Historie der martelaren

Adrianus Haemstedius

Historie der martelaren die, om de getuigenis der evangelische waarheid, hun bloed gestort hebben, van Christus onze Zaligmaker af tot het jaar 1655.

 

 

Vermaning aan de overheid

Voorrede aan de christelijke lezer

Historie der martelaren die, om de getuigenis der evangelische waarheid, hun bloed gestort hebben, van Christus onze Zaligmaker af tot het jaar 1655

Het lijden van Jezus Christus onze Zaligmaker

Johannes de Doper onthoofd, en zijn hoofd aan de overspelige Herodias gebracht

Stefanus, de diaken, gestenigd

Jakobus, de zoon van Zebedeüs, onthoofd

Jakobus, de zoon van Alfeüs, doodgeslagen

Barnabas te Salamis verbrand

Marcus, de Evangelist, buiten Alexandrië gesleept om verbrand te worden, en onderweg gestorven

De tien bloedige vervolgingen van de Christenen onder de Heidense keizers van Rome

De eerste vervolging van de christenen onder keizer Nero

Simon Petrus gekruisigd te Rome, onder keizer Nero

Paulus van Tarsen te Rome onthoofd onder keizer Nero

Andreas, de Apostel te Patris, in Achaje gekruisigd

Filippus, de Apostel, te Hiërapolis gemarteld

Bartholomeüs de Apostel, in Albanië in Armenië gekruisigd en de huid afgestroopt

Thomas, de Apostel, in Indië door de wilden vermoord

Mattheüs, de Apostel en Evangelist

De Apostelen Simon Zelotes en Judas Alpheus

Matthias, de Apostel

Lukas, de Evangelist

Johannes, de Apostel en Evangelist

Sommigen van de zeventig Discipelen en andere medereizigers der apostelen

De tweede vervolging van de christenen onder keizer Domitianus

Timotheüs, een leerling van Paulus

De derde vervolging van de christenen onder keizer Trajanus

Simeon, bisschop van Jeruzalem

Ignatius, bisschop van Antiochië

Ptolemeüs en Lucius

De vierde vervolging van de christenen onder keizer Antoninus

Justinus, de wijsgeer

Germanicus

Meliton

Polycarpus

Felicitas en haar zeven zonen

Vetius Epagathus

Sanctus, de Diaken

Attalus, Blandina, Ponticus en nog een ander

Photinus, bisschop te Lyon

Apollonius

De vijfde vervolging van de christenen onder keizer Septimeus Severus

Leonidas

Irenaeus, bisschop

De zesde vervolging van de christenen onder keizer Maximinus

De zevende vervolging van de christenen onder keizer Decius

Alexander, opziener van de gemeente te Jeruzalem

Babylas, opziener der gemeente te Antiochië

Metranus en vele anderen te Alexandrië

De achtste vervolging van de christenen onder de keizers Valerianus en Gallienus

Cyprianus, bisschop te Karthago

De negende vervolging van de christenen onder keizer Aurelianus

Marinus

Laurentius, de diaken, te Rome op een rooster verbrand

De tiende grote en bloedige vervolging van de christenen, begonnen onder de keizers Diocletianus en Maximianus, en voortgezet onder Maxentius, Licinus en Maximinus, tot in het zevende jaar van Constantinus de Grote

Het eerste jaar van de vervolging

Petrus, Dorotheüs en Gorgoneüs

Phileas en Philoromus

Het tweede jaar van de vervolging

Het derde jaar van de vervolging

Romanus

Het vierde jaar van de vervolging

Het vijfde jaar van de vervolging

Het zesde jaar van de vervolging

Het zevende jaar van de vervolging

Het achtste jaar van de vervolging

Het negende jaar van de vervolging

Potamina, een jonge dochter

Het tiende en laatste jaar van de vervolging

Lucianus, een ouderling

De Christenen verkrijgen vrede in het Romeinse rijk

De verdeling van het Romeinse rijk en de oorsprong van de Antichrist

Adelbertus Gallus

Arnulph, Aartsbisschop te Lyon

Petrus van Bruis en Henricus van Toulouse

Arnold van Brescia

De Waldenzen te Lyon

Burgers in de Elzas

Vijf en dertig burgers te Mainz

De Prins van Armerijk

Bargardus

Twee honderd vier en twintig personen verbrand

Gerardus Segareill en Dolcinus van Novari

Een Begijn

Richard, een Predikmonnik

Johannes Wicklef

Willem Sautre

Willem Thorpe

Jan Badby, kleermaker

Rogier Acton ridder, Johan Brown edelman en Jan Beverley, in Engeland, opgehangen en daarna verbrand

Johannes Husz te Konstanz verbrand

Hieronymus van Praag

Ulrich van Vahendres en Hendrik Raadgever

Katharina Saube

Johan Cobham

Hendrik Groenvelder

Johannes Krasa

Wenceslaus, pastoor te Arnostowitz, met nog acht anderen verbrand

Vier en twintig burgers te Leitmeritz verdronken

Wenceslaus Swets, Inartinus Loquis, Procopius Jednooky

Johannes Purvey

Johannes Zelivaeus

Willem Taylor

Willem White

Richard Hoveden

Thomas Bagley

Paulus Craw

Petrus Clarcke, Engels priester

Thontas Rhedon

Reijnold Pebocke

Mattheüs Hager

Johannes Goose

Dr. Johannes de Vesalia, of Wesel

Een edelman van Kandia of Kreta

Rogier Dule

Johanna Bongton

Hieronymus Savonarola, Dominico de Piscia en Sylvester

Hemondt Picard

Richard Smart

Zes mannen te Bor verbrand

Thomas Norice

Een vrouw verbrand in Engeland, en hoe de kanselier werd omgebracht door een stier

Thomas, een priester

Andries Poliwka

Pop, van Aye

Richard Hunne

De opkomst van Mr. Maarten Luther

Hendrik Voes en Johannes van Essen, twee Augustijner monniken, te Brussel verbrand

Nicolaus, een Augustijner monnik, van Antwerpen

Meester Georgius

Hendrik van Zutphen

Johannes, van Dithmarsen

Gaspar Tauber en Georgius, een boekbinder

Nicolaas Hottinger

Johannes Castellanus

Johannes Hospinianus of Weert, en zijn beide zonen, Johannes en Adrianus, benevens Burchard Ruijteman

Johannes de Klerck

Geschiedenis van de getrouwe martelaar van Jezus Christus, Johannes Pistorius, van Woerden

Wolfgang Schuch

M. Pet. Spengler, pastoor te Brisgau

Matthias Weybel

Jakobus Pavane

Evert Bolt

Nicolaas Wieretenarz en Clara, zijn huishoudster, in Bohemen verbrand

Johannes Heuchlin

Leonhard Keizer

Wendelmoet Klaasdochter

Martha Porzicz te Praag verbrand

George Carpentarius

Patrick Hamilton

Hendrikus, uit Vlaanderen

Steven Renier

Een glasblazer en een riemsnijder

Mr. Jakob Keyser, bijgenaarnd Schlosser

Lodewijk van Berquin

Dionysius van Rieux

Petrus Flysteden en Adolf Clarenbach

Willem van Zwolle

George Scharer, van Salveld

Thomas Hytten

Thomas Bilney

Willem Thrace

Jakobus Baynham en Richard Bayfield

Drie mannen te Arras verbrand

Johannes de Cadureo

Vier mannen te 's Hertogenbosch gedood

Alexander Conus

Johannes Pointet

Johannes Frythus

Andries Hewet

Denys Bryon en Hieronymus Vindocin levend verbrand

Andries Bartholomeï

Joost de pottenbakker

Verscheidene martelaars te Parijs

Quoquillart, van Besançon

Maria Becaudette

Petrus Gaudet

Johannes Cornon

Cowbrig, te Oxford levend verbrand

Vijf martelaren in Schotland verbrand

Martinus Gonin, een Waldenzer

Een landbouwer te Zierikzee

Wilhelmus Tyndall te Vilvoorde verbrand

Jan Lambert, ook genoemd Nicholson

Mr Petrus, pastoor te Duway

Geertruida Adriaans

Vijf martelaren in Schotland verbrand

Louwijs Courtet

Thomas Cromwell, graaf te Essex

Catharina, de vrouw van een raadsheer te Krakau, verbrand

Robertus Barnes

Stefanus Brun

Twee christenen te Gent verbrand en twee vrouwen levend begraven

Jan Marlar

Vijf personen te Vucht gedood

Aymont de la Voye, regent van groot Saintefois, in Agenois, boven Dordogne

Richard Mekins

Hector Remy en zijn vrouw Mathinette du Huisset

Constantinus en drie anderen

Claudius de Schilder, een goudsmid

Mr. Johannes Beek

François Bribard

Sommige Engelse martelaren

Een boekverkoper te Avignon verbrand, met een Bijbel op zijn borst gebonden

Joost Jushurgh

Gillis Tieleman

Willem Husson, apotheker

Geerte Stelmees en Neeltje Claas

Francisco San Roman

De bewoners van Mirandola en Cabriëra

Petrus Bruly

Maarten Huerblok, Jan de Bock, Nicolaas van der Poele en de vrouw van Jan de Bock

Jan Michiel

Jakobus Chobard geeft aan zijn moeder in de gevangenis zijn schriftelijke belijdenis om aan de rechter te overhandigen

Adam van Metz

Pieter Chapot

Marion, de vrouw van Adriaan, kleermaker te Doornik

Rochus, een Brabander

Pieter Mioc

Vier martelaren uit Schotland verbrand

Frauciscus d'Augy

Johannes Diazius

Eusinas, ook Driander genaamd, een Spanjaard

Anna Asker, Jan Lacels, Jan Adlams en Nicolaas Belenian

Veertien burgers te Meaux, in Brie verbrand

Sanctus Nivet

George Sophocardius

Vijf martelaren te Parijs

Mr. Johan, de Engelse

Mr. Leopard du Pré

Acht burgers van Langres

Stefanus Peloquinus

Steven Poulliot

Jan Brugier

Marten, de schoenmaker

De vrouw van Bygaerden en haar zoon

Michiel Miquelot

Octavianus Blondel

Mr. Mattheüs, een onderwijzer

Hubert Burre

Mr. Leonhard Galimard

Een en dertig personen te Valladolid gestrafd

Mr Florentius Venot te Parijs verbrand

Een kleermaker te Parijs voor de koning van Frankrijk in het verhoor gebracht en daarna verbrand

Claudius Thierry

Anna Oudebert, een weduwe

De marteling van Mr. Nikolaas, in Henegouwen

Maria, de vrouw van Augustijn, de barbier

Augustijn, de barbier

Staat en toestand van Christus' kerk in Nederland, en de oorzaken waardoor de vervolging tegen haar in grote mate werd vermeerderd

Faninus, van Faventia

Dominicus van Basana

Maceüs Moreau

Johannes Godeau en Gabriël Beraudin

Adam Wallach

Mauritius Secenat

Vervolging in Duitsland tegen de predikanten, die het geloofsvoorschrift weigerden aan te nemen en zich daarnaar te regelen

Jan van der Put, de geneesheer genaamd

Thomas van St. Paulo

Claudius Monieux

Gillot Vivier, Michiel le Fèvre, Jacques le Fèvre, Amna le Fèvre en Mechaëlla de Caignoncle

Johannes Jocry te Toulouse

Jan van Ostende, bijgenaamd Tromken

Vijf studenten van Lausanne, Petrus Scriba, Martialis Alba, Bernhardus Seguinus, Carolus le Fèvre en Petrus Naviherus

Petrus Bergier

Dionysius Peloquinus

Godefroy van Hamelle

Renatus Poyet

Willem Gardinerus

Hugo Gravier

Vervolging, te Brugge, in Vlaanderen

Nikolaas Nail

Autonius de Grote

Mattheüs Dimonnet

Lodewijk Marsacus

Johannes Mollius en een Perugiaanse wever

Simon Laloé

Steven le Roy en Pieter Dinocheau

Jan Snell

Willem d'Alençon

Paris Panier

Pieter de la Vau

Gileyn de Muelere

Thomas Calberge

Richard le Fèvre

Petrus Serra

Franciskus Gamba

Dionysius le Vayr

Jan Filleul en Juliaan Leveille

Paulus Musnier

Nicolaas le Chesne

Vervolging in Oostenrijk

Wilhelmus de Dongnon

Willem Neel

Hoste

Pomponius Algier

Jan Vernou, Guyraud Tauran, Autonius Laborie, Bertrand Bataille en Jan Trigalet

François en Nicolaas Thijs

Bertrand le Blas

Jan Malo

Damiaan Witcoek

Walrue Carlyer

Jan Porceau

Twee Martelaren te Autun

De vervolging in Engeland

Engelse martelaren in het jaar 1555

Johanna Gray

Johannes Rogerius

Laurentius Sanders

Johannes Hoper

Doctor Rowland Taylor

Wreedheid aan de lijken van Martinus Bucerus, Paulus Fagius, en Catharina, echtgenote van Petrus Martyrus

Thomas Tomkins

Willem Hunter

Thomas Causton en Thomas Higbed

Steven Knight

Rawlins White

Johannes Laurentius en Willem Digel

Robert Farrar

Jan Alcock

Joris Mars

Johannes Cardmaker en Johannes Warne

Thomas Haukes

Thomas Wats en anderen

Johannes Bradford

Hunfroy Middleton en Nikolaas Scheterden

Jakob Abbes

Jan Denley en Jan Newman

Robert Smith en anderen

Robert Samuel en enige anderen

Robert Glover en enige anderen

Nicolaas Ridley en Hugo Latimer

Jan Philpot

Hier volgt de geschiedenis van de martelaren in het algemeen in het jaar 1556

Adriaan van Lopphen

Juliaan van de Sweerde

Claudius van Canesiere

Robert Oguier, zijn vrouw en beide zonen

Johanna, de moeder, en haar jongste zoon Maarten Oguier

Jan Rabec

Pieter van Rosseau

Laurens, de schoenmaker, en Jan Fasseau

Arnoud Monier en Jan de Cazes

Jan Bertrand

Bartholomeüs Hector

Hiëronymus Casaubone

Andoche Minart

Engelse martelaren in het jaar 1556

Thomas Witthle

Bartelet Greene

Thomas Crammer

Agnes Potten en Johanna Trunchfield

Willem Tyms en anderen

Johannes Hullier

Christoffel Lyster, Jan Mace, Jan Spenser, Simon Joyne, Richard Nicols en Jan Hamoud

Rugo Laverocke, een kreupele en Jan Apprice, een blinde

Hendrik Adlington, Laurens Parnam, Hendrik Wije, Willem Hallywel, Thomas Bowyer, Joris Searles, Edmond Hurst, Lyon Caweh, Rase Jackson, Jan Derifal, Jan Routh, Elisabeth Pepper en Agnes George

Julius Palmer en twee anderen

Katharina Cawehes en haar beide dochters en haar dochters kind

De martelaren in het jaar 1557

Arnoud Diericks

Mr. Philibert Hamelijn en enige anderen

Joriaan Simonsz en Clement Dirkz

Carolus de Koninck

Nicolaas Sartorius

Jan Biron

Angelus Herula

Een grote en zware vervolging van de kerk van Christus te Parijs in het jaar 1557

Nicolaas Clinet

Taurin Gravelle

Philippina de Luns

Het zalig uiteinde van de drie genoemde martelaren, te weten Nicolaas Clinet, Taurin Gravelle en vrouw van Graveron

Nicolaas le Cene en Pieter Gabart

Franciscus Rebezus en Frederick Danville

Verstrooiing en verdrukking van de kerk van Christus, onder Gods bestuur geplant in Brazilië, in Zuid-Amerika

Matthias Vermeil

Andreas de Lafon

Pieter Bourdon

Vervolging in Engeland

Engelse martelaren in het jaar 1557

Jan Bradhridge, Walter Appelbey,Petronella, zijn vrouw, Edmond Allen, Catharina, zijn vrouw, Johanna Mannings en Elisabet, een blinde maagd

Richard Woodman, met nog negen anderen, vier vrouwen en vijf mannen, verbrand

Mejuffrouw Joyce Lewes

Joris Eagles

Jan Noyes

Cicely Ormes

Jan Rough

Geschiedenis van de martelaren in het jaar 1558

Mr. Jan Du Champ

Johannes Morellius

George Tardif, Nicolaas Guilotet, Jan Caillou en Nicolaas van Jeuvife

Jan Barbeville

Benedict Roman

Een zware vervolging van de gelovigen te Valladolid, in Spanje, in het jaar 1558

Dr. Augustinus Casalla, Franciscus de Bevero, mejuffrouw Blaucel de Bevero, mejuffrouw Constance de Bevero, Alphouse Peres, een priester, Christoffel del Campo, Christoffel de Padilla, Antonius Huezuelo, Catharina Boinain, Franciscus Erren, Catharina Ortegue, Isabelle de Strade, Johanna Velasques en een ambachtsman

Renatus du Seau en Jan Almarie

Aonius Palearius

Mr. Geffroy Varagle

Godefroy Guerin

Nicolaas Burton

Gillis Verdict

Genird Hagens

Engelse martelaars in het jaar 1558

Cutbert Simson

Rogier Hollandt

De huisvrouw van Prest

Willem Fetty, een kind van acht jaren

Verscheidene gelovige christenen in Engeland

De martelaren in het jaar 1579

Antonius Verdict

Adriaan de schilder en Hendrik Bockhalt kleermaker

Boudewijn de Heu

Cornelis Halewijn en Herman Jansz

Pieter Chevet

George de Gese

Nicolaas Ballon en Nicolaas Guenon

Marin Maria

Margaretha le Riche

Johannes Pontius

Johannus Gonsalvus

Isabella Vaenia, Maria Viroësia, Cornelia en Bohorquia

Ferdinandus van St. Jan en Morsillius

Julianus Ferdinandus

Jan van Leon en Ferdinandus van Valladolid

Françisca Chavesia

Chrystophorus Losada

Christophorus Arellanius

Mr. Garsins Arias

Dr. Johannes Egidius en Dr. Constantinus Pontius

Thomas Moustarde

Antonius de Richend, heer van Mouvans

Honoratus Auldol

Adriaau d' Aussi

Martin Rousseau, Gillis le Cotart en Philips Parmentier

Pieter Malet

Petrus Arondion

Andries Coiffier

Anne du Bourg.

Jan Ysabeau

Jan Jullet

Jan Geoffrey

Jan Masson

Christiaan de Quekere, Mr. Jakob Dieussart en Janneken Salomes

Jan Lodewijk Paschal

Jan Herrewijn

Verscheidene martelaren in Frankrijk

Jan de Creus

Jan Buisson en enige anderen

Jan de Lauoy

Jacob van Lo

Jan de Bosschere

Jan de Keijser

Pieter Annood en Daniël Galland

Een linnenwever

Een groot aantal gelovigen, om de belijdenis van het heilig Evangelie, in Calabrie omgebracht

Bartholomeüs van Hoy

De benarde toestand der kerk van Christus in de Nederlanden

Florentijn van Keulen

Thomas Watelet, uit het land van Luik

Andries Michiel

Autonius Caron, Reinholdina Fransz en enigeanderen

Jan van Namen

Karel Elinck

Franciscus Varlut en Alexander Daycke

De la Faye, Jan Greffin en de beambte van Pontoise

Willem Cornu

Wouter Oom

Jan de Wolf

Michiel Rovillart

Farresier, Pieter Bonnet en enige anderen

Nicase de le Tombet

Rogier du Mont

Een jong kind gemarteld

Jan de Madock

Christoffel Fabritius en Olivier de Bock

Paulus Millet, bijgenaamd de Ridder

Joos de Creul

Jan Disreneaux

Jan de Grave

Hugo Destailleur en Jan Pick

Jan Catel

Lieve de Blekere

Julius Guirlanda en Antonius Ricetto.

Franciscus Sefra en mr. Franciscus Spinola

Pierrette Curtet

Willem Hosens

François Soete

Maarten Bayaert, Glaude du Flot, Jan Dautricourt en Noël Tournemine

Jan Tuseaen

Andries Berteloot

Jan Cornelisz. Winter

Jakob de Wever

Mailgaert de Hongere, dienaar des Woord

Martinus Smetius en anderen

Jan Goris en Joris van der Assche

Lowijs van Heeke

Guido de Bray en Peregrin de la Grange, dienaren des Woords

Michiel Herlin, de Oude

Jan Mahieu

Michiel Herlin, de Jonge

Michiel de Messère

Maarten Tachard van Montauban

Bartholomeüs Bartocci

Pieter Mon, Wonter Oensel en Gerrit N.

Twee jonge juffrouwen

Vervolgingen in West-Vlaanderen van dat jaar

Maarten Clerewerck

Cors Stevensz

Carolus de Bruijne

Gillis Vertrecht

Jan Schakele

Marcus van Waerde

Gillis de Meyère

Joost van Busecum

Pieter van Keulen en Betteken, zijn dienstmaagd

Cristoffel Gauderijn, Jan Liebaert, Willem van Spiere en Tanneken Baerts

Cornelis de Meen

Jan le Grain

Heynzoon Adriaansz., Barend van Utrecht en Jan Heymen

Vier burgers

Michiel Rombouts

Lowysken Kijckenpoost

Schoblandt Barthelsz, Hans van Hues en Joris Coomans

Twee burgers

Mr. Cornelis de Lesenne en Mr. Carel van Oudenaarde

Gillis Annike, Jan Annike en Louis Mieulen

Moord te Blois

Weyn Oekers en haar dienstmaagd

Joos Spiering

Een kort verhaal aangaan de vele christenen, die te Doornik en te Valenciennes werden omgebracht

Enige gelovigen omgebracht in het hertogdom Limburg

Jan Laute

Gerard Koopman

Nicolaas Croquet, Filippus en Richard de Gastines, vader en zoon

Marcus de Lannoy en Jan le Grand

Willein Touwart

Coenraad van der Belijen

Jan Sorret

Claas Cornelisz.

Mr. Pieter Hamon van Blois

Een Pottenbakker

Gerard Moyart en Pieter de Meulen

Michiel van Ro

Arend Dierixsz. Vos, Sybrand Jansz., Adriaan Jansz. en Wouter Simonsz.

Anneke Jans

Hans Tierens

Maarten van Schorenback

Joris de Makelaar

Jan Missuens, de Oude

Gestreng schrijven van de graaf van Megen aan de graaf van Arnhem

Hendrik Alertsz. Schouten, deurwaarder te Mechelen

De wrede en afgrijselijke moord, die plaats trad te Parijs, op zondag de 24e augustus en volgende dagen, van het jaar 1572

Jeanne d'Albret

Gaspar de Coligny, admiraal van Frankrijk

Moord van de edellieden des Konings van Navarre en van de Prins van Condé

De Graaf de Rochefoucault

Teligny

De Markies de Kenel

De Baron van Soubrise

De heer de Guerchy

De heer de Briou

Pieter de la Place

Petrus Ramus

Denys Perot

De Predikanten Buyrette, Horeen Desgorris

Antonius Merlanchon

Claude Robert

De luitenant Taverny en zijn zuster

Oudin Petit

Marturin Lussaut, zijn vrouw, zoon en dienstbode

Mouluet en zijn vrouw

Philippe le Doux en zijn vrouw

Pieter Faret en zijn vrouw

De Pluimgraaf des Konings en zijn vrouw

Autonius Silvius

Pieter Baillet

Montault en enige anderen

De weduwe van Gastines de Jonge en anderen

De moord van de Hervormden te Meaux, in Brie

De vervolging van de gelovigen te Troyes, in Champagne

De moord te Orleans

De verschrikkelijke moord van de gelovigen te Lyon

De vervolging te Rouaan

De moord te Toulouse

Vervolging te Bordeaux

Besluit over de moord aan de hervormden in Frankrijk

Arnoud de Croos Mielfiel de Seeldraaier

Jasper Stevens

Mauris van Dalen

Simon Simonsz

Lieven van de Meern

Antonius uit de Hove

Jan de Buck

Joos de Jonge, Quirijn de Palme en Rogier Joosten

Goris

Jasper de Metser

Johannes Gelasius

Pieter Panis

Simeon van Torre

Wouter Wilge

Neesken de Greef

Jan Missuens de Jonge

Wilhelmus Pressius

Mr. Arent en Mr. Adriaan

Johannes Florianus

Christophorus Fytrerus

Radegronde en Claude Foncaut

Jan de Lerm

Antonius Hilairet

Antonius Oldevin

Margriete Pieronne

Een Engelsman

Een bejaard man

Jan Cateau

Anneken uit den Hove

Arnoud le Maire

Werner Hessu

Pieter Motte

Antonius Moreau

Bartholomeüs Copin

Nicolaas de Soignie

Maarten van Voisin

Franco di Franco

Antoine Mibais

De verschrikkelijke moord door de pausoezinden aan de hervormden in Valtellitia

Melchior Balthazars

Het lijk van Jan Wevers

Maria van Provins

Johan Avontroot

Onmenselijke wreedheid door de pausgezinde Ieren gepleegd aan de hervormde christenen in Ierland

Verhaal van het verschrikkelijk bloedbad in het jaar 1655 onder de gemeenten in Piëmont, en van hetgeen er verder plaats had tot de vrede

Korte geloofsbelijdenis der hervormde gemeenten in Piëmont

Besluit van dit boek

 

 

 

Vermaning aan de overheid

 

Aan alle eerbaren, wijzen en edelen heren, overheden, bestuurders, stadhouders en Staten in onze Nederlanden, van Brabant, Gelderland, Vlaanderen, Bolland, Zeeland, Friesland, enz., wensen wij een godzalige voorzienigheid om het volk te regeren, te onderhouden en te leiden tot zaligheid, vrede, eendracht en voorspoed, van God onze hemelse Vader, door Jezus Christus, Zijn welbeminde Zoon, onze enige Zaligmaker. Amen.

 

Rom. 13, vs. 4. 1 Petr. 2, vs. 14. De overheid moet Gods woord kennen. Pred. 10, vs. 16.

Eerbare, wijze heren, die Gods dienaren bent, tot prijs en bescherming der goeden en wraak en straf der bozen. De almachtige God heeft u in deze wereld verkozen, om hoofden te zijn van het volk. Daar nu het lichaam niet ziet, noch riekt, noch smaakt, noch verstand bezit als het hoofd bedorven is; zo is het ook niet mogelijk, dat een gemeente goed geregeerd en in goede orde gehouden wordt, wanneer de hoofden verstandeloos en onwetend zijn, want een onverstandig vorst zal zijn volk verwoesten.

Daarom verkoos Mozes, om het Israëlitische volk te regeren, bejaarde wijze mannen, die de Heere vreesden, de waarheid bezaten en de gierigheid haatten. Zonder de vrees des Heeren toch is er geen wijsheid, zonder de kennis der waarheid en gerechtigheid kan men niet goed oordelen, en de gierigheid verblindt de ogen der wijzen.

Deut. 17, vs. 18, 19.

Doch, om hiertoe te geraken, is het nodig de raad van de heiligen Profeet Mozes aan te nemen, die leert, het boek der wet iedere dag des levens te lezen, opdat zij God de Heere mogen leren vrezen, en zijn woorden en plechtigheden, in de wet geboden, onderhouden.

Joz. 1, vs. 7, 8.

Aldus sprak ook de Heere tot de vorst zijns volks, Jozua: "Wees sterk en heb goede moed, dat gij onderhoudt en doet de gehele wet, welke Mozes mijn knecht u geboden heeft, en wijk daarvan niet, ter rechter noch ter linkerhand, opdat gij verstandelijk handelt, in alles wat gij doet. Dat het boek der wet niet wijke van uw mond, maar overleg het dag en nacht, opdat gij waarneemt te doen naar alles, wat daarin geschreven is; want alsdan zult gij uw wegen voorspoedig maken, en alsdan zult gij verstandelijk handelen."

Gods Woord eist de bevordering van Zijn rijk.

Derhalve is het openbaar, dat de wet des Heeren bijzonder en vooral eist Gods naam te heiligen en Zijn Rijk uit te breiden. Daartoe behoren de overheden hun grootste naarstigheid te besteden, willen zij Gods dienaren zijn en blijven. Is het iedere christen bevolen, de bekommeringen van het tijdelijke leven te laten varen en Gods Rijk en Zijn gerechtigheid te bevorderen; hoeveel temeer betaamt dit een christelijke overheid.

Voorbeelden van hen, die de godsdienst bevorderen.

Daarvan vindt men een voorbeeld van hen, in de heilige aartsvaders, Abraham, Izak en Jakob, ja reeds voor hen in Henoch. Welk een godzalige vorst David was, om de ware godsdienst te bevorderen getuigt de bijbelse geschiedenis overvloedig. Doch vooral hebben wij een goed voorbeeld voor alle vorsten van onze tijd in koning Hizkia; want, gelijk het in zijn tijd gesteld was met het uitverkoren volk des Heeren in Israël, zo is het ook thans met de christenen: zij maakten beelden, zij verzonnen vreemde godsdiensten buiten Gods Woord, en brandden wierook voor de koperen slang. De godsdienst was verbannen, de tempel des Heeren was gesloten.

2 Kon. 18, vs. 4.

Doch de godzalige vorst vernielde nu de beelden, wierp de hoogten en bossen om, en verbrak de koperen slang, die Mozes gemaakt had. Hij opende het huis des Heeren, en richtte de ware godsdienst weer op.

2 Kron. 30, vs. 1.

Ja, wat meer is, zelfs buiten zijn koninkrijk, wat alleen Judea was, zond hij boden en leraars tot het koninkrijk van Israël, die daar predikten, dat zij zich bekeren zouden tot de ware godsdienst, doch zij werden door velen bespot en beschimpt. Dit deed ook voor hem Josafat in Judea, waarvoor hij door de Heere gezegend werd.

2 Kron. 23, vs. 4, enz. 2 Kon. 34, vs. 3, enz.

Zulk een godzaligheid zag men ook in Josia, die een opvolger was n de regering van de beide koningen Manasse en Ammon, die altaren oprichtten voor de afgoden, en de hemellichamen vereerden en aanbaden. Het wetboek was verloren gegaan, en de kinderen werden in het vuur geofferd. Doch Josia roeide al hun afgoderijen uit, bracht de Heilige Schrift aan het licht, en liet die voor al het volk in het Huis des Heeren lezen.

Van onze tijden.

Op soortgelijke wijze ging het ook in deze tijden onder de christenen; zij riepen beelden, altaren, offeranden en vreemde godsdiensten buiten Gods Woord in het leven. Van het avondmaal, dat ons bevolen is te houden tot een gedachtenis van de dood van Christus, maakten zij een afgod, brandden er wierook en fakkels voor; de ware godsdienst was verbannen, Gods Woord mocht men niet prediken, de tempel was er voor gesloten; het wetboek der heilige Schrift te lezen was verboden. Men achtte Gods Woord als bedrog en vergif. Als de Heere enige godzalige vorsten verwekte, die predikers uitzonden, om de ware godsdienst te onderwijzen, en het volk van hun dwalingen te genezen, zoals God de vrome koning van Engeland, Eduard de zesde, en enige Duitse vorsten verwekt bad, werden de predikers beschimpt, belasterd, gevangen genomen en gedood.

Men verbood het Woord des Heeren te onderzoeken.

O gij, goede heren, slaat hierop acht! omdat het wetboek aan uw handen is ontvallen, de Bijbel in een hoek ligt, en Gods Woord niet wordt onderzocht, daarom wordt het volk slecht geregeerd, de rechtvaardige verdrukt, en de onrechtvaardigheid ten hoogste verheven; daarom vervalt de gemeente tot velerlei dwalingen en sekten; want de opzieners zijn blind, en de herders stomme bonden, die niet blaffen kunnen, en er is geen wetenschap bij hen.

Jes. 56, vs. 10. Jes. 1, vs. 2, 3.

Terecht mocht de Heere zich over zijn volk beklagen, en roepen over het onverstand der lompe onwetendheid: "Hoort gij, hemelen, en neemt ter oren, gij aarde! wat de Heere spreekt! Ik heb kinderen groot gemaakt en verhoogd, maar zij hebben tegen Mij overtreden. Een os kent zijn bezitter, en een ezel de kribbe zijns heren, maar Israël heeft geen kennis, mijn volk verstaat niet.

Jes. 30, vs. 9, 10, 11.

Zij tergen Mij tot gramschap, de leugenachtige spruiten, die de wet Gods niet willen horen, die daar zeggen tot de zieners: Ziet niet, en tot de schouwers: Schouwt ons bedriegerijen. Wijkt af van de weg, maakt u van de baan; laat de Heilige Israëls van ons afhouden!"

De onwetendheid heeft onkunde als gevolg.

