Historie der martelaren
Adrianus Haemstedius
Historie der martelaren
die, om de getuigenis der evangelische waarheid, hun bloed gestort hebben, van
Christus onze Zaligmaker af tot het jaar 1655.
Voorrede aan de christelijke lezer
Het lijden van Jezus Christus onze Zaligmaker
Johannes de Doper onthoofd, en zijn hoofd aan de
overspelige Herodias gebracht
Stefanus, de diaken, gestenigd
Jakobus, de zoon van Zebedeüs, onthoofd
Jakobus, de zoon van Alfeüs, doodgeslagen
Marcus, de Evangelist, buiten Alexandrië gesleept
om verbrand te worden, en onderweg gestorven
De tien bloedige vervolgingen van de Christenen
onder de Heidense keizers van Rome
De eerste vervolging van de christenen onder
keizer Nero
Simon Petrus gekruisigd te Rome, onder keizer Nero
Paulus van Tarsen te Rome onthoofd onder keizer
Nero
Andreas, de Apostel te Patris, in Achaje
gekruisigd
Filippus, de Apostel, te Hiërapolis gemarteld
Bartholomeüs de Apostel, in Albanië in Armenië
gekruisigd en de huid afgestroopt
Thomas, de Apostel, in Indië door de wilden
vermoord
Mattheüs, de Apostel en Evangelist
De Apostelen Simon Zelotes en Judas Alpheus
Johannes, de Apostel en Evangelist
Sommigen van de zeventig Discipelen en andere
medereizigers der apostelen
De tweede vervolging van de christenen onder
keizer Domitianus
Timotheüs, een leerling van Paulus
De derde vervolging van de christenen onder keizer
Trajanus
Simeon, bisschop van Jeruzalem
Ignatius, bisschop van Antiochië
De vierde vervolging van de christenen onder
keizer Antoninus
Attalus, Blandina, Ponticus en nog een ander
De vijfde vervolging van de christenen onder
keizer Septimeus Severus
De zesde vervolging van de christenen onder keizer
Maximinus
De zevende vervolging van de christenen onder
keizer Decius
Alexander, opziener van de gemeente te Jeruzalem
Babylas, opziener der gemeente te Antiochië
Metranus en vele anderen te Alexandrië
De achtste vervolging van de christenen onder de
keizers Valerianus en Gallienus
Cyprianus, bisschop te Karthago
De negende vervolging van de christenen onder
keizer Aurelianus
Laurentius, de diaken, te Rome op een rooster
verbrand
Het eerste jaar van de vervolging
Petrus, Dorotheüs en Gorgoneüs
Het tweede jaar van de vervolging
Het derde jaar van de vervolging
Het vierde jaar van de vervolging
Het vijfde jaar van de vervolging
Het zesde jaar van de vervolging
Het zevende jaar van de vervolging
Het achtste jaar van de vervolging
Het negende jaar van de vervolging
Het tiende en laatste jaar van de vervolging
De Christenen verkrijgen vrede in het Romeinse
rijk
De verdeling van het Romeinse rijk en de oorsprong
van de Antichrist
Arnulph, Aartsbisschop te Lyon
Petrus van Bruis en Henricus van Toulouse
Vijf en dertig burgers te Mainz
Twee honderd vier en twintig personen verbrand
Gerardus Segareill en Dolcinus van Novari
Rogier Acton ridder, Johan Brown edelman en Jan
Beverley, in Engeland, opgehangen en daarna verbrand
Johannes Husz te Konstanz verbrand
Ulrich van Vahendres en Hendrik Raadgever
Wenceslaus, pastoor te Arnostowitz, met nog acht
anderen verbrand
Vier en twintig burgers te Leitmeritz verdronken
Wenceslaus Swets, Inartinus Loquis, Procopius
Jednooky
Petrus Clarcke, Engels priester
Dr. Johannes de Vesalia, of Wesel
Een edelman van Kandia of Kreta
Hieronymus Savonarola, Dominico de Piscia en
Sylvester
Een vrouw verbrand in Engeland, en hoe de
kanselier werd omgebracht door een stier
De opkomst van Mr. Maarten Luther
Hendrik Voes en Johannes van Essen, twee
Augustijner monniken, te Brussel verbrand
Nicolaus, een Augustijner monnik, van Antwerpen
Gaspar Tauber en Georgius, een boekbinder
Geschiedenis van de getrouwe martelaar van Jezus
Christus, Johannes Pistorius, van Woerden
M. Pet. Spengler, pastoor te Brisgau
Nicolaas Wieretenarz en Clara, zijn huishoudster,
in Bohemen verbrand
Martha Porzicz te Praag verbrand
Een glasblazer en een riemsnijder
Mr. Jakob Keyser, bijgenaarnd Schlosser
Petrus Flysteden en Adolf Clarenbach
Jakobus Baynham en Richard Bayfield
Vier mannen te 's Hertogenbosch gedood
Denys Bryon en Hieronymus Vindocin levend verbrand
Verscheidene martelaars te Parijs
Cowbrig, te Oxford levend verbrand
Vijf martelaren in Schotland verbrand
Wilhelmus Tyndall te Vilvoorde verbrand
Jan Lambert, ook genoemd Nicholson
Vijf martelaren in Schotland verbrand
Thomas Cromwell,
graaf te Essex
Catharina, de vrouw van een raadsheer te Krakau,
verbrand
Twee christenen te Gent verbrand en twee vrouwen
levend begraven
Aymont de la Voye, regent van groot Saintefois, in
Agenois, boven Dordogne
Hector Remy en zijn vrouw Mathinette du Huisset
Claudius de Schilder, een goudsmid
Een boekverkoper te Avignon verbrand, met een
Bijbel op zijn borst gebonden
Geerte Stelmees en Neeltje Claas
De bewoners van Mirandola en Cabriëra
Maarten Huerblok, Jan de Bock, Nicolaas van der
Poele en de vrouw van Jan de Bock
Marion, de vrouw van Adriaan, kleermaker te
Doornik
Vier martelaren uit Schotland verbrand
Eusinas, ook Driander genaamd, een Spanjaard
Anna Asker, Jan
Lacels, Jan Adlams en Nicolaas
Belenian
Veertien burgers te Meaux, in Brie verbrand
De vrouw van Bygaerden en haar zoon
Een en dertig personen te Valladolid gestrafd
Mr Florentius Venot te Parijs verbrand
Een kleermaker te Parijs voor de koning van
Frankrijk in het verhoor gebracht en daarna verbrand
De marteling van Mr. Nikolaas, in Henegouwen
Maria, de vrouw van Augustijn, de barbier
Johannes Godeau en Gabriël Beraudin
Jan van der Put, de geneesheer genaamd
Gillot Vivier, Michiel le Fèvre, Jacques le Fèvre,
Amna le Fèvre en Mechaëlla de Caignoncle
Jan van Ostende, bijgenaamd Tromken
Vervolging, te Brugge, in Vlaanderen
Johannes Mollius en een Perugiaanse wever
Steven le Roy en Pieter Dinocheau
Jan Filleul en Juliaan Leveille
Jan Vernou, Guyraud Tauran, Autonius Laborie,
Bertrand Bataille en Jan
Trigalet
Engelse martelaren in het jaar 1555
Thomas Causton en Thomas Higbed
Johannes Laurentius en Willem Digel
Johannes Cardmaker
en Johannes Warne
Hunfroy Middleton en Nikolaas Scheterden
Robert Samuel en enige anderen
Robert Glover en enige anderen
Nicolaas Ridley en Hugo Latimer
Hier volgt de geschiedenis van de martelaren in
het algemeen in het jaar 1556
Robert Oguier, zijn vrouw en beide zonen
Johanna, de moeder, en haar jongste zoon Maarten
Oguier
Laurens, de schoenmaker, en Jan Fasseau
Engelse martelaren in het jaar 1556
Agnes Potten en Johanna Trunchfield
Christoffel Lyster, Jan Mace, Jan Spenser, Simon
Joyne, Richard Nicols en Jan Hamoud
Rugo Laverocke, een kreupele en Jan Apprice, een
blinde
Katharina Cawehes en haar beide dochters en haar
dochters kind
De martelaren in het jaar 1557
Mr. Philibert Hamelijn en enige anderen
Joriaan Simonsz en Clement Dirkz
Een grote en zware vervolging van de kerk van
Christus te Parijs in het jaar 1557
Nicolaas le Cene en Pieter Gabart
Franciscus Rebezus en Frederick Danville
Engelse martelaren in het jaar 1557
Richard Woodman, met nog negen anderen, vier
vrouwen en vijf mannen, verbrand
Geschiedenis van de martelaren in het jaar 1558
George Tardif, Nicolaas Guilotet, Jan Caillou en
Nicolaas van Jeuvife
Een zware vervolging van de gelovigen te
Valladolid, in Spanje, in het jaar 1558
Renatus du Seau en Jan Almarie
Engelse martelaars in het jaar 1558
Willem Fetty, een kind van acht jaren
Verscheidene gelovige christenen in Engeland
De martelaren in het jaar 1579
Adriaan de schilder en Hendrik Bockhalt kleermaker
Cornelis Halewijn en Herman Jansz
Nicolaas Ballon en Nicolaas Guenon
Isabella Vaenia,
Maria Viroësia, Cornelia en
Bohorquia
Ferdinandus van St. Jan en Morsillius
Jan van Leon en Ferdinandus van Valladolid
Dr. Johannes Egidius en Dr. Constantinus Pontius
Antonius de Richend, heer van Mouvans
Martin Rousseau, Gillis le Cotart en Philips Parmentier
Christiaan de Quekere, Mr. Jakob Dieussart en
Janneken Salomes
Verscheidene martelaren in Frankrijk
Pieter Annood en Daniël Galland
Een groot aantal gelovigen, om de belijdenis van
het heilig Evangelie, in Calabrie omgebracht
De benarde toestand der kerk van Christus in de
Nederlanden
Thomas Watelet, uit het land van Luik
Autonius Caron, Reinholdina Fransz en enigeanderen
Franciscus Varlut en Alexander Daycke
De la Faye, Jan Greffin en de beambte van Pontoise
Farresier, Pieter Bonnet en enige anderen
Christoffel Fabritius en Olivier de Bock
Paulus Millet, bijgenaamd de Ridder
Julius Guirlanda en Antonius Ricetto.
Franciscus Sefra en mr. Franciscus Spinola
Maarten Bayaert, Glaude du Flot, Jan Dautricourt
en Noël Tournemine
Mailgaert de Hongere, dienaar des Woord
Jan Goris en Joris van der Assche
Guido de Bray en Peregrin de la Grange, dienaren des Woords
Pieter Mon, Wonter Oensel en Gerrit N.
Vervolgingen in West-Vlaanderen van dat jaar
Pieter van Keulen en Betteken, zijn dienstmaagd
Cristoffel Gauderijn, Jan Liebaert, Willem van
Spiere en Tanneken Baerts
Heynzoon Adriaansz., Barend van Utrecht en Jan
Heymen
Schoblandt Barthelsz, Hans van Hues en Joris Coomans
Mr. Cornelis de Lesenne en Mr. Carel van Oudenaarde
Gillis Annike, Jan Annike en Louis Mieulen
Weyn Oekers en haar dienstmaagd
Een kort verhaal aangaan de vele christenen, die
te Doornik en te Valenciennes werden omgebracht
Enige gelovigen omgebracht in het hertogdom
Limburg
Nicolaas Croquet, Filippus en Richard de Gastines,
vader en zoon
Marcus de Lannoy en Jan le Grand
Gerard Moyart en Pieter de Meulen
Arend Dierixsz. Vos, Sybrand Jansz., Adriaan
Jansz. en Wouter Simonsz.
Gestreng schrijven van de graaf van Megen aan de
graaf van Arnhem
Hendrik Alertsz. Schouten, deurwaarder te Mechelen
Gaspar de Coligny, admiraal van Frankrijk
Moord van de edellieden des Konings van Navarre en
van de Prins van Condé
De Predikanten Buyrette, Horeen Desgorris
De luitenant Taverny en zijn zuster
Marturin Lussaut, zijn vrouw, zoon en dienstbode
Philippe le Doux en zijn vrouw
De Pluimgraaf des Konings en zijn vrouw
De weduwe van Gastines de Jonge en anderen
De moord van de Hervormden te Meaux, in Brie
De vervolging van de gelovigen te Troyes, in
Champagne
De verschrikkelijke moord van de gelovigen te Lyon
Besluit over de moord aan de hervormden in
Frankrijk
Arnoud de Croos Mielfiel de Seeldraaier
Joos de Jonge, Quirijn de Palme en Rogier Joosten
De verschrikkelijke moord door de pausoezinden aan
de hervormden in Valtellitia
Onmenselijke wreedheid door de pausgezinde Ieren
gepleegd aan de hervormde christenen in Ierland
Korte geloofsbelijdenis der hervormde gemeenten in
Piëmont
Aan alle eerbaren, wijzen en edelen heren, overheden, bestuurders, stadhouders en Staten in onze Nederlanden, van Brabant, Gelderland, Vlaanderen, Bolland, Zeeland, Friesland, enz., wensen wij een godzalige voorzienigheid om het volk te regeren, te onderhouden en te leiden tot zaligheid, vrede, eendracht en voorspoed, van God onze hemelse Vader, door Jezus Christus, Zijn welbeminde Zoon, onze enige Zaligmaker. Amen.
|
Rom.
13, vs. 4. 1 Petr. 2, vs. 14. De overheid moet Gods woord kennen. Pred. 10,
vs. 16. |
Eerbare, wijze heren, die Gods dienaren bent, tot prijs en bescherming
der goeden en wraak en straf der bozen. De almachtige God heeft u in deze
wereld verkozen, om hoofden te zijn van het volk. Daar nu het lichaam niet
ziet, noch riekt, noch smaakt, noch verstand bezit als het hoofd bedorven is;
zo is het ook niet mogelijk, dat een gemeente goed geregeerd en in goede orde
gehouden wordt, wanneer de hoofden verstandeloos en onwetend zijn, want een
onverstandig vorst zal zijn volk verwoesten. Daarom verkoos Mozes, om het Israëlitische volk te regeren, bejaarde
wijze mannen, die de Heere vreesden, de waarheid bezaten en de gierigheid
haatten. Zonder de vrees des Heeren toch is er geen wijsheid, zonder de
kennis der waarheid en gerechtigheid kan men niet goed oordelen, en de
gierigheid verblindt de ogen der wijzen. |
|
Deut.
17, vs. 18, 19. |
Doch, om hiertoe te geraken, is het nodig de raad van de heiligen Profeet
Mozes aan te nemen, die leert, het boek der wet iedere dag des levens te
lezen, opdat zij God de Heere mogen leren vrezen, en zijn woorden en
plechtigheden, in de wet geboden, onderhouden. |
|
Joz.
1, vs. 7, 8. |
Aldus sprak ook de Heere tot de vorst zijns volks, Jozua: "Wees
sterk en heb goede moed, dat gij onderhoudt en doet de gehele wet, welke
Mozes mijn knecht u geboden heeft, en wijk daarvan niet, ter rechter noch ter
linkerhand, opdat gij verstandelijk handelt, in alles wat gij doet. Dat het
boek der wet niet wijke van uw mond, maar overleg het dag en nacht, opdat gij
waarneemt te doen naar alles, wat daarin geschreven is; want alsdan zult gij
uw wegen voorspoedig maken, en alsdan zult gij verstandelijk handelen." |
|
Gods
Woord eist de bevordering van Zijn rijk. |
Derhalve is het openbaar, dat de wet des Heeren bijzonder en vooral eist
Gods naam te heiligen en Zijn Rijk uit te breiden. Daartoe behoren de
overheden hun grootste naarstigheid te besteden, willen zij Gods dienaren
zijn en blijven. Is het iedere christen bevolen, de bekommeringen van het
tijdelijke leven te laten varen en Gods Rijk en Zijn gerechtigheid te
bevorderen; hoeveel temeer betaamt dit een christelijke overheid. |
|
Voorbeelden
van hen, die de godsdienst bevorderen. |
Daarvan vindt men een voorbeeld van hen, in de heilige aartsvaders,
Abraham, Izak en Jakob, ja reeds voor hen in Henoch. Welk een godzalige vorst
David was, om de ware godsdienst te bevorderen getuigt de bijbelse geschiedenis
overvloedig. Doch vooral hebben wij een goed voorbeeld voor alle vorsten van
onze tijd in koning Hizkia; want, gelijk het in zijn tijd gesteld was met het
uitverkoren volk des Heeren in Israël, zo is het ook thans met de christenen:
zij maakten beelden, zij verzonnen vreemde godsdiensten buiten Gods Woord, en
brandden wierook voor de koperen slang. De godsdienst was verbannen, de
tempel des Heeren was gesloten. |
|
2 Kon.
18, vs. 4. |
Doch de godzalige vorst vernielde nu de beelden, wierp de hoogten en bossen
om, en verbrak de koperen slang, die Mozes gemaakt had. Hij opende het huis
des Heeren, en richtte de ware godsdienst weer op. |
|
2
Kron. 30, vs. 1. |
Ja, wat meer is, zelfs buiten zijn koninkrijk, wat alleen Judea was, zond
hij boden en leraars tot het koninkrijk van Israël, die daar predikten, dat
zij zich bekeren zouden tot de ware godsdienst, doch zij werden door velen
bespot en beschimpt. Dit deed ook voor hem Josafat in Judea, waarvoor hij
door de Heere gezegend werd. |
|
2
Kron. 23, vs. 4, enz. 2 Kon. 34, vs. 3, enz. |
Zulk een godzaligheid zag men ook in Josia, die een opvolger was n de
regering van de beide koningen Manasse en Ammon, die altaren oprichtten voor
de afgoden, en de hemellichamen vereerden en aanbaden. Het wetboek was
verloren gegaan, en de kinderen werden in het vuur geofferd. Doch Josia
roeide al hun afgoderijen uit, bracht de Heilige Schrift aan het licht, en
liet die voor al het volk in het Huis des Heeren lezen. |
|
Van
onze tijden. |
Op soortgelijke wijze ging het ook in deze tijden onder de christenen;
zij riepen beelden, altaren, offeranden en vreemde godsdiensten buiten Gods
Woord in het leven. Van het avondmaal, dat ons bevolen is te houden tot een
gedachtenis van de dood van Christus, maakten zij een afgod, brandden er
wierook en fakkels voor; de ware godsdienst was verbannen, Gods Woord mocht
men niet prediken, de tempel was er voor gesloten; het wetboek der heilige
Schrift te lezen was verboden. Men achtte Gods Woord als bedrog en vergif.
Als de Heere enige godzalige vorsten verwekte, die predikers uitzonden, om de
ware godsdienst te onderwijzen, en het volk van hun dwalingen te genezen,
zoals God de vrome koning van Engeland, Eduard de zesde, en enige Duitse
vorsten verwekt bad, werden de predikers beschimpt, belasterd, gevangen genomen
en gedood. |
|
Men
verbood het Woord des Heeren te onderzoeken. |
O gij, goede heren, slaat hierop acht! omdat het wetboek aan uw handen is
ontvallen, de Bijbel in een hoek ligt, en Gods Woord niet wordt onderzocht,
daarom wordt het volk slecht geregeerd, de rechtvaardige verdrukt, en de
onrechtvaardigheid ten hoogste verheven; daarom vervalt de gemeente tot
velerlei dwalingen en sekten; want de opzieners zijn blind, en de herders
stomme bonden, die niet blaffen kunnen, en er is geen wetenschap bij hen. |
|
Jes.
56, vs. 10. Jes. 1, vs. 2, 3. |
Terecht mocht de Heere zich over zijn volk beklagen, en roepen over het
onverstand der lompe onwetendheid: "Hoort gij, hemelen, en neemt ter
oren, gij aarde! wat de Heere spreekt! Ik heb kinderen groot gemaakt en
verhoogd, maar zij hebben tegen Mij overtreden. Een os kent zijn bezitter, en
een ezel de kribbe zijns heren, maar Israël heeft geen kennis, mijn volk
verstaat niet. |
|
Jes.
30, vs. 9, 10, 11. |
Zij tergen Mij tot gramschap, de leugenachtige spruiten, die de wet Gods
niet willen horen, die daar zeggen tot de zieners: Ziet niet, en tot de
schouwers: Schouwt ons bedriegerijen. Wijkt af van de weg, maakt u van de
baan; laat de Heilige Israëls van ons afhouden!" |
|
De
onwetendheid heeft onkunde als gevolg. |
Door zulke onwetende blindheid en onkunde komt het, dat er zoveel
onwetendheid onschuldig bloed wordt vergoten, en dat de rechtvaardigen
vervolging en verdrukking lijden. Want hoe kunnen de rechters naar waarheid
oordelen, die deze zaken niet verstaan? En hoe zouden zij die kunnen
verstaan, als zij de Schrift niet onderzoeken, waarin het recht en de
gerechtigheid wordt verklaard? Maar zij haten het licht, omdat zij in de
duisternis verkeren. Zij vervolgen de waarheid, omdat zij door de leugens
verblind zijn. |
|
Joh.
15, vs. 21, en 16, vs. 3. Luk. 23, vs. 34. 1 Kor. 2, vs. 8. |
"Dit zullen zij u doen," zegt de Heere, "omdat zij noch de
Vader noch Mij gekend hebben." Hij bad ook voor zijn vervolgers, toen
Hij zei: "want zij weten niet, wat zij doen." Want, indien de
vorsten dezer wereld de wetenschap bezaten, en niet verstandeloos waren, zo
zouden zij de Heere der heerlijkheid niet gekruisigd hebben." Zo was het van het begin van de wereld, en zal het duren tot het einde
dat de duistere, blinde en onwetende wereld de gelovige kinderen des lichts
vervolgde, en vervolgen zal. Christus en al de leden van Christus zijn enkel
licht, leven en waarheid; en de wereld en allen, die Christus niet recht
kennen, zijn enkel duisternis, dood en ijdelheid. Als nu het licht in de
duisternis schijnt, zijn alle nachtraven, vleermuizen en nachtuilen in
beroering, want zij kunnen het licht niet verdragen. |
|
Joh. 3, vs. 19. Joh. 7, vs. 7. |
Daarom zegt Christus: "Dit is het oordeel, dat het licht in de
wereld gekomen is, en de mensen hebben de duisternis liever gehad dan het
licht, want hun werken waren boos." En wederom: "De wereld haat
Mij, omdat Ik van dezelve getuig, dat haar werken boos zijn." Zo is het
ook met de christenen, als zij de zonden aan het licht brengen en bestraffen:
als zij de ijdelheid en de leugen uitroeien door de waarheid, dan stelt de
gehele wereld zich te weer, en ieder brengt hout aan, om zulke ketters te
verbranden, want zij spreken en leven tegen de gehele wereld, omdat de gehele
wereld zich tegen de waarheid en gerechtigheid verzet. |
|
Boek
der wijsheid, h. 2. |
Dit heeft ons de wijze man zeer juist afgeschilderd, waar hij de bozen
laat zeggen: Wij willen de rechtvaardige onderdrukken, want hij is ons onnut
en tegen al onze werken; hij verwijt ons, dat wij tegen de wet zondigen, en
beschuldigt ons, dat wij tegen de tucht handelen; hij geeft zich uit, dat hij
de wetenschap van God bezit, en noemt zich een Zoon van God, hij bestraft ons
voornemen en opzet, hij is ons zeer lastig om te zien, want zijn leven is
zeer verschillend van de anderen, en hij verandert zijn wegen; wij worden
door hem gehouden voor beuzelaars, en hij wacht zich voor onze wegen als voor
onreinheid, en het slechtste der rechtvaardigen roemt hij hoog, en beroemt
zich, dat hij God tot een Vader heeft, enz. Met verdriet en moeite willen wij
hem onderzoeken, en zijn lijdzaamheid beproeven; wij willen hem met een
schandelijken dood veroordelen, en zo kan hij denken aan zijn woorden. Dit
hebben de boze lieden gedacht, en zij hebben gedwaald, want hun boosheid
heeft hun hart verblind. |
|
De
predikers van de waarheid worden altijd vervolgd. 1 Kon. 22, vs. 24, 27. Jes.
36, vs. 23. Dan. 6, vs. 16. Amos 7, vs. 12. |
Denkt er toch over na, gij christelijke heren, welke onwetendheid en
blindheid gij bewijst, hoe men tegen hen opstaat, hen vervolgt en doodt, die
het waarachtige licht van het goddelijke Woord verkondigen, en de wetenschap
en de kennis van God onderwijzen. Daarom kreeg Micha kinnebakslagen, werd in
de gevangenis geworpen, met het brood der bedruktheid gevoed en met water der
benauwdheid gedrenkt; daarom werden de boeken van de Profeet Jeremia
verbrand, en hij in een put van slijk en modder geworpen; daarom werd Daniël
geworpen in een leeuwenkuil, de Profeet Amos door de priester van Bethel als
een oproermaker voor de koning Jerobeam beschuldigd, en verboden te prediken
in de heerlijkheid en het gesticht van de koning; daarom hebben Johannes de
Doper, Christus en zijn Apostelen hun bloed gestort; om deze redenen werden
de heilige leraars, door de tirannie der heidenen en pausgezinden verdreven,
vermoord en verbrand, en als onwaardig geoordeeld de wereld te bewonen. |
|
Matth.
10, vs. 16. |
Deze zijn de getuigen en martelaren, van welke Christus spreekt, als Hij
hen uitzendt als lammeren en schapen onder de wolven; waar zij overgeleverd,
geslagen en gedood zouden worden, de koningen, vorsten en heidenen tot een
getuigenis, waarom zij ook getuigen of martelaren genoemd worden. Ja, niet
alleen hebben enige verstandeloze en verblinde vorsten de leraars en
predikanten van het goddelijk Woord omgebracht, maar ook hen steeds vervolgd,
die Gods Woord gehoorzaam en onderdanig waren; opdat al het bloed, van Abels
tijden af tot het einde der wereld toe vergoten, op hun hoofd zou komen, en
van hun handen geëist worden. |
|
Tot de
gelovige heren. |
Daarom bid ik u, o gij heren en overheden van het volk Gods, weest
voorzichtig in uw oordelen; onderzoekt de zaken, voor gij het vonnis velt.
Wacht u een vonnis over een zaak uit te spreken, die gij niet zelf onderzocht
en goed hebt leren kennen. Ziet niet langer door de ogen van anderen, opdat
de blinde leidslieden u niet in een put der verderfenis storten. |
|
Joh.
19, vs. 7. |
Wanneer de Schriftgeleerden en Farizeeën zeggen: "Volgens onze wet
moet Hij sterven. Hij is een ketter; wij hebben Hem onderzocht; indien Hij
geen boosdoener ware, zouden wij Hem u niet hebben overgeleverd;" weest
dan niet onredelijker dan de heidense Pilatus was, en gij zult hun dikwerf
ten antwoord geven: "wij vinden geen oorzaak des doods in hem; neemt en
oordeelt hem naar uw wetten." Ik weet en het is bekend, dat er velen onder u zijn, wiens ogen door Gods
Woord zijn verlicht, zodat zij maar al te goed weten, dat de christenen ten
onrechte door de zogenaamde geestelijkheid beschuldigd, en voor ketters en
oproermakers gescholden worden. Zij weten, dat zij om de gerechtigheid
lijden, en wegens de waarheid hun bloed storten. Maar uit vrees, dat ook zij
door de geestelijkheid als ketters geacht en beschuldigd zouden worden,
durven zij de beleden waarheid niet belijden, en de gerechtigheid voorstaan
of beschermen. De een zegt: "Ik wil de bijen niet tergen, noch de
slapende honden wakker maken." Anderen zeggen: "Wij kunnen niet
alleen dansen, dit moet gemeenschappelijk geschieden," en intussen
worden de rechtvaardigen omgebracht. Och, mijn heren, openbaarde en beleed
ieder, naar de kennis, die hij van God ontvangen heeft, de waarheid, de
priestermacht zou spoedig in rook verdwijnen. Maar nu ieder terugtreedt,
bevlekt gij uw handen met het onschuldig bloed, dat vergoten wordt. Want,
indien gij u beijverd had, zoudt gij voor de Heere onschuldig zijn, al had
dit niet plaats volgens uw verlangen. |
|
Voorbeelden
van hen, die de onschuldigen helpen. Gen. 37, vs. 29. 2 Kon. 18, vs. 4. Jer.
38, vs. 8, 9, vs. 7. |
Och, of gij de vrome mannen navolgde, die hun leven stelden als een muur
voor het Huis des Heeren, en de rechtvaardigen en onschuldigen zochten te
verlossen uit de macht van hen, die hen verdrukten, zoals Ruben de
onschuldige Jozef zocht te verlossen uit de handen der bloeddorstige
broeders; zoals Obadja, de hofmeester van de koning Achab, toen Izebel, de
koningin, de Profeten des Heeren doodde, hen bij vijftig tegelijk verbergde,
spijzigde en onderhield. Zo ging ook Ebed-melech, de moor, tot Zedekia, de
koning en verzocht hem vriendelijk om de Profeet des Heeren te verlossen. Ja,
ook een vrouw waagde het, voor het volk des Heeren, de koning Ahasveros te
bidden met gevaar van haar leven. En zouden dit de mannen niet durven doen?
Waarlijk, dat zou te beklagen zijn! |
|
Luk.
19, vs. 17. Matth. 10, vs. 40, 41. |
Denkt toch eens, o gij dienaren van God, aan de heerlijke beloften, die u
de Zoon van God doet, wanneer gij uw dienst getrouw waarneemt, hetwelk
bestaat in de goede tegen de onderdrukkers te beschermen. "Wel, gij
goede dienstknecht," zal Hij zeggen, "omdat gij in het minste
getrouw zijt geweest, zo heb macht over tien steden." "Gaat in, in
de vreugde uws Heeren," zegt Hij met een heerlijke belofte, tot hen, die
zijn volk ontvangen en bijstaan. "Die u ontvangt, ontvangt Mij,"
zegt Hij, "Die een Profeet ontvangt in de naam eens Profeten, zal het
loon eens Profeten ontvangen; en die een rechtvaardige ontvangt in de naam
eens rechtvaardigen, zal het loon eens rechtvaardigen ontvangen. En, zo wie
één van deze kleinen te drinken geeft, alleen een beker koud waters, in de
naam eens discipels, voorwaar zeg ik u, hij zal zijn loon geenszins
verliezen." Wat zal hij dan doen als gij de rechtvaardige uit de macht
der bozen en bloeddorstigen verlost? |
|
Luk.
12, vs. 42, 45. |
Ziet, de Heere heeft u over zijn Huis gesteld, omdat voor te staan en te
verzorgen. Zalig bent gij, als Hij bij zijn komst u aldus bevindt. Maar, als
gij in uw hart zegt "De Heere; vertoeft te komen," en gij begint uw
mededienstknechten te verdrukken, en de lust van uw hart op te volgen; dan
zal voorwaar de Heere komen op de dag, waarin gij Hem niet verwacht, en zal u
in stukken houwen, en uw deel zetten met de ontrouwen; want een dienaar, die
de wil zijns Heeren kent, en die niet wil volbrengen, en niet naar zijn wil
gedaan heeft, zal met vele slagen geslagen worden; en die veel gegeven is,
van die zal ook veel geëist worden. Denkt daarover toch na! |
|
Tot de
onwetenden, Joh. 16, vs. 2. 2 Thess. 2, vs. 10, 11. |
Ten anderen. Zij, die door onwetendheid kwaad en boos zijn, en menen God
een dienst te doen, wanneer zij iemand om Gods Woord doden en verbranden,
deze volgen juist de voetstappen van hun voorouders, en zullen ook hun loon
ontvangen. Tot zulk een val moesten zij komen, omdat zij de liefde tot de
waarheid niet hebben ontvangen tot hun zaligheid. Daarom zendt de almachtige
God hun krachtige dwalingen toe, opdat zij de leugens zouden geloven, en zij
allen geoordeeld worden, die de waarheid niet hebben geloofd, maar de
ongerechtigheid beschermd. Waarlijk, die de tirannie van Farao navolgen, Gods
woorden ongehoorzaam zijn, en het volk des Heeren met geweld onderdrukken,
zullen ook door de krachtige hand des Heeren in de wateren der verderfenis
verzinken en vergaan. |
|
Voorbeelden
van de straf van de vervolgers. |
Is het ooit gebeurd, dat zulke bloeddorstige lieden zonder een vreselijke
dood deze wereld hebben verlaten? Waarlijk, zelden of nooit geschiedt dit,
als ons oude en nieuwe geschiedenissen betuigen. Denkt aan Kaïns dood tot op
onze tijden; ten allen tijde was God een wreker van het bloed zijner
uitverkorenen, dat om wraak roept voor zijn oren. Hoe geweldig heeft de Heere
zo vele machtige koningen vernield, die zijn volk, dat Hij uit Egypte bracht,
wilden verdrukken. Hoe schandelijk zijn de koningen opgehangen en verwurgd! |
|
1 Sam.
31, vs. 4. |
Welk een verschrikkelijk einde had de boze koning Saul, nadat hij David
zo vaak had vervolgd, en de priesters des Heeren met het zwaard gedood, heeft
hij eindelijk met zijn eigen zwaard zich van het leven beroofd. Jerobeam, de
koning, door God over Israël gesteld, versloeg de Heere met zijn gehele
geslacht, omdat hij de leraars, de profeten des Heeren verdreef, en een valse
godsdienst voor het volk in het leven had geroepen. |
|
1 Kon.
22, vs. 34, 38. 2 Kon.
9, vs. 33, 35. 2 Kon.
26, vs. 7. Judith
13, vs. 10. De
voetstappen van Antiochus worden door onze koningen gevolgd, 1 Makk. 1. |
Achab, de koning, werd doorschoten, en de honden lekten zijn bloed, omdat
hij de onschuldige Naboth ten onrechte door de rechters liet doden, en niet
hoorde naar de Profeten des Heeren. Izebel, zijn vrouw, werd uit het venster
geworpen, brak de hals, en werd door de bonden verslonden, omdat zij de
Profeten van God en alle Godvruchtige mannen verdreef en vermoordde. Om
dezelfde reden werd Zedekia blind in de Babylonische ballingschap, en
Holofernus schandelijk door een vrouw verslagen; ja, ook Antiochus, de
koning, die een duidelijk voorbeeld is voor de vorsten en koningen in onze
tijden, wiens voetstappen zij allen navolgen; want door zijn bevel dwong hij
Gods volk de heidense gewoonten en wetten te onderhouden, en Gods bevel te
overtreden, en stelde kettermeesters en onderzoekers aan in alle steden, die
het volk daartoe dwongen. Hij liet de boeken, de Testamenten des Heeren in
stukken snijden en verbranden. Wie Testamenten des Heeren bezat, en volgens zijn
Woord wilde leven, werd op bevel des konings gedood. Deze werd door de Heere
met zulk een weemoed en droefheid van het hart getroffen, dat hij aan de
gevolgen daarvan stierf. In onze tijden mag men zich hieraan wel voor goed
spiegelen. Let hierop toch, want Gods hand is ook nu niet verkort, om de
wreedheid der tirannen te straffen, en het bloed zijner martelaren te wreken. |
|
Christenen
worden ketters en oproermakers genoemd. |
Zegt iemand soms: “Ja dat deden de goddelozen aan de kinderen Gods; maar
nu vervolgt men niemand dan oproerige ketters, sektemakers, en hen die het
volk verleiden." Och, gij vrome heren, let toch eens op de aard en de natuur van de satan,
die zich toch dagelijks als een God opwerpt, en zijn macht verheffen wil,
opdat hij God en zijn heerlijkheid zou verduisteren en teniet doen. Wie zijn
toch de ketters? Zij, die de woorden des Heeren navolgen, of zij, die
daartegen opstaan en die onderdrukken? Die de boosheid bestraffen en haten,
of die verdedigen en navolgen? Oordeelt nu zelf, wie de ketters zijn. |
|
Joh. 5, vs. 39. Matth. 28, vs. 19. |
Christus beveelt de christenen de Schrift te onderzoeken, waarin zij het
eeuwige leven zullen vinden. Hij beveelt de predikanten te prediken volgens
zijn bevel. Dit te doen wordt verboden en ketterij genoemd; die volgens zijn
bevel prediken en de valsheid bestraffen, heten verleiders en oproermakers,
die men niet kan uitstaan. Zij, die de sacramenten naar het bevel des Heeren
Jezus Christus uitdelen en ontvangen, worden valse leraars, sektemakers, en
sacramentschenders genoemd door hen, die de sacramenten van Christus
vervalsen, schenden of vernietigen. Christus heeft bevolen, dat allen uit één
kelk moeten drinken, en, die dat doen willen, heten ketters, want de
priesters verbieden dat. Zij, die de heidense afgoderij van houten en stenen
beelden te aanbidden, aan te roepen, te verlichten en te vereren volgens Gods
Woord verbieden, noemt men beeldstormers en verachters van heiligen bij dit
overspelig en afgodisch geslacht. Daarentegen heten zij, die de afgoden
oprichten, heilige christenen. |
|
Jes. 5, vs. 20. Amos 7, vs. 10. 1 Kon.
18, vs. 17. Luk.
23, vs. 2. Matth. 26, vs. 61. Hand. 24, vs. 5. |
Ziet aldus weet de duivel het blaadje door zijn handlangers om te keren.
Wee u, wee u, die het kwade goed noemt, en het goede kwaad, die het licht
duisternis acht, en de duisternis licht. Gelijk Amazia, de priester van
Bethel, liet volk tot afgoderij verleidde, zo beschuldigt men de prediker des
Heeren, dat hij oproerig is jegens de koning, en beweert, dat het land zijn prediking
niet verdragen kan, en hij uit het land moet verbannen worden. Elia werd als
een oproermaker door de koning Achab gescholden, omdat hij de Baälpriesters
wegens hun afgoderij bestrafte. Christus zelf werd door de geestelijkheid bij
de wereldlijke overheid als een oproermaker aangeklaagd, en gezegd, dat Hij
het volk beroerde van Galilea af tot hiertoe; dat Hij verbood de keizer
schatting te geven, en dat Hij de tempel wilde verbreken. Paulus werd door de
Joodse priesters voor de Romeinse rechter als een oproermaker en voorstander
der sekten beschuldigd. Het moet de christenen gaan, zoals het Christus, de
Apostelen en Profeten ging. Zouden de discipelen beter zijn dan de Meester?
Dat kan niet. Let er op en ziet, of de eigenlijke ketters niet altijd de godzaligen
hebben vervolgd. Waar vindt men, dat de valse profeten en valse leraars door
de wereld vervolgd werden? Is het ooit gezien of gehoord? Neen, toch niet,
want de wereld bemint altijd het hare; zij scheidt, vervloekt, doodt en
verbrandt, wat door Christus is uitverkoren, want dat is niet van de wereld.
Zo werden Christus en zijn leerlingen door die wereld als ketters, verleiders
en oproermakers gehouden, en de verleiders, ketters, en die tegen de Heere
oproerig waren, werden door de wereld christenen genoemd. Daarom, gij christelijke heren en overheden van het volk, let niet op het
geroep en geschreeuw van het volk, op de klachten van de geestelijkheid, die
altijd tegen Christus en zijn heilig Woord opstonden, en bekreunt u ook niet
om de gewoonte of het algemeen gebruik en de loop der wereld van de tijd der
voorouders af; want deze zouden u allen bedriegen. Maar let op het
onvervalste Woord des Heeren, dat een licht voor uw voet zal zijn, opdat gij
in de duisternis niet struikelt. Weest niet langer onwetend in goddelijke
zaken, opdat gij de onschuldigen kunt beschermen tegen hun overweldigers. |
|
Christus
wordt vervolgd in zijn dienaars. Hand. 9, vs. 5. Zach. 2, vs. 8. Ps. 105, vs.
15. |
Bedenkt, dat, wanneer gij Gods dienaren voor u hebt, dat Christus zelf
voor u staat, en door u wordt veroordeeld, en dat Hij tot u zegt: Waarom
vervolgt gij Mij? Het is u hard de verzenen tegen de prikkels te slaan.
Aangaande deze zijn uitverkorenen zegt Hij toch: Die u aanraakt, raakt de
appel mijner ogen aan. Hij vermaant u door te zeggen: Tast mijn gezalfden
niet aan, en weest niet wreed jegens mijn Profeten. Het is een grote wreedheid en een verschrikkelijke ondankbaarheid om hen
te onderdrukken, die hun bezittingen en leven wagen, om u van de weg der
verderfenis tot het eeuwige leven te voeren; aldus beloont gij het goede met
het kwade. Dit zijn immers geen bewijzen van ware mensen, nog veel minder van
christenen. Daarom bid ik u, en vermaan u door onze Heere Jezus Christus,
door wiens bloed gij van de tirannie des duivels verlost bent, u te wachten
van uw handen te bevlekken met het bloed der rechtvaardigen. Doet u het, de
hand des Heeren is nu opgeheven om zulke onrechtvaardige wreedheid en wrede
onrechtvaardigheid te straffen. Verstout gij u, de godzaligen te verdrijven
en uit te roeien, zo zult gij allen vergaan. |
|
Gen.
7. Gen.
19. |
Toen Noach in de ark ging, rees de verderfelijke watervloed over alles,
wat leven ontvangen had. Toen de godvrezende Lot met zijn dochters uit Sodom
vertrok, kon men niet anders dan zwavel en vuurregen van de Heere verwachten,
om alle bozen te verteren. Daarom, ziet toe, gij bent in uw eigen licht, gij
verderft uzelf. |
|
Jes.
1, vs. 9. Gen.
3, vs. 15. 2 Thess. 2, vs. 8. Spr. 21, vs. 20. Hand.
3, vs. 17. |
Want zo de Heere u geen zaad nalaat, dan zult gij als Sodom en Gomorra
door Gods toorn worden verslonden. Wilt gij de slang helpen in Christus’
hielen te bijten, dan zal uw hoofd in stukken geslagen worden. Wilt gij de
antichrist op zijn zetel verheffen, dan zal Christus u met het zwaard van
zijn Woord vernielen, en tot een voetbank zijner voeten maken. Tegen God
geldt toch raad noch geweld. Nu, welaan, ik weet, dat gij het door
onwetendheid gedaan hebt, zoals al uw voorvaders de Profeten en Apostelen
hebben omgebracht, maar bekeert u nog, en laat af van het vergieten van het
onschuldig bloed, en de Heere, die rijk is in barmhartigheid, zal zich uwer
ontfermen, en met geopende armen ontvangen. Volgt het voorbeeld van de koning
Manasse; beweent uw zonden, en de Heere zal u genadig zijn. Want Hij wil de
dood van de zondaar niet, maar dat hij zich bekeert en leeft. Wanneer gij het
boze laat varen, en u bekeert, zal de Heere een licht laten opgaan in uw
harten, en de zon der gerechtigheid overal laten schijnen. In vreugde zult
gij uw leven doorbrengen, en in vrede uw volk regeren. Het volk zal de wet
des Heeren leren, en zij zullen de vrees Gods voor ogen hebben. O, gelukkig
volk, dat dit ten deel valt, die de Heere voor hun God houden. O zalige
overheden, die het wetboek en de Testamenten des Heeren steeds in de hand
hebben, en zich daarin oefenen dag en nacht. Want zij zullen de wil des
Heeren erkennen, en hun volk in rechtvaardigheid regeren. |
|
Jes.
11, vs. 9. |
Dan zal niemand gewond of gedood worden op de heilige berg van God; want
de aarde zal vervuld worden van de kennis des Heeren. De almachtige, en
barmhartige God, de Vader van onze Heere Jezus Christus, verlichte eenmaal
door zijn Heilige Geest de duistere ogen en blinde harten, en vooral die van
de overheid, opdat zij zien mogen in wie zij gestoken hebben, en de Heere der
heerlijkheid en de Koning aller koningen belijden, zijn naam heiligen, zijn
gemeente beschermen, en alzo hun poorten openen, om de Koning der
heerlijkheid te ontvangen. Amen. |
Antwerpen, in het jaar onzes Heeren 1559.
Adrianus Haemstedius
Beminde, goedgunstige lezer, het is genoeg bekend, dat de gelovigen der
eerste kerk, naar de voorzegging van de Heere Jezus Christus, aan vele en zware
beproevingen waren onderworpen, want zelfs de Apostelen van Christus hadden uit
de Joden en Heidenen tot vijanden, die in deze wereld, volgens het oordeel der
mensen, de geleerdste, machtigste en uitnemendste waren, die hen met alle macht
en wreedheid vervolgden, en eindelijk doodden en ombrachten. Doch van de apostolische
tijd ontstond er nog veel grotere tirannie, toen de Romeinse keizers al hun
macht aanwendden, om het ware geloof en de christelijke kerk, die over de
gehelen aardbodem zich begonnen uit te breiden, uit te roeien. Men leest ook,
dat zij tot de tijd van Constantijn de Grote, gedurende drie eeuwen, geen
wreedheden nalieten te plegen, om het geloof uit te blussen. Zij toch beroofden
de christenen niet alleen van wereldse eer, staat en waardigheid, maar de
christenen werden ook onthoofd, opgehangen, verdronken, verbrand, de wilden
dieren voorgeworpen, en allerlei martelingen werden hun aangedaan. Ja, de wilde
stomme dieren waren soms barmhartiger dan de tirannen, zodat zij vele gelovigen
spaarden, en de beulen verscheurden en verslonden. In één woord, de wreedheid
was in die tijden zo buitengewoon, dat er ten tijde van Diocletianus geen grote
stad was, waarin niet iedere dag bijna honderd gelovigen werden gedood. De
geschiedschrijvers hebben zelfs aangetekend. dat er eens in één maand zeventien
duizend christenen werden omgebracht. Doch onder deze verschrikkelijke
vervolgingen ondervond men ook de vertroosting, dat wanneer de christenen
dikwerf in onreine kwalijk riekende gevangenissen lagen, zij door andere
broeders niet vergeten, maar door hen getroost, versterkt en van spijs in de
gevangenis voorzien werden; of, indien hun dit door een gevangenbewaarder niet
werd toegestaan, schreven en zonden zij hun enige troostrijke brieven; ook
hielpen en sterkten zij hen in hun heilige voornemens met hun openbare en
bijzondere gebeden.
En aangezien God wilde, dat ook de gedachtenis van zijn heilige martelaren
onder de mensen in waarde zou gehouden worden, droegen de vroegere christenen
niet alleen zorg voor hun gevangen medebroeders in het leven; maar ook, wanneer
zij om de naam van Jezus Christus waren gedood, werd de gedachtenis van deze
martelaren ook in ere gebonden, omdat zij vast geloofden, dat de zalige
martelaren uit dit ellendig tranendal naar het eeuwige en onsterfelijke leven
verreisd en waarlijk wedergeboren waren; en ook, om zich en hun medegelovigen
door zulk een gedachtenis tot gelijke standvastigheid op te wekken. Opdat ook
de geschiedenissen der martelaren niet in vergetelheid zouden geraken, waren er
ook, die deze schriftelijk te boek stelden, zoals men, onder andere, leest, dat
Keizer Constantijn, op verzoek van Eusebius, bisschop van Cesarea, naar alle
delen der wereld mannen zond, en de namen van de martelaren alsook de tijd van
hun lijden liet optekenen, alsmede onder wie, op welke wijze en in welke
plaatsen zij hadden geleden. Te beklagen is het echter, dat, wat de eerste
christenen tot opwekking der standvastigheid diende, dit door de nakomelingen
in schandelijke afgoderij werd veranderd.
Doch, wat zullen wij zeggen van de verschrikkelijke vervolgingen, die toen
en later hebben plaats gehad? Het aantal der vroegere martelaren was zeer
groot; maar wie kan het veel grotere getal van onze martelaren berekenen? De
vroegere martelaren werden gruwelijk gepijnigd en gedood, maar welke tong kan
uitspreken, of welke pen kan beschrijven met welke vreselijke barbaarse en
onmenselijke martelingen, zoals onthoofden, verdrinken, ophangen, levend
begraven, langzaam in het vuur roosteren, tot as verbranden en dergelijke wrede
doodstraffen de martelaren in later tijd werden omgebracht? En daarom verdienen
zij geen geringen lof, die zich benaarstigden de gedachtenis van onze
martelaren onder de mensen levendig te houden. Vooral voegt het ons
Nederlanders, hen zeer te danken, die de namen der martelaren, als ook de tijd
wanneer en de plaatsen, waar zij gepijnigd werden, de martelingen, die hun
werden aangedaan en dergelijke omstandigheden meer, tot een eeuwige gedachtenis
van hun standvastigheid beschreven en de nakomelingen nagelaten hebben.
En, aangezien het bloed der martelaren zo overvloedig bijna als water, niet
alleen in de Nederlanden, maar ook in het gehele christelijke rijk vloeide,
zijn in dit boek niet alleen de martelaren in Nederland opgenomen, maar ook
verscheidene andere martelaren, die in Engeland, Frankrijk, Spanje, Italië, en
andere landen, om de belijdenis der waarheid leden, er bijgevoegd; doch niet
allen, slechts de voornaamste; ook niet met alle bijzonderheden, zoals die in
de Engelse, Franse en andere martelaarsboeken beschreven staan; want dit alles
zou niet in één deel opgenomen kunnen worden, maar alleen het voornaamste wat
er bij hun martelingen plaats had.
Daar vroeger dit Nederlandse martelaarsboek in drie delen was uitgegeven,
hebben wij daarvan nu één deel gemaakt, en iedere martelaar naar volgorde
beschreven, en wel op behoorlijken tijd en plaats. Zo veel ons mogelijk was,
hebben wij er ook op gelet of iemand hunner in het een of in het andere
gedeelte van het jaar gemarteld werd, en dit ook naar volgorde geschikt. Wij
hebben ook verzwegen zulke geschiedenissen, die wij zagen dat op twee of drie
verscheidene plaatsen werden verhaald, en wel soms met dezelfde namen, soms met
een kleine verandering; en hebben ons daarbij aan de uitvoerigste gehouden.
Deze laatste druk is ook met verscheidene schone en gedenkwaardige
geschiedenissen, die vroeger in het Nederlandse Martelaarsboek niet waren
opgenomen, vermeerderd, zoals bijvoorbeeld: Bij de moord te Parijs hebben wij
ook gevoegd de moord, die in die tijd, om dezelfde redenen, in andere provinciën
en steden van Frankrijk, als te Angers, Rouaan, Bordeaux en andere plaatsen
tegen de Hervormden plaats had; ook de moord die in 1620 in Valtellina aan de
Hervormden geschiedde, en meer andere geschiedenissen van bijzondere gelovigen
tot het jaar 1633; alsmede de onmenselijke en ongehoorde wreedheid gepleegd
jegens de Hervormde christenen in het koninkrijk Ierland, in het jaar 1641,
alsmede de verschrikkelijke moord aan de Waldenzen in Piëmont in het jaar 1655.
De Verhandeling over de hovaardij en opgeblazen oppermacht der Pausen het
eerst in de Engelse taal geschreven door de eerwaarden dienaar van Jezus
Christus, Johannes Foxus, en daarna in onze Nederlandse taal overgebracht door
H. Hexam, hebben wij laten voorafgaan, die ons toont, hoe al de bloedige vervolgingen
der gelovigen in de volgende eeuwen ontstaan zijn, tot op deze dag. Daarin
wordt ons levendig voor ogen gesteld, hoe de eerste getrouwe bisschoppen van
Gods Kerk in verloop van tijd al erger en erger werden, en hoe zij
langzamerhand als van zeer goede onderdanen der keizers en koningen, geworden
zijn heren en heerschappijvoerders over koningen en koninkrijken, die in de
tempel Gods als een God zitten, zichzelf vertonende dat zij God zijn;"
zoals dit door de Heilige Geest vooruit gezien, en ons in de Heilige Schrift
voorzegd en geopenbaard is." En aangezien de getrouwe bisschoppen en vrome
getuigen van Jezus Christus de hoogmoed van deze bedorven bisschoppen niet
konden verdragen, noch voor het hoofd der kerk, waarvoor zij zich uitgaven, zoals
de pausen nog doen, wilden erkennen, maar veel meer voor de waren antichrist,
die zich tegen Christus verheft, en derhalve ook hun menselijke vonden en
instellingen niet wilden goedkeuren noch aannemen, daarom hebben vele
martelaren hun bloed laten vergieten; daardoor is de gehele wereld in beroering
gebracht; daardoor heeft zich de Babylonische hoer tot nog toe dronken gemaakt
niet het bloed der vrome martelaren daardoor is het aantal van hen, "die
gedood waren om het Woord Gods en om het getuigenis” dat zij zo groot en
ontelbaar geworden, dat het door niemand ter wereld kan worden berekend, waarom
ook de namen van vele duizenden martelaren in dit boek niet konden worden
opgenomen, die echter in de hemel, in het boek des levens, geschreven zijn.
Wij bidden daarom de christelijke lezer, deze onze genomen moeite ten goede
te willen aannemen, en die zo tot nut te maken, opdat het mag medewerken tot
grootmaking van Gods heiligen naam en eer, tot stichting van de naasten,
versterking in het geloof en tot zaligheid der zielen. Amen.
