Historie der martelaren

Adrianus Haemstedius

Historie der martelaren die, om de getuigenis der evangelische waarheid, hun bloed gestort hebben, van Christus onze Zaligmaker af tot het jaar 1655.

 

 

Vermaning aan de overheid

Voorrede aan de christelijke lezer

Historie der martelaren die, om de getuigenis der evangelische waarheid, hun bloed gestort hebben, van Christus onze Zaligmaker af tot het jaar 1655

Het lijden van Jezus Christus onze Zaligmaker

Johannes de Doper onthoofd, en zijn hoofd aan de overspelige Herodias gebracht

Stefanus, de diaken, gestenigd

Jakobus, de zoon van ZebedeŁs, onthoofd

Jakobus, de zoon van AlfeŁs, doodgeslagen

Barnabas te Salamis verbrand

Marcus, de Evangelist, buiten AlexandriŽ gesleept om verbrand te worden, en onderweg gestorven

De tien bloedige vervolgingen van de Christenen onder de Heidense keizers van Rome

De eerste vervolging van de christenen onder keizer Nero

Simon Petrus gekruisigd te Rome, onder keizer Nero

Paulus van Tarsen te Rome onthoofd onder keizer Nero

Andreas, de Apostel te Patris, in Achaje gekruisigd

Filippus, de Apostel, te HiŽrapolis gemarteld

BartholomeŁs de Apostel, in AlbaniŽ in ArmeniŽ gekruisigd en de huid afgestroopt

Thomas, de Apostel, in IndiŽ door de wilden vermoord

MattheŁs, de Apostel en Evangelist

De Apostelen Simon Zelotes en Judas Alpheus

Matthias, de Apostel

Lukas, de Evangelist

Johannes, de Apostel en Evangelist

Sommigen van de zeventig Discipelen en andere medereizigers der apostelen

De tweede vervolging van de christenen onder keizer Domitianus

TimotheŁs, een leerling van Paulus

De derde vervolging van de christenen onder keizer Trajanus

Simeon, bisschop van Jeruzalem

Ignatius, bisschop van AntiochiŽ

PtolemeŁs en Lucius

De vierde vervolging van de christenen onder keizer Antoninus

Justinus, de wijsgeer

Germanicus

Meliton

Polycarpus

Felicitas en haar zeven zonen

Vetius Epagathus

Sanctus, de Diaken

Attalus, Blandina, Ponticus en nog een ander

Photinus, bisschop te Lyon

Apollonius

De vijfde vervolging van de christenen onder keizer Septimeus Severus

Leonidas

Irenaeus, bisschop

De zesde vervolging van de christenen onder keizer Maximinus

De zevende vervolging van de christenen onder keizer Decius

Alexander, opziener van de gemeente te Jeruzalem

Babylas, opziener der gemeente te AntiochiŽ

Metranus en vele anderen te AlexandriŽ

De achtste vervolging van de christenen onder de keizers Valerianus en Gallienus

Cyprianus, bisschop te Karthago

De negende vervolging van de christenen onder keizer Aurelianus

Marinus

Laurentius, de diaken, te Rome op een rooster verbrand

De tiende grote en bloedige vervolging van de christenen, begonnen onder de keizers Diocletianus en Maximianus, en voortgezet onder Maxentius, Licinus en Maximinus, tot in het zevende jaar van Constantinus de Grote

Het eerste jaar van de vervolging

Petrus, DorotheŁs en GorgoneŁs

Phileas en Philoromus

Het tweede jaar van de vervolging

Het derde jaar van de vervolging

Romanus

Het vierde jaar van de vervolging

Het vijfde jaar van de vervolging

Het zesde jaar van de vervolging

Het zevende jaar van de vervolging

Het achtste jaar van de vervolging

Het negende jaar van de vervolging

Potamina, een jonge dochter

Het tiende en laatste jaar van de vervolging

Lucianus, een ouderling

De Christenen verkrijgen vrede in het Romeinse rijk

De verdeling van het Romeinse rijk en de oorsprong van de Antichrist

Adelbertus Gallus

Arnulph, Aartsbisschop te Lyon

Petrus van Bruis en Henricus van Toulouse

Arnold van Brescia

De Waldenzen te Lyon

Burgers in de Elzas

Vijf en dertig burgers te Mainz

De Prins van Armerijk

Bargardus

Twee honderd vier en twintig personen verbrand

Gerardus Segareill en Dolcinus van Novari

Een Begijn

Richard, een Predikmonnik

Johannes Wicklef

Willem Sautre

Willem Thorpe

Jan Badby, kleermaker

Rogier Acton ridder, Johan Brown edelman en Jan Beverley, in Engeland, opgehangen en daarna verbrand

Johannes Husz te Konstanz verbrand

Hieronymus van Praag

Ulrich van Vahendres en Hendrik Raadgever

Katharina Saube

Johan Cobham

Hendrik Groenvelder

Johannes Krasa

Wenceslaus, pastoor te Arnostowitz, met nog acht anderen verbrand

Vier en twintig burgers te Leitmeritz verdronken

Wenceslaus Swets, Inartinus Loquis, Procopius Jednooky

Johannes Purvey

Johannes Zelivaeus

Willem Taylor

Willem White

Richard Hoveden

Thomas Bagley

Paulus Craw

Petrus Clarcke, Engels priester

Thontas Rhedon

Reijnold Pebocke

MattheŁs Hager

Johannes Goose

Dr. Johannes de Vesalia, of Wesel

Een edelman van Kandia of Kreta

Rogier Dule

Johanna Bongton

Hieronymus Savonarola, Dominico de Piscia en Sylvester

Hemondt Picard

Richard Smart

Zes mannen te Bor verbrand

Thomas Norice

Een vrouw verbrand in Engeland, en hoe de kanselier werd omgebracht door een stier

Thomas, een priester

Andries Poliwka

Pop, van Aye

Richard Hunne

De opkomst van Mr. Maarten Luther

Hendrik Voes en Johannes van Essen, twee Augustijner monniken, te Brussel verbrand

Nicolaus, een Augustijner monnik, van Antwerpen

Meester Georgius

Hendrik van Zutphen

Johannes, van Dithmarsen

Gaspar Tauber en Georgius, een boekbinder

Nicolaas Hottinger

Johannes Castellanus

Johannes Hospinianus of Weert, en zijn beide zonen, Johannes en Adrianus, benevens Burchard Ruijteman

Johannes de Klerck

Geschiedenis van de getrouwe martelaar van Jezus Christus, Johannes Pistorius, van Woerden

Wolfgang Schuch

M. Pet. Spengler, pastoor te Brisgau

Matthias Weybel

Jakobus Pavane

Evert Bolt

Nicolaas Wieretenarz en Clara, zijn huishoudster, in Bohemen verbrand

Johannes Heuchlin

Leonhard Keizer

Wendelmoet Klaasdochter

Martha Porzicz te Praag verbrand

George Carpentarius

Patrick Hamilton

Hendrikus, uit Vlaanderen

Steven Renier

Een glasblazer en een riemsnijder

Mr. Jakob Keyser, bijgenaarnd Schlosser

Lodewijk van Berquin

Dionysius van Rieux

Petrus Flysteden en Adolf Clarenbach

Willem van Zwolle

George Scharer, van Salveld

Thomas Hytten

Thomas Bilney

Willem Thrace

Jakobus Baynham en Richard Bayfield

Drie mannen te Arras verbrand

Johannes de Cadureo

Vier mannen te 's Hertogenbosch gedood

Alexander Conus

Johannes Pointet

Johannes Frythus

Andries Hewet

Denys Bryon en Hieronymus Vindocin levend verbrand

Andries BartholomeÔ

Joost de pottenbakker

Verscheidene martelaars te Parijs

Quoquillart, van BesanÁon

Maria Becaudette

Petrus Gaudet

Johannes Cornon

Cowbrig, te Oxford levend verbrand

Vijf martelaren in Schotland verbrand

Martinus Gonin, een Waldenzer

Een landbouwer te Zierikzee

Wilhelmus Tyndall te Vilvoorde verbrand

Jan Lambert, ook genoemd Nicholson

Mr Petrus, pastoor te Duway

Geertruida Adriaans

Vijf martelaren in Schotland verbrand

Louwijs Courtet

Thomas Cromwell, graaf te Essex

Catharina, de vrouw van een raadsheer te Krakau, verbrand

Robertus Barnes

Stefanus Brun

Twee christenen te Gent verbrand en twee vrouwen levend begraven

Jan Marlar

Vijf personen te Vucht gedood

Aymont de la Voye, regent van groot Saintefois, in Agenois, boven Dordogne

Richard Mekins

Hector Remy en zijn vrouw Mathinette du Huisset

Constantinus en drie anderen

Claudius de Schilder, een goudsmid

Mr. Johannes Beek

FranÁois Bribard

Sommige Engelse martelaren

Een boekverkoper te Avignon verbrand, met een Bijbel op zijn borst gebonden

Joost Jushurgh

Gillis Tieleman

Willem Husson, apotheker

Geerte Stelmees en Neeltje Claas

Francisco San Roman

De bewoners van Mirandola en CabriŽra

Petrus Bruly

Maarten Huerblok, Jan de Bock, Nicolaas van der Poele en de vrouw van Jan de Bock

Jan Michiel

Jakobus Chobard geeft aan zijn moeder in de gevangenis zijn schriftelijke belijdenis om aan de rechter te overhandigen

Adam van Metz

Pieter Chapot

Marion, de vrouw van Adriaan, kleermaker te Doornik

Rochus, een Brabander

Pieter Mioc

Vier martelaren uit Schotland verbrand

Frauciscus d'Augy

Johannes Diazius

Eusinas, ook Driander genaamd, een Spanjaard

Anna Asker, Jan Lacels, Jan Adlams en Nicolaas Belenian

Veertien burgers te Meaux, in Brie verbrand

Sanctus Nivet

George Sophocardius

Vijf martelaren te Parijs

Mr. Johan, de Engelse

Mr. Leopard du Prť

Acht burgers van Langres

Stefanus Peloquinus

Steven Poulliot

Jan Brugier

Marten, de schoenmaker

De vrouw van Bygaerden en haar zoon

Michiel Miquelot

Octavianus Blondel

Mr. MattheŁs, een onderwijzer

Hubert Burre

Mr. Leonhard Galimard

Een en dertig personen te Valladolid gestrafd

Mr Florentius Venot te Parijs verbrand

Een kleermaker te Parijs voor de koning van Frankrijk in het verhoor gebracht en daarna verbrand

Claudius Thierry

Anna Oudebert, een weduwe

De marteling van Mr. Nikolaas, in Henegouwen

Maria, de vrouw van Augustijn, de barbier

Augustijn, de barbier

Staat en toestand van Christus' kerk in Nederland, en de oorzaken waardoor de vervolging tegen haar in grote mate werd vermeerderd

Faninus, van Faventia

Dominicus van Basana

MaceŁs Moreau

Johannes Godeau en GabriŽl Beraudin

Adam Wallach

Mauritius Secenat

Vervolging in Duitsland tegen de predikanten, die het geloofsvoorschrift weigerden aan te nemen en zich daarnaar te regelen

Jan van der Put, de geneesheer genaamd

Thomas van St. Paulo

Claudius Monieux

Gillot Vivier, Michiel le FŤvre, Jacques le FŤvre, Amna le FŤvre en MechaŽlla de Caignoncle

Johannes Jocry te Toulouse

Jan van Ostende, bijgenaamd Tromken

Vijf studenten van Lausanne, Petrus Scriba, Martialis Alba, Bernhardus Seguinus, Carolus le FŤvre en Petrus Naviherus

Petrus Bergier

Dionysius Peloquinus

Godefroy van Hamelle

Renatus Poyet

Willem Gardinerus

Hugo Gravier

Vervolging, te Brugge, in Vlaanderen

Nikolaas Nail

Autonius de Grote

MattheŁs Dimonnet

Lodewijk Marsacus

Johannes Mollius en een Perugiaanse wever

Simon Laloť

Steven le Roy en Pieter Dinocheau

Jan Snell

Willem d'AlenÁon

Paris Panier

Pieter de la Vau

Gileyn de Muelere

Thomas Calberge

Richard le FŤvre

Petrus Serra

Franciskus Gamba

Dionysius le Vayr

Jan Filleul en Juliaan Leveille

Paulus Musnier

Nicolaas le Chesne

Vervolging in Oostenrijk

Wilhelmus de Dongnon

Willem Neel

Hoste

Pomponius Algier

Jan Vernou, Guyraud Tauran, Autonius Laborie, Bertrand Bataille en Jan Trigalet

FranÁois en Nicolaas Thijs

Bertrand le Blas

Jan Malo

Damiaan Witcoek

Walrue Carlyer

Jan Porceau

Twee Martelaren te Autun

De vervolging in Engeland

Engelse martelaren in het jaar 1555

Johanna Gray

Johannes Rogerius

Laurentius Sanders

Johannes Hoper

Doctor Rowland Taylor

Wreedheid aan de lijken van Martinus Bucerus, Paulus Fagius, en Catharina, echtgenote van Petrus Martyrus

Thomas Tomkins

Willem Hunter

Thomas Causton en Thomas Higbed

Steven Knight

Rawlins White

Johannes Laurentius en Willem Digel

Robert Farrar

Jan Alcock

Joris Mars

Johannes Cardmaker en Johannes Warne

Thomas Haukes

Thomas Wats en anderen

Johannes Bradford

Hunfroy Middleton en Nikolaas Scheterden

Jakob Abbes

Jan Denley en Jan Newman

Robert Smith en anderen

Robert Samuel en enige anderen

Robert Glover en enige anderen

Nicolaas Ridley en Hugo Latimer

Jan Philpot

Hier volgt de geschiedenis van de martelaren in het algemeen in het jaar 1556

Adriaan van Lopphen

Juliaan van de Sweerde

Claudius van Canesiere

Robert Oguier, zijn vrouw en beide zonen

Johanna, de moeder, en haar jongste zoon Maarten Oguier

Jan Rabec

Pieter van Rosseau

Laurens, de schoenmaker, en Jan Fasseau

Arnoud Monier en Jan de Cazes

Jan Bertrand

BartholomeŁs Hector

HiŽronymus Casaubone

Andoche Minart

Engelse martelaren in het jaar 1556

Thomas Witthle

Bartelet Greene

Thomas Crammer

Agnes Potten en Johanna Trunchfield

Willem Tyms en anderen

Johannes Hullier

Christoffel Lyster, Jan Mace, Jan Spenser, Simon Joyne, Richard Nicols en Jan Hamoud

Rugo Laverocke, een kreupele en Jan Apprice, een blinde

Hendrik Adlington, Laurens Parnam, Hendrik Wije, Willem Hallywel, Thomas Bowyer, Joris Searles, Edmond Hurst, Lyon Caweh, Rase Jackson, Jan Derifal, Jan Routh, Elisabeth Pepper en Agnes George

Julius Palmer en twee anderen

Katharina Cawehes en haar beide dochters en haar dochters kind

De martelaren in het jaar 1557

Arnoud Diericks

Mr. Philibert Hamelijn en enige anderen

Joriaan Simonsz en Clement Dirkz

Carolus de Koninck

Nicolaas Sartorius

Jan Biron

Angelus Herula

Een grote en zware vervolging van de kerk van Christus te Parijs in het jaar 1557

Nicolaas Clinet

Taurin Gravelle

Philippina de Luns

Het zalig uiteinde van de drie genoemde martelaren, te weten Nicolaas Clinet, Taurin Gravelle en vrouw van Graveron

Nicolaas le Cene en Pieter Gabart

Franciscus Rebezus en Frederick Danville

Verstrooiing en verdrukking van de kerk van Christus, onder Gods bestuur geplant in BraziliŽ, in Zuid-Amerika

Matthias Vermeil

Andreas de Lafon

Pieter Bourdon

Vervolging in Engeland

Engelse martelaren in het jaar 1557

Jan Bradhridge, Walter Appelbey,Petronella, zijn vrouw, Edmond Allen, Catharina, zijn vrouw, Johanna Mannings en Elisabet, een blinde maagd

Richard Woodman, met nog negen anderen, vier vrouwen en vijf mannen, verbrand

Mejuffrouw Joyce Lewes

Joris Eagles

Jan Noyes

Cicely Ormes

Jan Rough

Geschiedenis van de martelaren in het jaar 1558

Mr. Jan Du Champ

Johannes Morellius

George Tardif, Nicolaas Guilotet, Jan Caillou en Nicolaas van Jeuvife

Jan Barbeville

Benedict Roman

Een zware vervolging van de gelovigen te Valladolid, in Spanje, in het jaar 1558

Dr. Augustinus Casalla, Franciscus de Bevero, mejuffrouw Blaucel de Bevero, mejuffrouw Constance de Bevero, Alphouse Peres, een priester, Christoffel del Campo, Christoffel de Padilla, Antonius Huezuelo, Catharina Boinain, Franciscus Erren, Catharina Ortegue, Isabelle de Strade, Johanna Velasques en een ambachtsman

Renatus du Seau en Jan Almarie

Aonius Palearius

Mr. Geffroy Varagle

Godefroy Guerin

Nicolaas Burton

Gillis Verdict

Genird Hagens

Engelse martelaars in het jaar 1558

Cutbert Simson

Rogier Hollandt

De huisvrouw van Prest

Willem Fetty, een kind van acht jaren

Verscheidene gelovige christenen in Engeland

De martelaren in het jaar 1579

Antonius Verdict

Adriaan de schilder en Hendrik Bockhalt kleermaker

Boudewijn de Heu

Cornelis Halewijn en Herman Jansz

Pieter Chevet

George de Gese

Nicolaas Ballon en Nicolaas Guenon

Marin Maria

Margaretha le Riche

Johannes Pontius

Johannus Gonsalvus

Isabella Vaenia, Maria ViroŽsia, Cornelia en Bohorquia

Ferdinandus van St. Jan en Morsillius

Julianus Ferdinandus

Jan van Leon en Ferdinandus van Valladolid

FranÁisca Chavesia

Chrystophorus Losada

Christophorus Arellanius

Mr. Garsins Arias

Dr. Johannes Egidius en Dr. Constantinus Pontius

Thomas Moustarde

Antonius de Richend, heer van Mouvans

Honoratus Auldol

Adriaau d' Aussi

Martin Rousseau, Gillis le Cotart en Philips Parmentier

Pieter Malet

Petrus Arondion

Andries Coiffier

Anne du Bourg.

Jan Ysabeau

Jan Jullet

Jan Geoffrey

Jan Masson

Christiaan de Quekere, Mr. Jakob Dieussart en Janneken Salomes

Jan Lodewijk Paschal

Jan Herrewijn

Verscheidene martelaren in Frankrijk

Jan de Creus

Jan Buisson en enige anderen

Jan de Lauoy

Jacob van Lo

Jan de Bosschere

Jan de Keijser

Pieter Annood en DaniŽl Galland

Een linnenwever

Een groot aantal gelovigen, om de belijdenis van het heilig Evangelie, in Calabrie omgebracht

BartholomeŁs van Hoy

De benarde toestand der kerk van Christus in de Nederlanden

Florentijn van Keulen

Thomas Watelet, uit het land van Luik

Andries Michiel

Autonius Caron, Reinholdina Fransz en enigeanderen

Jan van Namen

Karel Elinck

Franciscus Varlut en Alexander Daycke

De la Faye, Jan Greffin en de beambte van Pontoise

Willem Cornu

Wouter Oom

Jan de Wolf

Michiel Rovillart

Farresier, Pieter Bonnet en enige anderen

Nicase de le Tombet

Rogier du Mont

Een jong kind gemarteld

Jan de Madock

Christoffel Fabritius en Olivier de Bock

Paulus Millet, bijgenaamd de Ridder

Joos de Creul

Jan Disreneaux

Jan de Grave

Hugo Destailleur en Jan Pick

Jan Catel

Lieve de Blekere

Julius Guirlanda en Antonius Ricetto.

Franciscus Sefra en mr. Franciscus Spinola

Pierrette Curtet

Willem Hosens

FranÁois Soete

Maarten Bayaert, Glaude du Flot, Jan Dautricourt en NoŽl Tournemine

Jan Tuseaen

Andries Berteloot

Jan Cornelisz. Winter

Jakob de Wever

Mailgaert de Hongere, dienaar des Woord

Martinus Smetius en anderen

Jan Goris en Joris van der Assche

Lowijs van Heeke

Guido de Bray en Peregrin de la Grange, dienaren des Woords

Michiel Herlin, de Oude

Jan Mahieu

Michiel Herlin, de Jonge

Michiel de MessŤre

Maarten Tachard van Montauban

BartholomeŁs Bartocci

Pieter Mon, Wonter Oensel en Gerrit N.

Twee jonge juffrouwen

Vervolgingen in West-Vlaanderen van dat jaar

Maarten Clerewerck

Cors Stevensz

Carolus de Bruijne

Gillis Vertrecht

Jan Schakele

Marcus van Waerde

Gillis de MeyŤre

Joost van Busecum

Pieter van Keulen en Betteken, zijn dienstmaagd

Cristoffel Gauderijn, Jan Liebaert, Willem van Spiere en Tanneken Baerts

Cornelis de Meen

Jan le Grain

Heynzoon Adriaansz., Barend van Utrecht en Jan Heymen

Vier burgers

Michiel Rombouts

Lowysken Kijckenpoost

Schoblandt Barthelsz, Hans van Hues en Joris Coomans

Twee burgers

Mr. Cornelis de Lesenne en Mr. Carel van Oudenaarde

Gillis Annike, Jan Annike en Louis Mieulen

Moord te Blois

Weyn Oekers en haar dienstmaagd

Joos Spiering

Een kort verhaal aangaan de vele christenen, die te Doornik en te Valenciennes werden omgebracht

Enige gelovigen omgebracht in het hertogdom Limburg

Jan Laute

Gerard Koopman

Nicolaas Croquet, Filippus en Richard de Gastines, vader en zoon

Marcus de Lannoy en Jan le Grand

Willein Touwart

Coenraad van der Belijen

Jan Sorret

Claas Cornelisz.

Mr. Pieter Hamon van Blois

Een Pottenbakker

Gerard Moyart en Pieter de Meulen

Michiel van Ro

Arend Dierixsz. Vos, Sybrand Jansz., Adriaan Jansz. en Wouter Simonsz.

Anneke Jans

Hans Tierens

Maarten van Schorenback

Joris de Makelaar

Jan Missuens, de Oude

Gestreng schrijven van de graaf van Megen aan de graaf van Arnhem

Hendrik Alertsz. Schouten, deurwaarder te Mechelen

De wrede en afgrijselijke moord, die plaats trad te Parijs, op zondag de 24e augustus en volgende dagen, van het jaar 1572

Jeanne d'Albret

Gaspar de Coligny, admiraal van Frankrijk

Moord van de edellieden des Konings van Navarre en van de Prins van Condť

De Graaf de Rochefoucault

Teligny

De Markies de Kenel

De Baron van Soubrise

De heer de Guerchy

De heer de Briou

Pieter de la Place

Petrus Ramus

Denys Perot

De Predikanten Buyrette, Horeen Desgorris

Antonius Merlanchon

Claude Robert

De luitenant Taverny en zijn zuster

Oudin Petit

Marturin Lussaut, zijn vrouw, zoon en dienstbode

Mouluet en zijn vrouw

Philippe le Doux en zijn vrouw

Pieter Faret en zijn vrouw

De Pluimgraaf des Konings en zijn vrouw

Autonius Silvius

Pieter Baillet

Montault en enige anderen

De weduwe van Gastines de Jonge en anderen

De moord van de Hervormden te Meaux, in Brie

De vervolging van de gelovigen te Troyes, in Champagne

De moord te Orleans

De verschrikkelijke moord van de gelovigen te Lyon

De vervolging te Rouaan

De moord te Toulouse

Vervolging te Bordeaux

Besluit over de moord aan de hervormden in Frankrijk

Arnoud de Croos Mielfiel de Seeldraaier

Jasper Stevens

Mauris van Dalen

Simon Simonsz

Lieven van de Meern

Antonius uit de Hove

Jan de Buck

Joos de Jonge, Quirijn de Palme en Rogier Joosten

Goris

Jasper de Metser

Johannes Gelasius

Pieter Panis

Simeon van Torre

Wouter Wilge

Neesken de Greef

Jan Missuens de Jonge

Wilhelmus Pressius

Mr. Arent en Mr. Adriaan

Johannes Florianus

Christophorus Fytrerus

Radegronde en Claude Foncaut

Jan de Lerm

Antonius Hilairet

Antonius Oldevin

Margriete Pieronne

Een Engelsman

Een bejaard man

Jan Cateau

Anneken uit den Hove

Arnoud le Maire

Werner Hessu

Pieter Motte

Antonius Moreau

BartholomeŁs Copin

Nicolaas de Soignie

Maarten van Voisin

Franco di Franco

Antoine Mibais

De verschrikkelijke moord door de pausoezinden aan de hervormden in Valtellitia

Melchior Balthazars

Het lijk van Jan Wevers

Maria van Provins

Johan Avontroot

Onmenselijke wreedheid door de pausgezinde Ieren gepleegd aan de hervormde christenen in Ierland

Verhaal van het verschrikkelijk bloedbad in het jaar 1655 onder de gemeenten in PiŽmont, en van hetgeen er verder plaats had tot de vrede

Korte geloofsbelijdenis der hervormde gemeenten in PiŽmont

Besluit van dit boek

 

 

Vermaning aan de overheid

 

Aan alle eerbaren, wijzen en edelen heren, overheden, bestuurders, stadhouders en Staten in onze Nederlanden, van Brabant, Gelderland, Vlaanderen, Bolland, Zeeland, Friesland, enz., wensen wij een godzalige voorzienigheid om het volk te regeren, te onderhouden en te leiden tot zaligheid, vrede, eendracht en voorspoed, van God onze hemelse Vader, door Jezus Christus, Zijn welbeminde Zoon, onze enige Zaligmaker. Amen.

 

Rom. 13, vs. 4. 1 Petr. 2, vs. 14. De overheid moet Gods woord kennen. Pred. 10, vs. 16.

Eerbare, wijze heren, die Gods dienaren bent, tot prijs en bescherming der goeden en wraak en straf der bozen. De almachtige God heeft u in deze wereld verkozen, om hoofden te zijn van het volk. Daar nu het lichaam niet ziet, noch riekt, noch smaakt, noch verstand bezit als het hoofd bedorven is; zo is het ook niet mogelijk, dat een gemeente goed geregeerd en in goede orde gehouden wordt, wanneer de hoofden verstandeloos en onwetend zijn, want een onverstandig vorst zal zijn volk verwoesten.

Daarom verkoos Mozes, om het IsraŽlitische volk te regeren, bejaarde wijze mannen, die de Heere vreesden, de waarheid bezaten en de gierigheid haatten. Zonder de vrees des Heeren toch is er geen wijsheid, zonder de kennis der waarheid en gerechtigheid kan men niet goed oordelen, en de gierigheid verblindt de ogen der wijzen.

Deut. 17, vs. 18, 19.

Doch, om hiertoe te geraken, is het nodig de raad van de heiligen Profeet Mozes aan te nemen, die leert, het boek der wet iedere dag des levens te lezen, opdat zij God de Heere mogen leren vrezen, en zijn woorden en plechtigheden, in de wet geboden, onderhouden.

Joz. 1, vs. 7, 8.

Aldus sprak ook de Heere tot de vorst zijns volks, Jozua: "Wees sterk en heb goede moed, dat gij onderhoudt en doet de gehele wet, welke Mozes mijn knecht u geboden heeft, en wijk daarvan niet, ter rechter noch ter linkerhand, opdat gij verstandelijk handelt, in alles wat gij doet. Dat het boek der wet niet wijke van uw mond, maar overleg het dag en nacht, opdat gij waarneemt te doen naar alles, wat daarin geschreven is; want alsdan zult gij uw wegen voorspoedig maken, en alsdan zult gij verstandelijk handelen."

Gods Woord eist de bevordering van Zijn rijk.

Derhalve is het openbaar, dat de wet des Heeren bijzonder en vooral eist Gods naam te heiligen en Zijn Rijk uit te breiden. Daartoe behoren de overheden hun grootste naarstigheid te besteden, willen zij Gods dienaren zijn en blijven. Is het iedere christen bevolen, de bekommeringen van het tijdelijke leven te laten varen en Gods Rijk en Zijn gerechtigheid te bevorderen; hoeveel temeer betaamt dit een christelijke overheid.

Voorbeelden van hen, die de godsdienst bevorderen.

Daarvan vindt men een voorbeeld van hen, in de heilige aartsvaders, Abraham, Izak en Jakob, ja reeds voor hen in Henoch. Welk een godzalige vorst David was, om de ware godsdienst te bevorderen getuigt de bijbelse geschiedenis overvloedig. Doch vooral hebben wij een goed voorbeeld voor alle vorsten van onze tijd in koning Hizkia; want, gelijk het in zijn tijd gesteld was met het uitverkoren volk des Heeren in IsraŽl, zo is het ook thans met de christenen: zij maakten beelden, zij verzonnen vreemde godsdiensten buiten Gods Woord, en brandden wierook voor de koperen slang. De godsdienst was verbannen, de tempel des Heeren was gesloten.

2 Kon. 18, vs. 4.

Doch de godzalige vorst vernielde nu de beelden, wierp de hoogten en bossen om, en verbrak de koperen slang, die Mozes gemaakt had. Hij opende het huis des Heeren, en richtte de ware godsdienst weer op.

2 Kron. 30, vs. 1.

Ja, wat meer is, zelfs buiten zijn koninkrijk, wat alleen Judea was, zond hij boden en leraars tot het koninkrijk van IsraŽl, die daar predikten, dat zij zich bekeren zouden tot de ware godsdienst, doch zij werden door velen bespot en beschimpt. Dit deed ook voor hem Josafat in Judea, waarvoor hij door de Heere gezegend werd.

2 Kron. 23, vs. 4, enz. 2 Kon. 34, vs. 3, enz.

Zulk een godzaligheid zag men ook in Josia, die een opvolger was n de regering van de beide koningen Manasse en Ammon, die altaren oprichtten voor de afgoden, en de hemellichamen vereerden en aanbaden. Het wetboek was verloren gegaan, en de kinderen werden in het vuur geofferd. Doch Josia roeide al hun afgoderijen uit, bracht de Heilige Schrift aan het licht, en liet die voor al het volk in het Huis des Heeren lezen.

Van onze tijden.

Op soortgelijke wijze ging het ook in deze tijden onder de christenen; zij riepen beelden, altaren, offeranden en vreemde godsdiensten buiten Gods Woord in het leven. Van het avondmaal, dat ons bevolen is te houden tot een gedachtenis van de dood van Christus, maakten zij een afgod, brandden er wierook en fakkels voor; de ware godsdienst was verbannen, Gods Woord mocht men niet prediken, de tempel was er voor gesloten; het wetboek der heilige Schrift te lezen was verboden. Men achtte Gods Woord als bedrog en vergif. Als de Heere enige godzalige vorsten verwekte, die predikers uitzonden, om de ware godsdienst te onderwijzen, en het volk van hun dwalingen te genezen, zoals God de vrome koning van Engeland, Eduard de zesde, en enige Duitse vorsten verwekt bad, werden de predikers beschimpt, belasterd, gevangen genomen en gedood.

Men verbood het Woord des Heeren te onderzoeken.

O gij, goede heren, slaat hierop acht! omdat het wetboek aan uw handen is ontvallen, de Bijbel in een hoek ligt, en Gods Woord niet wordt onderzocht, daarom wordt het volk slecht geregeerd, de rechtvaardige verdrukt, en de onrechtvaardigheid ten hoogste verheven; daarom vervalt de gemeente tot velerlei dwalingen en sekten; want de opzieners zijn blind, en de herders stomme bonden, die niet blaffen kunnen, en er is geen wetenschap bij hen.

Jes. 56, vs. 10. Jes. 1, vs. 2, 3.

Terecht mocht de Heere zich over zijn volk beklagen, en roepen over het onverstand der lompe onwetendheid: "Hoort gij, hemelen, en neemt ter oren, gij aarde! wat de Heere spreekt! Ik heb kinderen groot gemaakt en verhoogd, maar zij hebben tegen Mij overtreden. Een os kent zijn bezitter, en een ezel de kribbe zijns heren, maar IsraŽl heeft geen kennis, mijn volk verstaat niet.

Jes. 30, vs. 9, 10, 11.

Zij tergen Mij tot gramschap, de leugenachtige spruiten, die de wet Gods niet willen horen, die daar zeggen tot de zieners: Ziet niet, en tot de schouwers: Schouwt ons bedriegerijen. Wijkt af van de weg, maakt u van de baan; laat de Heilige IsraŽls van ons afhouden!"

De onwetendheid heeft onkunde als gevolg.

Door zulke onwetende blindheid en onkunde komt het, dat er zoveel onwetendheid onschuldig bloed wordt vergoten, en dat de rechtvaardigen vervolging en verdrukking lijden. Want hoe kunnen de rechters naar waarheid oordelen, die deze zaken niet verstaan? En hoe zouden zij die kunnen verstaan, als zij de Schrift niet onderzoeken, waarin het recht en de gerechtigheid wordt verklaard? Maar zij haten het licht, omdat zij in de duisternis verkeren. Zij vervolgen de waarheid, omdat zij door de leugens verblind zijn.

Joh. 15, vs. 21, en 16, vs. 3. Luk. 23, vs. 34. 1 Kor. 2, vs. 8.

"Dit zullen zij u doen," zegt de Heere, "omdat zij noch de Vader noch Mij gekend hebben." Hij bad ook voor zijn vervolgers, toen Hij zei: "want zij weten niet, wat zij doen." Want, indien de vorsten dezer wereld de wetenschap bezaten, en niet verstandeloos waren, zo zouden zij de Heere der heerlijkheid niet gekruisigd hebben."

Zo was het van het begin van de wereld, en zal het duren tot het einde dat de duistere, blinde en onwetende wereld de gelovige kinderen des lichts vervolgde, en vervolgen zal. Christus en al de leden van Christus zijn enkel licht, leven en waarheid; en de wereld en allen, die Christus niet recht kennen, zijn enkel duisternis, dood en ijdelheid. Als nu het licht in de duisternis schijnt, zijn alle nachtraven, vleermuizen en nachtuilen in beroering, want zij kunnen het licht niet verdragen.

Joh. 3, vs. 19. Joh. 7, vs. 7.

Daarom zegt Christus: "Dit is het oordeel, dat het licht in de wereld gekomen is, en de mensen hebben de duisternis liever gehad dan het licht, want hun werken waren boos." En wederom: "De wereld haat Mij, omdat Ik van dezelve getuig, dat haar werken boos zijn." Zo is het ook met de christenen, als zij de zonden aan het licht brengen en bestraffen: als zij de ijdelheid en de leugen uitroeien door de waarheid, dan stelt de gehele wereld zich te weer, en ieder brengt hout aan, om zulke ketters te verbranden, want zij spreken en leven tegen de gehele wereld, omdat de gehele wereld zich tegen de waarheid en gerechtigheid verzet.

Boek der wijsheid, h. 2.

Dit heeft ons de wijze man zeer juist afgeschilderd, waar hij de bozen laat zeggen: Wij willen de rechtvaardige onderdrukken, want hij is ons onnut en tegen al onze werken; hij verwijt ons, dat wij tegen de wet zondigen, en beschuldigt ons, dat wij tegen de tucht handelen; hij geeft zich uit, dat hij de wetenschap van God bezit, en noemt zich een Zoon van God, hij bestraft ons voornemen en opzet, hij is ons zeer lastig om te zien, want zijn leven is zeer verschillend van de anderen, en hij verandert zijn wegen; wij worden door hem gehouden voor beuzelaars, en hij wacht zich voor onze wegen als voor onreinheid, en het slechtste der rechtvaardigen roemt hij hoog, en beroemt zich, dat hij God tot een Vader heeft, enz. Met verdriet en moeite willen wij hem onderzoeken, en zijn lijdzaamheid beproeven; wij willen hem met een schandelijken dood veroordelen, en zo kan hij denken aan zijn woorden. Dit hebben de boze lieden gedacht, en zij hebben gedwaald, want hun boosheid heeft hun hart verblind.

De predikers van de waarheid worden altijd vervolgd. 1 Kon. 22, vs. 24, 27. Jes. 36, vs. 23. Dan. 6, vs. 16. Amos 7, vs. 12.

Denkt er toch over na, gij christelijke heren, welke onwetendheid en blindheid gij bewijst, hoe men tegen hen opstaat, hen vervolgt en doodt, die het waarachtige licht van het goddelijke Woord verkondigen, en de wetenschap en de kennis van God onderwijzen. Daarom kreeg Micha kinnebakslagen, werd in de gevangenis geworpen, met het brood der bedruktheid gevoed en met water der benauwdheid gedrenkt; daarom werden de boeken van de Profeet Jeremia verbrand, en hij in een put van slijk en modder geworpen; daarom werd DaniŽl geworpen in een leeuwenkuil, de Profeet Amos door de priester van Bethel als een oproermaker voor de koning Jerobeam beschuldigd, en verboden te prediken in de heerlijkheid en het gesticht van de koning; daarom hebben Johannes de Doper, Christus en zijn Apostelen hun bloed gestort; om deze redenen werden de heilige leraars, door de tirannie der heidenen en pausgezinden verdreven, vermoord en verbrand, en als onwaardig geoordeeld de wereld te bewonen.

Matth. 10, vs. 16.

Deze zijn de getuigen en martelaren, van welke Christus spreekt, als Hij hen uitzendt als lammeren en schapen onder de wolven; waar zij overgeleverd, geslagen en gedood zouden worden, de koningen, vorsten en heidenen tot een getuigenis, waarom zij ook getuigen of martelaren genoemd worden. Ja, niet alleen hebben enige verstandeloze en verblinde vorsten de leraars en predikanten van het goddelijk Woord omgebracht, maar ook hen steeds vervolgd, die Gods Woord gehoorzaam en onderdanig waren; opdat al het bloed, van Abels tijden af tot het einde der wereld toe vergoten, op hun hoofd zou komen, en van hun handen geŽist worden.

Tot de gelovige heren.

Daarom bid ik u, o gij heren en overheden van het volk Gods, weest voorzichtig in uw oordelen; onderzoekt de zaken, voor gij het vonnis velt. Wacht u een vonnis over een zaak uit te spreken, die gij niet zelf onderzocht en goed hebt leren kennen. Ziet niet langer door de ogen van anderen, opdat de blinde leidslieden u niet in een put der verderfenis storten.

Joh. 19, vs. 7.

Wanneer de Schriftgeleerden en FarizeeŽn zeggen: "Volgens onze wet moet Hij sterven. Hij is een ketter; wij hebben Hem onderzocht; indien Hij geen boosdoener ware, zouden wij Hem u niet hebben overgeleverd;" weest dan niet onredelijker dan de heidense Pilatus was, en gij zult hun dikwerf ten antwoord geven: "wij vinden geen oorzaak des doods in hem; neemt en oordeelt hem naar uw wetten."

Ik weet en het is bekend, dat er velen onder u zijn, wiens ogen door Gods Woord zijn verlicht, zodat zij maar al te goed weten, dat de christenen ten onrechte door de zogenaamde geestelijkheid beschuldigd, en voor ketters en oproermakers gescholden worden. Zij weten, dat zij om de gerechtigheid lijden, en wegens de waarheid hun bloed storten. Maar uit vrees, dat ook zij door de geestelijkheid als ketters geacht en beschuldigd zouden worden, durven zij de beleden waarheid niet belijden, en de gerechtigheid voorstaan of beschermen. De een zegt: "Ik wil de bijen niet tergen, noch de slapende honden wakker maken." Anderen zeggen: "Wij kunnen niet alleen dansen, dit moet gemeenschappelijk geschieden," en intussen worden de rechtvaardigen omgebracht. Och, mijn heren, openbaarde en beleed ieder, naar de kennis, die hij van God ontvangen heeft, de waarheid, de priestermacht zou spoedig in rook verdwijnen. Maar nu ieder terugtreedt, bevlekt gij uw handen met het onschuldig bloed, dat vergoten wordt. Want, indien gij u beijverd had, zoudt gij voor de Heere onschuldig zijn, al had dit niet plaats volgens uw verlangen.

Voorbeelden van hen, die de onschuldigen helpen. Gen. 37, vs. 29. 2 Kon. 18, vs. 4. Jer. 38, vs. 8, 9, vs. 7.

Och, of gij de vrome mannen navolgde, die hun leven stelden als een muur voor het Huis des Heeren, en de rechtvaardigen en onschuldigen zochten te verlossen uit de macht van hen, die hen verdrukten, zoals Ruben de onschuldige Jozef zocht te verlossen uit de handen der bloeddorstige broeders; zoals Obadja, de hofmeester van de koning Achab, toen Izebel, de koningin, de Profeten des Heeren doodde, hen bij vijftig tegelijk verbergde, spijzigde en onderhield. Zo ging ook Ebed-melech, de moor, tot Zedekia, de koning en verzocht hem vriendelijk om de Profeet des Heeren te verlossen. Ja, ook een vrouw waagde het, voor het volk des Heeren, de koning Ahasveros te bidden met gevaar van haar leven. En zouden dit de mannen niet durven doen? Waarlijk, dat zou te beklagen zijn!

Luk. 19, vs. 17. Matth. 10, vs. 40, 41.

Denkt toch eens, o gij dienaren van God, aan de heerlijke beloften, die u de Zoon van God doet, wanneer gij uw dienst getrouw waarneemt, hetwelk bestaat in de goede tegen de onderdrukkers te beschermen. "Wel, gij goede dienstknecht," zal Hij zeggen, "omdat gij in het minste getrouw zijt geweest, zo heb macht over tien steden." "Gaat in, in de vreugde uws Heeren," zegt Hij met een heerlijke belofte, tot hen, die zijn volk ontvangen en bijstaan. "Die u ontvangt, ontvangt Mij," zegt Hij, "Die een Profeet ontvangt in de naam eens Profeten, zal het loon eens Profeten ontvangen; en die een rechtvaardige ontvangt in de naam eens rechtvaardigen, zal het loon eens rechtvaardigen ontvangen. En, zo wie ťťn van deze kleinen te drinken geeft, alleen een beker koud waters, in de naam eens discipels, voorwaar zeg ik u, hij zal zijn loon geenszins verliezen." Wat zal hij dan doen als gij de rechtvaardige uit de macht der bozen en bloeddorstigen verlost?

Luk. 12, vs. 42, 45.

Ziet, de Heere heeft u over zijn Huis gesteld, omdat voor te staan en te verzorgen. Zalig bent gij, als Hij bij zijn komst u aldus bevindt. Maar, als gij in uw hart zegt "De Heere; vertoeft te komen," en gij begint uw mededienstknechten te verdrukken, en de lust van uw hart op te volgen; dan zal voorwaar de Heere komen op de dag, waarin gij Hem niet verwacht, en zal u in stukken houwen, en uw deel zetten met de ontrouwen; want een dienaar, die de wil zijns Heeren kent, en die niet wil volbrengen, en niet naar zijn wil gedaan heeft, zal met vele slagen geslagen worden; en die veel gegeven is, van die zal ook veel geŽist worden. Denkt daarover toch na!

Tot de onwetenden, Joh. 16, vs. 2. 2 Thess. 2, vs. 10, 11.

Ten anderen. Zij, die door onwetendheid kwaad en boos zijn, en menen God een dienst te doen, wanneer zij iemand om Gods Woord doden en verbranden, deze volgen juist de voetstappen van hun voorouders, en zullen ook hun loon ontvangen. Tot zulk een val moesten zij komen, omdat zij de liefde tot de waarheid niet hebben ontvangen tot hun zaligheid. Daarom zendt de almachtige God hun krachtige dwalingen toe, opdat zij de leugens zouden geloven, en zij allen geoordeeld worden, die de waarheid niet hebben geloofd, maar de ongerechtigheid beschermd. Waarlijk, die de tirannie van Farao navolgen, Gods woorden ongehoorzaam zijn, en het volk des Heeren met geweld onderdrukken, zullen ook door de krachtige hand des Heeren in de wateren der verderfenis verzinken en vergaan.

Voorbeelden van de straf van de vervolgers.

Is het ooit gebeurd, dat zulke bloeddorstige lieden zonder een vreselijke dood deze wereld hebben verlaten? Waarlijk, zelden of nooit geschiedt dit, als ons oude en nieuwe geschiedenissen betuigen. Denkt aan KaÔns dood tot op onze tijden; ten allen tijde was God een wreker van het bloed zijner uitverkorenen, dat om wraak roept voor zijn oren. Hoe geweldig heeft de Heere zo vele machtige koningen vernield, die zijn volk, dat Hij uit Egypte bracht, wilden verdrukken. Hoe schandelijk zijn de koningen opgehangen en verwurgd!

1 Sam. 31, vs. 4.

Welk een verschrikkelijk einde had de boze koning Saul, nadat hij David zo vaak had vervolgd, en de priesters des Heeren met het zwaard gedood, heeft hij eindelijk met zijn eigen zwaard zich van het leven beroofd. Jerobeam, de koning, door God over IsraŽl gesteld, versloeg de Heere met zijn gehele geslacht, omdat hij de leraars, de profeten des Heeren verdreef, en een valse godsdienst voor het volk in het leven had geroepen.

1 Kon. 22, vs. 34, 38.

2 Kon. 9, vs. 33, 35.

2 Kon. 26, vs. 7.

Judith 13, vs. 10.

De voetstappen van Antiochus worden door onze koningen gevolgd, 1 Makk. 1.

Achab, de koning, werd doorschoten, en de honden lekten zijn bloed, omdat hij de onschuldige Naboth ten onrechte door de rechters liet doden, en niet hoorde naar de Profeten des Heeren. Izebel, zijn vrouw, werd uit het venster geworpen, brak de hals, en werd door de bonden verslonden, omdat zij de Profeten van God en alle Godvruchtige mannen verdreef en vermoordde. Om dezelfde reden werd Zedekia blind in de Babylonische ballingschap, en Holofernus schandelijk door een vrouw verslagen; ja, ook Antiochus, de koning, die een duidelijk voorbeeld is voor de vorsten en koningen in onze tijden, wiens voetstappen zij allen navolgen; want door zijn bevel dwong hij Gods volk de heidense gewoonten en wetten te onderhouden, en Gods bevel te overtreden, en stelde kettermeesters en onderzoekers aan in alle steden, die het volk daartoe dwongen. Hij liet de boeken, de Testamenten des Heeren in stukken snijden en verbranden. Wie Testamenten des Heeren bezat, en volgens zijn Woord wilde leven, werd op bevel des konings gedood. Deze werd door de Heere met zulk een weemoed en droefheid van het hart getroffen, dat hij aan de gevolgen daarvan stierf. In onze tijden mag men zich hieraan wel voor goed spiegelen. Let hierop toch, want Gods hand is ook nu niet verkort, om de wreedheid der tirannen te straffen, en het bloed zijner martelaren te wreken.

Christenen worden ketters en oproermakers genoemd.

Zegt iemand soms: ďJa dat deden de goddelozen aan de kinderen Gods; maar nu vervolgt men niemand dan oproerige ketters, sektemakers, en hen die het volk verleiden."

Och, gij vrome heren, let toch eens op de aard en de natuur van de satan, die zich toch dagelijks als een God opwerpt, en zijn macht verheffen wil, opdat hij God en zijn heerlijkheid zou verduisteren en teniet doen. Wie zijn toch de ketters? Zij, die de woorden des Heeren navolgen, of zij, die daartegen opstaan en die onderdrukken? Die de boosheid bestraffen en haten, of die verdedigen en navolgen? Oordeelt nu zelf, wie de ketters zijn.

Joh. 5, vs. 39. Matth. 28, vs. 19.

Christus beveelt de christenen de Schrift te onderzoeken, waarin zij het eeuwige leven zullen vinden. Hij beveelt de predikanten te prediken volgens zijn bevel. Dit te doen wordt verboden en ketterij genoemd; die volgens zijn bevel prediken en de valsheid bestraffen, heten verleiders en oproermakers, die men niet kan uitstaan. Zij, die de sacramenten naar het bevel des Heeren Jezus Christus uitdelen en ontvangen, worden valse leraars, sektemakers, en sacramentschenders genoemd door hen, die de sacramenten van Christus vervalsen, schenden of vernietigen. Christus heeft bevolen, dat allen uit ťťn kelk moeten drinken, en, die dat doen willen, heten ketters, want de priesters verbieden dat. Zij, die de heidense afgoderij van houten en stenen beelden te aanbidden, aan te roepen, te verlichten en te vereren volgens Gods Woord verbieden, noemt men beeldstormers en verachters van heiligen bij dit overspelig en afgodisch geslacht. Daarentegen heten zij, die de afgoden oprichten, heilige christenen.

Jes. 5, vs. 20.

Amos 7, vs. 10.

1 Kon. 18, vs. 17.

Luk. 23, vs. 2.

Matth. 26, vs. 61.

Hand. 24, vs. 5.

Ziet aldus weet de duivel het blaadje door zijn handlangers om te keren. Wee u, wee u, die het kwade goed noemt, en het goede kwaad, die het licht duisternis acht, en de duisternis licht. Gelijk Amazia, de priester van Bethel, liet volk tot afgoderij verleidde, zo beschuldigt men de prediker des Heeren, dat hij oproerig is jegens de koning, en beweert, dat het land zijn prediking niet verdragen kan, en hij uit het land moet verbannen worden. Elia werd als een oproermaker door de koning Achab gescholden, omdat hij de Bašlpriesters wegens hun afgoderij bestrafte. Christus zelf werd door de geestelijkheid bij de wereldlijke overheid als een oproermaker aangeklaagd, en gezegd, dat Hij het volk beroerde van Galilea af tot hiertoe; dat Hij verbood de keizer schatting te geven, en dat Hij de tempel wilde verbreken. Paulus werd door de Joodse priesters voor de Romeinse rechter als een oproermaker en voorstander der sekten beschuldigd. Het moet de christenen gaan, zoals het Christus, de Apostelen en Profeten ging. Zouden de discipelen beter zijn dan de Meester? Dat kan niet. Let er op en ziet, of de eigenlijke ketters niet altijd de godzaligen hebben vervolgd. Waar vindt men, dat de valse profeten en valse leraars door de wereld vervolgd werden? Is het ooit gezien of gehoord? Neen, toch niet, want de wereld bemint altijd het hare; zij scheidt, vervloekt, doodt en verbrandt, wat door Christus is uitverkoren, want dat is niet van de wereld. Zo werden Christus en zijn leerlingen door die wereld als ketters, verleiders en oproermakers gehouden, en de verleiders, ketters, en die tegen de Heere oproerig waren, werden door de wereld christenen genoemd.

Daarom, gij christelijke heren en overheden van het volk, let niet op het geroep en geschreeuw van het volk, op de klachten van de geestelijkheid, die altijd tegen Christus en zijn heilig Woord opstonden, en bekreunt u ook niet om de gewoonte of het algemeen gebruik en de loop der wereld van de tijd der voorouders af; want deze zouden u allen bedriegen. Maar let op het onvervalste Woord des Heeren, dat een licht voor uw voet zal zijn, opdat gij in de duisternis niet struikelt. Weest niet langer onwetend in goddelijke zaken, opdat gij de onschuldigen kunt beschermen tegen hun overweldigers.

Christus wordt vervolgd in zijn dienaars. Hand. 9, vs. 5. Zach. 2, vs. 8. Ps. 105, vs. 15.

Bedenkt, dat, wanneer gij Gods dienaren voor u hebt, dat Christus zelf voor u staat, en door u wordt veroordeeld, en dat Hij tot u zegt: Waarom vervolgt gij Mij? Het is u hard de verzenen tegen de prikkels te slaan. Aangaande deze zijn uitverkorenen zegt Hij toch: Die u aanraakt, raakt de appel mijner ogen aan. Hij vermaant u door te zeggen: Tast mijn gezalfden niet aan, en weest niet wreed jegens mijn Profeten.

Het is een grote wreedheid en een verschrikkelijke ondankbaarheid om hen te onderdrukken, die hun bezittingen en leven wagen, om u van de weg der verderfenis tot het eeuwige leven te voeren; aldus beloont gij het goede met het kwade. Dit zijn immers geen bewijzen van ware mensen, nog veel minder van christenen. Daarom bid ik u, en vermaan u door onze Heere Jezus Christus, door wiens bloed gij van de tirannie des duivels verlost bent, u te wachten van uw handen te bevlekken met het bloed der rechtvaardigen. Doet u het, de hand des Heeren is nu opgeheven om zulke onrechtvaardige wreedheid en wrede onrechtvaardigheid te straffen. Verstout gij u, de godzaligen te verdrijven en uit te roeien, zo zult gij allen vergaan.

Gen. 7.

Gen. 19.

Toen Noach in de ark ging, rees de verderfelijke watervloed over alles, wat leven ontvangen had. Toen de godvrezende Lot met zijn dochters uit Sodom vertrok, kon men niet anders dan zwavel en vuurregen van de Heere verwachten, om alle bozen te verteren. Daarom, ziet toe, gij bent in uw eigen licht, gij verderft uzelf.

Jes. 1, vs. 9.

Gen. 3, vs. 15.

2 Thess. 2, vs. 8.

Spr. 21, vs. 20.

Hand. 3, vs. 17.

Want zo de Heere u geen zaad nalaat, dan zult gij als Sodom en Gomorra door Gods toorn worden verslonden. Wilt gij de slang helpen in Christusí hielen te bijten, dan zal uw hoofd in stukken geslagen worden. Wilt gij de antichrist op zijn zetel verheffen, dan zal Christus u met het zwaard van zijn Woord vernielen, en tot een voetbank zijner voeten maken. Tegen God geldt toch raad noch geweld. Nu, welaan, ik weet, dat gij het door onwetendheid gedaan hebt, zoals al uw voorvaders de Profeten en Apostelen hebben omgebracht, maar bekeert u nog, en laat af van het vergieten van het onschuldig bloed, en de Heere, die rijk is in barmhartigheid, zal zich uwer ontfermen, en met geopende armen ontvangen. Volgt het voorbeeld van de koning Manasse; beweent uw zonden, en de Heere zal u genadig zijn. Want Hij wil de dood van de zondaar niet, maar dat hij zich bekeert en leeft. Wanneer gij het boze laat varen, en u bekeert, zal de Heere een licht laten opgaan in uw harten, en de zon der gerechtigheid overal laten schijnen. In vreugde zult gij uw leven doorbrengen, en in vrede uw volk regeren. Het volk zal de wet des Heeren leren, en zij zullen de vrees Gods voor ogen hebben. O, gelukkig volk, dat dit ten deel valt, die de Heere voor hun God houden. O zalige overheden, die het wetboek en de Testamenten des Heeren steeds in de hand hebben, en zich daarin oefenen dag en nacht. Want zij zullen de wil des Heeren erkennen, en hun volk in rechtvaardigheid regeren.

Jes. 11, vs. 9.

Dan zal niemand gewond of gedood worden op de heilige berg van God; want de aarde zal vervuld worden van de kennis des Heeren. De almachtige, en barmhartige God, de Vader van onze Heere Jezus Christus, verlichte eenmaal door zijn Heilige Geest de duistere ogen en blinde harten, en vooral die van de overheid, opdat zij zien mogen in wie zij gestoken hebben, en de Heere der heerlijkheid en de Koning aller koningen belijden, zijn naam heiligen, zijn gemeente beschermen, en alzo hun poorten openen, om de Koning der heerlijkheid te ontvangen. Amen.

 

Antwerpen, in het jaar onzes Heeren 1559.

 

Adrianus Haemstedius

 

 

 

Voorrede aan de christelijke lezer

 

Beminde, goedgunstige lezer, het is genoeg bekend, dat de gelovigen der eerste kerk, naar de voorzegging van de Heere Jezus Christus, aan vele en zware beproevingen waren onderworpen, want zelfs de Apostelen van Christus hadden uit de Joden en Heidenen tot vijanden, die in deze wereld, volgens het oordeel der mensen, de geleerdste, machtigste en uitnemendste waren, die hen met alle macht en wreedheid vervolgden, en eindelijk doodden en ombrachten. Doch van de apostolische tijd ontstond er nog veel grotere tirannie, toen de Romeinse keizers al hun macht aanwendden, om het ware geloof en de christelijke kerk, die over de gehelen aardbodem zich begonnen uit te breiden, uit te roeien. Men leest ook, dat zij tot de tijd van Constantijn de Grote, gedurende drie eeuwen, geen wreedheden nalieten te plegen, om het geloof uit te blussen. Zij toch beroofden de christenen niet alleen van wereldse eer, staat en waardigheid, maar de christenen werden ook onthoofd, opgehangen, verdronken, verbrand, de wilden dieren voorgeworpen, en allerlei martelingen werden hun aangedaan. Ja, de wilde stomme dieren waren soms barmhartiger dan de tirannen, zodat zij vele gelovigen spaarden, en de beulen verscheurden en verslonden. In ťťn woord, de wreedheid was in die tijden zo buitengewoon, dat er ten tijde van Diocletianus geen grote stad was, waarin niet iedere dag bijna honderd gelovigen werden gedood. De geschiedschrijvers hebben zelfs aangetekend. dat er eens in ťťn maand zeventien duizend christenen werden omgebracht. Doch onder deze verschrikkelijke vervolgingen ondervond men ook de vertroosting, dat wanneer de christenen dikwerf in onreine kwalijk riekende gevangenissen lagen, zij door andere broeders niet vergeten, maar door hen getroost, versterkt en van spijs in de gevangenis voorzien werden; of, indien hun dit door een gevangenbewaarder niet werd toegestaan, schreven en zonden zij hun enige troostrijke brieven; ook hielpen en sterkten zij hen in hun heilige voornemens met hun openbare en bijzondere gebeden.

En aangezien God wilde, dat ook de gedachtenis van zijn heilige martelaren onder de mensen in waarde zou gehouden worden, droegen de vroegere christenen niet alleen zorg voor hun gevangen medebroeders in het leven; maar ook, wanneer zij om de naam van Jezus Christus waren gedood, werd de gedachtenis van deze martelaren ook in ere gebonden, omdat zij vast geloofden, dat de zalige martelaren uit dit ellendig tranendal naar het eeuwige en onsterfelijke leven verreisd en waarlijk wedergeboren waren; en ook, om zich en hun medegelovigen door zulk een gedachtenis tot gelijke standvastigheid op te wekken. Opdat ook de geschiedenissen der martelaren niet in vergetelheid zouden geraken, waren er ook, die deze schriftelijk te boek stelden, zoals men, onder andere, leest, dat Keizer Constantijn, op verzoek van Eusebius, bisschop van Cesarea, naar alle delen der wereld mannen zond, en de namen van de martelaren alsook de tijd van hun lijden liet optekenen, alsmede onder wie, op welke wijze en in welke plaatsen zij hadden geleden. Te beklagen is het echter, dat, wat de eerste christenen tot opwekking der standvastigheid diende, dit door de nakomelingen in schandelijke afgoderij werd veranderd.

Doch, wat zullen wij zeggen van de verschrikkelijke vervolgingen, die toen en later hebben plaats gehad? Het aantal der vroegere martelaren was zeer groot; maar wie kan het veel grotere getal van onze martelaren berekenen? De vroegere martelaren werden gruwelijk gepijnigd en gedood, maar welke tong kan uitspreken, of welke pen kan beschrijven met welke vreselijke barbaarse en onmenselijke martelingen, zoals onthoofden, verdrinken, ophangen, levend begraven, langzaam in het vuur roosteren, tot as verbranden en dergelijke wrede doodstraffen de martelaren in later tijd werden omgebracht? En daarom verdienen zij geen geringen lof, die zich benaarstigden de gedachtenis van onze martelaren onder de mensen levendig te houden. Vooral voegt het ons Nederlanders, hen zeer te danken, die de namen der martelaren, als ook de tijd wanneer en de plaatsen, waar zij gepijnigd werden, de martelingen, die hun werden aangedaan en dergelijke omstandigheden meer, tot een eeuwige gedachtenis van hun standvastigheid beschreven en de nakomelingen nagelaten hebben.

En, aangezien het bloed der martelaren zo overvloedig bijna als water, niet alleen in de Nederlanden, maar ook in het gehele christelijke rijk vloeide, zijn in dit boek niet alleen de martelaren in Nederland opgenomen, maar ook verscheidene andere martelaren, die in Engeland, Frankrijk, Spanje, ItaliŽ, en andere landen, om de belijdenis der waarheid leden, er bijgevoegd; doch niet allen, slechts de voornaamste; ook niet met alle bijzonderheden, zoals die in de Engelse, Franse en andere martelaarsboeken beschreven staan; want dit alles zou niet in ťťn deel opgenomen kunnen worden, maar alleen het voornaamste wat er bij hun martelingen plaats had.

Daar vroeger dit Nederlandse martelaarsboek in drie delen was uitgegeven, hebben wij daarvan nu ťťn deel gemaakt, en iedere martelaar naar volgorde beschreven, en wel op behoorlijken tijd en plaats. Zo veel ons mogelijk was, hebben wij er ook op gelet of iemand hunner in het een of in het andere gedeelte van het jaar gemarteld werd, en dit ook naar volgorde geschikt. Wij hebben ook verzwegen zulke geschiedenissen, die wij zagen dat op twee of drie verscheidene plaatsen werden verhaald, en wel soms met dezelfde namen, soms met een kleine verandering; en hebben ons daarbij aan de uitvoerigste gehouden.

Deze laatste druk is ook met verscheidene schone en gedenkwaardige geschiedenissen, die vroeger in het Nederlandse Martelaarsboek niet waren opgenomen, vermeerderd, zoals bijvoorbeeld: Bij de moord te Parijs hebben wij ook gevoegd de moord, die in die tijd, om dezelfde redenen, in andere provinciŽn en steden van Frankrijk, als te Angers, Rouaan, Bordeaux en andere plaatsen tegen de Hervormden plaats had; ook de moord die in 1620 in Valtellina aan de Hervormden geschiedde, en meer andere geschiedenissen van bijzondere gelovigen tot het jaar 1633; alsmede de onmenselijke en ongehoorde wreedheid gepleegd jegens de Hervormde christenen in het koninkrijk Ierland, in het jaar 1641, alsmede de verschrikkelijke moord aan de Waldenzen in PiŽmont in het jaar 1655.

De Verhandeling over de hovaardij en opgeblazen oppermacht der Pausen het eerst in de Engelse taal geschreven door de eerwaarden dienaar van Jezus Christus, Johannes Foxus, en daarna in onze Nederlandse taal overgebracht door H. Hexam, hebben wij laten voorafgaan, die ons toont, hoe al de bloedige vervolgingen der gelovigen in de volgende eeuwen ontstaan zijn, tot op deze dag. Daarin wordt ons levendig voor ogen gesteld, hoe de eerste getrouwe bisschoppen van Gods Kerk in verloop van tijd al erger en erger werden, en hoe zij langzamerhand als van zeer goede onderdanen der keizers en koningen, geworden zijn heren en heerschappijvoerders over koningen en koninkrijken, die in de tempel Gods als een God zitten, zichzelf vertonende dat zij God zijn;" zoals dit door de Heilige Geest vooruit gezien, en ons in de Heilige Schrift voorzegd en geopenbaard is." En aangezien de getrouwe bisschoppen en vrome getuigen van Jezus Christus de hoogmoed van deze bedorven bisschoppen niet konden verdragen, noch voor het hoofd der kerk, waarvoor zij zich uitgaven, zoals de pausen nog doen, wilden erkennen, maar veel meer voor de waren antichrist, die zich tegen Christus verheft, en derhalve ook hun menselijke vonden en instellingen niet wilden goedkeuren noch aannemen, daarom hebben vele martelaren hun bloed laten vergieten; daardoor is de gehele wereld in beroering gebracht; daardoor heeft zich de Babylonische hoer tot nog toe dronken gemaakt niet het bloed der vrome martelaren daardoor is het aantal van hen, "die gedood waren om het Woord Gods en om het getuigenisĒ dat zij zo groot en ontelbaar geworden, dat het door niemand ter wereld kan worden berekend, waarom ook de namen van vele duizenden martelaren in dit boek niet konden worden opgenomen, die echter in de hemel, in het boek des levens, geschreven zijn.

Wij bidden daarom de christelijke lezer, deze onze genomen moeite ten goede te willen aannemen, en die zo tot nut te maken, opdat het mag medewerken tot grootmaking van Gods heiligen naam en eer, tot stichting van de naasten, versterking in het geloof en tot zaligheid der zielen. Amen.

 

Historie der martelaren die, om de getuigenis der evangelische waarheid, hun bloed gestort hebben, van Christus onze Zaligmaker af tot het jaar 1655

 

Het lijden van Jezus Christus onze Zaligmaker

 

In het twee en veertigste jaar van de regering van Augustus, de tweede Romeinse keizer, is Jezus Christus, de enige Zoon van de levende en almachtige God, door de kracht des Heilige Geestes ontvangen en geboren uit de maagd Maria, en waarachtig mens geworden uit het zaad van David naar het vlees, gelijk Hij tevoren de vaderen was beloofd, om het menselijke geslacht met Zijn Vader te verzoenen, en van zonde, dood, duivel en verdoemenis te verlossen door de onbevlekte offerande Zijns lichaams. Zijn ontvangenis te Nazareth en Zijn geboorte te Bethlehem is zeer wonderbaar en goddelijk geweest; en, naardien Hij om onzentwil onder de wet geworden is, om ons van de slavernij der wet te verlossen, is hij besneden, en in de tempel de Heere voorgesteld; ook is Hij toegenomen in wijsheid, in grootte en in genade bij God en de mensen. Maar, aangezien door het gerucht van de komst der Wijzen, Herodes en geheel Jeruzalem beroerd waren over Zijn geboorte, hebben zij Hem terstond vervolgd en, om Hem te doden, de Bethlehemitische kinderen wreed vermoord; maar Christus is (door de waarschuwing van de Engel) met Zijn ouders naar Egypte gevlucht, en daar gebleven tot ŠŤn (lood van Herodes. Toen Hij onder de regering van Archelaus wederkeerde naar Nazareth, was Hij Zijn moeder en vermeenden vader onderdanig. Verder zich met Zijn ouders begevende naar de feesten te Jeruzalem, heeft Hij op Zijn twaalfde jaar een heerlijk bewijs van Zijn Godheid getoond onder de geleerden der wet, en heeft voorts een gewoon leven geleid, Zich met timmeren bezig gehouden onder Zijn vermeende vader Jozef, tot het dertigste jaar Zijns levens.

In het dertigste jaar Zijns levens, toen Tiberius, de derde keizer van Rome, regeerde, is Hij aan IsraŽl geopenbaard, en door God Zijn Vader in het openbaar door de doop en de zalving des Heilige Geestes tot onze groten Profeet, Hogepriester en eeuwige Koning gewijd, dat is tot onze ware Messias en Zaligmaker.

En, om dit ambt ten onze beste te kunnen bedienen, heeft Hij Zich begeven tot vasten en bidden, waarin Hij is verzocht is geweest van de satan; maar hem krachtig overwinnende, heeft Hij het leraarsambt bediend met zulk een macht, volkomenheid en aangenaamheid, dat zelfs Zijn vijanden zich daarover verwonderden en zich ontzetten.

Zijn hemelse leer en de wil Zijns Vaders heeft Hij in Zijn eigen persoon, door Zijn goddelijke kracht, met zulk een overvloed van wonderen bevestigd en versterkt, dat zelfs de redeloze schepselen daarover bewogen en alle mensen verwonderd waren.

Hij heeft de kerk van God Zijn Vader hervormd en gezuiverd, alle dwalingen en vervalsingen van de wet verbeterd, de boosheden der mensen bestraft en de verdrukkers der waarheid gestadig overwonnen. Hij heeft Zich ook discipelen verzameld, en een kerk of geestelijk rijk opgericht. In Zijn leven heeft Hij onstraffelijk en onbevlekt gewandeld, opdat Hij de wet voor ons zou kunnen volbrengen, gelijk van de waren Messias werd vereist, en door de reine beesten in de offeranden is afgebeeld.

Hij was de schoonste en heerlijkste onder alle mensen; in voorkomen, gedaante en zeden aldus gesteld, dat Hij wonderlijk was en aangenaam boven alle schepselen, Welke de Engelen hebben begeerd te aanschouwen.

In ťťn woord, in alles was Hij vol wijsheid, ernst en heerlijkheid; ja de kracht Zijner Godheid was vaak glansrijk en te aanschouwen in Zijn menselijk lichaam.

Maar om onzentwil is Hij integendeel geweest de allerverachtste en onwaardigste, een worm en geen mens, omdat Zijn gehele leven ťťn gedurig lijden is geweest, opdat Hij ons door Zijn lijden zou heiligen; want wat hij heeft geleden van de ondankbare Joden, Schriftgeleerden, FarizeeŽn en vele andere Goddeloze mensen, en hoe menigerlei benauwdheden, gevaren en zwarigheden Hij voornamelijk gedurende de tijd van drie jaren heeft uitgestaan en verdragen, is met geen woorden uit te spreken, noch pen te beschrijven.

Doch men moet onderscheid maken tussen Hem en de martelaren, wier dood, hoewel kostelijk in de ogen des Heeren, niet tot verlossing van iemand strekt, maar om te bewijzen de volstandigheid van hun geloof en de vervulling der broederschap; want Christus heeft de pers alleen getreden, omdat Hij heeft geleden en gesmaakt de toorn Gods en de gramschap der hel, welke alle martelaren in het allerminst niet konden bedenken, laat staan lijden en dragen.

De kerkleeraars zeggen wel, dat het bloed der martelaren het zaad der kerk is, maar niet de verzoening der kerk. En, als zij gezegd worden de overblijfselen van het lijden van Christus te vervullen, dan is dit niet zo te verstaan, dat aan het lijden van Christus iets zou hebben ontbroken, maar dat zij Zijn voorbeeld navolgen, en alzo is Hij nog lijdende in Zijn heiligen. Want, zoveel de verzoening der kerk aangaat, zij is alleen verlost en gezuiverd door het dierbaar bloed van Christus Jezus, de Zoon Gods.

Voorts, benevens de verzoening in alle Christus, zo dient ons ook Zijn lijden tot een voorbeeld om na te volgen; want Hij is als onze Heere en opperste Hoofd ons voorgegaan, opdat wij, onder Zijn banier strijdende, door Hem zouden verkrijgen de volle overwinning tot onze zaligheid. Maar Hij is alzo niet de eerste onder alle martelaren, in deze tijd, onder keizer Tiberius; want het Lam Christus is van het begin der wereld aan geslacht, zodat Hij is de eerste en als het Hoofd der martelaren voor Abel en al de profeten, die ooit om des Heeren wil hebben geleden; maar eigenlijk heeft Hij in de volheid des tijd alle dingen door Zijn dood volbracht.

Ten laatste, nadat Hij het Heilige Avondmaal voor de Zijnen tot een gedachtenis van Zijn dood en verzegeling van hun zaligheid had ingesteld, is Hij van Zijn eigen discipel Judas verraden, en van een grote schare, uit gezonden door de Overpriesters, Schriftgeleerden en Ouderlingen van het volk, gewapend met zwaarden en stokken, gevangen genomen en gebonden.

Deze brachten hem eerst naar Annas, die Hem daarna gebonden zond naar Kajafas de hogepriester, waar de Schriftgeleerden en Ouderlingen vergaderd waren.

Voor deze Joodse raad is Hij vals beschuldigd, dat Hij gezegd had, dat Hij de stoffelijke tempel van Jeruzalem, die met handen gemaakt was, zou afbreken. en in drie dagen een anderen, zonder handen gemaakt, opbouwen. Daar heeft men ook verklaard, dat Hij een Godslasteraar was, omdat Hij Zich Gods Zoon had genoemd. Daar hebben enigen Hem in Zijn heilig aangezicht gespogen en met vuisten geslagen; anderen hebben Hem kinnebakslagen gegeven en gezegd: profeteer ons Christus, wie is het, die U geslagen heeft?"

Deze Joodse raad Hem, des doods schuldig geoordeeld hebbende, is Hij door tien aan de wereldlijken rechter Pontius Pilatus overgeleverd, met verzoek, dat Hij zou gekruisigd worden. Pilatus, wetende, dat de Joden Hem uit nijd hadden overgeleverd zocht alle middelen om Hem los te laten, en betuigde dat Hij, na naarstig onderzoek van alles, geen schuld in Hem vond; maar, ziende, dat Hij hierdoor bij hen niets vorderde en dat zij desniettegenstaande bleven roepen: "Kruis Hem, kruis Hem," en hem dreigden met de ongenade des keizers, zo heeft hij (nadat hij zijn handen met water gewassen en betuigd had, dat hij onschuldig was aan het bloed van deze Rechtvaardige, en de Heere Jezus had gegeseld) Hem aan de krijgsknechten overgeleverd om gekruisigd te worden.

Deze hebben Hem, in het rechthuis nemende, ontkleed, een purperen mantel aangedaan, een doornenkroon op het hoofd gezet, een rietstok in Zijn rechterhand gegeven, en, op hun knieŽn voor Hem neervallende, bespot, zeggende: wees gegroet, gij Koning der Joden;" en op Hem gespogen hebbende, hebben zij Hem met een rietstok op het hoofd geslagen, daarna de mantel afgedaan, en wederom Zijn eigen klederen aangetrokken, en aldus uitgeleid om gekruisigd te worden.

Eindelijk werd hij naakt tussen twee moordenaars gehangen,Zijn handen en voeten doornageld en aan het kruis gehecht. Onder vreselijke smarten des lichaams en der ziel, in de uiterste benauwdheid, om onzer zonden wil, uitroepende: mijn God, Mijn God, waarom hebt Gij Mij verlaten," is Hij gestorven, terwijl Hij Zijn ziel met vertrouwen in de handen van God Zijn Vader beval, in de leeftijd van drie en dertig jaren, omtrent het achttiende jaar der regering van Tiberius, de derde keizer van Rome.

De Heere Jezus Christus is na Zijn dood door Jozef van Arimathea en Nicodemus op eervolle wijze ter aarde besteld en begraven, en ten derde dag als de eersteling dergenen, die ontslapen zijn, opgestaan uit de doden, tot eeuwige onsterfelijkheid. Na veertig dagen is Hij openlijk voor de ogen Zijner Apostelen naar de hemel gevaren, en gezeten aan de rechterhand Gods, om op de jongste dag vandaar terug te komen, teneinde te oordelen de levenden en de doden, en Zijn gelovigen op te wekken, en met lichaam en ziel over te brengen in het eeuwige leven.

 

Johannes de Doper onthoofd, en zijn hoofd aan de overspelige Herodias gebracht

 

[JAAR 32.]

 

Johannes, bijgenaamd de Doper, uit de stam van Ašron, een zoon van de priester Zacharias en zijn vrouw Elisabeth, naar het bevel van de Engel aldus genaamd, werd geboren ten tijde van de koning Herodes, en wel op een wonderbare wijze, toen zijn ouders op hogen leeftijd gekomen waren, en is van zijn geboorte aan vervuld geweest met de Heilige Geest.

Toen hij nu omtrent dertig jaren oud was, (ongeveer een half jaar voor de Heere Christus Zijn Profetisch ambt begon) in het vijftiende jaar der regering van de keizer Tiberius, toen Pontius Pilatus stadhouder was, ten tijde van de Hogepriesters Annas en Kajafas, is hij van God geroepen en gezonden om te prediken de doop der bekering tot vergeving der zonden, en als een Engel of bode voor het aangezicht van Christus de weg te bereiden voor de Messias, en het hart der vaderen te bekeren tot de kinderen.

Aangaande de heerlijkheid van deze man had de Engel des Heeren gezegd, dat velen zich over zijn geboorte zouden verblijden, dat hij groot zou zijn voor de Heere, om voor Hem te bereiden een toegerust volk, en (zoals niet alleen de Profeten, maar ook Zacharias van hem door de Geest des Allerhoogste had voorgezegd) om Zijn volk kennis der zaligheid te geven, in vergeving van hun zonden.

Als Johannes nu van God aldus was geroepen en gezonden, om van het licht van Christus te getuigen, kwam hij aan de Jordaan bij Salim en elders, terwijl hij doopte en leerde. Hij bezat een uitnemende geest en verstand; en velen kwamen er om van.hem gedoopt te worden en naar zijn leer te horen, onder wie vele geveinsden en boze mensen, wien hij ernstig de waarheid zei, bestrafte en vermaande tot bekering. De arme zondaars, tollenaars, krijgslieden en anderen heeft hij met groten ijver onderwezen en getroost in de weg der zaligheid.

Toen hij met zijn werk begon, kwam Christus aan de Jordaan en Deze verzocht door hem gedoopt te worden, hetwelk hij eerst uit nederigheid en met een goede bedoeling weigerde; maar Christus overtuigde hem, dat zulks nodig was, zodat hij Hem dan ook doopte en dadelijk van Christus getuigde dat Hij het Lam Gods en de Bruidegom Zijner kerk, ware Messias, Wiens schoenen hij niet waardig was Hem na te dragen.

Aangezien Johannes doopte en leerde onder een zeer groten toeloop van volk, waren er velen die twijfelden, of hij zelf niet de Messias was, welke eer hij echter van zich afgewezen en Christus, Wien zij alleen toekwam, gegeven heeft. De FarizeeŽn en Joden hebben toen hun gezanten tot hem gezonden, om hem te vragen naai, zijn roeping, zending en gezag, omdat hij de Evangelische leer verkondigde, en nochtans de Christus niet was. Hij heeft hun echter zo geantwoord, dat zij bedremmeld en beschaamd heengingen. Toen nu Johannes (die zeer ijverig, was,) vele leerlingen maakte, en die leerde vasten en bidden en hij van zijn werk zich met loffelijke ijver kweet, won hij in grote mate het vertrouwen, aanzien en gezag bij alle mensen, zelfs bij de koning Herodes Antipas, die hem in waarde hield en graag hoorde. Maar deze koning had zich aan een goddeloze daad schuldig gemaakt, door namelijk zijn eigen vrouw, de dochter van Aretas, de koning van ArabiŽ, te verstoten, en de vrouw van zijn broeder Filippus, nog bij het leven van haren man, tot zich te nemen, terwijl zijn broeder reeds enige kinderen bij haar had verwekt. Dit kon Johannes overeenkomstig zijn ambt niet verduren, noch verdragen, en zonder vrees voor ondank of geweld heeft hij hem openlijk over deze bloedschande bestraft. Doch, daar de goddelozen niet willen bestraft worden, zo haatte hij hem, en zocht een aanleiding om hem te doden. En aangezien velen dachten, dat hij de Messias was, waardoor de toeloop van het volk dagelijks groter werd, zo heeft Herodes Johannes (onder de naam van oproermaker) laten gevangen nemen en overbrengen in de kerker Machaerus.

Intussen heeft Johannes zijn werkzaamheden niet gestaakt, en zelfs uit Zijn gevangenis enige van zijn discipelen tot Christus gezonden, om hen en anderen door Christus, leer en wonderen van de waarheid van Diens toekomst te verzekeren, gelijk ook heeft plaats gehad.

De Heere Christus heeft niet alleen toen, maar ook later bij herhaling een goede getuigenis gegeven van zijn leer, standvastigheid, zijn doop, en gesproken van zijn klederen, eten en drinken, in ťťn woord, dat hij in alles was de ware, geestelijke Elia, een brandende kaars, de grootste Profeet onder hen, die van vrouwen geboren waren. Dat hij geen tekenen deed, was misschien wel daarom, opdat men niet menen zou, dat hij de Christus was.

Maar de goddeloze en ontuchtige Herodias, nog niet tevreden, dat Johannes gevangen zat, legde hem lagen, om hem zo mogelijk te laten doden, doch dit gelukte haar niet, want Herodes vreesde Johannes. Doch op de verjaardag van Herodes gaf deze aan zijn hovelingen een luisterrijken maaltijd, waarbij het dochtertje van Herodias, ten genoegen van al deze lichtzinnige lieden, zeer mooi danste. Herodes beschonken zijnde, vond daarin zulk een beha gen, dat hij het met ede bezwoer, haar alles te zullen geven, wat zij begeerde. Nu had Herodias gelegenheid zich op Johannes te wreken, en raadde haar dochter aan, van Herodes te vragen, dat haar terstond het hoofd van Johannes de Doper in een schotel zou gebracht worden. Herodes, dit horende, was zeer bedroefd; maar om zijn lichtvaardig gezworen eed te houden, en om (zogenaamd) zijn woord niet te breken tegenover zijn hovelingen, stond hij haar verzoek toe; liever zijn zondigen eed houdende, dan die te breken, waarmee hij echter zich zo niet zou bezondigd hebben. De scherprechter werd nu naar de gevangenis gezonden, en deze beeft Johannes zonder enig rechterlijk vonnis onthoofd, terwijl het hoofd van deze Profeet, tot een bewijs van hun wreedheid, ten spot en schouwspel van deze goddeloze lieden, ja tot een getuigenis van de barbaarsheid van hen allen in een schotel gebracht werd. Alzo hebben zij hem, onder toelating van de Voorzienigheid Gods vervolgd, gelijk zij begeerden.

De wrede Herodias wenste wel, dat Johannesí lichaam onbegraven op het veld weggeworpen en door de dieren verslonden zou worden, opdat men te minder aan hem als ook aan haar overspel zou denken, doch zijn leerlingen hebben zijn lichaam weggenomen en begraven.

Dit geschiedde omtrent het jaar 32 na de geboorte van Christus, en zijn lijk is te Sebaste in Palestina bewaard gebleven tot de tijd van Julianus. Toen is zijn gebeente door de vijanden der waarheid verbrand en de as in de wind verstrooid. Maar de Heere heeft de dood van deze man in Herodes, Herodias en haar dochter (zoals de geschiedenis getuigt) zeer zwaar gestraft.

 

Stefanus, de diaken, gestenigd

 

[JAAR 34.]

 

Stefanus, wiens naam vertaald wil zeggen "kroon" was, naar de mening van DoretheŁs, een van de zeventig leerlingen van Christus, hoewel Eusebius zegt, dat men niet juist beschreven vindt, vanwaar hij was, en of hij een Jood was of een Griek (gelijk het laatste uit zijn naam schijnt te volgen) is niet met zekerheid bekend. Zo weet men ook niet, waar hij is geboren en wie zijn ouders zijn geweest. Lukas verhaalt, Hand. 6 vs. 5, dat hij de eerste was van de zeven diakenen, een man vol des geloofs en des Heilige Geestes; en nadat hij door de Apostelen met oplegging der handen in zijn dienst was bevestigd, is hij ook begaafd geweest met krachten en wonderdaden, en deed grote tekenen onder het volk.

Hij was zeer geleerd en welsprekend. Misschien behoorde hij vroeger tot de sekte der Libertijnen, die met anderen met hem twistten; maar zij konden de wijsheid en de Geest, door welke hij sprak, niet weerstaan, zodat zij, volgens hun oude aard, met vele valse getuigen teen hem opstonden onder het volk oproer verwekten en hem beschuldigden, dat hij lasterlijke woorden had gesproken tegen de wet en de tempel, en dat hij betuigd had, dat Jezus van Nazareth die plaats zou verbreken, en de zeden veranderen,die Mozes hun had overgeleverd. Om dit alles werd Hij gevangen genomen, en, in de raad gebracht, terwijl zij zagen dat zijn aangezicht blonk als van een Engel. Hoe hij zich heeft verontschuldigd, Christus' eer gehandhaafd en de waarheid verdedigd, blijkt uit de welsprekende en belangrijke redevoering, die hij gehouden heeft voor de gehelen Joodse raad te Jeruzalem, gelijk wij zien Hand. 7, waarin hij het gehele Oude Testament, de wet en de Profeten doorliep, en eindelijk alles toepaste op Jezus Christus, Die het einde der wet is lot rechtvaardigmaking voor een iegelijk, die gelooft, hen bestraffende, dat zij de Profeten hadden gedood, die tevoren verkondigd hadden de komst des Rechtvaardigen van Wie zij nu verraders en moordenaars geworden waren.