Door zulke onwetende blindheid en onkunde komt het, dat er zoveel onwetendheid onschuldig bloed wordt vergoten, en dat de rechtvaardigen vervolging en verdrukking lijden. Want hoe kunnen de rechters naar waarheid oordelen, die deze zaken niet verstaan? En hoe zouden zij die kunnen verstaan, als zij de Schrift niet onderzoeken, waarin het recht en de gerechtigheid wordt verklaard? Maar zij haten het licht, omdat zij in de duisternis verkeren. Zij vervolgen de waarheid, omdat zij door de leugens verblind zijn.

Joh. 15, vs. 21, en 16, vs. 3. Luk. 23, vs. 34. 1 Kor. 2, vs. 8.

"Dit zullen zij u doen," zegt de Heere, "omdat zij noch de Vader noch Mij gekend hebben." Hij bad ook voor zijn vervolgers, toen Hij zei: "want zij weten niet, wat zij doen." Want, indien de vorsten dezer wereld de wetenschap bezaten, en niet verstandeloos waren, zo zouden zij de Heere der heerlijkheid niet gekruisigd hebben."

Zo was het van het begin van de wereld, en zal het duren tot het einde dat de duistere, blinde en onwetende wereld de gelovige kinderen des lichts vervolgde, en vervolgen zal. Christus en al de leden van Christus zijn enkel licht, leven en waarheid; en de wereld en allen, die Christus niet recht kennen, zijn enkel duisternis, dood en ijdelheid. Als nu het licht in de duisternis schijnt, zijn alle nachtraven, vleermuizen en nachtuilen in beroering, want zij kunnen het licht niet verdragen.

Joh. 3, vs. 19. Joh. 7, vs. 7.

Daarom zegt Christus: "Dit is het oordeel, dat het licht in de wereld gekomen is, en de mensen hebben de duisternis liever gehad dan het licht, want hun werken waren boos." En wederom: "De wereld haat Mij, omdat Ik van dezelve getuig, dat haar werken boos zijn." Zo is het ook met de christenen, als zij de zonden aan het licht brengen en bestraffen: als zij de ijdelheid en de leugen uitroeien door de waarheid, dan stelt de gehele wereld zich te weer, en ieder brengt hout aan, om zulke ketters te verbranden, want zij spreken en leven tegen de gehele wereld, omdat de gehele wereld zich tegen de waarheid en gerechtigheid verzet.

Boek der wijsheid, h. 2.

Dit heeft ons de wijze man zeer juist afgeschilderd, waar hij de bozen laat zeggen: Wij willen de rechtvaardige onderdrukken, want hij is ons onnut en tegen al onze werken; hij verwijt ons, dat wij tegen de wet zondigen, en beschuldigt ons, dat wij tegen de tucht handelen; hij geeft zich uit, dat hij de wetenschap van God bezit, en noemt zich een Zoon van God, hij bestraft ons voornemen en opzet, hij is ons zeer lastig om te zien, want zijn leven is zeer verschillend van de anderen, en hij verandert zijn wegen; wij worden door hem gehouden voor beuzelaars, en hij wacht zich voor onze wegen als voor onreinheid, en het slechtste der rechtvaardigen roemt hij hoog, en beroemt zich, dat hij God tot een Vader heeft, enz. Met verdriet en moeite willen wij hem onderzoeken, en zijn lijdzaamheid beproeven; wij willen hem met een schandelijken dood veroordelen, en zo kan hij denken aan zijn woorden. Dit hebben de boze lieden gedacht, en zij hebben gedwaald, want hun boosheid heeft hun hart verblind.

De predikers van de waarheid worden altijd vervolgd. 1 Kon. 22, vs. 24, 27. Jes. 36, vs. 23. Dan. 6, vs. 16. Amos 7, vs. 12.

Denkt er toch over na, gij christelijke heren, welke onwetendheid en blindheid gij bewijst, hoe men tegen hen opstaat, hen vervolgt en doodt, die het waarachtige licht van het goddelijke Woord verkondigen, en de wetenschap en de kennis van God onderwijzen. Daarom kreeg Micha kinnebakslagen, werd in de gevangenis geworpen, met het brood der bedruktheid gevoed en met water der benauwdheid gedrenkt; daarom werden de boeken van de Profeet Jeremia verbrand, en hij in een put van slijk en modder geworpen; daarom werd Daniël geworpen in een leeuwenkuil, de Profeet Amos door de priester van Bethel als een oproermaker voor de koning Jerobeam beschuldigd, en verboden te prediken in de heerlijkheid en het gesticht van de koning; daarom hebben Johannes de Doper, Christus en zijn Apostelen hun bloed gestort; om deze redenen werden de heilige leraars, door de tirannie der heidenen en pausgezinden verdreven, vermoord en verbrand, en als onwaardig geoordeeld de wereld te bewonen.

Matth. 10, vs. 16.

Deze zijn de getuigen en martelaren, van welke Christus spreekt, als Hij hen uitzendt als lammeren en schapen onder de wolven; waar zij overgeleverd, geslagen en gedood zouden worden, de koningen, vorsten en heidenen tot een getuigenis, waarom zij ook getuigen of martelaren genoemd worden. Ja, niet alleen hebben enige verstandeloze en verblinde vorsten de leraars en predikanten van het goddelijk Woord omgebracht, maar ook hen steeds vervolgd, die Gods Woord gehoorzaam en onderdanig waren; opdat al het bloed, van Abels tijden af tot het einde der wereld toe vergoten, op hun hoofd zou komen, en van hun handen geëist worden.

Tot de gelovige heren.

Daarom bid ik u, o gij heren en overheden van het volk Gods, weest voorzichtig in uw oordelen; onderzoekt de zaken, voor gij het vonnis velt. Wacht u een vonnis over een zaak uit te spreken, die gij niet zelf onderzocht en goed hebt leren kennen. Ziet niet langer door de ogen van anderen, opdat de blinde leidslieden u niet in een put der verderfenis storten.

Joh. 19, vs. 7.

Wanneer de Schriftgeleerden en Farizeeën zeggen: "Volgens onze wet moet Hij sterven. Hij is een ketter; wij hebben Hem onderzocht; indien Hij geen boosdoener ware, zouden wij Hem u niet hebben overgeleverd;" weest dan niet onredelijker dan de heidense Pilatus was, en gij zult hun dikwerf ten antwoord geven: "wij vinden geen oorzaak des doods in hem; neemt en oordeelt hem naar uw wetten."

Ik weet en het is bekend, dat er velen onder u zijn, wiens ogen door Gods Woord zijn verlicht, zodat zij maar al te goed weten, dat de christenen ten onrechte door de zogenaamde geestelijkheid beschuldigd, en voor ketters en oproermakers gescholden worden. Zij weten, dat zij om de gerechtigheid lijden, en wegens de waarheid hun bloed storten. Maar uit vrees, dat ook zij door de geestelijkheid als ketters geacht en beschuldigd zouden worden, durven zij de beleden waarheid niet belijden, en de gerechtigheid voorstaan of beschermen. De een zegt: "Ik wil de bijen niet tergen, noch de slapende honden wakker maken." Anderen zeggen: "Wij kunnen niet alleen dansen, dit moet gemeenschappelijk geschieden," en intussen worden de rechtvaardigen omgebracht. Och, mijn heren, openbaarde en beleed ieder, naar de kennis, die hij van God ontvangen heeft, de waarheid, de priestermacht zou spoedig in rook verdwijnen. Maar nu ieder terugtreedt, bevlekt gij uw handen met het onschuldig bloed, dat vergoten wordt. Want, indien gij u beijverd had, zoudt gij voor de Heere onschuldig zijn, al had dit niet plaats volgens uw verlangen.

Voorbeelden van hen, die de onschuldigen helpen. Gen. 37, vs. 29. 2 Kon. 18, vs. 4. Jer. 38, vs. 8, 9, vs. 7.

Och, of gij de vrome mannen navolgde, die hun leven stelden als een muur voor het Huis des Heeren, en de rechtvaardigen en onschuldigen zochten te verlossen uit de macht van hen, die hen verdrukten, zoals Ruben de onschuldige Jozef zocht te verlossen uit de handen der bloeddorstige broeders; zoals Obadja, de hofmeester van de koning Achab, toen Izebel, de koningin, de Profeten des Heeren doodde, hen bij vijftig tegelijk verbergde, spijzigde en onderhield. Zo ging ook Ebed-melech, de moor, tot Zedekia, de koning en verzocht hem vriendelijk om de Profeet des Heeren te verlossen. Ja, ook een vrouw waagde het, voor het volk des Heeren, de koning Ahasveros te bidden met gevaar van haar leven. En zouden dit de mannen niet durven doen? Waarlijk, dat zou te beklagen zijn!

Luk. 19, vs. 17. Matth. 10, vs. 40, 41.

Denkt toch eens, o gij dienaren van God, aan de heerlijke beloften, die u de Zoon van God doet, wanneer gij uw dienst getrouw waarneemt, hetwelk bestaat in de goede tegen de onderdrukkers te beschermen. "Wel, gij goede dienstknecht," zal Hij zeggen, "omdat gij in het minste getrouw zijt geweest, zo heb macht over tien steden." "Gaat in, in de vreugde uws Heeren," zegt Hij met een heerlijke belofte, tot hen, die zijn volk ontvangen en bijstaan. "Die u ontvangt, ontvangt Mij," zegt Hij, "Die een Profeet ontvangt in de naam eens Profeten, zal het loon eens Profeten ontvangen; en die een rechtvaardige ontvangt in de naam eens rechtvaardigen, zal het loon eens rechtvaardigen ontvangen. En, zo wie één van deze kleinen te drinken geeft, alleen een beker koud waters, in de naam eens discipels, voorwaar zeg ik u, hij zal zijn loon geenszins verliezen." Wat zal hij dan doen als gij de rechtvaardige uit de macht der bozen en bloeddorstigen verlost?

Luk. 12, vs. 42, 45.

Ziet, de Heere heeft u over zijn Huis gesteld, omdat voor te staan en te verzorgen. Zalig bent gij, als Hij bij zijn komst u aldus bevindt. Maar, als gij in uw hart zegt "De Heere; vertoeft te komen," en gij begint uw mededienstknechten te verdrukken, en de lust van uw hart op te volgen; dan zal voorwaar de Heere komen op de dag, waarin gij Hem niet verwacht, en zal u in stukken houwen, en uw deel zetten met de ontrouwen; want een dienaar, die de wil zijns Heeren kent, en die niet wil volbrengen, en niet naar zijn wil gedaan heeft, zal met vele slagen geslagen worden; en die veel gegeven is, van die zal ook veel geëist worden. Denkt daarover toch na!

Tot de onwetenden, Joh. 16, vs. 2. 2 Thess. 2, vs. 10, 11.

Ten anderen. Zij, die door onwetendheid kwaad en boos zijn, en menen God een dienst te doen, wanneer zij iemand om Gods Woord doden en verbranden, deze volgen juist de voetstappen van hun voorouders, en zullen ook hun loon ontvangen. Tot zulk een val moesten zij komen, omdat zij de liefde tot de waarheid niet hebben ontvangen tot hun zaligheid. Daarom zendt de almachtige God hun krachtige dwalingen toe, opdat zij de leugens zouden geloven, en zij allen geoordeeld worden, die de waarheid niet hebben geloofd, maar de ongerechtigheid beschermd. Waarlijk, die de tirannie van Farao navolgen, Gods woorden ongehoorzaam zijn, en het volk des Heeren met geweld onderdrukken, zullen ook door de krachtige hand des Heeren in de wateren der verderfenis verzinken en vergaan.

Voorbeelden van de straf van de vervolgers.

Is het ooit gebeurd, dat zulke bloeddorstige lieden zonder een vreselijke dood deze wereld hebben verlaten? Waarlijk, zelden of nooit geschiedt dit, als ons oude en nieuwe geschiedenissen betuigen. Denkt aan Kaïns dood tot op onze tijden; ten allen tijde was God een wreker van het bloed zijner uitverkorenen, dat om wraak roept voor zijn oren. Hoe geweldig heeft de Heere zo vele machtige koningen vernield, die zijn volk, dat Hij uit Egypte bracht, wilden verdrukken. Hoe schandelijk zijn de koningen opgehangen en verwurgd!

1 Sam. 31, vs. 4.

Welk een verschrikkelijk einde had de boze koning Saul, nadat hij David zo vaak had vervolgd, en de priesters des Heeren met het zwaard gedood, heeft hij eindelijk met zijn eigen zwaard zich van het leven beroofd. Jerobeam, de koning, door God over Israël gesteld, versloeg de Heere met zijn gehele geslacht, omdat hij de leraars, de profeten des Heeren verdreef, en een valse godsdienst voor het volk in het leven had geroepen.

1 Kon. 22, vs. 34, 38.

2 Kon. 9, vs. 33, 35.

2 Kon. 26, vs. 7.

Judith 13, vs. 10.

De voetstappen van Antiochus worden door onze koningen gevolgd, 1 Makk. 1.

Achab, de koning, werd doorschoten, en de honden lekten zijn bloed, omdat hij de onschuldige Naboth ten onrechte door de rechters liet doden, en niet hoorde naar de Profeten des Heeren. Izebel, zijn vrouw, werd uit het venster geworpen, brak de hals, en werd door de bonden verslonden, omdat zij de Profeten van God en alle Godvruchtige mannen verdreef en vermoordde. Om dezelfde reden werd Zedekia blind in de Babylonische ballingschap, en Holofernus schandelijk door een vrouw verslagen; ja, ook Antiochus, de koning, die een duidelijk voorbeeld is voor de vorsten en koningen in onze tijden, wiens voetstappen zij allen navolgen; want door zijn bevel dwong hij Gods volk de heidense gewoonten en wetten te onderhouden, en Gods bevel te overtreden, en stelde kettermeesters en onderzoekers aan in alle steden, die het volk daartoe dwongen. Hij liet de boeken, de Testamenten des Heeren in stukken snijden en verbranden. Wie Testamenten des Heeren bezat, en volgens zijn Woord wilde leven, werd op bevel des konings gedood. Deze werd door de Heere met zulk een weemoed en droefheid van het hart getroffen, dat hij aan de gevolgen daarvan stierf. In onze tijden mag men zich hieraan wel voor goed spiegelen. Let hierop toch, want Gods hand is ook nu niet verkort, om de wreedheid der tirannen te straffen, en het bloed zijner martelaren te wreken.

Christenen worden ketters en oproermakers genoemd.

Zegt iemand soms: “Ja dat deden de goddelozen aan de kinderen Gods; maar nu vervolgt men niemand dan oproerige ketters, sektemakers, en hen die het volk verleiden."

Och, gij vrome heren, let toch eens op de aard en de natuur van de satan, die zich toch dagelijks als een God opwerpt, en zijn macht verheffen wil, opdat hij God en zijn heerlijkheid zou verduisteren en teniet doen. Wie zijn toch de ketters? Zij, die de woorden des Heeren navolgen, of zij, die daartegen opstaan en die onderdrukken? Die de boosheid bestraffen en haten, of die verdedigen en navolgen? Oordeelt nu zelf, wie de ketters zijn.

Joh. 5, vs. 39. Matth. 28, vs. 19.

Christus beveelt de christenen de Schrift te onderzoeken, waarin zij het eeuwige leven zullen vinden. Hij beveelt de predikanten te prediken volgens zijn bevel. Dit te doen wordt verboden en ketterij genoemd; die volgens zijn bevel prediken en de valsheid bestraffen, heten verleiders en oproermakers, die men niet kan uitstaan. Zij, die de sacramenten naar het bevel des Heeren Jezus Christus uitdelen en ontvangen, worden valse leraars, sektemakers, en sacramentschenders genoemd door hen, die de sacramenten van Christus vervalsen, schenden of vernietigen. Christus heeft bevolen, dat allen uit één kelk moeten drinken, en, die dat doen willen, heten ketters, want de priesters verbieden dat. Zij, die de heidense afgoderij van houten en stenen beelden te aanbidden, aan te roepen, te verlichten en te vereren volgens Gods Woord verbieden, noemt men beeldstormers en verachters van heiligen bij dit overspelig en afgodisch geslacht. Daarentegen heten zij, die de afgoden oprichten, heilige christenen.

Jes. 5, vs. 20.

Amos 7, vs. 10.

1 Kon. 18, vs. 17.

Luk. 23, vs. 2.

Matth. 26, vs. 61.

Hand. 24, vs. 5.

Ziet aldus weet de duivel het blaadje door zijn handlangers om te keren. Wee u, wee u, die het kwade goed noemt, en het goede kwaad, die het licht duisternis acht, en de duisternis licht. Gelijk Amazia, de priester van Bethel, liet volk tot afgoderij verleidde, zo beschuldigt men de prediker des Heeren, dat hij oproerig is jegens de koning, en beweert, dat het land zijn prediking niet verdragen kan, en hij uit het land moet verbannen worden. Elia werd als een oproermaker door de koning Achab gescholden, omdat hij de Baälpriesters wegens hun afgoderij bestrafte. Christus zelf werd door de geestelijkheid bij de wereldlijke overheid als een oproermaker aangeklaagd, en gezegd, dat Hij het volk beroerde van Galilea af tot hiertoe; dat Hij verbood de keizer schatting te geven, en dat Hij de tempel wilde verbreken. Paulus werd door de Joodse priesters voor de Romeinse rechter als een oproermaker en voorstander der sekten beschuldigd. Het moet de christenen gaan, zoals het Christus, de Apostelen en Profeten ging. Zouden de discipelen beter zijn dan de Meester? Dat kan niet. Let er op en ziet, of de eigenlijke ketters niet altijd de godzaligen hebben vervolgd. Waar vindt men, dat de valse profeten en valse leraars door de wereld vervolgd werden? Is het ooit gezien of gehoord? Neen, toch niet, want de wereld bemint altijd het hare; zij scheidt, vervloekt, doodt en verbrandt, wat door Christus is uitverkoren, want dat is niet van de wereld. Zo werden Christus en zijn leerlingen door die wereld als ketters, verleiders en oproermakers gehouden, en de verleiders, ketters, en die tegen de Heere oproerig waren, werden door de wereld christenen genoemd.

Daarom, gij christelijke heren en overheden van het volk, let niet op het geroep en geschreeuw van het volk, op de klachten van de geestelijkheid, die altijd tegen Christus en zijn heilig Woord opstonden, en bekreunt u ook niet om de gewoonte of het algemeen gebruik en de loop der wereld van de tijd der voorouders af; want deze zouden u allen bedriegen. Maar let op het onvervalste Woord des Heeren, dat een licht voor uw voet zal zijn, opdat gij in de duisternis niet struikelt. Weest niet langer onwetend in goddelijke zaken, opdat gij de onschuldigen kunt beschermen tegen hun overweldigers.

Christus wordt vervolgd in zijn dienaars. Hand. 9, vs. 5. Zach. 2, vs. 8. Ps. 105, vs. 15.

Bedenkt, dat, wanneer gij Gods dienaren voor u hebt, dat Christus zelf voor u staat, en door u wordt veroordeeld, en dat Hij tot u zegt: Waarom vervolgt gij Mij? Het is u hard de verzenen tegen de prikkels te slaan. Aangaande deze zijn uitverkorenen zegt Hij toch: Die u aanraakt, raakt de appel mijner ogen aan. Hij vermaant u door te zeggen: Tast mijn gezalfden niet aan, en weest niet wreed jegens mijn Profeten.

Het is een grote wreedheid en een verschrikkelijke ondankbaarheid om hen te onderdrukken, die hun bezittingen en leven wagen, om u van de weg der verderfenis tot het eeuwige leven te voeren; aldus beloont gij het goede met het kwade. Dit zijn immers geen bewijzen van ware mensen, nog veel minder van christenen. Daarom bid ik u, en vermaan u door onze Heere Jezus Christus, door wiens bloed gij van de tirannie des duivels verlost bent, u te wachten van uw handen te bevlekken met het bloed der rechtvaardigen. Doet u het, de hand des Heeren is nu opgeheven om zulke onrechtvaardige wreedheid en wrede onrechtvaardigheid te straffen. Verstout gij u, de godzaligen te verdrijven en uit te roeien, zo zult gij allen vergaan.

Gen. 7.

Gen. 19.

Toen Noach in de ark ging, rees de verderfelijke watervloed over alles, wat leven ontvangen had. Toen de godvrezende Lot met zijn dochters uit Sodom vertrok, kon men niet anders dan zwavel en vuurregen van de Heere verwachten, om alle bozen te verteren. Daarom, ziet toe, gij bent in uw eigen licht, gij verderft uzelf.

Jes. 1, vs. 9.

Gen. 3, vs. 15.

2 Thess. 2, vs. 8.

Spr. 21, vs. 20.

Hand. 3, vs. 17.

Want zo de Heere u geen zaad nalaat, dan zult gij als Sodom en Gomorra door Gods toorn worden verslonden. Wilt gij de slang helpen in Christus’ hielen te bijten, dan zal uw hoofd in stukken geslagen worden. Wilt gij de antichrist op zijn zetel verheffen, dan zal Christus u met het zwaard van zijn Woord vernielen, en tot een voetbank zijner voeten maken. Tegen God geldt toch raad noch geweld. Nu, welaan, ik weet, dat gij het door onwetendheid gedaan hebt, zoals al uw voorvaders de Profeten en Apostelen hebben omgebracht, maar bekeert u nog, en laat af van het vergieten van het onschuldig bloed, en de Heere, die rijk is in barmhartigheid, zal zich uwer ontfermen, en met geopende armen ontvangen. Volgt het voorbeeld van de koning Manasse; beweent uw zonden, en de Heere zal u genadig zijn. Want Hij wil de dood van de zondaar niet, maar dat hij zich bekeert en leeft. Wanneer gij het boze laat varen, en u bekeert, zal de Heere een licht laten opgaan in uw harten, en de zon der gerechtigheid overal laten schijnen. In vreugde zult gij uw leven doorbrengen, en in vrede uw volk regeren. Het volk zal de wet des Heeren leren, en zij zullen de vrees Gods voor ogen hebben. O, gelukkig volk, dat dit ten deel valt, die de Heere voor hun God houden. O zalige overheden, die het wetboek en de Testamenten des Heeren steeds in de hand hebben, en zich daarin oefenen dag en nacht. Want zij zullen de wil des Heeren erkennen, en hun volk in rechtvaardigheid regeren.

Jes. 11, vs. 9.

Dan zal niemand gewond of gedood worden op de heilige berg van God; want de aarde zal vervuld worden van de kennis des Heeren. De almachtige, en barmhartige God, de Vader van onze Heere Jezus Christus, verlichte eenmaal door zijn Heilige Geest de duistere ogen en blinde harten, en vooral die van de overheid, opdat zij zien mogen in wie zij gestoken hebben, en de Heere der heerlijkheid en de Koning aller koningen belijden, zijn naam heiligen, zijn gemeente beschermen, en alzo hun poorten openen, om de Koning der heerlijkheid te ontvangen. Amen.

 

Antwerpen, in het jaar onzes Heeren 1559.

 

Adrianus Haemstedius

 

 

 

Voorrede aan de christelijke lezer

 

Beminde, goedgunstige lezer, het is genoeg bekend, dat de gelovigen der eerste kerk, naar de voorzegging van de Heere Jezus Christus, aan vele en zware beproevingen waren onderworpen, want zelfs de Apostelen van Christus hadden uit de Joden en Heidenen tot vijanden, die in deze wereld, volgens het oordeel der mensen, de geleerdste, machtigste en uitnemendste waren, die hen met alle macht en wreedheid vervolgden, en eindelijk doodden en ombrachten. Doch van de apostolische tijd ontstond er nog veel grotere tirannie, toen de Romeinse keizers al hun macht aanwendden, om het ware geloof en de christelijke kerk, die over de gehelen aardbodem zich begonnen uit te breiden, uit te roeien. Men leest ook, dat zij tot de tijd van Constantijn de Grote, gedurende drie eeuwen, geen wreedheden nalieten te plegen, om het geloof uit te blussen. Zij toch beroofden de christenen niet alleen van wereldse eer, staat en waardigheid, maar de christenen werden ook onthoofd, opgehangen, verdronken, verbrand, de wilden dieren voorgeworpen, en allerlei martelingen werden hun aangedaan. Ja, de wilde stomme dieren waren soms barmhartiger dan de tirannen, zodat zij vele gelovigen spaarden, en de beulen verscheurden en verslonden. In één woord, de wreedheid was in die tijden zo buitengewoon, dat er ten tijde van Diocletianus geen grote stad was, waarin niet iedere dag bijna honderd gelovigen werden gedood. De geschiedschrijvers hebben zelfs aangetekend. dat er eens in één maand zeventien duizend christenen werden omgebracht. Doch onder deze verschrikkelijke vervolgingen ondervond men ook de vertroosting, dat wanneer de christenen dikwerf in onreine kwalijk riekende gevangenissen lagen, zij door andere broeders niet vergeten, maar door hen getroost, versterkt en van spijs in de gevangenis voorzien werden; of, indien hun dit door een gevangenbewaarder niet werd toegestaan, schreven en zonden zij hun enige troostrijke brieven; ook hielpen en sterkten zij hen in hun heilige voornemens met hun openbare en bijzondere gebeden.

En aangezien God wilde, dat ook de gedachtenis van zijn heilige martelaren onder de mensen in waarde zou gehouden worden, droegen de vroegere christenen niet alleen zorg voor hun gevangen medebroeders in het leven; maar ook, wanneer zij om de naam van Jezus Christus waren gedood, werd de gedachtenis van deze martelaren ook in ere gebonden, omdat zij vast geloofden, dat de zalige martelaren uit dit ellendig tranendal naar het eeuwige en onsterfelijke leven verreisd en waarlijk wedergeboren waren; en ook, om zich en hun medegelovigen door zulk een gedachtenis tot gelijke standvastigheid op te wekken. Opdat ook de geschiedenissen der martelaren niet in vergetelheid zouden geraken, waren er ook, die deze schriftelijk te boek stelden, zoals men, onder andere, leest, dat Keizer Constantijn, op verzoek van Eusebius, bisschop van Cesarea, naar alle delen der wereld mannen zond, en de namen van de martelaren alsook de tijd van hun lijden liet optekenen, alsmede onder wie, op welke wijze en in welke plaatsen zij hadden geleden. Te beklagen is het echter, dat, wat de eerste christenen tot opwekking der standvastigheid diende, dit door de nakomelingen in schandelijke afgoderij werd veranderd.

Doch, wat zullen wij zeggen van de verschrikkelijke vervolgingen, die toen en later hebben plaats gehad? Het aantal der vroegere martelaren was zeer groot; maar wie kan het veel grotere getal van onze martelaren berekenen? De vroegere martelaren werden gruwelijk gepijnigd en gedood, maar welke tong kan uitspreken, of welke pen kan beschrijven met welke vreselijke barbaarse en onmenselijke martelingen, zoals onthoofden, verdrinken, ophangen, levend begraven, langzaam in het vuur roosteren, tot as verbranden en dergelijke wrede doodstraffen de martelaren in later tijd werden omgebracht? En daarom verdienen zij geen geringen lof, die zich benaarstigden de gedachtenis van onze martelaren onder de mensen levendig te houden. Vooral voegt het ons Nederlanders, hen zeer te danken, die de namen der martelaren, als ook de tijd wanneer en de plaatsen, waar zij gepijnigd werden, de martelingen, die hun werden aangedaan en dergelijke omstandigheden meer, tot een eeuwige gedachtenis van hun standvastigheid beschreven en de nakomelingen nagelaten hebben.

En, aangezien het bloed der martelaren zo overvloedig bijna als water, niet alleen in de Nederlanden, maar ook in het gehele christelijke rijk vloeide, zijn in dit boek niet alleen de martelaren in Nederland opgenomen, maar ook verscheidene andere martelaren, die in Engeland, Frankrijk, Spanje, Italië, en andere landen, om de belijdenis der waarheid leden, er bijgevoegd; doch niet allen, slechts de voornaamste; ook niet met alle bijzonderheden, zoals die in de Engelse, Franse en andere martelaarsboeken beschreven staan; want dit alles zou niet in één deel opgenomen kunnen worden, maar alleen het voornaamste wat er bij hun martelingen plaats had.

Daar vroeger dit Nederlandse martelaarsboek in drie delen was uitgegeven, hebben wij daarvan nu één deel gemaakt, en iedere martelaar naar volgorde beschreven, en wel op behoorlijken tijd en plaats. Zo veel ons mogelijk was, hebben wij er ook op gelet of iemand hunner in het een of in het andere gedeelte van het jaar gemarteld werd, en dit ook naar volgorde geschikt. Wij hebben ook verzwegen zulke geschiedenissen, die wij zagen dat op twee of drie verscheidene plaatsen werden verhaald, en wel soms met dezelfde namen, soms met een kleine verandering; en hebben ons daarbij aan de uitvoerigste gehouden.

Deze laatste druk is ook met verscheidene schone en gedenkwaardige geschiedenissen, die vroeger in het Nederlandse Martelaarsboek niet waren opgenomen, vermeerderd, zoals bijvoorbeeld: Bij de moord te Parijs hebben wij ook gevoegd de moord, die in die tijd, om dezelfde redenen, in andere provinciën en steden van Frankrijk, als te Angers, Rouaan, Bordeaux en andere plaatsen tegen de Hervormden plaats had; ook de moord die in 1620 in Valtellina aan de Hervormden geschiedde, en meer andere geschiedenissen van bijzondere gelovigen tot het jaar 1633; alsmede de onmenselijke en ongehoorde wreedheid gepleegd jegens de Hervormde christenen in het koninkrijk Ierland, in het jaar 1641, alsmede de verschrikkelijke moord aan de Waldenzen in Piëmont in het jaar 1655.

De Verhandeling over de hovaardij en opgeblazen oppermacht der Pausen het eerst in de Engelse taal geschreven door de eerwaarden dienaar van Jezus Christus, Johannes Foxus, en daarna in onze Nederlandse taal overgebracht door H. Hexam, hebben wij laten voorafgaan, die ons toont, hoe al de bloedige vervolgingen der gelovigen in de volgende eeuwen ontstaan zijn, tot op deze dag. Daarin wordt ons levendig voor ogen gesteld, hoe de eerste getrouwe bisschoppen van Gods Kerk in verloop van tijd al erger en erger werden, en hoe zij langzamerhand als van zeer goede onderdanen der keizers en koningen, geworden zijn heren en heerschappijvoerders over koningen en koninkrijken, die in de tempel Gods als een God zitten, zichzelf vertonende dat zij God zijn;" zoals dit door de Heilige Geest vooruit gezien, en ons in de Heilige Schrift voorzegd en geopenbaard is." En aangezien de getrouwe bisschoppen en vrome getuigen van Jezus Christus de hoogmoed van deze bedorven bisschoppen niet konden verdragen, noch voor het hoofd der kerk, waarvoor zij zich uitgaven, zoals de pausen nog doen, wilden erkennen, maar veel meer voor de waren antichrist, die zich tegen Christus verheft, en derhalve ook hun menselijke vonden en instellingen niet wilden goedkeuren noch aannemen, daarom hebben vele martelaren hun bloed laten vergieten; daardoor is de gehele wereld in beroering gebracht; daardoor heeft zich de Babylonische hoer tot nog toe dronken gemaakt niet het bloed der vrome martelaren daardoor is het aantal van hen, "die gedood waren om het Woord Gods en om het getuigenis” dat zij zo groot en ontelbaar geworden, dat het door niemand ter wereld kan worden berekend, waarom ook de namen van vele duizenden martelaren in dit boek niet konden worden opgenomen, die echter in de hemel, in het boek des levens, geschreven zijn.

Wij bidden daarom de christelijke lezer, deze onze genomen moeite ten goede te willen aannemen, en die zo tot nut te maken, opdat het mag medewerken tot grootmaking van Gods heiligen naam en eer, tot stichting van de naasten, versterking in het geloof en tot zaligheid der zielen. Amen.

 

Historie der martelaren die, om de getuigenis der evangelische waarheid, hun bloed gestort hebben, van Christus onze Zaligmaker af tot het jaar 1655

 

Het lijden van Jezus Christus onze Zaligmaker

 

In het twee en veertigste jaar van de regering van Augustus, de tweede Romeinse keizer, is Jezus Christus, de enige Zoon van de levende en almachtige God, door de kracht des Heilige Geestes ontvangen en geboren uit de maagd Maria, en waarachtig mens geworden uit het zaad van David naar het vlees, gelijk Hij tevoren de vaderen was beloofd, om het menselijke geslacht met Zijn Vader te verzoenen, en van zonde, dood, duivel en verdoemenis te verlossen door de onbevlekte offerande Zijns lichaams. Zijn ontvangenis te Nazareth en Zijn geboorte te Bethlehem is zeer wonderbaar en goddelijk geweest; en, naardien Hij om onzentwil onder de wet geworden is, om ons van de slavernij der wet te verlossen, is hij besneden, en in de tempel de Heere voorgesteld; ook is Hij toegenomen in wijsheid, in grootte en in genade bij God en de mensen. Maar, aangezien door het gerucht van de komst der Wijzen, Herodes en geheel Jeruzalem beroerd waren over Zijn geboorte, hebben zij Hem terstond vervolgd en, om Hem te doden, de Bethlehemitische kinderen wreed vermoord; maar Christus is (door de waarschuwing van de Engel) met Zijn ouders naar Egypte gevlucht, en daar gebleven tot áèn (lood van Herodes. Toen Hij onder de regering van Archelaus wederkeerde naar Nazareth, was Hij Zijn moeder en vermeenden vader onderdanig. Verder zich met Zijn ouders begevende naar de feesten te Jeruzalem, heeft Hij op Zijn twaalfde jaar een heerlijk bewijs van Zijn Godheid getoond onder de geleerden der wet, en heeft voorts een gewoon leven geleid, Zich met timmeren bezig gehouden onder Zijn vermeende vader Jozef, tot het dertigste jaar Zijns levens.