In het twee en veertigste jaar van de regering van Augustus, de tweede
Romeinse keizer, is Jezus Christus, de enige Zoon van de levende en almachtige
God, door de kracht des Heilige Geestes ontvangen en geboren uit de maagd
Maria, en waarachtig mens geworden uit het zaad van David naar het vlees, gelijk
Hij tevoren de vaderen was beloofd, om het menselijke geslacht met Zijn Vader
te verzoenen, en van zonde, dood, duivel en verdoemenis te verlossen door de
onbevlekte offerande Zijns lichaams. Zijn ontvangenis te Nazareth en Zijn
geboorte te Bethlehem is zeer wonderbaar en goddelijk geweest; en, naardien Hij
om onzentwil onder de wet geworden is, om ons van de slavernij der wet te
verlossen, is hij besneden, en in de tempel de Heere voorgesteld; ook is Hij
toegenomen in wijsheid, in grootte en in genade bij God en de mensen. Maar,
aangezien door het gerucht van de komst der Wijzen, Herodes en geheel Jeruzalem
beroerd waren over Zijn geboorte, hebben zij Hem terstond vervolgd en, om Hem
te doden, de Bethlehemitische kinderen wreed vermoord; maar Christus is (door
de waarschuwing van de Engel) met Zijn ouders naar Egypte gevlucht, en daar
gebleven tot áèn (lood van Herodes. Toen Hij onder de regering van Archelaus
wederkeerde naar Nazareth, was Hij Zijn moeder en vermeenden vader onderdanig.
Verder zich met Zijn ouders begevende naar de feesten te Jeruzalem, heeft Hij
op Zijn twaalfde jaar een heerlijk bewijs van Zijn Godheid getoond onder de
geleerden der wet, en heeft voorts een gewoon leven geleid, Zich met timmeren
bezig gehouden onder Zijn vermeende vader Jozef, tot het dertigste jaar Zijns
levens.
In het dertigste jaar Zijns levens, toen Tiberius, de derde keizer van
Rome, regeerde, is Hij aan Israël geopenbaard, en door God Zijn Vader in het
openbaar door de doop en de zalving des Heilige Geestes tot onze groten
Profeet, Hogepriester en eeuwige Koning gewijd, dat is tot onze ware Messias en
Zaligmaker.
En, om dit ambt ten onze beste te kunnen bedienen, heeft Hij Zich begeven
tot vasten en bidden, waarin Hij is verzocht is geweest van de satan; maar hem
krachtig overwinnende, heeft Hij het leraarsambt bediend met zulk een macht,
volkomenheid en aangenaamheid, dat zelfs Zijn vijanden zich daarover
verwonderden en zich ontzetten.
Zijn hemelse leer en de wil Zijns Vaders heeft Hij in Zijn eigen persoon, door
Zijn goddelijke kracht, met zulk een overvloed van wonderen bevestigd en
versterkt, dat zelfs de redeloze schepselen daarover bewogen en alle mensen
verwonderd waren.
Hij heeft de kerk van God Zijn Vader hervormd en gezuiverd, alle dwalingen
en vervalsingen van de wet verbeterd, de boosheden der mensen bestraft en de
verdrukkers der waarheid gestadig overwonnen. Hij heeft Zich ook discipelen
verzameld, en een kerk of geestelijk rijk opgericht. In Zijn leven heeft Hij
onstraffelijk en onbevlekt gewandeld, opdat Hij de wet voor ons zou kunnen
volbrengen, gelijk van de waren Messias werd vereist, en door de reine beesten
in de offeranden is afgebeeld.
Hij was de schoonste en heerlijkste onder alle mensen; in voorkomen,
gedaante en zeden aldus gesteld, dat Hij wonderlijk was en aangenaam boven alle
schepselen, Welke de Engelen hebben begeerd te aanschouwen.
In één woord, in alles was Hij vol wijsheid, ernst en heerlijkheid; ja de
kracht Zijner Godheid was vaak glansrijk en te aanschouwen in Zijn menselijk lichaam.
Maar om onzentwil is Hij integendeel geweest de allerverachtste en
onwaardigste, een worm en geen mens, omdat Zijn gehele leven één gedurig lijden
is geweest, opdat Hij ons door Zijn lijden zou heiligen; want wat hij heeft
geleden van de ondankbare Joden, Schriftgeleerden, Farizeeën en vele andere
Goddeloze mensen, en hoe menigerlei benauwdheden, gevaren en zwarigheden Hij
voornamelijk gedurende de tijd van drie jaren heeft uitgestaan en verdragen, is
met geen woorden uit te spreken, noch pen te beschrijven.
Doch men moet onderscheid maken tussen Hem en de martelaren, wier dood,
hoewel kostelijk in de ogen des Heeren, niet tot verlossing van iemand strekt,
maar om te bewijzen de volstandigheid van hun geloof en de vervulling der
broederschap; want Christus heeft de pers alleen getreden, omdat Hij heeft
geleden en gesmaakt de toorn Gods en de gramschap der hel, welke alle
martelaren in het allerminst niet konden bedenken, laat staan lijden en dragen.
De kerkleeraars zeggen wel, dat het bloed der martelaren het zaad der kerk
is, maar niet de verzoening der kerk. En, als zij gezegd worden de
overblijfselen van het lijden van Christus te vervullen, dan is dit niet zo te
verstaan, dat aan het lijden van Christus iets zou hebben ontbroken, maar dat
zij Zijn voorbeeld navolgen, en alzo is Hij nog lijdende in Zijn heiligen.
Want, zoveel de verzoening der kerk aangaat, zij is alleen verlost en gezuiverd
door het dierbaar bloed van Christus Jezus, de Zoon Gods.
Voorts, benevens de verzoening in alle Christus, zo dient ons ook Zijn
lijden tot een voorbeeld om na te volgen; want Hij is als onze Heere en
opperste Hoofd ons voorgegaan, opdat wij, onder Zijn banier strijdende, door
Hem zouden verkrijgen de volle overwinning tot onze zaligheid. Maar Hij is alzo
niet de eerste onder alle martelaren, in deze tijd, onder keizer Tiberius; want
het Lam Christus is van het begin der wereld aan geslacht, zodat Hij is de
eerste en als het Hoofd der martelaren voor Abel en al de profeten, die ooit om
des Heeren wil hebben geleden; maar eigenlijk heeft Hij in de volheid des tijd
alle dingen door Zijn dood volbracht.
Ten laatste, nadat Hij het Heilige Avondmaal voor de Zijnen tot een
gedachtenis van Zijn dood en verzegeling van hun zaligheid had ingesteld, is
Hij van Zijn eigen discipel Judas verraden, en van een grote schare, uit
gezonden door de Overpriesters, Schriftgeleerden en Ouderlingen van het volk,
gewapend met zwaarden en stokken, gevangen genomen en gebonden.
Deze brachten hem eerst naar Annas, die Hem daarna gebonden zond naar
Kajafas de hogepriester, waar de Schriftgeleerden en Ouderlingen vergaderd
waren.
Voor deze Joodse raad is Hij vals beschuldigd, dat Hij gezegd had, dat Hij
de stoffelijke tempel van Jeruzalem, die met handen gemaakt was, zou afbreken.
en in drie dagen een anderen, zonder handen gemaakt, opbouwen. Daar heeft men
ook verklaard, dat Hij een Godslasteraar was, omdat Hij Zich Gods Zoon had
genoemd. Daar hebben enigen Hem in Zijn heilig aangezicht gespogen en met
vuisten geslagen; anderen hebben Hem kinnebakslagen gegeven en gezegd:
profeteer ons Christus, wie is het, die U geslagen heeft?"
Deze Joodse raad Hem, des doods schuldig geoordeeld hebbende, is Hij door
tien aan de wereldlijken rechter Pontius Pilatus overgeleverd, met verzoek, dat
Hij zou gekruisigd worden. Pilatus, wetende, dat de Joden Hem uit nijd hadden
overgeleverd zocht alle middelen om Hem los te laten, en betuigde dat Hij, na
naarstig onderzoek van alles, geen schuld in Hem vond; maar, ziende, dat Hij
hierdoor bij hen niets vorderde en dat zij desniettegenstaande bleven roepen:
"Kruis Hem, kruis Hem," en hem dreigden met de ongenade des keizers,
zo heeft hij (nadat hij zijn handen met water gewassen en betuigd had, dat hij
onschuldig was aan het bloed van deze Rechtvaardige, en de Heere Jezus had
gegeseld) Hem aan de krijgsknechten overgeleverd om gekruisigd te worden.
Deze hebben Hem, in het rechthuis nemende, ontkleed, een purperen mantel
aangedaan, een doornenkroon op het hoofd gezet, een rietstok in Zijn
rechterhand gegeven, en, op hun knieën voor Hem neervallende, bespot, zeggende:
wees gegroet, gij Koning der Joden;" en op Hem gespogen hebbende, hebben
zij Hem met een rietstok op het hoofd geslagen, daarna de mantel afgedaan, en
wederom Zijn eigen klederen aangetrokken, en aldus uitgeleid om gekruisigd te
worden.
Eindelijk werd hij naakt tussen twee moordenaars gehangen,Zijn handen en
voeten doornageld en aan het kruis gehecht. Onder vreselijke smarten des
lichaams en der ziel, in de uiterste benauwdheid, om onzer zonden wil,
uitroepende: mijn God, Mijn God, waarom hebt Gij Mij verlaten," is Hij
gestorven, terwijl Hij Zijn ziel met vertrouwen in de handen van God Zijn Vader
beval, in de leeftijd van drie en dertig jaren, omtrent het achttiende jaar der
regering van Tiberius, de derde keizer van Rome.
De Heere Jezus Christus is na Zijn dood door Jozef van Arimathea en
Nicodemus op eervolle wijze ter aarde besteld en begraven, en ten derde dag als
de eersteling dergenen, die ontslapen zijn, opgestaan uit de doden, tot eeuwige
onsterfelijkheid. Na veertig dagen is Hij openlijk voor de ogen Zijner
Apostelen naar de hemel gevaren, en gezeten aan de rechterhand Gods, om op de
jongste dag vandaar terug te komen, teneinde te oordelen de levenden en de
doden, en Zijn gelovigen op te wekken, en met lichaam en ziel over te brengen
in het eeuwige leven.
[JAAR 32.]
Johannes, bijgenaamd de Doper, uit de stam van Aäron, een zoon van de
priester Zacharias en zijn vrouw Elisabeth, naar het bevel van de Engel aldus
genaamd, werd geboren ten tijde van de koning Herodes, en wel op een wonderbare
wijze, toen zijn ouders op hogen leeftijd gekomen waren, en is van zijn
geboorte aan vervuld geweest met de Heilige Geest.
Toen hij nu omtrent dertig jaren oud was, (ongeveer een half jaar voor de
Heere Christus Zijn Profetisch ambt begon) in het vijftiende jaar der regering
van de keizer Tiberius, toen Pontius Pilatus stadhouder was, ten tijde van de
Hogepriesters Annas en Kajafas, is hij van God geroepen en gezonden om te
prediken de doop der bekering tot vergeving der zonden, en als een Engel of
bode voor het aangezicht van Christus de weg te bereiden voor de Messias, en
het hart der vaderen te bekeren tot de kinderen.
Aangaande de heerlijkheid van deze man had de Engel des Heeren gezegd, dat
velen zich over zijn geboorte zouden verblijden, dat hij groot zou zijn voor de
Heere, om voor Hem te bereiden een toegerust volk, en (zoals niet alleen de
Profeten, maar ook Zacharias van hem door de Geest des Allerhoogste had
voorgezegd) om Zijn volk kennis der zaligheid te geven, in vergeving van hun
zonden.
Als Johannes nu van God aldus was geroepen en gezonden, om van het licht
van Christus te getuigen, kwam hij aan de Jordaan bij Salim en elders, terwijl
hij doopte en leerde. Hij bezat een uitnemende geest en verstand; en velen
kwamen er om van.hem gedoopt te worden en naar zijn leer te horen, onder wie
vele geveinsden en boze mensen, wien hij ernstig de waarheid zei, bestrafte en
vermaande tot bekering. De arme zondaars, tollenaars, krijgslieden en anderen
heeft hij met groten ijver onderwezen en getroost in de weg der zaligheid.
Toen hij met zijn werk begon, kwam Christus aan de Jordaan en Deze verzocht
door hem gedoopt te worden, hetwelk hij eerst uit nederigheid en met een goede
bedoeling weigerde; maar Christus overtuigde hem, dat zulks nodig was, zodat
hij Hem dan ook doopte en dadelijk van Christus getuigde dat Hij het Lam Gods
en de Bruidegom Zijner kerk, ware Messias, Wiens schoenen hij niet waardig was
Hem na te dragen.
Aangezien Johannes doopte en leerde onder een zeer groten toeloop van volk,
waren er velen die twijfelden, of hij zelf niet de Messias was, welke eer hij
echter van zich afgewezen en Christus, Wien zij alleen toekwam, gegeven heeft.
De Farizeeën en Joden hebben toen hun gezanten tot hem gezonden, om hem te
vragen naai, zijn roeping, zending en gezag, omdat hij de Evangelische leer
verkondigde, en nochtans de Christus niet was. Hij heeft hun echter zo
geantwoord, dat zij bedremmeld en beschaamd heengingen. Toen nu Johannes (die
zeer ijverig, was,) vele leerlingen maakte, en die leerde vasten en bidden en
hij van zijn werk zich met loffelijke ijver kweet, won hij in grote mate het
vertrouwen, aanzien en gezag bij alle mensen, zelfs bij de koning Herodes
Antipas, die hem in waarde hield en graag hoorde. Maar deze koning had zich aan
een goddeloze daad schuldig gemaakt, door namelijk zijn eigen vrouw, de dochter
van Aretas, de koning van Arabië, te verstoten, en de vrouw van zijn broeder
Filippus, nog bij het leven van haren man, tot zich te nemen, terwijl zijn
broeder reeds enige kinderen bij haar had verwekt. Dit kon Johannes
overeenkomstig zijn ambt niet verduren, noch verdragen, en zonder vrees voor
ondank of geweld heeft hij hem openlijk over deze bloedschande bestraft. Doch,
daar de goddelozen niet willen bestraft worden, zo haatte hij hem, en zocht een
aanleiding om hem te doden. En aangezien velen dachten, dat hij de Messias was,
waardoor de toeloop van het volk dagelijks groter werd, zo heeft Herodes
Johannes (onder de naam van oproermaker) laten gevangen nemen en overbrengen in
de kerker Machaerus.
Intussen heeft Johannes zijn werkzaamheden niet gestaakt, en zelfs uit Zijn
gevangenis enige van zijn discipelen tot Christus gezonden, om hen en anderen
door Christus, leer en wonderen van de waarheid van Diens toekomst te
verzekeren, gelijk ook heeft plaats gehad.
De Heere Christus heeft niet alleen toen, maar ook later bij herhaling een
goede getuigenis gegeven van zijn leer, standvastigheid, zijn doop, en
gesproken van zijn klederen, eten en drinken, in één woord, dat hij in alles
was de ware, geestelijke Elia, een brandende kaars, de grootste Profeet onder
hen, die van vrouwen geboren waren. Dat hij geen tekenen deed, was misschien
wel daarom, opdat men niet menen zou, dat hij de Christus was.
Maar de goddeloze en ontuchtige Herodias, nog niet tevreden, dat Johannes
gevangen zat, legde hem lagen, om hem zo mogelijk te laten doden, doch dit
gelukte haar niet, want Herodes vreesde Johannes. Doch op de verjaardag van
Herodes gaf deze aan zijn hovelingen een luisterrijken maaltijd, waarbij het
dochtertje van Herodias, ten genoegen van al deze lichtzinnige lieden, zeer
mooi danste. Herodes beschonken zijnde, vond daarin zulk een beha gen, dat hij
het met ede bezwoer, haar alles te zullen geven, wat zij begeerde. Nu had
Herodias gelegenheid zich op Johannes te wreken, en raadde haar dochter aan,
van Herodes te vragen, dat haar terstond het hoofd van Johannes de Doper in een
schotel zou gebracht worden. Herodes, dit horende, was zeer bedroefd; maar om
zijn lichtvaardig gezworen eed te houden, en om (zogenaamd) zijn woord niet te
breken tegenover zijn hovelingen, stond hij haar verzoek toe; liever zijn
zondigen eed houdende, dan die te breken, waarmee hij echter zich zo niet zou
bezondigd hebben. De scherprechter werd nu naar de gevangenis gezonden, en deze
beeft Johannes zonder enig rechterlijk vonnis onthoofd, terwijl het hoofd van
deze Profeet, tot een bewijs van hun wreedheid, ten spot en schouwspel van deze
goddeloze lieden, ja tot een getuigenis van de barbaarsheid van hen allen in
een schotel gebracht werd. Alzo hebben zij hem, onder toelating van de
Voorzienigheid Gods vervolgd, gelijk zij begeerden.
De wrede Herodias wenste wel, dat Johannes’ lichaam onbegraven op het veld
weggeworpen en door de dieren verslonden zou worden, opdat men te minder aan
hem als ook aan haar overspel zou denken, doch zijn leerlingen hebben zijn
lichaam weggenomen en begraven.
Dit geschiedde omtrent het jaar 32 na de geboorte van Christus, en zijn
lijk is te Sebaste in Palestina bewaard gebleven tot de tijd van Julianus. Toen
is zijn gebeente door de vijanden der waarheid verbrand en de as in de wind
verstrooid. Maar de Heere heeft de dood van deze man in Herodes, Herodias en
haar dochter (zoals de geschiedenis getuigt) zeer zwaar gestraft.
[JAAR 34.]
Stefanus, wiens naam vertaald wil zeggen "kroon" was, naar de
mening van Doretheüs, een van de zeventig leerlingen van Christus, hoewel
Eusebius zegt, dat men niet juist beschreven vindt, vanwaar hij was, en of hij
een Jood was of een Griek (gelijk het laatste uit zijn naam schijnt te volgen)
is niet met zekerheid bekend. Zo weet men ook niet, waar hij is geboren en wie
zijn ouders zijn geweest. Lukas verhaalt, Hand. 6 vs. 5, dat hij de eerste was
van de zeven diakenen, een man vol des geloofs en des Heilige Geestes; en nadat
hij door de Apostelen met oplegging der handen in zijn dienst was bevestigd, is
hij ook begaafd geweest met krachten en wonderdaden, en deed grote tekenen
onder het volk.
Hij was zeer geleerd en welsprekend. Misschien behoorde hij vroeger tot de
sekte der Libertijnen, die met anderen met hem twistten; maar zij konden de
wijsheid en de Geest, door welke hij sprak, niet weerstaan, zodat zij, volgens
hun oude aard, met vele valse getuigen teen hem opstonden onder het volk oproer
verwekten en hem beschuldigden, dat hij lasterlijke woorden had gesproken tegen
de wet en de tempel, en dat hij betuigd had, dat Jezus van Nazareth die plaats
zou verbreken, en de zeden veranderen,die Mozes hun had overgeleverd. Om dit
alles werd Hij gevangen genomen, en, in de raad gebracht, terwijl zij zagen dat
zijn aangezicht blonk als van een Engel. Hoe hij zich heeft verontschuldigd, Christus'
eer gehandhaafd en de waarheid verdedigd, blijkt uit de welsprekende en
belangrijke redevoering, die hij gehouden heeft voor de gehelen Joodse raad te
Jeruzalem, gelijk wij zien Hand. 7, waarin hij het gehele Oude Testament, de
wet en de Profeten doorliep, en eindelijk alles toepaste op Jezus Christus, Die
het einde der wet is lot rechtvaardigmaking voor een iegelijk, die gelooft, hen
bestraffende, dat zij de Profeten hadden gedood, die tevoren verkondigd hadden
de komst des Rechtvaardigen van Wie zij nu verraders en moordenaars geworden
waren.
Toen zij dit hoorden, barstten hun harten en knarsten zij de tanden tegen
hem; maar hij, vol zijnde des Heilige Geestes, en de ogen houdende naar de
hemel, zag de heerlijkheid Gods en Jezus staande ter rechterhand Gods, Die hem
van de zaligheid verzekerde en versterkte in zijn lijden, terwijl Stefanus zei:
"Ziet, ik, zie de hemelen geopend, en de Zoon des mensen, staande ter
rechterhand Gods." Maar zij, roepende met grote stem, stopten hun oren, vielen
eendrachtig op hem aan, wierpen hem de stad uit en stenigden hem. Maar de
stenen waren hem als beken der zoetigheid. Met een grote stem riep hij: Heere,
"reken hun deze zonde niet toe;" en, terwijl hij op de knieën
neerviel, zei hij: ",Heere Jezus, ontvang mijn geest."
Alzo is Stefanus ontslapen in de Heere in het jaar 34 na de geboorte van
Christus, zijnde het negentiende jaar van de regering van Tiberius, in het
zevende jaar na de doop van Christus, hetwelk het acht en dertigste jaars zijns
ouderdoms was. Enige godvruchtige mannen begroeven hem, en hieven over hem een
grote rouwklacht aan.
[JAAR 45.]
Jakobus, de zoon van Zebedeüs en Salome, genaamd de grote, ter
onderscheiding van Jakobus, de zoon van Alfeus, niet omdat hij ouder of
voornamer was dan de andere, maar omdat hij voor hem was geroepen tot een
discipel van Christus. Hij was een visser, die, gehoorzaam aan Christus, alles
verliet en Christus is nagevolgd. Met anderen werd hij geruime tijd in het
Apostelambt onderwezen, totdat hij ordelijk daartoe werd uitgezonden onder de
Joden, toegerust met gaven om tekenen en wonderen te doen; en wegens zijn
uitnemende gaven werd hij een van de drie Boanerges, dat is, zonen des donders,
genaamd. Bij alle niet openbare handelingen van Christus was hij tegenwoordig,
zoals bij het opwekken van het dochtertje van Jaïrus, alsook bij de
verheerlijking van Christus op de berg, en in de hof van Gethsemané.
Daar hij zich hierop schijnt verhovaardigd te hebben, heeft hij zich boven
zijn medeapostelen zoeken te verhellen, zodat zijn moeder aan Christus
verzocht, of haar beide zonen, van wie hij er een was, in zijn koninkrijk
zouden zitten, de een aan zijn rechter, en de andere aan zijn linkerhand.
Christus heeft echter dit verzoek bestraft, toen Hij zei: "Gijlieden weet
niet, wat gij begeert; kunt gij de drinkbeker drinken, die Ik drinken zal, en
met de doop gedoopt worden, waarmee Ik gedoopt wordt? En als hij en zijn
broeder Johannes zich daarop lichtvaardig hadden beroemd, heeft Christus hun
voorzegd, dat zij Zijn drinkbeker wel zouden drinken, en met de doop, waarmee
Hij gedoopt werd, gedoopt zouden worden, maar dat het zitten aan Zijn rechter-
aan Zijn linkerhand bij Hem niet stond te geven, maar dat het zal gegeven
worden, aan wie het bereid is van Zijn Vader. Na Christus' dood heeft hij zich
bij de andere Apostelen gevoegd, om ook getuige te zijn van Zijn lijden, dood
en opstanding, en om in de veertig dagen na Zijn opstanding, onderwezen te
worden in de dingen van Zijn koninkrijk. Na de hemelvaart van Christus bleef
hij te Jeruzalem, en, toen hij ook daar de Heilige Geest ontvangen had,
predikte hij het Evangelie in Judea en Samaria. Vandaar is hij (zoals sommigen
verhalen) naar Spanje gegaan; maar, daar weinig vrucht op zijn werk ondervindende,
is hij naar het Joodse land teruggekeerd, waar hij, naar men zegt, te doen had
met Hermogenes, een tovenaar, en vele wonderen gedaan heeft. Abdias, bisschop
van Babylonië, en anderen verhalen vele dingen van hem, die wij echter, omdat
zij zeer fabelachtig zijn, verzwijgen.
Deze Apostel heeft niet langer geleefd dan tot omtrent het vierde jaar der
regering van Claudius, toen Agabus een hongersnood over de gehele wereld had
voorzegd. Toen heeft deze keizer aan Herodes Agrippa bevolen de kerk van Christus
te verdrukken. Om het volk te behagen, sloeg deze koning zijn bloedige handen
aan deze Apostel, heeft hem even voor het Paasfeest in de gevangenis gezet en
daarna ter dood veroordeeld, zodat hij te Jeruzalem met het zwaard gedood is in
het jaar 45 na Christus' geboorte. Clemens verhaalt, dat de scherprechter toen
deze zijn onschuld zag, tot het christendom bekeerd en ook met hem gestorven
is.
[JAAR 63.]
Jakobus, de zoon Alfeüs en van Maria de zuster van Christus' moeder, werd
de Kleine genoemd, ter onderscheiding van Jakobus, de zoon van Zebedeüs en
broeder van Johannes. Hij werd de broeder des Heeren genoemd, dat is, zijn
neef, naar Hebreeuwse wijze, en had nog andere broeders, als Judas, Thaddeüs,
Simon en Joses.
Deze Jakobus is door Christus, na behoorlijk onderwijs, tot Apostel
aangesteld, toegerust met gaven, en uitgezonden ten dienste der Joden, waarvan
hij zich tot Christus' dood zeer goed gekweten heeft. Daarom is hij ook met
anderen uitgezonden om het Evangelie te verkondigen, hetwelk hij gedaan heeft
onder de Joden tot de dood van Stefanus. En, ofschoon Petrus, Jakobus en
Johannes, zijn broeder, de bijzondere Apostelen waren, zo is deze na de dood
van Jakobus voor een van de drie pilaren der kerk gehouden geworden.
De Apostelen hebben hem verkozen tot een eerste opziener der moeder van
alle kerken, namelijk Jeruzalem, van welke het woord des Heeren zou uitgaan, en
wel terstond na de dood van Christus.
Gedurende dertig jaren heeft hij deze dienst getrouw waargenomen, en bracht
er velen tot het waarachtig geloof, niet alleen door de zuivere leer van
Christus (door deze inzonderheid), maar ook door zijn heilig leven, waarom hij
de Rechtvaardige is genoemd. Hij was zeer verstandig en heilig, ook in kleding,
spijs, en drank, een rechte Nazireeër, en bad dagelijks voor Gods kerk en de
algemene welvaart.
Deze Apostel heeft een zendbrief geschreven tot vertroosting van de twaalf
stammen, die in de verstrooiing waren, in al hun lijden en tegenspoed, waarin
hij voornamelijk het rechtvaardigmakende, in daden zich openbarende geloof en
andere heilzame en christelijke leringen behandelt. Maar, daar de hardnekkige
Joden zijn heilzame leer niet langer konden verdragen, heeft Ananias, de
hogepriester, een stout en wreed jonge man, hem voor de rechters gedaagd om hem
te dwingen, dat hij zou loochenen, dat Jezus de Christus is, en het geloof te
verzaken in de Zoon van God en in de kracht Zijner opstanding. Om die reden
stelden hem de Schriftgeleerden en Farizeeën op het dak van de tempel, ten
tijde van het Paasfeest, om voor het gehele volk zijn geloof af te zwelen;
maar, toen hij daar voor het volk stond, beleed hij met de grotere
vrijmoedigheid, dat Jezus is de Christus. de beloofde Messias, de Zoon van God,
onze Zaligmaker, en dat Hij als Zoon des mensen gezeten is aan de rechterhand
Gods, vanwaar Hij zal komen op de wolken van de hemel, om te oordelen de
levenden en de doden. Over deze vrijmoedige belijdenis van Jakobus prees het
gehele volk God, roepende: Hosanna, de Zoon Davids!" Maar de harten van de
Overpriesters, Schriftgeleerden en Farizeeën barstten van nijd, en enige van
hen klommen op het dak, en stieten hem van boven neer en stenigden hem. Die val
deed hem echter niet dadelijk sterven, doch wel de een breken; en, op de knieën
liggende, bad hij nog voor hen, die hem stenigden, zeggende: Heere, vergeef het
hun, want zij weten niet, wat zij doen." En, toen een van de priesters nog
voor zijn leven wilde bidden, zeggende: Wat doet gijlieden toch! houd op met stenigen,
want deze rechtvaardige bidt voor ons," heeft een dergenen, die daar
tegenwoordig waren, hem met een volderstok een slag aan de slaap van het hoofd
gegeven, zodat hij stierf, en hij werd in de nabijheid van de tempel begraven.
Dit geschiedde in het jaar 63 onzes Heeren, in het 96ste jaar zijns ouderdoms,
in het zevende jaar der regering van Nero, toen het stadhouderschap onbezet
was, tussen de dood van Festus, en de komst van zijn opvolger Albinus.
[JAAR 63 OF 64.]
Barnabas of Barsabas, een man vol des Heilige Geestes, die genaamd was
Jozef of Joses, met de bijnaam Justus was een Leviet van Cyprus, die de
Apostelen genoemd hebben Barnabas, dat is een zoon der vertroosting, zoals hij
dat in zijn leven aan de armen heeft bewezen. Hij wordt ook gehouden voor een
van de zeventig discipelen van Christus. Wegens de vele namen, die hij draagt,
kennen wij zijn vermaardheid en aanzien, die hij ook in alles heeft betoond,
want hij heeft Paulus na zijn bekering bij de Apostelen ingeleid. En, als het
woord Gods te Antiochië door enige Cyprische en Cyrenische mannen aan de
Grieken werd gepredikt, is hij door de Apostelen daarheen gezonden, om deze
zaak te onderzoeken; en, toen hij alles naar waarheid bevond heeft hij hen, als
een Apostel, in de Christelijke waarheid bevestigd en versterkt.
Daarna ging hij naar Tarsen, om Paulus te zoeken, en bracht hem te
Antiochië, waar zij een geheel jaar bleven en het volk leerden. Toen de
hongersnood uitbrak ten tijde van keizer Claudius, heeft hij en Paulus een
goede handreiking overgebracht aan de broeders, die in Judea woonden. Vandaar
keerde hij weer naar Antiochië, waar hij door het bevel van de Heilige Geest
werd uitgezonden, om in vele landen het Evangelie te prediken, waar hij, om
zijn welsprekendheid, dikwijls het woord heeft gevoerd. Te Antiochië was een
grote twist ontstaan over de noodzakelijkheid van de besnijdenis, en nu reisde
hij met Paulus naar Jeruzalem naar de Apostelen en Ouderlingen, die daar over
deze zaak elkaar geraadpleegd, en samen een besluit genomen hebben. Vervolgens
hebben zij dit besluit, in gezelschap van Judas en Silas, overgebracht naar
Antiochië, waardoor er een einde aan deze twist kwam. Daarna hielden zij zich
enige tijd te Antiochië op, en, toen zij weer op reis zouden gaan, om de
gemeenten onder de heidenen nog eens te bezoeken en in het geloof te
versterken, ontstond er twist onder hen beiden, en wel om Johannes Marcus, die
hen vroeger op reis naar de heidenen had vergezeld, maar te Pamphylië was
teruggekeerd, en zich aan het werk onder de heidenen had onttrokken, waarom
Paulus het niet goed achtte Johannes Marcus weer mee te nemen. Hierdoor
ontstond er een verbittering tussen de twee getrouwe dienaren van Christus,
zodat zij van elkaar scheidden. Paulus nam Silas met zich en doorreisde met hem
Syrië en Cilicië de gemeenten versterkende. Nu nam Barnabas Johannes Marcus
mee, voer met hem naar Cyprus, en volbracht het werk, dat hem was opgelegd,
gelijk Hiëronymus met lof van hem heeft getuigd.
Toen hij later op het eiland Cyprus terugkwam, moest hij daar de
martelaarskroon dragen, want te Salamis, een grote stad op Cyprus, die thans
Famagusta heet, gekomen zijnde, om de gemeente daar in het geloof te
versterken, werd hij door een Joodse tovenaar zeer kwalijk bejegend. Deze ruide
de Joden en het gehele volk tegen hem op, zodat zij hem in een oproer gevangen
namen, en tot de rechter wilden brengen; maar, uit vrees, dat de rechter zijn
onschuld zou bemerken, en hem loslaten, hebben zij hem (na hem eerst
schandelijk mishandeld te hebben) een touw om de bals gedaan, buiten de stad
gesleept en daar verbrand. Alzo is deze trouwe dienaar van Christus in zijn
vaderland met de martelaarskroon vereerd en zalig in de Heere ontslapen, en wel
korte tijd nadat Jakobus de Rechtvaardige te Jeruzalem was gedood, niet lang
voor de dood van Petrus en Paulus, ten tijde van keizer Nero, doch voor de
afkondiging en het bevel van de eerste heidense vervolging plaats had.
[JAAR 64].
De Evangelist Marcus wordt algemeen gehouden voor Johannes, bijgenaamd
Marcus, een man uit de besnijdenis en neef van Barnabas, wiens moeder Maria
heette, en een zeer godzalige vrouw was, die haar woning te Jeruzalem leende tot
de samenkomsten der Christenen. Hij was eerst verkozen tot een dienaar van
Paulus en Barnabas; maar op de reis naar Pamphylië keerde hij weer naar
Jeruzalem terug. Om hem (zoals wij in het leven van Barnabas verhaald hebben)
ontstond er een verbittering tussen Paulus en Barnabas, zodat zij van elkaar
scheidden, en Paulus Silas meenam op reis en Barnabas deze Marcus. Maar, toen
deze twist geëindigd, en de zaak bijgelegd was, beval Paulus uit zijn
gevangenis deze Marcus der gemeente van Colosse aan, en verzocht, dat zij hem
ontvangen zouden als een medearbeider in het koninkrijk Gods; en gebood ook
Timotheüs, dat hij Marcus zou meenemen en bij hem brengen, omdat hij hem zeer
nuttig was tot de dienst. Hij heeft ook bij Paulus in de gevangenis vertoefd,
en hem grote en getrouwe hulp en bijstand in zijn gevangenschap bewezen. Petrus
noemt Marcus ook zijn zoon, zonder twijfel, omdat hij hem voor, Christus had
gewonnen, of omdat hij zijn leerling, tolk en schrijver was; want het Evangelie
heeft hij, op verzoek van de gelovige broeders te Rome geschreven, na de dood
van Simon de tovenaar, op last en bevel van Petrus, volgens de mededelingen,
die hij aangaande Christus uit Petrus' mond had ontvangen, zoals ook Hiëronymus
getuigt, als hij zegt: Marcus, een leerling van Petrus, daartoe van de
broeders te Rome verzocht zijnde, naar hetgeen hij Petrus had horen verhalen,
heeft een kort Evangelie geschreven, hetwelk Petrus na het gezien te hebben,
heeft goedgekeurd en aan de gemeente op zijn woord gelezen, gegeven.
Daarna is Markus door Petrus naar Egypte gezonden, en, terwijl hij zijn reis nam over Aquila de hoofdstad van Friol, heeft hij daar velen tot het geloof gebracht en Hermagoras tot een herder over die gemeente achter gelaten. Vervolgens reisde hij naar Afrika, en heeft in Lybië, Marmorika, Ammonika, Pentapolis allerwegen het Evangelie verkondigd, en vertoefde enige jaren te Alexandrië, dat hij tot zijn woonplaats genomen heeft.
Aangaande zijn dood schrijft Hiëronymus alleen, dat hij te Alexandrië
gestorven en begraven is, in het achtste jaar van de regering van Nero, het
vier en zestigste na de geboorte van onze Zaligmaker, en dat Anianus daarin
zijn plaats opziener geworden is. Gelasius beweert, dat hij als martelaar is
gestorven. "Marcus", zegt hij, "door Petrus naar Egypte gezonden
zijnde, heeft het woord der waarheid daar trouw gepredikt, en zijn getuigenis
met zijn bloed heerlijk bezegeld." Met dit bericht stemmen ook alle oude
en nieuwe Griekse en Latijnse martelaars boeken overeen.
De geschiedenis meldt verder, dat, toen Marcus in het achtste jaar der
regering van Nero op het Paasfeest gedachtenis vierde van het bitter lijden en
sterven van Christus, de heidense priesters met al het volk hem overvallen, en
met baken en touwen, die zij om zijn lichaam hadden geslagen, uit de
vergaderplaats getrokken, en langs de straten tot buiten de stad gesleept
hebben, zodat het merendeel van zijn vlees aan de scherpe stenen is blijven
hangen, en zijn bloed op de grond werd vergoten, totdat hij, onder het
uitspreken van de laatste woorden van onze Zaligmaker, zijn geest in de handen
van de Heere overgaf, uitroepende: “Heere, in uw handen beveel ik mijn
Geest!"
Volgens de getuigenis van keizer Trajanus, heeft Nero te Rome zo loffelijk
geregeerd, als ooit enige keizer tevoren. In de aanvang van zijn regering was
hij zachtmoedig, en zo afkerig van mensenbloed, zelfs op wettige wijze, te vergieten,
dat hij wenste niet te kunnen schrijven, als hem verzocht werd het doodsvonnis
te ondertekenen van enige oproermakers. Na vijf jaren aldus geregeerd te
hebben, is hij daarna als aan de duivel overgegeven en verkocht, om alle
boosheid en schandelijkheid gierig te bedrijven, zo zelfs dat het scheen, alsof
de duivel lichamelijk in hem woonde, want deze zijn meester leerde hem in de
eerste plaats zijn toverkunst door Simon de tovenaar, de eerstgeboren zoon des
duivels, die voor de raad te Rome, om Nero de keizer te behagen, een beeld
heeft opgericht met het opschrift: Aan Simon de heiligen God. Zijn duivels
leermeester, die een leugenaar en mensenmoorder van de beginne is geweest,
heeft hem tot alle gruwelijke lusten aangezet, zodat hij wenste een wereldbrand
en een afbeelding van de brand van Troje, benevens de plaats, waar hij in het
lichaam van zijn moeder gelegen had, te zien. Om van zijn onkuisheid te
zwijgen, heeft hij zijn moordlust het eerst aan zijn broeder Britannicus
geopenbaard, die hij heeft laten vergeven. Het lichaam van zijn eigen moeder
Agrippina, die hem, door het toedienen van vergif aan haar man Claudius, het
keizerrijk bezorgde, heeft hij later opengesneden. Octavia, zijn wettige
huisvrouw, heeft hij met het zwaard laten ombrengen, omdat zij geen kinderen
ter wereld bracht; en Poppea, zijn bijzit, tot vrouw genomen hebbende, heeft
hij, terwijl zij in vergevorderde staat van zwangerschap verkeerde, dood
geschopt. Seneca, zijn getrouwe leermeester, heeft hij een ader doen openen en
alzo laten doodbloeden.
Hij al deze boosheden was hij de eerste, die de algemene en openbare
bevelen tegen de Christenen door de gehele wereld heeft laten afkondigen, met
het doel om die in alle landen door het vuur, het zwaard en op andere wijze te
vervolgen, hetgeen Tertullianus de raad van Rome openlijk verweet, zeggende:
"Leest uw eigen geschiedenis, waar gij vinden zult, dat Nero de eerste is
geweest, die tegen deze sekte (te weten der Christenen), die toen te Rome het
talrijkst was, gewoed heeft. Maar wij beroemen ons ook tegelijk op een
zodanigen eerste bewerker van onze veroordeling, want die hem kent weet, dat
het een grote zaak is door hem veroordeeld te zijn." Op een andere plaats
zegt dezelfde Tertullianus: "Nero is de eerste geweest, die het toenemend
christendom te Rome met bloed heeft gemengd.” De inhoud van het bevel luidde
aldus: “Zo wie bekent, dat hij een Christen is, zal als een verklaard vijand
van het menselijk geslacht, zonder zich nader te mogen verdedigen, met de dood
gestraft worden."
De reden, waarom Nero de Christenen zo wreed heeft vervolgd, was niet
gelegen in de schuld of misdaden der Christenen zelf, maar vond zijn aanleiding
in een groten brand, die enige dagen achtereen heeft gewoed, waardoor het
grootste gedeelte van die schone stad is vernield. Toen namelijk Nero zag, dat
de Romeinen hierover zeer verbolgen waren, verspreidde hij het gerucht, dat de
Christenen dit hadden gedaan, hoewel hij zelf de brand gesticht, en met vreugde
van de hoge toren buiten de stad had aanschouwd, daar hij een voorstelling
wenste te hebben van de brand te Troje, en het voornemen had een nieuwe stad te
bouwen, en die naar zijn naam te laten noemen. Hierop is toen een hevige en
wrede vervolging tegen de Christenen uitgebroken, niet alleen te Rome, maar ook
in andere streken en landen, die voortduurde tot zijn dood.
Wie de eerste martelaars in deze vervolging geweest zijn, werd in de
geschiedboeken of andere geschriften niet gemeld, doch wij stellen ons
tevreden, dat hun namen geschreven zijn in het boek des levens. Daarom echter
is hun roem in Christus niet kleiner, daar de heidenen zelf gedrongen werden
een goede getuigenis van hen af te leggen, en openlijk hebben bekend, dat het
niet wegens de brand was, maar alleen uit haat dat de Christenen zo wreed vervolgd
zijn. Van deze valse beschuldiging door Nero aangaande de Christenen, zet
Tacitus: “Nero, om de beschuldiging van brandstichting van zich te werpen,
heeft hen, die het volk Christenen noemt, daarvan aangeklaagd en met vreselijke
straffen gemarteld. Deze naam is afkomstig van Christus, die in de tijd van
Tiberius’ regering, door de landvoogd Pontius Pilatus, in het openbaar is
gedood. Die nu beleden, dat zij Christenen waren, en later zijn van deze een
grote groep ontdekt, zijn eerst gevangen genomen, en vervolgens veroordeeld,
niet zozeer wegens de brand, als uit haat, die het menselijke geslacht hun
toedroeg. Het ombrengen ging gepaard met veelvoudige bespotting. Men wikkelde
hen in huiden van wilde dieren, liet hen door honden verscheuren, of aan kruisen
nagelen, of op brandstapels verteren, zo zelfs, dat zij ’s nachts als brandende
lichten de toeschouwers moesten dienen." Tacitus erkent dan voldoende, dat
Christenen aan brand geen schuld hadden, doch dat zij onder beschuldiging
daarvan, hebben moeten lijden.
Nu zullen wij vervolgen met de mededeling van de voorbeelden van de
Apostelen en anderen, die onder de wrede bloedhond voor de goddelijke waarheid
hun bloed hebben gestort.
Simon, de zoon van Jona en broeder van Andreas, geboren te Bethsaida in
Galilea, was een visser van beroep, die zijn huis en woonplaats had te
Kapernaüm bij de moeder van zijn vrouw. Door zijn broeder Andreas, die een
leerling van Johannes de Doper was, werd hij het eerst tot Christus gebracht,
en spoedig daarna met zijn broeder van de zee geroepen, om een visser der
mensen te worden. Toen Christus hem uitzond tot de verloren schapen van het
huis Israëls, gaf Hij hem de naam van Cefas of Petrus. Van Christus genoot hij
een uitnemend onderwijs en is in Diens school derwijze toegenomen., dat hij als
het ware de mond of woordvoerder van al de Apostelen is geworden. Voornamelijk
was hij de vrijmoedigste in het vragen en antwoorden, als ook de meest
ijverende voor Christus, om Hem zijn liefde en trouw te bewijzen, hoewel hij
zijn ijver dikwerf zeer onnadenkend en zonder kennis betoonde, zoals hij ook
daarover dikwijls door zijn Meester is bestraft geworden; nochtans beminde
Christus hem niet minder dan de anderen, en was hij bij Hem in grote achting en
aanzien. Hij was een van de drie Boanerges, dat is, zonen des donders, en met
Jacobus en Johannes getuige van Christus’ verheerlijking op de berg. In de
volgorde der namen komt hij in de eerste plaats voor, niet om het hoofd te zijn
of heerschappij te hebben boven de anderen, want dit heeft Christus hun allen
met duidelijke woorden en Zijn voorbeeld verboden, maar om hem te eren als de
aanzienlijkste onder hen. Hij werd gebonden voor een pilaar der kerk, doch hij
niet alleen, want de anderen waren het ook. Hem waren de sleutels van het
koninkrijk beloofd, maar, toen die werden gegeven, ontving hij geen meerder
gezag dan de anderen. Christus beval hem wel Zijn schapen te hoeden, maar hem
niet alleen, want de anderen werd dit ook opgedragen. Hij heeft ook nooit enige
heerschappij over de anderen gevoerd, maar zich graag aan het oordeel van
anderen onderworpen; ja hij heeft zich door de Apostelen laten uitzenden en
geleiden, zelfs bestraffen, wanneer hij niet goed handelde.
Hoewel hij de stoutste was in zich te beroemen met Christus te willen
lijden, en de zwakste toen de strijd begon, nochtans heeft hij daarna met grote
vrijmoedigheid het woord gevoerd tot de menigte. Door de kracht van de Heilige
Geest was hij zodanig versterkt, dat hij voor niemand, hoe groot ook en machtig
naar de wereld, heeft gevreesd; en bijzonder vrijmoedig betoonde hij zich in
het bestraffen van zondaren. Rijke vruchten heeft zijn werk gedragen, zo zelfs,
dat hij wel eens enige duizenden mensen tegelijk tot het geloof heeft gebracht.
Zijn leer heeft hij ook met tekenen, zoals Christus beloofd had, bekrachtigd,
als aan de kreupele, Ananias en Saffira, Eneas, Tabitha en anderen. De wil des
Heeren tot de roeping der heidenen werd hem van de hemel geopenbaard. En, daar
hij eigenlijk een Apostel was der Joden, heeft zijn arbeid zich krachtig onder
de besnijdenis betoond.
Wel heeft de Heere Christus aan Petrus diens dood voorzegd, maar hij heeft
eerst veel om Christus' wil geleden. Te Jeruzalem, waar hij van de waarheid van
Christus op krachtige wijze getuigenis aflegde, is hij met Johannes gevangen
genomen en voor de Joodse raad gebracht, die hen scherp heeft bedreigd, dat zij
niet meer in de naam van Jezus zouden spreken of leren.
Daaraan hebben zij echter geen gehoor gegeven, maar antwoordden hun:
"Oordeelt gij, of het recht is voor God, ulieden meer te horen dan God?”
Terwijl Petrus weer gevangen genomen was met de andere Apostelen, zijn zij
‘s nachts op wonderdadige wijze door de Engel, die de gevangenis opende, eruit
geleid.
Daarna zijn zij andermaal gevangen genomen, en door de Joodse raad
gegeseld, en met het bevel, dat zij niet meer zouden spreken in de naam van
Jezus, heeft men hen laten gaan, terwijl zij verblijd waren, dat zij waren
waardig geweest, om Zijns naams wil smaadheid te lijden.
Daarna liet Herodes Petrus te Jeruzalem in de gevangenis zetten, met het
voornemen om hem na het Paasfeest te doden, zoals hij Jakobus, de broeder van
Johannes, om het volk te behagen, had gedaan, doch God heeft hem ‘s nachts van
zijn ketenen en uit de sterk gebouwde gevangenis verlost.
Petrus is ook te Antiochië geweest, en heeft daar de gemeente Gods
gesticht. Toen hij daarna in het Joodse land was teruggekeerd, heeft hij een
grote strijd gehad met Simon de tovenaar. Ook heeft hij Babylon bezocht, en wel
Babylon in Assyrië, welke stad vroeger de zetel des rijks was. Want, aangezien
Petrus een Jood was en een Apostel der Joden, zo bezocht hij op zijn reizen
zijn volk van welke velen, na de Babylonische ballingschap, in die Oosterse landen
woonachtig waren, en heeft van daar ook geschreven aan de Joden, die verstrooid
waren in Pontus, Galatië, Cappadocië, Azië en Bithynië.
Wel hebben enige leraars uit de Roomse kerk, onder wie ook is de Jezuïet
Bellarminus, beweerd, dat door dit Babylon, van waar Petrus zijn eerste
zendbrief geschreven heeft, Rome zou moeten verstaan worden, omdat in de
Openbaring van Johannes dikwijls Rome Babylon wordt genaamd, opdat zij Petrus
alzo tot bisschop van Rome zouden kunnen maken. Men moet echter niet vergeten,
dat hij Petrus niet het minste wordt gevonden, waaruit kan blijken, dat hij van
Rome spreekt; want hij maakt alleen melding van Babylon, zonder enige
bijvoeging, waarom het duidelijk is, dat hij van het eigenlijke Babylon
spreekt, en er geen andere stad mee bedoelt. Ten anderen, wanneer Petrus uit
Rome zijn zendbrief had geschreven, waarom zou hij dan Rome niet hebben
genoemd? Paulus heeft verscheidene zend brieven uit Rome geschreven, en toch
noemt hij Rome geen Babylon. Vervolgens, indien Petrus gewild had, dat zij, aan
wie hij schreef, weten zouden, waar hij was, zo had hij liever de eigen dan een
anderen naam moeten schrijven. En dat hij dit ook heeft willen doen, blijkt
daaruit, dat hij uit Babylon de groetenis doet. Eindelijk, wanneer Petrus deze
brief uit Rome had geschreven aan de gemeenten in Azië, dat zou het niet
waarschijnlijk zijn, dat hij de gemeenten in Griekenland, Illyrië en Thracië,
die daar tussen lagen, zou hebben vergeten.
Maar, zo wij het van het eigenlijke Babylon verstaan, dan is er overeenstemming.
Want niets is meer gepast dan dat de Apostel, terwijl hij zich te Babylon
ophield, zorg droeg voor de gemeenten in Azië, die dichter bij Babylon lagen
dan de gemeenten in Europa, die zover vandaar verwijderd waren.
De bewering van de Roomse kerk, dat Petrus te Rome bisschop zou geweest
zijn, kan uit de Heilige Schrift niet bewezen worden, aangezien Petrus daarvan
in zijn zendbrieven geen melding maakt, evenmin Paulus, noch Lukas, die de
Handelingen der Apostelen en hun reizen met vlijt heeft te boek gesteld. Veel
minder zou kan er worden bewezen, dat hij daar vijf en twintig jaren zou hebben
gewoond en onder Nero gekruisigd zou zijn. In de brief aan de Galatiërs,
hoofdst. 2, vs. 7, leest men, dat aan Petrus door God was toebetrouwd het Evangelie
der besnijdenis en aan Paulus dat der voorhuid; dat is, dat hij het Evangelie
zou verkondigen aan de Joden en Paulus aan de heidenen. Zou dan Petrus jaren
lang tegen het bevel van God gehandeld en zich vijf en twintig jaren onder de
heidenen gehouden hebben, en het tegendeel hebben gedaan van hetgeen hem
bevolen was? Dat zij verre van zulk een heilig Apostel!
Enige van de Roomse kerk zeggen, dat Petrus in het tweede jaar der regering
van keizer Claudius te Rome kwam, anderen in het derde en wederom anderen in
het vierde, ofschoon in Hand. 1,5 staat, dat Petrus de kerkvergadering te
Jeruzalem bijgewoond heeft, die gehouden werd in het zesde jaar van Claudius'
regering, en het achttiende jaar na Christus' hemelvaart, gelijk te zien is in
het eerste en tweede hoofdstuk van de brief aan de Galatiërs zoals ook
Hiëronymus die daarover geschreven heeft, mede getuigt.
Opmerkelijk is het, dat Petrus vroeger niet te Rome geweest was, want in de
Handelingen der Apostelen worden vele schone leringen en wenken verhaald, die
Petrus intussen gegeven heeft, en, ware nu ook Petrus in die tijd te Rome
geweest, dan zou Lukas dat ook niet met stilzwijgen zijn voorbijgegaan. De
pausgezinden, en onder hen Bellarminus, zeggen dat hij na zijn verblijf te Rome
zeven jaren te Antiochië zou vertoefd hebben, maar men moet hem dan ook tijd
geven, om het Evangelie te prediken in Pontus, Cappadocié, Azië en Bithynïe,
zoals daarvan Origenes en Euseblus getuigen. Daartoe heeft hij acht, negen of
meer jaren nodig gehad, want de vijf jaren, die zij daarvoor berekenen, zijn
niet voldoende om in deze uitgebreide en machtige landen het Evangelie te
verkondigen. Als men nu, zoals het behoort, deze jaren samen telt, zal men
bevinden, dat Petrus langer heeft geleefd dan Nero, en hoe heeft dan Nero
Petrus te Rome kunnen laten kruisigen.
Daarenboven, toen Paulus te Rome kwam, zijn hem zoals Lukas schrijft, Hand.
vs. 15, de Christenen tegemoet gekomen. Indien Petrus toen ook te Rome was
geweest, dan zou deze hem, zonder twijfel, ook zijn tegemoet gekomen, en Lukas
zou dit niet verzwegen hebben.
Aan het slot van de brief, die Paulus aan de Romeinen schreef, liet hij
vele Christenen groeten, die in naam, bediening en allerlei deugden minder
geschat kunnen worden dan Petrus, en hem noemt hij niet. Zeer onbetamelijk zou
het geweest zijn, indien hij zo’n voornaam persoon zou hebben verzwegen, indien
deze toen te Rome was geweest. Dat hij voor die tijd te Rome is geweest, blijkt
evenmin, daar Paulus, die hun geloof zo roemt, zulk een Apostel, wanneer hij daar
de grond van het geloof had gelegd, niet zou hebben verzwegen, want hij is
gewoon hun vooral te gedenken, door wie de gemeenten het eerst werden gesticht,
zoals uit zijn brieven aan de Filippenzen, Corinthiërs, Colossensen en anderen
blijkt. Duidelijk is het dus, dat het niet mogelijk is, dat Petrus vijf en
twintig jaren te Rome als bisschop zou hebben verkeerd.
En, hoewel Eusebius, op gezag van Origenes verhaalt, dat Petrus, nadat hij
de Joden, die in Pontus, Gatatië, Bithynië, Cappadocië en Azié verstrooid
waren, het woord Gods had gepredikt, eindelijk ook te Rome is gekomen, en daar
door Nero tot de kruisdood veroordeeld, en met het hoofd naar beneden is
gekruisigd, omdat hij alzo begeerde te lijden, aangezien hij zichzelf niet
waardig achtte zo aan het kruis te hangen als de Zoon van God zijn Zaligmaker
geleden had; zo besluit nochtans Hiëronymus en Lyra, en niet ongevoegelijk, uit
de woorden van Christus, Matt. 23, vs. 31, dat hij niet te Rome maar te
Jeruzalem is gekruisigd. Doch hierover laten wij de verstandige lezer zelf
oordelen, en hem kiezen, wat hij het beste keurt; want, naar onze mening, is
het voor de pausgezinden van even weinig belang, dat hij te Rome, als voor ons,
dat hij te Jeruzalem is gedood.
