakt hun dan wijs, dat zij in het algemeen alle zonde en zondigheid haten en bijgevolg nu vernieuwd en bekeerd zijn. Hierom, om deze duivels listen onder 's Heeren zegen een weinig te verbreken, zullen we uw aandacht nog enige eigenschappen en kenmerken gaan voorstellen, waaruit de rechte haat tegen de zonde, die een vrucht der bekering is, gemakkelijk kan gekend worden.

Om uw aandacht dan nu enige eigenschappen en kenmerken voor ogen te stellen, waaruit men kan weten, of men de zonden op een geestelijke en zielzaligende wijze haat en verfoeit, dan of men ze slechts haat op een algemene wijze, en zo ver als ook een onbekeerde de zonde kan haters en verfoeien, zo wens ik, dat God zelf mijn toehoorders bij zijn licht in hem zelf en in de dingen die wij hun nu door zijn genade zullen voordragen, gelieve in te leiden: want weet, aandachtigen! dat, zo gij de zonden aldus niet haat, als wij nu zullen tonen dat zij gehaat moeten worden, dat gij dan nog onbekeerd bent, en nog nooit bij Gods licht hebt leren kennen wat zonde is. Bijgevolg dat het dan tijd voor u is, met allen ernst te gaan uitzien naar een waarachtig bekering.

1. Die een oprechte haat heeft tegen de zonde, die heeft ook te gelijk een oprechte liefde en hartelijke lust tot hetgeen tegenover de zonde staat, te weten licht, heiligheid, godzaligheid, gerechtigheid en deugd: want de liefde tot deze dingen, is de fontein en bron van de haat tegen de zonde. De zonde is duisternis en een afwijking van het licht, volgens hetgeen ons de Zaligmaker leert, Joh. 3:10, want een ieder die kwaad doet, haat het licht, en komt tot het licht niet, opdat zijn werken niet bestraft worden. De zonde is een schending en ontering van de heiligheid Gods, een afwijking en overtreding van zijn goede en heilige wet en een vijandige gekantheid tegen God en zijn beeld, en tegen alles wat goddelijk en geestelijk is. Zal iemand nu de zonde als zonde waarlijk haten, hij moet in het licht zijn overgegaan, en daarmee zijn verenigd geworden; hij moet op het licht verliefd zijn geworden; hij moet God en zijn heiligheid in beginselen hebben leren kennen en enigszins achter dat grote geheim gekomen zijn, waarin de deugd en godzaligheid gelegen is; het licht moet hem in dit alles enigszins klaar, gestaltelijk en bevindelijk hebben ingeleid; hij moet iets van ware heiligheid, deugd en godzaligheid gesmaakt hebben, zodat er zijn hart naar toegekeerd, en zijn verstand en wil daarop verliefd zijn geworden. Ziet geliefden! uit deze grond en bronader komt de ware haat tegen de zonde voort; al zei iemand duizendmaal, dat hij een haat tegen de zonde had als zonde, en hij kende en beminde het licht, Gods heilig beeld en de ware godzaligheid en deugd niet in enige trap en met enige onderscheiding, zo zou hij leugens spreken en zichzelf bedriegen, eveneens alsof iemand wilde voorwenden de leugens te haten, zonder nochtans de waarheid lief te hebben. Dus dan de ware en geestelijke haat tegen de zonde spruit uit de grond van liefde tot datgene, van het tegengestelde van de zonde is.