In het dertigste jaar Zijns levens, toen Tiberius, de derde keizer van Rome, regeerde, is Hij aan Israël geopenbaard, en door God Zijn Vader in het openbaar door de doop en de zalving des Heilige Geestes tot onze groten Profeet, Hogepriester en eeuwige Koning gewijd, dat is tot onze ware Messias en Zaligmaker.

En, om dit ambt ten onze beste te kunnen bedienen, heeft Hij Zich begeven tot vasten en bidden, waarin Hij is verzocht is geweest van de satan; maar hem krachtig overwinnende, heeft Hij het leraarsambt bediend met zulk een macht, volkomenheid en aangenaamheid, dat zelfs Zijn vijanden zich daarover verwonderden en zich ontzetten.

Zijn hemelse leer en de wil Zijns Vaders heeft Hij in Zijn eigen persoon, door Zijn goddelijke kracht, met zulk een overvloed van wonderen bevestigd en versterkt, dat zelfs de redeloze schepselen daarover bewogen en alle mensen verwonderd waren.

Hij heeft de kerk van God Zijn Vader hervormd en gezuiverd, alle dwalingen en vervalsingen van de wet verbeterd, de boosheden der mensen bestraft en de verdrukkers der waarheid gestadig overwonnen. Hij heeft Zich ook discipelen verzameld, en een kerk of geestelijk rijk opgericht. In Zijn leven heeft Hij onstraffelijk en onbevlekt gewandeld, opdat Hij de wet voor ons zou kunnen volbrengen, gelijk van de waren Messias werd vereist, en door de reine beesten in de offeranden is afgebeeld.

Hij was de schoonste en heerlijkste onder alle mensen; in voorkomen, gedaante en zeden aldus gesteld, dat Hij wonderlijk was en aangenaam boven alle schepselen, Welke de Engelen hebben begeerd te aanschouwen.

In één woord, in alles was Hij vol wijsheid, ernst en heerlijkheid; ja de kracht Zijner Godheid was vaak glansrijk en te aanschouwen in Zijn menselijk lichaam.

Maar om onzentwil is Hij integendeel geweest de allerverachtste en onwaardigste, een worm en geen mens, omdat Zijn gehele leven één gedurig lijden is geweest, opdat Hij ons door Zijn lijden zou heiligen; want wat hij heeft geleden van de ondankbare Joden, Schriftgeleerden, Farizeeën en vele andere Goddeloze mensen, en hoe menigerlei benauwdheden, gevaren en zwarigheden Hij voornamelijk gedurende de tijd van drie jaren heeft uitgestaan en verdragen, is met geen woorden uit te spreken, noch pen te beschrijven.

Doch men moet onderscheid maken tussen Hem en de martelaren, wier dood, hoewel kostelijk in de ogen des Heeren, niet tot verlossing van iemand strekt, maar om te bewijzen de volstandigheid van hun geloof en de vervulling der broederschap; want Christus heeft de pers alleen getreden, omdat Hij heeft geleden en gesmaakt de toorn Gods en de gramschap der hel, welke alle martelaren in het allerminst niet konden bedenken, laat staan lijden en dragen.

De kerkleeraars zeggen wel, dat het bloed der martelaren het zaad der kerk is, maar niet de verzoening der kerk. En, als zij gezegd worden de overblijfselen van het lijden van Christus te vervullen, dan is dit niet zo te verstaan, dat aan het lijden van Christus iets zou hebben ontbroken, maar dat zij Zijn voorbeeld navolgen, en alzo is Hij nog lijdende in Zijn heiligen. Want, zoveel de verzoening der kerk aangaat, zij is alleen verlost en gezuiverd door het dierbaar bloed van Christus Jezus, de Zoon Gods.

Voorts, benevens de verzoening in alle Christus, zo dient ons ook Zijn lijden tot een voorbeeld om na te volgen; want Hij is als onze Heere en opperste Hoofd ons voorgegaan, opdat wij, onder Zijn banier strijdende, door Hem zouden verkrijgen de volle overwinning tot onze zaligheid. Maar Hij is alzo niet de eerste onder alle martelaren, in deze tijd, onder keizer Tiberius; want het Lam Christus is van het begin der wereld aan geslacht, zodat Hij is de eerste en als het Hoofd der martelaren voor Abel en al de profeten, die ooit om des Heeren wil hebben geleden; maar eigenlijk heeft Hij in de volheid des tijd alle dingen door Zijn dood volbracht.

Ten laatste, nadat Hij het Heilige Avondmaal voor de Zijnen tot een gedachtenis van Zijn dood en verzegeling van hun zaligheid had ingesteld, is Hij van Zijn eigen discipel Judas verraden, en van een grote schare, uit gezonden door de Overpriesters, Schriftgeleerden en Ouderlingen van het volk, gewapend met zwaarden en stokken, gevangen genomen en gebonden.

Deze brachten hem eerst naar Annas, die Hem daarna gebonden zond naar Kajafas de hogepriester, waar de Schriftgeleerden en Ouderlingen vergaderd waren.

Voor deze Joodse raad is Hij vals beschuldigd, dat Hij gezegd had, dat Hij de stoffelijke tempel van Jeruzalem, die met handen gemaakt was, zou afbreken. en in drie dagen een anderen, zonder handen gemaakt, opbouwen. Daar heeft men ook verklaard, dat Hij een Godslasteraar was, omdat Hij Zich Gods Zoon had genoemd. Daar hebben enigen Hem in Zijn heilig aangezicht gespogen en met vuisten geslagen; anderen hebben Hem kinnebakslagen gegeven en gezegd: profeteer ons Christus, wie is het, die U geslagen heeft?"

Deze Joodse raad Hem, des doods schuldig geoordeeld hebbende, is Hij door tien aan de wereldlijken rechter Pontius Pilatus overgeleverd, met verzoek, dat Hij zou gekruisigd worden. Pilatus, wetende, dat de Joden Hem uit nijd hadden overgeleverd zocht alle middelen om Hem los te laten, en betuigde dat Hij, na naarstig onderzoek van alles, geen schuld in Hem vond; maar, ziende, dat Hij hierdoor bij hen niets vorderde en dat zij desniettegenstaande bleven roepen: "Kruis Hem, kruis Hem," en hem dreigden met de ongenade des keizers, zo heeft hij (nadat hij zijn handen met water gewassen en betuigd had, dat hij onschuldig was aan het bloed van deze Rechtvaardige, en de Heere Jezus had gegeseld) Hem aan de krijgsknechten overgeleverd om gekruisigd te worden.

Deze hebben Hem, in het rechthuis nemende, ontkleed, een purperen mantel aangedaan, een doornenkroon op het hoofd gezet, een rietstok in Zijn rechterhand gegeven, en, op hun knieën voor Hem neervallende, bespot, zeggende: wees gegroet, gij Koning der Joden;" en op Hem gespogen hebbende, hebben zij Hem met een rietstok op het hoofd geslagen, daarna de mantel afgedaan, en wederom Zijn eigen klederen aangetrokken, en aldus uitgeleid om gekruisigd te worden.

Eindelijk werd hij naakt tussen twee moordenaars gehangen,Zijn handen en voeten doornageld en aan het kruis gehecht. Onder vreselijke smarten des lichaams en der ziel, in de uiterste benauwdheid, om onzer zonden wil, uitroepende: mijn God, Mijn God, waarom hebt Gij Mij verlaten," is Hij gestorven, terwijl Hij Zijn ziel met vertrouwen in de handen van God Zijn Vader beval, in de leeftijd van drie en dertig jaren, omtrent het achttiende jaar der regering van Tiberius, de derde keizer van Rome.

De Heere Jezus Christus is na Zijn dood door Jozef van Arimathea en Nicodemus op eervolle wijze ter aarde besteld en begraven, en ten derde dag als de eersteling dergenen, die ontslapen zijn, opgestaan uit de doden, tot eeuwige onsterfelijkheid. Na veertig dagen is Hij openlijk voor de ogen Zijner Apostelen naar de hemel gevaren, en gezeten aan de rechterhand Gods, om op de jongste dag vandaar terug te komen, teneinde te oordelen de levenden en de doden, en Zijn gelovigen op te wekken, en met lichaam en ziel over te brengen in het eeuwige leven.

 

Johannes de Doper onthoofd, en zijn hoofd aan de overspelige Herodias gebracht

 

[JAAR 32.]

 

Johannes, bijgenaamd de Doper, uit de stam van Aäron, een zoon van de priester Zacharias en zijn vrouw Elisabeth, naar het bevel van de Engel aldus genaamd, werd geboren ten tijde van de koning Herodes, en wel op een wonderbare wijze, toen zijn ouders op hogen leeftijd gekomen waren, en is van zijn geboorte aan vervuld geweest met de Heilige Geest.

Toen hij nu omtrent dertig jaren oud was, (ongeveer een half jaar voor de Heere Christus Zijn Profetisch ambt begon) in het vijftiende jaar der regering van de keizer Tiberius, toen Pontius Pilatus stadhouder was, ten tijde van de Hogepriesters Annas en Kajafas, is hij van God geroepen en gezonden om te prediken de doop der bekering tot vergeving der zonden, en als een Engel of bode voor het aangezicht van Christus de weg te bereiden voor de Messias, en het hart der vaderen te bekeren tot de kinderen.

Aangaande de heerlijkheid van deze man had de Engel des Heeren gezegd, dat velen zich over zijn geboorte zouden verblijden, dat hij groot zou zijn voor de Heere, om voor Hem te bereiden een toegerust volk, en (zoals niet alleen de Profeten, maar ook Zacharias van hem door de Geest des Allerhoogste had voorgezegd) om Zijn volk kennis der zaligheid te geven, in vergeving van hun zonden.

Als Johannes nu van God aldus was geroepen en gezonden, om van het licht van Christus te getuigen, kwam hij aan de Jordaan bij Salim en elders, terwijl hij doopte en leerde. Hij bezat een uitnemende geest en verstand; en velen kwamen er om van.hem gedoopt te worden en naar zijn leer te horen, onder wie vele geveinsden en boze mensen, wien hij ernstig de waarheid zei, bestrafte en vermaande tot bekering. De arme zondaars, tollenaars, krijgslieden en anderen heeft hij met groten ijver onderwezen en getroost in de weg der zaligheid.

Toen hij met zijn werk begon, kwam Christus aan de Jordaan en Deze verzocht door hem gedoopt te worden, hetwelk hij eerst uit nederigheid en met een goede bedoeling weigerde; maar Christus overtuigde hem, dat zulks nodig was, zodat hij Hem dan ook doopte en dadelijk van Christus getuigde dat Hij het Lam Gods en de Bruidegom Zijner kerk, ware Messias, Wiens schoenen hij niet waardig was Hem na te dragen.

Aangezien Johannes doopte en leerde onder een zeer groten toeloop van volk, waren er velen die twijfelden, of hij zelf niet de Messias was, welke eer hij echter van zich afgewezen en Christus, Wien zij alleen toekwam, gegeven heeft. De Farizeeën en Joden hebben toen hun gezanten tot hem gezonden, om hem te vragen naai, zijn roeping, zending en gezag, omdat hij de Evangelische leer verkondigde, en nochtans de Christus niet was. Hij heeft hun echter zo geantwoord, dat zij bedremmeld en beschaamd heengingen. Toen nu Johannes (die zeer ijverig, was,) vele leerlingen maakte, en die leerde vasten en bidden en hij van zijn werk zich met loffelijke ijver kweet, won hij in grote mate het vertrouwen, aanzien en gezag bij alle mensen, zelfs bij de koning Herodes Antipas, die hem in waarde hield en graag hoorde. Maar deze koning had zich aan een goddeloze daad schuldig gemaakt, door namelijk zijn eigen vrouw, de dochter van Aretas, de koning van Arabië, te verstoten, en de vrouw van zijn broeder Filippus, nog bij het leven van haren man, tot zich te nemen, terwijl zijn broeder reeds enige kinderen bij haar had verwekt. Dit kon Johannes overeenkomstig zijn ambt niet verduren, noch verdragen, en zonder vrees voor ondank of geweld heeft hij hem openlijk over deze bloedschande bestraft. Doch, daar de goddelozen niet willen bestraft worden, zo haatte hij hem, en zocht een aanleiding om hem te doden. En aangezien velen dachten, dat hij de Messias was, waardoor de toeloop van het volk dagelijks groter werd, zo heeft Herodes Johannes (onder de naam van oproermaker) laten gevangen nemen en overbrengen in de kerker Machaerus.

Intussen heeft Johannes zijn werkzaamheden niet gestaakt, en zelfs uit Zijn gevangenis enige van zijn discipelen tot Christus gezonden, om hen en anderen door Christus, leer en wonderen van de waarheid van Diens toekomst te verzekeren, gelijk ook heeft plaats gehad.

De Heere Christus heeft niet alleen toen, maar ook later bij herhaling een goede getuigenis gegeven van zijn leer, standvastigheid, zijn doop, en gesproken van zijn klederen, eten en drinken, in één woord, dat hij in alles was de ware, geestelijke Elia, een brandende kaars, de grootste Profeet onder hen, die van vrouwen geboren waren. Dat hij geen tekenen deed, was misschien wel daarom, opdat men niet menen zou, dat hij de Christus was.

Maar de goddeloze en ontuchtige Herodias, nog niet tevreden, dat Johannes gevangen zat, legde hem lagen, om hem zo mogelijk te laten doden, doch dit gelukte haar niet, want Herodes vreesde Johannes. Doch op de verjaardag van Herodes gaf deze aan zijn hovelingen een luisterrijken maaltijd, waarbij het dochtertje van Herodias, ten genoegen van al deze lichtzinnige lieden, zeer mooi danste. Herodes beschonken zijnde, vond daarin zulk een beha gen, dat hij het met ede bezwoer, haar alles te zullen geven, wat zij begeerde. Nu had Herodias gelegenheid zich op Johannes te wreken, en raadde haar dochter aan, van Herodes te vragen, dat haar terstond het hoofd van Johannes de Doper in een schotel zou gebracht worden. Herodes, dit horende, was zeer bedroefd; maar om zijn lichtvaardig gezworen eed te houden, en om (zogenaamd) zijn woord niet te breken tegenover zijn hovelingen, stond hij haar verzoek toe; liever zijn zondigen eed houdende, dan die te breken, waarmee hij echter zich zo niet zou bezondigd hebben. De scherprechter werd nu naar de gevangenis gezonden, en deze beeft Johannes zonder enig rechterlijk vonnis onthoofd, terwijl het hoofd van deze Profeet, tot een bewijs van hun wreedheid, ten spot en schouwspel van deze goddeloze lieden, ja tot een getuigenis van de barbaarsheid van hen allen in een schotel gebracht werd. Alzo hebben zij hem, onder toelating van de Voorzienigheid Gods vervolgd, gelijk zij begeerden.

De wrede Herodias wenste wel, dat Johannes’ lichaam onbegraven op het veld weggeworpen en door de dieren verslonden zou worden, opdat men te minder aan hem als ook aan haar overspel zou denken, doch zijn leerlingen hebben zijn lichaam weggenomen en begraven.

Dit geschiedde omtrent het jaar 32 na de geboorte van Christus, en zijn lijk is te Sebaste in Palestina bewaard gebleven tot de tijd van Julianus. Toen is zijn gebeente door de vijanden der waarheid verbrand en de as in de wind verstrooid. Maar de Heere heeft de dood van deze man in Herodes, Herodias en haar dochter (zoals de geschiedenis getuigt) zeer zwaar gestraft.

 

Stefanus, de diaken, gestenigd

 

[JAAR 34.]

 

Stefanus, wiens naam vertaald wil zeggen "kroon" was, naar de mening van Doretheüs, een van de zeventig leerlingen van Christus, hoewel Eusebius zegt, dat men niet juist beschreven vindt, vanwaar hij was, en of hij een Jood was of een Griek (gelijk het laatste uit zijn naam schijnt te volgen) is niet met zekerheid bekend. Zo weet men ook niet, waar hij is geboren en wie zijn ouders zijn geweest. Lukas verhaalt, Hand. 6 vs. 5, dat hij de eerste was van de zeven diakenen, een man vol des geloofs en des Heilige Geestes; en nadat hij door de Apostelen met oplegging der handen in zijn dienst was bevestigd, is hij ook begaafd geweest met krachten en wonderdaden, en deed grote tekenen onder het volk.

Hij was zeer geleerd en welsprekend. Misschien behoorde hij vroeger tot de sekte der Libertijnen, die met anderen met hem twistten; maar zij konden de wijsheid en de Geest, door welke hij sprak, niet weerstaan, zodat zij, volgens hun oude aard, met vele valse getuigen teen hem opstonden onder het volk oproer verwekten en hem beschuldigden, dat hij lasterlijke woorden had gesproken tegen de wet en de tempel, en dat hij betuigd had, dat Jezus van Nazareth die plaats zou verbreken, en de zeden veranderen,die Mozes hun had overgeleverd. Om dit alles werd Hij gevangen genomen, en, in de raad gebracht, terwijl zij zagen dat zijn aangezicht blonk als van een Engel. Hoe hij zich heeft verontschuldigd, Christus' eer gehandhaafd en de waarheid verdedigd, blijkt uit de welsprekende en belangrijke redevoering, die hij gehouden heeft voor de gehelen Joodse raad te Jeruzalem, gelijk wij zien Hand. 7, waarin hij het gehele Oude Testament, de wet en de Profeten doorliep, en eindelijk alles toepaste op Jezus Christus, Die het einde der wet is lot rechtvaardigmaking voor een iegelijk, die gelooft, hen bestraffende, dat zij de Profeten hadden gedood, die tevoren verkondigd hadden de komst des Rechtvaardigen van Wie zij nu verraders en moordenaars geworden waren.

Toen zij dit hoorden, barstten hun harten en knarsten zij de tanden tegen hem; maar hij, vol zijnde des Heilige Geestes, en de ogen houdende naar de hemel, zag de heerlijkheid Gods en Jezus staande ter rechterhand Gods, Die hem van de zaligheid verzekerde en versterkte in zijn lijden, terwijl Stefanus zei: "Ziet, ik, zie de hemelen geopend, en de Zoon des mensen, staande ter rechterhand Gods." Maar zij, roepende met grote stem, stopten hun oren, vielen eendrachtig op hem aan, wierpen hem de stad uit en stenigden hem. Maar de stenen waren hem als beken der zoetigheid. Met een grote stem riep hij: Heere, "reken hun deze zonde niet toe;" en, terwijl hij op de knieën neerviel, zei hij: ",Heere Jezus, ontvang mijn geest."

Alzo is Stefanus ontslapen in de Heere in het jaar 34 na de geboorte van Christus, zijnde het negentiende jaar van de regering van Tiberius, in het zevende jaar na de doop van Christus, hetwelk het acht en dertigste jaars zijns ouderdoms was. Enige godvruchtige mannen begroeven hem, en hieven over hem een grote rouwklacht aan.

 

Jakobus, de zoon van Zebedeüs, onthoofd

 

[JAAR 45.]

 

Jakobus, de zoon van Zebedeüs en Salome, genaamd de grote, ter onderscheiding van Jakobus, de zoon van Alfeus, niet omdat hij ouder of voornamer was dan de andere, maar omdat hij voor hem was geroepen tot een discipel van Christus. Hij was een visser, die, gehoorzaam aan Christus, alles verliet en Christus is nagevolgd. Met anderen werd hij geruime tijd in het Apostelambt onderwezen, totdat hij ordelijk daartoe werd uitgezonden onder de Joden, toegerust met gaven om tekenen en wonderen te doen; en wegens zijn uitnemende gaven werd hij een van de drie Boanerges, dat is, zonen des donders, genaamd. Bij alle niet openbare handelingen van Christus was hij tegenwoordig, zoals bij het opwekken van het dochtertje van Jaïrus, alsook bij de verheerlijking van Christus op de berg, en in de hof van Gethsemané.

Daar hij zich hierop schijnt verhovaardigd te hebben, heeft hij zich boven zijn medeapostelen zoeken te verhellen, zodat zijn moeder aan Christus verzocht, of haar beide zonen, van wie hij er een was, in zijn koninkrijk zouden zitten, de een aan zijn rechter, en de andere aan zijn linkerhand. Christus heeft echter dit verzoek bestraft, toen Hij zei: "Gijlieden weet niet, wat gij begeert; kunt gij de drinkbeker drinken, die Ik drinken zal, en met de doop gedoopt worden, waarmee Ik gedoopt wordt? En als hij en zijn broeder Johannes zich daarop lichtvaardig hadden beroemd, heeft Christus hun voorzegd, dat zij Zijn drinkbeker wel zouden drinken, en met de doop, waarmee Hij gedoopt werd, gedoopt zouden worden, maar dat het zitten aan Zijn rechter- aan Zijn linkerhand bij Hem niet stond te geven, maar dat het zal gegeven worden, aan wie het bereid is van Zijn Vader. Na Christus' dood heeft hij zich bij de andere Apostelen gevoegd, om ook getuige te zijn van Zijn lijden, dood en opstanding, en om in de veertig dagen na Zijn opstanding, onderwezen te worden in de dingen van Zijn koninkrijk. Na de hemelvaart van Christus bleef hij te Jeruzalem, en, toen hij ook daar de Heilige Geest ontvangen had, predikte hij het Evangelie in Judea en Samaria. Vandaar is hij (zoals sommigen verhalen) naar Spanje gegaan; maar, daar weinig vrucht op zijn werk ondervindende, is hij naar het Joodse land teruggekeerd, waar hij, naar men zegt, te doen had met Hermogenes, een tovenaar, en vele wonderen gedaan heeft. Abdias, bisschop van Babylonië, en anderen verhalen vele dingen van hem, die wij echter, omdat zij zeer fabelachtig zijn, verzwijgen.

Deze Apostel heeft niet langer geleefd dan tot omtrent het vierde jaar der regering van Claudius, toen Agabus een hongersnood over de gehele wereld had voorzegd. Toen heeft deze keizer aan Herodes Agrippa bevolen de kerk van Christus te verdrukken. Om het volk te behagen, sloeg deze koning zijn bloedige handen aan deze Apostel, heeft hem even voor het Paasfeest in de gevangenis gezet en daarna ter dood veroordeeld, zodat hij te Jeruzalem met het zwaard gedood is in het jaar 45 na Christus' geboorte. Clemens verhaalt, dat de scherprechter toen deze zijn onschuld zag, tot het christendom bekeerd en ook met hem gestorven is.

 

Jakobus, de zoon van Alfeüs, doodgeslagen

 

[JAAR 63.]

 

Jakobus, de zoon Alfeüs en van Maria de zuster van Christus' moeder, werd de Kleine genoemd, ter onderscheiding van Jakobus, de zoon van Zebedeüs en broeder van Johannes. Hij werd de broeder des Heeren genoemd, dat is, zijn neef, naar Hebreeuwse wijze, en had nog andere broeders, als Judas, Thaddeüs, Simon en Joses.

Deze Jakobus is door Christus, na behoorlijk onderwijs, tot Apostel aangesteld, toegerust met gaven, en uitgezonden ten dienste der Joden, waarvan hij zich tot Christus' dood zeer goed gekweten heeft. Daarom is hij ook met anderen uitgezonden om het Evangelie te verkondigen, hetwelk hij gedaan heeft onder de Joden tot de dood van Stefanus. En, ofschoon Petrus, Jakobus en Johannes, zijn broeder, de bijzondere Apostelen waren, zo is deze na de dood van Jakobus voor een van de drie pilaren der kerk gehouden geworden.

De Apostelen hebben hem verkozen tot een eerste opziener der moeder van alle kerken, namelijk Jeruzalem, van welke het woord des Heeren zou uitgaan, en wel terstond na de dood van Christus.

Gedurende dertig jaren heeft hij deze dienst getrouw waargenomen, en bracht er velen tot het waarachtig geloof, niet alleen door de zuivere leer van Christus (door deze inzonderheid), maar ook door zijn heilig leven, waarom hij de Rechtvaardige is genoemd. Hij was zeer verstandig en heilig, ook in kleding, spijs, en drank, een rechte Nazireeër, en bad dagelijks voor Gods kerk en de algemene welvaart.

Deze Apostel heeft een zendbrief geschreven tot vertroosting van de twaalf stammen, die in de verstrooiing waren, in al hun lijden en tegenspoed, waarin hij voornamelijk het rechtvaardigmakende, in daden zich openbarende geloof en andere heilzame en christelijke leringen behandelt. Maar, daar de hardnekkige Joden zijn heilzame leer niet langer konden verdragen, heeft Ananias, de hogepriester, een stout en wreed jonge man, hem voor de rechters gedaagd om hem te dwingen, dat hij zou loochenen, dat Jezus de Christus is, en het geloof te verzaken in de Zoon van God en in de kracht Zijner opstanding. Om die reden stelden hem de Schriftgeleerden en Farizeeën op het dak van de tempel, ten tijde van het Paasfeest, om voor het gehele volk zijn geloof af te zwelen; maar, toen hij daar voor het volk stond, beleed hij met de grotere vrijmoedigheid, dat Jezus is de Christus. de beloofde Messias, de Zoon van God, onze Zaligmaker, en dat Hij als Zoon des mensen gezeten is aan de rechterhand Gods, vanwaar Hij zal komen op de wolken van de hemel, om te oordelen de levenden en de doden. Over deze vrijmoedige belijdenis van Jakobus prees het gehele volk God, roepende: Hosanna, de Zoon Davids!" Maar de harten van de Overpriesters, Schriftgeleerden en Farizeeën barstten van nijd, en enige van hen klommen op het dak, en stieten hem van boven neer en stenigden hem. Die val deed hem echter niet dadelijk sterven, doch wel de een breken; en, op de knieën liggende, bad hij nog voor hen, die hem stenigden, zeggende: Heere, vergeef het hun, want zij weten niet, wat zij doen." En, toen een van de priesters nog voor zijn leven wilde bidden, zeggende: Wat doet gijlieden toch! houd op met stenigen, want deze rechtvaardige bidt voor ons," heeft een dergenen, die daar tegenwoordig waren, hem met een volderstok een slag aan de slaap van het hoofd gegeven, zodat hij stierf, en hij werd in de nabijheid van de tempel begraven. Dit geschiedde in het jaar 63 onzes Heeren, in het 96ste jaar zijns ouderdoms, in het zevende jaar der regering van Nero, toen het stadhouderschap onbezet was, tussen de dood van Festus, en de komst van zijn opvolger Albinus.

 

Barnabas te Salamis verbrand

 

[JAAR 63 OF 64.]

 

Barnabas of Barsabas, een man vol des Heilige Geestes, die genaamd was Jozef of Joses, met de bijnaam Justus was een Leviet van Cyprus, die de Apostelen genoemd hebben Barnabas, dat is een zoon der vertroosting, zoals hij dat in zijn leven aan de armen heeft bewezen. Hij wordt ook gehouden voor een van de zeventig discipelen van Christus. Wegens de vele namen, die hij draagt, kennen wij zijn vermaardheid en aanzien, die hij ook in alles heeft betoond, want hij heeft Paulus na zijn bekering bij de Apostelen ingeleid. En, als het woord Gods te Antiochië door enige Cyprische en Cyrenische mannen aan de Grieken werd gepredikt, is hij door de Apostelen daarheen gezonden, om deze zaak te onderzoeken; en, toen hij alles naar waarheid bevond heeft hij hen, als een Apostel, in de Christelijke waarheid bevestigd en versterkt.

Daarna ging hij naar Tarsen, om Paulus te zoeken, en bracht hem te Antiochië, waar zij een geheel jaar bleven en het volk leerden. Toen de hongersnood uitbrak ten tijde van keizer Claudius, heeft hij en Paulus een goede handreiking overgebracht aan de broeders, die in Judea woonden. Vandaar keerde hij weer naar Antiochië, waar hij door het bevel van de Heilige Geest werd uitgezonden, om in vele landen het Evangelie te prediken, waar hij, om zijn welsprekendheid, dikwijls het woord heeft gevoerd. Te Antiochië was een grote twist ontstaan over de noodzakelijkheid van de besnijdenis, en nu reisde hij met Paulus naar Jeruzalem naar de Apostelen en Ouderlingen, die daar over deze zaak elkaar geraadpleegd, en samen een besluit genomen hebben. Vervolgens hebben zij dit besluit, in gezelschap van Judas en Silas, overgebracht naar Antiochië, waardoor er een einde aan deze twist kwam. Daarna hielden zij zich enige tijd te Antiochië op, en, toen zij weer op reis zouden gaan, om de gemeenten onder de heidenen nog eens te bezoeken en in het geloof te versterken, ontstond er twist onder hen beiden, en wel om Johannes Marcus, die hen vroeger op reis naar de heidenen had vergezeld, maar te Pamphylië was teruggekeerd, en zich aan het werk onder de heidenen had onttrokken, waarom Paulus het niet goed achtte Johannes Marcus weer mee te nemen. Hierdoor ontstond er een verbittering tussen de twee getrouwe dienaren van Christus, zodat zij van elkaar scheidden. Paulus nam Silas met zich en doorreisde met hem Syrië en Cilicië de gemeenten versterkende. Nu nam Barnabas Johannes Marcus mee, voer met hem naar Cyprus, en volbracht het werk, dat hem was opgelegd, gelijk Hiëronymus met lof van hem heeft getuigd.

Toen hij later op het eiland Cyprus terugkwam, moest hij daar de martelaarskroon dragen, want te Salamis, een grote stad op Cyprus, die thans Famagusta heet, gekomen zijnde, om de gemeente daar in het geloof te versterken, werd hij door een Joodse tovenaar zeer kwalijk bejegend. Deze ruide de Joden en het gehele volk tegen hem op, zodat zij hem in een oproer gevangen namen, en tot de rechter wilden brengen; maar, uit vrees, dat de rechter zijn onschuld zou bemerken, en hem loslaten, hebben zij hem (na hem eerst schandelijk mishandeld te hebben) een touw om de bals gedaan, buiten de stad gesleept en daar verbrand. Alzo is deze trouwe dienaar van Christus in zijn vaderland met de martelaarskroon vereerd en zalig in de Heere ontslapen, en wel korte tijd nadat Jakobus de Rechtvaardige te Jeruzalem was gedood, niet lang voor de dood van Petrus en Paulus, ten tijde van keizer Nero, doch voor de afkondiging en het bevel van de eerste heidense vervolging plaats had.

 

Marcus, de Evangelist, buiten Alexandrië gesleept om verbrand te worden, en onderweg gestorven

 

[JAAR 64].

 

De Evangelist Marcus wordt algemeen gehouden voor Johannes, bijgenaamd Marcus, een man uit de besnijdenis en neef van Barnabas, wiens moeder Maria heette, en een zeer godzalige vrouw was, die haar woning te Jeruzalem leende tot de samenkomsten der Christenen. Hij was eerst verkozen tot een dienaar van Paulus en Barnabas; maar op de reis naar Pamphylië keerde hij weer naar Jeruzalem terug. Om hem (zoals wij in het leven van Barnabas verhaald hebben) ontstond er een verbittering tussen Paulus en Barnabas, zodat zij van elkaar scheidden, en Paulus Silas meenam op reis en Barnabas deze Marcus. Maar, toen deze twist geëindigd, en de zaak bijgelegd was, beval Paulus uit zijn gevangenis deze Marcus der gemeente van Colosse aan, en verzocht, dat zij hem ontvangen zouden als een medearbeider in het koninkrijk Gods; en gebood ook Timotheüs, dat hij Marcus zou meenemen en bij hem brengen, omdat hij hem zeer nuttig was tot de dienst. Hij heeft ook bij Paulus in de gevangenis vertoefd, en hem grote en getrouwe hulp en bijstand in zijn gevangenschap bewezen. Petrus noemt Marcus ook zijn zoon, zonder twijfel, omdat hij hem voor, Christus had gewonnen, of omdat hij zijn leerling, tolk en schrijver was; want het Evangelie heeft hij, op verzoek van de gelovige broeders te Rome geschreven, na de dood van Simon de tovenaar, op last en bevel van Petrus, volgens de mededelingen, die hij aangaande Christus uit Petrus' mond had ontvangen, zoals ook Hiëronymus getuigt, als hij zegt: Marcus, een leerling van Petrus, daartoe van de broeders te Rome verzocht zijnde, naar hetgeen hij Petrus had horen verhalen, heeft een kort Evangelie geschreven, hetwelk Petrus na het gezien te hebben, heeft goedgekeurd en aan de gemeente op zijn woord gelezen, gegeven.