[JAAR 63.]
Paulus, die ook Saulus genaamd werd, was van afkomst een Hebreeër uit de
Hebreeën, uit het geslacht van Israël, van de stam van Benjamin. Wie zijn
ouders geweest zijn, blijkt niet. Toen de Romeinen hun woonplaats hadden
verwoest, begaven zij zich naar de vermaarde stad Tarsen in Cilicië, waar
Paulus is geboren. Hij was naarstig onderwezen in de vaderlijke wet door de
wijzen Gamaliël, in de kennis waarvan hij heeft uitgemunt boven velen van zijn
leeftijd in zijn geslacht. Onberispelijk heeft hij naar de Joodse wet geleefd.
Hij was een Farizeeër en een vurig vervolger en verdrukker van de gemeente
Gods, zo zelfs, dat hij een welbehagen had aan de dood van Stefanus, en de
klederen bewaarde dergenen, die hem doodden. Na de dood van die martelaar
verwoestte Paulus de gemeenten te Jeruzalem, zelfs tot Damaskus, bij welke
stad, blazende nog dreiging en moord tegen de volgelingen des Heeren, hij door
Christus uit de hemel snel met een licht is omschenen, ter aarde geworpen en
met blindheid geslagen, en alzo krachtig, niet van mensen, noch dooi, mensen,
maar door de Heere Zelf geroepen, om een uitverkoren vat te zijn, en Zijn naam
te dragen voor de heidenen, en de koningen en de kinderen Israëls. Na drie
dagen werd hij door Ananias, tot wie hij te Damaskus door de Heere was
gezonden, wederom ziende gemaakt, gedoopt, de handen opgelegd en vervuld met de
Heilige Geest, terwijl hij terstond Christus predikte in de Synagoge,
betuigende, dat Hij de Zoon van God was.
Enige tijd hierna zei de Geest tot de Profeten en Leraars der gemeente te
Antiochië: "Zondert mij af, beiden, Barnabas en Saulus, tot het werk,
waartoe Ik hen geroepen heb;" en zij werden door de Heilige Geest
uitgezonden.
Aan deze Paulus waren allerlei geestelijke gaven geschonken, zoals om de
geesten te onderscheiden, de gave der profetie, der tongen, en hij bezat
ongewone krachten, gave der onthouding, van uitnemende openbaringen, zo zelfs,
dat hij in de derde hemel is opgetrokken geweest, en daar gehoord heeft
onuitsprekelijke woorden, die de mens niet geoorloofd zijn te spreken. Maar,
opdat hij zich door de uitnemendheid der openbaringen niet zou verheffen, heeft
de Heere hem een engel van de satan als een scherpe doorn in het vlees gegeven,
die hem met vuisten zou slaan, opdat hij zich niet zou verheffen. Die heeft hem
ook menigmaal verhinderd hier of daar heen te reizen, om het Evangelie te
prediken, zodat hem, gelijk hij zelf betuigt, de listen des duivels niet
onbekend waren.
Daarenboven was hij nog versierd met vele christelijke deugden van
getrouwheid en een zeer goed geweten aangaande zijn dienst, had een vaderlijke
zorg voor al de gemeenten en een hartelijke liefde tot haar, tot zijn eigen
verbanning, ja zelfs tot de dood toe. Hij was mild van hart; en vreemd aan
gierigheid, arbeidde hij liever met zijn eigen handen, daar hij van handwerk
een tentenmaker was, opdat hij de zwakke gemeenten niet zou bezwaren. Hij
toonde zich trouwhartig jegens de arme gemeenten, door die van de aalmoezen der
rijken getrouw te verzorgen. Met al deze geestelijke gaven en christelijke
deugden was deze Apostel zo nederig, en had zulk een klein gevoel van zichzelf,
dat hij, zijn vorigen toestand voor zijn bekering bedenkende, en de Heere
dankende voor Zijn genade en barmhartigheid aan hem bewezen, menigmaal bekend
heeft, dat hij niet waardig was een Apostel genaamd te worden, hoewel hij in
geen ding minder was dan de uitnemendste der Apostelen, ja, door de genade
Gods, die met hem was, overvloediger gearbeid had dan zij allen.
Wat hij op zes verschillende reizen, gedurende de tijd van bijna dertig
jaren, geleden heeft, toen hij vertoefde in Judea, Syrië, Azië, Macedonië,
Griekenland, Italië en elders, is duidelijk te lezen in de Schriften des Nieuwe
Testaments en andere geschiedboeken. Terstond na zijn bekering en doop predikte
hij Christus in de Synagoge binnen Damaskus en,ging vervolgens naar Arabië.
Toen hij naar Damaskus terugkeerde, en daar de waarheid moedig beleed en
mannelijk verdedigde, hebben de Joden hem lagen gelegd zo zelfs, dat de poorten
bewaakt werden en de stadhouder van de koning Aretas hem wilde gevangen nemen.
Doch de gemeenteleden lieten hem ‘s nachts in een mand over de muur, en hij
ontkwam alzo aan zijn handen en kwam te Jeruzalem bij de Apostelen.
Terwijl hij met vrijmoedigheid sprak in de naam van de Heere Jezus, en zijn
woord ook richtte tegen de Griekse Joden, wilden zij hem daarom doden. Toen dit
bij de broeders bekend werd, hebben zij hem naai, Cesarea geleid, vanwaar hij
zijn tweede reis begon in Syrië en Cilicië en keerde later naar Jeruzalem
terug.
Vandaar deed hij zijn derde reis naar Antiochië en ging op bevel van God
naar Seleucië, en Cyprus, en kwam te Paphos, waar hij de stadhouder, Sergius
Paulus heeft bekeerd. Vandaar kwam hij te Perge, een stad in Pamphylië, en
daarna te Antiochië, een stad in Pisidië, waar de Joden tegen hem en Barnabas
oproer verwekt hebben, zo zelfs, dat de heidenen hen uit hun landpalen hebben
geworpen. Vandaar kwamen zij te Iconië, waar de Joden de heidenen tegen hen
opruiden, en ben wilden smaden en stenigen, zodat zij vluchtten naai de de
steden van Lycaonië, namelijk Lystre en Derbe, waar ook de Joden van Antiochië
en lconië het volk tegen Paulus opzetten, zodat de schare Paulus heeft
gestenigd en buiten de stad gesleept, menende, dat hij dood was. Tot zichzelf
gekomen zijnde, ging hij de volgende dag met Barnabas naar Derbe, en, nadat zij
in die stad het Evangelie verkondigd en vele discipelen gemaakt hadden, keerden
zij weer naar naar Lystre, lconië en Antiochië, en versterkten daar de zielen
der gemeenteleden en vermaanden ben, dat zij zouden blijven in het geloof.
Pisidië doorreisd hebbende, kwamen zij te Pamphylië, en, toen zij te Perge het
Evangelie verkondigd hadden, vertrokken zij. naar Attalië, en scheepten vandaar
af naar Antiochië. Toen zij daar waren en de gemeenten samen geroepen hadden,
verhaalden zij welke grote dingen God door en met ben gedaan had, en dat Hij de
heidenen de deur van het geloof had geopend, en verkeerden daar een geruime
tijd met de gemeenteleden. Terwijl Paulus en Barnabas daar waren, ontstond er
een twist tegen sommigen, die van Judea gekomen waren over de noodzakelijkheid
der besnijdenis. Men kwam overeen, dat Paulus en Barnabas en enige anderen uit
ben naar de Apostelen en Ouderlingen zouden gaan te Jeruzalem, om over dit
verschil samen te spreken. Daar geraakte men het met de Apostelen en
Ouderlingen over dit verschilpunt eens, zodat zij, in gezelschap van Judas
bijgenaamd Barnabas, en Silas, die voorgangers waren onder de broeders, met
brieven gezonden werden naar Antiochië, waar zij de vrede in de gemeente
herstelden.
Vandaar ging Paulus met Barnabas voor de vierde maal op reis teneinde de
broeders in elke stad te bezoeken waar zij het Evangelie verkondigd hadden, en
naar hun toestand te vernemen. Er ontstond echter een verschil tussen Paulus en
Barnabas over Johannes, bijgenaamd Marcus, en Paulus verliet Barnabas, nam
Silas mee en vertrok naar Syrië en Cilicië, de gemeenten versterkende, en kwam
te Derbe en Lystre, waar hij Timotheüs aan zich verbond, met hem door Phrygië
en Galatië reisde en eindelijk te Troas kwam. Hier werd hij door een gezicht
vermaand naar Macedonië te reizen, en kwam, verscheidene plaatsen doorreisd
hebbende, te Filippi, de voornaamste stad van Macedonië, waar hij en Silas, op
bevel der hoofdmannen werden gegeseld en daarna in de gevangenis geworpen, met
bevel aan de stokbewaarder dat hij hen goed verzekerd zon bewaren. Door
goddelijke kracht werden de deuren der gevangenis geopend, hun boeien
losgemaakt, en zij vervolgens door de stokbewaarder, die gelovig was geworden,
naai, buiten geleid. Deze wies hen van de striemen, en werd met al de zijn
gedoopt. Nadat hij hun spijs had voorgezet, en zij door de hoofdmannen uit de
gevangenis waren geleid, daar dezen vernomen hadden, dat de Apostelen Romeinen
waren, hebben zij op hun verzoek de stad verlaten. Eindelijk, na vele steden te
zijn doorgegaan, kwamen zij te Thessalonika, waar Paulus veel volk bekeerde. De
Joden echter, met enige boze mannen uit de marktboeven gemene zaak gemaakt
hebbende, beroerden de stad tegen hen, zodat de broeders Paulus en Silas ‘s
nachts naar Berea zonden, waar men de prediking des Evangelies met alle
toegenegenheid ontving. De Joden van Thessalonika kwamen ook daar, en bewogen
de scharen tegen hen. Terstond brachten de broeders Paulus naar de zee, en kwam
hij te Athene, waar hij in strijd geraakte met de Epicureïsche Stoïsche
wijsgeren, die hem hielden voor een klapper en verkondiger van vreemde goden,
en hem op de gerechtplaats brachten, waar hij zich met een welsprekende redevoering
verdedigde. Vandaar vertrok hij naar Korinthe, waar hij enige tijd met prediken
bezig was. Hij wilde vandaar vluchten, aangezien hij daar tegenstand en
lastering ondervond; maar werd door de Heere in een gezicht vermaand te
blijven. Later brachten de Joden hem voor de rechterstoel van de stadhouder
Gallio, die hen, na hem gehoord te hebben, liet gaan, en Paulus reisde weer
naar Jeruzalem.
Zijn vijfde reis ondernam Paulus van daarnaar Antiochië, en nadat hij daar
enige tijd vertoefd had, doorreisde hij vervolgens het land van Galatië, en
Phrygië, en versterkte al de gemeenteleden. Van daar ging hij naar Efeze, waar
hij gedurende drie jaren met gezegende vrucht, des daags en ‘s nachts, heeft
gepredikt en er velen bekeerde, en onder ben die ook hun duivelse boeken hebben
verbrand. Het schijnt, dat hij omtrent deze tijd, onder de stadhouder
Hiëronymus, volgens heidense wijze, heeft gevochten tegen de wilde beesten en
die overwonnen heeft. Na het grote oproer, dat Demetrius, een zilversmid, om de
godin Diana tegen Paulus had verwekt, vertrok de Apostel naar Macedonië, en,
nadat hij de gemeenteleden daar met vele redenen had vermaand, kwam hij in
Griekenland. Toen de Joden hem daar tegenstonden, was hij voornemens naar Syrië
te varen, maar veranderde zijn reisplan, en keerde weer naar Macedonië terug.
Eindelijk kwam hij, na vele steden doorreisd en hier en daar gepredikt te
hebben, te Cesarea, waar de Profeet Agabus hem zijn gevangenneming voorzegde,
waarbij hij echter getroost en tevreden was. Toen hij op het pinksterfeest te
Jeruzalem kwam, raadde Jakobus hem aan, dat hij zich met enige Joden naar de
wet zou heiligen. Ofschoon hij dit deed, verwekten de Joden van Azië een oproer
tegen hem, zodat de schare hem greep, buiten de tempel sleepte en zocht te doden.
Doch, toen zij de overste zagen met de hoofdmannen over honderd en de
krijgslieden, hielden zij op hem te slaan. De overste greep hem, beval dat men
hem met twee ketenen zou boeien, en onderzocht, wat hij gedaan had. Terwijl de
Joden in de grootste wanorde schreeuwden en tierden, zo zelfs, dat men in het
rumoer de woorden niet onderscheiden kon, werd hij in de legerplaats gebracht,
waar Paulus zich naar behoren heeft verdedigd. Maar de Joden, die de waarheid
van Paulus woorden niet konden verdragen, riepen: "Weg van de aarde met
zulk een, want het is niet behoorlijk, dat hij leeft!" Vervolgens beval de
overste, dat men hem met geselen zou onderzoeken, teneinde te weten, waarom de
Joden zijnentwege alzo schreeuwden. Toen zij hem met riemen uitrekten, om hem
tot bekentenis te dwingen, beriep Paulus zich op het Romeinse burgerrecht,
waarop terstond de geseling gestaakt werd, en Paulus van zijn boeien ontslagen.
De volgende dag werd hij voor de gehele Joodse raad gebracht, waar hij zich
weer met Gods Woord verdedigde. Toen in deze vergadering de hogepriester
Ananias bevel gaf aan degenen, die bij Paulus stonden, om hem op de mond te
slaan, bestrafte Paulus hem, omdat hij een gevangen en onveroordeeld mens tegen
de wet gebood te slaan.
Terwijl het oproer al groter werd, vreesde de overste, dat Paulus door hen
zou gedood worden, en liet hem daarom door het krijgsvolk vandaar naar de
legerplaats overbrengen. De volgende dag spanden veertig Joden tegen Paulus
samen, en verbonden zich met een eed, dat zij niet eten noch drinken zouden,
totdat zij Paulus zouden hebben gedood. Toen Paulus van deze samenzwering door
de zoon van zijn zuster onderricht was, gaf hij door hem daarvan aan de overste
kennis. Deze wist dit te voorkomen, door Paulus onder een gewapend geleide te doen
overbrengen naar Cesarea, waar hij hem behouden overleverde aan de landvoogd
Felix, met bijvoeging van brieven, die voldoende waren om Paulus onschuld te
bewijzen. Op deze wijze maakte hij zich gereed tot de zesde reis van Jeruzalem
naar Italië.
Toen de Stadhouder Felix de brief gelezen had, bewaarde hij Paulus in het
raadhuis, om hem daarna, in de tegenwoordigheid der Joden, die hem
beschuldigden, in het verhoor te nemen, hetgeen vijf dagen na zijn komst plaats
had. De hogepriester Ananias, met de gehele Joodse raad, beschuldigde hem door
de tolk Tertullus, dat hij degene was, die overal onder al de Joden oproer
verwekte, dat hij de tempel had ontheiligd, en een opperste voorstander was van
de sekte der Nazarenen. Met Gods Woord en een gepaste rede heeft Paulus zich
van deze valse beschuldigingen zodanig gezuiverd, dat Felix hem bewaarde tot de
komst van Lysias, de overste, en vergunde Paulus intussen verlichting van zijn
boeien, en beval dat niemand van de zijnen zou verhinderd worden om hem te
dienen of hem te bezoeken.
Toen enige dagen daarna Felix met Drusilla, zijn vrouw, daar gekomen was,
werd Paulus daar weer ontboden, die in hun tegenwoordigheid over het geloof in
Christus sprak. En, als Paulus sprak over rechtvaardigheid, matigheid en het
toekomend oordeel, werd Felix zeer bevreesd, en zei tot Paulus, dat hij voor
ditmaal zou heen gaan, en dat hij hem te gelegener tijd, weer zou laten roepen.
Om de Joden gunst te bewijzen, hield Felix Paulus gevangen. Toen Porcius Festus
in Felix' plaats gekomen was, reisde de nieuwe landvoogd, drie dagen na zijn
aankomst, naar Jeruzalem, waar de hogepriester en de voornaamste van de Joden
hem verzochten, ja, baden, dat hij Paulus naar Jeruzalem zou laten overbrengen,
terwijl zij van plan waren Paulus onder weg te doden. Festus belette dit
echter, en vond het beter, dat de Joden zelf van Jeruzalem naar Cesarea zouden
reizen, om Paulus daar te beschuldigen, als hij van iets onbehoorlijks kou
aangeklaagd worden, zoals dan ook na verloop van enige dagen plaats had. Terwijl
Paulus daar voor de rechterstoel van Festus gebracht was, heeft hij zich met
bondige redenen tegen al de beschuldigingen van de Joden mannelijk verdedigd.
Om de Joden gunst te bewijzen, vroeg Festus Paulus, of hij naar Jeruzalem wilde
gaan, om daar voor hem over deze dingen geoordeeld te worden. Doch Paulus
beriep zich op de keizer, daar hij liever in de handen der heidenen dan in die
der Joden wilde vallen. Festus en de leden van de raad berustten er in, dat
Paulus zich op de keizer beroepen had. Toen intussen koning Agrippa daar
gekomen was, heeft Festus hem de gehele zaak van Paulus verhaald en hem tevens
verontschuldigd. Agrippa verlangde Paulus te horen, en toen Paulus voor hen
gebracht werd, hield hij zulk een voortreffelijke redevoering, dat wel Festus
uitriep, dat de grote geleerdheid van Paulus hem tot razernij bracht, maar de
koning tot hem zei: "Gij beweegt mij bijna een Christen te worden,"
en samen betuigden zij, dat hij niets gedaan had, wat des doods of der
gevangenis waardig was, en dat hij zou losgelaten kunnen worden, zo hij zich
niet had beroepen op de keizer.
Toen de tijd gekomen was, dat Paulus en de andere gevangenen naar Italië
zouden afvaren, werden zij aan Julius de hoofdman over honderd overgeleverd, en
na vele gevaren en moeilijkheden doorworsteld te hebben, zijn zij eindelijk in
zulk een ellendigen toestand geraakt, dat zij veertien dagen hebben doorleefd
zonder voedsel, en, toen zij vreesden, dat zij schipbreuk zouden lijden, wilden
de krijgslieden Paulus en de andere gevangenen doden, maar de hoofdman, die
Paulus wilde behouden, heeft dit verhinderd.
Niettegenstaande zij schipbreuk leden, zijn zij allen ongedeerd op het
eiland Melite of Malta aangekomen. Na drie maanden daar vertoefd te hebben,
reisde Paulus naar Rome, waar hij door de broeders met blijdschap werd
ontvangen, terwijl de hoofdman de gevangenen overleverde aan de overste van het
leger. Aan Paulus werd vergund op zichzelf te wonen meteen krijgsknecht, die
hem bewaarde, waar hij na drie dagen zich voor de voornaamste van de Joden
heeft verantwoord over zijn boeien, gevangenneming en beroep op de keizer.
Gedurende twee jaren bleef hij in een eigen gehuurde woning, ontving allen, die
tot hem kwamen, predikte het Koninkrijk Gods en leerde van de Heere Jezus
Christus met alle vrijmoedigheid onverhinderd.
Hij zelf heeft gezegd, dat deze gevangenschap in grote mate gediend heeft
tot bevordering van het Evangelie, en dat de waarheid daardoor gekomen is tot
in het keizerlijke hof. Toen keizer Nero de brieven van Festus ontvangen had,
heeft hij Paulus voor de eerste maal bij hem ontboden, die zich tegen de
beschuldigingen van de Joden derwijze, door 's Heeren hulp, heeft verdedigd,
(ofschoon zij hem allen in deze zijn eerste verantwoording verlieten), dat hij
uit de muil van de leeuw, te weten van Nero, verlost werd.
Toen Paulus nu andermaal voor keizer Nero zou gesteld worden, was hij van
zijn aanstaanden dood niet onwetend, zoals hij aan Timotheüs aldus schrijft: ik
word nu tot een dankoffer geofferd, en de tijd mijner ontbinding is aanstaande.
Ik heb de goede strijd gestreden, ik heb de loop geëindigd, ik heb het geloof
behouden; voorts is mij weggelegd de kroon der rechtvaardigheid, welke mij de
Heere,de rechtvaardig Rechter, in die dag geven zal, en niet alleen mij, maar ook
allen, die Zijn verschijning hebben liefgehad." Hij werd door keizer Nero
veroordeeld om met het zwaard gedood te worden, zoals ook plaats had in het
laatst van diens regering (volgens de berekening van Jozef Scaliger) in het 63e
jaar na de geboorte van onze Zaligmaker, zeven jaren, nadat Paulus gevangen te
Rome was gebracht.
Andreas, de zoon van Jona, een broeder van Petrus, geboren te Bethsaïda in
Galilea, was eerst een discipel van Johannes de Doper. Daar hij ouder was dan
Petrus, en het eerst Christus leerde kennen, heeft hij zijn broeder tot
Christus, de waren Messias gebracht. Van beroep was hij een visser; maar
Christus, Die hem riep, beloofde hem een visser der mensen te zullen maken.
Omdat hij de Heere vurig navolgde, en onderwezen was in Diens leer, wandel en
wonderen, heeft Deze hem tot een Apostel aangesteld, welke bediening hij met de
anderen onder de Joden getrouw heeft waargenomen. Hij stond ook in grote
achting bij de Heere, daar het schijnt, dat hij een meer vrijen toegang had tot
Christus dan Filippus. Verder, ofschoon hij in zwakheid, evenals de andere
Apostelen, gevallen is, door zijn Meester te verlaten, heeft hij zich toch weer
bij zijn medebroeders gevoegd. En, toen hij opnieuw het bevel ontvangen had tot
de bediening van het Evangelie, en voornamelijk, nadat hij, gelijk de anderen,
op de Pinksterdag met de Heilige Geest was vervuld, heeft hij het Evangelie met
ijver onder de heidenen gepredikt. Op zijn reizen heeft hij in vele landen
gepredikt, zoals in Pontus, Galatië en Bittiynië.
Hij kwam ook in de omstreken van Antropophage, daarna in Scythië, en
bereisde ook de noordelijke en zuidelijke landen, kwam zelfs tot in de
omstreken van Byzantium en trok ook naar Thracië, Macedonië, Thessalië en
Achaje, en predikte overal Christus, waardoor hij velen tot het geloof in
Christus heeft gebracht. De leer van Christus, zijn Meester, heeft hij ook
versierd en bekrachtigd met vele wonderen; maar, aangezien deze door sommigen
op meer of minder fabelachtige wijze zijn beschreven, zullen wij die laten voor
hetgeen zij zijn.
Toen hij eindelijk naar de wil van de eeuwige God, zijn loop had volbracht,
heeft Aegeas, de stadhouder van Edessa, hem op bevel van de Romeinse raad in de
stad Patris, in Achaje, laten kruisigen.
Hij onderging de marteldood, niet alleen omdat hij de christelijke waarheid
voorstond, en de afgoderij der heidenen bestrafte, maar omdat hij Maximilla, de
vrouw van de gouverneur, en diens broeder Stratocles bekeerde. De dood aan het
kruis te sterven achtte hij om Christus' wil gelukkig, en alzo heeft hij met
grote blijdschap en begeerte zijn ziel in de handen van God, zijn hemelse Vader
bevolen, en aldus zijn leven geëindigd, zoals de geschiedenis getuigt.
Filippus, geboren te Bethsaïda, in Galilea, de stad van Petrus en Andreas,
had een vrouw en een dochter, die zeer goed van leven waren. Hij werd door
Christus gevonden, Die hem beval Hem als discipel te volgen, hetgeen hij zo
getrouw deed, dat, toen hij Nathanaël vond, die ook tot Christus heeft
gebracht, terwijl hij betuigde, dat hij Die gevonden had, van Welke Mozes en de
Profeten geschreven hadden, namelijk Jezus van Nazareth, de waren Messias. Van
toen af heeft Filippus Christus steeds gevolgd, luisterende naar Zijn prediking
en heeft Zijn wonderen gezien, totdat hij bekwaam was tot de dienst van het
heilige Woord Gods, zodat Christus hem tot een Apostel heeft aangesteld en als
zodanig heeft uitgezonden, om het Evangelie te prediken onder de Joden, wat
hij, gelijk de anderen, met ijver heeft verricht.
Bij de Heere stond hij ook in groot aanzien; want bij het heerlijke wonder
van de spijziging der vijf duizend mensen heeft Christus, om hem te beproeven,
met hem ook daarover gesproken. Voor de Grieken, die Christus begeerden te zien
ging hij tot Christus. Verder, toen hij nog niet volmaakt was in het geloof in
Christus, heeft Christus hem onderwezen in het geloof aan God, in het
aangezicht van Jezus Christus, door Wie wij de Vader aanschouwen.
Deze vrome en godzalige Apostel heeft de Heere vergezeld tot aan Zijn
lijden, en, toen de Apostelen, na Christus' verrijzenis verstrooid waren, hield
hij zich bij zijn medebroederen op, totdat zij, na Christus' hemelvaart, de
Heilige Geest hadden ontvangen.
Na de verdeling van de landen predikte hij gedurende enige jaren in
Seythië, waar hij vele gemeenten gesticht heeft. En, aangezien hij bijzonder in
Syrië en in het noorden van Azië reisde, en daarin vele steden de grondslagen
van het geloof legde, kwam hij eindelijk in Phrygië, waar hij in de stad
Hiërapolis en elders vele wonderen deed. De Ebionieten echter en anderen, die
hardnekkig in hun afgoderij voortgingen, hebben hem gevangen genomen, met het
hoofd aan een pilaar vastgemaakt en gestenigd, en alzo is hij in de Heere
ontslapen, en daarna in de genoemde stad Hiërapolis begraven.
Bartholomeüs, een zoon van Tholomeüs, gelijk zijn naam aanduidt, was een
Galileër, evenals de andere Apostelen, en ook een visser, volgens de mening van
Theodoretus. In de Heilige Schrift lezen wij niet veel omtrent hem, dan alleen
dat hij tot Apostel geroepen is, om met de anderen het Evangelie te verkondigen
in Judea en Galilea, aan de verloren schapen van het huis Israëls. Na Christus,
opstanding werd hij in zijn Apostelambt bevestigd, en heeft met de elven de
Heilige Geest ontvangen, zoals Christus beloofd had.
Nadat de Apostelen uit elkander gegaan waren, heeft hij zijn Apostelambt
het eerst bediend in Lycaonië, daarna ook in Syrië en in de bovenste delen van
Azië, vervolgens ook in Indië, waar Pantenus, leraar te Alexandrië, die daar
bijna honderd jaren later kwam, het Evangelie van Mattheüs (dat Bartholomeüs
daar gebracht en waaruit hij de Indianen in hun moedertaal onderwezen had)
gevonden en dat meegenomen heeft. Eindelijk heeft hij het Evangelie ook in
Groot-Armenië verbreid, en daar te Albana, de hoofdstad en koninklijke zetel
van dat koninkrijk, Polemus of Palemonius, de broeder van de koning Astyages,
met zijn vrouw, twee zonen en een dochter, tot het geloof gebracht en twaalf
steden uit de stikdonkere duisternis der onwetendheid, waarin zij de duivel
door de afgod Astharoth dienden, verlost, en verlicht met de kennis van Jezus
Christus, de Heere. Dit verdroot de afgodische duivelpriesters zeer, en zij
klaagden daarover aan de koning Astyages, die de Apostel Bartholomeüs liet
gevangen nemen, en voor hem brengen. Toen Bartholomeüs voor de koning stond,
verweet deze hem, dat hij zijn broeder verleid en de godsdienst in zijn land
aan het wankelen had gebracht, en bedreigde hem, indien hij niet ophield
Christus te prediken, en langer weigerde zijn goden te offeren, dat hij hem zou
laten doden. Op deze, beschuldiging antwoordde Bartholomeüs, dat hij zijn
broeder niet verleid, maar, ten goede bekeerd, en in zijn land de ware
godsdienst gepredikt had, en bereid was daarvoor liever zijn getuigenis met
zijn bloed te bezegelen, dan in het minst schipbreuk in zijn geloof en geweten
te lijden. Om deze vrijmoedige belijdenis werd hij door de koning veroordeeld,
om eerst op de gruwelijkste wijze gepijnigd, met stokken geslagen, daarna met
het hoofd naar beneden aan een kruis gehangen, levend het vel afgestroopt en
daarenboven het hoofd. met een bijl afgehouwen te worden. En alzo is hij met
Christus, zijn Heere verenigd.
Thomas, genaamd Didymus, dat is tweeling, was geboren in Galilea, en van
beroep, zoals het schijnt, een visser. Aangaande zijn ouders vindt men niets,
en evenmin van de tijd, waarop hij bekeerd is, bij de Evangelisten beschreven,
dan alleen van zijn roeping tot het Apostelambt. Zijn vurige liefde, die hij
Christus toedroeg, zien wij vooral, toen hij zijn medeapostelen vermaande om op
te gaan naar Jeruzalem en ook met Christus te sterven. Maar hij had toen nog
niet gestreden tot de dood, en aangaande het doel van Christus' dood verkeerde
hij nog in onwetendheid, waarom hij met de anderen de Heere heeft verlaten.
Toen Christus zich aan de Apostelen openbaarde, was hij niet tegenwoordig; en,
aangezien hij hen niet geloofde, tenzij hij zelf Christus zag en kon betasten,
heeft de Heere zich ook aan hem geopenbaard en zijn ongeloof bestraft. Als hij
Christus zag, geloofde hij aan de opstanding van de Heere, beleed Hem als zijn
Meester, en aanbad Hem als zijn Heere en God. Met de anderen ontving hij een
nieuw bevel tot de dienst van het evangelie onder de heidenen.
Korte tijd na de opstanding van Christus zond hij Thaddeüs naar de koning
Abgarus. Daar hem de Evangeliebediening in Parthië, Indië, Ethiopië en vele
andere landen, zoals Hiëronymus getuigt, ten deel was gevallen, heeft hij vele
landen doorreisd. Het schijnt echter, dat hij er tegen opzag om naar de Moren
en woeste volken van Indië te gaan; maar door gezichten van God werd hij
gesterkt om dit werk op zich te nemen, en was bedeeld met kracht om wonderen te
doen, waardoor zijn dienst bij die lieden zeer vruchtbaar was, en hij er velen
tot God heeft bekeerd.
Aangaande het uiteinde van Thomas is het verhaal het meest waarschijnlijk,
dat hij in Calamina, een stad in Oost-Indië, (waar Hieronymus ook zegt, dat hij
ontslapen is) de gruwelijke afgoderij van die heidenen, welke het beeld der zon
aanbaden, uitgeroeid heeft, zodat hij de duivel zelf, door de kracht van God,
zou gedwongen hebben, het beeld te vernielen. Over deze daad werd hij door de
afgodische priesters hij hun koning aangeklaagd, en deze veroordeelde hem, dat
hij eerst met gloeiende platen gepijnigd en daarna in een gloeiende oven
verbrand moest worden. Toen de afgodische priesters, voor de oven staande,
zagen, dat het vuur hem niet deerde, hebben zij hem met lansen en spiesen of
speren, terwijl hij in de oven lag, de zijde doorstoken; en aldus was hij
gelijkvormig aan zijn Heere Christus, Die hij tot de dood toe volstandig heeft
beleden, en rust alzo van zijn arbeid in de genoemde stad Calamina.
Mattheüs, anders gezegd Levi, de zoon van Alfeüs, was een tollenaar te
Kapernaüm, een betrekking, die bij de Joden veracht was, daar zij zich aan
vreemde vorsten geen tol of schatting schuldig kenden. En, ofschoon het niet
ongeoorloofd was tol of schatting te nemen, wanneer men maar niet te veel nam,
zo gingen toch de tollenaars zich hierin dikwijls te buiten en werden daarom
van de vromen vermeden, waarom ook de afgesnedenen van de gemeente bij dezulken
worden vergeleken.
Toen hij in deze oneerlijke betrekking werkzaam was, heeft Christus Zich in
genade over hem ontfermd, en hem bevolen als Zijn discipel te volgen. Door de
kracht des Heiligen Geestes gaf hij hieraan gehoor, verliet zijn tolhuis,
bereidde een groten maaltijd, en nodigde zijn medetollenaars daaraan, om alzo
naar behoren afscheid van tien te nemen, en hun gelegenheid te geven om
Christus ook aan te nemen, gelijk hij gedaan had. Hierna verliet Mattheüs
terstond alles, en volgde Christus met groten ijver na, en na Christus'
onderwijs ontvangen te hebben, werd hij onder de Apostelen opgenomen, welk
Apostelambt hij tot Christus' dood onder de joden bediend heeft
Bij zijn uitzending om te prediken onder de heidenen werd hem Ethiopië of
Morenland aangewezen. Eer hij echter het Joodse land verliet schreef hij, onder
voorlichting des Heilige Geestes, zijn Evangelie in de Hebreeuwse taal en heeft
hun dit meegedeeld.
Door zijn prediking en het doen van wonderen is hij in Ethiopië met vrucht
werkzaam geweest, waar hij ook na zijn dood zijn Evangelie voor de
nakomelingschap in geschrift heeft nagelaten, waaruit klaar te zien is, welk
geloof hij voorstond, namelijk van Jezus Christus, waarachtig God en mens, Die
voor ons gekruisigd is.
De geschiedenissen getuigen, dat deze Apostel terstond, nadat de gelovige
koning Aeglippus gestorven was, door zijn opvolger Hytacus, een ongelovige
heiden, vervolgd werd, en dat hij hem op zekere tijd, toen hij in de tempel aan
de gemeente het Evangelie verkondigde, heeft laten grijpen en in de hoofdstad
van Ethiopië, Naddaver, heeft laten onthoofden. Daar werd hij ook begraven,
zoals Venantius Forturatus getuigt, die voor duizend jaren leefde, als hij
zegt: "De verheven stad Naddaver zal ons, te weten, op de jongste dag, die
voortreffelijke Apostel Mattheüs teruggeven.
Simon de Kananieter of Zelotes, dat is, ijveraar bijgenaamd, de zoon van
Alféüs en de broeder van Jakobus, Joses en Judas, een neef van Christus, een
van de twaalven en tegelijk met de anderen tot Apostel aangesteld, eerst der
Joden en daarna der heidenen, heeft ook gelijk de anderen op de Pinksterdag de
Heilige Geest ontvangen, waardoor hij ook bekwaam werd gemaakt om een Apostel
van Christus, zelfs onder de heidenen te zijn.
Toen de Apostelen uit elkaar gingen, kwam hij in Egypte, en heeft daar
geruime lijd het Evangelie gepredikt, totdat hij naar Perzië ging, waar hij
zijn broeder Judas vond. Zij bleven daarin de bediening van het Apostelambt
volstandig bij elkaar, totdat zij de goddelijke waarheid met hun bloed hebben
bezegeld. Nicephorus schrijft, dat Simon niet alleen in Egypte, maar ook in
Afrika, Cyrene, Lybië en op de eilanden van Groot-Brittanië het Evangelie des
Koninkrijks gepredikt heeft.
Judas Alfeüs, niet die bijgenaamd wordt Iscarioth, maar die getrouwe
Apostel, bijgenaamd Thaddeüs, dat is belijder, en broeder van Lebbeüs, Jakobus
de kleine en Simon, was ook tot een dienstknecht en Apostel geroepen van Jezus
Christus, Wiens neef hij ook was, evenals Jakobus en Simon. In het Evangelie
wordt van hem niet gesproken, maar alleen gewag gemaakt van een vraag, die hij
de Heere Christus deed, zeggende: “Heere, wat is het dat Gij U aan ons zult
openbaren en niet aan de wereld?” Deze heeft ook een korte en troostrijke brief
aan de gelovigen geschreven en nagelaten, die echter gestreng is voor de
ongelovigen. Of deze Judas die Thaddeüs is, die door Thomas naar Abgarus te
Edessa, gelijk men meent, is gezonden om de koning van zijn kwaal te genezen,
en tot Christus te bekeren, dan of hij een ander van de zeventig discipelen is
geweest, daarover kan men Eusebius en andere schrijvers raadplegen. Deze Judas
heeft, toen de Apostelen de wereld met de prediking van het evangelie hebben
bedeeld, Mesopotamië en Pontus bezocht, waar hij geruime tijd alleen het
Evangelie heeft verkondigd; daarna vertoefde hij met zijn broeder Simon in
Perzië, en heeft daar de wijzen bekeerd, de onwetenden onderwezen, en door de
kracht van de Heilige Geest de duivelse kunsten teniet gedaan, en de
dusgenaamde godsspraken en wonderen van hun afgoden als leugens ten toon
gesteld en doen ophouden, en alzo door de godsdienst van Christus de valse
afgodendienst der heidenen te schande gemaakt en vernietigd. Toen de heidense
duivelspriesters zagen, dat daardoor hun gewin schade leed, hebben zij tegen
deze getrouwe dienaars van Christus een groot oproer verwekt, hen daarin
overvallen en omgebracht. Welke marteldood zij echter ondergaan hebben, kan,
bij gebrek aan berichten, niet gemeld worden.
Matthias was tijdens Christus omwandeling in het vlees een van Zijn
zeventig discipelen. Kort na de hemelvaart van Christus werd hij benevens Barnabas
in de gemeente te Jeruzalem door de Apostelen aan de Heere voorgesteld,
teneinde door Hem, door het lot, als uit de hemel tot een Apostel aangenomen te
worden, terwijl de gehele schaar van honderd twintig mensen over hen beiden God
aanriepen, zeggende: “Gij Heere, Gij Kenner der harten van allen, wijs van deze
twee een aan, die Gij uitverkoren hebt, om te ontvangen het lot dezer bediening
en des Apostelschaps, waarvan Judas afgeweken is, dat hij heen ging in zijn
eigen plaats. En zij wierpen hun loten, en het lot viel op Matthias, en hij
werd met gemene toestemming tot de elf Apostelen gekozen." Met de anderen
ontving hij mede op de Pinksterdag de Heilige Geest, waardoor hij als van de
hemel bevestigd werd in zijn Apostelambt. Kort daarna werd hij ook met de elven
gegeseld en mede waardig geacht voor de naam van Jezus Christus smaadheid te
lijden.
Nadat de Apostelen uit elkaar gegaan waren is deze Matthias (volgens het
gevoelen van Hieronymus) naar een ander gedeelte van Ethiopië of Morenland
vertrokken, waar niemand van de andere Apostelen geweest is, en wel zeer diep
het land in tot aan de uiterste grenzen, waar de inham was van de haven of de
rivier Asphar en Hyssus, waar de onwetendste en meest barbaarse mensen gevonden
worden. Onder deze in allerdiepste duisternis der onwetendheid gezeten mensen
is het heilrijke licht van het evangelie door de dienst van deze Apostel
opgegaan. Nadat hij daar vele zielen voor Christus gewonnen had, is hij
(volgens de getuigenis der geschiedenissen) weergekeerd naar Judea, Galilea en
Samarië, en wel, nadat door de verstrooiing van de Apostelen de Joden schier
verstoken waren van allen apostolische dienst.
Omtrent de dood of het martelaarschap van Matthias bestaat niet veel
zekerheid, zegt Mantuannus, en hij betwijfelt het, of hij in vrede tot God
opgenomen is, en zijn eigen dood gestorven, dan of hij, omdat hij aan de afgod
Jupiter niet wilde offeren, met een bijl onthoofd is door de heidenen. Anderen
zeggen, dat hij, om de lastering, die zij voorgaven, dat hij uitgesproken had
tegen God, tegen Mozes en de wet, en het christelijk geloof weigerde te
verzaken, door de Hogepriester van de Joden veroordeeld is om eerst aan het
kruis gehangen en gestenigd en daarna met een bijl onthoofd te worden.
Wij zullen hier ook laten volgen de geschiedenis van den Evangelist Lukas
en van de Apostel en Evangelist Johannes, hoewel men meent, dat Lukas onder
Domitianus en Johannes onder Trajanus gestorven is. Wij volgen deze orde, opdat
men het leven en de dood van de Evangelisten en Apostelen achtereenvolgens zal
kunnen lezen.
Lukas was een Syriër van Antiochië, een geleerd medicijnmeester en daarom
ook zeer ervaren in de heidense wijsbegeerte. De Heere heeft hem echter willen
gebruiken tot een medicijnmeester der zielen, tot welk einde hij ons twee
heerlijke boeken als geestelijke artsenijboeken heeft nagelaten, en wel
vooreerst zijn Evangelie, dat hij beschreven heeft uit der) mond van hen, die
het van de Heere Jezus Christus zelf hebben gehoord. Daarom kan hij niet een
der zeventig discipelen zijn geweest, noch een van ben, die met Kleopas op de
wee, was naar Emmaüs. Hij was alleen een leerling van Apostelen en in het
bijzonder van Paulus, tot in het vierde jaar der regering van keizer Nero.
Paulus schijnt hem bekeerd te hebben te Antiochië, in het jaar 38 na Christus,
toen hij van Thebe daar gekomen was. Omtrent zijn ouders wordt nergens iets
vermeld, en het schijnt, dat hij geen vrouw gehad heeft. Hiëronymus meent, dat
jij vroeger een proseliet was, die voor het aannemen der christelijke leer de
joodse godsdienst beleed, en alzo een nakomeling van de Joden, wat niet
onwaarschijnlijk is. Hij was zeer ervaren in de Griekse taal, wat genoegzaam
blijkt uit de buitengewoon goede stijl en de spreekwijzen, die in zijn geschriften
kunnen opgemerkt worden. Hij was geen Apostel maar een metgezel der Apostelen,
die dezelfde dienst met hen te vervullen had, en verscheidene landen, en steden
heeft doorreisd. Op bijna al de reizen van Paulus was hij diens medehelper,
waarom hij ook die reizen in goede orde en met grote naarstigheid heeft
beschreven. Toen Paulus bijna van alles was verlaten, heeft Lukas hem
bijgestaan in zijn gevangenschap te Rome. Nadat hij zijn dienst getrouw heeft
vervuld, is hij te Bithynië gestorven in het 81e jaar zijns ouderdoms. Anderen
zeggen, dat hij in Griekenland predikende, aan een olijfboom is opgehangen en
alzo in de Heere is ontslapen.
[JAAR 101.]
Johannes, de zoon van Zebedeüs, en broeder van Jakobus de grote, was
geboren te Nazareth in Galilea. Van beroep was hij een visser. Toen hij met
zijn vader en broeder bezig was de netten in het schip te vermaken, werd hij
door Christus geroepen, en verliet toen beide, het schip en zijn vader, en is
met zijn broeder Jakobus Jezus nagevolgd. Na behoorlijk onderwezen en
toegenomen te zijn in de kennis van God en Christus Zijn zoon, door Zijn leer
en wonderen, werd hij aangesteld tot een Apostel. De Heere Jezus beminde hem
bijzonder, hij lag in Zijn schoot, en heeft Jezus ook zeer lief gehad. Toen de
Heere zei, dat een van hen Hem zou verraden, vraagde hij met bekommering, wie
het was, Hij was een van de drie Boanerges, dat is zonen des donders. Met Hem
was hij getuige van de verborgen dingen Zijns Vaders, op de heiligen berg, bij
het opwekken van Jaïrus' dochtertje en in de hof. Met grote naarstigheid heeft
hij het Evangelie met de anderen onder de Joden gepredikt, en ijverde zelfs
dermate voor de eer van Christus, dat hij uit onverstand wenste, dat het vuur
van de hemel de Samaritanen zou verslinden, omdat zij de Heere verwierpen. Hij
heeft zich ook, buiten gevaar zijnde, beroemd de lijdensbeker van Christus te
kunnen drinken. Hoewel hij met anderen, volgens Christus' voorzegging,
enigermate in het geloof verzwakt was, heeft hij zich toch zeer kloek gedragen,
want hij was niet alleen tijdens Christus' lijden in het huis van Kajafas de
Hogepriester, maar stond ook bij het kruis van Christus, waar Christus hem de
zorg voor zijn moeder aanbeval, die hij ook tot zich genomen heeft.
Hij was zeer verlangend naar Christus' opstanding; en, hoewel hem die niet
terstond is geopenbaard, toen hij naar het graf liep, heeft Christus nochtans
Zich verscheidene malen aan hem vertoond, en hem een nieuw bevel gegeven
aangaande het Apostelambt. Bij de discipelen bleef hij, totdat zij de Heilige
Geest hadden ontvangen, en predikte toen het Evangelie en deed wonderen te
Jeruzalem, waarom hij in de gevangenis werd geworpen en veel heeft moeten
lijden, doch tot zijn blijdschap.
Met Petrus werd hij ook gezonden naar Samaria; en na vele jaren, toen
Timotheüs gestorven was, predikte hij in Azië en in het bijzonder in de stad
Efeze, waar hij ook vele wonderen gedaan, ja sommigen uit de dood opgewekt
heeft. In de vervolging onder keizer Domitianus werd hij gevangen genomen en
naar Rome gebracht, waar hij (zoals sommigen zeggen) in een vat kokende olie
werd geworpen, waaruit hij echter ongeschonden opstond. Vervolgens is hij
gebannen naar het eiland Patmos, gelegen in de Aegeïsche zee, waar hij vele
gezichten gehad en beschreven heeft aan de zeven voornaamste gemeenten in
Klein-Azië, benevens enige heerlijke brieven. Na de dood van Domitianus, toen
Nerva regeerde, is hij naar Efeze teruggekeerd en wel in het jaar 99 na
Christus' geboorte, waar hij opziener was over de gemeenten in Azië.
Met de ketters Ebion en Gerinthus had hij veel te doen. Toen hij Ebion op
zekere tijd in een bad vond, vluchtte hij, uit vrees dat het huis tot straf van
die ketter op hem vallen zou. Wegens hun ketterij schreef hij vooral zijn Evangelie,
waarin hij bovenal de godheid van Christus behandelt, welke door de ketters
geloochend werd.
Om de naam van Christus heeft hij veel geleden en zelfs vergif gedronken,
zonder dat, volgens de belofte van Christus, hem dit schade deed. Eindelijk is
hij, na de verwoesting van Jeruzalem te hebben beleefd, ten tijde van de
regering van keizer Trajanus, in vrede gestorven, in het 68ste jaar na
Christus' dood. Om al de vervolgingen en het lijden, dat hij heeft verduurd,
wordt hij gehouden voor een martelaar des Heeren Jezus Christus. Dit grote
licht rust alzo in Azië.
Prochorus, een van de zeven eerste diakenen, neef van Stefanus en metgezel
van Johannes de Apostel, was opziener van de gemeente te Bithynië, heeft daarna
te Antiochië geleden en is daar gestorven.
Nikanor, ook een van de zeven diakenen, is ook om de christelijke waarheid
ter dood gebracht.
Desgelijks Parmenas, ook een der zeven diakenen,
Olympus was met Paulus te Rome gevangen.
Onesiforus, een leerling van Paulus, die (zoals sommigen zeggen) bisschop
is geweest van Colophon, of, volgens anderen van Coronia, is met Porphyrius,
zijn mededienstknecht, aan de Hellespont, op bevel van de stadhouder Adrianus,
eerst wreed gegeseld en daarna aan wilde paarden gebonden,en alzo dood gesleept
of verscheurd.
Karpus, een leerling van Paulus, die hem tot opziener van de gemeente te
Troas had aangesteld, is daar om het christelijk geloof omgebracht.
Trofimus, een leerling van Paulus, is om de waarheid van Christus onthoofd.
Apollinaris, een leerling van Petrus, is te Ravenna gedood, en wel in het
derde jaar der regering van Vespasianus.
Maternus en Egistus, behorende, tot de zeventig discipelen, zijn in
Duitsland, tegelijk met Marianus, de diaken, om het geloof gedood.
Hermagot was door Petrus tot opziener der gemeente te Aquila aangesteld,
heeft onder Nero geleden.
Onesimus, Dionysius, de Areopagiter, en meer anderen, zijn voor de
goddelijke waarheid gestorven.
Domitianus, als ware hij een erfgenaam van de haat tegen Gods volk en de
bitterheid van Nero, gaat met de tweede vervolging tegen de Christenen voort.
In deze vervolging, die verscheidene jaren geduurd heeft, zijn, volgens de
beschrijving, omgebracht de navolgende personen:
Timotheüs was geboren te Lystre, in Lycaonië. Zijn vader was een Griek,
maar zijn moeder Eunice en zijn grootmoeder Lois waren gelovige joodse vrouwen.
door wie hij van zijn jeugd aan was onderwezen in de Heilige Schrift. Toen
Paulus te Lystre en Iconië een goede getuigenis omtrent hem had horen afleggen,
nam hij hem aan tot een leerling en metgezel in de dienst van het Evangelie
onder de heidenen, en liet hem tevoren besnijden, en wel om der Joden wil, die
in die plaats waren, want allen wisten, dat zijn vader een Griek was.
Boven alle anderen van zijn metgezellen heeft Paulus deze leerling bemind,
en noemt hem zijn oprechte zoon in het geloof. In zijn afwezigheid heeft Paulus
hem ook naar vele plaatsen gezonden en zijn dienst daar gebruikt, om, als hem
vertegenwoordigende, alles te doen tot opbouwing der gemeente van Christus,
waarvan hij zich zeer getrouw gekweten heeft, zodat Paulus hem achtte als een
Evangelist. Nadat Paulus hem tot bisschop of opziener der gemeente te Efeze had
geordend en aangesteld, schreef hij enige bijzondere brieven aan hem, waarin
hij hem onder andere vermaant, om wakker te zijn in alles, verdrukking te
lijden, het werk van een Evangelist te doen en te waken, dat men van zijn
dienst ten volle verzekerd zij, en hem te bejegenen, zoals het betaamt. Omdat
hij de afgoderij van Diana had bestraft, is hij onder de regering van keizer
Domitianus door de onwetende heidenen gestenigd, en heeft alzo zijn loop
volbracht.
De geschiedenissen verhalen, dat ook verder zijn omgebracht:
In Frankrijk, Lucianus, bisschop van Bellovaco.
Maximianus en Julianus, ouderlingen.
Nicasius, bisschop van Rouaan.
Quirinus, ouderling.
Scubiculus, diaken.
Patientia, een maagd.
In Italië, Romulus, bisschop van Fesula en anderen op meer andere plaatsen.
Men meent ook, dat in deze tijd is omgebracht in de stad Pergamus, zekere
Antipas, een getrouw getuige van Jezus Christus, van wie gesproken wordt Openb.
2, vs. 13.
Marsilius Glabrio, die in het vorige jaar stadhouder van Rome was, en op
mannelijke wijze een leeuw overwonnen had, waarmee hij veroordeeld was geworden
te vechten, werd mede gedood. De reden, waarom men hem en vele anderen doodde,
was, gelijk Dion Niceüs schrijft, dat zij zich aanstelden als Joden, zoals in
die tijden de Christenen door de heidenen genoemd werden, aangezien de
Christenen uit de Joden afkomstig waren. Men kan het er daarom voor houden, dat
Glabrio en anderen in die lijd hebben moeten lijden om de naam van Christus en
het oprechte geloof.
De derde vervolging tegen de Christenen is begonnen op bevel van keizer
Trajanus, opgehitst door Mamertinus, stadhouder te Rome, en Tarquinus, overste
van de heidense afgoderijen. De afgodendienaars brachten ook geld op, en gaven
schatting om de Christenen te vervolgen en uit te roeien, alles onder het
voorwendsel, lat zij onwillig waren om de goden te aanbidden en met offeranden
te vereren, en dat zij vijanden van hen en van de Romeinse republiek waren.
Onder de martelaren in deze tijd zijn de voornaamste:
[Jaar 109]
Simeon, een zoon van Kleopas, die gehouden wordt voor een neef des Heeren,
omdat hij een zoon was van de broeder van Jozef, Christus’ pleegvader. Hij was
uit de stam van Juda en derhalve van het koninklijke geslacht van David. Deze
Simeon was een vroom dienaar van God, die de Heere Christus ook heeft gezien en
gehoord, zoals uit zijn hogen ouderdom wel op te maken is. Mogelijk behoorde
hij ook wel tot de zeventig discipelen, die de gemeente Gods door prediking en
lering met gehoorzaamheid hebben zoeken uit te breiden, totdat hij na de dood
van Jakobus de jongere, op gezag van de Apostelen, in de dienst werd aangesteld
en wel tot bisschop en opziener in de gemeente te Jeruzalem, omtrent het jaar
61 na Christus' geboorte. Dit ambt heeft hij zeer lang bediend, en met zulk een
getrouwheid, dat hij om de waarheid van Christus vele en zware pijnigingen
heeft geleden. Gelijk men onder de keizers Vespasianus en Domitianus het
koninklijk geslacht van David heeft zoeken uit te roeien, alzo geschiedde het
ook, dat onder de derde vervolging ten tijde van keizer Trajanus deze Simeon
door de ongelovige heidenen werd beschuldigd, niet alleen dat hij behoorde tot
het koninklijk geslacht van David, maar ook dat hij een Christen was. Hierom
werd hij gevangen genomen en aan Atticus, stadhouder te Jeruzalem,
overgeleverd, die hem vele dagen achtereen met scherpe roeden dermate liet geselen,
dat ieder, die het zag ook de rechter zelf zich over hem moesten erbarmen en
verwonderen, hoe zulk een hoog bejaard man van 120 jaren een zodanige
onlijdelijke marteling, had kunnen uitstaan. Toen hij in zijn belijdenis even
volstandig volhardde, is hij zijn Heere, Die hij beleed, in het lijden
gelijkvormig geworden, en werd door Atticus veroordeeld omgekruisigd te worden,
in het 11e jaar der regering van Trajanus of 109 jaar na Chr.