Toen zij dit hoorden, barstten hun harten en knarsten zij de tanden tegen hem; maar hij, vol zijnde des Heilige Geestes, en de ogen houdende naar de hemel, zag de heerlijkheid Gods en Jezus staande ter rechterhand Gods, Die hem van de zaligheid verzekerde en versterkte in zijn lijden, terwijl Stefanus zei: "Ziet, ik, zie de hemelen geopend, en de Zoon des mensen, staande ter rechterhand Gods." Maar zij, roepende met grote stem, stopten hun oren, vielen eendrachtig op hem aan, wierpen hem de stad uit en stenigden hem. Maar de stenen waren hem als beken der zoetigheid. Met een grote stem riep hij: Heere, "reken hun deze zonde niet toe;" en, terwijl hij op de knieŽn neerviel, zei hij: ",Heere Jezus, ontvang mijn geest."

Alzo is Stefanus ontslapen in de Heere in het jaar 34 na de geboorte van Christus, zijnde het negentiende jaar van de regering van Tiberius, in het zevende jaar na de doop van Christus, hetwelk het acht en dertigste jaars zijns ouderdoms was. Enige godvruchtige mannen begroeven hem, en hieven over hem een grote rouwklacht aan.

 

Jakobus, de zoon van ZebedeŁs, onthoofd

 

[JAAR 45.]

 

Jakobus, de zoon van ZebedeŁs en Salome, genaamd de grote, ter onderscheiding van Jakobus, de zoon van Alfeus, niet omdat hij ouder of voornamer was dan de andere, maar omdat hij voor hem was geroepen tot een discipel van Christus. Hij was een visser, die, gehoorzaam aan Christus, alles verliet en Christus is nagevolgd. Met anderen werd hij geruime tijd in het Apostelambt onderwezen, totdat hij ordelijk daartoe werd uitgezonden onder de Joden, toegerust met gaven om tekenen en wonderen te doen; en wegens zijn uitnemende gaven werd hij een van de drie Boanerges, dat is, zonen des donders, genaamd. Bij alle niet openbare handelingen van Christus was hij tegenwoordig, zoals bij het opwekken van het dochtertje van JaÔrus, alsook bij de verheerlijking van Christus op de berg, en in de hof van Gethsemanť.

Daar hij zich hierop schijnt verhovaardigd te hebben, heeft hij zich boven zijn medeapostelen zoeken te verhellen, zodat zijn moeder aan Christus verzocht, of haar beide zonen, van wie hij er een was, in zijn koninkrijk zouden zitten, de een aan zijn rechter, en de andere aan zijn linkerhand. Christus heeft echter dit verzoek bestraft, toen Hij zei: "Gijlieden weet niet, wat gij begeert; kunt gij de drinkbeker drinken, die Ik drinken zal, en met de doop gedoopt worden, waarmee Ik gedoopt wordt? En als hij en zijn broeder Johannes zich daarop lichtvaardig hadden beroemd, heeft Christus hun voorzegd, dat zij Zijn drinkbeker wel zouden drinken, en met de doop, waarmee Hij gedoopt werd, gedoopt zouden worden, maar dat het zitten aan Zijn rechter- aan Zijn linkerhand bij Hem niet stond te geven, maar dat het zal gegeven worden, aan wie het bereid is van Zijn Vader. Na Christus' dood heeft hij zich bij de andere Apostelen gevoegd, om ook getuige te zijn van Zijn lijden, dood en opstanding, en om in de veertig dagen na Zijn opstanding, onderwezen te worden in de dingen van Zijn koninkrijk. Na de hemelvaart van Christus bleef hij te Jeruzalem, en, toen hij ook daar de Heilige Geest ontvangen had, predikte hij het Evangelie in Judea en Samaria. Vandaar is hij (zoals sommigen verhalen) naar Spanje gegaan; maar, daar weinig vrucht op zijn werk ondervindende, is hij naar het Joodse land teruggekeerd, waar hij, naar men zegt, te doen had met Hermogenes, een tovenaar, en vele wonderen gedaan heeft. Abdias, bisschop van BabyloniŽ, en anderen verhalen vele dingen van hem, die wij echter, omdat zij zeer fabelachtig zijn, verzwijgen.

Deze Apostel heeft niet langer geleefd dan tot omtrent het vierde jaar der regering van Claudius, toen Agabus een hongersnood over de gehele wereld had voorzegd. Toen heeft deze keizer aan Herodes Agrippa bevolen de kerk van Christus te verdrukken. Om het volk te behagen, sloeg deze koning zijn bloedige handen aan deze Apostel, heeft hem even voor het Paasfeest in de gevangenis gezet en daarna ter dood veroordeeld, zodat hij te Jeruzalem met het zwaard gedood is in het jaar 45 na Christus' geboorte. Clemens verhaalt, dat de scherprechter toen deze zijn onschuld zag, tot het christendom bekeerd en ook met hem gestorven is.

 

Jakobus, de zoon van AlfeŁs, doodgeslagen

 

[JAAR 63.]

 

Jakobus, de zoon AlfeŁs en van Maria de zuster van Christus' moeder, werd de Kleine genoemd, ter onderscheiding van Jakobus, de zoon van ZebedeŁs en broeder van Johannes. Hij werd de broeder des Heeren genoemd, dat is, zijn neef, naar Hebreeuwse wijze, en had nog andere broeders, als Judas, ThaddeŁs, Simon en Joses.

Deze Jakobus is door Christus, na behoorlijk onderwijs, tot Apostel aangesteld, toegerust met gaven, en uitgezonden ten dienste der Joden, waarvan hij zich tot Christus' dood zeer goed gekweten heeft. Daarom is hij ook met anderen uitgezonden om het Evangelie te verkondigen, hetwelk hij gedaan heeft onder de Joden tot de dood van Stefanus. En, ofschoon Petrus, Jakobus en Johannes, zijn broeder, de bijzondere Apostelen waren, zo is deze na de dood van Jakobus voor een van de drie pilaren der kerk gehouden geworden.

De Apostelen hebben hem verkozen tot een eerste opziener der moeder van alle kerken, namelijk Jeruzalem, van welke het woord des Heeren zou uitgaan, en wel terstond na de dood van Christus.

Gedurende dertig jaren heeft hij deze dienst getrouw waargenomen, en bracht er velen tot het waarachtig geloof, niet alleen door de zuivere leer van Christus (door deze inzonderheid), maar ook door zijn heilig leven, waarom hij de Rechtvaardige is genoemd. Hij was zeer verstandig en heilig, ook in kleding, spijs, en drank, een rechte NazireeŽr, en bad dagelijks voor Gods kerk en de algemene welvaart.

Deze Apostel heeft een zendbrief geschreven tot vertroosting van de twaalf stammen, die in de verstrooiing waren, in al hun lijden en tegenspoed, waarin hij voornamelijk het rechtvaardigmakende, in daden zich openbarende geloof en andere heilzame en christelijke leringen behandelt. Maar, daar de hardnekkige Joden zijn heilzame leer niet langer konden verdragen, heeft Ananias, de hogepriester, een stout en wreed jonge man, hem voor de rechters gedaagd om hem te dwingen, dat hij zou loochenen, dat Jezus de Christus is, en het geloof te verzaken in de Zoon van God en in de kracht Zijner opstanding. Om die reden stelden hem de Schriftgeleerden en FarizeeŽn op het dak van de tempel, ten tijde van het Paasfeest, om voor het gehele volk zijn geloof af te zwelen; maar, toen hij daar voor het volk stond, beleed hij met de grotere vrijmoedigheid, dat Jezus is de Christus. de beloofde Messias, de Zoon van God, onze Zaligmaker, en dat Hij als Zoon des mensen gezeten is aan de rechterhand Gods, vanwaar Hij zal komen op de wolken van de hemel, om te oordelen de levenden en de doden. Over deze vrijmoedige belijdenis van Jakobus prees het gehele volk God, roepende: Hosanna, de Zoon Davids!" Maar de harten van de Overpriesters, Schriftgeleerden en FarizeeŽn barstten van nijd, en enige van hen klommen op het dak, en stieten hem van boven neer en stenigden hem. Die val deed hem echter niet dadelijk sterven, doch wel de een breken; en, op de knieŽn liggende, bad hij nog voor hen, die hem stenigden, zeggende: Heere, vergeef het hun, want zij weten niet, wat zij doen." En, toen een van de priesters nog voor zijn leven wilde bidden, zeggende: Wat doet gijlieden toch! houd op met stenigen, want deze rechtvaardige bidt voor ons," heeft een dergenen, die daar tegenwoordig waren, hem met een volderstok een slag aan de slaap van het hoofd gegeven, zodat hij stierf, en hij werd in de nabijheid van de tempel begraven. Dit geschiedde in het jaar 63 onzes Heeren, in het 96ste jaar zijns ouderdoms, in het zevende jaar der regering van Nero, toen het stadhouderschap onbezet was, tussen de dood van Festus, en de komst van zijn opvolger Albinus.

 

Barnabas te Salamis verbrand

 

[JAAR 63 OF 64.]

 

Barnabas of Barsabas, een man vol des Heilige Geestes, die genaamd was Jozef of Joses, met de bijnaam Justus was een Leviet van Cyprus, die de Apostelen genoemd hebben Barnabas, dat is een zoon der vertroosting, zoals hij dat in zijn leven aan de armen heeft bewezen. Hij wordt ook gehouden voor een van de zeventig discipelen van Christus. Wegens de vele namen, die hij draagt, kennen wij zijn vermaardheid en aanzien, die hij ook in alles heeft betoond, want hij heeft Paulus na zijn bekering bij de Apostelen ingeleid. En, als het woord Gods te AntiochiŽ door enige Cyprische en Cyrenische mannen aan de Grieken werd gepredikt, is hij door de Apostelen daarheen gezonden, om deze zaak te onderzoeken; en, toen hij alles naar waarheid bevond heeft hij hen, als een Apostel, in de Christelijke waarheid bevestigd en versterkt.

Daarna ging hij naar Tarsen, om Paulus te zoeken, en bracht hem te AntiochiŽ, waar zij een geheel jaar bleven en het volk leerden. Toen de hongersnood uitbrak ten tijde van keizer Claudius, heeft hij en Paulus een goede handreiking overgebracht aan de broeders, die in Judea woonden. Vandaar keerde hij weer naar AntiochiŽ, waar hij door het bevel van de Heilige Geest werd uitgezonden, om in vele landen het Evangelie te prediken, waar hij, om zijn welsprekendheid, dikwijls het woord heeft gevoerd. Te AntiochiŽ was een grote twist ontstaan over de noodzakelijkheid van de besnijdenis, en nu reisde hij met Paulus naar Jeruzalem naar de Apostelen en Ouderlingen, die daar over deze zaak elkaar geraadpleegd, en samen een besluit genomen hebben. Vervolgens hebben zij dit besluit, in gezelschap van Judas en Silas, overgebracht naar AntiochiŽ, waardoor er een einde aan deze twist kwam. Daarna hielden zij zich enige tijd te AntiochiŽ op, en, toen zij weer op reis zouden gaan, om de gemeenten onder de heidenen nog eens te bezoeken en in het geloof te versterken, ontstond er twist onder hen beiden, en wel om Johannes Marcus, die hen vroeger op reis naar de heidenen had vergezeld, maar te PamphyliŽ was teruggekeerd, en zich aan het werk onder de heidenen had onttrokken, waarom Paulus het niet goed achtte Johannes Marcus weer mee te nemen. Hierdoor ontstond er een verbittering tussen de twee getrouwe dienaren van Christus, zodat zij van elkaar scheidden. Paulus nam Silas met zich en doorreisde met hem SyriŽ en CiliciŽ de gemeenten versterkende. Nu nam Barnabas Johannes Marcus mee, voer met hem naar Cyprus, en volbracht het werk, dat hem was opgelegd, gelijk HiŽronymus met lof van hem heeft getuigd.

Toen hij later op het eiland Cyprus terugkwam, moest hij daar de martelaarskroon dragen, want te Salamis, een grote stad op Cyprus, die thans Famagusta heet, gekomen zijnde, om de gemeente daar in het geloof te versterken, werd hij door een Joodse tovenaar zeer kwalijk bejegend. Deze ruide de Joden en het gehele volk tegen hem op, zodat zij hem in een oproer gevangen namen, en tot de rechter wilden brengen; maar, uit vrees, dat de rechter zijn onschuld zou bemerken, en hem loslaten, hebben zij hem (na hem eerst schandelijk mishandeld te hebben) een touw om de bals gedaan, buiten de stad gesleept en daar verbrand. Alzo is deze trouwe dienaar van Christus in zijn vaderland met de martelaarskroon vereerd en zalig in de Heere ontslapen, en wel korte tijd nadat Jakobus de Rechtvaardige te Jeruzalem was gedood, niet lang voor de dood van Petrus en Paulus, ten tijde van keizer Nero, doch voor de afkondiging en het bevel van de eerste heidense vervolging plaats had.

 

Marcus, de Evangelist, buiten AlexandriŽ gesleept om verbrand te worden, en onderweg gestorven

 

[JAAR 64].

 

De Evangelist Marcus wordt algemeen gehouden voor Johannes, bijgenaamd Marcus, een man uit de besnijdenis en neef van Barnabas, wiens moeder Maria heette, en een zeer godzalige vrouw was, die haar woning te Jeruzalem leende tot de samenkomsten der Christenen. Hij was eerst verkozen tot een dienaar van Paulus en Barnabas; maar op de reis naar PamphyliŽ keerde hij weer naar Jeruzalem terug. Om hem (zoals wij in het leven van Barnabas verhaald hebben) ontstond er een verbittering tussen Paulus en Barnabas, zodat zij van elkaar scheidden, en Paulus Silas meenam op reis en Barnabas deze Marcus. Maar, toen deze twist geŽindigd, en de zaak bijgelegd was, beval Paulus uit zijn gevangenis deze Marcus der gemeente van Colosse aan, en verzocht, dat zij hem ontvangen zouden als een medearbeider in het koninkrijk Gods; en gebood ook TimotheŁs, dat hij Marcus zou meenemen en bij hem brengen, omdat hij hem zeer nuttig was tot de dienst. Hij heeft ook bij Paulus in de gevangenis vertoefd, en hem grote en getrouwe hulp en bijstand in zijn gevangenschap bewezen. Petrus noemt Marcus ook zijn zoon, zonder twijfel, omdat hij hem voor, Christus had gewonnen, of omdat hij zijn leerling, tolk en schrijver was; want het Evangelie heeft hij, op verzoek van de gelovige broeders te Rome geschreven, na de dood van Simon de tovenaar, op last en bevel van Petrus, volgens de mededelingen, die hij aangaande Christus uit Petrus' mond had ontvangen, zoals ook HiŽronymus getuigt, als hij zegt: Marcus, een leerling van Petrus, daartoe van de broeders te Rome verzocht zijnde, naar hetgeen hij Petrus had horen verhalen, heeft een kort Evangelie geschreven, hetwelk Petrus na het gezien te hebben, heeft goedgekeurd en aan de gemeente op zijn woord gelezen, gegeven.

Daarna is Markus door Petrus naar Egypte gezonden, en, terwijl hij zijn reis nam over Aquila de hoofdstad van Friol, heeft hij daar velen tot het geloof gebracht en Hermagoras tot een herder over die gemeente achter gelaten. Vervolgens reisde hij naar Afrika, en heeft in LybiŽ, Marmorika, Ammonika, Pentapolis allerwegen het Evangelie verkondigd, en vertoefde enige jaren te AlexandriŽ, dat hij tot zijn woonplaats genomen heeft.

Aangaande zijn dood schrijft HiŽronymus alleen, dat hij te AlexandriŽ gestorven en begraven is, in het achtste jaar van de regering van Nero, het vier en zestigste na de geboorte van onze Zaligmaker, en dat Anianus daarin zijn plaats opziener geworden is. Gelasius beweert, dat hij als martelaar is gestorven. "Marcus", zegt hij, "door Petrus naar Egypte gezonden zijnde, heeft het woord der waarheid daar trouw gepredikt, en zijn getuigenis met zijn bloed heerlijk bezegeld." Met dit bericht stemmen ook alle oude en nieuwe Griekse en Latijnse martelaars boeken overeen.

De geschiedenis meldt verder, dat, toen Marcus in het achtste jaar der regering van Nero op het Paasfeest gedachtenis vierde van het bitter lijden en sterven van Christus, de heidense priesters met al het volk hem overvallen, en met baken en touwen, die zij om zijn lichaam hadden geslagen, uit de vergaderplaats getrokken, en langs de straten tot buiten de stad gesleept hebben, zodat het merendeel van zijn vlees aan de scherpe stenen is blijven hangen, en zijn bloed op de grond werd vergoten, totdat hij, onder het uitspreken van de laatste woorden van onze Zaligmaker, zijn geest in de handen van de Heere overgaf, uitroepende: ďHeere, in uw handen beveel ik mijn Geest!"

 

De tien bloedige vervolgingen van de Christenen onder de Heidense keizers van Rome

 

De eerste vervolging van de christenen onder keizer Nero

 

Volgens de getuigenis van keizer Trajanus, heeft Nero te Rome zo loffelijk geregeerd, als ooit enige keizer tevoren. In de aanvang van zijn regering was hij zachtmoedig, en zo afkerig van mensenbloed, zelfs op wettige wijze, te vergieten, dat hij wenste niet te kunnen schrijven, als hem verzocht werd het doodsvonnis te ondertekenen van enige oproermakers. Na vijf jaren aldus geregeerd te hebben, is hij daarna als aan de duivel overgegeven en verkocht, om alle boosheid en schandelijkheid gierig te bedrijven, zo zelfs dat het scheen, alsof de duivel lichamelijk in hem woonde, want deze zijn meester leerde hem in de eerste plaats zijn toverkunst door Simon de tovenaar, de eerstgeboren zoon des duivels, die voor de raad te Rome, om Nero de keizer te behagen, een beeld heeft opgericht met het opschrift: Aan Simon de heiligen God. Zijn duivels leermeester, die een leugenaar en mensenmoorder van de beginne is geweest, heeft hem tot alle gruwelijke lusten aangezet, zodat hij wenste een wereldbrand en een afbeelding van de brand van Troje, benevens de plaats, waar hij in het lichaam van zijn moeder gelegen had, te zien. Om van zijn onkuisheid te zwijgen, heeft hij zijn moordlust het eerst aan zijn broeder Britannicus geopenbaard, die hij heeft laten vergeven. Het lichaam van zijn eigen moeder Agrippina, die hem, door het toedienen van vergif aan haar man Claudius, het keizerrijk bezorgde, heeft hij later opengesneden. Octavia, zijn wettige huisvrouw, heeft hij met het zwaard laten ombrengen, omdat zij geen kinderen ter wereld bracht; en Poppea, zijn bijzit, tot vrouw genomen hebbende, heeft hij, terwijl zij in vergevorderde staat van zwangerschap verkeerde, dood geschopt. Seneca, zijn getrouwe leermeester, heeft hij een ader doen openen en alzo laten doodbloeden.

Hij al deze boosheden was hij de eerste, die de algemene en openbare bevelen tegen de Christenen door de gehele wereld heeft laten afkondigen, met het doel om die in alle landen door het vuur, het zwaard en op andere wijze te vervolgen, hetgeen Tertullianus de raad van Rome openlijk verweet, zeggende: "Leest uw eigen geschiedenis, waar gij vinden zult, dat Nero de eerste is geweest, die tegen deze sekte (te weten der Christenen), die toen te Rome het talrijkst was, gewoed heeft. Maar wij beroemen ons ook tegelijk op een zodanigen eerste bewerker van onze veroordeling, want die hem kent weet, dat het een grote zaak is door hem veroordeeld te zijn." Op een andere plaats zegt dezelfde Tertullianus: "Nero is de eerste geweest, die het toenemend christendom te Rome met bloed heeft gemengd.Ē De inhoud van het bevel luidde aldus: ďZo wie bekent, dat hij een Christen is, zal als een verklaard vijand van het menselijk geslacht, zonder zich nader te mogen verdedigen, met de dood gestraft worden."

De reden, waarom Nero de Christenen zo wreed heeft vervolgd, was niet gelegen in de schuld of misdaden der Christenen zelf, maar vond zijn aanleiding in een groten brand, die enige dagen achtereen heeft gewoed, waardoor het grootste gedeelte van die schone stad is vernield. Toen namelijk Nero zag, dat de Romeinen hierover zeer verbolgen waren, verspreidde hij het gerucht, dat de Christenen dit hadden gedaan, hoewel hij zelf de brand gesticht, en met vreugde van de hoge toren buiten de stad had aanschouwd, daar hij een voorstelling wenste te hebben van de brand te Troje, en het voornemen had een nieuwe stad te bouwen, en die naar zijn naam te laten noemen. Hierop is toen een hevige en wrede vervolging tegen de Christenen uitgebroken, niet alleen te Rome, maar ook in andere streken en landen, die voortduurde tot zijn dood.

Wie de eerste martelaars in deze vervolging geweest zijn, werd in de geschiedboeken of andere geschriften niet gemeld, doch wij stellen ons tevreden, dat hun namen geschreven zijn in het boek des levens. Daarom echter is hun roem in Christus niet kleiner, daar de heidenen zelf gedrongen werden een goede getuigenis van hen af te leggen, en openlijk hebben bekend, dat het niet wegens de brand was, maar alleen uit haat dat de Christenen zo wreed vervolgd zijn. Van deze valse beschuldiging door Nero aangaande de Christenen, zet Tacitus: ďNero, om de beschuldiging van brandstichting van zich te werpen, heeft hen, die het volk Christenen noemt, daarvan aangeklaagd en met vreselijke straffen gemarteld. Deze naam is afkomstig van Christus, die in de tijd van Tiberiusí regering, door de landvoogd Pontius Pilatus, in het openbaar is gedood. Die nu beleden, dat zij Christenen waren, en later zijn van deze een grote groep ontdekt, zijn eerst gevangen genomen, en vervolgens veroordeeld, niet zozeer wegens de brand, als uit haat, die het menselijke geslacht hun toedroeg. Het ombrengen ging gepaard met veelvoudige bespotting. Men wikkelde hen in huiden van wilde dieren, liet hen door honden verscheuren, of aan kruisen nagelen, of op brandstapels verteren, zo zelfs, dat zij ís nachts als brandende lichten de toeschouwers moesten dienen." Tacitus erkent dan voldoende, dat Christenen aan brand geen schuld hadden, doch dat zij onder beschuldiging daarvan, hebben moeten lijden.

Nu zullen wij vervolgen met de mededeling van de voorbeelden van de Apostelen en anderen, die onder de wrede bloedhond voor de goddelijke waarheid hun bloed hebben gestort.

 

Simon Petrus gekruisigd te Rome, onder keizer Nero

 

Simon, de zoon van Jona en broeder van Andreas, geboren te Bethsaida in Galilea, was een visser van beroep, die zijn huis en woonplaats had te KapernaŁm bij de moeder van zijn vrouw. Door zijn broeder Andreas, die een leerling van Johannes de Doper was, werd hij het eerst tot Christus gebracht, en spoedig daarna met zijn broeder van de zee geroepen, om een visser der mensen te worden. Toen Christus hem uitzond tot de verloren schapen van het huis IsraŽls, gaf Hij hem de naam van Cefas of Petrus. Van Christus genoot hij een uitnemend onderwijs en is in Diens school derwijze toegenomen., dat hij als het ware de mond of woordvoerder van al de Apostelen is geworden. Voornamelijk was hij de vrijmoedigste in het vragen en antwoorden, als ook de meest ijverende voor Christus, om Hem zijn liefde en trouw te bewijzen, hoewel hij zijn ijver dikwerf zeer onnadenkend en zonder kennis betoonde, zoals hij ook daarover dikwijls door zijn Meester is bestraft geworden; nochtans beminde Christus hem niet minder dan de anderen, en was hij bij Hem in grote achting en aanzien. Hij was een van de drie Boanerges, dat is, zonen des donders, en met Jacobus en Johannes getuige van Christusí verheerlijking op de berg. In de volgorde der namen komt hij in de eerste plaats voor, niet om het hoofd te zijn of heerschappij te hebben boven de anderen, want dit heeft Christus hun allen met duidelijke woorden en Zijn voorbeeld verboden, maar om hem te eren als de aanzienlijkste onder hen. Hij werd gebonden voor een pilaar der kerk, doch hij niet alleen, want de anderen waren het ook. Hem waren de sleutels van het koninkrijk beloofd, maar, toen die werden gegeven, ontving hij geen meerder gezag dan de anderen. Christus beval hem wel Zijn schapen te hoeden, maar hem niet alleen, want de anderen werd dit ook opgedragen. Hij heeft ook nooit enige heerschappij over de anderen gevoerd, maar zich graag aan het oordeel van anderen onderworpen; ja hij heeft zich door de Apostelen laten uitzenden en geleiden, zelfs bestraffen, wanneer hij niet goed handelde.

Hoewel hij de stoutste was in zich te beroemen met Christus te willen lijden, en de zwakste toen de strijd begon, nochtans heeft hij daarna met grote vrijmoedigheid het woord gevoerd tot de menigte. Door de kracht van de Heilige Geest was hij zodanig versterkt, dat hij voor niemand, hoe groot ook en machtig naar de wereld, heeft gevreesd; en bijzonder vrijmoedig betoonde hij zich in het bestraffen van zondaren. Rijke vruchten heeft zijn werk gedragen, zo zelfs, dat hij wel eens enige duizenden mensen tegelijk tot het geloof heeft gebracht. Zijn leer heeft hij ook met tekenen, zoals Christus beloofd had, bekrachtigd, als aan de kreupele, Ananias en Saffira, Eneas, Tabitha en anderen. De wil des Heeren tot de roeping der heidenen werd hem van de hemel geopenbaard. En, daar hij eigenlijk een Apostel was der Joden, heeft zijn arbeid zich krachtig onder de besnijdenis betoond.

Wel heeft de Heere Christus aan Petrus diens dood voorzegd, maar hij heeft eerst veel om Christus' wil geleden. Te Jeruzalem, waar hij van de waarheid van Christus op krachtige wijze getuigenis aflegde, is hij met Johannes gevangen genomen en voor de Joodse raad gebracht, die hen scherp heeft bedreigd, dat zij niet meer in de naam van Jezus zouden spreken of leren.

Daaraan hebben zij echter geen gehoor gegeven, maar antwoordden hun: "Oordeelt gij, of het recht is voor God, ulieden meer te horen dan God?Ē

Terwijl Petrus weer gevangen genomen was met de andere Apostelen, zijn zij Ďs nachts op wonderdadige wijze door de Engel, die de gevangenis opende, eruit geleid.

Daarna zijn zij andermaal gevangen genomen, en door de Joodse raad gegeseld, en met het bevel, dat zij niet meer zouden spreken in de naam van Jezus, heeft men hen laten gaan, terwijl zij verblijd waren, dat zij waren waardig geweest, om Zijns naams wil smaadheid te lijden.

Daarna liet Herodes Petrus te Jeruzalem in de gevangenis zetten, met het voornemen om hem na het Paasfeest te doden, zoals hij Jakobus, de broeder van Johannes, om het volk te behagen, had gedaan, doch God heeft hem Ďs nachts van zijn ketenen en uit de sterk gebouwde gevangenis verlost.

Petrus is ook te AntiochiŽ geweest, en heeft daar de gemeente Gods gesticht. Toen hij daarna in het Joodse land was teruggekeerd, heeft hij een grote strijd gehad met Simon de tovenaar. Ook heeft hij Babylon bezocht, en wel Babylon in AssyriŽ, welke stad vroeger de zetel des rijks was. Want, aangezien Petrus een Jood was en een Apostel der Joden, zo bezocht hij op zijn reizen zijn volk van welke velen, na de Babylonische ballingschap, in die Oosterse landen woonachtig waren, en heeft van daar ook geschreven aan de Joden, die verstrooid waren in Pontus, GalatiŽ, CappadociŽ, AziŽ en BithyniŽ.

Wel hebben enige leraars uit de Roomse kerk, onder wie ook is de JezuÔet Bellarminus, beweerd, dat door dit Babylon, van waar Petrus zijn eerste zendbrief geschreven heeft, Rome zou moeten verstaan worden, omdat in de Openbaring van Johannes dikwijls Rome Babylon wordt genaamd, opdat zij Petrus alzo tot bisschop van Rome zouden kunnen maken. Men moet echter niet vergeten, dat hij Petrus niet het minste wordt gevonden, waaruit kan blijken, dat hij van Rome spreekt; want hij maakt alleen melding van Babylon, zonder enige bijvoeging, waarom het duidelijk is, dat hij van het eigenlijke Babylon spreekt, en er geen andere stad mee bedoelt. Ten anderen, wanneer Petrus uit Rome zijn zendbrief had geschreven, waarom zou hij dan Rome niet hebben genoemd? Paulus heeft verscheidene zend brieven uit Rome geschreven, en toch noemt hij Rome geen Babylon. Vervolgens, indien Petrus gewild had, dat zij, aan wie hij schreef, weten zouden, waar hij was, zo had hij liever de eigen dan een anderen naam moeten schrijven. En dat hij dit ook heeft willen doen, blijkt daaruit, dat hij uit Babylon de groetenis doet. Eindelijk, wanneer Petrus deze brief uit Rome had geschreven aan de gemeenten in AziŽ, dat zou het niet waarschijnlijk zijn, dat hij de gemeenten in Griekenland, IllyriŽ en ThraciŽ, die daar tussen lagen, zou hebben vergeten.

Maar, zo wij het van het eigenlijke Babylon verstaan, dan is er overeenstemming. Want niets is meer gepast dan dat de Apostel, terwijl hij zich te Babylon ophield, zorg droeg voor de gemeenten in AziŽ, die dichter bij Babylon lagen dan de gemeenten in Europa, die zover vandaar verwijderd waren.

De bewering van de Roomse kerk, dat Petrus te Rome bisschop zou geweest zijn, kan uit de Heilige Schrift niet bewezen worden, aangezien Petrus daarvan in zijn zendbrieven geen melding maakt, evenmin Paulus, noch Lukas, die de Handelingen der Apostelen en hun reizen met vlijt heeft te boek gesteld. Veel minder zou kan er worden bewezen, dat hij daar vijf en twintig jaren zou hebben gewoond en onder Nero gekruisigd zou zijn. In de brief aan de GalatiŽrs, hoofdst. 2, vs. 7, leest men, dat aan Petrus door God was toebetrouwd het Evangelie der besnijdenis en aan Paulus dat der voorhuid; dat is, dat hij het Evangelie zou verkondigen aan de Joden en Paulus aan de heidenen. Zou dan Petrus jaren lang tegen het bevel van God gehandeld en zich vijf en twintig jaren onder de heidenen gehouden hebben, en het tegendeel hebben gedaan van hetgeen hem bevolen was? Dat zij verre van zulk een heilig Apostel!

Enige van de Roomse kerk zeggen, dat Petrus in het tweede jaar der regering van keizer Claudius te Rome kwam, anderen in het derde en wederom anderen in het vierde, ofschoon in Hand. 1,5 staat, dat Petrus de kerkvergadering te Jeruzalem bijgewoond heeft, die gehouden werd in het zesde jaar van Claudius' regering, en het achttiende jaar na Christus' hemelvaart, gelijk te zien is in het eerste en tweede hoofdstuk van de brief aan de GalatiŽrs zoals ook HiŽronymus die daarover geschreven heeft, mede getuigt.

Opmerkelijk is het, dat Petrus vroeger niet te Rome geweest was, want in de Handelingen der Apostelen worden vele schone leringen en wenken verhaald, die Petrus intussen gegeven heeft, en, ware nu ook Petrus in die tijd te Rome geweest, dan zou Lukas dat ook niet met stilzwijgen zijn voorbijgegaan. De pausgezinden, en onder hen Bellarminus, zeggen dat hij na zijn verblijf te Rome zeven jaren te AntiochiŽ zou vertoefd hebben, maar men moet hem dan ook tijd geven, om het Evangelie te prediken in Pontus, Cappadociť, AziŽ en BithynÔe, zoals daarvan Origenes en Euseblus getuigen. Daartoe heeft hij acht, negen of meer jaren nodig gehad, want de vijf jaren, die zij daarvoor berekenen, zijn niet voldoende om in deze uitgebreide en machtige landen het Evangelie te verkondigen. Als men nu, zoals het behoort, deze jaren samen telt, zal men bevinden, dat Petrus langer heeft geleefd dan Nero, en hoe heeft dan Nero Petrus te Rome kunnen laten kruisigen.

Daarenboven, toen Paulus te Rome kwam, zijn hem zoals Lukas schrijft, Hand. vs. 15, de Christenen tegemoet gekomen. Indien Petrus toen ook te Rome was geweest, dan zou deze hem, zonder twijfel, ook zijn tegemoet gekomen, en Lukas zou dit niet verzwegen hebben.

Aan het slot van de brief, die Paulus aan de Romeinen schreef, liet hij vele Christenen groeten, die in naam, bediening en allerlei deugden minder geschat kunnen worden dan Petrus, en hem noemt hij niet. Zeer onbetamelijk zou het geweest zijn, indien hij zoín voornaam persoon zou hebben verzwegen, indien deze toen te Rome was geweest. Dat hij voor die tijd te Rome is geweest, blijkt evenmin, daar Paulus, die hun geloof zo roemt, zulk een Apostel, wanneer hij daar de grond van het geloof had gelegd, niet zou hebben verzwegen, want hij is gewoon hun vooral te gedenken, door wie de gemeenten het eerst werden gesticht, zoals uit zijn brieven aan de Filippenzen, CorinthiŽrs, Colossensen en anderen blijkt. Duidelijk is het dus, dat het niet mogelijk is, dat Petrus vijf en twintig jaren te Rome als bisschop zou hebben verkeerd.

En, hoewel Eusebius, op gezag van Origenes verhaalt, dat Petrus, nadat hij de Joden, die in Pontus, GatatiŽ, BithyniŽ, CappadociŽ en Aziť verstrooid waren, het woord Gods had gepredikt, eindelijk ook te Rome is gekomen, en daar door Nero tot de kruisdood veroordeeld, en met het hoofd naar beneden is gekruisigd, omdat hij alzo begeerde te lijden, aangezien hij zichzelf niet waardig achtte zo aan het kruis te hangen als de Zoon van God zijn Zaligmaker geleden had; zo besluit nochtans HiŽronymus en Lyra, en niet ongevoegelijk, uit de woorden van Christus, Matt. 23, vs. 31, dat hij niet te Rome maar te Jeruzalem is gekruisigd. Doch hierover laten wij de verstandige lezer zelf oordelen, en hem kiezen, wat hij het beste keurt; want, naar onze mening, is het voor de pausgezinden van even weinig belang, dat hij te Rome, als voor ons, dat hij te Jeruzalem is gedood.

 

Paulus van Tarsen te Rome onthoofd onder keizer Nero

 

[JAAR 63.]

 

Paulus, die ook Saulus genaamd werd, was van afkomst een HebreeŽr uit de HebreeŽn, uit het geslacht van IsraŽl, van de stam van Benjamin. Wie zijn ouders geweest zijn, blijkt niet. Toen de Romeinen hun woonplaats hadden verwoest, begaven zij zich naar de vermaarde stad Tarsen in CiliciŽ, waar Paulus is geboren. Hij was naarstig onderwezen in de vaderlijke wet door de wijzen GamaliŽl, in de kennis waarvan hij heeft uitgemunt boven velen van zijn leeftijd in zijn geslacht. Onberispelijk heeft hij naar de Joodse wet geleefd. Hij was een FarizeeŽr en een vurig vervolger en verdrukker van de gemeente Gods, zo zelfs, dat hij een welbehagen had aan de dood van Stefanus, en de klederen bewaarde dergenen, die hem doodden. Na de dood van die martelaar verwoestte Paulus de gemeenten te Jeruzalem, zelfs tot Damaskus, bij welke stad, blazende nog dreiging en moord tegen de volgelingen des Heeren, hij door Christus uit de hemel snel met een licht is omschenen, ter aarde geworpen en met blindheid geslagen, en alzo krachtig, niet van mensen, noch dooi, mensen, maar door de Heere Zelf geroepen, om een uitverkoren vat te zijn, en Zijn naam te dragen voor de heidenen, en de koningen en de kinderen IsraŽls. Na drie dagen werd hij door Ananias, tot wie hij te Damaskus door de Heere was gezonden, wederom ziende gemaakt, gedoopt, de handen opgelegd en vervuld met de Heilige Geest, terwijl hij terstond Christus predikte in de Synagoge, betuigende, dat Hij de Zoon van God was.

Enige tijd hierna zei de Geest tot de Profeten en Leraars der gemeente te AntiochiŽ: "Zondert mij af, beiden, Barnabas en Saulus, tot het werk, waartoe Ik hen geroepen heb;" en zij werden door de Heilige Geest uitgezonden.

Aan deze Paulus waren allerlei geestelijke gaven geschonken, zoals om de geesten te onderscheiden, de gave der profetie, der tongen, en hij bezat ongewone krachten, gave der onthouding, van uitnemende openbaringen, zo zelfs, dat hij in de derde hemel is opgetrokken geweest, en daar gehoord heeft onuitsprekelijke woorden, die de mens niet geoorloofd zijn te spreken. Maar, opdat hij zich door de uitnemendheid der openbaringen niet zou verheffen, heeft de Heere hem een engel van de satan als een scherpe doorn in het vlees gegeven, die hem met vuisten zou slaan, opdat hij zich niet zou verheffen. Die heeft hem ook menigmaal verhinderd hier of daar heen te reizen, om het Evangelie te prediken, zodat hem, gelijk hij zelf betuigt, de listen des duivels niet onbekend waren.

Daarenboven was hij nog versierd met vele christelijke deugden van getrouwheid en een zeer goed geweten aangaande zijn dienst, had een vaderlijke zorg voor al de gemeenten en een hartelijke liefde tot haar, tot zijn eigen verbanning, ja zelfs tot de dood toe. Hij was mild van hart; en vreemd aan gierigheid, arbeidde hij liever met zijn eigen handen, daar hij van handwerk een tentenmaker was, opdat hij de zwakke gemeenten niet zou bezwaren. Hij toonde zich trouwhartig jegens de arme gemeenten, door die van de aalmoezen der rijken getrouw te verzorgen. Met al deze geestelijke gaven en christelijke deugden was deze Apostel zo nederig, en had zulk een klein gevoel van zichzelf, dat hij, zijn vorigen toestand voor zijn bekering bedenkende, en de Heere dankende voor Zijn genade en barmhartigheid aan hem bewezen, menigmaal bekend heeft, dat hij niet waardig was een Apostel genaamd te worden, hoewel hij in geen ding minder was dan de uitnemendste der Apostelen, ja, door de genade Gods, die met hem was, overvloediger gearbeid had dan zij allen.

Wat hij op zes verschillende reizen, gedurende de tijd van bijna dertig jaren, geleden heeft, toen hij vertoefde in Judea, SyriŽ, AziŽ, MacedoniŽ, Griekenland, ItaliŽ en elders, is duidelijk te lezen in de Schriften des Nieuwe Testaments en andere geschiedboeken. Terstond na zijn bekering en doop predikte hij Christus in de Synagoge binnen Damaskus en,ging vervolgens naar ArabiŽ. Toen hij naar Damaskus terugkeerde, en daar de waarheid moedig beleed en mannelijk verdedigde, hebben de Joden hem lagen gelegd zo zelfs, dat de poorten bewaakt werden en de stadhouder van de koning Aretas hem wilde gevangen nemen. Doch de gemeenteleden lieten hem Ďs nachts in een mand over de muur, en hij ontkwam alzo aan zijn handen en kwam te Jeruzalem bij de Apostelen.

Terwijl hij met vrijmoedigheid sprak in de naam van de Heere Jezus, en zijn woord ook richtte tegen de Griekse Joden, wilden zij hem daarom doden. Toen dit bij de broeders bekend werd, hebben zij hem naai, Cesarea geleid, vanwaar hij zijn tweede reis begon in SyriŽ en CiliciŽ en keerde later naar Jeruzalem terug.

Vandaar deed hij zijn derde reis naar AntiochiŽ en ging op bevel van God naar SeleuciŽ, en Cyprus, en kwam te Paphos, waar hij de stadhouder, Sergius Paulus heeft bekeerd. Vandaar kwam hij te Perge, een stad in PamphyliŽ, en daarna te AntiochiŽ, een stad in PisidiŽ, waar de Joden tegen hem en Barnabas oproer verwekt hebben, zo zelfs, dat de heidenen hen uit hun landpalen hebben geworpen. Vandaar kwamen zij te IconiŽ, waar de Joden de heidenen tegen hen opruiden, en ben wilden smaden en stenigen, zodat zij vluchtten naai de de steden van LycaoniŽ, namelijk Lystre en Derbe, waar ook de Joden van AntiochiŽ en lconiŽ het volk tegen Paulus opzetten, zodat de schare Paulus heeft gestenigd en buiten de stad gesleept, menende, dat hij dood was. Tot zichzelf gekomen zijnde, ging hij de volgende dag met Barnabas naar Derbe, en, nadat zij in die stad het Evangelie verkondigd en vele discipelen gemaakt hadden, keerden zij weer naar naar Lystre, lconiŽ en AntiochiŽ, en versterkten daar de zielen der gemeenteleden en vermaanden ben, dat zij zouden blijven in het geloof. PisidiŽ doorreisd hebbende, kwamen zij te PamphyliŽ, en, toen zij te Perge het Evangelie verkondigd hadden, vertrokken zij. naar AttaliŽ, en scheepten vandaar af naar AntiochiŽ. Toen zij daar waren en de gemeenten samen geroepen hadden, verhaalden zij welke grote dingen God door en met ben gedaan had, en dat Hij de heidenen de deur van het geloof had geopend, en verkeerden daar een geruime tijd met de gemeenteleden. Terwijl Paulus en Barnabas daar waren, ontstond er een twist tegen sommigen, die van Judea gekomen waren over de noodzakelijkheid der besnijdenis. Men kwam overeen, dat Paulus en Barnabas en enige anderen uit ben naar de Apostelen en Ouderlingen zouden gaan te Jeruzalem, om over dit verschil samen te spreken. Daar geraakte men het met de Apostelen en Ouderlingen over dit verschilpunt eens, zodat zij, in gezelschap van Judas bijgenaamd Barnabas, en Silas, die voorgangers waren onder de broeders, met brieven gezonden werden naar AntiochiŽ, waar zij de vrede in de gemeente herstelden.

Vandaar ging Paulus met Barnabas voor de vierde maal op reis teneinde de broeders in elke stad te bezoeken waar zij het Evangelie verkondigd hadden, en naar hun toestand te vernemen. Er ontstond echter een verschil tussen Paulus en Barnabas over Johannes, bijgenaamd Marcus, en Paulus verliet Barnabas, nam Silas mee en vertrok naar SyriŽ en CiliciŽ, de gemeenten versterkende, en kwam te Derbe en Lystre, waar hij TimotheŁs aan zich verbond, met hem door PhrygiŽ en GalatiŽ reisde en eindelijk te Troas kwam. Hier werd hij door een gezicht vermaand naar MacedoniŽ te reizen, en kwam, verscheidene plaatsen doorreisd hebbende, te Filippi, de voornaamste stad van MacedoniŽ, waar hij en Silas, op bevel der hoofdmannen werden gegeseld en daarna in de gevangenis geworpen, met bevel aan de stokbewaarder dat hij hen goed verzekerd zon bewaren. Door goddelijke kracht werden de deuren der gevangenis geopend, hun boeien losgemaakt, en zij vervolgens door de stokbewaarder, die gelovig was geworden, naai, buiten geleid. Deze wies hen van de striemen, en werd met al de zijn gedoopt. Nadat hij hun spijs had voorgezet, en zij door de hoofdmannen uit de gevangenis waren geleid, daar dezen vernomen hadden, dat de Apostelen Romeinen waren, hebben zij op hun verzoek de stad verlaten. Eindelijk, na vele steden te zijn doorgegaan, kwamen zij te Thessalonika, waar Paulus veel volk bekeerde. De Joden echter, met enige boze mannen uit de marktboeven gemene zaak gemaakt hebbende, beroerden de stad tegen hen, zodat de broeders Paulus en Silas Ďs nachts naar Berea zonden, waar men de prediking des Evangelies met alle toegenegenheid ontving. De Joden van Thessalonika kwamen ook daar, en bewogen de scharen tegen hen. Terstond brachten de broeders Paulus naar de zee, en kwam hij te Athene, waar hij in strijd geraakte met de EpicureÔsche StoÔsche wijsgeren, die hem hielden voor een klapper en verkondiger van vreemde goden, en hem op de gerechtplaats brachten, waar hij zich met een welsprekende redevoering verdedigde. Vandaar vertrok hij naar Korinthe, waar hij enige tijd met prediken bezig was. Hij wilde vandaar vluchten, aangezien hij daar tegenstand en lastering ondervond; maar werd door de Heere in een gezicht vermaand te blijven. Later brachten de Joden hem voor de rechterstoel van de stadhouder Gallio, die hen, na hem gehoord te hebben, liet gaan, en Paulus reisde weer naar Jeruzalem.

Zijn vijfde reis ondernam Paulus van daarnaar AntiochiŽ, en nadat hij daar enige tijd vertoefd had, doorreisde hij vervolgens het land van GalatiŽ, en PhrygiŽ, en versterkte al de gemeenteleden. Van daar ging hij naar Efeze, waar hij gedurende drie jaren met gezegende vrucht, des daags en Ďs nachts, heeft gepredikt en er velen bekeerde, en onder ben die ook hun duivelse boeken hebben verbrand. Het schijnt, dat hij omtrent deze tijd, onder de stadhouder HiŽronymus, volgens heidense wijze, heeft gevochten tegen de wilde beesten en die overwonnen heeft. Na het grote oproer, dat Demetrius, een zilversmid, om de godin Diana tegen Paulus had verwekt, vertrok de Apostel naar MacedoniŽ, en, nadat hij de gemeenteleden daar met vele redenen had vermaand, kwam hij in Griekenland. Toen de Joden hem daar tegenstonden, was hij voornemens naar SyriŽ te varen, maar veranderde zijn reisplan, en keerde weer naar MacedoniŽ terug. Eindelijk kwam hij, na vele steden doorreisd en hier en daar gepredikt te hebben, te Cesarea, waar de Profeet Agabus hem zijn gevangenneming voorzegde, waarbij hij echter getroost en tevreden was. Toen hij op het pinksterfeest te Jeruzalem kwam, raadde Jakobus hem aan, dat hij zich met enige Joden naar de wet zou heiligen. Ofschoon hij dit deed, verwekten de Joden van AziŽ een oproer tegen hem, zodat de schare hem greep, buiten de tempel sleepte en zocht te doden. Doch, toen zij de overste zagen met de hoofdmannen over honderd en de krijgslieden, hielden zij op hem te slaan. De overste greep hem, beval dat men hem met twee ketenen zou boeien, en onderzocht, wat hij gedaan had. Terwijl de Joden in de grootste wanorde schreeuwden en tierden, zo zelfs, dat men in het rumoer de woorden niet onderscheiden kon, werd hij in de legerplaats gebracht, waar Paulus zich naar behoren heeft verdedigd. Maar de Joden, die de waarheid van Paulus woorden niet konden verdragen, riepen: "Weg van de aarde met zulk een, want het is niet behoorlijk, dat hij leeft!" Vervolgens beval de overste, dat men hem met geselen zou onderzoeken, teneinde te weten, waarom de Joden zijnentwege alzo schreeuwden. Toen zij hem met riemen uitrekten, om hem tot bekentenis te dwingen, beriep Paulus zich op het Romeinse burgerrecht, waarop terstond de geseling gestaakt werd, en Paulus van zijn boeien ontslagen. De volgende dag werd hij voor de gehele Joodse raad gebracht, waar hij zich weer met Gods Woord verdedigde. Toen in deze vergadering de hogepriester Ananias bevel gaf aan degenen, die bij Paulus stonden, om hem op de mond te slaan, bestrafte Paulus hem, omdat hij een gevangen en onveroordeeld mens tegen de wet gebood te slaan.

Terwijl het oproer al groter werd, vreesde de overste, dat Paulus door hen zou gedood worden, en liet hem daarom door het krijgsvolk vandaar naar de legerplaats overbrengen. De volgende dag spanden veertig Joden tegen Paulus samen, en verbonden zich met een eed, dat zij niet eten noch drinken zouden, totdat zij Paulus zouden hebben gedood. Toen Paulus van deze samenzwering door de zoon van zijn zuster onderricht was, gaf hij door hem daarvan aan de overste kennis. Deze wist dit te voorkomen, door Paulus onder een gewapend geleide te doen overbrengen naar Cesarea, waar hij hem behouden overleverde aan de landvoogd Felix, met bijvoeging van brieven, die voldoende waren om Paulus onschuld te bewijzen. Op deze wijze maakte hij zich gereed tot de zesde reis van Jeruzalem naar ItaliŽ.

Toen de Stadhouder Felix de brief gelezen had, bewaarde hij Paulus in het raadhuis, om hem daarna, in de tegenwoordigheid der Joden, die hem beschuldigden, in het verhoor te nemen, hetgeen vijf dagen na zijn komst plaats had. De hogepriester Ananias, met de gehele Joodse raad, beschuldigde hem door de tolk Tertullus, dat hij degene was, die overal onder al de Joden oproer verwekte, dat hij de tempel had ontheiligd, en een opperste voorstander was van de sekte der Nazarenen. Met Gods Woord en een gepaste rede heeft Paulus zich van deze valse beschuldigingen zodanig gezuiverd, dat Felix hem bewaarde tot de komst van Lysias, de overste, en vergunde Paulus intussen verlichting van zijn boeien, en beval dat niemand van de zijnen zou verhinderd worden om hem te dienen of hem te bezoeken.

Toen enige dagen daarna Felix met Drusilla, zijn vrouw, daar gekomen was, werd Paulus daar weer ontboden, die in hun tegenwoordigheid over het geloof in Christus sprak. En, als Paulus sprak over rechtvaardigheid, matigheid en het toekomend oordeel, werd Felix zeer bevreesd, en zei tot Paulus, dat hij voor ditmaal zou heen gaan, en dat hij hem te gelegener tijd, weer zou laten roepen. Om de Joden gunst te bewijzen, hield Felix Paulus gevangen. Toen Porcius Festus in Felix' plaats gekomen was, reisde de nieuwe landvoogd, drie dagen na zijn aankomst, naar Jeruzalem, waar de hogepriester en de voornaamste van de Joden hem verzochten, ja, baden, dat hij Paulus naar Jeruzalem zou laten overbrengen, terwijl zij van plan waren Paulus onder weg te doden. Festus belette dit echter, en vond het beter, dat de Joden zelf van Jeruzalem naar Cesarea zouden reizen, om Paulus daar te beschuldigen, als hij van iets onbehoorlijks kou aangeklaagd worden, zoals dan ook na verloop van enige dagen plaats had. Terwijl Paulus daar voor de rechterstoel van Festus gebracht was, heeft hij zich met bondige redenen tegen al de beschuldigingen van de Joden mannelijk verdedigd. Om de Joden gunst te bewijzen, vroeg Festus Paulus, of hij naar Jeruzalem wilde gaan, om daar voor hem over deze dingen geoordeeld te worden. Doch Paulus beriep zich op de keizer, daar hij liever in de handen der heidenen dan in die der Joden wilde vallen. Festus en de leden van de raad berustten er in, dat Paulus zich op de keizer beroepen had. Toen intussen koning Agrippa daar gekomen was, heeft Festus hem de gehele zaak van Paulus verhaald en hem tevens verontschuldigd. Agrippa verlangde Paulus te horen, en toen Paulus voor hen gebracht werd, hield hij zulk een voortreffelijke redevoering, dat wel Festus uitriep, dat de grote geleerdheid van Paulus hem tot razernij bracht, maar de koning tot hem zei: "Gij beweegt mij bijna een Christen te worden," en samen betuigden zij, dat hij niets gedaan had, wat des doods of der gevangenis waardig was, en dat hij zou losgelaten kunnen worden, zo hij zich niet had beroepen op de keizer.

Toen de tijd gekomen was, dat Paulus en de andere gevangenen naar ItaliŽ zouden afvaren, werden zij aan Julius de hoofdman over honderd overgeleverd, en na vele gevaren en moeilijkheden doorworsteld te hebben, zijn zij eindelijk in zulk een ellendigen toestand geraakt, dat zij veertien dagen hebben doorleefd zonder voedsel, en, toen zij vreesden, dat zij schipbreuk zouden lijden, wilden de krijgslieden Paulus en de andere gevangenen doden, maar de hoofdman, die Paulus wilde behouden, heeft dit verhinderd.

Niettegenstaande zij schipbreuk leden, zijn zij allen ongedeerd op het eiland Melite of Malta aangekomen. Na drie maanden daar vertoefd te hebben, reisde Paulus naar Rome, waar hij door de broeders met blijdschap werd ontvangen, terwijl de hoofdman de gevangenen overleverde aan de overste van het leger. Aan Paulus werd vergund op zichzelf te wonen meteen krijgsknecht, die hem bewaarde, waar hij na drie dagen zich voor de voornaamste van de Joden heeft verantwoord over zijn boeien, gevangenneming en beroep op de keizer. Gedurende twee jaren bleef hij in een eigen gehuurde woning, ontving allen, die tot hem kwamen, predikte het Koninkrijk Gods en leerde van de Heere Jezus Christus met alle vrijmoedigheid onverhinderd.

Hij zelf heeft gezegd, dat deze gevangenschap in grote mate gediend heeft tot bevordering van het Evangelie, en dat de waarheid daardoor gekomen is tot in het keizerlijke hof. Toen keizer Nero de brieven van Festus ontvangen had, heeft hij Paulus voor de eerste maal bij hem ontboden, die zich tegen de beschuldigingen van de Joden derwijze, door 's Heeren hulp, heeft verdedigd, (ofschoon zij hem allen in deze zijn eerste verantwoording verlieten), dat hij uit de muil van de leeuw, te weten van Nero, verlost werd.

Toen Paulus nu andermaal voor keizer Nero zou gesteld worden, was hij van zijn aanstaanden dood niet onwetend, zoals hij aan TimotheŁs aldus schrijft: ik word nu tot een dankoffer geofferd, en de tijd mijner ontbinding is aanstaande. Ik heb de goede strijd gestreden, ik heb de loop geŽindigd, ik heb het geloof behouden; voorts is mij weggelegd de kroon der rechtvaardigheid, welke mij de Heere,de rechtvaardig Rechter, in die dag geven zal, en niet alleen mij, maar ook allen, die Zijn verschijning hebben liefgehad." Hij werd door keizer Nero veroordeeld om met het zwaard gedood te worden, zoals ook plaats had in het laatst van diens regering (volgens de berekening van Jozef Scaliger) in het 63e jaar na de geboorte van onze Zaligmaker, zeven jaren, nadat Paulus gevangen te Rome was gebracht.

 

Andreas, de Apostel te Patris, in Achaje gekruisigd

 

Andreas, de zoon van Jona, een broeder van Petrus, geboren te BethsaÔda in Galilea, was eerst een discipel van Johannes de Doper. Daar hij ouder was dan Petrus, en het eerst Christus leerde kennen, heeft hij zijn broeder tot Christus, de waren Messias gebracht. Van beroep was hij een visser; maar Christus, Die hem riep, beloofde hem een visser der mensen te zullen maken. Omdat hij de Heere vurig navolgde, en onderwezen was in Diens leer, wandel en wonderen, heeft Deze hem tot een Apostel aangesteld, welke bediening hij met de anderen onder de Joden getrouw heeft waargenomen. Hij stond ook in grote achting bij de Heere, daar het schijnt, dat hij een meer vrijen toegang had tot Christus dan Filippus. Verder, ofschoon hij in zwakheid, evenals de andere Apostelen, gevallen is, door zijn Meester te verlaten, heeft hij zich toch weer bij zijn medebroeders gevoegd. En, toen hij opnieuw het bevel ontvangen had tot de bediening van het Evangelie, en voornamelijk, nadat hij, gelijk de anderen, op de Pinksterdag met de Heilige Geest was vervuld, heeft hij het Evangelie met ijver onder de heidenen gepredikt. Op zijn reizen heeft hij in vele landen gepredikt, zoals in Pontus, GalatiŽ en BittiyniŽ.

Hij kwam ook in de omstreken van Antropophage, daarna in ScythiŽ, en bereisde ook de noordelijke en zuidelijke landen, kwam zelfs tot in de omstreken van Byzantium en trok ook naar ThraciŽ, MacedoniŽ, ThessaliŽ en Achaje, en predikte overal Christus, waardoor hij velen tot het geloof in Christus heeft gebracht. De leer van Christus, zijn Meester, heeft hij ook versierd en bekrachtigd met vele wonderen; maar, aangezien deze door sommigen op meer of minder fabelachtige wijze zijn beschreven, zullen wij die laten voor hetgeen zij zijn.

Toen hij eindelijk naar de wil van de eeuwige God, zijn loop had volbracht, heeft Aegeas, de stadhouder van Edessa, hem op bevel van de Romeinse raad in de stad Patris, in Achaje, laten kruisigen.

Hij onderging de marteldood, niet alleen omdat hij de christelijke waarheid voorstond, en de afgoderij der heidenen bestrafte, maar omdat hij Maximilla, de vrouw van de gouverneur, en diens broeder Stratocles bekeerde. De dood aan het kruis te sterven achtte hij om Christus' wil gelukkig, en alzo heeft hij met grote blijdschap en begeerte zijn ziel in de handen van God, zijn hemelse Vader bevolen, en aldus zijn leven geŽindigd, zoals de geschiedenis getuigt.

 

Filippus, de Apostel, te HiŽrapolis gemarteld

 

Filippus, geboren te BethsaÔda, in Galilea, de stad van Petrus en Andreas, had een vrouw en een dochter, die zeer goed van leven waren. Hij werd door Christus gevonden, Die hem beval Hem als discipel te volgen, hetgeen hij zo getrouw deed, dat, toen hij NathanaŽl vond, die ook tot Christus heeft gebracht, terwijl hij betuigde, dat hij Die gevonden had, van Welke Mozes en de Profeten geschreven hadden, namelijk Jezus van Nazareth, de waren Messias. Van toen af heeft Filippus Christus steeds gevolgd, luisterende naar Zijn prediking en heeft Zijn wonderen gezien, totdat hij bekwaam was tot de dienst van het heilige Woord Gods, zodat Christus hem tot een Apostel heeft aangesteld en als zodanig heeft uitgezonden, om het Evangelie te prediken onder de Joden, wat hij, gelijk de anderen, met ijver heeft verricht.

Bij de Heere stond hij ook in groot aanzien; want bij het heerlijke wonder van de spijziging der vijf duizend mensen heeft Christus, om hem te beproeven, met hem ook daarover gesproken. Voor de Grieken, die Christus begeerden te zien ging hij tot Christus. Verder, toen hij nog niet volmaakt was in het geloof in Christus, heeft Christus hem onderwezen in het geloof aan God, in het aangezicht van Jezus Christus, door Wie wij de Vader aanschouwen.

Deze vrome en godzalige Apostel heeft de Heere vergezeld tot aan Zijn lijden, en, toen de Apostelen, na Christus' verrijzenis verstrooid waren, hield hij zich bij zijn medebroederen op, totdat zij, na Christus' hemelvaart, de Heilige Geest hadden ontvangen.

Na de verdeling van de landen predikte hij gedurende enige jaren in SeythiŽ, waar hij vele gemeenten gesticht heeft. En, aangezien hij bijzonder in SyriŽ en in het noorden van AziŽ reisde, en daarin vele steden de grondslagen van het geloof legde, kwam hij eindelijk in PhrygiŽ, waar hij in de stad HiŽrapolis en elders vele wonderen deed. De Ebionieten echter en anderen, die hardnekkig in hun afgoderij voortgingen, hebben hem gevangen genomen, met het hoofd aan een pilaar vastgemaakt en gestenigd, en alzo is hij in de Heere ontslapen, en daarna in de genoemde stad HiŽrapolis begraven.

 

BartholomeŁs de Apostel, in AlbaniŽ in ArmeniŽ gekruisigd en de huid afgestroopt

 

BartholomeŁs, een zoon van TholomeŁs, gelijk zijn naam aanduidt, was een GalileŽr, evenals de andere Apostelen, en ook een visser, volgens de mening van Theodoretus. In de Heilige Schrift lezen wij niet veel omtrent hem, dan alleen dat hij tot Apostel geroepen is, om met de anderen het Evangelie te verkondigen in Judea en Galilea, aan de verloren schapen van het huis IsraŽls. Na Christus, opstanding werd hij in zijn Apostelambt bevestigd, en heeft met de elven de Heilige Geest ontvangen, zoals Christus beloofd had.

Nadat de Apostelen uit elkander gegaan waren, heeft hij zijn Apostelambt het eerst bediend in LycaoniŽ, daarna ook in SyriŽ en in de bovenste delen van AziŽ, vervolgens ook in IndiŽ, waar Pantenus, leraar te AlexandriŽ, die daar bijna honderd jaren later kwam, het Evangelie van MattheŁs (dat BartholomeŁs daar gebracht en waaruit hij de Indianen in hun moedertaal onderwezen had) gevonden en dat meegenomen heeft. Eindelijk heeft hij het Evangelie ook in Groot-ArmeniŽ verbreid, en daar te Albana, de hoofdstad en koninklijke zetel van dat koninkrijk, Polemus of Palemonius, de broeder van de koning Astyages, met zijn vrouw, twee zonen en een dochter, tot het geloof gebracht en twaalf steden uit de stikdonkere duisternis der onwetendheid, waarin zij de duivel door de afgod Astharoth dienden, verlost, en verlicht met de kennis van Jezus Christus, de Heere. Dit verdroot de afgodische duivelpriesters zeer, en zij klaagden daarover aan de koning Astyages, die de Apostel BartholomeŁs liet gevangen nemen, en voor hem brengen. Toen BartholomeŁs voor de koning stond, verweet deze hem, dat hij zijn broeder verleid en de godsdienst in zijn land aan het wankelen had gebracht, en bedreigde hem, indien hij niet ophield Christus te prediken, en langer weigerde zijn goden te offeren, dat hij hem zou laten doden. Op deze, beschuldiging antwoordde BartholomeŁs, dat hij zijn broeder niet verleid, maar, ten goede bekeerd, en in zijn land de ware godsdienst gepredikt had, en bereid was daarvoor liever zijn getuigenis met zijn bloed te bezegelen, dan in het minst schipbreuk in zijn geloof en geweten te lijden. Om deze vrijmoedige belijdenis werd hij door de koning veroordeeld, om eerst op de gruwelijkste wijze gepijnigd, met stokken geslagen, daarna met het hoofd naar beneden aan een kruis gehangen, levend het vel afgestroopt en daarenboven het hoofd. met een bijl afgehouwen te worden. En alzo is hij met Christus, zijn Heere verenigd.

 

Thomas, de Apostel, in IndiŽ door de wilden vermoord

 

Thomas, genaamd Didymus, dat is tweeling, was geboren in Galilea, en van beroep, zoals het schijnt, een visser. Aangaande zijn ouders vindt men niets, en evenmin van de tijd, waarop hij bekeerd is, bij de Evangelisten beschreven, dan alleen van zijn roeping tot het Apostelambt. Zijn vurige liefde, die hij Christus toedroeg, zien wij vooral, toen hij zijn medeapostelen vermaande om op te gaan naar Jeruzalem en ook met Christus te sterven. Maar hij had toen nog niet gestreden tot de dood, en aangaande het doel van Christus' dood verkeerde hij nog in onwetendheid, waarom hij met de anderen de Heere heeft verlaten. Toen Christus zich aan de Apostelen openbaarde, was hij niet tegenwoordig; en, aangezien hij hen niet geloofde, tenzij hij zelf Christus zag en kon betasten, heeft de Heere zich ook aan hem geopenbaard en zijn ongeloof bestraft. Als hij Christus zag, geloofde hij aan de opstanding van de Heere, beleed Hem als zijn Meester, en aanbad Hem als zijn Heere en God. Met de anderen ontving hij een nieuw bevel tot de dienst van het evangelie onder de heidenen.

Korte tijd na de opstanding van Christus zond hij ThaddeŁs naar de koning Abgarus. Daar hem de Evangeliebediening in ParthiŽ, IndiŽ, EthiopiŽ en vele andere landen, zoals HiŽronymus getuigt, ten deel was gevallen, heeft hij vele landen doorreisd. Het schijnt echter, dat hij er tegen opzag om naar de Moren en woeste volken van IndiŽ te gaan; maar door gezichten van God werd hij gesterkt om dit werk op zich te nemen, en was bedeeld met kracht om wonderen te doen, waardoor zijn dienst bij die lieden zeer vruchtbaar was, en hij er velen tot God heeft bekeerd.

Aangaande het uiteinde van Thomas is het verhaal het meest waarschijnlijk, dat hij in Calamina, een stad in Oost-IndiŽ, (waar Hieronymus ook zegt, dat hij ontslapen is) de gruwelijke afgoderij van die heidenen, welke het beeld der zon aanbaden, uitgeroeid heeft, zodat hij de duivel zelf, door de kracht van God, zou gedwongen hebben, het beeld te vernielen. Over deze daad werd hij door de afgodische priesters hij hun koning aangeklaagd, en deze veroordeelde hem, dat hij eerst met gloeiende platen gepijnigd en daarna in een gloeiende oven verbrand moest worden. Toen de afgodische priesters, voor de oven staande, zagen, dat het vuur hem niet deerde, hebben zij hem met lansen en spiesen of speren, terwijl hij in de oven lag, de zijde doorstoken; en aldus was hij gelijkvormig aan zijn Heere Christus, Die hij tot de dood toe volstandig heeft beleden, en rust alzo van zijn arbeid in de genoemde stad Calamina.

 

MattheŁs, de Apostel en Evangelist

 

MattheŁs, anders gezegd Levi, de zoon van AlfeŁs, was een tollenaar te KapernaŁm, een betrekking, die bij de Joden veracht was, daar zij zich aan vreemde vorsten geen tol of schatting schuldig kenden. En, ofschoon het niet ongeoorloofd was tol of schatting te nemen, wanneer men maar niet te veel nam, zo gingen toch de tollenaars zich hierin dikwijls te buiten en werden daarom van de vromen vermeden, waarom ook de afgesnedenen van de gemeente bij dezulken worden vergeleken.

Toen hij in deze oneerlijke betrekking werkzaam was, heeft Christus Zich in genade over hem ontfermd, en hem bevolen als Zijn discipel te volgen. Door de kracht des Heiligen Geestes gaf hij hieraan gehoor, verliet zijn tolhuis, bereidde een groten maaltijd, en nodigde zijn medetollenaars daaraan, om alzo naar behoren afscheid van tien te nemen, en hun gelegenheid te geven om Christus ook aan te nemen, gelijk hij gedaan had. Hierna verliet MattheŁs terstond alles, en volgde Christus met groten ijver na, en na Christus' onderwijs ontvangen te hebben, werd hij onder de Apostelen opgenomen, welk Apostelambt hij tot Christus' dood onder de joden bediend heeft

Bij zijn uitzending om te prediken onder de heidenen werd hem EthiopiŽ of Morenland aangewezen. Eer hij echter het Joodse land verliet schreef hij, onder voorlichting des Heilige Geestes, zijn Evangelie in de Hebreeuwse taal en heeft hun dit meegedeeld.

Door zijn prediking en het doen van wonderen is hij in EthiopiŽ met vrucht werkzaam geweest, waar hij ook na zijn dood zijn Evangelie voor de nakomelingschap in geschrift heeft nagelaten, waaruit klaar te zien is, welk geloof hij voorstond, namelijk van Jezus Christus, waarachtig God en mens, Die voor ons gekruisigd is.

De geschiedenissen getuigen, dat deze Apostel terstond, nadat de gelovige koning Aeglippus gestorven was, door zijn opvolger Hytacus, een ongelovige heiden, vervolgd werd, en dat hij hem op zekere tijd, toen hij in de tempel aan de gemeente het Evangelie verkondigde, heeft laten grijpen en in de hoofdstad van EthiopiŽ, Naddaver, heeft laten onthoofden. Daar werd hij ook begraven, zoals Venantius Forturatus getuigt, die voor duizend jaren leefde, als hij zegt: "De verheven stad Naddaver zal ons, te weten, op de jongste dag, die voortreffelijke Apostel MattheŁs teruggeven.

 

De Apostelen Simon Zelotes en Judas Alpheus

 

Simon de Kananieter of Zelotes, dat is, ijveraar bijgenaamd, de zoon van AlfťŁs en de broeder van Jakobus, Joses en Judas, een neef van Christus, een van de twaalven en tegelijk met de anderen tot Apostel aangesteld, eerst der Joden en daarna der heidenen, heeft ook gelijk de anderen op de Pinksterdag de Heilige Geest ontvangen, waardoor hij ook bekwaam werd gemaakt om een Apostel van Christus, zelfs onder de heidenen te zijn.

Toen de Apostelen uit elkaar gingen, kwam hij in Egypte, en heeft daar geruime lijd het Evangelie gepredikt, totdat hij naar PerziŽ ging, waar hij zijn broeder Judas vond. Zij bleven daarin de bediening van het Apostelambt volstandig bij elkaar, totdat zij de goddelijke waarheid met hun bloed hebben bezegeld. Nicephorus schrijft, dat Simon niet alleen in Egypte, maar ook in Afrika, Cyrene, LybiŽ en op de eilanden van Groot-BrittaniŽ het Evangelie des Koninkrijks gepredikt heeft.

Judas AlfeŁs, niet die bijgenaamd wordt Iscarioth, maar die getrouwe Apostel, bijgenaamd ThaddeŁs, dat is belijder, en broeder van LebbeŁs, Jakobus de kleine en Simon, was ook tot een dienstknecht en Apostel geroepen van Jezus Christus, Wiens neef hij ook was, evenals Jakobus en Simon. In het Evangelie wordt van hem niet gesproken, maar alleen gewag gemaakt van een vraag, die hij de Heere Christus deed, zeggende: ďHeere, wat is het dat Gij U aan ons zult openbaren en niet aan de wereld?Ē Deze heeft ook een korte en troostrijke brief aan de gelovigen geschreven en nagelaten, die echter gestreng is voor de ongelovigen. Of deze Judas die ThaddeŁs is, die door Thomas naar Abgarus te Edessa, gelijk men meent, is gezonden om de koning van zijn kwaal te genezen, en tot Christus te bekeren, dan of hij een ander van de zeventig discipelen is geweest, daarover kan men Eusebius en andere schrijvers raadplegen. Deze Judas heeft, toen de Apostelen de wereld met de prediking van het evangelie hebben bedeeld, MesopotamiŽ en Pontus bezocht, waar hij geruime tijd alleen het Evangelie heeft verkondigd; daarna vertoefde hij met zijn broeder Simon in PerziŽ, en heeft daar de wijzen bekeerd, de onwetenden onderwezen, en door de kracht van de Heilige Geest de duivelse kunsten teniet gedaan, en de dusgenaamde godsspraken en wonderen van hun afgoden als leugens ten toon gesteld en doen ophouden, en alzo door de godsdienst van Christus de valse afgodendienst der heidenen te schande gemaakt en vernietigd. Toen de heidense duivelspriesters zagen, dat daardoor hun gewin schade leed, hebben zij tegen deze getrouwe dienaars van Christus een groot oproer verwekt, hen daarin overvallen en omgebracht. Welke marteldood zij echter ondergaan hebben, kan, bij gebrek aan berichten, niet gemeld worden.

 

Matthias, de Apostel

 

Matthias was tijdens Christus omwandeling in het vlees een van Zijn zeventig discipelen. Kort na de hemelvaart van Christus werd hij benevens Barnabas in de gemeente te Jeruzalem door de Apostelen aan de Heere voorgesteld, teneinde door Hem, door het lot, als uit de hemel tot een Apostel aangenomen te worden, terwijl de gehele schaar van honderd twintig mensen over hen beiden God aanriepen, zeggende: ďGij Heere, Gij Kenner der harten van allen, wijs van deze twee een aan, die Gij uitverkoren hebt, om te ontvangen het lot dezer bediening en des Apostelschaps, waarvan Judas afgeweken is, dat hij heen ging in zijn eigen plaats. En zij wierpen hun loten, en het lot viel op Matthias, en hij werd met gemene toestemming tot de elf Apostelen gekozen." Met de anderen ontving hij mede op de Pinksterdag de Heilige Geest, waardoor hij als van de hemel bevestigd werd in zijn Apostelambt. Kort daarna werd hij ook met de elven gegeseld en mede waardig geacht voor de naam van Jezus Christus smaadheid te lijden.

Nadat de Apostelen uit elkaar gegaan waren is deze Matthias (volgens het gevoelen van Hieronymus) naar een ander gedeelte van EthiopiŽ of Morenland vertrokken, waar niemand van de andere Apostelen geweest is, en wel zeer diep het land in tot aan de uiterste grenzen, waar de inham was van de haven of de rivier Asphar en Hyssus, waar de onwetendste en meest barbaarse mensen gevonden worden. Onder deze in allerdiepste duisternis der onwetendheid gezeten mensen is het heilrijke licht van het evangelie door de dienst van deze Apostel opgegaan. Nadat hij daar vele zielen voor Christus gewonnen had, is hij (volgens de getuigenis der geschiedenissen) weergekeerd naar Judea, Galilea en SamariŽ, en wel, nadat door de verstrooiing van de Apostelen de Joden schier verstoken waren van allen apostolische dienst.

Omtrent de dood of het martelaarschap van Matthias bestaat niet veel zekerheid, zegt Mantuannus, en hij betwijfelt het, of hij in vrede tot God opgenomen is, en zijn eigen dood gestorven, dan of hij, omdat hij aan de afgod Jupiter niet wilde offeren, met een bijl onthoofd is door de heidenen. Anderen zeggen, dat hij, om de lastering, die zij voorgaven, dat hij uitgesproken had tegen God, tegen Mozes en de wet, en het christelijk geloof weigerde te verzaken, door de Hogepriester van de Joden veroordeeld is om eerst aan het kruis gehangen en gestenigd en daarna met een bijl onthoofd te worden.

 

 

Wij zullen hier ook laten volgen de geschiedenis van den Evangelist Lukas en van de Apostel en Evangelist Johannes, hoewel men meent, dat Lukas onder Domitianus en Johannes onder Trajanus gestorven is. Wij volgen deze orde, opdat men het leven en de dood van de Evangelisten en Apostelen achtereenvolgens zal kunnen lezen.

 

Lukas, de Evangelist

 

Lukas was een SyriŽr van AntiochiŽ, een geleerd medicijnmeester en daarom ook zeer ervaren in de heidense wijsbegeerte. De Heere heeft hem echter willen gebruiken tot een medicijnmeester der zielen, tot welk einde hij ons twee heerlijke boeken als geestelijke artsenijboeken heeft nagelaten, en wel vooreerst zijn Evangelie, dat hij beschreven heeft uit der) mond van hen, die het van de Heere Jezus Christus zelf hebben gehoord. Daarom kan hij niet een der zeventig discipelen zijn geweest, noch een van ben, die met Kleopas op de wee, was naar EmmaŁs. Hij was alleen een leerling van Apostelen en in het bijzonder van Paulus, tot in het vierde jaar der regering van keizer Nero. Paulus schijnt hem bekeerd te hebben te AntiochiŽ, in het jaar 38 na Christus, toen hij van Thebe daar gekomen was. Omtrent zijn ouders wordt nergens iets vermeld, en het schijnt, dat hij geen vrouw gehad heeft. HiŽronymus meent, dat jij vroeger een proseliet was, die voor het aannemen der christelijke leer de joodse godsdienst beleed, en alzo een nakomeling van de Joden, wat niet onwaarschijnlijk is. Hij was zeer ervaren in de Griekse taal, wat genoegzaam blijkt uit de buitengewoon goede stijl en de spreekwijzen, die in zijn geschriften kunnen opgemerkt worden. Hij was geen Apostel maar een metgezel der Apostelen, die dezelfde dienst met hen te vervullen had, en verscheidene landen, en steden heeft doorreisd. Op bijna al de reizen van Paulus was hij diens medehelper, waarom hij ook die reizen in goede orde en met grote naarstigheid heeft beschreven. Toen Paulus bijna van alles was verlaten, heeft Lukas hem bijgestaan in zijn gevangenschap te Rome. Nadat hij zijn dienst getrouw heeft vervuld, is hij te BithyniŽ gestorven in het 81e jaar zijns ouderdoms. Anderen zeggen, dat hij in Griekenland predikende, aan een olijfboom is opgehangen en alzo in de Heere is ontslapen.

 

Johannes, de Apostel en Evangelist

 

[JAAR 101.]

 

Johannes, de zoon van ZebedeŁs, en broeder van Jakobus de grote, was geboren te Nazareth in Galilea. Van beroep was hij een visser. Toen hij met zijn vader en broeder bezig was de netten in het schip te vermaken, werd hij door Christus geroepen, en verliet toen beide, het schip en zijn vader, en is met zijn broeder Jakobus Jezus nagevolgd. Na behoorlijk onderwezen en toegenomen te zijn in de kennis van God en Christus Zijn zoon, door Zijn leer en wonderen, werd hij aangesteld tot een Apostel. De Heere Jezus beminde hem bijzonder, hij lag in Zijn schoot, en heeft Jezus ook zeer lief gehad. Toen de Heere zei, dat een van hen Hem zou verraden, vraagde hij met bekommering, wie het was, Hij was een van de drie Boanerges, dat is zonen des donders. Met Hem was hij getuige van de verborgen dingen Zijns Vaders, op de heiligen berg, bij het opwekken van JaÔrus' dochtertje en in de hof. Met grote naarstigheid heeft hij het Evangelie met de anderen onder de Joden gepredikt, en ijverde zelfs dermate voor de eer van Christus, dat hij uit onverstand wenste, dat het vuur van de hemel de Samaritanen zou verslinden, omdat zij de Heere verwierpen. Hij heeft zich ook, buiten gevaar zijnde, beroemd de lijdensbeker van Christus te kunnen drinken. Hoewel hij met anderen, volgens Christus' voorzegging, enigermate in het geloof verzwakt was, heeft hij zich toch zeer kloek gedragen, want hij was niet alleen tijdens Christus' lijden in het huis van Kajafas de Hogepriester, maar stond ook bij het kruis van Christus, waar Christus hem de zorg voor zijn moeder aanbeval, die hij ook tot zich genomen heeft.

Hij was zeer verlangend naar Christus' opstanding; en, hoewel hem die niet terstond is geopenbaard, toen hij naar het graf liep, heeft Christus nochtans Zich verscheidene malen aan hem vertoond, en hem een nieuw bevel gegeven aangaande het Apostelambt. Bij de discipelen bleef hij, totdat zij de Heilige Geest hadden ontvangen, en predikte toen het Evangelie en deed wonderen te Jeruzalem, waarom hij in de gevangenis werd geworpen en veel heeft moeten lijden, doch tot zijn blijdschap.

Met Petrus werd hij ook gezonden naar Samaria; en na vele jaren, toen TimotheŁs gestorven was, predikte hij in AziŽ en in het bijzonder in de stad Efeze, waar hij ook vele wonderen gedaan, ja sommigen uit de dood opgewekt heeft. In de vervolging onder keizer Domitianus werd hij gevangen genomen en naar Rome gebracht, waar hij (zoals sommigen zeggen) in een vat kokende olie werd geworpen, waaruit hij echter ongeschonden opstond. Vervolgens is hij gebannen naar het eiland Patmos, gelegen in de AegeÔsche zee, waar hij vele gezichten gehad en beschreven heeft aan de zeven voornaamste gemeenten in Klein-AziŽ, benevens enige heerlijke brieven. Na de dood van Domitianus, toen Nerva regeerde, is hij naar Efeze teruggekeerd en wel in het jaar 99 na Christus' geboorte, waar hij opziener was over de gemeenten in AziŽ.

Met de ketters Ebion en Gerinthus had hij veel te doen. Toen hij Ebion op zekere tijd in een bad vond, vluchtte hij, uit vrees dat het huis tot straf van die ketter op hem vallen zou. Wegens hun ketterij schreef hij vooral zijn Evangelie, waarin hij bovenal de godheid van Christus behandelt, welke door de ketters geloochend werd.

Om de naam van Christus heeft hij veel geleden en zelfs vergif gedronken, zonder dat, volgens de belofte van Christus, hem dit schade deed. Eindelijk is hij, na de verwoesting van Jeruzalem te hebben beleefd, ten tijde van de regering van keizer Trajanus, in vrede gestorven, in het 68ste jaar na Christus' dood. Om al de vervolgingen en het lijden, dat hij heeft verduurd, wordt hij gehouden voor een martelaar des Heeren Jezus Christus. Dit grote licht rust alzo in AziŽ.

 

Sommigen van de zeventig Discipelen en andere medereizigers der apostelen

 

Prochorus, een van de zeven eerste diakenen, neef van Stefanus en metgezel van Johannes de Apostel, was opziener van de gemeente te BithyniŽ, heeft daarna te AntiochiŽ geleden en is daar gestorven.

Nikanor, ook een van de zeven diakenen, is ook om de christelijke waarheid ter dood gebracht.

Desgelijks Parmenas, ook een der zeven diakenen,

Olympus was met Paulus te Rome gevangen.

Onesiforus, een leerling van Paulus, die (zoals sommigen zeggen) bisschop is geweest van Colophon, of, volgens anderen van Coronia, is met Porphyrius, zijn mededienstknecht, aan de Hellespont, op bevel van de stadhouder Adrianus, eerst wreed gegeseld en daarna aan wilde paarden gebonden,en alzo dood gesleept of verscheurd.

Karpus, een leerling van Paulus, die hem tot opziener van de gemeente te Troas had aangesteld, is daar om het christelijk geloof omgebracht.

Trofimus, een leerling van Paulus, is om de waarheid van Christus onthoofd.

Apollinaris, een leerling van Petrus, is te Ravenna gedood, en wel in het derde jaar der regering van Vespasianus.

Maternus en Egistus, behorende, tot de zeventig discipelen, zijn in Duitsland, tegelijk met Marianus, de diaken, om het geloof gedood.

Hermagot was door Petrus tot opziener der gemeente te Aquila aangesteld, heeft onder Nero geleden.

Onesimus, Dionysius, de Areopagiter, en meer anderen, zijn voor de goddelijke waarheid gestorven.

 

De tweede vervolging van de christenen onder keizer Domitianus

 

Domitianus, als ware hij een erfgenaam van de haat tegen Gods volk en de bitterheid van Nero, gaat met de tweede vervolging tegen de Christenen voort. In deze vervolging, die verscheidene jaren geduurd heeft, zijn, volgens de beschrijving, omgebracht de navolgende personen:

 

TimotheŁs, een leerling van Paulus

 

TimotheŁs was geboren te Lystre, in LycaoniŽ. Zijn vader was een Griek, maar zijn moeder Eunice en zijn grootmoeder Lois waren gelovige joodse vrouwen. door wie hij van zijn jeugd aan was onderwezen in de Heilige Schrift. Toen Paulus te Lystre en IconiŽ een goede getuigenis omtrent hem had horen afleggen, nam hij hem aan tot een leerling en metgezel in de dienst van het Evangelie onder de heidenen, en liet hem tevoren besnijden, en wel om der Joden wil, die in die plaats waren, want allen wisten, dat zijn vader een Griek was.

Boven alle anderen van zijn metgezellen heeft Paulus deze leerling bemind, en noemt hem zijn oprechte zoon in het geloof. In zijn afwezigheid heeft Paulus hem ook naar vele plaatsen gezonden en zijn dienst daar gebruikt, om, als hem vertegenwoordigende, alles te doen tot opbouwing der gemeente van Christus, waarvan hij zich zeer getrouw gekweten heeft, zodat Paulus hem achtte als een Evangelist. Nadat Paulus hem tot bisschop of opziener der gemeente te Efeze had geordend en aangesteld, schreef hij enige bijzondere brieven aan hem, waarin hij hem onder andere vermaant, om wakker te zijn in alles, verdrukking te lijden, het werk van een Evangelist te doen en te waken, dat men van zijn dienst ten volle verzekerd zij, en hem te bejegenen, zoals het betaamt. Omdat hij de afgoderij van Diana had bestraft, is hij onder de regering van keizer Domitianus door de onwetende heidenen gestenigd, en heeft alzo zijn loop volbracht.