Daarna is Markus door Petrus naar Egypte gezonden, en, terwijl hij zijn reis nam over Aquila de hoofdstad van Friol, heeft hij daar velen tot het geloof gebracht en Hermagoras tot een herder over die gemeente achter gelaten. Vervolgens reisde hij naar Afrika, en heeft in Lybië, Marmorika, Ammonika, Pentapolis allerwegen het Evangelie verkondigd, en vertoefde enige jaren te Alexandrië, dat hij tot zijn woonplaats genomen heeft.

Aangaande zijn dood schrijft Hiëronymus alleen, dat hij te Alexandrië gestorven en begraven is, in het achtste jaar van de regering van Nero, het vier en zestigste na de geboorte van onze Zaligmaker, en dat Anianus daarin zijn plaats opziener geworden is. Gelasius beweert, dat hij als martelaar is gestorven. "Marcus", zegt hij, "door Petrus naar Egypte gezonden zijnde, heeft het woord der waarheid daar trouw gepredikt, en zijn getuigenis met zijn bloed heerlijk bezegeld." Met dit bericht stemmen ook alle oude en nieuwe Griekse en Latijnse martelaars boeken overeen.

De geschiedenis meldt verder, dat, toen Marcus in het achtste jaar der regering van Nero op het Paasfeest gedachtenis vierde van het bitter lijden en sterven van Christus, de heidense priesters met al het volk hem overvallen, en met baken en touwen, die zij om zijn lichaam hadden geslagen, uit de vergaderplaats getrokken, en langs de straten tot buiten de stad gesleept hebben, zodat het merendeel van zijn vlees aan de scherpe stenen is blijven hangen, en zijn bloed op de grond werd vergoten, totdat hij, onder het uitspreken van de laatste woorden van onze Zaligmaker, zijn geest in de handen van de Heere overgaf, uitroepende: “Heere, in uw handen beveel ik mijn Geest!"

 

De tien bloedige vervolgingen van de Christenen onder de Heidense keizers van Rome

 

De eerste vervolging van de christenen onder keizer Nero

 

Volgens de getuigenis van keizer Trajanus, heeft Nero te Rome zo loffelijk geregeerd, als ooit enige keizer tevoren. In de aanvang van zijn regering was hij zachtmoedig, en zo afkerig van mensenbloed, zelfs op wettige wijze, te vergieten, dat hij wenste niet te kunnen schrijven, als hem verzocht werd het doodsvonnis te ondertekenen van enige oproermakers. Na vijf jaren aldus geregeerd te hebben, is hij daarna als aan de duivel overgegeven en verkocht, om alle boosheid en schandelijkheid gierig te bedrijven, zo zelfs dat het scheen, alsof de duivel lichamelijk in hem woonde, want deze zijn meester leerde hem in de eerste plaats zijn toverkunst door Simon de tovenaar, de eerstgeboren zoon des duivels, die voor de raad te Rome, om Nero de keizer te behagen, een beeld heeft opgericht met het opschrift: Aan Simon de heiligen God. Zijn duivels leermeester, die een leugenaar en mensenmoorder van de beginne is geweest, heeft hem tot alle gruwelijke lusten aangezet, zodat hij wenste een wereldbrand en een afbeelding van de brand van Troje, benevens de plaats, waar hij in het lichaam van zijn moeder gelegen had, te zien. Om van zijn onkuisheid te zwijgen, heeft hij zijn moordlust het eerst aan zijn broeder Britannicus geopenbaard, die hij heeft laten vergeven. Het lichaam van zijn eigen moeder Agrippina, die hem, door het toedienen van vergif aan haar man Claudius, het keizerrijk bezorgde, heeft hij later opengesneden. Octavia, zijn wettige huisvrouw, heeft hij met het zwaard laten ombrengen, omdat zij geen kinderen ter wereld bracht; en Poppea, zijn bijzit, tot vrouw genomen hebbende, heeft hij, terwijl zij in vergevorderde staat van zwangerschap verkeerde, dood geschopt. Seneca, zijn getrouwe leermeester, heeft hij een ader doen openen en alzo laten doodbloeden.

Hij al deze boosheden was hij de eerste, die de algemene en openbare bevelen tegen de Christenen door de gehele wereld heeft laten afkondigen, met het doel om die in alle landen door het vuur, het zwaard en op andere wijze te vervolgen, hetgeen Tertullianus de raad van Rome openlijk verweet, zeggende: "Leest uw eigen geschiedenis, waar gij vinden zult, dat Nero de eerste is geweest, die tegen deze sekte (te weten der Christenen), die toen te Rome het talrijkst was, gewoed heeft. Maar wij beroemen ons ook tegelijk op een zodanigen eerste bewerker van onze veroordeling, want die hem kent weet, dat het een grote zaak is door hem veroordeeld te zijn." Op een andere plaats zegt dezelfde Tertullianus: "Nero is de eerste geweest, die het toenemend christendom te Rome met bloed heeft gemengd.” De inhoud van het bevel luidde aldus: “Zo wie bekent, dat hij een Christen is, zal als een verklaard vijand van het menselijk geslacht, zonder zich nader te mogen verdedigen, met de dood gestraft worden."

De reden, waarom Nero de Christenen zo wreed heeft vervolgd, was niet gelegen in de schuld of misdaden der Christenen zelf, maar vond zijn aanleiding in een groten brand, die enige dagen achtereen heeft gewoed, waardoor het grootste gedeelte van die schone stad is vernield. Toen namelijk Nero zag, dat de Romeinen hierover zeer verbolgen waren, verspreidde hij het gerucht, dat de Christenen dit hadden gedaan, hoewel hij zelf de brand gesticht, en met vreugde van de hoge toren buiten de stad had aanschouwd, daar hij een voorstelling wenste te hebben van de brand te Troje, en het voornemen had een nieuwe stad te bouwen, en die naar zijn naam te laten noemen. Hierop is toen een hevige en wrede vervolging tegen de Christenen uitgebroken, niet alleen te Rome, maar ook in andere streken en landen, die voortduurde tot zijn dood.

Wie de eerste martelaars in deze vervolging geweest zijn, werd in de geschiedboeken of andere geschriften niet gemeld, doch wij stellen ons tevreden, dat hun namen geschreven zijn in het boek des levens. Daarom echter is hun roem in Christus niet kleiner, daar de heidenen zelf gedrongen werden een goede getuigenis van hen af te leggen, en openlijk hebben bekend, dat het niet wegens de brand was, maar alleen uit haat dat de Christenen zo wreed vervolgd zijn. Van deze valse beschuldiging door Nero aangaande de Christenen, zet Tacitus: “Nero, om de beschuldiging van brandstichting van zich te werpen, heeft hen, die het volk Christenen noemt, daarvan aangeklaagd en met vreselijke straffen gemarteld. Deze naam is afkomstig van Christus, die in de tijd van Tiberius’ regering, door de landvoogd Pontius Pilatus, in het openbaar is gedood. Die nu beleden, dat zij Christenen waren, en later zijn van deze een grote groep ontdekt, zijn eerst gevangen genomen, en vervolgens veroordeeld, niet zozeer wegens de brand, als uit haat, die het menselijke geslacht hun toedroeg. Het ombrengen ging gepaard met veelvoudige bespotting. Men wikkelde hen in huiden van wilde dieren, liet hen door honden verscheuren, of aan kruisen nagelen, of op brandstapels verteren, zo zelfs, dat zij ’s nachts als brandende lichten de toeschouwers moesten dienen." Tacitus erkent dan voldoende, dat Christenen aan brand geen schuld hadden, doch dat zij onder beschuldiging daarvan, hebben moeten lijden.

Nu zullen wij vervolgen met de mededeling van de voorbeelden van de Apostelen en anderen, die onder de wrede bloedhond voor de goddelijke waarheid hun bloed hebben gestort.

 

Simon Petrus gekruisigd te Rome, onder keizer Nero

 

Simon, de zoon van Jona en broeder van Andreas, geboren te Bethsaida in Galilea, was een visser van beroep, die zijn huis en woonplaats had te Kapernaüm bij de moeder van zijn vrouw. Door zijn broeder Andreas, die een leerling van Johannes de Doper was, werd hij het eerst tot Christus gebracht, en spoedig daarna met zijn broeder van de zee geroepen, om een visser der mensen te worden. Toen Christus hem uitzond tot de verloren schapen van het huis Israëls, gaf Hij hem de naam van Cefas of Petrus. Van Christus genoot hij een uitnemend onderwijs en is in Diens school derwijze toegenomen., dat hij als het ware de mond of woordvoerder van al de Apostelen is geworden. Voornamelijk was hij de vrijmoedigste in het vragen en antwoorden, als ook de meest ijverende voor Christus, om Hem zijn liefde en trouw te bewijzen, hoewel hij zijn ijver dikwerf zeer onnadenkend en zonder kennis betoonde, zoals hij ook daarover dikwijls door zijn Meester is bestraft geworden; nochtans beminde Christus hem niet minder dan de anderen, en was hij bij Hem in grote achting en aanzien. Hij was een van de drie Boanerges, dat is, zonen des donders, en met Jacobus en Johannes getuige van Christus’ verheerlijking op de berg. In de volgorde der namen komt hij in de eerste plaats voor, niet om het hoofd te zijn of heerschappij te hebben boven de anderen, want dit heeft Christus hun allen met duidelijke woorden en Zijn voorbeeld verboden, maar om hem te eren als de aanzienlijkste onder hen. Hij werd gebonden voor een pilaar der kerk, doch hij niet alleen, want de anderen waren het ook. Hem waren de sleutels van het koninkrijk beloofd, maar, toen die werden gegeven, ontving hij geen meerder gezag dan de anderen. Christus beval hem wel Zijn schapen te hoeden, maar hem niet alleen, want de anderen werd dit ook opgedragen. Hij heeft ook nooit enige heerschappij over de anderen gevoerd, maar zich graag aan het oordeel van anderen onderworpen; ja hij heeft zich door de Apostelen laten uitzenden en geleiden, zelfs bestraffen, wanneer hij niet goed handelde.

Hoewel hij de stoutste was in zich te beroemen met Christus te willen lijden, en de zwakste toen de strijd begon, nochtans heeft hij daarna met grote vrijmoedigheid het woord gevoerd tot de menigte. Door de kracht van de Heilige Geest was hij zodanig versterkt, dat hij voor niemand, hoe groot ook en machtig naar de wereld, heeft gevreesd; en bijzonder vrijmoedig betoonde hij zich in het bestraffen van zondaren. Rijke vruchten heeft zijn werk gedragen, zo zelfs, dat hij wel eens enige duizenden mensen tegelijk tot het geloof heeft gebracht. Zijn leer heeft hij ook met tekenen, zoals Christus beloofd had, bekrachtigd, als aan de kreupele, Ananias en Saffira, Eneas, Tabitha en anderen. De wil des Heeren tot de roeping der heidenen werd hem van de hemel geopenbaard. En, daar hij eigenlijk een Apostel was der Joden, heeft zijn arbeid zich krachtig onder de besnijdenis betoond.

Wel heeft de Heere Christus aan Petrus diens dood voorzegd, maar hij heeft eerst veel om Christus' wil geleden. Te Jeruzalem, waar hij van de waarheid van Christus op krachtige wijze getuigenis aflegde, is hij met Johannes gevangen genomen en voor de Joodse raad gebracht, die hen scherp heeft bedreigd, dat zij niet meer in de naam van Jezus zouden spreken of leren.

Daaraan hebben zij echter geen gehoor gegeven, maar antwoordden hun: "Oordeelt gij, of het recht is voor God, ulieden meer te horen dan God?”

Terwijl Petrus weer gevangen genomen was met de andere Apostelen, zijn zij ‘s nachts op wonderdadige wijze door de Engel, die de gevangenis opende, eruit geleid.

Daarna zijn zij andermaal gevangen genomen, en door de Joodse raad gegeseld, en met het bevel, dat zij niet meer zouden spreken in de naam van Jezus, heeft men hen laten gaan, terwijl zij verblijd waren, dat zij waren waardig geweest, om Zijns naams wil smaadheid te lijden.

Daarna liet Herodes Petrus te Jeruzalem in de gevangenis zetten, met het voornemen om hem na het Paasfeest te doden, zoals hij Jakobus, de broeder van Johannes, om het volk te behagen, had gedaan, doch God heeft hem ‘s nachts van zijn ketenen en uit de sterk gebouwde gevangenis verlost.

Petrus is ook te Antiochië geweest, en heeft daar de gemeente Gods gesticht. Toen hij daarna in het Joodse land was teruggekeerd, heeft hij een grote strijd gehad met Simon de tovenaar. Ook heeft hij Babylon bezocht, en wel Babylon in Assyrië, welke stad vroeger de zetel des rijks was. Want, aangezien Petrus een Jood was en een Apostel der Joden, zo bezocht hij op zijn reizen zijn volk van welke velen, na de Babylonische ballingschap, in die Oosterse landen woonachtig waren, en heeft van daar ook geschreven aan de Joden, die verstrooid waren in Pontus, Galatië, Cappadocië, Azië en Bithynië.

Wel hebben enige leraars uit de Roomse kerk, onder wie ook is de Jezuïet Bellarminus, beweerd, dat door dit Babylon, van waar Petrus zijn eerste zendbrief geschreven heeft, Rome zou moeten verstaan worden, omdat in de Openbaring van Johannes dikwijls Rome Babylon wordt genaamd, opdat zij Petrus alzo tot bisschop van Rome zouden kunnen maken. Men moet echter niet vergeten, dat hij Petrus niet het minste wordt gevonden, waaruit kan blijken, dat hij van Rome spreekt; want hij maakt alleen melding van Babylon, zonder enige bijvoeging, waarom het duidelijk is, dat hij van het eigenlijke Babylon spreekt, en er geen andere stad mee bedoelt. Ten anderen, wanneer Petrus uit Rome zijn zendbrief had geschreven, waarom zou hij dan Rome niet hebben genoemd? Paulus heeft verscheidene zend brieven uit Rome geschreven, en toch noemt hij Rome geen Babylon. Vervolgens, indien Petrus gewild had, dat zij, aan wie hij schreef, weten zouden, waar hij was, zo had hij liever de eigen dan een anderen naam moeten schrijven. En dat hij dit ook heeft willen doen, blijkt daaruit, dat hij uit Babylon de groetenis doet. Eindelijk, wanneer Petrus deze brief uit Rome had geschreven aan de gemeenten in Azië, dat zou het niet waarschijnlijk zijn, dat hij de gemeenten in Griekenland, Illyrië en Thracië, die daar tussen lagen, zou hebben vergeten.

Maar, zo wij het van het eigenlijke Babylon verstaan, dan is er overeenstemming. Want niets is meer gepast dan dat de Apostel, terwijl hij zich te Babylon ophield, zorg droeg voor de gemeenten in Azië, die dichter bij Babylon lagen dan de gemeenten in Europa, die zover vandaar verwijderd waren.

De bewering van de Roomse kerk, dat Petrus te Rome bisschop zou geweest zijn, kan uit de Heilige Schrift niet bewezen worden, aangezien Petrus daarvan in zijn zendbrieven geen melding maakt, evenmin Paulus, noch Lukas, die de Handelingen der Apostelen en hun reizen met vlijt heeft te boek gesteld. Veel minder zou kan er worden bewezen, dat hij daar vijf en twintig jaren zou hebben gewoond en onder Nero gekruisigd zou zijn. In de brief aan de Galatiërs, hoofdst. 2, vs. 7, leest men, dat aan Petrus door God was toebetrouwd het Evangelie der besnijdenis en aan Paulus dat der voorhuid; dat is, dat hij het Evangelie zou verkondigen aan de Joden en Paulus aan de heidenen. Zou dan Petrus jaren lang tegen het bevel van God gehandeld en zich vijf en twintig jaren onder de heidenen gehouden hebben, en het tegendeel hebben gedaan van hetgeen hem bevolen was? Dat zij verre van zulk een heilig Apostel!

Enige van de Roomse kerk zeggen, dat Petrus in het tweede jaar der regering van keizer Claudius te Rome kwam, anderen in het derde en wederom anderen in het vierde, ofschoon in Hand. 1,5 staat, dat Petrus de kerkvergadering te Jeruzalem bijgewoond heeft, die gehouden werd in het zesde jaar van Claudius' regering, en het achttiende jaar na Christus' hemelvaart, gelijk te zien is in het eerste en tweede hoofdstuk van de brief aan de Galatiërs zoals ook Hiëronymus die daarover geschreven heeft, mede getuigt.

Opmerkelijk is het, dat Petrus vroeger niet te Rome geweest was, want in de Handelingen der Apostelen worden vele schone leringen en wenken verhaald, die Petrus intussen gegeven heeft, en, ware nu ook Petrus in die tijd te Rome geweest, dan zou Lukas dat ook niet met stilzwijgen zijn voorbijgegaan. De pausgezinden, en onder hen Bellarminus, zeggen dat hij na zijn verblijf te Rome zeven jaren te Antiochië zou vertoefd hebben, maar men moet hem dan ook tijd geven, om het Evangelie te prediken in Pontus, Cappadocié, Azië en Bithynïe, zoals daarvan Origenes en Euseblus getuigen. Daartoe heeft hij acht, negen of meer jaren nodig gehad, want de vijf jaren, die zij daarvoor berekenen, zijn niet voldoende om in deze uitgebreide en machtige landen het Evangelie te verkondigen. Als men nu, zoals het behoort, deze jaren samen telt, zal men bevinden, dat Petrus langer heeft geleefd dan Nero, en hoe heeft dan Nero Petrus te Rome kunnen laten kruisigen.

Daarenboven, toen Paulus te Rome kwam, zijn hem zoals Lukas schrijft, Hand. vs. 15, de Christenen tegemoet gekomen. Indien Petrus toen ook te Rome was geweest, dan zou deze hem, zonder twijfel, ook zijn tegemoet gekomen, en Lukas zou dit niet verzwegen hebben.

Aan het slot van de brief, die Paulus aan de Romeinen schreef, liet hij vele Christenen groeten, die in naam, bediening en allerlei deugden minder geschat kunnen worden dan Petrus, en hem noemt hij niet. Zeer onbetamelijk zou het geweest zijn, indien hij zo’n voornaam persoon zou hebben verzwegen, indien deze toen te Rome was geweest. Dat hij voor die tijd te Rome is geweest, blijkt evenmin, daar Paulus, die hun geloof zo roemt, zulk een Apostel, wanneer hij daar de grond van het geloof had gelegd, niet zou hebben verzwegen, want hij is gewoon hun vooral te gedenken, door wie de gemeenten het eerst werden gesticht, zoals uit zijn brieven aan de Filippenzen, Corinthiërs, Colossensen en anderen blijkt. Duidelijk is het dus, dat het niet mogelijk is, dat Petrus vijf en twintig jaren te Rome als bisschop zou hebben verkeerd.

En, hoewel Eusebius, op gezag van Origenes verhaalt, dat Petrus, nadat hij de Joden, die in Pontus, Gatatië, Bithynië, Cappadocië en Azié verstrooid waren, het woord Gods had gepredikt, eindelijk ook te Rome is gekomen, en daar door Nero tot de kruisdood veroordeeld, en met het hoofd naar beneden is gekruisigd, omdat hij alzo begeerde te lijden, aangezien hij zichzelf niet waardig achtte zo aan het kruis te hangen als de Zoon van God zijn Zaligmaker geleden had; zo besluit nochtans Hiëronymus en Lyra, en niet ongevoegelijk, uit de woorden van Christus, Matt. 23, vs. 31, dat hij niet te Rome maar te Jeruzalem is gekruisigd. Doch hierover laten wij de verstandige lezer zelf oordelen, en hem kiezen, wat hij het beste keurt; want, naar onze mening, is het voor de pausgezinden van even weinig belang, dat hij te Rome, als voor ons, dat hij te Jeruzalem is gedood.

 

Paulus van Tarsen te Rome onthoofd onder keizer Nero

 

[JAAR 63.]

 

Paulus, die ook Saulus genaamd werd, was van afkomst een Hebreeër uit de Hebreeën, uit het geslacht van Israël, van de stam van Benjamin. Wie zijn ouders geweest zijn, blijkt niet. Toen de Romeinen hun woonplaats hadden verwoest, begaven zij zich naar de vermaarde stad Tarsen in Cilicië, waar Paulus is geboren. Hij was naarstig onderwezen in de vaderlijke wet door de wijzen Gamaliël, in de kennis waarvan hij heeft uitgemunt boven velen van zijn leeftijd in zijn geslacht. Onberispelijk heeft hij naar de Joodse wet geleefd. Hij was een Farizeeër en een vurig vervolger en verdrukker van de gemeente Gods, zo zelfs, dat hij een welbehagen had aan de dood van Stefanus, en de klederen bewaarde dergenen, die hem doodden. Na de dood van die martelaar verwoestte Paulus de gemeenten te Jeruzalem, zelfs tot Damaskus, bij welke stad, blazende nog dreiging en moord tegen de volgelingen des Heeren, hij door Christus uit de hemel snel met een licht is omschenen, ter aarde geworpen en met blindheid geslagen, en alzo krachtig, niet van mensen, noch dooi, mensen, maar door de Heere Zelf geroepen, om een uitverkoren vat te zijn, en Zijn naam te dragen voor de heidenen, en de koningen en de kinderen Israëls. Na drie dagen werd hij door Ananias, tot wie hij te Damaskus door de Heere was gezonden, wederom ziende gemaakt, gedoopt, de handen opgelegd en vervuld met de Heilige Geest, terwijl hij terstond Christus predikte in de Synagoge, betuigende, dat Hij de Zoon van God was.

Enige tijd hierna zei de Geest tot de Profeten en Leraars der gemeente te Antiochië: "Zondert mij af, beiden, Barnabas en Saulus, tot het werk, waartoe Ik hen geroepen heb;" en zij werden door de Heilige Geest uitgezonden.

Aan deze Paulus waren allerlei geestelijke gaven geschonken, zoals om de geesten te onderscheiden, de gave der profetie, der tongen, en hij bezat ongewone krachten, gave der onthouding, van uitnemende openbaringen, zo zelfs, dat hij in de derde hemel is opgetrokken geweest, en daar gehoord heeft onuitsprekelijke woorden, die de mens niet geoorloofd zijn te spreken. Maar, opdat hij zich door de uitnemendheid der openbaringen niet zou verheffen, heeft de Heere hem een engel van de satan als een scherpe doorn in het vlees gegeven, die hem met vuisten zou slaan, opdat hij zich niet zou verheffen. Die heeft hem ook menigmaal verhinderd hier of daar heen te reizen, om het Evangelie te prediken, zodat hem, gelijk hij zelf betuigt, de listen des duivels niet onbekend waren.

Daarenboven was hij nog versierd met vele christelijke deugden van getrouwheid en een zeer goed geweten aangaande zijn dienst, had een vaderlijke zorg voor al de gemeenten en een hartelijke liefde tot haar, tot zijn eigen verbanning, ja zelfs tot de dood toe. Hij was mild van hart; en vreemd aan gierigheid, arbeidde hij liever met zijn eigen handen, daar hij van handwerk een tentenmaker was, opdat hij de zwakke gemeenten niet zou bezwaren. Hij toonde zich trouwhartig jegens de arme gemeenten, door die van de aalmoezen der rijken getrouw te verzorgen. Met al deze geestelijke gaven en christelijke deugden was deze Apostel zo nederig, en had zulk een klein gevoel van zichzelf, dat hij, zijn vorigen toestand voor zijn bekering bedenkende, en de Heere dankende voor Zijn genade en barmhartigheid aan hem bewezen, menigmaal bekend heeft, dat hij niet waardig was een Apostel genaamd te worden, hoewel hij in geen ding minder was dan de uitnemendste der Apostelen, ja, door de genade Gods, die met hem was, overvloediger gearbeid had dan zij allen.

Wat hij op zes verschillende reizen, gedurende de tijd van bijna dertig jaren, geleden heeft, toen hij vertoefde in Judea, Syrië, Azië, Macedonië, Griekenland, Italië en elders, is duidelijk te lezen in de Schriften des Nieuwe Testaments en andere geschiedboeken. Terstond na zijn bekering en doop predikte hij Christus in de Synagoge binnen Damaskus en,ging vervolgens naar Arabië. Toen hij naar Damaskus terugkeerde, en daar de waarheid moedig beleed en mannelijk verdedigde, hebben de Joden hem lagen gelegd zo zelfs, dat de poorten bewaakt werden en de stadhouder van de koning Aretas hem wilde gevangen nemen. Doch de gemeenteleden lieten hem ‘s nachts in een mand over de muur, en hij ontkwam alzo aan zijn handen en kwam te Jeruzalem bij de Apostelen.

Terwijl hij met vrijmoedigheid sprak in de naam van de Heere Jezus, en zijn woord ook richtte tegen de Griekse Joden, wilden zij hem daarom doden. Toen dit bij de broeders bekend werd, hebben zij hem naai, Cesarea geleid, vanwaar hij zijn tweede reis begon in Syrië en Cilicië en keerde later naar Jeruzalem terug.

Vandaar deed hij zijn derde reis naar Antiochië en ging op bevel van God naar Seleucië, en Cyprus, en kwam te Paphos, waar hij de stadhouder, Sergius Paulus heeft bekeerd. Vandaar kwam hij te Perge, een stad in Pamphylië, en daarna te Antiochië, een stad in Pisidië, waar de Joden tegen hem en Barnabas oproer verwekt hebben, zo zelfs, dat de heidenen hen uit hun landpalen hebben geworpen. Vandaar kwamen zij te Iconië, waar de Joden de heidenen tegen hen opruiden, en ben wilden smaden en stenigen, zodat zij vluchtten naai de de steden van Lycaonië, namelijk Lystre en Derbe, waar ook de Joden van Antiochië en lconië het volk tegen Paulus opzetten, zodat de schare Paulus heeft gestenigd en buiten de stad gesleept, menende, dat hij dood was. Tot zichzelf gekomen zijnde, ging hij de volgende dag met Barnabas naar Derbe, en, nadat zij in die stad het Evangelie verkondigd en vele discipelen gemaakt hadden, keerden zij weer naar naar Lystre, lconië en Antiochië, en versterkten daar de zielen der gemeenteleden en vermaanden ben, dat zij zouden blijven in het geloof. Pisidië doorreisd hebbende, kwamen zij te Pamphylië, en, toen zij te Perge het Evangelie verkondigd hadden, vertrokken zij. naar Attalië, en scheepten vandaar af naar Antiochië. Toen zij daar waren en de gemeenten samen geroepen hadden, verhaalden zij welke grote dingen God door en met ben gedaan had, en dat Hij de heidenen de deur van het geloof had geopend, en verkeerden daar een geruime tijd met de gemeenteleden. Terwijl Paulus en Barnabas daar waren, ontstond er een twist tegen sommigen, die van Judea gekomen waren over de noodzakelijkheid der besnijdenis. Men kwam overeen, dat Paulus en Barnabas en enige anderen uit ben naar de Apostelen en Ouderlingen zouden gaan te Jeruzalem, om over dit verschil samen te spreken. Daar geraakte men het met de Apostelen en Ouderlingen over dit verschilpunt eens, zodat zij, in gezelschap van Judas bijgenaamd Barnabas, en Silas, die voorgangers waren onder de broeders, met brieven gezonden werden naar Antiochië, waar zij de vrede in de gemeente herstelden.

Vandaar ging Paulus met Barnabas voor de vierde maal op reis teneinde de broeders in elke stad te bezoeken waar zij het Evangelie verkondigd hadden, en naar hun toestand te vernemen. Er ontstond echter een verschil tussen Paulus en Barnabas over Johannes, bijgenaamd Marcus, en Paulus verliet Barnabas, nam Silas mee en vertrok naar Syrië en Cilicië, de gemeenten versterkende, en kwam te Derbe en Lystre, waar hij Timotheüs aan zich verbond, met hem door Phrygië en Galatië reisde en eindelijk te Troas kwam. Hier werd hij door een gezicht vermaand naar Macedonië te reizen, en kwam, verscheidene plaatsen doorreisd hebbende, te Filippi, de voornaamste stad van Macedonië, waar hij en Silas, op bevel der hoofdmannen werden gegeseld en daarna in de gevangenis geworpen, met bevel aan de stokbewaarder dat hij hen goed verzekerd zon bewaren. Door goddelijke kracht werden de deuren der gevangenis geopend, hun boeien losgemaakt, en zij vervolgens door de stokbewaarder, die gelovig was geworden, naai, buiten geleid. Deze wies hen van de striemen, en werd met al de zijn gedoopt. Nadat hij hun spijs had voorgezet, en zij door de hoofdmannen uit de gevangenis waren geleid, daar dezen vernomen hadden, dat de Apostelen Romeinen waren, hebben zij op hun verzoek de stad verlaten. Eindelijk, na vele steden te zijn doorgegaan, kwamen zij te Thessalonika, waar Paulus veel volk bekeerde. De Joden echter, met enige boze mannen uit de marktboeven gemene zaak gemaakt hebbende, beroerden de stad tegen hen, zodat de broeders Paulus en Silas ‘s nachts naar Berea zonden, waar men de prediking des Evangelies met alle toegenegenheid ontving. De Joden van Thessalonika kwamen ook daar, en bewogen de scharen tegen hen. Terstond brachten de broeders Paulus naar de zee, en kwam hij te Athene, waar hij in strijd geraakte met de Epicureïsche Stoïsche wijsgeren, die hem hielden voor een klapper en verkondiger van vreemde goden, en hem op de gerechtplaats brachten, waar hij zich met een welsprekende redevoering verdedigde. Vandaar vertrok hij naar Korinthe, waar hij enige tijd met prediken bezig was. Hij wilde vandaar vluchten, aangezien hij daar tegenstand en lastering ondervond; maar werd door de Heere in een gezicht vermaand te blijven. Later brachten de Joden hem voor de rechterstoel van de stadhouder Gallio, die hen, na hem gehoord te hebben, liet gaan, en Paulus reisde weer naar Jeruzalem.

Zijn vijfde reis ondernam Paulus van daarnaar Antiochië, en nadat hij daar enige tijd vertoefd had, doorreisde hij vervolgens het land van Galatië, en Phrygië, en versterkte al de gemeenteleden. Van daar ging hij naar Efeze, waar hij gedurende drie jaren met gezegende vrucht, des daags en ‘s nachts, heeft gepredikt en er velen bekeerde, en onder ben die ook hun duivelse boeken hebben verbrand. Het schijnt, dat hij omtrent deze tijd, onder de stadhouder Hiëronymus, volgens heidense wijze, heeft gevochten tegen de wilde beesten en die overwonnen heeft. Na het grote oproer, dat Demetrius, een zilversmid, om de godin Diana tegen Paulus had verwekt, vertrok de Apostel naar Macedonië, en, nadat hij de gemeenteleden daar met vele redenen had vermaand, kwam hij in Griekenland. Toen de Joden hem daar tegenstonden, was hij voornemens naar Syrië te varen, maar veranderde zijn reisplan, en keerde weer naar Macedonië terug. Eindelijk kwam hij, na vele steden doorreisd en hier en daar gepredikt te hebben, te Cesarea, waar de Profeet Agabus hem zijn gevangenneming voorzegde, waarbij hij echter getroost en tevreden was. Toen hij op het pinksterfeest te Jeruzalem kwam, raadde Jakobus hem aan, dat hij zich met enige Joden naar de wet zou heiligen. Ofschoon hij dit deed, verwekten de Joden van Azië een oproer tegen hem, zodat de schare hem greep, buiten de tempel sleepte en zocht te doden. Doch, toen zij de overste zagen met de hoofdmannen over honderd en de krijgslieden, hielden zij op hem te slaan. De overste greep hem, beval dat men hem met twee ketenen zou boeien, en onderzocht, wat hij gedaan had. Terwijl de Joden in de grootste wanorde schreeuwden en tierden, zo zelfs, dat men in het rumoer de woorden niet onderscheiden kon, werd hij in de legerplaats gebracht, waar Paulus zich naar behoren heeft verdedigd. Maar de Joden, die de waarheid van Paulus woorden niet konden verdragen, riepen: "Weg van de aarde met zulk een, want het is niet behoorlijk, dat hij leeft!" Vervolgens beval de overste, dat men hem met geselen zou onderzoeken, teneinde te weten, waarom de Joden zijnentwege alzo schreeuwden. Toen zij hem met riemen uitrekten, om hem tot bekentenis te dwingen, beriep Paulus zich op het Romeinse burgerrecht, waarop terstond de geseling gestaakt werd, en Paulus van zijn boeien ontslagen. De volgende dag werd hij voor de gehele Joodse raad gebracht, waar hij zich weer met Gods Woord verdedigde. Toen in deze vergadering de hogepriester Ananias bevel gaf aan degenen, die bij Paulus stonden, om hem op de mond te slaan, bestrafte Paulus hem, omdat hij een gevangen en onveroordeeld mens tegen de wet gebood te slaan.