Ignatius, een leerling van Johannes, de Apostel. en een navolger van Petrus
en Evodus in de dienst der gemeente van Christus te Antiochië in Syrië, was een
zeer godvruchtig man, getrouw en naarstig in zijn bediening. Toen hij vernam,
dat keizer Trajanus na zijn overwinningen, die hij behaald had op de volken van
Dacië, Armenië, Assyrië en andere Oosterse rijken, de afgoden te Antiochië
openlijk dankte en grote offeranden bracht, alsof zij hem met deze
overwinningen begunstigd hadden, ondernam hij het, de keizer daarover te
bestraffen, ja (zoals Nicephorus verhaalt) zelfs openlijk in de tempel. De
keizer was hierover zeer gebelgd, en liet Ignatius gevangen nemen, doch in
Antiochië zelf niet straffen, en wel omdat hij bevreesd was voor oproer,
aangezien deze bisschop daarin groot aanzien was; maar hij hhet hem, vergezeld
van tien soldaten, gebonden naar Rome voeren, om hem daar zijn straf te doen
ondergaan. Op weg daarheen zijnde, heeft hij aan verscheidene gemeenten vele
troostbrieven geschreven, zoals aan die van Smyrna, Efese, Filadelfia, Tralles,
Magnesia, Tharsen, Filippi, en in het bijzonder aan de gemeente van Christus te
Rome; welke brief hij voor zijn komst daarheen zond, waarin hij onder andere
verklaart, dat het zijn begeerte en verlangen was, om het christelijk geloof
met zijn bloed te bevestigen.
Zijn eigen woorden luiden aldus: “Van Syrië af naar Rome reizende, te water
en te land, bij dag en nacht, vecht ik met wilde beesten, zeer nauw tussen tien
luipaarden gebonden, die, inderdaad, hoe meer ik hen streel en grotere
vriendschap bewijs, des te wreder en wreveliger jegens mij worden. Doch door
hun wreedheid en pijnigingen, die zij mij dagelijks aandoen, word ik meer en
meer geoefend en geleerd, maar daardoor ben ik niet rechtvaardig. Och dat ik
reeds bij de beesten ware, die gereed zijn mij te verscheuren! Ik hoop, dat ik
ze binnenkort zal vinden, zoals ik ze wens, te weten, wreed genoeg om mij ten
spoedigste te vernielen. Willen zij mij niet aantasten en verscheuren, dan zal
ik hen vriendelijk lokken, opdat zij mij niet verschonen, zoals zij reeds enige
Christenen verschoond hebben; maar dat zij mij met haast in stukken scheuren en
verteren. indien zij nog blijven weigeren, zal ik hen tergen en aanporren.
Vergeeft mij, dat ik zo spreek. Ik weet, wat mij nodig en bevorderlijk is; na begin
ik eerst een discipel van Christus te worden. Ik acht zichtbare noch
onzichtbare dingen, waaraan de wereld zich vergaapt. Het is mij genoeg, als ik
Christus maar mag deelachtig worden. Laat vrij de duivel en boze mensen mij
allerlei pijn en smarten aandoen, met vuur, met kruisigen, met het worstelen
tegen de beesten, met verstrooiing van mijn ledematen en het geraamte van mijn
lichaam, ja met verplettering en verbrijzeling mijns gehelen lichaams; ik acht
dit alles zeer weinig, mits ik alleen Jezus Christus geniete. Alleen, bidt voor
mij, opdat mij innerlijke en uiterlijke kracht gegeven worde, om dit niet
alleen te spreken of te schrijven, maar ook om het na te komen en te kunnen
lijden, opdat ik niet alleen een Christen genaamd maar ook bevonden mag worden.
Toen hij te Rome kwam, werd hij door de soldaten aan de stadhouder
overgeleverd, met de brieven van de keizer, waarin zijn vonnis geschreven
stond. Enige tijd werd hij daar bewaard tot op zekere feestdag van de Romeinen,
op welke dag de stadhouder hem naar het bevel des keizers, in de kampplaats
liet voorbrengen. Nadat hij door vele pijnigingen van het christelijk geloof
niet afvallig kon gemaakt worden, heeft men hem aan de leeuwen voorgeworpen,
door welke hij terstond zeer gretig werd verslonden. Van hem wordt verhaald,
dat toen hij aan de leeuwen werd overgegeven, om door hen verslonden te worden,
en in het perk hoorde brullen, zei: “Ik ben het koren des Heeren, ik word door
de tanden der beesten gemalen en gekneed, opdat ik in Christus een rein brood
worde.” Alzo is deze getrouwe bloedgetuige van Christus zalig ontslapen in het
jaar onzes Heeren 109, in het 11e jaar der regering van keizer Trajanus.
Omstreeks deze tijd werd ook, om de naam van Christus, omgebracht, zekere
Publius, opziener der gemeente in Athene, een goed en vroom man, benevens vele
anderen.
Zosimus, Rufus en anderen werden, om de christelijke godsdienst, ter dood
gebracht en wet in de stad Filippi, in Macedonië.
Op bevel van keizer Trajanus, werd de 26sten Oktober van het tijdelijke
leven beroofd Evarestus, opziener van de gemeente te Rome.
Hermes, stadhouder van Rome, met zijn vrouw en kinderen, benevens nog 1250
mensen, werden levend om Gods Woord in gloeiende ovens verbrand.
Spoedig daarna ondergingen hetzelfde lot Zeno, een Romeins edelman, en
40,203 mensen. Eveneens werden Enstachius en zijn vrouw te Rome om de naam van
Christus omgebracht.
Justus en Pastor zijn, om dezelfde reden, in de Spaanse stad Complutum
genaamd van het leven beroofd.
Tiberianus, stadhouder van Palestina, schreef aan keizer Trajanus, dat hij
niet machtig was de Christenen wegens hun grote menigte uit te roeien. Toen
gebood de keizer, dat men de vervolging zou staken.
Men zegt ook, dat omstreeks deze tijd om het christelijk geloof omgebracht
is, en wel na vele smarten en pijnen te hebben geleden, Phocas, bisschop van
Pontus.
Bovendien zijn om de naam van Christus nog verscheidene personen gedood,
zoals in Italië, te Brescia, Faustina en Jobita. Te Messina, op Sicilië,
ondergingen de dood Eleutherus en zijn moeder Anthia, en meer anderen in
verscheidene andere plaatsen.
Te Tivoli, in Italië, werden ter dood gebracht Getulicus, een leraar, en
Symphorosa met haar zeven zonen; zo ook zijn Cerealis en Amantius, in dezelfde
stad, om de naam van Christus gedood.
Saphyra, een maagd te Antiochië, en Sabina, een weduwe van Valentin, zijn
te Rome om dezelfde reden gedood.
De 5e januari werd, om de christelijke godsdienst, het leven ontnomen aan
Telesphorus, opziener van de gemeente te Rome.
[JAAR 144.]
Ptolomeüs, een vroom en godzalig man, die zijn vrouw tot het christelijk
geloof had gebracht, werd om de waarheid van Christus gevangen genomen. Toen
hem gevraagd werd, of hij een Christen was, beleed hij, de waarheid
liefhebbende, het terstond; want hij, die verzaakt, wat hij is, acht strafbaar
te zijn, wat hij verzaakt. Om deze belijdenis werd hij in de kerker geworpen,
en vertoefde daarin zo lang, totdat hij geheel vermagerd was, terwijl hij ten
laatste aan de rechter Urbicus werd overgeleverd, die hem terstond daarna om de
christelijke waarheid liet doden.
Er was ook een Christen, Lucius genaamd. Toen deze hoorde, dat zo
onverdiend en lichtvaardig het vonnis over Ptolomeüs was geveld, zei hij tot
Urbicius, de rechter: "Wat beweegt u toch, dat gij zulk een ter dood
veroordeelt, die geen overspeler, vrouwenschender, doodslager, moordenaar, noch
rover, of dergelijk misdadiger is, maar die alleen belijdt, dat hij een
Christen is? O Urbicius, dat is iets, wat de goede keizer, zijn wijzen zoon, of
eerbare raad niet aangenaam is, en tot eer verstrekt." Zonder meer te
vragen zei Urbicius: "Mij dunkt, dat gij ook een Christen bent?" En
toen Lucius daarop antwoordde: Ja, dat ben ik voorzeker," veroordeelde hij
hem ook ter dood. Daarop hernam Lucius: “Ik dank u, dat gij mij van zulk een
boze heer verlost, en mij tot God zendt, de allerbeste Vader en Koning over
alles." Dit geschiedde te Alexandrië, in Egypte, omtrent het jaar onzes
Heeren 144, waar ook in diezelfden tijd met hem nog vele anderen werden gedood.
Niettegenstaande de hevige vervolgingen, nam het aantal Christenen overal
toe, zodat Justinus met recht van hen zegt, dat de Christenen vreemdelingen
waren, en toch de plaatsen, steden, eilanden, kastelen, enz. der heidenen
bewoonden, ja ook zelfs het keizerlijk paleis en de raad, waren binnen
gedrongen, hun alleen de tempels als afgodshuizen overlatende. Plinius de
tweede, stadhouder in Bithynië, ziende, dat daar de christelijke godsdienst
meer en meer aanhangers kreeg en de overhand nam in weerwil van de zware en
bloedige vervolgingen, zo zelfs, dat alle afgodstempels bijna leeg en verlaten
waren, werd hij ontroerd over de menigte der Christenen, en maakte zwarigheid
om die allen te straffen. Hij schreef daarover brieven aan de keizer, en vroeg
raad, wat hem, zoals de zaken nu waren, te doen stond.
In deze brieven vraagt Plinius niet alleen raad in deze moeilijke en
verwarde zaak, maar beproeft ook de keizer (naar het schijnt) te bewegen om de
vervolging te doen ophouden, en zegt, dat de Christenen nergens anders in
schuldig werden bevonden. dan dat zij gewoon waren op zekere bestemde dag, voor
de dageraad, bijeen te komen, en met elkaar Christus, als hun God, lofzangen te
zingen, dat zij zich onderling met een eed verbinden generlei kwade daden te
plegen, zich te onthouden van dieverij, doodslag en overspel te begaan, hun
geloof te verzaken, en niet te loochenen, wat hun in bewaring was gegeven. Dat
als zij zulks gedaan hadden, zij dan gewoon waren te vertrekken, en weer te
vergaderen om hun nooddruft te nemen in het algemeen, zonder iemand te hinderen
of letsel te doen, en zij zich gedragen volgens zijn bevel." Betreffende
de grote menigte der Christenen in die landen, voegt hij er bij: Volgens mijn
mening is de zaak wel waardig om uw raad daarover in te winnen, en wel vooral
om de grote menigte van hen, wie het gevaar boven het hoofd hangt. Velen, van
elke leeftijd en van allerlei stand, zo mannen als vrouwen zijn in gevaar of
zullen er in komen, aangezien niet alleen in de steden, maar ook in de dorpen
en gehuchten de besmetting van dit bijgeloof verspreid is.
Op dit schrijven antwoordde keizer Trajanus onder andere het volgende:
"Men zal zodanige lieden niet laten opzoeken, en, indien zij aangebracht
en aangeklaagd worden, moet men hen in dit geval straffen, onder deze bepaling
nochtans, dat zij, die ontkennen Christen te zijn, en dit met de daad tonen, te
weten, door het aanroepen van onze goden, hoewel zij voor het toekomende
verdacht zijn, om hun berouw en boetvaardigheid vergiffenis erlangen.
Tertullianus bestrijdt dit antwoord van de keizer zeer, als indruisend tegen
recht en rede, terwijl hij uitroept: “O vonnis, dat.alleen uit verlegenheid zo
verward is! Hij wil niet, dat men naar hen zoeken zal, omdat zij onschuldig
zijn, en toch beveelt hij, dat men hen als schuldigen zal straffen."
Hoewel door deze brieven het vuur der vervolging werd uitgeblust, toch hield
daarom de vervolging niet geheel op.
Hierna schreef ook Justinus, de wijsgeer, twee verdedigingsgeschriften voor
de Christenen, het een aan de Senaat van Rome, het andere aan keizer Antonius
en zijn opvolgers, alsmede aan de gehele burgerij te Rome. Aan het slot van
zijn schrijven zegt hij met vrijmoedigheid en welsprekende woorden: Dit zeggen
wij u vooraf, dat gij het aanstaande oordeel van God geenszins zult ontgaan,
indien gij in de goddeloosheid volhardt. Wij zullen niet ophouden te bidden wat
God aangenaam is en behaagt, opdat de waarheid worde geloofd en de overhand
behoudt."
Op deze verdedigingsgeschriften volgde een heerlijk schrijven van keizer
Antoninus, hetwelk te vinden is bij Eusebius het vierde boek, hoofdstuk 13.
Melito zegt bij dezelfde Eusebius te vinden, dat Antoninus Pius in het algemeen
ten gunst van de Christenen in alle landen geschreven heeft, en voornamelijk
aan de bewoners van Larissa, Thessalonica en Athene.
Wij willen hier nog bijvoegen, om daarmee de geschiedenis van deze derde
vervolging te besluiten, enige voortreffelijke woorden van dezelfde Justinus,
uit zijn samenspraak met Tryphonus waar hij met levendige kleuren de standvastigheid
der Christenen in die tijd afschildert.
Inderdaad, dat niemand macht heeft om ons die in Jezus geloven, te
verschrikken of te beteugelen, dit blijkt dagelijks. Wanneer wij gedood,
gekruisigd, aan de dieren voorgeworpen, aan het vuur en andere pijnigingen
overgegeven worden, wijken wij toch niet van onze belijdenis; maar hoe wreder
men tegen ons woedt, zoveel temeer beoefenen wij de godsdienst en het geloof in
Jezus; het is met ons niet anders dan of iemand door snoeien een wijngaard
opwekte tot vruchtbaarheid. Want de wijngaard, door God en onze Zaligmaker
Christus geplant, is Zijn volk."
De vierde vervolging tegen de Christenen barstte uit ten tijde van keizer
Antoninus. Er kon geen pijniging, straf, of ombrengen, zo groot, zo wreed, zo
onverbiddelijk voor de boze mensen, door de tirannen, de werktuigen des
duivels, bedacht, aangewend en volvoerd worden, of men meende, dat de
Christenen, als vervloekte mensen als vijanden van het rijk, als oorzaak van
alle ongelukken, duizendmaal meer verdiend hadden. In het openbaar bespot,
levenslang opgesloten, gevangen, gegeseld, gestenigd, geworgd, gehangen,
onthoofd, verbrand te worden, werd niet voldoende geacht. In deze tijd begon
men de arme Christenen met gloeiende platen tot de dood toe te bestrijken, met
gloeiende tangen het vlees van het lichaam te trekken, met ijzeren stoelen over
een klein vuur te plaatsen, in ijzeren pannen te verschroeien, in nauwe netten
gesloten de wilden stieren voor te werpen, teneinde door deze al spelende en
spottende met de hoornen in de lucht gesmeten te worden. Dit alles ging gepaard
met een andere barbaarsheid, namelijk, dat men de lichamen dergenen, die
omgebracht werden, de honden voorwierp, waarbij men wachters plaatste, opdat
deze lijken door de gelovige Christenen niet weggehaald en begraven zouden
worden. Onder de regering van deze keizer zijn de navolgende Christenen wegens
hun christelijke godsdienst, ter dood gebracht.
[JAAR 168.]
Justinus, een zoon van Priscus Bacchus was geboren te Neapolis, in
Palestina, en wel uit Griekse ouders. Hij was een geleerd wijsgeer, zeer
ervaren in alle wetenschappen der heidenen. Deze hoorde, dat de Christenen
boven alles werden beschuldigd, dat zij in hun vergaderingen zich aan
schandelijkheden schuldig maakten. En toch zag hij, dat zij met grote
volharding de dood onbevreesd tegen gingen, waaruit hij besloot, dat het niet
mogelijk was, dat zulke mensen een zodanig slecht leven zouden leiden, aangezien
boosdoeners geen hoop op een beter leven kunnen hebben, maar schrikken voor de
dood. Na een naarstig onderzoek van de Heilige Schrift, verliet hij dan ook het
heidendom, en nam de christelijke godsdienst aan. Hij maakte zulke vorderingen
in de kennis van die godsdienst, dat hij leraar werd van het Evangelie, en het
christelijk geloof kloekmoedig beschermde met schrijven, en zelfs
verdedigingsgeschriften aan de keizer zond, om de Christenen te
verontschuldigen van de lasteringen, waarmee zij werden bezwaard. Hij wekte ook
vele mensen tot het martelaarschap op. Dikwerf redetwistte hij met een
onbeschaamde wijsgeer, Crescens genaamd, maar overwon hem menigmalen en maakte
hem beschaamd. Deze wijsgeer vatte daarover zulk een dodelijke haat tegen
Justinus op, dat hij hem in zijn hart de dood had gezworen. Van die tijd af aan
hield hij dan ook niet op hem lagen te leggen en als Christen aan te klagen,
totdat hij als met Justinus' bloed zijn dorst gelest had, gelijk Tatianus, een
leerling van Justinus, in zijn redevoering tegen de Grieken of heidenen over
hem klaagt, dat hij niet alleen Justinus, maar ook hem naar het leven had
gestaan, omdat zij hem en zijns gelijken, als wulpse dieren en bedrieglijke
wijsgeren, in het openbaar hadden bestraft. Justinus werd op zijn aanklacht
gevangen genomen, en, daar hij kloekmoedig weigerde het Christendom af te
zweren, werd hij eindelijk door de President Rusticus ter dood veroordeeld, en,
na vooraf gegeseld te zijn, met de bijl onthoofd, omtrent het jaar onzes Heeren
168.
[JAAR 174.]
Alvorens de christelijke gemeente te Smyrna in haren brief aan de gemeenten
van Jezus Christus in Pontus, van Polycarpus' martelaarschap melding maakt,
verhaalt zij in het algemeen, hoe groot en gruwelijk de vervolging der vijanden
was jegens andere martelaren, die voor Polycarpus geleden, en welke grote
standvastigheid in het verdragen van allerlei pijnigingen deze martelaren aan
de dag gelegd hebben. Betreffende deze wreedheid, waarmee men de Christenen
pijnigde, schrijven zij aldus: "Alle omstanders waren getuigen, dat het
vlees der bloedgetuigen van Christus door verscheidene geselingen en slagen tot
in de binnenste aderen en allerdiepste zenuwen werd losgerukt en vaneen
gescheurd, zodat men hun ingewanden en verborgen delen des lichaams zag
bewegen; ja dat er dan scherven van gebroken potten, zeeschelpen, ja voetangels
op de grond werden gestrooid, en daarover de reeds gemartelde Christenen met
hun verscheurde lichamen, gesleept en vertreden werden. Wanneer de dus
misvormde Christenen, wegens de aangedane pijnigingen, bijna waren gestorven,
of nauwelijks meer adem konden halen, werden zij aan de wilde dieren
voorgeworpen, om verscheurd te worden. Allen, die deze treurspelen zagen, en
het aanschouwden, hoe onmenselijk de Christenen werden mishandeld, en met welk
een geduld die martelaren dat verdroegen, waren daarover zeer verwonderd en
ontzet.
Onder deze was een, Germanicus genaamd, die door Gods genade versterkt, de
natuurlijke en aangeboren zwakheid zijns gemoeds, welke de lichamelijke dood
zeer vreest, zo krachtig overwon, dat hij, wegens zijn bijzondere
standvastigheid, voor een der voortreffelijkste martelaren te houden is. Toen
de stadhouder hem zocht wijs te maken en te overreden, dat hij toch de bloei
van zijn leven in aanmerking zou nemen en met zichzelf erbarming hebben zou,
verachtte Germanicus die raad, en hield zijn jong leven niet dierbaar voor zijn
Heere Jezus Christus, maar trok terstond, zonder dralen, de wilde dieren, die
gereed en losgelaten waren, naar zijn lichaam toe, en hitste hen als het ware
op, alsof het hem zou gespeten hebben, wanneer zij nog vertoefden om hem te
verslinden, teneinde alzo te eerder van het lichaam der zonde verlost te mogen
worden, tot grote verwondering van al het volk. Met grote standvastigheid had
hij aldus zijn leven veil voor de goddelijke waarheid, en stierf te Smyrna, in
Klein-Azië, omtrent het jaar van Christus' geboorte 174.
Meliton, opziener van de gemeente van Christus te Sardis, een stad in
Lybië, was een geleerd, welsprekend en met de Heilige Geest begaafd man. Hij
schreef een apologie of verdediging van de christelijke godsdienst, en zond die
aan keizer Antoninus. Ook Claudius Apollinaris, opziener der. gemeente te
Hiërapolis, een stad in Azië, deed het zelfde, zoals ook daarna Athenagoras,
een wijsgeer te Athene, en een geleerd en godvruchtig man.
Toen keizer M. Antoninus de Marcomannen overwonnen had, voerde hij oorlog
tegen de Quaden. Met zijn leger in hun land vallende, werd hij dapper
aangevallen, en, na een hevige strijd, met zijn volk ingesloten in een plaats
tussen het gebergte, waar groot gebrek was aan water, terwijl zij veel van de
hitte te lijden hadden. Gedurende vijf dagen verkeerden zij daarin groten nood,
zodat zijn volk, door de hitte en van de dorst schier versmacht, in
moedeloosheid ieder hunner zijn goden tevergeefs aanriep. In die ogenblikken
deed zich een afdeling Christenen op, die ingeschreven waren in zeker groot
leger, Melitana genaamd. Deze bogen met een vast geloof de knieën voor de
enige, eeuwige en waarachtige God. En, toen zij hun vurige gebeden voor de nood
van de vorst en hen allen uitgestort hadden, werden zij terstond, en wel geheel
onverwacht en tot ieders verwondering, met twee weldaden gezegend, een
overvloedige regen in hun midden, waardoor het leger zeer werd gelaafd, terwijl
boven de hoofden der vijanden hevige en langdurige bliksemstralen en
donderslagen zich ontlasttten, waardoor zij verdreven en verstrooid werden.
Door dit wonder werd het gemoed van de keizer dermate getroffen, dat hij
van die tijd aan de Christenen gunstiger behandelde, ja, zelfs in brieven, die
hij aan verscheidene stadhouders zond, beleed, dat hij door het gebed der
Christenen de overwinning verkregen bad, en aan het bovengenoemde leger de naam
gaf van het bliksemende."
Was de vervolging van de Christenen onder M. Antoninus geëindigd, onder
keizer Commodus duurde de vrede voort, en wel omdat hij zonder twijfel nog aan
het buitengewone wonder dacht, hier boven verhaald, dat zijn vader tot
meedogendheid jegens de Christenen had opgewekt; maar ook omdat hij een bijzit
had, Marcia genaamd, die de Christenen een goed hart toedroeg. In het begin der
regering van Commodus hadden dus de Christenen vrede, maar dit duurde niet
lang.
In weerwil van die vrede, worden toch door sommigen als martelaren in het
begin van zijn regering gehouden en genoemd: Vincentius, Eusebius, Peregunus en
Potentianus, leraars, als ook Julius, een raadsheer te Rome.
In deze tijd werd ook in de stad Smyrna gevangen genomen Polycarpus, een
leerling van de Apostel Johannes, die Johannes zelf het woord had horen
verkondigen, en die met hen had omgegaan, die de Heere Christus hadden gezien,
en door Johannes was aangesteld tot een opziener van de gemeente der genoemde
stad Smyrna.
De stadhouder Filippus vermaande hem, dat hij, zijn ouderdom in aanmerking
nemende, zou zweren bij de goden des keizers en Christus vloeken. Met grote
vrijmoedigheid antwoordde hij echter: “Zes en tachtig jaren heb ik mijn Heere
Christus gediend, en hij heeft mij nimmer enig kwaad gedaan; hoe zou ik mijn
Koning kunnen vloeken, die mij behouden heeft?" Toen de stadhouder hem
dreigde met de wilde dieren, als hij van zijn voornemen geen afstand deed en
zich bekeerde, antwoordde Polycarpus: laat hen voorkomen, want mijn besluit is
onveranderlijk, wij kunnen ons door bedreigingen niet bekeren van het goede,
tot het kwade, beter ware het, dat zij zich tot het goede bekeerden, die in hun
boosheid volharden."
Vervolgens zei de stadhouder: houdt gij nog vol? Als gij de wilde dieren
veracht, zal ik u door vuur laten verbranden." “Gij dreigt mij met
vuur," dus hernam Polycarpus, "dat in een ogenblik ontstoken en weer
uitgeblust wordt, want gij weet niet van het eeuwige vuur, dat de bozen treffen
zal in de dag des oordeels. Wat vertoeft u nog? Doe aan mij, wat gij van beide
goedvindt."
Toen nu het volk zijn dood eiste, werd hij door de stadhouder overgeleverd
om verbrand te worden. Als nu het hout van alle kanten voor de brandstapel was
aangebracht, waarbij vooral de Joden, volgens hun gewoonte zich beijverden, en
men hem met nagels aan een paal wilde hechten, zei hij: laat mij zoals ik ben.
Die mij kracht gegeven heeft om de pijn van het vuur te verdragen, zal mij ook
helpen om op deze brandstap te blijven. Daarop werd hij slechts gebonden. Toen
hij met vrijmoedigheid tot God gebeden had en het vuur hem niet deerde,
aangezien dit, tot ieders verwondering, onder en rondom hem uitbarstte, zonder
hem nochtans te verteren, werd hij eindelijk doorstoken, waarbij het bloed zo
overvloedig uit zijn lichaam vloeide, dat het vuur daardoor werd uitgedoofd.
Felicitas, een weduwe, geboren te Rome, werd in haar vaderstad, om Gods
Woord, met haar zeven zonen omgebracht.
[JAAR 179.]
In die tijd ontstond te Lyon en te Vienne in Frankrijk een grote beroerte,
wegens het wrede geweld, dat men de Christenen aandeed. De huizen en woningen
werden verboden, daarna ook het gebruik der baden en later zelfs van de straat.
Dit ging zelfs zo ver, dat men hen in het geheim noch openbaar duidde.
Desgelijks werden er velen gevangen genomen en gepijnigd, zodat zij veel hebben
moeten lijden.
Vetius Epagathus, een vroom Christen, en hoewel van jeugdige leeftijd, toch
christelijk van leven, en een geacht edelman, die de wreedheid zag, welke men
de Christenen aandeed, verlangde, door een ijverige geest bezield, van de
rechter, dat men hem wilde aanhoren in hetgeen hij ten gunst van de goede
burgers in het midden wilde brengen; dat zij namelijk niets kwaads bedreven, en
zich niet in de strikken der ongerechtigheid lieten vangen. Toen hij echter
geen gehoor kon krijgen, vroeg de rechter hem alleen, of hij een Christen was.
En, toen hij dit openlijk en vrijmoedig beleed, zei de rechter: “Dan zult gij
met de gevangenen meegaan als een voorspraak van de Christenen." Zo werd
hij dan ook met de heilige leraar Zacharias, die als een goed herder voor zijn
schapen streed, gevangen weggeleid en eindelijk gedood in het jaar onzes Heeren
179.
Er werd ook gevangen genomen een diaken uit de stad Vienne, Sanctus
genaamd. Men pijnigde hem op zeer onmenselijke wijze, teneinde van hem te weten
te komen, of de Christenen zich aan zulke gruwelijke handelingen schuldig
maakten, als waarvan men hen beschuldigde. Maar, aangezien hij zeer door God
versterkt werd, verachtte hij al de pijnigingen, welke zij hem aandeden,
dermate, dat hij niet bekende, wie hij was, noch uit welk geslacht, uit welk
land of hoe hij heette. Toen men hem onder de pijnigingen omtrent alles
ondervroeg, antwoordde hij niets anders dan dat hij een Christen was. “Dit is
mijn naam," zei hij, ja ik ben in het geheel niet anders dan een
Christen." Om deze reden koelden de tirannen hun wraak dermate aan hem,
dat zij zijn buik en andere gevoelige plaatsen van zijn lichaam met gloeiende
ijzeren platen belegden, zodat zijn vlees verbrandde en van het lichaam viel.
Toen deze heilige martelaar dus standvastig bleef, werd hij in zeer mismaakte
toestand in de gevangenis geworpen, terwijl later deze vrome getuige, na vele
en gruwelijke pijnigingen, andermaal werd voorgebracht, en om de getuigenis van
Christus onthoofd.
Attalus en Blandina gevangen genomen zijnde, werden zeer dikwijls en
vreselijk gepijnigd, opdat zij Christus zouden verloochenen en zekere verzonnen
boze daden van de Christenen bekennen. Na zware pijnigingen te hebben
uitgestaan, zette men hen weer in de gevangenis.
In deze tijd is onder de Christenen het bijgeloof, om sommige spijzen uit
te zonderen, in zwang gekomen. Men achtte het toen niet ongeoorloofd, (zoals
men nu doet) op zekere dagen vlees te eten, want dit is later eerst verordend,
toen de Antichrist dit begon te verbieden; maar sommigen onthielden zich van
het gebruik van vlees, omdat zij meenden, dat hun vleselijke lusten daardoor
temeer zouden onderdrukt en bedwongen worden. Later dachten sommigen, dat het
een heilige verrichting was, (naar hun mening) Gode aangenaam, en zo werd het
ten laatste een verbod. Juist in deze tijd zat er een ander Christen met
Attalus en Blandina gevangen, die zich zeer sober behielp, en geen wijn en
vlees gebruikte. Nu openbaarde God aan Attalus, dat hij deze mens aanzeggen
moest, dat hij zich van dagelijkse spijs moest bedienen, opdat anderen zijn
voorbeeld daarin niet zouden navolgen, aangezien eenvoudige mensen licht konden
menen, dat het bijzondere gebruik van spijs een aanbevelenswaardige godsvrucht
was. Attalus deelde deze openbaring aan deze mens en andere gevangenen mee, die
er aan gehoorzaamden, terwijl de anderen er door geleerd en versterkt werden.
Na Attalus en de anderen zware en onlijdelijke pijnigingen te hebben
aangedaan, werd de eerste voor de wilde dieren geworpen, ofschoon hij een
Romeins burger was, die men, volgens het bevel des keizers, had behoren te onthoofden.
Maar toen de wilde dieren het lichaam van de martelaren niet aanroerden, liet
de rechter hen andermaal op velerlei wijze pijnigen, en werden zij zelfs op
ijzeren stoelen boven het vuur geplaatst. Toen nu Attalus op de stoel zat, en
men bezig was hem te binden, zei hij tot het volk: ziel, dit is nu mensen eten
(de Christenen werden ook beschuldigd, dat zij kinderen aten) wat gijlieden
doet; wij eten geen mensenvlees, en bedrijven ook geen wandaden." Als zij
hem vroegen hoe God heette, antwoordde hij: “Waar er velen zijn, daar worden
zij met namen onderscheiden; maar, aangezien er slechts één God is, heeft Hij
geen naam nodig." Eindelijk werd Attalus met de anderen in het perk
onthalsd.
Nadat deze omgebracht waren, werden Blandina en Ponticus een jongeling van
15 jaren, andermaal voorgebracht. Toen men hun gebood, dat zij hij de afgoden
zouden zweren, antwoordden zij, dat de afgoden niets zijn, en dat zij daarom
bij hen niet zweren konden. Als zij en vele anderen zich tegen de afgoderij
verklaarden en die verfoeiden, werden zij weer op de vreselijkste wijze
gepijnigd, zo zelfs, dat Ponticus onder de martelingen de geest gaf. Nadat
Blandina van de morgen tot de avond dermate was gemarteld, dat haar gehele
lichaam vaneen gescheurd en als aan stukken gereten was, zo zelfs, dat haar
pijnigers door vermoeidheid ter aarde vielen, en bekenden, dat zij geen
pijnigingen en martelingen meer konden uitdenken, die haar gevoelig moesten
aandoen, riep zij niets anders dan: “Ik ben een Christin, en door ons wordt niets
kwaads of onbehoorlijks gedaan. Eindelijk werd zij in een net gewikkeld en de
stieren voorgeworpen. Deze wierpen haar herhaalde malen met hun horens in de
hoogte, totdat zij haar ziel Gode opofferde, in het jaar onzes Heeren 179.
[JAAR 179].
Photinus, bisschop of leraar te Lyon, een man van ruim negentigjarige
ouderdom, en zwak van lichaam, werd voor de rechterstoel van het volk gebracht.
Zijn vijanden schreeuwden verward door elkaar, en zeiden, dat hij Christus zelf
was. Op de vraag van de president, wie de God der christenen was, antwoordde
hij: "Wanneer gij het waardig bent, zult gij het weten." Als wilde
dieren vielen zij toen op hem aan, en martelden hem met slaan, schoppen,
trekken, stoten, trappen enz. dermate dat hij twee dagen daarna overleed. In
het jaar 179 na Christus' geboorte zijn te Lyon en te Vienne, omstreeks
dezelfde tijd, waarin Photinus stierf, nog ter dood gebracht, Zacharias, een
ouderling, Maturus, Alexander, een dokter, en Alcibiades.
In deze tijd werden ook vele anderen op wrede wijze vervolgd en gedood, zij
werden aan de honden voorgeworpen, men verbood hen te begraven, en de as van
hun verbrande lichamen werd in het water geworpen, opdat zij, naar hun mening,
geen deel zouden hebben aan de opstanding, waarop de gelovigen hopen. God
intussen, gaf aan Zijn volk moed en stond hen bij, zodat zij geen vrees hadden
voor de tirannie.
[JAAR 188]
Apollonius, een raadsheer te Rome, was een man, die wel verdient genoemd te
worden, daar hij zich voor de belijdenis des christelijken geloofs gewillig in
de dood heeft overgegeven, zonder in het minst in aanmerking te nemen de staat,
waarin hij verkeerde, en de waardigheid, die hij bekleedde. Toen hij door zijn
slaaf was aangeklaagd, dat hij een Christen was, en de senaat van Rome hem
dwong om rekenschap van zijn geloof te geven, legde hij een
verdedigingsgeschrift van zijn geloof over, en las het, gelijk sommigen zeggen,
aan de senaat voor. En, hoewel de Christenen nu vrede hadden, zo beweren
sommigen, dat de senaat hiertoe gedrongen werd door zekere wet, die beval, dat
men een Christen, die aangeklaagd was, en bij zijn belijdenis bleef volharden,
niet mocht vrijlaten. Maar ook om aan de anderen kant het bevel van Antoninus
te volbrengen, liet de senaat eerst de aanklager de benen breken. Dit
geschiedde onder de regering van keizer Commodus te Rome, in het jaar onzes
Heeren 188.
De vijfde vervolging van de Christenen barstte uit in het tiende jaar der
regering van keizer Severus. De aanleiding tot deze vervolging was, dat de
eerrovers en lasteraars allerlei valse beschuldigingen uitstrooiden jegens de
Christenen, namelijk, dat zij oproerige lieden waren, die zich jegens de
keizerlijke majesteit misdroegen, doodslagers, tempelrovers, bloedschenders,
die in hun samenkomsten de kaarsen uitbliezen en zich aan allerlei ontucht en
ondeugd overgaven, kindermoordenaars, menseneters insgelijks, dat zij een
ezelskop als God vereerden, maar bovenal dat zij de goden verachtten, en dat
daarom vanwege hen ongeluk en rampen de mensen was overkomen.
De hevigste vervolging had plaats, nadat Eusebius en Tertullianus in Afrika
hun geschriften hadden opgesteld.
Een grote menigte Christenen werd naar Alexandrië, in Egypte, gebracht,
waar zij om de naam van Christus op velerlei wijzen gedood werden.
Tot de voornaamste martelaren van die tijd behoren de navolgende.
Onder deze hevige vervolging werden vele vrome Christenen om de
christelijke godsdienst onder de grootste pijnigingen ter dood gebracht. Onder
deze was ook Leonidas, de vader van de geleerden Origenes, een man van zeventig
jaren. Toen hij in de gevangenis zat, vermaande hem Origenes, die toen slechts
zeventien jaren oud was, met een troostvolle brief tot volharding in zijn
lijden, en dat hij zich niet moest bekommeren om zijn vrouw, Origenes' moeder,
en haar zeven jeugdige kinderen, van welke hij de oudste was. Leonidas, aldus
door zijn zoon tot volharding opgewekt, en bovenal versterkt door de bijzondere
bijstand des Heilige Geestes, werd, omdat hij verstandig bleef, om de
belijdenis van Christus, te Alexandrië onthoofd, in het tiende jaar der
regering van Severus, toen Letus in die stad van Egypte stadhouder was, terwijl
al zijn bezittingen ten behoeve van de schatkamer des keizers werden verbeurd
verklaard.
Te die tijde onderwees Origenes zijn leerlingen zo krachtig in het geloof,
dat later velen hun leven voor de christelijke godsdienst hebben overgegeven.
Onder deze waren de eerste Plutarchus, twee mannen, waarschijnlijk gebroeders,
Sereni genaamd en Hero. Toen Plutarchus naar de strafplaats werd geleid, om
gedood te worden, was Origenes aan zijn zijde om hem te troosten, waarom hij
voorzeker door de woedende schare zou doodgeslagen zijn geworden, zo de
goddelijke Voorzienigheid hem niet had beschermd.
Irenaeus, geboren te Smyrna of daaromtrent, in Azië, was, onder Photinus de
bisschop, ouderling te Lyon, in Frankrijk. Hij was een godzalig, en geleerd en
zeer verstandig man, daar hij in zijn jeugd een leerling was van Polycarpus,
bisschop en martteDlaar te Smyrna. Wegens zijn bekwaamheid en godzaligheid was
hij in Photinus' plaats gekomen. Hij was een naarstig beminnaar en navolger van
de leer van Christus, oprecht in zijn leven en zeer geacht bij alle vermaarde
personen van zijn tijd. Op bijzondere wijze bevorderde hij de vrede der kerk,
vooral in de twist, die ontstaan was, door Victor, bisschop te Rome, over de
tijd, wanneer het Paasfeest moest gevierd worden.
Tengevolge van die twist werkte Victor mee, dat de Oosterse gemeente zich
van de Westerse hebben afgescheiden, waarover Irenaeüs hem en zijn medestanders
ernstig bestrafte. Hij heeft enige goede boeken nagelaten, vooral tegen de
ketters, die hij manmoedig weerstond. Nadat hij gedurende geruime tijd de
waarheid voorstond en verdedigde, werd hij eindelijk onder de regering van
Severus te Lyon gedood, ofschoon het onzeker is, wanneer en welke dood hij
gestorven is.
In die tijd werd ook ter dood gebracht zekere Rhaïs, een eerbare vrouw,
alsmede Marcella en haar dochter Potamiena. Toen over deze het vonnis des doods
geveld was, bespotte het gemene volk haar zeer, doch het werd door Basilides,
die het vonnis uitgesproken had, daarover bestraft, terwijl deze Basilides,
door Gods genade, het geloof in Christus omhelsde, ook daarna de marteldood
stierf.
De voornaamste stadhouders, die in die tijd de Christenen het meest
geplaagd hebben, waren, volgens Tertullianus: Hilarianus, Vigellius, Claudius,
Herminianus, Cecilins, Capella, Vespronius; volgens Cyprianus, ook Demitrianus
en volgens Eusebius, ook Aquila. De meesten dezer werden, op onderscheiden
wijzen, door Gods hand gestraft, zoals onder anderen Claudius Herminianus,
(zonder dat anderen er mee besmet werden) met de pest, nadat hij vroeger
geplaagd was door schadelijk gewormte.
Voor zijn dood zei hij: “laat niemand dit weten, opdat de Christenen zich
niet verblijden."
Omtrent deze tijd schreef Septimius Florens Tertullianus, geboren te
Carthago in Egypte, een verdedigingsgeschrift voor de Christenen tegen de
heidenen, waarin hij al de lasteringen weerlegt, welke men in die tijd de
Christenen aandeed; hij toonde aan, dat zij onschuldig waren en vervolgd
werden, niet om enige boze handelingen, maar alleen om hun naam als Christenen.
Hij voegde er bij, dat niettegenstaande de bitterheid der vervolging, hun
godsdienst in het minst niet leed of verzwakte, maar veel meer werd opgewekt en
gesteund. Onder andere zegt hij: “Ons aantal neemt toe, en wij wassen aan,
wanneer wij door u als gemaaid worden. Het bloed der Christenen is als het
zaad. Want wie is er onder ulieden, die dit ziet, welke niet gedrongen wordt om
te onderzoeken, welk een zaak het Christendom toch zij? Wie is er, wanneer hij
het onderzocht heeft, die er niet toe overgaat? En als hij er zich bijgevoegd
heeft, ook niet wenst te lijden? Op soortgelijke wijze zegt dezelfde: deze
sekte (dit woord wordt hier gebruikt in een gunstige betekenis) zal nooit
uitgeroeid en vernietigd worden. Gelooft het toch, dat zij opgebouwd wordt. al
schijnt zij vernietigd te worden. Want een ieder, die deze grote lijdzaamheid
ziet van hen, welke hoe langer hoe meer geslagen worden, wordt geprikkeld en
aangevuurd om te onderzoeken, wat daarvan de oorzaak is. En wanneer hij tot
kennis der waarheid gekomen is, volgt hij ook onverwijld de Christenen
na."
M. Aurelius Severus, de zoon van Antoninus en neef van de keizer Severus,
was een vroom en oprecht vorst, zeer geleerd en de geleerden gunstig. Zijn
moeder Mammea was een zeer wijze vrouw, die hij zeer eerde en wier wijze
vermaningen hij volgde. Toen hij aan de regering kwam, bestuurde hij de
Republiek onder voorlichting van wijze en verstandige mannen, onder welke
vooral rechtsgeleerden waren. De goddelozen, gierigaards, onrechtvaardigen en
boosaardigen ontnam hij alle openbare bedieningen. De soldaten hield hij onder
goede tucht en bestraffing. Op aanhitsing van Ulpianus was hij in het begin van
zijn regering de Christenen niet zeer gunstig, zodat sommigen van hen werden
omgebracht, zoals:
Agapitus, een jongeling van 15 jaren.
Calapodius, een ouderling.
Pammachius, een raadsheer te Rome.
Simplicius, een raadsheer.
Insgelijks de gebroeders Tiburtius en Valerianus; verder Quiritius,
Patritius en zijn moeder Julia.
Ook Cecilia en Martina, beiden maagden.
Later was de keizer de Christenen gunstiger, vooral om zijn moeder, die de
Christenen een goed hart toedroeg. Zij beschikte ook de Christenen een plaats,
waar zij hun godsdienstoefeningen konden houden, en wilde zelfs ter ere van
Christus een tempel bouwen, doch werd daarin verhinderd. Men leest ook, dat,
toen de Christenen zekere plaats genomen hadden, om die tot de
godsdienstoefeningen te gebruiken, en de slachters der offeranden beweerden,
dat die hun toekwam, de keizer zei, dat hel beter ware, dat men op die plaats
God, op welke wijze dan ook, diende en eerde, dan dat zij door de onreinheid
van de dienaars der tempels besmet en verontreinigd werd.
M. Minucius Felix, een rechtsgeleerde te Rome, en een zeer voortreffelijk
en geleerd man, stelde een samenspraak op ten gunste van de christelijke
godsdienst, waaraan hij de naam gaf van Octavius.
Lactantius getuigt aldus van hem: “Minucius Felix was onder de
rechtsgeleerden een man van hoog aanzien, en zijn boek, dat de naam van zijn
vriend Octavius draagt, geeft de duidelijkste blijken welk een bekwaam dienaar
der waarheid hij zou geweest zijn, wanneer hij zich daaraan geheel en al had
overgegeven."
De zesde vervolging der Christenen brak uit onder de regering van keizer
Maximinus, een van nature zeer wreed mens, zo jegens aanzienlijke personen,
omdat hij van geringe afkomst was, als jegens de dienaars van het Evangelie.
Tot geluk van de Christenen duurde deze vervolging niet lang, daar hij slechts
twee jaren regeerde. Aangezien deze keizer een hevige vijand was van de
dienaars van het evangelie, werden zij ook het eerst vervolgd, omdat zij
leraars en bewerkers waren, zoals men zei, van de christelijke godsdienst.
Men meende namelijk, dat, wanneer men deze vervolgde en wegjoeg, de anderen
te eerder hun godsdienst zouden laten varen.
De kerkleraar Origenes schreef toen een brief, teneinde de Christenen tot
standvastigheid op te wekken, over het martelaarschap, en droeg dit op aan
Ambrosius, opziener der gemeente te Milaan, en Protoctus, beide geleerde mannen
in die tijd.
De geschiedenis zegt, dat onder zijn regering, om de belijdenis der
goddelijke waarheid gedood werd Fabianus, opziener van de gemeente te Rome.
[JAAR 251.]
Omtrent het jaar onzes Heeren en Zaligmakers 251 ontstond er een zeer grote
en wrede vervolging tegen de gelovige Christenen, en wel onder de regering van
keizer Decius, gewoonlijk de zevende genaamd. Sommigen dachten dat hij deze
vervolging beval uit haat jegens keizer Filippus, die de christelijke
godsdienst had aangenomen. Maar Cyprianus, die in die tijd leefde, schrijft de
aanleiding tot deze vervolging aan de Christenen zelf toe. "Men moet (zegt
hij) het inzien en belijden, dat de grimmige en vernielende benauwdheid, die
onze kudde voor het merendeel verwoest heeft en nog zonder ophouden verwoest,
om onze zonden ons is overkomen, omdat wij de weg des Heeren niet bewandelen,
en de hemelse geboden ons tot onze zaligheid gegeven, niet bewaren. Onze Heere
heeft de wil Zijns Vaders volbracht, en wij volbrengen de wil van onze Heere
niet. Ieder onzer benaarstigt zich om geld en goederen te vergaderen, de
hovaardij na te jagen; men maakt zich schuldig aan afgunst en tweedracht, verzaakt
de eenvoudigheid en verloochent de boze wereld alleen niet woorden en niet met
daden, behaagt zichzelf en mishaagt allen. Wij worden aldus geslagen, gelijk
wij verdienen; want welke plagen, welke slagen verdienen wij niet?" etc.
En elders; indien men de oorzaak van de jammer en het ongeluk kent, zal men
gemakkelijk een geneesmiddel vinden voor de wond. De Heere heeft Zijn huisgezin
willen beproeven; en, aangezien de langdurige vrede, de lering en tucht, die
ons van de hemel gegeven waren, bedorven had, zo heeft de hemelse straf het
onmachtige, ja bijna had ik gezegd het slapende geloof, wederopgewekt. En, daar
wij door onze zonden nog meer verdienden te lijden, heeft nochtans de
allerbarmhartigste Heere zo genadig met ons gehandeld, dat al wat er is
geschied, veeleer een bezoeking scheen dan een vervolging. Ieder benaarstigde
zich, om zijn bezittingen te vermeerderen, en men vergat wat de gelovigen of de
Christenen in de tijd der Apostelen. gedaan hebben, of altijd behoorden te
doen; men wendde, integendeel, alle naarstigheid aan, om als door een
onverzadigbare brand van gierigheid de rijkdommen op te hopen en te
vermeerderen. Onder de priesters vond men geen behoorlijken ijver om God te
dienen; onder de dienaars geen oprecht geloof, in de werken geen
barmhartigheid, in de zeden geen tucht. Tot dusverre Cyprianus.
In deze bloedige vervolging werden vele Christenen, uit de aanzienlijken en
uit de lage stand, in vele landen en steden van het gehele keizerrijk onder
ongehoorde pijnigingen ter dood gebracht.
Alexander, opziener van de gemeente te Jeruzalem, was een man, groot in
aanzien en gezag. Hij was zeer begaafd en vreesde de Heere bijzonder. Voor de
waarheid van Christus leed hij veel, doch God spaarde hem, en wel tot onder de
regering van keizer Decius. Onder diens regering werd hij, om de belijdenis van
Christus, door de stadhouder in Cesarea gevangen genomen en voor diens
rechterstoel gebracht. Door alle gelovigen werd hij daar op treffende wijze in
Christus geroemd, en wel bovenal om zijn vrijmoedige verantwoording voor de
naam van Christus. Daarom werd hij in ketenen geklonken, in de gevangenis
gezet, waar hij lang vertoefde, dikwijls voor de vierschaar geroepen werd en
telkens weer naar de gevangenis moest terugkeren. Nadat hij deze ellendige
mishandeling met lijdzaamheid verdroeg, en God met de Apostelen dankte, dat Hij
hem waardig achtte, om Zijns Naams wil dit lijden uit te staan, offerde hij ten
laatste, na veel smart en lijden, zijn leven aan God op. Of hij door
pijnigingen, of hongersnood, of andere ellende in de gevangenis gestorven is,
daaromtrent is niets zekers bekend.
Babylas, bisschop of opziener van de gemeente te Antiochië, was een
voortreffelijk man (zegt Chrysostomus), over wie ieder zich met recht mocht
verwonderen, daar hij keizer Decius belette in de vergaderingen der Christenen
te komen, omdat hij niet wilde, dat een wolf in het midden der schapen vallen
zou. Hij werd gevangen genomen en gedwongen de afgoden te offeren, doch
weigerde dit. Na zijn goede zaak verdedigd en verklaard te hebben, dat een
herder zijn schapen niet behoort te verlaten, dat hij de almachtige God niet
wilde verzaken, en tot valse goden de toevlucht nemen, werd hij om deze
belijdenis ter dood veroordeeld. Toen hij bereid was om te sterven, zei hij:
"Mijn ziel, ga tot uw rust, want de Heere heeft u aangezien." En alzo
werd hij onthoofd.
Alexandrië was als het ware de schouwplaats van alle tirannie. Onder ben,
die daarin die tijd om de naam van Christus werden omgebracht, zijn de volgende
wel de voornaamste:
Metranus, een godvruchtig, bejaard man, die, om de belijdenis van Christus,
door het oproerige volk te Alexandrië gevangen genomen werd, wilde men dwingen
om godslasteringen uit te spreken, dat is, om de naam van God te lasteren, en
Zijn Gezalfde, de Heere Jezus Christus, te verloochenen. Toen hij dit weigerde,
sloeg men hem met stokken over het gehele lichaam, terwijl zijn aangezicht met
scherpe rieten doorstoken werd. Toen hij aldus gepijnigd en gemarteld was,
werd,hij buiten de stad geworpen en ter dood gestenigd.
Daarna werd ook gegrepen zekere Cointha, een edele en gelovige vrouw, die
men in een afgodstempel bracht, voor de goden plaatste en haar dwong om die te
vereren. Maar, toen zij niet verfoeiing van de afgoderij, zich daarvan
afkeerde, bonden zij haar voeten samen, en sleepten haar alzo door de straten
van Alexandrië, geselden haar met roeden, en drukten haar naakte lichaam tegen
draaiende molenstenen. Toen zij haar lang genoeg gesleept, geslagen, gemarteld
en door geselslagen haar lichaam vaneen gereten en verscheurd hadden, en zij
onder dit alles bijna bezweken was, trokken zij naar de voorstad, waar zij haar
met stenen wierpen en daarmee bedekte.
Dit wreed en onstuimig volk sloeg ook de handen aan Apollonia, een
bejaarde, beroemde en christelijke maagd, en sloegen haar met vuisten derwijze
in het gezicht, dat zij al haar tanden uit de mond verloor. Daarna brachten zij
haar voor een vuur, en zeiden haar, dat, wanneer zij aan hun goden niet wilde
offeren en Christus vloeken, zij daarin verbrand zou worden. Maar zij verkoos
liever de pijniging van het vuur, en het verlies van haar tijdelijk leven, dan
Christus te verzaken en haar ziel te verliezen om het tijdelijke leven te
behouden.
Zo werd ook Serapion, geboren te Efese, uit zijn huis gesleept en zijn
lichaam door vele slagen vaneen gereten en bijna van lid tot lid aan stukken
gesneden. Na deze wrede mishandeling wierpen zij hem bovendien van zekere hoge
plaats naar beneden, zodat hij in ellendige toestand stierf.
In die tijd werd ook een Julianus, bijgenaamd Eunus, die ook de waarheid
staande bleef. Door de tirannen werd hij op een kameel gezet, en alzo door de
stad gevoerd. Met scherpe roeden werd hem het vlees van het lichaam gescheurd,
en terwijl het woedende volk hem met stenen wierp, werd hij eindelijk verbrand.
Voorts lezen wij nog van een kloek en dapper ridder, Besas genaamd, die het
volk bestrafte, omdat zij de dode lichamen der martelaren bespotten. Door de
woede van het volk werd hij gevangen genomen, en, daar hij Christus standvastig
beleed, levend verbrand.
Wij willen ook niet zwijgen van Macarius van Lybië, wie de rechter met vele
redenen aanraadde, dat hij Christus zou verloochenen. Maar, daar hij te sterker
in zijn belijdenis volhardde, werd hij levend verbrand.
Epimachus en Alexander hebben ook, na vele pijnigingen, hun leven in het
vuur moeten eindigen.
Aan het vrouwelijke geslacht heeft God evenzeer Zijn kracht op wonderbare
wijze betoond. Er waren namelijk, Ammonaria en Mercuria, twee maagden, en
Dionysia, een bejaarde vrouw, en nog een andere Ammonaria, die ook, onder vele
wrede pijnigingen, tot verzaking van de christelijke godsdienst werden aangezocht.
Zij gedroegen zich daarbij evenwel zo standvastig, dat de vijanden Gods zich
schaamden. Niettegenstaande dit, liet de rechter ze onthoofden.
In deze vervolging werden ook opgebracht Cheremon, bisschop te Nicopolis,
een stad in Egypte, Heron, Arsinus, Isidorus, alle drie Egyptenaars. Insgelijks
Nemesius, Ammon, Zenon, Ptolomeüs, Ingenuus, Theophilus, ook Scirion, een
rentmeester van een aanzienlijk man. Deze beval Scirion, dat hij de afgoden zou
offeren; maar, toen hij dit weigerde, zocht hij hem met harde woorden en
bedreigingen daartoe te dwingen. Maar toen hij daarmee bij hem niet vorderde,
en Scirion volstandig in zijn geloof volhardde, beproefde hij met vleiende
woorden hem daartoe te bewegen. Maar, toen hij zag, dat hij onbeweeglijk bleef,
nam hij een scherpe paal, en stootte hem daarmee zo lang in zijn lichaam,
totdat hij op wrede wijze vermoord was.