De geschiedenissen verhalen, dat ook verder zijn omgebracht:

In Frankrijk, Lucianus, bisschop van Bellovaco.

Maximianus en Julianus, ouderlingen.

Nicasius, bisschop van Rouaan.

Quirinus, ouderling.

Scubiculus, diaken.

Patientia, een maagd.

In ItaliŽ, Romulus, bisschop van Fesula en anderen op meer andere plaatsen.

Men meent ook, dat in deze tijd is omgebracht in de stad Pergamus, zekere Antipas, een getrouw getuige van Jezus Christus, van wie gesproken wordt Openb. 2, vs. 13.

Marsilius Glabrio, die in het vorige jaar stadhouder van Rome was, en op mannelijke wijze een leeuw overwonnen had, waarmee hij veroordeeld was geworden te vechten, werd mede gedood. De reden, waarom men hem en vele anderen doodde, was, gelijk Dion NiceŁs schrijft, dat zij zich aanstelden als Joden, zoals in die tijden de Christenen door de heidenen genoemd werden, aangezien de Christenen uit de Joden afkomstig waren. Men kan het er daarom voor houden, dat Glabrio en anderen in die lijd hebben moeten lijden om de naam van Christus en het oprechte geloof.

 

De derde vervolging van de christenen onder keizer Trajanus

 

De derde vervolging tegen de Christenen is begonnen op bevel van keizer Trajanus, opgehitst door Mamertinus, stadhouder te Rome, en Tarquinus, overste van de heidense afgoderijen. De afgodendienaars brachten ook geld op, en gaven schatting om de Christenen te vervolgen en uit te roeien, alles onder het voorwendsel, lat zij onwillig waren om de goden te aanbidden en met offeranden te vereren, en dat zij vijanden van hen en van de Romeinse republiek waren.

 

Onder de martelaren in deze tijd zijn de voornaamste:

 

Simeon, bisschop van Jeruzalem

 

[Jaar 109]

 

Simeon, een zoon van Kleopas, die gehouden wordt voor een neef des Heeren, omdat hij een zoon was van de broeder van Jozef, Christusí pleegvader. Hij was uit de stam van Juda en derhalve van het koninklijke geslacht van David. Deze Simeon was een vroom dienaar van God, die de Heere Christus ook heeft gezien en gehoord, zoals uit zijn hogen ouderdom wel op te maken is. Mogelijk behoorde hij ook wel tot de zeventig discipelen, die de gemeente Gods door prediking en lering met gehoorzaamheid hebben zoeken uit te breiden, totdat hij na de dood van Jakobus de jongere, op gezag van de Apostelen, in de dienst werd aangesteld en wel tot bisschop en opziener in de gemeente te Jeruzalem, omtrent het jaar 61 na Christus' geboorte. Dit ambt heeft hij zeer lang bediend, en met zulk een getrouwheid, dat hij om de waarheid van Christus vele en zware pijnigingen heeft geleden. Gelijk men onder de keizers Vespasianus en Domitianus het koninklijk geslacht van David heeft zoeken uit te roeien, alzo geschiedde het ook, dat onder de derde vervolging ten tijde van keizer Trajanus deze Simeon door de ongelovige heidenen werd beschuldigd, niet alleen dat hij behoorde tot het koninklijk geslacht van David, maar ook dat hij een Christen was. Hierom werd hij gevangen genomen en aan Atticus, stadhouder te Jeruzalem, overgeleverd, die hem vele dagen achtereen met scherpe roeden dermate liet geselen, dat ieder, die het zag ook de rechter zelf zich over hem moesten erbarmen en verwonderen, hoe zulk een hoog bejaard man van 120 jaren een zodanige onlijdelijke marteling, had kunnen uitstaan. Toen hij in zijn belijdenis even volstandig volhardde, is hij zijn Heere, Die hij beleed, in het lijden gelijkvormig geworden, en werd door Atticus veroordeeld omgekruisigd te worden, in het 11e jaar der regering van Trajanus of 109 jaar na Chr.

 

Ignatius, bisschop van AntiochiŽ

 

Ignatius, een leerling van Johannes, de Apostel. en een navolger van Petrus en Evodus in de dienst der gemeente van Christus te AntiochiŽ in SyriŽ, was een zeer godvruchtig man, getrouw en naarstig in zijn bediening. Toen hij vernam, dat keizer Trajanus na zijn overwinningen, die hij behaald had op de volken van DaciŽ, ArmeniŽ, AssyriŽ en andere Oosterse rijken, de afgoden te AntiochiŽ openlijk dankte en grote offeranden bracht, alsof zij hem met deze overwinningen begunstigd hadden, ondernam hij het, de keizer daarover te bestraffen, ja (zoals Nicephorus verhaalt) zelfs openlijk in de tempel. De keizer was hierover zeer gebelgd, en liet Ignatius gevangen nemen, doch in AntiochiŽ zelf niet straffen, en wel omdat hij bevreesd was voor oproer, aangezien deze bisschop daarin groot aanzien was; maar hij hhet hem, vergezeld van tien soldaten, gebonden naar Rome voeren, om hem daar zijn straf te doen ondergaan. Op weg daarheen zijnde, heeft hij aan verscheidene gemeenten vele troostbrieven geschreven, zoals aan die van Smyrna, Efese, Filadelfia, Tralles, Magnesia, Tharsen, Filippi, en in het bijzonder aan de gemeente van Christus te Rome; welke brief hij voor zijn komst daarheen zond, waarin hij onder andere verklaart, dat het zijn begeerte en verlangen was, om het christelijk geloof met zijn bloed te bevestigen.

Zijn eigen woorden luiden aldus: ďVan SyriŽ af naar Rome reizende, te water en te land, bij dag en nacht, vecht ik met wilde beesten, zeer nauw tussen tien luipaarden gebonden, die, inderdaad, hoe meer ik hen streel en grotere vriendschap bewijs, des te wreder en wreveliger jegens mij worden. Doch door hun wreedheid en pijnigingen, die zij mij dagelijks aandoen, word ik meer en meer geoefend en geleerd, maar daardoor ben ik niet rechtvaardig. Och dat ik reeds bij de beesten ware, die gereed zijn mij te verscheuren! Ik hoop, dat ik ze binnenkort zal vinden, zoals ik ze wens, te weten, wreed genoeg om mij ten spoedigste te vernielen. Willen zij mij niet aantasten en verscheuren, dan zal ik hen vriendelijk lokken, opdat zij mij niet verschonen, zoals zij reeds enige Christenen verschoond hebben; maar dat zij mij met haast in stukken scheuren en verteren. indien zij nog blijven weigeren, zal ik hen tergen en aanporren. Vergeeft mij, dat ik zo spreek. Ik weet, wat mij nodig en bevorderlijk is; na begin ik eerst een discipel van Christus te worden. Ik acht zichtbare noch onzichtbare dingen, waaraan de wereld zich vergaapt. Het is mij genoeg, als ik Christus maar mag deelachtig worden. Laat vrij de duivel en boze mensen mij allerlei pijn en smarten aandoen, met vuur, met kruisigen, met het worstelen tegen de beesten, met verstrooiing van mijn ledematen en het geraamte van mijn lichaam, ja met verplettering en verbrijzeling mijns gehelen lichaams; ik acht dit alles zeer weinig, mits ik alleen Jezus Christus geniete. Alleen, bidt voor mij, opdat mij innerlijke en uiterlijke kracht gegeven worde, om dit niet alleen te spreken of te schrijven, maar ook om het na te komen en te kunnen lijden, opdat ik niet alleen een Christen genaamd maar ook bevonden mag worden.

Toen hij te Rome kwam, werd hij door de soldaten aan de stadhouder overgeleverd, met de brieven van de keizer, waarin zijn vonnis geschreven stond. Enige tijd werd hij daar bewaard tot op zekere feestdag van de Romeinen, op welke dag de stadhouder hem naar het bevel des keizers, in de kampplaats liet voorbrengen. Nadat hij door vele pijnigingen van het christelijk geloof niet afvallig kon gemaakt worden, heeft men hem aan de leeuwen voorgeworpen, door welke hij terstond zeer gretig werd verslonden. Van hem wordt verhaald, dat toen hij aan de leeuwen werd overgegeven, om door hen verslonden te worden, en in het perk hoorde brullen, zei: ďIk ben het koren des Heeren, ik word door de tanden der beesten gemalen en gekneed, opdat ik in Christus een rein brood worde.Ē Alzo is deze getrouwe bloedgetuige van Christus zalig ontslapen in het jaar onzes Heeren 109, in het 11e jaar der regering van keizer Trajanus.

Omstreeks deze tijd werd ook, om de naam van Christus, omgebracht, zekere Publius, opziener der gemeente in Athene, een goed en vroom man, benevens vele anderen.

Zosimus, Rufus en anderen werden, om de christelijke godsdienst, ter dood gebracht en wet in de stad Filippi, in MacedoniŽ.

Op bevel van keizer Trajanus, werd de 26sten Oktober van het tijdelijke leven beroofd Evarestus, opziener van de gemeente te Rome.

Hermes, stadhouder van Rome, met zijn vrouw en kinderen, benevens nog 1250 mensen, werden levend om Gods Woord in gloeiende ovens verbrand.

Spoedig daarna ondergingen hetzelfde lot Zeno, een Romeins edelman, en 40,203 mensen. Eveneens werden Enstachius en zijn vrouw te Rome om de naam van Christus omgebracht.

Justus en Pastor zijn, om dezelfde reden, in de Spaanse stad Complutum genaamd van het leven beroofd.

Tiberianus, stadhouder van Palestina, schreef aan keizer Trajanus, dat hij niet machtig was de Christenen wegens hun grote menigte uit te roeien. Toen gebood de keizer, dat men de vervolging zou staken.

Men zegt ook, dat omstreeks deze tijd om het christelijk geloof omgebracht is, en wel na vele smarten en pijnen te hebben geleden, Phocas, bisschop van Pontus.

Bovendien zijn om de naam van Christus nog verscheidene personen gedood, zoals in ItaliŽ, te Brescia, Faustina en Jobita. Te Messina, op SiciliŽ, ondergingen de dood Eleutherus en zijn moeder Anthia, en meer anderen in verscheidene andere plaatsen.

Te Tivoli, in ItaliŽ, werden ter dood gebracht Getulicus, een leraar, en Symphorosa met haar zeven zonen; zo ook zijn Cerealis en Amantius, in dezelfde stad, om de naam van Christus gedood.

Saphyra, een maagd te AntiochiŽ, en Sabina, een weduwe van Valentin, zijn te Rome om dezelfde reden gedood.

De 5e januari werd, om de christelijke godsdienst, het leven ontnomen aan Telesphorus, opziener van de gemeente te Rome.

 

PtolemeŁs en Lucius

 

[JAAR 144.]

 

PtolomeŁs, een vroom en godzalig man, die zijn vrouw tot het christelijk geloof had gebracht, werd om de waarheid van Christus gevangen genomen. Toen hem gevraagd werd, of hij een Christen was, beleed hij, de waarheid liefhebbende, het terstond; want hij, die verzaakt, wat hij is, acht strafbaar te zijn, wat hij verzaakt. Om deze belijdenis werd hij in de kerker geworpen, en vertoefde daarin zo lang, totdat hij geheel vermagerd was, terwijl hij ten laatste aan de rechter Urbicus werd overgeleverd, die hem terstond daarna om de christelijke waarheid liet doden.

Er was ook een Christen, Lucius genaamd. Toen deze hoorde, dat zo onverdiend en lichtvaardig het vonnis over PtolomeŁs was geveld, zei hij tot Urbicius, de rechter: "Wat beweegt u toch, dat gij zulk een ter dood veroordeelt, die geen overspeler, vrouwenschender, doodslager, moordenaar, noch rover, of dergelijk misdadiger is, maar die alleen belijdt, dat hij een Christen is? O Urbicius, dat is iets, wat de goede keizer, zijn wijzen zoon, of eerbare raad niet aangenaam is, en tot eer verstrekt." Zonder meer te vragen zei Urbicius: "Mij dunkt, dat gij ook een Christen bent?" En toen Lucius daarop antwoordde: Ja, dat ben ik voorzeker," veroordeelde hij hem ook ter dood. Daarop hernam Lucius: ďIk dank u, dat gij mij van zulk een boze heer verlost, en mij tot God zendt, de allerbeste Vader en Koning over alles." Dit geschiedde te AlexandriŽ, in Egypte, omtrent het jaar onzes Heeren 144, waar ook in diezelfden tijd met hem nog vele anderen werden gedood.

Niettegenstaande de hevige vervolgingen, nam het aantal Christenen overal toe, zodat Justinus met recht van hen zegt, dat de Christenen vreemdelingen waren, en toch de plaatsen, steden, eilanden, kastelen, enz. der heidenen bewoonden, ja ook zelfs het keizerlijk paleis en de raad, waren binnen gedrongen, hun alleen de tempels als afgodshuizen overlatende. Plinius de tweede, stadhouder in BithyniŽ, ziende, dat daar de christelijke godsdienst meer en meer aanhangers kreeg en de overhand nam in weerwil van de zware en bloedige vervolgingen, zo zelfs, dat alle afgodstempels bijna leeg en verlaten waren, werd hij ontroerd over de menigte der Christenen, en maakte zwarigheid om die allen te straffen. Hij schreef daarover brieven aan de keizer, en vroeg raad, wat hem, zoals de zaken nu waren, te doen stond.

In deze brieven vraagt Plinius niet alleen raad in deze moeilijke en verwarde zaak, maar beproeft ook de keizer (naar het schijnt) te bewegen om de vervolging te doen ophouden, en zegt, dat de Christenen nergens anders in schuldig werden bevonden. dan dat zij gewoon waren op zekere bestemde dag, voor de dageraad, bijeen te komen, en met elkaar Christus, als hun God, lofzangen te zingen, dat zij zich onderling met een eed verbinden generlei kwade daden te plegen, zich te onthouden van dieverij, doodslag en overspel te begaan, hun geloof te verzaken, en niet te loochenen, wat hun in bewaring was gegeven. Dat als zij zulks gedaan hadden, zij dan gewoon waren te vertrekken, en weer te vergaderen om hun nooddruft te nemen in het algemeen, zonder iemand te hinderen of letsel te doen, en zij zich gedragen volgens zijn bevel." Betreffende de grote menigte der Christenen in die landen, voegt hij er bij: Volgens mijn mening is de zaak wel waardig om uw raad daarover in te winnen, en wel vooral om de grote menigte van hen, wie het gevaar boven het hoofd hangt. Velen, van elke leeftijd en van allerlei stand, zo mannen als vrouwen zijn in gevaar of zullen er in komen, aangezien niet alleen in de steden, maar ook in de dorpen en gehuchten de besmetting van dit bijgeloof verspreid is.

Op dit schrijven antwoordde keizer Trajanus onder andere het volgende: "Men zal zodanige lieden niet laten opzoeken, en, indien zij aangebracht en aangeklaagd worden, moet men hen in dit geval straffen, onder deze bepaling nochtans, dat zij, die ontkennen Christen te zijn, en dit met de daad tonen, te weten, door het aanroepen van onze goden, hoewel zij voor het toekomende verdacht zijn, om hun berouw en boetvaardigheid vergiffenis erlangen. Tertullianus bestrijdt dit antwoord van de keizer zeer, als indruisend tegen recht en rede, terwijl hij uitroept: ďO vonnis, dat.alleen uit verlegenheid zo verward is! Hij wil niet, dat men naar hen zoeken zal, omdat zij onschuldig zijn, en toch beveelt hij, dat men hen als schuldigen zal straffen." Hoewel door deze brieven het vuur der vervolging werd uitgeblust, toch hield daarom de vervolging niet geheel op.

Hierna schreef ook Justinus, de wijsgeer, twee verdedigingsgeschriften voor de Christenen, het een aan de Senaat van Rome, het andere aan keizer Antonius en zijn opvolgers, alsmede aan de gehele burgerij te Rome. Aan het slot van zijn schrijven zegt hij met vrijmoedigheid en welsprekende woorden: Dit zeggen wij u vooraf, dat gij het aanstaande oordeel van God geenszins zult ontgaan, indien gij in de goddeloosheid volhardt. Wij zullen niet ophouden te bidden wat God aangenaam is en behaagt, opdat de waarheid worde geloofd en de overhand behoudt."

Op deze verdedigingsgeschriften volgde een heerlijk schrijven van keizer Antoninus, hetwelk te vinden is bij Eusebius het vierde boek, hoofdstuk 13. Melito zegt bij dezelfde Eusebius te vinden, dat Antoninus Pius in het algemeen ten gunst van de Christenen in alle landen geschreven heeft, en voornamelijk aan de bewoners van Larissa, Thessalonica en Athene.

Wij willen hier nog bijvoegen, om daarmee de geschiedenis van deze derde vervolging te besluiten, enige voortreffelijke woorden van dezelfde Justinus, uit zijn samenspraak met Tryphonus waar hij met levendige kleuren de standvastigheid der Christenen in die tijd afschildert.

Inderdaad, dat niemand macht heeft om ons die in Jezus geloven, te verschrikken of te beteugelen, dit blijkt dagelijks. Wanneer wij gedood, gekruisigd, aan de dieren voorgeworpen, aan het vuur en andere pijnigingen overgegeven worden, wijken wij toch niet van onze belijdenis; maar hoe wreder men tegen ons woedt, zoveel temeer beoefenen wij de godsdienst en het geloof in Jezus; het is met ons niet anders dan of iemand door snoeien een wijngaard opwekte tot vruchtbaarheid. Want de wijngaard, door God en onze Zaligmaker Christus geplant, is Zijn volk."

 

De vierde vervolging van de christenen onder keizer Antoninus

 

De vierde vervolging tegen de Christenen barstte uit ten tijde van keizer Antoninus. Er kon geen pijniging, straf, of ombrengen, zo groot, zo wreed, zo onverbiddelijk voor de boze mensen, door de tirannen, de werktuigen des duivels, bedacht, aangewend en volvoerd worden, of men meende, dat de Christenen, als vervloekte mensen als vijanden van het rijk, als oorzaak van alle ongelukken, duizendmaal meer verdiend hadden. In het openbaar bespot, levenslang opgesloten, gevangen, gegeseld, gestenigd, geworgd, gehangen, onthoofd, verbrand te worden, werd niet voldoende geacht. In deze tijd begon men de arme Christenen met gloeiende platen tot de dood toe te bestrijken, met gloeiende tangen het vlees van het lichaam te trekken, met ijzeren stoelen over een klein vuur te plaatsen, in ijzeren pannen te verschroeien, in nauwe netten gesloten de wilden stieren voor te werpen, teneinde door deze al spelende en spottende met de hoornen in de lucht gesmeten te worden. Dit alles ging gepaard met een andere barbaarsheid, namelijk, dat men de lichamen dergenen, die omgebracht werden, de honden voorwierp, waarbij men wachters plaatste, opdat deze lijken door de gelovige Christenen niet weggehaald en begraven zouden worden. Onder de regering van deze keizer zijn de navolgende Christenen wegens hun christelijke godsdienst, ter dood gebracht.

 

Justinus, de wijsgeer

 

[JAAR 168.]

 

Justinus, een zoon van Priscus Bacchus was geboren te Neapolis, in Palestina, en wel uit Griekse ouders. Hij was een geleerd wijsgeer, zeer ervaren in alle wetenschappen der heidenen. Deze hoorde, dat de Christenen boven alles werden beschuldigd, dat zij in hun vergaderingen zich aan schandelijkheden schuldig maakten. En toch zag hij, dat zij met grote volharding de dood onbevreesd tegen gingen, waaruit hij besloot, dat het niet mogelijk was, dat zulke mensen een zodanig slecht leven zouden leiden, aangezien boosdoeners geen hoop op een beter leven kunnen hebben, maar schrikken voor de dood. Na een naarstig onderzoek van de Heilige Schrift, verliet hij dan ook het heidendom, en nam de christelijke godsdienst aan. Hij maakte zulke vorderingen in de kennis van die godsdienst, dat hij leraar werd van het Evangelie, en het christelijk geloof kloekmoedig beschermde met schrijven, en zelfs verdedigingsgeschriften aan de keizer zond, om de Christenen te verontschuldigen van de lasteringen, waarmee zij werden bezwaard. Hij wekte ook vele mensen tot het martelaarschap op. Dikwerf redetwistte hij met een onbeschaamde wijsgeer, Crescens genaamd, maar overwon hem menigmalen en maakte hem beschaamd. Deze wijsgeer vatte daarover zulk een dodelijke haat tegen Justinus op, dat hij hem in zijn hart de dood had gezworen. Van die tijd af aan hield hij dan ook niet op hem lagen te leggen en als Christen aan te klagen, totdat hij als met Justinus' bloed zijn dorst gelest had, gelijk Tatianus, een leerling van Justinus, in zijn redevoering tegen de Grieken of heidenen over hem klaagt, dat hij niet alleen Justinus, maar ook hem naar het leven had gestaan, omdat zij hem en zijns gelijken, als wulpse dieren en bedrieglijke wijsgeren, in het openbaar hadden bestraft. Justinus werd op zijn aanklacht gevangen genomen, en, daar hij kloekmoedig weigerde het Christendom af te zweren, werd hij eindelijk door de President Rusticus ter dood veroordeeld, en, na vooraf gegeseld te zijn, met de bijl onthoofd, omtrent het jaar onzes Heeren 168.

 

Germanicus

 

[JAAR 174.]

 

Alvorens de christelijke gemeente te Smyrna in haren brief aan de gemeenten van Jezus Christus in Pontus, van Polycarpus' martelaarschap melding maakt, verhaalt zij in het algemeen, hoe groot en gruwelijk de vervolging der vijanden was jegens andere martelaren, die voor Polycarpus geleden, en welke grote standvastigheid in het verdragen van allerlei pijnigingen deze martelaren aan de dag gelegd hebben. Betreffende deze wreedheid, waarmee men de Christenen pijnigde, schrijven zij aldus: "Alle omstanders waren getuigen, dat het vlees der bloedgetuigen van Christus door verscheidene geselingen en slagen tot in de binnenste aderen en allerdiepste zenuwen werd losgerukt en vaneen gescheurd, zodat men hun ingewanden en verborgen delen des lichaams zag bewegen; ja dat er dan scherven van gebroken potten, zeeschelpen, ja voetangels op de grond werden gestrooid, en daarover de reeds gemartelde Christenen met hun verscheurde lichamen, gesleept en vertreden werden. Wanneer de dus misvormde Christenen, wegens de aangedane pijnigingen, bijna waren gestorven, of nauwelijks meer adem konden halen, werden zij aan de wilde dieren voorgeworpen, om verscheurd te worden. Allen, die deze treurspelen zagen, en het aanschouwden, hoe onmenselijk de Christenen werden mishandeld, en met welk een geduld die martelaren dat verdroegen, waren daarover zeer verwonderd en ontzet.

Onder deze was een, Germanicus genaamd, die door Gods genade versterkt, de natuurlijke en aangeboren zwakheid zijns gemoeds, welke de lichamelijke dood zeer vreest, zo krachtig overwon, dat hij, wegens zijn bijzondere standvastigheid, voor een der voortreffelijkste martelaren te houden is. Toen de stadhouder hem zocht wijs te maken en te overreden, dat hij toch de bloei van zijn leven in aanmerking zou nemen en met zichzelf erbarming hebben zou, verachtte Germanicus die raad, en hield zijn jong leven niet dierbaar voor zijn Heere Jezus Christus, maar trok terstond, zonder dralen, de wilde dieren, die gereed en losgelaten waren, naar zijn lichaam toe, en hitste hen als het ware op, alsof het hem zou gespeten hebben, wanneer zij nog vertoefden om hem te verslinden, teneinde alzo te eerder van het lichaam der zonde verlost te mogen worden, tot grote verwondering van al het volk. Met grote standvastigheid had hij aldus zijn leven veil voor de goddelijke waarheid, en stierf te Smyrna, in Klein-AziŽ, omtrent het jaar van Christus' geboorte 174.

 

Meliton

 

Meliton, opziener van de gemeente van Christus te Sardis, een stad in LybiŽ, was een geleerd, welsprekend en met de Heilige Geest begaafd man. Hij schreef een apologie of verdediging van de christelijke godsdienst, en zond die aan keizer Antoninus. Ook Claudius Apollinaris, opziener der. gemeente te HiŽrapolis, een stad in AziŽ, deed het zelfde, zoals ook daarna Athenagoras, een wijsgeer te Athene, en een geleerd en godvruchtig man.

Toen keizer M. Antoninus de Marcomannen overwonnen had, voerde hij oorlog tegen de Quaden. Met zijn leger in hun land vallende, werd hij dapper aangevallen, en, na een hevige strijd, met zijn volk ingesloten in een plaats tussen het gebergte, waar groot gebrek was aan water, terwijl zij veel van de hitte te lijden hadden. Gedurende vijf dagen verkeerden zij daarin groten nood, zodat zijn volk, door de hitte en van de dorst schier versmacht, in moedeloosheid ieder hunner zijn goden tevergeefs aanriep. In die ogenblikken deed zich een afdeling Christenen op, die ingeschreven waren in zeker groot leger, Melitana genaamd. Deze bogen met een vast geloof de knieŽn voor de enige, eeuwige en waarachtige God. En, toen zij hun vurige gebeden voor de nood van de vorst en hen allen uitgestort hadden, werden zij terstond, en wel geheel onverwacht en tot ieders verwondering, met twee weldaden gezegend, een overvloedige regen in hun midden, waardoor het leger zeer werd gelaafd, terwijl boven de hoofden der vijanden hevige en langdurige bliksemstralen en donderslagen zich ontlasttten, waardoor zij verdreven en verstrooid werden.

Door dit wonder werd het gemoed van de keizer dermate getroffen, dat hij van die tijd aan de Christenen gunstiger behandelde, ja, zelfs in brieven, die hij aan verscheidene stadhouders zond, beleed, dat hij door het gebed der Christenen de overwinning verkregen bad, en aan het bovengenoemde leger de naam gaf van het bliksemende."

Was de vervolging van de Christenen onder M. Antoninus geŽindigd, onder keizer Commodus duurde de vrede voort, en wel omdat hij zonder twijfel nog aan het buitengewone wonder dacht, hier boven verhaald, dat zijn vader tot meedogendheid jegens de Christenen had opgewekt; maar ook omdat hij een bijzit had, Marcia genaamd, die de Christenen een goed hart toedroeg. In het begin der regering van Commodus hadden dus de Christenen vrede, maar dit duurde niet lang.

In weerwil van die vrede, worden toch door sommigen als martelaren in het begin van zijn regering gehouden en genoemd: Vincentius, Eusebius, Peregunus en Potentianus, leraars, als ook Julius, een raadsheer te Rome.

 

Polycarpus

 

In deze tijd werd ook in de stad Smyrna gevangen genomen Polycarpus, een leerling van de Apostel Johannes, die Johannes zelf het woord had horen verkondigen, en die met hen had omgegaan, die de Heere Christus hadden gezien, en door Johannes was aangesteld tot een opziener van de gemeente der genoemde stad Smyrna.

De stadhouder Filippus vermaande hem, dat hij, zijn ouderdom in aanmerking nemende, zou zweren bij de goden des keizers en Christus vloeken. Met grote vrijmoedigheid antwoordde hij echter: ďZes en tachtig jaren heb ik mijn Heere Christus gediend, en hij heeft mij nimmer enig kwaad gedaan; hoe zou ik mijn Koning kunnen vloeken, die mij behouden heeft?" Toen de stadhouder hem dreigde met de wilde dieren, als hij van zijn voornemen geen afstand deed en zich bekeerde, antwoordde Polycarpus: laat hen voorkomen, want mijn besluit is onveranderlijk, wij kunnen ons door bedreigingen niet bekeren van het goede, tot het kwade, beter ware het, dat zij zich tot het goede bekeerden, die in hun boosheid volharden."

Vervolgens zei de stadhouder: houdt gij nog vol? Als gij de wilde dieren veracht, zal ik u door vuur laten verbranden." ďGij dreigt mij met vuur," dus hernam Polycarpus, "dat in een ogenblik ontstoken en weer uitgeblust wordt, want gij weet niet van het eeuwige vuur, dat de bozen treffen zal in de dag des oordeels. Wat vertoeft u nog? Doe aan mij, wat gij van beide goedvindt."

Toen nu het volk zijn dood eiste, werd hij door de stadhouder overgeleverd om verbrand te worden. Als nu het hout van alle kanten voor de brandstapel was aangebracht, waarbij vooral de Joden, volgens hun gewoonte zich beijverden, en men hem met nagels aan een paal wilde hechten, zei hij: laat mij zoals ik ben. Die mij kracht gegeven heeft om de pijn van het vuur te verdragen, zal mij ook helpen om op deze brandstap te blijven. Daarop werd hij slechts gebonden. Toen hij met vrijmoedigheid tot God gebeden had en het vuur hem niet deerde, aangezien dit, tot ieders verwondering, onder en rondom hem uitbarstte, zonder hem nochtans te verteren, werd hij eindelijk doorstoken, waarbij het bloed zo overvloedig uit zijn lichaam vloeide, dat het vuur daardoor werd uitgedoofd.

 

Felicitas en haar zeven zonen

 

Felicitas, een weduwe, geboren te Rome, werd in haar vaderstad, om Gods Woord, met haar zeven zonen omgebracht.

 

Vetius Epagathus

 

[JAAR 179.]

 

In die tijd ontstond te Lyon en te Vienne in Frankrijk een grote beroerte, wegens het wrede geweld, dat men de Christenen aandeed. De huizen en woningen werden verboden, daarna ook het gebruik der baden en later zelfs van de straat. Dit ging zelfs zo ver, dat men hen in het geheim noch openbaar duidde. Desgelijks werden er velen gevangen genomen en gepijnigd, zodat zij veel hebben moeten lijden.

Vetius Epagathus, een vroom Christen, en hoewel van jeugdige leeftijd, toch christelijk van leven, en een geacht edelman, die de wreedheid zag, welke men de Christenen aandeed, verlangde, door een ijverige geest bezield, van de rechter, dat men hem wilde aanhoren in hetgeen hij ten gunst van de goede burgers in het midden wilde brengen; dat zij namelijk niets kwaads bedreven, en zich niet in de strikken der ongerechtigheid lieten vangen. Toen hij echter geen gehoor kon krijgen, vroeg de rechter hem alleen, of hij een Christen was. En, toen hij dit openlijk en vrijmoedig beleed, zei de rechter: ďDan zult gij met de gevangenen meegaan als een voorspraak van de Christenen." Zo werd hij dan ook met de heilige leraar Zacharias, die als een goed herder voor zijn schapen streed, gevangen weggeleid en eindelijk gedood in het jaar onzes Heeren 179.

 

Sanctus, de Diaken

 

Er werd ook gevangen genomen een diaken uit de stad Vienne, Sanctus genaamd. Men pijnigde hem op zeer onmenselijke wijze, teneinde van hem te weten te komen, of de Christenen zich aan zulke gruwelijke handelingen schuldig maakten, als waarvan men hen beschuldigde. Maar, aangezien hij zeer door God versterkt werd, verachtte hij al de pijnigingen, welke zij hem aandeden, dermate, dat hij niet bekende, wie hij was, noch uit welk geslacht, uit welk land of hoe hij heette. Toen men hem onder de pijnigingen omtrent alles ondervroeg, antwoordde hij niets anders dan dat hij een Christen was. ďDit is mijn naam," zei hij, ja ik ben in het geheel niet anders dan een Christen." Om deze reden koelden de tirannen hun wraak dermate aan hem, dat zij zijn buik en andere gevoelige plaatsen van zijn lichaam met gloeiende ijzeren platen belegden, zodat zijn vlees verbrandde en van het lichaam viel. Toen deze heilige martelaar dus standvastig bleef, werd hij in zeer mismaakte toestand in de gevangenis geworpen, terwijl later deze vrome getuige, na vele en gruwelijke pijnigingen, andermaal werd voorgebracht, en om de getuigenis van Christus onthoofd.

 

Attalus, Blandina, Ponticus en nog een ander

 

Attalus en Blandina gevangen genomen zijnde, werden zeer dikwijls en vreselijk gepijnigd, opdat zij Christus zouden verloochenen en zekere verzonnen boze daden van de Christenen bekennen. Na zware pijnigingen te hebben uitgestaan, zette men hen weer in de gevangenis.

In deze tijd is onder de Christenen het bijgeloof, om sommige spijzen uit te zonderen, in zwang gekomen. Men achtte het toen niet ongeoorloofd, (zoals men nu doet) op zekere dagen vlees te eten, want dit is later eerst verordend, toen de Antichrist dit begon te verbieden; maar sommigen onthielden zich van het gebruik van vlees, omdat zij meenden, dat hun vleselijke lusten daardoor temeer zouden onderdrukt en bedwongen worden. Later dachten sommigen, dat het een heilige verrichting was, (naar hun mening) Gode aangenaam, en zo werd het ten laatste een verbod. Juist in deze tijd zat er een ander Christen met Attalus en Blandina gevangen, die zich zeer sober behielp, en geen wijn en vlees gebruikte. Nu openbaarde God aan Attalus, dat hij deze mens aanzeggen moest, dat hij zich van dagelijkse spijs moest bedienen, opdat anderen zijn voorbeeld daarin niet zouden navolgen, aangezien eenvoudige mensen licht konden menen, dat het bijzondere gebruik van spijs een aanbevelenswaardige godsvrucht was. Attalus deelde deze openbaring aan deze mens en andere gevangenen mee, die er aan gehoorzaamden, terwijl de anderen er door geleerd en versterkt werden.

Na Attalus en de anderen zware en onlijdelijke pijnigingen te hebben aangedaan, werd de eerste voor de wilde dieren geworpen, ofschoon hij een Romeins burger was, die men, volgens het bevel des keizers, had behoren te onthoofden. Maar toen de wilde dieren het lichaam van de martelaren niet aanroerden, liet de rechter hen andermaal op velerlei wijze pijnigen, en werden zij zelfs op ijzeren stoelen boven het vuur geplaatst. Toen nu Attalus op de stoel zat, en men bezig was hem te binden, zei hij tot het volk: ziel, dit is nu mensen eten (de Christenen werden ook beschuldigd, dat zij kinderen aten) wat gijlieden doet; wij eten geen mensenvlees, en bedrijven ook geen wandaden." Als zij hem vroegen hoe God heette, antwoordde hij: ďWaar er velen zijn, daar worden zij met namen onderscheiden; maar, aangezien er slechts ťťn God is, heeft Hij geen naam nodig." Eindelijk werd Attalus met de anderen in het perk onthalsd.

Nadat deze omgebracht waren, werden Blandina en Ponticus een jongeling van 15 jaren, andermaal voorgebracht. Toen men hun gebood, dat zij hij de afgoden zouden zweren, antwoordden zij, dat de afgoden niets zijn, en dat zij daarom bij hen niet zweren konden. Als zij en vele anderen zich tegen de afgoderij verklaarden en die verfoeiden, werden zij weer op de vreselijkste wijze gepijnigd, zo zelfs, dat Ponticus onder de martelingen de geest gaf. Nadat Blandina van de morgen tot de avond dermate was gemarteld, dat haar gehele lichaam vaneen gescheurd en als aan stukken gereten was, zo zelfs, dat haar pijnigers door vermoeidheid ter aarde vielen, en bekenden, dat zij geen pijnigingen en martelingen meer konden uitdenken, die haar gevoelig moesten aandoen, riep zij niets anders dan: ďIk ben een Christin, en door ons wordt niets kwaads of onbehoorlijks gedaan. Eindelijk werd zij in een net gewikkeld en de stieren voorgeworpen. Deze wierpen haar herhaalde malen met hun horens in de hoogte, totdat zij haar ziel Gode opofferde, in het jaar onzes Heeren 179.

 

Photinus, bisschop te Lyon

 

[JAAR 179].

 

Photinus, bisschop of leraar te Lyon, een man van ruim negentigjarige ouderdom, en zwak van lichaam, werd voor de rechterstoel van het volk gebracht. Zijn vijanden schreeuwden verward door elkaar, en zeiden, dat hij Christus zelf was. Op de vraag van de president, wie de God der christenen was, antwoordde hij: "Wanneer gij het waardig bent, zult gij het weten." Als wilde dieren vielen zij toen op hem aan, en martelden hem met slaan, schoppen, trekken, stoten, trappen enz. dermate dat hij twee dagen daarna overleed. In het jaar 179 na Christus' geboorte zijn te Lyon en te Vienne, omstreeks dezelfde tijd, waarin Photinus stierf, nog ter dood gebracht, Zacharias, een ouderling, Maturus, Alexander, een dokter, en Alcibiades.

In deze tijd werden ook vele anderen op wrede wijze vervolgd en gedood, zij werden aan de honden voorgeworpen, men verbood hen te begraven, en de as van hun verbrande lichamen werd in het water geworpen, opdat zij, naar hun mening, geen deel zouden hebben aan de opstanding, waarop de gelovigen hopen. God intussen, gaf aan Zijn volk moed en stond hen bij, zodat zij geen vrees hadden voor de tirannie.

 

Apollonius

 

[JAAR 188]

 

Apollonius, een raadsheer te Rome, was een man, die wel verdient genoemd te worden, daar hij zich voor de belijdenis des christelijken geloofs gewillig in de dood heeft overgegeven, zonder in het minst in aanmerking te nemen de staat, waarin hij verkeerde, en de waardigheid, die hij bekleedde. Toen hij door zijn slaaf was aangeklaagd, dat hij een Christen was, en de senaat van Rome hem dwong om rekenschap van zijn geloof te geven, legde hij een verdedigingsgeschrift van zijn geloof over, en las het, gelijk sommigen zeggen, aan de senaat voor. En, hoewel de Christenen nu vrede hadden, zo beweren sommigen, dat de senaat hiertoe gedrongen werd door zekere wet, die beval, dat men een Christen, die aangeklaagd was, en bij zijn belijdenis bleef volharden, niet mocht vrijlaten. Maar ook om aan de anderen kant het bevel van Antoninus te volbrengen, liet de senaat eerst de aanklager de benen breken. Dit geschiedde onder de regering van keizer Commodus te Rome, in het jaar onzes Heeren 188.

 

De vijfde vervolging van de christenen onder keizer Septimeus Severus

 

De vijfde vervolging van de Christenen barstte uit in het tiende jaar der regering van keizer Severus. De aanleiding tot deze vervolging was, dat de eerrovers en lasteraars allerlei valse beschuldigingen uitstrooiden jegens de Christenen, namelijk, dat zij oproerige lieden waren, die zich jegens de keizerlijke majesteit misdroegen, doodslagers, tempelrovers, bloedschenders, die in hun samenkomsten de kaarsen uitbliezen en zich aan allerlei ontucht en ondeugd overgaven, kindermoordenaars, menseneters insgelijks, dat zij een ezelskop als God vereerden, maar bovenal dat zij de goden verachtten, en dat daarom vanwege hen ongeluk en rampen de mensen was overkomen.

De hevigste vervolging had plaats, nadat Eusebius en Tertullianus in Afrika hun geschriften hadden opgesteld.

Een grote menigte Christenen werd naar AlexandriŽ, in Egypte, gebracht, waar zij om de naam van Christus op velerlei wijzen gedood werden.

Tot de voornaamste martelaren van die tijd behoren de navolgende.

 

Leonidas

 

Onder deze hevige vervolging werden vele vrome Christenen om de christelijke godsdienst onder de grootste pijnigingen ter dood gebracht. Onder deze was ook Leonidas, de vader van de geleerden Origenes, een man van zeventig jaren. Toen hij in de gevangenis zat, vermaande hem Origenes, die toen slechts zeventien jaren oud was, met een troostvolle brief tot volharding in zijn lijden, en dat hij zich niet moest bekommeren om zijn vrouw, Origenes' moeder, en haar zeven jeugdige kinderen, van welke hij de oudste was. Leonidas, aldus door zijn zoon tot volharding opgewekt, en bovenal versterkt door de bijzondere bijstand des Heilige Geestes, werd, omdat hij verstandig bleef, om de belijdenis van Christus, te AlexandriŽ onthoofd, in het tiende jaar der regering van Severus, toen Letus in die stad van Egypte stadhouder was, terwijl al zijn bezittingen ten behoeve van de schatkamer des keizers werden verbeurd verklaard.

Te die tijde onderwees Origenes zijn leerlingen zo krachtig in het geloof, dat later velen hun leven voor de christelijke godsdienst hebben overgegeven. Onder deze waren de eerste Plutarchus, twee mannen, waarschijnlijk gebroeders, Sereni genaamd en Hero. Toen Plutarchus naar de strafplaats werd geleid, om gedood te worden, was Origenes aan zijn zijde om hem te troosten, waarom hij voorzeker door de woedende schare zou doodgeslagen zijn geworden, zo de goddelijke Voorzienigheid hem niet had beschermd.

 

Irenaeus, bisschop

 

Irenaeus, geboren te Smyrna of daaromtrent, in AziŽ, was, onder Photinus de bisschop, ouderling te Lyon, in Frankrijk. Hij was een godzalig, en geleerd en zeer verstandig man, daar hij in zijn jeugd een leerling was van Polycarpus, bisschop en martteDlaar te Smyrna. Wegens zijn bekwaamheid en godzaligheid was hij in Photinus' plaats gekomen. Hij was een naarstig beminnaar en navolger van de leer van Christus, oprecht in zijn leven en zeer geacht bij alle vermaarde personen van zijn tijd. Op bijzondere wijze bevorderde hij de vrede der kerk, vooral in de twist, die ontstaan was, door Victor, bisschop te Rome, over de tijd, wanneer het Paasfeest moest gevierd worden.

Tengevolge van die twist werkte Victor mee, dat de Oosterse gemeente zich van de Westerse hebben afgescheiden, waarover IrenaeŁs hem en zijn medestanders ernstig bestrafte. Hij heeft enige goede boeken nagelaten, vooral tegen de ketters, die hij manmoedig weerstond. Nadat hij gedurende geruime tijd de waarheid voorstond en verdedigde, werd hij eindelijk onder de regering van Severus te Lyon gedood, ofschoon het onzeker is, wanneer en welke dood hij gestorven is.

In die tijd werd ook ter dood gebracht zekere RhaÔs, een eerbare vrouw, alsmede Marcella en haar dochter Potamiena. Toen over deze het vonnis des doods geveld was, bespotte het gemene volk haar zeer, doch het werd door Basilides, die het vonnis uitgesproken had, daarover bestraft, terwijl deze Basilides, door Gods genade, het geloof in Christus omhelsde, ook daarna de marteldood stierf.

De voornaamste stadhouders, die in die tijd de Christenen het meest geplaagd hebben, waren, volgens Tertullianus: Hilarianus, Vigellius, Claudius, Herminianus, Cecilins, Capella, Vespronius; volgens Cyprianus, ook Demitrianus en volgens Eusebius, ook Aquila. De meesten dezer werden, op onderscheiden wijzen, door Gods hand gestraft, zoals onder anderen Claudius Herminianus, (zonder dat anderen er mee besmet werden) met de pest, nadat hij vroeger geplaagd was door schadelijk gewormte.

Voor zijn dood zei hij: ďlaat niemand dit weten, opdat de Christenen zich niet verblijden."

Omtrent deze tijd schreef Septimius Florens Tertullianus, geboren te Carthago in Egypte, een verdedigingsgeschrift voor de Christenen tegen de heidenen, waarin hij al de lasteringen weerlegt, welke men in die tijd de Christenen aandeed; hij toonde aan, dat zij onschuldig waren en vervolgd werden, niet om enige boze handelingen, maar alleen om hun naam als Christenen. Hij voegde er bij, dat niettegenstaande de bitterheid der vervolging, hun godsdienst in het minst niet leed of verzwakte, maar veel meer werd opgewekt en gesteund. Onder andere zegt hij: ďOns aantal neemt toe, en wij wassen aan, wanneer wij door u als gemaaid worden. Het bloed der Christenen is als het zaad. Want wie is er onder ulieden, die dit ziet, welke niet gedrongen wordt om te onderzoeken, welk een zaak het Christendom toch zij? Wie is er, wanneer hij het onderzocht heeft, die er niet toe overgaat? En als hij er zich bijgevoegd heeft, ook niet wenst te lijden? Op soortgelijke wijze zegt dezelfde: deze sekte (dit woord wordt hier gebruikt in een gunstige betekenis) zal nooit uitgeroeid en vernietigd worden. Gelooft het toch, dat zij opgebouwd wordt. al schijnt zij vernietigd te worden. Want een ieder, die deze grote lijdzaamheid ziet van hen, welke hoe langer hoe meer geslagen worden, wordt geprikkeld en aangevuurd om te onderzoeken, wat daarvan de oorzaak is. En wanneer hij tot kennis der waarheid gekomen is, volgt hij ook onverwijld de Christenen na."

M. Aurelius Severus, de zoon van Antoninus en neef van de keizer Severus, was een vroom en oprecht vorst, zeer geleerd en de geleerden gunstig. Zijn moeder Mammea was een zeer wijze vrouw, die hij zeer eerde en wier wijze vermaningen hij volgde. Toen hij aan de regering kwam, bestuurde hij de Republiek onder voorlichting van wijze en verstandige mannen, onder welke vooral rechtsgeleerden waren. De goddelozen, gierigaards, onrechtvaardigen en boosaardigen ontnam hij alle openbare bedieningen. De soldaten hield hij onder goede tucht en bestraffing. Op aanhitsing van Ulpianus was hij in het begin van zijn regering de Christenen niet zeer gunstig, zodat sommigen van hen werden omgebracht, zoals:

Agapitus, een jongeling van 15 jaren.

Calapodius, een ouderling.

Pammachius, een raadsheer te Rome.

Simplicius, een raadsheer.

Insgelijks de gebroeders Tiburtius en Valerianus; verder Quiritius, Patritius en zijn moeder Julia.

Ook Cecilia en Martina, beiden maagden.

Later was de keizer de Christenen gunstiger, vooral om zijn moeder, die de Christenen een goed hart toedroeg. Zij beschikte ook de Christenen een plaats, waar zij hun godsdienstoefeningen konden houden, en wilde zelfs ter ere van Christus een tempel bouwen, doch werd daarin verhinderd. Men leest ook, dat, toen de Christenen zekere plaats genomen hadden, om die tot de godsdienstoefeningen te gebruiken, en de slachters der offeranden beweerden, dat die hun toekwam, de keizer zei, dat hel beter ware, dat men op die plaats God, op welke wijze dan ook, diende en eerde, dan dat zij door de onreinheid van de dienaars der tempels besmet en verontreinigd werd.

M. Minucius Felix, een rechtsgeleerde te Rome, en een zeer voortreffelijk en geleerd man, stelde een samenspraak op ten gunste van de christelijke godsdienst, waaraan hij de naam gaf van Octavius.

Lactantius getuigt aldus van hem: ďMinucius Felix was onder de rechtsgeleerden een man van hoog aanzien, en zijn boek, dat de naam van zijn vriend Octavius draagt, geeft de duidelijkste blijken welk een bekwaam dienaar der waarheid hij zou geweest zijn, wanneer hij zich daaraan geheel en al had overgegeven."

 

De zesde vervolging van de christenen onder keizer Maximinus

 

De zesde vervolging der Christenen brak uit onder de regering van keizer Maximinus, een van nature zeer wreed mens, zo jegens aanzienlijke personen, omdat hij van geringe afkomst was, als jegens de dienaars van het Evangelie. Tot geluk van de Christenen duurde deze vervolging niet lang, daar hij slechts twee jaren regeerde. Aangezien deze keizer een hevige vijand was van de dienaars van het evangelie, werden zij ook het eerst vervolgd, omdat zij leraars en bewerkers waren, zoals men zei, van de christelijke godsdienst.

Men meende namelijk, dat, wanneer men deze vervolgde en wegjoeg, de anderen te eerder hun godsdienst zouden laten varen.

De kerkleraar Origenes schreef toen een brief, teneinde de Christenen tot standvastigheid op te wekken, over het martelaarschap, en droeg dit op aan Ambrosius, opziener der gemeente te Milaan, en Protoctus, beide geleerde mannen in die tijd.

De geschiedenis zegt, dat onder zijn regering, om de belijdenis der goddelijke waarheid gedood werd Fabianus, opziener van de gemeente te Rome.

 

De zevende vervolging van de christenen onder keizer Decius

 

[JAAR 251.]

 

Omtrent het jaar onzes Heeren en Zaligmakers 251 ontstond er een zeer grote en wrede vervolging tegen de gelovige Christenen, en wel onder de regering van keizer Decius, gewoonlijk de zevende genaamd. Sommigen dachten dat hij deze vervolging beval uit haat jegens keizer Filippus, die de christelijke godsdienst had aangenomen. Maar Cyprianus, die in die tijd leefde, schrijft de aanleiding tot deze vervolging aan de Christenen zelf toe. "Men moet (zegt hij) het inzien en belijden, dat de grimmige en vernielende benauwdheid, die onze kudde voor het merendeel verwoest heeft en nog zonder ophouden verwoest, om onze zonden ons is overkomen, omdat wij de weg des Heeren niet bewandelen, en de hemelse geboden ons tot onze zaligheid gegeven, niet bewaren. Onze Heere heeft de wil Zijns Vaders volbracht, en wij volbrengen de wil van onze Heere niet. Ieder onzer benaarstigt zich om geld en goederen te vergaderen, de hovaardij na te jagen; men maakt zich schuldig aan afgunst en tweedracht, verzaakt de eenvoudigheid en verloochent de boze wereld alleen niet woorden en niet met daden, behaagt zichzelf en mishaagt allen. Wij worden aldus geslagen, gelijk wij verdienen; want welke plagen, welke slagen verdienen wij niet?" etc.

En elders; indien men de oorzaak van de jammer en het ongeluk kent, zal men gemakkelijk een geneesmiddel vinden voor de wond. De Heere heeft Zijn huisgezin willen beproeven; en, aangezien de langdurige vrede, de lering en tucht, die ons van de hemel gegeven waren, bedorven had, zo heeft de hemelse straf het onmachtige, ja bijna had ik gezegd het slapende geloof, wederopgewekt. En, daar wij door onze zonden nog meer verdienden te lijden, heeft nochtans de allerbarmhartigste Heere zo genadig met ons gehandeld, dat al wat er is geschied, veeleer een bezoeking scheen dan een vervolging. Ieder benaarstigde zich, om zijn bezittingen te vermeerderen, en men vergat wat de gelovigen of de Christenen in de tijd der Apostelen. gedaan hebben, of altijd behoorden te doen; men wendde, integendeel, alle naarstigheid aan, om als door een onverzadigbare brand van gierigheid de rijkdommen op te hopen en te vermeerderen. Onder de priesters vond men geen behoorlijken ijver om God te dienen; onder de dienaars geen oprecht geloof, in de werken geen barmhartigheid, in de zeden geen tucht. Tot dusverre Cyprianus.

In deze bloedige vervolging werden vele Christenen, uit de aanzienlijken en uit de lage stand, in vele landen en steden van het gehele keizerrijk onder ongehoorde pijnigingen ter dood gebracht.

 

Alexander, opziener van de gemeente te Jeruzalem

 

Alexander, opziener van de gemeente te Jeruzalem, was een man, groot in aanzien en gezag. Hij was zeer begaafd en vreesde de Heere bijzonder. Voor de waarheid van Christus leed hij veel, doch God spaarde hem, en wel tot onder de regering van keizer Decius. Onder diens regering werd hij, om de belijdenis van Christus, door de stadhouder in Cesarea gevangen genomen en voor diens rechterstoel gebracht. Door alle gelovigen werd hij daar op treffende wijze in Christus geroemd, en wel bovenal om zijn vrijmoedige verantwoording voor de naam van Christus. Daarom werd hij in ketenen geklonken, in de gevangenis gezet, waar hij lang vertoefde, dikwijls voor de vierschaar geroepen werd en telkens weer naar de gevangenis moest terugkeren. Nadat hij deze ellendige mishandeling met lijdzaamheid verdroeg, en God met de Apostelen dankte, dat Hij hem waardig achtte, om Zijns Naams wil dit lijden uit te staan, offerde hij ten laatste, na veel smart en lijden, zijn leven aan God op. Of hij door pijnigingen, of hongersnood, of andere ellende in de gevangenis gestorven is, daaromtrent is niets zekers bekend.

 

Babylas, opziener der gemeente te AntiochiŽ

 

Babylas, bisschop of opziener van de gemeente te AntiochiŽ, was een voortreffelijk man (zegt Chrysostomus), over wie ieder zich met recht mocht verwonderen, daar hij keizer Decius belette in de vergaderingen der Christenen te komen, omdat hij niet wilde, dat een wolf in het midden der schapen vallen zou. Hij werd gevangen genomen en gedwongen de afgoden te offeren, doch weigerde dit. Na zijn goede zaak verdedigd en verklaard te hebben, dat een herder zijn schapen niet behoort te verlaten, dat hij de almachtige God niet wilde verzaken, en tot valse goden de toevlucht nemen, werd hij om deze belijdenis ter dood veroordeeld. Toen hij bereid was om te sterven, zei hij: "Mijn ziel, ga tot uw rust, want de Heere heeft u aangezien." En alzo werd hij onthoofd.

 

Metranus en vele anderen te AlexandriŽ

 

AlexandriŽ was als het ware de schouwplaats van alle tirannie. Onder ben, die daarin die tijd om de naam van Christus werden omgebracht, zijn de volgende wel de voornaamste:

Metranus, een godvruchtig, bejaard man, die, om de belijdenis van Christus, door het oproerige volk te AlexandriŽ gevangen genomen werd, wilde men dwingen om godslasteringen uit te spreken, dat is, om de naam van God te lasteren, en Zijn Gezalfde, de Heere Jezus Christus, te verloochenen. Toen hij dit weigerde, sloeg men hem met stokken over het gehele lichaam, terwijl zijn aangezicht met scherpe rieten doorstoken werd. Toen hij aldus gepijnigd en gemarteld was, werd,hij buiten de stad geworpen en ter dood gestenigd.

Daarna werd ook gegrepen zekere Cointha, een edele en gelovige vrouw, die men in een afgodstempel bracht, voor de goden plaatste en haar dwong om die te vereren. Maar, toen zij niet verfoeiing van de afgoderij, zich daarvan afkeerde, bonden zij haar voeten samen, en sleepten haar alzo door de straten van AlexandriŽ, geselden haar met roeden, en drukten haar naakte lichaam tegen draaiende molenstenen. Toen zij haar lang genoeg gesleept, geslagen, gemarteld en door geselslagen haar lichaam vaneen gereten en verscheurd hadden, en zij onder dit alles bijna bezweken was, trokken zij naar de voorstad, waar zij haar met stenen wierpen en daarmee bedekte.

Dit wreed en onstuimig volk sloeg ook de handen aan Apollonia, een bejaarde, beroemde en christelijke maagd, en sloegen haar met vuisten derwijze in het gezicht, dat zij al haar tanden uit de mond verloor. Daarna brachten zij haar voor een vuur, en zeiden haar, dat, wanneer zij aan hun goden niet wilde offeren en Christus vloeken, zij daarin verbrand zou worden. Maar zij verkoos liever de pijniging van het vuur, en het verlies van haar tijdelijk leven, dan Christus te verzaken en haar ziel te verliezen om het tijdelijke leven te behouden.

Zo werd ook Serapion, geboren te Efese, uit zijn huis gesleept en zijn lichaam door vele slagen vaneen gereten en bijna van lid tot lid aan stukken gesneden. Na deze wrede mishandeling wierpen zij hem bovendien van zekere hoge plaats naar beneden, zodat hij in ellendige toestand stierf.

In die tijd werd ook een Julianus, bijgenaamd Eunus, die ook de waarheid staande bleef. Door de tirannen werd hij op een kameel gezet, en alzo door de stad gevoerd. Met scherpe roeden werd hem het vlees van het lichaam gescheurd, en terwijl het woedende volk hem met stenen wierp, werd hij eindelijk verbrand.

Voorts lezen wij nog van een kloek en dapper ridder, Besas genaamd, die het volk bestrafte, omdat zij de dode lichamen der martelaren bespotten. Door de woede van het volk werd hij gevangen genomen, en, daar hij Christus standvastig beleed, levend verbrand.

Wij willen ook niet zwijgen van Macarius van LybiŽ, wie de rechter met vele redenen aanraadde, dat hij Christus zou verloochenen. Maar, daar hij te sterker in zijn belijdenis volhardde, werd hij levend verbrand.

Epimachus en Alexander hebben ook, na vele pijnigingen, hun leven in het vuur moeten eindigen.

Aan het vrouwelijke geslacht heeft God evenzeer Zijn kracht op wonderbare wijze betoond. Er waren namelijk, Ammonaria en Mercuria, twee maagden, en Dionysia, een bejaarde vrouw, en nog een andere Ammonaria, die ook, onder vele wrede pijnigingen, tot verzaking van de christelijke godsdienst werden aangezocht. Zij gedroegen zich daarbij evenwel zo standvastig, dat de vijanden Gods zich schaamden. Niettegenstaande dit, liet de rechter ze onthoofden.

In deze vervolging werden ook opgebracht Cheremon, bisschop te Nicopolis, een stad in Egypte, Heron, Arsinus, Isidorus, alle drie Egyptenaars. Insgelijks Nemesius, Ammon, Zenon, PtolomeŁs, Ingenuus, Theophilus, ook Scirion, een rentmeester van een aanzienlijk man. Deze beval Scirion, dat hij de afgoden zou offeren; maar, toen hij dit weigerde, zocht hij hem met harde woorden en bedreigingen daartoe te dwingen. Maar toen hij daarmee bij hem niet vorderde, en Scirion volstandig in zijn geloof volhardde, beproefde hij met vleiende woorden hem daartoe te bewegen. Maar, toen hij zag, dat hij onbeweeglijk bleef, nam hij een scherpe paal, en stootte hem daarmee zo lang in zijn lichaam, totdat hij op wrede wijze vermoord was.

Zo wij alle martelaren wilden opsommen, die in alle landen van het keizerrijk, onder de regering van deze tiran Decitis, werden omgebracht, dit boek zou die allen nauwelijke kunnen bevatten. Aangaande deze vervolging getuigt Nicephorus: dat het even moeilijk is, al de martelaren aan te wijzen, als het zand van de zee te tellen."

De pijnigingen, waaronder de arme Christenen in die tijd werden omgebracht, waren ontzettend hard. Gebannen, van zijn bezittingen beroofd, tot werken in de mijn veroordeeld, gegeseld, onthoofd, opgehangen te worden, werd gering en als niets geacht. Zij werden met hete tarwe bestrooid, over een klein vuur geblakerd, gestenigd, met scherpe pennen in het aangezicht, de ogen, ja het gehele lichaam gestoken, langs de straten over harde keien en scherpe stenen gesleept, tegen steenrotsen verpletterd, van hoge steile plaatsen afgeworpen, de leden aan stukken gebroken, met kromme haken vaneen gescheurd, op scherven van gebroken potten gewenteld, de wilden dieren tot roof en spijs gegeven. Boven dit alles werden hun palen door de lengte van het lichaam gedreven.

Zodanige pijnigingen maakten vele Christenen bevreesd, zodat sommigen van hen afvallig werden, en schipbreuk leden in hun geloof. Van deze hebben wet enige berouw gehad, maar velen zijn verhard gebleven en rechtvaardig door God gestraft.

In de tijd, dat Cyprianus verbannen was, schreef hij aan zijn medehelpers in het werk des Heeren en anderen, zeer troostrijke brieven. Onder deze brieven is de laatste van zijn derde boek zeer heerlijk, waarin men, onder andere, deze woorden leest: "De straffen zijn voor de Christenen geen vervloekte dingen. De borst van een Christen, die al zijn hoop op Christus heeft gevestigd, Die aan het kruishout heeft gehangen, wordt door de knotsen niet verschrikt. De boeten en straffen zijn als versierselen, en hechten de harten der Christenen niet aan de zonde, maar maken die vrij bij de Heere. Het lichaam der Christenen vindt bij het werk in de ijzermijnen geen genot als op een bed, maar smaakt genot in de gemeenschap met Christus; de leden, vermoeid door de arbeid, liggen wel uitgestrekt op de aarde, maar het is geen pijn alzo met Christus te liggen; koud zijnde vinden zij daar geen klederen, maar wie Christus aandoet en door Hem overkleed, is, is overvloedig gekleed en versierd." En daarna: "God, van boven neer ziende, is, in de belijdenis van zijn naam, aan de gewilligen aangenaam; Hij helpt de strijdende, kroont de overwinnende, vergeldende in ons, wat Hij zelf gedaan heeft en verheerlijkende wat door Hem volbracht is."

Aangaande de straffen, die de vervolgers toen van God zijn overkomen: schrijft dezelfde Cyprianus aldus: Wij zijn er zeker van en het is gewis, dat wat wij lijden niet ongestraft blijft; en hoe groter de zonde van de vervolging is, zoveel te duidelijker en te zwaarder zal de straf zijn, voor de vervolging ons overkomen. Wanneer ons niet overkomt, wat om die reden in vorige tijden geschied is, zo zal, wat onlangs gebeurd is, ons genoegzaam tot lering kunnen verstrekken, namelijk, dat de verdediging zo haastig volgde en met zulk een grote spoed, zo hard en zwaar, met de val van koningen en prinsen, met verlies van schatten en rijkdommen, met de afval en schade der krijgslieden, en met vermindering der legers."

 

De achtste vervolging van de christenen onder de keizers Valerianus en Gallienus

 

Valerianus en Gallienus waren in het begin van hun regering de Christenen zeer gunstig, doch veranderde al spoedig, en werden tot haat verleid door een Egyptische tovenaar; zodat zij daarna de Christenen, door verschilende pijnigingen, tot afgoderij dwongen.

Lucius, opziener van de gemeente te Rome werd omgebracht.

 

Cyprianus, bisschop te Karthago

 

Cecilius Cyprianus, geboren in Afrika, werd eerst opgevoed en onderwezen in 1 de vrije kunsten onder de heidenen. Toen hij te Karthago onderwijs gaf in de welsprekendheid, werd hij met de christelijke godsdienst bekendgemaakt door een maagd, Justina geheten, en voornamelijk door een ouderling der Christenen. Men zegt, dat hij een leerling was van Tertullianus, wiens geschriften hij met voorliefde las. Hij nam zodanig toe in goddelijke wijsheid en verstand, dat hij tot ouderling benoemd werd en later tot bisschop van Karthago, welke betrekking hij lang bediend heeft, niet alleen tijdens het tamelijk vreedzaam was, maar ook onder de regering van keizer Decius. In de tijd der vervolging wist hij bijzonder de martelaren te vermanen en op te wekken tot volharding met geschriften en woorden, naarmate hij daartoe gelegenheid had. Soms werd hij gedwongen zijn volk te verlaten, aangezien men hem dreigde de leeuwen te zullen voorwerpen; daarom vluchtte hij soms liever voor enige tijd, om geen oproer onder het volk te verwekken; temeer daar hij door God zelf wel eens vermaand werd zich te verwijderen. Hij achtte het wel begeerlijk, om voor de goddelijke waarheid te sterven, maar, terwijl hij vluchtte, wilde hij God toch niet verzaken, en vermaande ook daartoe de zijnen. Na de vervolging van Decius stond hij zijn gemeente weer getrouw terzijde, en had grote moeite met hen die in de vervolging afvallig geworden waren; maar, uit liefde tot barmhartigheid geneigd, nam hij die weer gewillig op. Op bijzonder hevige wijze verzette hij zich tegen de ketterij, zodat hij zelfs, uit ijver zonder verstand, beval, die te herdopen, die door de ketters gedoopt waren, welk bevel hij echter later weer introk. Soms werd hij verwaardigd met goddelijke openbaringen, zodat hij door een profetische geest wreedheden voorzegde tot waarschuwing van zijn volk. Kort voor zijn dood werd hij eindelijk naar Curubita, in LybiŽ, in ballingschap gezonden, en wel op bevel van de rechter Paternus ten tijde van de keizers Valerianus en Gallienus. De rechter trachtte van hem te vernemen, waar de leraars der gemeenten zich ophielden, doch hij wilde zulks hun niet meedelen. Twee jaren verkeerde hij in ballingschap, terwijl hij deze als een gevangenschap beschouwde. Zijn verbanning had plaats onder het blazen op de trompet en met verbeurdverklaring van zijn bezittingen, hetwelk hij niet alle anderen met het grootste geduld verdroeg. Niettegenstaande hij zijn kudde in persoon moest verlaten, droeg hij toch bijzondere zorg voor haar niet alleen met gedachte, wil en begeerte, zelfs in de grootste vervolging, maar ook door het schrijven van vele hartelijke, troostrijke brieven aan zijn vrienden, om die te versterken en te vermanen tot getrouwheid en volharding. In ťťn woord, hij was zeer vermaard door zijn grote wijsheid en andere heerlijke gaven, waarmee hij bedeeld was. In een brief geven Nemesius, Felix, Victor en anderen de getuigenis aangaande hem, dat hij de voornaamste was in de goede behandeling van zaken, de welsprekendste in het spreken, de wijste in het redekavelen, de eenvoudigste in geduid, de vrijgevigste in aalmoezen, de heiligste in onthouding, de nederigste in de dienst, en de ootmoedigste in alle goede werken. Al deze eer, lof en prijs werd hem door vele geleerde mannen gegeven.

Eindelijk werd hij door de rechter Galerius Maximus, die in de plaats van Paternus gekomen was, ontboden, om door hem ondervraagd te worden. Enige tijd vertoefde hij buiten de stad, totdat hij door de rechter zou geroepen worden, maar eindelijk liet de rechter hem halen en hem tot de volgende dag bewaren. Op de 14e September werd hij voor de rechter gebracht, die hem verzocht, dat hij aan de goden zou offeren. Cyprianus heeft tegen iedere marteling geprotesteerd, aangezien hij zonder pijniging vrij en openlijk beleed, dat hij een Christen was, en het hem daarom ongeoorloofd was dit te doen. De rechter zei tot hem: ďBedenk u wel;" waarop hij antwoordde: doe wat u bevolen is; want in een rechtvaardige zaak behoef ik mij niet te bedenken." De rechter hernam: ďReeds geruime tijd was gij een mens vol godslastering, en hebt u bewezen te zijn een vijand van de Romeinse goden, en u verzet tegen de wetten en bevelen van de heiligste vorsten." Cyprianus werd vervolgens veroordeeld om met het zwaard gedood te worden; voor welk vonnis hij God dankte.

Toen men hem naar de gerechtsplaats heenleidde, legde hij zijn bovenklederen af, sloot zijn ogen en bad met grote ijver tot God. Gewillig boog hij het hoofd onder het zwaard en gaf zijn ziel aan God over. Dit geschiedde in het jaar onzes Heeren 259.

In die tijd had er ook een grote vervolging plaats te AlexandriŽ, waar het getal der gedoden zeer groot was. Buiten de stad Cesaraea woonden, onder anderen, die vrome mannen, Priscus, Malchus en Alexander. Deze werden als door goddelijk vuur van het geloof ontstoken en beschuldigden elkaar van grote traagheid, zeggende: aangezien er in de stad kronen des levens worden uitgedeeld, hoe is het mogelijk dat wij nog zo traag en onverschillig zijn, om die te verkrijgen?" Toen zij elkaar met deze woorden hadden opgewekt, gingen zij haastig naar de stad, en bestraften daar de vervolgers van de Christenen, omdat deze zoveel onschuldig bloed vergoten.

Om deze vrijmoedigheid werden zij aangehouden, gevangen genomen en daarna aan de wilde dieren voorgeworpen.

Filippus, bisschop te AlexandriŽ, werd ook met het zwaard gedood in deze vervolging.

In de stad Karthago werden eveneens honderd Christenen om het geloof omgebracht.

In deze tijd werd ook Pontius, een diaken van Cyprianus, in Frankrijk, gemarteld, en een groot aantal anderen meer in meest alle oorden van het keizerrijk, zo door het vuur, het zwaard, wilde dieren en vele andere pijnigingen, die maar te denken waren.

 

De negende vervolging van de christenen onder keizer Aurelianus

 

[JAAR 275.]

 

In het begin der regering van keizer Aurelianus betoonde deze zich de Christenen zeer gunstig. Dit duurde echter niet lang, daar hij door goddeloze raadslieden van mening veranderde, zodat hij, in plaats van de Christenen gunst te bewijzen zoals vroeger, dagelijks meer middelen bedacht, teneinde hen te onderdrukken en uit te roeien. Toen hij zich daaraan overgaf, werd hij met zijn raadslieden door de bliksem getroffen, en kort daarna door de hand van Manco Poris, en de listen van zijn snelschrijver Innestheus omgebracht.

Tijdens zijn korte regering liet hij, om het christelijk geloof, ombrengen zekere Felix, opziener van de gemeente te Rome, en wel op de 30e Mei van het jaar onzes Heeren 275.

In de plaats van Aurelianus, werd door de senaat als keizer verkozen Claudius Tacitus, een vroom man en zeer bekwaam om landen en volken te besturen, die, toen hij de regering in handen had, terstond overal de vervolging tegen de Christenen staakte; doch door zijn spoedig overlijden heeft deze rust niet lang geduurd.

Op de 8e December werd omgebracht zekere Eutychianus, bisschop te Rome.

In deze tijd verzette zich enige bewoners van Frankrijk, meest boeren, die zich Bagaudes noemden, tegen het Romeinse rijk, en wel onder aanvoering van Amandus en Elianu . Keizer Diocletianus stelde toen als medekeizer aan zekere Maximianus Pannonius, die hem vroeger in de oorlog volgde, en hem wegens zijn goede handelingen zeer goed bekend was. Deze rustte zich terstond tot de krijg tegen de bovengenoemde Bagaudes uit, en ontbood daartoe uit de verschillende delen des rijks een zeer grote macht soldaten. Onder deze was ook het Thebeisch regiment uit SyriŽ, dat door de bisschop te Rome in de christelijke godsdienst meer en meer geoefend en bevestigd was, als overste hebbende Mauritius en als banierdragers Caudidus, Exsuperius, Innocentius, Victor, Constantinus en anderen. Toen Maximianus met het hoofdleger over het gebergte in de stad Octodurum (Martigny) gekomen was, wilde hij dat daar, eer hij de tocht voor goed begon, plechtige offeranden zouden plaats hebben, waartoe hij alle oversten en soldaten ontbood, die daar van het Oosten en Westen bij elkaar waren, onder wie ook was het genoemde ThebeÔsche regiment, teneinde allen, na de gewone offerande, tegen de Bagaudes te doen zweren en de eed van getrouwheid af te laten leggen. Toen het genoemde regiment het gegeven bevel van Maximianus vernam, en afkeer hebbende van alle afgoderij en bereid zijnde liever de dood te sterven dan iets onbehoorlijks tegen hun geweten te doen, weigerden zij allen eendrachtig tot de offerplechtigheden te komen, ja, weken zelfs, om niet besmet te worden, door de afgoderij aan te zien, een weinig terug naar het meer Lemanus, thans het meer van GenŤve genaamd, tot aan de stad Agaunum. Maximianus beval, dat zij zouden terugkeren, en zich bij de andere soldaten zouden voegen, doch Mauritius, Exsuperius en anderen antwoordden uit aller naam, dat zij bereid waren alles te doen en allerlei gevaren uit te staan tot nut van het algemeen, maar dat zij vasthielden aan de belijdenis van het christelijk geloof, en geen afgoderij konden dulden. Maximianus werd daarover zo verstoord, dat hij tot algemene straf van dit regiment, bij loting de tienden man liet onthoofden. Door de toespraak van Mauritius in hun geloof versterkt, onderwierpen zich deze vrome soldaten met lijdzaamheid aan hun lot. Nadat Mauritius de overgeblevenen tot standvastigheid vermaand en opgewekt had, liet hij Maximianus andermaal aanzeggen, dat hij en zijn soldaten bereid waren de wapenen te gebruiken tot hulp en bescherming van de republiek, maar dat zij liever wilden sterven, dan de waarachtige en levende God te verzaken, en zich met de duivelse offeranden te verontreinigen. Toen Maximianus dit hoorde, ontstak hij nog meer in toorn, en liet hij ten tweede male de tienden man onthoofden, en toen hij zag, dat hij ook met deze wreedheid de overigen niet kon bewegen, om naar Octodurum (Martigny) terug te keren, maar allen standvastig bleven, zond hij naar hen het gehele leger te voet en te paard, en liet hen bijna allen met hun overste Mauritius omsingelen en ombrengen. Aldus hebben deze vrome kampvechters voor het christelijk geloof hun bloed vergoten, en zijn zalig in de Heere gestorven.

 

Marinus

 

[JAAR 259.]

 

Marinus, een krijgsoverste en een man van hoge geboorte en zeer rijk aan aardse goederen, werd in de stad Cesaraea in Palestina tot grote waardigheid verheven. Een ander man daar benijdde hem dit, en zei, dat Marinus geen hogere rang mocht bekleden, omdat hij een Christen was. De rechter vroeg aan Marinus, of het zo was, wat deze zei. En, toen hij dit met vrijmoedigheid bekende, gaf de rechter hem drie uren tijd om zich te beraden, of hij aan de goden en aan de keizer wilde offeren dan als een Christen gedood worden.

Toen hij de gerechtszaal verlaten had, nam Theoternus, de bisschop uit die stad, hem bij de hand, en leidde hem tot de Christenen in de tempel, waar hij hem met vele woorden in het geloof versterkte. Eindelijk toonde hij hem een zwaard, dat hij gewoon was aan zijn zijde te dragen, en ook het Evangelieboek, en vroeg hem welk van beide hij koos en toen Marinus het Evangelieboek greep, zei Theoternus tot hem: ďBehoud wat gij verkoren hebt, mijn zoon, en dit tegenwoordige leven verachtende, hoop op het eeuwige; ga onversaagd en ontvang de kroon, die de Heere u bereid heeft."

Toen hij tot de vierschaar weergekeerd was, werd hij terstond door de omroeper opgeŽist, daar de lijd, die hem gegeven werd om zich te bedenken, verstreken was. Voor de rechterstoel staande, betoonde hij daar nog grotere ijver en vurigheid des geloofs dan vroeger, en werd door de rechter overgegeven om onthoofd te worden.

Toen Marinus ter dood gebracht was, werd hij op de strafplaats gevonden door Asterius, een Romeins raadsheer, wien de keizer en al het volk zeer grote liefde toedroegen en die hoog bij hen stond aangeschreven. Deze nam het dode lichaam van Marinus op de schouders, bracht het van daar weg en nadat hij het in kostbaar linnen had gewikkeld, legde hij het in een nieuw graf en begroef het. Maar voor deze eer, welke hij de martelaar had aangedaan, ontving hij ook spoedig daarna de martelaarskroon.

De 6de Augustus, in het jaar onzes Heeren 259 werd ook, om de christelijke godsdienst, omgebracht Xystus, bisschop te Rome.

 

Laurentius, de diaken, te Rome op een rooster verbrand

 

[JAAR 252.]

 

Toen Xystus, bisschop te Rome, uitgeleid werd om gedood te worden, ontmoette hem Laurentius, een der voornaamste diakenen van de gemeente te Rome, die hem aldus aansprak: "Waar gaat gij heen, o vader, zonder uw zoon? waarheen priester, zonder uw dienaar?" waarop Xystus antwoordde: Ik verlaat u niet, mijn zoon, gij hebt zwaarder strijd te wachten voor het geloof; gij zult mij na drie dagen volgen. Zo gij intussen iets bezit in deze schatkisten, deel het de armen!" Uit die woorden maakte men op, dat hij een grote schat van de gemeente in bewaring had, zodat hem door de stadhouder te Rome bevolen werd, dat hij die te voorschijn moest brengen. Om al de schatten bijeen te zoeken, verzocht hij drie dagen tijd, en bracht toen alle arme, ellendige lieden, die van aalmoezen leefden, als: kreupelen, blinden, en dergelijken samen, toonde deze de stadhouder, en verklaarde dat deze de schatten en rijkdommen van de gemeente waren. De stadhouder hield het er voor, dat men met hem spotte, en liet daarom Laurentius op een rooster leggen, met een klein vuur er onder. Toen zijn lichaam aan de een zijde geblakerd was, zei hij met grote vrijmoedigheid tot de tiran: "Keer dat gedeelte van mijn lichaam, hetwelk gebraden is, om en verteer het.Ē Zeker iemand bracht dit gezegde aldus in rijm:

Genoeg is deze kant
Gebraden en geraakt.
Wend mij nu om en proef, tiran,
Of 't rauw of braen best smaakt.

 

Door de genadige versterking Gods waren hem de kolen als rozen en als een verkoeling en verfrissing in zijn lijden. Na voor het Romeinse rijk en zijn vijanden gebeden te hebben, ontsliep hij, onder grote volharding, in de Heere, in het jaar onzes Heeren 252.

 

De tiende grote en bloedige vervolging van de christenen, begonnen onder de keizers Diocletianus en Maximianus, en voortgezet onder Maxentius, Licinus en Maximinus, tot in het zevende jaar van Constantinus de Grote

 

[JAAR 302.]

 

In het jaar 302 na Christus' geboorte, in het 19e jaar der regering van keizer Diocletianus, gaf deze bevel tot een grote en wrede vervolging van de Christenen. Van deze vervolging, die de tiende genoemd wordt, zegt Sulpitius Severus het volgende: "Omtrent 50 jaren na hem (te weten keizer Valerianus), onder de regering van Diocletianus en Maximinus, brak de allerhevigste vervolging uit, die tien jaren achtereen Gods volk plaagde. In die tijd was genoegzaam de gehele wereld besmet met het heilig bloed der martelaren, want men liep als om strijd tot deze heerlijke en beroemde martelingen. Door op een waardige en heerlijke wijze te sterven werd toen de eer, die een martelaar toekomt, met grotere ijver gezocht, dan men nu, door ongepaste en zondige eergierigheid gedreven, de bisschoppelijke ambten najaagt. De wereld werd nooit door enige oorlog meer onderdrukt; nooit hebben wij met groter triomf overwinningen behaald, dan toen wij door tienjarige verdrukking en geweld toch niet konden overwonnen worden."

In deze vervolging werd Diocletianus ook aangezet en geholpen door zijn mederegent Maximinus, een van nature hard, wreed, ontrouw en ontuchtig men, die in alles de begeerte en de wil van Diocletianus gehoorzaamde. Diocletianus woedde tegen de Christenen in het Oosten, Maximinus tegen die in het Westen. Door geloofwaardige schrijvers wordt over de oorzaken van deze vervolging verschillend geoordeeld, doch het volgende als de voornaamste genoemd. Toen de keizers, ofschoon zij heidenen en afgodendienaars waren, de Christenen grote gunsten bewezen, en hen goed behandelden, zo zelfs dat zij niet alleen voorname ambten en bedieningen kregen, maar hun ook de vrije uitoefening van hun godsdienst toestonden, zodat men in verschillende plaatsen bedehuizen en tempels bouwde; toen hebben de Christenen deze vrijheid misbruikt, zodat de een de ander begon te haten en te belasteren. Aan de ene kant bejegenden de bisschoppen en opzieners der gemeenten, alle godsvrucht en deugd verzakende, elkaar met twist, onenigheid, verkeerde ijver, eergierigheid en tirannische heerschappij; aan de andere zijde was het volk zonder tucht of orde, en gaf zich ten enenmale aan oproer en opstand over. Bovendien nam de zonde, die hoog geklommen was, in het algemeen nog op grove wijze hand over hand toe. Blijken van boetvaardigheid waren er niet te bespeuren, zodat God in Zijn rechtvaardig oordeel, om Zijn volk tot een nieuw oprecht en christelijk leven op te wekken, de gesel van zulk een harde, bittere en gruwelijke vervolging moest gebruiken, opdat de godvruchtige met de goddeloze wereld niet zou veroordeeld worden.

Aangezien het ook de bedoeling was van keizer Diocletianus, om het roomse rijk tot de ouden bloei terug te brengen, en daarom alle gewoonten en zeden, die in onbruik geraakt waren, weer wilde invoeren, poogde hij ook het onderscheid te voorkomen en te doen ophouden, dat hij in de godsdienst zag, en zocht vooral de godsdienst der Christenen uit te roeien, daar deze de verschillende erediensten der afgoden vervloekten en verwierpen. Onder hen, die de keizer tot de vervolging ophitsten en hem daarin versterkten, waren vele wijsgeren en drogredenaars, die door scherp hekelende boeken en vuilaardige geschriften de keizer en alle vorsten en rechters tot geweld aandreven, en de christelijke godsdienst bespotten, terwijl zij die aanklaagden, dat hij nieuwigheden, valsheid en goddeloos bijgeloof bevorderde; zij verhieven daarentegen de heidense godsdienst als de oudste en prezen de dienst van de goden aan, daar deze met hun macht en majesteit de wereld regeerden. Onder deze opruiers waren, behalve Apollonius, Porphyrius, een wijsgeer, die van Jood Christen en van Christen een afvallige was geworden, en zekere HiŽrocles, een aanzienlijk man. Tegen Porphyrius hebben de pen opgevat Methodius, bisschop te Tyrus, Eusebius en Apollinaris; tegen HiŽrocles dezelfde Eusebius; tegen beiden en alle anderen van die geest Lactantius. De aanleiding om keizer Diocletianus tegen de Christenen op te hitsen, namen de vijanden der waarheid uit zekere brand in de stad NicomediŽ (toen de plaats waar de keizers zich ophielden), waardoor het paleis van de keizer geheel vernield werd, van welke brand men de Christenen beschuldigde. De keizer was daarover zeer verbolgen, en zonder nadenken gelovende, wat de lasteraars daarvan uitstrooiden, meende hij nu reden genoeg te hebben, en gaf in de maand Maart, in het 19e jaar zijner regering een bevel, dat men door het gehele rijk alle bedehuizen der Christenen moest verwoesten. De heidense stadhouders, die de gelovige Christenen zeer haatten, volbrachten het uitgevaardigde bevel met allen ijver, terwijl de grootste vernieling op Paasfeest plaats had.

Spoedig daarna werd er een ander bevel gegeven, en wel dat alle boeken der Heilige Schrift moesten verbrand worden, hetwelk op vele plaatsen, als ook te NicomediŽ op de markt met alle ijver plaats had. Voort ook bevolen, dat men alle Christenen, die openbare bedieningen of enige ambten bekleedden, moest afzetten of hen daarvan beroven; dat anderen, die, geen betrekking vervulden, tot slavernij en dienstbaarheid moesten veroordeeld worden, tenzij zij de christelijke godsdienst wilden afzweren, en de zeden en gewoonten volgen van de heidense godsdienst.

Toen men op bovengenoemde wijze de woede niet meer koelen kon, werd er op de markt te NicomediŽ een derde besluit aan een paal gespijkerd, dat zeer gestreng, hard en wreed was, namelijk, om alle bedienaars van de godsdienst, en die enige invloed uitoefenden op de gemeente van Christus, gevangen te nemen, en hen door allerhande pijnigingen te dwingen aan de afgoden te offeren Zeker edelman, Johannes genaamd, die door vurige ijver ontstoken werd, rukte dit besluit van de paal en scheurde het in kleine stukken. Op bevel van beide keizers, die toen te NicomediŽ waren, werd hij met buitengewone pijnigingen gemarteld, de huid afgestroopt en met zout en edik overgoten, terwijl hij onder dit alles de naam van Christus tot het laatste ogenblik zijns levens, met kloekmoedige stand vastigheid beleed en zijn ziel Gode op zalige wijze toewijdde. Na zijn dood volgde het ene vreselijke jammer het andere.

Aangaande het verbranden van de boeken der Heilige Schrift, en van de plaatsen, waar de Christenen hun samenkomsten hielden, zegt Arnobius onder andere: ď Waarom hebben onze Schriften verdiend in het vuur geworpen te worden? Om welke reden heeft men met zo vreselijk geweld de plaatsen onzer samenkomsten vernield, waar de hoogste God wordt aangebeden, maar ook welvaart en vrede wordt afgesmeekt voor alle overheden, legers, koningen, enz.?"