Terwijl het oproer al groter werd, vreesde de overste, dat Paulus door hen zou gedood worden, en liet hem daarom door het krijgsvolk vandaar naar de legerplaats overbrengen. De volgende dag spanden veertig Joden tegen Paulus samen, en verbonden zich met een eed, dat zij niet eten noch drinken zouden, totdat zij Paulus zouden hebben gedood. Toen Paulus van deze samenzwering door de zoon van zijn zuster onderricht was, gaf hij door hem daarvan aan de overste kennis. Deze wist dit te voorkomen, door Paulus onder een gewapend geleide te doen overbrengen naar Cesarea, waar hij hem behouden overleverde aan de landvoogd Felix, met bijvoeging van brieven, die voldoende waren om Paulus onschuld te bewijzen. Op deze wijze maakte hij zich gereed tot de zesde reis van Jeruzalem naar Italië.

Toen de Stadhouder Felix de brief gelezen had, bewaarde hij Paulus in het raadhuis, om hem daarna, in de tegenwoordigheid der Joden, die hem beschuldigden, in het verhoor te nemen, hetgeen vijf dagen na zijn komst plaats had. De hogepriester Ananias, met de gehele Joodse raad, beschuldigde hem door de tolk Tertullus, dat hij degene was, die overal onder al de Joden oproer verwekte, dat hij de tempel had ontheiligd, en een opperste voorstander was van de sekte der Nazarenen. Met Gods Woord en een gepaste rede heeft Paulus zich van deze valse beschuldigingen zodanig gezuiverd, dat Felix hem bewaarde tot de komst van Lysias, de overste, en vergunde Paulus intussen verlichting van zijn boeien, en beval dat niemand van de zijnen zou verhinderd worden om hem te dienen of hem te bezoeken.

Toen enige dagen daarna Felix met Drusilla, zijn vrouw, daar gekomen was, werd Paulus daar weer ontboden, die in hun tegenwoordigheid over het geloof in Christus sprak. En, als Paulus sprak over rechtvaardigheid, matigheid en het toekomend oordeel, werd Felix zeer bevreesd, en zei tot Paulus, dat hij voor ditmaal zou heen gaan, en dat hij hem te gelegener tijd, weer zou laten roepen. Om de Joden gunst te bewijzen, hield Felix Paulus gevangen. Toen Porcius Festus in Felix' plaats gekomen was, reisde de nieuwe landvoogd, drie dagen na zijn aankomst, naar Jeruzalem, waar de hogepriester en de voornaamste van de Joden hem verzochten, ja, baden, dat hij Paulus naar Jeruzalem zou laten overbrengen, terwijl zij van plan waren Paulus onder weg te doden. Festus belette dit echter, en vond het beter, dat de Joden zelf van Jeruzalem naar Cesarea zouden reizen, om Paulus daar te beschuldigen, als hij van iets onbehoorlijks kou aangeklaagd worden, zoals dan ook na verloop van enige dagen plaats had. Terwijl Paulus daar voor de rechterstoel van Festus gebracht was, heeft hij zich met bondige redenen tegen al de beschuldigingen van de Joden mannelijk verdedigd. Om de Joden gunst te bewijzen, vroeg Festus Paulus, of hij naar Jeruzalem wilde gaan, om daar voor hem over deze dingen geoordeeld te worden. Doch Paulus beriep zich op de keizer, daar hij liever in de handen der heidenen dan in die der Joden wilde vallen. Festus en de leden van de raad berustten er in, dat Paulus zich op de keizer beroepen had. Toen intussen koning Agrippa daar gekomen was, heeft Festus hem de gehele zaak van Paulus verhaald en hem tevens verontschuldigd. Agrippa verlangde Paulus te horen, en toen Paulus voor hen gebracht werd, hield hij zulk een voortreffelijke redevoering, dat wel Festus uitriep, dat de grote geleerdheid van Paulus hem tot razernij bracht, maar de koning tot hem zei: "Gij beweegt mij bijna een Christen te worden," en samen betuigden zij, dat hij niets gedaan had, wat des doods of der gevangenis waardig was, en dat hij zou losgelaten kunnen worden, zo hij zich niet had beroepen op de keizer.

Toen de tijd gekomen was, dat Paulus en de andere gevangenen naar Italië zouden afvaren, werden zij aan Julius de hoofdman over honderd overgeleverd, en na vele gevaren en moeilijkheden doorworsteld te hebben, zijn zij eindelijk in zulk een ellendigen toestand geraakt, dat zij veertien dagen hebben doorleefd zonder voedsel, en, toen zij vreesden, dat zij schipbreuk zouden lijden, wilden de krijgslieden Paulus en de andere gevangenen doden, maar de hoofdman, die Paulus wilde behouden, heeft dit verhinderd.

Niettegenstaande zij schipbreuk leden, zijn zij allen ongedeerd op het eiland Melite of Malta aangekomen. Na drie maanden daar vertoefd te hebben, reisde Paulus naar Rome, waar hij door de broeders met blijdschap werd ontvangen, terwijl de hoofdman de gevangenen overleverde aan de overste van het leger. Aan Paulus werd vergund op zichzelf te wonen meteen krijgsknecht, die hem bewaarde, waar hij na drie dagen zich voor de voornaamste van de Joden heeft verantwoord over zijn boeien, gevangenneming en beroep op de keizer. Gedurende twee jaren bleef hij in een eigen gehuurde woning, ontving allen, die tot hem kwamen, predikte het Koninkrijk Gods en leerde van de Heere Jezus Christus met alle vrijmoedigheid onverhinderd.

Hij zelf heeft gezegd, dat deze gevangenschap in grote mate gediend heeft tot bevordering van het Evangelie, en dat de waarheid daardoor gekomen is tot in het keizerlijke hof. Toen keizer Nero de brieven van Festus ontvangen had, heeft hij Paulus voor de eerste maal bij hem ontboden, die zich tegen de beschuldigingen van de Joden derwijze, door 's Heeren hulp, heeft verdedigd, (ofschoon zij hem allen in deze zijn eerste verantwoording verlieten), dat hij uit de muil van de leeuw, te weten van Nero, verlost werd.

Toen Paulus nu andermaal voor keizer Nero zou gesteld worden, was hij van zijn aanstaanden dood niet onwetend, zoals hij aan Timotheüs aldus schrijft: ik word nu tot een dankoffer geofferd, en de tijd mijner ontbinding is aanstaande. Ik heb de goede strijd gestreden, ik heb de loop geëindigd, ik heb het geloof behouden; voorts is mij weggelegd de kroon der rechtvaardigheid, welke mij de Heere,de rechtvaardig Rechter, in die dag geven zal, en niet alleen mij, maar ook allen, die Zijn verschijning hebben liefgehad." Hij werd door keizer Nero veroordeeld om met het zwaard gedood te worden, zoals ook plaats had in het laatst van diens regering (volgens de berekening van Jozef Scaliger) in het 63e jaar na de geboorte van onze Zaligmaker, zeven jaren, nadat Paulus gevangen te Rome was gebracht.

 

Andreas, de Apostel te Patris, in Achaje gekruisigd

 

Andreas, de zoon van Jona, een broeder van Petrus, geboren te Bethsaïda in Galilea, was eerst een discipel van Johannes de Doper. Daar hij ouder was dan Petrus, en het eerst Christus leerde kennen, heeft hij zijn broeder tot Christus, de waren Messias gebracht. Van beroep was hij een visser; maar Christus, Die hem riep, beloofde hem een visser der mensen te zullen maken. Omdat hij de Heere vurig navolgde, en onderwezen was in Diens leer, wandel en wonderen, heeft Deze hem tot een Apostel aangesteld, welke bediening hij met de anderen onder de Joden getrouw heeft waargenomen. Hij stond ook in grote achting bij de Heere, daar het schijnt, dat hij een meer vrijen toegang had tot Christus dan Filippus. Verder, ofschoon hij in zwakheid, evenals de andere Apostelen, gevallen is, door zijn Meester te verlaten, heeft hij zich toch weer bij zijn medebroeders gevoegd. En, toen hij opnieuw het bevel ontvangen had tot de bediening van het Evangelie, en voornamelijk, nadat hij, gelijk de anderen, op de Pinksterdag met de Heilige Geest was vervuld, heeft hij het Evangelie met ijver onder de heidenen gepredikt. Op zijn reizen heeft hij in vele landen gepredikt, zoals in Pontus, Galatië en Bittiynië.

Hij kwam ook in de omstreken van Antropophage, daarna in Scythië, en bereisde ook de noordelijke en zuidelijke landen, kwam zelfs tot in de omstreken van Byzantium en trok ook naar Thracië, Macedonië, Thessalië en Achaje, en predikte overal Christus, waardoor hij velen tot het geloof in Christus heeft gebracht. De leer van Christus, zijn Meester, heeft hij ook versierd en bekrachtigd met vele wonderen; maar, aangezien deze door sommigen op meer of minder fabelachtige wijze zijn beschreven, zullen wij die laten voor hetgeen zij zijn.

Toen hij eindelijk naar de wil van de eeuwige God, zijn loop had volbracht, heeft Aegeas, de stadhouder van Edessa, hem op bevel van de Romeinse raad in de stad Patris, in Achaje, laten kruisigen.

Hij onderging de marteldood, niet alleen omdat hij de christelijke waarheid voorstond, en de afgoderij der heidenen bestrafte, maar omdat hij Maximilla, de vrouw van de gouverneur, en diens broeder Stratocles bekeerde. De dood aan het kruis te sterven achtte hij om Christus' wil gelukkig, en alzo heeft hij met grote blijdschap en begeerte zijn ziel in de handen van God, zijn hemelse Vader bevolen, en aldus zijn leven geëindigd, zoals de geschiedenis getuigt.

 

Filippus, de Apostel, te Hiërapolis gemarteld

 

Filippus, geboren te Bethsaïda, in Galilea, de stad van Petrus en Andreas, had een vrouw en een dochter, die zeer goed van leven waren. Hij werd door Christus gevonden, Die hem beval Hem als discipel te volgen, hetgeen hij zo getrouw deed, dat, toen hij Nathanaël vond, die ook tot Christus heeft gebracht, terwijl hij betuigde, dat hij Die gevonden had, van Welke Mozes en de Profeten geschreven hadden, namelijk Jezus van Nazareth, de waren Messias. Van toen af heeft Filippus Christus steeds gevolgd, luisterende naar Zijn prediking en heeft Zijn wonderen gezien, totdat hij bekwaam was tot de dienst van het heilige Woord Gods, zodat Christus hem tot een Apostel heeft aangesteld en als zodanig heeft uitgezonden, om het Evangelie te prediken onder de Joden, wat hij, gelijk de anderen, met ijver heeft verricht.

Bij de Heere stond hij ook in groot aanzien; want bij het heerlijke wonder van de spijziging der vijf duizend mensen heeft Christus, om hem te beproeven, met hem ook daarover gesproken. Voor de Grieken, die Christus begeerden te zien ging hij tot Christus. Verder, toen hij nog niet volmaakt was in het geloof in Christus, heeft Christus hem onderwezen in het geloof aan God, in het aangezicht van Jezus Christus, door Wie wij de Vader aanschouwen.

Deze vrome en godzalige Apostel heeft de Heere vergezeld tot aan Zijn lijden, en, toen de Apostelen, na Christus' verrijzenis verstrooid waren, hield hij zich bij zijn medebroederen op, totdat zij, na Christus' hemelvaart, de Heilige Geest hadden ontvangen.

Na de verdeling van de landen predikte hij gedurende enige jaren in Seythië, waar hij vele gemeenten gesticht heeft. En, aangezien hij bijzonder in Syrië en in het noorden van Azië reisde, en daarin vele steden de grondslagen van het geloof legde, kwam hij eindelijk in Phrygië, waar hij in de stad Hiërapolis en elders vele wonderen deed. De Ebionieten echter en anderen, die hardnekkig in hun afgoderij voortgingen, hebben hem gevangen genomen, met het hoofd aan een pilaar vastgemaakt en gestenigd, en alzo is hij in de Heere ontslapen, en daarna in de genoemde stad Hiërapolis begraven.

 

Bartholomeüs de Apostel, in Albanië in Armenië gekruisigd en de huid afgestroopt

 

Bartholomeüs, een zoon van Tholomeüs, gelijk zijn naam aanduidt, was een Galileër, evenals de andere Apostelen, en ook een visser, volgens de mening van Theodoretus. In de Heilige Schrift lezen wij niet veel omtrent hem, dan alleen dat hij tot Apostel geroepen is, om met de anderen het Evangelie te verkondigen in Judea en Galilea, aan de verloren schapen van het huis Israëls. Na Christus, opstanding werd hij in zijn Apostelambt bevestigd, en heeft met de elven de Heilige Geest ontvangen, zoals Christus beloofd had.

Nadat de Apostelen uit elkander gegaan waren, heeft hij zijn Apostelambt het eerst bediend in Lycaonië, daarna ook in Syrië en in de bovenste delen van Azië, vervolgens ook in Indië, waar Pantenus, leraar te Alexandrië, die daar bijna honderd jaren later kwam, het Evangelie van Mattheüs (dat Bartholomeüs daar gebracht en waaruit hij de Indianen in hun moedertaal onderwezen had) gevonden en dat meegenomen heeft. Eindelijk heeft hij het Evangelie ook in Groot-Armenië verbreid, en daar te Albana, de hoofdstad en koninklijke zetel van dat koninkrijk, Polemus of Palemonius, de broeder van de koning Astyages, met zijn vrouw, twee zonen en een dochter, tot het geloof gebracht en twaalf steden uit de stikdonkere duisternis der onwetendheid, waarin zij de duivel door de afgod Astharoth dienden, verlost, en verlicht met de kennis van Jezus Christus, de Heere. Dit verdroot de afgodische duivelpriesters zeer, en zij klaagden daarover aan de koning Astyages, die de Apostel Bartholomeüs liet gevangen nemen, en voor hem brengen. Toen Bartholomeüs voor de koning stond, verweet deze hem, dat hij zijn broeder verleid en de godsdienst in zijn land aan het wankelen had gebracht, en bedreigde hem, indien hij niet ophield Christus te prediken, en langer weigerde zijn goden te offeren, dat hij hem zou laten doden. Op deze, beschuldiging antwoordde Bartholomeüs, dat hij zijn broeder niet verleid, maar, ten goede bekeerd, en in zijn land de ware godsdienst gepredikt had, en bereid was daarvoor liever zijn getuigenis met zijn bloed te bezegelen, dan in het minst schipbreuk in zijn geloof en geweten te lijden. Om deze vrijmoedige belijdenis werd hij door de koning veroordeeld, om eerst op de gruwelijkste wijze gepijnigd, met stokken geslagen, daarna met het hoofd naar beneden aan een kruis gehangen, levend het vel afgestroopt en daarenboven het hoofd. met een bijl afgehouwen te worden. En alzo is hij met Christus, zijn Heere verenigd.

 

Thomas, de Apostel, in Indië door de wilden vermoord

 

Thomas, genaamd Didymus, dat is tweeling, was geboren in Galilea, en van beroep, zoals het schijnt, een visser. Aangaande zijn ouders vindt men niets, en evenmin van de tijd, waarop hij bekeerd is, bij de Evangelisten beschreven, dan alleen van zijn roeping tot het Apostelambt. Zijn vurige liefde, die hij Christus toedroeg, zien wij vooral, toen hij zijn medeapostelen vermaande om op te gaan naar Jeruzalem en ook met Christus te sterven. Maar hij had toen nog niet gestreden tot de dood, en aangaande het doel van Christus' dood verkeerde hij nog in onwetendheid, waarom hij met de anderen de Heere heeft verlaten. Toen Christus zich aan de Apostelen openbaarde, was hij niet tegenwoordig; en, aangezien hij hen niet geloofde, tenzij hij zelf Christus zag en kon betasten, heeft de Heere zich ook aan hem geopenbaard en zijn ongeloof bestraft. Als hij Christus zag, geloofde hij aan de opstanding van de Heere, beleed Hem als zijn Meester, en aanbad Hem als zijn Heere en God. Met de anderen ontving hij een nieuw bevel tot de dienst van het evangelie onder de heidenen.

Korte tijd na de opstanding van Christus zond hij Thaddeüs naar de koning Abgarus. Daar hem de Evangeliebediening in Parthië, Indië, Ethiopië en vele andere landen, zoals Hiëronymus getuigt, ten deel was gevallen, heeft hij vele landen doorreisd. Het schijnt echter, dat hij er tegen opzag om naar de Moren en woeste volken van Indië te gaan; maar door gezichten van God werd hij gesterkt om dit werk op zich te nemen, en was bedeeld met kracht om wonderen te doen, waardoor zijn dienst bij die lieden zeer vruchtbaar was, en hij er velen tot God heeft bekeerd.

Aangaande het uiteinde van Thomas is het verhaal het meest waarschijnlijk, dat hij in Calamina, een stad in Oost-Indië, (waar Hieronymus ook zegt, dat hij ontslapen is) de gruwelijke afgoderij van die heidenen, welke het beeld der zon aanbaden, uitgeroeid heeft, zodat hij de duivel zelf, door de kracht van God, zou gedwongen hebben, het beeld te vernielen. Over deze daad werd hij door de afgodische priesters hij hun koning aangeklaagd, en deze veroordeelde hem, dat hij eerst met gloeiende platen gepijnigd en daarna in een gloeiende oven verbrand moest worden. Toen de afgodische priesters, voor de oven staande, zagen, dat het vuur hem niet deerde, hebben zij hem met lansen en spiesen of speren, terwijl hij in de oven lag, de zijde doorstoken; en aldus was hij gelijkvormig aan zijn Heere Christus, Die hij tot de dood toe volstandig heeft beleden, en rust alzo van zijn arbeid in de genoemde stad Calamina.

 

Mattheüs, de Apostel en Evangelist

 

Mattheüs, anders gezegd Levi, de zoon van Alfeüs, was een tollenaar te Kapernaüm, een betrekking, die bij de Joden veracht was, daar zij zich aan vreemde vorsten geen tol of schatting schuldig kenden. En, ofschoon het niet ongeoorloofd was tol of schatting te nemen, wanneer men maar niet te veel nam, zo gingen toch de tollenaars zich hierin dikwijls te buiten en werden daarom van de vromen vermeden, waarom ook de afgesnedenen van de gemeente bij dezulken worden vergeleken.

Toen hij in deze oneerlijke betrekking werkzaam was, heeft Christus Zich in genade over hem ontfermd, en hem bevolen als Zijn discipel te volgen. Door de kracht des Heiligen Geestes gaf hij hieraan gehoor, verliet zijn tolhuis, bereidde een groten maaltijd, en nodigde zijn medetollenaars daaraan, om alzo naar behoren afscheid van tien te nemen, en hun gelegenheid te geven om Christus ook aan te nemen, gelijk hij gedaan had. Hierna verliet Mattheüs terstond alles, en volgde Christus met groten ijver na, en na Christus' onderwijs ontvangen te hebben, werd hij onder de Apostelen opgenomen, welk Apostelambt hij tot Christus' dood onder de joden bediend heeft

Bij zijn uitzending om te prediken onder de heidenen werd hem Ethiopië of Morenland aangewezen. Eer hij echter het Joodse land verliet schreef hij, onder voorlichting des Heilige Geestes, zijn Evangelie in de Hebreeuwse taal en heeft hun dit meegedeeld.

Door zijn prediking en het doen van wonderen is hij in Ethiopië met vrucht werkzaam geweest, waar hij ook na zijn dood zijn Evangelie voor de nakomelingschap in geschrift heeft nagelaten, waaruit klaar te zien is, welk geloof hij voorstond, namelijk van Jezus Christus, waarachtig God en mens, Die voor ons gekruisigd is.

De geschiedenissen getuigen, dat deze Apostel terstond, nadat de gelovige koning Aeglippus gestorven was, door zijn opvolger Hytacus, een ongelovige heiden, vervolgd werd, en dat hij hem op zekere tijd, toen hij in de tempel aan de gemeente het Evangelie verkondigde, heeft laten grijpen en in de hoofdstad van Ethiopië, Naddaver, heeft laten onthoofden. Daar werd hij ook begraven, zoals Venantius Forturatus getuigt, die voor duizend jaren leefde, als hij zegt: "De verheven stad Naddaver zal ons, te weten, op de jongste dag, die voortreffelijke Apostel Mattheüs teruggeven.

 

De Apostelen Simon Zelotes en Judas Alpheus

 

Simon de Kananieter of Zelotes, dat is, ijveraar bijgenaamd, de zoon van Alféüs en de broeder van Jakobus, Joses en Judas, een neef van Christus, een van de twaalven en tegelijk met de anderen tot Apostel aangesteld, eerst der Joden en daarna der heidenen, heeft ook gelijk de anderen op de Pinksterdag de Heilige Geest ontvangen, waardoor hij ook bekwaam werd gemaakt om een Apostel van Christus, zelfs onder de heidenen te zijn.

Toen de Apostelen uit elkaar gingen, kwam hij in Egypte, en heeft daar geruime lijd het Evangelie gepredikt, totdat hij naar Perzië ging, waar hij zijn broeder Judas vond. Zij bleven daarin de bediening van het Apostelambt volstandig bij elkaar, totdat zij de goddelijke waarheid met hun bloed hebben bezegeld. Nicephorus schrijft, dat Simon niet alleen in Egypte, maar ook in Afrika, Cyrene, Lybië en op de eilanden van Groot-Brittanië het Evangelie des Koninkrijks gepredikt heeft.

Judas Alfeüs, niet die bijgenaamd wordt Iscarioth, maar die getrouwe Apostel, bijgenaamd Thaddeüs, dat is belijder, en broeder van Lebbeüs, Jakobus de kleine en Simon, was ook tot een dienstknecht en Apostel geroepen van Jezus Christus, Wiens neef hij ook was, evenals Jakobus en Simon. In het Evangelie wordt van hem niet gesproken, maar alleen gewag gemaakt van een vraag, die hij de Heere Christus deed, zeggende: “Heere, wat is het dat Gij U aan ons zult openbaren en niet aan de wereld?” Deze heeft ook een korte en troostrijke brief aan de gelovigen geschreven en nagelaten, die echter gestreng is voor de ongelovigen. Of deze Judas die Thaddeüs is, die door Thomas naar Abgarus te Edessa, gelijk men meent, is gezonden om de koning van zijn kwaal te genezen, en tot Christus te bekeren, dan of hij een ander van de zeventig discipelen is geweest, daarover kan men Eusebius en andere schrijvers raadplegen. Deze Judas heeft, toen de Apostelen de wereld met de prediking van het evangelie hebben bedeeld, Mesopotamië en Pontus bezocht, waar hij geruime tijd alleen het Evangelie heeft verkondigd; daarna vertoefde hij met zijn broeder Simon in Perzië, en heeft daar de wijzen bekeerd, de onwetenden onderwezen, en door de kracht van de Heilige Geest de duivelse kunsten teniet gedaan, en de dusgenaamde godsspraken en wonderen van hun afgoden als leugens ten toon gesteld en doen ophouden, en alzo door de godsdienst van Christus de valse afgodendienst der heidenen te schande gemaakt en vernietigd. Toen de heidense duivelspriesters zagen, dat daardoor hun gewin schade leed, hebben zij tegen deze getrouwe dienaars van Christus een groot oproer verwekt, hen daarin overvallen en omgebracht. Welke marteldood zij echter ondergaan hebben, kan, bij gebrek aan berichten, niet gemeld worden.

 

Matthias, de Apostel

 

Matthias was tijdens Christus omwandeling in het vlees een van Zijn zeventig discipelen. Kort na de hemelvaart van Christus werd hij benevens Barnabas in de gemeente te Jeruzalem door de Apostelen aan de Heere voorgesteld, teneinde door Hem, door het lot, als uit de hemel tot een Apostel aangenomen te worden, terwijl de gehele schaar van honderd twintig mensen over hen beiden God aanriepen, zeggende: “Gij Heere, Gij Kenner der harten van allen, wijs van deze twee een aan, die Gij uitverkoren hebt, om te ontvangen het lot dezer bediening en des Apostelschaps, waarvan Judas afgeweken is, dat hij heen ging in zijn eigen plaats. En zij wierpen hun loten, en het lot viel op Matthias, en hij werd met gemene toestemming tot de elf Apostelen gekozen." Met de anderen ontving hij mede op de Pinksterdag de Heilige Geest, waardoor hij als van de hemel bevestigd werd in zijn Apostelambt. Kort daarna werd hij ook met de elven gegeseld en mede waardig geacht voor de naam van Jezus Christus smaadheid te lijden.

Nadat de Apostelen uit elkaar gegaan waren is deze Matthias (volgens het gevoelen van Hieronymus) naar een ander gedeelte van Ethiopië of Morenland vertrokken, waar niemand van de andere Apostelen geweest is, en wel zeer diep het land in tot aan de uiterste grenzen, waar de inham was van de haven of de rivier Asphar en Hyssus, waar de onwetendste en meest barbaarse mensen gevonden worden. Onder deze in allerdiepste duisternis der onwetendheid gezeten mensen is het heilrijke licht van het evangelie door de dienst van deze Apostel opgegaan. Nadat hij daar vele zielen voor Christus gewonnen had, is hij (volgens de getuigenis der geschiedenissen) weergekeerd naar Judea, Galilea en Samarië, en wel, nadat door de verstrooiing van de Apostelen de Joden schier verstoken waren van allen apostolische dienst.

Omtrent de dood of het martelaarschap van Matthias bestaat niet veel zekerheid, zegt Mantuannus, en hij betwijfelt het, of hij in vrede tot God opgenomen is, en zijn eigen dood gestorven, dan of hij, omdat hij aan de afgod Jupiter niet wilde offeren, met een bijl onthoofd is door de heidenen. Anderen zeggen, dat hij, om de lastering, die zij voorgaven, dat hij uitgesproken had tegen God, tegen Mozes en de wet, en het christelijk geloof weigerde te verzaken, door de Hogepriester van de Joden veroordeeld is om eerst aan het kruis gehangen en gestenigd en daarna met een bijl onthoofd te worden.

 

 

Wij zullen hier ook laten volgen de geschiedenis van den Evangelist Lukas en van de Apostel en Evangelist Johannes, hoewel men meent, dat Lukas onder Domitianus en Johannes onder Trajanus gestorven is. Wij volgen deze orde, opdat men het leven en de dood van de Evangelisten en Apostelen achtereenvolgens zal kunnen lezen.

 

Lukas, de Evangelist

 

Lukas was een Syriër van Antiochië, een geleerd medicijnmeester en daarom ook zeer ervaren in de heidense wijsbegeerte. De Heere heeft hem echter willen gebruiken tot een medicijnmeester der zielen, tot welk einde hij ons twee heerlijke boeken als geestelijke artsenijboeken heeft nagelaten, en wel vooreerst zijn Evangelie, dat hij beschreven heeft uit der) mond van hen, die het van de Heere Jezus Christus zelf hebben gehoord. Daarom kan hij niet een der zeventig discipelen zijn geweest, noch een van ben, die met Kleopas op de wee, was naar Emmaüs. Hij was alleen een leerling van Apostelen en in het bijzonder van Paulus, tot in het vierde jaar der regering van keizer Nero. Paulus schijnt hem bekeerd te hebben te Antiochië, in het jaar 38 na Christus, toen hij van Thebe daar gekomen was. Omtrent zijn ouders wordt nergens iets vermeld, en het schijnt, dat hij geen vrouw gehad heeft. Hiëronymus meent, dat jij vroeger een proseliet was, die voor het aannemen der christelijke leer de joodse godsdienst beleed, en alzo een nakomeling van de Joden, wat niet onwaarschijnlijk is. Hij was zeer ervaren in de Griekse taal, wat genoegzaam blijkt uit de buitengewoon goede stijl en de spreekwijzen, die in zijn geschriften kunnen opgemerkt worden. Hij was geen Apostel maar een metgezel der Apostelen, die dezelfde dienst met hen te vervullen had, en verscheidene landen, en steden heeft doorreisd. Op bijna al de reizen van Paulus was hij diens medehelper, waarom hij ook die reizen in goede orde en met grote naarstigheid heeft beschreven. Toen Paulus bijna van alles was verlaten, heeft Lukas hem bijgestaan in zijn gevangenschap te Rome. Nadat hij zijn dienst getrouw heeft vervuld, is hij te Bithynië gestorven in het 81e jaar zijns ouderdoms. Anderen zeggen, dat hij in Griekenland predikende, aan een olijfboom is opgehangen en alzo in de Heere is ontslapen.

 

Johannes, de Apostel en Evangelist

 

[JAAR 101.]

 

Johannes, de zoon van Zebedeüs, en broeder van Jakobus de grote, was geboren te Nazareth in Galilea. Van beroep was hij een visser. Toen hij met zijn vader en broeder bezig was de netten in het schip te vermaken, werd hij door Christus geroepen, en verliet toen beide, het schip en zijn vader, en is met zijn broeder Jakobus Jezus nagevolgd. Na behoorlijk onderwezen en toegenomen te zijn in de kennis van God en Christus Zijn zoon, door Zijn leer en wonderen, werd hij aangesteld tot een Apostel. De Heere Jezus beminde hem bijzonder, hij lag in Zijn schoot, en heeft Jezus ook zeer lief gehad. Toen de Heere zei, dat een van hen Hem zou verraden, vraagde hij met bekommering, wie het was, Hij was een van de drie Boanerges, dat is zonen des donders. Met Hem was hij getuige van de verborgen dingen Zijns Vaders, op de heiligen berg, bij het opwekken van Jaïrus' dochtertje en in de hof. Met grote naarstigheid heeft hij het Evangelie met de anderen onder de Joden gepredikt, en ijverde zelfs dermate voor de eer van Christus, dat hij uit onverstand wenste, dat het vuur van de hemel de Samaritanen zou verslinden, omdat zij de Heere verwierpen. Hij heeft zich ook, buiten gevaar zijnde, beroemd de lijdensbeker van Christus te kunnen drinken. Hoewel hij met anderen, volgens Christus' voorzegging, enigermate in het geloof verzwakt was, heeft hij zich toch zeer kloek gedragen, want hij was niet alleen tijdens Christus' lijden in het huis van Kajafas de Hogepriester, maar stond ook bij het kruis van Christus, waar Christus hem de zorg voor zijn moeder aanbeval, die hij ook tot zich genomen heeft.

Hij was zeer verlangend naar Christus' opstanding; en, hoewel hem die niet terstond is geopenbaard, toen hij naar het graf liep, heeft Christus nochtans Zich verscheidene malen aan hem vertoond, en hem een nieuw bevel gegeven aangaande het Apostelambt. Bij de discipelen bleef hij, totdat zij de Heilige Geest hadden ontvangen, en predikte toen het Evangelie en deed wonderen te Jeruzalem, waarom hij in de gevangenis werd geworpen en veel heeft moeten lijden, doch tot zijn blijdschap.

Met Petrus werd hij ook gezonden naar Samaria; en na vele jaren, toen Timotheüs gestorven was, predikte hij in Azië en in het bijzonder in de stad Efeze, waar hij ook vele wonderen gedaan, ja sommigen uit de dood opgewekt heeft. In de vervolging onder keizer Domitianus werd hij gevangen genomen en naar Rome gebracht, waar hij (zoals sommigen zeggen) in een vat kokende olie werd geworpen, waaruit hij echter ongeschonden opstond. Vervolgens is hij gebannen naar het eiland Patmos, gelegen in de Aegeïsche zee, waar hij vele gezichten gehad en beschreven heeft aan de zeven voornaamste gemeenten in Klein-Azië, benevens enige heerlijke brieven. Na de dood van Domitianus, toen Nerva regeerde, is hij naar Efeze teruggekeerd en wel in het jaar 99 na Christus' geboorte, waar hij opziener was over de gemeenten in Azië.

Met de ketters Ebion en Gerinthus had hij veel te doen. Toen hij Ebion op zekere tijd in een bad vond, vluchtte hij, uit vrees dat het huis tot straf van die ketter op hem vallen zou. Wegens hun ketterij schreef hij vooral zijn Evangelie, waarin hij bovenal de godheid van Christus behandelt, welke door de ketters geloochend werd.