Zo wij alle martelaren wilden opsommen, die in alle landen van het
keizerrijk, onder de regering van deze tiran Decitis, werden omgebracht, dit
boek zou die allen nauwelijke kunnen bevatten. Aangaande deze vervolging
getuigt Nicephorus: dat het even moeilijk is, al de martelaren aan te wijzen,
als het zand van de zee te tellen."
De pijnigingen, waaronder de arme Christenen in die tijd werden omgebracht,
waren ontzettend hard. Gebannen, van zijn bezittingen beroofd, tot werken in de
mijn veroordeeld, gegeseld, onthoofd, opgehangen te worden, werd gering en als
niets geacht. Zij werden met hete tarwe bestrooid, over een klein vuur
geblakerd, gestenigd, met scherpe pennen in het aangezicht, de ogen, ja het
gehele lichaam gestoken, langs de straten over harde keien en scherpe stenen
gesleept, tegen steenrotsen verpletterd, van hoge steile plaatsen afgeworpen,
de leden aan stukken gebroken, met kromme haken vaneen gescheurd, op scherven
van gebroken potten gewenteld, de wilden dieren tot roof en spijs gegeven.
Boven dit alles werden hun palen door de lengte van het lichaam gedreven.
Zodanige pijnigingen maakten vele Christenen bevreesd, zodat sommigen van
hen afvallig werden, en schipbreuk leden in hun geloof. Van deze hebben wet
enige berouw gehad, maar velen zijn verhard gebleven en rechtvaardig door God
gestraft.
In de tijd, dat Cyprianus verbannen was, schreef hij aan zijn medehelpers
in het werk des Heeren en anderen, zeer troostrijke brieven. Onder deze brieven
is de laatste van zijn derde boek zeer heerlijk, waarin men, onder andere, deze
woorden leest: "De straffen zijn voor de Christenen geen vervloekte
dingen. De borst van een Christen, die al zijn hoop op Christus heeft
gevestigd, Die aan het kruishout heeft gehangen, wordt door de knotsen niet
verschrikt. De boeten en straffen zijn als versierselen, en hechten de harten
der Christenen niet aan de zonde, maar maken die vrij bij de Heere. Het lichaam
der Christenen vindt bij het werk in de ijzermijnen geen genot als op een bed,
maar smaakt genot in de gemeenschap met Christus; de leden, vermoeid door de
arbeid, liggen wel uitgestrekt op de aarde, maar het is geen pijn alzo met
Christus te liggen; koud zijnde vinden zij daar geen klederen, maar wie
Christus aandoet en door Hem overkleed, is, is overvloedig gekleed en
versierd." En daarna: "God, van boven neer ziende, is, in de
belijdenis van zijn naam, aan de gewilligen aangenaam; Hij helpt de strijdende,
kroont de overwinnende, vergeldende in ons, wat Hij zelf gedaan heeft en
verheerlijkende wat door Hem volbracht is."
Aangaande de straffen, die de vervolgers toen van God zijn overkomen:
schrijft dezelfde Cyprianus aldus: Wij zijn er zeker van en het is gewis, dat
wat wij lijden niet ongestraft blijft; en hoe groter de zonde van de vervolging
is, zoveel te duidelijker en te zwaarder zal de straf zijn, voor de vervolging
ons overkomen. Wanneer ons niet overkomt, wat om die reden in vorige tijden
geschied is, zo zal, wat onlangs gebeurd is, ons genoegzaam tot lering kunnen
verstrekken, namelijk, dat de verdediging zo haastig volgde en met zulk een
grote spoed, zo hard en zwaar, met de val van koningen en prinsen, met verlies
van schatten en rijkdommen, met de afval en schade der krijgslieden, en met
vermindering der legers."
Valerianus en Gallienus waren in het begin van hun regering de Christenen
zeer gunstig, doch veranderde al spoedig, en werden tot haat verleid door een
Egyptische tovenaar; zodat zij daarna de Christenen, door verschilende
pijnigingen, tot afgoderij dwongen.
Lucius, opziener van de gemeente te Rome werd omgebracht.
Cecilius Cyprianus, geboren in Afrika, werd eerst opgevoed en onderwezen in
1 de vrije kunsten onder de heidenen. Toen hij te Karthago onderwijs gaf in de
welsprekendheid, werd hij met de christelijke godsdienst bekendgemaakt door een
maagd, Justina geheten, en voornamelijk door een ouderling der Christenen. Men
zegt, dat hij een leerling was van Tertullianus, wiens geschriften hij met
voorliefde las. Hij nam zodanig toe in goddelijke wijsheid en verstand, dat hij
tot ouderling benoemd werd en later tot bisschop van Karthago, welke betrekking
hij lang bediend heeft, niet alleen tijdens het tamelijk vreedzaam was, maar
ook onder de regering van keizer Decius. In de tijd der vervolging wist hij
bijzonder de martelaren te vermanen en op te wekken tot volharding met geschriften
en woorden, naarmate hij daartoe gelegenheid had. Soms werd hij gedwongen zijn
volk te verlaten, aangezien men hem dreigde de leeuwen te zullen voorwerpen;
daarom vluchtte hij soms liever voor enige tijd, om geen oproer onder het volk
te verwekken; temeer daar hij door God zelf wel eens vermaand werd zich te
verwijderen. Hij achtte het wel begeerlijk, om voor de goddelijke waarheid te
sterven, maar, terwijl hij vluchtte, wilde hij God toch niet verzaken, en
vermaande ook daartoe de zijnen. Na de vervolging van Decius stond hij zijn
gemeente weer getrouw terzijde, en had grote moeite met hen die in de
vervolging afvallig geworden waren; maar, uit liefde tot barmhartigheid
geneigd, nam hij die weer gewillig op. Op bijzonder hevige wijze verzette hij
zich tegen de ketterij, zodat hij zelfs, uit ijver zonder verstand, beval, die
te herdopen, die door de ketters gedoopt waren, welk bevel hij echter later
weer introk. Soms werd hij verwaardigd met goddelijke openbaringen, zodat hij
door een profetische geest wreedheden voorzegde tot waarschuwing van zijn volk.
Kort voor zijn dood werd hij eindelijk naar Curubita, in Lybië, in ballingschap
gezonden, en wel op bevel van de rechter Paternus ten tijde van de keizers
Valerianus en Gallienus. De rechter trachtte van hem te vernemen, waar de
leraars der gemeenten zich ophielden, doch hij wilde zulks hun niet meedelen.
Twee jaren verkeerde hij in ballingschap, terwijl hij deze als een
gevangenschap beschouwde. Zijn verbanning had plaats onder het blazen op de
trompet en met verbeurdverklaring van zijn bezittingen, hetwelk hij niet alle
anderen met het grootste geduld verdroeg. Niettegenstaande hij zijn kudde in
persoon moest verlaten, droeg hij toch bijzondere zorg voor haar niet alleen
met gedachte, wil en begeerte, zelfs in de grootste vervolging, maar ook door
het schrijven van vele hartelijke, troostrijke brieven aan zijn vrienden, om
die te versterken en te vermanen tot getrouwheid en volharding. In één woord,
hij was zeer vermaard door zijn grote wijsheid en andere heerlijke gaven,
waarmee hij bedeeld was. In een brief geven Nemesius, Felix, Victor en anderen
de getuigenis aangaande hem, dat hij de voornaamste was in de goede behandeling
van zaken, de welsprekendste in het spreken, de wijste in het redekavelen, de
eenvoudigste in geduid, de vrijgevigste in aalmoezen, de heiligste in
onthouding, de nederigste in de dienst, en de ootmoedigste in alle goede
werken. Al deze eer, lof en prijs werd hem door vele geleerde mannen gegeven.
Eindelijk werd hij door de rechter Galerius Maximus, die in de plaats van
Paternus gekomen was, ontboden, om door hem ondervraagd te worden. Enige tijd
vertoefde hij buiten de stad, totdat hij door de rechter zou geroepen worden,
maar eindelijk liet de rechter hem halen en hem tot de volgende dag bewaren. Op
de 14e September werd hij voor de rechter gebracht, die hem verzocht, dat hij
aan de goden zou offeren. Cyprianus heeft tegen iedere marteling geprotesteerd,
aangezien hij zonder pijniging vrij en openlijk beleed, dat hij een Christen
was, en het hem daarom ongeoorloofd was dit te doen. De rechter zei tot hem:
“Bedenk u wel;" waarop hij antwoordde: doe wat u bevolen is; want in een
rechtvaardige zaak behoef ik mij niet te bedenken." De rechter hernam:
“Reeds geruime tijd was gij een mens vol godslastering, en hebt u bewezen te
zijn een vijand van de Romeinse goden, en u verzet tegen de wetten en bevelen
van de heiligste vorsten." Cyprianus werd vervolgens veroordeeld om met
het zwaard gedood te worden; voor welk vonnis hij God dankte.
Toen men hem naar de gerechtsplaats heenleidde, legde hij zijn
bovenklederen af, sloot zijn ogen en bad met grote ijver tot God. Gewillig boog
hij het hoofd onder het zwaard en gaf zijn ziel aan God over. Dit geschiedde in
het jaar onzes Heeren 259.
In die tijd had er ook een grote vervolging plaats te Alexandrië, waar het
getal der gedoden zeer groot was. Buiten de stad Cesaraea woonden, onder
anderen, die vrome mannen, Priscus, Malchus en Alexander. Deze werden als door
goddelijk vuur van het geloof ontstoken en beschuldigden elkaar van grote
traagheid, zeggende: aangezien er in de stad kronen des levens worden
uitgedeeld, hoe is het mogelijk dat wij nog zo traag en onverschillig zijn, om
die te verkrijgen?" Toen zij elkaar met deze woorden hadden opgewekt,
gingen zij haastig naar de stad, en bestraften daar de vervolgers van de
Christenen, omdat deze zoveel onschuldig bloed vergoten.
Om deze vrijmoedigheid werden zij aangehouden, gevangen genomen en daarna
aan de wilde dieren voorgeworpen.
Filippus, bisschop te Alexandrië, werd ook met het zwaard gedood in deze
vervolging.
In de stad Karthago werden eveneens honderd Christenen om het geloof
omgebracht.
In deze tijd werd ook Pontius, een diaken van Cyprianus, in Frankrijk,
gemarteld, en een groot aantal anderen meer in meest alle oorden van het
keizerrijk, zo door het vuur, het zwaard, wilde dieren en vele andere
pijnigingen, die maar te denken waren.
[JAAR 275.]
In het begin der regering van keizer Aurelianus betoonde deze zich de
Christenen zeer gunstig. Dit duurde echter niet lang, daar hij door goddeloze
raadslieden van mening veranderde, zodat hij, in plaats van de Christenen gunst
te bewijzen zoals vroeger, dagelijks meer middelen bedacht, teneinde hen te
onderdrukken en uit te roeien. Toen hij zich daaraan overgaf, werd hij met zijn
raadslieden door de bliksem getroffen, en kort daarna door de hand van Manco
Poris, en de listen van zijn snelschrijver Innestheus omgebracht.
Tijdens zijn korte regering liet hij, om het christelijk geloof, ombrengen
zekere Felix, opziener van de gemeente te Rome, en wel op de 30e Mei van het
jaar onzes Heeren 275.
In de plaats van Aurelianus, werd door de senaat als keizer verkozen
Claudius Tacitus, een vroom man en zeer bekwaam om landen en volken te
besturen, die, toen hij de regering in handen had, terstond overal de
vervolging tegen de Christenen staakte; doch door zijn spoedig overlijden heeft
deze rust niet lang geduurd.
Op de 8e December werd omgebracht zekere Eutychianus, bisschop te Rome.
In deze tijd verzette zich enige bewoners van Frankrijk, meest boeren, die
zich Bagaudes noemden, tegen het Romeinse rijk, en wel onder aanvoering van
Amandus en Elianu . Keizer Diocletianus stelde toen als medekeizer aan zekere
Maximianus Pannonius, die hem vroeger in de oorlog volgde, en hem wegens zijn
goede handelingen zeer goed bekend was. Deze rustte zich terstond tot de krijg
tegen de bovengenoemde Bagaudes uit, en ontbood daartoe uit de verschillende
delen des rijks een zeer grote macht soldaten. Onder deze was ook het Thebeisch
regiment uit Syrië, dat door de bisschop te Rome in de christelijke godsdienst
meer en meer geoefend en bevestigd was, als overste hebbende Mauritius en als
banierdragers Caudidus, Exsuperius, Innocentius, Victor, Constantinus en
anderen. Toen Maximianus met het hoofdleger over het gebergte in de stad
Octodurum (Martigny) gekomen was, wilde hij dat daar, eer hij de tocht voor
goed begon, plechtige offeranden zouden plaats hebben, waartoe hij alle
oversten en soldaten ontbood, die daar van het Oosten en Westen bij elkaar
waren, onder wie ook was het genoemde Thebeïsche regiment, teneinde allen, na
de gewone offerande, tegen de Bagaudes te doen zweren en de eed van getrouwheid
af te laten leggen. Toen het genoemde regiment het gegeven bevel van Maximianus
vernam, en afkeer hebbende van alle afgoderij en bereid zijnde liever de dood
te sterven dan iets onbehoorlijks tegen hun geweten te doen, weigerden zij
allen eendrachtig tot de offerplechtigheden te komen, ja, weken zelfs, om niet
besmet te worden, door de afgoderij aan te zien, een weinig terug naar het meer
Lemanus, thans het meer van Genève genaamd, tot aan de stad Agaunum. Maximianus
beval, dat zij zouden terugkeren, en zich bij de andere soldaten zouden voegen,
doch Mauritius, Exsuperius en anderen antwoordden uit aller naam, dat zij
bereid waren alles te doen en allerlei gevaren uit te staan tot nut van het
algemeen, maar dat zij vasthielden aan de belijdenis van het christelijk
geloof, en geen afgoderij konden dulden. Maximianus werd daarover zo verstoord,
dat hij tot algemene straf van dit regiment, bij loting de tienden man liet
onthoofden. Door de toespraak van Mauritius in hun geloof versterkt,
onderwierpen zich deze vrome soldaten met lijdzaamheid aan hun lot. Nadat
Mauritius de overgeblevenen tot standvastigheid vermaand en opgewekt had, liet
hij Maximianus andermaal aanzeggen, dat hij en zijn soldaten bereid waren de
wapenen te gebruiken tot hulp en bescherming van de republiek, maar dat zij
liever wilden sterven, dan de waarachtige en levende God te verzaken, en zich
met de duivelse offeranden te verontreinigen. Toen Maximianus dit hoorde,
ontstak hij nog meer in toorn, en liet hij ten tweede male de tienden man
onthoofden, en toen hij zag, dat hij ook met deze wreedheid de overigen niet
kon bewegen, om naar Octodurum (Martigny) terug te keren, maar allen
standvastig bleven, zond hij naar hen het gehele leger te voet en te paard, en
liet hen bijna allen met hun overste Mauritius omsingelen en ombrengen. Aldus
hebben deze vrome kampvechters voor het christelijk geloof hun bloed vergoten,
en zijn zalig in de Heere gestorven.
[JAAR 259.]
Marinus, een krijgsoverste en een man van hoge geboorte en zeer rijk aan
aardse goederen, werd in de stad Cesaraea in Palestina tot grote waardigheid
verheven. Een ander man daar benijdde hem dit, en zei, dat Marinus geen hogere
rang mocht bekleden, omdat hij een Christen was. De rechter vroeg aan Marinus,
of het zo was, wat deze zei. En, toen hij dit met vrijmoedigheid bekende, gaf
de rechter hem drie uren tijd om zich te beraden, of hij aan de goden en aan de
keizer wilde offeren dan als een Christen gedood worden.
Toen hij de gerechtszaal verlaten had, nam Theoternus, de bisschop uit die
stad, hem bij de hand, en leidde hem tot de Christenen in de tempel, waar hij
hem met vele woorden in het geloof versterkte. Eindelijk toonde hij hem een
zwaard, dat hij gewoon was aan zijn zijde te dragen, en ook het Evangelieboek,
en vroeg hem welk van beide hij koos en toen Marinus het Evangelieboek greep,
zei Theoternus tot hem: “Behoud wat gij verkoren hebt, mijn zoon, en dit
tegenwoordige leven verachtende, hoop op het eeuwige; ga onversaagd en ontvang
de kroon, die de Heere u bereid heeft."
Toen hij tot de vierschaar weergekeerd was, werd hij terstond door de
omroeper opgeëist, daar de lijd, die hem gegeven werd om zich te bedenken,
verstreken was. Voor de rechterstoel staande, betoonde hij daar nog grotere
ijver en vurigheid des geloofs dan vroeger, en werd door de rechter overgegeven
om onthoofd te worden.
Toen Marinus ter dood gebracht was, werd hij op de strafplaats gevonden
door Asterius, een Romeins raadsheer, wien de keizer en al het volk zeer grote
liefde toedroegen en die hoog bij hen stond aangeschreven. Deze nam het dode
lichaam van Marinus op de schouders, bracht het van daar weg en nadat hij het
in kostbaar linnen had gewikkeld, legde hij het in een nieuw graf en begroef
het. Maar voor deze eer, welke hij de martelaar had aangedaan, ontving hij ook
spoedig daarna de martelaarskroon.
De 6de Augustus, in het jaar onzes Heeren 259 werd ook, om de christelijke
godsdienst, omgebracht Xystus, bisschop te Rome.
[JAAR 252.]
Toen Xystus, bisschop te Rome, uitgeleid werd om gedood te worden,
ontmoette hem Laurentius, een der voornaamste diakenen van de gemeente te Rome,
die hem aldus aansprak: "Waar gaat gij heen, o vader, zonder uw zoon?
waarheen priester, zonder uw dienaar?" waarop Xystus antwoordde: Ik
verlaat u niet, mijn zoon, gij hebt zwaarder strijd te wachten voor het geloof;
gij zult mij na drie dagen volgen. Zo gij intussen iets bezit in deze
schatkisten, deel het de armen!" Uit die woorden maakte men op, dat hij
een grote schat van de gemeente in bewaring had, zodat hem door de stadhouder
te Rome bevolen werd, dat hij die te voorschijn moest brengen. Om al de
schatten bijeen te zoeken, verzocht hij drie dagen tijd, en bracht toen alle
arme, ellendige lieden, die van aalmoezen leefden, als: kreupelen, blinden, en
dergelijken samen, toonde deze de stadhouder, en verklaarde dat deze de
schatten en rijkdommen van de gemeente waren. De stadhouder hield het er voor,
dat men met hem spotte, en liet daarom Laurentius op een rooster leggen, met
een klein vuur er onder. Toen zijn lichaam aan de een zijde geblakerd was, zei
hij met grote vrijmoedigheid tot de tiran: "Keer dat gedeelte van mijn
lichaam, hetwelk gebraden is, om en verteer het.” Zeker iemand bracht dit
gezegde aldus in rijm:
Genoeg is deze kant
Gebraden en geraakt.
Wend mij nu om en proef, tiran,
Of 't rauw of braen best smaakt.
Door de genadige versterking Gods waren hem de kolen als rozen en als een
verkoeling en verfrissing in zijn lijden. Na voor het Romeinse rijk en zijn
vijanden gebeden te hebben, ontsliep hij, onder grote volharding, in de Heere,
in het jaar onzes Heeren 252.
[JAAR 302.]
In het jaar 302 na Christus' geboorte, in het 19e jaar der regering van
keizer Diocletianus, gaf deze bevel tot een grote en wrede vervolging van de
Christenen. Van deze vervolging, die de tiende genoemd wordt, zegt Sulpitius
Severus het volgende: "Omtrent 50 jaren na hem (te weten keizer
Valerianus), onder de regering van Diocletianus en Maximinus, brak de
allerhevigste vervolging uit, die tien jaren achtereen Gods volk plaagde. In
die tijd was genoegzaam de gehele wereld besmet met het heilig bloed der
martelaren, want men liep als om strijd tot deze heerlijke en beroemde
martelingen. Door op een waardige en heerlijke wijze te sterven werd toen de
eer, die een martelaar toekomt, met grotere ijver gezocht, dan men nu, door
ongepaste en zondige eergierigheid gedreven, de bisschoppelijke ambten najaagt.
De wereld werd nooit door enige oorlog meer onderdrukt; nooit hebben wij met
groter triomf overwinningen behaald, dan toen wij door tienjarige verdrukking
en geweld toch niet konden overwonnen worden."
In deze vervolging werd Diocletianus ook aangezet en geholpen door zijn
mederegent Maximinus, een van nature hard, wreed, ontrouw en ontuchtig men, die
in alles de begeerte en de wil van Diocletianus gehoorzaamde. Diocletianus
woedde tegen de Christenen in het Oosten, Maximinus tegen die in het Westen.
Door geloofwaardige schrijvers wordt over de oorzaken van deze vervolging
verschillend geoordeeld, doch het volgende als de voornaamste genoemd. Toen de
keizers, ofschoon zij heidenen en afgodendienaars waren, de Christenen grote
gunsten bewezen, en hen goed behandelden, zo zelfs dat zij niet alleen voorname
ambten en bedieningen kregen, maar hun ook de vrije uitoefening van hun
godsdienst toestonden, zodat men in verschillende plaatsen bedehuizen en
tempels bouwde; toen hebben de Christenen deze vrijheid misbruikt, zodat de een
de ander begon te haten en te belasteren. Aan de ene kant bejegenden de
bisschoppen en opzieners der gemeenten, alle godsvrucht en deugd verzakende,
elkaar met twist, onenigheid, verkeerde ijver, eergierigheid en tirannische
heerschappij; aan de andere zijde was het volk zonder tucht of orde, en gaf
zich ten enenmale aan oproer en opstand over. Bovendien nam de zonde, die hoog
geklommen was, in het algemeen nog op grove wijze hand over hand toe. Blijken
van boetvaardigheid waren er niet te bespeuren, zodat God in Zijn rechtvaardig
oordeel, om Zijn volk tot een nieuw oprecht en christelijk leven op te wekken,
de gesel van zulk een harde, bittere en gruwelijke vervolging moest gebruiken,
opdat de godvruchtige met de goddeloze wereld niet zou veroordeeld worden.
Aangezien het ook de bedoeling was van keizer Diocletianus, om het roomse
rijk tot de ouden bloei terug te brengen, en daarom alle gewoonten en zeden,
die in onbruik geraakt waren, weer wilde invoeren, poogde hij ook het
onderscheid te voorkomen en te doen ophouden, dat hij in de godsdienst zag, en
zocht vooral de godsdienst der Christenen uit te roeien, daar deze de
verschillende erediensten der afgoden vervloekten en verwierpen. Onder hen, die
de keizer tot de vervolging ophitsten en hem daarin versterkten, waren vele
wijsgeren en drogredenaars, die door scherp hekelende boeken en vuilaardige
geschriften de keizer en alle vorsten en rechters tot geweld aandreven, en de
christelijke godsdienst bespotten, terwijl zij die aanklaagden, dat hij
nieuwigheden, valsheid en goddeloos bijgeloof bevorderde; zij verhieven
daarentegen de heidense godsdienst als de oudste en prezen de dienst van de
goden aan, daar deze met hun macht en majesteit de wereld regeerden. Onder deze
opruiers waren, behalve Apollonius, Porphyrius, een wijsgeer, die van Jood
Christen en van Christen een afvallige was geworden, en zekere Hiërocles, een
aanzienlijk man. Tegen Porphyrius hebben de pen opgevat Methodius, bisschop te
Tyrus, Eusebius en Apollinaris; tegen Hiërocles dezelfde Eusebius; tegen beiden
en alle anderen van die geest Lactantius. De aanleiding om keizer Diocletianus
tegen de Christenen op te hitsen, namen de vijanden der waarheid uit zekere
brand in de stad Nicomedië (toen de plaats waar de keizers zich ophielden),
waardoor het paleis van de keizer geheel vernield werd, van welke brand men de
Christenen beschuldigde. De keizer was daarover zeer verbolgen, en zonder
nadenken gelovende, wat de lasteraars daarvan uitstrooiden, meende hij nu reden
genoeg te hebben, en gaf in de maand Maart, in het 19e jaar zijner regering een
bevel, dat men door het gehele rijk alle bedehuizen der Christenen moest
verwoesten. De heidense stadhouders, die de gelovige Christenen zeer haatten,
volbrachten het uitgevaardigde bevel met allen ijver, terwijl de grootste
vernieling op Paasfeest plaats had.
Spoedig daarna werd er een ander bevel gegeven, en wel dat alle boeken der
Heilige Schrift moesten verbrand worden, hetwelk op vele plaatsen, als ook te
Nicomedië op de markt met alle ijver plaats had. Voort ook bevolen, dat men
alle Christenen, die openbare bedieningen of enige ambten bekleedden, moest
afzetten of hen daarvan beroven; dat anderen, die, geen betrekking vervulden,
tot slavernij en dienstbaarheid moesten veroordeeld worden, tenzij zij de
christelijke godsdienst wilden afzweren, en de zeden en gewoonten volgen van de
heidense godsdienst.
Toen men op bovengenoemde wijze de woede niet meer koelen kon, werd er op
de markt te Nicomedië een derde besluit aan een paal gespijkerd, dat zeer
gestreng, hard en wreed was, namelijk, om alle bedienaars van de godsdienst, en
die enige invloed uitoefenden op de gemeente van Christus, gevangen te nemen,
en hen door allerhande pijnigingen te dwingen aan de afgoden te offeren Zeker
edelman, Johannes genaamd, die door vurige ijver ontstoken werd, rukte dit
besluit van de paal en scheurde het in kleine stukken. Op bevel van beide
keizers, die toen te Nicomedië waren, werd hij met buitengewone pijnigingen
gemarteld, de huid afgestroopt en met zout en edik overgoten, terwijl hij onder
dit alles de naam van Christus tot het laatste ogenblik zijns levens, met
kloekmoedige stand vastigheid beleed en zijn ziel Gode op zalige wijze
toewijdde. Na zijn dood volgde het ene vreselijke jammer het andere.
Aangaande het verbranden van de boeken der Heilige Schrift, en van de
plaatsen, waar de Christenen hun samenkomsten hielden, zegt Arnobius onder
andere: “ Waarom hebben onze Schriften verdiend in het vuur geworpen te worden?
Om welke reden heeft men met zo vreselijk geweld de plaatsen onzer samenkomsten
vernield, waar de hoogste God wordt aangebeden, maar ook welvaart en vrede
wordt afgesmeekt voor alle overheden, legers, koningen, enz.?"
Wij zouden te uitvoerig worden in onze mededelingen, indien wij de
verschillende wijzen wilden beschrijven, waarop, door het ingeven van de
duivel, de Christenen in het bijzonder in die tijd werden omgebracht. Slaan,
geselen, met schrabbers, vijlen, en met allerlei scherpe werktuigen de huid
overal openen, waren slechts de inleiding tot vreselijker pijnigingen, die de
dood veroorzaakten, zoals ophangen, onthoofden, verbranden en met volle schepen
in de zee verdrinken. Sommigen werden met gesmolten lood overgoten, anderen
over gloeiende kolen onder langzame pijnigingen verschroeid; van sommigen
werden de vingers van beide handen, tussen het vlees en de nagels, met scherpe
priemen en naalden doorboord. Omtrent anderen leest men, dat zij geruime tijd
naakt met dunne rijzen en loden platen geslagen, de beren, leeuwen, luipaarden
en andere dieren tot spijs voorgeworpen werden. Deze dieren werden dikwijls ook
opgehitst, maar hadden, door Gods kracht, soms een afkeer daarvan, en keerden
hun wreedheid tegen de vijanden der waarheid. Vele Christenen werden ook aan
bomen gebonden, aan staken geplaatst, aan kruisen genageld, waaraan zij zo lang
moesten hangen, totdat zij van de honger bezweken. Weer anderen werden met het
hoofd neerwaarts gehangen, zelfs vrouwen aan het ene been), zodat zij daardoor
in een houding hingen, waarvan zich het eerbare oog met afkeer moest afwenden.
Daarna werden zij aan handen en voeten vastgemaakt aan dikke takken van bomen,
die van elkaar stonden, terwijl deze takken met kracht werden teruggebogen en
met touwen gebonden welke touwen dan werden doorgesneden, waardoor de takken in
hun vorige stand terugsprongen en het lichaam in vele stukken gescheurd werd.
Sommigen werden in de rook van een langzaam brandend en vochtig vuur gesmoord;
velen, die men de neus, oren en handen hadden afgesneden had, liet men heinde
en ver in ellende ronddwalen, om andere onbekende Christenen schrik aan te
jagen. Deze vervolging heeft zich over een groot deel van de aarde uitgestrekt,
zoals over Azië, Afrika, Europa, en over vele eilanden, voornamelijk over
Sicilië, Lesbos en Samos. In Nicomedië werden op het feest van Christus'
geboorte, op bevel van Maximinus, in een tempel enige duizenden Christenen
verbrand. Een stad in Phrygië, toen door de Christenen bewoond, werd belegerd
en met allen, die er in waren, verbrand. Vele andere steden hebben ook, geen
enkele uitgezonderd, de bittere beker van deze vervolging moeten drinken;
vooral was dit zo in Egypte: te Thebe en Antinopolis; in Thracië: te Nicopolis;
in Italië te Aquila, waar al de Christenen vermoord werden, Florence, Bergamo,
Verona, Neapolis, Benevento, Venusia, in Gallië (Frankrijk): te Marseille; in
Duitsland: te Trier, waar Rictionaris in de vervolging zo heftig en wreed geweest
is, dat het vergoten bloed vele rivieren rood kleurde; voorts in Duitsland: te
Augusta, en ook ten dele in Spanje, Brittannië, Zwitserland en andere landen.
Wij geven hier (teneinde de onmenselijke wreedheid der heidenen jegens de
Christenen te beter in het oog te doen vallen) een bijzonder verhaal van
sommige martelaren, die door geschiedschrijvers genoemd en nader beschreven
worden.
Petrus, een hofbeambte van keizer Diocletianus, stond hij hem zeer in
aanzien. Toen deze de wreedheid bestrafte, begaan aan de edelman Johannes, van
wie boven gesproken is, en hem met grote droefheid over zijn martelingen
beklaagde, werd hij gevangen genomen en gedwongen de afgoden te offeren. Toen
hij dit weigerde, werd hij gegeseld, en zijn vlees verscheurd, teneinde hem
door pijniging te dwingen om te offeren. Toen hij standvastig bleef, overgoten
zij zijn verscheurd lichaam met edik en zout, en verschroeiden hem eindelijk
aan alle zijden op een rooster met een zwak vuur, totdat hij met blijmoedigheid
zijn geest in de handen van zijn hemelsel Vader overgaf.
Dorotheus en Gorgoneus, kamerheren van de keizer, hadden genoemde Petrus in
de christelijke godsdienst onderwezen. Toen zij getuigen waren van de onmenselijke
pijn, die Petrus leed, vroegen zij de vorst: "waarom hij in Petrus de
overtuiging van hun gemoed strafte, die in hen allen leefde? Daarbij voegende:
dit is ons geloof, dit is onze godsdienst, dit is ons eendrachtig en
gemeenschappelijk gevoelen." Terstond liet de keizer deze vrome mannen,
die hij vroeger als zijn kinderen liefhad, martelen, en wel met schier dezelfde
pijnigingen als Petrus geleden had, en eindelijk werden zij opgehangen. Nadat
zij enige tijd waren begraven, werden hun lichamen weer opgegraven en in de zee
geworpen, bevreesd als men was, dat de Christenen die als goden zouden vereren.
In die tijd werd ook, na een heerlijke afgelegde belijdenis, onthoofd
zekere Anthimus, bisschop te Nicomedië, benevens nog een groot aantal
gelovigen. Nicephorus schrijft, dat hij eerst op de wreedste wijze werd
geslagen, dat hem daarna met gloeiende pennen de hielen werden doorboord, dat
hij op gebroken potscherven werd geworpen, gloeiende schoenen hem aan de voeten
werden gedaan, het vlees van het lichaam gescheurd, met brandende fakkels
gezengd en eindelijk onthoofd werd.
Dezelfde weg hebben ook bewandeld Tyrannion, bisschop te Tyrus; Zenobius,
te Sidon; Silvanus, te Gaza, alsmede Pamphilius, over wien Eusebius een
afzonderlijk boek heeft geschreven.
Toen Eustrathius, secretaris van een stadhouder, die zeer bedreven was in
de Griekse taal, de standvastigheid zag van de martelaren, deed hij van de
christelijke godsdienst, waarin hij tevoren in het geheim onderwezen was, in
het openbaar belijdenis, en verfoeide alle heidense goddeloosheid. Hij werd
daarom gevangen genomen, aan een paal opgetrokken, jammerlijk geslagen, daarna
aan verscheidene delen van het lichaam met vuur gezengd en met zout en edik
overgoten, eindelijk met potscherven derwijze geschrabt en geraspt, dat het
gehele lichaam slechts één wond vertoonde. Door Gods kracht genas hij weer,
doch werd later naar de stad Sebastia gevoerd en eindelijk met zijn vriend
Orestus verbrand.
Onder hen, die in die tijd, om het christelijk geloof werden omgebracht,
worden nog vele anderen genoemd, als Agricola en zijn dienaar Vitalis. Onder
zovele martelingen, dat zelfs zijn lichaam als geheel vaneen gereten was, gaf
laatstgenoemde zijn ziel aan God over. Agricola kon het uitstel, dat men hem
gaf, niet langer verdragen, aangezien hij zijn tijd in ledigheid moest
doorbrengen, terwijl hij vele deugden bezat en met groten ijver was bezield, en
daarom tot ergernis was van hen, aan wie hij was overgeleverd; zo werd hij,
zelf om zijn dood verzoekende, terwijl hij zijn vijanden moed inboezemde, aan
het kruis genageld.
Eulalia, een meisje van 13 jaren, uit Spanje afkomstig, werd, omdat zij de
stadhouder over de wreedheid, die hij de Christenen aandeed, met meer
vrijmoedigheid aansprak dan hij verdragen wilde, naar de altaren der afgoden
gesleept, opdat zij daar zou offeren. Toen zij dit weigerde, werd zij levend
verbrand. Haar strijd heeft Prudentius in schone verzen afgemaald.
Toen Albanus, in Engeland, een vluchtenden Christen huisvesting had
verleend, en dit ter oor van de stadhouder was gekomen, gaf hij zichzelf,
verkleed en zich voordoende als de vluchtende Christen, aan de vervolgers over,
en werd, na een standvastige belijdenis, en, omdat hij onwillig was de afgoden
eer te bewijzen en offers te brengen, met touwen gegeseld en onder grote
blijdschap onthoofd.
Te Alexandrië was ook een getrouw herder en leidsman der kudde van
Christus, Phileas genaamd. Hij was een edel mens naar de wereld, maar bovenal
was hij edel voor God. Aangezien hij zeer ervaren was in de kennis der
burgerlijke deugden, stond hij bij de Romeinen in groot aanzien; maar bovenal
blonk hij uit in de beste wijsbegeerte, die van de christelijke godsdienst,
zodat hij allen overtrof, die voor hem daar bisschoppen waren. Daar hij vele
voortreffelijke vrienden onder de edelen had, vermaande de rechter hem dikwerf,
om afstand te doen van zijn christelijk geloof, vooral omdat ook velen van zijn
vrienden voor zijn behoud baden. Doch Phileas sloeg daar geen acht op,
versmaadde dit, en bleef volharden in de goddelijke waarheid.
Bij hem stond een overste van een bende ruiters, Philoromus genaamd, een
voortreffelijk en aanzienlijk man. Toen deze zag, dat Phileas omringd was van
zijn wenende vrienden, en gekweld werd door de hardheid des rechters, riep hij
overluid, zeggende: "Waarom stelt gij de standvastigheid van deze man
tevergeefs op de proef? Waarom wilt gij hem, die aan God gelovig is, ongelovig
maken? Waarom dwingt gij hem om God te verzaken, en de mensen te believen? Ziet
u niet, dat zijn oren uw woorden niet horen, en dat zijn ogen uw tranen niet
zien? Zou hij ook door tranen van aardse mensen bewogen kunnen worden, wiens
ogen de hemelse heerlijkheid zien en aanschouwen?" Toen hij dit gezegd
had, barstte de toorn van allen tegen hem los, en zij begeerden, dat hij
dezelfde straf als Phileas zou ondergaan. De rechter willigde hun verzoek in,
en liet beiden met het zwaard onthoofden.
Toen men vernam, dat Sebastianus, geboren te Narbonne (Perpignan) in
Frankrijk, een zeer vroom soldaat van de voornaamste bende, en die bij keizer
Diocletianus in groot aanzien stond, niet alleen een Christen was, maar ook
velen tot de christelijke godsdienst bekeerde en in het geloof versterkte, ja,
tot lijden en het verkrijgen van de martelaarskroon aanmoedigde, werd hij op
een zeer uitgestrekt veld gebracht, en door de soldaten met pijlen doorschoten.
Adauctus, een Italiaan van aanzienlijke afkomst, beroemd wegens zijn
getrouwheid in het vervullen van zijn openbaar ambt, dat hem van de keizer was
opgedragen, onderging, toen hij met anderen als een Christen was aangeklaagd,
de dood met de grootste kloekmoedigheid.
Vincentius, een Spanjaard, werd op bevel van Dacianus, denstadhouder des
keizers, met onuitsprekelijke en onmenselijke wreedheid omgebracht. Vooreerst
werd hij aan een paal opgetrokken, en met zware gewichten aan de voeten zeer
uitgerekt; daarna werden hem vete pijnigingen aangedaan, en het gehele lichaam
werd met roskammen opengescheurd, voorts, op een rooster een klein vuur gelegd
zijnde, werd hem het lichaam met ijzeren baken geopend, met gloeiende platen
bestreken, en met zout besprengd. Toen hij eindelijk in zulk een toestand weer
in de gevangenis gebracht was, werd hij op een hoop potscherven geworpen, en
werden hem de voeten aan een zwaar hout genageld, en alzo is hij, zonder hulp
en troost van mensen, in God ontslapen.
Georgius, van Cappadocië, iemand van zeer jeugdigen leeftijd, die met de
grootste vrijmoedigheid de afgoderij der heidenen berispte, en de goddeloosheid
van de keizers verfoeide, werd gevangen genomen, met scherpe haken het lichaam
opengescheurd, daarna in hete kalk aan de hitte blootgesteld, vervolgens op de
pijnbank gemarteld, en al de leden des lichaams met de punten van messen
doorstoken, en eindelijk, nog met bewonderenswaardige standvastigheid aan zijn
belijdenis vasthoudende, onthoofd.
Toen Procopius, te Cesaraea, in Palestina, door Diocletianus als bestuurder
over zekere streken in het Oosten aangesteld, alle gouden en zilveren
afgodsbeelden, die hij, nog in blindheid en ongeloof verkerende, voor zich had
laten maken, en nu verbroken, gesmolten, en de specie daarvan onder de armen
verdeeld had, werd hij, na veelvuldige pijnigingen, die men hem, zo op de
pijnbank, als met vuur, brandende fakkels, haken, de punten van messen en verscheidene
werktuigen had aangedaan, eindelijk met het zwaard gedood,
Cassianus, een onderwijzer te Imola, werd, toen hij weigerde de afgoden
offers te brengen, naakt, de handen op de rug gebonden, aan zijn leerlingen
overgegeven, die hem met scherpe priemen, waarmee zij in tafelen van was de
letters leerden griffelen, onder grote spot en brooddronkenheid, over het
gehele lichaam gestoken, en alzo onder zware pijnigingen ter dood gebracht.
Omtrent Christophorus, uit Lycië, een man van buitengewone lichaamslengte,
wordt bericht, dat hij om de naam van Christus, met ijzeren roeden geslagen, in
de vlammen gezengd, met pijlen doorschoten en eindelijk onthoofd werd.
Cyprianus, te Antiochië, die van zijn vroegste jeugd door zijn ouders aan
de duivel was toegewijd, en die zelf zich lang in de toverkunst had geoefend,
werd ten laatste tot Christus bekeerd en door Anthimus gedoopt. Hij maakte in
de christelijke godsdienst zulke vorderingen, dat hij het ambt van diaken en
ouderling bekleedde, en een groot licht was in de gemeente te Antiochië. Doch
om het christelijk geloof heeft hij mee in deze tijd op echt vrome wijze de
dood ondergaan.
Toen Menas, een soldaat, uit Egypte afkomstig, zich in de grootste hitte
der vervolging naar de woestijn begeven had, waar hij de tijd met vasten, waken
en bidden doorbracht, kwam hij enige dagen daarna in de stad Cotys, waar hij,
bij gelegenheid van een zeker schouwspel, voor al het volk in het openbaar
beleed, dat hij een Christen was. Toen dit aan de stadhouder Pyrrhus werd geboodschapt,
deed men hem zeer wrede pijnigingen aan en, terwijl hij alles met moed en
standvastigheid verdroeg, werd hij eindelijk onthoofd, gedurig herhalende, wat
Christus ons leert, Matth. 10, vs. 28: "Vreest niet voor degenen, die het
lichaam doden, en de ziel niet kunnen doden; maar vreest veel meer, Hem, die
beide, ziel en lichaam kan verderven in de hel." Zo ook de woorden van de
Apostel Paulus, Rom. 8, vs. 39: "Wie zal ons scheiden van de liefde Gods,
welke is in Christus Jezus onze Heere?"
Dit zijn de voornaamste martelaren, die in dit jaar voor de naam van
Christus hun bloed vrijwillig gestort hebben.
De keizers, onderricht zijnde, dat de vervolging van de Christenen voor hen
niet veel vrucht droeg, en dat de christelijke godsdienst, in plaats van teniet
te gaan, door de moed en de volharding van tien, die omgebracht weide,
dagelijks meer en meer toenam, bepaalde met onderling goedvinden, de Christenen
niet meer niet de dood te straffen, maar een anderen weg in te slaan. Zij
lieten hen nu het rechteroog uitsteken, de linker knieschijf met een brandijzer
verminken, en zonden hen alzo naar de mijnen, niet zozeer om te arbeiden, als
wel om daar aan een langdurige kwelling te worden overgegeven.
Deze wreedheid noemden de tirannen een keizerlijke gunst en genadige
barmhartigheid. Doch ook daardoor hebben zij niet veel teweeggebracht, en al
hun bedoelingen waren tevergeefs; de satan woedde door zijn werktuigen, maar
Christus behield met de Zijnen de overwinning.
In het tweede jaar van de vervolging worden in de geschreven stukken
aangenomen te zijn omgebracht, benevens ontelbare anderen:
Timotheüs, te Gaza, die in een klein vuur werd verbrand.
Agapius en Thecla, die aan de wilde dieren werden voorgeworpen.
Euplius werd onthoofd.
De 26e april werd, met Claudius, Cyrenius en Antonius, van het leven
beroofd Marcellinus, bisschop te Rome, die, door de martelingen der tirannen,
uit menselijke zwakheid eerst Christus had verloochend, doch die daarna tot
berouw kwam.
De vervolging, tegen de arme Christenen uitgebroken, was overal nog even
zwaar, zo in de streken van het Oosten als in die van het Westen.
In het Oosten had de stadhouder van de keizer te Antiochië laten af
kondigen, dat niemand Christus mocht aanhangen op straf van gegeseld, onthoofd
en gekruisigd te worden. Wegens dit bevel vielen velen van hun geloof af, doch
veertig moedige en vrome jonge mannen deden zich als Christenen kennen, en
beleden Christus met buitengewone vrijmoedigheid. De stadhouder, tevergeefs
beproefd hebbende hen van hun belijdenis afvallig te maken, liet hen in het
koudste van de winter naakt in een poel werpen, en, omdat zij des anderen daags
nog leefden, tot as verbranden.
Een van deze Christenen, die nog zeer jong was, werd uit erbarming aan zijn
moeder terug gegeven. Doch met haar eigen handen plaatste zij hem op de wagen,
waarop de anderen lagen en vermaande hem dat hij toch de zaligen loop met zijn
medebroeders zou voleindigen.
Gordius te Cesaraea, een bijzonder man, die in de grootste hitte van de
vervolging zich naar een woestijn begaf, beleed eindelijk openlijk, toen er een
volksfeest ter ere van Mars gehouden werd, dat hij een Christen was. Als de
stadhouder lang tevergeefs, zelfs met vrienden en goede bekenden, gepoogd had,
zo door smekingen als bedreigingen, om hem van zijn voornemen af te brengen,
werd hij ten laatste levend verbrand.
Barlaäm, verdroeg met voorbeeldeloze standvastigheid de geselingen,
pijnigingen, alsmede velerlei martelingen. Daarna bracht men een altaar van de
afgoden, vulde zijn rechterhand met wierook en hield die over het vuur, opdat
hij door de hitte de wierook in het vuur zou laten vallen, waardoor het ten
minste de schijn had alsof hij geofferd had. Maar veel liever liet hij zijn
hand verbranden, dan enig bewijs van afgoderij te tonen.
Toen keizer Galerius met de stadhouder Asclepiades te Antiochië gekomen
was, met de bedoeling en het voornemen om alle inwoners te dwingen Christus te
verloochenen, zond hij zijn dienaars naar het huis waar de Christenen vergaderd
waren, en wel om hen gevangen te nemen. Romanus, een edelman, dit vernomen
hebbende, liep haastig naar de plaats waar de Christenen waren samen gekomen,
en maakte hen niet alleen met de komst en de bedoeling van de keizer bekend,
maar vermaande hen ook tot standvastigheid in het geloof. In deze vergadering
beloofden zij elkaar, mannen, vrouwen, jongen en ouden, dat zij liever wilden
sterven dan Christus verzaken. Toen de keizer dit vernam, liet hij Romanus, als
de bewerker van dit voornemen, door de stadhouder uit de vergadering halen.
Voor de stadhouder gebracht, werd Romanus op deze wijze aangesproken: "Gij
verwaand mens, hoe durft gij het volk zo beroeren, dat het de goden en de
keizerlijke bevelen zo veracht? Gij maakt hun wijs, dat zij eer zullen behalen,
wanneer zij de goden bestormen, al worden zij allen, als de reuzen, met het
vuur gestraft. Als er vele burgers hun bloed zullen storten, hebt gij dit
schouwspel aangericht. Gij bent de oorzaak van hun dood; gij bent de bewerker
van al dit kwaad. Nu is het betamelijk, dat gij voor alle anderen gepijnigd
wordt, en dat gij aan uw lichaam zult ondervinden wat gij anderen aangeraden
hebt te lijden." Met grote vrijmoedigheid antwoordde Romanus, dat hij
bereid was voor allen, en ook alleen te lijden, wat men hem ook mocht aandoen.
Toen beval Asclepiades, dat men hem aan de uitgerekte armen zou ophangen, en
met ijzeren haken het vlees van de benen scheuren. De beulen zeiden, dat
Romanus een edelman was, en dat men hem daarom op die wijze niet mocht
pijnigen. Nu gebood Asclepiades, dat men hem met loden riemen zou slaan.
Toen nu de martelaar voor de naam van Jezus Christus aldus geslagen werd,
dankte, en prees hij God, en zich daarna omkerende, zei hij: vanwege onze
geboorte zijn wij in geen dele edel te noemen, maar de Christenheid vormt
alleen edellieden. Wanneer wij goed letten op onze oorsprong, dan zijn wij
herkomstig uit de mond van de eeuwigen, almachtige God. Wie Hem naar behoren
dient, is voorzeker edel; wie Hem ongehoorzaam is, is onedel. Die, die om Zijns
naams wil smarten lijdt, en de heerlijke tekenen der getuigenis van brand of
vuur in zijn lichaam tonen kan, wordt meerdere eer aangedaan. Daarom, hoe meer
gij, o boze tiran, aan mijn lichaam uw wreedheid toont, hoe edeler en
heerlijker gij mij maakt. Vrij mag gij mijn afkomst of geslacht vergeten, want
wat is al uw vergankelijke eer anders dan ijdele dwaasheid? Dit ziet men
immers, wanneer deze voorname stadhouders met ontblote voeten voor een wagen
lopen, waarop een grote steen vervoerd wordt. Wie zou zijn slaven tot zulk een
dwaasheid willen laten gebruiken, gelijk gij u, vorsten, gebruiken laat? Ik
schaam mij het te zeggen; maar het is nodig, dat gij uw schande hoort, al zoudt
gij ook door wreedheid tot razernij vervallen. Gij beveelt mij, dat ik de
eeuwige, almachtige Vader en Zijn zoon Jezus Christus moet verzaken, en dat ik
met u moet vereren de menigte goden, mannen, vrouwen, kinderen en zulk
onnatuurlijk gespuis, met al het overspelig, onkuis geslacht, dat een samenweefsel
is van bedrog, hoererij, overspel, nijd, wantrouwen en velerlei dieverij.
"Maar zeg mij toch eens, welke God wilt gij mij bevelen te vereren?
Apollo? Maar hoe kan men hem eren die zo onkuis met jongens boeleert? Zal ik de
godin Cybele een offer brengen? Maar dat zal mij haar ontmande Gallus
verbieden, die zij altijd om haar schandelijke onkuisheid beschreit. Mogelijk
zult gij mij bevelen tot de altaar van Jupiter, de hoogste God, te gaan; maar
indien hij zelf voor u werd beschuldigd, het zou nodig zijn, Romeinse wetten in
boeien sloeg, naar de verordeningen van Julius. Zal ik Saturnus vereren, maar
dan zal Jupiter boos zijn, die zijn vader verdreven heeft. Mars zal het niet
gedogen, dat men Vulcanus ere bewijst, noch Juno dat men Hercules aanbidt. Ik
zwijg van de allerschandelijkste goden Faurus, Priapus en dergelijke
gedrochten. Moet men deze vereren, o goede man? Is het ook betamelijk, dat
zulken heilig genaamd worden? Is het niet belachelijk, dat men met zulke
oudwijfse dromen voor de dag komt, om die te vereren? Verlangt gij, dat alle
goden vereerd worden, waarom bidt gij dan zelf de apen, bonden, ooievaars, de
apis en het look niet aan, die de Egyptenaren als goden achten? Maar als er
geen schoner beeld is dan dat van hout, ijzer of steen gemaakt is, dan moet de
hamer de dank ontvangen, die aan uw bespottelijke goden het aanzien gegeven
heeft. Het verwondert mij, dat gij ter ere van de beeldhouwer geen kerken en
altaren opgericht hebt, die immers de scheppers en makers van uw goden zijn, en
zonder welke uw goden geen beelden zouden bezeten hebben. Arme, domme mensen,
schaamt gij u niet, dat gij kosten en moeiten aan zulke, dingen besteedt, en er
koeien en kalveren aan offert. Aan kinderen en dwazen kan ik het vergeven, dat
zij dikwerf voor een aangeklede stok bevreesd zijn, en alles heilig achten, wat
hun dooi, oude vrouwen wordt wijsgemaakt. Maar gij, geleerde en verstandige
mannen, die het wezen en de manier van leven en de natuur onderzoekt, en zegt,
dat gij alles weet, gij behoort immers het onderscheid te kennen tussen de
eeuwige en vergankelijke dingen tussen het schepsel en de almachtige Schepper.
"De eeuwige God is een onbegrijpelijk wezen, dat het verstand van alle
mensen te boven gaat, dat onzienlijk buiten en binnen ons alles vervult. Hij is
zonder tijd, en bestaat niet voor enige tijd, maar is altijd dezelfde; het
waarachtig licht en de oorsprong van het waarachtig licht. Zelf het licht
zijnde, heeft Hij Zijn licht uitgegoten, en dit licht is de eniggeboren Zoon,
Die even krachtig is en een met de Vader, de glans van het licht, Die alles uit
niet geschapen heeft en altijd onvermoeid onderhoudt. Door Zijn Woord heeft hij
de hemel, de aarde, de zee en al wat er in is gemaakt, zodat de kracht des
Vaders in het Woord begrepen is,
Deze God heeft Zijn tempel in des mensen hart, waarin het onwankelbaar
geloof priester is, en offert Hem, tot een aangename offerande, eenvoudigheid,
liefde, reinheid, een levende hoop, mildheid en vlijt ten beste der
behoeftigen. Dusdanig offer behaagt de eeuwige, almachtige God. Wie dit
verbiedt, verbiedt inderdaad een goed, oprecht leven te leiden, en trekt de
zinnen van de mens tot aardse dingen. O voelbare blindheid! O vleselijke
harten! Is het geen grote dwaasheid, dat men goden acht, die op natuurlijke
wijze geboren zijn? En, wat de geest aangaat, in deze aardse dingen te zoeken?
Wat geschapen is, als de Schepper te aanbidden? Aan gesneden hout eer te
bewijzen en dat aan te roepen? Laat na, o rechter,laat na, zulke schandelijke
dingen aan de mannen te gebieden, die door het geloof en de liefde van de
almachtige God niet te dwingen zijn, en geen pijnigingen vrezen."
Toen de stadhouder, en de rechter Asclepiades dit hoorden, werden zij zeer
toornig, en de stadhouder riep: "Help Jupiter! deze booswicht staat hier
tussen de beelden en de altaar, en hij lastert de goden op zeer schandelijke
wijze. Wat onze vaders zo vele honderden jaren gediend hebben, zullen wij dat
in onze tijd verwerpen? Wie heeft ons toch deze nieuwe leraars beschikt? Wist
men ook voor duizend jaren van Christus te spreken? Daarom, offer de goden voor
het welzijn van de keizerlijke majesteit, en zo niet, gij zult het met uw bloed
boeten."