2. Die een waren en oprechten haat heeft tegen de zonde, haat dezelve en heeft er een innige afkeer van, niet alleen zozeer om de straf, die op de zonde volgt, hier of hiernamaals maar voornamelijk om de lelijkheid, schandelijkheid en de gruwelijkheid van de zonde zelf. Hij heeft de zonde bij het licht leren kennen als een allervuilst en schrikkelijkst monster, waardoor Gods heiligheid zo onteerd, zijn deugden zo geschonden, zijn hoogheid zo versmaad, en zijn heilige wet zo overtreden wordt; hij heeft gezien hoe God de zonden haat, en hoe schrikkelijk hij er over vertoorn wordt; hoe de zonde een scheiding tussen de Heere en de ziel maakt; hoe zij het zoete licht van God uitblust en verduistert, welke smetten en vuiligheden zij op de zielen brengt, en hoe zij de mens van zijn troost, blijdschap, vrede en zaligheid geheel berooft, en hem in duisterheid, droefheid, angst en naarheid doet wandelen; kortom, zo een heeft de zonde leren kennen, als een alleszins verslindend en verwoestend kwaad, dat God en zaligheid, geest en leven, en alle genaden in de ziel verwoest en omkeert; en daarom haat zo een de zonde als het allergruwelijkste en verfoeilijkste ding dat er zijn kan; al was er leven noch dood, hemel of hel, zo een kan in eeuwigheid evenwel met de zonde niet verenigen, want de zonde is zijn dood en hel en verdoemenis, en hij wilde liever alles ondergaan, dan in de zonde leven; alzo weinig als licht en duisternis gemeenschap met elkaar kunnen hebben, alzo weinig kan zulk een gemeenschap hebben met de zonde: eer zullen alle de sterren van de hemel vallen, eer zulk een wederom geheel met de zonde zal kunnen verenigd worden, en er als te voren zichzelf aan verbinden en overgeven. Neen, toehoorders! deze haat tegen de zonde is en blijft een onverzoenlijke haat: laat deze snode Delila woelen, kussen, strelen en aanhouden zo veel zij wil, nooit zal zij wederom geheel meesteres van hart worden. o neen; daar zal koning Jezus met zijn licht en genade wel zorg voor dragen. De zonde is die Amalek, die nooit wederom in genade wordt aangenomen. De oorlog tussen Gods kinderen en de zonde, is als de oorlog van die prinsen, van welke wij lezen 2 Kon. 14: 30, daar was krijg tussen Rehabeam en tussen Jerobeam alle hun dagen.

3. Nog eens, die een oprechte en geestelijke haat heeft tegen de zonde, die haat niet slechts deze of geen zonde in soort, hoedanigheid en grootte, maar hij haat zonder enig onderscheid alle zonden, al was maar hem bij licht, als zonde vertoond wordt, of dat maar met vlees besmet is, even als David getuigt, dat hij alle valse pad gehaat had, Psalm 119:118. De reden hiervan is, omdat de zonde van een geslacht of hoedanigheid is, wat haar wezen en natuur aanbelangt, en bijgevolg dezelfde grond van hatelijkheid, die in een zonde gevonden en bij het licht ontdekt wordt, ook zonder onderscheid wordt gevonden en ontdekt in alle andere zonden, zodat deze haat van Gods kinderen niet is tegen enige bijzondere soort van zonden, gelijk het is in de geveinsden en onbekeerden, maar in het algemeen tegen het gehele geslacht der zonde, eveneens als een mens, die een adder haat, omdat hij vergiftig en dodelijk is, die haat zonder onderscheid alle adders, om diezelfde reden; maar zo is het hier ook, die een zonde oprecht en geestelijk haat, alleen omdat zij zonde is, die haat om dezelfde reden zonder onderscheid, alle andere zonden, en al wat bij het licht van hem maar als zonde ontdekt wordt; grote zonden, kleine zonden, in en uitwendige zonden, gewinzonden, toegenegen boezem zonden, ja ook de eerste opwekkingen en bewegingen van zonde, hoe subtiel en gering ook in haar beginsel, zij worden alle te samen, bij licht, op gelijke wijze als zonde gehaat, en de ziel kan zich niet op het minste verenigen met iets, dat haar maar onder de gedaante van zonden vertoond wordt.

4. Die de zonden oprecht haat, die laat het bij die blote haat en afkerigheid niet blijven, maar zal zich ook wel degelijk tegen de zonden zetten en strijd voeren, en dezelve zo veel hij immers kan, trachten te ontgaan, zeggende tot alle werkzame zonden: heen uit, wat heb ik meer met u te doen? want dat volgt, toehoorders! uit onze aard en natuur, wat wij beminnen, daar zoeken wij ons nauw mee te verenigen, en wat wij haten, daar zoeken wij ons ver van af te scheiden. Waar nu de zonde, bij het licht, als zulk een vuil en gruwelijk ding gekend en gehaat wordt, daar zoekt de ziel er zich ook, zo veel mogelijk is, van te ontdoen, daar gebruikt zij alle middelen, om zich van de zonden of te scheiden, en vindende geen bekwamer en krachtiger middel om dit haar oogmerk te bereiken, als het licht zelf, zoekt zij zich toch nauw met het licht te verenigen en zich dieper in de fontein van het licht te laten neerdalen; zij zoekt bestendig in dat licht te blijven, zich daarvan meer en meer te laten beschijnen en zich door dat licht van de zonde te laten zuiveren en reinigen: want zij bevindt, dat het niet alleen een zielsverkwikkend, maar ook een zielszuiverend licht is, omdat het haar leidt tot de fontein van Jezus reinigmakend bloed, en tot de bronader van de Heilige Geest, om daar zichzelf menigmaal in te werpen en haar gedurig voor de bewerking van de geest vatbaar te maken. Zie? zo doet de rechte haat tegen de zonde dan de ziel met alle macht tegen de zonde strijden, en drijft haar naar het licht toe, dat dodelijk voor de zonde is.