Om de naam van Christus heeft hij veel geleden en zelfs vergif gedronken, zonder dat, volgens de belofte van Christus, hem dit schade deed. Eindelijk is hij, na de verwoesting van Jeruzalem te hebben beleefd, ten tijde van de regering van keizer Trajanus, in vrede gestorven, in het 68ste jaar na Christus' dood. Om al de vervolgingen en het lijden, dat hij heeft verduurd, wordt hij gehouden voor een martelaar des Heeren Jezus Christus. Dit grote licht rust alzo in Azië.

 

Sommigen van de zeventig Discipelen en andere medereizigers der apostelen

 

Prochorus, een van de zeven eerste diakenen, neef van Stefanus en metgezel van Johannes de Apostel, was opziener van de gemeente te Bithynië, heeft daarna te Antiochië geleden en is daar gestorven.

Nikanor, ook een van de zeven diakenen, is ook om de christelijke waarheid ter dood gebracht.

Desgelijks Parmenas, ook een der zeven diakenen,

Olympus was met Paulus te Rome gevangen.

Onesiforus, een leerling van Paulus, die (zoals sommigen zeggen) bisschop is geweest van Colophon, of, volgens anderen van Coronia, is met Porphyrius, zijn mededienstknecht, aan de Hellespont, op bevel van de stadhouder Adrianus, eerst wreed gegeseld en daarna aan wilde paarden gebonden,en alzo dood gesleept of verscheurd.

Karpus, een leerling van Paulus, die hem tot opziener van de gemeente te Troas had aangesteld, is daar om het christelijk geloof omgebracht.

Trofimus, een leerling van Paulus, is om de waarheid van Christus onthoofd.

Apollinaris, een leerling van Petrus, is te Ravenna gedood, en wel in het derde jaar der regering van Vespasianus.

Maternus en Egistus, behorende, tot de zeventig discipelen, zijn in Duitsland, tegelijk met Marianus, de diaken, om het geloof gedood.

Hermagot was door Petrus tot opziener der gemeente te Aquila aangesteld, heeft onder Nero geleden.

Onesimus, Dionysius, de Areopagiter, en meer anderen, zijn voor de goddelijke waarheid gestorven.

 

De tweede vervolging van de christenen onder keizer Domitianus

 

Domitianus, als ware hij een erfgenaam van de haat tegen Gods volk en de bitterheid van Nero, gaat met de tweede vervolging tegen de Christenen voort. In deze vervolging, die verscheidene jaren geduurd heeft, zijn, volgens de beschrijving, omgebracht de navolgende personen:

 

Timotheüs, een leerling van Paulus

 

Timotheüs was geboren te Lystre, in Lycaonië. Zijn vader was een Griek, maar zijn moeder Eunice en zijn grootmoeder Lois waren gelovige joodse vrouwen. door wie hij van zijn jeugd aan was onderwezen in de Heilige Schrift. Toen Paulus te Lystre en Iconië een goede getuigenis omtrent hem had horen afleggen, nam hij hem aan tot een leerling en metgezel in de dienst van het Evangelie onder de heidenen, en liet hem tevoren besnijden, en wel om der Joden wil, die in die plaats waren, want allen wisten, dat zijn vader een Griek was.

Boven alle anderen van zijn metgezellen heeft Paulus deze leerling bemind, en noemt hem zijn oprechte zoon in het geloof. In zijn afwezigheid heeft Paulus hem ook naar vele plaatsen gezonden en zijn dienst daar gebruikt, om, als hem vertegenwoordigende, alles te doen tot opbouwing der gemeente van Christus, waarvan hij zich zeer getrouw gekweten heeft, zodat Paulus hem achtte als een Evangelist. Nadat Paulus hem tot bisschop of opziener der gemeente te Efeze had geordend en aangesteld, schreef hij enige bijzondere brieven aan hem, waarin hij hem onder andere vermaant, om wakker te zijn in alles, verdrukking te lijden, het werk van een Evangelist te doen en te waken, dat men van zijn dienst ten volle verzekerd zij, en hem te bejegenen, zoals het betaamt. Omdat hij de afgoderij van Diana had bestraft, is hij onder de regering van keizer Domitianus door de onwetende heidenen gestenigd, en heeft alzo zijn loop volbracht.

De geschiedenissen verhalen, dat ook verder zijn omgebracht:

In Frankrijk, Lucianus, bisschop van Bellovaco.

Maximianus en Julianus, ouderlingen.

Nicasius, bisschop van Rouaan.

Quirinus, ouderling.

Scubiculus, diaken.

Patientia, een maagd.

In Italië, Romulus, bisschop van Fesula en anderen op meer andere plaatsen.

Men meent ook, dat in deze tijd is omgebracht in de stad Pergamus, zekere Antipas, een getrouw getuige van Jezus Christus, van wie gesproken wordt Openb. 2, vs. 13.

Marsilius Glabrio, die in het vorige jaar stadhouder van Rome was, en op mannelijke wijze een leeuw overwonnen had, waarmee hij veroordeeld was geworden te vechten, werd mede gedood. De reden, waarom men hem en vele anderen doodde, was, gelijk Dion Niceüs schrijft, dat zij zich aanstelden als Joden, zoals in die tijden de Christenen door de heidenen genoemd werden, aangezien de Christenen uit de Joden afkomstig waren. Men kan het er daarom voor houden, dat Glabrio en anderen in die lijd hebben moeten lijden om de naam van Christus en het oprechte geloof.

 

De derde vervolging van de christenen onder keizer Trajanus

 

De derde vervolging tegen de Christenen is begonnen op bevel van keizer Trajanus, opgehitst door Mamertinus, stadhouder te Rome, en Tarquinus, overste van de heidense afgoderijen. De afgodendienaars brachten ook geld op, en gaven schatting om de Christenen te vervolgen en uit te roeien, alles onder het voorwendsel, lat zij onwillig waren om de goden te aanbidden en met offeranden te vereren, en dat zij vijanden van hen en van de Romeinse republiek waren.

 

Onder de martelaren in deze tijd zijn de voornaamste:

 

Simeon, bisschop van Jeruzalem

 

[Jaar 109]

 

Simeon, een zoon van Kleopas, die gehouden wordt voor een neef des Heeren, omdat hij een zoon was van de broeder van Jozef, Christus’ pleegvader. Hij was uit de stam van Juda en derhalve van het koninklijke geslacht van David. Deze Simeon was een vroom dienaar van God, die de Heere Christus ook heeft gezien en gehoord, zoals uit zijn hogen ouderdom wel op te maken is. Mogelijk behoorde hij ook wel tot de zeventig discipelen, die de gemeente Gods door prediking en lering met gehoorzaamheid hebben zoeken uit te breiden, totdat hij na de dood van Jakobus de jongere, op gezag van de Apostelen, in de dienst werd aangesteld en wel tot bisschop en opziener in de gemeente te Jeruzalem, omtrent het jaar 61 na Christus' geboorte. Dit ambt heeft hij zeer lang bediend, en met zulk een getrouwheid, dat hij om de waarheid van Christus vele en zware pijnigingen heeft geleden. Gelijk men onder de keizers Vespasianus en Domitianus het koninklijk geslacht van David heeft zoeken uit te roeien, alzo geschiedde het ook, dat onder de derde vervolging ten tijde van keizer Trajanus deze Simeon door de ongelovige heidenen werd beschuldigd, niet alleen dat hij behoorde tot het koninklijk geslacht van David, maar ook dat hij een Christen was. Hierom werd hij gevangen genomen en aan Atticus, stadhouder te Jeruzalem, overgeleverd, die hem vele dagen achtereen met scherpe roeden dermate liet geselen, dat ieder, die het zag ook de rechter zelf zich over hem moesten erbarmen en verwonderen, hoe zulk een hoog bejaard man van 120 jaren een zodanige onlijdelijke marteling, had kunnen uitstaan. Toen hij in zijn belijdenis even volstandig volhardde, is hij zijn Heere, Die hij beleed, in het lijden gelijkvormig geworden, en werd door Atticus veroordeeld omgekruisigd te worden, in het 11e jaar der regering van Trajanus of 109 jaar na Chr.

 

Ignatius, bisschop van Antiochië

 

Ignatius, een leerling van Johannes, de Apostel. en een navolger van Petrus en Evodus in de dienst der gemeente van Christus te Antiochië in Syrië, was een zeer godvruchtig man, getrouw en naarstig in zijn bediening. Toen hij vernam, dat keizer Trajanus na zijn overwinningen, die hij behaald had op de volken van Dacië, Armenië, Assyrië en andere Oosterse rijken, de afgoden te Antiochië openlijk dankte en grote offeranden bracht, alsof zij hem met deze overwinningen begunstigd hadden, ondernam hij het, de keizer daarover te bestraffen, ja (zoals Nicephorus verhaalt) zelfs openlijk in de tempel. De keizer was hierover zeer gebelgd, en liet Ignatius gevangen nemen, doch in Antiochië zelf niet straffen, en wel omdat hij bevreesd was voor oproer, aangezien deze bisschop daarin groot aanzien was; maar hij hhet hem, vergezeld van tien soldaten, gebonden naar Rome voeren, om hem daar zijn straf te doen ondergaan. Op weg daarheen zijnde, heeft hij aan verscheidene gemeenten vele troostbrieven geschreven, zoals aan die van Smyrna, Efese, Filadelfia, Tralles, Magnesia, Tharsen, Filippi, en in het bijzonder aan de gemeente van Christus te Rome; welke brief hij voor zijn komst daarheen zond, waarin hij onder andere verklaart, dat het zijn begeerte en verlangen was, om het christelijk geloof met zijn bloed te bevestigen.

Zijn eigen woorden luiden aldus: “Van Syrië af naar Rome reizende, te water en te land, bij dag en nacht, vecht ik met wilde beesten, zeer nauw tussen tien luipaarden gebonden, die, inderdaad, hoe meer ik hen streel en grotere vriendschap bewijs, des te wreder en wreveliger jegens mij worden. Doch door hun wreedheid en pijnigingen, die zij mij dagelijks aandoen, word ik meer en meer geoefend en geleerd, maar daardoor ben ik niet rechtvaardig. Och dat ik reeds bij de beesten ware, die gereed zijn mij te verscheuren! Ik hoop, dat ik ze binnenkort zal vinden, zoals ik ze wens, te weten, wreed genoeg om mij ten spoedigste te vernielen. Willen zij mij niet aantasten en verscheuren, dan zal ik hen vriendelijk lokken, opdat zij mij niet verschonen, zoals zij reeds enige Christenen verschoond hebben; maar dat zij mij met haast in stukken scheuren en verteren. indien zij nog blijven weigeren, zal ik hen tergen en aanporren. Vergeeft mij, dat ik zo spreek. Ik weet, wat mij nodig en bevorderlijk is; na begin ik eerst een discipel van Christus te worden. Ik acht zichtbare noch onzichtbare dingen, waaraan de wereld zich vergaapt. Het is mij genoeg, als ik Christus maar mag deelachtig worden. Laat vrij de duivel en boze mensen mij allerlei pijn en smarten aandoen, met vuur, met kruisigen, met het worstelen tegen de beesten, met verstrooiing van mijn ledematen en het geraamte van mijn lichaam, ja met verplettering en verbrijzeling mijns gehelen lichaams; ik acht dit alles zeer weinig, mits ik alleen Jezus Christus geniete. Alleen, bidt voor mij, opdat mij innerlijke en uiterlijke kracht gegeven worde, om dit niet alleen te spreken of te schrijven, maar ook om het na te komen en te kunnen lijden, opdat ik niet alleen een Christen genaamd maar ook bevonden mag worden.

Toen hij te Rome kwam, werd hij door de soldaten aan de stadhouder overgeleverd, met de brieven van de keizer, waarin zijn vonnis geschreven stond. Enige tijd werd hij daar bewaard tot op zekere feestdag van de Romeinen, op welke dag de stadhouder hem naar het bevel des keizers, in de kampplaats liet voorbrengen. Nadat hij door vele pijnigingen van het christelijk geloof niet afvallig kon gemaakt worden, heeft men hem aan de leeuwen voorgeworpen, door welke hij terstond zeer gretig werd verslonden. Van hem wordt verhaald, dat toen hij aan de leeuwen werd overgegeven, om door hen verslonden te worden, en in het perk hoorde brullen, zei: “Ik ben het koren des Heeren, ik word door de tanden der beesten gemalen en gekneed, opdat ik in Christus een rein brood worde.” Alzo is deze getrouwe bloedgetuige van Christus zalig ontslapen in het jaar onzes Heeren 109, in het 11e jaar der regering van keizer Trajanus.

Omstreeks deze tijd werd ook, om de naam van Christus, omgebracht, zekere Publius, opziener der gemeente in Athene, een goed en vroom man, benevens vele anderen.

Zosimus, Rufus en anderen werden, om de christelijke godsdienst, ter dood gebracht en wet in de stad Filippi, in Macedonië.

Op bevel van keizer Trajanus, werd de 26sten Oktober van het tijdelijke leven beroofd Evarestus, opziener van de gemeente te Rome.

Hermes, stadhouder van Rome, met zijn vrouw en kinderen, benevens nog 1250 mensen, werden levend om Gods Woord in gloeiende ovens verbrand.

Spoedig daarna ondergingen hetzelfde lot Zeno, een Romeins edelman, en 40,203 mensen. Eveneens werden Enstachius en zijn vrouw te Rome om de naam van Christus omgebracht.

Justus en Pastor zijn, om dezelfde reden, in de Spaanse stad Complutum genaamd van het leven beroofd.

Tiberianus, stadhouder van Palestina, schreef aan keizer Trajanus, dat hij niet machtig was de Christenen wegens hun grote menigte uit te roeien. Toen gebood de keizer, dat men de vervolging zou staken.

Men zegt ook, dat omstreeks deze tijd om het christelijk geloof omgebracht is, en wel na vele smarten en pijnen te hebben geleden, Phocas, bisschop van Pontus.

Bovendien zijn om de naam van Christus nog verscheidene personen gedood, zoals in Italië, te Brescia, Faustina en Jobita. Te Messina, op Sicilië, ondergingen de dood Eleutherus en zijn moeder Anthia, en meer anderen in verscheidene andere plaatsen.

Te Tivoli, in Italië, werden ter dood gebracht Getulicus, een leraar, en Symphorosa met haar zeven zonen; zo ook zijn Cerealis en Amantius, in dezelfde stad, om de naam van Christus gedood.

Saphyra, een maagd te Antiochië, en Sabina, een weduwe van Valentin, zijn te Rome om dezelfde reden gedood.

De 5e januari werd, om de christelijke godsdienst, het leven ontnomen aan Telesphorus, opziener van de gemeente te Rome.

 

Ptolemeüs en Lucius

 

[JAAR 144.]

 

Ptolomeüs, een vroom en godzalig man, die zijn vrouw tot het christelijk geloof had gebracht, werd om de waarheid van Christus gevangen genomen. Toen hem gevraagd werd, of hij een Christen was, beleed hij, de waarheid liefhebbende, het terstond; want hij, die verzaakt, wat hij is, acht strafbaar te zijn, wat hij verzaakt. Om deze belijdenis werd hij in de kerker geworpen, en vertoefde daarin zo lang, totdat hij geheel vermagerd was, terwijl hij ten laatste aan de rechter Urbicus werd overgeleverd, die hem terstond daarna om de christelijke waarheid liet doden.

Er was ook een Christen, Lucius genaamd. Toen deze hoorde, dat zo onverdiend en lichtvaardig het vonnis over Ptolomeüs was geveld, zei hij tot Urbicius, de rechter: "Wat beweegt u toch, dat gij zulk een ter dood veroordeelt, die geen overspeler, vrouwenschender, doodslager, moordenaar, noch rover, of dergelijk misdadiger is, maar die alleen belijdt, dat hij een Christen is? O Urbicius, dat is iets, wat de goede keizer, zijn wijzen zoon, of eerbare raad niet aangenaam is, en tot eer verstrekt." Zonder meer te vragen zei Urbicius: "Mij dunkt, dat gij ook een Christen bent?" En toen Lucius daarop antwoordde: Ja, dat ben ik voorzeker," veroordeelde hij hem ook ter dood. Daarop hernam Lucius: “Ik dank u, dat gij mij van zulk een boze heer verlost, en mij tot God zendt, de allerbeste Vader en Koning over alles." Dit geschiedde te Alexandrië, in Egypte, omtrent het jaar onzes Heeren 144, waar ook in diezelfden tijd met hem nog vele anderen werden gedood.

Niettegenstaande de hevige vervolgingen, nam het aantal Christenen overal toe, zodat Justinus met recht van hen zegt, dat de Christenen vreemdelingen waren, en toch de plaatsen, steden, eilanden, kastelen, enz. der heidenen bewoonden, ja ook zelfs het keizerlijk paleis en de raad, waren binnen gedrongen, hun alleen de tempels als afgodshuizen overlatende. Plinius de tweede, stadhouder in Bithynië, ziende, dat daar de christelijke godsdienst meer en meer aanhangers kreeg en de overhand nam in weerwil van de zware en bloedige vervolgingen, zo zelfs, dat alle afgodstempels bijna leeg en verlaten waren, werd hij ontroerd over de menigte der Christenen, en maakte zwarigheid om die allen te straffen. Hij schreef daarover brieven aan de keizer, en vroeg raad, wat hem, zoals de zaken nu waren, te doen stond.

In deze brieven vraagt Plinius niet alleen raad in deze moeilijke en verwarde zaak, maar beproeft ook de keizer (naar het schijnt) te bewegen om de vervolging te doen ophouden, en zegt, dat de Christenen nergens anders in schuldig werden bevonden. dan dat zij gewoon waren op zekere bestemde dag, voor de dageraad, bijeen te komen, en met elkaar Christus, als hun God, lofzangen te zingen, dat zij zich onderling met een eed verbinden generlei kwade daden te plegen, zich te onthouden van dieverij, doodslag en overspel te begaan, hun geloof te verzaken, en niet te loochenen, wat hun in bewaring was gegeven. Dat als zij zulks gedaan hadden, zij dan gewoon waren te vertrekken, en weer te vergaderen om hun nooddruft te nemen in het algemeen, zonder iemand te hinderen of letsel te doen, en zij zich gedragen volgens zijn bevel." Betreffende de grote menigte der Christenen in die landen, voegt hij er bij: Volgens mijn mening is de zaak wel waardig om uw raad daarover in te winnen, en wel vooral om de grote menigte van hen, wie het gevaar boven het hoofd hangt. Velen, van elke leeftijd en van allerlei stand, zo mannen als vrouwen zijn in gevaar of zullen er in komen, aangezien niet alleen in de steden, maar ook in de dorpen en gehuchten de besmetting van dit bijgeloof verspreid is.

Op dit schrijven antwoordde keizer Trajanus onder andere het volgende: "Men zal zodanige lieden niet laten opzoeken, en, indien zij aangebracht en aangeklaagd worden, moet men hen in dit geval straffen, onder deze bepaling nochtans, dat zij, die ontkennen Christen te zijn, en dit met de daad tonen, te weten, door het aanroepen van onze goden, hoewel zij voor het toekomende verdacht zijn, om hun berouw en boetvaardigheid vergiffenis erlangen. Tertullianus bestrijdt dit antwoord van de keizer zeer, als indruisend tegen recht en rede, terwijl hij uitroept: “O vonnis, dat.alleen uit verlegenheid zo verward is! Hij wil niet, dat men naar hen zoeken zal, omdat zij onschuldig zijn, en toch beveelt hij, dat men hen als schuldigen zal straffen." Hoewel door deze brieven het vuur der vervolging werd uitgeblust, toch hield daarom de vervolging niet geheel op.

Hierna schreef ook Justinus, de wijsgeer, twee verdedigingsgeschriften voor de Christenen, het een aan de Senaat van Rome, het andere aan keizer Antonius en zijn opvolgers, alsmede aan de gehele burgerij te Rome. Aan het slot van zijn schrijven zegt hij met vrijmoedigheid en welsprekende woorden: Dit zeggen wij u vooraf, dat gij het aanstaande oordeel van God geenszins zult ontgaan, indien gij in de goddeloosheid volhardt. Wij zullen niet ophouden te bidden wat God aangenaam is en behaagt, opdat de waarheid worde geloofd en de overhand behoudt."

Op deze verdedigingsgeschriften volgde een heerlijk schrijven van keizer Antoninus, hetwelk te vinden is bij Eusebius het vierde boek, hoofdstuk 13. Melito zegt bij dezelfde Eusebius te vinden, dat Antoninus Pius in het algemeen ten gunst van de Christenen in alle landen geschreven heeft, en voornamelijk aan de bewoners van Larissa, Thessalonica en Athene.

Wij willen hier nog bijvoegen, om daarmee de geschiedenis van deze derde vervolging te besluiten, enige voortreffelijke woorden van dezelfde Justinus, uit zijn samenspraak met Tryphonus waar hij met levendige kleuren de standvastigheid der Christenen in die tijd afschildert.

Inderdaad, dat niemand macht heeft om ons die in Jezus geloven, te verschrikken of te beteugelen, dit blijkt dagelijks. Wanneer wij gedood, gekruisigd, aan de dieren voorgeworpen, aan het vuur en andere pijnigingen overgegeven worden, wijken wij toch niet van onze belijdenis; maar hoe wreder men tegen ons woedt, zoveel temeer beoefenen wij de godsdienst en het geloof in Jezus; het is met ons niet anders dan of iemand door snoeien een wijngaard opwekte tot vruchtbaarheid. Want de wijngaard, door God en onze Zaligmaker Christus geplant, is Zijn volk."

 

De vierde vervolging van de christenen onder keizer Antoninus

 

De vierde vervolging tegen de Christenen barstte uit ten tijde van keizer Antoninus. Er kon geen pijniging, straf, of ombrengen, zo groot, zo wreed, zo onverbiddelijk voor de boze mensen, door de tirannen, de werktuigen des duivels, bedacht, aangewend en volvoerd worden, of men meende, dat de Christenen, als vervloekte mensen als vijanden van het rijk, als oorzaak van alle ongelukken, duizendmaal meer verdiend hadden. In het openbaar bespot, levenslang opgesloten, gevangen, gegeseld, gestenigd, geworgd, gehangen, onthoofd, verbrand te worden, werd niet voldoende geacht. In deze tijd begon men de arme Christenen met gloeiende platen tot de dood toe te bestrijken, met gloeiende tangen het vlees van het lichaam te trekken, met ijzeren stoelen over een klein vuur te plaatsen, in ijzeren pannen te verschroeien, in nauwe netten gesloten de wilden stieren voor te werpen, teneinde door deze al spelende en spottende met de hoornen in de lucht gesmeten te worden. Dit alles ging gepaard met een andere barbaarsheid, namelijk, dat men de lichamen dergenen, die omgebracht werden, de honden voorwierp, waarbij men wachters plaatste, opdat deze lijken door de gelovige Christenen niet weggehaald en begraven zouden worden. Onder de regering van deze keizer zijn de navolgende Christenen wegens hun christelijke godsdienst, ter dood gebracht.

 

Justinus, de wijsgeer

 

[JAAR 168.]

 

Justinus, een zoon van Priscus Bacchus was geboren te Neapolis, in Palestina, en wel uit Griekse ouders. Hij was een geleerd wijsgeer, zeer ervaren in alle wetenschappen der heidenen. Deze hoorde, dat de Christenen boven alles werden beschuldigd, dat zij in hun vergaderingen zich aan schandelijkheden schuldig maakten. En toch zag hij, dat zij met grote volharding de dood onbevreesd tegen gingen, waaruit hij besloot, dat het niet mogelijk was, dat zulke mensen een zodanig slecht leven zouden leiden, aangezien boosdoeners geen hoop op een beter leven kunnen hebben, maar schrikken voor de dood. Na een naarstig onderzoek van de Heilige Schrift, verliet hij dan ook het heidendom, en nam de christelijke godsdienst aan. Hij maakte zulke vorderingen in de kennis van die godsdienst, dat hij leraar werd van het Evangelie, en het christelijk geloof kloekmoedig beschermde met schrijven, en zelfs verdedigingsgeschriften aan de keizer zond, om de Christenen te verontschuldigen van de lasteringen, waarmee zij werden bezwaard. Hij wekte ook vele mensen tot het martelaarschap op. Dikwerf redetwistte hij met een onbeschaamde wijsgeer, Crescens genaamd, maar overwon hem menigmalen en maakte hem beschaamd. Deze wijsgeer vatte daarover zulk een dodelijke haat tegen Justinus op, dat hij hem in zijn hart de dood had gezworen. Van die tijd af aan hield hij dan ook niet op hem lagen te leggen en als Christen aan te klagen, totdat hij als met Justinus' bloed zijn dorst gelest had, gelijk Tatianus, een leerling van Justinus, in zijn redevoering tegen de Grieken of heidenen over hem klaagt, dat hij niet alleen Justinus, maar ook hem naar het leven had gestaan, omdat zij hem en zijns gelijken, als wulpse dieren en bedrieglijke wijsgeren, in het openbaar hadden bestraft. Justinus werd op zijn aanklacht gevangen genomen, en, daar hij kloekmoedig weigerde het Christendom af te zweren, werd hij eindelijk door de President Rusticus ter dood veroordeeld, en, na vooraf gegeseld te zijn, met de bijl onthoofd, omtrent het jaar onzes Heeren 168.

 

Germanicus

 

[JAAR 174.]

 

Alvorens de christelijke gemeente te Smyrna in haren brief aan de gemeenten van Jezus Christus in Pontus, van Polycarpus' martelaarschap melding maakt, verhaalt zij in het algemeen, hoe groot en gruwelijk de vervolging der vijanden was jegens andere martelaren, die voor Polycarpus geleden, en welke grote standvastigheid in het verdragen van allerlei pijnigingen deze martelaren aan de dag gelegd hebben. Betreffende deze wreedheid, waarmee men de Christenen pijnigde, schrijven zij aldus: "Alle omstanders waren getuigen, dat het vlees der bloedgetuigen van Christus door verscheidene geselingen en slagen tot in de binnenste aderen en allerdiepste zenuwen werd losgerukt en vaneen gescheurd, zodat men hun ingewanden en verborgen delen des lichaams zag bewegen; ja dat er dan scherven van gebroken potten, zeeschelpen, ja voetangels op de grond werden gestrooid, en daarover de reeds gemartelde Christenen met hun verscheurde lichamen, gesleept en vertreden werden. Wanneer de dus misvormde Christenen, wegens de aangedane pijnigingen, bijna waren gestorven, of nauwelijks meer adem konden halen, werden zij aan de wilde dieren voorgeworpen, om verscheurd te worden. Allen, die deze treurspelen zagen, en het aanschouwden, hoe onmenselijk de Christenen werden mishandeld, en met welk een geduld die martelaren dat verdroegen, waren daarover zeer verwonderd en ontzet.

Onder deze was een, Germanicus genaamd, die door Gods genade versterkt, de natuurlijke en aangeboren zwakheid zijns gemoeds, welke de lichamelijke dood zeer vreest, zo krachtig overwon, dat hij, wegens zijn bijzondere standvastigheid, voor een der voortreffelijkste martelaren te houden is. Toen de stadhouder hem zocht wijs te maken en te overreden, dat hij toch de bloei van zijn leven in aanmerking zou nemen en met zichzelf erbarming hebben zou, verachtte Germanicus die raad, en hield zijn jong leven niet dierbaar voor zijn Heere Jezus Christus, maar trok terstond, zonder dralen, de wilde dieren, die gereed en losgelaten waren, naar zijn lichaam toe, en hitste hen als het ware op, alsof het hem zou gespeten hebben, wanneer zij nog vertoefden om hem te verslinden, teneinde alzo te eerder van het lichaam der zonde verlost te mogen worden, tot grote verwondering van al het volk. Met grote standvastigheid had hij aldus zijn leven veil voor de goddelijke waarheid, en stierf te Smyrna, in Klein-Azië, omtrent het jaar van Christus' geboorte 174.

 

Meliton

 

Meliton, opziener van de gemeente van Christus te Sardis, een stad in Lybië, was een geleerd, welsprekend en met de Heilige Geest begaafd man. Hij schreef een apologie of verdediging van de christelijke godsdienst, en zond die aan keizer Antoninus. Ook Claudius Apollinaris, opziener der. gemeente te Hiërapolis, een stad in Azië, deed het zelfde, zoals ook daarna Athenagoras, een wijsgeer te Athene, en een geleerd en godvruchtig man.

Toen keizer M. Antoninus de Marcomannen overwonnen had, voerde hij oorlog tegen de Quaden. Met zijn leger in hun land vallende, werd hij dapper aangevallen, en, na een hevige strijd, met zijn volk ingesloten in een plaats tussen het gebergte, waar groot gebrek was aan water, terwijl zij veel van de hitte te lijden hadden. Gedurende vijf dagen verkeerden zij daarin groten nood, zodat zijn volk, door de hitte en van de dorst schier versmacht, in moedeloosheid ieder hunner zijn goden tevergeefs aanriep. In die ogenblikken deed zich een afdeling Christenen op, die ingeschreven waren in zeker groot leger, Melitana genaamd. Deze bogen met een vast geloof de knieën voor de enige, eeuwige en waarachtige God. En, toen zij hun vurige gebeden voor de nood van de vorst en hen allen uitgestort hadden, werden zij terstond, en wel geheel onverwacht en tot ieders verwondering, met twee weldaden gezegend, een overvloedige regen in hun midden, waardoor het leger zeer werd gelaafd, terwijl boven de hoofden der vijanden hevige en langdurige bliksemstralen en donderslagen zich ontlasttten, waardoor zij verdreven en verstrooid werden.

Door dit wonder werd het gemoed van de keizer dermate getroffen, dat hij van die tijd aan de Christenen gunstiger behandelde, ja, zelfs in brieven, die hij aan verscheidene stadhouders zond, beleed, dat hij door het gebed der Christenen de overwinning verkregen bad, en aan het bovengenoemde leger de naam gaf van het bliksemende."

Was de vervolging van de Christenen onder M. Antoninus geëindigd, onder keizer Commodus duurde de vrede voort, en wel omdat hij zonder twijfel nog aan het buitengewone wonder dacht, hier boven verhaald, dat zijn vader tot meedogendheid jegens de Christenen had opgewekt; maar ook omdat hij een bijzit had, Marcia genaamd, die de Christenen een goed hart toedroeg. In het begin der regering van Commodus hadden dus de Christenen vrede, maar dit duurde niet lang.

In weerwil van die vrede, worden toch door sommigen als martelaren in het begin van zijn regering gehouden en genoemd: Vincentius, Eusebius, Peregunus en Potentianus, leraars, als ook Julius, een raadsheer te Rome.

 

Polycarpus

 

In deze tijd werd ook in de stad Smyrna gevangen genomen Polycarpus, een leerling van de Apostel Johannes, die Johannes zelf het woord had horen verkondigen, en die met hen had omgegaan, die de Heere Christus hadden gezien, en door Johannes was aangesteld tot een opziener van de gemeente der genoemde stad Smyrna.

De stadhouder Filippus vermaande hem, dat hij, zijn ouderdom in aanmerking nemende, zou zweren bij de goden des keizers en Christus vloeken. Met grote vrijmoedigheid antwoordde hij echter: “Zes en tachtig jaren heb ik mijn Heere Christus gediend, en hij heeft mij nimmer enig kwaad gedaan; hoe zou ik mijn Koning kunnen vloeken, die mij behouden heeft?" Toen de stadhouder hem dreigde met de wilde dieren, als hij van zijn voornemen geen afstand deed en zich bekeerde, antwoordde Polycarpus: laat hen voorkomen, want mijn besluit is onveranderlijk, wij kunnen ons door bedreigingen niet bekeren van het goede, tot het kwade, beter ware het, dat zij zich tot het goede bekeerden, die in hun boosheid volharden."

Vervolgens zei de stadhouder: houdt gij nog vol? Als gij de wilde dieren veracht, zal ik u door vuur laten verbranden." “Gij dreigt mij met vuur," dus hernam Polycarpus, "dat in een ogenblik ontstoken en weer uitgeblust wordt, want gij weet niet van het eeuwige vuur, dat de bozen treffen zal in de dag des oordeels. Wat vertoeft u nog? Doe aan mij, wat gij van beide goedvindt."