Romanus antwoordde: "Ik bid nooit iets anders voor de keizer en zijn
onderdanen, dan dat zij door de Heilige Geest mogen worden wedergeboren, en
door het geloof in Christus de duisternis der afgoderij zullen verwerpen, en
het licht der eeuwige heerlijkheid aanschouwen. Dit bid ik, dat uw keizer eens
mag aanschouwen, en ook mijn keizer, als hij de mijn zijn wil. want, wanneer
hij beveelt boosheid te bedrijven, wil ik zulk een keizer niet gehoorzamen.
"Vertoeft gij nog, o dienaren," zei de rechter, "doorsteekt
zijn lichaam, opdat hij de ziel uitbraakt, die zo lasterlijk tegen de vorst
spreekt.” Met de grootste haast volbrachten de dienaars het bevel, en sneden
hem met messen recht en dwars over het lichaam, zodat het bloed op de aarde
droop en zijn borstbeen ontbloot werd. "Wat gij snijdt, o rechter,"
zei Romanus, "doet geen pijn, maar het smart mij, dat zulk een duisternis
uw hart bekneld houdt, en dat gij al het volk, dat hier rondom staat, met u
laat dwalen, omdat dit door deze onze pijnigingen zich laat terughouden en
vreest. Nog kan ik spreken, luistert toch allen; Christus, de glans van de
eeuwige Vader, God en Schepper van alle dingen, is mens geworden, en belooft
alleen hun, die in Hem geloven, zaligheid der zielen. Wie in Hem gelooft, wordt
behouden, wie niet in Hem gelooft, moet na dit leven het eeuwige verderf
lijden. Ik acht het niet, dat dit lichaam vergaat, dat immers van nature
bestemd is om te vergaan, maar ik zie alleen op het loon dat de standvastige
bereid is. 'Veracht, o verstandige mensen, wat vergaat, en jaagt naar de
toekomende heerlijkheid, die eeuwig duren zal."
Toen Romanus het volk aldus aansprak en onderwees, beval de rechter, dat men hem de wangen zou opensnijden, "opdat hem," zei hij, "de spraak benomen worde." Terstond werd dit bevel door de beul volbracht. Doch Romanus zei, terwijl deze marteling aan hem volbracht was: “Ik behoorde u wel te danken, o rechter, dat gij mij zeer behulpzaam bent; want één mond was niet genoeg om de naam van Christus te verkondigen. Zie, gij opent mij vele monden, en elke mond spreekt de lof des Heeren uit."
Over zodanige standvastigheid werd de rechter verbaasd, en beval het
pijnigen te staken, en zei: “Ik zweer bij het licht der zon, dat de dag van de
nacht onderscheidt, de jaren en tijden doet wisselen, dat ik u met vuur zal
verbranden, en aan deze uw hardnekkigheid een einde maken. Dit is immers een
zonderlinge verhardheid, zo hardnekkig vast te houden aan deze nieuwe leer;
want deze Christus is aan een galg gedood." Romanus zei: Ja dat is de
dood, waarvan onze zaligheid en verlossing komt. Maar zulk een sacrament en
verborgenheid is voor u onbegrijpelijk, die gij niet kunt of mag verstaan; en
Christus zegt ons, dat wij zulke parels niet voor de zwijnen zullen werpen,
opdat zij die met hun onreine voeten niet vertreden.
"Maar, aangezien gij zulke verheven redenen niet kunt begrijpen, laat
het ons dan aan de natuurlijke eenvoudigheid vragen, waarin geen verkeerdheid
of dubbelzinnigheid gevonden wordt. Geef ons een kind van zeven jaren, of
jonger, dat nog geen gunst of haat kent, en laat ons onderzoeken wat het kind
daarvan zegt. De rechter stond dit toe, en liet een kind uit het volk te
voorschijn brengen, en beval dat men hem zou ondervragen. “Jongske" dus
sprak Romanus het kind aan, "wat dunkt u, moet men Christus alleen dienen
en de Vader in Christus, of moet men vele andere goden aanbidden?" Het
kind begon te lachen en zei: Er is maar één God, want Christus is waarachtig
God, zo behoort men. Hem alleen te dienen. Wij kinderen kennen niet vele
goden." De tiran verwonderde zich, toen hij dit hoorde, en schaamde zich
dit kind te straffen, maar kon het nochtans niet ongestraft laten gaan.
Eindelijk vroeg hij het kind, wie het dit geleerd had. Het kind antwoordde hem:
"Mijn moeder." "Breng de moeder hier," gebood Asclepiades,
opdat zij de straf zie van het kind, dat zij bedorven heeft." Toen het hij
het kind de klederen uittrekken en derwijze geselen, dat ieder er hardzeer van
had; maar de moeder zag het onbewogen aan. Toen het kind aldus gepijnigd werd,
riep het tot de moeder om drinken. De moeder vertroostte het en zei: "Wees
welgemoed, mijn zoon, u is de fontein des levens bereid. Drink nu de kelk, die
zovele kinderen te Bethlehem gedronken hebben." Daarna beval Asclepiades
de rechter, dat men het kind in de gevangenis zou zetten, en dat men Romanus
andermaal zou pijnigen, en gebood, dat men een vuur zou aanleggen, waarin men
hem zo spoedig mogelijk moest verbranden. Doch Romanus zei: Ik beroep mij op
een hogere rechtbank; en ik beroep mij over dit vonnis op Christus, niet uit
vrees van te sterven, maar opdat gij zoudt weten, dat gij met vonnis niets
vermoogt." Daarop beval de tiran dat men het kind zou onthoofden en
Romanus verbranden. Vervolgens droeg de moeder haar kind naar de gerichtsplaats
en kuste het. Terwijl de beul het kind onthoofdde, zong zij de Heere een
lofzang: "Kostelijk is in de ogen des Heeren de dood zijner
gunstgenoten."
Aan de andere zijde van het plein was een groot vuur aangelegd, waarin pek
en zwavel geworpen was, opdat het des te beter zou branden, en Romanus werd aan
een paal gebonden en in het vuur geworpen. Onverwachts viel er een zware
regenbui, die het vuur derwijze uitbluste, dat het niet weer kon aangestoken
worden. Toen men dit de rechter berichtte, werd hij woedend en zei: "Hoe
lang zal ons deze tovenaar betoveren en bespotten? Al zou ik hem ook laten
onthoofden, zo zal het mes misschien ook zijn scherpte verliezen. Maar ik zal
dit onderzoeken door een deel zijns lichaams af te snijden."
Hij liet daarom de chirurgijn halen, die hem in de eerste plaats de tong
uit de keel moest snijden, “waarmee hij zo schandelijk," zei de rechter,
de goden en vorsten gelasterd heeft." Romanus stak vrijwillig de tong uit,
en liet haar, de grootste standvastigheid aan de dag leggende, uitsnijden. Toen
dit geschied was, deed de rechter Romanus naar de afgoden brengen, opdat hij
die ter ere zou offeren, daar hij nu wist, dat hij tegen de goden geen
lastering kon uitspreken. Bij de rechterstoel werd een altaar opgericht, waarop
vuur, wierook en varkensvet ontstoken werden. Toen Romanus daar heen geleid
werd en al deze toebereidselen zag, blies hij er op, alsof hij de duivel zag.
Aselepiades lachte er om en zei: "Wel, kunt gij nu ook de goden lasteren
zoals gij vroeger gedaan hebt? Spreek op, nu mag gij vrijmoedig spreken als u
kunt." Rornanus zuchtte enige malen, begon eindelijk te spreken en zei het
volgende: “Hun, die Gods lof verkondigen, zullen mond noch tong ontbreken. Men
heeft geen tong nodig, waar God, die aan hen kracht en geluid geeft, geprezen
wordt. En ofschoon gij Zijn macht niet kent, zo weet nu, dat Hij een Heere is,
Die over de natuur heerst, Die haar geschapen heeft; en deze kan Hij
verandering doen ondergaan, wanneer het Hem belieft. Op het water liep Hij als
op de vaste aarde, de blinden maakte Hij ziende, de doven horende, de kreupelen
wandelende; en, wat gij ook aan mij kunt zien, de stomme sprekende. Dat dit
geen fabelen zijn, ziet gij voor uw ogen aan mij." De tiran verschrikte,
en verbaasde zich over het wonder, en wist niet, wat hij zeggen zou. Eindelijk
verweet hij de chirurgijn, dat hij in deze zaak bedrieglijk gehandeld had.
Maar, toen de chirurgijn zich verontschuldigde, en voorstelde om dit te
onderzoeken, liet Asclepiades de vromen getuige van Jezus Christus weer in de
gevangenis werpen, waar hij met een strop verwurgd werd. Op deze wijze eindigde
Romanus standvastig blijvende in de belijdenis van Christus, zijn leven.
Men vindt nog vermeld, dat in het derde jaar van de vervolging gedood zijn,
en wel te Cesaraea, zekere Lucius, een jongeling van 20 jaren, die in de zee
werd geworpen, voorts Dorothea, een maagd, die onthoofd werd, eindelijk, Demetrius,
die als landvoogd een vervolger was, doch later een Christen en martelaar werd.
Wij wenden ons nu naar het Westen.
Te Rome werd op de 11e Februari om het christelijk geloof onder vele
pijnigingen eindelijk met het zwaard omgebracht zekere Soteris, een zeer edele
en schone maagd daar.
Agnes, een Romeins meisje van 13 jaren, onderging om de naam van Christus,
en wel onder de stadhouder te Rome, Symphorianus genaamd, de marteldood.
Julitta, die de stadhouder des keizers aanklaagde, omdat hij haar al haar
bezittingen had ontnomen; doch zij werd door de rechter als niet ontvankelijk
in rechten verklaard, omdat zij weigerde de goden des keizers te vereren. Men
stelde haar voor, dat zij gehoord zou worden wanneer zij de christelijke
godsdienst wilde verzaken. Zij verklaarde, dat zij liever al haar bezittingen,
ja zelfs haar leven verloor, dan God te lasteren. In weerwil dat enige vrienden
en vriendinnen haar tot afval zochten te bewegen, werd zij standvastig
blijvende, levend verbrand.
In de vervolging, door Diocletianus en Maximinus begonnen, en die op
buitengewoon wrede wijze plaats had, onderscheidde zich vooral Calerius
Maximianus, die haar op ontzettende wijze voortzette. Door de stadhouders
Peucetius, Quintianus, Theotecus en anderen liet hij de Christenen zeer wreed
mishandelen. Zij werden levend verbrand, aan de wilde dieren voorgeworpen om
vernield te worden, aan kruisen genageld, in grote menigte in de zee
verdronken, met de hongerdood in de gevangenis gestraft, onthoofd, handen en
voeten afgehouwen en aldus in het leven gelaten, terwijl het genade moest
heten, wanneer zij in de grootste ellende bleven verkeren, en van al hun
bezittingen beroofd werden.
Onder anderen werden er omgebracht:
Silvanus, bisschop te Emesa, een stad bij Apamea, in Syrië, werd, met vele
anderen, aan de wilde dieren ter verslinding voorgeworpen.
Januarius, bisschop te Benevento, Sosius, diaken van de gemeente te Miseno,
Proculus, diaken te Puzzoli, en Acutius werden samen onthoofd.
Pelagia, een jonge dochter, werd in een gloeiende oven gesmoord.
Theonas en zijn vriendinnen Cyrenia en Juliana, werden op andere wijzen van
het leven beroofd.
Aurelius Maxentius was keizer geworden, en evenaarde zijn vader Herculius
in wreedheid, zodat hij vele voortreffelijke en aanzienlijke mannen van hun
bezittingen en hun leven beroofde. Nu en dan steeg zijn woede zo hoog dat hij
een groot aantal burgers te Rome aan zijn soldaten gaf, om als in een
schouwspel door ben vermoord te worden. Hij gaf zich in erge mate aan de
wellust over, en onderwierp vele eerbare vrouwen en jonge dochters, die hij met
kracht en geweld in zijn macht gekregen had, aan zijn bozen en onverzadelijke
wil, en zond die, na haar onteerd te hebben, weer naar haar mannen of het
ouderlijk huis. Hij gaf zich ook veel af met allerlei soort van toverij en
duivelse kunsten. In het begin van zijn regering gaf dit dierlijk mens zich
evenwel voor een Christen uit, en gebood, dat men de vervolging van de
Christenen zou staken, terwijl hij nochtans geen middelen onbeproefd liet, om
hen te kwellen en verdriet aan te doen. In het 1e jaar van zijn regering
stierven de marteldood Theodosia, een maagd van omtrent 18 jaren die in de zee
werd verdronken, en Pamphilius, die na vele pijnigingen in de gevangenis van
het leven werd beroofd.
De geschiedenis meldt ons, dat in het 6e jaar van de vervolging, om het
christelijk geloof, werden omgebracht:
Antonius, kerkedienaar.
En die buiten kerkelijke dienst waren:
Paulus Zebinas, Germanus, Mennas en Hermogenus, beiden stadhouders in
Egypte.
Voorts, Victor, van Mauritanië, die, terwijl hij werd weggeleid om te
sterven, aan de soldaten opdroeg, om Maximianus die de handen weer naar de
keizerlijke kroon uitstak, aan te zeggen, dat hij weldra zou sterven, wat ook
gebeurde.
In dit jaar werden ook nog van het leven beroofd:
Valentina, te Cesarea, en Ennathas, beiden maagden; zo ook Katharina, een
jonge dochter te Alexandrië, die na vele martelingen de 25e november werd
onthoofd.
In het 71e jaar van de vervolging, aldus meldt men, werden, om de naam van
Christus, ter dood gebracht.
In Palestina, Pamphilius, kerkedienaar te Cesarea, en twaalf anderen; zo
ook Biblis, en Aquilina, een meisje van twaalf jaren; voorts Fortunata, een
maagd te Cesarea, en Procopius.
In Plirygië, en wel in de stad Laodicae: Artemon, kerkedienaar, insgelijks
Throphimus en Tholus.
In Illyrië: Quirinus, bisschop te Scesca.
In Pannonië te Spalato: Felix
In Thracië, in de stad Drusipara: Alexander.
In Griekenland: Maximus, Quintilianus, Dada, Theodorus, Oceanus, Ammianus,
Julianus, Eusebius, Neon, Leontius, Longianus en anderen.
Cyrus, een geneesheer in de stad Alexandrië, en Johannes. een krijgsman,
die zich enige tijd in een verborgen plaats hadden opgehouden, vernamen dat
Athanasia, een christelijke vrouw, en haar drie dochters, Theoctiste, Theodora
en Eudoxia, wegens het geloof in groot gevaar en ongelegenheid verkeerden,
gingen tot haar, en vermaanden haar tot standvastigheid. Om deze daad werden
zij gevangen genomen, en, daar zij weigerden aan de afgoden te offeren, allen
tegelijk onthoofd.
De geschiedenis meldt ons, dat in dit jaar, om de christelijke godsdienst,
werden omgebracht:
In Egypte. Petrus, Nilusen Patermythius, die allen verbrand werden.
Nog veertig anderen werden onthoofd.
In Phrygië, werd zekere stad met alle inwoners, zowel bestuurders als
onderdanen, die allen de christelijke godsdienst beleden, en volgens Romeinse
wijze aan de goden wilden offeren, nadat zij rondom was ingesloten, door de
Romeinen verbrand. Een der voornaamste bewoners van deze stad was de hofmeester
van de keizer, Adactus genaamd, die zeer hoge posten bekleedde. Hij was zeer
standvastig, en als het hoofd en de leidsman van de anderen, ontving hij met de
overigen de kroon der martelaren.
In Syrië, in de stad Antiochië: Antonius, kerkedienaar, Julianus,
Anastasius en andere voortreffelijke personen; voorts Martionilia en haar kind
Celso, Euphrateisa, zeven gebroeders en vele anderen.
In Bithynië, in de stad Nicomedië: Bassilissa, een meisje van 9 jaren, die
de smarten van de slagen, het vuur en de wilde dieren doorstond, en, nadat zij
haar gebed tot God had opgezonden, haar ziel aan God offerde.
In Egypte werden Petrus, bisschop te Alexandrië, Faustus, Didius, Ammonius,
ouderlingen, benevens vele andere bisschoppen, ten getale van drie honderd, om
het christelijk geloof, op de 28e november omgebracht.
“Isidorus Xenodochus verhaalde mij," zegt Palladius, “een zeer
merkwaardige geschiedenis, die hij verklaarde uit de mond van de zaligen
Antonius gehoord te hebben, van een zeer schone jonge dochter, die ten tijde
van keizer Maximianus, toen hij de christelijke gemeente vervolgde, dienstbaar
was bij een wellustigen heer, die haar menigmalen, doch tevergeefs, tot ontucht
zocht te verleiden. Uit wraak gaf hij haar, onder vreselijke woede aan de
stadhouder te Alexandrië over, en beschuldigde haar, dat zij een Christin was,
daar zij om de vervolging en de pijnigingen, die de keizer de Christenen
aandeed, de keizers lasterde en vloekte. Hij beloofde de stadhouder een grote
som geld, indien hij haar bevreesd kon maken, en zei: Als gij haar weet te
overreden, zodat zij aan mijn wil gehoorzaamt, bewaar haar dan en straf haar
niet. Maar, indien zij hij haar reinheid hardnekkig volhardt, straf haar dan
met de dood, opdat zij, in het leven blijvende, mijn onkuisheid niet
verachte."
Toen deze standvastige dienstmaagd voor de rechterstoel van de stadhouder
gebracht was, werd zij met verschillende werktuigen op onmenselijke wijze
gepijnigd, doch zij bewaarde haar hart tegen alle aanvechtingen des vleses en
was onbeweeglijk als een rots. Onder de pijnigingen, door de rechter uitgedacht
om haar aan te doen, was er een, die de andere in wreedheid te boven ging. Hij
liet, namelijk, een groten ketel met pek vullen, en een groot vuur daar onder
aanleggen, zodat het pek gloeiend heet werd en kookte. Vervolgens zei de tiran:
Ga heen, en wees aan de wil van uw meester onderdanig, of ik zal u in de ketel
met kokend pek laten werpen." Zij antwoordde daarop: "Het zij ver,
dat gij zulk een onrechtvaardig rechter zoudt zijn, om mij te dwingen aan de
wellust en de onkuisheid van mijn meester te gehoorzamen." Om deze woorden
vertoornde de rechter zich derwijze, dat hij de beulen gebood, dat zij haar
geheel moesten ontkleden en in de ketel smoren. Tot een bewijs van haar moed,
riep zij de rechter met luide stem toe: “Ik bid u, zo lief gij de keizer hebt,
die gij met eerbied vreest, als het uw voornemen is, mij op deze wijze te doden
gebied dan, dat men mij niet terstond geheel, maar langzamerhand in de ketel
met kokend pek laat neerdalen, opdat gij zien mag hoe grote lijdzaamheid mij
Christus gegeven heeft, die gij niet kent." Men liet haar dan ook zeer
langzaam, gedurende een uur gedurig wat lager met de voeten benedenwaarts in de
ketel neer, en zij overleed eerst toen het gloeiend pek haar mond bereikte.
Chrysogonus, een Romein en onderwijzer van een edele Romeinse dochter,
Anastasia genaamd, werd ook, om de christelijke godsdienst, van het leven
beroofd. Anastasia, die, tegen haren wil, door haar ouders aan zekere Publius,
een vijand van de christelijke godsdienst, uitgehuwelijkt was, weigerde bij hem
te blijven, reisde naar Aquila, en onderging daar met nog vier andere maagden
een vreselijk lijden.
Anysia, een meisje te Thessalonika, uit rijke en ook christelijke ouders
geboren, werd daar in de tempel gedood, en wel tijdens Maximianus door zeker
bevel aan ieder vrijheid had gegeven de Christenen, waar men die ook ontmoette,
dood te slaan.
In deze stad bezegelde Demetrius, een voortreffelijk en ijverig leraar, de
waarheid van het evangelie met zijn bloed.
Men leest ook nog, dat in het 9de jaar van de vervolging omgebracht werden
Theodorus, een bisschop, Philemon en Cyrilla.
In het 10e jaar van de vervolging werden ook onderscheiden personen, meest
allen in het Oosten, omgebracht, wegens het christelijk geloof.
Lucianus, een ouderling te Antiochië, was een zeer godzalig, welsprekend en
geleerd man en bovenal geoefend in de Heilige Schrift. Te Nicomedië, waar
keizer Maximianus en ook de vorige Oosterse keizers hun verblijf hielden, werd
hij door de stadhouder gevankelijk binnen gebracht. Op uitstekende wijze
verantwoordde hij zich daar mondeling, en bezegelde later zijn geloof met zijn
bloed.
Toen hij voor de rechterstoel stond, vroeg de rechter hem: "Lucianus,
aangezien gij zulk een verstandig en wijs man bent, waarom volgt gij dan de
sekte, waarvan gij toch geen reden kunt geven? Of indien gij er reden van geven
kunt, laat ons die dan horen. Toen men hem verlof gaf om te spreken, gaf hij van
zijn geloof op de volgende wijze rekenschap:
"Het is bekend, dat wij een God vereren, Die ons door Christus
verkondigd is, en door de Heilige Geest aan ons hart verzegeld. Want, wij zijn
door geen menselijke woorden, zoals gij denkt, of door de gewoonten onzer voorouders
tot dwaling gebracht. God zelf is onze Leermeester. De godheid en Zijn hoge
majesteit kunnen door geen menselijk verstand begrepen worden, zo die niet door
de kracht van de goddelijke Geest en door de schriftmatige uitlegging van Zijn
Woord en van Zijn wijsheid verklaard worden. Ik beken gaarne, dat wij in
vroeger tijden gedwaald hebben, en beelden gediend, die wij met onze eigen
handen hadden gemaakt, denkende dat zij de hemel en de aarde geschapen hadden;
maar hun vergankelijkheid en de eer, die hun door ons werd aangedaan, bewezen
het ons geheel anders. De almachtige God, die niet door mensenhanden gemaakt
is, maar wiens maaksel wij zijn, verdroot het zeer, dat de mensen zo dwaalden.
Daarom zond Hij Zijn eeuwige Wijsheid van de hemel in het vlees, opdat wij God
zouden leren kennen, en Hem, Die de hemel en de aarde geschapen heeft, niet in
voorwerpen door mensenhanden gemaakt, maar in de onzichtbare eeuwigheid zouden
zoeken. Deze heeft ons wetten en geboden voor het leven gegeven, dat wij matig
zouden zijn, in armoede ons verblijden, zachtmoedigheid, geduld en
eenvoudigheid van het hart zouden beminnen en leren lijden.
"Alles wat gij nu in woede aan ons doet, heeft Hij Zelf voorzegd, dat
ons zou overkomen; dat wij voor koningen zouden worden geleid, voor
rechterstoelen gesteld en als slachtvee zouden gedood worden. Daarom heeft Hij
ook, Die als het Woord en de Wijsheid des Vaders onsterfelijk was, Zichzelf
overgegeven in de dood, opdat Hij ons in Zijn lichaam een voorbeeld van
lijdzaamheid zou geven. In de dood is Hij niet gebleven, maar ten derde dage
weer uit de doden opgestaan. Hij stierf niet, zoals de valse, leugenachtige
gerechtshandel van Pilatus zegt, waarin Hij van kwaad wordt beschuldigd, maar
onschuldig, onbevlekt en rein. Alleen daarom stierf Hij, opdat Hij de dood door
Zijn opstanding zou overwinnen. Wat ik zeg, is niet in ’t geheim geschied, en
het heeft geen getuigen van node. Bijna het grootste gedeelte der wereld weet,
dat het waarachtig is, ja gehele steden, plaatsen en vlekken bekennen het. En,
wilt gij die nog niet geloven, roept de plaats, waar het geschied is, tot
getuige. Jeruzalem getuigt het en de gescheurde steenrots van Golgotha, ook de
grafspelonk, die zijn lichaam levend teruggaf. Of meent gij, dat de aardse
dingen niet voldoende zijn om het te staven, neemt dan de hemel tot een getrouw
getuige. De zon bekende het, die deze dingen op de aarde door de goddelozen zag
geschieden, en haar licht op aarde verdonkerde. Zoekt in uw jaarboeken, en
daarin zult gij vinden, dat, ten tijde van Pilatus, toen Christus leed, het
licht door de verduistering der zon was geweken.
"Maar blijkt het nu, dat gij de getuigenis der aarde, van de hemel en
het bloed niet aanneemt in de dingen, waarvan gij de waarheid door pijnigingen
onderzoekt, hoe zult gij dan mijn woorden en het bewijs er van geloven?"
Toen deze vrome martelaar met zulke woorden het volk langs hoe meer tot
zich begon te trekken, werd hij terstond in de gevangenis geworpen, en daar, om
geen opstand onder het volk te verwekken, ter dood gebracht.
Pantaleon, een wijd beroemd geneesheer in de stad Nicomedië en daarom door
keizer Maximianus hoog geëerd, beleed voor hem, dat hij een christen was,
waarom hij velerlei onmenselijke wreedheden, om de naam van Christus, moest
verduren. Toen hij door het werpen in een ketel niet gesmolten lood en in het
water met een zware steen aan de hals niet kon gedood worden, noch door de
wilde dieren, waarvoor hij geworpen werd, verscheurd, werd hij eindelijk na
vele voorafgaande martelingen, onthoofd. Op zijn lijdensbaan had hij tot
metgezellen Hermolaüs, een voortreffelijk belijder van Christus, Hernippus en
Hermocras, die op gelijke wijze de martelaarskroon ontvingen.
Aan Eugenius, daar hij de goddeloosheid der heidenen openlijk bestrafte,
werd de tong uitgesneden, handen en voeten werden afgehouwen, en alzo eindigde
hij zijn aardse leven.
Auxentius, een diaken in de gemeente der Auracenen, in Azië, werd onthoofd.
Maodatius werd bij de tenen opgehangen en met gloeiende priemen doorboord,
verder, met fakkels verbrand zijnde, van het tijdelijke leven beroofd.
Juliana, een zeer schone maagd te Nicomedië, die het huwelijk afsloeg met
een raadsheer, Eleusus genaamd, omdat hij een afgodendienaar was, werd ook, na
verscheidene martelingen om de naam van Christus ondergaan te hebben, om het
leven gebracht.
Fausta, een maagd te Cyrene, die van rijke ouders geboren was, werd om haar
christelijke belijdenis, door Eulasius, een opziener van het paleis des
keizers, gevangen genomen. Door haar standvastigheid echter, zelfs temidden van
vele zeer wrede martelingen, bekeerde zij Eulasius tot Christus, en daarna ook
de stadhouder Maximinus. Later werden deze drie als martelaren omgebracht.
De geschiedenis maakt nog melding van zeer vele martelaren, die, om de
getuigenis van Jezus Christus, in deze wrede vervolging door de Romeinse
keizers op verschillende wijzen werden omgebracht, en wel in onderscheiden
landen en koninkrijken, die wij echter, om niet in een te grote uitvoerigheid
te vervallen, alle niet zullen vermelden. Naar onze overtuiging zijn de boven
beschreven genoeg, om ieder de onmenselijke tirannie en wreedheid te tonen,
door de heidense keizers jegens de vrome christenen en oprechte belijders der
christelijke waarheid gepleegd.
Na de boven vermelden tijd genoten de christenen weer rust door
Constantijn, die de keizer en tiran Maxentius en zijn gehele legermacht ten
onderbracht en de christenen grote gunst bewees. Licinius evenwel, zijn
medebestuurder in het rijk, gaf zich gedurende enige tijd wel voor een christen
uit, maar legde later dit masker af, en gaf zich in het openbaar aan afgoderij
over. Hij vervolgde toen op zeer wrede wijze de christenen, deed hun dagelijks
geduchte pijnigingen aan, en het hen op velerlei wijzen ter dood brengen. Maar
de almachtige God, Die de Zijn met ten enenmale verlaat, en de kwaden naar
verdiensten straft, bestuurde het, dat keizer Constantijn de overwinning op hem
behaalde, en hem eindelijk geheel ten onder bracht. Keizer Constantijn, nu
alleen keizer geworden zijnde, wendde terstond alle middelen aan om het Rijk
van Christus uit te breiden, en de afgoderij, niet alleen, waar hij door zijn
macht zulks doen kon, maar ook hij alle andere vorsten en volken, uit te
roeien.
In dezen tijd gingen de Indianen en de bewoners van Armenië tot het
Christendom over, terwijl ook de Perzen tot Christus werden bekeerd. Maar,
aangezien zulk een overgang zonder vervolging en bloedstorting, in deze tijden
niet goed kon plaats hebben, zette de satan de wijzen, Magiërs genaamd, en
Joden tegen de christenen op, die met leugen, zoals hij vanouds gewoon is,
Simeon, een opziener der gemeenten te Seleucië en Ctesiphon, bij de Tiger, bij
de koning Sapores beschuldigde, dat hij een vriend was van de Romeinse keizer
en hem de geheimen van het rijk openbaarde. Sapores, die aan de beschuldiging
geloof sloeg, bezwaarde de christenen met drukkende belasting en liet de
godvruchtigen Simeon, in ketenen geklonken, tot zich brengen. Toen nu Simeon
binnen geleid was, en zich onbevreesd aanstelde, gebood de koning hem, dat hij
de zon zou aanbidden, en beloofde hem, wanneer hij dit deed, met grote eer en
rijkdom te zullen overladen; maar, wanneer hij bleef weigeren, zou hij en al de
christenen gedood worden. Toen Simeon volstandig bleef, hield hij hem gevangen,
terwijl hij hoopte hem na verloop van tijd te buigen en daartoe te bewegen.
Toen hij naar de gevangenis geleid werd, zag hem Ustazades, de leermeester
des konings, en toen opzichter over het koninklijk paleis. Deze stond op en
boog zich voor Simeon neer; doch Simeon wendde zich met verachting van hem af,
en wel omdat Ustazades eenmaal christen geweest was, maar, toen hij met geweld
was gegrepen, zich voor de zon had neergebogen. Na deze bejegening weende
Ustazades zeer, en terwijl hij zijn prachtgewaad aflegde, trok hij rouwklederen
aan, en plaatste zich al zuchtende en wenende naast het paleis des konings.
"Och," zuchtte hij, "hoe zal God nu goed jegens mij zijn, die ik
verzaakt heb, nu Simeon, mijn goede vriend, mij niet wilde toespreken, en met
gramschap van mij geweken is”. Toen koning Sapores dit vernam, liet hij hem
roepen, en vroeg hem naar de oorzaak van zijn droefheid, en onderzocht of er
ook een ongeluk in zijn huis had plaats gehad. Ustazades antwoordde: "O
mijnheer koning, in mijn aardse huis is geen ongeluk voorgevallen; maar voor
hetgeen mij nu wedervaren is, wenste ik wel, dat mij ander leed geschied ware!
Ik ween, omdat ik nog leef, daar ik reeds sedert lang had moeten gestorven
zijn, omdat ik op uw bevel, tegen mijn gemoed, de zon heb aangebeden. Het is
daarom billijk, dat ik sterf, want ik heb Christus verzaakt en u
bedrogen." Terwijl hij dit zei, zwoer hij bij de Schepper van de hemel en
der aarde, dat hij zijn belijdenis niet intrekken zou. Koning Sapores
verwonderde zich over de vrijmoedigheid van deze man, en verbitterde jegens de
christenen in hoge mate, alsof hij daardoor de lieden als het ware had kunnen
betoveren. Eindelijk, na veel smeken en bidden, na schone beloften, en veel
bedreigingen, beval de koning de oude man, die hem en zijn vader zo lange tijd
gediend had, te doden. Toen Simeon dit vernam, dankte en loofde hij God
daarvoor. De andere dag liet de koning hem het hoofd afslaan; met hem werden
nog honderd anderen op dezelfde dag gedood. Simeon onderging zijn straf het
laatst, opdat hij de dood van de anderen zien zou. Hij versterkte hen met de
hoop op de toekomstige opstanding, en met het onvermengd genot der
godzaligheid, dat hij krachtig met de Schrift bewees, zeggende: "Alzo te
sterven is een waarachtig leven, maar God te verzaken is een gewisse dood. Al
worden wij ook door niemand gedood, wij moeten toch eens sterven; want dit is
het einde van allen, die geboren zijn en leven. Daarna volgt de eeuwigheid, die
voor ieder echter niet hetzelfde wezen zal, want ieder ontvangt loon naar wat
hij gedaan heeft, hetzij goed, hetzij kwaad. Onder alle schatten is er geen
beter of zaliger dan te sterven voor de naam van God." Onder deze
toespraak van Simeon, waardoor hij de martelaren voor Christus' naam zeer in
het geloof versterkte, gingen zij moedig de dood te gemoed. Eindelijk kwam de
beul tot Simeon, Abedachaäla en Ananias, welke beiden ook met Simeon gevangen
genomen waren. Bij hen stond een man, Piscius genaamd, die opziener was van het
paleis des konings. Deze zag dat Ananias beefde toen hij gedood zou worden, en
zei tot hem: "0 gij oude man, doe uw ogen een weinig toe en wees
onversaagd, want terstond zult gij de heerlijkheid van Christus zien. Toen hij
dit zei, werd hij terstond gevangen genomen, op wrede wijze hem de tong
uitgesneden en gedood. Zijn dochter werd evenzeer aangeklaagd, dat zij een
christin was, gevangen genomen en ter dood gebracht.
De geschiedenis meldt, dat daar op onderscheiden wijzen, meer dan zestien
duizend christenen werden omgebracht, zodat keizer Constantijn hem in een
uitvoerig schrijven op het hart drukte, zulke wreedheden jegens de christenen
te staken.
[JAAR 480.]
De christenkeizer Constantijn, zoon van Helena, liet in het jaar 330 de
stad Byzantium verfraaien en vergroten en naar zijn naam noemen Constantinopel
en nieuw Rome. Derwaarts bracht hij de zetel van het Romeinse rijk over, en
vestigde zich daar, hetgeen aanleiding gegeven heeft tot de verdeling van het
Romeinse rijk. De opperkeizer had zijn zetel te Constantinopel, en werd keizer
genaamd van het Oosterse rijk; terwijl hij te Rome een medekeizer had, die men
keizer van het Westerse rijk noemde. Deze verdeling bleef voortbestaan tot de
tijd der koninklijke regering, zijnde het jaar 476 na Christus' geboorte.
Intussen waren sommige volken opgestaan en hadden zich onafhankelijk gemaakt,
zoals de Wandalen, Gothen, Franken, Longobarden en Herulen, die de keizer van
het Westerse rijk verdreven, Italië en Rome overweldigden en innamen, zodat
Zeno, keizer van Constantinopel, de geweldigen Odoacer met zijn wapenen niet
ten onder kon brengen wegens de kracht, waarmee hij zich in het Romeinse rijk
staande hield. Rome noemde hij naar zijn naam Odoacria.
In deze tijd waren ook de bisschoppen niet eensgezind onder elkaar, zij
gedroegen zich zeer twistziek en oproerig, terwijl de een de ander vervolgde en
verdreef. Ieder van hen wilde de voornaamste zijn. De les van Christus was
vergeten, Matt. 20, vs. 26. "Wie onder u zal willen groot worden, die zij
uw dienaar." Zij waren allen in erge mate aan eerzucht, overgegeven,
waarvan het gevolg was, dat er dwalingen .inslopen, en sekten, ketters, valse
profeten en verleiders opstonden. Wie zou gedacht hebben, dat het zout zo
spoedig smakeloos zou worden!
Men was er getuige van, dat Cyrillus, een geleerd man en bisschop te
Jeruzalem, twist kreeg met Achatius, bisschop te Ceseraea, in Palestina. Lucius
gebruikte geweld, om het bisdom van Alexandrië in handen te krijgen. Ursinus
benijdde Damaskus de bisschop te Rome. Deze allen waren, als het ware
voorlopers van de grote Antichrist, wiens pad door deze verkeerdheden gebaand
werd. De sekten, die nu ontstonden, deden veel kwaad, en vooral de Arianen, die
vele vorsten en voorname personen tot hun sekte verleidden. Toen keizer Valens,
door de invloed van zijn vrour, een aanhanger der Arianen geworden was,
verdreef hij vele rechtzinnige bisschoppen, en onder die Meletius van
Antiochië, Eusebius van Samosata, Pelagius van Laodicea, Barses van Edessa,
Evagrius van Constantinopel. De vervolging en de onderdrukking waren zwaar;
nergens was men vrij, overal heerste onuitsprekelijke benauwdheid. Toen de
keizer te Antiochië kwam, liet hij er velen doden. Van daar vertrok hij naar
Edessa, en terwijl hij daar vernam, dat meest al de inwoners een afkeer hadden
van het Ariaanse gevoelen, sprak hij daarover de stadhouder op hoogst verbolgen
wijze, onder het geven van slagen in het aangezicht, aan, en vroeg, waarom hij
dezulken niet uit de stad had verdreven. De stadhouder, die de keizer wilde
believen, en aan de anderen kant evenwel niemand doden of vervolgen, gebood
heimelijk, dat zich niemand moest aanmelden om als martelaar te lijden. Doch
dit baatte niet, want de volgende dag liepen de moedige christenen in grote
menigte naar de tempel, om daar, wanneer dit geëist werd, gedood te worden.
Onder anderen kwam de stadhouder tegemoet een arme vrouw, met haar zoontje aan
de hand. Op de vraag van de stadhouder, waar zij zo haastig naar toe liep, antwoordde
zij: Naar de plaats, waar ik mijn ziel en die van mijn zoon wil
opofferen." Toen de stadhouder dit hoorde en zeer ontsteld werd, deelde
hij het aan de keizer mee, en zei, dat het een wrede en onmenselijke zaak zou
zijn, zulk een grote menigte, in zo korte tijd, om te brengen. De keizer
verwonderde zich hierover, en was dermate bewogen, dat hij gebood zijn wreed
bevel niet ten uitvoer te brengen.
Toen nu, zoals verhaald, de onbeschaafde naties de overhand verkregen, en
vele landen en steden verwoestten, dat als een zekere roede en straf van de
almachtige God was aan te merken, begon de Antichrist zich hoe langer hoe meer
macht aan te machtigen. Tevoren was er aangaande hem voorzegd, dat hij uit de
bisschoppen of opzieners der gemeenten zou voortkomen, zoals Paulus zegt, Hand.
20, vs. 30, en Johannes in Zijn 1e brief, Hoofdst. 2, vs. 19. En wat door de
Heilige Geest voorzegd is, moet vervuld worden. Daarom willen wij dit uit de
oude geschiedenis wat nader meedelen.
Tijdens het bestuur van Odoacer te Rome, zoals wij boven verhaald hebben,
begon het verborgen werk van de Antichrist zich te openbaren. In het jaar 480
namelijk, verzocht Acbatius, bisschop van Constantinopel, aan Simplicius,
bisschop te Rome, dat hij Petrus. bisschop te Alexandrië, in de ban zou doen.
Daaruit ontstonden dadelijk twisten over de macht van de stoel te Rome,
namelijk, of hij de voornaamste was, en het Hoofd der bisschoppen, welke
twisten lange tijd onder de bisschoppen hebben geheerst. De andere bisschoppen,
opvolgers van Achatius, waren daarmee niet tevreden, maar begeerden, dat men de
bisschop van Constantinopel, waar de zetel des keizers was, als de voornaamste
en algemene bisschop zou erkennen.
Toen eindelijk Phocas door verraad en moord zich meester van het keizerrijk
gemaakt had, verlangde Bonifacius de derde, dat de stoel te Rome de opperste
zou genoemd worden boven alle bisschoppen der gehele christenheid en het hoofd
der gemeenten; wat hem werd toegestaan en vergund.
Bedenk toch, van wie de pausen hun macht ontvangen hebben, namelijk van
zulk een, die keizer Mauritius,zijn heer en meester, vermoord had. Tot die tijd
placht men geen bisschoppen te Rome in hun ambt te bevestigen dan alleen met de
wil en de toestemming van de keizer; van daar dat zij niets belangrijks tegen de
keizer durfden ondernemen. Maar zij rustten niet, totdat deze bevestiging was
afgeschaft, hetwelk in het jaar 670 plaats had. In deze tijd regeerde
Constantinus de vierde als keizer, die aan Benedictus de tweede, bisschop te
Rome, de vergunning gaf, dat, wie door de geestelijkheid en het volk te Rome
tot bisschop gekozen werd, door ieder als het hoofd en de stedehouder van
Christus zou erkend worden, zonder enige keizerlijke aanstelling af te wachten.
Na verloop van tijd gaf dit de bisschoppen van Rome zulk een macht, dat hun
invloed en gezag voor koningen en keizers geducht geworden zijn.
Omtrent veertig jaren daarna, begonnen zij zich tegen de keizer te
verzetten en hun macht te tonen; want paus Constantinus liet beelden schilderen
in het portaal van de St. Pieterskerk, waar keizer Philippicus en de Griekse
bisschoppen zeer tegen waren. Enige jaren later, namelijk in het jaar 726,
gebeurde het, dat Leo Isaurus de derde, keizer te Constantinopel, die zeer
ervaren was in de Heilige Schrift, een edict uitvaardigde, om alle beelden uit
de kerken van zijn rijk te weren, en beval dit zelfs aan Gregorius de tweede,
bisschop te Rome. Hierdoor maakte zich de vrome keizer zo gehaat bij het
Italiaanse volk, dat het hem een beeldstormer noemde, en sommigen zelfs een anderen
keizer wilden kiezen. Dit was ook niet naar de zin van de bisschop te Rome,
want de hooghartigheid der bisschoppen in Italië kon zich met de keizer niet
verstaan. Het volk werd zelfs zo oproerig, dat Paulus, stadhouder des keizers,
te Ravenna, met zijn zoon door het volk gedood werd. Toen de keizer nog niet
ophield om het gebod Gods te gehoorzamen, dat Exod. 20, vs. 4 gebiedt:
"Gij zult u geen gesneden beeld, noch enige gelijkenis maken," deed
paus Gregorius hem in de ban, en hitste de Longobarden tegen de keizer op, die
tot nu toe steeds een stadhouder te Ravenna hadden, en nu Ravenna belegerden en
met geweld innamen, en alzo de macht en heerschappij van de keizer in Italië
verbraken. Luitprand, koning der Longobarden, wilde het gedeelte van Italië,
dat aan het rijk van Constantinopel was ontnomen, zelf bezitten, natuurlijk
tegen de zin van de paus; hij nam al de omliggende steden in, en belegerde
eindelijk ook Rome. Hulp en bijstand zocht de paus niet, zoals hij vroeger
deed, hij de keizer, daar hij hem wegens het verbod der beelden, in de ban
gedaan had. Hij zond nu boden tot Karel Martel, de opperhofmeester van het
koninklijk paleis in Frankrijk, en bad hem om bijstand voor Rome en de heilige
kerk. Karel voldeed daaraan, door Luitprand, die zijn vader en vriend was, met
vriendelijke woorden daarvan te doen afzien. Van die tijd af werd het Romeinse
rijk niet meer door de Grieken, maar door de Franken beschermd.
Na de dood van Karel Martel, werd Pepijn, zijn zoon, door de koning van
Frankrijk, tot dezelfde eer en waardigheid verheven; deze echter, geleid door
zijn hooghartigheid, beraamde middelen, waardoor hij het best Childerikus, zijn
koning, uit het rijk kon verdrijven. Hij verzocht dit aan het hoofd der kerk,
namelijk de paus, van wiens gunst, om de wil van zijn vader, hij zich verzekerd
durfde houden. Hij liet paus Zacharias vragen, wie meer waardig was koning te
zijn, hij, die alleen de titel droeg en het rijk met raad noch daad kon helpen,
of hij die al de zorgen van het rijk alleen droeg. Paus Zacharias verstond deze
slimme streek zeer goed, kende aan Pepijn de koninklijke eer toe, en achtte hem
waardiger koning van Frankrijk te zijn, dan Childerikus. Pepijn werd alzo
koning, en liet Childerikus, zijn koning en heer, naar een klooster voeren. En,
opdat de Franken Pepijn niet als een ontrouwe en meinedige zouden verwerpen,
ontsloeg de paus hem van de eed, die hij aan zijn vorst had gezworen, en gebood
de Franken, dat zij hem als koning zouden gehoorzamen. Dit geschiedde omtrent
het jaar onzes Heeren, 753.
Toen Constantinus de vijfde, zoon van Leo, keizer geworden was, riep hij te
Constantinopel een kerkvergadering samen, waarin uit de Griekse en Aziatische
gemeenten driehonderd acht en dertig bisschoppen verschenen, die onder andere
ook spraken over het maken, eren en aanbidden van beelden en overblijfselen van
heilige personen of zaken. Er werd uitgesproken, dat de verering en aanbidding
van beelden en overblijfselen van heilige zaken en personen loutere afgoderij
was, in strijd met Gods heilig Woord. Deze Synode of kerkvergadering werd
gehouden in het jaar onzes Heeren 755.
De keizer volgde zijn vader na met de beelden uit de tempels te doen
wegnemen, en zond het besluit van de kerkvergadering aan de paus en gebood hem,
dat hij de beelden zou doen wegruimen. De paus verklaarde zich echter
daartegen, en riep een andere kerkvergadering samen te Rome, waarin besloten
werd, dat men de beelden van God, van onze Zaligmaker Jezus Christus, van de
maagd Maria, van de Apostelen, en van andere heiligen moest vereren, en dat
hij, die deze algemene gewoonte en het getrouw gebruik verachtte, en de beelden
wegnam en vernielde, buiten de gemeenschap der heilige kerk zou gesloten
worden.
Na de dood van de keizer werd zijn zoon, als erfgenaam van het rijk, keizer
van Constantinopel, onder de naam van Leo de vierde. Tot echtgenote had hij een
edele, schone en zeer kundige vrouw, Irene genaamd, die hem een zoon schonk,
Constantinus de zesde geheten. Nadat Leo overleden was, eigende zij zich de
regering toe, omdat Constantinus nog te jong was om te regeren. Op verlangen
van de bisschop Theodorus liet zij het lijk van keizer Constantinus, haar
schoonvader, opgraven, in het openbaar verbranden en de as in zee werpen, omdat
hij in zijn leven de beelden had laten verwijderen, en de versierselen in de
kerken had laten wegnemen.
Zij riep ook een kerkvergadering samen te Constantinopel, waarin voorzitter
was de patriarch Tarasius, terwijl daar ook tegenwoordig waren de gezanten van
paus Adrianus, waar de zaak der beelden op heftige wijze werd besproken. De
patriarch en zijn aanhangers waren voor het gebruik der beelden, en Basilius,
bisschop te Ancyra, en sommige anderen er tegen. Na veel getwist, geschreeuw en
oproer, van de zijde van het volk, ging de vergadering eindelijk onverrichter
zake uiteen.
Omtrent twee jaren later riep de keizerin Irene, uit naam van haren zoon
Constantinus, andermaal een kerkvergadering bijeen te Nicea, waarin 350
bisschoppen verschenen. Eindelijk kreeg het gebruik der beelden, op aandringen
van paus Adrianus, de overhand, en werden die in alle Griekse kerken weer
ingevoerd en opgericht.
De wijze om die te vereren werd aldus beschreven:
God wordt u door dit
beeld geleerd,
Maar God zelf is het niet;
Aanschouw het toch, opdat gij eert
Met 't hart, wat u er in ziet.
Toen dit aldus besloten was, liet Irene bijna in alle kerken beelden en
schilderijen plaatsen, en hield niet eer op dit bijgeloof te bevorderen, dan
nadat haar zoon Constantinus zelf het keizerrijk aanvaardde. Aangezien hij zijn
vader in godzaligheid navolgde, zo liet hij weer alles wegwerpen, verbreken en
verbranden, wat zijn moeder had opgericht.
Toen dit in de Griekse landen voorviel, werd ook over het gebruik der
beelden in Spanje druk gesproken. In de stad Elvira, thans Granada genaamd, namelijk,
werd een kerkvergadering gehouden, waaraan negentien Spaanse bisschoppen en zes
en dertig priesters deelnamen. De voornaamste onder ben was, zegt men, zekere
Felix, bisschop te Aquitanië. Na vooraf gegane wijdlopige behandeling werd
besloten, de gelovigen te vermanen, dat zij alles in het werk moesten stellen,
om de beelden uit de huizen te weren; dat men ook in de kerken geen
schilderijen moest plaatsen, opdat niet aan de wanden zou geschilderd worden,
wat men vereerde en aanbad. Toen men dit besluit te Rome vernam, deed de paus
zijn best, dat men ook in Duitsland zich niet tegen de beelden zou verklaren,
waartoe hij zijn gezanten daarheen afvaardigde. Niettegenstaande deze voorzorg,
werd er toch door koning Karel de Grote te Frankfort een kerkvergadering bijeen
geroepen, waarin verschenen twee honderd vijf bisschoppen, uit Italië,
Frankrijk, Duitsland en andere landen. Er werd besloten, dat men de beelden
niet moest vereren noch aanbidden, terwijl ook tevens werd veroordeeld de
Kerkvergadering ten tweede male gehouden te Nyeala, daar men ontkende, dat zij
algemeen was, en dat zij de naam daarvan geenszins verdiende. Op deze wijze
werd in die tijd de verering en aanbidding van beelden verhinderd.
Omdat dit te Frankfort, in Duitsland, plaats had, beging Irene te
Constantinopel een wrede zaak. Daar zij zag, dat verworpen en verstoord werd,
wat zij met grote kosten en veel moeite opgericht had, overviel zij, op raad en
door verraad van sommige pausgezinden, haren zoon de keizer op listige wijze,
beroofde hem van de regering, liet hem de ogen uitsteken en in een akelige
gevangenis werpen, terwijl hij niet lang daarna van hartzeer en smart stierf.
Dit overkwam hem alleen van die wreedaards, welke bij wilde dieren kunnen
vergeleken worden, omdat hij het gebod des Heeren, om de beelden neer te
werpen, gehoorzaamde. In die tijd zoals Eutropius verhaalt, was de zon
zeventien dagen achter elkaar verduisterd, en gaf haar schijnsel niet, zodat de
schepen op zee verdwaalde, terwijl ieder zei, dat dit geschiedde omdat de
keizer van zijn ogen was beroofd. Deze afgodische lieden werden echter door dit
wonder niet verschrikt, maar gingen in hun boosheid voort. Dit geschiedde
omstreeks het jaar van onze Zaligmaker 797.
In deze onrustige tijd beging Leo de derde, paus te Rome, een zeer stoute
daad, en gaf de keizerlijke kroon van het Romeinse rijk, die vroeger de keizer
van Constantinopel toebehoorde, aan de Fransen over, aangezien de bewoners van
Constantinopel, om het niet toelaten van beelden in de kerken, door de paus in de
ban waren gedaan. Men kan echter wel aannemen, dat deze verwisseling niet
plaats bad zonder toelating, van keizerin Irene, daar de paus graag een
huwelijk gesloten zag tussen Karel. de Grote en Irene. Dit zou ook geschied
zijn, zo het niet ware verhinderd door Betius, de raadsheer, en Nicephorus, de
veldheer der Grieken. Deze beschuldigden Irene, en overwonnen haar, dat zij het
rijk verraderlijk aan de Fransen wilde afstaan, waarom zij te Lesbos gevangen
genomen werd. De Grieken verkozen Nicephorus tot keizer; doch door de Romeinen
en in de Westelijke landen werd hij niet als keizer erkend, terwijl deze koning
Karel de Grote tot zich riepen, hem tot keizer verklaarden, en beweerden, dat
hij door God was gekroond.
Ten gevolge der overgave van het keizerrijk aan de Fransen door het bedrijf
van de paus, ontstond er grote haat tussen de Grieken en de Romeinen, waardoor
de Saracenen en daarna de goddeloze Turken zeer machtig werden. Want ofschoon
de keizers van Constantinopel, Nicephorus, Michaël en Leo met Karel vriendschap
zochten aan te knopen, vertrouwden de Grieken de Fransen echter niet. De
Fransen hielpen ook de Grieken niet, toen zij door de Saracenen overvallen en
onderdrukt werden, zorgende indien de Grieken de overhand kregen, en geen
andere vijanden hadden, dat zij hun macht niet zouden aanwenden tegen de
Fransen, teneinde het Romeinse rijk weer in handen te krijgen. Uit haat,
voortvloeiende uit grote eerzucht, namen de Saracenen of Mohammedanen steden en
landen in, en roeiden de christelijke godsdienst uit, hetgeen plaats had
omtrent het jaar 803. Zulk een wond werd de christenen geslagen, terwijl zij,
om de afgoderij, door vreemde vorsten werden overweldigd, zoals voormaals de
Israëlieten wedervoer. Toen Karel door de paus in het rijk bevestigd was, leverde
hij hem alle landen (die vroeger aan zijn vader waren afgestaan) over, en
maakte met hem een vast verbond. Op deze wijze verkreeg de Antichrist aan de
een, en de Turk aan de andere zijde, die beiden dodelijke vijanden der ware
christenheid waren, meer en meer macht en geweld.
[JAAR 900.]
In deze tijd, toen de rijkdom, de macht en het geweld van de Antichrist
dagelijks toenamen, kreeg ook het bijgeloof de overhand, terwijl de ware
godsdienst werd verdrukt en als met de voet vertreden. Menig godvruchtig mens
klaagde daarover op Jammerlijke wijze, en zeer weinigen hebben zich daartegen
verzet, want de tirannie van de paus was zo groot, dat ieder hem ontzagen voor
hem vreesde. Het bijgeloof der monniken wies dagelijks aan, het aantal
kloosters werd hoe langer zo groter, de onderscheiding in kleding en van spijs
en drank achtte men heiligheid te zijn, als een onreine zaak werd de priesters
het huwelijk verboden, en men vereerde en aanhad de beelden en de kruisen.