Wij zouden te uitvoerig worden in onze mededelingen, indien wij de verschillende wijzen wilden beschrijven, waarop, door het ingeven van de duivel, de Christenen in het bijzonder in die tijd werden omgebracht. Slaan, geselen, met schrabbers, vijlen, en met allerlei scherpe werktuigen de huid overal openen, waren slechts de inleiding tot vreselijker pijnigingen, die de dood veroorzaakten, zoals ophangen, onthoofden, verbranden en met volle schepen in de zee verdrinken. Sommigen werden met gesmolten lood overgoten, anderen over gloeiende kolen onder langzame pijnigingen verschroeid; van sommigen werden de vingers van beide handen, tussen het vlees en de nagels, met scherpe priemen en naalden doorboord. Omtrent anderen leest men, dat zij geruime tijd naakt met dunne rijzen en loden platen geslagen, de beren, leeuwen, luipaarden en andere dieren tot spijs voorgeworpen werden. Deze dieren werden dikwijls ook opgehitst, maar hadden, door Gods kracht, soms een afkeer daarvan, en keerden hun wreedheid tegen de vijanden der waarheid. Vele Christenen werden ook aan bomen gebonden, aan staken geplaatst, aan kruisen genageld, waaraan zij zo lang moesten hangen, totdat zij van de honger bezweken. Weer anderen werden met het hoofd neerwaarts gehangen, zelfs vrouwen aan het ene been), zodat zij daardoor in een houding hingen, waarvan zich het eerbare oog met afkeer moest afwenden. Daarna werden zij aan handen en voeten vastgemaakt aan dikke takken van bomen, die van elkaar stonden, terwijl deze takken met kracht werden teruggebogen en met touwen gebonden welke touwen dan werden doorgesneden, waardoor de takken in hun vorige stand terugsprongen en het lichaam in vele stukken gescheurd werd. Sommigen werden in de rook van een langzaam brandend en vochtig vuur gesmoord; velen, die men de neus, oren en handen hadden afgesneden had, liet men heinde en ver in ellende ronddwalen, om andere onbekende Christenen schrik aan te jagen. Deze vervolging heeft zich over een groot deel van de aarde uitgestrekt, zoals over AziŽ, Afrika, Europa, en over vele eilanden, voornamelijk over SiciliŽ, Lesbos en Samos. In NicomediŽ werden op het feest van Christus' geboorte, op bevel van Maximinus, in een tempel enige duizenden Christenen verbrand. Een stad in PhrygiŽ, toen door de Christenen bewoond, werd belegerd en met allen, die er in waren, verbrand. Vele andere steden hebben ook, geen enkele uitgezonderd, de bittere beker van deze vervolging moeten drinken; vooral was dit zo in Egypte: te Thebe en Antinopolis; in ThraciŽ: te Nicopolis; in ItaliŽ te Aquila, waar al de Christenen vermoord werden, Florence, Bergamo, Verona, Neapolis, Benevento, Venusia, in GalliŽ (Frankrijk): te Marseille; in Duitsland: te Trier, waar Rictionaris in de vervolging zo heftig en wreed geweest is, dat het vergoten bloed vele rivieren rood kleurde; voorts in Duitsland: te Augusta, en ook ten dele in Spanje, BrittanniŽ, Zwitserland en andere landen.

 

Het eerste jaar van de vervolging

 

Wij geven hier (teneinde de onmenselijke wreedheid der heidenen jegens de Christenen te beter in het oog te doen vallen) een bijzonder verhaal van sommige martelaren, die door geschiedschrijvers genoemd en nader beschreven worden.

 

Petrus, DorotheŁs en GorgoneŁs

 

Petrus, een hofbeambte van keizer Diocletianus, stond hij hem zeer in aanzien. Toen deze de wreedheid bestrafte, begaan aan de edelman Johannes, van wie boven gesproken is, en hem met grote droefheid over zijn martelingen beklaagde, werd hij gevangen genomen en gedwongen de afgoden te offeren. Toen hij dit weigerde, werd hij gegeseld, en zijn vlees verscheurd, teneinde hem door pijniging te dwingen om te offeren. Toen hij standvastig bleef, overgoten zij zijn verscheurd lichaam met edik en zout, en verschroeiden hem eindelijk aan alle zijden op een rooster met een zwak vuur, totdat hij met blijmoedigheid zijn geest in de handen van zijn hemelsel Vader overgaf.

Dorotheus en Gorgoneus, kamerheren van de keizer, hadden genoemde Petrus in de christelijke godsdienst onderwezen. Toen zij getuigen waren van de onmenselijke pijn, die Petrus leed, vroegen zij de vorst: "waarom hij in Petrus de overtuiging van hun gemoed strafte, die in hen allen leefde? Daarbij voegende: dit is ons geloof, dit is onze godsdienst, dit is ons eendrachtig en gemeenschappelijk gevoelen." Terstond liet de keizer deze vrome mannen, die hij vroeger als zijn kinderen liefhad, martelen, en wel met schier dezelfde pijnigingen als Petrus geleden had, en eindelijk werden zij opgehangen. Nadat zij enige tijd waren begraven, werden hun lichamen weer opgegraven en in de zee geworpen, bevreesd als men was, dat de Christenen die als goden zouden vereren.

In die tijd werd ook, na een heerlijke afgelegde belijdenis, onthoofd zekere Anthimus, bisschop te NicomediŽ, benevens nog een groot aantal gelovigen. Nicephorus schrijft, dat hij eerst op de wreedste wijze werd geslagen, dat hem daarna met gloeiende pennen de hielen werden doorboord, dat hij op gebroken potscherven werd geworpen, gloeiende schoenen hem aan de voeten werden gedaan, het vlees van het lichaam gescheurd, met brandende fakkels gezengd en eindelijk onthoofd werd.

Dezelfde weg hebben ook bewandeld Tyrannion, bisschop te Tyrus; Zenobius, te Sidon; Silvanus, te Gaza, alsmede Pamphilius, over wien Eusebius een afzonderlijk boek heeft geschreven.

Toen Eustrathius, secretaris van een stadhouder, die zeer bedreven was in de Griekse taal, de standvastigheid zag van de martelaren, deed hij van de christelijke godsdienst, waarin hij tevoren in het geheim onderwezen was, in het openbaar belijdenis, en verfoeide alle heidense goddeloosheid. Hij werd daarom gevangen genomen, aan een paal opgetrokken, jammerlijk geslagen, daarna aan verscheidene delen van het lichaam met vuur gezengd en met zout en edik overgoten, eindelijk met potscherven derwijze geschrabt en geraspt, dat het gehele lichaam slechts ťťn wond vertoonde. Door Gods kracht genas hij weer, doch werd later naar de stad Sebastia gevoerd en eindelijk met zijn vriend Orestus verbrand.

Onder hen, die in die tijd, om het christelijk geloof werden omgebracht, worden nog vele anderen genoemd, als Agricola en zijn dienaar Vitalis. Onder zovele martelingen, dat zelfs zijn lichaam als geheel vaneen gereten was, gaf laatstgenoemde zijn ziel aan God over. Agricola kon het uitstel, dat men hem gaf, niet langer verdragen, aangezien hij zijn tijd in ledigheid moest doorbrengen, terwijl hij vele deugden bezat en met groten ijver was bezield, en daarom tot ergernis was van hen, aan wie hij was overgeleverd; zo werd hij, zelf om zijn dood verzoekende, terwijl hij zijn vijanden moed inboezemde, aan het kruis genageld.

Eulalia, een meisje van 13 jaren, uit Spanje afkomstig, werd, omdat zij de stadhouder over de wreedheid, die hij de Christenen aandeed, met meer vrijmoedigheid aansprak dan hij verdragen wilde, naar de altaren der afgoden gesleept, opdat zij daar zou offeren. Toen zij dit weigerde, werd zij levend verbrand. Haar strijd heeft Prudentius in schone verzen afgemaald.

Toen Albanus, in Engeland, een vluchtenden Christen huisvesting had verleend, en dit ter oor van de stadhouder was gekomen, gaf hij zichzelf, verkleed en zich voordoende als de vluchtende Christen, aan de vervolgers over, en werd, na een standvastige belijdenis, en, omdat hij onwillig was de afgoden eer te bewijzen en offers te brengen, met touwen gegeseld en onder grote blijdschap onthoofd.

 

Phileas en Philoromus

 

Te AlexandriŽ was ook een getrouw herder en leidsman der kudde van Christus, Phileas genaamd. Hij was een edel mens naar de wereld, maar bovenal was hij edel voor God. Aangezien hij zeer ervaren was in de kennis der burgerlijke deugden, stond hij bij de Romeinen in groot aanzien; maar bovenal blonk hij uit in de beste wijsbegeerte, die van de christelijke godsdienst, zodat hij allen overtrof, die voor hem daar bisschoppen waren. Daar hij vele voortreffelijke vrienden onder de edelen had, vermaande de rechter hem dikwerf, om afstand te doen van zijn christelijk geloof, vooral omdat ook velen van zijn vrienden voor zijn behoud baden. Doch Phileas sloeg daar geen acht op, versmaadde dit, en bleef volharden in de goddelijke waarheid.

Bij hem stond een overste van een bende ruiters, Philoromus genaamd, een voortreffelijk en aanzienlijk man. Toen deze zag, dat Phileas omringd was van zijn wenende vrienden, en gekweld werd door de hardheid des rechters, riep hij overluid, zeggende: "Waarom stelt gij de standvastigheid van deze man tevergeefs op de proef? Waarom wilt gij hem, die aan God gelovig is, ongelovig maken? Waarom dwingt gij hem om God te verzaken, en de mensen te believen? Ziet u niet, dat zijn oren uw woorden niet horen, en dat zijn ogen uw tranen niet zien? Zou hij ook door tranen van aardse mensen bewogen kunnen worden, wiens ogen de hemelse heerlijkheid zien en aanschouwen?" Toen hij dit gezegd had, barstte de toorn van allen tegen hem los, en zij begeerden, dat hij dezelfde straf als Phileas zou ondergaan. De rechter willigde hun verzoek in, en liet beiden met het zwaard onthoofden.

Toen men vernam, dat Sebastianus, geboren te Narbonne (Perpignan) in Frankrijk, een zeer vroom soldaat van de voornaamste bende, en die bij keizer Diocletianus in groot aanzien stond, niet alleen een Christen was, maar ook velen tot de christelijke godsdienst bekeerde en in het geloof versterkte, ja, tot lijden en het verkrijgen van de martelaarskroon aanmoedigde, werd hij op een zeer uitgestrekt veld gebracht, en door de soldaten met pijlen doorschoten.

Adauctus, een Italiaan van aanzienlijke afkomst, beroemd wegens zijn getrouwheid in het vervullen van zijn openbaar ambt, dat hem van de keizer was opgedragen, onderging, toen hij met anderen als een Christen was aangeklaagd, de dood met de grootste kloekmoedigheid.

Vincentius, een Spanjaard, werd op bevel van Dacianus, denstadhouder des keizers, met onuitsprekelijke en onmenselijke wreedheid omgebracht. Vooreerst werd hij aan een paal opgetrokken, en met zware gewichten aan de voeten zeer uitgerekt; daarna werden hem vete pijnigingen aangedaan, en het gehele lichaam werd met roskammen opengescheurd, voorts, op een rooster een klein vuur gelegd zijnde, werd hem het lichaam met ijzeren baken geopend, met gloeiende platen bestreken, en met zout besprengd. Toen hij eindelijk in zulk een toestand weer in de gevangenis gebracht was, werd hij op een hoop potscherven geworpen, en werden hem de voeten aan een zwaar hout genageld, en alzo is hij, zonder hulp en troost van mensen, in God ontslapen.

Georgius, van CappadociŽ, iemand van zeer jeugdigen leeftijd, die met de grootste vrijmoedigheid de afgoderij der heidenen berispte, en de goddeloosheid van de keizers verfoeide, werd gevangen genomen, met scherpe haken het lichaam opengescheurd, daarna in hete kalk aan de hitte blootgesteld, vervolgens op de pijnbank gemarteld, en al de leden des lichaams met de punten van messen doorstoken, en eindelijk, nog met bewonderenswaardige standvastigheid aan zijn belijdenis vasthoudende, onthoofd.

Toen Procopius, te Cesaraea, in Palestina, door Diocletianus als bestuurder over zekere streken in het Oosten aangesteld, alle gouden en zilveren afgodsbeelden, die hij, nog in blindheid en ongeloof verkerende, voor zich had laten maken, en nu verbroken, gesmolten, en de specie daarvan onder de armen verdeeld had, werd hij, na veelvuldige pijnigingen, die men hem, zo op de pijnbank, als met vuur, brandende fakkels, haken, de punten van messen en verscheidene werktuigen had aangedaan, eindelijk met het zwaard gedood,

Cassianus, een onderwijzer te Imola, werd, toen hij weigerde de afgoden offers te brengen, naakt, de handen op de rug gebonden, aan zijn leerlingen overgegeven, die hem met scherpe priemen, waarmee zij in tafelen van was de letters leerden griffelen, onder grote spot en brooddronkenheid, over het gehele lichaam gestoken, en alzo onder zware pijnigingen ter dood gebracht.

Omtrent Christophorus, uit LyciŽ, een man van buitengewone lichaamslengte, wordt bericht, dat hij om de naam van Christus, met ijzeren roeden geslagen, in de vlammen gezengd, met pijlen doorschoten en eindelijk onthoofd werd.

Cyprianus, te AntiochiŽ, die van zijn vroegste jeugd door zijn ouders aan de duivel was toegewijd, en die zelf zich lang in de toverkunst had geoefend, werd ten laatste tot Christus bekeerd en door Anthimus gedoopt. Hij maakte in de christelijke godsdienst zulke vorderingen, dat hij het ambt van diaken en ouderling bekleedde, en een groot licht was in de gemeente te AntiochiŽ. Doch om het christelijk geloof heeft hij mee in deze tijd op echt vrome wijze de dood ondergaan.

Toen Menas, een soldaat, uit Egypte afkomstig, zich in de grootste hitte der vervolging naar de woestijn begeven had, waar hij de tijd met vasten, waken en bidden doorbracht, kwam hij enige dagen daarna in de stad Cotys, waar hij, bij gelegenheid van een zeker schouwspel, voor al het volk in het openbaar beleed, dat hij een Christen was. Toen dit aan de stadhouder Pyrrhus werd geboodschapt, deed men hem zeer wrede pijnigingen aan en, terwijl hij alles met moed en standvastigheid verdroeg, werd hij eindelijk onthoofd, gedurig herhalende, wat Christus ons leert, Matth. 10, vs. 28: "Vreest niet voor degenen, die het lichaam doden, en de ziel niet kunnen doden; maar vreest veel meer, Hem, die beide, ziel en lichaam kan verderven in de hel." Zo ook de woorden van de Apostel Paulus, Rom. 8, vs. 39: "Wie zal ons scheiden van de liefde Gods, welke is in Christus Jezus onze Heere?"

Dit zijn de voornaamste martelaren, die in dit jaar voor de naam van Christus hun bloed vrijwillig gestort hebben.

De keizers, onderricht zijnde, dat de vervolging van de Christenen voor hen niet veel vrucht droeg, en dat de christelijke godsdienst, in plaats van teniet te gaan, door de moed en de volharding van tien, die omgebracht weide, dagelijks meer en meer toenam, bepaalde met onderling goedvinden, de Christenen niet meer niet de dood te straffen, maar een anderen weg in te slaan. Zij lieten hen nu het rechteroog uitsteken, de linker knieschijf met een brandijzer verminken, en zonden hen alzo naar de mijnen, niet zozeer om te arbeiden, als wel om daar aan een langdurige kwelling te worden overgegeven.

Deze wreedheid noemden de tirannen een keizerlijke gunst en genadige barmhartigheid. Doch ook daardoor hebben zij niet veel teweeggebracht, en al hun bedoelingen waren tevergeefs; de satan woedde door zijn werktuigen, maar Christus behield met de Zijnen de overwinning.

 

Het tweede jaar van de vervolging

 

In het tweede jaar van de vervolging worden in de geschreven stukken aangenomen te zijn omgebracht, benevens ontelbare anderen:

TimotheŁs, te Gaza, die in een klein vuur werd verbrand.

Agapius en Thecla, die aan de wilde dieren werden voorgeworpen.

Euplius werd onthoofd.

 

Het derde jaar van de vervolging

 

De 26e april werd, met Claudius, Cyrenius en Antonius, van het leven beroofd Marcellinus, bisschop te Rome, die, door de martelingen der tirannen, uit menselijke zwakheid eerst Christus had verloochend, doch die daarna tot berouw kwam.

De vervolging, tegen de arme Christenen uitgebroken, was overal nog even zwaar, zo in de streken van het Oosten als in die van het Westen.

In het Oosten had de stadhouder van de keizer te AntiochiŽ laten af kondigen, dat niemand Christus mocht aanhangen op straf van gegeseld, onthoofd en gekruisigd te worden. Wegens dit bevel vielen velen van hun geloof af, doch veertig moedige en vrome jonge mannen deden zich als Christenen kennen, en beleden Christus met buitengewone vrijmoedigheid. De stadhouder, tevergeefs beproefd hebbende hen van hun belijdenis afvallig te maken, liet hen in het koudste van de winter naakt in een poel werpen, en, omdat zij des anderen daags nog leefden, tot as verbranden.

Een van deze Christenen, die nog zeer jong was, werd uit erbarming aan zijn moeder terug gegeven. Doch met haar eigen handen plaatste zij hem op de wagen, waarop de anderen lagen en vermaande hem dat hij toch de zaligen loop met zijn medebroeders zou voleindigen.

Gordius te Cesaraea, een bijzonder man, die in de grootste hitte van de vervolging zich naar een woestijn begaf, beleed eindelijk openlijk, toen er een volksfeest ter ere van Mars gehouden werd, dat hij een Christen was. Als de stadhouder lang tevergeefs, zelfs met vrienden en goede bekenden, gepoogd had, zo door smekingen als bedreigingen, om hem van zijn voornemen af te brengen, werd hij ten laatste levend verbrand.

Barlašm, verdroeg met voorbeeldeloze standvastigheid de geselingen, pijnigingen, alsmede velerlei martelingen. Daarna bracht men een altaar van de afgoden, vulde zijn rechterhand met wierook en hield die over het vuur, opdat hij door de hitte de wierook in het vuur zou laten vallen, waardoor het ten minste de schijn had alsof hij geofferd had. Maar veel liever liet hij zijn hand verbranden, dan enig bewijs van afgoderij te tonen.

 

Romanus

 

Toen keizer Galerius met de stadhouder Asclepiades te AntiochiŽ gekomen was, met de bedoeling en het voornemen om alle inwoners te dwingen Christus te verloochenen, zond hij zijn dienaars naar het huis waar de Christenen vergaderd waren, en wel om hen gevangen te nemen. Romanus, een edelman, dit vernomen hebbende, liep haastig naar de plaats waar de Christenen waren samen gekomen, en maakte hen niet alleen met de komst en de bedoeling van de keizer bekend, maar vermaande hen ook tot standvastigheid in het geloof. In deze vergadering beloofden zij elkaar, mannen, vrouwen, jongen en ouden, dat zij liever wilden sterven dan Christus verzaken. Toen de keizer dit vernam, liet hij Romanus, als de bewerker van dit voornemen, door de stadhouder uit de vergadering halen. Voor de stadhouder gebracht, werd Romanus op deze wijze aangesproken: "Gij verwaand mens, hoe durft gij het volk zo beroeren, dat het de goden en de keizerlijke bevelen zo veracht? Gij maakt hun wijs, dat zij eer zullen behalen, wanneer zij de goden bestormen, al worden zij allen, als de reuzen, met het vuur gestraft. Als er vele burgers hun bloed zullen storten, hebt gij dit schouwspel aangericht. Gij bent de oorzaak van hun dood; gij bent de bewerker van al dit kwaad. Nu is het betamelijk, dat gij voor alle anderen gepijnigd wordt, en dat gij aan uw lichaam zult ondervinden wat gij anderen aangeraden hebt te lijden." Met grote vrijmoedigheid antwoordde Romanus, dat hij bereid was voor allen, en ook alleen te lijden, wat men hem ook mocht aandoen. Toen beval Asclepiades, dat men hem aan de uitgerekte armen zou ophangen, en met ijzeren haken het vlees van de benen scheuren. De beulen zeiden, dat Romanus een edelman was, en dat men hem daarom op die wijze niet mocht pijnigen. Nu gebood Asclepiades, dat men hem met loden riemen zou slaan.

Toen nu de martelaar voor de naam van Jezus Christus aldus geslagen werd, dankte, en prees hij God, en zich daarna omkerende, zei hij: vanwege onze geboorte zijn wij in geen dele edel te noemen, maar de Christenheid vormt alleen edellieden. Wanneer wij goed letten op onze oorsprong, dan zijn wij herkomstig uit de mond van de eeuwigen, almachtige God. Wie Hem naar behoren dient, is voorzeker edel; wie Hem ongehoorzaam is, is onedel. Die, die om Zijns naams wil smarten lijdt, en de heerlijke tekenen der getuigenis van brand of vuur in zijn lichaam tonen kan, wordt meerdere eer aangedaan. Daarom, hoe meer gij, o boze tiran, aan mijn lichaam uw wreedheid toont, hoe edeler en heerlijker gij mij maakt. Vrij mag gij mijn afkomst of geslacht vergeten, want wat is al uw vergankelijke eer anders dan ijdele dwaasheid? Dit ziet men immers, wanneer deze voorname stadhouders met ontblote voeten voor een wagen lopen, waarop een grote steen vervoerd wordt. Wie zou zijn slaven tot zulk een dwaasheid willen laten gebruiken, gelijk gij u, vorsten, gebruiken laat? Ik schaam mij het te zeggen; maar het is nodig, dat gij uw schande hoort, al zoudt gij ook door wreedheid tot razernij vervallen. Gij beveelt mij, dat ik de eeuwige, almachtige Vader en Zijn zoon Jezus Christus moet verzaken, en dat ik met u moet vereren de menigte goden, mannen, vrouwen, kinderen en zulk onnatuurlijk gespuis, met al het overspelig, onkuis geslacht, dat een samenweefsel is van bedrog, hoererij, overspel, nijd, wantrouwen en velerlei dieverij.

"Maar zeg mij toch eens, welke God wilt gij mij bevelen te vereren? Apollo? Maar hoe kan men hem eren die zo onkuis met jongens boeleert? Zal ik de godin Cybele een offer brengen? Maar dat zal mij haar ontmande Gallus verbieden, die zij altijd om haar schandelijke onkuisheid beschreit. Mogelijk zult gij mij bevelen tot de altaar van Jupiter, de hoogste God, te gaan; maar indien hij zelf voor u werd beschuldigd, het zou nodig zijn, Romeinse wetten in boeien sloeg, naar de verordeningen van Julius. Zal ik Saturnus vereren, maar dan zal Jupiter boos zijn, die zijn vader verdreven heeft. Mars zal het niet gedogen, dat men Vulcanus ere bewijst, noch Juno dat men Hercules aanbidt. Ik zwijg van de allerschandelijkste goden Faurus, Priapus en dergelijke gedrochten. Moet men deze vereren, o goede man? Is het ook betamelijk, dat zulken heilig genaamd worden? Is het niet belachelijk, dat men met zulke oudwijfse dromen voor de dag komt, om die te vereren? Verlangt gij, dat alle goden vereerd worden, waarom bidt gij dan zelf de apen, bonden, ooievaars, de apis en het look niet aan, die de Egyptenaren als goden achten? Maar als er geen schoner beeld is dan dat van hout, ijzer of steen gemaakt is, dan moet de hamer de dank ontvangen, die aan uw bespottelijke goden het aanzien gegeven heeft. Het verwondert mij, dat gij ter ere van de beeldhouwer geen kerken en altaren opgericht hebt, die immers de scheppers en makers van uw goden zijn, en zonder welke uw goden geen beelden zouden bezeten hebben. Arme, domme mensen, schaamt gij u niet, dat gij kosten en moeiten aan zulke, dingen besteedt, en er koeien en kalveren aan offert. Aan kinderen en dwazen kan ik het vergeven, dat zij dikwerf voor een aangeklede stok bevreesd zijn, en alles heilig achten, wat hun dooi, oude vrouwen wordt wijsgemaakt. Maar gij, geleerde en verstandige mannen, die het wezen en de manier van leven en de natuur onderzoekt, en zegt, dat gij alles weet, gij behoort immers het onderscheid te kennen tussen de eeuwige en vergankelijke dingen tussen het schepsel en de almachtige Schepper.

"De eeuwige God is een onbegrijpelijk wezen, dat het verstand van alle mensen te boven gaat, dat onzienlijk buiten en binnen ons alles vervult. Hij is zonder tijd, en bestaat niet voor enige tijd, maar is altijd dezelfde; het waarachtig licht en de oorsprong van het waarachtig licht. Zelf het licht zijnde, heeft Hij Zijn licht uitgegoten, en dit licht is de eniggeboren Zoon, Die even krachtig is en een met de Vader, de glans van het licht, Die alles uit niet geschapen heeft en altijd onvermoeid onderhoudt. Door Zijn Woord heeft hij de hemel, de aarde, de zee en al wat er in is gemaakt, zodat de kracht des Vaders in het Woord begrepen is,

Deze God heeft Zijn tempel in des mensen hart, waarin het onwankelbaar geloof priester is, en offert Hem, tot een aangename offerande, eenvoudigheid, liefde, reinheid, een levende hoop, mildheid en vlijt ten beste der behoeftigen. Dusdanig offer behaagt de eeuwige, almachtige God. Wie dit verbiedt, verbiedt inderdaad een goed, oprecht leven te leiden, en trekt de zinnen van de mens tot aardse dingen. O voelbare blindheid! O vleselijke harten! Is het geen grote dwaasheid, dat men goden acht, die op natuurlijke wijze geboren zijn? En, wat de geest aangaat, in deze aardse dingen te zoeken? Wat geschapen is, als de Schepper te aanbidden? Aan gesneden hout eer te bewijzen en dat aan te roepen? Laat na, o rechter,laat na, zulke schandelijke dingen aan de mannen te gebieden, die door het geloof en de liefde van de almachtige God niet te dwingen zijn, en geen pijnigingen vrezen."

Toen de stadhouder, en de rechter Asclepiades dit hoorden, werden zij zeer toornig, en de stadhouder riep: "Help Jupiter! deze booswicht staat hier tussen de beelden en de altaar, en hij lastert de goden op zeer schandelijke wijze. Wat onze vaders zo vele honderden jaren gediend hebben, zullen wij dat in onze tijd verwerpen? Wie heeft ons toch deze nieuwe leraars beschikt? Wist men ook voor duizend jaren van Christus te spreken? Daarom, offer de goden voor het welzijn van de keizerlijke majesteit, en zo niet, gij zult het met uw bloed boeten."

Romanus antwoordde: "Ik bid nooit iets anders voor de keizer en zijn onderdanen, dan dat zij door de Heilige Geest mogen worden wedergeboren, en door het geloof in Christus de duisternis der afgoderij zullen verwerpen, en het licht der eeuwige heerlijkheid aanschouwen. Dit bid ik, dat uw keizer eens mag aanschouwen, en ook mijn keizer, als hij de mijn zijn wil. want, wanneer hij beveelt boosheid te bedrijven, wil ik zulk een keizer niet gehoorzamen.

"Vertoeft gij nog, o dienaren," zei de rechter, "doorsteekt zijn lichaam, opdat hij de ziel uitbraakt, die zo lasterlijk tegen de vorst spreekt.Ē Met de grootste haast volbrachten de dienaars het bevel, en sneden hem met messen recht en dwars over het lichaam, zodat het bloed op de aarde droop en zijn borstbeen ontbloot werd. "Wat gij snijdt, o rechter," zei Romanus, "doet geen pijn, maar het smart mij, dat zulk een duisternis uw hart bekneld houdt, en dat gij al het volk, dat hier rondom staat, met u laat dwalen, omdat dit door deze onze pijnigingen zich laat terughouden en vreest. Nog kan ik spreken, luistert toch allen; Christus, de glans van de eeuwige Vader, God en Schepper van alle dingen, is mens geworden, en belooft alleen hun, die in Hem geloven, zaligheid der zielen. Wie in Hem gelooft, wordt behouden, wie niet in Hem gelooft, moet na dit leven het eeuwige verderf lijden. Ik acht het niet, dat dit lichaam vergaat, dat immers van nature bestemd is om te vergaan, maar ik zie alleen op het loon dat de standvastige bereid is. 'Veracht, o verstandige mensen, wat vergaat, en jaagt naar de toekomende heerlijkheid, die eeuwig duren zal."

Toen Romanus het volk aldus aansprak en onderwees, beval de rechter, dat men hem de wangen zou opensnijden, "opdat hem," zei hij, "de spraak benomen worde." Terstond werd dit bevel door de beul volbracht. Doch Romanus zei, terwijl deze marteling aan hem volbracht was: ďIk behoorde u wel te danken, o rechter, dat gij mij zeer behulpzaam bent; want ťťn mond was niet genoeg om de naam van Christus te verkondigen. Zie, gij opent mij vele monden, en elke mond spreekt de lof des Heeren uit."

Over zodanige standvastigheid werd de rechter verbaasd, en beval het pijnigen te staken, en zei: ďIk zweer bij het licht der zon, dat de dag van de nacht onderscheidt, de jaren en tijden doet wisselen, dat ik u met vuur zal verbranden, en aan deze uw hardnekkigheid een einde maken. Dit is immers een zonderlinge verhardheid, zo hardnekkig vast te houden aan deze nieuwe leer; want deze Christus is aan een galg gedood." Romanus zei: Ja dat is de dood, waarvan onze zaligheid en verlossing komt. Maar zulk een sacrament en verborgenheid is voor u onbegrijpelijk, die gij niet kunt of mag verstaan; en Christus zegt ons, dat wij zulke parels niet voor de zwijnen zullen werpen, opdat zij die met hun onreine voeten niet vertreden.

"Maar, aangezien gij zulke verheven redenen niet kunt begrijpen, laat het ons dan aan de natuurlijke eenvoudigheid vragen, waarin geen verkeerdheid of dubbelzinnigheid gevonden wordt. Geef ons een kind van zeven jaren, of jonger, dat nog geen gunst of haat kent, en laat ons onderzoeken wat het kind daarvan zegt. De rechter stond dit toe, en liet een kind uit het volk te voorschijn brengen, en beval dat men hem zou ondervragen. ďJongske" dus sprak Romanus het kind aan, "wat dunkt u, moet men Christus alleen dienen en de Vader in Christus, of moet men vele andere goden aanbidden?" Het kind begon te lachen en zei: Er is maar ťťn God, want Christus is waarachtig God, zo behoort men. Hem alleen te dienen. Wij kinderen kennen niet vele goden." De tiran verwonderde zich, toen hij dit hoorde, en schaamde zich dit kind te straffen, maar kon het nochtans niet ongestraft laten gaan. Eindelijk vroeg hij het kind, wie het dit geleerd had. Het kind antwoordde hem: "Mijn moeder." "Breng de moeder hier," gebood Asclepiades, opdat zij de straf zie van het kind, dat zij bedorven heeft." Toen het hij het kind de klederen uittrekken en derwijze geselen, dat ieder er hardzeer van had; maar de moeder zag het onbewogen aan. Toen het kind aldus gepijnigd werd, riep het tot de moeder om drinken. De moeder vertroostte het en zei: "Wees welgemoed, mijn zoon, u is de fontein des levens bereid. Drink nu de kelk, die zovele kinderen te Bethlehem gedronken hebben." Daarna beval Asclepiades de rechter, dat men het kind in de gevangenis zou zetten, en dat men Romanus andermaal zou pijnigen, en gebood, dat men een vuur zou aanleggen, waarin men hem zo spoedig mogelijk moest verbranden. Doch Romanus zei: Ik beroep mij op een hogere rechtbank; en ik beroep mij over dit vonnis op Christus, niet uit vrees van te sterven, maar opdat gij zoudt weten, dat gij met vonnis niets vermoogt." Daarop beval de tiran dat men het kind zou onthoofden en Romanus verbranden. Vervolgens droeg de moeder haar kind naar de gerichtsplaats en kuste het. Terwijl de beul het kind onthoofdde, zong zij de Heere een lofzang: "Kostelijk is in de ogen des Heeren de dood zijner gunstgenoten."

Aan de andere zijde van het plein was een groot vuur aangelegd, waarin pek en zwavel geworpen was, opdat het des te beter zou branden, en Romanus werd aan een paal gebonden en in het vuur geworpen. Onverwachts viel er een zware regenbui, die het vuur derwijze uitbluste, dat het niet weer kon aangestoken worden. Toen men dit de rechter berichtte, werd hij woedend en zei: "Hoe lang zal ons deze tovenaar betoveren en bespotten? Al zou ik hem ook laten onthoofden, zo zal het mes misschien ook zijn scherpte verliezen. Maar ik zal dit onderzoeken door een deel zijns lichaams af te snijden."

Hij liet daarom de chirurgijn halen, die hem in de eerste plaats de tong uit de keel moest snijden, ďwaarmee hij zo schandelijk," zei de rechter, de goden en vorsten gelasterd heeft." Romanus stak vrijwillig de tong uit, en liet haar, de grootste standvastigheid aan de dag leggende, uitsnijden. Toen dit geschied was, deed de rechter Romanus naar de afgoden brengen, opdat hij die ter ere zou offeren, daar hij nu wist, dat hij tegen de goden geen lastering kon uitspreken. Bij de rechterstoel werd een altaar opgericht, waarop vuur, wierook en varkensvet ontstoken werden. Toen Romanus daar heen geleid werd en al deze toebereidselen zag, blies hij er op, alsof hij de duivel zag. Aselepiades lachte er om en zei: "Wel, kunt gij nu ook de goden lasteren zoals gij vroeger gedaan hebt? Spreek op, nu mag gij vrijmoedig spreken als u kunt." Rornanus zuchtte enige malen, begon eindelijk te spreken en zei het volgende: ďHun, die Gods lof verkondigen, zullen mond noch tong ontbreken. Men heeft geen tong nodig, waar God, die aan hen kracht en geluid geeft, geprezen wordt. En ofschoon gij Zijn macht niet kent, zo weet nu, dat Hij een Heere is, Die over de natuur heerst, Die haar geschapen heeft; en deze kan Hij verandering doen ondergaan, wanneer het Hem belieft. Op het water liep Hij als op de vaste aarde, de blinden maakte Hij ziende, de doven horende, de kreupelen wandelende; en, wat gij ook aan mij kunt zien, de stomme sprekende. Dat dit geen fabelen zijn, ziet gij voor uw ogen aan mij." De tiran verschrikte, en verbaasde zich over het wonder, en wist niet, wat hij zeggen zou. Eindelijk verweet hij de chirurgijn, dat hij in deze zaak bedrieglijk gehandeld had. Maar, toen de chirurgijn zich verontschuldigde, en voorstelde om dit te onderzoeken, liet Asclepiades de vromen getuige van Jezus Christus weer in de gevangenis werpen, waar hij met een strop verwurgd werd. Op deze wijze eindigde Romanus standvastig blijvende in de belijdenis van Christus, zijn leven.

Men vindt nog vermeld, dat in het derde jaar van de vervolging gedood zijn, en wel te Cesaraea, zekere Lucius, een jongeling van 20 jaren, die in de zee werd geworpen, voorts Dorothea, een maagd, die onthoofd werd, eindelijk, Demetrius, die als landvoogd een vervolger was, doch later een Christen en martelaar werd.

Wij wenden ons nu naar het Westen.

Te Rome werd op de 11e Februari om het christelijk geloof onder vele pijnigingen eindelijk met het zwaard omgebracht zekere Soteris, een zeer edele en schone maagd daar.

Agnes, een Romeins meisje van 13 jaren, onderging om de naam van Christus, en wel onder de stadhouder te Rome, Symphorianus genaamd, de marteldood.

Julitta, die de stadhouder des keizers aanklaagde, omdat hij haar al haar bezittingen had ontnomen; doch zij werd door de rechter als niet ontvankelijk in rechten verklaard, omdat zij weigerde de goden des keizers te vereren. Men stelde haar voor, dat zij gehoord zou worden wanneer zij de christelijke godsdienst wilde verzaken. Zij verklaarde, dat zij liever al haar bezittingen, ja zelfs haar leven verloor, dan God te lasteren. In weerwil dat enige vrienden en vriendinnen haar tot afval zochten te bewegen, werd zij standvastig blijvende, levend verbrand.

 

Het vierde jaar van de vervolging

 

In de vervolging, door Diocletianus en Maximinus begonnen, en die op buitengewoon wrede wijze plaats had, onderscheidde zich vooral Calerius Maximianus, die haar op ontzettende wijze voortzette. Door de stadhouders Peucetius, Quintianus, Theotecus en anderen liet hij de Christenen zeer wreed mishandelen. Zij werden levend verbrand, aan de wilde dieren voorgeworpen om vernield te worden, aan kruisen genageld, in grote menigte in de zee verdronken, met de hongerdood in de gevangenis gestraft, onthoofd, handen en voeten afgehouwen en aldus in het leven gelaten, terwijl het genade moest heten, wanneer zij in de grootste ellende bleven verkeren, en van al hun bezittingen beroofd werden.

Onder anderen werden er omgebracht:

Silvanus, bisschop te Emesa, een stad bij Apamea, in SyriŽ, werd, met vele anderen, aan de wilde dieren ter verslinding voorgeworpen.

Januarius, bisschop te Benevento, Sosius, diaken van de gemeente te Miseno, Proculus, diaken te Puzzoli, en Acutius werden samen onthoofd.

Pelagia, een jonge dochter, werd in een gloeiende oven gesmoord.

Theonas en zijn vriendinnen Cyrenia en Juliana, werden op andere wijzen van het leven beroofd.

 

Het vijfde jaar van de vervolging

 

Aurelius Maxentius was keizer geworden, en evenaarde zijn vader Herculius in wreedheid, zodat hij vele voortreffelijke en aanzienlijke mannen van hun bezittingen en hun leven beroofde. Nu en dan steeg zijn woede zo hoog dat hij een groot aantal burgers te Rome aan zijn soldaten gaf, om als in een schouwspel door ben vermoord te worden. Hij gaf zich in erge mate aan de wellust over, en onderwierp vele eerbare vrouwen en jonge dochters, die hij met kracht en geweld in zijn macht gekregen had, aan zijn bozen en onverzadelijke wil, en zond die, na haar onteerd te hebben, weer naar haar mannen of het ouderlijk huis. Hij gaf zich ook veel af met allerlei soort van toverij en duivelse kunsten. In het begin van zijn regering gaf dit dierlijk mens zich evenwel voor een Christen uit, en gebood, dat men de vervolging van de Christenen zou staken, terwijl hij nochtans geen middelen onbeproefd liet, om hen te kwellen en verdriet aan te doen. In het 1e jaar van zijn regering stierven de marteldood Theodosia, een maagd van omtrent 18 jaren die in de zee werd verdronken, en Pamphilius, die na vele pijnigingen in de gevangenis van het leven werd beroofd.

 

Het zesde jaar van de vervolging

 

De geschiedenis meldt ons, dat in het 6e jaar van de vervolging, om het christelijk geloof, werden omgebracht:

Antonius, kerkedienaar.

En die buiten kerkelijke dienst waren:

Paulus Zebinas, Germanus, Mennas en Hermogenus, beiden stadhouders in Egypte.

Voorts, Victor, van MauritaniŽ, die, terwijl hij werd weggeleid om te sterven, aan de soldaten opdroeg, om Maximianus die de handen weer naar de keizerlijke kroon uitstak, aan te zeggen, dat hij weldra zou sterven, wat ook gebeurde.

In dit jaar werden ook nog van het leven beroofd:

Valentina, te Cesarea, en Ennathas, beiden maagden; zo ook Katharina, een jonge dochter te AlexandriŽ, die na vele martelingen de 25e november werd onthoofd.

 

Het zevende jaar van de vervolging

 

In het 71e jaar van de vervolging, aldus meldt men, werden, om de naam van Christus, ter dood gebracht.

In Palestina, Pamphilius, kerkedienaar te Cesarea, en twaalf anderen; zo ook Biblis, en Aquilina, een meisje van twaalf jaren; voorts Fortunata, een maagd te Cesarea, en Procopius.

In PlirygiŽ, en wel in de stad Laodicae: Artemon, kerkedienaar, insgelijks Throphimus en Tholus.

In IllyriŽ: Quirinus, bisschop te Scesca.

In PannoniŽ te Spalato: Felix

In ThraciŽ, in de stad Drusipara: Alexander.

In Griekenland: Maximus, Quintilianus, Dada, Theodorus, Oceanus, Ammianus, Julianus, Eusebius, Neon, Leontius, Longianus en anderen.

Cyrus, een geneesheer in de stad AlexandriŽ, en Johannes. een krijgsman, die zich enige tijd in een verborgen plaats hadden opgehouden, vernamen dat Athanasia, een christelijke vrouw, en haar drie dochters, Theoctiste, Theodora en Eudoxia, wegens het geloof in groot gevaar en ongelegenheid verkeerden, gingen tot haar, en vermaanden haar tot standvastigheid. Om deze daad werden zij gevangen genomen, en, daar zij weigerden aan de afgoden te offeren, allen tegelijk onthoofd.

 

Het achtste jaar van de vervolging

 

De geschiedenis meldt ons, dat in dit jaar, om de christelijke godsdienst, werden omgebracht:

In Egypte. Petrus, Nilusen Patermythius, die allen verbrand werden.

Nog veertig anderen werden onthoofd.

In PhrygiŽ, werd zekere stad met alle inwoners, zowel bestuurders als onderdanen, die allen de christelijke godsdienst beleden, en volgens Romeinse wijze aan de goden wilden offeren, nadat zij rondom was ingesloten, door de Romeinen verbrand. Een der voornaamste bewoners van deze stad was de hofmeester van de keizer, Adactus genaamd, die zeer hoge posten bekleedde. Hij was zeer standvastig, en als het hoofd en de leidsman van de anderen, ontving hij met de overigen de kroon der martelaren.

In SyriŽ, in de stad AntiochiŽ: Antonius, kerkedienaar, Julianus, Anastasius en andere voortreffelijke personen; voorts Martionilia en haar kind Celso, Euphrateisa, zeven gebroeders en vele anderen.

In BithyniŽ, in de stad NicomediŽ: Bassilissa, een meisje van 9 jaren, die de smarten van de slagen, het vuur en de wilde dieren doorstond, en, nadat zij haar gebed tot God had opgezonden, haar ziel aan God offerde.

 

Het negende jaar van de vervolging

 

In Egypte werden Petrus, bisschop te AlexandriŽ, Faustus, Didius, Ammonius, ouderlingen, benevens vele andere bisschoppen, ten getale van drie honderd, om het christelijk geloof, op de 28e november omgebracht.

 

Potamina, een jonge dochter

 

ďIsidorus Xenodochus verhaalde mij," zegt Palladius, ďeen zeer merkwaardige geschiedenis, die hij verklaarde uit de mond van de zaligen Antonius gehoord te hebben, van een zeer schone jonge dochter, die ten tijde van keizer Maximianus, toen hij de christelijke gemeente vervolgde, dienstbaar was bij een wellustigen heer, die haar menigmalen, doch tevergeefs, tot ontucht zocht te verleiden. Uit wraak gaf hij haar, onder vreselijke woede aan de stadhouder te AlexandriŽ over, en beschuldigde haar, dat zij een Christin was, daar zij om de vervolging en de pijnigingen, die de keizer de Christenen aandeed, de keizers lasterde en vloekte. Hij beloofde de stadhouder een grote som geld, indien hij haar bevreesd kon maken, en zei: Als gij haar weet te overreden, zodat zij aan mijn wil gehoorzaamt, bewaar haar dan en straf haar niet. Maar, indien zij hij haar reinheid hardnekkig volhardt, straf haar dan met de dood, opdat zij, in het leven blijvende, mijn onkuisheid niet verachte."

Toen deze standvastige dienstmaagd voor de rechterstoel van de stadhouder gebracht was, werd zij met verschillende werktuigen op onmenselijke wijze gepijnigd, doch zij bewaarde haar hart tegen alle aanvechtingen des vleses en was onbeweeglijk als een rots. Onder de pijnigingen, door de rechter uitgedacht om haar aan te doen, was er een, die de andere in wreedheid te boven ging. Hij liet, namelijk, een groten ketel met pek vullen, en een groot vuur daar onder aanleggen, zodat het pek gloeiend heet werd en kookte. Vervolgens zei de tiran: Ga heen, en wees aan de wil van uw meester onderdanig, of ik zal u in de ketel met kokend pek laten werpen." Zij antwoordde daarop: "Het zij ver, dat gij zulk een onrechtvaardig rechter zoudt zijn, om mij te dwingen aan de wellust en de onkuisheid van mijn meester te gehoorzamen." Om deze woorden vertoornde de rechter zich derwijze, dat hij de beulen gebood, dat zij haar geheel moesten ontkleden en in de ketel smoren. Tot een bewijs van haar moed, riep zij de rechter met luide stem toe: ďIk bid u, zo lief gij de keizer hebt, die gij met eerbied vreest, als het uw voornemen is, mij op deze wijze te doden gebied dan, dat men mij niet terstond geheel, maar langzamerhand in de ketel met kokend pek laat neerdalen, opdat gij zien mag hoe grote lijdzaamheid mij Christus gegeven heeft, die gij niet kent." Men liet haar dan ook zeer langzaam, gedurende een uur gedurig wat lager met de voeten benedenwaarts in de ketel neer, en zij overleed eerst toen het gloeiend pek haar mond bereikte.

Chrysogonus, een Romein en onderwijzer van een edele Romeinse dochter, Anastasia genaamd, werd ook, om de christelijke godsdienst, van het leven beroofd. Anastasia, die, tegen haren wil, door haar ouders aan zekere Publius, een vijand van de christelijke godsdienst, uitgehuwelijkt was, weigerde bij hem te blijven, reisde naar Aquila, en onderging daar met nog vier andere maagden een vreselijk lijden.

Anysia, een meisje te Thessalonika, uit rijke en ook christelijke ouders geboren, werd daar in de tempel gedood, en wel tijdens Maximianus door zeker bevel aan ieder vrijheid had gegeven de Christenen, waar men die ook ontmoette, dood te slaan.

In deze stad bezegelde Demetrius, een voortreffelijk en ijverig leraar, de waarheid van het evangelie met zijn bloed.

Men leest ook nog, dat in het 9de jaar van de vervolging omgebracht werden Theodorus, een bisschop, Philemon en Cyrilla.

 

Het tiende en laatste jaar van de vervolging

 

In het 10e jaar van de vervolging werden ook onderscheiden personen, meest allen in het Oosten, omgebracht, wegens het christelijk geloof.

 

Lucianus, een ouderling

 

Lucianus, een ouderling te AntiochiŽ, was een zeer godzalig, welsprekend en geleerd man en bovenal geoefend in de Heilige Schrift. Te NicomediŽ, waar keizer Maximianus en ook de vorige Oosterse keizers hun verblijf hielden, werd hij door de stadhouder gevankelijk binnen gebracht. Op uitstekende wijze verantwoordde hij zich daar mondeling, en bezegelde later zijn geloof met zijn bloed.

Toen hij voor de rechterstoel stond, vroeg de rechter hem: "Lucianus, aangezien gij zulk een verstandig en wijs man bent, waarom volgt gij dan de sekte, waarvan gij toch geen reden kunt geven? Of indien gij er reden van geven kunt, laat ons die dan horen. Toen men hem verlof gaf om te spreken, gaf hij van zijn geloof op de volgende wijze rekenschap:

"Het is bekend, dat wij een God vereren, Die ons door Christus verkondigd is, en door de Heilige Geest aan ons hart verzegeld. Want, wij zijn door geen menselijke woorden, zoals gij denkt, of door de gewoonten onzer voorouders tot dwaling gebracht. God zelf is onze Leermeester. De godheid en Zijn hoge majesteit kunnen door geen menselijk verstand begrepen worden, zo die niet door de kracht van de goddelijke Geest en door de schriftmatige uitlegging van Zijn Woord en van Zijn wijsheid verklaard worden. Ik beken gaarne, dat wij in vroeger tijden gedwaald hebben, en beelden gediend, die wij met onze eigen handen hadden gemaakt, denkende dat zij de hemel en de aarde geschapen hadden; maar hun vergankelijkheid en de eer, die hun door ons werd aangedaan, bewezen het ons geheel anders. De almachtige God, die niet door mensenhanden gemaakt is, maar wiens maaksel wij zijn, verdroot het zeer, dat de mensen zo dwaalden. Daarom zond Hij Zijn eeuwige Wijsheid van de hemel in het vlees, opdat wij God zouden leren kennen, en Hem, Die de hemel en de aarde geschapen heeft, niet in voorwerpen door mensenhanden gemaakt, maar in de onzichtbare eeuwigheid zouden zoeken. Deze heeft ons wetten en geboden voor het leven gegeven, dat wij matig zouden zijn, in armoede ons verblijden, zachtmoedigheid, geduld en eenvoudigheid van het hart zouden beminnen en leren lijden.

"Alles wat gij nu in woede aan ons doet, heeft Hij Zelf voorzegd, dat ons zou overkomen; dat wij voor koningen zouden worden geleid, voor rechterstoelen gesteld en als slachtvee zouden gedood worden. Daarom heeft Hij ook, Die als het Woord en de Wijsheid des Vaders onsterfelijk was, Zichzelf overgegeven in de dood, opdat Hij ons in Zijn lichaam een voorbeeld van lijdzaamheid zou geven. In de dood is Hij niet gebleven, maar ten derde dage weer uit de doden opgestaan. Hij stierf niet, zoals de valse, leugenachtige gerechtshandel van Pilatus zegt, waarin Hij van kwaad wordt beschuldigd, maar onschuldig, onbevlekt en rein. Alleen daarom stierf Hij, opdat Hij de dood door Zijn opstanding zou overwinnen. Wat ik zeg, is niet in ít geheim geschied, en het heeft geen getuigen van node. Bijna het grootste gedeelte der wereld weet, dat het waarachtig is, ja gehele steden, plaatsen en vlekken bekennen het. En, wilt gij die nog niet geloven, roept de plaats, waar het geschied is, tot getuige. Jeruzalem getuigt het en de gescheurde steenrots van Golgotha, ook de grafspelonk, die zijn lichaam levend teruggaf. Of meent gij, dat de aardse dingen niet voldoende zijn om het te staven, neemt dan de hemel tot een getrouw getuige. De zon bekende het, die deze dingen op de aarde door de goddelozen zag geschieden, en haar licht op aarde verdonkerde. Zoekt in uw jaarboeken, en daarin zult gij vinden, dat, ten tijde van Pilatus, toen Christus leed, het licht door de verduistering der zon was geweken.

"Maar blijkt het nu, dat gij de getuigenis der aarde, van de hemel en het bloed niet aanneemt in de dingen, waarvan gij de waarheid door pijnigingen onderzoekt, hoe zult gij dan mijn woorden en het bewijs er van geloven?"

Toen deze vrome martelaar met zulke woorden het volk langs hoe meer tot zich begon te trekken, werd hij terstond in de gevangenis geworpen, en daar, om geen opstand onder het volk te verwekken, ter dood gebracht.

Pantaleon, een wijd beroemd geneesheer in de stad NicomediŽ en daarom door keizer Maximianus hoog geŽerd, beleed voor hem, dat hij een christen was, waarom hij velerlei onmenselijke wreedheden, om de naam van Christus, moest verduren. Toen hij door het werpen in een ketel niet gesmolten lood en in het water met een zware steen aan de hals niet kon gedood worden, noch door de wilde dieren, waarvoor hij geworpen werd, verscheurd, werd hij eindelijk na vele voorafgaande martelingen, onthoofd. Op zijn lijdensbaan had hij tot metgezellen HermolaŁs, een voortreffelijk belijder van Christus, Hernippus en Hermocras, die op gelijke wijze de martelaarskroon ontvingen.

Aan Eugenius, daar hij de goddeloosheid der heidenen openlijk bestrafte, werd de tong uitgesneden, handen en voeten werden afgehouwen, en alzo eindigde hij zijn aardse leven.

Auxentius, een diaken in de gemeente der Auracenen, in AziŽ, werd onthoofd.

Maodatius werd bij de tenen opgehangen en met gloeiende priemen doorboord, verder, met fakkels verbrand zijnde, van het tijdelijke leven beroofd.

Juliana, een zeer schone maagd te NicomediŽ, die het huwelijk afsloeg met een raadsheer, Eleusus genaamd, omdat hij een afgodendienaar was, werd ook, na verscheidene martelingen om de naam van Christus ondergaan te hebben, om het leven gebracht.

Fausta, een maagd te Cyrene, die van rijke ouders geboren was, werd om haar christelijke belijdenis, door Eulasius, een opziener van het paleis des keizers, gevangen genomen. Door haar standvastigheid echter, zelfs temidden van vele zeer wrede martelingen, bekeerde zij Eulasius tot Christus, en daarna ook de stadhouder Maximinus. Later werden deze drie als martelaren omgebracht.

De geschiedenis maakt nog melding van zeer vele martelaren, die, om de getuigenis van Jezus Christus, in deze wrede vervolging door de Romeinse keizers op verschillende wijzen werden omgebracht, en wel in onderscheiden landen en koninkrijken, die wij echter, om niet in een te grote uitvoerigheid te vervallen, alle niet zullen vermelden. Naar onze overtuiging zijn de boven beschreven genoeg, om ieder de onmenselijke tirannie en wreedheid te tonen, door de heidense keizers jegens de vrome christenen en oprechte belijders der christelijke waarheid gepleegd.

 

De Christenen verkrijgen vrede in het Romeinse rijk

 

Na de boven vermelden tijd genoten de christenen weer rust door Constantijn, die de keizer en tiran Maxentius en zijn gehele legermacht ten onderbracht en de christenen grote gunst bewees. Licinius evenwel, zijn medebestuurder in het rijk, gaf zich gedurende enige tijd wel voor een christen uit, maar legde later dit masker af, en gaf zich in het openbaar aan afgoderij over. Hij vervolgde toen op zeer wrede wijze de christenen, deed hun dagelijks geduchte pijnigingen aan, en het hen op velerlei wijzen ter dood brengen. Maar de almachtige God, Die de Zijn met ten enenmale verlaat, en de kwaden naar verdiensten straft, bestuurde het, dat keizer Constantijn de overwinning op hem behaalde, en hem eindelijk geheel ten onder bracht. Keizer Constantijn, nu alleen keizer geworden zijnde, wendde terstond alle middelen aan om het Rijk van Christus uit te breiden, en de afgoderij, niet alleen, waar hij door zijn macht zulks doen kon, maar ook hij alle andere vorsten en volken, uit te roeien.

In dezen tijd gingen de Indianen en de bewoners van ArmeniŽ tot het Christendom over, terwijl ook de Perzen tot Christus werden bekeerd. Maar, aangezien zulk een overgang zonder vervolging en bloedstorting, in deze tijden niet goed kon plaats hebben, zette de satan de wijzen, MagiŽrs genaamd, en Joden tegen de christenen op, die met leugen, zoals hij vanouds gewoon is, Simeon, een opziener der gemeenten te SeleuciŽ en Ctesiphon, bij de Tiger, bij de koning Sapores beschuldigde, dat hij een vriend was van de Romeinse keizer en hem de geheimen van het rijk openbaarde. Sapores, die aan de beschuldiging geloof sloeg, bezwaarde de christenen met drukkende belasting en liet de godvruchtigen Simeon, in ketenen geklonken, tot zich brengen. Toen nu Simeon binnen geleid was, en zich onbevreesd aanstelde, gebood de koning hem, dat hij de zon zou aanbidden, en beloofde hem, wanneer hij dit deed, met grote eer en rijkdom te zullen overladen; maar, wanneer hij bleef weigeren, zou hij en al de christenen gedood worden. Toen Simeon volstandig bleef, hield hij hem gevangen, terwijl hij hoopte hem na verloop van tijd te buigen en daartoe te bewegen.

Toen hij naar de gevangenis geleid werd, zag hem Ustazades, de leermeester des konings, en toen opzichter over het koninklijk paleis. Deze stond op en boog zich voor Simeon neer; doch Simeon wendde zich met verachting van hem af, en wel omdat Ustazades eenmaal christen geweest was, maar, toen hij met geweld was gegrepen, zich voor de zon had neergebogen. Na deze bejegening weende Ustazades zeer, en terwijl hij zijn prachtgewaad aflegde, trok hij rouwklederen aan, en plaatste zich al zuchtende en wenende naast het paleis des konings. "Och," zuchtte hij, "hoe zal God nu goed jegens mij zijn, die ik verzaakt heb, nu Simeon, mijn goede vriend, mij niet wilde toespreken, en met gramschap van mij geweken isĒ. Toen koning Sapores dit vernam, liet hij hem roepen, en vroeg hem naar de oorzaak van zijn droefheid, en onderzocht of er ook een ongeluk in zijn huis had plaats gehad. Ustazades antwoordde: "O mijnheer koning, in mijn aardse huis is geen ongeluk voorgevallen; maar voor hetgeen mij nu wedervaren is, wenste ik wel, dat mij ander leed geschied ware! Ik ween, omdat ik nog leef, daar ik reeds sedert lang had moeten gestorven zijn, omdat ik op uw bevel, tegen mijn gemoed, de zon heb aangebeden. Het is daarom billijk, dat ik sterf, want ik heb Christus verzaakt en u bedrogen." Terwijl hij dit zei, zwoer hij bij de Schepper van de hemel en der aarde, dat hij zijn belijdenis niet intrekken zou. Koning Sapores verwonderde zich over de vrijmoedigheid van deze man, en verbitterde jegens de christenen in hoge mate, alsof hij daardoor de lieden als het ware had kunnen betoveren. Eindelijk, na veel smeken en bidden, na schone beloften, en veel bedreigingen, beval de koning de oude man, die hem en zijn vader zo lange tijd gediend had, te doden. Toen Simeon dit vernam, dankte en loofde hij God daarvoor. De andere dag liet de koning hem het hoofd afslaan; met hem werden nog honderd anderen op dezelfde dag gedood. Simeon onderging zijn straf het laatst, opdat hij de dood van de anderen zien zou. Hij versterkte hen met de hoop op de toekomstige opstanding, en met het onvermengd genot der godzaligheid, dat hij krachtig met de Schrift bewees, zeggende: "Alzo te sterven is een waarachtig leven, maar God te verzaken is een gewisse dood. Al worden wij ook door niemand gedood, wij moeten toch eens sterven; want dit is het einde van allen, die geboren zijn en leven. Daarna volgt de eeuwigheid, die voor ieder echter niet hetzelfde wezen zal, want ieder ontvangt loon naar wat hij gedaan heeft, hetzij goed, hetzij kwaad. Onder alle schatten is er geen beter of zaliger dan te sterven voor de naam van God." Onder deze toespraak van Simeon, waardoor hij de martelaren voor Christus' naam zeer in het geloof versterkte, gingen zij moedig de dood te gemoed. Eindelijk kwam de beul tot Simeon, Abedachašla en Ananias, welke beiden ook met Simeon gevangen genomen waren. Bij hen stond een man, Piscius genaamd, die opziener was van het paleis des konings. Deze zag dat Ananias beefde toen hij gedood zou worden, en zei tot hem: "0 gij oude man, doe uw ogen een weinig toe en wees onversaagd, want terstond zult gij de heerlijkheid van Christus zien. Toen hij dit zei, werd hij terstond gevangen genomen, op wrede wijze hem de tong uitgesneden en gedood. Zijn dochter werd evenzeer aangeklaagd, dat zij een christin was, gevangen genomen en ter dood gebracht.

De geschiedenis meldt, dat daar op onderscheiden wijzen, meer dan zestien duizend christenen werden omgebracht, zodat keizer Constantijn hem in een uitvoerig schrijven op het hart drukte, zulke wreedheden jegens de christenen te staken.

 

De verdeling van het Romeinse rijk en de oorsprong van de Antichrist

 

[JAAR 480.]

 

De christenkeizer Constantijn, zoon van Helena, liet in het jaar 330 de stad Byzantium verfraaien en vergroten en naar zijn naam noemen Constantinopel en nieuw Rome. Derwaarts bracht hij de zetel van het Romeinse rijk over, en vestigde zich daar, hetgeen aanleiding gegeven heeft tot de verdeling van het Romeinse rijk. De opperkeizer had zijn zetel te Constantinopel, en werd keizer genaamd van het Oosterse rijk; terwijl hij te Rome een medekeizer had, die men keizer van het Westerse rijk noemde. Deze verdeling bleef voortbestaan tot de tijd der koninklijke regering, zijnde het jaar 476 na Christus' geboorte. Intussen waren sommige volken opgestaan en hadden zich onafhankelijk gemaakt, zoals de Wandalen, Gothen, Franken, Longobarden en Herulen, die de keizer van het Westerse rijk verdreven, ItaliŽ en Rome overweldigden en innamen, zodat Zeno, keizer van Constantinopel, de geweldigen Odoacer met zijn wapenen niet ten onder kon brengen wegens de kracht, waarmee hij zich in het Romeinse rijk staande hield. Rome noemde hij naar zijn naam Odoacria.

In deze tijd waren ook de bisschoppen niet eensgezind onder elkaar, zij gedroegen zich zeer twistziek en oproerig, terwijl de een de ander vervolgde en verdreef. Ieder van hen wilde de voornaamste zijn. De les van Christus was vergeten, Matt. 20, vs. 26. "Wie onder u zal willen groot worden, die zij uw dienaar." Zij waren allen in erge mate aan eerzucht, overgegeven, waarvan het gevolg was, dat er dwalingen .inslopen, en sekten, ketters, valse profeten en verleiders opstonden. Wie zou gedacht hebben, dat het zout zo spoedig smakeloos zou worden!

Men was er getuige van, dat Cyrillus, een geleerd man en bisschop te Jeruzalem, twist kreeg met Achatius, bisschop te Ceseraea, in Palestina. Lucius gebruikte geweld, om het bisdom van AlexandriŽ in handen te krijgen. Ursinus benijdde Damaskus de bisschop te Rome. Deze allen waren, als het ware voorlopers van de grote Antichrist, wiens pad door deze verkeerdheden gebaand werd. De sekten, die nu ontstonden, deden veel kwaad, en vooral de Arianen, die vele vorsten en voorname personen tot hun sekte verleidden. Toen keizer Valens, door de invloed van zijn vrour, een aanhanger der Arianen geworden was, verdreef hij vele rechtzinnige bisschoppen, en onder die Meletius van AntiochiŽ, Eusebius van Samosata, Pelagius van Laodicea, Barses van Edessa, Evagrius van Constantinopel. De vervolging en de onderdrukking waren zwaar; nergens was men vrij, overal heerste onuitsprekelijke benauwdheid. Toen de keizer te AntiochiŽ kwam, liet hij er velen doden. Van daar vertrok hij naar Edessa, en terwijl hij daar vernam, dat meest al de inwoners een afkeer hadden van het Ariaanse gevoelen, sprak hij daarover de stadhouder op hoogst verbolgen wijze, onder het geven van slagen in het aangezicht, aan, en vroeg, waarom hij dezulken niet uit de stad had verdreven. De stadhouder, die de keizer wilde believen, en aan de anderen kant evenwel niemand doden of vervolgen, gebood heimelijk, dat zich niemand moest aanmelden om als martelaar te lijden. Doch dit baatte niet, want de volgende dag liepen de moedige christenen in grote menigte naar de tempel, om daar, wanneer dit geŽist werd, gedood te worden. Onder anderen kwam de stadhouder tegemoet een arme vrouw, met haar zoontje aan de hand. Op de vraag van de stadhouder, waar zij zo haastig naar toe liep, antwoordde zij: Naar de plaats, waar ik mijn ziel en die van mijn zoon wil opofferen." Toen de stadhouder dit hoorde en zeer ontsteld werd, deelde hij het aan de keizer mee, en zei, dat het een wrede en onmenselijke zaak zou zijn, zulk een grote menigte, in zo korte tijd, om te brengen. De keizer verwonderde zich hierover, en was dermate bewogen, dat hij gebood zijn wreed bevel niet ten uitvoer te brengen.

Toen nu, zoals verhaald, de onbeschaafde naties de overhand verkregen, en vele landen en steden verwoestten, dat als een zekere roede en straf van de almachtige God was aan te merken, begon de Antichrist zich hoe langer hoe meer macht aan te machtigen. Tevoren was er aangaande hem voorzegd, dat hij uit de bisschoppen of opzieners der gemeenten zou voortkomen, zoals Paulus zegt, Hand. 20, vs. 30, en Johannes in Zijn 1e brief, Hoofdst. 2, vs. 19. En wat door de Heilige Geest voorzegd is, moet vervuld worden. Daarom willen wij dit uit de oude geschiedenis wat nader meedelen.

Tijdens het bestuur van Odoacer te Rome, zoals wij boven verhaald hebben, begon het verborgen werk van de Antichrist zich te openbaren. In het jaar 480 namelijk, verzocht Acbatius, bisschop van Constantinopel, aan Simplicius, bisschop te Rome, dat hij Petrus. bisschop te AlexandriŽ, in de ban zou doen. Daaruit ontstonden dadelijk twisten over de macht van de stoel te Rome, namelijk, of hij de voornaamste was, en het Hoofd der bisschoppen, welke twisten lange tijd onder de bisschoppen hebben geheerst. De andere bisschoppen, opvolgers van Achatius, waren daarmee niet tevreden, maar begeerden, dat men de bisschop van Constantinopel, waar de zetel des keizers was, als de voornaamste en algemene bisschop zou erkennen.

Toen eindelijk Phocas door verraad en moord zich meester van het keizerrijk gemaakt had, verlangde Bonifacius de derde, dat de stoel te Rome de opperste zou genoemd worden boven alle bisschoppen der gehele christenheid en het hoofd der gemeenten; wat hem werd toegestaan en vergund.

Bedenk toch, van wie de pausen hun macht ontvangen hebben, namelijk van zulk een, die keizer Mauritius,zijn heer en meester, vermoord had. Tot die tijd placht men geen bisschoppen te Rome in hun ambt te bevestigen dan alleen met de wil en de toestemming van de keizer; van daar dat zij niets belangrijks tegen de keizer durfden ondernemen. Maar zij rustten niet, totdat deze bevestiging was afgeschaft, hetwelk in het jaar 670 plaats had. In deze tijd regeerde Constantinus de vierde als keizer, die aan Benedictus de tweede, bisschop te Rome, de vergunning gaf, dat, wie door de geestelijkheid en het volk te Rome tot bisschop gekozen werd, door ieder als het hoofd en de stedehouder van Christus zou erkend worden, zonder enige keizerlijke aanstelling af te wachten. Na verloop van tijd gaf dit de bisschoppen van Rome zulk een macht, dat hun invloed en gezag voor koningen en keizers geducht geworden zijn.

Omtrent veertig jaren daarna, begonnen zij zich tegen de keizer te verzetten en hun macht te tonen; want paus Constantinus liet beelden schilderen in het portaal van de St. Pieterskerk, waar keizer Philippicus en de Griekse bisschoppen zeer tegen waren. Enige jaren later, namelijk in het jaar 726, gebeurde het, dat Leo Isaurus de derde, keizer te Constantinopel, die zeer ervaren was in de Heilige Schrift, een edict uitvaardigde, om alle beelden uit de kerken van zijn rijk te weren, en beval dit zelfs aan Gregorius de tweede, bisschop te Rome. Hierdoor maakte zich de vrome keizer zo gehaat bij het Italiaanse volk, dat het hem een beeldstormer noemde, en sommigen zelfs een anderen keizer wilden kiezen. Dit was ook niet naar de zin van de bisschop te Rome, want de hooghartigheid der bisschoppen in ItaliŽ kon zich met de keizer niet verstaan. Het volk werd zelfs zo oproerig, dat Paulus, stadhouder des keizers, te Ravenna, met zijn zoon door het volk gedood werd. Toen de keizer nog niet ophield om het gebod Gods te gehoorzamen, dat Exod. 20, vs. 4 gebiedt: "Gij zult u geen gesneden beeld, noch enige gelijkenis maken," deed paus Gregorius hem in de ban, en hitste de Longobarden tegen de keizer op, die tot nu toe steeds een stadhouder te Ravenna hadden, en nu Ravenna belegerden en met geweld innamen, en alzo de macht en heerschappij van de keizer in ItaliŽ verbraken. Luitprand, koning der Longobarden, wilde het gedeelte van ItaliŽ, dat aan het rijk van Constantinopel was ontnomen, zelf bezitten, natuurlijk tegen de zin van de paus; hij nam al de omliggende steden in, en belegerde eindelijk ook Rome. Hulp en bijstand zocht de paus niet, zoals hij vroeger deed, hij de keizer, daar hij hem wegens het verbod der beelden, in de ban gedaan had. Hij zond nu boden tot Karel Martel, de opperhofmeester van het koninklijk paleis in Frankrijk, en bad hem om bijstand voor Rome en de heilige kerk. Karel voldeed daaraan, door Luitprand, die zijn vader en vriend was, met vriendelijke woorden daarvan te doen afzien. Van die tijd af werd het Romeinse rijk niet meer door de Grieken, maar door de Franken beschermd.

Na de dood van Karel Martel, werd Pepijn, zijn zoon, door de koning van Frankrijk, tot dezelfde eer en waardigheid verheven; deze echter, geleid door zijn hooghartigheid, beraamde middelen, waardoor hij het best Childerikus, zijn koning, uit het rijk kon verdrijven. Hij verzocht dit aan het hoofd der kerk, namelijk de paus, van wiens gunst, om de wil van zijn vader, hij zich verzekerd durfde houden. Hij liet paus Zacharias vragen, wie meer waardig was koning te zijn, hij, die alleen de titel droeg en het rijk met raad noch daad kon helpen, of hij die al de zorgen van het rijk alleen droeg. Paus Zacharias verstond deze slimme streek zeer goed, kende aan Pepijn de koninklijke eer toe, en achtte hem waardiger koning van Frankrijk te zijn, dan Childerikus. Pepijn werd alzo koning, en liet Childerikus, zijn koning en heer, naar een klooster voeren. En, opdat de Franken Pepijn niet als een ontrouwe en meinedige zouden verwerpen, ontsloeg de paus hem van de eed, die hij aan zijn vorst had gezworen, en gebood de Franken, dat zij hem als koning zouden gehoorzamen. Dit geschiedde omtrent het jaar onzes Heeren, 753.

Toen Constantinus de vijfde, zoon van Leo, keizer geworden was, riep hij te Constantinopel een kerkvergadering samen, waarin uit de Griekse en Aziatische gemeenten driehonderd acht en dertig bisschoppen verschenen, die onder andere ook spraken over het maken, eren en aanbidden van beelden en overblijfselen van heilige personen of zaken. Er werd uitgesproken, dat de verering en aanbidding van beelden en overblijfselen van heilige zaken en personen loutere afgoderij was, in strijd met Gods heilig Woord. Deze Synode of kerkvergadering werd gehouden in het jaar onzes Heeren 755.

De keizer volgde zijn vader na met de beelden uit de tempels te doen wegnemen, en zond het besluit van de kerkvergadering aan de paus en gebood hem, dat hij de beelden zou doen wegruimen. De paus verklaarde zich echter daartegen, en riep een andere kerkvergadering samen te Rome, waarin besloten werd, dat men de beelden van God, van onze Zaligmaker Jezus Christus, van de maagd Maria, van de Apostelen, en van andere heiligen moest vereren, en dat hij, die deze algemene gewoonte en het getrouw gebruik verachtte, en de beelden wegnam en vernielde, buiten de gemeenschap der heilige kerk zou gesloten worden.

Na de dood van de keizer werd zijn zoon, als erfgenaam van het rijk, keizer van Constantinopel, onder de naam van Leo de vierde. Tot echtgenote had hij een edele, schone en zeer kundige vrouw, Irene genaamd, die hem een zoon schonk, Constantinus de zesde geheten. Nadat Leo overleden was, eigende zij zich de regering toe, omdat Constantinus nog te jong was om te regeren. Op verlangen van de bisschop Theodorus liet zij het lijk van keizer Constantinus, haar schoonvader, opgraven, in het openbaar verbranden en de as in zee werpen, omdat hij in zijn leven de beelden had laten verwijderen, en de versierselen in de kerken had laten wegnemen.

Zij riep ook een kerkvergadering samen te Constantinopel, waarin voorzitter was de patriarch Tarasius, terwijl daar ook tegenwoordig waren de gezanten van paus Adrianus, waar de zaak der beelden op heftige wijze werd besproken. De patriarch en zijn aanhangers waren voor het gebruik der beelden, en Basilius, bisschop te Ancyra, en sommige anderen er tegen. Na veel getwist, geschreeuw en oproer, van de zijde van het volk, ging de vergadering eindelijk onverrichter zake uiteen.

Omtrent twee jaren later riep de keizerin Irene, uit naam van haren zoon Constantinus, andermaal een kerkvergadering bijeen te Nicea, waarin 350 bisschoppen verschenen. Eindelijk kreeg het gebruik der beelden, op aandringen van paus Adrianus, de overhand, en werden die in alle Griekse kerken weer ingevoerd en opgericht.

De wijze om die te vereren werd aldus beschreven:

 

God wordt u door dit beeld geleerd,
Maar God zelf is het niet;
Aanschouw het toch, opdat gij eert
Met 't hart, wat u er in ziet.

 

Toen dit aldus besloten was, liet Irene bijna in alle kerken beelden en schilderijen plaatsen, en hield niet eer op dit bijgeloof te bevorderen, dan nadat haar zoon Constantinus zelf het keizerrijk aanvaardde. Aangezien hij zijn vader in godzaligheid navolgde, zo liet hij weer alles wegwerpen, verbreken en verbranden, wat zijn moeder had opgericht.

Toen dit in de Griekse landen voorviel, werd ook over het gebruik der beelden in Spanje druk gesproken. In de stad Elvira, thans Granada genaamd, namelijk, werd een kerkvergadering gehouden, waaraan negentien Spaanse bisschoppen en zes en dertig priesters deelnamen. De voornaamste onder ben was, zegt men, zekere Felix, bisschop te AquitaniŽ. Na vooraf gegane wijdlopige behandeling werd besloten, de gelovigen te vermanen, dat zij alles in het werk moesten stellen, om de beelden uit de huizen te weren; dat men ook in de kerken geen schilderijen moest plaatsen, opdat niet aan de wanden zou geschilderd worden, wat men vereerde en aanbad. Toen men dit besluit te Rome vernam, deed de paus zijn best, dat men ook in Duitsland zich niet tegen de beelden zou verklaren, waartoe hij zijn gezanten daarheen afvaardigde. Niettegenstaande deze voorzorg, werd er toch door koning Karel de Grote te Frankfort een kerkvergadering bijeen geroepen, waarin verschenen twee honderd vijf bisschoppen, uit ItaliŽ, Frankrijk, Duitsland en andere landen. Er werd besloten, dat men de beelden niet moest vereren noch aanbidden, terwijl ook tevens werd veroordeeld de Kerkvergadering ten tweede male gehouden te Nyeala, daar men ontkende, dat zij algemeen was, en dat zij de naam daarvan geenszins verdiende. Op deze wijze werd in die tijd de verering en aanbidding van beelden verhinderd.

Omdat dit te Frankfort, in Duitsland, plaats had, beging Irene te Constantinopel een wrede zaak. Daar zij zag, dat verworpen en verstoord werd, wat zij met grote kosten en veel moeite opgericht had, overviel zij, op raad en door verraad van sommige pausgezinden, haren zoon de keizer op listige wijze, beroofde hem van de regering, liet hem de ogen uitsteken en in een akelige gevangenis werpen, terwijl hij niet lang daarna van hartzeer en smart stierf. Dit overkwam hem alleen van die wreedaards, welke bij wilde dieren kunnen vergeleken worden, omdat hij het gebod des Heeren, om de beelden neer te werpen, gehoorzaamde. In die tijd zoals Eutropius verhaalt, was de zon zeventien dagen achter elkaar verduisterd, en gaf haar schijnsel niet, zodat de schepen op zee verdwaalde, terwijl ieder zei, dat dit geschiedde omdat de keizer van zijn ogen was beroofd. Deze afgodische lieden werden echter door dit wonder niet verschrikt, maar gingen in hun boosheid voort. Dit geschiedde omstreeks het jaar van onze Zaligmaker 797.

In deze onrustige tijd beging Leo de derde, paus te Rome, een zeer stoute daad, en gaf de keizerlijke kroon van het Romeinse rijk, die vroeger de keizer van Constantinopel toebehoorde, aan de Fransen over, aangezien de bewoners van Constantinopel, om het niet toelaten van beelden in de kerken, door de paus in de ban waren gedaan. Men kan echter wel aannemen, dat deze verwisseling niet plaats bad zonder toelating, van keizerin Irene, daar de paus graag een huwelijk gesloten zag tussen Karel. de Grote en Irene. Dit zou ook geschied zijn, zo het niet ware verhinderd door Betius, de raadsheer, en Nicephorus, de veldheer der Grieken. Deze beschuldigden Irene, en overwonnen haar, dat zij het rijk verraderlijk aan de Fransen wilde afstaan, waarom zij te Lesbos gevangen genomen werd. De Grieken verkozen Nicephorus tot keizer; doch door de Romeinen en in de Westelijke landen werd hij niet als keizer erkend, terwijl deze koning Karel de Grote tot zich riepen, hem tot keizer verklaarden, en beweerden, dat hij door God was gekroond.

Ten gevolge der overgave van het keizerrijk aan de Fransen door het bedrijf van de paus, ontstond er grote haat tussen de Grieken en de Romeinen, waardoor de Saracenen en daarna de goddeloze Turken zeer machtig werden. Want ofschoon de keizers van Constantinopel, Nicephorus, MichaŽl en Leo met Karel vriendschap zochten aan te knopen, vertrouwden de Grieken de Fransen echter niet. De Fransen hielpen ook de Grieken niet, toen zij door de Saracenen overvallen en onderdrukt werden, zorgende indien de Grieken de overhand kregen, en geen andere vijanden hadden, dat zij hun macht niet zouden aanwenden tegen de Fransen, teneinde het Romeinse rijk weer in handen te krijgen. Uit haat, voortvloeiende uit grote eerzucht, namen de Saracenen of Mohammedanen steden en landen in, en roeiden de christelijke godsdienst uit, hetgeen plaats had omtrent het jaar 803. Zulk een wond werd de christenen geslagen, terwijl zij, om de afgoderij, door vreemde vorsten werden overweldigd, zoals voormaals de IsraŽlieten wedervoer. Toen Karel door de paus in het rijk bevestigd was, leverde hij hem alle landen (die vroeger aan zijn vader waren afgestaan) over, en maakte met hem een vast verbond. Op deze wijze verkreeg de Antichrist aan de een, en de Turk aan de andere zijde, die beiden dodelijke vijanden der ware christenheid waren, meer en meer macht en geweld.

 

Adelbertus Gallus

 

[JAAR 900.]

 

In deze tijd, toen de rijkdom, de macht en het geweld van de Antichrist dagelijks toenamen, kreeg ook het bijgeloof de overhand, terwijl de ware godsdienst werd verdrukt en als met de voet vertreden. Menig godvruchtig mens klaagde daarover op Jammerlijke wijze, en zeer weinigen hebben zich daartegen verzet, want de tirannie van de paus was zo groot, dat ieder hem ontzagen voor hem vreesde. Het bijgeloof der monniken wies dagelijks aan, het aantal kloosters werd hoe langer zo groter, de onderscheiding in kleding en van spijs en drank achtte men heiligheid te zijn, als een onreine zaak werd de priesters het huwelijk verboden, en men vereerde en aanhad de beelden en de kruisen.

Teneinde zulke bijgelovigheden te verbreiden, had ook de Antichrist zijn zendelingen in verscheidene landen. Tegen zulk een zendeling, die, in de Duitse streken van het pauselijke rijk, met geweld te werk ging en zijn leer opdrong, verzette zich een vroom geleerd man, Adelbertus Gallus genaamd, die zich beijverde om tegen het bijgeloof te schrijven en te waarschuwen. Men klaagde over hem te Rome, en de paus deed Adelbertus in de ban, en liet hem in het klooster te Fulda werpen, waarin hij bleef, totdat zijn lichaam geheel verteerd was.

 

Na de tijd van Karel de Grote, toen zijn kleinzoon Karel de Kale, koning van Frankrijk, regeerde, ontstond ervoor het eerst geschil omtrent het Avondmaal des Heeren; en wel daarover, of het brood in vlees en de wijn in bloed veranderde. Om deze zaak werd later veel onschuldig bloed der christenen vergoten, aangezien er een grote en schandelijke afgoderij uit ontstond. De koning ondervroeg over dit geschil een geleerden monnik, Bertram genaamd, die hem zeer christelijk antwoordde, dat het brood op zinnebeeldige wijze Christus lichaam genoemd wordt, zoals Christus zelf een wijnstok, en de Apostelen wijnranken genoemd werden. Dit was ook het gevoelen van Johannes Scotus (hij was in Schotland geboren), een wijsgeer, die dit te Parijs leerde en in zijn geschriften verklaarde. In het jaar 900 vatte echter Radbertus Paschasius de pen tegen dat gevoelen op, zodat sommigen te Parijs en elders in Frankrijk het gevoelen van Paschasius waren toegedaan, en anderen dat van Scotus. Maar de boosheid en het bijgeloof kregen eindelijk de overhand. De bisschoppen, wier taak was om Gods woord te onderzoeken en te onderwijzen, waren door eerzucht dermate verblind, en beijverden zich zozeer om wereldlijke eer en heerlijkheid te verkrijgen, dat de geestelijke belangen door hen niet geacht werden, want zij lec,de er zich meer op toe hun rijk, dan dat van Christus uit te breiden. Alzo schoot het verderfelijk onkruid op, terwijl zij zich aan zorgeloosheid overgaven. Omstreeks het jaar 1020, toen aan deze grove vleselijke tegenwoordigheid in het Avondmaal bijna door ieder geloofd werd, zodat men meende, dat het brood en de wijn in het sacrament veranderde in het lichaam en bloed van Christus, was er in Frankrijk zekere Berengarius, die het tegendeel leerde en daartegen schreef. Door de tirannie en het geweld van de paus echter, werd hij gedwongen zijn gevoelen te herroepen, terwijl Berengarius zich later zeer beklaagde, dat hij, door vrees en zwakheid, de waarheid verzaakt had.

 

Arnulph, Aartsbisschop te Lyon

 

[JAAR 1130.]

 

Ofschoon onder alle bisschoppen een ieder zocht wat het zijn was, en niet wat van Jezus Christus is, liet de Heere toch nog enige overblijven, opdat de wereld niet als Sodom en Gomorra vergaan zou. Arnulph, aartsbisschop te Lyon, een zeer vermaard man, bediende het ambt eens bisschops zelf, dat is, hij predikte Gods Woord in de overige delen van Frankrijk, ItaliŽ en zelfs eindelijk te Rome. Hij bestrafte de zonden der wereld, en vooral hen, die zich geestelijken noemden, en toch zo vleselijk in alle onkuisheid, gierigheid en overdaad leefden, en niet minder hun grove dwalingen en onkunde in de Heilige Schrift toonden. Om deze vrijmoedigheid lieten hem de geestelijken gevangen nemen, en werd hij eindelijk opgehangen en geworgd. Zo vervulden zij de maat hunner vaderen, opdat al het onschuldig bloed van Abel af op hen kwam. Dit geschiedde in het jaar van onze Zaligmaker 1130.

 

Petrus van Bruis en Henricus van Toulouse

 

[Jaar 1135.]