Toen nu het volk zijn dood eiste, werd hij door de stadhouder overgeleverd om verbrand te worden. Als nu het hout van alle kanten voor de brandstapel was aangebracht, waarbij vooral de Joden, volgens hun gewoonte zich beijverden, en men hem met nagels aan een paal wilde hechten, zei hij: laat mij zoals ik ben. Die mij kracht gegeven heeft om de pijn van het vuur te verdragen, zal mij ook helpen om op deze brandstap te blijven. Daarop werd hij slechts gebonden. Toen hij met vrijmoedigheid tot God gebeden had en het vuur hem niet deerde, aangezien dit, tot ieders verwondering, onder en rondom hem uitbarstte, zonder hem nochtans te verteren, werd hij eindelijk doorstoken, waarbij het bloed zo overvloedig uit zijn lichaam vloeide, dat het vuur daardoor werd uitgedoofd.

 

Felicitas en haar zeven zonen

 

Felicitas, een weduwe, geboren te Rome, werd in haar vaderstad, om Gods Woord, met haar zeven zonen omgebracht.

 

Vetius Epagathus

 

[JAAR 179.]

 

In die tijd ontstond te Lyon en te Vienne in Frankrijk een grote beroerte, wegens het wrede geweld, dat men de Christenen aandeed. De huizen en woningen werden verboden, daarna ook het gebruik der baden en later zelfs van de straat. Dit ging zelfs zo ver, dat men hen in het geheim noch openbaar duidde. Desgelijks werden er velen gevangen genomen en gepijnigd, zodat zij veel hebben moeten lijden.

Vetius Epagathus, een vroom Christen, en hoewel van jeugdige leeftijd, toch christelijk van leven, en een geacht edelman, die de wreedheid zag, welke men de Christenen aandeed, verlangde, door een ijverige geest bezield, van de rechter, dat men hem wilde aanhoren in hetgeen hij ten gunst van de goede burgers in het midden wilde brengen; dat zij namelijk niets kwaads bedreven, en zich niet in de strikken der ongerechtigheid lieten vangen. Toen hij echter geen gehoor kon krijgen, vroeg de rechter hem alleen, of hij een Christen was. En, toen hij dit openlijk en vrijmoedig beleed, zei de rechter: “Dan zult gij met de gevangenen meegaan als een voorspraak van de Christenen." Zo werd hij dan ook met de heilige leraar Zacharias, die als een goed herder voor zijn schapen streed, gevangen weggeleid en eindelijk gedood in het jaar onzes Heeren 179.

 

Sanctus, de Diaken

 

Er werd ook gevangen genomen een diaken uit de stad Vienne, Sanctus genaamd. Men pijnigde hem op zeer onmenselijke wijze, teneinde van hem te weten te komen, of de Christenen zich aan zulke gruwelijke handelingen schuldig maakten, als waarvan men hen beschuldigde. Maar, aangezien hij zeer door God versterkt werd, verachtte hij al de pijnigingen, welke zij hem aandeden, dermate, dat hij niet bekende, wie hij was, noch uit welk geslacht, uit welk land of hoe hij heette. Toen men hem onder de pijnigingen omtrent alles ondervroeg, antwoordde hij niets anders dan dat hij een Christen was. “Dit is mijn naam," zei hij, ja ik ben in het geheel niet anders dan een Christen." Om deze reden koelden de tirannen hun wraak dermate aan hem, dat zij zijn buik en andere gevoelige plaatsen van zijn lichaam met gloeiende ijzeren platen belegden, zodat zijn vlees verbrandde en van het lichaam viel. Toen deze heilige martelaar dus standvastig bleef, werd hij in zeer mismaakte toestand in de gevangenis geworpen, terwijl later deze vrome getuige, na vele en gruwelijke pijnigingen, andermaal werd voorgebracht, en om de getuigenis van Christus onthoofd.

 

Attalus, Blandina, Ponticus en nog een ander

 

Attalus en Blandina gevangen genomen zijnde, werden zeer dikwijls en vreselijk gepijnigd, opdat zij Christus zouden verloochenen en zekere verzonnen boze daden van de Christenen bekennen. Na zware pijnigingen te hebben uitgestaan, zette men hen weer in de gevangenis.

In deze tijd is onder de Christenen het bijgeloof, om sommige spijzen uit te zonderen, in zwang gekomen. Men achtte het toen niet ongeoorloofd, (zoals men nu doet) op zekere dagen vlees te eten, want dit is later eerst verordend, toen de Antichrist dit begon te verbieden; maar sommigen onthielden zich van het gebruik van vlees, omdat zij meenden, dat hun vleselijke lusten daardoor temeer zouden onderdrukt en bedwongen worden. Later dachten sommigen, dat het een heilige verrichting was, (naar hun mening) Gode aangenaam, en zo werd het ten laatste een verbod. Juist in deze tijd zat er een ander Christen met Attalus en Blandina gevangen, die zich zeer sober behielp, en geen wijn en vlees gebruikte. Nu openbaarde God aan Attalus, dat hij deze mens aanzeggen moest, dat hij zich van dagelijkse spijs moest bedienen, opdat anderen zijn voorbeeld daarin niet zouden navolgen, aangezien eenvoudige mensen licht konden menen, dat het bijzondere gebruik van spijs een aanbevelenswaardige godsvrucht was. Attalus deelde deze openbaring aan deze mens en andere gevangenen mee, die er aan gehoorzaamden, terwijl de anderen er door geleerd en versterkt werden.

Na Attalus en de anderen zware en onlijdelijke pijnigingen te hebben aangedaan, werd de eerste voor de wilde dieren geworpen, ofschoon hij een Romeins burger was, die men, volgens het bevel des keizers, had behoren te onthoofden. Maar toen de wilde dieren het lichaam van de martelaren niet aanroerden, liet de rechter hen andermaal op velerlei wijze pijnigen, en werden zij zelfs op ijzeren stoelen boven het vuur geplaatst. Toen nu Attalus op de stoel zat, en men bezig was hem te binden, zei hij tot het volk: ziel, dit is nu mensen eten (de Christenen werden ook beschuldigd, dat zij kinderen aten) wat gijlieden doet; wij eten geen mensenvlees, en bedrijven ook geen wandaden." Als zij hem vroegen hoe God heette, antwoordde hij: “Waar er velen zijn, daar worden zij met namen onderscheiden; maar, aangezien er slechts één God is, heeft Hij geen naam nodig." Eindelijk werd Attalus met de anderen in het perk onthalsd.

Nadat deze omgebracht waren, werden Blandina en Ponticus een jongeling van 15 jaren, andermaal voorgebracht. Toen men hun gebood, dat zij hij de afgoden zouden zweren, antwoordden zij, dat de afgoden niets zijn, en dat zij daarom bij hen niet zweren konden. Als zij en vele anderen zich tegen de afgoderij verklaarden en die verfoeiden, werden zij weer op de vreselijkste wijze gepijnigd, zo zelfs, dat Ponticus onder de martelingen de geest gaf. Nadat Blandina van de morgen tot de avond dermate was gemarteld, dat haar gehele lichaam vaneen gescheurd en als aan stukken gereten was, zo zelfs, dat haar pijnigers door vermoeidheid ter aarde vielen, en bekenden, dat zij geen pijnigingen en martelingen meer konden uitdenken, die haar gevoelig moesten aandoen, riep zij niets anders dan: “Ik ben een Christin, en door ons wordt niets kwaads of onbehoorlijks gedaan. Eindelijk werd zij in een net gewikkeld en de stieren voorgeworpen. Deze wierpen haar herhaalde malen met hun horens in de hoogte, totdat zij haar ziel Gode opofferde, in het jaar onzes Heeren 179.

 

Photinus, bisschop te Lyon

 

[JAAR 179].

 

Photinus, bisschop of leraar te Lyon, een man van ruim negentigjarige ouderdom, en zwak van lichaam, werd voor de rechterstoel van het volk gebracht. Zijn vijanden schreeuwden verward door elkaar, en zeiden, dat hij Christus zelf was. Op de vraag van de president, wie de God der christenen was, antwoordde hij: "Wanneer gij het waardig bent, zult gij het weten." Als wilde dieren vielen zij toen op hem aan, en martelden hem met slaan, schoppen, trekken, stoten, trappen enz. dermate dat hij twee dagen daarna overleed. In het jaar 179 na Christus' geboorte zijn te Lyon en te Vienne, omstreeks dezelfde tijd, waarin Photinus stierf, nog ter dood gebracht, Zacharias, een ouderling, Maturus, Alexander, een dokter, en Alcibiades.

In deze tijd werden ook vele anderen op wrede wijze vervolgd en gedood, zij werden aan de honden voorgeworpen, men verbood hen te begraven, en de as van hun verbrande lichamen werd in het water geworpen, opdat zij, naar hun mening, geen deel zouden hebben aan de opstanding, waarop de gelovigen hopen. God intussen, gaf aan Zijn volk moed en stond hen bij, zodat zij geen vrees hadden voor de tirannie.

 

Apollonius

 

[JAAR 188]

 

Apollonius, een raadsheer te Rome, was een man, die wel verdient genoemd te worden, daar hij zich voor de belijdenis des christelijken geloofs gewillig in de dood heeft overgegeven, zonder in het minst in aanmerking te nemen de staat, waarin hij verkeerde, en de waardigheid, die hij bekleedde. Toen hij door zijn slaaf was aangeklaagd, dat hij een Christen was, en de senaat van Rome hem dwong om rekenschap van zijn geloof te geven, legde hij een verdedigingsgeschrift van zijn geloof over, en las het, gelijk sommigen zeggen, aan de senaat voor. En, hoewel de Christenen nu vrede hadden, zo beweren sommigen, dat de senaat hiertoe gedrongen werd door zekere wet, die beval, dat men een Christen, die aangeklaagd was, en bij zijn belijdenis bleef volharden, niet mocht vrijlaten. Maar ook om aan de anderen kant het bevel van Antoninus te volbrengen, liet de senaat eerst de aanklager de benen breken. Dit geschiedde onder de regering van keizer Commodus te Rome, in het jaar onzes Heeren 188.

 

De vijfde vervolging van de christenen onder keizer Septimeus Severus

 

De vijfde vervolging van de Christenen barstte uit in het tiende jaar der regering van keizer Severus. De aanleiding tot deze vervolging was, dat de eerrovers en lasteraars allerlei valse beschuldigingen uitstrooiden jegens de Christenen, namelijk, dat zij oproerige lieden waren, die zich jegens de keizerlijke majesteit misdroegen, doodslagers, tempelrovers, bloedschenders, die in hun samenkomsten de kaarsen uitbliezen en zich aan allerlei ontucht en ondeugd overgaven, kindermoordenaars, menseneters insgelijks, dat zij een ezelskop als God vereerden, maar bovenal dat zij de goden verachtten, en dat daarom vanwege hen ongeluk en rampen de mensen was overkomen.

De hevigste vervolging had plaats, nadat Eusebius en Tertullianus in Afrika hun geschriften hadden opgesteld.

Een grote menigte Christenen werd naar Alexandrië, in Egypte, gebracht, waar zij om de naam van Christus op velerlei wijzen gedood werden.

Tot de voornaamste martelaren van die tijd behoren de navolgende.

 

Leonidas

 

Onder deze hevige vervolging werden vele vrome Christenen om de christelijke godsdienst onder de grootste pijnigingen ter dood gebracht. Onder deze was ook Leonidas, de vader van de geleerden Origenes, een man van zeventig jaren. Toen hij in de gevangenis zat, vermaande hem Origenes, die toen slechts zeventien jaren oud was, met een troostvolle brief tot volharding in zijn lijden, en dat hij zich niet moest bekommeren om zijn vrouw, Origenes' moeder, en haar zeven jeugdige kinderen, van welke hij de oudste was. Leonidas, aldus door zijn zoon tot volharding opgewekt, en bovenal versterkt door de bijzondere bijstand des Heilige Geestes, werd, omdat hij verstandig bleef, om de belijdenis van Christus, te Alexandrië onthoofd, in het tiende jaar der regering van Severus, toen Letus in die stad van Egypte stadhouder was, terwijl al zijn bezittingen ten behoeve van de schatkamer des keizers werden verbeurd verklaard.

Te die tijde onderwees Origenes zijn leerlingen zo krachtig in het geloof, dat later velen hun leven voor de christelijke godsdienst hebben overgegeven. Onder deze waren de eerste Plutarchus, twee mannen, waarschijnlijk gebroeders, Sereni genaamd en Hero. Toen Plutarchus naar de strafplaats werd geleid, om gedood te worden, was Origenes aan zijn zijde om hem te troosten, waarom hij voorzeker door de woedende schare zou doodgeslagen zijn geworden, zo de goddelijke Voorzienigheid hem niet had beschermd.

 

Irenaeus, bisschop

 

Irenaeus, geboren te Smyrna of daaromtrent, in Azië, was, onder Photinus de bisschop, ouderling te Lyon, in Frankrijk. Hij was een godzalig, en geleerd en zeer verstandig man, daar hij in zijn jeugd een leerling was van Polycarpus, bisschop en martteDlaar te Smyrna. Wegens zijn bekwaamheid en godzaligheid was hij in Photinus' plaats gekomen. Hij was een naarstig beminnaar en navolger van de leer van Christus, oprecht in zijn leven en zeer geacht bij alle vermaarde personen van zijn tijd. Op bijzondere wijze bevorderde hij de vrede der kerk, vooral in de twist, die ontstaan was, door Victor, bisschop te Rome, over de tijd, wanneer het Paasfeest moest gevierd worden.

Tengevolge van die twist werkte Victor mee, dat de Oosterse gemeente zich van de Westerse hebben afgescheiden, waarover Irenaeüs hem en zijn medestanders ernstig bestrafte. Hij heeft enige goede boeken nagelaten, vooral tegen de ketters, die hij manmoedig weerstond. Nadat hij gedurende geruime tijd de waarheid voorstond en verdedigde, werd hij eindelijk onder de regering van Severus te Lyon gedood, ofschoon het onzeker is, wanneer en welke dood hij gestorven is.

In die tijd werd ook ter dood gebracht zekere Rhaïs, een eerbare vrouw, alsmede Marcella en haar dochter Potamiena. Toen over deze het vonnis des doods geveld was, bespotte het gemene volk haar zeer, doch het werd door Basilides, die het vonnis uitgesproken had, daarover bestraft, terwijl deze Basilides, door Gods genade, het geloof in Christus omhelsde, ook daarna de marteldood stierf.

De voornaamste stadhouders, die in die tijd de Christenen het meest geplaagd hebben, waren, volgens Tertullianus: Hilarianus, Vigellius, Claudius, Herminianus, Cecilins, Capella, Vespronius; volgens Cyprianus, ook Demitrianus en volgens Eusebius, ook Aquila. De meesten dezer werden, op onderscheiden wijzen, door Gods hand gestraft, zoals onder anderen Claudius Herminianus, (zonder dat anderen er mee besmet werden) met de pest, nadat hij vroeger geplaagd was door schadelijk gewormte.

Voor zijn dood zei hij: “laat niemand dit weten, opdat de Christenen zich niet verblijden."

Omtrent deze tijd schreef Septimius Florens Tertullianus, geboren te Carthago in Egypte, een verdedigingsgeschrift voor de Christenen tegen de heidenen, waarin hij al de lasteringen weerlegt, welke men in die tijd de Christenen aandeed; hij toonde aan, dat zij onschuldig waren en vervolgd werden, niet om enige boze handelingen, maar alleen om hun naam als Christenen. Hij voegde er bij, dat niettegenstaande de bitterheid der vervolging, hun godsdienst in het minst niet leed of verzwakte, maar veel meer werd opgewekt en gesteund. Onder andere zegt hij: “Ons aantal neemt toe, en wij wassen aan, wanneer wij door u als gemaaid worden. Het bloed der Christenen is als het zaad. Want wie is er onder ulieden, die dit ziet, welke niet gedrongen wordt om te onderzoeken, welk een zaak het Christendom toch zij? Wie is er, wanneer hij het onderzocht heeft, die er niet toe overgaat? En als hij er zich bijgevoegd heeft, ook niet wenst te lijden? Op soortgelijke wijze zegt dezelfde: deze sekte (dit woord wordt hier gebruikt in een gunstige betekenis) zal nooit uitgeroeid en vernietigd worden. Gelooft het toch, dat zij opgebouwd wordt. al schijnt zij vernietigd te worden. Want een ieder, die deze grote lijdzaamheid ziet van hen, welke hoe langer hoe meer geslagen worden, wordt geprikkeld en aangevuurd om te onderzoeken, wat daarvan de oorzaak is. En wanneer hij tot kennis der waarheid gekomen is, volgt hij ook onverwijld de Christenen na."

M. Aurelius Severus, de zoon van Antoninus en neef van de keizer Severus, was een vroom en oprecht vorst, zeer geleerd en de geleerden gunstig. Zijn moeder Mammea was een zeer wijze vrouw, die hij zeer eerde en wier wijze vermaningen hij volgde. Toen hij aan de regering kwam, bestuurde hij de Republiek onder voorlichting van wijze en verstandige mannen, onder welke vooral rechtsgeleerden waren. De goddelozen, gierigaards, onrechtvaardigen en boosaardigen ontnam hij alle openbare bedieningen. De soldaten hield hij onder goede tucht en bestraffing. Op aanhitsing van Ulpianus was hij in het begin van zijn regering de Christenen niet zeer gunstig, zodat sommigen van hen werden omgebracht, zoals:

Agapitus, een jongeling van 15 jaren.

Calapodius, een ouderling.

Pammachius, een raadsheer te Rome.

Simplicius, een raadsheer.

Insgelijks de gebroeders Tiburtius en Valerianus; verder Quiritius, Patritius en zijn moeder Julia.

Ook Cecilia en Martina, beiden maagden.

Later was de keizer de Christenen gunstiger, vooral om zijn moeder, die de Christenen een goed hart toedroeg. Zij beschikte ook de Christenen een plaats, waar zij hun godsdienstoefeningen konden houden, en wilde zelfs ter ere van Christus een tempel bouwen, doch werd daarin verhinderd. Men leest ook, dat, toen de Christenen zekere plaats genomen hadden, om die tot de godsdienstoefeningen te gebruiken, en de slachters der offeranden beweerden, dat die hun toekwam, de keizer zei, dat hel beter ware, dat men op die plaats God, op welke wijze dan ook, diende en eerde, dan dat zij door de onreinheid van de dienaars der tempels besmet en verontreinigd werd.

M. Minucius Felix, een rechtsgeleerde te Rome, en een zeer voortreffelijk en geleerd man, stelde een samenspraak op ten gunste van de christelijke godsdienst, waaraan hij de naam gaf van Octavius.

Lactantius getuigt aldus van hem: “Minucius Felix was onder de rechtsgeleerden een man van hoog aanzien, en zijn boek, dat de naam van zijn vriend Octavius draagt, geeft de duidelijkste blijken welk een bekwaam dienaar der waarheid hij zou geweest zijn, wanneer hij zich daaraan geheel en al had overgegeven."

 

De zesde vervolging van de christenen onder keizer Maximinus

 

De zesde vervolging der Christenen brak uit onder de regering van keizer Maximinus, een van nature zeer wreed mens, zo jegens aanzienlijke personen, omdat hij van geringe afkomst was, als jegens de dienaars van het Evangelie. Tot geluk van de Christenen duurde deze vervolging niet lang, daar hij slechts twee jaren regeerde. Aangezien deze keizer een hevige vijand was van de dienaars van het evangelie, werden zij ook het eerst vervolgd, omdat zij leraars en bewerkers waren, zoals men zei, van de christelijke godsdienst.

Men meende namelijk, dat, wanneer men deze vervolgde en wegjoeg, de anderen te eerder hun godsdienst zouden laten varen.

De kerkleraar Origenes schreef toen een brief, teneinde de Christenen tot standvastigheid op te wekken, over het martelaarschap, en droeg dit op aan Ambrosius, opziener der gemeente te Milaan, en Protoctus, beide geleerde mannen in die tijd.

De geschiedenis zegt, dat onder zijn regering, om de belijdenis der goddelijke waarheid gedood werd Fabianus, opziener van de gemeente te Rome.

 

De zevende vervolging van de christenen onder keizer Decius

 

[JAAR 251.]

 

Omtrent het jaar onzes Heeren en Zaligmakers 251 ontstond er een zeer grote en wrede vervolging tegen de gelovige Christenen, en wel onder de regering van keizer Decius, gewoonlijk de zevende genaamd. Sommigen dachten dat hij deze vervolging beval uit haat jegens keizer Filippus, die de christelijke godsdienst had aangenomen. Maar Cyprianus, die in die tijd leefde, schrijft de aanleiding tot deze vervolging aan de Christenen zelf toe. "Men moet (zegt hij) het inzien en belijden, dat de grimmige en vernielende benauwdheid, die onze kudde voor het merendeel verwoest heeft en nog zonder ophouden verwoest, om onze zonden ons is overkomen, omdat wij de weg des Heeren niet bewandelen, en de hemelse geboden ons tot onze zaligheid gegeven, niet bewaren. Onze Heere heeft de wil Zijns Vaders volbracht, en wij volbrengen de wil van onze Heere niet. Ieder onzer benaarstigt zich om geld en goederen te vergaderen, de hovaardij na te jagen; men maakt zich schuldig aan afgunst en tweedracht, verzaakt de eenvoudigheid en verloochent de boze wereld alleen niet woorden en niet met daden, behaagt zichzelf en mishaagt allen. Wij worden aldus geslagen, gelijk wij verdienen; want welke plagen, welke slagen verdienen wij niet?" etc.

En elders; indien men de oorzaak van de jammer en het ongeluk kent, zal men gemakkelijk een geneesmiddel vinden voor de wond. De Heere heeft Zijn huisgezin willen beproeven; en, aangezien de langdurige vrede, de lering en tucht, die ons van de hemel gegeven waren, bedorven had, zo heeft de hemelse straf het onmachtige, ja bijna had ik gezegd het slapende geloof, wederopgewekt. En, daar wij door onze zonden nog meer verdienden te lijden, heeft nochtans de allerbarmhartigste Heere zo genadig met ons gehandeld, dat al wat er is geschied, veeleer een bezoeking scheen dan een vervolging. Ieder benaarstigde zich, om zijn bezittingen te vermeerderen, en men vergat wat de gelovigen of de Christenen in de tijd der Apostelen. gedaan hebben, of altijd behoorden te doen; men wendde, integendeel, alle naarstigheid aan, om als door een onverzadigbare brand van gierigheid de rijkdommen op te hopen en te vermeerderen. Onder de priesters vond men geen behoorlijken ijver om God te dienen; onder de dienaars geen oprecht geloof, in de werken geen barmhartigheid, in de zeden geen tucht. Tot dusverre Cyprianus.

In deze bloedige vervolging werden vele Christenen, uit de aanzienlijken en uit de lage stand, in vele landen en steden van het gehele keizerrijk onder ongehoorde pijnigingen ter dood gebracht.

 

Alexander, opziener van de gemeente te Jeruzalem

 

Alexander, opziener van de gemeente te Jeruzalem, was een man, groot in aanzien en gezag. Hij was zeer begaafd en vreesde de Heere bijzonder. Voor de waarheid van Christus leed hij veel, doch God spaarde hem, en wel tot onder de regering van keizer Decius. Onder diens regering werd hij, om de belijdenis van Christus, door de stadhouder in Cesarea gevangen genomen en voor diens rechterstoel gebracht. Door alle gelovigen werd hij daar op treffende wijze in Christus geroemd, en wel bovenal om zijn vrijmoedige verantwoording voor de naam van Christus. Daarom werd hij in ketenen geklonken, in de gevangenis gezet, waar hij lang vertoefde, dikwijls voor de vierschaar geroepen werd en telkens weer naar de gevangenis moest terugkeren. Nadat hij deze ellendige mishandeling met lijdzaamheid verdroeg, en God met de Apostelen dankte, dat Hij hem waardig achtte, om Zijns Naams wil dit lijden uit te staan, offerde hij ten laatste, na veel smart en lijden, zijn leven aan God op. Of hij door pijnigingen, of hongersnood, of andere ellende in de gevangenis gestorven is, daaromtrent is niets zekers bekend.

 

Babylas, opziener der gemeente te Antiochië

 

Babylas, bisschop of opziener van de gemeente te Antiochië, was een voortreffelijk man (zegt Chrysostomus), over wie ieder zich met recht mocht verwonderen, daar hij keizer Decius belette in de vergaderingen der Christenen te komen, omdat hij niet wilde, dat een wolf in het midden der schapen vallen zou. Hij werd gevangen genomen en gedwongen de afgoden te offeren, doch weigerde dit. Na zijn goede zaak verdedigd en verklaard te hebben, dat een herder zijn schapen niet behoort te verlaten, dat hij de almachtige God niet wilde verzaken, en tot valse goden de toevlucht nemen, werd hij om deze belijdenis ter dood veroordeeld. Toen hij bereid was om te sterven, zei hij: "Mijn ziel, ga tot uw rust, want de Heere heeft u aangezien." En alzo werd hij onthoofd.

 

Metranus en vele anderen te Alexandrië

 

Alexandrië was als het ware de schouwplaats van alle tirannie. Onder ben, die daarin die tijd om de naam van Christus werden omgebracht, zijn de volgende wel de voornaamste:

Metranus, een godvruchtig, bejaard man, die, om de belijdenis van Christus, door het oproerige volk te Alexandrië gevangen genomen werd, wilde men dwingen om godslasteringen uit te spreken, dat is, om de naam van God te lasteren, en Zijn Gezalfde, de Heere Jezus Christus, te verloochenen. Toen hij dit weigerde, sloeg men hem met stokken over het gehele lichaam, terwijl zijn aangezicht met scherpe rieten doorstoken werd. Toen hij aldus gepijnigd en gemarteld was, werd,hij buiten de stad geworpen en ter dood gestenigd.

Daarna werd ook gegrepen zekere Cointha, een edele en gelovige vrouw, die men in een afgodstempel bracht, voor de goden plaatste en haar dwong om die te vereren. Maar, toen zij niet verfoeiing van de afgoderij, zich daarvan afkeerde, bonden zij haar voeten samen, en sleepten haar alzo door de straten van Alexandrië, geselden haar met roeden, en drukten haar naakte lichaam tegen draaiende molenstenen. Toen zij haar lang genoeg gesleept, geslagen, gemarteld en door geselslagen haar lichaam vaneen gereten en verscheurd hadden, en zij onder dit alles bijna bezweken was, trokken zij naar de voorstad, waar zij haar met stenen wierpen en daarmee bedekte.

Dit wreed en onstuimig volk sloeg ook de handen aan Apollonia, een bejaarde, beroemde en christelijke maagd, en sloegen haar met vuisten derwijze in het gezicht, dat zij al haar tanden uit de mond verloor. Daarna brachten zij haar voor een vuur, en zeiden haar, dat, wanneer zij aan hun goden niet wilde offeren en Christus vloeken, zij daarin verbrand zou worden. Maar zij verkoos liever de pijniging van het vuur, en het verlies van haar tijdelijk leven, dan Christus te verzaken en haar ziel te verliezen om het tijdelijke leven te behouden.

Zo werd ook Serapion, geboren te Efese, uit zijn huis gesleept en zijn lichaam door vele slagen vaneen gereten en bijna van lid tot lid aan stukken gesneden. Na deze wrede mishandeling wierpen zij hem bovendien van zekere hoge plaats naar beneden, zodat hij in ellendige toestand stierf.

In die tijd werd ook een Julianus, bijgenaamd Eunus, die ook de waarheid staande bleef. Door de tirannen werd hij op een kameel gezet, en alzo door de stad gevoerd. Met scherpe roeden werd hem het vlees van het lichaam gescheurd, en terwijl het woedende volk hem met stenen wierp, werd hij eindelijk verbrand.

Voorts lezen wij nog van een kloek en dapper ridder, Besas genaamd, die het volk bestrafte, omdat zij de dode lichamen der martelaren bespotten. Door de woede van het volk werd hij gevangen genomen, en, daar hij Christus standvastig beleed, levend verbrand.

Wij willen ook niet zwijgen van Macarius van Lybië, wie de rechter met vele redenen aanraadde, dat hij Christus zou verloochenen. Maar, daar hij te sterker in zijn belijdenis volhardde, werd hij levend verbrand.

Epimachus en Alexander hebben ook, na vele pijnigingen, hun leven in het vuur moeten eindigen.

Aan het vrouwelijke geslacht heeft God evenzeer Zijn kracht op wonderbare wijze betoond. Er waren namelijk, Ammonaria en Mercuria, twee maagden, en Dionysia, een bejaarde vrouw, en nog een andere Ammonaria, die ook, onder vele wrede pijnigingen, tot verzaking van de christelijke godsdienst werden aangezocht. Zij gedroegen zich daarbij evenwel zo standvastig, dat de vijanden Gods zich schaamden. Niettegenstaande dit, liet de rechter ze onthoofden.

In deze vervolging werden ook opgebracht Cheremon, bisschop te Nicopolis, een stad in Egypte, Heron, Arsinus, Isidorus, alle drie Egyptenaars. Insgelijks Nemesius, Ammon, Zenon, Ptolomeüs, Ingenuus, Theophilus, ook Scirion, een rentmeester van een aanzienlijk man. Deze beval Scirion, dat hij de afgoden zou offeren; maar, toen hij dit weigerde, zocht hij hem met harde woorden en bedreigingen daartoe te dwingen. Maar toen hij daarmee bij hem niet vorderde, en Scirion volstandig in zijn geloof volhardde, beproefde hij met vleiende woorden hem daartoe te bewegen. Maar, toen hij zag, dat hij onbeweeglijk bleef, nam hij een scherpe paal, en stootte hem daarmee zo lang in zijn lichaam, totdat hij op wrede wijze vermoord was.

Zo wij alle martelaren wilden opsommen, die in alle landen van het keizerrijk, onder de regering van deze tiran Decitis, werden omgebracht, dit boek zou die allen nauwelijke kunnen bevatten. Aangaande deze vervolging getuigt Nicephorus: dat het even moeilijk is, al de martelaren aan te wijzen, als het zand van de zee te tellen."

De pijnigingen, waaronder de arme Christenen in die tijd werden omgebracht, waren ontzettend hard. Gebannen, van zijn bezittingen beroofd, tot werken in de mijn veroordeeld, gegeseld, onthoofd, opgehangen te worden, werd gering en als niets geacht. Zij werden met hete tarwe bestrooid, over een klein vuur geblakerd, gestenigd, met scherpe pennen in het aangezicht, de ogen, ja het gehele lichaam gestoken, langs de straten over harde keien en scherpe stenen gesleept, tegen steenrotsen verpletterd, van hoge steile plaatsen afgeworpen, de leden aan stukken gebroken, met kromme haken vaneen gescheurd, op scherven van gebroken potten gewenteld, de wilden dieren tot roof en spijs gegeven. Boven dit alles werden hun palen door de lengte van het lichaam gedreven.

Zodanige pijnigingen maakten vele Christenen bevreesd, zodat sommigen van hen afvallig werden, en schipbreuk leden in hun geloof. Van deze hebben wet enige berouw gehad, maar velen zijn verhard gebleven en rechtvaardig door God gestraft.

In de tijd, dat Cyprianus verbannen was, schreef hij aan zijn medehelpers in het werk des Heeren en anderen, zeer troostrijke brieven. Onder deze brieven is de laatste van zijn derde boek zeer heerlijk, waarin men, onder andere, deze woorden leest: "De straffen zijn voor de Christenen geen vervloekte dingen. De borst van een Christen, die al zijn hoop op Christus heeft gevestigd, Die aan het kruishout heeft gehangen, wordt door de knotsen niet verschrikt. De boeten en straffen zijn als versierselen, en hechten de harten der Christenen niet aan de zonde, maar maken die vrij bij de Heere. Het lichaam der Christenen vindt bij het werk in de ijzermijnen geen genot als op een bed, maar smaakt genot in de gemeenschap met Christus; de leden, vermoeid door de arbeid, liggen wel uitgestrekt op de aarde, maar het is geen pijn alzo met Christus te liggen; koud zijnde vinden zij daar geen klederen, maar wie Christus aandoet en door Hem overkleed, is, is overvloedig gekleed en versierd." En daarna: "God, van boven neer ziende, is, in de belijdenis van zijn naam, aan de gewilligen aangenaam; Hij helpt de strijdende, kroont de overwinnende, vergeldende in ons, wat Hij zelf gedaan heeft en verheerlijkende wat door Hem volbracht is."

Aangaande de straffen, die de vervolgers toen van God zijn overkomen: schrijft dezelfde Cyprianus aldus: Wij zijn er zeker van en het is gewis, dat wat wij lijden niet ongestraft blijft; en hoe groter de zonde van de vervolging is, zoveel te duidelijker en te zwaarder zal de straf zijn, voor de vervolging ons overkomen. Wanneer ons niet overkomt, wat om die reden in vorige tijden geschied is, zo zal, wat onlangs gebeurd is, ons genoegzaam tot lering kunnen verstrekken, namelijk, dat de verdediging zo haastig volgde en met zulk een grote spoed, zo hard en zwaar, met de val van koningen en prinsen, met verlies van schatten en rijkdommen, met de afval en schade der krijgslieden, en met vermindering der legers."