Teneinde zulke bijgelovigheden te verbreiden, had ook de Antichrist zijn
zendelingen in verscheidene landen. Tegen zulk een zendeling, die, in de Duitse
streken van het pauselijke rijk, met geweld te werk ging en zijn leer opdrong,
verzette zich een vroom geleerd man, Adelbertus Gallus genaamd, die zich
beijverde om tegen het bijgeloof te schrijven en te waarschuwen. Men klaagde
over hem te Rome, en de paus deed Adelbertus in de ban, en liet hem in het
klooster te Fulda werpen, waarin hij bleef, totdat zijn lichaam geheel verteerd
was.
Na de tijd van Karel de Grote, toen zijn kleinzoon Karel de Kale, koning
van Frankrijk, regeerde, ontstond ervoor het eerst geschil omtrent het
Avondmaal des Heeren; en wel daarover, of het brood in vlees en de wijn in
bloed veranderde. Om deze zaak werd later veel onschuldig bloed der christenen
vergoten, aangezien er een grote en schandelijke afgoderij uit ontstond. De
koning ondervroeg over dit geschil een geleerden monnik, Bertram genaamd, die
hem zeer christelijk antwoordde, dat het brood op zinnebeeldige wijze Christus
lichaam genoemd wordt, zoals Christus zelf een wijnstok, en de Apostelen
wijnranken genoemd werden. Dit was ook het gevoelen van Johannes Scotus (hij
was in Schotland geboren), een wijsgeer, die dit te Parijs leerde en in zijn geschriften
verklaarde. In het jaar 900 vatte echter Radbertus Paschasius de pen tegen dat
gevoelen op, zodat sommigen te Parijs en elders in Frankrijk het gevoelen van
Paschasius waren toegedaan, en anderen dat van Scotus. Maar de boosheid en het
bijgeloof kregen eindelijk de overhand. De bisschoppen, wier taak was om Gods
woord te onderzoeken en te onderwijzen, waren door eerzucht dermate verblind,
en beijverden zich zozeer om wereldlijke eer en heerlijkheid te verkrijgen, dat
de geestelijke belangen door hen niet geacht werden, want zij lec,de er zich
meer op toe hun rijk, dan dat van Christus uit te breiden. Alzo schoot het
verderfelijk onkruid op, terwijl zij zich aan zorgeloosheid overgaven.
Omstreeks het jaar 1020, toen aan deze grove vleselijke tegenwoordigheid in het
Avondmaal bijna door ieder geloofd werd, zodat men meende, dat het brood en de
wijn in het sacrament veranderde in het lichaam en bloed van Christus, was er
in Frankrijk zekere Berengarius, die het tegendeel leerde en daartegen schreef.
Door de tirannie en het geweld van de paus echter, werd hij gedwongen zijn
gevoelen te herroepen, terwijl Berengarius zich later zeer beklaagde, dat hij,
door vrees en zwakheid, de waarheid verzaakt had.
[JAAR 1130.]
Ofschoon onder alle bisschoppen een ieder zocht wat het zijn was, en niet
wat van Jezus Christus is, liet de Heere toch nog enige overblijven, opdat de
wereld niet als Sodom en Gomorra vergaan zou. Arnulph, aartsbisschop te Lyon,
een zeer vermaard man, bediende het ambt eens bisschops zelf, dat is, hij
predikte Gods Woord in de overige delen van Frankrijk, Italië en zelfs
eindelijk te Rome. Hij bestrafte de zonden der wereld, en vooral hen, die zich
geestelijken noemden, en toch zo vleselijk in alle onkuisheid, gierigheid en
overdaad leefden, en niet minder hun grove dwalingen en onkunde in de Heilige
Schrift toonden. Om deze vrijmoedigheid lieten hem de geestelijken gevangen
nemen, en werd hij eindelijk opgehangen en geworgd. Zo vervulden zij de maat
hunner vaderen, opdat al het onschuldig bloed van Abel af op hen kwam. Dit
geschiedde in het jaar van onze Zaligmaker 1130.
[Jaar 1135.]
Petrus van Bruis, vroeger priester, en zijn leerling Henricus van Toulouse,
gewezen monnik, waren om hun geleerdheid door geheel Frankrijk bekend. Zoveel
zij slechts konden, berispten zij onophoudelijk de dwalingen, die in de kerk
van Christus waren ingeslopen, en spaarden daarbij groot noch klein. Zij
noemden de paus een vorst van Sodom, de stad Rome een moeder van alle
ongerechtigheid, gruwelen en vervloeking, en meest alle geestelijken helse
harpijen en grijpende wolven.
Zij leerden voorts, dat Christus’ lichaam en bloed niet in de mis voor
levenden en doden werden opgeofferd, en ontkenden aldus de transsubstantiatie
(* de verandering van het brood en de wijn bij het Avondmaal in het lichaam en
bloed van Christus).
Verder leerden zij, dat missen, geboden, aalmoezen ten behoeve van de doden
voor God niets anders waren dan goddeloosheid; dat men de beelden,en het kruis
niet alleen niet moest aanbidden. maar ook niet in de kerken dulden; dat God
meer bespot dan geëerd werd door de kerkliederen en lofzangen der priesters;
dat de aanroeping van heiligen, beloften van reinheid, verbanningen, bedevaarten
en andere instellingen van de roomse kerk, alleen bijgelovigheden waren, en
vervloekt en zonder de minste kracht.
Petrus, Abt te Clugny, schreef tegen hen twee brieven. Bernardas, zonder
twijfel door hartstochten vervoerd zijnde, schrijft veel kwaad van hen. Toen
Petrus gedurende twintig jaren onder een groten toeloop van mensen had
gepredikt, werd hij eindelijk in de stad S. Gilles in het openbaar verbrand, in
het jaar onzes Heeren 1135.
Zijn leerling Henricus werd enige tijd daarna door de gezant van de paus
gegrepen en verborgen gehouden, zodat men niet weet, wat hem wedervaren is.
Na de dood van beide mannen ontstond er een hevige vervolging tegen allen,
die hun leer aanhingen, van welke echter velen met blijdschap de dood tegen
gingen.
Ook op andere plaatsen verzetten zich vele geleerde mannen tegen de
transsubstantiatie, en verklaarden, dat in het heilige Avondmaal het
waarachtige lichaam van Christus niet tegenwoordig was, onder welke waren een
abt, Francus genaamd, en zeker geestelijke Lesmoriensis, in Engeland, tegen wie
zich Malachias, bisschop in Ierland, verzette.
[JAAR 1140.]
In het jaar 1140 leefde er in Italië een geleerd man, Arnold van Brescia,
die de moed had te prediken, tegen de macht en het gezag zo van de paus als
andere geestelijken, waarom hij door paus Innocentius in de ban werd gedaan en
zeer vervolgd. Daarom vluchtte Arnold naar Zwitserland en hield zich te Zürich
op, waar hij zolang bleef, totdat paus Innocentius gestorven was, terwijl hij
gedurende die tijd de burgers te Zürich met alle gruwelen der pausgezinden
bekend maakte, met dit gevolg, dat zij die niet meer achtten, maar al hun vroom
gebaar, eerbied en godsdienst bespotten. Wat hij te Zürich teweeg bracht,
daarover klaagde Guntherinus Ligurinus, een vriend van de paus, zeggende:
"Servat ad huc uvae gustum gens illa Paterna," dat is: "Dit volk
behoudt de smaak nog van de druiven huns vaders."
Toen Arnold gedurende vijf jaren zich te Zürich opgehouden had, keerde hij
na de dood van paus Innocentius, toen Eugenius paus geworden was, weer naar
Rome terug. Ook daar maakte hij het volk wakker, en bracht het in korte tijd
door zijn prediking en zijn onderwijs zo ver, dat zijn hoorders de hoogheid en
het geweld van de paus verachtten, en er niet veel eer meer aan bewezen. Dit
was de paus een doorn in het oog, waarom hij Arnold zijn wraak wilde doen,
gevoelen, maar het volk beschermde hem tegen zijn geweld.
Na de dood van Eugenius, omstreeks het jaar 1154, toen Adrianus de vierde
tot paus verkozen was, wilde deze zich niet laten wijden, en zijn waardigheid
uitoefenen, of Arnold van Brescia moest uit zijn ogen verwijderd zijn. De
burgers van Rome verzetten zich daartegen, en beschermden hem, waarom zij door
de paus werden verbannen, ofschoon zijn banvloek niet veel uitwerkte. De paus
rustte nochtans niet, voor hij Arnold in handen kreeg, want zo spoedig keizer
Frederik Barbarossa, over de Apennijnen door Toskane in Italië en wel te
Viterbo aankwam, ging de paus hem tegemoet, en verheugde zich over zijn komst. Hij
beklaagde zich bij de keizer, dat hij door de burgers van Rome veracht werd, en
wel ten gevolge van de prediking van Arnold van Brescia, die een ketter was, en
door hem was verbannen, maar die nochtans door het volk werd geëerd en in de
stad beschermd. Aangezien keizer Frederik zeer vriendelijk door de paus
ontvangen werd, kwam hij te Rome, hetwelk echter de burgers zeer mishaagde,
daar zij niet veel goeds verwachtten van de vriendschap, door hen beiden
besloten. Korte tijd daarna liet dan ook de keizer, Arnold, de vrome man
gevangen nemen, en op verlangen van de paus verbranden. Zijn as werd in de
Tiber geworpen, opdat het volk die niet zou verzamelen en als een soort van
relikwie bewaren, aangezien zij met al dergelijke afgodische bijgelovigheden
door monniken en andere dienaren van de Antichrist waren besmet. Deze Arnold
was zo eenvoudig in zijn leven, zo eerbaar en godzalig, dat ook zijn vijanden
hem daarin moesten prijzen.
De almachtige God nochtans, die een lankmoedig God is, om tot
boetvaardigheid op te wekken, is voor de onboetvaardigen en bozen een geducht
rechter, wat Hij bewees aan deze beide moorddadige bloedvergieters, immers, de
paus werd daarna door een mug verstikt, en de keizer door zijn onechte zoon
vergeven.
[JAAR 1160-1183.]
Omstreeks het jaar onzes Heeren 1160 leefde in de stad Lyon een rijk en
machtig burger en koopman, Petrus bijgenaamd naar zijn geboorteplaats Waldus.
Hij was in groot aanzien en daarenboven een godsdienstig, wijs en verstandig
man.
Terwijl deze op zekere tijd in gezelschap was van vele achtenswaardige en
voortreffelijke lieden, was hij ervan getuige, dat een hunner eensklaps ter
aarde stortte en de geest gaf. Hij verschrikte daardoor, en dacht na over de
onbestendigheid van het tijdelijke leven. Hij begon dan ook acht te slaan op
zijn zaken, de Heilige Schrift met naarstigheid en aandacht te lezen, en zijn
vrienden en bekenden tot gelijken ijver te vermanen. Dagelijks onderwees hij
zijn huisgenoten uit Gods Woord, hield hun de voornaamste zaken van de
christelijke godsdienst voor, en betuigde daarbij tevens, op welke wijze de
roomse kerk de hemelse leer met vele dwalingen verduisterde en het gewetens met
ongehoorde instellingen belastte. Om deze zaak bezochten vele godvruchtige
lieden dagelijks zijn huis, en spraken met hem over de godsdienst. Dit aantal
groeide hoe langer zo meer aan, en zij kregen weldra, naar Waldus de naam van
Waldenzen, Vaudois.
Benevens vele geschriften van de beste en waarheidlievende kerkvaders, had
Waldus het Oude en Nieuwe Testament in de Franse taal doen overzetten, en liet
die vertaling ten bate zijner toehoorders overschrijven.
Toen alles wat Waldus gedaan had ter ore kwam van de aartsbisschop te Lyon
en van de andere geestelijkheid, werd hem op gestrenge wijze en onder bedreiging
van zware straffen verboden, zijn begonnen werk voort te zetten. Daarop gaf
Waldus, die van geen enkele dwaling op gezag der Heilige Schrift kon overtuigd
worden, ten antwoord, dat aan ieder bevolen was naar de stem van Jezus Christus
te horen, de Heilige Schrift te onderzoeken, en de afgoderij na te laten;
voorts, dat alle mensen priesters waren, dat het de huisvader onbelemmerd vrij
stond, zijn huisgezin in alle godsvrucht op te voeden, dat ieder Christen
verplicht was de heilzame bron, hem door God geopend en aangewezen, te laten
stromen door de onvruchtbare akker van zijn naasten; verder dat hij, naar zijn
beste weten, zonder de minste opspraak leefde, en met zulke personen omging,
die naarstig en gestadig de Bijbelse Schriften lazen; dat het verbod onbillijk
was, hem door de kerkelijke personen voorgeschreven, dat men Gode meer moest
gehoorzamen dan de mensen.
De hoofdzaken der leer, die Waldus en zijn leerlingen, benevens vele
anderen, voorstonden, waren deze:
1. Dat in zaken van het geloof de Heilige Schrift de meeste kracht en gezag
had, dat men naar het richtsnoer van haar alles moest beoordelen, en aannemen,
wat daarmee overeenkwam, en verwerpen, wat daarmee streed; dat men de
geschriften der kerkvaders niet verder behoefde goed te keuren, dan in zoverre
zij met de Heilige Schrift overeenstemden; dat ieder Christen niet alleen
geestelijke, maar ook gewoon lid haar niet alleen mocht, maar als een dure
plicht moest lezen, en trachten haar grondig te verstaan.
2. Dat er in de kerk van Christus maar twee sacramenten waren: de Doop en
het heilige Avondmaal; dat het genot van brood en wijn zowel de leden der
gemeenten als de geestelijken toekwam; dat de missen in erge mate goddeloos
waren; dat het dwaze razernij was voor de doden te offeren.
3. Dat het vagevuur een menselijk verzinsel was, aangezien de gelovigen
terstond na hun sterven kwamen in het eeuwige leven, en de ongelovigen in de
eeuwige verdoemenis.
4. Dat het vereren en aanroepen van heiligen enkel en alleen afgoderij was.
5. Dat de roomse kerk de boer van Babel was; dat men niet verplicht was de
paus en de bisschoppen te gehoorzamen, aangezien zij niet anders waren dan de
wolven van Christus' kudde; dat de paus in het geheel geen macht had over
andere gemeenten, en het wereldlijk zwaard niet mocht gebruiken; dat het de
gemeente van Christus eigenlijk was, die luisterde naar de zuivere en
onvervalste stem van Christus; dat de sacramenten door Hem ingesteld, gebruikt
wordende, overal konden bediend worden, en aan geen bijzondere plaatsen gebonden
waren.
6. Dat de zware en onnodige beloften door mensen waren uitgevonden om Sodom
te voeden; dat zovele monnikenorden karaktertrekken en merktekenen waren van
het Beest; dat het monnikenwezen een afschuwelijk dier was.
7. Dat zovele inwijdingen van kerken, gedenkdagen van doden, zegeningen van
schepselen, bedevaarten, vastendagen feesten, gezangen en andere plechtigheden
duivelse uitvindingen waren.
8. Dat het huwelijk eerlijk en de priesters nodig was, enz.
Vele vreemde en ongehoorde gevoelens heeft men bij het bovenstaande
gevoegd, die men ontleende aan de Gnostiken, Manicheën, Adamiten, Katharen,
Kathapbrygiërs, Nikolaiten, enz. teneinde deze eenvoudige lieden bij ieder
gehaat te maken, hetwelk onder Gods toelating de geestelijken zo gelukte, dat zij
door hun toedoen overal verachte namen kregen. Behalve dat men hen Vaudoisen,
Lyonisten en Pauvres de Lyon, dat is armen van Lyon, noemden, leden zij ook
veel in Engeland. In Duitsland en Lijfland schold men hen voor Lollarden, in
Vlaanderen en Artois voor Turlippijns; in Piemont en Dauphiné voor Chienards,
Caignards, Fretons, Dulans, in andere plaatsen voor Sabattisten, en wel om
velerlei oorzaken.
Toen de Waldenzen eerst opkwamen, bespeurden de geestelijken, dat hun gezag
door hen zeer werd ondermijnd. Zij beproefden eerst, zoals reeds gezegd is, om
Waldus door bedreigingen bevreesd te maken; doch daar dit middel weinig baatte,
verklaarden zij hem en zijn leerlingen in een kerkvergadering te Rome voor
ketters, en beroofden hen van alle goederen, waarom zij armen van Lyon genoemd
werden. Sommigen werden gevangen genomen, onbarmhartig behandeld, in het vuur,
met het zwaard, in het water en op vele andere wijzen omgebracht. Velen
vluchtten hier en daar heen, en zetten zich neer in Provenee, Piemont, Lombardie,
verder in Apulia (een deel van Napels) en Calabrië, ja, ook in Slavonië,
Rusland en Boheme; in welke landen zij langzamerhand zeer in aantal toenamen,
zonder dat men hen ooit heeft kunnen uitroeien, en geheel ten onder brengen.
Aldus is het licht, toen aan Waldus en de zijnen opgegaan, door Gods genade,
dan eens bij velen, dan weer bij weinigen, als van hand tot hand overgebracht
en bewaard, zodat het ook in onze dagen, niettegenstaande de grote vervolgingen
door Waldus en zijn aanhangers geleden, weer velen tot grote verwondering,
helder in de ogen straalt.
Zij, die meer verlangen te weten aangaande de Waldenzen en hun
vervolgingen, leze de Geschiedenis der Waldenzen, beschreven door Paulus Perrin
te Lyon.
In het jaar onzes Heeren 1180 werden er in Frankrijk velen omgebracht en
verbrand, die buiten twijfel tot Waldus' leerlingen behoorden.
Omtrent het jaar 1183 werden er in Vlaanderen velen, op bevel van de
aartsbisschop te Reims, Guilermus, en van de graaf Philippus, als ketters
verbrand, onder welke zonder twijfel ook aanhangers van Waldus zullen geweest
zijn, zonder dat echter de geschiedschrijver meedeelt van welke dwalingen zij
beschuldigd werden.
De pausgezinden wilden niet alleen door moord en doodslag de gelovigen uit
de christenen uitroeien maar, omdat zij bij het volk de schijn wilden aannemen
daarvoor goede redenen te hebben, en men niet menen zou, dat zij de waarheid
vervolgden, verzonnen zij grote leugens, en bedachten hatelijke namen, waarmee
zij de gelovigen bij het domme volk beschuldigden en verachtelijk maakten. In
Frankrijk noemden zij de christenen ketters, omdat zij het schandelijke leven
der pausgezinden bestraften, zich voor alle besmetting wachtten, en geen
gemeenschap niet de schandelijke werken der duisternis wilden hebben; sommigen
noemden hen ook Publikanen sommigen Patarinos.
In het Jaar 1210 werden te Parijs vier en twintig getuigen der waarheid
gedood, omdat zij zich verzetten tegen de valse leer van de roomse Antichrist.
In dezelfde stad werden in het volgende jaar vier honderd mensen verbrand, die
niet grote vrijmoedigheid hun geloof in Christus Jezus beleden. Nog twintig
anderen werden daar om hun geloof, en standvastige belijdenis onthoofd, die
allen de waarheid met hun bloed bezegelden.
[JAAR 1212.]
In de Elzas waren vele vrome mensen, uit hoge en lage stand, die aan de
zuivere leer des Evangelies vasthielden,dagelijks tegen de bijgelovigheden van
de paus waarschuwden, en leerden, dat men elke dag, zonder onderscheid, vlees
mocht eten: dat de mens zich met onmatige vis te eten zowel bezondigde als met
het eten van vlees; dat de gelovigen al wat geschapen was met dankbaarheid
mochten genieten; dat de huwelijke staat eerlijk was voor alle mensen, en dat
men daarom de priesters of andere mensen, die niet behoorde te verbieden. Zij
verwierpen ook de paus, omdat hij deze valse leer voorschreef en onderwees.
Toen deze mensen standvastig vasthielden aan Gods Woord, hingen zeer velen
hen aan, terwijl zij van het een land leraars, aalmoezen en andere noodwendige dingen
naar het andere land zonden. De paus en de bisschoppen deden hen in de ban en
vervolgden hen; er werden op één dag ongeveer honderd personen door de bisschop
van Straatsburg, op, bevel van de paus, verbrand, terwijl er zeer velen door
zware martelingen tot herroeping van hun gevoelens werden gedwongen. Dit
geschiedde omtrent het jaar 1212.
In het jaar 1214 zond paus Innocentius de Derde zekere Coenraad van
Marburg, een Jakobijner monnik, als geloofsrechter naar Duitsland, ten einde
naar het geloof der inwoners te onderzoeken, en hen, die hij met enige nieuwe
ketterij besmet vond, aan lijf en goed te straffen. Dit ambt bediende hij
gedurende 19 jaren met ongehoorde en ongelofelijke wreedheid. Allen, die voor
hem beschuldigd werden, liet hij een gloeiend ijzer vasthouden, en wanneer zij
zich daarmee beschadigden werden zij, zonder verder enig onderzoek te
ondergaan, veroordeeld.
Bijna in dezelfde tijd werden ook 35 burgers te Mainz, bij Bingen, om de
Evangelische leer, gevangen genomen, en daar door de pausgezinden wegens hun
standvastige belijdenis, verbrand.
Om de belijdenis der waarheid werd ook, in dezelfde tijd, de Prins van
Armerijk door de geestelijkheid beschuldigd en gevangen genomen. Daar hij
onwankelbaar in de Christelijke leer bleef, werd hij opgehangen en geworgd,
terwijl de slotvrouw om dezelfde reden gestenigd werd.
[JAAR 1218.]
In het jaar onzes Zaligmakers 1218 beschuldigden de pausgezinden zekere
Bargardus, te Erfurt in Duitsland, van ketterij. Aangezien hij volstandig in de
Evangelische leer bleef volharden, en van het pauselijke bijgeloof niet wilde,
werd hij verbrand.
Vier jaren daarna werd te Oxford, in Engeland, een diaken om dezelfde reden
tot de brandstapel veroordeeld.
In het bisdom Kamerijk betoonden de predikmonniken, Dominicanen genaamd,
groten ijver, om de gelovigen, die de gruwelen van de Antichrist verwierpen,
uit te roeien, zodat er dan ook sommigen, die door hen van ketterij beschuldigd
waren, werden verbrand.
In deze tijd werden de verderfelijke sekten der bedelmonniken door de paus
erkend en in hun orden bevestigd. Als vrome dienaars van de Antichrist
betoverden zij op vreemde manieren en in zonderlinge kleding, onder lang
gebeden, geveinsde armoede en velerlei huichelarij, schier de gehele wereld.
Onder de schijn van heiligheid bedreven zij grote wreedheid jegens de
onschuldige christenen, waarom de paus hen in hun orde bevestigde en prees.
Nadat de satan deze orde in de wereld gebracht had, kreeg allerlei boosheid en
geveinsdheid de overhand, en de ware gerechtigheid, die ons de heilige Geest in
de Schrift leert, werd verbannen en verdreven, waardoor het rijk van de
Antichrist hoe langer zo geweldiger, en Christus en Diens heilig en zaligmakend
Woord verworpen werd.
[JAAR 1243.]
In het jaar onzes Heeren 1243 werden door de bisschop van Narbonne op een
kasteel niet ver van Toulouse gelegen gevangen genomen 224 personen, die
beschuldigd werden de ketterij der Albigenzen, dat is, de ware christelijke
godsdienst, aan te hangen; en, aangezien zij in hun leer volhardden, werden zij
allen verbrand.
[JAAR 1285.]
Omstreeks het jaar onzes Heeren 1285 leefden er twee geleerde mannen,
Gerardus Segarelli, van Parma, en Dolcinus van Novari, in Lombardije, die in
hun onderwijs zich met alle vrijmoedigheid verklaarden tegen de misbruiken der
zogenaamde geestelijkheid. Door de geestelijkheid werden zij als ketters
beschuldigd en verbannen, en wel om de volgende redenen:
Dat het gebed Gode zo aangenaam is op een ongewijde, als op een gewijde
plaats.
Dat de paus de Antichrist was, en dat hij en zijn geestelijken door God
verworpen waren; dat hij en zijn kerk de hoer van Babylon waren, zoals in de
Openbaring geschreven staat.
Nadat zij geruime tijd onderwezen en gepredikt hadden en zeer vele mensen,
onder welke ook geleerde mannen hun toevielen, zond de paus een apostolische
gezant met zeer veel krijgsvolk, die deze vrome christenen in het gebergte,
waar zij bij elkaar woonden, overvielen. Daar bevonden zich bijna zes duizend
personen, van welke enige door de koude, sommigen door de honger en weer
anderen met het zwaard verdrukt werden. Toen werd Doleinus met zijn huisvrouw
gevangen genomen. hun lichamen van lid tot lid verscheurd, terwijl de stukken
verbrand werden en de as in de lucht geworpen.
Maar, hoezeer de Dominicanen of Predikmonniken zich ook, als
kettermeesters, beijverden, om de christenen uit te roeien, er bleven echter
nog vele vonkjes over, die later tot een groot vuur werden, want het bloed der
martelaren is een vruchtbaar zaad.
In deze tijd diende een predikmonnik aan keizer Hendrik VII vergif in het
sacrament des Avondmaals toe en vergaf hem.
[JAAR 1312.]
In het jaar 1312, de 15den Mei, werd te Parijs een vrouw verbrand, die men
voor een begijn hield, aangezien zij zich tegen de mis en andere instellingen
van de roomse kerk verklaarde.
[JAAR 1330.]
Omstreeks het jaar onzes Heeren 1330, leefde te Heidelberg een
Predikmonnik, Richard genaamd, die om de vrijmoedige prediking van het
Evangelie en het bestraffen van de misbruiken der pausgezinden als een ketter
werd veroordeeld.
Enige jaren tevoren werd een heremiet in Engeland zeer vervolgd, omdat hij
in het openbaar verkondigde, dat het geen sacramentenwaren door Christus
ingesteld, die men toen gewoonlijk in de gemeenten gebruikte.
Johannes Aston, een zeer geleerd man, van Oxford, werd, omdat hij leerde
dat het brood in het Avondmaal onveranderd bleef. door Aan aartsbisschop van
Canterbury als een ketter in de gevangenis geworpen.
Omstreeks het jaar 1340 woonde te Herbipoli Mr. Coenraad Haer. Voor de
bisschop van Würtzburg beleed hij, dat hij gedurende vier en twintig jaren niet
anders geloofd en de leden zijner gemeente geleerd had, dan dat de mis
geenszins een offerande voor de zonden was, en dat zij levenden noch doden
baatte. Hij zei ook, dat het geld, dat de stervenden de monniken en priesters
beschikten, om missen te doen voor hun zielen, niets anders was dan diefstal en
kerkroof, hetwelk zij aan de armen op oneerlijke wijze ontroofden. Hij voegde
er bij, dat, al bezat hij een zak dukaten, hij er niet een zou willen geven om
missen voor zich te laten doen. Eindelijk beleed hij voor dezelfde bisschop,
dat hij meende, dat het volk daarom van de missen te horen zulk een afkeer had,
omdat hij zo dikwerf daartegen gewaarschuwd en het volk zulke gevoelens van de
mis ingeplant had.
Om deze belijdenis, die bij voor de bisschop aflegde, werd hij als een
ketter in de gevangenis geworpen, doch, welke dood hij stierf, vindt men niet
beschreven.
[JAAR 1387.]
Toen de wereld geheel tot dwaling en bijna tot tastbare afgoderij
vervallen, en er als in verzonken was, verwekte God, onze Hemelse Vader, in het
koninkrijk Engeland godvruchtige, vrome mannen, die de waarheid weer aan het
licht brachten.
Onder deze was de voornaamste Johannes Wicklef, dokter en Hoogleraar in de
godgeleerdheid en leraar in de gemeente te Lutterworth, in het bisdom Lincoln.
Aan de Hogeschool te Oxford hield hij zich bezig met de uitlegging van en het
onderwijs in de Heilige Schrift. Hij, die de waarheid onvervalst, zuiver en
klaar kende, wist ook de verborgenheden en geveinsdheid te ontdekken en te
verdrijven. Maar de verblinden konden de glans van het Evangelie niet
verdragen, zodat al spoedig de monniken, en onder deze in het bijzonder een
Karmelieter, Johannes Reningannus, tegen hem opstonden. Toen hij over het
sacrament des altaars, zoals men het toen noemde, begon te spreken, en hij zijn
onderwijs verklaarde, dat het zijn voornemen alleen was, de afgoderij, die
hierin zeer groot was, uit te roeien, en het recht gebruik van het sacrament en
de onvervalste godsdienst bloot te leggen, schreeuwden allen, die met deze
besmettelijke ziekte des bijgeloofs besmet waren, en weigerden de hand van de
medicijnmeester aan te nemen. In het begin raasden en woedden de monniken,
vooral de Franciscanen, tegen hem, aangezien hun de buikspijs met de mis zou
ontnomen worden; daarom streden zij voor hun buik, die alleen hun God is, als
vrome krijgslieden. De bisschoppen begeerden, dat men dit geschil en deze twist
aan hun kennis en oordeel zou onderwerpen; maar, toen zij daarin niet slaagden,
behielpen zij zich met de pauselijke ban; want dit is het wapen om de waarheid
te bestrijden, en de vrijheid van geloof te onderdrukken.
De artikelen, die Johannes Wicklef voorhield en voorstond, waren onder
andere deze:
1. Dat de Heilige Schrift in zaken van verschil alleen gezag heeft.
2. Dat men alleen naar de oude leraars moest horen, in zoverre hun leer met
de Heilige Schrift overeen kwam, want er was geen andere waarheid dan die in de
Heilige Schrift is vervat.
3. Dat de opstellers en leraars der pauselijke besluiten niet gehouden
moesten worden voor getuigen der waarheid, maar voor vijanden en verdervers.
4. Dat in het avondmaal des Heeren de blankheid en de rondheid en andere
kentekenen van het brood in geen dele zonder het wezenlijke brood kunnen
bestaan.
5. Dat de wezenlijke verandering in het sacrament onverstandig en
ongoddelijk door de priesters verzonnen was; want het brood blijft brood en de
natuur van de wijn verandert niet; dat beide hetzelfde wezen en bestaan, die
zij tevoren hadden, na sacrament te zijn geworden, ook behielden.
Toen Wicklef dit met ijver onderwees, werd hij om de waarheid zeer gehaat,
zodat hij eindelijk, in het laatste jaar der regering van koning Eduard de
Derde, op het aandringen van de paus werd gevangen genomen. Nadat de hertog van
Lancaster en Hendrik Perseüs hem bezocht hadden, liet men hem los, doch verbood
hem te prediken en te onderwijzen. Wicklef echter nam dit verbod niet in acht,
maar ging voort met al meer en meer te prediken en te onderwijzen, wat de
priesters, monniken en bisschoppen natuurlijk niet konden verdragen, en riepen
daarom weer een vergadering van geleerden samen, waarbij ook Wicklef
tegenwoordig was. In deze vergadering sprak Wicklef andermaal over de
christelijke waarheid, en bestrafte ook de geldgierigheid en de hoogmoed van de
gezamenlijke geestelijkheid, zeggende: "Wanneer er enige giften door
koningen of prinsen aan de bedienaren der gemeente gegeven worden, dan moet men
gedenken, dat dit onder de voorwaarde geschiedt, opdat God daardoor worde
geëerd en de gemeente gesticht. Als men deze voorwaarde niet nakomt, zo moeten
de vorsten, ja zo moeten allen terugnemen, wat zij geschonken hadden, welke
zware ban men ook over hen uitspreekt. Indien de banbliksem van de paus
werkelijk kracht had om langs deze weg goederen en rijkdommen te verkrijgen en
te behouden, dan zou de geestelijkheid, die bijna uitsluitend uit geldgierige
mensen bestaat, eindelijk alle wereldse rijkdommen in hun bezit hebben.
De paus mag van rechtswege en wettelijk bestraft en berispt worden, zelfs
door hen, die hem onderdanig zijn en onder zijn macht staan; zowel leken als
geestelijken mogen hem, als het tot stichting der gemeente dienstig is.
beschuldigen; want welk een heer hij ook wezen mag, behoort hij zich nochtans
te gedragen als een broeder van de allergeringste. Aangezien hij zondigen kan
gelijk andere mensen, moet men hem ook broederlijk vermanen en bestraffen,
terwijl hij zodanige bestraffing gewillig en broederlijk behoort te ontvangen.
Vooral moet hij bestraft worden, wanneer hij enige schadelijke ketterij of
dwaling voorstelt of beschermt, opdat de christelijke gemeente het kwaad zie,
want ook in die zin heeft Paulus zich niet ontzien Petrus te bestraffen.
Deze en dergelijke woorden hield hij der vergadering voor; maar in die tijd
werd er door hen niets tegen gedaan of besloten. Later hield de aartsbisschop
van Canterbury, met andere bisschoppen, leraars en meesters, een samenkomst,
waarin de artikelen en leringen van Wicklef als ketters, en dus tot grote
ergernis strekkende, werden veroordeeld en verbannen.
Gedurende enige tijd week Wicklef als balling uit Engeland; maar, aangezien
er velen waren, die door hem het liefelijke voedsel van het Evangelie genoten
hadden, onder welke ook Edelen waren en anderen, die in hoog aanzien stonden
bij het koninklijke hof, werd hij terug geroepen en ontsliep in de Heere, in
zijn gemeente te Lutterworth, in het jaar onzes Heeren 1387, in het laatst van
de maand December.
Een en veertig jaren na zijn dood werd zijn stoffelijk overschot, op bevel
van de paus, opgegraven, en tot poeder en as verbrand, en de as in de rivier
geworpen.
De verwaanden Antichrist was het niet genoeg, dat hij met vervolgingen,
pijnigingen, moorden en doodslag de gelovigen in hun leven overviel en
verdrukte, maar hij moest ook zijn tirannie, boosheid en wreedheid aan de doden
betonen.
[JAAR 1400.]
Omstreeks deze tijd was er in Engeland een priester Willem Sautre genaamd.
Onder het voorzitterschap van Thomas Arundel, aartsbisschop van Canterbury,
werd hij, door de provinciale kerkvergadering der bisschoppen te Londen, wegens
acht stellingen van ketterij beschuldigd, en door die vergadering als ketter
veroordeeld en te Londen in het openbaar verbrand, in het jaar onzes Heeren
1400. Hij wordt gehouden de eerste te zijn die na Wicklef in Engeland in het
openbaar werd omgebracht.
[JAAR 1407.]
Willem Thorpe aan de hogeschool te Oxford, in Engeland tot meester in de
vrije kunsten bevorderd, was een zeer geleerd en godzalig man, die een zeer
eenvoudig leven leidde. In de verkondiging van het Evangelie betoonde hij grote
vlijt en ijver, zodat hij daarom later door Thomas Arundel, aartsbisschop van
Canterbury, te Londen gevangen genomen werd, in het jaar onzes Heeren 1397.
Maar, toen de aartsbisschop bij koning Richard de Tweede in ongenade was
gevallen, en door hem werd verdreven, werd Willem Thorpe door Robrecht
Braybroke, bisschop te Londen, op dringend verzoek van goede vrienden
losgelaten. Maar, aangezien hij niet naliet het onvervalste Woord Gods te
verkondigen, werd hij na tien jaren andermaal te Salopia gevangen genomen, door
de handlangers van de Antichrist te Canterbury gebracht, en in de gevangenis
zeer wreed behandeld. Eindelijk werd hij naar het slot Saftwoden gevoerd, waar
de bisschoppen hem ondervraagden en onderzochten.
Vervolgens werd hij ontboden, om te verschijnen voor de reeds genoemden
aartsbisschop van Canterbury, Thomas Arundel, die door Hendrik de Vierde, de
volgende koning, in zijn aartsbisdom hersteld, en daarenboven ook benoemd was
tot eerste kanselier van het koninkrijk en tot legaat van de roomsen stoet. In
het jaar 1407 werd hij derhalve van het slot Saltwoden terug gebracht, en door
de aartsbisschop ondervraagd, betreffende enige artikelen, die men zei, dat
Willem te Salopia zou gepredikt hebben, namelijk:
1. Dat in het sacrament des altaars, ook na de consecratie, dat is, nadat
de priester de kanon gelezen had, waarachtig brood bleef.
2. Dat men de beelden niet behoorde aan te bidden of enige eer te bewijzen.
3. Dat men geen bedevaarten behoorde te doen.
4. Dat de priesters geen bevoegdheid hadden, de tienden zich toe te eigen,
enz.
5. Dat men niet zweren moest, enz.
Hierop antwoordde Willem, dat hij te Salopia in zijn predikatie. zich op de
volgende wijze over het sacrament had verklaard: “Terwijl," zei hij,
"ik op de stoet stond en predikte, gebeurde het, dat men de mis
verrichtte, de schel klonk, en men het brood zou opheffen; het volk, naar zijn
gewoonte, liep met een gedruis te hoop, en maakte een grote beweging en onrust
in de gemeente, want velen lieten de predikatie varen, en letten alleen op de
mis. Toen heb ik hen aldus toegesproken en gezegd: Gij broeders in Christus, de
levende kracht des sacraments, die in het geloof bestaat, is immers veel
krachtiger dan wat men met de ogen alleen ziet; daarom moest gij veeleer hier
blijven, en naar de zaligmakende predikatie van het heilige Evangelie luisteren
dan zulk een beweging te maken, alleen om het schouwspel van de mis te zien:
want door de predikatie van het goddelijk Woord wordt het geloof beter geplant,
vermeerderd en versterkt."
Voorts zei hij: "Van het sacrament geloof en onderwijs ik anders niet
dan wat de heilige Evangelisten, Mattheüs, Markus, Lukas en de heilige Apostel
Paulus ons beschrijven. De heilige Paulus, welke toch een voornaam leraar der heilige
kerk is, waar hij over het geloof aan dit sacrament spreekt, noemt het brood.
Hij zegt: “Het brood, dat wij breken, is dat niet een gemeenschap des lichaams
van Christus." Zo wordt het ook in uw zielmissen, zelfs na de consecratie,
en nadat de gebruikelijke woorden daarover uitgesproken zijn, brood en wijn
genoemd. En al de priesters besluiten hun mis aldus: "O geeft toch, dat
wat wij in de mond genoten hebben, in reine harten (naar mij dunkt, is dit met
waarachtig geloof) mag ontvangen. De heilige Augustinus zegt ook, dat wat men
in dit sacrament ziet, brood is; maar wat men daardoor geniet met waar geloof,
het waarachtige lichaam van de Heere Christus is. Aldus leert ook Fulgentius,
een goed leraar der kerk, die waarlijk niet te verwerpen is. Na de geboorte van
Christus, heeft de kerk gedurende meer dan duizend jaren een zodanig gevoelen
van dit sacrament omhelsd, en zich daarmee tevreden gesteld. Wat later, bij de
loslating van de duivel, door broeder Thomas Aquinas en andere dergelijke
drogredenaars in de kerk ingevoerd is, is toch niemand, naar ik meen, verplicht
of kan er toe gedwongen worden, te geloven. Uit de aan anderen ontleende
meningen en gevoelens van deze monnik, wil ik geenszins artikelen van het
geloof maken; men doe en richte met mij aan wat de genadige wil van de
almachtige God over mij beschikt."
Betreffende de verering der beelden zei hij, dat men dit, zonder grote
afgoderij en godslastering te bedrijven, niet doen kon, aangezien de mens, het
werk zijner handen aanbidt. "God wil in geest en waarheid gediend zijn.
Beelden werken niet op de geest."
Toen men hem van de wonderen sprak, zei hij: “Ik ben er in mijn hart van
overtuigd, dat dergelijke wonderen en tekenen, die aan de beelden, om die te
vereren en te verheffen, toegeschreven worden, niet door God geschieden,
terwijl die toch door de mensen bezocht, en met kniebuigingen, offers, kaarsen
en lichten vereerd worden. Daarom ook verbrak Hiskia de koperen slang, die
nochtans op Gods bevel was opgericht. Augustinus, Gregorius, Chrysostomus en
vele anderen zeggen, dat de duivel met zulke wondertekenen de harten der
ongelovigen betoveren, verblinden en bedriegen zal, en wel ter oorzaak van hun
ongeloof. Zo ziet men ook, dat het volk veel meer neiging toont, om dergelijke
tekenen en wonderen te zoeken, dan lust te openbaren om het zaligmakende Woord
Gods te horen en te geloven. Daarom heeft ook onze Verlosser de Farizeeën, tot
hun grote schande, bestraft, omdat zij tekenen verzochten. Doch de gelovigen
zal in deze zaak het levendmakend Woord Gods genoeg zijn!"
Aangaande de bedevaarten, zei hij, dat alle mensen, die God in geest en
waarheid zoeken te dienen, zich vooral op tweeërlei soort van bedevaarten
moesten toeleggen, namelijk om het Woord Gods te horen, en de werken der liefde
jegens alle behoeftigen te beoefenen. "Zulk werk en zodanige arbeid,"
zei hij, “is Gode aangenaam en een welbehaaglijke bedevaart, want deze eist
God, en heeft Hij bevolen. Maar laat ons nu eens nagaan, wat de uw met hun
bedevaarten zoeken te verkrijgen. Onder zes honderd bedevaartgangers vindt men
er nauwelijks één, die de geboden Gods kent, en recht weet, wat het christelijk
geloof is, of het Onze Vader" naar behoren bidden of uitspreken kan.
Gewoonlijk worden zij door vleselijke oorzaken geleid, om zulke bedevaarten te
ondernemen, namelijk om gezondheid des lichaams, goed gezelschap, welvaart,
voorspoed, overvloed, lust om zich dronken te drinken en hoererij te plegen.
Maar ach, wat vinden zulke lieden, nadat zij hun geld verteerd en zich geheel
afgemat hebben, anders dan doodsbeenderen en stomme afgoden? Zou het hun niet
goed zijn, te weten dat de Heilige Geest dit voor ijdele en onnutte
verrichtingen acht? Ware het niet beter, dat zij daarheen gingen, waar zij
leren kunnen alle ijdelheid te verachten? Wat baat het, of zij al vele goederen
samen brengen, zoals dit waarlijk geschiedt, daar deze toch de gierige en
geldzuchtige priesters of der schandelijke, oneerbare vrouwen en hoeren ten
deel vallen? Ik zwijg er van, dat om die bedevaarten dikwerf vrouw en kinderen gebrek
moeten lijden, voor welke een christelijk huisvader behoort zorg te dragen.
Sommigen bedelen, anderen lenen, enkelen stelen het geld, dat zij voor de reis
nodig, hebben. Zo voeren zij ook een muzikant mee, en zingen de schandelijkste
en onbetamelijkste liedjes, waardoor zij hun vleselijke lust zoeken bot te
vieren. Wanneer zij dan in hun woningen zijn terug gekomen, hebben zij niet
anders dan geveinsde en gruwelijke godslasteringen en vervloekte leugens
meegebracht.
Toen men beweerde, dat het goed was om muzikanten te gebruiken, daar David
zegt, dat men God op velerlei speeltuigen loven moet, en dat men het gebruik
van muzikanten niet in ongunstige, maar in de beste zin moet opvatten,
antwoordde Willem en zei: "Davids gezegde moet men, volgens de gewone
verklaring der oude leraars, geestelijk verstaan, zoals ook Paulus bedoelt,
waar hij zegt, dat zulks reeds in vroegere tijden op zinnebeeldige wijze
gebeurd is; wij moeten ons daarom met naarstigheid wachten, dat wij niet alleen
aan de letter blijven hangen, waardoor wij het niet goed verstaan zullen.
De Heere Christus wilde het gestorven dochtertje van Jaïrus niet opwekken,
dan nadat de speellieden en pijpers verdwenen waren, omdat zulken hinderlijk
zijn, wanneer men het een of ander in zaken van het geloof wil doen of
behandelen; zo is het ook met de orgels in de kerken. Ik weet wel, dat de
kinderen der wereld in zulke dingen groot behagen scheppen. Maar omtrent de
volgelingen van de Heere Jezus Christus is het anders gesteld. Deze begeren
niet anders dan voorzien te worden van zielenvoedsel; want de vrees Gods en de
grote liefde, die zij hebben naar de hemelse dingen, maken hen afkerig en
drijven hen af van alles, wat het vlees welbehaaglijk is."
Omtrent het geven van tienden ondervraagd zijnde, antwoordde hij, dat men
als schatting in het Oude Testament alleen de priesters en levieten de tienden
gaf, en aangezien de priesters in het christendom niet van de stam van Levi,
maar van Juda afkomstig zijn, komen hun ook, volgens Gods bevel, de tienden
niet toe. Daar het priesterdom veranderd is, zijn ook de wetten veranderd,
zodat wij voortaan Mozes niet behoorden na te volgen, maar onze Heere Jezus
Christus en Zijn heilige Apostelen, die de ware priesters zijn des Nieuwe
Testaments. Christus en Zijn discipelen werden niet door de offers of de
tienden, maar door liefderijke handreiking van hen, die zij gediend en
onderwezen hadden, onderhouden en verpleegd. Nadat Hij naar de hemel gevaren
was, werkten de heilige Apostelen met hun eigen handen, om in hun behoeften te
voorzien, zoals dat uit vele plaatsen in Paulus' brieven blijkt. Nochtans
behoort het, en is ook noodwendig, dat, zij, die het Evangelie verkondigen, ook
van het Evangelie leven, gelijk Paulus betuigt. Men leest ook bij enige
geschiedschrijvers, dat paus Gregorius de tiende, in het jaar onzes Heeren
1271, het geven van tienden het eerst heeft ingevoerd.
Maar het zijn ook geen ware priesters van Christus, die de voetstappen van
Christus en van de heilige Apostelen niet navolgen, al waren zij dan ook duizendmaal
gezalfd, gewijd, en beschoren. Christus ging van de een plaats naar de andere.
De Apostelen en discipelen werden door Christus uitgezonden om het evangelie te
prediken. Dit was hun ambt, dit was hun werk, zodat Paulus uitriep: "Wee
mij, indien ik het Evangelie niet verkondigd heb!" Gregorius zegt ook in
zeker besluit: die priester vertoornt de almachtige God, van wie het volk de
stem van het verkondigde Evangelie niet hoort." Zo verklaart ook de
aantekening op de profeet Ezechiël, dat een priester, die niet predikt aan
aller oordeling onderworpen is, en daarom ook zal vergaan." "Die het
ambt van bestuurders bekleden, en het Evangelie niet aan het volk laten
'verkondigen, zijn moordenaars voor God, die het voedsel en het onderhoud der
zielen roven en stelen. Isidorus zegt: de priesters worden om de misdaden en de
ongerechtigheden van het volk veroordeeld, omdat zij de onwetenden niet
onderwijzen en de zonden niet bestraffen." Christus zegt: “Hiertoe ben Ik
geboren, en hiertoe ben Ik in de wereld gekomen, opdat Ik der waarheid
getuigenis geven zou. Een iegelijk, die uit waarheid is, hoor Mijn stem."
Daaruit volgt, dat, naar het bevel en het voorbeeld van de Heere Christus. het
ambt en de bediening van alle priesters eist dat zij voor alle dingen het heilig
Evangelie van God verkondigen. Gregorius zegt: "Wanneer een mens nalaat te
doen, wat hij schuldig is te verrichten, hij onderneme wat hij wil, al ware het
ook iets goeds, het is de heiligen Geest niet aangenaam." Zeer schoon zegt
Lincolniënsis: “Ieder priester, die Gods Woord niet predikt, al is hij aan geen
enkele overtreding of gebrek in zijn leven schuldig, is nochtans een ware
antichrist, de duivel zelf, een dief in de nacht, een moordenaar bij de dag,
een zielemoorder, een engel des lichts, die zich in duisternis veranderd
heeft." Wanneer er geen andere dienaren waren, dan die naar het voorbeeld
van Jezus Christus en van de Apostelen, zich beijverden in de prediking van het
goddelijk Woord; zonder twijfel zou de christelijke gemeente wel zoveel samen
brengen, dat ieder zijn nooddruft zou hebben."
Deze taal hinderde een van de priesters, die daar tegenwoordig waren, en
hij zei: "Zouden wij van het volk vrijwillige gaven mogen verwachten'? Men
ziet nu wel hoe onwillig zij geven, wat zij van rechtswege schuldig zijn."
Willem antwoordde: "Het is geen wonder, dat het volk de priesters vijandig
is, want hun leven, doen en laten is juist tegen de leer en het leven van onze
Heere Christus. Wanneer in vroeger tijden in de behoeften van de dienaren der
gemeenten voorzien was, deelde men wat er van tienden, stichtingen, testamenten
of andere giften overbleef aan de armen; maar later hebben de priesters dit
zichzelf toegeëigend, en tot hun eigen voordeel aangewend; ja, zij hebben hun
bediening en hun ambt geheel verwaarloosd (het is schande om het te zeggen), en
zich aan allen overvloed en het schandelijkst misbruik van de aalmoezen en de
bezittingen der armen overgegeven. Is het dan te verwonderen, dat het volk
weigert te geven, als zij voor hun ogen zien, dat hun giften op schandelijke,
zondige en godslasterlijke wijze misbruikt worden? Want wanneer zij gaven,
zouden zij zich aan dit misbruik en deze zonde schuldig maken."
De aartsbisschop werd toornig en riep: "Gij schandelijke ketter, dat
God u straf; waarom predikt gij en uws gelijken altijd meer tegen ons en de
geestelijken dan tegen de leken?" Willem antwoordde: "Wij prediken
zonder aanzien van personen, zeggen ieder met vrijmoedigheid, wat hij behoort
te doen, en bestraffen ook in het algemeen alle zonde en ongerechtigheden. Maar
wij beginnen eerst met de priesters, die Chrysostornus de maag van het volk
noemt, omdat wij weten, dat zij boven alle andere lieden in grote, gruwelijke
zonden en boosheid uitmunten. Zij verontreinigen en bederven door hun hovaardij,
geldzucht, brooddronkenheid, wellust, haat, nijd en andere soortgelijke zonden
alle standen en verordeningen van het gehele volk, en brengen Gods rechtvaardig
oordeel over alle mensen, want wegens zonden, die zij zelf bedrijven,
bestraffen zij niemand.
Aangaande de eed zei hij, dat hij nooit gedacht had te Salopia te moeten
prediken, dat het eedzweren zondig en in elk geval verboden is; maar dat hij
naar de getuigenis van het heilige Evangelie en van de heiligen Apostel Jakobus
gepredikt had, dat het een christen verboden is, bij enig schepsel van God te
zweren, zoals men nochtans gewoonlijk doet. "Ik heb ook," zei hij,
“gezegd, dat, als men voor de bevoegden rechter de bekende waarheid door enige
andere middelen kan bewijzen en bijbrengen, men dan in het geheel niet behoort
te zweren. Ook heb ik geleerd, dat, wanneer het niet anders kan, men de
waarheid met een eed mag bevestigen, doch dat de eed moet gedaan worden in de
naam Gods, Die de eeuwige waarheid is. Volgens mijn mening behoort men ook de
hand niet op het boek te leggen, want wat is het boek anders dan een stoffelijk
voorwerp? Wie daarbij zweert, wat doet hij anders, dan de onredelijke en dode
voorwerpen aanroepen, om de waarheid, die eeuwig is, te bevestigen, wat door
God, naar mijn gedachte, verboden is? Dit betuigt ook Johannes Chrysostomus en
hij bestraft die beiden niet alleen, welke op zulke wijze zweren, maar ook hem
die dat voorstaat."
Na deze en dergelijke woorden gesproken te hebben, bedreigde hem de
aartsbisschop van Canterbury, dat hij, indien hij niet van mening wilde
veranderen, hem zou laten pijnigen en mishandelen, dat hij spoedig een anderen
toon zou aanslaan; ja, dat hij niet rusten zou dan na deze ketterij uit
Engeland verdreven te hebben, zo zelfs, dat er geen spoor meer van zou overblijven.
Toen liet hij de opzichter van het slot Saltwoden roepen. Tegelijkertijd
drongen er ook velen van het volk de zaal binnen, die Willem herhaaldelijk
bedreigden. Sommigen wilden dat men hem terstond zou verbranden; anderen
zeiden, dat men hem naar de zee, die niet ver van daar verwijderd was, moest
slepen en verdrinken. Intussen beval de aartsbisschop, dat men hem weer naar de
gevangenis brengen zou, waar de vrome getuige van Jezus Christus de almachtige
God dankte, dat Hij hem volstandig bij zijn belijdenis bewaard had. En
aangezien de handlangers van de antichrist hem op generlei wijze met woorden of
geschriften hadden kunnen overreden en overwinnen, vielen zij hem met geweld
aan, en werd hij, op het bevel van de aartsbisschop van Canterbury, in het
geheim in de gevangenis vermoord, en wel in de maand Augustus, in het jaar
(zoals Johannes Baleüs schrijft) van onze enige Zaligmaker Jezus Christus 1407.
[JAAR 1110.]
In het jaar 1410 zat er te Londen, in Engeland, een kleermaker gevangen,
Jan Badby genaamd, die zeer standvastig betuigde en beleed, dat in het
avondmaal des Heeren, dat onder de gelovigen bediend wordt, het lichaam van
Jezus Christus bij wijze van sacrament en als een gedachtenis wordt uitgereikt,
en niet natuurlijk of in werkelijkheid als of het in een zekere plaats bevat
was.
Wat de geestelijkheid hem ook aandeed, hoe zij ook smeekte, mooie woorden
sprak en hem bedreigde, toch liet hij zich geenszins van de waarheid afbrengen.
Liever verkoos hij de gruwelijkste marteldood te ondergaan, dan de geopenbaarde
waarheid en de belijdenis van het Evangelie schandelijk te verloochenen.