 

Petrus van Bruis, vroeger priester, en zijn leerling Henricus van Toulouse, gewezen monnik, waren om hun geleerdheid door geheel Frankrijk bekend. Zoveel zij slechts konden, berispten zij onophoudelijk de dwalingen, die in de kerk van Christus waren ingeslopen, en spaarden daarbij groot noch klein. Zij noemden de paus een vorst van Sodom, de stad Rome een moeder van alle ongerechtigheid, gruwelen en vervloeking, en meest alle geestelijken helse harpijen en grijpende wolven.

Zij leerden voorts, dat Christusí lichaam en bloed niet in de mis voor levenden en doden werden opgeofferd, en ontkenden aldus de transsubstantiatie (* de verandering van het brood en de wijn bij het Avondmaal in het lichaam en bloed van Christus).

Verder leerden zij, dat missen, geboden, aalmoezen ten behoeve van de doden voor God niets anders waren dan goddeloosheid; dat men de beelden,en het kruis niet alleen niet moest aanbidden. maar ook niet in de kerken dulden; dat God meer bespot dan geŽerd werd door de kerkliederen en lofzangen der priesters; dat de aanroeping van heiligen, beloften van reinheid, verbanningen, bedevaarten en andere instellingen van de roomse kerk, alleen bijgelovigheden waren, en vervloekt en zonder de minste kracht.

Petrus, Abt te Clugny, schreef tegen hen twee brieven. Bernardas, zonder twijfel door hartstochten vervoerd zijnde, schrijft veel kwaad van hen. Toen Petrus gedurende twintig jaren onder een groten toeloop van mensen had gepredikt, werd hij eindelijk in de stad S. Gilles in het openbaar verbrand, in het jaar onzes Heeren 1135.

Zijn leerling Henricus werd enige tijd daarna door de gezant van de paus gegrepen en verborgen gehouden, zodat men niet weet, wat hem wedervaren is.

Na de dood van beide mannen ontstond er een hevige vervolging tegen allen, die hun leer aanhingen, van welke echter velen met blijdschap de dood tegen gingen.

Ook op andere plaatsen verzetten zich vele geleerde mannen tegen de transsubstantiatie, en verklaarden, dat in het heilige Avondmaal het waarachtige lichaam van Christus niet tegenwoordig was, onder welke waren een abt, Francus genaamd, en zeker geestelijke Lesmoriensis, in Engeland, tegen wie zich Malachias, bisschop in Ierland, verzette.

 

Arnold van Brescia

 

[JAAR 1140.]

 

In het jaar 1140 leefde er in ItaliŽ een geleerd man, Arnold van Brescia, die de moed had te prediken, tegen de macht en het gezag zo van de paus als andere geestelijken, waarom hij door paus Innocentius in de ban werd gedaan en zeer vervolgd. Daarom vluchtte Arnold naar Zwitserland en hield zich te ZŁrich op, waar hij zolang bleef, totdat paus Innocentius gestorven was, terwijl hij gedurende die tijd de burgers te ZŁrich met alle gruwelen der pausgezinden bekend maakte, met dit gevolg, dat zij die niet meer achtten, maar al hun vroom gebaar, eerbied en godsdienst bespotten. Wat hij te ZŁrich teweeg bracht, daarover klaagde Guntherinus Ligurinus, een vriend van de paus, zeggende: "Servat ad huc uvae gustum gens illa Paterna," dat is: "Dit volk behoudt de smaak nog van de druiven huns vaders."

Toen Arnold gedurende vijf jaren zich te ZŁrich opgehouden had, keerde hij na de dood van paus Innocentius, toen Eugenius paus geworden was, weer naar Rome terug. Ook daar maakte hij het volk wakker, en bracht het in korte tijd door zijn prediking en zijn onderwijs zo ver, dat zijn hoorders de hoogheid en het geweld van de paus verachtten, en er niet veel eer meer aan bewezen. Dit was de paus een doorn in het oog, waarom hij Arnold zijn wraak wilde doen, gevoelen, maar het volk beschermde hem tegen zijn geweld.

Na de dood van Eugenius, omstreeks het jaar 1154, toen Adrianus de vierde tot paus verkozen was, wilde deze zich niet laten wijden, en zijn waardigheid uitoefenen, of Arnold van Brescia moest uit zijn ogen verwijderd zijn. De burgers van Rome verzetten zich daartegen, en beschermden hem, waarom zij door de paus werden verbannen, ofschoon zijn banvloek niet veel uitwerkte. De paus rustte nochtans niet, voor hij Arnold in handen kreeg, want zo spoedig keizer Frederik Barbarossa, over de Apennijnen door Toskane in ItaliŽ en wel te Viterbo aankwam, ging de paus hem tegemoet, en verheugde zich over zijn komst. Hij beklaagde zich bij de keizer, dat hij door de burgers van Rome veracht werd, en wel ten gevolge van de prediking van Arnold van Brescia, die een ketter was, en door hem was verbannen, maar die nochtans door het volk werd geŽerd en in de stad beschermd. Aangezien keizer Frederik zeer vriendelijk door de paus ontvangen werd, kwam hij te Rome, hetwelk echter de burgers zeer mishaagde, daar zij niet veel goeds verwachtten van de vriendschap, door hen beiden besloten. Korte tijd daarna liet dan ook de keizer, Arnold, de vrome man gevangen nemen, en op verlangen van de paus verbranden. Zijn as werd in de Tiber geworpen, opdat het volk die niet zou verzamelen en als een soort van relikwie bewaren, aangezien zij met al dergelijke afgodische bijgelovigheden door monniken en andere dienaren van de Antichrist waren besmet. Deze Arnold was zo eenvoudig in zijn leven, zo eerbaar en godzalig, dat ook zijn vijanden hem daarin moesten prijzen.

De almachtige God nochtans, die een lankmoedig God is, om tot boetvaardigheid op te wekken, is voor de onboetvaardigen en bozen een geducht rechter, wat Hij bewees aan deze beide moorddadige bloedvergieters, immers, de paus werd daarna door een mug verstikt, en de keizer door zijn onechte zoon vergeven.

 

De Waldenzen te Lyon

 

[JAAR 1160-1183.]

 

Omstreeks het jaar onzes Heeren 1160 leefde in de stad Lyon een rijk en machtig burger en koopman, Petrus bijgenaamd naar zijn geboorteplaats Waldus. Hij was in groot aanzien en daarenboven een godsdienstig, wijs en verstandig man.

Terwijl deze op zekere tijd in gezelschap was van vele achtenswaardige en voortreffelijke lieden, was hij ervan getuige, dat een hunner eensklaps ter aarde stortte en de geest gaf. Hij verschrikte daardoor, en dacht na over de onbestendigheid van het tijdelijke leven. Hij begon dan ook acht te slaan op zijn zaken, de Heilige Schrift met naarstigheid en aandacht te lezen, en zijn vrienden en bekenden tot gelijken ijver te vermanen. Dagelijks onderwees hij zijn huisgenoten uit Gods Woord, hield hun de voornaamste zaken van de christelijke godsdienst voor, en betuigde daarbij tevens, op welke wijze de roomse kerk de hemelse leer met vele dwalingen verduisterde en het gewetens met ongehoorde instellingen belastte. Om deze zaak bezochten vele godvruchtige lieden dagelijks zijn huis, en spraken met hem over de godsdienst. Dit aantal groeide hoe langer zo meer aan, en zij kregen weldra, naar Waldus de naam van Waldenzen, Vaudois.

Benevens vele geschriften van de beste en waarheidlievende kerkvaders, had Waldus het Oude en Nieuwe Testament in de Franse taal doen overzetten, en liet die vertaling ten bate zijner toehoorders overschrijven.

Toen alles wat Waldus gedaan had ter ore kwam van de aartsbisschop te Lyon en van de andere geestelijkheid, werd hem op gestrenge wijze en onder bedreiging van zware straffen verboden, zijn begonnen werk voort te zetten. Daarop gaf Waldus, die van geen enkele dwaling op gezag der Heilige Schrift kon overtuigd worden, ten antwoord, dat aan ieder bevolen was naar de stem van Jezus Christus te horen, de Heilige Schrift te onderzoeken, en de afgoderij na te laten; voorts, dat alle mensen priesters waren, dat het de huisvader onbelemmerd vrij stond, zijn huisgezin in alle godsvrucht op te voeden, dat ieder Christen verplicht was de heilzame bron, hem door God geopend en aangewezen, te laten stromen door de onvruchtbare akker van zijn naasten; verder dat hij, naar zijn beste weten, zonder de minste opspraak leefde, en met zulke personen omging, die naarstig en gestadig de Bijbelse Schriften lazen; dat het verbod onbillijk was, hem door de kerkelijke personen voorgeschreven, dat men Gode meer moest gehoorzamen dan de mensen.

De hoofdzaken der leer, die Waldus en zijn leerlingen, benevens vele anderen, voorstonden, waren deze:

1. Dat in zaken van het geloof de Heilige Schrift de meeste kracht en gezag had, dat men naar het richtsnoer van haar alles moest beoordelen, en aannemen, wat daarmee overeenkwam, en verwerpen, wat daarmee streed; dat men de geschriften der kerkvaders niet verder behoefde goed te keuren, dan in zoverre zij met de Heilige Schrift overeenstemden; dat ieder Christen niet alleen geestelijke, maar ook gewoon lid haar niet alleen mocht, maar als een dure plicht moest lezen, en trachten haar grondig te verstaan.

2. Dat er in de kerk van Christus maar twee sacramenten waren: de Doop en het heilige Avondmaal; dat het genot van brood en wijn zowel de leden der gemeenten als de geestelijken toekwam; dat de missen in erge mate goddeloos waren; dat het dwaze razernij was voor de doden te offeren.

3. Dat het vagevuur een menselijk verzinsel was, aangezien de gelovigen terstond na hun sterven kwamen in het eeuwige leven, en de ongelovigen in de eeuwige verdoemenis.

4. Dat het vereren en aanroepen van heiligen enkel en alleen afgoderij was.

5. Dat de roomse kerk de boer van Babel was; dat men niet verplicht was de paus en de bisschoppen te gehoorzamen, aangezien zij niet anders waren dan de wolven van Christus' kudde; dat de paus in het geheel geen macht had over andere gemeenten, en het wereldlijk zwaard niet mocht gebruiken; dat het de gemeente van Christus eigenlijk was, die luisterde naar de zuivere en onvervalste stem van Christus; dat de sacramenten door Hem ingesteld, gebruikt wordende, overal konden bediend worden, en aan geen bijzondere plaatsen gebonden waren.

6. Dat de zware en onnodige beloften door mensen waren uitgevonden om Sodom te voeden; dat zovele monnikenorden karaktertrekken en merktekenen waren van het Beest; dat het monnikenwezen een afschuwelijk dier was.

7. Dat zovele inwijdingen van kerken, gedenkdagen van doden, zegeningen van schepselen, bedevaarten, vastendagen feesten, gezangen en andere plechtigheden duivelse uitvindingen waren.

8. Dat het huwelijk eerlijk en de priesters nodig was, enz.

Vele vreemde en ongehoorde gevoelens heeft men bij het bovenstaande gevoegd, die men ontleende aan de Gnostiken, ManicheŽn, Adamiten, Katharen, KathapbrygiŽrs, Nikolaiten, enz. teneinde deze eenvoudige lieden bij ieder gehaat te maken, hetwelk onder Gods toelating de geestelijken zo gelukte, dat zij door hun toedoen overal verachte namen kregen. Behalve dat men hen Vaudoisen, Lyonisten en Pauvres de Lyon, dat is armen van Lyon, noemden, leden zij ook veel in Engeland. In Duitsland en Lijfland schold men hen voor Lollarden, in Vlaanderen en Artois voor Turlippijns; in Piemont en Dauphinť voor Chienards, Caignards, Fretons, Dulans, in andere plaatsen voor Sabattisten, en wel om velerlei oorzaken.

Toen de Waldenzen eerst opkwamen, bespeurden de geestelijken, dat hun gezag door hen zeer werd ondermijnd. Zij beproefden eerst, zoals reeds gezegd is, om Waldus door bedreigingen bevreesd te maken; doch daar dit middel weinig baatte, verklaarden zij hem en zijn leerlingen in een kerkvergadering te Rome voor ketters, en beroofden hen van alle goederen, waarom zij armen van Lyon genoemd werden. Sommigen werden gevangen genomen, onbarmhartig behandeld, in het vuur, met het zwaard, in het water en op vele andere wijzen omgebracht. Velen vluchtten hier en daar heen, en zetten zich neer in Provenee, Piemont, Lombardie, verder in Apulia (een deel van Napels) en CalabriŽ, ja, ook in SlavoniŽ, Rusland en Boheme; in welke landen zij langzamerhand zeer in aantal toenamen, zonder dat men hen ooit heeft kunnen uitroeien, en geheel ten onder brengen. Aldus is het licht, toen aan Waldus en de zijnen opgegaan, door Gods genade, dan eens bij velen, dan weer bij weinigen, als van hand tot hand overgebracht en bewaard, zodat het ook in onze dagen, niettegenstaande de grote vervolgingen door Waldus en zijn aanhangers geleden, weer velen tot grote verwondering, helder in de ogen straalt.

Zij, die meer verlangen te weten aangaande de Waldenzen en hun vervolgingen, leze de Geschiedenis der Waldenzen, beschreven door Paulus Perrin te Lyon.

In het jaar onzes Heeren 1180 werden er in Frankrijk velen omgebracht en verbrand, die buiten twijfel tot Waldus' leerlingen behoorden.

Omtrent het jaar 1183 werden er in Vlaanderen velen, op bevel van de aartsbisschop te Reims, Guilermus, en van de graaf Philippus, als ketters verbrand, onder welke zonder twijfel ook aanhangers van Waldus zullen geweest zijn, zonder dat echter de geschiedschrijver meedeelt van welke dwalingen zij beschuldigd werden.

De pausgezinden wilden niet alleen door moord en doodslag de gelovigen uit de christenen uitroeien maar, omdat zij bij het volk de schijn wilden aannemen daarvoor goede redenen te hebben, en men niet menen zou, dat zij de waarheid vervolgden, verzonnen zij grote leugens, en bedachten hatelijke namen, waarmee zij de gelovigen bij het domme volk beschuldigden en verachtelijk maakten. In Frankrijk noemden zij de christenen ketters, omdat zij het schandelijke leven der pausgezinden bestraften, zich voor alle besmetting wachtten, en geen gemeenschap niet de schandelijke werken der duisternis wilden hebben; sommigen noemden hen ook Publikanen sommigen Patarinos.

In het Jaar 1210 werden te Parijs vier en twintig getuigen der waarheid gedood, omdat zij zich verzetten tegen de valse leer van de roomse Antichrist. In dezelfde stad werden in het volgende jaar vier honderd mensen verbrand, die niet grote vrijmoedigheid hun geloof in Christus Jezus beleden. Nog twintig anderen werden daar om hun geloof, en standvastige belijdenis onthoofd, die allen de waarheid met hun bloed bezegelden.

 

Burgers in de Elzas

 

[JAAR 1212.]

 

In de Elzas waren vele vrome mensen, uit hoge en lage stand, die aan de zuivere leer des Evangelies vasthielden,dagelijks tegen de bijgelovigheden van de paus waarschuwden, en leerden, dat men elke dag, zonder onderscheid, vlees mocht eten: dat de mens zich met onmatige vis te eten zowel bezondigde als met het eten van vlees; dat de gelovigen al wat geschapen was met dankbaarheid mochten genieten; dat de huwelijke staat eerlijk was voor alle mensen, en dat men daarom de priesters of andere mensen, die niet behoorde te verbieden. Zij verwierpen ook de paus, omdat hij deze valse leer voorschreef en onderwees.

Toen deze mensen standvastig vasthielden aan Gods Woord, hingen zeer velen hen aan, terwijl zij van het een land leraars, aalmoezen en andere noodwendige dingen naar het andere land zonden. De paus en de bisschoppen deden hen in de ban en vervolgden hen; er werden op ťťn dag ongeveer honderd personen door de bisschop van Straatsburg, op, bevel van de paus, verbrand, terwijl er zeer velen door zware martelingen tot herroeping van hun gevoelens werden gedwongen. Dit geschiedde omtrent het jaar 1212.

In het jaar 1214 zond paus Innocentius de Derde zekere Coenraad van Marburg, een Jakobijner monnik, als geloofsrechter naar Duitsland, ten einde naar het geloof der inwoners te onderzoeken, en hen, die hij met enige nieuwe ketterij besmet vond, aan lijf en goed te straffen. Dit ambt bediende hij gedurende 19 jaren met ongehoorde en ongelofelijke wreedheid. Allen, die voor hem beschuldigd werden, liet hij een gloeiend ijzer vasthouden, en wanneer zij zich daarmee beschadigden werden zij, zonder verder enig onderzoek te ondergaan, veroordeeld.

 

Vijf en dertig burgers te Mainz

 

Bijna in dezelfde tijd werden ook 35 burgers te Mainz, bij Bingen, om de Evangelische leer, gevangen genomen, en daar door de pausgezinden wegens hun standvastige belijdenis, verbrand.

 

De Prins van Armerijk

 

Om de belijdenis der waarheid werd ook, in dezelfde tijd, de Prins van Armerijk door de geestelijkheid beschuldigd en gevangen genomen. Daar hij onwankelbaar in de Christelijke leer bleef, werd hij opgehangen en geworgd, terwijl de slotvrouw om dezelfde reden gestenigd werd.

 

Bargardus

 

[JAAR 1218.]

 

In het jaar onzes Zaligmakers 1218 beschuldigden de pausgezinden zekere Bargardus, te Erfurt in Duitsland, van ketterij. Aangezien hij volstandig in de Evangelische leer bleef volharden, en van het pauselijke bijgeloof niet wilde, werd hij verbrand.

Vier jaren daarna werd te Oxford, in Engeland, een diaken om dezelfde reden tot de brandstapel veroordeeld.

In het bisdom Kamerijk betoonden de predikmonniken, Dominicanen genaamd, groten ijver, om de gelovigen, die de gruwelen van de Antichrist verwierpen, uit te roeien, zodat er dan ook sommigen, die door hen van ketterij beschuldigd waren, werden verbrand.

In deze tijd werden de verderfelijke sekten der bedelmonniken door de paus erkend en in hun orden bevestigd. Als vrome dienaars van de Antichrist betoverden zij op vreemde manieren en in zonderlinge kleding, onder lang gebeden, geveinsde armoede en velerlei huichelarij, schier de gehele wereld. Onder de schijn van heiligheid bedreven zij grote wreedheid jegens de onschuldige christenen, waarom de paus hen in hun orde bevestigde en prees. Nadat de satan deze orde in de wereld gebracht had, kreeg allerlei boosheid en geveinsdheid de overhand, en de ware gerechtigheid, die ons de heilige Geest in de Schrift leert, werd verbannen en verdreven, waardoor het rijk van de Antichrist hoe langer zo geweldiger, en Christus en Diens heilig en zaligmakend Woord verworpen werd.

 

Twee honderd vier en twintig personen verbrand

 

[JAAR 1243.]

 

In het jaar onzes Heeren 1243 werden door de bisschop van Narbonne op een kasteel niet ver van Toulouse gelegen gevangen genomen 224 personen, die beschuldigd werden de ketterij der Albigenzen, dat is, de ware christelijke godsdienst, aan te hangen; en, aangezien zij in hun leer volhardden, werden zij allen verbrand.

 

Gerardus Segareill en Dolcinus van Novari

 

[JAAR 1285.]

 

Omstreeks het jaar onzes Heeren 1285 leefden er twee geleerde mannen, Gerardus Segarelli, van Parma, en Dolcinus van Novari, in Lombardije, die in hun onderwijs zich met alle vrijmoedigheid verklaarden tegen de misbruiken der zogenaamde geestelijkheid. Door de geestelijkheid werden zij als ketters beschuldigd en verbannen, en wel om de volgende redenen:

Dat het gebed Gode zo aangenaam is op een ongewijde, als op een gewijde plaats.

Dat de paus de Antichrist was, en dat hij en zijn geestelijken door God verworpen waren; dat hij en zijn kerk de hoer van Babylon waren, zoals in de Openbaring geschreven staat.

Nadat zij geruime tijd onderwezen en gepredikt hadden en zeer vele mensen, onder welke ook geleerde mannen hun toevielen, zond de paus een apostolische gezant met zeer veel krijgsvolk, die deze vrome christenen in het gebergte, waar zij bij elkaar woonden, overvielen. Daar bevonden zich bijna zes duizend personen, van welke enige door de koude, sommigen door de honger en weer anderen met het zwaard verdrukt werden. Toen werd Doleinus met zijn huisvrouw gevangen genomen. hun lichamen van lid tot lid verscheurd, terwijl de stukken verbrand werden en de as in de lucht geworpen.

Maar, hoezeer de Dominicanen of Predikmonniken zich ook, als kettermeesters, beijverden, om de christenen uit te roeien, er bleven echter nog vele vonkjes over, die later tot een groot vuur werden, want het bloed der martelaren is een vruchtbaar zaad.

In deze tijd diende een predikmonnik aan keizer Hendrik VII vergif in het sacrament des Avondmaals toe en vergaf hem.

 

Een Begijn

 

[JAAR 1312.]

 

In het jaar 1312, de 15den Mei, werd te Parijs een vrouw verbrand, die men voor een begijn hield, aangezien zij zich tegen de mis en andere instellingen van de roomse kerk verklaarde.

 

Richard, een Predikmonnik

 

[JAAR 1330.]

 

Omstreeks het jaar onzes Heeren 1330, leefde te Heidelberg een Predikmonnik, Richard genaamd, die om de vrijmoedige prediking van het Evangelie en het bestraffen van de misbruiken der pausgezinden als een ketter werd veroordeeld.

Enige jaren tevoren werd een heremiet in Engeland zeer vervolgd, omdat hij in het openbaar verkondigde, dat het geen sacramentenwaren door Christus ingesteld, die men toen gewoonlijk in de gemeenten gebruikte.

Johannes Aston, een zeer geleerd man, van Oxford, werd, omdat hij leerde dat het brood in het Avondmaal onveranderd bleef. door Aan aartsbisschop van Canterbury als een ketter in de gevangenis geworpen.

Omstreeks het jaar 1340 woonde te Herbipoli Mr. Coenraad Haer. Voor de bisschop van WŁrtzburg beleed hij, dat hij gedurende vier en twintig jaren niet anders geloofd en de leden zijner gemeente geleerd had, dan dat de mis geenszins een offerande voor de zonden was, en dat zij levenden noch doden baatte. Hij zei ook, dat het geld, dat de stervenden de monniken en priesters beschikten, om missen te doen voor hun zielen, niets anders was dan diefstal en kerkroof, hetwelk zij aan de armen op oneerlijke wijze ontroofden. Hij voegde er bij, dat, al bezat hij een zak dukaten, hij er niet een zou willen geven om missen voor zich te laten doen. Eindelijk beleed hij voor dezelfde bisschop, dat hij meende, dat het volk daarom van de missen te horen zulk een afkeer had, omdat hij zo dikwerf daartegen gewaarschuwd en het volk zulke gevoelens van de mis ingeplant had.

Om deze belijdenis, die bij voor de bisschop aflegde, werd hij als een ketter in de gevangenis geworpen, doch, welke dood hij stierf, vindt men niet beschreven.

 

Johannes Wicklef

 

[JAAR 1387.]

 

Toen de wereld geheel tot dwaling en bijna tot tastbare afgoderij vervallen, en er als in verzonken was, verwekte God, onze Hemelse Vader, in het koninkrijk Engeland godvruchtige, vrome mannen, die de waarheid weer aan het licht brachten.

Onder deze was de voornaamste Johannes Wicklef, dokter en Hoogleraar in de godgeleerdheid en leraar in de gemeente te Lutterworth, in het bisdom Lincoln. Aan de Hogeschool te Oxford hield hij zich bezig met de uitlegging van en het onderwijs in de Heilige Schrift. Hij, die de waarheid onvervalst, zuiver en klaar kende, wist ook de verborgenheden en geveinsdheid te ontdekken en te verdrijven. Maar de verblinden konden de glans van het Evangelie niet verdragen, zodat al spoedig de monniken, en onder deze in het bijzonder een Karmelieter, Johannes Reningannus, tegen hem opstonden. Toen hij over het sacrament des altaars, zoals men het toen noemde, begon te spreken, en hij zijn onderwijs verklaarde, dat het zijn voornemen alleen was, de afgoderij, die hierin zeer groot was, uit te roeien, en het recht gebruik van het sacrament en de onvervalste godsdienst bloot te leggen, schreeuwden allen, die met deze besmettelijke ziekte des bijgeloofs besmet waren, en weigerden de hand van de medicijnmeester aan te nemen. In het begin raasden en woedden de monniken, vooral de Franciscanen, tegen hem, aangezien hun de buikspijs met de mis zou ontnomen worden; daarom streden zij voor hun buik, die alleen hun God is, als vrome krijgslieden. De bisschoppen begeerden, dat men dit geschil en deze twist aan hun kennis en oordeel zou onderwerpen; maar, toen zij daarin niet slaagden, behielpen zij zich met de pauselijke ban; want dit is het wapen om de waarheid te bestrijden, en de vrijheid van geloof te onderdrukken.

De artikelen, die Johannes Wicklef voorhield en voorstond, waren onder andere deze:

1. Dat de Heilige Schrift in zaken van verschil alleen gezag heeft.

2. Dat men alleen naar de oude leraars moest horen, in zoverre hun leer met de Heilige Schrift overeen kwam, want er was geen andere waarheid dan die in de Heilige Schrift is vervat.

3. Dat de opstellers en leraars der pauselijke besluiten niet gehouden moesten worden voor getuigen der waarheid, maar voor vijanden en verdervers.

4. Dat in het avondmaal des Heeren de blankheid en de rondheid en andere kentekenen van het brood in geen dele zonder het wezenlijke brood kunnen bestaan.

5. Dat de wezenlijke verandering in het sacrament onverstandig en ongoddelijk door de priesters verzonnen was; want het brood blijft brood en de natuur van de wijn verandert niet; dat beide hetzelfde wezen en bestaan, die zij tevoren hadden, na sacrament te zijn geworden, ook behielden.

Toen Wicklef dit met ijver onderwees, werd hij om de waarheid zeer gehaat, zodat hij eindelijk, in het laatste jaar der regering van koning Eduard de Derde, op het aandringen van de paus werd gevangen genomen. Nadat de hertog van Lancaster en Hendrik PerseŁs hem bezocht hadden, liet men hem los, doch verbood hem te prediken en te onderwijzen. Wicklef echter nam dit verbod niet in acht, maar ging voort met al meer en meer te prediken en te onderwijzen, wat de priesters, monniken en bisschoppen natuurlijk niet konden verdragen, en riepen daarom weer een vergadering van geleerden samen, waarbij ook Wicklef tegenwoordig was. In deze vergadering sprak Wicklef andermaal over de christelijke waarheid, en bestrafte ook de geldgierigheid en de hoogmoed van de gezamenlijke geestelijkheid, zeggende: "Wanneer er enige giften door koningen of prinsen aan de bedienaren der gemeente gegeven worden, dan moet men gedenken, dat dit onder de voorwaarde geschiedt, opdat God daardoor worde geŽerd en de gemeente gesticht. Als men deze voorwaarde niet nakomt, zo moeten de vorsten, ja zo moeten allen terugnemen, wat zij geschonken hadden, welke zware ban men ook over hen uitspreekt. Indien de banbliksem van de paus werkelijk kracht had om langs deze weg goederen en rijkdommen te verkrijgen en te behouden, dan zou de geestelijkheid, die bijna uitsluitend uit geldgierige mensen bestaat, eindelijk alle wereldse rijkdommen in hun bezit hebben.

De paus mag van rechtswege en wettelijk bestraft en berispt worden, zelfs door hen, die hem onderdanig zijn en onder zijn macht staan; zowel leken als geestelijken mogen hem, als het tot stichting der gemeente dienstig is. beschuldigen; want welk een heer hij ook wezen mag, behoort hij zich nochtans te gedragen als een broeder van de allergeringste. Aangezien hij zondigen kan gelijk andere mensen, moet men hem ook broederlijk vermanen en bestraffen, terwijl hij zodanige bestraffing gewillig en broederlijk behoort te ontvangen. Vooral moet hij bestraft worden, wanneer hij enige schadelijke ketterij of dwaling voorstelt of beschermt, opdat de christelijke gemeente het kwaad zie, want ook in die zin heeft Paulus zich niet ontzien Petrus te bestraffen.

Deze en dergelijke woorden hield hij der vergadering voor; maar in die tijd werd er door hen niets tegen gedaan of besloten. Later hield de aartsbisschop van Canterbury, met andere bisschoppen, leraars en meesters, een samenkomst, waarin de artikelen en leringen van Wicklef als ketters, en dus tot grote ergernis strekkende, werden veroordeeld en verbannen.

Gedurende enige tijd week Wicklef als balling uit Engeland; maar, aangezien er velen waren, die door hem het liefelijke voedsel van het Evangelie genoten hadden, onder welke ook Edelen waren en anderen, die in hoog aanzien stonden bij het koninklijke hof, werd hij terug geroepen en ontsliep in de Heere, in zijn gemeente te Lutterworth, in het jaar onzes Heeren 1387, in het laatst van de maand December.

Een en veertig jaren na zijn dood werd zijn stoffelijk overschot, op bevel van de paus, opgegraven, en tot poeder en as verbrand, en de as in de rivier geworpen.

De verwaanden Antichrist was het niet genoeg, dat hij met vervolgingen, pijnigingen, moorden en doodslag de gelovigen in hun leven overviel en verdrukte, maar hij moest ook zijn tirannie, boosheid en wreedheid aan de doden betonen.

 

Willem Sautre

 

[JAAR 1400.]

 

Omstreeks deze tijd was er in Engeland een priester Willem Sautre genaamd. Onder het voorzitterschap van Thomas Arundel, aartsbisschop van Canterbury, werd hij, door de provinciale kerkvergadering der bisschoppen te Londen, wegens acht stellingen van ketterij beschuldigd, en door die vergadering als ketter veroordeeld en te Londen in het openbaar verbrand, in het jaar onzes Heeren 1400. Hij wordt gehouden de eerste te zijn die na Wicklef in Engeland in het openbaar werd omgebracht.

 

Willem Thorpe

 

[JAAR 1407.]

 

Willem Thorpe aan de hogeschool te Oxford, in Engeland tot meester in de vrije kunsten bevorderd, was een zeer geleerd en godzalig man, die een zeer eenvoudig leven leidde. In de verkondiging van het Evangelie betoonde hij grote vlijt en ijver, zodat hij daarom later door Thomas Arundel, aartsbisschop van Canterbury, te Londen gevangen genomen werd, in het jaar onzes Heeren 1397. Maar, toen de aartsbisschop bij koning Richard de Tweede in ongenade was gevallen, en door hem werd verdreven, werd Willem Thorpe door Robrecht Braybroke, bisschop te Londen, op dringend verzoek van goede vrienden losgelaten. Maar, aangezien hij niet naliet het onvervalste Woord Gods te verkondigen, werd hij na tien jaren andermaal te Salopia gevangen genomen, door de handlangers van de Antichrist te Canterbury gebracht, en in de gevangenis zeer wreed behandeld. Eindelijk werd hij naar het slot Saftwoden gevoerd, waar de bisschoppen hem ondervraagden en onderzochten.

Vervolgens werd hij ontboden, om te verschijnen voor de reeds genoemden aartsbisschop van Canterbury, Thomas Arundel, die door Hendrik de Vierde, de volgende koning, in zijn aartsbisdom hersteld, en daarenboven ook benoemd was tot eerste kanselier van het koninkrijk en tot legaat van de roomsen stoet. In het jaar 1407 werd hij derhalve van het slot Saltwoden terug gebracht, en door de aartsbisschop ondervraagd, betreffende enige artikelen, die men zei, dat Willem te Salopia zou gepredikt hebben, namelijk:

1. Dat in het sacrament des altaars, ook na de consecratie, dat is, nadat de priester de kanon gelezen had, waarachtig brood bleef.

2. Dat men de beelden niet behoorde aan te bidden of enige eer te bewijzen.

3. Dat men geen bedevaarten behoorde te doen.

4. Dat de priesters geen bevoegdheid hadden, de tienden zich toe te eigen, enz.

5. Dat men niet zweren moest, enz.

Hierop antwoordde Willem, dat hij te Salopia in zijn predikatie. zich op de volgende wijze over het sacrament had verklaard: ďTerwijl," zei hij, "ik op de stoet stond en predikte, gebeurde het, dat men de mis verrichtte, de schel klonk, en men het brood zou opheffen; het volk, naar zijn gewoonte, liep met een gedruis te hoop, en maakte een grote beweging en onrust in de gemeente, want velen lieten de predikatie varen, en letten alleen op de mis. Toen heb ik hen aldus toegesproken en gezegd: Gij broeders in Christus, de levende kracht des sacraments, die in het geloof bestaat, is immers veel krachtiger dan wat men met de ogen alleen ziet; daarom moest gij veeleer hier blijven, en naar de zaligmakende predikatie van het heilige Evangelie luisteren dan zulk een beweging te maken, alleen om het schouwspel van de mis te zien: want door de predikatie van het goddelijk Woord wordt het geloof beter geplant, vermeerderd en versterkt."

Voorts zei hij: "Van het sacrament geloof en onderwijs ik anders niet dan wat de heilige Evangelisten, MattheŁs, Markus, Lukas en de heilige Apostel Paulus ons beschrijven. De heilige Paulus, welke toch een voornaam leraar der heilige kerk is, waar hij over het geloof aan dit sacrament spreekt, noemt het brood. Hij zegt: ďHet brood, dat wij breken, is dat niet een gemeenschap des lichaams van Christus." Zo wordt het ook in uw zielmissen, zelfs na de consecratie, en nadat de gebruikelijke woorden daarover uitgesproken zijn, brood en wijn genoemd. En al de priesters besluiten hun mis aldus: "O geeft toch, dat wat wij in de mond genoten hebben, in reine harten (naar mij dunkt, is dit met waarachtig geloof) mag ontvangen. De heilige Augustinus zegt ook, dat wat men in dit sacrament ziet, brood is; maar wat men daardoor geniet met waar geloof, het waarachtige lichaam van de Heere Christus is. Aldus leert ook Fulgentius, een goed leraar der kerk, die waarlijk niet te verwerpen is. Na de geboorte van Christus, heeft de kerk gedurende meer dan duizend jaren een zodanig gevoelen van dit sacrament omhelsd, en zich daarmee tevreden gesteld. Wat later, bij de loslating van de duivel, door broeder Thomas Aquinas en andere dergelijke drogredenaars in de kerk ingevoerd is, is toch niemand, naar ik meen, verplicht of kan er toe gedwongen worden, te geloven. Uit de aan anderen ontleende meningen en gevoelens van deze monnik, wil ik geenszins artikelen van het geloof maken; men doe en richte met mij aan wat de genadige wil van de almachtige God over mij beschikt."

Betreffende de verering der beelden zei hij, dat men dit, zonder grote afgoderij en godslastering te bedrijven, niet doen kon, aangezien de mens, het werk zijner handen aanbidt. "God wil in geest en waarheid gediend zijn. Beelden werken niet op de geest."

Toen men hem van de wonderen sprak, zei hij: ďIk ben er in mijn hart van overtuigd, dat dergelijke wonderen en tekenen, die aan de beelden, om die te vereren en te verheffen, toegeschreven worden, niet door God geschieden, terwijl die toch door de mensen bezocht, en met kniebuigingen, offers, kaarsen en lichten vereerd worden. Daarom ook verbrak Hiskia de koperen slang, die nochtans op Gods bevel was opgericht. Augustinus, Gregorius, Chrysostomus en vele anderen zeggen, dat de duivel met zulke wondertekenen de harten der ongelovigen betoveren, verblinden en bedriegen zal, en wel ter oorzaak van hun ongeloof. Zo ziet men ook, dat het volk veel meer neiging toont, om dergelijke tekenen en wonderen te zoeken, dan lust te openbaren om het zaligmakende Woord Gods te horen en te geloven. Daarom heeft ook onze Verlosser de FarizeeŽn, tot hun grote schande, bestraft, omdat zij tekenen verzochten. Doch de gelovigen zal in deze zaak het levendmakend Woord Gods genoeg zijn!"

Aangaande de bedevaarten, zei hij, dat alle mensen, die God in geest en waarheid zoeken te dienen, zich vooral op tweeŽrlei soort van bedevaarten moesten toeleggen, namelijk om het Woord Gods te horen, en de werken der liefde jegens alle behoeftigen te beoefenen. "Zulk werk en zodanige arbeid," zei hij, ďis Gode aangenaam en een welbehaaglijke bedevaart, want deze eist God, en heeft Hij bevolen. Maar laat ons nu eens nagaan, wat de uw met hun bedevaarten zoeken te verkrijgen. Onder zes honderd bedevaartgangers vindt men er nauwelijks ťťn, die de geboden Gods kent, en recht weet, wat het christelijk geloof is, of het Onze Vader" naar behoren bidden of uitspreken kan. Gewoonlijk worden zij door vleselijke oorzaken geleid, om zulke bedevaarten te ondernemen, namelijk om gezondheid des lichaams, goed gezelschap, welvaart, voorspoed, overvloed, lust om zich dronken te drinken en hoererij te plegen. Maar ach, wat vinden zulke lieden, nadat zij hun geld verteerd en zich geheel afgemat hebben, anders dan doodsbeenderen en stomme afgoden? Zou het hun niet goed zijn, te weten dat de Heilige Geest dit voor ijdele en onnutte verrichtingen acht? Ware het niet beter, dat zij daarheen gingen, waar zij leren kunnen alle ijdelheid te verachten? Wat baat het, of zij al vele goederen samen brengen, zoals dit waarlijk geschiedt, daar deze toch de gierige en geldzuchtige priesters of der schandelijke, oneerbare vrouwen en hoeren ten deel vallen? Ik zwijg er van, dat om die bedevaarten dikwerf vrouw en kinderen gebrek moeten lijden, voor welke een christelijk huisvader behoort zorg te dragen. Sommigen bedelen, anderen lenen, enkelen stelen het geld, dat zij voor de reis nodig, hebben. Zo voeren zij ook een muzikant mee, en zingen de schandelijkste en onbetamelijkste liedjes, waardoor zij hun vleselijke lust zoeken bot te vieren. Wanneer zij dan in hun woningen zijn terug gekomen, hebben zij niet anders dan geveinsde en gruwelijke godslasteringen en vervloekte leugens meegebracht.

Toen men beweerde, dat het goed was om muzikanten te gebruiken, daar David zegt, dat men God op velerlei speeltuigen loven moet, en dat men het gebruik van muzikanten niet in ongunstige, maar in de beste zin moet opvatten, antwoordde Willem en zei: "Davids gezegde moet men, volgens de gewone verklaring der oude leraars, geestelijk verstaan, zoals ook Paulus bedoelt, waar hij zegt, dat zulks reeds in vroegere tijden op zinnebeeldige wijze gebeurd is; wij moeten ons daarom met naarstigheid wachten, dat wij niet alleen aan de letter blijven hangen, waardoor wij het niet goed verstaan zullen.

De Heere Christus wilde het gestorven dochtertje van JaÔrus niet opwekken, dan nadat de speellieden en pijpers verdwenen waren, omdat zulken hinderlijk zijn, wanneer men het een of ander in zaken van het geloof wil doen of behandelen; zo is het ook met de orgels in de kerken. Ik weet wel, dat de kinderen der wereld in zulke dingen groot behagen scheppen. Maar omtrent de volgelingen van de Heere Jezus Christus is het anders gesteld. Deze begeren niet anders dan voorzien te worden van zielenvoedsel; want de vrees Gods en de grote liefde, die zij hebben naar de hemelse dingen, maken hen afkerig en drijven hen af van alles, wat het vlees welbehaaglijk is."

Omtrent het geven van tienden ondervraagd zijnde, antwoordde hij, dat men als schatting in het Oude Testament alleen de priesters en levieten de tienden gaf, en aangezien de priesters in het christendom niet van de stam van Levi, maar van Juda afkomstig zijn, komen hun ook, volgens Gods bevel, de tienden niet toe. Daar het priesterdom veranderd is, zijn ook de wetten veranderd, zodat wij voortaan Mozes niet behoorden na te volgen, maar onze Heere Jezus Christus en Zijn heilige Apostelen, die de ware priesters zijn des Nieuwe Testaments. Christus en Zijn discipelen werden niet door de offers of de tienden, maar door liefderijke handreiking van hen, die zij gediend en onderwezen hadden, onderhouden en verpleegd. Nadat Hij naar de hemel gevaren was, werkten de heilige Apostelen met hun eigen handen, om in hun behoeften te voorzien, zoals dat uit vele plaatsen in Paulus' brieven blijkt. Nochtans behoort het, en is ook noodwendig, dat, zij, die het Evangelie verkondigen, ook van het Evangelie leven, gelijk Paulus betuigt. Men leest ook bij enige geschiedschrijvers, dat paus Gregorius de tiende, in het jaar onzes Heeren 1271, het geven van tienden het eerst heeft ingevoerd.

Maar het zijn ook geen ware priesters van Christus, die de voetstappen van Christus en van de heilige Apostelen niet navolgen, al waren zij dan ook duizendmaal gezalfd, gewijd, en beschoren. Christus ging van de een plaats naar de andere. De Apostelen en discipelen werden door Christus uitgezonden om het evangelie te prediken. Dit was hun ambt, dit was hun werk, zodat Paulus uitriep: "Wee mij, indien ik het Evangelie niet verkondigd heb!" Gregorius zegt ook in zeker besluit: die priester vertoornt de almachtige God, van wie het volk de stem van het verkondigde Evangelie niet hoort." Zo verklaart ook de aantekening op de profeet EzechiŽl, dat een priester, die niet predikt aan aller oordeling onderworpen is, en daarom ook zal vergaan." "Die het ambt van bestuurders bekleden, en het Evangelie niet aan het volk laten 'verkondigen, zijn moordenaars voor God, die het voedsel en het onderhoud der zielen roven en stelen. Isidorus zegt: de priesters worden om de misdaden en de ongerechtigheden van het volk veroordeeld, omdat zij de onwetenden niet onderwijzen en de zonden niet bestraffen." Christus zegt: ďHiertoe ben Ik geboren, en hiertoe ben Ik in de wereld gekomen, opdat Ik der waarheid getuigenis geven zou. Een iegelijk, die uit waarheid is, hoor Mijn stem." Daaruit volgt, dat, naar het bevel en het voorbeeld van de Heere Christus. het ambt en de bediening van alle priesters eist dat zij voor alle dingen het heilig Evangelie van God verkondigen. Gregorius zegt: "Wanneer een mens nalaat te doen, wat hij schuldig is te verrichten, hij onderneme wat hij wil, al ware het ook iets goeds, het is de heiligen Geest niet aangenaam." Zeer schoon zegt LincolniŽnsis: ďIeder priester, die Gods Woord niet predikt, al is hij aan geen enkele overtreding of gebrek in zijn leven schuldig, is nochtans een ware antichrist, de duivel zelf, een dief in de nacht, een moordenaar bij de dag, een zielemoorder, een engel des lichts, die zich in duisternis veranderd heeft." Wanneer er geen andere dienaren waren, dan die naar het voorbeeld van Jezus Christus en van de Apostelen, zich beijverden in de prediking van het goddelijk Woord; zonder twijfel zou de christelijke gemeente wel zoveel samen brengen, dat ieder zijn nooddruft zou hebben."

Deze taal hinderde een van de priesters, die daar tegenwoordig waren, en hij zei: "Zouden wij van het volk vrijwillige gaven mogen verwachten'? Men ziet nu wel hoe onwillig zij geven, wat zij van rechtswege schuldig zijn." Willem antwoordde: "Het is geen wonder, dat het volk de priesters vijandig is, want hun leven, doen en laten is juist tegen de leer en het leven van onze Heere Christus. Wanneer in vroeger tijden in de behoeften van de dienaren der gemeenten voorzien was, deelde men wat er van tienden, stichtingen, testamenten of andere giften overbleef aan de armen; maar later hebben de priesters dit zichzelf toegeŽigend, en tot hun eigen voordeel aangewend; ja, zij hebben hun bediening en hun ambt geheel verwaarloosd (het is schande om het te zeggen), en zich aan allen overvloed en het schandelijkst misbruik van de aalmoezen en de bezittingen der armen overgegeven. Is het dan te verwonderen, dat het volk weigert te geven, als zij voor hun ogen zien, dat hun giften op schandelijke, zondige en godslasterlijke wijze misbruikt worden? Want wanneer zij gaven, zouden zij zich aan dit misbruik en deze zonde schuldig maken."

De aartsbisschop werd toornig en riep: "Gij schandelijke ketter, dat God u straf; waarom predikt gij en uws gelijken altijd meer tegen ons en de geestelijken dan tegen de leken?" Willem antwoordde: "Wij prediken zonder aanzien van personen, zeggen ieder met vrijmoedigheid, wat hij behoort te doen, en bestraffen ook in het algemeen alle zonde en ongerechtigheden. Maar wij beginnen eerst met de priesters, die Chrysostornus de maag van het volk noemt, omdat wij weten, dat zij boven alle andere lieden in grote, gruwelijke zonden en boosheid uitmunten. Zij verontreinigen en bederven door hun hovaardij, geldzucht, brooddronkenheid, wellust, haat, nijd en andere soortgelijke zonden alle standen en verordeningen van het gehele volk, en brengen Gods rechtvaardig oordeel over alle mensen, want wegens zonden, die zij zelf bedrijven, bestraffen zij niemand.

Aangaande de eed zei hij, dat hij nooit gedacht had te Salopia te moeten prediken, dat het eedzweren zondig en in elk geval verboden is; maar dat hij naar de getuigenis van het heilige Evangelie en van de heiligen Apostel Jakobus gepredikt had, dat het een christen verboden is, bij enig schepsel van God te zweren, zoals men nochtans gewoonlijk doet. "Ik heb ook," zei hij, ďgezegd, dat, als men voor de bevoegden rechter de bekende waarheid door enige andere middelen kan bewijzen en bijbrengen, men dan in het geheel niet behoort te zweren. Ook heb ik geleerd, dat, wanneer het niet anders kan, men de waarheid met een eed mag bevestigen, doch dat de eed moet gedaan worden in de naam Gods, Die de eeuwige waarheid is. Volgens mijn mening behoort men ook de hand niet op het boek te leggen, want wat is het boek anders dan een stoffelijk voorwerp? Wie daarbij zweert, wat doet hij anders, dan de onredelijke en dode voorwerpen aanroepen, om de waarheid, die eeuwig is, te bevestigen, wat door God, naar mijn gedachte, verboden is? Dit betuigt ook Johannes Chrysostomus en hij bestraft die beiden niet alleen, welke op zulke wijze zweren, maar ook hem die dat voorstaat."

Na deze en dergelijke woorden gesproken te hebben, bedreigde hem de aartsbisschop van Canterbury, dat hij, indien hij niet van mening wilde veranderen, hem zou laten pijnigen en mishandelen, dat hij spoedig een anderen toon zou aanslaan; ja, dat hij niet rusten zou dan na deze ketterij uit Engeland verdreven te hebben, zo zelfs, dat er geen spoor meer van zou overblijven. Toen liet hij de opzichter van het slot Saltwoden roepen. Tegelijkertijd drongen er ook velen van het volk de zaal binnen, die Willem herhaaldelijk bedreigden. Sommigen wilden dat men hem terstond zou verbranden; anderen zeiden, dat men hem naar de zee, die niet ver van daar verwijderd was, moest slepen en verdrinken. Intussen beval de aartsbisschop, dat men hem weer naar de gevangenis brengen zou, waar de vrome getuige van Jezus Christus de almachtige God dankte, dat Hij hem volstandig bij zijn belijdenis bewaard had. En aangezien de handlangers van de antichrist hem op generlei wijze met woorden of geschriften hadden kunnen overreden en overwinnen, vielen zij hem met geweld aan, en werd hij, op het bevel van de aartsbisschop van Canterbury, in het geheim in de gevangenis vermoord, en wel in de maand Augustus, in het jaar (zoals Johannes BaleŁs schrijft) van onze enige Zaligmaker Jezus Christus 1407.

 

Jan Badby, kleermaker

 

[JAAR 1110.]

 

In het jaar 1410 zat er te Londen, in Engeland, een kleermaker gevangen, Jan Badby genaamd, die zeer standvastig betuigde en beleed, dat in het avondmaal des Heeren, dat onder de gelovigen bediend wordt, het lichaam van Jezus Christus bij wijze van sacrament en als een gedachtenis wordt uitgereikt, en niet natuurlijk of in werkelijkheid als of het in een zekere plaats bevat was.

Wat de geestelijkheid hem ook aandeed, hoe zij ook smeekte, mooie woorden sprak en hem bedreigde, toch liet hij zich geenszins van de waarheid afbrengen. Liever verkoos hij de gruwelijkste marteldood te ondergaan, dan de geopenbaarde waarheid en de belijdenis van het Evangelie schandelijk te verloochenen.

Toen hij bij deze belijdenis volhardde, werd hij door de bisschoppen aan de wereldlijke overheid overgeleverd en een gruwelijk vonnis over hem uitgesproken, namelijk, dat men hem in een vat moest sluiten en met een klein vuur langzaam verbranden. Men bracht hem op het Smitsveld, waar veel volk heen liep om dit schouwspel te zien, doch hij vreesde de onmenselijke pijn niet, en het zich onbeschroomd daarheen brengen. De oudste zoon des konings van Engeland, Hendrik de vierde, was daar ook tegenwoordig, om getuige te zijn van dit gruwelijk schouwspel. Deze word met barmhartigheid bewogen over deze beklagenswaardige mens, ging naar hem toe, sprak hem zeer vriendelijk aan en vermaande hem, dat hij toch prijs zou stellen op zijn leven, en zodanige meningen en gevoelens zou laten varen. Op alle mogelijke wijzen was hij bezig, hem van zin en mening, te doen veranderen. Hij deed dat niet in bitterheid of met bedreigingen, maar met beleefdheid en zachtheid, opdat zijn leven zou gespaard blijven. Doch de vrome martelaar van Jezus Christus bleef vast en onwankelbaar in het geloof, want hij bouwde dat geloof niet op een heilige, maar op de enige hoeksteen Christus, en sloeg het beleefde voorstel van de prins met welsprekende taal mannelijk af, en overwon aldus deze gevaarlijke verzoeking, zich bereid verklarende liever alles te lijden, dan iets tegen de waarheid, waarvan zijn geweten overtuigd was, te spreken of te doen. Nadat het vonnis was uitgesproken, werd hij in een vat gesloten, en de brand in het hout dat rondom het vat gelegd was, aangestoken. Toen de vlammen het vat aan alle zijden begonnen te genaken, en de hitte zeer groot werd, kreet hij zo jammerlijk, dat het hart beefde van ieder die het hoorde. De zoon des konings werd door dit jammerlijk gekerm zeer bewogen, liet het vuur blussen, ging tot de man, die in het vat lag en ondraaglijke pijnen leed, bood hem zijn leven aan, en beloofde hem daarenboven uit de bezittingen van de koning zoveel geld als voor het onderhoud van zijn leven nodig was, indien hij zijn raad wilde opvolgen. Doch tevergeefs; hij volhardde onwankelbaar in de waarheid, verwierp het aanbod van de prins, en schatte het lijden, om de naam van Jezus Christus, hoger dan hier in alle weelde en overvloed te leven, en de beleden waarheid te verzaken. Toen de prins zag, dat alle aanbiedingen en beloften tevergeefs waren, en dat hij op generlei wijze was te vertederen, liet hij hem weer in het vat sluiten, het vuur aansteken en de vromen martelaar verbranden.

Zo werd hij door zonderlinge en velerlei verzoeking, door onlijdelijke pijn bezocht en op de proef gesteld, maar overwon alles als een vroom krijgsknecht van Christus, door Hem die hem versterkte, Jezus Christus. Hier aanschouwt men de waarheid van Paulus' woorden, dat niets de uitverkorenen van God, hoe gruwelijk dit ook zijn mag, scheiden kan van de liefde Gods, die er is in Jezus Christus onze Heere.

 

Rogier Acton ridder, Johan Brown edelman en Jan Beverley, in Engeland, opgehangen en daarna verbrand

 

[JAAR 1414].

 

In het begin van de regering van Hendrik de vierde, koning van Engeland, nadat Richard van de regering ontzet en de heer Jan Oldecastel welverzekerd in de Tower te Londen gezet was,begonnen de godgeleerden en bisschoppen in Engeland al zeer zonderling te handelen. Zij brachten grote klachten in bij de nieuwe koning en toonden hem, dat de toestand van de kerk ten enenmale omgekeerd was. Zij zeiden, dat men niet meer wilde gehoorzamen aan haar geestelijke archidiakenen, kanselieren, kerkendienaren en andere geestelijken; dat de wetten en verordeningen van de heilige moederkerk vertrapt werden; dat er vrees bestond, dat de gehele katholieke kerk en godsdienst ten enenmale zouden teniet gaan, dat men zeer weinig ontzag had voor de geestelijke rechtsmacht, de macht der geestelijke sleutelen minachtte, niet gaf om de kerkelijke boeten en beelden; dat er sommigen waren, die er in het openbaar de spot mee dreven, en dat dit alles aanleiding geven zou tot een zonderlingen opstand. Zij zeiden, dat al deze verkeerdheden haren oorsprong hadden in de vrijheid van een hoop ketters, die hun vergaderingen hielden in kelders en donkere plaatsen, die ook boeken schreven en tussen hagen en in bossen predikten. Zij voegden er bij, dat, indien men dit alles nog langer gedoogde, men spoedig de verwoesting en ondergang zien zou van de republiek. Ten gevolge van deze klachten riep de koning zijn raad bijeen, en wel te Leicester, omdat hij het niet geraden vond deze vergadering te houden te Londen, aangezien daar zich velen bevonden, die de zaak van de heer Cobbam waren toegedaan. In het openbaar gebood hij daar, hun allen zeer vreselijk te straffen, die van die tijd aan de verkeerde leer zouden volgen. Hij veroordeelde hen zelfs dermate, dat hij hen niet alleen voor ketters verklaarde, maar ook beschuldigde van majesteitsschennis. Daarom beval hij, dat zij op tweeŽrlei wijze moesten gestraft worden en terstond daarna verbrand. De gelovigen waren geen vrijheden noch enige voorrechten gegund, waardoor zij zich bevoordelen konden, en wel ten gevolge van de woede des konings, waarmee hij, door zijn boze hartstochten opgewekt, bezield was jegens de gelovigen, die in deze tijd Wicklevianen genoemd werden. De bisschoppen, gewapend met deze uitspraken des konings, bedreven grote tirannie jegens vele eerbare en onschuldige lieden, van wie in de eerste plaats Jan Oldecastel, heer van Cobham, het slachtoffer was. Voorts werden op wrede wijze omgebracht de heer Rogier Acton, ridder van Cobbam, de heer Johan Brown, edelman, en een bedienaar van het Evangelie: mr. Jan Beverley genaamd. Deze beleden met volharding de artikelen van ons algemeen christelijk geloof, en terwijl zij de bijgelovigheden van het pausdom verachtten, werden zij op het plein St. Gillis eerst opgehangen en daarna verbrand, in welke straf nog 36 anderen, die meest van adel waren, moesten delen. Dit geschiedde in Januari, in het jaar onzes Heeren 1414.

Op de 17den Augustus van het volgende jaar werden ook om de belijdenis der goddelijke waarheid, veroordeeld om verbrand te worden Jan Claidon, leerlooier, en Richard Turming, bakker, wat op het Smitsveld plaats had.

 

Johannes Husz te Konstanz verbrand

 

[JAAR 1415.]

 

In Engeland was het licht van het heilige Evangelie ontstoken, en verspreidde zich daar op buitengewone wijze. Andere landen waren weinig of niet met dat licht bedeeld, en duisternis bedekte schier de gehele wereld. Door de geschriften van Johannes Wicklef deed God, de almachtige Vader, ook in het koninkrijk Bohemen, het licht opgaan in de ziel van Johannes Husz, bedienaar des goddelijke Woords in de Bethlehemskerk te Praag. Met de grootste ijver verkondigde hij het zuivere Evangelie van Jezus Christus aan het volk, toonde hun de afgodische misbruiken aan, en waarschuwde daartegen met allen ernst, hetwelk de roomsen antichrist grote schande en nadeel berokkende. Ten gevolge daarvan werd hij, omstreeks het jaar 1414, door paus Alexander de vijfde beschuldigd, en te Rome als ketter ontboden, terwijl de paus deze zaken in handen gaf van de kardinaal Petrus de Columna.

Toen deze oproeping van Husz, om te Rome te verschijnen, te Praag openlijk was bekend gemaakt, zond Wenceslaus, koning van Bohemen, op verlangen van zijn vrouw Sophie en van de gehelen Boheemse adel en op het ootmoedig smeken der hogere scholen en burgers van Praag, zijn gezanten en redenaars naar Rome, om de paus dringend te verzoeken, Johannes Husz van dit onderzoek te verschonen, aangezien hij door de haat en nijd van sommige afgunstige mensen aangeklaagd en belasterd was. Hij voegde er bij, dat het Husz daarenboven onmogelijk was naar Rome te gaan, en wel wegens de gevaren, waaraan hij zich op de weg aan lijf en leven zou blootstellen. En, indien de paus meende, dat het koninkrijk Bohemen met enige valse leringen of ketterij besmet zou zijn, dat hij dan zijn gezanten naar Bohemen kon zenden, teneinde de dwalingen te verbeteren, te straffen en uit te roeien. Daarenboven beloofde de koning alle kosten, daaraan verbonden, te betalen en de roomsen gezanten in alles behulpzaam te zijn, enz. Maar alle arbeid, moeite en onkosten, welke de koning aanwendde, waren tevergeefs en ten een male vruchteloos.

Johannes Husz zond vervolgens op de bepaalde dag zijn wettige procureurs, om hem te verdedigen. Maar de kardinaal wilde van geen verdediging weten, maar ging voort en liet Johannes Husz als een ongehoorzame ketter verbannen, omdat hij op de bepaalde dag niet in persoon te Rome verscheen. Door de nood gedwongen, waren de procureurs genoodzaakt zich op paus Alexander te beroepen, die weer andere rechters aanstelde, die de zaak omtrent anderhalf jaar verschoven, en daarna hetzelfde oordeel velden en het vonnis uitspraken. Zij stemden toe in het uitspreken van de ban over Johannes Husz, en wilden zelfs niet, dat de procureurs meer onder hun ogen kwamen, en langer tot verdediging van Johannes Husz spraken. En, toen de procureurs zich niet lieten afwijzen, werden sommigen hunner in de gevangenis geworpen, waar zij geduchte straf ontvingen, terwijl de anderen naar Bohemen terugkeerden.

Toen het nu met de zaak van Johannes Husz aldus gesteld en hj gebannen was, dat zijn procureurs in de gevangenis gestraft waren, en hij te Rome geen gehoor verkrijgen kon, beriep hij zich op Christus, de hoogste Rechter van de wereld.

Daarna werd er in het jaar van onze enige Zaligmaker, Jezus Christus, 1414, een kerkvergadering bijeengeroepen te Konstanz, om het geschil en de twist te beslechten van drie pausen, die, om het roomse pausdom te bezitten, schier de gehele wereld in oproer brachten. Toen paus Johannes de drie en twintigste en Sigusmund, koning van Rome en Hongarije, te Konstanz aangekomen waren, zond de koning enige boheemse heren naar Bohemen, teneinde Johannes Husz uit te nodigen in de kerkvergadering te verschijnen. Daartoe zou hij hem een vrijgeleide geven, zodat hij zou kunnen gaan en terugkeren zonder enig gevaar, waarvan hij hem schriftelijk bewijs gaf. Toen Johannes Husz dit vernam en de brieven gelezen had, voldeed hij gewillig aan de begeerte des konings, en vertrok met bovenbedoelde boheemse edelen naar Konstanz.

Toen na drie dagen Johannes Husz te Konstanz was aangekomen, gingen Johannes, heer van Chlum, en Hendrik van Latzenbock, die Husz hadden vergezeld, naar de paus, en deelden deze mee, dat Johannes Husz was aangekomen. Zij voegden er ook bij, dat zij hem door een vrijgeleide van de roomsen koning Sigismund, dat verzegeld was, te Konstanz gebracht hadden, teneinde in de kerkvergadering te verschijnen. Zij verzochten ook zeer ootmoedig van de paus, dat hij, ter ere van de roomsen koning, zorg wilde dragen, dat genoemde Johannes Husz zonder gevangenneming, vrij, zeker, onverhinderd, en zonder bekommering en gevaar te Konstanz mocht vertoeven.

De paus antwoordde hierop: "Al had Johannes Husz zijn eigen broeder mishandeld en gedood, zal ik nochtans, voor zoverre dit in mijn macht is, in geen dele toelaten, dat hem, zolang hij te Konstanz blijven zal, enige smaadheid of onbillijkheid worde aangedaan. Daarop kan hij met alle zekerheid vertrouwen en getroost zijn."

Toen de ergste vijanden en aanklagers, die Johannes Husz had, Stefanus Palets en MichaŽl de Clausis, vernamen dat hij te Konstanz was, rustten zij niet, maar stelden met grote ijver enige stellingen samen, waarmee zij van de een kardinaal en aartsbisschop naar de anderen liepen. Zij toonden die aan de bisschoppen, monniken, priesters en anderen die het met hen eens waren, en zeiden dat zij nog meerdere zulke stukken bezaten, van nog groter gewicht, die Johannes Husz tegen de paus en de roomse kerk geschreven en openlijk gepredikt had.

De opperpriesters, door dit vuur als in vlam gezet, hielden raad, hoe zij Johannes Husz en zijn leringen onderdrukken en uitroeien zouden, waarin zij het al spoedig eens waren. Op de zes en twintigste dag nadat Johannes Husz te Konstanz aangekomen was, vaardigden zij twee bisschoppen af, en wel die van Augsburg en die van Trier, en met hen de burgemeester van Konstanz en een ander ridder. Omstreeks de middag kwamen zij in de woning, waar Johannes Husz verblijf hield, en verhaalden hem, dat zij, op bevel van de paus en de kardinalen, tot hem waren gezonden, aangezien hij vroeger verlangd had voor hen rekenschap te geven van zijn leer. Zij verklaarden verder, dat zij nu vergaderd en bereid waren om hem te horen, zodat hij nu voor hen zou verschijnen. Op deze boodschap antwoordde Johannes Husz: ďIk ben daar om niet hier gekomen, opdat ik in het geheim met de paus en de kardinalen alleen mijn zaak zou behandelen, wat ik ook niet begeerd heb, maar het was steeds mijn verlangen in de volle kerkvergadering te verschijnen, om daar openlijk, naar de genade, die God mij geven zou, te antwoorden op hetgeen mij gevraagd zou worden. Daarom weiger ik echter niet, om, volgens uw begeerte, eerst voor de kardinalen te verschijnen. Word ik door hen niet goed ontvangen, zo heb ik toch vertrouwen op mijn Heere Jezus Christus, dat Hij mij genade zal geven, om liever tot Zijn eer de dood te ondergaan en te sterven dan dat ik de waarheid, die ik uit de heilige, goddelijke Schriften ontvangen heb, verloochenen zou." Daarna volgde hij, in gezelschap van de heer van Chlum, de bisschoppen naar het hof van de paus, om daar voor de paus en de kardinalen te verschijnen.

Toen Husz in die vergadering verscheen, en de kardinalen vriendelijk gegroet had, spraken zij hem aldus aan: "Meester Johannes Husz, wij hebben zeer veel van u gehoord, dat, als het waar is, niet is te verdragen. Men zegt, dat gij vele grote en openbare dwalingen tegen de leer der heilige kerk verkondigd en door het gehele koninkrijk Bohemen verbreid hebt; en daarom hebben wij u hier ontboden, om te weten, of het is, gelijk men zegt."

Hierop antwoordde Johannes Husz: "Hoogwaardige vaders, uw eerwaardigheid wete, dat ik bereid ben liever te sterven, dan dat ik mij aan enige dwaling (ik zwijg van vele) willens en wetens zou schuldig maken. Te liever ben ik in deze algemene kerkvergadering verschenen, omdat ik mij bereid verklaar, wanneer ik in waarheid van enige dwaling overtuigd word, ootmoedig de straf te willen ondergaan en mij te beteren." De kardinalen antwoordden: ďWelaan, uw woorden behagen ons," waarop zij heen gingen, en Johannes Husz daar alleen onder gewapende en geharnaste mannen goed bewaard lieten staan, terwijl de heer van Chlum bij hem bleef. Tegen de avond kwamen de kardinalen weer samen, vergezeld van Palets en MichaŽl de Clausis, die, als onzinnigen, Johannes Husz belachten en bespotten, zeggende: "Ha, ha, ha, nu hebben wij u in onze macht en handen; gij zult er niet uitkomen, tot dat gij de laatste penning zult betaald hebben."

Tegen de nacht kwam de hofmeester van de paus tot de heer Johannes van Chlum en zei tot hem, dat hij wel naar zijn logement kon gaan, daar men met Johannes Husz wat anders zou doen. Op het horen van die tijding werd de heer van Chlum zeer toornig en bedroefd, en wel omdat zij de vromen man zo jammerlijk bedrogen hadden. Met de grootste spoed ging hij naar de paus, en bad en vermaande hem, dat hij aan zijn belofte en toezegging wilde denken, die hij enige tijd geleden hem en de heer van Latzembock gedaan had, en dat hij ook het vrijgeleide van de roomsen koning zo lichtvaardig niet mocht verbreken. Maar de paus wilde er niet voor uitkomen, dat, wat er met Johannes Husz gebeurd was, op zijn bevel was geschied; en terwijl hij zich tot de heer van Chlum wendde, zei hij: Waarom geeft gij mij de schuld, daar gij wel weet, dat ik zelf in de macht van deze kardinalen ben.Ē

Treurig ging de heer Johannes van Chlum heen, en gedurende enige dagen klaagde hij in het geheim en openbaar over de onrechtvaardigheid en ontrouw van de paus.

Toen Sigismund, de roomse koning, vernam, dat Johannes Husz gevangen gehouden werd, was hij er niet tevreden over, dat zijn koninklijk vrijgeleide door de paus aldus verbroken werd. Maar de geleerden van de paus toonden de koning uit de pauselijke rechten aan, dat men, met geen recht, een ketter vrijgeleide kon of mocht geven of zich daaraan houden. Met deze woorden stelden zij de koning tevreden, zodat hij de zaak het rusten, en op het houden van zijn vrijgeleide niet verder aandrong. Nochtans werd hij door de edelen van het koninkrijk Bohemen met woorden en brieven vermaand en gebeden, dat hij zijn eer daarin handhaven, en zijn woord en verzegelde belofte houden moest.

Toen Johannes Husz in een gevangenis gezet was van het Jakobijnenklooster, die door stank en onreinheid als verpest was, kwamen zijn vijanden, terwijl hij door de groten stank ongesteld geworden was, met enige artikelen voor de dag, waarmee zij hem als ketter beschuldigden. Onder deze artikelen waren de volgende, die hij als de zijne erkende en tot het einde volstandig beleed.

1. Er is maar een heilige, christelijke en algemene kerk; dat zijn allen, die door God ter zaligheid verordineerd en uitverkoren zijn.

2. Petrus was nooit en is ook nog niet het hoofd der christelijke kerk, maar alleen de Heere Jezus Christus.

3. Indien hij, die een stedehouder van Jezus Christus genaamd wordt, in zijn leer en zijn leven de Heere Christus navolgt, is hij een stedehouder van Christus. Indien hij in strijd met Christus leert en leeft, is hij een bode en Apostel van de antichrist, tegen de Heere Christus en de heiligen Apostel Petrus, ja een stedehouder van de verrader Judas Iskarioth.

4. De overheid met de priesters dwingen, om de instelling van Christus te onderhouden.

5. Een priester van Christus, die naar de regel van Christus, leeft, en de Heilige Schrift verstaat, behoort te prediken, en zich niet om de ban te bekommeren. En, wanneer ook de paus of enig ander geestelijke zulk een priester het prediken zou willen verbieden, moet hij hem niet gehoorzamen.

6. Wanneer de paus, bisschop of geestelijke zich aan doodzonde schuldig maakt, is hij geen paus, bisschop of geestelijke; want als hij geen lid van de gemeente van Christus is, kan hij geen hoofd der gemeente zijn.

7. Een getrouw dienaar van Jezus Christus behoort met vlijt te onderzoeken, of de geboden van de paus in nadruk zijn de geboden van Christus of van Zijn Apostelen. Wanneer dit zo is, behoort hij die geheel in ootmoed te gehoorzamen. Maar ziet hij, dat het gebod van de paus geheel tegen de Heilige Schrift strijdt, of schadelijk is voor de heilige kerk, zo behoort hij die met vromen zin tegen te staan, opdat hij aan deze zonden niet deelachtig worde, wanneer hij er in toestemde.

8. Ieder mens, wie hij ook wezen mag, mag de dingen, die de zaligheid aangaan, beoordelen, zo ook de daden van zijn geestelijken.

9. De geestelijken verdrukken de leken om zichzelf te verhogen; zij zijn geldgierig, beschermen en verdedigen allerlei boosheid, en bereiden alzo de weg voor de antichrist.

10. De roomse kerk heeft geen macht of gezag om het sacrament te scheiden of te verdelen; zij heeft ook, op onbehoorlijke wijze, de leken het ene deel, namelijk de gemeenschap des bloeds, onttrokken.

11. De bisschop van Rome staat gelijk met een ander.

12. Er is geen vagevuur.

13. Het is tevergeefs, dat men voor de doden bidt; dit is ook alleen door de geldgierigheid der priesters verzonnen.

14. De beelden van God of Zijn heiligen behoort men in het geheel niet te achten of te verdragen, maar af te breken en weg te werpen.

15. De biddende orden der monniken zijn door boze geesten uitgevonden.

Hierbij waren nog vele andere artikelen gevoegd, die echter te uitvoerig zijn om te worden meegedeeld, en welke men hij andere geschiedschrijvers kan vinden.

Toen deze en andere opgeraapte artikelen aan Husz, in de gevangenis, waar hij ziek lag, getoond werden, begeerde hij een advocaat of pleitbezorger, ten einde deze zaak voor hem te behandelen. Dit werd hem echter op harde wijze geweigerd, met de bewering, dat het volgens de pauselijke wetten verboden is, dat iemand enige bijstand zou bewijzen aan hen, die van enige ketterij verdacht zijn. Aldus weigerden zij de goede man alle hulp, ofschoon de getuigenis van de andere door hen opgeraapte artikelen zo zwak waren, dat Johannes Husz geen verdediging daarin behoefde, wanneer zijn ziekte hem niet verhinderd had dat zelf te doen. Nadat de koorts hem enigermate had verlaten, antwoordde hij daarop schriftelijk, welk geschrift wij echter, ter vermijding van te grote uitvoerigheid, niet zullen meedelen.

Geruime tijd daarna, in het jaar 1415, kwamen vele kardinalen, bisschoppen en andere geestelijken in het Barvoeterklooster bijeen, waar zij Johannes Husz voor de kerkvergadering brachten, hielden hem daar zijn boeken voor, en vroegen hem, of hij die voor de zijn erkende of niet. Johannes Husz beleed openlijk, dat hij die opgesteld en geschreven had, en toonde zich ook bereid, indien er enige dwalingen in gevonden werden, die te verbeteren. Treurige verschijnselen hadden hierbij echter plaats; want, zodra er een artikel en enige getuigenissen daarop (die zeer weinig waren) waren gelezen, en Husz daarop wilde antwoorden, overviel de gehele vergadering hem met zulk een geschreeuw en misbaar, dat hij geen woord spreken kon. En, was er een ogenblik stilte, waarvan Husz gebruik wilde maken, om het een of ander uit de heilige Schrift of van oude leraars aan te halen, dan riepen zij ogenblikkelijk: "Het doet niets tot de zaak!" Sommigen begonnen hem op lage wijze te schelden, anderen belachten en bespotten hem, zodat Johannes Husz eindelijk besloot te zwijgen, en de zaak Gode aan te bevelen. Toen riepen zij: "Nu zwijgt hij, dat is bewijs genoeg, dat hij zijn dwaling in alles bekent." In ťťn woord, het kwam zo ver, dat het sommigen verstandigen mannen begon te verdrieten, die er zich over schaamden, en de raadgaven, dat men voor dat ogenblik de zaak zou laten rusten. Aldus ging de vergadering uiteen, terwijl Husz daar in het monnikenklooster bewaard werd.

Spoedig daarna kwamen zij andermaal in hetzelfde klooster bijeen, waar Johannes Husz, door een groot aantal gewapende mannen omringd, werd voorgebracht. Ook verscheen daar de roomse koning zelf, vergezeld van de ridder Wenceslaus van Tuba, de heer Johannes van Chlum en Petrus, secretaris des konings, deze drie waren goede vrienden van Husz, die meegenomen waren om te zien, hoe de zaak eindigen zou.

Onder vele andere dingen, bevalen zij Johannes Husz eindelijk deze drie: vooreerst, dat hij met een ootmoedig hart zijn dwalingen zou bekennen, die hem in de artikelen aangewezen waren; ten andere, dat hij zweren zou, deze artikelen nu en ten eeuwige dag, nimmer meer te leren noch te prediken; ten derde, dat hij die ook openlijk zou herroepen.

Hierop antwoordde Husz, na vele andere woorden gesproken te hebben, het volgende: ik ben bereid de kerkvergadering te gehoorzamen, en door haar onderricht te worden, met de goddelijke Schrift, maar vooraf bid ik u om Gods wil, dat gij mij niet zoekt te dwingen tot dingen, die mijn geweten zouden bezwaren, en mij in gevaar zouden brengen om eeuwig veroordeeld te worden. Dat ik al mijn artikelen, die mij toegeschreven worden, zou afzweren, die toch voor het merendeel mij vals toegedicht, ja tegen mij verzonnen en gelogen zijn, dat zou ik niet kunnen. Ik herinner mij in Katholicus gelezen te hebben, dat afzweren niets anders is dan een dwaling, die iemand vroeger vastgehouden en geleerd heeft, te verloochenen en te herroepen. Aangezien mij vele artikelen toegedicht worden, die ik nooit omhelsd heb, en nooit in mijn hart zijn opgekomen, hoe mag of kan ik die met een eed afzweren? Maar aangaande de artikelen, die waarlijk de mijn zijn, die door mij zijn geleerd, gepredikt en geschreven, wanneer mij iemand uit de Heilige Schrift iets anders kan leren, dan wil ik die graag volgen, en doen, wat gij van mij hebt begeerd en gevorderd."

Daarna sprak koning Sigismund Johannes Husz zelf aan, en zei, dat hij zou herroepen en zich aan de genade der kerkvergadering overgeven. Doch Johannes Husz antwoordde, dat hij voor God en zijn geweten zich van geen dwaling bewust was, en dat hij daarom niets kon herroepen.

Daarna traden Palets en MichaŽl de Clausis, de grootste vijanden van Husz, op, en verontschuldigden zich met de bewering, dat zij in de gehele zaak niet gehandeld of niets gedaan hadden uit haat, nijd of enige arglistigheid, maar alleen tot nut en welvaart der christelijke kerk. Johannes Husz voegde hun toe: "Dit beveel ik aan God, de hemelse Rechter, die ieders zaak naar recht oordelen zal."

Na deze woorden te hebben uitgesproken, werd hij weer naar de gevangenis geleid en welverzekerd bewaard. Toen hij daar heen ging, stond de heer van Chlum bij hem, die hem de hand gaf, vriendelijk toesprak en hem vermaande tot volharding. Dit verstrekte Husz tot grote vreugde en troost, omdat hij zich zijns niet schaamde, daar hij toch van alle mensen was verlaten, en als een boze ketter gescholden en gehaat werd.

In de gevangenis schreef hij vele belangrijke boeken en brieven, waaruit men bespeuren kan op welk een bijzondere wijze de Geest Gods door hem sprak en werkte. Hij betuigde, dat hij de lofzangen van David nooit zo goed verstaan had, dan nadat hij in benauwdheid verkeerde. Wie zijn brieven verlangt te lezen, onderzoeke de geschiedschrijvers, aangezien die hier, om het verhaal te verkorten, niet kunnen worden meegedeeld, ofschoon ze overwaardig zijn gelezen te worden, en er vele voorzeggingen in worden gevonden, die in later tijd uitgekomen zijn, zoals hij die vroeger uitgesproken en geschreven heeft.

De dag, voor Johannes Husz verbrand werd, de 6e juli van het jaar onzes Heeren Jezus Christus 1115, zond koning Sigismund vier bisschoppen en de beide boheemse edellieden, de heer Wenceslaus van Tuba en de heer Johannes van Chlum, tot Husz in de gevangenis om te vragen, wat zijn voornemen was. Toen Johannes Husz uit de gevangenis tot hen geleid was, sprak de heer Johannes Chlum hem het eerst aan en zei: "Meester Johannes, ik ben onwetend, en weet niet, wat ik u, die een geleerd man bent, raden moet; nochtans heb ik een begeerte aan u voor te stellen, namelijk, indien gij u aan enige dwaling schuldig kent in de dingen, die u in de kerkvergadering voorgehouden zijn, dat gij u dan niet schaamt om uw gevoelen en mening aan de kerk vergadering te onderwerpen, en door haar u te laten onderrichten en alzo te herroepen. Maar is het, dat gij, naar het rechte oordeel van uw geweten u daaraan niet schuldig kent, zo wil ik u geen aanleiding geven, dat gij iets tegen uw geweten doen zoudt, maar veel meer, dat gij alles lijdt, wat te lijden is, dan dat gij de waarheid, die gij bekent, verloochenen zoudt." Met tranen in de ogen antwoordde Husz: "Gelijk ik vroeger dikwerf gedaan heb, betuig ik nog voor de almachtigen God, dat ik van hart bereid ben terstond mijn mening te laten varen, ingeval de kerkvergadering mij uit de heilige Schrift beter onderrichten en bewijzen kan, en gezind ben alsdan openlijk onder ede te bekennen, dat ik vroeger gedwaald heb." Toen zei een der bisschoppen op zeer bittere wijze: ďIk ben nooit zo stout of verwaand geweest om mijn gevoelen hoger te achten, dan dat van de gehele kerkvergadering." Husz antwoordde hierop: "Ik ben ook niet anders gezind; want indien mij de allerminste in deze kerkvergadering een dwaling kan aantonen, zal ik die graag horen en gewillig en bereid zijn voor de gehele kerkvergadering te herroepen." "Ziet," zeiden de bisschoppen, "hoe hardnekkig hij bij zijn dwaling blijft." Na dit gezegd te hebben, bevalen zij, dat men hem in de gevangenis zou sluiten, terwijl zij naar de koning terugkeerden.

Des anderen daags werd er een algemene vergadering gehouden in de Munsterkerk, waar koning Sigismund, met zijn koninklijke kroon gesierd, en de rijksedelen tegenwoordig was, waarbij ook gezeten waren vele andere geestelijken en opperpriesters. In het midden van het gestoelte was een verheven plaats gewaakt, ter breedte van een tafel, en daar nevens stond een houten blok, waar het heilige misgewaad op gelegd was, waarmee men Husz ontwijden zou, eer men hem aan de wereldlijken rechter overleverde. Toen alles gereed was, werd Johannes Husz binnengeleid, die terstond op zijn knieŽn viel, en geruime tijd op hoogst ernstige wijze tot God bad. Intussen hield de bisschop van Londen, uit Engeland, een Latijnse redevoering, en toen deze was geŽindigd, trad de procureur fiscaal op, en begeerde, dat men het proces zou voorlezen, waaraan voldaan werd.

Johannes Husz nam de vrijheid elk artikel zo kort mogelijk te beantwoorden; maar, zo dikwijls hij begon te spreken, verbood hem dit de kardinaal van Kamerijk, zeggende: "Zwijg nu, later mag gij, zo veel gij wilt, op alles antwoorden." Husz zei: "Och! hoe zal het mij mogelijk zijn in eens op alles te antwoorden? Ik kan alles niet in mijn geheugen bewaren." Toen hernam de kardinaal van Florence: "Wij hebben u al genoeg gehoord." Toen Husz echter niet wilde zwijgen, lieten zij hun dienaren halen, om hem daartoe te dwingen. Vervolgens begeerde, bad en smeekte de arme man, dat men toch naar hem horen wilde, opdat de omstanders niet zouden denken of geloven, dat alles waar was, wat men hem voorwierp. Toen hem dit niet werd toegestaan, viel hij op zijn knieŽn, en in een vurig gebed beval hij zijn zaak zijn Heere en Verlosser Jezus Christus aan, hopende bij Hem te verkrijgen, wat hij begeerde.

Onder de artikelen, die hem werden toegedicht en voorgelezen, werd ook beweerd, dat Johannes Husz geleerd had, dat de twee naturen, de godheid en mensheid, ťťn Christus waren. Nadat alle artikelen gelezen waren, verzonnen zij een zeer grote godslastering, die zij Husz aanwreven, namelijk, dat hij zou gezegd hebben, dat hij de vierde persoon in de godheid zou worden; terwijl een bisschop, die dit artikel voorgelezen had, zei, dat een leraar het uit de mond van Husz zelf gehoord had. Toen Johannes Husz verlangde, dat men die leraar met name noemen zou antwoordde de bisschop: "Dat is nu niet nodig." Op dit antwoord riep Husz uit: "O wee mij, arm mens, die zulke godslastering moet aanhoren!" Daarna werd weer het artikel voorgelezen, en als ketters verklaard, dat hij zich op Christus beroepen had. Toen sprak Husz: "O Jezus Christus, Wiens Woord en Evangelie door deze kerkvergadering openlijk veroordeeld wordt, ik beroep mij andermaal op U; want, toen Gij door Uw vijanden uitgelachen en bespot werd, hebt Gij U ook op God Uw Vader beroepen, en Uw zaak aan Hem, als de rechtvaardigste Rechter, overgegeven en aanbevolen, en ons daarmee een voorbeeld gegeven, opdat wij ook in zulke omstandigheden, wanneer wij ten onrechte en gewelddadig onderdrukt worden, een zekere toevlucht hebben zouden."

Eindelijk las de bisschop ConcordiŽnsis met luider stem het besluit en het vonnis van de kerkvergadering, waarin Johannes Husz als ketter verdoemd werd, om ontwijd en de wereldlijken rechter overgeleverd te worden. Toen dit vonnis van de kerkvergadering voorgelezen werd, sprak Johannes Husz tussenbeide, ofschoon het hem verboden en verhinderd werd. Toen men hem daarom van hardnekkigheid beschuldigde, riep hij met luider stem: ďIk ben nooit hardnekkig geweest, aangezien ik vroeger begeerd heb en nog verlang, dat men mij uit de heilige Schrift beter onderwijze en lere. Ik beken en belijd, dat ik de waarheid zo vlijtig en naarstig liefheb, dat ik alle ketterse dwalingen met ťťn woord omver zou kunnen stoten, waarom ik niet zou schromen, mij aan gevaren bloot te stellen." Toen in dit vonnis ook zijn boeken als ketters veroordeeld werden, zei hij: "Waarom veroordeelt gij die boeken, waarvan gij toch niet bewijzen kunt, dat zij iets tegen de heilige Schrift of tegen de artikelen van het geloof inhouden?Ē Bovendien zei hij: "Welk een onrechtvaardigheid is het, dat gij mijn boeken, die in de Boheemse taal geschreven, die gij gezien noch gelezen hebt, die gij wegens de taal niet verstaat, nochtans hebt veroordeeld.ĒTussenbeide sloeg hij zijn ogen naar de hemel en bad. Toen eindelijk het vonnis gelezen was, viel hij op zijn knieŽn en sprak: ďHeere Jezus Christus. vergeef het mijn vijanden, want Gij weet het, dat ik door hen vals ben beschuldigd, en dat zij met valse getuigenissen en schandelijkheden mij bezwaren. Vergeef het hun o Heere door Uw grote barmhartigheid. Het merendeel van hen, en vooral de opperpriesters, spotte met dit gebed, als ware het uit geveinsdheid gedaan.