 

De achtste vervolging van de christenen onder de keizers Valerianus en Gallienus

 

Valerianus en Gallienus waren in het begin van hun regering de Christenen zeer gunstig, doch veranderde al spoedig, en werden tot haat verleid door een Egyptische tovenaar; zodat zij daarna de Christenen, door verschilende pijnigingen, tot afgoderij dwongen.

Lucius, opziener van de gemeente te Rome werd omgebracht.

 

Cyprianus, bisschop te Karthago

 

Cecilius Cyprianus, geboren in Afrika, werd eerst opgevoed en onderwezen in 1 de vrije kunsten onder de heidenen. Toen hij te Karthago onderwijs gaf in de welsprekendheid, werd hij met de christelijke godsdienst bekendgemaakt door een maagd, Justina geheten, en voornamelijk door een ouderling der Christenen. Men zegt, dat hij een leerling was van Tertullianus, wiens geschriften hij met voorliefde las. Hij nam zodanig toe in goddelijke wijsheid en verstand, dat hij tot ouderling benoemd werd en later tot bisschop van Karthago, welke betrekking hij lang bediend heeft, niet alleen tijdens het tamelijk vreedzaam was, maar ook onder de regering van keizer Decius. In de tijd der vervolging wist hij bijzonder de martelaren te vermanen en op te wekken tot volharding met geschriften en woorden, naarmate hij daartoe gelegenheid had. Soms werd hij gedwongen zijn volk te verlaten, aangezien men hem dreigde de leeuwen te zullen voorwerpen; daarom vluchtte hij soms liever voor enige tijd, om geen oproer onder het volk te verwekken; temeer daar hij door God zelf wel eens vermaand werd zich te verwijderen. Hij achtte het wel begeerlijk, om voor de goddelijke waarheid te sterven, maar, terwijl hij vluchtte, wilde hij God toch niet verzaken, en vermaande ook daartoe de zijnen. Na de vervolging van Decius stond hij zijn gemeente weer getrouw terzijde, en had grote moeite met hen die in de vervolging afvallig geworden waren; maar, uit liefde tot barmhartigheid geneigd, nam hij die weer gewillig op. Op bijzonder hevige wijze verzette hij zich tegen de ketterij, zodat hij zelfs, uit ijver zonder verstand, beval, die te herdopen, die door de ketters gedoopt waren, welk bevel hij echter later weer introk. Soms werd hij verwaardigd met goddelijke openbaringen, zodat hij door een profetische geest wreedheden voorzegde tot waarschuwing van zijn volk. Kort voor zijn dood werd hij eindelijk naar Curubita, in Lybië, in ballingschap gezonden, en wel op bevel van de rechter Paternus ten tijde van de keizers Valerianus en Gallienus. De rechter trachtte van hem te vernemen, waar de leraars der gemeenten zich ophielden, doch hij wilde zulks hun niet meedelen. Twee jaren verkeerde hij in ballingschap, terwijl hij deze als een gevangenschap beschouwde. Zijn verbanning had plaats onder het blazen op de trompet en met verbeurdverklaring van zijn bezittingen, hetwelk hij niet alle anderen met het grootste geduld verdroeg. Niettegenstaande hij zijn kudde in persoon moest verlaten, droeg hij toch bijzondere zorg voor haar niet alleen met gedachte, wil en begeerte, zelfs in de grootste vervolging, maar ook door het schrijven van vele hartelijke, troostrijke brieven aan zijn vrienden, om die te versterken en te vermanen tot getrouwheid en volharding. In één woord, hij was zeer vermaard door zijn grote wijsheid en andere heerlijke gaven, waarmee hij bedeeld was. In een brief geven Nemesius, Felix, Victor en anderen de getuigenis aangaande hem, dat hij de voornaamste was in de goede behandeling van zaken, de welsprekendste in het spreken, de wijste in het redekavelen, de eenvoudigste in geduid, de vrijgevigste in aalmoezen, de heiligste in onthouding, de nederigste in de dienst, en de ootmoedigste in alle goede werken. Al deze eer, lof en prijs werd hem door vele geleerde mannen gegeven.

Eindelijk werd hij door de rechter Galerius Maximus, die in de plaats van Paternus gekomen was, ontboden, om door hem ondervraagd te worden. Enige tijd vertoefde hij buiten de stad, totdat hij door de rechter zou geroepen worden, maar eindelijk liet de rechter hem halen en hem tot de volgende dag bewaren. Op de 14e September werd hij voor de rechter gebracht, die hem verzocht, dat hij aan de goden zou offeren. Cyprianus heeft tegen iedere marteling geprotesteerd, aangezien hij zonder pijniging vrij en openlijk beleed, dat hij een Christen was, en het hem daarom ongeoorloofd was dit te doen. De rechter zei tot hem: “Bedenk u wel;" waarop hij antwoordde: doe wat u bevolen is; want in een rechtvaardige zaak behoef ik mij niet te bedenken." De rechter hernam: “Reeds geruime tijd was gij een mens vol godslastering, en hebt u bewezen te zijn een vijand van de Romeinse goden, en u verzet tegen de wetten en bevelen van de heiligste vorsten." Cyprianus werd vervolgens veroordeeld om met het zwaard gedood te worden; voor welk vonnis hij God dankte.

Toen men hem naar de gerechtsplaats heenleidde, legde hij zijn bovenklederen af, sloot zijn ogen en bad met grote ijver tot God. Gewillig boog hij het hoofd onder het zwaard en gaf zijn ziel aan God over. Dit geschiedde in het jaar onzes Heeren 259.

In die tijd had er ook een grote vervolging plaats te Alexandrië, waar het getal der gedoden zeer groot was. Buiten de stad Cesaraea woonden, onder anderen, die vrome mannen, Priscus, Malchus en Alexander. Deze werden als door goddelijk vuur van het geloof ontstoken en beschuldigden elkaar van grote traagheid, zeggende: aangezien er in de stad kronen des levens worden uitgedeeld, hoe is het mogelijk dat wij nog zo traag en onverschillig zijn, om die te verkrijgen?" Toen zij elkaar met deze woorden hadden opgewekt, gingen zij haastig naar de stad, en bestraften daar de vervolgers van de Christenen, omdat deze zoveel onschuldig bloed vergoten.

Om deze vrijmoedigheid werden zij aangehouden, gevangen genomen en daarna aan de wilde dieren voorgeworpen.

Filippus, bisschop te Alexandrië, werd ook met het zwaard gedood in deze vervolging.

In de stad Karthago werden eveneens honderd Christenen om het geloof omgebracht.

In deze tijd werd ook Pontius, een diaken van Cyprianus, in Frankrijk, gemarteld, en een groot aantal anderen meer in meest alle oorden van het keizerrijk, zo door het vuur, het zwaard, wilde dieren en vele andere pijnigingen, die maar te denken waren.

 

De negende vervolging van de christenen onder keizer Aurelianus

 

[JAAR 275.]

 

In het begin der regering van keizer Aurelianus betoonde deze zich de Christenen zeer gunstig. Dit duurde echter niet lang, daar hij door goddeloze raadslieden van mening veranderde, zodat hij, in plaats van de Christenen gunst te bewijzen zoals vroeger, dagelijks meer middelen bedacht, teneinde hen te onderdrukken en uit te roeien. Toen hij zich daaraan overgaf, werd hij met zijn raadslieden door de bliksem getroffen, en kort daarna door de hand van Manco Poris, en de listen van zijn snelschrijver Innestheus omgebracht.

Tijdens zijn korte regering liet hij, om het christelijk geloof, ombrengen zekere Felix, opziener van de gemeente te Rome, en wel op de 30e Mei van het jaar onzes Heeren 275.

In de plaats van Aurelianus, werd door de senaat als keizer verkozen Claudius Tacitus, een vroom man en zeer bekwaam om landen en volken te besturen, die, toen hij de regering in handen had, terstond overal de vervolging tegen de Christenen staakte; doch door zijn spoedig overlijden heeft deze rust niet lang geduurd.

Op de 8e December werd omgebracht zekere Eutychianus, bisschop te Rome.

In deze tijd verzette zich enige bewoners van Frankrijk, meest boeren, die zich Bagaudes noemden, tegen het Romeinse rijk, en wel onder aanvoering van Amandus en Elianu . Keizer Diocletianus stelde toen als medekeizer aan zekere Maximianus Pannonius, die hem vroeger in de oorlog volgde, en hem wegens zijn goede handelingen zeer goed bekend was. Deze rustte zich terstond tot de krijg tegen de bovengenoemde Bagaudes uit, en ontbood daartoe uit de verschillende delen des rijks een zeer grote macht soldaten. Onder deze was ook het Thebeisch regiment uit Syrië, dat door de bisschop te Rome in de christelijke godsdienst meer en meer geoefend en bevestigd was, als overste hebbende Mauritius en als banierdragers Caudidus, Exsuperius, Innocentius, Victor, Constantinus en anderen. Toen Maximianus met het hoofdleger over het gebergte in de stad Octodurum (Martigny) gekomen was, wilde hij dat daar, eer hij de tocht voor goed begon, plechtige offeranden zouden plaats hebben, waartoe hij alle oversten en soldaten ontbood, die daar van het Oosten en Westen bij elkaar waren, onder wie ook was het genoemde Thebeïsche regiment, teneinde allen, na de gewone offerande, tegen de Bagaudes te doen zweren en de eed van getrouwheid af te laten leggen. Toen het genoemde regiment het gegeven bevel van Maximianus vernam, en afkeer hebbende van alle afgoderij en bereid zijnde liever de dood te sterven dan iets onbehoorlijks tegen hun geweten te doen, weigerden zij allen eendrachtig tot de offerplechtigheden te komen, ja, weken zelfs, om niet besmet te worden, door de afgoderij aan te zien, een weinig terug naar het meer Lemanus, thans het meer van Genève genaamd, tot aan de stad Agaunum. Maximianus beval, dat zij zouden terugkeren, en zich bij de andere soldaten zouden voegen, doch Mauritius, Exsuperius en anderen antwoordden uit aller naam, dat zij bereid waren alles te doen en allerlei gevaren uit te staan tot nut van het algemeen, maar dat zij vasthielden aan de belijdenis van het christelijk geloof, en geen afgoderij konden dulden. Maximianus werd daarover zo verstoord, dat hij tot algemene straf van dit regiment, bij loting de tienden man liet onthoofden. Door de toespraak van Mauritius in hun geloof versterkt, onderwierpen zich deze vrome soldaten met lijdzaamheid aan hun lot. Nadat Mauritius de overgeblevenen tot standvastigheid vermaand en opgewekt had, liet hij Maximianus andermaal aanzeggen, dat hij en zijn soldaten bereid waren de wapenen te gebruiken tot hulp en bescherming van de republiek, maar dat zij liever wilden sterven, dan de waarachtige en levende God te verzaken, en zich met de duivelse offeranden te verontreinigen. Toen Maximianus dit hoorde, ontstak hij nog meer in toorn, en liet hij ten tweede male de tienden man onthoofden, en toen hij zag, dat hij ook met deze wreedheid de overigen niet kon bewegen, om naar Octodurum (Martigny) terug te keren, maar allen standvastig bleven, zond hij naar hen het gehele leger te voet en te paard, en liet hen bijna allen met hun overste Mauritius omsingelen en ombrengen. Aldus hebben deze vrome kampvechters voor het christelijk geloof hun bloed vergoten, en zijn zalig in de Heere gestorven.

 

Marinus

 

[JAAR 259.]

 

Marinus, een krijgsoverste en een man van hoge geboorte en zeer rijk aan aardse goederen, werd in de stad Cesaraea in Palestina tot grote waardigheid verheven. Een ander man daar benijdde hem dit, en zei, dat Marinus geen hogere rang mocht bekleden, omdat hij een Christen was. De rechter vroeg aan Marinus, of het zo was, wat deze zei. En, toen hij dit met vrijmoedigheid bekende, gaf de rechter hem drie uren tijd om zich te beraden, of hij aan de goden en aan de keizer wilde offeren dan als een Christen gedood worden.

Toen hij de gerechtszaal verlaten had, nam Theoternus, de bisschop uit die stad, hem bij de hand, en leidde hem tot de Christenen in de tempel, waar hij hem met vele woorden in het geloof versterkte. Eindelijk toonde hij hem een zwaard, dat hij gewoon was aan zijn zijde te dragen, en ook het Evangelieboek, en vroeg hem welk van beide hij koos en toen Marinus het Evangelieboek greep, zei Theoternus tot hem: “Behoud wat gij verkoren hebt, mijn zoon, en dit tegenwoordige leven verachtende, hoop op het eeuwige; ga onversaagd en ontvang de kroon, die de Heere u bereid heeft."

Toen hij tot de vierschaar weergekeerd was, werd hij terstond door de omroeper opgeëist, daar de lijd, die hem gegeven werd om zich te bedenken, verstreken was. Voor de rechterstoel staande, betoonde hij daar nog grotere ijver en vurigheid des geloofs dan vroeger, en werd door de rechter overgegeven om onthoofd te worden.

Toen Marinus ter dood gebracht was, werd hij op de strafplaats gevonden door Asterius, een Romeins raadsheer, wien de keizer en al het volk zeer grote liefde toedroegen en die hoog bij hen stond aangeschreven. Deze nam het dode lichaam van Marinus op de schouders, bracht het van daar weg en nadat hij het in kostbaar linnen had gewikkeld, legde hij het in een nieuw graf en begroef het. Maar voor deze eer, welke hij de martelaar had aangedaan, ontving hij ook spoedig daarna de martelaarskroon.

De 6de Augustus, in het jaar onzes Heeren 259 werd ook, om de christelijke godsdienst, omgebracht Xystus, bisschop te Rome.

 

Laurentius, de diaken, te Rome op een rooster verbrand

 

[JAAR 252.]

 

Toen Xystus, bisschop te Rome, uitgeleid werd om gedood te worden, ontmoette hem Laurentius, een der voornaamste diakenen van de gemeente te Rome, die hem aldus aansprak: "Waar gaat gij heen, o vader, zonder uw zoon? waarheen priester, zonder uw dienaar?" waarop Xystus antwoordde: Ik verlaat u niet, mijn zoon, gij hebt zwaarder strijd te wachten voor het geloof; gij zult mij na drie dagen volgen. Zo gij intussen iets bezit in deze schatkisten, deel het de armen!" Uit die woorden maakte men op, dat hij een grote schat van de gemeente in bewaring had, zodat hem door de stadhouder te Rome bevolen werd, dat hij die te voorschijn moest brengen. Om al de schatten bijeen te zoeken, verzocht hij drie dagen tijd, en bracht toen alle arme, ellendige lieden, die van aalmoezen leefden, als: kreupelen, blinden, en dergelijken samen, toonde deze de stadhouder, en verklaarde dat deze de schatten en rijkdommen van de gemeente waren. De stadhouder hield het er voor, dat men met hem spotte, en liet daarom Laurentius op een rooster leggen, met een klein vuur er onder. Toen zijn lichaam aan de een zijde geblakerd was, zei hij met grote vrijmoedigheid tot de tiran: "Keer dat gedeelte van mijn lichaam, hetwelk gebraden is, om en verteer het.” Zeker iemand bracht dit gezegde aldus in rijm:

Genoeg is deze kant
Gebraden en geraakt.
Wend mij nu om en proef, tiran,
Of 't rauw of braen best smaakt.

 

Door de genadige versterking Gods waren hem de kolen als rozen en als een verkoeling en verfrissing in zijn lijden. Na voor het Romeinse rijk en zijn vijanden gebeden te hebben, ontsliep hij, onder grote volharding, in de Heere, in het jaar onzes Heeren 252.

 

De tiende grote en bloedige vervolging van de christenen, begonnen onder de keizers Diocletianus en Maximianus, en voortgezet onder Maxentius, Licinus en Maximinus, tot in het zevende jaar van Constantinus de Grote

 

[JAAR 302.]

 

In het jaar 302 na Christus' geboorte, in het 19e jaar der regering van keizer Diocletianus, gaf deze bevel tot een grote en wrede vervolging van de Christenen. Van deze vervolging, die de tiende genoemd wordt, zegt Sulpitius Severus het volgende: "Omtrent 50 jaren na hem (te weten keizer Valerianus), onder de regering van Diocletianus en Maximinus, brak de allerhevigste vervolging uit, die tien jaren achtereen Gods volk plaagde. In die tijd was genoegzaam de gehele wereld besmet met het heilig bloed der martelaren, want men liep als om strijd tot deze heerlijke en beroemde martelingen. Door op een waardige en heerlijke wijze te sterven werd toen de eer, die een martelaar toekomt, met grotere ijver gezocht, dan men nu, door ongepaste en zondige eergierigheid gedreven, de bisschoppelijke ambten najaagt. De wereld werd nooit door enige oorlog meer onderdrukt; nooit hebben wij met groter triomf overwinningen behaald, dan toen wij door tienjarige verdrukking en geweld toch niet konden overwonnen worden."

In deze vervolging werd Diocletianus ook aangezet en geholpen door zijn mederegent Maximinus, een van nature hard, wreed, ontrouw en ontuchtig men, die in alles de begeerte en de wil van Diocletianus gehoorzaamde. Diocletianus woedde tegen de Christenen in het Oosten, Maximinus tegen die in het Westen. Door geloofwaardige schrijvers wordt over de oorzaken van deze vervolging verschillend geoordeeld, doch het volgende als de voornaamste genoemd. Toen de keizers, ofschoon zij heidenen en afgodendienaars waren, de Christenen grote gunsten bewezen, en hen goed behandelden, zo zelfs dat zij niet alleen voorname ambten en bedieningen kregen, maar hun ook de vrije uitoefening van hun godsdienst toestonden, zodat men in verschillende plaatsen bedehuizen en tempels bouwde; toen hebben de Christenen deze vrijheid misbruikt, zodat de een de ander begon te haten en te belasteren. Aan de ene kant bejegenden de bisschoppen en opzieners der gemeenten, alle godsvrucht en deugd verzakende, elkaar met twist, onenigheid, verkeerde ijver, eergierigheid en tirannische heerschappij; aan de andere zijde was het volk zonder tucht of orde, en gaf zich ten enenmale aan oproer en opstand over. Bovendien nam de zonde, die hoog geklommen was, in het algemeen nog op grove wijze hand over hand toe. Blijken van boetvaardigheid waren er niet te bespeuren, zodat God in Zijn rechtvaardig oordeel, om Zijn volk tot een nieuw oprecht en christelijk leven op te wekken, de gesel van zulk een harde, bittere en gruwelijke vervolging moest gebruiken, opdat de godvruchtige met de goddeloze wereld niet zou veroordeeld worden.

Aangezien het ook de bedoeling was van keizer Diocletianus, om het roomse rijk tot de ouden bloei terug te brengen, en daarom alle gewoonten en zeden, die in onbruik geraakt waren, weer wilde invoeren, poogde hij ook het onderscheid te voorkomen en te doen ophouden, dat hij in de godsdienst zag, en zocht vooral de godsdienst der Christenen uit te roeien, daar deze de verschillende erediensten der afgoden vervloekten en verwierpen. Onder hen, die de keizer tot de vervolging ophitsten en hem daarin versterkten, waren vele wijsgeren en drogredenaars, die door scherp hekelende boeken en vuilaardige geschriften de keizer en alle vorsten en rechters tot geweld aandreven, en de christelijke godsdienst bespotten, terwijl zij die aanklaagden, dat hij nieuwigheden, valsheid en goddeloos bijgeloof bevorderde; zij verhieven daarentegen de heidense godsdienst als de oudste en prezen de dienst van de goden aan, daar deze met hun macht en majesteit de wereld regeerden. Onder deze opruiers waren, behalve Apollonius, Porphyrius, een wijsgeer, die van Jood Christen en van Christen een afvallige was geworden, en zekere Hiërocles, een aanzienlijk man. Tegen Porphyrius hebben de pen opgevat Methodius, bisschop te Tyrus, Eusebius en Apollinaris; tegen Hiërocles dezelfde Eusebius; tegen beiden en alle anderen van die geest Lactantius. De aanleiding om keizer Diocletianus tegen de Christenen op te hitsen, namen de vijanden der waarheid uit zekere brand in de stad Nicomedië (toen de plaats waar de keizers zich ophielden), waardoor het paleis van de keizer geheel vernield werd, van welke brand men de Christenen beschuldigde. De keizer was daarover zeer verbolgen, en zonder nadenken gelovende, wat de lasteraars daarvan uitstrooiden, meende hij nu reden genoeg te hebben, en gaf in de maand Maart, in het 19e jaar zijner regering een bevel, dat men door het gehele rijk alle bedehuizen der Christenen moest verwoesten. De heidense stadhouders, die de gelovige Christenen zeer haatten, volbrachten het uitgevaardigde bevel met allen ijver, terwijl de grootste vernieling op Paasfeest plaats had.

Spoedig daarna werd er een ander bevel gegeven, en wel dat alle boeken der Heilige Schrift moesten verbrand worden, hetwelk op vele plaatsen, als ook te Nicomedië op de markt met alle ijver plaats had. Voort ook bevolen, dat men alle Christenen, die openbare bedieningen of enige ambten bekleedden, moest afzetten of hen daarvan beroven; dat anderen, die, geen betrekking vervulden, tot slavernij en dienstbaarheid moesten veroordeeld worden, tenzij zij de christelijke godsdienst wilden afzweren, en de zeden en gewoonten volgen van de heidense godsdienst.

Toen men op bovengenoemde wijze de woede niet meer koelen kon, werd er op de markt te Nicomedië een derde besluit aan een paal gespijkerd, dat zeer gestreng, hard en wreed was, namelijk, om alle bedienaars van de godsdienst, en die enige invloed uitoefenden op de gemeente van Christus, gevangen te nemen, en hen door allerhande pijnigingen te dwingen aan de afgoden te offeren Zeker edelman, Johannes genaamd, die door vurige ijver ontstoken werd, rukte dit besluit van de paal en scheurde het in kleine stukken. Op bevel van beide keizers, die toen te Nicomedië waren, werd hij met buitengewone pijnigingen gemarteld, de huid afgestroopt en met zout en edik overgoten, terwijl hij onder dit alles de naam van Christus tot het laatste ogenblik zijns levens, met kloekmoedige stand vastigheid beleed en zijn ziel Gode op zalige wijze toewijdde. Na zijn dood volgde het ene vreselijke jammer het andere.

Aangaande het verbranden van de boeken der Heilige Schrift, en van de plaatsen, waar de Christenen hun samenkomsten hielden, zegt Arnobius onder andere: “ Waarom hebben onze Schriften verdiend in het vuur geworpen te worden? Om welke reden heeft men met zo vreselijk geweld de plaatsen onzer samenkomsten vernield, waar de hoogste God wordt aangebeden, maar ook welvaart en vrede wordt afgesmeekt voor alle overheden, legers, koningen, enz.?"

Wij zouden te uitvoerig worden in onze mededelingen, indien wij de verschillende wijzen wilden beschrijven, waarop, door het ingeven van de duivel, de Christenen in het bijzonder in die tijd werden omgebracht. Slaan, geselen, met schrabbers, vijlen, en met allerlei scherpe werktuigen de huid overal openen, waren slechts de inleiding tot vreselijker pijnigingen, die de dood veroorzaakten, zoals ophangen, onthoofden, verbranden en met volle schepen in de zee verdrinken. Sommigen werden met gesmolten lood overgoten, anderen over gloeiende kolen onder langzame pijnigingen verschroeid; van sommigen werden de vingers van beide handen, tussen het vlees en de nagels, met scherpe priemen en naalden doorboord. Omtrent anderen leest men, dat zij geruime tijd naakt met dunne rijzen en loden platen geslagen, de beren, leeuwen, luipaarden en andere dieren tot spijs voorgeworpen werden. Deze dieren werden dikwijls ook opgehitst, maar hadden, door Gods kracht, soms een afkeer daarvan, en keerden hun wreedheid tegen de vijanden der waarheid. Vele Christenen werden ook aan bomen gebonden, aan staken geplaatst, aan kruisen genageld, waaraan zij zo lang moesten hangen, totdat zij van de honger bezweken. Weer anderen werden met het hoofd neerwaarts gehangen, zelfs vrouwen aan het ene been), zodat zij daardoor in een houding hingen, waarvan zich het eerbare oog met afkeer moest afwenden. Daarna werden zij aan handen en voeten vastgemaakt aan dikke takken van bomen, die van elkaar stonden, terwijl deze takken met kracht werden teruggebogen en met touwen gebonden welke touwen dan werden doorgesneden, waardoor de takken in hun vorige stand terugsprongen en het lichaam in vele stukken gescheurd werd. Sommigen werden in de rook van een langzaam brandend en vochtig vuur gesmoord; velen, die men de neus, oren en handen hadden afgesneden had, liet men heinde en ver in ellende ronddwalen, om andere onbekende Christenen schrik aan te jagen. Deze vervolging heeft zich over een groot deel van de aarde uitgestrekt, zoals over Azië, Afrika, Europa, en over vele eilanden, voornamelijk over Sicilië, Lesbos en Samos. In Nicomedië werden op het feest van Christus' geboorte, op bevel van Maximinus, in een tempel enige duizenden Christenen verbrand. Een stad in Phrygië, toen door de Christenen bewoond, werd belegerd en met allen, die er in waren, verbrand. Vele andere steden hebben ook, geen enkele uitgezonderd, de bittere beker van deze vervolging moeten drinken; vooral was dit zo in Egypte: te Thebe en Antinopolis; in Thracië: te Nicopolis; in Italië te Aquila, waar al de Christenen vermoord werden, Florence, Bergamo, Verona, Neapolis, Benevento, Venusia, in Gallië (Frankrijk): te Marseille; in Duitsland: te Trier, waar Rictionaris in de vervolging zo heftig en wreed geweest is, dat het vergoten bloed vele rivieren rood kleurde; voorts in Duitsland: te Augusta, en ook ten dele in Spanje, Brittannië, Zwitserland en andere landen.

 

Het eerste jaar van de vervolging

 

Wij geven hier (teneinde de onmenselijke wreedheid der heidenen jegens de Christenen te beter in het oog te doen vallen) een bijzonder verhaal van sommige martelaren, die door geschiedschrijvers genoemd en nader beschreven worden.

 

Petrus, Dorotheüs en Gorgoneüs

 

Petrus, een hofbeambte van keizer Diocletianus, stond hij hem zeer in aanzien. Toen deze de wreedheid bestrafte, begaan aan de edelman Johannes, van wie boven gesproken is, en hem met grote droefheid over zijn martelingen beklaagde, werd hij gevangen genomen en gedwongen de afgoden te offeren. Toen hij dit weigerde, werd hij gegeseld, en zijn vlees verscheurd, teneinde hem door pijniging te dwingen om te offeren. Toen hij standvastig bleef, overgoten zij zijn verscheurd lichaam met edik en zout, en verschroeiden hem eindelijk aan alle zijden op een rooster met een zwak vuur, totdat hij met blijmoedigheid zijn geest in de handen van zijn hemelsel Vader overgaf.

Dorotheus en Gorgoneus, kamerheren van de keizer, hadden genoemde Petrus in de christelijke godsdienst onderwezen. Toen zij getuigen waren van de onmenselijke pijn, die Petrus leed, vroegen zij de vorst: "waarom hij in Petrus de overtuiging van hun gemoed strafte, die in hen allen leefde? Daarbij voegende: dit is ons geloof, dit is onze godsdienst, dit is ons eendrachtig en gemeenschappelijk gevoelen." Terstond liet de keizer deze vrome mannen, die hij vroeger als zijn kinderen liefhad, martelen, en wel met schier dezelfde pijnigingen als Petrus geleden had, en eindelijk werden zij opgehangen. Nadat zij enige tijd waren begraven, werden hun lichamen weer opgegraven en in de zee geworpen, bevreesd als men was, dat de Christenen die als goden zouden vereren.

In die tijd werd ook, na een heerlijke afgelegde belijdenis, onthoofd zekere Anthimus, bisschop te Nicomedië, benevens nog een groot aantal gelovigen. Nicephorus schrijft, dat hij eerst op de wreedste wijze werd geslagen, dat hem daarna met gloeiende pennen de hielen werden doorboord, dat hij op gebroken potscherven werd geworpen, gloeiende schoenen hem aan de voeten werden gedaan, het vlees van het lichaam gescheurd, met brandende fakkels gezengd en eindelijk onthoofd werd.

Dezelfde weg hebben ook bewandeld Tyrannion, bisschop te Tyrus; Zenobius, te Sidon; Silvanus, te Gaza, alsmede Pamphilius, over wien Eusebius een afzonderlijk boek heeft geschreven.

Toen Eustrathius, secretaris van een stadhouder, die zeer bedreven was in de Griekse taal, de standvastigheid zag van de martelaren, deed hij van de christelijke godsdienst, waarin hij tevoren in het geheim onderwezen was, in het openbaar belijdenis, en verfoeide alle heidense goddeloosheid. Hij werd daarom gevangen genomen, aan een paal opgetrokken, jammerlijk geslagen, daarna aan verscheidene delen van het lichaam met vuur gezengd en met zout en edik overgoten, eindelijk met potscherven derwijze geschrabt en geraspt, dat het gehele lichaam slechts één wond vertoonde. Door Gods kracht genas hij weer, doch werd later naar de stad Sebastia gevoerd en eindelijk met zijn vriend Orestus verbrand.

Onder hen, die in die tijd, om het christelijk geloof werden omgebracht, worden nog vele anderen genoemd, als Agricola en zijn dienaar Vitalis. Onder zovele martelingen, dat zelfs zijn lichaam als geheel vaneen gereten was, gaf laatstgenoemde zijn ziel aan God over. Agricola kon het uitstel, dat men hem gaf, niet langer verdragen, aangezien hij zijn tijd in ledigheid moest doorbrengen, terwijl hij vele deugden bezat en met groten ijver was bezield, en daarom tot ergernis was van hen, aan wie hij was overgeleverd; zo werd hij, zelf om zijn dood verzoekende, terwijl hij zijn vijanden moed inboezemde, aan het kruis genageld.

Eulalia, een meisje van 13 jaren, uit Spanje afkomstig, werd, omdat zij de stadhouder over de wreedheid, die hij de Christenen aandeed, met meer vrijmoedigheid aansprak dan hij verdragen wilde, naar de altaren der afgoden gesleept, opdat zij daar zou offeren. Toen zij dit weigerde, werd zij levend verbrand. Haar strijd heeft Prudentius in schone verzen afgemaald.

Toen Albanus, in Engeland, een vluchtenden Christen huisvesting had verleend, en dit ter oor van de stadhouder was gekomen, gaf hij zichzelf, verkleed en zich voordoende als de vluchtende Christen, aan de vervolgers over, en werd, na een standvastige belijdenis, en, omdat hij onwillig was de afgoden eer te bewijzen en offers te brengen, met touwen gegeseld en onder grote blijdschap onthoofd.

 

Phileas en Philoromus

 

Te Alexandrië was ook een getrouw herder en leidsman der kudde van Christus, Phileas genaamd. Hij was een edel mens naar de wereld, maar bovenal was hij edel voor God. Aangezien hij zeer ervaren was in de kennis der burgerlijke deugden, stond hij bij de Romeinen in groot aanzien; maar bovenal blonk hij uit in de beste wijsbegeerte, die van de christelijke godsdienst, zodat hij allen overtrof, die voor hem daar bisschoppen waren. Daar hij vele voortreffelijke vrienden onder de edelen had, vermaande de rechter hem dikwerf, om afstand te doen van zijn christelijk geloof, vooral omdat ook velen van zijn vrienden voor zijn behoud baden. Doch Phileas sloeg daar geen acht op, versmaadde dit, en bleef volharden in de goddelijke waarheid.

Bij hem stond een overste van een bende ruiters, Philoromus genaamd, een voortreffelijk en aanzienlijk man. Toen deze zag, dat Phileas omringd was van zijn wenende vrienden, en gekweld werd door de hardheid des rechters, riep hij overluid, zeggende: "Waarom stelt gij de standvastigheid van deze man tevergeefs op de proef? Waarom wilt gij hem, die aan God gelovig is, ongelovig maken? Waarom dwingt gij hem om God te verzaken, en de mensen te believen? Ziet u niet, dat zijn oren uw woorden niet horen, en dat zijn ogen uw tranen niet zien? Zou hij ook door tranen van aardse mensen bewogen kunnen worden, wiens ogen de hemelse heerlijkheid zien en aanschouwen?" Toen hij dit gezegd had, barstte de toorn van allen tegen hem los, en zij begeerden, dat hij dezelfde straf als Phileas zou ondergaan. De rechter willigde hun verzoek in, en liet beiden met het zwaard onthoofden.