5. Die de zonde oprecht haat, die laat de zonde niet alleen uitwendig na, uit enig particulier inzicht van vlees en bloed, dat hem daartoe dringt en aanzet, maar hij heeft een inwendige afkeer van de zonden, zo dat hij ze onmogelijk, wanneer hij ze in haar rechte natuur beschouwt, kan beminnen en liefhebben. De onbekeerden laten veeltijds enige zonden na, uit gebrek van bekwame gelegenheid om dezelve te kunnen bedrijven, terwijl zij nochtans inwendig met hun harten tot die zonden genegen zijn; maar die de zonden oprecht haat, die laat dezelve niet na uit gebrek aan gelegenheid, maar uit gebrek van genegenheid; zijn hart is inwendig afkerig van de zonde; want de haat is eigenlijk een afkerigheid des harten van enig ding. Het gaat met zulken evenals met Jozef, die wel goede en bekwame gelegenheid had, om zonde te bedrijven met Potifars huisvrouw, doch zijn hart was er niet toegenegen, maar ganselijk tegen aangekant; de hoogheid des Heeren was hem tot een schrik en hij vermocht niet wegens dezelve zulk een groot kwaad te doen en te zondigen tegen zijn God. Maar zo ligt de vrees Gods ook diep in het hart van Gods kinderen en maakt hen gans afkerig van de zonden, want de vrees des Heeren is het kwade te haten, Spreuk. 8: 13; en wanneer zij de zonden doen, geschiedt het uit zwakheid en tegen hun wil, gelijk Paulus zo getuigde van zichzelf, dat het goede, wat hij wilde, niet van hem gedaan werd, maar dat hij het kwaad, dat hij niet wilde, deed.

Ziet aandachtigen! wij zouden meer dergelijke kenmerken en eigenschappen van de ware en oprechte haat tegen de zonden, die in alle bekeerden is, kunnen aanhalen en voorstellen; maar wij menen, dat wij er reeds genoeg van gezegd hebben, om klaar en onderscheiden te tonen, wat er is, van de zonden innig, hartelijk, geestelijk, en uit het grondbeginsel van een nieuw leven, in de ziel te haten. Allen, die van de Heere Jezus verlichte ogen des verstands ontvangen hebben, zullen met mij toestemmen, dat zodanig een haat tegen de zonde, als wij u nu vertoond hebben, gestaltelijk, en zo veel de natuur en het wezen en de wortel van de zaak aanbelangt, zonder onderscheid, in alle die waarlijk bekeerd worden, komt te ontstaan, en dat degenen, die de zonde aldus niet hebben leren kennen, ook nooit in waarheid van God zelf zijn bekeerd geworden, maar nog geheel in de zonde leven, hoe uiterlijk vroom en godsdienstig zij ook voor de wereld mogen verschijnen.

Hiermee oordelen wij nu genoeg verhandeld en voor uw aandacht opengelegd te hebben, wat eigenlijk het rechte hater van de zonde is, en het er nu bij te laten rusten, terwijl wij in het namiddag uur zullen vervolgen als wanneer wij onder des Heeren zegen verder wensen te beschouwen, hoe een waar bekeerde de zonde niet slechts haat, maar die ook alleszins komt te vlieden, volgens de Onderwijzer, en dat wel bij wijze van voortgang, hoe langer hoe meer. Zullende wij de verhandelde zaken dan ook wat nader en bijzonder op onszelf toepasselijk moeten maken. Och! mocht het dan de Heere behagen, dan nu maar zelf de mensen bij het verhandelde te bepalen, hen diepe indrukken daarvan te geven in hun zielen, hun duister verstand bij de aanvang of voortgang te verlichten en hun recht werkzaam te maken tot onderzoek van hun zelf, aangaande het grote werk van de bekering. Laat ons de Heere, om te besluiten, daartoe zelf in en door zijn zoon Jezus, oprecht bidden. Amen.

 

Gepredikt te R en te Kr laatst 28 februari 1773.