Daarna stonden er zeven bisschoppen op om hem te ontwijden, en bevalen hem, dat hij de priesterlijke kleding zou aantrekken, wat hij ook deed. Toen hij de lange witten rok zou aantrekken, zei hij: "Mijn Heere Jezus Christus, toen Hij door Herodes naar Pilatus gezonden werd, is ook in een wit kleed bespot."

Als hij het misgewaad aangetrokken had, vermaanden de bisschoppen hem nogmaals, dat hij zijn gevoelens zou laten varen, en prijs stellen op zijn eer en leven. Toen hij echter de stellage betrad, sprak hij met tranen in de ogen tot het omstaande volk: "Deze heren bisschoppen raden mij, dat ik voor allen belijden zal, dat ik gedwaald heb. Indien het nu een zodanige zaak gold, die alleen tot schande van een mens verstrekte, zouden zij mij er misschien gemakkelijk toe bewegen. Maar nu sta ik voor het aangezicht des Heeren, tot Wiens grote schande en om de wroeging van mijn eigen geweten, ik dit niet doen kan; want ik weet niet, dat ik ooit iets geleerd heb van wat zij mij ten laste leggen. Ik heb altijd daarentegen geijverd, geschreven, geleerd en gepredikt. Met welk aangezicht zou ik de hemel durven aanschouwen? Met welke ogen zou ik hen mogen zien, die ik onderwezen heb, en wier aantal groot is, wanneer ik er de oorzaak van werd, om wat zij tot nu toe voor zeker en waar hebben aangenomen, nu onwaar werd? Zou ik zovele gewetens die door de bondigste geschriften geleerd, door het heilig Evangelie van onze Heere Jezus Christus onderwezen en tegen alle aanvechtingen des duivels versterkt zijn, door mijn voorbeeld beroeren? Neen, gewis niet. Ook zal ik niet toestaan, dat dit mijn lichaam, dat aan de dood overgegeven is, beter geacht zou worden dan mijn zaligheid." Nadat Husz deze woorden gesproken had, verweten de bisschoppen hem weer, dat hij hardnekkig in zijn boosheid voortging en versteend was. Men beval hem, dat hij van de stellage zou gaan, terwijl men hem daar ontzette van het priesterschap. Zij ontnamen hem de kelk, zeggende: "O Gij vervloekte Judas! gij die de raad des vredes hebt verlaten, u met de Joden hebt verenigd, zie, van nu aan ontnemen wij u deze kelk, in welke het bloed van Jezus Christus wordt opgeofferd tot verlossing der wereld." Waarop Husz met luide stem antwoordde: "Maar ik stel al mijn hoop en vertrouwen op mijn God en Zaligmaker, dat Hij de kelk der zaligheid nimmermeer van mij zal nemen en ik vertrouw vast, dat ik, door Zijn bijstand gesterkt, die heden in Zijn Rijk zal drinken.

Daarop ging men voort, hem van de overige kleding te ontdoen, terwijl zij, als naar gewoonte, telkens wanneer zij hem van een kledingstuk beroofden, daarbij een schandelijken vloek voegden. Husz antwoordde daarop, dat hij die bespotting voor Christus' naam en waarheid graag droeg.

Toen eindelijk de bisschoppen hem van dit veelvoudig priesterlijk gewaad ontbloot hadden, wilden zij hem verder de geschoren kruin ontnemen. Doch hierover ontstond tussen hen een hevige twist. Sommigen wilden hem scheren; anderen meenden, dat het genoeg was als de kruin slechts met de schaar hier en daar werd weggeknipt. Terwijl dit plaats had, wendde Husz zich naar de koning, zeggende: ďZie heer, hoe de bisschoppen met elkaar over deze zaak twisten. Het verwondert mij zeer, dat, aangezien zij allen even wreed zijn, zij in deze wreedheid niet overeenstemmen."

Maar zij die wilden, dat men zulks met de schaar zou doen, kregen de overhand en knipten het haar in drie delen, en wel in de vorm van een kruis, namen de kruin weg, en voegden er de woorden bij: ďHeden ontzet de heilige kerkvergadering, hier te Konstanz bijeengekomen, Johannes Husz van de priesterlijke waardigheid en van het ambt, waarmee hij vereerd was, en betuigt daarmee, dat de tempel en de kerk van God deze mens van zich heeft gestoten. En aldus beroofd zijnde van haar bescherming, levert zij hem aan de wereldlijke macht over." Eer dit echter geschiedde, lieten zij een papieren kroon maken in de vorm van een bisschopshoed, van omtrent een elleboog hoog, waarop drie vreselijke duivels geschilderd stonden, en waaronder met grote letters geschreven was: Heresiarcha, dat is: ketterhoofd. Toen Husz die kroon zag, zei hij: "Mijn Heere Jezus Christus, Die onschuldig was, heeft Zich getroost voor mij, ellendig mens, een scherper en veel zwaarder doornenkroon tot de dood te dragen. Waarom zou ik ellendig zondaar, niet deze veel lichtere kroon graag, om zijn naam en waarheid, tot mijn spot op het hoofd hebben "'

Toen de kroon op zijn hoofd geplaatst was, zeiden de bisschoppen: Nu bevelen wij uw ziel aan de duivelen van de hel." Met gevouwen handen zei Husz daarop, terwijl hij zijn ogen naar de hemel sloeg: ďIk beveel haar mijn goede Heere Jezus Christus."

In de Hoogduitse taal zei de koning toen tot Lodewijk, Hertog van Beijeren: "Ga heen, en lever deze mens over aan de dienaren der Justitie." Terstond ontdeed Lodewijk zich van zijn hertogelijke kleding, nam Husz mee, leverde hem aan de scherprechters en dienaren der justitie over, en begeleidde hem tot aan de gerichtsplaats.

Met de papieren kroon op het hoofd tot de gerichtsplaats geleid, zag hij in het voorbijgaan voor de kerkdeur zijn boeken verbranden, teneinde daarmee de veroordeling ervan te betuigen. Toen hij dit zag, lachte hij even, en tot het vuur lopende, voegde hij het daarbij staande volk toe, dat zij niet moesten denken, dat hij om enige dwaling verbrand werd, maar dat hij vals beschuldigd, en door onwettige getuigen door zijn bittere vijanden onderdrukt was; "aangezien zij," zei hij, "niet beter uit de heilige Schrift hebben geleerd, zoals ik heb ondervonden, wat ik altijd zeer heb gewenst en begeerd." Het volk, dat hem vergezelde, was voor het merendeel gewapend.

Toen hij op de strafplaats kwam, viel hij op de knieŽn, vouwde de handen, verhief zijn ogen hemelwaarts, bad enige psalmen, vooral de 31e en de 51e herhaalde met een heldere stem en een blijmoedig gelaat verscheiden malen de woorden; ďIn Uw handen, Heere, beveel ik mijn Geest;" zodat de omstanders hem gemakkelijk konden verstaan. Toen hij aldus, gelijk gezegd is, gebeden had, zei sommige eenvoudige mensen uit het volk tot elkaar: Wat deze mens vroeger geleerd en gepredikt heeft, weten wij niet; maar nu horen wij hem heilige woorden spreken en godvruchtige gebeden doen."

Anderen wensten, dat hij een biechtvader mocht hebben. Doch een priester, die te paard zat en prachtig gekleed was, zei: "Hij is niet waard, dat hij gehoord of, dat hem een biechtvader gegeven worde, want hij is een ketter."

Er is niet aan te twijfelen, of deze smaadredenen zonden het hart van Husz zeer geschokt hebben, indien het niet in zijn hart gegrift ware, dat hij om Christus' naam leed, gelijk hij getuigt in de zendbrieven, die hij uit zijn gevangenis heeft geschreven.

Terwijl hij bad, viel de smadelijke kroon van zijn hoofd; toen Husz dit zag, kon hij niet nalaten even te lachen. Sommigen van de handlangers, van welke hij omringd was, zeiden tot elkaar: "Laat ons de kroon hem weer op het hoofd zetten, opdat hij met de duivels, die hij hier gediend heeft, verbrand worde."

Daarna stond hij, op bevel der scherprechters en dienaren der Justitie, op, en bad met luider stem, zodat alle omstanders hem konden verstaan: Heere Jezus Christus, dit wrede en verschrikkelijk gericht wil ik graag en ootmoedig ondergaan voor Uw heilig Evangelie en de prediking van Uw heilig Woord, en bid U, dat Gij al mijn vijanden wilt vergeven."

Terwijl hij door de dienaren der justitie werd rondgeleid, zei hij tot alle omstanders, dat zij niet moesten geloven, dat hij aan enige dwaling schuldig was die hij zou geleerd hebben of voorgestaan; maar dat zij hem vals waren toegeschreven, en door valse getuigen verstrekt.

Eindelijk verzocht hij hun, de bewaarders van de gevangenis ook eens te mogen toespreken, tot wie hij ging en zei: ďIk dank u, mijn lieve broeders, voor al de weldaden, die gij mij hebt bewezen; want gij was mij zeer aangename broeders en geen bewaarders van mij. Weet, dat ik standvastig geloof in mijn Zaligmaker, om Wiens naams wil ik deze dood gewillig onderga, zeker vertrouwende, dat ik heden met Hem in het paradijs zal zijn." Terstond bonden zij hem de handen op de rug, en met zes touwen zeer stevig aan een dikken doorboorden paal, die in de grond geplaatst was. Met het eerste touw was hij gebonden aan de enkels, met het tweede beneden de knieŽn, met het derde boven de knieŽn, met het vierde om het onderlijf, met het vijfde om het lichaam en met het laatste onder de armen.

Enige van de omstanders namen het zeer kwalijk, dat hij met het aangezicht naar het Oosten geplaatst was. Zij bevalen, dat hij met het aangezicht naar het Westen moest gekeerd worden, omdat hij een ketter was; wat dan ook terstond geschiedde. Daarenboven was zijn hals vastgemaakt met een zwarte, berookte keten, die wellicht vroeger in de schoorsteen door iemand gebruikt was. Toen Husz het hoofd een weinig omdraaide, zag hij die en zei: De Heere Jezus Christus, mijn Verlosser en zeer lieve Zaligmaker, was met veel zwaarder en harder keten gebonden om mijnentwil; waarom zou ik, ellendig mens, mij schamen, om Zijns naams wil, met deze vuile kelen gebonden te worden." Verder werden onder zijn voeten, die ook geboeid waren, twee bossen hout gelegd. Toen hij dus gebonden stond, en een boer zag, die hout aandroeg om te helpen verbranden, zei hij lachende: Sancta simplicitas!" dat is, heilige eenvoudigheid.

Eindelijk werd hij met hout en stro, dat dooreen gemengd was, tot aan de hals bedekt. Voor het hout ontstoken was, traden de hertog Lodewijk en de rijksmaarschalk naar Husz, en verzochten hem, dat hij, om zijn leven te behouden, nu nog zijn, leringen zou intrekken en afzweren. Terwijl hij zijn ogen naar de hemel verhief, antwoordde Husz niet luider stem: Ik betuig voor God, dat, waarvan zij mij met valse getuigen beschuldigen, ik nooit hebgeleerd noch geschreven. Al mijn predikatiŽn, onderwijzingen. en geschriften en al wat ik heb gedaan, heb ik met zulk een hart en alleen met het oogmerk gedaan, om de mens uit het geweld des duivels te verlossen. Daarom wil ik die waarheid, welke ik geleerd, geschreven en met uitgegeven geschriften aan het licht gebracht en met de wet Gods dooi, heilige leraren bevestigd heb, heden blijmoedig met de dood bezegelen." Nadat hij dit gezegd had, gingen de maarschalk en de hertog Lodewijk, de handen ineenslaande, heen.

Toen nu de scherprechter het hout aanstak, riep Johannes Husz herhaalde malen met luider stem: "Jezus Christus, Zoon des levenden Gods, ontferm U mijner." En als hij daarna wilde zingen: "Qui natus est ex virgine," stak er een wind op, die hem de vlam in het aangezicht sloeg, waardoor hij stikte. Aldus liet deze vrome martelaar, om de belijdenis van Christus, zijn leven in het vuur. Toen het hout verbrand was, en het bovenste gedeelte van zijn lichaam nog aan de keten hing, wierpen zij de paal neer, staken op nieuw het vuur aan sloegen zijn beenderen met stokken en kliefden zijn hoofd, opdat het te eerder door het vuur zou verteerd worden.

Onder de ingewanden vonden zij zijn hart nog onverteerd, dat zij op een scherpen stok staken, het andermaal in het vuur wierpen, met stokken sloegen en daarna lieten verbranden.

De as van de verbranden martelaar werd in de Rijn geworpen, opdat er niets van de goede man zou overblijven.

Dit geschiedde de 6e Juli in het jaar onzes Heeren 1415.

Betreffende Johannes Husz werd het volgende versje gemaakt:

 

Constantem inconstans Constantia sustulit Hussum,
Pro Christo ardentem cum subit ille rogum.

 

Dat is:

 

Konstanz, zeer inconstant,
Heeft Husz met vuur verbrand,
Door kracht vervreemd van rede.
Hij bleef constant ter dood,
Als Christus' bondgenoot,
En heeft het vuur geleden.

 

Hieronymus van Praag

 

[JAAR 1416.]

 

Toen Johannes Husz geruime tijd te Konstanz gevangen gehouden werd, verscheen ook daar Hieronymus van Praag met grote kloekmoedigheid, om de onschuld te bepleiten van zijn meester, en zijn leer te handhaven. Aangezien hij een zeer geleerd en welsprekend man was, meende hij er zich van verzekerd te mogen houden, dat hij de zaak, wanneer hij geen bijzondere tegenstand ontmoette, zou winnen. Maar, daar hij bemerkte, dat hem daar lagen gelegd werden, begaf hij zich des anderen daags naar Ueberlingen, een Rijksstad, een Duitse mijl van Konstanz gelegen, om de schijn niet op zich te laden alsof hij zich lichtvaardig in gevaar had begeven. Van daar schreef hij brieven aan keizer Sigismund, waarin hij vrijgeleide verzocht om op de kerkvergadering te kunnen komen. Toen hem dit niet werd toegestaan, was hij voornemens naar Bohemen weer te keren. Op weg derwaarts werd hij betrapt, en door de dienaren van Johannes, zoon van de hertog van Beyeren, gevangen genomen, die hem aan de kerkvergadering overleverden, waar hij voor een ketter en navolger van Johannes Wicklef en van Johannes Husz beschuldigd werd.

De artikelen, waarvan zij hem beschuldigden, waren deze:

1. De roomse bisschop is gelijk aan een ander.

2. De waardigheid van het ambt maakt geen bisschop of pastoor, maar de heiligheid des levens.

3. Er is geen vagevuur.

4. De biddende orde is een duivelse uitvinding.

5. Paulus is nooit een lid van de duivel geweest, hoewel hij enige dingen deed, die plegen te geschieden door de boze gemeente.

6. De twee naturen in Christus, de goddelijke en menselijke, zijn ťťn Christus.

7. De veroordeling van de 35 artikelen van Johannes Wicklef, die door de leraars geschiedde, is geheel onrechtvaardig.

8. Het vormsel, dat door smouten en smeren geschiedt, is geen sacrament.

9. De oorbiecht is een ijdel verzinsel en leugen, door mensen bedrieglijk uitgedacht. Het is genoeg, dat ieder zijn zonde aan God belijdt.

10. De doop behoort men alleen met water te bedienen, zonder olie of andere dingen.

11. De heiligheid, die men de kerkhoven toeschrijft, is niets anders dan ijdel en dwaas bijgeloof of een opraapsel.

12. Er is niet aan gelegen, waar het lichaam begraven wordt.

13. De gehele wereld is heden de tempel of kerk; want God wil Zijn godheid overal verbreid hebben. Zij, die enige tempels, kapellen of bedeplaatsen bouwen, willen Gods heerlijkheid en macht op enge wijze besluiten.

14. De klederen en versierselen, die de priesters op de altaar gebruiken, zo ook alle gereedschappen, zijn ten enenmale onnodig en dwaas voor de godsdienst ingevoerd en er bijgevoegd.

15. Het avondmaal des Heeren mag men ten allen tijde en aan alle plaatsen houden, waar ook de gelovigen en ware boetvaardigen vergaderen.

16. Zij, die de gestorven heiligen aanroepen, en van hen enige hulp wachten, doen vergeefse arbeid.

17. Dit geldt ook van hen, die hun getijden lezen en opluisteren of zingen,

18. Op iedere dag mogen de mensen arbeiden, uitgenomen op de Sabbatdag.

19. De heilige dagen behoort men af te schaffen.

20. De vastendagen, door mensen ingesteld, hebben niets te betekenen.

Toen de geestelijke gezanten deze artikelen veroordeeld hadden, beijverden zij zich ook om Hieronymus van Praag te veroordelen en als ketter te doden. In de gevangenis werd hij zeer wreed behandeld, daar zij hem gedurende een jaar in een kuil legden, waar hij zon noch maan zag, en met water en brood gespijzigd werd, terwijl zijn voeten in een blok gesloten waren, en zo geplaatst, dat het hoofd op de grond onder hem rustte. Omdat hij in zulk een ellende verkeerde, herriep en verloochende hij, op aandringen van de geestelijkheid, zijn gevoelens. Dit deed hij uit menselijke zwakheid, maar later, door Gods genade versterkt, beleed hij de eenmaal omhelsde waarheid met grotere vrijmoedigheid.

Op de 25e mei 1416, Zaterdags voor de Hemelvaart des Heeren, hield men in de hoofdkerk te Konstanz een algemene zitdag of samenkomst der kerkvergadering. Nadat de mis van de Heilige Geest gezongen was, en de plechtigheden afgelopen waren, werd Hieronymus voorgebracht en scherp vermaand, dat hij van al zijn dwalingen afstand zou doen, de leerlingen van Wicklef en Husz herroepen en afzweren, en voorts al1e ketterij verloochenen, dan zou de kerkvergadering hem alle vriendschap bewijzen.

Hierop antwoordde Hieronymus aldus: ďIk betuig heden voor mijn God en Heere en voor u allen, dat ik mij aan geen ketterij of valse leringen schuldig ken, want ik geloof van hart at de artikelen van het heilige, algemene christelijk geloof, en houd vast wat de algemene christelijke kerk belijdt. Ik kan ook Wieklef en Husz, als vrome. eerlijke en godzalige lieden, niet verwerpen. Zij werden ook van vele dingen vals en onwaar beschuldigd, en vele leringen van hen worden verkeerd voorgesteld. Dat ik dan zeggen zou, dat zij niet goed geleefd, geschreven of geleerd hadden, of dat het oordeel en vonnis, over ben uitgesproken, recht is, wil ik in geen geval doen. Wat ik weet, ja de gehele wereld bekent het, dat zij u geen onrecht gedaan, maar de waarheid gezegd hebben in wat zij tegen uw onrechtvaardige instellingen en verkeerde misbruiken gesproken en geleerd hebben. En ofschoon ik voorzie, dat gij mij doden zult, kan ik nochtans de waarheid niet verloochenen, en beveel mijn zaak aan God mijn Heere; Zijn wil geschiedde op aarde als in de hemel, Amen." - Hierna bevalen zij, dat het vonnis, dat uitvoerig tegen hem beschreven was, zou gelezen worden, waarvan dit de inhoud was: de heilige kerkvergadering van Konstanz snijdt af en verdoemt Hieronymus van Praag, als een verrotten en dorre tak van de boom, en als een vervloekten en verdoemden ketter, en dat wegens zijn dwalingen, lichtvaardig bestaan en hardnekkigheid, en voornamelijk, omdat hij zijn vroegere herroeping heeft geschonden, en wel met grote verachting van deze heilige kerkvergadering; levert hem over aan de wereldlijke overheid, opdat zij hem straft, zodanig als zijn goddeloosheid verdient.

Toen het vonnis aldus tegen hem uitgesproken was, werd Hieronymus een kroon (zoals vroeger aan Husz was gedaan) gebracht, rondom met duivels beschilderd. Zo spoedig hij die zag, wierp hij zijn hoed onder de daarbij staande priesters, zette de papieren kroon op het hoofd en zei: ď Toen mijn Heere Jezus Christus voor mij, ellendig mens, zou sterven, droeg Hij op Zijn hoofd een veel zwaarder doornenkroon. Ik zal daarom ook gaarne met deze, om Zijner genade en liefde wil, in het vuur gaan." Nadat hij die woorden gesproken had, werd hij terstond door de gerechtsdienaren gewapenderhand uit de hoofdkerk naar de gerechtsplaats geleid. Onder het gaan zong hij, met luide stem en een blij gemoed, terwijl hij zijn ogen naar de hemel hief, het algemeen geloof, gelijk dit gewoonlijk in de kerken gezongen wordt, en daarna andere lofzangen, totdat hij buiten de poort kwam aan de plaats, waar Husz vroeger werd verbrand.

Hij de paal gekomen zijnde, waaraan hij zou verbrand worden, viel hij op de knieŽn, en hield zich geruime tijd in stilte met bidden bezig. Daarna richtten de scherprechters hem op, trokken zijn klederen uit, en hingen hem een bemorst kleed over de schouders. Toen hij nu aldus met ketenen aan de paal gebonden stond, werd er rondom hem hout met stro vermengd opgestapeld, en terwijl men hiermee bezig was, zong Hieronymus andermaal met luider stem de lofzang van het Paasfeest: ďSalve festa dies; toto venerabilis aero, crua Deus infernum vicit, et astra tenet, &c.

Na het aanheffen van de lofzang, beleed hij het berijmde algemeen geloof, en sprak het volk in de Hoogduitse taal aldus aan: ďWeet, zeer lieve mannen, dat ik niets anders geloof dan wat ik daar even heb gezongen, en van de hoofdzaak van het geloof aanneem, gelijk het een christen betaamt. Maar nu ben ik ter dood veroordeeld, omdat ik aan deze vergadering van priesters in het veroordelen van Husz geen gelijk heb willen geven; en hij was toch, om van de oprechtheid zijns levens niet eens te spreken, een getrouw leraar van Gods wet en het Evangelie van Jezus Christus." Nadat zij hem van het hoofd tot de voeten met hout hadden omstapeld, en zijn uitgetrokken klederen daarbij geworpen hadden, wilde de scherprechter het vuur van achteren aansteken, opdat hij het niet zien zou. Doch Hieronymus zei tot hem: ďKom vrij hier, en steek het vuur voor mijn ogen aan, want indien ik voor het vuur bevreesd ware geweest, zou ik op deze plaats, die ik wel had kunnen vermijden, niet gekomen zijn." Daarna riep hij met luide stem: Heere, in Uw handen beveel ik mijn Geest." Vervolgens sprak hij op zeer luiden toon in de Boheemse taal: Heere God, almachtige Vader ontferm U mijner, en vergeef mij mijn zonden; want Gij weet, dat ik een liefhebber ben van Uwe waarheid."

Toen hij eindelijk door het vuur geheel was aangetast, zag men aan de beweging der lippen dat hij bad, totdat hij de geest gaf. Intussen bracht men zijn bed en andere voorwerpen uit de gevangenis, en deze werden met hem door het vuur verteerd, terwijl de as van zijn lijk, zoals men ook met die van Husz gedaan had, in de Rijn werd geworpen. Aldus werd deze geleerde man, om de naam van Christus, tot as verbrand, op de 30e Mei, in het jaar onzes Heeren 1416.

Poggius uit Florence een pausgezinde, die hij de gerichtshandel tegenwoordig was, deelt in zekere brief aan Leonardus Bruno van Arrezzo (Aretinus), de laatste woorden van Hieronymus, aan de geestelijken mee, waarin Hieronymus, zegt hij, een ongelooflijk verstand getoond heeft, zodat ieder van de omstanders met verwondering werd aangegrepen. Hij voegt er hij, dat Hieronymus nooit iets heeft verricht, dat een goed man niet betaamde. Indien hij het geloof in zijn hart dus omhelsde, als hij met woorden beleed, kon er hij hem niet alleen geen oorzaak des doods, maar zelfs niet van de minste belediging gevonden worden." Aan het einde van deze brief zegt hij: aldus is deze (boven het geloof) voortreffelijke man door het vuur verteerd. Ik heb zijn uitgang gezien, en elke onderhandeling, met hem gehouden, naarstig onderzocht. Waarlijk, men zou uit de school van de oude wijsgeren de dood van deze man hebben kunnen beschrijven. Ik heb u zulke dingen verhaald, omdat zij niet ongelijk zijn aan de geschiedenis van de ouden. Want Mutius, te weten Scaevola, heeft met zulk een kloek hart niet geleden, toen er slechts ťťn lid van zijn lichaam namelijk, zijn hand, verschroeid werd; en Socrates dronk niet zo vrijwillig het vergif, als deze zich vrijwillig in het vuur begaf."

Sommigen schrijven, dat deze Hieronymus tot de bisschoppen en andere geestelijken, die hem veroordeelden, zou gezegd hebben: "Ofschoon gij geen schuld of enige rechtmatige oorzaak tot veroordeling des doods in mij hebt kunnen vinden, bemerk ik nochtans, dat gij het besloten hebt en het uw voornemen is, mij eindelijk te doden. Nu sta ik hier voor de almachtige God, Die alle harten kent; en op Hem, als op de opperste en rechtvaardigste Rechter beroep ik mij, opdat gij over honderd jaren God en mij verantwoording en rekenschap geve. Ik weet ook zeker, dat ik na mijn dood u een scherpen steek in het hart, en een smartelijke knaging in het geweten zal nalaten. God kome mij met Zijn genade te hulp. en vergeve ulieden uw zonden, amen."

Door een profetische geest voorzegde hij dit aangaande de tijden, die na honderd jaren aanbraken. Immers, deze martelaar van Jezus Christus werd gedood in het jaar 1416; maar later heeft Maarten Luther, door de prediking van het Evangelie, de waarheid aan het licht gebracht in het jaar 1517.

Zo zei ook Johannes Husz door een voorzeggende geest, tot de schriftgeleerden en opperpriesters: gij kunt nu wel de Husz (hetwelk in de Boheemse taal gans betekent) braden, maar de zwaan, die nog komen zal, zult gij niet kunnen braden." Waarmee hij zeggen wilde, dat Maarten Luther, die later komen zou, door hun geweld niet gedood worden.

 

Ulrich van Vahendres en Hendrik Raadgever

 

[JAAR 1417].

 

Ulrich van Vahendres en Hendrik Raadgever, twee priesters te Reprensburg, in Beijeren, werden, om de Evangelische waarheid, die zij moedig hadden voorgestaan en verdedigd, in die stad, niet lang na de dood van HiŽronymus van Praag, verbrand. Vignier zegt, dat dit geschiedde in het jaar 1417.

 

Katharina Saube

 

[JAAR 1417.]

 

In het jaar 1416 ging Katharina Saube van Thou, uit Lotharingen, te Montpellier naar de parochiekerk te Sint Firmin tot bijwoning van de mis. Vijftien of zestien dagen geleden had zij de burgemeesters der stad gebeden, om in een nonnenklooster opgenomen te worden. De bedoelde burgemeesters, benevens de ambachtslieden en het volk, samen meer dan 1.500 mensen, gingen in plechtige optocht naar de genoemde kerk, en brachten Katharina als een bruid naar het nonnenklooster, en lieten haar in een cel opsluiten, terwijl ieder naar huis terug keerde. Omtrent 2 uur des namiddags. op de 21e Oktober van het jaar 1117, plaatste Raymond Cabasse, leraar in de heilige Schrift, Predikmonnik, Vicarius der kettermeesters, zich op de rechter stoel in het Hoofdstuk hij het raadhuis te Montpellier, in tegenwoordigheid van de bisschop van Maguelonne, de luitenant des stadhouders, van de vier orden en van het gehele volk, die het plein voor het raadhuis hadden ingenomen. Daar werd de genoemde Katharina Saube, die op haar verlangen in het nonnenklooster was opgenomen, volgens zijn uitspraak in het openbaar voor een ketterse verklaard en veroordeeld, omdat zij vele veroordelenswaardige dwalingen tegen het katholieke geloof had verbreid, te weten: dat alleen die mannen en vrouwen tot de katholieke kerk behoren, die het leven van de Apostelen navolgen; verder, dat zij de hostie, die door de priester gezegend was, niet wilde aanbidden, omdat zij niet geloofde, dat het lichaam van Christus daarin tegenwoordig was; vervolgens dat het niet nodig was aan de priester te biechten, maar dat het voldoende was wanneer men aan God zijn zonden beleed; dat het even goed was, aan een vroom lid van de gemeente als aan een kapelaan of priester te biechten; dat er na dit leven geen vagevuur was, enz.

Nog vier andere artikelen stonden in het stadsboek geschreven, waarmee Katharina beschuldigd werd.

Deze luidde aldus:

1. Dat er nooit een ware paus, kardinaal, bisschop of priester is geweest, nadat de verkiezing van de paus niet meer door buitengewone werken des geloofs bevestigd is,

2. Dat de goddeloze priesters en kapelanen het lichaam van Christus niet kunnen heiligen. ofschoon zij de sacramentele woorden daarover uitspreken.

3. Dat de doop, die door een goddelozen priester wordt bediend, ter zaligheid niets baat.

4. Dat de kinderen, na de doop, voor zij geloven kunnen sterven, niet zalig worden (aangezien zij niets van weten) dan alleen door het geloof van hun peters, meters, ouders of vrienden.

Hij de vier laatste artikelen schijnt het, dat haar tegenpartij niet ter goeder trouw gehandeld heeft, of dat zij in alles geen volkomen kennis had van de christelijke godsdienst.

Nadat het genoemde vonnis was gelezen, gaf meester Raymond Katharina aan de rechter over, terwijl het volk bad, dat hij haar genadig wilde behandelen; maar de rechter volvoerde het uitgesproken vonnis op dezelfde dag. Zo werd dan Katharina naar de galg te Montpellier gevoerd, en daar als een ketterse verbrand. Toen er velen waren, die zeiden, dat zij weer rechtelijk gedood was, hield de bisschop van Maguelonne. nadat hij voor de raad de mis bediend had, een predikatie betreffende genoemde Katharina, waarin hij de ontevredenheid van het volk met vele en scherpe woorden op hevige wijze bestrafte. Door de strijd en het martelaarschap van deze vrouw werden vele eenvoudige lieden bewogen, om ook in die tijd van grote duisternis de waarheid wat naarstiger te onderzoeken.

 

Johan Cobham

 

[JAAR 1418.]

 

Johan Cobham, ridder, heer van Oldcastel, van adellijke afkomst, in het koninkrijk Engeland, maar bovenal edel door de kennis des Heeren Jezus Christus, die de waarachtige en hoogste adel is, was een zeer ijverig voorstander der waarheid. Met vrijmoedigheid beleed hij dikwerf in het openbaar parlement des konings, dat het vooral nuttig voor het koninkrijk Engeland zou zijn, wanneer men de paus van Rome daarover geen heerschappij liet voeren.

In het koninkrijk Engeland had erin die tijd een grote vervolging plaats, waarbij, door de geestelijke gezanten, priesters en monniken, allen dienaren van de antichrist, veel onschuldig bloed, om de belijdenis van Jezus Christus, vergoten werd; zodat vele godzalige lieden zeer beangst en benauwd waren, en niet wisten, waar zij vluchten of gaan zouden, teneinde hun leven te behouden. Maar God, de almachtige en barmhartige Vader, 'bewoog het hart van deze vromen ridder, zodat hij hen allen zeer vriendelijk ontving, verborg, hielp, beschutte en beschermde. Ja, hij zond ook leraars uit, die de zuivere waarheid van het Evangelie in de bisdommen van Londen, Roffen en Hereford zouden prediken, als hoogst nodige arbeiders in de wijngaard des Heeren. Hij schroomde niet dit te doen, in weerwil dat er, in het jaar 1401 een vermanende bepaling was uitgevaardigd, dat men hem, die deze teer beleed, hielp bevorderen, bijstand of gunst bewees, gevangen nemen en doden zou.

Dat zijn rijk aldus zou verstoord worden, kon de duivel niet lang verduren, en dreef de geestelijkheid bijeen, om te beraadslagen, hoe men de waarheid het best kon onderdrukken en uitroeien. Thomas Arundel, aartsbisschop van Canterbury, een groot vijand van het Evangelie, riep daarom de geestelijkheid samen in de parochiekerk van St. Paulus, en deed daar de vraag, welke middelen men zou aanwenden om dergelijke ketterij te vernietigen. Eindelijk werd besloten, dat men de beschermer der gelovigen, Johan Cobham, ridder, heer van Oldcastel, in de eerste plaats zou ontbieden, en, wanneer hij niet ophield deze zaak te ondersteunen, dat men hem dan ook door de wereldlijke macht zou doen straffen.

Aangezien Johan hij de koning in groot aanzien stond, reisde de aartsbisschop met zijn geestelijke stoet naar de koning op het slot Reningion, bracht daar zijn klachten in tegen de heer van Cobham, en bad de koning te bedenken aan welk groot gevaar, onrust en opstand, door zulk een man, het koninkrijk Engeland werd blootgesteld. Doch de koning, als een kloek en verstandig vorst, haastte zich niet, na de klacht van de aartsbisschop, zijn oordeel uit te spreken. Hij beval de aartsbisschop, dat hij met zijn bisschoppen enige lijd deze zaak moest laten rusten, aangezien hij met de heer van Cobham persoonlijk deze zaak wilde bespreken, om het geschil en de tweedracht, die er tussen hem en de geestelijken bestond, zoveel. hem mogelijk was, uit de weg te ruimen. Daar de koning echter de vromen ridder van zijn godzalige kennis en voornemen niet kon af brengen, en de aartsbisschop niet ophield met hem te verklagen en te beschuldigen, gaf de koning eindelijk de gehele zaak de bisschoppen over.

Men liet hem schriftelijk uitnodigen, waaraan hij niet wilde beantwoorden. Daarna riepen zij hem, en daagden hem hij zich door brieven, die geslagen waren aan de deuren der domkerken te Roffen, twee Engelse mijlen van het slot Conveling gelegen, waar de heer van Cobham woonde. Toen hij er later op de bepaalde dag niet verscheen, deden zij hem in de ban, lieten hem door de dienaren des konings gevangen nemen, en in de Tower te Londen opsluiten. Toen zij hem nu in hun macht hadden, vergaderden zij, namelijk Thomas, aartsbisschop van Canterbury, de heer Richard, bisschop van Londen, en Hendrik, bisschop van Winchester, lieten de gevangene in de vergadering brengen, en beschuldigden hem van de volgende artikelen:

Van het sacrament des altaars.

Van de biecht.

Van de verering der beelden.

Van de bedevaarten.

Van de sleutelen en de macht der kerken.

Aangaande deze artikelen begeerde heer Johan zijn belijdenis in het openbaar te mogen afleggen. Toen hem dit toegestaan werd, las hij een brief en beleed, dat onder het hoogwaardig sacrament, onder de gestalte van brood en wijn, de gelovigen uitgedeeld wordt het lichaam en bloed van Christus Jezus; dat de ware boetvaardigheid bestond in verbetering van het leven, met zulk een biecht en voldoening als de Heilige Schrift eist en vordert; dat de bedevaarten niet nodig waren, want hij, die uit een oprecht geloof zijn leven betert, verkrijgt het eeuwige leven; hem, die dat niet doet, zullen geen bedevaarten helpen; dat de beelden, te vereren, en het een hoger te schatten dan het andere, schandelijke afgoderij is, die jegens God gepleegd wordt, Wien alle eer alleen toekomt.

Toen hij deze bekentenis had afgelegd, wilden zij hem verder vragen, hoe hij het woord gestalte verstond, of hij meende, dat het brood hetzelfde wezen of dezelfde natuur behield, of dat het in vlees werd veranderd. Doch hij antwoordde, dat hij hij zijn voornoemde bekentenis bleef volharden. Zij bedreigden hem toen, en zeiden, dat zij de macht hadden hem voor een ketter te verklaren, wanneer hij zijn bedoeling en gevoelens niet duidelijker uitlegde. Maar de heer van Cobham bleef hij zijn gegeven antwoord. Zonder verder in woordenwisseling te treden, gingen zij uit elkaar, terwijl de heer Johan weer naar de gevangenis werd geleid.

Op Maandag de 25sten September kwamen zij andermaal samen, terwijl hun aantal vermeerderd was met advocaten en schrijvers om de rechtszaak te behandelen. Maar aangezien de heer van Cobham in de ban was, vroegen zij hem, daar niemand die in de ban is voor het gerecht spreken mag, of hij ook wenste van de ban ontslagen te worden, of vrijspraak begeerde'? Hij antwoordde, dat hij in dit geval van hen niets begeerde, want dat God hem alleen kon vrijspreken.

Vervolgens begeerden zij, dat hij op de bewuste artikelen wat uitvoeriger zou antwoorden. Eindelijk beleed hij, dat het brood in het sacrament zijn natuur niet veranderde, en, wat de roomse kerk daarvan heeft vastgesteld, zij dat gedaan heeft tegen de Heilige Schrift, en wel tijdens zij rijk begon te worden, en alle valse en schadelijke leringen in haar midden de overhand kregen.

"Wat de biecht betreft," zei hij, ďwanneer iemand zich aan grote zonde schuldig maakt, die hij niet kan overwinnen, dan is het goed, dat hij tot een priester gaat en hem raad vraagt; maar, dat hij de priester zijn zonden zou biechten, is tot zaligheid niet nodig, want zodanige zonden moeten door een waar berouw en zonder de biecht weggenomen en gereinigd worden."

Wat men zegt van de verering van beelden en de aanbidding van het kruis, zei hij, dat men alleen de Heere Christus, die aan het kruis gehangen heeft, moet vereren en aanbidden.

Aangaande de sleutelen en het gezag der kerk, zoveel de paus, aartsbisschoppen, bisschoppen en andere geestelijken betreft, beweerde hij, dat de paus de ware antichrist en het hoofd van de antichrist was, en de anderen zijn leden, die men niet schuldig is te gehoorzamen, tenzij zij in leer en leven ware navolgers van Christus en Zijn apostelen zijn; en dat hij alleen de ware nakomeling van Petrus is, die een vroom en onschuldig leven leidt, en niemand anders. Onder het opheffen van zijn hand, riep hij zeer luid tot het omstaande volk: Allen, die gij hier tegenwoordig ziet, om mij in dit gericht te veroordelen, zullen u allen en ook zichzelf verleiden, en u in de afgrond der hel doen zinken; wacht u daarom voor hen!"

Toen de priesters deze vrijmoedigheid hoorden, verdoemden zij hem onderling als een ketter, deden hem in de ban, en leverden hem over in de handen van de wereldlijken rechter. Aldus werd hij als een ketter en verachter der koninklijke majesteit, weer naar de Tower te Londen geleid, en daar gedurende geruime tijd opgesloten.

Dit was echter bovengenoemde geestelijkheid niet genoeg. Naar alle plaatsen zonden zij plakkaten en brieven, waarin zij verklaarden, dat allen die onder de bescherming van de edelen heer van Cobham stonden, als ketters veroordeeld waren, dat niemand hun verblijf verlenen, ontvangen, bijstaan of behulpzaam wezen zou.

Toert de genoemde heer Johan Cobham geruime tijd in de gevangenis had doorgebracht, wist hij des nachts uit te breken en zich te verlossen, en vluchtte met enige anderen naar Cambriam, waai hij ook dagelijks met de geestelijken streed, en niet naliet het Evangelie van Jezus Christus te verkondigen. Vier jaren daarna echter nam men hem weer gevangen, en bracht men hem in de gevangenis te Londen. Onder de regering van koning Hendrik de vijfde, werd hij op de plaats St. Egidy aan een ijzeren keten opgehangen en daarna verbrand. Dit geschiedde de 14e December in het jaar der geboorte van Jezus Christus, onze enige Zaligmaker, 1418.

Aldus werd aan hem zijn eigen voorzegging vervuld, die hij hij herhaling aangaande zichzelf uitsprak, namelijk, dat hij op aarde zou omkomen en sterven zoals voormaals de Profeet Elia deze aarde verliet, waarmee zijn heengaan enige overeenkomst had. Gelijk Elia in een vurige wagen van deze aarde tot het eeuwige leven werd opgenomen, werd de vrome martelaar Johan Cobbam, heer van Oldcastel, eerst aan een galg als op een wagen gezet en opgehangen, daarna een vuur rondom hem aangelegd, en aldus op gelijke wijze door een vurige wagen opgenomen; en, terwijl hij de geest gaf, voer hij naar de hemel tot het eeuwige leven.

 

Hendrik Groenvelder

 

[JAAR 1420.]

 

Na de dood van Johannes Husz en Hieronymus van Praag, namen velen de leer van het heilige Evangelie aan, en gaven met hun bloed aan de waarheid getuigenis. Onder deze bevond zich, benevens vele anderen, meester Hendrik Groenvelder, die van de orde des pauselijken priesterdoms tot de ware kennis van Christus kwam, en te Regensburg verbrand werd, in het jaar 1420.

 

Johannes Krasa

 

[JAAR 1420.]

 

Johannes Krasa, een der voornaamste kooplieden te Praag, kwam te Breslau, in SileziŽ, om koophandel te drijven. In die tijd bevonden zich daar keizer Sigismund en Ferdinandus, een gezant van de paus, om te overleggen op welke wijze men het best de bewoners van Bohemen de oorlog zou kunnen aandoen. Terwijl Johannes Krasa in het logement vertoefde, kwam het gesprek op de godsdienst, waaibij hij de onschuld van Johannes Husz, die ten onrechte was veroordeeld, en het sacrament van het heilige avond maal onder beider gestalten, krachtig verdedigde, en werd ten gevolge daarvan gevangen genomen en in de kerker gesloten.

De volgende dag werd in dezelfde gevangenis gebracht zekere Nikolaas van Bethlehem, student, die door de gelovigen te Praag was belast, de keizer te kennen te geven, "dat, indien hij de drinkbeker in het sacrament des heiligen avondmaals wilde toelaten, zij hem als hun koning zonden erkennen." Over deze woorden werd de keizer op deze bode in hoge mate verbolgen.

Toen deze student hij Krasa was geplaatst, versterkte hij hem door Godvruchtige toespraken, en verblijdde zich, dat hij hem tot een metgezel in het lijden was gegeven. "Mij broeder Nikolaas, zei hij, welk een eer is het, dat wij geroepen worden, om getuigenis af te leggen van de Heer Jezus; laat ons met moed deze kleine onaangenaamheden ons getroosten; de strijd is kort, de prijs eeuwig. Laat ons gedenken wat een bitteren dood onze Heere voor ons heeft uitgestaan, door welk onschuldig bloed wij verlost zijn, en welk lijden de martelaren en maagden hebben verduurd!" Met deze en dergelijke vermaningen hield hij niet op hem te versterken. Maar toen zij naar de strafplaats werden geleid, en de touwen, waarmee Nikolaas aan een paard door de straten der stad zou gesleept worden, hem aait de voeten werden gebonden, herriep hij, uit vrees voor de dood, en omdat Ferdinandus, de gezant van de paus, hem het behoud van zijn leven beloofde, zijn gevoelen, namelijk, de dwaling van Husz, zoals men die zo noemde. Doch Krasa bleef, in weerwil van alles wat de gezant hem zei, onbeweeglijk als een rots. Langzaam werd hij door de straten gevoerd, terwijl de gezant van de paus hem overal volgde, en herhaalde malen uitriep, ja, zelfs gebood, dat de scherprechter moest stilstaan:,Heb medelijden met uzelf; laat uw dwalingen varen, die de Bohemers lichtvaardig hebben uitgestrooid!" Hierop antwoordde Johannes: ďIk ben bereid voor het Evangelie van Jezus te sterven!" Aldus werd hij, meer dood dan levend, naar de gerechtsplaats gesleept en verbrand. Dit geschiedde de 11e Maart in het jaar onzes Heeren 1420.

 

Wenceslaus, pastoor te Arnostowitz, met nog acht anderen verbrand

 

[JAAR 1420].

 

In hetzelfde jaar, toen Albertus van Oostenrijk zijn zwager Sigismund, te Praag hulp verleende, namen zijn soldaten te Arnostowitz gevangen Wenceslaus, pastoor in die plaats; een man door God en de mensen bemind, en zijn kapelaan, drie werklieden en vier kinderen, van welke het oudste elf jaren was. De eerste werden gevangen genomen, omdat zij het avondmaal onder beide gedaanten hadden bediend, de anderen omdat zij daaraan deel. genomen hadden. Zij werden naar Bystricium, waar het leger lag, tot de overste des legers gebracht die hen verder naar zijn bisschop zond. De bisschop gebood de pastoor de bediening van het avondmaal onder beide gedaanten af te zweren, en bedreigde hem, dat hij anders zijn vermetelheid met de vuurdood zou boeten. Zeer moedig antwoordde daarop de pastoor: Leert het Evangelie u dit? Is dat in uw Missalen vervat? Is dat recht? Door dit vrijmoedig antwoord werd de woede der omstanders derwijze opgewekt, dat een soldaat de pastoor met een ijzeren handschoen zodanig in het gezicht sloeg, dat het bloed hem de neus en de mond uitliep. De bisschop zond hem weer tot de krijgsoverste en daarna de krijgsoverste Item andermaal tot de bisschop. Toen zij hem de gehelen nacht bespot hadden, werden zij samen des morgens vroeg, op Zondag, naar buiten gebracht, en de kleine strijders Wenceslaus in de schoot gegeven. Als de bisschop nog verder aanhield, dat Wenceslaus de drinkbeker in het avondmaal voor de leken zou afzweren, antwoordde hem de getrouwe herder, zo voor zich als uit aller naam:

ďDat zij ver van ons! Liever willen wij duizend doden sterven, dan de waarheid, die zo duidelijk in het Evangelie is geopenbaard, af te zweren." Terstond werd de scherprechter bevolen, het hout aan te steken, en zond hen aldus als een welbehaaglijke offerande naar boven, terwijl de pastoor het laatst van allen de geest gaf. Dit geschiedde de 7e Juli in het jaar onzes Heeren 1420.

Op de 20sten April 1421 werd ook Nikolaas Hochta te Praag, om zijn belijdenis der Evangelische waarheid, verbrand.

 

Vier en twintig burgers te Leitmeritz verdronken

 

[.IAAR 1421.]

 

De burgemeester van de stad Leitmeritz, Pichel genaamd, een wreed en bedrieglijk mens, liet ís nachts vier en twintig van de voornaamste burgers, en onder die zijn eigen schoonzoon, gevangen nemen, en in een kelder van een toren, staande aan de St.Michielspoort, werpen. Toen zij door de honger en koude half dood waren, liet hij hen eindelijk, in overleg met de bevelhebbers van keizer Sigismund, gewapenderhand eruit halen, sprak het doodsvonnis over hen uit, deed hun de handen en voeten aan elkaar binden, op wagens leggen, en beval, dat zij naar de oever van de Elbe zouden worden gevoerd, om daar verdronken te worden.

Toen het volk dit vernam, liep het samen met de vrouwen, kinderen, bloedverwanten en vrienden, en weenden en maakten groot misbaar. Terwijl dit plaats had, verscheen ook de dochter van de burgemeester, viel met gevouwen handen de vader te voet, en bad om het leven van haar man. Maar de vader, harder dan een steen, beval haar niet langer te wenen, zeggende, dat zij niet wist, wat zij bad. Kunt gij, vroeg hij, geen waardiger man dan deze krijgen? Toen zij zag, dat haar vader niet te verbidden was, stond zij op met de woorden: "Gij zult mij, o vader, niet meer uithuwelijken. En terwijl zij op haar borst sloeg, volgde zij, met hangende haren, haren man en de anderen.

Toen deze martelaren aan de oever van de Elbe gebracht waren, werden zij van de wagens geworpen. Terwijl de schuiten werden gereed gemaakt, verhieven zij hun stemmen, riepen de hemel en de aarde aan tot getuigen van hun onschuld, namen afscheid van hun vrouwen, kinderen en vrienden, vermaanden hen tot stand vastigheid, drukten hun op het hart, dat zij liever Gods Woord dan menselijke verdichtselen moesten aanhangen, baden God voor hun vijanden, en bevalen hun zielen Gode aan. Daarna werden zij in de schuiten gebracht, naar het midden der rivier gevaren, en gebonden aan handen en voeten, in de rivier geworpen en verdronken. Met stokken en grote vorken, beslagen met ijzer, stonden de scherprechters aan de oevers, om te verhoeden, dat zij aan de oever zouden komen; terwijl zij, die dit, hoewel half dood, beproefden, werden doorstoken en naar de diepte gestoten.

Toen de dochter van de burgemeester de ogen op haar man sloeg, sprong zij eindelijk in de rivier, en terwijl zij hem omhelsde, poogde zij hem uit de stroom te verlossen. Maar, aangezien de rivier te diep was, en haar man niet kon losgemaakt worden, en het ingezwolgen water hem deed zinken, verdronken zij beiden, en werden de volgende dag, zoals zij elkaar hadden omvat, opgehaald en begraven. Dit had plaats de 30sten Mei van het jaar onzes enige Zaligmakers Jezus Christus 1421.

Deze gebeurtenis werd kort daarna in de Allerheiligenkerk te Leitmeritz, tot een eeuwige gedachtenis, met gulden letteren beschreven, en ook afgebeeld in een tafereel voor de poort van St. Michiel. Op bevel van de commissaris der hervorming, George Micha, werd dit schilderstuk de 8e Juli 1623 uitgewist en vernietigd.

 

Wenceslaus Swets, Inartinus Loquis, Procopius Jednooky

 

[JAAR 1421.]

 

Op de 23sten Juli 1421 werd te Praag in een vat gesloten en verbrand zekere schoenmaker, Wenceslaus genaamd. Hem werd ten laste gelegd, dat hij, toen de Priester het sacrament ophief, niet wilde opstaan, ja daaraan de rug had toegekeerd, en aldus het sacrament onteerd.

De 26e Februari van hetzelfde jaar werd ook gevangen genomen Martinus Loquis en beschuldigd, "dat hij de dwalingen van de Waldenzen, het sacrament des avondmaals betreffende, invoerde; en dat hij met ergerlijke ontheiliging leerde, dat het brood des avondmaals en de drinkbeker gegeven woest worden in de handen der Avondmaalgangers."

Op de voorbede van de gelovigen te Tabor werd hij uit de gevangenis ontslagen, en om de haat en het woeste geweld van zijn tegenstanders te ontgaan, vatte hij het voornemen op, om met een ander leraar, Procopius Jednooky, naar MoraviŽ te gaan. Toen zij door Chrudim trokken, weide zij herkend en door de bevelhebber der stad, Dionysius, gevangen genomen en in boeien geklonken, terwijl men hun vroeg hoe zij over het sacrament des altaars dachten. Daarop antwoordde Martinus: "Het lichaam van Christus is in de hemel; Hij heeft ťťn lichaam en geen meerdere gehad." De bevelhebber, die zulk een zogenaamde godslastering niet kon verdragen, gaf hem een slag in het aangezicht, en beval aan denscherprechter zich gereed te houden om de ketter te verbranden.

Ambrosius echter, pastoor te Hiadisko, die daar tegenwoordig was, verzocht dat zij aan hem zouden overgegeven worden; hij nam hen mee naar Hiadisko, hield hen daar vijftien dagen gevangen, en poogde op verschillende wijzen hen tot bekentenis en herroeping van hun dwalingen, zoals hij meende, te brengen. Maar hij bevond, dat zij standvastiger waren dan hij dacht, en zond ben naar Raudnitz. Daar werden zij in een duistere gevangenis gezet, waar zij gedurende twee maanden, zonder dat iemand toegang tot hen had, vertoefden, en op onderscheiden wijze werden gepijnigd. Men brandde hun gaten in het lichaam, totdat de ingewanden er gedeeltelijk uithingen, opdat zij bekennen zouden waar zij deze dwalingen hadden geleerd, wie hun geestverwanten te Praag waren, terwijl men ben trachtte te dwingen enige namen der zodanigen bekend te maken. Toen zij aangespoord werden, dat zij van de weg der dwaling tot de waarheid zouden terugkeren, antwoordden zij al lachende: ďNiet wij, maar u moet er aan denken om terug te keren; want u bent van Gods Woord tot de bedriegerijen van de antichrist afgedwaald, en u bidt het schepsel aan in plaats van de Schepper.Ē

Als zij tot de strafplaats, waar het vuur ontstoken was, werden geleid, vermaanden de mispriesters hen, dat zij het volk zouden verzoeken voor hen te bidden, waarop zij tot antwoord gaven: ďWij hebben die gebeden niet nodig. Maar christenen, bidt voor uzelf en voor hen, die u verleiden, dat de allergenadigste Vader geeft, dat u de duisternis mag verlaten.Ē Op de gerechtsplaats aangekomen, werden zij beiden in ťťn vat gesloten en verbrand.

Dit gebeurde de 21e augustus, in het jaar van onze Heere 1421.

 

Johannes Purvey

 

[Jaar 1421.]

 

Aangaande deze Johannnes Purvey verhalen de engelse geschiedschrijvers, dat hij een leraar was in de vrije kunsten, en dat hij van de tegenpartij en de vijanden van de waarheid veel moest lijden. In zijn jeugd had hij Johannes Wicklef tot onderwijzer, door wie hij in de gronden van de ware godsdienst goed onderwezen was, en die naderhand dit onderwijs zo goed wist aan te wenden, dat hij door zijn leer en godzalig leven vele zwakke en verdwaalde schapen uit de kaken van de wolven redde, en weer tot de schaapsstal van Christus bracht. Daarom noemde zijn tegenpartij hem smadelijk een boekverkoper van de Lollarden en een uitlegger van Wicklef. Deze Purvey had in die tijd, door de kracht van de Heilige Geest, de vrijmoedigheid te zeggen, dat Rome het verleidende hoerenhuis was van de satan, en dat zijn zo zeer vergiftigde en geschonden kerk de hoer was, met purper bekleed en met goud behangen, met wie de koningen en bewoners van de aarde zo lang gehoereerd waren, dat zij dronken waren van de wijn van haar hoererij, Openb. 17. Thomas Arundel, aartsbisschop van Canterbury vervolgde hem, liet hem in het jaar 1396 in de gevangenis werpen, en bracht hem door velerlei pijnigingen zo ver, dat hij in de St. Pauluskerk te Londen zeven artikelen herriep. Toen hij weer naar de gevangenis geleid was, bekende en verbeterde hij zijn afval en kleinmoedigheid zo, dat hij van de waarheid niet afgetrokken kon worden. In het jaar 1421 stierf hij in de gevangenis, nadat hij onder de aartsbisschop van Canterbury, Hendrik Chicheley, vreselijke martelingen en pijnigingen had verduurd.

 

Johannes Zelivaeus

[Jaar 1422.]

Johannes Zelivaeus was een monnik van de orde van de Premonstratensen, in het klooster ad Mariam niveam, een van degenen, die verkozen waren tot de bediening van de consistorie, en beroemd niet alleen om zijn geleerdheid, maar ook wegens zijn welsprekendheid. Deze had een grote toeloop, terwijl hij de zuivere leer van de Taborieten verdeedigde; en hij raadde de bewoners van Praag, dat zij moesten verwisselen van burgemeester. Maar de bevelhebber van Oud-Praag, Haschok de Welish, die hij dikwijls had bestraft, maakte met de raad, die voor de helft uit priesters bestond, een samenzwering, en lokte, de 9e maart 1422, deze Johannes Zelivaeus, met nog twaalf anderen, in het raadhuis, en lieten hen op staande voet onthoofden. Door het wegvloeien van zijn onschuldig bloed werd dit bemerkt. Het veroorzaakte een geweldig oproer, zodat het volk de deur van het raadhuis openbrak, om de lijken van de doden te vinden. Een van hen bracht het hoofd van Zelivaeus, en terwijl hij dit aan de voor het raadhuis verzamelde menigte vertoonde, ontstond er zoín geween en gehuil, dat het met geen pen is te beschrijven. Direct daarna liet zeker priester, Gaudentius genoemd, het hoofd in een schotel door de gehele stad omdragen, en hitste ieder, die hem ontmoette, tot wraak op, waardoor er onder het volk een oploop ontstond, en er enige raadheren werden vermoord, en de anderen de vlucht namen, terwijl men de colleges van de academie plunderde, de lijken van de vermoorde gelovigen in de kerk bracht, waar zij op eervolle wijze werden begraven.

Toen de predikant het geschrei van het volk hoorde, en zag, dat de lieden zo verslagen waren, zo zelfs, dat er enigen in zwijm vielen, en naar buiten moesten gedragen worden, was hij in het begin ook als verstomd; maar moed vattende, verklaarde hij de woorden van Hand. 8. vs. 2: ďEn [enige] godvruchtige mannen droegen Stefanus te zamen [ten grave], en maakten grote rouw over hem.Ē Aan het einde van zijn predikatie toonde hij, onder roerende woorden, tranen en betuigingen, het hoofd van Zelivaeus aan het volk, en vermaande het ernstig, dat zij alles, wat zij van die getrouwe leraar gehoord hadden, gedurig moesten bedenken, en al ware het dat een Engel uit de hemel hun tegendeel leerde, zij hem niet moesten geloven.

 

Willem Taylor

 

[JAAR 1423.]

 

Willem Taylor, een priester in Engeland, was een oprecht man, en leidde een onberispelijk en onbesproken leven. Met christelijke ijver weerstond hij de pausgezinden, en als een getrouw en vroom dienaar van God, bestrafte hij hun veelvuldige afgoderij op een moedige wijze. De verschrikkelijke godslastering, die zij met hun valse en verleidelijke leer dreven, weersprak hij met vrijmoedigheid, en streed daartegen met krachtige getuigenissen der Heilige Schrift.

Inzonderheid verzette hij zich tegen de aanroeping van schepselen, en beweerde, dat men het gebed alleen behoorde te richten tot de almachtige, eeuwige God, waarover hij ook een boek schreef, waarin hij krachtig bewijst, dat men de heiligen niet behoort aan te roepen.

Ofschoon de dienaren van de antichrist door velerlei pijnigingen en martelingen hem gedwongen hadden om zijn gevoelens te herroepen, keerde hij toch later, onder groot leedwezen over zijn afval van de Heere Jezus Christus, tot de Evangelische waarheid terug, en deed andermaal een goede belijdenis. In het jaar 1422 werd hij op het Smitsveld te Londen als een volhardend martelaar en belijder van Jezus Christus verbrand, en dat alleen, zoals Waldenus schrijft, om het artikel, waarin hij de aanbidding van geschapen voorwerpen afgoderij noemde.

Jan Draandorp, een edelman uit Meissen, werd in het jaar 1424, om de belijdenis der goddelijke waarheid, te Worms omgebracht.

Petrus Tornauw ontving, om dezelfde reden, de martelaarskroon te Spiers, in het jaar 1426.

 

Willem White

 

]Jaar 1428.]

 

Willem White, uit Kent, was een geleerd, oprecht, redelijk en welsprekend man en priester in Engeland. Deze verwierp de pauselijke leerstellingen, en nam een godzalige, ernstige maagd, Johanna geheten, tot zijn echte vrouw. Hij hield echter daarom niet op het zuivere Woord van God en het heilig Evangelie te verkondigen, en arbeidde met des te grotere ijver, om de kennis en het geloof van Jezus Christus door lezen, schrijven, prediken en onderwijzen te verbreiden. De hoofdartikelen van zijn leer waren:

1. Dat men de vergeving van zonden alleen van de almachtige God moest ontvangen.

2. Dat het ongehuwde leven van de paus en zijn geestelijken niets anders is dan een duivelse staat, een zware gevangenis van de antichrist, en daarom een afval der christelijke vrijheid.

3. Dat men de beelden en de andere afgodische schilderijen niet behoort te dulden.

4. Dat men het gebeente der gestorven heiligen niet behoort te vereren.

5. Dat de roomse kerk de vijgenboom is, die de Heere Christus,omdat hij geen vruchten van het ware geloof voortbracht, vervloekt heeft.

6. Dat de gekapte, gewijde en beschoren geestelijken, dienaren en krijgslieden zijn van Lucifer; en dat zij allen, omdat hun lampen niet branden, zullen uitgesloten worden, wanneer de Heere Christus komen zal.

Toen hij, onder de aartsbisschop, Hendrik Thirheley te Canterbury, in het jaar 1124 gevangen zat, herriep hij, uit menselijke zwakheid en uit vrees voor de dood, zijn gevoelens, en bekende, dat hij gedwaald had. Maar gelijk hij uit zwakheid viel., werd hij later weer in Christus Jezus veel vromer en krachtiger, en legde andermaal een vrijmoedige belijdenis af.

Eindelijk werd hij in September, in het jaar der geboorte van onze enige Zaligmaker 1428, te Norwich door de bisschop, Wilhelmus genaamd, van dertig artikelen beschuldigd en verbrand.

Zijn huisvrouw, die de heilige voetstappen van haren man navolgde, stichtte en onderwees ook vele mensen in de vrees Gods, waarom haar ook door de bisschop veel leed en verdriet werd berokkend.

 

Richard Hoveden

 

[Jaar 1430.]

 

In het jaar onzes Heeren 1430, kort na de kroning van Hendrik de zesde, koning van Engeland, leefde te Londen een burger, Richard Hoveden genaamd, een wolkammer. die, hoewel hij maar een eenvoudig ambachtsman was, nochtans door generlei aanvallen, aanrandingen, bedreigingen noch pijnigingen van Wicklef, leer, die hij volgde, kon afgetrokken worden. Ten gevolge daarvan werd hij door de roomse bisschoppen en geestelijken als een ketter veroordeeld en hij de Tower te Londen verbrand.

 

Thomas Bagley

 

[JAAR 1431.]

 

Thomas Bagley, een Vicarispriester van de parochie te Momendem, in het graafschap Essex, was een voortreffelijk leerling en aanhanger van Wicklef. Hij werd omtrent half vasten, in het jaar onzes Heeren 1431, door de bisschoppen te Londen veroordeeld, ontwijd en levend op het Smitsveld verbrand.

 

Paulus Craw

 

[JAAR 1131.]

 

In hetzelfde jaar, 1431, werd Paulus Craw, geboren in het koninkrijk Bohemen, in de nabijheid van de stad St. Andries, in Schotland, gevangen genomen en beschuldigd, dat hij daar gekomen was om de leer van Wicklef en Husz te verbreiden; om welke reden hij door de bisschop Hendrik veroordeeld werd, en aan de wereldlijken rechter overgegeven, om als ketter te worden verbrand. De reden waarom hij veroordeeld werd was, dat hij moedig verwierp en verachtte het boze, afgodische gevoelen van de pausgezinden, aangaande het sacrament des avondmaals, de aanroeping van gestorven heiligen, de oorbiecht en andere dingen, die zij op schandelijke wijze in de christelijke gemeente hadden ingevoerd.

 

Petrus Clarcke, Engels priester

 

[JAAR 1433.]

 

Petrus Clarcke, hoogleraar in de wijsbegeerte aan de hogeschool te Oxford en priester, was een getrouw en ijverig leerling van de apostolische leraar Johannes Wicklef, waarom hij dan ook in zijn predikatiŽn zeer uitvoer tegen de priesters en monniken. In het jaar 1420 streed hij in het openbaar in de scholen der godgeleerden te Oxford tegen Thomas Walden, en verzette zich tegen de aanbidding der gestorven heiligen, beeldendienst, overblijfselen van heiligen, offeranden, tienden, beloften, bedevaarten, bedelarij der monniken en beweerde, dat de dom me monniken Gods Woord door hun bijgeloof vervalst hadden. Hij behandelde tien nog met enige verschoning, omdat hij de onreinheid van het pausdom niet al te zeer wilde aanroeren, teneinde geen groten stank te veroorzaken. Nochtans moest hij spoedig na zijn twistgesprek, uit vrees voor de tirannie der pausgezinde FarizeeŽn en om zijn leven te sparen, naar Bohemen vluchten, waar hij, door geestelijken ijver aangevuurd, een boek schreef tegen de synagoge van de antichrist, en nog een ander tegen de bedelmonniken. Eindelijk werd hij in het jaar 1433 door de dienaren des keizers gevangen genomen, en evenals Caxtomis en Fabianus omgebracht, doch men weet niet, welke dood hem werd aangedaan.

 

Thontas Rhedon

 

[JAAR 1136.]

 

Thomas Rhedon, te Thenes in Bretagne, in Frankrijk, geboren, was een karmelieter monnik, en reisde met enige geestelijken uit VenetiŽ, door ItaliŽ, hij had, hoewel hij tot de verbasterde en goddeloze bedelorde behoorde, in zijn monnikenleven enige kennis der waarheid verkregen De reden waarom hij Frankrijk verliet en ItaliŽ doorreisde, was de hoop, daar enige godvruchtige monniken te vinden, met welke jij in het geheim en op godsdienstige wijze zou kunnen leven, en zo dagelijks in alle godzaligheid meer en meer toenemen.

Hij dacht dit nergens beter te zullen vinden dan in de stad Rome, daar zij als het hoofd der christenheid en de zetel van de allerheiligste Apostel Petrus geacht werd. Ziedaar waarom hij naar Rome ging, waar hij echter alles anders vond dan hij meende. In plaats van heiligheid, vond hij geveinsdheid; in plaats van geestelijk leven, trof hij er hoogmoed en verkwistenden overvloed aan; in plaats van vrees Gods, vond hij er niets dan verachting van Goden vreselijke godslastering.

In zijn predikatiŽn bestrafte hij eindelijk hevig dit schandelijk leven, vooral dat van de kardinalen en opperpriesters, die zich nog wel geestelijke hoofden der christenheid noemden. Maai, aangezien de duisternis het licht niet kon verdragen, en de waarheid de vijandschap groter maakte, beschuldigden zij Thomas als een ketter, om de volgende artikelen:

1. De kerk heeft een hervorming nodig, zeker is het, dat zij zwaar zal gestraft en hervormd worden.

De gelovige Joden, Turken en heidenen, die MauritaniŽ (Noordkust van Afrika) wonen, zullen in de laatste tijd ook tot de Heere Christus en het christelijk geloof bekeerd worden.

3. Dat Rome vol was van verschrikkelijke gruwelen.

4. Dat de ban van de paus, wanneer die onrechtvaardig toegepast werd, niet te vrezen was; dat ook zij, die hem verachtten, niet zondigden.

In die tijd regeerde te Rome paus Eugenius IV, voor wien Thomas geroepen werd. Toen hij daar verscheen, werd hij in de gevangenis geworpen. Als hij daarin enige tijd vertoefd had, en op velerlei wijze gepijnigd, werd hij vervolgens van zijn priesterschap ontzet en daarna verbrand, en wel in het jaar van onze enige Zaligmaker Jezus Christus 1436, vier jaren, nadat hij te Rome was gekomen.

 

Reijnold Pebocke

 

[JAAR 1453.]

 

Reijnold Pebocke, bisschop te Chichester, werd door de valse bisschoppen in Engeland, om de belijdenis van de ware leer van het evangelie, op vreselijke wijze verdrukt; en, zoals enige schrijven, nadat hij van zijn bisschoppelijke waardigheid ontzet was, tot aan zijn dood gevangen gehouden, ofschoon anderen menen, dat hij in het geheim werd omgebracht.

 

MattheŁs Hager

 

[JAAR 1455.]

 

Hij wijze van geschiedenis, zouden wij zeer veel kunnen meedelen aangaande de gelovigen in de eerste tijd der hervorming, toen zij nog weinig verlicht waren, en toch velerlei martelingen met standvastigheid verdroegen, doch door het lang tijdsverloop zijn vele namen van hen verloren gegaan. Het kan ook geen verwondering baren, dat de onderdrukking van de zogenaamde geestelijkheid zich uitstrekte tot de burgers en de mindere standen, aangezien zelfs de priesters en bisschoppen niet van de verdrukking verschoond bleven. In welke staat, toestand en betrekking de mensen zich ook bevinden, wat die ook zij, kan God, als Hem dit behaagt, enige daaruit in Zijn wijngaard trekken. BaleŁs, een engels geschiedschrijver, verhaalt van zekere MattheŁs Hager, die, om de belijdenis van het heilige Evangelie, en omdat hij, zonder twijfel, de zaak van Johannes Husz in Duitsland voorstond, te Berlijn werd omgebracht in het jaar onzes Heeren 4455.

 

Johannes Goose

 

[JAAR 1473.]

 

In het jaar 1473, tijdens de regering van koning Eduard de vierde, werd Johannes Goose (dat is gans) een zeer godzalig en standvastig dienaar van Christus, om de goddelijke waarheid, als een ketter veroordeeld, en in Augustus op het plat van de Tower, of de gevangenis te Londen, levend verbrand.

 

Dr. Johannes de Vesalia, of Wesel

 

[JAAR 1479.]

 

Deze man was een dokter in de godgeleerdheid en prediker in de stad Worms, waar hij in het jaar onzes Heeren 1470, onder groten toeloop van hoorders, het Evangelie verkondigde. Doch de vijanden der waarheid, die dit niet konden verdragen, legden hem listen en lagen, en namen hem eindelijk gevangen. Naar aanleiding van enige artikelen, ontleend aan zijn predikatiŽn en geschriften, beschuldigden zij hem van ketterij. Onder andere dingen hield hij vol, dat alle christenen zalig worden uit loutere genade en door het geloof in Jezus Christus; dat de mens geen vrije wil, dat is de genegenheid en begeerte tot het goede, had; dat men alleen het Woord van God moet geloven en niet de uitleggingen van de kerkvaders, en dat dit Woord van God door zich zelf moet verklaard worden, en wel door vergelijking van de ene tekst met de ander; dat de geestelijken geen macht hebben om enige wetten te geven voor het gewetens der mensen, of om aan de Heilige Schrift zulk een uitlegging te geven, als hun goed dunkt. Hij verwierp ten enenmale alle inzettingen, zoals het vasten, om daarmee iets te verdienen, de vergeving van zonden door de paus, de bedevaarten en andere bijgelovigheden. Hij verwierp verder het laatste oliesel en het vormsel, keurde de oorbiechten de priesterlijke voldoening af. Betreffende de oppermacht van de paus zei hij, dat dit maar een droom was, en dat hij vreesde, dat de godgeleerden van vroeger tijd de teksten der Heilige Schrift zeer verkeerd uitlegden en niet verstonden. Het huwelijk der geestelijken en de bediening van het avondmaal onder beide gestalten keurde hij goed.

Als een ketter werd hij ter dood veroordeeld, en te Mainz, in het jaar onzes Heeren 1479, in het openbaar omgebracht. Deze daad mishaagde vele voortreffelijke mannen, die door de vonken der waarheid enigermate waren ontstoken, onder wie waren Johannes Keijserbergh en Eugelinus Bruijswijck, beide doktoren in de godgeleerdheid, die vrijmoedig betuigden, dat de monniken hem uit haat en nijd hadden gedood, en dat het merendeel van zijn artikelen, uit zijn predikatiŽn bijeengebracht, niets onberispelijks inhield.

 

Een edelman van Kandia of Kreta

 

[JAAR 1490.]

 

De geschiedschrijver Faventius verhaalt, dat er op het eiland Kandia een man was van het geslacht der hertogin, die, om de belijdenis van de Evangelische waarheid, beschuldigd, en door Petrus Thomas, gezant van de paus, daar als een ketter veroordeeld werd, en eindelijk terwijl hij buitengewoon standvastig bleef, verbrand; terwijl de anderen, die om dezelfde reden veroordeeld waren, hun gevoelens herriepen. Dit had plaats in het jaar onzes Heeren 1490.

Bovengenoemde schrijver meldt ook, dat deze gezant het lijk van zeker iemand, die daar gestorven was, liet opgraven, en op de aarde werpen, aangezien hij na zijn dood van ketterij werd beschuldigd.

 

Rogier Dule

 

[JAAR 1490.]

 

In Engeland bevond zich een ridder, Rogier Dule genaamd, die, om de belijdenis en het voorstaan der goddelijke waarheid, werd opgehangen en geworgd, en wel in het jaar 1490.

 

Johanna Bongton

 

[JAAR 1494.]

 

Opmerkelijk is het, dat om de getuigenis van het Evangelie te vereren, geen stand of soort van mensen uitgesloten was, die door God geroepen waren, om van Hem en Zijn waarheid getuigenis te geven. Zo zijn er heerlijke voorbeelden van vrouwen, die, niet mannelijke standvastigheid, allerlei pijnigingen en martelingen, om de naam van Jezus Christus, verduurden. In het jaar 1491t, het gle jaar der regering van Hendrik de zevende, koning van Engeland, werd, op de 2811 April, een zeer eerbare weduwe, Johanna Bougton, moeder van vrouw Young, die meer dan tachtig jaren oud was, op het Smitsveld te Londen levend verbrand, omdat zij van de artikelen van Wieklef vrijmoedig beleed en voorstond.

 

Hieronymus Savonarola, Dominico de Piscia en Sylvester

 

[JAAR 1498]

 

Hieronymus Savonarola, een Italiaan, de 25e September 1452 te Ferrara geboren, werd door zijn vader Nikolaas, een voornaam man, aan zeer geleerde onderwijzers overgegeven, om onderwezen te worden in alle kunsten en wetenschappen, waarin hij zulke vorderingen maakte, dat hij reeds in zijn jeugd een boek schreef over de bedeling der wetenschappen, dat het bewijs gaf van bijzondere geleerdheid en godzaligheid.

Op rijpere leeftijd gaf hij zich geheel over aan het naarstig onderzoek van de leer der godzaligheid. Om dit te beter te kunnen doen, liet hij de twisten van de drogredenaars en kanonisten varen, en onderzocht met naarstigheid en vlijt de geschriften der oude kerkleraars. Spoedig bemerkte hij echter, dat hij in zijn vaderstad zijn studie niet goed kon voortzetten, en vertrok daarom naar Florence, waar hij zich onder de Dominikaner orde liet opnemen.

Hij zijn verblijf onderzocht hij met grote naarstigheid de kerkelijke geschiedenis en de geschriften der kerkvaders, vergeleek die met de Heilige Schrift, en bevond dat de roomse kerk zich op jammerlijke wijze aan menselijke overleveringen en instellingen had overgegeven, en dat het gedrag van de toen levende bisschoppen zeer afstak hij dat van de vroegere.

Toen de monniken van het klooster zijn grote geleerdheid bemerkten, droegen zij hem het predikambt op, dat hij gewillig aannam en met ijver bediende. Ofschoon hij in het begin van zijn predikambt zeer verschonend te werk ging, bestrafte hij nochtans, omtrent het jaar1483, met grote gestrengheid in het openbaar in de Geminianuskerk, de dwalingen, bijgelovigheden en onkuisheid der geestelijken, en beweerde, dat de roomse kerk weldra zou ondergaan, wanneer er niet een algemene hervorming plaats had. Hierdoor haalde hij zich vele vijanden op de hals, zodat hij genoodzaakt werd Florence te verlaten, en zich naar andere plaatsen te begeven, waar hij, en vooral te Brescia, met vrijmoedigheid predikte.

Na zeven jaren, en wel in het jaar 1490, keerde hij echter naar Florence terug, waar hij, de eerste augustus, begon met de, verklaring van de Openbaring van Johannes, en op de roomse kerk toepaste.

In de vasten van het volgende jaar, 1491, predikte hij in de St. Liberatakerk, en bedreigde zo hevig als ooit tevoren de kerkdienaren met Gods gramschap, om de vele dwalingen waaraan zij schuldig waren. Aangezien het volk in grote menigte van alle kanten toeliep, en met gretigheid en aandacht hem de genade van God in Christus hoorde verkondigen, verweten enige afgunstigen hem, dat hij een oproerig mens was, die het volk naar zich zocht te trekken, dat hij wat nieuws voor had, en meer zijn eigen dan Christus' ere zocht; wat alles nochtans valse en opgeraapte lasteringen waren.

Maar door deze lasteringen van zijn tegenpartij, werd hij echter niet van zijn schuldigen plicht afgeschrikt. Terwijl hij gedurig aanhield met bidden, lezen, overdenken, schrijven en prediken, besteedde hij zijn tijd uitermate goed, gelijk blijkt uit de talrijke en onderscheiden werken, die hij schreef, zowel in de Latijnse als in de Italiaanse taal, en voornamelijk uit zijn overdenkingen en verklaringen van enige Psalmen van David, zoals van de 31ste, 51ste, 80ste en het gebed des Heeren, gewoonlijk het "Onze Vader" genaamd.

Nadat hij gedurende enige jaren het Woord Gods te Florence gepredikt had, (zo getuigt Franciskus Guicciardino, Florentijns edelman, in zijn geschiedenis van de Italiaanse oorlogen,) kreeg hij hij het merendeel van het volk de naam en het gezag van profeet, en wel omdat hij ook (zelfs wanneer men in geheel ItaliŽ geen zweem van oorlog bemerkte, en er grote rust en vrede genoten werd,) menigmalen in zijn predikatiŽn voorzegde. dat er vreemde heirlegers in ItaliŽ komen zouden, en wel met zulk een verbazende menigte van mensen, dat er geen steden, met welke hechte muren ook, noch legers sterk genoeg zouden zijn, om deze vreemde macht te kunnen weerstaan. Hiermee zag op de spoedig volgende oorlog van Karel de achtste, koning van Frankrijk in ItaliŽ, die hij voerde om het koninkrijk Napels in bezit te krijgen. En, aangezien hij zei, dat deze en dergelijke dingen hem dooi, openbaring waren meegedeeld, murmureerden er velen tegen hem, en haalde hij zich ook de haat op de hals van de paus en van vele aanzienlijken te Florence.

Zijn uitwendig leven getuigde van een godzaligen wandel, en zijn leerredenen waren tegen allerlei zouden en gruwelen gericht, zodat hij daardoor velen tot verbetering des levens bracht.

Toen nu, gelijk hij voorzegd had, Karel de achtste, koning van Frankrijk, met een machtig leger in ItaliŽ kwam, om zich van het koninkrijk,Napels meester te maken, stond Pietro de Medicis, buiten weten van de Raad van Florence, de koning enige steden en kastelen af, teneinde daardoor als het ware zijn gunst te kopen. Hierdoor viel hij in ongenade hij de burgers, die hem haatten, en eindelijk noodzaakten de stad te verlaten, terwijl hij zijn paleis en bezittingen ten roof moest achterlaten en zich door de vlucht moest redden.

Enige kwaadwilligen verweten dit verraad aan Hieronymus, alsof het met zijn voorkennis en op zijn raad geschied was. Hieronymus was, integendeel, hij de komst van de koning hem tegemoet gegaan, en drong er hij hem in de naam van God op aan, dat hij de Florentijnen hun steden en kastelen zou teruggeven. Onder andere beweegredenen, bedreigde hij ook, dat, wanneer de koning zijn eed, die hij op de heilige EvangeliŽn en als voor de ogen van God gezworen had, niet nakwam, hij binnenkort door God zwaar zou gestraft worden, ofschoon hij in een ander opzicht de oorlog van de koning voor een goddelijke oorlog moest houden.

Ofschoon de koning naar Frankrijk terugkeerde, hield Hieronymus niet op te verkondigen, dat de koning van Frankrijk andermaal naar ItaliŽ komen zou, om de last, die God hem had opgelegd, te volbrengen, te weten, om de kerk door, het zwaard te hervormen en de tirannie van ItaliŽ te kastijden, en indien hij dit niet deed. God hem zeer zwaar zou straffen. Hierdoor ontstond grote onenigheid tussen de burgers van Florence; de een hield het met Hieronymus, en hoopte, dat de koning van Frankrijk zou terugkeren, en de andere partij, die de talrijkste was, wilde, dat men de zijde van de ligue (het verbond) zou kiezen, en alle hoop op de koning zou laten varen. Zij zeiden, dat het slechts dwaasheid was, daarop te wachten, en dat broeder Hieronymus een ketter was, die men in een zak behoorde te binden en in de rivier te werpen. Wegens zijn vele voorstanders, die hij te Florence had, durfde nochtans niemand de hand aan hem slaan.

Intussen schreven paus Alexander de zesde en de hertog van Milaan herhaaldelijk brieven aan de bestuurders van Florence, waarin zij hun verzekerden, dat zij hun de stad Pisa en andere plaatsen zouden teruggeven, als zij de vriendschap Frankrijk zouden verbreken, en de genoemde broeder nemen en straffen.

Om de gunst van de paus te winnen, veranderde de regering van Florence, onder welke vele vijanden van Hieronymus waren, van gevoelen, zoals meermalen geschiedde, en zette het volk tegen hem op, terwijl men beval hem uit het klooster te halen, waaraan voldaan werd. Met twee andere monniken, Dominico de Pescia en Sylvester, werd Hieronymus tot de regering gebracht, en met zijn geestverwanten in de gevangenis gezet. In het oproer, dat daarover ontstond, werd een der regeringsleden van de stad, Franciskus Vallerius, een getrouw vriend van Hieronymus, dood geslagen.

Toen de paus vernam, dat zij gevangen zaten, zond hij twee gezanten, namelijk, de generaal der Jakobijnen en de bisschop Romolin, om de zaak te onderzoeken.

Op de 9e april 1490 werden er enige gekozen,voor wie Hieronymus en zijn metgezellen zouden terechtstaan, en wel vanwege de raad, die de voornaamste ambten bekleedden, zeven mannen, vanwege de gemeente negen en vanwege de paus twee. Men begon eerst met zachte woorden, daarna met dreigingen en eindelijk met martelingen Hieronymus te ondervragen, en wel naar vele zonderlinge dingen, waarvan men hem verdacht, doch die hem voor het merendeel vreemd waren. Aangezien hij volstandig in zijn gevoelens volhardde, en deze niet wilde herroepen, werden zij derwijze op hem verbitterd, dat zij hem die dag tot twee malen op de pijnbank legden, en op de jammerlijkste wijze mishandelden, welke martelingen en wreedheden hij echter met groot geduld, doorstond.

Van de 11e tot de 19e april werd het verhoor van Hieronymus voortgezet, doch zonder hem, zoals vroeger plaats had, te pijnigen, maar nu op de laagste wijze hem te bespotten, en met scheldwoorden tegen hem uit te varen, zoals gelijk bekend is, de vijanden van Christus gewoon zijn de verdrukte belijders van de waarheid te behandelen. Eindelijk werden, op hun eigen verlangen, zijn bekentenissen op vier en twintig vellen papier opgetekend, en op de 19e april hem voorgelezen, terwijl hij gedwongen werd die te ondertekenen, ofschoon er niets in gevonden werd waarom men hem met recht ter dood kon veroordelen, aangezien hij zich op elk punt zeer gepast wist te verantwoorden. De reden waarom hij sterven moest, was vooral, dat hij de paus en zijn zich noemende geestelijken te veel had aan de kaak gesteld, en hun bijgelovigheden en dwalingen in zijn predikatiŽn openlijk had aangewezen en bestraft.

Hij het laatste onderzoek waren er nog meer tegenwoordig dan hij de voorgaande, en wel de afgevaardigden Adimaris, Rainaldus de Orsinis, Vikarius van de bisschop van Florence, voorts Castellanus de Castellanis, dokter in de rechten, Franciskus Salviatus, prior van het St. Markusklooster en nog vijf andere monniken van dit klooster.

Weinige dagen daarna zond de paus naar Florence Joachini Turranus, een Venetiaan, vikarius van de orde der predikheren, en Franciskus Ramalithius, dokter in de beide rechten, een Spanjaard,die vanwege de paus eisten, dat de Raad van Florence de drie gevangenen in hun handen zou overleveren, waaraan terstond werd voldaan. De een na de ander werd door de inquisitie in het verhoor genomen, hun leer op hatelijke wijze verdraaid, terwijl men hen met bedreigingen daarvan zocht af te trekken. Doch Hieronymus en zijn medegevangenen bleven volstandig hij wat zij verkondigd hadden, en wilden dit niet herroepen, veel minder beloven iets anders aan te nemen. Vervolgens kwam de voorzitter van de raad, met de bovengenoemde gezanten van de paus samen, en las enige artikelen, die zij hadden opgetekend, aan het volk voor, als redenen en bewijsstukken waarom zij Savonarola en zijn medebroeders billijk, zoals het heette, verdoemden en ter dood veroordeelden.

Nadat zij hem deze en vele andere artikelen, die zij of uit zijn boeken getrokken, of in zijn of hun predikatiŽn van hem hadden gehoord, hadden voorgehouden, vroegen de genoemde gezanten van de paus aan Hieronymus en zijn metgezellen of zij hun gevoelens wilden laten varen, openlijk herroepen, en de paus om vergiffenis vragen, dan of zij het vonnis daarover wilden afwachten. Zij antwoordden echter, dat zij, door Gods genadige hulp, volstandig wilden blijven in de betuigde waarheid, en niet in het minst daarvan afwijken, aangezien zij vast vertrouwden op en verzekerd waren van de zaligheid hunner zielen.

Door de bisschop van Utasie werden zij, de een na de ander, van hun priesterlijke waardigheid ontzet, en alzo aan het wereldlijk bestuur van Florence overgegeven, met dringend bevel, uit naam vanwege de paus. dat zij als onverzettelijke en hardnekkige ketters ter dood gebracht zouden worden.

Op de 23e mei 1498 werden zij op de markt te Florence eerst opgehangen, en daarna hun lijken tot as verbrand en die as in de rivier de Arno geworpen. Aldus bevestigden deze godzalige martelaren hun leer met hun bloed.

Op deze Hieronymus Savonarola heeft de geleerde dichter Flaminius het volgende vers gemaakt:

 

Dum fera flamma tuos, Hieronyme pascitur artus
Religio Sanctas delania ta comas;
Fovitae, o dixit, crudeles parcite flammae,
Parcite, sunt isto viscera nostra rogo.

 

Dat is:

 

Tewijl Hieronymus moest in het vuur verbranden,
Stond Religio bedroefd met haar beide handen
Verdrietig in het haar, en koesterde de held,
En sprak: Ach hete vlam, doe hem toch geen geweld.
Hij is mijn hart, mijn vreugd, mijn ingewand en leven;
En die zijn, nu met hem aan ít wrede vuur gegeven;
ik sta daarom bedroefd en wonder ongerust
Het schijnt nu dat het vuur de grote ijver blust.

 

Hemondt Picard

 

[JAAR 1503.]

 

Op de 25sten Augustus 1503 rukte Hemondt Picard, in de kapel van het paleis te Parijs, uit de hand van een priester, die de mis bediende, de hostie, verbrijzelde die en wierp haar ter aarde in de tegenwoordigheid van de gehelen adel. Om deze daad werd hij in de gevangenis gezet, en door mr. Jan Standum hij herhaling en dringend aangeraden, dat hij om vergiffenis zou bidden. Doch, aangezien hij dit niet wilde doen, werd hij spoedig daarna verbrand.

 

Richard Smart

 

[JAAR 1503.1

 

In het jaar 1503 werd te Salisbury levend verbrand een zekere Richard Smart en wel, omdat men bevond, dat hij de geschriften van Wicklef gelezen en anderen geleerd had, dat het sacrament des altaars niet het ware lichaam van Christus is, en ook omdat hij aan zekere Jan Stilman de geschriften van Wicklef had geleend.

 

Zes mannen te Bor verbrand

 

[JAAR 1504.]

 

Onder de regering van Wladislaus, koning van Bohemen, in het jaar onzes Heeren 1504, liet de baron van Schamberg, zes mannen behorende tot de rechtzinnigen, die zich toen Fratres unitatis, dat is, broeders der eendracht, noemden, in het dorp Augesd hij Tusta gevangen nemen, en in de stad Boi veroordelen om verbrand te worden. Hun namen waren Matthias Prokop, schoenmaker, Johannes Shimonovita wever, Bartholomeus Icranovita, kuiper, Johannes Herbeck, pottenbakker en de broeders Johannes en Nikolaas Madribka bouwlieden. Toen zij naar de strafplaats geleid werden, vroeg hun de baron in welk geloof zij zo hardnekkig wilden sterven. ďIn dat geloof," zeiden zij, "hetwelk alleen rust op Jezus Christus, Die van God gegeven is als de enige Verzoener der wereld, de enige hoop en zaligheid van allen, die in Hem geloven."

Zij toonden zeer kloekmoedig hun vonnis te willen ondergaan. Toen de overste aan Nikolaas, die hij boven de anderen zeer genegen was, het leven beloofde, zo hij slechts enige tijd van beraad, al ware het ook een geheel jaar, eiste, antwoordde Nikolaas, na een ogenblik te hebben nagedacht, onmiddellijk, Ik wil liever met mijn andere broeders om de goddelijke waarheid sterven, dan hen, na zulk een kleinen tijd alleen te volgen; en alzo betrad hij met de anderen de brandstapel.

 

Thomas Norice

 

[JAAR 1507.]

 

In het jaar onzes Heeren 1507 werd Thomas Norice, geboren te Brochfort, in Suffolk, door de bisschop veroordeeld om levend verbrand te worden, omdat hij geweigerd had, de afgestorvene heiligen en hun beelden te aanbidden, of die te begroeten met het gebed des Heeren. Geduldig verdroeg hij dit lijden te Norwich en wel op de 31e Maart.

 

Een vrouw verbrand in Engeland, en hoe de kanselier werd omgebracht door een stier

 

[JAAR 1508.]

 

Wij zullen hier een voorbeeld verhalen, waarin de almacht en rechtvaardigheid van God zich duidelijk hebben getoond. Hierin zullen de christenen ook zien, dat God dikwerf zijn rechtvaardig oordeel in het openbaar bewijst, en wel in het straffen van de vervolgers Zijner uitverkoren schapen, die om de naam van Christus liever alles leden, en gewillig allerlei martelingen uitstonden, dan de waarheid te verzaken.

 

In Chepingsadhery, een stad in Engeland, in het jaar van onze enige Zaligmaker en Heiland Jezus Christus 1508, werd een zeer godzalige vrouw, om de belijdenis van het Evangelie, verbrand, en wel onder de regering van Hendrik de zevende, koning van Engeland. Gelijk de standvastigheid van deze godzalige vrouw zeer heerlijk en troostrijk is voor alle christenen, die zich daarover zullen verwonderen, zo is ook de straf, de onrechtvaardige vechter, de kanselier van de bisschop, overkomen, voor alle pausgezinden, die niet ophouden de leden van Christus' gemeente te vervolgen, een afgrijselijk schouwspel, waarin zij kunnen zien, dat God niet alleen in de toekomende, maar ook in deze tegenwoordige wereld zulke tirannen in het openbaar, straft.

De naam van deze vrouw, die, omwille van het Evangelie, de wrede vuurdood niet vreesde, is niet bekend. De kanselier, die haar onrechtvaardig ter dood veroordeelde, heette Dr. Whytington. Mr. Fox, die het engelse martelaarsboek geschreven heeft, zegt duidelijk, dat de dood van deze standvastige vrouw hem eerst bekend werd korte tijd voor hij het eerste stuk van zijn geschiedenis in het licht gaf; waarin hij de geschiedenis van de martelaren verhaalde, die in Engeland, om de naam van Christus stierven. Hieruit is op te maken, dat God de Heere niet wilde toelaten, dat de lofwaardige standvastigheid van deze vrouw aan de vergetelheid zou worden prijs gegeven, maar veel meer dat haar lijden allen nakomelingen in volgende tijden openbaar en bekend zou zijn. Niet zonder beschikking van Gods voorzienigheid werd deze geschiedenis hem bekend, opdat hij die aan het laatste gedeelte van zijn boek zou toevoegen, zoals hij ook met getrouwheid deed, gelijk hier volgt.

Nadat deze godzalige vrouw en manmoedige martelares, om de belijdenis der waarheid, door de kanselier Dr. Whytington ter dood veroordeeld was, en de tijd aangebroken, dat deze vrouw naar de plaats zou gebracht worden, waar, zij zich zou opofferen, had er een grote toeloop van volk plaats, door de lieden die van alle kanten en dorpen, in de omtrek liggende, en vooral uit de stad samen kwamen, om getuige te zijn van de volbrenging van het vonnis. Onder de menigte volgde ook Dr. Whytington, de kanselier, teneinde het vonnis, dat hij over deze onschuldige had uitgesproken, te zien uitvoeren. Toen men op de gerechtsplaats kwam, werd deze gelovige vrouw en dienstmaagd van Jezus Christus aan een paal gebonden. Nadat men om haar lichaam stroriet geplaatst had, bereidde zij zich vrijwillig als een onschuldig lam tot de vuurdood, en na God, haren almachtige Vader, ziel en lichaam te hebben aanbevolen, ontsliep zij godzalig in de Hete.

Toen het volk van de gerechtsplaats naar huis ging, gebeurde het, dat op die tijd een slachter in de stad bezig was een stier te slachten, die hij, zoals men gewoonlijk doet, met touwen gebonden had, om het beest beter te kunnen bedwingen. Maar, toen deze slachter, die, naar het scheen, niet zo ervaren was in het doden van beesten, als de pausgezinden in het vermoorden van de vrome christenen, zijn bijl ophief om het beest op de kruin van het hoofd te treffen, sloeg hij mis, en raakte de stier op de neus of daaromtrent. De slager had het beest wel enigermate gekwetst, maar niet minder verschrikt, zodat het met geweld de touwen verbrak, de slachter ontliep, en de straat in vluchtte, waar het volk zich bevond, dat van de gerichtsplaats naar de stad keerde. Zo spoedig de lieden deze stier zagen aankomen, vluchtten zij, niet wetende wat het beest deerde, in de grootste haast uit de straat, waar de stier liep, terwijl ieder op eigen lijfsbehoud bedacht was. Men meende, dat het beest dol was, wat naar men vermoeden kan, niet veel scheelde, en wel ten gevolge van de slag, die het op de mond had gekregen. Nochtans liep de stier zo voorzichtig door al het volk, dat hij niemand kwetste. Toen hij een tamelijke lengte van de straat, door het gedrang van het volk heen, had afgelegd, en wel met een voorzichtigheid alsof hij de mensen met opzet vermeed, liep hij eindelijk naar Dokter Whytington, de kanselier, die, met enige anderen, zich in eert hoekje verbergde. Maar helaas, tevergeefs meende hij Gods gramschap en straf te kunnen ontgaan; want zodra zag de stier hem niet, of deze liep regelrecht met de hoornen op hem toe, en scheurde hem derwijze de buik open, dat hij dood op de grond bleef liggen, terwijl het beest wegliep met de darmen van de kanselier op zijn hoornen. Dit maakte allen, die het zagen, onder grote verwondering, verschrikt, zeer verbaasd en beschaamd.

Zie hier het wonderwerk des Heeren. Inderdaad, al zijn wij ook door onze vleselijke gezindheden geheel blind, en hebben geen recht inzien in de daden des Heeren, zodat wij somwijlen aan het noodlot, of aan het blinde fortuin, toeschrijven wat eigenlijk Gods voorzienigheid heeft gedaan; nochtans, welk mens zou zo plomp en onwetend kunnen zijn, die in dit zeldzaam en openbaar beeld niet zou opmerken, dat dit een bijzonder werk en een straf van God is, waarmee de Heere Zijn almacht en Zijn rechtvaardig oordeel in het straffen van dezen goddelozen kanselier? Het was een waarschuwend voorbeeld voor alle andere vervolgers der christenen, opdat zij de rechtvaardige hand des Heeren zouden vrezen, wanneer zij zodanige tirannie aan de onschuldige Christenen plegen.

Opdat niemand denken zou, dat hier iets, de waarheid van deze geschiedenis betreffende, op lichtvaardige wijze is meegedeeld, en om alle wantrouwen weg te nemen, is het nodig, de getuigenis hij deze geschiedenis te voegen van enige geloofwaardige lieden, die er hij tegenwoordig waren, en alles hebben gezien, en vooral de geschiedenis van zekere Roeland Web, die in die tijd in de stad Chepingsadbery woonde. Deze had een zoon, Richard Web genaamd, die later werkzaam was hij M. Latimer, met wie hij ook vele benauwdheden, zoals een gevangenisstraf van zes jaren, met geduld doorstond. Deze Richard betoonde in zijn jeugd grote geneigdheid tot de leer van het Evangelie, zodat hij dikwerf door, zijn vader, die zeer tot de roomse godsdienst geneigd was, vermaand werd, dat hij die gevoelens, welke hij ketterij noemde, moest laten varen. En teneinde hem daarvan te beter af te trekken, verhaalde hij hem dikwijls de geschiedenis van de vrouw te Chepingsadbery, die hij om deze ketterij zag verbranden. Hiermede zocht hij zijn zoon bevreesd te maken, en voegde er ook hij, dat een stier in diezelfden tijd de kanselier met zijne hoornen had omgebracht. Dit alles heeft Richard Web in persoon aan Mr. Fox verhaald en bevestigd, uit wiens geschiedboek wij dit getrouw hebben overgenomen. Deze getuigenis zal, hopen wij, genoeg en voldoende zijn voor alle onpartijdige lezers, die de waarheid zijn toegedaan.

 

Thomas, een priester

 

[Jaar 1540.]

 

In het jaar 1510, zoals Fox meldt, werden er te Norwich, in Engeland, om het artikel van het sacrament des altaars, twee personen levend verbrand, van wie de een, Thomas, een priester was, die in een klein stadje, Eckels genaamd, woonde waar hij werd ontwijd en naar Norwich gebracht, om verbrand te worden. Terwijl hij, na zijn ontwijding, nog geruime tijd in de gevangenis vertoefde, liet hij zich door enige overreden zijn geloof te verzaken. Toen hij later daarover berouw had, werd hem tot straf opgelegd, dat hij van de gevangenis tot de gerichtsplaats, waar hij als een slachtoffer zijn leven zou eindigen, op zijn ontblote voeten op distelen en doornen die weg moest afleggen.

Niet lang daarna werd Thomas Bongay, een eerzaam en hoog bejaard man, in de stad Norwich, tot de brandstapel veroordeeld, omdat hij sinds veertien jaren het sacrament van geen roomsen priester had willen ontvangen, daar hij van de afgodische mis een gruwel had.

 

Andries Poliwka

 

[JAAR 1511]

 

Andries Poliwka was een burger van Kuttenberg, in Bohemen, maar die, omdat hij van godsdienst veranderde, naar Lytomistia vertrok en, daar zijn vrouw hem niet wilde volgen, werd hij, terwijl hij haar bezocht, verraden. Toen hij gevangen genomen was, werd hij door de priester der calixtijnen zo lang gekweld, totdat hij beloofde hij zijn vrouw te willen blijven, en de priester gehoorzaamheid te bewijzen. Hij willigde dit in, doch tegen zijn gemoed. Op zekere heiligen dag geschiedde het, toen de priester zijn toespraak bad geŽindigd, en hij de ciborie voorbracht, op het altaar plaatste en het volk de ouwel, die daarin was, aanbad, dat Andries het vuur, dat in hem brandde, niet kon uitblussen, en met luider stem riep: ďZwijg priester: het komt mij nu toe te spreken." En terwijl hij zich tot het volk wendde, zei hij: ďLieve mensen, waar loopt gij toch zo gretig naar toe? Wat bidt gij aan, een God van brood? Och, bidt de levende God aan, Die in alle eeuwigheid te prijzen is." De priester riep tot het volk, dat zij deze schelmse booswicht zouden verbieden te spreken; dat zij deze Picardist moesten gevangen nemen. Door de algemene schrik sloeg niemand de hand aan hem, doch eindelijk vielen enige hem aan, sloegen hem met vuisten, verbrijzelden hem het hoofd ten dele tegen een pilaar, en sleepten hem zeer bebloed naar de gevangenis. De volgende dag werd hij naar het raadhuis gebracht, waar de raad en de priesters tegenwoordig waren, en werd hem gevraagd, of hij nog herhalen wilde, wat hij daags tevoren had gezegd. Hij antwoordde daarop toestemmend, en verweet hun hun afgoderij, die niet beter was dan die van de antichrist. Toen hem gevraagd werd door wiens ingeven hij dit gedaan had, antwoordde hij met de, wedervraag: door wiens ingeven durfde Abraham zich afscheiden van de afgodendienaren, en de levenden God aanbidden.Ē Zij hielden verder aan en zeiden: "Gij moet ons duidelijk zeggen op wiens aanraden gij zulke dingen durft te doen. Hij antwoordde: ďOp wiens aanraden heeft DaniŽl zich legen de afgoderij verzet?" Daarop riepen zij: "Zwijg; wij weten deze dingen beter dan gij; in geen dele hebben wij nodig van u onderwezen te worden. Wij weten, dat gij hierin metgezellen hebt, die gij wel niet vrijwillig wilt noemen. doch waartoe wij u wel zullen dwingen." Daartoe werd hij weer naar de gevangenis gebracht, terwijl men beval hem terstond te pijnigen; maar, toen men door martelingen niets van hem kon te weten komen, werd hij, als een hardnekkig mens, veroordeeld om verbrand te worden. De priesters verzochten dus de schout, dat hij hem, wanneer hij buiten kwam, niet zou vergunnen te spreken, opdat hij door zijn woorden het volk niet zou besmetten. De schout kwam met Andries overeen, dat, indien hij niet zweeg, men hem de mond zou toestoppen. Hij beloofde dit, en hield ook woord, daar hij op de gehelen weg geen woord sprak, maar in stilte bad. Toen de vlammen zijn hoofd bereikten, riep hij uit: Jezus, Zoon des levenden Gods, ontferm U, ontferm U over mij, ellendigen zondaar," en sprak verder niets meer. De priesters riepen daarop tot het volk: .,Ziet, nu roept hij Jezus aan, in Wie hij in zijn leven niet heeft willen geloven, en Wiens sacrament hij niet heeft willen eren." Dit geschiedde in het jaar onzes Heeren 1511.

 

Pop, van Aye

 

[Jaar 1512.]

 

Omstreeks het jaar 1512 werd er nog een ander hoog bejaard man, Pop genaamd, een wever van beroep, in het stadje Aye, om dezelfde zaak van het sacrament des altaars, met dezelfde kroon van het martelaarschap versierd.

 

Richard Hunne

 

[Jaar 1515.]

 

In het jaar onzes Heeren 1515 woonde te Londen, in Engeland, een man, met name Richard Hunne, een lakenkoper. Hij was een vroom en godzalig man, en werd gehouden voor Rooms-katholiek, ofschoon hij in het geheim reeds enige lust had in de Evangelische waarheid. Deze man had een jong kind, dat opgevoed werd te Midlese, in de parochie St. Maria te Marsilon, en op vijfweekse leeftijd stierf. Thomas Drifield, pastoor in die plaats, eiste van Richard Hunne de deken van het kind, als een gerechtigheid die hem toekwam. Richard zei, dat de deken het eigendom niet was van het kind, en dat hij derhalve hem de deken niet schuldig was. De priester kon deze weigering niet verdragen en riep hem daarover voor de opziener der kerk. Op aanraden van zijn vrienden, beklaagde zich Richard over dit onrecht hij de wereldlijke overheid, en zei, dat de priester iets onbillijks van hem eiste, en liet de priester dagvaarden, teneinde zijn zaak tegen hem te handhaven. Maar, aangezien de mispriesters daartoe niet te bewegen zijn, vooral niet, wanneer zij er iets hij verliezen kunnen, beraadslaagden zij met elkaar, hoe zij de zaak het best zouden aanleggen, en besloten dat men de genoemden Richard van ketterij zou beschuldigen, en hij de bisschop van Londen, Richard Fitsiam, die zelf die raad gegeven had, aanklagen. Toen nu Richard aangeklaagd was, werd hij terstond door de bisschop in de toren van de St. Pauluskerk, die de Lollardentoren genoemd wordt, gevangen gezet. In die tijd had Willhelmus Horsey, kanselier van de bisschop, over die gevangenis het opperbestuur. Charles Jozef, sergeant aan het bisschoppelijke hof, en Jan Spaldinck, klokkenluider der St. Pauluskerk, waren vertrouwde dienaren van de kanselier. Deze twee vatten het voornemen op om Richard Hun in de toren van honger te doen sterven. Toen zij echter zagen, dat dit niet wilde gelukken, vielen zij in de gevangenis op hem aan, bonden hem handen en voeten, en verwurgden hem op gruwelijke wijze.

Daarna maakten zij hem los, en hingen hem met zijn gordel aan een muur op. Dit geschiedde de 4de, December, in het jaar onzes Heeren 1515.

Toen zij deze gruwelijke daad hadden bedreven, strooiden zij het gerucht uit, dat Richard Hunne zich in de gevangenis aan zijn eigen gordel had verhangen. Toen dit ruchtbaar was geworden, en men sterk vermoedde, dat hij door zijn vijanden was vermoord, werden er twaalf aanzienlijke mannen, benevens de fiskaal te Londen, Thomas Barnewel genaamd, gelast de zaak te onderzoeken.

 

De opkomst van Mr. Maarten Luther

 

[JAAR 1517].

 

Toen de antichrist, de paus van Rome, zijn gezanten en leerlingen, zoals de bisschoppen, priesters en monniken, meenden, dat zij door hun moorden, verworgen, verbranden en doden het Evangelie en de dienaren der waarheid onderdrukt, verdrukt en uitgeroeid hadden, en dat zij nu vrij en onverhinderd konden handelen, Christus uit Zijn Rijk stoten, en heerschappij voeren over de harten en gewetens der mensen, verdroot dit eindelijk de almachtige en eeuwige God, die de geest verwekte van de heiligen man Luther, door wien hij het licht van het evangelie glansrijk over het gehele christendom deed schijnen.

In het jaar 1517 na de geboorte van onze enige Zaligmaker Jezus Christus zond de antichrist aflaatbrieven, waarmee hij voor geld de zonden vergaf en kwijtschold. Die aflaatbrieven werden te Wittenberg, in Saksen, aangeprezen en verkocht door een Jakobijner monnik, Tetzel genaamd, die in zijn predikatiŽn zich daarover op de schandelijkste wijze uitliet. Onder andere leerde hij het volk, dat zo spoedig de penning op de bodem der kist klonk, terstond de zielen der afgestorvenen uit het vagevuur naar de hemel werden gevoerd.

Tegen hem en zijn goddeloze prediking schreef Luther 95 leerstellingen, die hij aan de kerkdeur aanplakte. Tetzel, die de paus wilde behagen, riep enige monniken en drogredenaars samen, en verzocht hun tegen Luther te schrijven. Hij zelf zat ook niet stil, maar noemde in zijn predikatiŽn Luther een ketter, en drong er op aan, dat men hem verbranden zou. De stellingen en de predikatiŽn, die Luther geschreven had, liet hij in het openbaar verbranden. Doch door hun grote beweging hebben Tetzel en de zijnen Luther genoodzaakt de waarheid uitvoeriger te beschrijven.

Toen nu de drogredenaars van Leuven, Keulen en andere dergelijke vijanden tegen Luther schreven, werd hij eindelijk als gedwongen ook andere punten aan te roeren, namelijk:

Van het onderscheid tussen de goddelijke geboden en de menselijke instellingen.

Van het schandelijk misbruik van het avondmaal, in het kopen en verkopen, en in de opoffering van levenden en doden.

Van de ware boete.

Van de vergeving der zonden.

Van het geloof.

Van de aflaat.

Van de beloften en andere dergelijke zaken meer, gelijk men in zijn geschriften zien kan. Vervolgens werd Luther door de paus, die nu inzag, dat Babylon, zijn hoofdstad, begon te wankelen, in de ban gedaan, en zijn stellingen als ketters vervloekt en gedoemd, en in bijna alle landen verbrand. De boer van Babylon, die dronken is van het bloed der heiligen, maakte alle vorsten dronken door de wijn van haar hoererijen; zodat de keizer, koningen en vorsten, zeer weinigen uitgezonderd, die de waarheid liefhadden, als woedend waren om het Evangelie te vernietigen en de godzalige predikers te vermoorden. En, ofschoon het hun door God niet toegelaten werd, de heiligen man Gods, Maarten Luther te doden, betoonden zij nochtans hun wreedheid aan anderen, die door de leer en geschriften van Luther tot de kennis der waarheid gekomen waren.

 

Hendrik Voes en Johannes van Essen, twee Augustijner monniken, te Brussel verbrand

 

[JAAR 1523.]

 

Te Antwerpen, in Brabant, was een Augustijner klooster, waai, de monniken uit de geschriften en boeken van Luther de kennis der waarheid hadden verkregen, en die aan het volk onderwezen. Om die reden werden zij gevangen genomen en naar Vilvorde gebracht, waar de Leuvense hoogleraars zich benaarstigden en beijverden, om deze monniken van de belijdenis van het evangelie af te trekken, ja, dreigden zelfs hen te doden en te verbranden, wanneer zij de waarheid niet verloochenden en herriepen, die zij eens beleden en geopenbaard hadden.

Door hun tirannische bedreigingen brachten zij het zover, dat zij allen afvielen, uitgezonderd drie, die volstandig aan hun belijdenis bleven vasthouden. Deze werden door Hoogstrate en sommige andere kettermeesters, die terecht meesters en hoofden in de ketterij en dwalingen genoemd mogen worden, ondervraagd, en wel vooreerst, wat zij geloofden. Zij antwoordden daarop, dat zij de twaalf artikelen des christelijken geloofs aannamen en vasthielden, en ook alles wat in de Evangelische en Bijbelse Schriften is vervat; dat zij ook aan een christelijke kerk geloofden, maar niet, zoals de kettermeesters dit deden.

Ten andere vroegen zij, of zij ook geloofden aan de instelling der kerkvergaderingen en aan de kerkvaders. Zij antwoordden, dat zij de artikelen geloofden, in zoverre die met de goddelijke Schriften overeenkwamen, en er niet tegen waren.

Ten derde vroegen zij, of zij ook geloofden, dat zij zich aan dodelijke of verdoemelijke zonden schuldig maakten, die de instellingen van de pausen der kerkvaders overtraden. Zij antwoordden, dat zij geloofden, dat de geboden van God zalig maakten en verdoemden, en niet de menselijke instellingen.

Nadat de kettermeesters niet nalieten, dan eens met zachtheid, dan weer met hardheid, de goede christenen tot herroeping van hun gevoelens te bewegen, maar tevens zagen, dat zij niet vorderden, besloten zij ten laatste zulke hardnekkige ketters, zoals zij hen noemden, aan de wereldlijken rechter over te leveren, zoals Christus aan Pilatus en de heidenen werd overgeleverd, om ben te doden. Vervolgens werden zij van Vilvorde naar Brussel overgebracht, en daar met alle voorzorg in de gevangenis bewaard. Niet lang daarna kwamen ook te Brussel de drogredenaars van Leuven, namelijk, Hoogstrate, Egmont, Godtschalck, Lathomus, Ruardus en Paseba, een karmelieter van Mechelen.

Op de 1e juli liep het volk in grote scharen naar de markt; maar er waren weinig vreemdelingen, aangezien alles in het geheim had plaats gehad. Daar verschenen de drie bedelmonnikenorden, met kruisen en vaandels, zoals hun gewoonte is,wanneer zij in statelijke optocht en pracht zich vertonen willen. Toen nu de leraars der goddelijke Schrift en de abten, die de bisschoppen vertegenwoordigden, met hun waardigheidstekenen en gewone staven, zich in orde op het schavot hadden geplaatst, werd de jongste van de drie, een jong, maar geleerd en welsprekend man, over de markt gebracht en binnen geleid. Enige ogenblikken later voerde men hem, met misklederen aan, op het schavot. Midden op het schavot stond een tafel, versierd en bedekt als een altaar. Voor deze tafel knielde hij neer, met het aangezicht naar het volk gekeerd, en niemand bespeurde enige tekenen van vrees of schrik aan hem. Achter hem stond de opziener van de grauwe monniken, die begon te prediken, terwijl daartegenover een bisschop geplaatst was, die met een geopend boek de plechtigheden begon uit te voeren. Terwijl dit alles plaats had, van elf tot twaalf uur, en de een predikte en de ander hem ontkleedde, bleef de jongeling in alles dezelfde, zodat zijn aangezichtskleur zelfs niet veranderde. Zijn wezenstrekken waren zedig en vol uitdrukking, waaruit men gemakkelijk afleiden kon, dat hij niet alleen de dood verachtte, maar ook, dat hij een zeer bescheiden en zachtmoedig man was. Zijn gelaat en houding deden vermoeden, dat hij zich met bidden en de overdenking der hemelse dingen op heerlijke wijze bezig hield. Toen men hem had ontwijd, werd hij weer binnen gebracht.

Kort daarna kwamen de andere twee voor, die ouder waren dan de bovenbedoelde, want beiden hadden een baard, terwijl de andere jongeling geheel glad en baardeloos was. Uit het voorkomen van deze beide mannen kon men gemakkelijk hun volharding en vrijmoedigheid bespeuren. Zij werden ook ontwijd en van hun priesterschap of monnikendom beroofd, en gingen van het schavot naar binnen, waar zij veroordeeld en gevonnist werden.

Hoewel het recht en billijk en vooral te Brussel de gewoonte was, dat het vonnis van ieder veroordeelde, voor zij stierven, in het openbaar moest worden voorgelezen, werd dit echter in deze zaak, uit schaamte over de grote onrechtvaardigheid, nagelaten.

Om hen te troosten vervoegde zich Hoogstrate, de leraar van Leuven, hij hen, en zei, dat hij, wanneer zij nog wilden herroepen, de macht had om hen los te laten.

Een hunner antwoordde daarop: "Dit zijn de woorden aan Pilatus: Gij zoudt geen macht hebben tegen mij, indien het u niet van boven gegeven ware."

Enige tijd daarna bracht men alleen de twee, namelijk, die er eerst uitkwam en een van die laatste, voor, terwijl zij naar het vuur werden geleid, dat men tot dit einde op de markt gereed maakte.

Toen men hen daarheen voerde, en zij hun klederen uittrokken, vloeiden hun monden over van heerlijke taal, waaruit ieder duidelijk kon bemerken, dat zij vrome en godvruchtige mannen waren, die zich hartelijk verblijdden, ontbonden te zullen worden en hij de Heere Jezus Christus te zijn. Hij herhaling betuigden zij, dat zij als christenen stierven, dat zij geloofden aan een heilige algemene christelijke kerk, en zeiden ook, dat nu de dag aanbrak, waarnaar zij lang begeerd hadden.

Toen zij tot op het hemd ontkleed waren, moesten zij geruime tijd aldus blijven staan, totdat zij, terwijl men hen bond, van zelf naar de paal grepen, waaraan zij verbrand moesten worden. Langzaam ontbrandde het vuur; en al zagen zij de rook opstijgen, die de vlam spoedig volgen moest, zo werden zij nochtans niet kleinmoedig, maar waren, gelijk men uit hun gelaat en ogen kon bemerken, hoe langer zo meer getroost, standvastig en moedig. Een zonderlinge blijdschap bespeurde men aan hen, zodat velen meenden, dat zij lachten.

Onder andere beleden zij de artikelen des christelijken geloofs, en zongen het Te Deum Laudamus, de een het ene vers, de ander het volgende. Toen een hunner zag, dat men het vuur onder zijn voeten aanstak, zei hij, dat hij dacht, dat men er rozen onder strooide. In de vlammen riepen zij herhaalde malen Jezus aan, maar werden eindelijk door de gloed van het vuur verstikt, en offerden aan de Heere hun ziel op. Dit geschiedde op de 11e juli in het jaar 1523, zij waren de eerste, die om de gevoelens van Luther werden gedood. De derde van deze mannen werd niet voorgebracht, en waarom zulks niet geschiedde, is onbekend. Sommigen zeggen, dat hij zijn gevoelen herriep, doch dit is niet zeer gelofelijk, want dan zou dit ongetwijfeld in het openbaar voor het volk hebben plaats gehad. Anderen menen, dat hij in het geheim werd gedood.

Velen van deze monniken namen de vlucht, terwijl het klooster verwoesten vernietigd werd. Door de standvastigheid van deze monniken werd, tegen de bedoeling van velen, de genoemde leer in de stad Brussel derwijze voortgeplant, dat zij daar voortdurend beleden werd. Het hoofd of de prior van het bedoelde klooster (waarschijnlijk Hendrik van Zutphen), predikte nog vele jaren daarna de Evangelische leer in het openbaar, en bekeerde tot haar een grote menigte van Nederlanders, zoals ook een monnik, die uit dat klooster was gevlucht, door zijn predikatiŽn en standvastige raad vele mensen in de genoemde leer versterkte.

 

Nicolaus, een Augustijner monnik, van Antwerpen

 

[JAAR 1524.]

 

In deze tijd waren te Antwerpen en in de omliggende plaatsen vele lieden van verschillende naties, hij wie de begeerte naar het goddelijke Woord begon te ontwaken. Onder anderen was er te Mels, dat twee mijlen van Antwerpen lag, een pastoor, wiens predikatiŽn door veel volk bezocht werden, zodat hij dikwerf, wegens de grote menigte, op een open plaats moest prediken. Nadat hij geruime tijd met vrijmoedigheid het Woord Gods verkondigd, en de valsheid en boosheid der monniken bad ontdekt, beschuldigde hij zich in zijn laatste prediking in het openbaar voor het volk, en zei, toen hij van de mis sprak: "Wij zijn inderdaad erger en bozer dan Judas de verrader was, want hij heeft Christus verkocht en geleverd; maar wij verkopen Hem aan u, en leveren Hem niet."

Spoedig daarna ergerden het de priesters en monniken, dat het Evangelie zulk een goede ingang vond; en, daar zij er tegen wilden waken, dat hun de roof uit de mond zou genomen worden, wisten zij een bevelschrift van de keizer te verkrijgen tegen de pastoor en een Augustijner monnik, die te Antwerpen predikte. In dit geschrift werd bevolen en toegestaan, dat men hun het bovenste kledingstuk ontnemen zou, die in zodanige vergadering of predikatie tegenwoordig was, en hij die de prediker zelf gevangen nam, zou dertig Carolusguldens tot beloning ontvangen. Alzo werd Christus weer voor dertig penningen verkocht.

Het geschiedde nu, dat op een Zondag, in het jaar onzes Heeren Jezus Christus 1524, het volk, dat zich niet om het bevelschrift bekommerde, bijeenkwam op de scheepstimmerwerven. Na geruime tijd op de Augustijner monnik tevergeefs gewacht te hebben, stond er een priester op, Nicolaus genaamd, die zeer ervaren was in de Heilige Schrift, en zei: "Aangezien de prediker niet is gekomen, is het nochtans niet behoorlijk, dusdanige bijeenkomst hongerig, zonder enig voedsel van het goddelijke Woord te verlaten." Hij klom dus op een schip, dat daar afgewerkt lag, en leerde het volk veel meer uit de Heilige Schrift, dan ooit tevoren gehoord had.

Om deze reden werd hij later door twee vleeshouwersknechten gevat en in de handen der overheid geleverd. Des anderen daags, op Maandag, nadat hij de zuivere leer des Evangelies standvastig had beleden, werd hij in een zak genaaid, en met groten spoed, omdat men het volk vreesde, hij de stadskraan in het water geworpen, en wel in het jaar van onze enige Zaligmaker 1524.

 

Meester Georgius

 

Omstreeks het jaar 1520, werd Mr. Georgius, predikant te Halte, omdat hij het avondmaal des Heeren onder twee gestalten, te weten, brood en wijn, bediende, onder opruiing der priesters, door eniae straatschenders gegrepen en niet ver van Assenburg op jammerlijke wijze verbrand.

 

Hendrik van Zutphen

 

[JAAR 1524.]

 

In het jaar 1524 ging Hendrik van Zutphen, een Augustijner monnik, van Antwerpen naar Bremen, en begon daar, op verlangen van enige godvruchtige mannen het Evangelie te verkondigen: hetwelk daar door de genade des Heeren zo gretig ontvangen werd, dat in korte tijd de gehele stad zich naar de regel van het heilige Evangelie hervormde en herstelde, en zelfs de buikdienaars, dat is: de priester en monniken, verwierp en versmaadde.

De bisschop van Bremen legde hem wel vele lagen om hem gevangen te nemen en om te brengen, maar de eerbare en wijze Raad der stad handelde daarin voorzichtig, en beschermde en bewaarde de heiligen man voor de bloedgierige wolven. En, hoe de bisschop met zijn genoemde geestelijkheid ook woelde en raasde, zo door het bijeenroepen van kerkvergaderingen, als door pauselijke en keizerlijke bevelschriften, Hendrik liet nochtans niet na, het Woord des Heeren te verkondigen, daar hij overtuigd was, dat hij in zodanige zaken God meer behoorde te gehoorzamen dan de mensen.

Eindelijk werd hij ook geroepen door NikolaŁs Boye, pastoor, en enige andere vrome christenen van Meldorf en Dithmarsen, om daar het Woord Gods te verkondigen, en de mensen te verlossen uit de tirannie van de antichrist. Hij gaf daaraan gewillig gehoor, ofschoon dit de bewoners van Bremen mishaagde, aangezien zij de woestheid der bewoners van Dithmarsen wel kenden, en reisde daarheen Ďs maandags voor het Kerstfeest in het jaar van onze Heere en enige Heiland Jezus Christus 1524.

Nauwelijks was hij daar aangekomen, en had er zelfs nog niet gepredikt, of de duivel met zijn aanhang werd toornig, en verwekte de Jakobijner monniken en andere priesters, die met elkaar beraadslaagden en besloten, dat men vooral zorgen moest, dat hij niet predikte; want de zwarte nachtuilen haten het heldere licht van het goddelijke Woord, en vreesden, dat hun werken en geveinsdheid aan het licht zouden gebracht worden, en dat alzo hun rijk een einde zou nemen.

Daarom maakte zich de prior van de Jakobijnen op, en reisde naar ter Heide, naar de achttien bestuurders van het gehele land, en klaagde met groten nadruk, dat de monnik van Bremen gekomen was, om het gehele land Dithmarsen te verleiden, zoals hij te Bremen gedaan had. Deze prior werd in zijn klacht ondersteund door de algemene kanselier, mr. Gunther, en Pieter Nannen, beiden grote vijanden van Gods Woord. Deze beiden hielpen de prior met allen ijver, en hielden de anderen zestien bestuurders, die onkundige en eenvoudige mannen waren, voor, welke groten lof zij in geheel Nederland zouden behalen, en vooral dat zij de bijzondere dank van de bisschop verdienen zouden, indien zij deze monnik zouden ter dood brengen.

Toen de onnozele en onkundige lieden dat hoorden, was zijn dood reeds over hem besloten, ofschoon zij hem nooit gezien, nog minder gehoord of naar recht overwonnen hadden. Zij schreven aan de pastoor van Meldorf, onder bedreiging van de zwaarste straf, dat hij Hendrik zou verjagen voor hij predikte. Doch de pastoor en Hendrik trokken zich dat niet aan, en Hendrik betrad de predikstoel, predikte met ijver, en verkondigde het zuivere Woord van de almachtige God, zo zelfs, dat de gehele gemeente van Meldorf daarin rust en troost had voor haar gemoed, terwijl zij God dankte, dat zij door Gods genade zulk een prediker in haar midden had. Hendrik ging daarmee geruime tijd tweemaal daags voort, zodat het volk meer en meer begon in te zien, dat het door de priesters en monniken vroeger werd verleid.

Ondertussen zat ook de prior niet stil, maar riep de hulp in van de grauwe monniken, die zich minderbroeders noemen. Onder geen volk zijn er geschikter te vinden om de eenvoudige mensen door geveinsdheid tot zich te trekken en te verleiden dan deze Minderbroeders. Deze grauwe monniken wendden zich met de grootste haast tot enige van de bestuurders, namelijk, tot Peter Nannen, Peter Schwijn en Klaas Kode, en gaven onder het uiten van zware klachten te kennen, dat de ketter predikte en het volk verleidde, dat hem reeds genoeg aanhing; en, wanneer zij niet toezagen en de ketter ombrachten, zou de lof van Maria en van de beide heilige kloosters teniet gaan. Ziedaar hun schrijven, waarmee zij de ketter overwonnen.

Toen de onnozele en onwetende lieden dat hoorden, werden zij toornig, en Peter Schwijn antwoordde er op, dat men de pastoor en Hendrik geschreven had, wat zij moesten doen, en wanneer het nodig was, dat zij dan nog wel eens wilden schrijven. Waarop de prior antwoordde: "Neen, gij moet het anders aanleggen; want begint gij met aan de ketter te schrijven, zo zal hij u weer antwoorden, en, eer gij het gewaar wordt, bent gij zonder twijfel ook verleid; en, komt hij eens aan het woord, dan is het einde ervan niet te voorzien."

Toen werd beraadslaagd, dat men hem in de nacht, in het geheim, zou gevangen nemen, en, eer men het bemerkte, met de meeste spoed verbranden. Die raad vonden allen goed, vooral de Minderbroeders. Vervolgens riepen zij uit alle omliggende dorpen de boeren samen, en bevalen dat zij Ďs nachts, in het geheim, aan het huis van de schrijver mr. Gunther, te Nieuwerkerk zouden komen. Van daar gingen zij met de gehele schaar boeren naar Hemmingstet, een halve mijl van Meldorf gelegen.

Toen zij daar waren samen gekomen, werd hun in het openbaar de reden meegedeeld waarom zij daar ontboden waren; want niemand dan de verkozen hoofdlieden waren er mee bekend. Toen allen de zaak vernamen, wilden zij weer vertrekken, en deze boze daad niet uitvoeren. Maar de hoofdlieden bevalen hun, met bedreiging van lijf en goed te zullen verliezen, dat er niemand mocht heengaan. Men bracht ook drie vaten Hamburgs bier, dat gedronken werd, opdat zij moediger zouden zijn. Aldus kwamen zij op de 9e december, omstreeks 12 uur Ďs nachts, gewapenderhand te Meldorf. De Jakobijnen of predikmonniken voorzagen hen van toortsen en fakkels, opdat zij zouden kunnen zien, en Hendrik hun niet zou ontlopen. Met geweld vielen zij op het huis van de pastoor aan, en sloegen alles open en aan stukken, zoals dolle beschonken boeren plegen te doen; en wat zij vonden van zilver, goud of andere kostbaarheden, namen zij mee. Vervolgens grepen zij dan de pastoor, hakten naar hem, sloegen en staken hem, en riepen "Slaat dood! slaat dood!Ē Sommigen wierpen hem naakt op straat in de drek en vuiligheid, en namen hem gevangen, terwijl zij uitschreeuwden, dat hij met hen moest meegaan. Anderen daarentegen riepen, dat men hem moest laten aan, omdat zij geen bevel hadden gekregen om hem gevangen te nemen.

Daarna, toen zij hun wraak aan de pastoor gekoeld hadden, sleurden zij Hendrik naakt uit bed, sloegen, staken en sleepten hem. Zijn handen bonden zij hem op de rug, en mishandelden hem zo jammerlijk, dat het Peter Nannen, die echter een venijnig vijand was van Gods Woord, begon te hinderen, en hij beval, dat men hem moest laten gaan. Naakt en barrevoets sleepten zij hem door de koude en over het ijs naar Hemmingstet, zodat zijn voeten geducht gewond waren. Van daar brachten zij hem, in diezelfden nacht, naar het huis van een priester te Ter Heide, en sloten hem in een kelder, waar de beschonken boeren hem bewaarden en de gehele nacht bespotten.

Onder anderen kwamen tot hem de beer Simon, pastoor te Aldenwoorden, en de heer Christiaan, te Nieuwerkerke, beide domme vervolgers der waarheid, en vroegen om welke reden hij het heilig kleed had afgelegd. Die vraag beantwoordde hij zeer vriendelijk uit de Schrift, doch zij verstonden het niet. Mr. Gunther kwam ook tot hem, en vroeg, of hij liever naar de bisschop van Bremen wilde gezonden worden, of te Dithmarsen zijn straf ondergaan. Daarop antwoordde Hendrik: "Wanneer ik iets onchristelijks gedaan of geleerd heb, kunt gij mij wel straffen." Toen riep Mr. Gunther: " Hoort gij wel, mijn vrienden, hij verkiest te Dithmarsen te sterven." Het volk gaf zich intussen die gehelen nacht aan de ergste dronkenschap over.

Omstreeks 8 uur in de ochtend gingen zij naar de markt, om te beraadslagen, wat men hem doen zou. Daar riepen de beschonken boeren: "Verbrandt hem in het vuur, waarmee wij door God zullen behoed worden, en eer behalen hij de mensen. Hoe langer hij leeft, hoe meer hij er verleiden, zal. Wat baat het lang dralen! Hij moet toch sterven."

Daarna werd er uitgeroepen, dat allen, die hem hadden helpen gevangen nemen, met hun wapenen hij het vuur moesten komen. Daar verschenen ook de grauwe monniken, die de boeren in hun boosheid ophitsten, en zeiden: "Nu doet gij goed," en stijfden, alzo het domme volk in hun opzet. Toen grepen zij hem, en bonden hem aan handen en voeten, en brachten hem, onder groot geschreeuw en getier, naar de brandstapel. Toen hij daar kwam, veroordeelden zij hem, en velden over hem het doodsvonnis, dat de voogd dus uitsprak: "Deze booswicht heeft gepredikt tegen de Moeder Gods en tegen het christelijk geloof; om welke reden ik hem, vanwege mijn genadige heer, de bisschop van Bremen, beschuldig en tot de vuurdood veroordeel." Toen antwoordde Hendrik: ďDat heb ik niet gedaan; doch, o Heere! Uw wil geschiede." En, terwijl hij zijne ogen naar de hemel hief, zei hij: Heere vergeef het hun, want zij weten niet wat zij doen, Uw naam zij alleen geheiligd, hemelse Vader!"

Om hem de biecht af te nemen, kwam er een onwetende grauwe monnik tot hem. Hendrik vroeg hem: "Broeder, heb ik u ooit enig kwaad gedaan?" Hij zei "Neen". "Wat zou ik u dan biechten of wat van u verlangen mij te vergeven?" Beschaamd ging de grauwe monnik heen. Toen vielen zij met alle geweld op hem aan; de een sloeg hem met een degen op het hoofd, een ander met een zware hamer, een derde stak hem in de zijde, de vierde in de rug, ieder, zoals hij hem het beste kon treffen. Mr. Gunter moedigde het volk aan, ruide het op en riep: ďToe maar, lieve vrienden, hier woont God."

Hoe men het ook aanstak, het vuur wilde echter niet branden, en ging zelfs twee malen uit. Zij hielden en maakten dit uit voor toverij, en lieten intussen niet na hem te slaan en te steken, dat wel twee uren aanhield, terwijl hij gedurende die tijd alleen met een hemd bedekt en zijn ogen hemelwaarts geslagen voor de boeren stond.

Eindelijk haalden zij een lange ladder, waarop zij hem vastbonden, teneinde hem in het vuur te kunnen werpen. Toen begon het geloof van de goede martelaar van Christus zich in woorden te openbaren, doch een hunner sloeg hem met de vuist op de mond, en zei: ďEerst zult gij branden, en daarna kunt gij spreken, zoveel gij wilt." Vervolgens zette een ander de voet op zijn borst, en bond hem, teneinde hem te worgen, met de hals zo stevig aan een sport, dat mond en neus bloedden; want deze beul zag, dat hij van de wonden, waarvan men hem er twintig had toegebracht, niet sterven kon.

Daarna richtten zij hem met de ladder op, zoals de plaat te zien geeft en een hunner zette zijn hellebaard daaronder, om die te helpen oprichten, aangezien de stad geen scherprechter had, doch de hellebaard schampte van de ladder, en doorstak de heiligen martelaar, terwijl de ladder ter zijde van de brandstapel viel.

Toen hielp Johan Holm, en nam een zware hamer, en sloeg hem daarmee zo lang op de borst, dat hij stierf, en zich niet langer verroerde; en daar het vuur niet branden wilde, verschroeiden zij zijn lichaam op de kolen. Doch daar dit op deze wijze niet kon verbrand worden, hieuwen zij het des anderen daags, zijnde acht dagen voor het kerstfeest, handen en voeten af, staken het vuur op nieuw aan, verbrandden daarin de afgehouwen leden des lichaams, terwijl het overschot daarvan werd begraven, en zij als onzinnigen daarom dansten en sprongen.

 

Johannes, van Dithmarsen

 

[JAAR 1524.]

 

In dezelfde stad Dithmarsen werd ook, om de naam van Jezus Christus en Zijn heilig Evangelie, gevangen genomen een zeker man, Johannes genaamd. Deze heeft niet alleen grote smaadheid en verdriet geleden, maar werd ook, daar hij zich standvastig aan de Evangelische waarheid vasthield, ter dood gebracht.

 

Gaspar Tauber en Georgius, een boekbinder

 

[JAAR 1524.]

 

Nadat Gaspar Tauber, een burger uit Wenen, in Oostenrijk, de kennis der waarheid uit enige gedrukte boeken verkregen had, en de slavernij der christenen onder de tirannie van de antichrist inzag, begon hij de christelijke vrijheid hij enige zijner medeburgers te Wenen te verdedigen en voort te planten. Daarom werd hij gevangen genomen, en in een zeer onreine gevangenis geworpen. Terwijl hij daar zat, zond de bisschop Johannes dikwerf enige godgeleerden naar hem, om hem van gevoelen te doen veranderen, en tot de schoot der roomse kerk te doen terugkeren. En, toen zij dachten, dat hij hun enige hoop op herroeping gegeven had, spraken zij een vonnis over hem uit, dat in de drie volgende hoofdstukken bestond.

1. Dat hij al zijn dwalingen, in al de Lutherse artikelen vervat, op die feestdagen, na de predikatie in de St. Stephanuskerk, voor de predikstoel overluid zou herroepen, en de verboden boeken verbranden.

2. Dat hij op drie volgende Zondagen blootshoofds en barrevoets, in een boetekleed, met een strop om de hals, zo lang de mis duurde, voor de deur van de St. Stephanuskerk zou staan, en, tot een teken van boetvaardigheid, een brandende fakkel in de hand houden; en op de Vrijdagen voor die Zondagen niets dan brood en water zou eten, en drie arme lieden van spijs voorzien.

3 Dat hij gedurende een geheeljaar in de gevangenis boete zou doen, en enige van zijn bezittingen afstaan, ten behoeve van de oorlog tegen de Turken, al de onkosten van het rechtsgeding betalen, en zijn gehele leven een kruis dragen, opdat hij altijd uit anderen zou kunnen gekend worden.

Toen men meende, dat hij dit alles doen zou, werd hij op het feest van Mariaboodschap in de kerk geleid, opdat hij uit een geschrift al de artikelen zou herroepen. Nadat de predikatie geŽindigd was, beleed hij met groten ijver in het openbaar, dat hij niet wist, dat hij in enige zaak gedwaald had, en dat hij alleen geloofde en leerde, wat in de Heilige Schrift was vervat. Toen de genoemde geestelijkheid door bedreigingen, noch smeken en bidden iets vorderde, werd hij weer naar de gevangenis gebracht, en op een verschrikkelijke wijze gemarteld en gepijnigd. Eindelijk werd hij uit de gevangenis naar het klooster der Augustijnen overgevoerd, waar hij onverhoord door de geestelijke orde als een ketter werd veroordeeld, en aan de wereldlijke overheid overgeleverd, om door baar gestraft te worden, die dan ook terstond zijn handen in boelen sloeg. Gaspar klaagde er over, dat het onbehoorlijk was, iemand te veroordelen zonder eerst zijn verontschuldiging gehoord te hebben. Maar daarmee vorderde hij niets, zodat de omstanders met grote meedogendheid zich over zulk een rechtsgeding verwonderden.

Op de 17de September van het jaar 1524, des morgens ten 6 uur, werd hij op een kar gezet, en met de meesten spoed naar de gerichtsplaats buiten de stad gevoerd, zodat er nauwelijks honderd toeschouwers hij deze handeling tegenwoordig waren.

Toen hij de kar verliet, bad hij zeer aandachtig tot God zijn Heere,en antwoordde de priester die hem dwong zijn zonden te belijden en voor zijn ziel te zorgen: "Mijn ziel is in Christus mijn Heere zeer goed bezorgd." Daarna vermaande hij de omstanders, dat niemand hunner hen, die het vonnis der rechters uitvoerden, later verkeerd moest bejegenen. Eindelijk zei hij drie malen: "Heere in Uw handen beveel, ik mijn geest." En, toen hij dit gezegd had, sloeg hem de beul het hoofd af. Daarna werd zijn lichaam verbrand, en aldus is de vrome martelaar van Christus tot as vergaan, en de haat der vijanden aan hem openbaar geworden.

In hetzelfde jaar werd ook te Wenen een boekbinder, Georgius genaamd, om de belijdenis van de waarheid, door een zware straf op de brandstapel Gode opgeofferd.

Te Praag in Bohemen, werd ook nog een ander christen verbrand, omdat hij het goddeloze leven (Ier priesters en de schandelijke kloosterbeloften vaarwel had gezegd, en tot een eerlijk en Gode welbehaaglijk leven in het huwelijk was overgegaan.

Inderdaad, het is zeker, dat deze en anderen, die voor de naam van Jezus Christus sterven, om een geheel andere reden deze pijnigingen lijden dan dieven, rovers, moordenaars en andere misdadigers, die een rechtvaardige straf wegens hun boze daden moeten dragen. De gelovige christen wordt bewogen dit te lijden ter ere van God en tot stichting van zijn naaste. Doch de wereld sluit, volgens haar gewone ondankbaarheid en goddeloosheid haar ogen, opdat zij deze heerlijke roeping van God en de belijdenis des geloofs in de martelaren niet zien zou; en wat nog erger is, zij meent dat zij Gode er een dienst mee bewijst en een offer brengt, wanneer zij aan deze dienstknechten van Christus zulke wreedheden pleegt. En toch zal dit ongeloof der mensen nimmer de waarheid Gods teniet doen, noch de vromen beroven van de kroon der rechtvaardigheid, die in de hemel is weggelegd voor allen, die de waarheid hebben voorgestaan; die, naar het voorbeeld van Mozes, liever wensten met Gods volk kwalijk behandeld te worden, en in alle armoede en verdrukking te verkeren, dan hier met de goddeloze eer, tijdelijk gewin en de wellusten des levens te genieten.

 

Nicolaas Hottinger

 

[JAAR 1524.]

 

Nicolaas Hottinger was van een oud en aanzienlijk geslacht uit het eedgenootschap, te ZŁrich, en van beroep een schoenmaker. Toen hij, tijdens de hervorming, door Ulrich Zwingi, in die tijd leraar te ZŁrich, de roomse dwalingen en de evangelische waarheid leerde kennen, was hij derwijze met ijver daarvoor bezield, dat hij overal, waar hij als schoenmaker werkzaam was, de lieden met getrouwheid in de ware godsdienst onderwees en vele van hen bekeerde.

Daar hij ook te Tagerfeld, in het graafschap Baden, waar hij zich geruime tijd ophield, hetzelfde deed, en vele goedgezinde lieden tot Christus bracht, werd hij eindelijk door de landvoogd daar gevangen genomen, en van Baden naar Luzern gebracht, waai, hij, na een volstandig afgelegde belijdenis der waarheid, op de 14e Maart 1524 door het zwaard werd omgebracht.

 

Johannes Castellanus

 

[JAAR 1524.]

 

In het jaar onzes Heeren Jezus Christus 1524 leefde er een dokter in de godgeleerdheid, Johannes Castellanus genaamd, geboren te Doornik. Hij was een Augustijner monnik, en toen hij de ware kennis van Jezus Christus en van Zijn heilig Evangelie verkregen had, werd hij een zeer getrouw dienaar van het Evangelie, en verkondigde dat met bijzondere ijver in Frankrijk, te Barle-Duc, niet ver van de stad Vitri gelegen, te Chalons-sur-Marne, en ook in de stad Wijck, de woonplaats van de bisschop van Metz, daarna ook in de stad Metz, waar hij met grote vrijmoedigheid in het openbaar het Woord Gods predikte, en de vele gruwelen van het pausdom aan het licht bracht, waarom de dienaren van de antichrist hem zeer vijandig vervolgden, en alle middelen aanwendden om hem gevangen te nemen. Doch, aangezien zij dit in de stad Metz niet durfden doen, wachtten zij, totdat hij van daar zou vertrekken. Nauwelijks had hij dan ook die stad verlaten, of de dienaren van de kardinaal van Lotharingen namen hem te Gorse, een abdij hij Metz gelegen, gevangen, van waar hij door hen gebracht werd naar het kasteel Nommeny.

Dit geschiedde niet zonder grote ontsteltenis der bewoners van Metz, die het zeer euvel duidden, dat hun getrouwe dienaar dus in het genoemde kasteel werd gevangen gehouden; waarom zij ook enige onderdanen van de kardinaal gevangen namen, en geruime tijd opgesloten hielden. Eindelijk verscheen de abt van St. Anthonis, te Wenen, Theodorus Chaumont genaamd, die zich uitgaf voor de generaalvicaris van de genoemden kardinaal, zo in het wereldlijke als geestelijke, in de bisdommen Metz, Totil en Verdun, voorzien van brieven en een bevel van de paus, en bracht het door velerlei bewijzen en verzoeken aan de Raad van Metz eindelijk zo ver, dat de onderdanen van de kardinaal werden losgelaten.

Niettegenstaande dit alles, werd Johannes Castellanus van de 4e Mei 1523 tot de 12e Januari 1524, in het kasteel Nommeny wel verzekerd bewaard en wreed mishandeld, gedurende welke tijd hij de leer der goddelijke waarheid zeer standvastig beleed en getrouw verdedigde. De vijanden der waarheid werden zeer verstoord op hem, en zeiden, daar zij hem niet konden wederleggen: "Ziet toch, welk een verleider deze is; hij betovert alle mensen die met hem twisten, zodat niemand hem kan overwinnen. Men moet daarom zulken vermijden, opdat zij niemand met hun leer verstrikken." Wee echter, zodanige lasteraars, die het goede kwaad, en het kwade goed, die het licht duisternis en de duisternis licht noemen. Immers, zij wilden niet opmerken, dat het de Geest van God was, die door hem sprak, en die hem mond en wijsheid gaf, die zij niet konden tegenspreken.

Op de 12de Januari werd hij van daar overgebracht naar de stad Wijck en het kasteel daar, waar hij met grote standvastigheid in de genoemde leer der waarheid volhardde, zodat hij door geen vermaningen, beden noch bedreigingen tot herroeping kon gebracht worden, maar tot het einde getrouw bleef aan zijn Heer Jezus Christus. Om die reden zettenzij het rechtsgeding tegen hem voort. De wijbisschop ontzette hem eerst van het priesterschap, terwijl zijtje dienaren hem het priesterlijk gewaad uittrokken, dat hij tot dusverre nog droeg, en deden hem een gewoon kleed aan. De bisschop sprak hem op de volgende wijze aan: Wij willen, dat de wereldlijke overheid thans u, die van elke geestelijken rang en alle voorrechten beroofd bent, in haar zorg neme." Daarna zei hij, op zeer geveinsden toon, zoals hun gewoonte is: "Heer rechter, wij bidden u, om Gods wil, dat gij met alle barmhartigheid jegens delen ellendigen mens gezind mag zijn, en geen besluit over hem nemen, waardoor hij zijn leven zou verliezen, of enig lid van zijn lichaam gekwetst zou worden."

Toen Johannes Castellanus aan de wereldlijke overheid overgeleverd was, veroordeelde hem het bestuur der stad Wijck om levend verbrand te worden. Met een zeer standvastig en kloek gemoed onderging hij de straf op bijna 50-jarige ouderdom.

 

Johannes Hospinianus of Weert, en zijn beide zonen, Johannes en Adrianus, benevens Burchard Ruijteman

 

[JAAR 1524.]

 

Johannes Hospinianus en zijn beide zonen werden geboren in het vlek Stanheim, een grote en oude parochie, gelegen in het lage rechtsgebied van de stad ZŁrich, maar in het hoge of halsgericht, onder het LandGraafschap Thurgau, toebehorende aan het oude eedgenootschap. Sinds oude tijden stond daar een zeer vermaarde kapel, die ter ere van de heilige Anna, moeder van de maagd Maria, was gesticht, en door de bijgelovige lieden van nabij en verder gelegen plaatsen en landen werd bezocht.

Toen in het jaar 1523, na een in het openbaar gehouden gesprek te ZŁrich, de vrome Raad daar door een algemeen bevel gelast had, uit al de kerken de beelden weg te nemen, werd in het volgende jaar 1524 ook bovenvermelde St. Annakapel daarvan gezuiverd; onder welke beelden ook een kostbaar stuk, het geboorteregister van St. Anna, op de heiligen dag van Johannes de Doper, werd weggenomen.

Dit werd, benevens door vele anderen, zeer euvel geduid door de landvoogd van Thurgau, die te Frauenfeld woonde, en die dit voor een grote misdaad beschouwde, waardoor de dood verdiend werd. Hij bedreigde dan ook dit ten zwaarste te zullen straffen. Hij gaf hiervan alleen de schuld aan Johannes Hospinianus, de onderstadhouder van Stanheim, en aan diens beide zonen, die hij dan ook, zolang hij regeerde, zeer haatte, maar hen toch niet durfde straffen.

Later kwam te Frauenfeld een nieuwe landvoogd, geboren te Scheijts die reeds hij de aanvang van zijn regering de inquisitie inriep, en in de nacht van de 7eJuli Johannes Oechstlen, predikant te Burg, hij Steyn aan de Rijn, liet gevangen nemen. Hierover ontstond een grote beweging, en er werd zelfs een moordgeschrei aangeheven, zodat alle bewoners van Thurgao daarheen gingen, om de gevangene uit hun handen te rukken en te verlossen. Doch het was te laat, daar hij reeds weggevoerd was.

De bewoners van Thurgau in ZŁrich legerden zich te Wingen in het Karthuizerklooster, aan de rivier Tur gelegen, en gingen zelfs op de 8e Juli zo ver van in dit klooster te eten en te drinken, en ei, schandelijk huis te houden.

Wel zocht de onderstadhouder Hospinianus, die niet ver van daar woonde, en een aanzienlijk en zeer geacht man was, het volk daarvan af te trekken, en tot stilte te vermanen, maar al zijn pogingen waren tevergeefs.

Daarna staken enige moedwillige lieden het klooster in brand en vernielden het. Toen dit de Raad van ZŁrich ter oor kwam, het hij terstond zijn onderdanen, alsook de bewoners van Thurgau, door zijn afgezanten aanzeggen dat zij hun verkeerdheden zouden staken, en wel omdat de onderstadhouder Hospinianus, die aan deze daad niet schuldig was, maar wel begreep, dat hij daarvan de schuld zou moeten dragen, hierover had geklaagd.

Vervolgens werd er Ďs maandags voor St. Margaretha door de regerende Stenden een vergadering te Frauerifeld belegd, teneinde inlichting te bekomen omtrent dit oproer en de brand. Op Dinsdag na St. Margaretha had er weer een andere vergadering plaats te ZŁrich, waar men de gehele schuld van het oproer en de brand wierp op de oude onderstadhouder Hospinianus en zijn beide zonen, als ook op Buchard Ruijteman, onderstadhouder te Nusbaumen, mr. Coenraad Steven, de heer Erasmus Smijden, bedienaar des goddelijke Woords te Steijn, die door de pausgezinden Stenden bedreigd werd, dat zij hem door de rechterlijke macht zouden laten halen. Hierover ontstond zulk een groot oproer, dat een openbare oorlog scheen te zullen uitbarsten. Intussen verlieten de beide laatstgenoemde personen Steijn, en wisten zich te redden.

ZŁrich, dat alleen volkomen de Hervorming had aangenomen, liet de vier eerstgenoemde personen aan een onpartijdige rechter in bewaring geven en onder borgtocht stellen, ondervoorwaarde, dat men geen geweid, maar recht aan ben doen zou.

En, ofschoon zij, na een bedaard en onpartijdig onderzoek en de uitspraak van het recht, aan zulk een oproer, plundering en het verbranden van het klooster onschuldig werden bevonden, werkte het toch niets uit; het geschiedde zelfs, dat de pausgezinde orde, die op onstuimige wijze raasde en tierde, dreigde de gevangenen, niettegenstaande de borgtocht te halen, wat hun eindelijk gelukte, doch onder uitdrukkelijke voorwaarde, dat men hen niet dan over het oproer en de brand zou onderzoeken. Toen zij op de Vrijdag voor St. Bartholomeusdag naar Baden tot de algemene eedgenoten overgebracht werden, ontstond er hij hun aankomst te Baden een grote oploop van volk, bestaande zo uit ingezetenen als vreemdelingen, die daar toen waren.

Toen de gevangen vader Hospinianus dit zag, zei hij tot zijn zonen: Ziet lieve zonen, wordt heden aan ons niet vervuld, wat Paulus zegt:, Wij zijn een schouwspel geworden der wereld en de Engelen en der mensen." En, toen hij de stadhouder van Frauenfeld onder het volk zag, drong.hij door het volk hem te gemoed, en reikte hem de hand toe, maar de stadhouder weigerde die aan te nemen, waarop Hospinianus zei: ďHeer stadhouder wees niet toornig, want God in de hemel leeft, en ziet alle dingen."

Daarna werden zij naar de toren van de Mellingerpoort geleid, en Ďs zaterdags op nieuw door de daartoe bestemde gezanten der eedgenoten onderzocht betreffende hun geloof, alsook over het afschaffen der beelden, dat tegen de gemaakte voorwaarde der heren van ZŁrich plaatshad, die alleen hadden ingewilligd en toegestaan, dat men hen over het oproer en de brand, en niet over hun geloof zou ondervragen, zoals ook de ZŁrichse afgevaardigden van de Raad met allen ernst beweerden. Door de gezant van Bern echter werden zij met bittere woorden bejegend. Hieruit ontstond grote onenigheid, zodat de gezanten van ZŁrich opstonden, en deze heerszuchtige handeling niet langer wilden bijwonen; doch de pausgezinde gezanten gingen evenwel met deze ondervraging en het onderzoek voort. En hierbij bleef het niet, want, ofschoon de stadhouder van Frauenfeld vele dingen had onderzocht, en daarvoor getuigen verzameld had, werd toch de oude vader om deze zaken gruwelijk gepijnigd, zodat hij met tranen in de ogen had, dat men hem toch van de martelingen enigermate zou verschonen, en zich met het gedane onderzoek en de bijgebrachte gebeurtenissen tevreden stellen, en wel, omdat hij de oprechte en grondige waarheid ervan had betuigd.

Hierop werd Johannes, de oudste zoon, die in de genoemde St. Annakapel te Opperstanheim kapelaan of tweede dienaar geweest was, op de pijnbank gelegd, en ondervraagd, hoe hij aan zijn ketterse gevoelens gekomen was, onder bedreiging, dat zij hem, zoals met de beelden had plaats gehad, zouden verbranden. Verantwoording, bidden noch smeken mochten baten, daar men, zonder enige barmhartigheid te tonen, voortging hem op de gestrengste wijze te pijnigen, zodat hij eindelijk zei: ďO barmhartige God, kom mij te hulp en troost mij." Een van de gezanten voegde hem toe:"Waar is nu uw Christus? Gij booswicht, zeg uw Christus, dat Hij u nu helpt!" 'Waarop hij zuchtende antwoordde: "Hij zal het ook doen."

Spoedig daarna werd ook mr. Adrianus, de jongste zoon, die ook in Neder-Stanheim kapelaan of tweede dienaar was geweest, naar de pijnbank geleid, tot wie een der gezanten zei: Heer zeg ons de waarheid. Wie heeft het klooster verbrand, en vanwaar hebt gij uw geloof? Want ik verklaar u hij mijn ridderschap, dat ik verkregen heb aan plaatsen, waar God de pijn en de dood heeft ondergaan, dat men u, wanneer gij het niet zegt, de een ader na de andere zal uitscheuren. Wij hebben uw vader met uw ketterse leer onderzocht, en wees er van verzekerd, dat wij hem zullen doden, waaraan wij ons land en onze onderdanen willen wagen, opdat dit vuil en ketters geloof worde uitgeroeid." Adrianus bad, dat men toch niet zo tegen hem zou woeden, maar hem genade bewijzen, en alleen naar de waarheid vragen. De gezant antwoordde: "Adrianus, de Apostelen hebben zo niet gehandeld, maar hun dood met vreugde begeerd."

Hoewel Adrianus hen altijd, in alle redenen en tegenspraak vriendelijk bejegende, werd hij toch eindelijk aan het touw vastgemaakt en opgetrokken. Een van de gezanten zei in die ogenblikken: "Adrianus, dat is het geschenk waarmee wij u op uw bruiloftsfeest vereren." Adrianus had zich namelijk kort tevoren met een meisje uit Beijlingen te WinterthŁr verloofd.

Eindelijk bracht men ook de bovengenoemde Ruijteman voor, die men insgelijks omtrent alle zaken met ijver en onder vele pijnigingen ondervroeg ofschoon het avond werd, en de gezanten vermoeid waren.

De volgende Zondag, toen men hen samen in ťťn gevangenis had gebracht, vertrokken de gezanten op dezelfde dag, om hun oversten van alles verslag te doen.

Veertien dagen daarna, des Zondags na St. Urenen, kwamen de gezanten weer samen, en onderzochten de gevangenen onder pijnigingen andermaal, doch bevonden niet, dat zij aan het verwekken van oproer en het stichten van de brand schuldig waren; dat zij, integendeel, naar hun beste vermogen dit alles hadden trachten te behoeden en te weren.

Op Dinsdag de 6den September werd door de secretaris van Baden hun bekentenis op schrift gesteld, en aan de overheden afgegeven.

Drie weken later werd er weer door de gezanten een vergadering te Baden gehouden. Ten gunst van de gevangenen werd daar een dringend verzoek gedaan, zowel door de inwoners van ZŁrich alsook door de ketterin Anna, die daar zelf verscheen, om voor haar gevangen man Hospinianus en haar beide zonen in de bres te springen, doch alles was tevergeefs. Evenmin hielp het, dat Hieronymus, hoog ambtenaar te ZŁrich, die twee malen stadhouder van Thurgau was geweest, getuigde, dat de bedoelde onderstadhouder een eerlijk, gehoorzaam man was, die gunstig hij de overheid stond aangeschreven, en wie zij zeer genegen waren, die jegens vreemdelingen en landgenoten gastvrij, getrouw, oprecht, redelijk en nooit oproerig was geweest, zodat zijn huis gelijk aan een klooster en gasthuis was. Doch door de Raad werd hun geantwoord, dat hij moest sterven, omdat hij de grootmoeder van Christus, de zalige Anna, de moeder van de moeder Gods, verbrand had. Zij voegden er hij, dat, wanneer hij slechts had gestolen, geroofd, gemoord of ketterij bedreven, zij hem dan zouden verschonen.

Op Woensdag de 2881 September, in de avond van St. MichaŽl, in het jaar 15211, kwamen de eedgenoten van de negen regerende Stenden op het Raadhuis te Baden samen. Die van ZŁrich, die de Evangelische godsdienst beleden, waren, aangezien hun voorbede niet had geholpen,afgetreden, en hadden zich verwijderd, daar zij niet in de Raad der bozen wilden zitten. De vergaderden spraken over de gevangenen dit vonnis uit, dat Johannes Hospinianus, onderstadhouder te Stanheim, en Johannes, zijn zoon, alsmede Borchard Ruijteman, onderstadhouder te Nusbaamen, door het zwaard zouden sterven; maar dat Adrianus, als de jongste zoon, aan zijn moeder, die zoals boven verhaald is, voor hem vergeving afgesmeekt had, zou terug gegeven worden.

Toen dit vonnis de gevangenen in de toren werd meegedeeld, zei de vader tot Adrianus: "Mijn zoon, daar God u nu het leven wil sparen, zie wel toe, dat gij, noch iemand van de onze zich vermeet om deze onze onschuldige dood te wreken. De wraak behoort God in de hemel alleen toe, Die zal te Zijner tijd al het onschuldig bloed wreken. Hij wil ons genade bewijzen, en in het ware geloof ten einde toe versterken."

Toen nu Adrianus hierover bitterlijk weende en zeer bekommerd was, zei Johannes, zijn broeder, tot hem: "Mijn broeder, gij weet, dat wij Gods Woord getrouw verkondigd hebben, en wel aldus, dat wij ten allen tijde het kruis ervan gedragen hebben; ween daarom zo niet, en houd op met schreien. Ik breng lof en dank aan God, dat Hij mij op deze dag waardig acht, om de wil van Zijn heilig Woord te lijden en te sterven; Zijn heilige naam zij hoog geprezen in eeuwigheid! Het geschiedde, gelijk het Hem behaagt."

Intussen troostten zij elkaar en bereidden zij zich voor, totdat het uur van hun dood slaan zou met christelijke spreuken uit Gods Woord, en bevalen Adrianus om dit ook de hunnen mee te delen, en hen te troosten, daar zij niet wegens enige schande of oneer, maar alleen om Gods wil moesten sterven.

Negen volle weken brachten deze vrome mannen op verschillende plaatsen in de gevangenis door, in welke tijd zij niet van klederen noch hemden verwisselden. Zij werden door die wrede martelingen meer en meer ontzenuwd, afgetobd en krachteloos. Maar zij betuigden, dat zij er verheugd over waren, omdat zij nu eindelijk van hun zwakke lichamen en zware pijnigingen zouden bevrijd worden, en loofden daarom God in hun lijden, en hielden in getrouwheid aan in het gebed.

Toen nu de tijd van hun sterven genaakte, verzamelde zich een grote menigte, door welke men de drie mannen leidde, die vol geduld en gewillig daarheen gingen, terwijl velen hun tranen niet konden bedwingen. Voor het Raadhuis werden hun de bekentenissen voorgelezen, en aangezien deze meer op gezegden van anderen, dan op hun eigen woorden waren gegrond, sprak de onderstadhouder Hospinianus enige artikelen in het openbaar tegen, en betuigde, dat die hem nooit in de zin waren gekomen. Zijn zoon Johannes zei daarop: "Niet alzo, lieve vader, niet alzo; maar laat het alles waar zijn en zo blijven, de Heere, Die in de hemel is, weet wel wie en wat wij zijn, en hoe alle dingen zijn geschied. Aldus moet de antichrist Zijn zaak met liegen en bedriegen bemantelen. Het grote gericht dezer wereld zal aanbreken, waarin al het verborgen en de waarheid, zoals het behoort, aan de gehele wereld zal geopenbaard worden. Met geloof en lijdzaamheid zullen wij thans alles overwinnen."

Nadat hun de bekentenissen en het vonnis waren voorgelezen, sloeg de beul van Locaris het eerst de handen aan Johannes, bond hem, en leidde hem weg.

Deze sprak, ten volle vertroost, van Christus, van Diens verdiensten, en de zaligheid, waardoor hij zelfs vele zielen in het geloof versterkte. Daarna bond de beul van Luzern de beide onderstadhouders samen, en volgde achter de eerste beul. Zij werden begeleid door de priester Galli, kerkelijk dienaar te Baden, die hun veel van de pauselijke leer op het hart wilde drukken, doch waartegen zij het hoofd schudden, en er geen gehoor aan wilden geven.

Toen zij op de brug tegen het slot gekomen waren, waar vroeger de kapel van St. Joost stond, doch welke, zo ook de brug in die Lindmaat, de 28sten Augustus 1568, door een watervloed ondermijnd en weggespoeld werd, vermaande hen de genoemde priester, dat zij zouden neerknielen en de heiligen Joost aanroepen. Doch Johannes keerde zich terstond om en zei: "Waarom zouden wij voor hout neerknielen, en dat aanroepen? God in de hemel behoort men alleen aan te roepen; wend u ook tot Hem met oprecht berouw, want gij zult geen grauwen rok meer verslijten zo min als ik." Dit gezegde van hem aan de priester werd ook vervuld, want binnen een jaar stierf hij. Johannes wendde zich ook tot zijn vader en zei: "Mijn vader, ik bid u, wil toch niet afwijken van wat gij onderwezen hebt, en waarvan gij weet, dat het de waarheid is. Gij weet, dat er maar ťťn Middelaar is tussen Goden de mens, welke is onze lieve Heere Jezus Christus, onze enige troost en Heiland." Daarop antwoordde de vader: ďLieve zoon, met Gods hulp zal ik zeker daarbij blijven tot het einde." Hierop baden zij overluid het Onze Vader, en zeiden de artikelen van het geloof op, totdat zij op de gerichtsplaats kwamen, waar Johannes terstond afscheid van zijn vader nam en sprak: "Vriendelijke, hartelijk geliefde vader, voortaan bent gij niet meer mijn vader, noch ik uw zoon, maar wij zijn broeders in Christus onze Heere, om Wiens naams wil wij thans de dood moeten ondergaan. Met Gods hulp zullen wij tot Hem komen, Die de Vader is van ons allen, en hij Hem met alle uitverkoren heiligen eeuwige rust, vreugde en zaligheid genieten. Daarom, vriendelijke, lieve vader, en broeder in Christus, weesgetroost, geef u aan de Heere over, en laat hem begaan." Daarop sprak de vader: "Amen! Zo zegene u God, de almachtige, welgeliefde zoon en broeder in Christus! Hem zij lof, eer en dank in eeuwigheid!" Velen waren bedroefd van hart om dit afscheid.

De onderstadhouder Ruijteman sprak weinig; hij bad en luisterde toe naar hetgeen Johannes en diens vader met elkaar spraken.

Na dit alles werd Johannes het eerst naar de gerichtsplaats gevoerd, en ontkleed om onthoofd te worden. Het omstaande volk vermaande hij ernstig tot eenheid en christelijke liefde, en dat zij met naarstigheid Gods Woord zouden lezen en volgen. Hij verzocht ook ieder, dat zij hem door het Onze Vader God zouden helpen aanroepen, en vroeg om vergeving, indien hij iemand iets misdaan had, zoals hij ook ieder gewillig vergeven had. Eindelijk knielde hij in de naam van Jezus Christus, en werd onthoofd.

Daarna werd ook de vader door de genoemden scherprechter naar de gerichtsplaats gevoerd; en toen hij insgelijks knielde in de naam des Vaders, des Zoons en des Heilige Geestes, en zijn ziel Gode had bevolen, werd hij onthoofd.

De priesters fluisterden de onderstadhouder Ruijteman onophoudelijk in het oor, dat hij Onze Lieve Vrouw en de heiligen moest aanroepen; maar hij bad het Onze Vader, en toen hij in Gods naam knielde, werd hem het hoofd afgeslagen. De priesters maakten de onwetenden hoop wijs, dat hij begeerd had een zielsmis voor hem te doen; doch niemand had dit ooit van hem gehoord. Intussen bracht dit hun veel geld op.

Een zodanig einde hadden deze drie aanzienlijke vrome mannen. En, of dit nog niet genoeg ware, moest de arme, bedroefde weduwe boven dit alles aan de pausgezinde orde betalen zes honderd Duitse guldens voor de gemaakte onkosten en bovendien honderd vijftig gulden voor de vertering, gemaakt hij hun verblijf in de gevangenis, en voorts nog tien kronen aan de wrede beul, zodat er in het geheel geen barmhartigheid getoond werd.

Adrianus Hospinianus, die, gelijk boven verhaald is, aan de moeder was teruggegeven, werd door de achtbaren Raad van de stad ZŁrich in de parochie Altorf, in hun graafschaap Kijburg gelegen, aangesteld, en spoedig daarna tot deken van dit hoofdstuk gekozen. Beide ambten bediende hij met alle naarstigheid en getrouwheid tot aan zijn dood, waar hij ook de 9den Februari 4563 stierf, nadat hij hij zijn tweede vrouw, Dorothea Wolphy, zuster van Johannes Wolphy, de godgeleerde, een zoon had verkregen, Rudolf Hospinianus, die door zijn uitnemende geschriften bijna hij ieder bekend is.

 

Johannes de Klerck

 

[JAAR 1525.]

 

Johannes de Klerck, geboren te Melden, was de oudste broeder van Pieter de Klerck, van wie wij later zullen spreken. Deze Johannes werd, in het jaar onzes Heeren 1513, in de stad Melden gevangen genomen, omdat hij aan de deuren van de grote kerk aldaar enige artikelen aangeslagen had tegen de gezonden aflaatbrieven van de paus, waarin hij schreef, dat de paus de antichrist was. Hierom werd het volgende vonnis over hem uitgesproken, namelijk, dat hij gedurende driedagen, op zekere tijden, met roeden zou gegeseld, en hem een schandteken aan het voorhoofd zou ingebrand worden. Toen zijn moeder, die een oprechte en christelijke vrouw was, maat, een man had, die de waarheid haatte, zag dat haar zoon gegeseld en gebrandmerkt was, bemoedigde zij hem, en riep op luiden toon: "Zo moet Christus met zijn merktekenen in u leven." Daarna reisde de genoemde Johannes de Klerck, gestraft en gebrandmerkt, naar Rosoay, in Brie, en vandaar naar Metz, in Lotharingen, waar hij enige tijd woonde, en zich met zijn ambacht het wolkammen bezig hield.

Op zekere avond voor de dag, waarop men, even buiten de vesting der stad, aan enige beelden in een kapel grote eer zou bewijzen, kwam Johannes, met een goddelijke ijver, zoals de uitkomst leerde, ontstoken, aan de plaats waar de volgende dag de beelden zouden worden aangebeden, en sloeg die aan stukken. Toen nu de hogere geestelijken, priesters en monniken het volk met grote pracht en in processie daarheen leidden, en ontdekten, dat hun beelden geschonden en verbroken waren, bewogen zij de gehele stad, om de dader van dit feit te zoeken, die dan ook zeer spoedig werd gevonden.

Behalve dat men reeds vermoeden op hem had, hadden sommigen hem in de vroege morgen de stad zien ingaan. Hij werd daarom gevangen genomen, beleed zijn daad terstond. en gaf voor het gehele volk de reden op, waarom hij dat gedaan had. Het volk ontstak daarover dermate in gramschap en woede jegens hem, dat men terstond verlangde, dat men hem een gruwelijke dood zou aandoen. Nadat hij de zuivere leer van de Zoon Gods, Jezus Christus, voor de rechters en het volk met kloekmoedigheid had beleden, werd zijn vonnis geveld, en hij naar de plaats, Champasselle genaamd, gevoerd, waar hij zijn straf ontvangen zou. Men het hem een zeer wrede dood ondergaan. De beul hieuw hem eerst de rechterhand af, daarna werd hem de neus met scherpe tangen afgeknepen, zo ook de armen, de borsten afgesneden, en van zijn hoofd cirkelsgewijze de huid afgestroopt en met vuur verschroeid. Hij dit wrede schouwspel was niemand tegenwoordig, die zich niet ten hoogste hierover ontzette, voornamelijk toen zij de onoverwinnelijke standvastigheid zagen, waarmee God Zijn dienaar versterkte, die onder de grootste en zwaarste pijnigingen de volgende woorden uit de 115den Psalm op de lippen nam en uitsprak: Hunlieder afgoden zijn zilveren goud, het werk van mensenhanden," enz. Het leven, dat in dit ellendig lichaam nog over was, werd daarna spoedig door het vuur verteerd.

Dit geschiedde op de 29e Juli in het jaar onzes Heeren 1525.

 

Geschiedenis van de getrouwe martelaar van Jezus Christus, Johannes Pistorius, van Woerden

 

In het Latijn beschreven door Willem GnapheŁs, Rector van de Latijnse school te 's Gravenhage en medegevangene van Pistorius.

 

Later in het Nederlands vertaald.

 

[JAAR 1525.]

 

Johannes Pistorius, of de Bakker, van Woerden, in Holland, was uit aanzienlijke ouders geboren, en overtrof van zijn jeugd af in deugd en eerbaarheid des levens allen, die van zijn leeftijd waren. Reeds op 12-jarige leeftijd zong hij, daar hij een zeer heldere stern had, in de hoofdkerk te Utrecht, volgens de gewoonte van die dagen, met de hogere geestelijken, en stond hij het college der priesters in hoog aanzien. Nadat hij die jaren van zijn leven aldus had doorgebracht, en zijn stem begon te verzwakken, wilden de priesters hem nauwelijks ontslaan, om tot zijn studiŽn, die hij enige tijd vaarwel had gezegd, ja, bijna verlaten, met een bijzondere lust terug te keren. Tot onderwijzer had hij later meester Johannes Rhodius, een zeer beroemd opziener over het college van Hieronymus, een geleerd en tevens vroom man, die hem naarstig onderwees in de geboden der godsvrucht en de ware godsdienst, alsmede in de beginselen van zijn aanstaand ambt. Al spoedig werd deze leerling met zijn onderwijzer gehaat, daar men hem beschuldigde de gevoelens van Luther te zijn toegedaan. In deze tijd namelijk openbaarde zich de Evangelische waarheid reeds, en om die te bevorderen, reisde bovengenoemde Rhodius dikwerf naar Duitsland. De goede vader van Pistorius maakte zich voor de ondergang van zijn zoon zeer bevreesd, aangezien het vermoeden, dat hij de leer van Luther voorstond, dagelijks meer en meer toenam. Hij riep hem daarom uit de school naar huis, en beval hem nevens hem het kosterambt waar te nemen. In deze betrekking liet hij niet na de lof van het meer en meer helder schijnende Evangelie hij alle gelegenheden zijn medeburgers in te scherpen, en vele nieuwe planten tot Christus te leiden.

Van daar werd hij, om zijn verstand nog meerder te verrijken, naar Leuven gezonden, en aan Erasmus, de roem van Holland, aanbevolen, met wie zijn goede vader vroeger samen had gewoond, en in zijn jeugd veel had omgegaan, aangezien zij in ťťn school waren onderwezen. Het was verwonderlijk te zien, hoezeer Pistorius in korte tijd in kennis toenam. Doch de vader, die meer zag op het voordeel, dat hij door zijn zoon behalen kon, dan op diens studiŽn, overlegde hij zichzelf, hoe hij het best van zijn zoon partij kon trekken. Hij zond hem daarom naar Utrecht, om hem als dienaar in de godsdienst te laten wijden. De goede jongeling werd gedwongen, zich naar de wil van zijn vader te schikken, het leven der geestelijken aan te nemen, en de gevoelens van Luther af te zweren, wat hij in die tijd deed, voorzover de christelijke eenvoudigheid geen sekten kende. Evenals deze levenswijze Pistorius niet behaagde, betuigde hij ook hij herhaling, dat hij tot de slavernij van deze kerkelijke bediening was toe getreden alleen om zijns vaders wil, of om in dit leven er zich op te kunnen toeleggen de catechismus te beoefenen, zoals hij dit dan ook met groten ijver in zijn vaderland heeft gedaan. Daar het gerucht hiervan dagelijks toenam, werd hij spoedig daarna te Utrecht geroepen, om zich daarover te verantwoorden. Maar, aangezien hij de lagen bemerkte, welke men hem legde, weigerde hij in de vergadering der kwaadwilligen te verschijnen. De priesters van het college te Utrecht deelden de verachting, die Pistorius der vergadering toedroeg, aan het hof van Holland mee. Aangezien deze aanklagers daar geloof vonden, werd hij met een van zijn medebroeders door de gouverneur van het slot te Woerden gevangengenomen. Terwijl echter zijn tegenpartijders, uit vrees voor de burgers, zoals men meent, hen niet langer van ketterij beschuldigden, en wel in deze plaats, waar zij alles naar hun wil konden doen buigen, gebeurde het, dat, toen zijn metgezel door bloedgang werd aangetast, Pistorius, om de besmettelijke ziekte werd ontslagen uit de gevangenis, onder belofte, dat hij zich ten allen tijde aan het rechterlijk onderzoek zou onderwerpen. De geestelijken te Utrecht waren wrevelig dat deze prooi aan hun handen ontgaan was, en wisten door hun scherpe bedreigingen het zover te brengen, dat beiden een vrijwillige ballingschap aannamen. Uit liefde tot de ware godsvrucht gingen zij naar de gemeente te Wittenberg, in Saksen. Na drie maanden op deze reis doorgebracht te hebben, keerden zij weer naar hun vaderland terug. Toen die van Utrecht dit vernamen, riepen zij hen op nieuw voor hun gericht, teneinde hen van ketterij te zuiveren. Eindelijk werd hun bevolen naar Rome te reizen, en gedurende drie jaren buiten hun vaderland te blijven. Pistorius minachtte dit vonnis, en wilde geen voetbreed uit het stadje wijken, en nog minder volbrengen, wat hem gelast was.

Hierdoor werden zijn tegenstanders nog meer op hem verbitterd, zodat zij besloten hem te zullen doden, zo spoedig zij hem ergens onder hun gebied konden betrappen. Aan een overste der ruiterij werd de last opgedragen, zulk een ongehoorzaam mens en oproermaker gevangen te nemen en te Utrecht te brengen. Ondertussen hield Pistorius zich buiten het gebied van Utrecht op, doorreisde geheel Holland, en versterkte voortdurend de broeders en gemeenten, die tot eer valt de Heere vergaderden. Te Delft bezocht hij, met grote bereidwilligheid mij, en Cornelius Honius, een zeer kundig rechtsgeleerde, die ook met mij, omdat hij zich tegen het monnikenleven verklaard had, gevangen zat, en gaf ons door zijn toespraken een groot bewijs van godzaligheid. En, opdat deze goede man, wat hij leerde ook door daden zou bewijzen, wat zij echter voor ketterij verklaarden, trad hij, ofschoon hij priester was, in het huwelijk. Na zijn huwelijk bediende hij de mis niet meer, verliet de geestelijken stand, en het zich de kruin niet meer scheren. Ja, deze pas gehuwde achtte het niet beneden zich allerlei slaafse arbeid te verrichten. Nu eens was hij aan het bakken, dan weer aan het graven; op een anderen tijd werkte hij op het land, al naar ieder zijn hulp vroeg. Intussen hield hij zich ook bezig met de verkondiging van het Woord in de huizen, en bekleedde met naarstigheid het ambt van Evangelisch predikant, zodat het bleek, dat hij er een gewetenszaak van maakte, de minsten tijd in ledigheid door te brengen.

Terwijl hij zijn tijd met deze zaken, gelijk reeds gezegd is, ten goede besteedde, geschiedde het, dat de paus van Rome zijn rijk, dat dreigde teniet te gaan, ja reeds aan het zinken was, door nieuw uitgevonden aflaten, zoals men die noemt, zocht staande te houden. Deze aflaten werden nu niet meer, zoals vroeger, verkocht, maar tegen het gebruik om niet de boetvaardigen en die de mis bijwoonden in de hand gestopt. Toen deze aflaten ook in het stadje Woerden werden gebracht en aangeplakt, verzette zich deze martelaar daartegen als een muur voor het huis IsraŽls. Gelijk deze goede man de overleggingen van de satan bekend waren, zag hij ook spoedig de bedoelingen en bedriegerijen van de antichrist in. Hij begaf zich daarom naar de biechtkamer, en, o goede God! met welk een goede gesteldheid des harten ontdekte hij het bedrog van de aflaten. Teneinde velen tegen deze koophandel te stemmen, en hen voor het bedrog van deze aflaten te bewaren, nam hij geen geld aan, zoals gewone priesters doen, van hen die hij hem ter biecht kwamen. Hij maakte er zijn werk alleen van, om hij ieder de beginselen van de godsvrucht en van de christelijke godsdienst in te planten, de zwakke gemoederen in Christus te versterken en de geschokte gewetens door het Evangelie van Christus rust te schenken. Ten gevolge daarvan liepen de burgers met grote scharen tot Pistorius, waardoor de inkomsten van de gewone priester zeer verminderden. Deze werd daarover met wrevel vervuld, en wendde zich hij herhaling tot de overheid met het verzoek, zulk een mens, die het heilig sacrament, de openbare gebeden en het gezag van de paus verachtte, uit de heilige kerk te weren. In weerwil daarvan, werd de vromen martelaar door de broeders verzocht, dit godvruchtig begonnen werk niet te staken, opdat de koophandel van de paus dagelijks zou verminderen. In deze tijd bediende hij eens de mis, en liet eenmaal zijn hoofd scheren, en deed dit, omdat hij meer zag op de liefde en de tegenwoordige omstandigheden des tijd, dan om aan verkeerde hartstochten en begeerten toe te geven. Dit was de laatste en vierde mis, die hij als priester in drie jaren tijd bediende. Intussen, toen de huurling, de oude priester, gestorven was, veroorzaakte de roomse priester, die in zijn plaats gekomen was, een nieuw treurspel. Pistorius werd namelijk voor het stadsbestuur geroepen, en bevolen zijn zaak te verantwoorden. Daar werden hem vele vragen gedaan betreffende het pausdom, het vagevuur en de besluiten der kerkvaders. Met een spreuk bracht hij hen tot zwijgen, en betuigde dat God tevergeefs wordt geŽerd door geboden en instellingen van mensen. Hij zelf riep enige priesters samen, en wel ten getale van drie, die over zijn huwelijk zouden oordelen. Onder deze was er een, die, eer men tot het onderzoek overging, het voornemen en de rechtschapen handelingen van de nieuwe pastoor (Pistorius) bespotte en hem vroeg op wiens order hij in een vrije stad zulk een oproer verwekte. Doch, daar hij van de opperste rechter daartoe geen last had bekomen, ging hij beschaamd heen, en werd ook de vergadering opgeheven. De volgende dag nam hij van het Bestuur van Woerden een schriftelijk bewijs van het gebeurde, en zo bracht deze onbeschaamde lasteraar alles, zo hatelijk als hij slechts kon, aan het Hof van Vrouw Margaretha over. Op haar bevel werd Pistorius daarna weer gevangen genomen, en naar 's Gravenhage, zijn vaderstad, overgebracht, onder geleide van vier gerechtsdienaren. Op deze reis had hij nu en dan goede gelegenheid om te ontvluchten, doch hij beproefde dit nochtans niet, en betrad zelfs niet vreugde de gevangenis te, 's Gravenhage. Het gerucht hiervan, nieuw als het was, kwam, terwijl ik in de Latijnse school werkzaam was, Mij ter oor, en terstond nam ik de pen ter hand, en begon een verantwoording voor de gevangen broeder op te stellen, waarin ik zijn zaak, die rechtvaardig, en duidelijk te verantwoorden was, poogde voor te staan en te verdedigen, terwijl ik niet wist, dat ook mij, ten gevolge daarvan, het lot van in de gevangenis te geraken, boven het hoofd hing. Drie dagen daarna werd ook ik in dezelfde gevangenis gestoten, omdat ik door de kuiperij van de monniken verraden was, wier orde ik in mijn geschrift had afgekeurd. Met stilzwijgen ga ik het zeer aangename verkeer met deze man voorbij; en terwijl ik hier was, heb ik, bijna steelsgewijze, beschreven, wat hij mij meedeelde, vooral wat hem van de inquisiteurs bejegende, wat ik in de volgende samenkomsten getrouw zal verhalen.

Wilt gij, beminde lezer, dat ik u de man nader beschrijf, weet dan, dat hij recht en lang van persoon was, met een deftig en vergenoegd uiterlijk, een hoog voorhoofd, en een oprecht en vrijmoedig gelaat. Hij droeg lang, zwart en dun haar. Hij was sterk van gebeente, in de bloei van zijn jeugd, en had nauwelijks 27 jaren bereikt. In het redetwisten was hij wakker, in het onderwijzen duidelijk, in het vermanen vrijmoedig, en zeer ijverig in het bestraffen van zijn tegenpartijders. Zijngang was gelijkmatig en statig, de kleur van zijn huid helde een weinig naar het gele. Meerdere bewijzen, zo van zijn deugd als vroomheid, die ik in die tijd in hem opmerkte, zou ik kunnen meedelen, doch dit zou volgens het algemene spreekwoord, tevergeefs een krans van eikenloof uithangen zijn, waar wijn te koop is. Wie hij was, en hoe hem het hart gloeide voor God, hebben zijn martelaarschap en dood genoegzaam bewezen. Dit wilde ik van het leven dezes godvruchtigen mans, ofschoon zeer kort, meedelen. Neem zeer vriendelijke lezer, deze onze arbeid, die wij ten goede van de christelijke godsvrucht verrichten ten goede aan. En, wanneer het u behaagt, ook het volgende te lezen, zult gij met de Profeet moeten zeggen, dat God Zijn heiligen tot een muur heeft gesteld.

 

Het onderzoek der drogredenaars van Leuven, gedaan naar het geloof van Pistorius

 

Voorrede van GnapheŁs

 

Wij geven u hier, onpartijdige lezer, de redevoeringen, die de uitnemende martelaar, Johannes Pistorius, met de Leuvense drogredenaars, die zich voor inquisiteurs of onderzoekers der ketterse boosheid uitgaven, gehouden heeft, en wel met geen mindere kloekheid van het hart en vertrouwen, als geleerdheid en godsvrucht. Wij geven u die met dezelfde oprechtheid en getrouwheid te lezen, als wij die in de gevangenis, waar wij samen waren, uit zijn mond vernamen, terwijl wij ons veroorloofd hebben de stijl wat te verbeteren. Aangezien deze zogenaamde godgeleerden hij herhaling met deze onze martelaar gesproken, en vete dingen op beuzelachtige wijze hebben voorgesteld, dunkt het ons goed het geheel van alles, wat er toen is gesproken, in vier twistgesprekken of samenspraken samen te vatten, opdat wij niemand door te grote uitvoerigheid van de lezing zouden afschrikken. Als in een spiegel is in deze samenspraken te zien, hoe deze beklagenswaardige drogredenaars zich gelijk blijven, en hoe ongelukkig zij strijden. Ofschoon zij zich beroemen onderzoekers der ketterijen, leraren der onwetenden, leidslieden der dwalenden en meesters der waarheid te zijn, zijn zij dit evenwel niet; want niemand onderwijst de onwetenden minder dan zij, en niemand leert de weg der zaligheid aan onkundigen minder dan zij. Dit alles zal uit deze twistgesprekken, die volgens hun wijze van handelen, en niet uit bitterheid of door ons verzonnen beschreven zijn, duidelijk kunnen gezien worden.

Dit eerste onderzoek, waarin enige punten van minder belang zijn voorbij gegaan, had plaats op de 14den Juli in het jaar onzes Heeren 1525.

 

Eerste samenspraak

 

De sprekers waren:

Magister Noster, Nikolaas a Montibus, inquisiteur.

M. N. Godschalk Rosemundus, bijzitter.

M. N. Ruard Tapper, van Enkhuizen, bijzitter.

Bucho Bernhard Vries, deken en burgemeester van 's Gravenhage.

Duvevortius Brunchus, procureur fiscaal.

Johannes Pistorius, van Woerden, gevangene.

 

Mont. Zeg mij Johannes, wilt gij dat wij Latijn spreken of Nederlands?

Pistorius. Doe, zoals gij wilt, het is mij om het even.

Mont. Mijn Heeren, wat zal ik dan het eerst vragen?

Rosemund. Laat ons tot de zaak zelf overgaan.

Tapper. In het geheel niet. Het zal beter zijn, dat men vraagt, of hij u houdt voor een bevoegd rechter.

Mont. Heer Johannes, zult gij mij ook oprecht antwoorden op wat ik u zal vragen?

Pistor. Ik zal antwoorden op alles wat recht is.

Mont. Leg dan uw hand op uw borst, en zweer, dat gij ons de waarheid zult zeggen van wat wij u vragen zullen.

Pistor. Ik vind mij bezwaard om veel te zweren; doch ik neem op mij te antwoorden naar de eis van deze rechtbank.

Mont. Wat, kent gij deze hand niet?

Pistor. Het kan wel zijn, dat zij het is; maar, ofschoon gij mij veel vraagt, heb ik niet voorgenomen ulieden te antwoorden, dan nadat ik eerst in het algemeen rekenschap heb gegeven van mijn geloof.

Mont. Wat vragen wij naar uw getuigingen? Antwoord op hetgeen wij vragen: Blijft gij nog hij deze uw belijdenis?

Pistor. Ik zal geen titel antwoorden, zo gij mijn protest niet inwilligt.

Mont. Maar wij zullen in geen dele toestaan, dat gij naar uw goedvinden zult protesteren. Antwoord, wat wij u vragen.

Pistor. Wat dwingt gijlieden mij aldus, dat ik naar uw zin zal moeten antwoorden? Wat is dat voor een onbillijkheid.

Duvevortius. Hij vraagt, wat billijk is, sta hem toe, dat hij zich naar zijn begeerte verklare.

Pistor. Gijlieden schijnt om niets anders hier gekomen te zijn, dan om mij in mijn woorden te vangen. Wat is dat voor een manier van doen?

Tapp. Ja, wij zijn er hier geheel op uit, om u tot betere gevoelens te brengen. Waarom weigert gij ons te antwoorden?

Bucho. Mijn vriend Johannes, opdat gij de zaak goed mag inzien; hier hij ons, is de commissaris van de keizer, om rechter in uw zaak te zijn.

Munt. Ziehier het schriftelijk bewijs van mijn last.

Tapp. Dat het artikel gelezen worde, hetwelk de inhoud van het bevel behelst.

Pistor. Ik geloof wel, dat het door de keizer hierheen is gezonden.

Tapp. Het is genoeg. Hij erkent de rechter.

Mont. Wat zegt gij dan van deze uw belijdenis?

Pistor. Wanneer ik de verklaring van mijn geloof zal blootgesteld hebben, zult gij horen, wat ik zal antwoorden.

Duvev. Doe dan uw beklag.

Pistor. Ik, Johannes, van Woerden, beklaag mij voor ulieden. Waarom meesmuilt gij zo?

Bucho. Heer Johannes, de Magistri nostri bespotten u niet, maar zij glimlachen, omdat gij u laat voorstaan uw beklag zeer goed ingeleid te hebben. Maar, eilieve ga voort.

Pistor. Ik, Johannes, van Woerden, verklaar voor ulieden, dat ik niet voornemens ben iets uiteen te zetten.

Duvev. Ga zo voort, als gij begonnen bent.

Pistor. Ik, Johannes, van Woerden, verklaar voor ulieden, dat ik niet heb voorgenomen iets uit een te zetten, wat in de Heilige Schrift niet is uitgedrukt.

Tapp. Zwijg een ogenblik, en geef mij uw Bijbel. Wat, zal men alleen de Schrift en ook niet de kerkvaders geloof schenken? De Handelingen der Apostelen geven duidelijk te kennen, dat Paulus het volk beval de geboden der Apostelen en ouderlingen te onderhouden.

Pistor. Dit zegt de Apostel zeer goed; want die geboden van de ouderlingen waren overeenkomstig de Heilige Schrift.

Rosem. Maar de Apostelen zeggen in hetzelfde hoofdstuk: ďHet heeft de Heilige Geest en ons goed gedacht, dat gij u onthoudt van hetgeen de afgoden geofferd is, en van bloed." Waaruit blijkt, dat de Apostelen en hun navolgers iets hebben bevolen buiten de Heilige Schrift; want zij zeggen: "Het heeft de Heilige Geest en ons goed gedacht." Wat antwoordt gij op het woord ons?

Pistor. De Apostelen hebben daar niet gesproken zonder gezag van de Heilige Schrift; want de wet had de Joden wat verstikt was of bloed te eten verboden, en bepaald, dat diens ziel zou zijn in de plaats van de geslachte offerande. De vergadering der Apostelen had uit de geschriften der Profeten geleerd, dat de heidenen in het christendom zouden opgenomen worden. Dit lieten de Joden ongaarne toe, en toen dacht het de Apostelen, door het ingeven des Heilige Geestes, goed een reden te bedenken, waardoor zo vele delen tot de enigheid van het geloof zouden gebracht worden. Dit kon echter niet geschieden, tenzij het een deel het andere wat toegaf, en wel uit verplichting der liefde, die soms de wet een weinig opheft. Hieruit volgde, dat, toen de Joden van het gestreng aandringen op de besnijdenis wat lieten vallen, en de heidenen zich daarentegen van het verstikte en het bloed voor enige tijd onthielden, beide volken zich met de Evangelische leer tevreden stelden. Dat nu zulk een apostolisch besluit voor de heidenen niet van voortdurende kracht was, blijkt daaruit, dat het thans geheel is afgeschaft. Door de Apostelen is ook niet lichtvaardig gehandeld, en zij hebben de grenzen van hun zending niet overschreden, die hun hij MattheŁs worden voorgeschreven.

Mont. In MattheŁs 23 zult gij wat anders vinden dan gij gezegd hebt.

Pistor. Wat is duidelijker dan de woorden, waarmee de Apostelen tot de wereld werden gezonden: "Gaat dan heen," zegt Christus, "onderwijst al de volken, lerende hun onderhouden alles wat Ik u geboden heb."

Mont. Dat bedoel ik niet; maar ik haal het 23ste hoofdstuk van MattheŁs aan: waar staat: "De Schriftgeleerden en FarizeeŽn zijn gezeten op de stoel van Mozes; daarom, al wat zij zeggen, dat gij houden zult, houdt [dit], en doet [het]; maar doet niet naar hun werken." Hoort en verstaat gij dit? "Wat zij u zeggen," zegt Christus, "doet het."

Pistor. Bent gij dan de FarizeeŽn en Schriftgeleerden van onze tijd, naar wier woorden wij moeten horen, en wier doen wij moeten misprijzen? Ziet gijlieden dan wel toe, dat gij met hen niet in hetzelfde oordeel valt, die met een slecht voorbeeld van het leven de zuiverheid van de leer van het evangelie verontreinigt. Ik erken niet, dat gij op de stoel van Mozes zit, omdat gij de wet des Heeren, aan Mozes gegeven, niet leert; daarom moet men ook naar ulieden niet horen. Immers, men moet de menselijke overleveringen nalaten, en Gods Woord zuiver verkondigen, volgens de woorden van God: "Gij zult tot het Woord, dat Ik u heden gebied, niet toedoen, en ook daarvan niet afdoen."

Tapp. Als het waar is wat gij doordrijft, dan zijn de Apostelen ver van de waarheid afgedwaald.

Pistor. Hoe dat, eilieve zeg mij dit.

Tapp. Omdat zij de wijze van dopen, door Christus met duidelijke woorden voorgeschreven, hebben durven verminken, en alleen in de naam van Jezus hebben gedoopt, zoals te zien is in de Handelingen der Apostelen.

Pistor. Moet men zo tegen mij schreeuwen? Moeten de onwetenden aldus onderwezen worden, en de dwalenden op deze wijze terug geroepen worden? Gij dondert allen uit een mond tegen mij, alsof gij mij wilt verscheuren? Moet men alzo te werk gaan?

Rosem. Zacht wat, mijn vriend Johannes; al wat wij doen, doen wij bepaald om uwentwil, teneinde wij u van de dwalingen terug en weer op de rechten weg zouden brengen.

Pistor. Dat zal de uitkomst wel leren.

Mont. Antwoord op het gezegde van de heer Magister noster, betreffende de veranderde wijze van dopen door de Apostelen verricht.

Pistor. Zij hebben voornamelijk in de naam van Jezus gedoopt, die toen nog weinig bekend, en als de Zaligmaker der wereld nog niet was aangenomen, opdat Hij meer en meer zou geprezen worden. Voorts, wat is in de naam van Jezus te dopen, Die tegelijk God en mens was, anders dan in de naam, dat is, in de kracht des Vaders, des Zoons en des Heilige Geestes te dopen? Zoals Christus naar waarheid spreekt: ďIk en de Vader zijn ťťn," en verder: "Filippus, die Mij gezien heeft, die heeft de Vader gezien." Verder loochent hij dadelijk de personen van de Vader en de Heilige Geest, die de allerbeste en grootste God met de naam van, Vader aanspreekt? Leerde Christus zelf ons dan verkeerd bidden, toen Hij, Zijn naam verzwijgende, het gebed begon met de aanbeveling des Vaders? Wat de wijze van dopen aangaat, door Christus ingesteld, die heeft Hij ons daarom zo godsdienstig niet voorgeschreven, alsof het een grote misdaad ware, een weinig van de voorschreven woorden af te wijken, wanneer men in alles met de zaak overeenkomt; ďWant het Koninkrijk Gods is niet gelegen in woorden, maar in kracht." In de naam des Vaders, des Zoons en des Heilige Geestes wordt niemand in der daad gedoopt dan hij, die, door de kracht Gods en de zalving des Heilige Geestes gezalfd en gereinigd zijnde, vernieuwd wordt naar de inwendige mens. Wij moeten onze inlijving niet zozeer toeschrijven aan de punten, letters en voorgeschreven woorden, als wel aan de wederbarende kracht en aan Hem, die ons verstand vernieuwt met een beteren Geest in dit bad der wedergeboorte. Wie zal het kunnen loochenen, dat de Apostelen de christenen ook in de naam des Vaders en des Heilige Geestes hebben gedoopt, daar toch van wie Lukas verhaalt, de enige niet zullen geweest zijn, die gedoopt zijn in de naam van Jezus?

Buch. Hier is zulk een uitvoerige redevoering niet nodig. De heren inquisiteurs vragen alleen, of gij ook niet aan iets anders gelooft, dat in de Heilige Schrift niet is uitgedrukt?

Pistor. Neen, geen enkele letter.

Mont. Houdt gij het dan voor kwaad, iets te geloven buiten de Schrift?

Pistor. Ik geloof geen schriften dan alleen de Heilige, die alleen nodig zijn, om daaruit de zaligmakende leer te putten.

Buch. Waarom heeft dan Christus gezegd: "Wie u hoort, die hoort Mij?"

Pistor. Dit wordt met recht tot hen gezegd, die tot de oogst van het evangelie werden uitgezonden; want de bedienaren des Evangelies moeten, als Christus zelf, gehoord worden; want aangaande hen wordt gezegd: "Want gij bent [het] niet die spreekt, maar [het is] de Geest uws Vaders, die in u spreekt." Wanneer ook gij naar dit voorbeeld door de Heere gezonden werd, om het Evangelie voort te planten, en wel als lammeren onder de wolven, wij zouden ook niet weigeren naar ulieden te horen; ja, wij zouden u voor Engelen Gods houden. Aangezien gij echter hier gekomen bent, gewapend met de bullen van de keizer en van de paus van Rome, niet om ons te behouden, maar om te verderven, houden wij u voor geen gezanten van Christus Jezus, maar van de mensen; daarom mogen wij in geen dele naar u horen; want op u is niet van toepassing, wat tot de Apostelen werd gezegd: ďWie u hoort, die hoort Mij."

Mont. Gij bent zeer los in de mond.

Rosem. Gelooft gij dan aan al de boeken der Heilige Schrift?

Pistor. Aan alle, voor zover die in de canon zijn aangenomen.

Mont. Door welke beslissing kunt gij weten, welke boeken aangenomen en verworpen zijn, zo het niet is door de toestemming der kerk?

Pistor. De kerk staat niet boven de Schrift, en de Schrift ontvangt ook haar gezag niet van de kerk; maar, wanneer die samen overeenstemmen, en de geest van het geloof ons gebiedt ons daarop te verlaten, is het gepast, dat wij aangaande de Schrift een goed vertrouwen hebben, en behoeven het oordeel der kerk niet af te wachten. Daarom zegt de Apostel: "Omdat wij nu dezelfde Geest van het geloof hebben, gelijk er geschreven is: Ik heb geloofd, daarom heb ik gesproken; zo geloven wij ook, daarom spreken wij ook." Dit geloof en deze Geest, Die inwendig in ons spreekt, moeten wij meer aan het geloof der Schrift toeschrijven, dan aan het oordeel der kerk, die de macht niet heeft ons iets te geloven op te dringen, wat door de Schrift voorgeschreven, maar door de Heilige Geest niet versterkt wordt.

Tapp. Waarom gelooft gij ook niet de heilige leraars der kerk?

Pistor. Door de geschriften der leraars kan ik bedrogen worden; maar geenszins door de Heilige Schriften. Voorts heeft de kerk van Christus slechts ťťn Leraar der waarheid, Die hemelse Geest, Die van de Vader uitgaat, waarom, aangezien Hij een auteur der Schrift is, die niet is van eigen uitlegging, volgens de getuigenis van Petrus, het niet te verwonderen is, dat Christus ons tot het geloof van haar heen wijst, zeggende: "Onderzoekt de Schriften; die zijn het die van Mij getuigen." Ja, ons wordt bevolen, dat wij naar Christus Zelf moeten horen, aangezien de stem uit de hemel tot ons zegt: "Hoort Hem."

Tapp. Gij behoorde nochtans de geschriften der geleerde mannen zo onwaardig niet te achten, want, wat de Evangelisten stilzwijgend zijn voorbij gegaan, die al de daden van Christus niet volledig konden beschrijven, dat is de leraars en heiligen kerkvaders opgedragen, om tot de nakomelingschap over te brengen. Daarom zegt de Evangelist Johannes: Er zijn nog vele andere dingen, die Jezus gedaan heeft, welke, zo zij elk bijzonder geschreven werden, ik acht, dat ook de wereld zelf de geschreven boeken niet zou bevatten."

Rosem. Er is niet aan te twijfelen, of die dingen welke de Evangelisten niet beschreven hebben, zijn aan de nakomelingschap en de kerkvaders later als van hand tot hand overgeleverd.

Pistor. Een fraaie redenering. Hoe verminkt en slechts ten halve gij echter de Heilige Schrift aanhaalt, blijkt daaruit, dat gij verzwijgt, wat Johannes er bijvoegt: "Maar deze zijn geschreven, opdat gij gelooft, dat Jezus is de Christus de Zoon van God; en opdat gij, gelovende het leven hebt in Zijn naam." Tot Trooster zendt ons Christus de Heilige Geest, de leermeester der waarheid, opdat wij door Hem in alle waarheid zouden geleid worden.

Tapp. Inderdaad, gij bent een stout mens, die er op pocht zeker te weten welke geschriften van de Heilige Geest afkomstig zijn.

Mont. Verstaat gij de zin des Heilige Geestes?

Rosem. Goede God! hoe vermetel zijn deze mensen, die menen de Heilige Geest te hebben.

Pistor. Waarom woedt gij zo tegen mij?

Tapp. Gij beuzelaar, hebt gij de Heilige Geest?

Pistor. "Die de Geest van Christus niet heeft, komt Hem niet toe."

Brunch. Met verlof, mijn heren, ik zal ook wat vragen; heer Johannes, van waar, weet gij, dat gij een priester bent, en op welke grond gelooft gij, dat Hij uw Vader is, Die gij voor Vader groet? Wie heeft u aangaande deze dingen verzekerd?

Pistor. Schaamt gij u niet, een zodanige dwaze en ongerijmde vraag te doen, een vraag, waardig, dat men met recht de kinderen daarover berispte? Het is een groot verschil, o aanzienlijke man, of gij de heilige Schrift gelooft, die alle godvruchtigen onfeilbaar geloof schenken, en wel door de Geest van het geloof, die zij ontvangen hebben; of dat gij enige andere dingen gelooft buiten de Heilige Schrift.

Mont. Wat, gelooft gij niet, dat gij een priester bent?

Pistor. Waarom niet?

Mont. Wie heeft u verzekerd, dat gij het priesterschap ontvangen hebt? Wie heeft u tot een priester aangesteld?

Pistor. De dienaar van de bisschop.

Mont. Gelooft gij, dat hij de macht heeft om u daartoe aan te stellen?

Pistor. Ja.

Mont. Maar, dat staat nergens in de Schrift. Gij gelooft dan aan iets wat niet in de Schrift staat, namelijk aan de macht van de bisschop om u in uw ambt te bevestigen?

Pistor. Maar wat heeft dit geloof volgens mijn mening te maken met het rechtvaardigmakend geloof? Ik zie ook niet in, wat goeds ik van zulk een bisschop ontvangen heb, dan dat ik priester werd genoemd, aangezien ik door een Simonisch bisschop, zelf Simonisch zijnde, in het college van priesters ben opgenomen.

Tapp. Hoe moet dan een bisschop volgens uw Evangelie worden gevormd, of een priester in zijn ambt bevestigd worden?

Pistor. Wij worden geen priesters gemaakt, maar wij worden door de geest en het water tot priester herboren, wien bevolen wordt de Heere te offeren. De kerk van God, de bruid van Christus, kent geen andere priesters; intussen worden echter de dienaren des Woords en de opzieners der kerk, door tussenkomst der kerk, door de Heere of verkoren, of geroepen.

Tapp. O onsterfelijke goden! Wat kan er ongerijmder gezegd worden, dan dat alle christenen priesters zijn?

Rosem. Misschien mogen de vrouwen ook wel de mis bedienen, en aan het volk Gods Woord prediken en dopen?

Mont. De wet van Mozes heeft geen andere priesters dan uit de stam van Levi.

Tapp. Indien allen priesters zijn, zal de christelijke wereld in rep en roer gebracht worden, en er zal geen orde in de kerk heersen, en wel tegen het beweren van de apostel: "Laat alle dingen eerlijk en met orde geschieden."

Pistor. Waarom vaart gij allen tegelijk tegen mij uit? Laat er een uit aller naam spreken, opdat ik weet,wat ik ieder kan antwoorden.

Mont. Gij houdt vooreerst staande, dat alle christenen priesters zijn.

Pistor. Ja, dat zijn zij; want de Heere zegt: "De gehele aarde is mijn. En gij zult Mij een priesterlijk Koninkrijk en een heilig volk zijn." Hier spreekt de Heere niet alleen de Levieten aan, maar geheel IsraŽl. Wanneer gij Christus aanziet, zijn wij ook beminde uit niet beminde. Petrus schrijft dat ook de Joden toe, die in de verstrooiing vergaderd waren: "Gij bent," zegt hij, "een uitverkoren geslacht, een koninklijk priesterdom, een heilig volk, een verkregen volk." Ofschoon dit zo is, wil ik echter niet, dat ieder het predikambt of de bediening van het 'Woord zal aannemen, want niemand is er waardig toe, "dan die door God geroepen wordt gelijkerwijs als Ašron." Wij zijn allen priesters, voor zover wij het priesterschap van Christus deelachtig zijn, en voorzover wij met Christus Gode onze redelijke godsdienst als een aangename offerande opofferen, en uit verplichting der liefde voor de nood der broeders en ouderlingen bidden.

Tapp. O, goede God, op hoe velerlei wijzen dwaalt deze mens!

Rosem. Schaamt gij u over deze dingen niet?

Mont. Gij, die zegt, dat alle christenen priesters zijn, bent buiten uw zinnen.

Pistor. Ik zal u een duidelijk voorbeeld geven: zoveel de rede van de geschapen mens betreft, ben ik dan niet zowel een mens als keizer Karel? Intussen wordt hij keizer genaamd, omdat hij daartoe verkozen is, en niet wegens zijn geboorte, die ik met hem gemeen heb; doch ik, die van nederige afkomst ben, leid een gewoon leven.

Mont. Dit is niet hetzelfde.

Tapp. Iets anders is het met de priesterlijke orde, waarbij ons een onuitwisbaar treken wordt ingedrukt.

Rosem. Hij komt met vele vergelijkingen voor de dag.

Tapp. Nu blijkt het, dat gij verkeerde gevoelens hebt aangaande het sacrament der ordening, dat gij met uw meester Luther zo goddeloos verwerpt.

Rosem. Dat is geheel waar.

Mont. Wat zal men nu verder doen?

Tapp. Gebied hem, dat hij zijn verklaring verder mededeelt, waarom hij hij de aanvang verzocht heeft.

Pistor. Ik weet niet, wat ik zeggen zal, omdat gij mij gedurig in de rede valt.

Mont. Ga toch maar voort; wij zullen zo lang zwijgen, totdat gij geheel zult hebben uitgesproken.

Pistor. Op deze voorwaarden zal ik het doen: ďIk, Johannes, van Woerden, verklaar openlijk, voor ulieden, dat ik niet voorgenomen heb iets bloot te leggen of met kracht staande te houden, wat niet in de Heilige Schrift is uitgedrukt, aldus te verstaan als de Heilige Geest, Die haar ingegeven heeft, wil verstaan hebben; tot wier uitlegging wij geen andere woorden nodig hebben dan waarin deze Schrift is vervat. Maar in andere zaken geloof ik alles, wat de heilige katholieke of algemene kerk gelooft; waarom ik ook vervloek alle leringen der mensen en ketterijen, die tegen Gods Woord strijden. Ziehier mijn protest."

Mont. Het blijkt nu zo klaar als de dag, dat gij ook de leraren der kerk en de rechtzinnige kerkvaders niet gelooft,

Pistor. Ik heb gezegd, dat ik al de geschriften geloof en toestem, die met de Heilige Schrift overeenkomen.

Mont. Het doet ons genoegen, dat de geschriften der kerkvaders hij u nog enige waarde hebben.

Tapp. Gevoelt gij dan, dat men naar de heilige kerkvaders moet horen?

Pistor. Gijlieden schijnt tegen mij hier een zwaard met honig bestreken uit te trekken. Laat mij dit duidelijker voorgesteld worden.

Buch. Heer Johannes, de heren vragen u, of gij gelooft, dat de kerkelijke instellingen, zoals de feestdagen, het vasten, de beloften der monniken en andere besluiten der kerkvaders, moeten waargenomen worden?

Pistor. Wat buiten de canonieke Schriften wordt geboden, daaraan kan ik mijn geweten niet binden.

Tapp. Maar de Heilige Schrift beveelt ons toch het vasten aan, de biecht en de onderhouding van de Sabbat, het sacrament des altaars, en het onderhouden van de beloften, die ons door het gezag van de kerkvaders en van de kerk tot geboden zijn geworden.

Pistor. Dat alles, wat gij als een bundel samen vat, staat niet gelijk.

Tapp. Zo, is het vasten niet bevolen, opdat wij temeer geschikt mogen gemaakt worden tot alles wat op de godsdienst betrekking heeft, volgens het voorbeeld van Mozes, die veertig dagen heeft gevast, toen hij de woorden des Verbonds van de Heere ontving'?

Pistor. Laat dit zo zijn, wat doet dat dan af tot uw vasten, dat ons op zekere dagen en in zekere voorgeschreven spijzen gelast wordt, en onder bedreiging van dodelijke zonde? Het vasten, waar de heilige Schrift van spreekt, bedoelt matigheid en soberheid, die men altijd moet onderhouden; want Christus zegt: "Wacht uzelf, dat uw harten niet te eniger tijd bezwaard worden met brasserij, en dronkenschap en zorgvuldigheden dezes levens."

Mont. Loochent gij, dat men moet vasten?

Pistor. Geenszins, maar ik verlang bovenal, dat gij mij de goddelijke oorsprong van uw kerkelijk vasten met het gezag van de heilige Schrift bewijst; aangezien Paulus de gemeente te GalatiŽ bestraft, omdat zij dagen, maanden en tijden onderhielden. En hij loochent, dat het Koninkrijk Gods gelegen is in spijs en drank.

Tapp. Gij moet weten, dat de verordening van deze dingen aan de opzieners der kerk zijn toevertrouwd, dat, wat zij besloten hebben, de kracht van een wet heeft.

Rosem. Heer dokter, deze twistrede kan lang duren. Laat ons tot de instelling van de kerk terugkeren.

Mont. Welnu, gelooft gij ook alles, wat de katholieke kerk gelooft?

Pistor. Ik geloof het.

Mont. Namelijk, dat men alles, wat zij gebiedt, houden moet?

Pistor. De roomse kerk mag geen wetten voorschrijven, maar behoort zich aan het Evangelie te onderwerpen, naar welk Evangelie zij ons moet leren horen.

Tapp. Gij kunt toch niet blijven loochenen, dat de kerkelijke plechtigheden met een goede bedoeling zijn ingesteld, opdat de mensen niet traag in de godsdienst zouden worden. Door het vasten toch, de heilige dagen en de herhaling van gebeden worden de trage gemoederen opgewekt, voornamelijk in deze laatste dagen, waarin de liefde is verkoeld, en de ongerechtigheid is toegenomen, zodat zij prikkels en aansporing van de wetten nodig hebben. En, wanneer al deze dingen werden afgeschaft, welk een gedaante zou de kerk eindelijk hebben?

Pistor. Goede God, wat redeneert gij dom. Hebt gij nooit gelezen "dat God een blijmoedige gever liefheeftĒ? Wat dwingt u dan door kracht der wet en vrees voor de straf tot de arbeid, die niet kan baten? "De dienstknecht blijft niet eeuwig in het huis.Ē Zo staan ook de werken, die wij zelf bedenken, en andere lieden opdringen, niet gelijk met zulken, die ons door de goddelijke wet worden voorgeschreven. Indien Abraham, de vader van alle gelovigen uit de werken der wet gerechtvaardigd is, bezit hij niets, waarop hij kan roemen hij God; veel minder verkrijgen uw werkers der gerechtigheid, waarop zij hij God roemen door het prevelen van hun getelde gebeden, vasten, enz.

Mont. Indien er geen wetten en bepalingen bestonden, wat zou de staat en de toestand der republiek zijn?

Buch. Wanneer er geen galg noch zwaard bestond, inderdaad, ik zou de gewone weg niet durven betreden, en wel, omdat het moorden en roven zou toenemen.

Pistor. Met u beken ik graag, dat de zaak alzo gelegen is; maar dit is de taak van de keizer, wien het zwaard van de Heere is gegeven, om de onschuldigen te beschermen voor alle ongelukken, en de schuldige rechtvaardig te straffen. Dat de burgerlijke wetten tot het behoud van het algemeen onmisbaar zijn, loochent niemand. Maar wij spreken hier van de plechtigheden, op welker onderhouding ik gezegd heb, dat zich niemand voor God beroemen kan.

Mont. Wij loochenen niet, dat de goede altijd gewillig het goede doen, en dat de handen van de kwaden niet dan uit vrees voor de straf van het kwaad worden terug gehouden.

Pistor. Welk een onbillijkheid is het dan, dat gij beiden, goede en kwaden, aan dezelfde wetten bindt, aangezien er geschreven is, "dat de rechtvaardigen de wet niet is gezet, maar de onrechtvaardigen en de halstarrigen."

Tapp. Waarom dat?

Pistor. Omdat allen, die niet zullen gevast hebben, de heilige dagen niet hebben gevierd, zich niet zullen onthouden hebben van de verboden spijzen, zoals de kerk die heeft ingesteld, door u als overtreders worden veroordeeld, en voor het gerecht gedagvaard. Ja, gij gaat ook voort, om uw tirannie tot onze zielen uit te strekken; want gij wilt, dat wij, of wij branden of niet, allen ongehuwd zullen blijven, daar wij uit het geloof en door het geweten tot de huwelijken staat geroepen worden.

Tapp. Is hier niet het hoogste recht het hoogste onrecht? Welaan dan, antwoord mij op dit een: of wij naar de wet der liefde de een de ander niet moeten dienen?

Pistor. Voorzeker.

Tapp. Waarom schikken zich dan de goede niet uit liefde tot die wetten, om alle ergernis weg te nemen, waardoor de kwaden van het kwaad worden terug gehouden?

Pistor. Het behoort de christenen een gemakkelijke zaak te zijn, dat zij ieders dienaar worden, opdat zij allen voor Christus mogen winnen, indien maar aan het gewetens vrijheid gelaten wordt, en het geloof geen geweld wordt aangedaan, zoals hier gewis geschiedt betreffende het gebod van de priesterlijke reinheid.

Mont. Hoe, zoudt gij dan, die een priester bent, de belofte van reinheid verachtende, u tot het huwelijk durven begeven?

Rosem. Ziet, nu komen wij zeer gevoeglijk tot de zaak zelf.

Pistor. Alles, waartoe de Schrift, zonder onderscheid, aan ieder de vrijheid gegeven beeft, moet men niet aan enkelen toestaan; want, "allen vatten het woord niet," om geen vrouw te trouwen. Daarom, als de Apostel zegt, "dat een iegelijk [man] zijn vrouw zal hebben," waarom zou dan een priester niet mogen trouwen?

Mont. Hebt gij een vrouw getrouwd of niet?

Pistor. Zegt gij het, dat ik er een getrouwd heb?

Mont. Een vast gerucht is daarvan omtrent u in omloop.

Pistor. Ik vraag niet, welk gerucht daarvan in omloop is.

Mont. Waarom loochent gij, wat iedereen zegt, en dat, als het nodig ware, wel door duizend getuigen zou kunnen bewezen worden?

Pistor. Hebt gij enige getuigen voor mijn huwelijk, breng die dan hier.

Mont. Al ontbraken er ook getuigen, zoudt gij, op het gerucht alleen, volgens onze vastgestelde wetten veroordeeld kunnen worden; doch, daar wij omtrent deze zaak getuigen in overvloed hebben, zullen wij u, hetzij gij het bekent of loochent, op hun getuigenis tot de vuurdood veroordelen.

Pistor. Indien dit ulieder voornemen is, waarom is dan dit onderzoek nodig? Waarom bindt gij mij dan terstond niet aan de paal, teneinde uw wraaklust te bevredigen? Gij bent bloeddorstig en blaast niet dan vuur.

Mont. Ik zeg u vooraf, wanneer gij zo voortgaat te weerstreven, als gij begonnen hebt, zullen wij u zo zwaar pijnigen., dat gij of van zelf of gedwongen zult moeten bekennen, dat u gehuwd bent.

Pistor. Zult gij dan, als rechters, mij, door geen getuigen voldoende veroordeeld, doen pijnigen? Is iemand verplicht zichzelf te verraden? Het is onbillijk, dat ik ulieden, die met het onderzoek aangaande mijn geloof belast bent, tot pijnigers zal hebben.

Mont. Vooreerst getuigt uw pastoor, dat gij gehuwd bent, waarom hij u ook hij het Hof van Mechelen heeft aangeklaagd. Ook getuigt dat het algemeen gerucht, waarom wij reden genoeg hebben, om u naar de pijnbank te brengen.

Pistor. Als de zaak omtrent de gevangene aldus gesteld is, zal het gemakkelijk vallen, valse geruchten van de onschuldige uit te strooien; en, als men daaraan zo gemakkelijk geloof slaat, zal het met ons leven spoedig gedaan zijn. Laat de pastoor van onze kerk roepen, om hier te getuigen, dat ik een vrouw getrouwd heb.

Mont. Wij weten, dat gij een vrouw gehuwd hebt.

Pistor. Wanneer hebt gij dit vernomen, en in welke kerk en voor wie is dit geschied?

Mout. Het gerucht, dat omtrent u loopt, is niet vals.

Pistor. Inderdaad, gij bent onbillijke rechters over mij, die alleen op het gerucht mij gedurende twee volle maanden in de gevangenis deed vertoeven.Wanneer het u genoeg is, getuigen te hebben van horen zeggen, gaat heen en veroordeelt mij, opdat ik eenmaal van de gevangenisstraf verlost worde, en gijlieden ophoudt mij langer moeilijk te vallen.

Mont. Waarlijk, uw dralen zal u niet baten, en wij zullen ons recht tot het uiterste tegen u volhouden.

Pistor. Uw bedrog, dat gij zoekt te plegen om mij te vangen, ken ik zeer goed; uw tijd is nu daar. Dit mijn lichaam kunt gij wel verbranden, maar mijn ziel zal de hemelse Vader voortdurend in Zijn hand bewaren.

Buch. Mijn lieve Johannes, wil toch uw hart tegen de heren leraren zo niet verharden: beken liever de waarheid; en geloof mij, uw zaak zal goed aflopen.

Rosem. Waarom stelt gij u tegen de heer commissaris zo onschuldig aan? Wat ik u bidden mag, verklaar u duidelijker in deze zaak.

Pistor. Mijn voornemen is niet, mij te verklaren tenzij ik mijn beschuldigers voor u zie; opdat, indien de aanklager niets bewijzen kan, de beschuldigde ontslagen worde.

Mont. Aangezien wij in onze voornemens weinig vorderen, moeten wij een anderen weg inslaan.

Duvev. Het is tijd onze samenkomst te eindigen, aangezien het middag wordt.

Mont. Wat zullen wij met de gevangene doen?

Brunch. Laat men hem weer naar de gevangenis brengen.

Tapp. Het is niet raadzaam, dat hij daarheen gebracht wordt, waar ook Willem GnapheŁs zit, opdat zij niet te samenspannen.

Mont. Wij zullen hem liever in deze kamer laten boeien, totdat wij na de middag terug keren.

Pistor. Al werd ik ook niet geboeid, ik zou toch niet ontvluchten.

Mont. Raadpleeg met uzelf, totdat wij terug komen, in hoeverre gij naar ons zult luisteren, en u van de gevangenis bevrijden.

Brunch. Waarom gaan wij niet?

Tapp. Maar hoor eens, verlangt gij niet, dat wij hier wachten zullen plaatsen, die de gevangene bewaren?

Brunch. Wel zeker; past gijlieden goed op hem.

 

Einde van de eerste samenspraak.

 

Tweede samenspraak gehouden voor de inquisiteurs des namiddags van dezelfde dag

 

Ment. Hoe denkt u er nu over, hoe bent gij te moe?

Pistor. Waarlijk, ik ben goedsmoeds.

Mont. Hebt gij hij uzelf alle dingen goed overlegd?

Pistor. O ja, zeer goed.

Mont. Hoe dan, zult gij eindelijk niet antwoorden op de vraag, die u gedaan is omtrent uw huwelijk?

Pistor. Ik zal er op antwoorden, maar onder de voorwaarde als ik gezegd heb, namelijk, dat mijn beschuldigers eerst hier moeten komen.

Mont. Zal ik u met ťťn woord zeggen, waar de knoop zit?

Pistor. Ja, zeg het.

Mont. Wanneer gij ons niet duidelijk antwoordt, zullen wij u naar de raad des keizers zenden, teneinde die u daaromtrent pijnigt, of dat men u de laatste straf aandoe. Welaan, kom wat dichter hij mij. Wat antwoordt gij eindelijk?

Pistor. Aangezien gij rechters bent, verwondert het mij, dat gij zo vijandig op mij, arm mens, aanvalt.

Ment. Omdat gij u zo hardnekkig betoont, durf ik u met niet minder vrijmoedigheid tot de vuurdood te verwijzen, dan ik de heilige mis bedien; zo ver is het er ook vandaan, dat ik hierover Gods toorn zou vrezen.

Pistor. Ik geloof het wel, want zo zijn de FarizeeŽn en de vervolgers der christenen, dat zij met ons te doden Gode een dienst menen te bewijzen. Maar ziet gijlieden. wel toe, of gij hierin Christusí navolgers bent, Die nooit iemand tot het geloof heeft gedwongen.

Rosem. Staat er niet geschreven "Dwingt ze in te komenĒ?

Pistor. Het woord mijns Heeren, dat gij ten onrechte aanhaalt, ken ik wel. God dwingt, en Hij gebiedt te dwingen, niet met gevangenissen, niet met vuur of geselingen, maar door een krachtig gebruik van Zijn Woord. Alzo moeten onze vijanden, opdat zij met ons verzoend worden, gedwongen worden door vurige kolen op hun hoofd te hopen, welke dwang, zoet en liefelijk als hij is, zich ook krachtig betoont. Och, of gijlieden insgelijks het voorbeeld der Apostelen navolgde, en vele duizenden mensen tot Christus' bruiloft door een goed leven en goed onderwijs, dwong!

Tapp. Maar deze besmetting is zo dodelijk, (lat, zo zij niet wordt uitgeroeid, zij als een kanker de naaste plaatsen verderft. Daarom is het beter, bijtijds een schurftig schaap te doden, dan toe te laten, dat het zijn venijn over de gehele kudde verspreidt.

Pistor. Christus stond dan in voorzichtigheid hij ulieden achter; want Hij wilde, "dat wij het onkruid zouden laten opwassen tot de oogst, opdat wij met het onkruid ook de tarwe niet uittrekken." De Apostel Paulus zegt ook: "Verwerpt een ketters mens na de eerste en tweede vermaning." In het Latijn is dit: "Haereticum hominem post unam & alteram admonitionem devita." Het Nederlandse woord "verwerpt," luidt in het Latijn "devita."

Daarop zei Mont. boertig: "Zeer goed "devita", dat is, neem hem weg uit het leven."

Pistor. Al schijnt gij dit nu op spottende wijze voor te stellen, nochtans zijn er onder uw orde wel geweest, die deze soort van uitlegging zeer snedig en gepast hebben geoordeeld. Indien ik nu een ketter ben, voor wie ik mij niet houd, waarom bestraft gij mij niet op de gepaste wijze, opdat ik weer ontwaken mag uit de strikken des duivels? Met meerder recht kan ik echter zeggen, dat gijlieden ketters en tegenpartijders van Christus bent, die, omdat wij tot uw partij niet behoren, ons in boeien sluit. Door welk voorbeeld van Christus hebt gij geleerd aldus met mij te handelen?

Mont. Het is niet te verwonderen, dat Christus zulk een voorbeeld niet nagelaten heeft; want Hij was te arm om een rechtsmacht te hebben.

Pistor. Foei; evenals of de Zoon het recht niet is overgegeven, en Hij alle macht niet heeft in de hemelen op de aarde? Wat heeft de Apostel Petrus gedaan, wiens navolger gij zegt, dat de paus van Rome is?

Mont. Heeft Petrus geen macht gebruikt, toen hij Ananias en Safira vervloekte?

Pistor. Wanneer gij u op het gezag van Petrus beroept tot de handhaving van uw zending, dood mij dan ook door de macht van Petrus, en lever mij door uw vloek aan de hel over?

Duvev. Wel, zoudt gij u wel aan het gevaar van zulk een vloek durven blootstellen, en de uitkomst daarvan met volkomen overgave verwachten?

Pistor. Waarom niet? Dan zou het openbaar worden, of de Heilige Geest de vloek van hen goedkeurde, die zich voor Apostelen uitgeven. Maar zij zullen deze wapenen niet in de hand nemen, die aan de keizer en de vorsten dezer wereld andere wapenen hebben ontleend, waarmee zij de rechtvaardigen onderdrukken en doden. Christus zegt: "Wilt gij [niemand dwingende] ten leven ingaan, onderhoudt de geboden." Maar zo zingt gij niet, uw lied dreigt ons met de dood, tenzij wij hij uw woorden zweren. Christus heeft niet gewild, dat de Zijnen hier heerschappij zouden voeren of macht hebben, of dat zij niet andere wapens dan met geestelijke strijden zouden. Doch de paus toont op allerlei wijzen, dat hij de antichrist is, en heeft ook die kracht niet, welke de Heilige Schrift aan Petrus met lof toeschrijft.

Tapp. Waarom zou het nodig zijn, dat wij hier lang prediken? Komt niet alle macht van God de Heere?

Pistor. Ja.

Mont. Zo komt dan ook onze macht van God, door welke wij u als ketter, na veroordeeld te zijn, kunnen overleveren in de handen van de wereldlijke macht.

Pistor. Op deze wijze zou men ook Judas Iskarioth kunnen verontschuldigen, die Christus aan de Overpriesters heeft overgeleverd, en ook de oversten der Joden, die er een gewetenszaak van maakten Christus te doden; maar gemakkelijk was het, Hem in handen van Pilatus tot veroordeling over te leveren.

Want door hetzelfde recht was hun macht van God, zoals gij zegt, dat uw macht van God is. Zie echter wel toe, dat deze goede redenen u niet verleiden, wat gelijk de gedachtenis van Christus en de Apostelen in zegening zal blijven, en de nakomelingen hun geboortedagen zullen herdenken, twijfel ik ook niet, wanneer gij mij, om de belijdenis der waarheid, ombrengt, of ik zal verheerlijkt worden, en gij daarentegen zult altijd onverheerlijkt blijven.

Tapp. O onbeschaamd mens! vergelijkt gij ons alzo hij de Schriftgeleerden en FarizeeŽn?

Rosem. Zijn wij vervolgers?

Pistor. Wat gij bent, al zweeg ik ook, tonen deze mijn boeien. Intussen beroep ik mij op uw eigen geweten, of gij aan mij minder doet dan de Joden, die Christus hebben gedood, aan Hem deden? Op uw bevel ben ik gevangen genomen, en moet ik zo lang in de gevangenis zitten. En nu dreigt gij mij, als een die om ketterij is veroordeeld, over te leveren in de macht van de wereldlijken rechter; wat is daarvan de oorzaak?

Mont. De keizer heeft bevolen u gevangen te nemen, wij hebben daaraan geen schuld. Zo u enig ongelijk is aangedaan, kunt gij daarover met de keizerlijke majesteit twisten.

Pistor. Meesterlijk weet gij de heerlijke waardigheid der keizerlijke majesteit tot een dekmantel voor uw goddeloosheid te gebruiken; maar hij heeft de behandeling van deze zaak op uw schouders gelegd, en wel als dengenen wie hij de godgeleerde kennis heeft opgedragen. Gij hebt de lastbrieven hij u, welke tevoren getoond zijn, waarom spreekt gij mij dan niet vrij, aangezien dit in uw macht is?

Mont. In onze macht? Geenszins; want gij bent de gevangene des keizers.

Pistor. O goede mannen! dwaalt niet, "God laat zich niet bespotten," en laat zich niet door u bedriegen.

Tapp. Foei, onbeschaamd mens, die zo stout en ongepast durft uitvaren tegen zulke beroemde bestuurders! Gij bent niet waardig, dat zulke lieden u antwoorden.

Pistor. Ik beroem mij niet zulk een leraar der onwetenden te zijn als gijlieden bent, of dat ik zeer geleerd ben.

Rosem. Aangezien gij niet zo geleerd bent, betaamt het u niet, zo tegen geleerde lieden uit te varen.

Mont. Gij bent een zeer hardnekkige ketter, waarom ik mij niet zou ontzien u tot de vuurdood te veroordelen.

Pistor. Och, of het mij gegeven werd voor de naam van Christus de dood te sterven!

Tapp. Och, mijn lieve broeder, bekeer u, want gij dwaalt zeer. Al kon ik ook de gehele wereld gewinnen, zou ik toch met u in deze toestand niet willen sterven.

Pistor. Naardien gijlieden zo gezind bent, zou ik met u niet willen leven of sterven. Gijlieden onderdrukt en kwelt mij, en ik zou, al had ik er de macht toe, ulieden in het minst niet hinderlijk willen zijn.

Mont. Hierover is nu genoeg gesproken; laat ons terugkeren tot ons vorig voorstel en de hoofdzaak van ons onderzoek. Zeg ons met ťťn woord of het de priesters geoorloofd is te huwen of niet? Zwijgt gij?

Buch. Waarom weigert gij, bid ik u, uw gevoelen aan de heren te openbaren9

Pistor. Omdat er geen aanklagers, benevens deze rechters, verschijnen.

Mont. Gij bent hier vroeger reeds genoeg beschuldigd, dat gij een vrouw getrouwd hebt.

Pistor. Beschuldigd, maar door wie, wanneer en hoe? Aangezien gij een rechter bent, is het onbetamelijk, dat gij de persoon van een beschuldiger aanneemt.

Mont. Ja, uw huwelijk, dat gij voor velen bekend hebt, is niet in het verborgen geschied, maar in het openbaar.

Pistor. Waarom velt gij dan geen vonnis, gegrond op mijn belijdenis en de getuigenis van velen.

Mont. Dat kunnen wij gemakkelijk doen, want met mijn eigen oren heb ik gehoord, dat gij gezegd hebt, dat de ongehuwde staat der priesters niet gegrond is in het goddelijke recht.

Pistor. Welaan dan, aangezien gij mij zo dringt, laat mij dan op een openbare plaats mijn zaak verantwoorden. Indien ik mij daar niet kan verdedigen, noch de ongehuwde staat der priesters met bondige redenen wederleggen, wil ik de laatste straf dragen.

Mont. Weg met die raad; de heilige roomse kerk laat node toe, dat wij met ketters redetwisten, want zij zijn te hardnekkig om te bekennen, dat zij overwonnen zijn; daarom moet men hen liever met vlammen dan met woorden overwinnen, teneinde zij geen kwaad meer zouden doen.

Pistor. Hoe, heeft ieder er dan geen belang hij, wat er over de artikelen van ons geloof wordt besloten, dat al het volk daarvan kennis moet dragen?

Tapp. Wie zou in zulk een samenkomst uitspraak doen, en de twistende partijen scheiden'? Zouden dit schoenlappers en karrelieden doen'?

Pistor. Ja, de overeenstemming van de tegenwoordige gemeente, hij wie alleen het oordeel over de Schrift en de Profeten berust, en niet hij de een of de ander, die, om de titel van leraar, geŽerd wordt.

Tapp. Mij drinkt, dat gij buiten uw zinnen bent; want aangezien het onwetende volk zonder kennis is, hoe zou het over godgeleerde zaken kunnen oordelen?

Pistor. Welk een uitvlucht is dit! Even alsof de Schrift zelf haar oordeel over de waarheid niet uitspreekt, zodat de gehele kerk geen schade kan lijden door enige onwetenden. Zo er bevonden wordt, dat ik niet oprecht noch getrouw de Heilige Schrift verklaar, niets zal verhinderen, dat zij mij allen, met goed recht, tot de vuurdood slepen, of mij, naar verdiensten, met stenen dood weipen. Maar, indien ik het veld behoud, en zij oordelen dat ik het gewonnen heb, zal ik zelf liever voor u bidden en een middelaar zijn, en mij midden in het gevaar voor ulieden begeven, dan dat ik zou dulden, dat u iemand, al ware het met de vinger, zou aanraken. Het zal hun genoeg zijn, indien zij maar met een woord de bekende waarheid hebben toegestemd, hoewel gijlieden niet voor enig oproer van het volk behoeft te vrezen, daar gij zo door de bullen van de paus, als door de macht van de keizer, voldoende bent gewapend.

Mont. Wij willen geen vingerbreed van het gebruik der roomse kerk afwijken, want het is betamelijker, dat het eenvoudige, domme en onkundige volk zich aan de uitspraak der geleerden en het oordeel van de kerk onderwerpt, dan dat de leraars en de voornaamste in de kerk naar hun wil en begeerte zouden luisteren.

Pistor. Waarlijk, zo doende zult gij niet mee werken, dat uw inquisitie geacht wordt, en zult gij geen ketterijen uitroeien; want door deze geheime twistredenen, waardoor gij de waarheid zelf onderdrukt, en de arme in het verborgen ombrengt, zult gij het volk, dat van de zaak kennis moet dragen, en dat het ook aangaat, nimmer kunnen voldoen, tenzij het u onverschillig is, of naar waarheid van u gezegd kan worden een iegelijk, die kwaad doet, haat het licht.

Mont. De leken worden tot een twistgesprek over het geloof niet toegelaten, omdat zij lichtgelovig zijn, en zeer graag wat nieuws horen. Daarom, wanneer zij horen, dat gij Christus in de mond hebt, en dat gij hun de Heilige Schrift inscherpt, die de ketters gewoon zijn naar hun zin te verdraaien, zouden zij u terstond geloven; en het zou te vrezen zijn, dat er nieuwe ellende of oproer in de republiek zou ontstaan. De aartsketter Arius kan ons ten voorbeeld zijn, die zo vele zielen, door het zoete venijn van zijn valse leer besmet hebbende, ten verderve bracht, terwijl hij zich ook op de Heilige Schrift beriep, doch op zeer verkeerde wijze. Wanneer onze voorouders die ook in het begin hadden verbrand, zou er later in de kerk van God niet zulk een ellende zijn ontstaan.

Pistor. De ariaanse trouweloosheid met onze zaak is voorwaar wel een onbillijke vergelijking; want wij zijn tevreden ons gevoelen voorgesteld en dat met de Heilige Schrift bevestigd te hebben, en verwachten daarop het oordeel van de ware algemene kerk. Wij dwingen niemand, dat hij met ons hetzelfde gevoelt; maar Arius, wiens voorbeeld gij ijverig navolgt, door de wereldlijken arm te hulp te roepen, want daarmee hebt gij gedreigd, heeft buitengewone wreedheid aan de dag gelegd jegens hen, die zijn gevoelen niet wilden aannemen. Wie handelen dan volgens het Evangelie beter, gij die met Arius, als wrede wolven, de arme schapen slacht en verscheurt, of wij, die dit lot der vervolging, met de Apostelen en alle uitverkorenen, lijdzaam dragen.

Tapp. Dat gijlieden niemand dwingt, is, omdat gij daartoe geen macht hebt.

Pistor. Maar door welke macht, u van God gegeven, legt gij ons onder de bijl, verbrandt gij ons, slacht gij ons en brengt gij ons om het leven?

Tapp. Staat er niet geschreven: "Er is geen macht dan van God?" En weer: "Alle ziel zij de machten, over haar gesteld onderworpen?" Zegt Paulus ook niet: "Zijt met alle vrees onderdanig de heren, ook de harden?"

Pistor. O aanzienlijke man, deze laatste getuigenis is niet van Paulus, maar van Petrus. Bent gij zo bekend niet de voornaamste plaatsen van de heilige Schrift, dat gij de een schrijver in plaats van de anderen noemt? En, wanneer gij ook de geschriften van Paulus goed had ingezien, dan zoudt gij niet oordelen, dat hij sprak van deze uw macht, die gij u aanmatigt.

Tapp. Wilt gij ons leren hoe wij Paulus moeten verstaan? Ik denk toch, dat wij Paulus meer hebben gelezen dan gij, nietige godgeleerde!

Pistor. Maar wat zeggen de kinderen in de scholen: "Lezen" zeggen zij, ďen niet verstaan, is dommer worden."

Rosem. Alle scheldwoorden nalatende, wat zegt gij van de woorden: "Er is geen macht dan van God?"

Pistor. Dat deze plaats u niet betreft; want hier geeft hij het recht van het zwaard alleen aan de overheid en aan hen, die gij de wereldlijke macht noemt, en niet aan hen, die tot uw orde behoren, zoals de bisschoppen en priesters, die eigenlijk behoren te strijden met het zwaard des Geestes, hetwelk is Gods Woord naar het woord van de Apostel: "De wapenen van onze krijg zijn niet vleselijk maar geestelijk." Christus heeft u allen lust om over anderen te heersen en ook alle eergierigheid verboden, als Hij zegt: Doch gij niet alzo."

Tapp. Nu zien wij duidelijk, dat gij Paulus niet verstaat, en dat gij de Heilige Schrift niet dan terloops, als anderen doen, leest. "Alle ziel," zegt hij, "zij de machten over [haar] gesteld, onderworpen." Hij spreekt in het meervoudig getal van "machten," en niet van macht. Door dit woord worden wij vermaand, niet minder de geestelijke dan de wereldlijke macht te zullen gehoorzamen, welke beide bedieningen, zo van de kerk als van de republiek, Christus wil uitgeoefend hebben, volgens deze woorden: "Zie hier twee zwaarden."

Pistor. Ja, hieruit ziet gij duidelijk, tenzij gijlieden blind bent, uw onbillijkheid en geheel verkeerde uitlegging van de Heilige Schrift, die niet anders dan door de Schrift zelf verklaard moet worden, en niet door dromen, die gij plaats geeft in uw hoofd. Ons wordt geboden: "alle menselijke ordening onderdanig te zijn", naar het zeggen van Petrus, of "de machten over ons gesteld," naar de leer van Paulus, en dat om "Gods wille". En wanneer gij vraagt welke machten men moet gehoorzaam zijn, verklaart u Petrus dat: hetzij de koning, als de opperste machthebbende; hetzij de stadhouders, als die van hem gezonden worden, tot straf wel der kwaaddoeners, maar [tot] prijs dergenen, die goed doen." Gij ziet dat daar onderscheiden machten bedoeld worden, aan wie het zwaard is toevertrouwd, maar het gebruik daarvan is geheel veranderd, want nergens worden de overspelers gestraft, de hoereerders wordt geen schande aangedaan, dronkaards worden met vreugde en gejuich begroet, dobbelstenen te gebruiken is een spel, valse eedzwering wordt zonder straf geduld, de begeerte tot het geld draagt de naam van behendigheid. Zo is het ook hij u een lichte zaak, Gods Woord door uw verklaringen en dromerijen te bederven. Maar, wanneer er eens een Ezra opstond, die de vervallen wet van God aan het licht bracht, die de kerkelijke mannen, die door dartelheid en gulzigheid worden weggerukt, en die afgeweken waren terechtbracht, die zoudt gij voor een driedubbele en misschien nog erger ketter uitschelden. Tegen deze wordt terstond het zwaard, dat niet aan u, maar aan de wereldlijke overheid is gegeven, uitgetrokken. Ontvangen aldus "de goede van de macht lof en de kwaden straf en vreesĒ?

Mont. Maar weet gij hoe?

Pistor. Wat?

Mont. Deze, die gij hier, zoals zij ook zijn, boosdoeners noemt, bekennen hun schuld, wanneer hun de zonde onder het oog gebracht wordt. Daarom is het billijk dat zij, wanneer zij om vergeving smeken, genade verkrijgen, en dat niet terstond het zwaard getrokken worde. Maar gij, die een vrouw getrouwd hebt, bekent niet terstond uw schuld van een ongeoorloofd huwelijk te hebben aangegaan. Wie zou zulk een hardnekkig mens genade bewijzen?

Pistor. Maar eilieve, wat acht gij toch zekerder of ondragelijker, dat een priester, als hij brandt, nu deze hoer, dan weer een andere aanhangt, of dat hij zich door het huwelijk met een vrouw verenigt? Ik beroep mij op uw geweten, dat gij mij oprecht naar de Schrift antwoordt.

Mont. Wij prijzen geen van beide.

Pistor. Maar, aangezien zij dan beiden volgens uw oordeel zondigen, waarom neemt gij dan de een niet zowel als de ander om hun zonde gevangen? Ik vrees echter, dat, wanneer dit geschiedde, in de gevangenis geen plaats genoeg zou zijn om alle overspelers en hoererende priesters op te sluiten.

Tapp. Deze knoop zal ik losmaken. Daar deze zich niet op hun zonden beroemen, maar hun schuld met ootmoed afbidden, wordt hun ook op godvruchtige wijze hun overtreding vergeven.

Pistor. Gij vergeeft hun wel, ja, gij ziet liever hun schandelijk leven door de vingeren, maar toch tevergeefs en goddeloos, aangezien hun de begane misdaden niet van harte leed zijn, en zij telkens weer tot hun onreinheden terugkeren, die zij met een leugenachtige en geveinsde belijdenis hebben uitgewist.

Rosem. Zie wel toe, dat gij niet lichtvaardig oordeelt, want, wanneer zij dagelijks vallen, biechten zij met berouw ook dagelijks.

Pistor. Beter ware het, om nimmer te biechten, dan onder het deksel van een gedane belijdenis des te vrijer te zondigen; oprecht te biechten is van harte de zonde te haten.

Rosem. Maar, goede man, zij biechten niet alleen, maar bidden God ook zonder ophouden, dat Hij hun hun zonden vergeve,

Pistor. Waarom pogen zij niet liever later oprechte boete te doen, vromer te leven, en te tonen aan alle geveinsdheid geheel vreemd te zijn?

Mont. Staat er niet geschreven: "De rechtvaardige valt zevenmaal per dag?"

Pistor. Dit beken ik; maar deze zijn niet rechtvaardig, en staan niet meer op, want wij zien niet, dat dit overspelig geslacht, als onreine varkens, van hun onreinheden afwijken, daar zij zich gulzig bedrinken en schandelijk hoereren, of de tijd in ledigheid doorbrengen. Moeten wij aan deze geveinsde gedaante van een vernieuwd leven de lof van gerechtigheid toeschrijven?

Mont. Wij bekennen, dat zij allen te bestraffen zijn, indien dit kwaad maar niet onverbeterlijk is. Maar nu, aangezien zeer velen er zich aan schuldig maken, moet, volgens de regelen, de menigte, die zich niet goed gedraagt, gespaard worden.

Pistor. De algemeenheid der zonde behoort gij niet als een dekmantel te gebruiken voor uw vergunning of toelating van de zonde, om haar niet te bestraffen. Want daar het zwaard tegen de overspelers niet wordt gebruikt, geloof ik, dat de reden daarvan is, dat zij, die dienaars van het zwaard behoorden te zijn, zelf aan dat euvel mank gaan, en aan dezelfde zonden zich schuldig maken. Daarom, ziet toe voor uzelf, dat, waar gij over mijn splinter hemel en aarde beweegt, en de balken in uw eigen ogen niet ziet, niet te eniger tijd zwaarder oordeel zult hebben te dragen. Ik word om het huwelijk, wat mij door God toegelaten is, maar door een aardsen god kwanswijs verboden wordt, voor een ketter gehouden, en tot een openbaar schouwspel aan de wereld voorgesteld; maar de ergere onreinheden, die gij in uw ongehuwde staat begaat, neemt niemand u kwalijk. Maar God ziet deze dingen, en zal die richten, hoe gij ook de ogen der mensen blinddoekt.

Rosem. Zou dan een priester met een gerust geweten mogen trouwen? Want dit schijnen uw woorden te betekenen.

Pistor. Indien ik het u zeg, zult gij mij niet geloven.

Mont. Laat ons eens horen, wat gij ons wilt zeggen.

Pistor. Maar ik vrees, dat gij als honden voor mij zult worden, die mij veeleer zult willen verscheuren dan van mij leren.

Mont. Goede woorden.

Pistor. Indien gij met het oordeel volgens de Schrift wilt tevreden zijn, is het antwoord gereed.

Ment. Welaan dan, waarom draalt u te antwoorden?

Pistor. Wel, zult gij u naar mijn oordeel richten?

Mont. Dat zeggen wij niet.

Duvev. Staat hem, bid ik u, toe te spreken; zie, wij geven het oordeel aan u over.

Mont. Dat staan wij u niet toe; naar wij gebieden u te antwoorden, opdat, indien gij in iets van de waarheid afdwaalt, gij door ons beter mag ingelicht worden.

Pistor. Met Pilatus bent gij onwaardig, dat men de getuigenis der waarheid voor u aflegt; "want men moet het heilige de honden niet geven, noch de parels voor de zwijnen werpen."

Mont. Maar zult gij eindelijk niet antwoorden, of gij een vrouw getrouwd hebt of niet.

Pistor. Niet anders of de getuigen moeten tegenwoordig zijn.

Mont. Waarom beroept gij u langs zovele omwegen op de getuigen? Het is genoeg, dat wij u daarvan beschuldigen.

Pistor. Bent gij dan de aanklager?

Mont. Ja, want ik klaag u aan, dat gij een vrouw getrouwd hebt.Verstaat gij het wel?

Pistor. Foei! gij geeft mij een monster, de aanklager rechter.

Mont. Wel, wat zou het, of mijn knecht de aanklager is en ik de rechter?

Pistor. Ik verbied dit niet; doe de knecht van de aanklager hier komen, en het werk van een aanklager op zich nemen. Eilieve, aangezien gij de aanklager bent, laat horen, wat legt gij mij ten laste? Ziet daar een aanklager zonder tong en stommer dan een vis.

Mont. Laat mijn knecht met vrede, ik zal voor hem spreken.

Pistor. Ik zeg u, dat ik het niet zal toestaan; hij heeft zijn jaren, laat hem zelf spreken.

Mont. Maar gij zelf hebt hier al vroeger uw huwelijk bekend; wilt gij het loochenen, dat gij bekend hebt?

Pistor. Gij zingt al weer uw oud liedje. Welnu, stelt eens dat ik, uit vrees voor straf of verdriet over mijn gevangenneming, bekend had, dat ik een moord begaan had, zoudt gij het daarom geloven?

Mont. Indien uw huwelijk niet waar ware, zou het te Leuven niet bekend zijn.

Pistor. Wel zo, even alsof een vals gerucht niet door de gehele wereld kan vliegen en die in beweging brengen. Voor iedere leugen van het gerucht zou ik liever een penning willen betalen, dan voor ware woorden vier gulden, want dat zou oneindig meer voordeel geven.

Duvev. Mijn vriend Johannes, bent gij vergeten, dat gij het onlangs bekende, toen wij u ambtshalve ondervraagden?

Pistor. Indien gij mij als rechters ondervraagt, en in mij een daad had gevonden, die des doods waardig is, dan staat het u vrij, het vonnis uit te spreken.

Duvev. Wij zijn uw rechters, noch aanklagers?

Tapp. Ik bid u, waarom talmt gij zo lang?

Pistor. Indien gij mij beloven wilt, dat gij mijn zaak zult beslechten, niet naar uw overleveringen of menselijke instellingen, maar naar de waarheid der Heilige Schrift, die boven alle besluiten der mensen gelden moet, en met recht groter gewicht heeft, dan zal ik u niet langer ophouden.

Mont. Wij beloven u niets zekers; maar wanneer gij de zaak oprecht bekent, veroorloven wij u wel te hopen.

Pistor. Waarlijk, ik wil die hoop niet kopen met gevaar van mijn leven en tot schade van uw zielen.

Mont. Allerliefste heer Johannes, ik zeg u, ter liefde Gods, dat ik niet kwalijk jegens u gezind ben. Maar, indien gij voortgaat uw huwelijk zo hardnekkig te loochenen, zal ik u waarlijk mijn tanden derwijze laten zien, dat uw hart er van verschrikken zal.

Pistor. Wanneer gij het ergst zult woeden, zal ik God ten ernstigste bidden, dat Hij mij goedertieren met lijdzaamheid begenadigt onder al mijn verdrukkingen.

Mont. Ik zweer u hij de heilige mis, dat ik er voortaan geen gewetenszaak van maken zal, vijandig met u te handelen.

Pistor. Dat is het, namelijk wat de Apostel heeft voorzegd: "Dat het in de laatste dagen zal geschieden, dat er mensen zullen zijn, liefhebbers van zichzelf, laatdunkend, hovaardig, lasteraars, achterklappers, wreed, zonder liefde tot de goede."

Mont. Dit is zo niet; want wij verzetten ons aangezicht daarom zo tegen u, teneinde op alle manieren te beproeven, of wij eindelijk op enige wijze uw hard en verstokt hart zouden kunnen vertederen, niet om te verderven, maar om te behouden. Daarom raad ik u, oprecht te antwoorden en met ťťn woord te zeggen wat gij gedaan hebt of niet.

Pistor. Gij zult mij nimmer kunnen overtuigen, dat ik een vrouw getrouwd heb. Hoedanig ik voor God ben, gaat u niet aan.

Duvev. Zie wel toe, dat gij u zelf niet in het lijden brengt, en uw eigen handschrift niet tegenspreekt, anders zal men u dwingen uw eigen handschrift te erkennen. Het is daarom voor u beter, dat gij uw aangegaan huwelijk bekent, en daarna met de Schrift uw daad, zoveel gij kunt, verdedigt. Daartoe vermaan ik u.

Pistor. Ik geloof wel, mijnheer, dat gij uw best doet mijn zaak ten beste te schikken, daarom zal ik mij niet bezwaren naar uw raad te luisteren. Indien gijlieden de rechtvaardigheid voorstaat, om mij, onschuldig mens, te behouden, en te bevrijden van het ongelijk, mij aangedaan, zoals gij nu mijn raadgevers bent; en indien ik deze mijn rechtvaardige en duidelijke zaak, die wel te verdedigen is, zo met de Schrift als met redenen zal bewezen hebben, zal ik niet nalaten te antwoorden op wat gij mij zult vragen.

Duvev. Wij zullen u alles toestaan, wat billijk is.

Pistor. Welaan dan, aangezien God mij roept tot de ontdekking van de verborgenheid mijns harten, en uw belofte er mij ook toe roept, zal ik geen uitvluchten meer zoeken; hoort daarom nu de oprechte belijdenis van de gehele zaak. Ik heb, dit beken ik, een vrouw getrouwd, maar in het geheim en zonder getuigen; maar ik heb haar naar recht getrouwd.

Mont. Eilieve, met welk recht, met goddelijk recht, of met menselijk?

Pistor. Is het al niet naar menselijk, dan is het naar goddelijk recht, opdat ik, deze weg inslaande: de brand in mijn vlees zou kunnen ontgaan, en hoererij vermijden.

Mont. Beweert gij, dat dit de priesters geoorloofd is, daar zij zich verbonden hebben door de belofte van niet te trouwen, en toch daarentegen in het huwelijk te treden?

Pistor. Waarom niet, wanneer zij branden? Het is toch beter te trouwen dan te branden, volgens de getuigenis van de Apostel.

Mont. Deze woorden van de Apostel mogen niet toegepast worden op de priesters, en op hen die enige gelofte hebben.

Pistor. Het is te verwonderen, u deze uitvlucht te horen maken, daar toch de Heilige Geest, de auteur van de heilige Schrift, niemand daarvan uitsluit, priester, noch non, aangezien de Apostel zo duidelijk zegt: "Maar om der hoererijen wil zal een iegelijk [man] zijn eigen vrouw hebben,Ē tenzij onze gelofte afgelegd hebbende priesters geen mensen zijn, en daarom het woord van de Apostel hun niet aangaat.

Tapp. Met hen die reinheid beloofd hebben, is het anders gelegen dan met de leken.

Pistor. Is dan de brief aan de HebreeŽn alleen aan de leken geschreven?

Mont. Het is altijd de bedoeling van de Heilige Schrift, om, waar zij spreekt van het recht des huwelijks, steeds de priesters uit te zonderen.

Pistor. Aangezien die bedoeling nergens in de Heilige Schrift is uitgedrukt, wie heeft haar u dan geopenbaard? Men mag hij de woorden en geboden van God niets bijvoegen of afdoen. Op wiens gezag, of liever, uit welke lichtvaardigheid durft gij hier de Heilige Schrift zo onwaardig naar uw zin verdraaien? Hij mijn huwelijk heb ik Christus tot raadsman gehad, Die wil, dat, wie het woord van onthouding vatten kan, het vatte. Maar, indien gij dit omkeert, zal het zijn, dat wie het niet kan vatten, hij het niet vatte. Op die vrijheid steunende, beken ik, dat ik een vrouw getrouwd heb, omdat ik de zaak overlegde, en niet grote spanning van mijn gemoed had ondervonden, dat het niet goed is, dat de mens alleen zij, dat is, ongetrouwd, dat hij een hulp nodig heeft, die hem gelijk zij, namelijk een vrouw. Op welke wijze kan iets duidelijker gezegd worden?

Mont. Indien gij maar had gewild, zoudt gij gemakkelijk in onthouding hebben kunnen leven.

Pistor. Hoe, zeg mij toch, zou ik beter de aandrang der natuur hebben kunnen onderdrukken, dan door het gezelschap van een vrouw, die ik genomen heb, om hoererij te vermijden? Intussen geloof ik niet, dat in vele monnikenkloosters iemand gevonden wordt, wiens hart groter afkeer zou hebben van het gezelschap der vrouwen, dan het mijn; ik zwijg zelfs, hoe ik mij bevlijtigd heb en ingespannen teneinde in onthouding te kunnen leven. Echter, hoe meer ik dat trachtte te, doen, des temeer nam het kwaad der begeerlijkheid in mij toe.

Rosem. Maar, door welke middelen zocht gij dit kwaad tegen te gaan?

Pistor. Door zulke, waarmee dit geslacht der duivelen gewoonlijk wordt uitgedreven, namelijk, door onmatig vasten, gedurig bidden en vlijtige arbeid. Ik voeg er hij, dat, terwijl ik mij zo pijnigde, ik mij gedurende twee jaren van allen sterken drank heb onthouden.

Mont. Deze dingen moest gij tevoren geweten en bedacht hebben, voor gij u in deze heilige orde liet opnemen, maar nu is de boetvaardigheid te laat.

Pistor. Indien ik mij zelf genoeg had gekend, en deze dingen tevoren geweten, zou ik mij niet hebben laten opnemen in de priesterorde, die mij nooit zeer behaagde.

Tapp. Wat heeft u dan bewogen om priester te worden?

Pistor. Niet anders dan het dringend aanhouden van mijn vader, die vooral wilde, dat ik priester zou worden, eensdeels, opdat de kosten, die hij voor mijn studiŽn gemaakt had, niet zouden verloren gaan; ten anderen ook, omdat hij een groot gedeelte van zijn dienst op mijn schouders wilde leggen, aangezien hij het kosterambt bediende.

Mont. Laat ons deze dingen laten rusten. Gij zegt dan, dat een pastoor zonder te zondigen een man mag worden?

Pistor. Dit spreekt de Schrift waarlijk zeer duidelijk voor mij uit; aan haar wil noch kan ik enige bepaling stellen.

Mont. Gij verstaat de Schrift niet.

Pistor. Weest gijlieden dan