Toen hij bij deze belijdenis volhardde, werd hij door de bisschoppen aan de
wereldlijke overheid overgeleverd en een gruwelijk vonnis over hem
uitgesproken, namelijk, dat men hem in een vat moest sluiten en met een klein
vuur langzaam verbranden. Men bracht hem op het Smitsveld, waar veel volk heen
liep om dit schouwspel te zien, doch hij vreesde de onmenselijke pijn niet, en
het zich onbeschroomd daarheen brengen. De oudste zoon des konings van
Engeland, Hendrik de vierde, was daar ook tegenwoordig, om getuige te zijn van
dit gruwelijk schouwspel. Deze word met barmhartigheid bewogen over deze
beklagenswaardige mens, ging naar hem toe, sprak hem zeer vriendelijk aan en
vermaande hem, dat hij toch prijs zou stellen op zijn leven, en zodanige
meningen en gevoelens zou laten varen. Op alle mogelijke wijzen was hij bezig,
hem van zin en mening, te doen veranderen. Hij deed dat niet in bitterheid of
met bedreigingen, maar met beleefdheid en zachtheid, opdat zijn leven zou
gespaard blijven. Doch de vrome martelaar van Jezus Christus bleef vast en
onwankelbaar in het geloof, want hij bouwde dat geloof niet op een heilige,
maar op de enige hoeksteen Christus, en sloeg het beleefde voorstel van de
prins met welsprekende taal mannelijk af, en overwon aldus deze gevaarlijke
verzoeking, zich bereid verklarende liever alles te lijden, dan iets tegen de
waarheid, waarvan zijn geweten overtuigd was, te spreken of te doen. Nadat het
vonnis was uitgesproken, werd hij in een vat gesloten, en de brand in het hout
dat rondom het vat gelegd was, aangestoken. Toen de vlammen het vat aan alle
zijden begonnen te genaken, en de hitte zeer groot werd, kreet hij zo jammerlijk,
dat het hart beefde van ieder die het hoorde. De zoon des konings werd door dit
jammerlijk gekerm zeer bewogen, liet het vuur blussen, ging tot de man, die in
het vat lag en ondraaglijke pijnen leed, bood hem zijn leven aan, en beloofde
hem daarenboven uit de bezittingen van de koning zoveel geld als voor het
onderhoud van zijn leven nodig was, indien hij zijn raad wilde opvolgen. Doch
tevergeefs; hij volhardde onwankelbaar in de waarheid, verwierp het aanbod van
de prins, en schatte het lijden, om de naam van Jezus Christus, hoger dan hier
in alle weelde en overvloed te leven, en de beleden waarheid te verzaken. Toen
de prins zag, dat alle aanbiedingen en beloften tevergeefs waren, en dat hij op
generlei wijze was te vertederen, liet hij hem weer in het vat sluiten, het
vuur aansteken en de vromen martelaar verbranden.
Zo werd hij door zonderlinge en velerlei verzoeking, door onlijdelijke pijn
bezocht en op de proef gesteld, maar overwon alles als een vroom krijgsknecht
van Christus, door Hem die hem versterkte, Jezus Christus. Hier aanschouwt men
de waarheid van Paulus' woorden, dat niets de uitverkorenen van God, hoe
gruwelijk dit ook zijn mag, scheiden kan van de liefde Gods, die er is in Jezus
Christus onze Heere.
[JAAR 1414].
In het begin van de regering van Hendrik de vierde, koning van Engeland,
nadat Richard van de regering ontzet en de heer Jan Oldecastel welverzekerd in
de Tower te Londen gezet was,begonnen de godgeleerden en bisschoppen in
Engeland al zeer zonderling te handelen. Zij brachten grote klachten in bij de
nieuwe koning en toonden hem, dat de toestand van de kerk ten enenmale
omgekeerd was. Zij zeiden, dat men niet meer wilde gehoorzamen aan haar
geestelijke archidiakenen, kanselieren, kerkendienaren en andere geestelijken;
dat de wetten en verordeningen van de heilige moederkerk vertrapt werden; dat
er vrees bestond, dat de gehele katholieke kerk en godsdienst ten enenmale
zouden teniet gaan, dat men zeer weinig ontzag had voor de geestelijke
rechtsmacht, de macht der geestelijke sleutelen minachtte, niet gaf om de
kerkelijke boeten en beelden; dat er sommigen waren, die er in het openbaar de
spot mee dreven, en dat dit alles aanleiding geven zou tot een zonderlingen
opstand. Zij zeiden, dat al deze verkeerdheden haren oorsprong hadden in de
vrijheid van een hoop ketters, die hun vergaderingen hielden in kelders en
donkere plaatsen, die ook boeken schreven en tussen hagen en in bossen
predikten. Zij voegden er bij, dat, indien men dit alles nog langer gedoogde,
men spoedig de verwoesting en ondergang zien zou van de republiek. Ten gevolge
van deze klachten riep de koning zijn raad bijeen, en wel te Leicester, omdat
hij het niet geraden vond deze vergadering te houden te Londen, aangezien daar
zich velen bevonden, die de zaak van de heer Cobbam waren toegedaan. In het
openbaar gebood hij daar, hun allen zeer vreselijk te straffen, die van die
tijd aan de verkeerde leer zouden volgen. Hij veroordeelde hen zelfs dermate,
dat hij hen niet alleen voor ketters verklaarde, maar ook beschuldigde van
majesteitsschennis. Daarom beval hij, dat zij op tweeërlei wijze moesten
gestraft worden en terstond daarna verbrand. De gelovigen waren geen vrijheden
noch enige voorrechten gegund, waardoor zij zich bevoordelen konden, en wel ten
gevolge van de woede des konings, waarmee hij, door zijn boze hartstochten
opgewekt, bezield was jegens de gelovigen, die in deze tijd Wicklevianen
genoemd werden. De bisschoppen, gewapend met deze uitspraken des konings,
bedreven grote tirannie jegens vele eerbare en onschuldige lieden, van wie in
de eerste plaats Jan Oldecastel, heer van Cobham, het slachtoffer was. Voorts
werden op wrede wijze omgebracht de heer Rogier Acton, ridder van Cobbam, de
heer Johan Brown, edelman, en een bedienaar van het Evangelie: mr. Jan Beverley
genaamd. Deze beleden met volharding de artikelen van ons algemeen christelijk
geloof, en terwijl zij de bijgelovigheden van het pausdom verachtten, werden
zij op het plein St. Gillis eerst opgehangen en daarna verbrand, in welke straf
nog 36 anderen, die meest van adel waren, moesten delen. Dit geschiedde in
Januari, in het jaar onzes Heeren 1414.
Op de 17den Augustus van het volgende jaar werden ook om de belijdenis der
goddelijke waarheid, veroordeeld om verbrand te worden Jan Claidon, leerlooier,
en Richard Turming, bakker, wat op het Smitsveld plaats had.
[JAAR 1415.]
In Engeland was het licht van het heilige Evangelie ontstoken, en
verspreidde zich daar op buitengewone wijze. Andere landen waren weinig of niet
met dat licht bedeeld, en duisternis bedekte schier de gehele wereld. Door de
geschriften van Johannes Wicklef deed God, de almachtige Vader, ook in het
koninkrijk Bohemen, het licht opgaan in de ziel van Johannes Husz, bedienaar
des goddelijke Woords in de Bethlehemskerk te Praag. Met de grootste ijver
verkondigde hij het zuivere Evangelie van Jezus Christus aan het volk, toonde
hun de afgodische misbruiken aan, en waarschuwde daartegen met allen ernst,
hetwelk de roomsen antichrist grote schande en nadeel berokkende. Ten gevolge
daarvan werd hij, omstreeks het jaar 1414, door paus Alexander de vijfde
beschuldigd, en te Rome als ketter ontboden, terwijl de paus deze zaken in
handen gaf van de kardinaal Petrus de Columna.
Toen deze oproeping van Husz, om te Rome te verschijnen, te Praag openlijk
was bekend gemaakt, zond Wenceslaus, koning van Bohemen, op verlangen van zijn
vrouw Sophie en van de gehelen Boheemse adel en op het ootmoedig smeken der
hogere scholen en burgers van Praag, zijn gezanten en redenaars naar Rome, om
de paus dringend te verzoeken, Johannes Husz van dit onderzoek te verschonen,
aangezien hij door de haat en nijd van sommige afgunstige mensen aangeklaagd en
belasterd was. Hij voegde er bij, dat het Husz daarenboven onmogelijk was naar
Rome te gaan, en wel wegens de gevaren, waaraan hij zich op de weg aan lijf en
leven zou blootstellen. En, indien de paus meende, dat het koninkrijk Bohemen
met enige valse leringen of ketterij besmet zou zijn, dat hij dan zijn gezanten
naar Bohemen kon zenden, teneinde de dwalingen te verbeteren, te straffen en
uit te roeien. Daarenboven beloofde de koning alle kosten, daaraan verbonden,
te betalen en de roomsen gezanten in alles behulpzaam te zijn, enz. Maar alle
arbeid, moeite en onkosten, welke de koning aanwendde, waren tevergeefs en ten
een male vruchteloos.
Johannes Husz zond vervolgens op de bepaalde dag zijn wettige procureurs,
om hem te verdedigen. Maar de kardinaal wilde van geen verdediging weten, maar
ging voort en liet Johannes Husz als een ongehoorzame ketter verbannen, omdat
hij op de bepaalde dag niet in persoon te Rome verscheen. Door de nood
gedwongen, waren de procureurs genoodzaakt zich op paus Alexander te beroepen,
die weer andere rechters aanstelde, die de zaak omtrent anderhalf jaar
verschoven, en daarna hetzelfde oordeel velden en het vonnis uitspraken. Zij
stemden toe in het uitspreken van de ban over Johannes Husz, en wilden zelfs niet,
dat de procureurs meer onder hun ogen kwamen, en langer tot verdediging van
Johannes Husz spraken. En, toen de procureurs zich niet lieten afwijzen, werden
sommigen hunner in de gevangenis geworpen, waar zij geduchte straf ontvingen,
terwijl de anderen naar Bohemen terugkeerden.
Toen het nu met de zaak van Johannes Husz aldus gesteld en hj gebannen was,
dat zijn procureurs in de gevangenis gestraft waren, en hij te Rome geen gehoor
verkrijgen kon, beriep hij zich op Christus, de hoogste Rechter van de wereld.
Daarna werd er in het jaar van onze enige Zaligmaker, Jezus Christus, 1414,
een kerkvergadering bijeengeroepen te Konstanz, om het geschil en de twist te
beslechten van drie pausen, die, om het roomse pausdom te bezitten, schier de
gehele wereld in oproer brachten. Toen paus Johannes de drie en twintigste en
Sigusmund, koning van Rome en Hongarije, te Konstanz aangekomen waren, zond de
koning enige boheemse heren naar Bohemen, teneinde Johannes Husz uit te nodigen
in de kerkvergadering te verschijnen. Daartoe zou hij hem een vrijgeleide
geven, zodat hij zou kunnen gaan en terugkeren zonder enig gevaar, waarvan hij
hem schriftelijk bewijs gaf. Toen Johannes Husz dit vernam en de brieven
gelezen had, voldeed hij gewillig aan de begeerte des konings, en vertrok met
bovenbedoelde boheemse edelen naar Konstanz.
Toen na drie dagen Johannes Husz te Konstanz was aangekomen, gingen
Johannes, heer van Chlum, en Hendrik van Latzenbock, die Husz hadden vergezeld,
naar de paus, en deelden deze mee, dat Johannes Husz was aangekomen. Zij
voegden er ook bij, dat zij hem door een vrijgeleide van de roomsen koning
Sigismund, dat verzegeld was, te Konstanz gebracht hadden, teneinde in de
kerkvergadering te verschijnen. Zij verzochten ook zeer ootmoedig van de paus,
dat hij, ter ere van de roomsen koning, zorg wilde dragen, dat genoemde
Johannes Husz zonder gevangenneming, vrij, zeker, onverhinderd, en zonder
bekommering en gevaar te Konstanz mocht vertoeven.
De paus antwoordde hierop: "Al had Johannes Husz zijn eigen broeder
mishandeld en gedood, zal ik nochtans, voor zoverre dit in mijn macht is, in
geen dele toelaten, dat hem, zolang hij te Konstanz blijven zal, enige
smaadheid of onbillijkheid worde aangedaan. Daarop kan hij met alle zekerheid
vertrouwen en getroost zijn."
Toen de ergste vijanden en aanklagers, die Johannes Husz had, Stefanus
Palets en Michaël de Clausis, vernamen dat hij te Konstanz was, rustten zij
niet, maar stelden met grote ijver enige stellingen samen, waarmee zij van de
een kardinaal en aartsbisschop naar de anderen liepen. Zij toonden die aan de
bisschoppen, monniken, priesters en anderen die het met hen eens waren, en
zeiden dat zij nog meerdere zulke stukken bezaten, van nog groter gewicht, die
Johannes Husz tegen de paus en de roomse kerk geschreven en openlijk gepredikt
had.
De opperpriesters, door dit vuur als in vlam gezet, hielden raad, hoe zij
Johannes Husz en zijn leringen onderdrukken en uitroeien zouden, waarin zij het
al spoedig eens waren. Op de zes en twintigste dag nadat Johannes Husz te
Konstanz aangekomen was, vaardigden zij twee bisschoppen af, en wel die van
Augsburg en die van Trier, en met hen de burgemeester van Konstanz en een ander
ridder. Omstreeks de middag kwamen zij in de woning, waar Johannes Husz
verblijf hield, en verhaalden hem, dat zij, op bevel van de paus en de
kardinalen, tot hem waren gezonden, aangezien hij vroeger verlangd had voor hen
rekenschap te geven van zijn leer. Zij verklaarden verder, dat zij nu vergaderd
en bereid waren om hem te horen, zodat hij nu voor hen zou verschijnen. Op deze
boodschap antwoordde Johannes Husz: “Ik ben daar om niet hier gekomen, opdat ik
in het geheim met de paus en de kardinalen alleen mijn zaak zou behandelen, wat
ik ook niet begeerd heb, maar het was steeds mijn verlangen in de volle
kerkvergadering te verschijnen, om daar openlijk, naar de genade, die God mij
geven zou, te antwoorden op hetgeen mij gevraagd zou worden. Daarom weiger ik
echter niet, om, volgens uw begeerte, eerst voor de kardinalen te verschijnen.
Word ik door hen niet goed ontvangen, zo heb ik toch vertrouwen op mijn Heere
Jezus Christus, dat Hij mij genade zal geven, om liever tot Zijn eer de dood te
ondergaan en te sterven dan dat ik de waarheid, die ik uit de heilige,
goddelijke Schriften ontvangen heb, verloochenen zou." Daarna volgde hij,
in gezelschap van de heer van Chlum, de bisschoppen naar het hof van de paus,
om daar voor de paus en de kardinalen te verschijnen.
Toen Husz in die vergadering verscheen, en de kardinalen vriendelijk
gegroet had, spraken zij hem aldus aan: "Meester Johannes Husz, wij hebben
zeer veel van u gehoord, dat, als het waar is, niet is te verdragen. Men zegt,
dat gij vele grote en openbare dwalingen tegen de leer der heilige kerk
verkondigd en door het gehele koninkrijk Bohemen verbreid hebt; en daarom
hebben wij u hier ontboden, om te weten, of het is, gelijk men zegt."
Hierop antwoordde Johannes Husz: "Hoogwaardige vaders, uw
eerwaardigheid wete, dat ik bereid ben liever te sterven, dan dat ik mij aan
enige dwaling (ik zwijg van vele) willens en wetens zou schuldig maken. Te
liever ben ik in deze algemene kerkvergadering verschenen, omdat ik mij bereid
verklaar, wanneer ik in waarheid van enige dwaling overtuigd word, ootmoedig de
straf te willen ondergaan en mij te beteren." De kardinalen antwoordden:
“Welaan, uw woorden behagen ons," waarop zij heen gingen, en Johannes Husz
daar alleen onder gewapende en geharnaste mannen goed bewaard lieten staan,
terwijl de heer van Chlum bij hem bleef. Tegen de avond kwamen de kardinalen
weer samen, vergezeld van Palets en Michaël de Clausis, die, als onzinnigen,
Johannes Husz belachten en bespotten, zeggende: "Ha, ha, ha, nu hebben wij
u in onze macht en handen; gij zult er niet uitkomen, tot dat gij de laatste
penning zult betaald hebben."
Tegen de nacht kwam de hofmeester van de paus tot de heer Johannes van
Chlum en zei tot hem, dat hij wel naar zijn logement kon gaan, daar men met
Johannes Husz wat anders zou doen. Op het horen van die tijding werd de heer
van Chlum zeer toornig en bedroefd, en wel omdat zij de vromen man zo
jammerlijk bedrogen hadden. Met de grootste spoed ging hij naar de paus, en bad
en vermaande hem, dat hij aan zijn belofte en toezegging wilde denken, die hij
enige tijd geleden hem en de heer van Latzembock gedaan had, en dat hij ook het
vrijgeleide van de roomsen koning zo lichtvaardig niet mocht verbreken. Maar de
paus wilde er niet voor uitkomen, dat, wat er met Johannes Husz gebeurd was, op
zijn bevel was geschied; en terwijl hij zich tot de heer van Chlum wendde, zei
hij: Waarom geeft gij mij de schuld, daar gij wel weet, dat ik zelf in de macht
van deze kardinalen ben.”
Treurig ging de heer Johannes van Chlum heen, en gedurende enige dagen
klaagde hij in het geheim en openbaar over de onrechtvaardigheid en ontrouw van
de paus.
Toen Sigismund, de roomse koning, vernam, dat Johannes Husz gevangen
gehouden werd, was hij er niet tevreden over, dat zijn koninklijk vrijgeleide
door de paus aldus verbroken werd. Maar de geleerden van de paus toonden de
koning uit de pauselijke rechten aan, dat men, met geen recht, een ketter
vrijgeleide kon of mocht geven of zich daaraan houden. Met deze woorden stelden
zij de koning tevreden, zodat hij de zaak het rusten, en op het houden van zijn
vrijgeleide niet verder aandrong. Nochtans werd hij door de edelen van het
koninkrijk Bohemen met woorden en brieven vermaand en gebeden, dat hij zijn eer
daarin handhaven, en zijn woord en verzegelde belofte houden moest.
Toen Johannes Husz in een gevangenis gezet was van het Jakobijnenklooster,
die door stank en onreinheid als verpest was, kwamen zijn vijanden, terwijl hij
door de groten stank ongesteld geworden was, met enige artikelen voor de dag,
waarmee zij hem als ketter beschuldigden. Onder deze artikelen waren de
volgende, die hij als de zijne erkende en tot het einde volstandig beleed.
1. Er is maar een heilige, christelijke en algemene kerk; dat zijn allen,
die door God ter zaligheid verordineerd en uitverkoren zijn.
2. Petrus was nooit en is ook nog niet het hoofd der christelijke kerk, maar
alleen de Heere Jezus Christus.
3. Indien hij, die een stedehouder van Jezus Christus genaamd wordt, in
zijn leer en zijn leven de Heere Christus navolgt, is hij een stedehouder van
Christus. Indien hij in strijd met Christus leert en leeft, is hij een bode en
Apostel van de antichrist, tegen de Heere Christus en de heiligen Apostel
Petrus, ja een stedehouder van de verrader Judas Iskarioth.
4. De overheid met de priesters dwingen, om de instelling van Christus te
onderhouden.
5. Een priester van Christus, die naar de regel van Christus, leeft, en de
Heilige Schrift verstaat, behoort te prediken, en zich niet om de ban te
bekommeren. En, wanneer ook de paus of enig ander geestelijke zulk een priester
het prediken zou willen verbieden, moet hij hem niet gehoorzamen.
6. Wanneer de paus, bisschop of geestelijke zich aan doodzonde schuldig
maakt, is hij geen paus, bisschop of geestelijke; want als hij geen lid van de
gemeente van Christus is, kan hij geen hoofd der gemeente zijn.
7. Een getrouw dienaar van Jezus Christus behoort met vlijt te onderzoeken,
of de geboden van de paus in nadruk zijn de geboden van Christus of van Zijn
Apostelen. Wanneer dit zo is, behoort hij die geheel in ootmoed te gehoorzamen.
Maar ziet hij, dat het gebod van de paus geheel tegen de Heilige Schrift
strijdt, of schadelijk is voor de heilige kerk, zo behoort hij die met vromen
zin tegen te staan, opdat hij aan deze zonden niet deelachtig worde, wanneer
hij er in toestemde.
8. Ieder mens, wie hij ook wezen mag, mag de dingen, die de zaligheid
aangaan, beoordelen, zo ook de daden van zijn geestelijken.
9. De geestelijken verdrukken de leken om zichzelf te verhogen; zij zijn
geldgierig, beschermen en verdedigen allerlei boosheid, en bereiden alzo de weg
voor de antichrist.
10. De roomse kerk heeft geen macht of gezag om het sacrament te scheiden
of te verdelen; zij heeft ook, op onbehoorlijke wijze, de leken het ene deel,
namelijk de gemeenschap des bloeds, onttrokken.
11. De bisschop van Rome staat gelijk met een ander.
12. Er is geen vagevuur.
13. Het is tevergeefs, dat men voor de doden bidt; dit is ook alleen door
de geldgierigheid der priesters verzonnen.
14. De beelden van God of Zijn heiligen behoort men in het geheel niet te
achten of te verdragen, maar af te breken en weg te werpen.
15. De biddende orden der monniken zijn door boze geesten uitgevonden.
Hierbij waren nog vele andere artikelen gevoegd, die echter te uitvoerig
zijn om te worden meegedeeld, en welke men hij andere geschiedschrijvers kan
vinden.
Toen deze en andere opgeraapte artikelen aan Husz, in de gevangenis, waar
hij ziek lag, getoond werden, begeerde hij een advocaat of pleitbezorger, ten
einde deze zaak voor hem te behandelen. Dit werd hem echter op harde wijze
geweigerd, met de bewering, dat het volgens de pauselijke wetten verboden is,
dat iemand enige bijstand zou bewijzen aan hen, die van enige ketterij verdacht
zijn. Aldus weigerden zij de goede man alle hulp, ofschoon de getuigenis van de
andere door hen opgeraapte artikelen zo zwak waren, dat Johannes Husz geen
verdediging daarin behoefde, wanneer zijn ziekte hem niet verhinderd had dat
zelf te doen. Nadat de koorts hem enigermate had verlaten, antwoordde hij
daarop schriftelijk, welk geschrift wij echter, ter vermijding van te grote
uitvoerigheid, niet zullen meedelen.
Geruime tijd daarna, in het jaar 1415, kwamen vele kardinalen, bisschoppen
en andere geestelijken in het Barvoeterklooster bijeen, waar zij Johannes Husz
voor de kerkvergadering brachten, hielden hem daar zijn boeken voor, en vroegen
hem, of hij die voor de zijn erkende of niet. Johannes Husz beleed openlijk,
dat hij die opgesteld en geschreven had, en toonde zich ook bereid, indien er
enige dwalingen in gevonden werden, die te verbeteren. Treurige verschijnselen
hadden hierbij echter plaats; want, zodra er een artikel en enige getuigenissen
daarop (die zeer weinig waren) waren gelezen, en Husz daarop wilde antwoorden,
overviel de gehele vergadering hem met zulk een geschreeuw en misbaar, dat hij
geen woord spreken kon. En, was er een ogenblik stilte, waarvan Husz gebruik
wilde maken, om het een of ander uit de heilige Schrift of van oude leraars aan
te halen, dan riepen zij ogenblikkelijk: "Het doet niets tot de
zaak!" Sommigen begonnen hem op lage wijze te schelden, anderen belachten
en bespotten hem, zodat Johannes Husz eindelijk besloot te zwijgen, en de zaak
Gode aan te bevelen. Toen riepen zij: "Nu zwijgt hij, dat is bewijs
genoeg, dat hij zijn dwaling in alles bekent." In één woord, het kwam zo
ver, dat het sommigen verstandigen mannen begon te verdrieten, die er zich over
schaamden, en de raadgaven, dat men voor dat ogenblik de zaak zou laten rusten.
Aldus ging de vergadering uiteen, terwijl Husz daar in het monnikenklooster
bewaard werd.
Spoedig daarna kwamen zij andermaal in hetzelfde klooster bijeen, waar
Johannes Husz, door een groot aantal gewapende mannen omringd, werd
voorgebracht. Ook verscheen daar de roomse koning zelf, vergezeld van de ridder
Wenceslaus van Tuba, de heer Johannes van Chlum en Petrus, secretaris des
konings, deze drie waren goede vrienden van Husz, die meegenomen waren om te
zien, hoe de zaak eindigen zou.
Onder vele andere dingen, bevalen zij Johannes Husz eindelijk deze drie:
vooreerst, dat hij met een ootmoedig hart zijn dwalingen zou bekennen, die hem
in de artikelen aangewezen waren; ten andere, dat hij zweren zou, deze
artikelen nu en ten eeuwige dag, nimmer meer te leren noch te prediken; ten
derde, dat hij die ook openlijk zou herroepen.
Hierop antwoordde Husz, na vele andere woorden gesproken te hebben, het
volgende: ik ben bereid de kerkvergadering te gehoorzamen, en door haar
onderricht te worden, met de goddelijke Schrift, maar vooraf bid ik u om Gods
wil, dat gij mij niet zoekt te dwingen tot dingen, die mijn geweten zouden
bezwaren, en mij in gevaar zouden brengen om eeuwig veroordeeld te worden. Dat
ik al mijn artikelen, die mij toegeschreven worden, zou afzweren, die toch voor
het merendeel mij vals toegedicht, ja tegen mij verzonnen en gelogen zijn, dat
zou ik niet kunnen. Ik herinner mij in Katholicus gelezen te hebben, dat
afzweren niets anders is dan een dwaling, die iemand vroeger vastgehouden en
geleerd heeft, te verloochenen en te herroepen. Aangezien mij vele artikelen
toegedicht worden, die ik nooit omhelsd heb, en nooit in mijn hart zijn opgekomen,
hoe mag of kan ik die met een eed afzweren? Maar aangaande de artikelen, die
waarlijk de mijn zijn, die door mij zijn geleerd, gepredikt en geschreven,
wanneer mij iemand uit de Heilige Schrift iets anders kan leren, dan wil ik die
graag volgen, en doen, wat gij van mij hebt begeerd en gevorderd."
Daarna sprak koning Sigismund Johannes Husz zelf aan, en zei, dat hij zou
herroepen en zich aan de genade der kerkvergadering overgeven. Doch Johannes
Husz antwoordde, dat hij voor God en zijn geweten zich van geen dwaling bewust
was, en dat hij daarom niets kon herroepen.
Daarna traden Palets en Michaël de Clausis, de grootste vijanden van Husz,
op, en verontschuldigden zich met de bewering, dat zij in de gehele zaak niet
gehandeld of niets gedaan hadden uit haat, nijd of enige arglistigheid, maar
alleen tot nut en welvaart der christelijke kerk. Johannes Husz voegde hun toe:
"Dit beveel ik aan God, de hemelse Rechter, die ieders zaak naar recht
oordelen zal."
Na deze woorden te hebben uitgesproken, werd hij weer naar de gevangenis
geleid en welverzekerd bewaard. Toen hij daar heen ging, stond de heer van
Chlum bij hem, die hem de hand gaf, vriendelijk toesprak en hem vermaande tot
volharding. Dit verstrekte Husz tot grote vreugde en troost, omdat hij zich zijns
niet schaamde, daar hij toch van alle mensen was verlaten, en als een boze
ketter gescholden en gehaat werd.
In de gevangenis schreef hij vele belangrijke boeken en brieven, waaruit
men bespeuren kan op welk een bijzondere wijze de Geest Gods door hem sprak en
werkte. Hij betuigde, dat hij de lofzangen van David nooit zo goed verstaan
had, dan nadat hij in benauwdheid verkeerde. Wie zijn brieven verlangt te
lezen, onderzoeke de geschiedschrijvers, aangezien die hier, om het verhaal te
verkorten, niet kunnen worden meegedeeld, ofschoon ze overwaardig zijn gelezen
te worden, en er vele voorzeggingen in worden gevonden, die in later tijd
uitgekomen zijn, zoals hij die vroeger uitgesproken en geschreven heeft.
De dag, voor Johannes Husz verbrand werd, de 6e juli van het jaar onzes
Heeren Jezus Christus 1115, zond koning Sigismund vier bisschoppen en de beide
boheemse edellieden, de heer Wenceslaus van Tuba en de heer Johannes van Chlum,
tot Husz in de gevangenis om te vragen, wat zijn voornemen was. Toen Johannes
Husz uit de gevangenis tot hen geleid was, sprak de heer Johannes Chlum hem het
eerst aan en zei: "Meester Johannes, ik ben onwetend, en weet niet, wat ik
u, die een geleerd man bent, raden moet; nochtans heb ik een begeerte aan u
voor te stellen, namelijk, indien gij u aan enige dwaling schuldig kent in de
dingen, die u in de kerkvergadering voorgehouden zijn, dat gij u dan niet
schaamt om uw gevoelen en mening aan de kerk vergadering te onderwerpen, en
door haar u te laten onderrichten en alzo te herroepen. Maar is het, dat gij,
naar het rechte oordeel van uw geweten u daaraan niet schuldig kent, zo wil ik
u geen aanleiding geven, dat gij iets tegen uw geweten doen zoudt, maar veel
meer, dat gij alles lijdt, wat te lijden is, dan dat gij de waarheid, die gij
bekent, verloochenen zoudt." Met tranen in de ogen antwoordde Husz:
"Gelijk ik vroeger dikwerf gedaan heb, betuig ik nog voor de almachtigen
God, dat ik van hart bereid ben terstond mijn mening te laten varen, ingeval de
kerkvergadering mij uit de heilige Schrift beter onderrichten en bewijzen kan,
en gezind ben alsdan openlijk onder ede te bekennen, dat ik vroeger gedwaald
heb." Toen zei een der bisschoppen op zeer bittere wijze: “Ik ben nooit zo
stout of verwaand geweest om mijn gevoelen hoger te achten, dan dat van de
gehele kerkvergadering." Husz antwoordde hierop: "Ik ben ook niet
anders gezind; want indien mij de allerminste in deze kerkvergadering een
dwaling kan aantonen, zal ik die graag horen en gewillig en bereid zijn voor de
gehele kerkvergadering te herroepen." "Ziet," zeiden de
bisschoppen, "hoe hardnekkig hij bij zijn dwaling blijft." Na dit
gezegd te hebben, bevalen zij, dat men hem in de gevangenis zou sluiten,
terwijl zij naar de koning terugkeerden.
Des anderen daags werd er een algemene vergadering gehouden in de
Munsterkerk, waar koning Sigismund, met zijn koninklijke kroon gesierd, en de
rijksedelen tegenwoordig was, waarbij ook gezeten waren vele andere
geestelijken en opperpriesters. In het midden van het gestoelte was een verheven
plaats gewaakt, ter breedte van een tafel, en daar nevens stond een houten
blok, waar het heilige misgewaad op gelegd was, waarmee men Husz ontwijden zou,
eer men hem aan de wereldlijken rechter overleverde. Toen alles gereed was,
werd Johannes Husz binnengeleid, die terstond op zijn knieën viel, en geruime
tijd op hoogst ernstige wijze tot God bad. Intussen hield de bisschop van
Londen, uit Engeland, een Latijnse redevoering, en toen deze was geëindigd,
trad de procureur fiscaal op, en begeerde, dat men het proces zou voorlezen,
waaraan voldaan werd.
Johannes Husz nam de vrijheid elk artikel zo kort mogelijk te beantwoorden;
maar, zo dikwijls hij begon te spreken, verbood hem dit de kardinaal van
Kamerijk, zeggende: "Zwijg nu, later mag gij, zo veel gij wilt, op alles
antwoorden." Husz zei: "Och! hoe zal het mij mogelijk zijn in eens op
alles te antwoorden? Ik kan alles niet in mijn geheugen bewaren." Toen
hernam de kardinaal van Florence: "Wij hebben u al genoeg gehoord."
Toen Husz echter niet wilde zwijgen, lieten zij hun dienaren halen, om hem
daartoe te dwingen. Vervolgens begeerde, bad en smeekte de arme man, dat men
toch naar hem horen wilde, opdat de omstanders niet zouden denken of geloven,
dat alles waar was, wat men hem voorwierp. Toen hem dit niet werd toegestaan,
viel hij op zijn knieën, en in een vurig gebed beval hij zijn zaak zijn Heere
en Verlosser Jezus Christus aan, hopende bij Hem te verkrijgen, wat hij
begeerde.
Onder de artikelen, die hem werden toegedicht en voorgelezen, werd ook
beweerd, dat Johannes Husz geleerd had, dat de twee naturen, de godheid en
mensheid, één Christus waren. Nadat alle artikelen gelezen waren, verzonnen zij
een zeer grote godslastering, die zij Husz aanwreven, namelijk, dat hij zou
gezegd hebben, dat hij de vierde persoon in de godheid zou worden; terwijl een
bisschop, die dit artikel voorgelezen had, zei, dat een leraar het uit de mond
van Husz zelf gehoord had. Toen Johannes Husz verlangde, dat men die leraar met
name noemen zou antwoordde de bisschop: "Dat is nu niet nodig." Op
dit antwoord riep Husz uit: "O wee mij, arm mens, die zulke godslastering
moet aanhoren!" Daarna werd weer het artikel voorgelezen, en als ketters
verklaard, dat hij zich op Christus beroepen had. Toen sprak Husz: "O
Jezus Christus, Wiens Woord en Evangelie door deze kerkvergadering openlijk
veroordeeld wordt, ik beroep mij andermaal op U; want, toen Gij door Uw
vijanden uitgelachen en bespot werd, hebt Gij U ook op God Uw Vader beroepen,
en Uw zaak aan Hem, als de rechtvaardigste Rechter, overgegeven en aanbevolen,
en ons daarmee een voorbeeld gegeven, opdat wij ook in zulke omstandigheden,
wanneer wij ten onrechte en gewelddadig onderdrukt worden, een zekere toevlucht
hebben zouden."
Eindelijk las de bisschop Concordiënsis met luider stem het besluit en het
vonnis van de kerkvergadering, waarin Johannes Husz als ketter verdoemd werd,
om ontwijd en de wereldlijken rechter overgeleverd te worden. Toen dit vonnis
van de kerkvergadering voorgelezen werd, sprak Johannes Husz tussenbeide, ofschoon
het hem verboden en verhinderd werd. Toen men hem daarom van hardnekkigheid
beschuldigde, riep hij met luider stem: “Ik ben nooit hardnekkig geweest,
aangezien ik vroeger begeerd heb en nog verlang, dat men mij uit de heilige
Schrift beter onderwijze en lere. Ik beken en belijd, dat ik de waarheid zo
vlijtig en naarstig liefheb, dat ik alle ketterse dwalingen met één woord omver
zou kunnen stoten, waarom ik niet zou schromen, mij aan gevaren bloot te
stellen." Toen in dit vonnis ook zijn boeken als ketters veroordeeld
werden, zei hij: "Waarom veroordeelt gij die boeken, waarvan gij toch niet
bewijzen kunt, dat zij iets tegen de heilige Schrift of tegen de artikelen van
het geloof inhouden?” Bovendien zei hij: "Welk een onrechtvaardigheid is het,
dat gij mijn boeken, die in de Boheemse taal geschreven, die gij gezien noch
gelezen hebt, die gij wegens de taal niet verstaat, nochtans hebt
veroordeeld.”Tussenbeide sloeg hij zijn ogen naar de hemel en bad. Toen
eindelijk het vonnis gelezen was, viel hij op zijn knieën en sprak: “Heere
Jezus Christus. vergeef het mijn vijanden, want Gij weet het, dat ik door hen
vals ben beschuldigd, en dat zij met valse getuigenissen en schandelijkheden
mij bezwaren. Vergeef het hun o Heere door Uw grote barmhartigheid. Het merendeel
van hen, en vooral de opperpriesters, spotte met dit gebed, als ware het uit
geveinsdheid gedaan.
Daarna stonden er zeven bisschoppen op om hem te ontwijden, en bevalen hem,
dat hij de priesterlijke kleding zou aantrekken, wat hij ook deed. Toen hij de
lange witten rok zou aantrekken, zei hij: "Mijn Heere Jezus Christus, toen
Hij door Herodes naar Pilatus gezonden werd, is ook in een wit kleed
bespot."
Als hij het misgewaad aangetrokken had, vermaanden de bisschoppen hem
nogmaals, dat hij zijn gevoelens zou laten varen, en prijs stellen op zijn eer
en leven. Toen hij echter de stellage betrad, sprak hij met tranen in de ogen
tot het omstaande volk: "Deze heren bisschoppen raden mij, dat ik voor
allen belijden zal, dat ik gedwaald heb. Indien het nu een zodanige zaak gold,
die alleen tot schande van een mens verstrekte, zouden zij mij er misschien
gemakkelijk toe bewegen. Maar nu sta ik voor het aangezicht des Heeren, tot
Wiens grote schande en om de wroeging van mijn eigen geweten, ik dit niet doen
kan; want ik weet niet, dat ik ooit iets geleerd heb van wat zij mij ten laste
leggen. Ik heb altijd daarentegen geijverd, geschreven, geleerd en gepredikt.
Met welk aangezicht zou ik de hemel durven aanschouwen? Met welke ogen zou ik
hen mogen zien, die ik onderwezen heb, en wier aantal groot is, wanneer ik er
de oorzaak van werd, om wat zij tot nu toe voor zeker en waar hebben
aangenomen, nu onwaar werd? Zou ik zovele gewetens die door de bondigste
geschriften geleerd, door het heilig Evangelie van onze Heere Jezus Christus
onderwezen en tegen alle aanvechtingen des duivels versterkt zijn, door mijn
voorbeeld beroeren? Neen, gewis niet. Ook zal ik niet toestaan, dat dit mijn
lichaam, dat aan de dood overgegeven is, beter geacht zou worden dan mijn
zaligheid." Nadat Husz deze woorden gesproken had, verweten de bisschoppen
hem weer, dat hij hardnekkig in zijn boosheid voortging en versteend was. Men
beval hem, dat hij van de stellage zou gaan, terwijl men hem daar ontzette van
het priesterschap. Zij ontnamen hem de kelk, zeggende: "O Gij vervloekte
Judas! gij die de raad des vredes hebt verlaten, u met de Joden hebt verenigd,
zie, van nu aan ontnemen wij u deze kelk, in welke het bloed van Jezus Christus
wordt opgeofferd tot verlossing der wereld." Waarop Husz met luide stem
antwoordde: "Maar ik stel al mijn hoop en vertrouwen op mijn God en
Zaligmaker, dat Hij de kelk der zaligheid nimmermeer van mij zal nemen en ik
vertrouw vast, dat ik, door Zijn bijstand gesterkt, die heden in Zijn Rijk zal
drinken.
Daarop ging men voort, hem van de overige kleding te ontdoen, terwijl zij,
als naar gewoonte, telkens wanneer zij hem van een kledingstuk beroofden,
daarbij een schandelijken vloek voegden. Husz antwoordde daarop, dat hij die
bespotting voor Christus' naam en waarheid graag droeg.
Toen eindelijk de bisschoppen hem van dit veelvoudig priesterlijk gewaad
ontbloot hadden, wilden zij hem verder de geschoren kruin ontnemen. Doch
hierover ontstond tussen hen een hevige twist. Sommigen wilden hem scheren;
anderen meenden, dat het genoeg was als de kruin slechts met de schaar hier en
daar werd weggeknipt. Terwijl dit plaats had, wendde Husz zich naar de koning,
zeggende: “Zie heer, hoe de bisschoppen met elkaar over deze zaak twisten. Het
verwondert mij zeer, dat, aangezien zij allen even wreed zijn, zij in deze
wreedheid niet overeenstemmen."
Maar zij die wilden, dat men zulks met de schaar zou doen, kregen de
overhand en knipten het haar in drie delen, en wel in de vorm van een kruis,
namen de kruin weg, en voegden er de woorden bij: “Heden ontzet de heilige
kerkvergadering, hier te Konstanz bijeengekomen, Johannes Husz van de
priesterlijke waardigheid en van het ambt, waarmee hij vereerd was, en betuigt
daarmee, dat de tempel en de kerk van God deze mens van zich heeft gestoten. En
aldus beroofd zijnde van haar bescherming, levert zij hem aan de wereldlijke
macht over." Eer dit echter geschiedde, lieten zij een papieren kroon
maken in de vorm van een bisschopshoed, van omtrent een elleboog hoog, waarop
drie vreselijke duivels geschilderd stonden, en waaronder met grote letters
geschreven was: Heresiarcha, dat is: ketterhoofd. Toen Husz die kroon zag, zei
hij: "Mijn Heere Jezus Christus, Die onschuldig was, heeft Zich getroost
voor mij, ellendig mens, een scherper en veel zwaarder doornenkroon tot de dood
te dragen. Waarom zou ik ellendig zondaar, niet deze veel lichtere kroon graag,
om zijn naam en waarheid, tot mijn spot op het hoofd hebben "'
Toen de kroon op zijn hoofd geplaatst was, zeiden de bisschoppen: Nu
bevelen wij uw ziel aan de duivelen van de hel." Met gevouwen handen zei
Husz daarop, terwijl hij zijn ogen naar de hemel sloeg: “Ik beveel haar mijn
goede Heere Jezus Christus."
In de Hoogduitse taal zei de koning toen tot Lodewijk, Hertog van Beijeren:
"Ga heen, en lever deze mens over aan de dienaren der Justitie."
Terstond ontdeed Lodewijk zich van zijn hertogelijke kleding, nam Husz mee,
leverde hem aan de scherprechters en dienaren der justitie over, en begeleidde
hem tot aan de gerichtsplaats.
Met de papieren kroon op het hoofd tot de gerichtsplaats geleid, zag hij in
het voorbijgaan voor de kerkdeur zijn boeken verbranden, teneinde daarmee de
veroordeling ervan te betuigen. Toen hij dit zag, lachte hij even, en tot het
vuur lopende, voegde hij het daarbij staande volk toe, dat zij niet moesten
denken, dat hij om enige dwaling verbrand werd, maar dat hij vals beschuldigd,
en door onwettige getuigen door zijn bittere vijanden onderdrukt was;
"aangezien zij," zei hij, "niet beter uit de heilige Schrift
hebben geleerd, zoals ik heb ondervonden, wat ik altijd zeer heb gewenst en
begeerd." Het volk, dat hem vergezelde, was voor het merendeel gewapend.
Toen hij op de strafplaats kwam, viel hij op de knieën, vouwde de handen,
verhief zijn ogen hemelwaarts, bad enige psalmen, vooral de 31e en de 51e
herhaalde met een heldere stem en een blijmoedig gelaat verscheiden malen de
woorden; “In Uw handen, Heere, beveel ik mijn Geest;" zodat de omstanders
hem gemakkelijk konden verstaan. Toen hij aldus, gelijk gezegd is, gebeden had,
zei sommige eenvoudige mensen uit het volk tot elkaar: Wat deze mens vroeger
geleerd en gepredikt heeft, weten wij niet; maar nu horen wij hem heilige
woorden spreken en godvruchtige gebeden doen."
Anderen wensten, dat hij een biechtvader mocht hebben. Doch een priester,
die te paard zat en prachtig gekleed was, zei: "Hij is niet waard, dat hij
gehoord of, dat hem een biechtvader gegeven worde, want hij is een
ketter."
Er is niet aan te twijfelen, of deze smaadredenen zonden het hart van Husz
zeer geschokt hebben, indien het niet in zijn hart gegrift ware, dat hij om
Christus' naam leed, gelijk hij getuigt in de zendbrieven, die hij uit zijn
gevangenis heeft geschreven.
Terwijl hij bad, viel de smadelijke kroon van zijn hoofd; toen Husz dit
zag, kon hij niet nalaten even te lachen. Sommigen van de handlangers, van
welke hij omringd was, zeiden tot elkaar: "Laat ons de kroon hem weer op
het hoofd zetten, opdat hij met de duivels, die hij hier gediend heeft,
verbrand worde."
Daarna stond hij, op bevel der scherprechters en dienaren der Justitie, op,
en bad met luider stem, zodat alle omstanders hem konden verstaan: Heere Jezus
Christus, dit wrede en verschrikkelijk gericht wil ik graag en ootmoedig
ondergaan voor Uw heilig Evangelie en de prediking van Uw heilig Woord, en bid
U, dat Gij al mijn vijanden wilt vergeven."
Terwijl hij door de dienaren der justitie werd rondgeleid, zei hij tot alle
omstanders, dat zij niet moesten geloven, dat hij aan enige dwaling schuldig
was die hij zou geleerd hebben of voorgestaan; maar dat zij hem vals waren
toegeschreven, en door valse getuigen verstrekt.
Eindelijk verzocht hij hun, de bewaarders van de gevangenis ook eens te
mogen toespreken, tot wie hij ging en zei: “Ik dank u, mijn lieve broeders,
voor al de weldaden, die gij mij hebt bewezen; want gij was mij zeer aangename
broeders en geen bewaarders van mij. Weet, dat ik standvastig geloof in mijn
Zaligmaker, om Wiens naams wil ik deze dood gewillig onderga, zeker
vertrouwende, dat ik heden met Hem in het paradijs zal zijn." Terstond
bonden zij hem de handen op de rug, en met zes touwen zeer stevig aan een
dikken doorboorden paal, die in de grond geplaatst was. Met het eerste touw was
hij gebonden aan de enkels, met het tweede beneden de knieën, met het derde
boven de knieën, met het vierde om het onderlijf, met het vijfde om het lichaam
en met het laatste onder de armen.
Enige van de omstanders namen het zeer kwalijk, dat hij met het aangezicht
naar het Oosten geplaatst was. Zij bevalen, dat hij met het aangezicht naar het
Westen moest gekeerd worden, omdat hij een ketter was; wat dan ook terstond
geschiedde. Daarenboven was zijn hals vastgemaakt met een zwarte, berookte
keten, die wellicht vroeger in de schoorsteen door iemand gebruikt was. Toen
Husz het hoofd een weinig omdraaide, zag hij die en zei: De Heere Jezus
Christus, mijn Verlosser en zeer lieve Zaligmaker, was met veel zwaarder en
harder keten gebonden om mijnentwil; waarom zou ik, ellendig mens, mij schamen,
om Zijns naams wil, met deze vuile kelen gebonden te worden." Verder
werden onder zijn voeten, die ook geboeid waren, twee bossen hout gelegd. Toen
hij dus gebonden stond, en een boer zag, die hout aandroeg om te helpen
verbranden, zei hij lachende: Sancta simplicitas!" dat is, heilige
eenvoudigheid.
Eindelijk werd hij met hout en stro, dat dooreen gemengd was, tot aan de
hals bedekt. Voor het hout ontstoken was, traden de hertog Lodewijk en de
rijksmaarschalk naar Husz, en verzochten hem, dat hij, om zijn leven te
behouden, nu nog zijn, leringen zou intrekken en afzweren. Terwijl hij zijn
ogen naar de hemel verhief, antwoordde Husz niet luider stem: Ik betuig voor
God, dat, waarvan zij mij met valse getuigen beschuldigen, ik nooit hebgeleerd
noch geschreven. Al mijn predikatiën, onderwijzingen. en geschriften en al wat
ik heb gedaan, heb ik met zulk een hart en alleen met het oogmerk gedaan, om de
mens uit het geweld des duivels te verlossen. Daarom wil ik die waarheid, welke
ik geleerd, geschreven en met uitgegeven geschriften aan het licht gebracht en
met de wet Gods dooi, heilige leraren bevestigd heb, heden blijmoedig met de
dood bezegelen." Nadat hij dit gezegd had, gingen de maarschalk en de
hertog Lodewijk, de handen ineenslaande, heen.
Toen nu de scherprechter het hout aanstak, riep Johannes Husz herhaalde malen
met luider stem: "Jezus Christus, Zoon des levenden Gods, ontferm U
mijner." En als hij daarna wilde zingen: "Qui natus est ex
virgine," stak er een wind op, die hem de vlam in het aangezicht sloeg,
waardoor hij stikte. Aldus liet deze vrome martelaar, om de belijdenis van
Christus, zijn leven in het vuur. Toen het hout verbrand was, en het bovenste
gedeelte van zijn lichaam nog aan de keten hing, wierpen zij de paal neer,
staken op nieuw het vuur aan sloegen zijn beenderen met stokken en kliefden zijn
hoofd, opdat het te eerder door het vuur zou verteerd worden.
Onder de ingewanden vonden zij zijn hart nog onverteerd, dat zij op een
scherpen stok staken, het andermaal in het vuur wierpen, met stokken sloegen en
daarna lieten verbranden.
De as van de verbranden martelaar werd in de Rijn geworpen, opdat er niets
van de goede man zou overblijven.
Dit geschiedde de 6e Juli in het jaar onzes Heeren 1415.
Betreffende Johannes Husz werd het volgende versje gemaakt:
Constantem inconstans
Constantia sustulit Hussum,
Pro Christo ardentem cum subit ille rogum.
Dat is:
Konstanz, zeer
inconstant,
Heeft Husz met vuur verbrand,
Door kracht vervreemd van rede.
Hij bleef constant ter dood,
Als Christus' bondgenoot,
En heeft het vuur geleden.
[JAAR 1416.]
Toen Johannes Husz geruime tijd te Konstanz gevangen gehouden werd,
verscheen ook daar Hieronymus van Praag met grote kloekmoedigheid, om de
onschuld te bepleiten van zijn meester, en zijn leer te handhaven. Aangezien
hij een zeer geleerd en welsprekend man was, meende hij er zich van verzekerd
te mogen houden, dat hij de zaak, wanneer hij geen bijzondere tegenstand
ontmoette, zou winnen. Maar, daar hij bemerkte, dat hem daar lagen gelegd
werden, begaf hij zich des anderen daags naar Ueberlingen, een Rijksstad, een
Duitse mijl van Konstanz gelegen, om de schijn niet op zich te laden alsof hij
zich lichtvaardig in gevaar had begeven. Van daar schreef hij brieven aan
keizer Sigismund, waarin hij vrijgeleide verzocht om op de kerkvergadering te
kunnen komen. Toen hem dit niet werd toegestaan, was hij voornemens naar
Bohemen weer te keren. Op weg derwaarts werd hij betrapt, en door de dienaren
van Johannes, zoon van de hertog van Beyeren, gevangen genomen, die hem aan de
kerkvergadering overleverden, waar hij voor een ketter en navolger van Johannes
Wicklef en van Johannes Husz beschuldigd werd.
De artikelen, waarvan zij hem beschuldigden, waren deze:
1. De roomse bisschop is gelijk aan een ander.
2. De waardigheid van het ambt maakt geen bisschop of pastoor, maar de
heiligheid des levens.
3. Er is geen vagevuur.
4. De biddende orde is een duivelse uitvinding.
5. Paulus is nooit een lid van de duivel geweest, hoewel hij enige dingen
deed, die plegen te geschieden door de boze gemeente.
6. De twee naturen in Christus, de goddelijke en menselijke, zijn één
Christus.
7. De veroordeling van de 35 artikelen van Johannes Wicklef, die door de
leraars geschiedde, is geheel onrechtvaardig.
8. Het vormsel, dat door smouten en smeren geschiedt, is geen sacrament.
9. De oorbiecht is een ijdel verzinsel en leugen, door mensen bedrieglijk
uitgedacht. Het is genoeg, dat ieder zijn zonde aan God belijdt.
10. De doop behoort men alleen met water te bedienen, zonder olie of andere
dingen.
11. De heiligheid, die men de kerkhoven toeschrijft, is niets anders dan
ijdel en dwaas bijgeloof of een opraapsel.
12. Er is niet aan gelegen, waar het lichaam begraven wordt.
13. De gehele wereld is heden de tempel of kerk; want God wil Zijn godheid
overal verbreid hebben. Zij, die enige tempels, kapellen of bedeplaatsen
bouwen, willen Gods heerlijkheid en macht op enge wijze besluiten.
14. De klederen en versierselen, die de priesters op de altaar gebruiken,
zo ook alle gereedschappen, zijn ten enenmale onnodig en dwaas voor de godsdienst
ingevoerd en er bijgevoegd.
15. Het avondmaal des Heeren mag men ten allen tijde en aan alle plaatsen
houden, waar ook de gelovigen en ware boetvaardigen vergaderen.
16. Zij, die de gestorven heiligen aanroepen, en van hen enige hulp
wachten, doen vergeefse arbeid.
17. Dit geldt ook van hen, die hun getijden lezen en opluisteren of zingen,
18. Op iedere dag mogen de mensen arbeiden, uitgenomen op de Sabbatdag.
19. De heilige dagen behoort men af te schaffen.
20. De vastendagen, door mensen ingesteld, hebben niets te betekenen.
Toen de geestelijke gezanten deze artikelen veroordeeld hadden, beijverden
zij zich ook om Hieronymus van Praag te veroordelen en als ketter te doden. In
de gevangenis werd hij zeer wreed behandeld, daar zij hem gedurende een jaar in
een kuil legden, waar hij zon noch maan zag, en met water en brood gespijzigd
werd, terwijl zijn voeten in een blok gesloten waren, en zo geplaatst, dat het
hoofd op de grond onder hem rustte. Omdat hij in zulk een ellende verkeerde,
herriep en verloochende hij, op aandringen van de geestelijkheid, zijn
gevoelens. Dit deed hij uit menselijke zwakheid, maar later, door Gods genade
versterkt, beleed hij de eenmaal omhelsde waarheid met grotere vrijmoedigheid.
Op de 25e mei 1416, Zaterdags voor de Hemelvaart des Heeren, hield men in
de hoofdkerk te Konstanz een algemene zitdag of samenkomst der kerkvergadering.
Nadat de mis van de Heilige Geest gezongen was, en de plechtigheden afgelopen
waren, werd Hieronymus voorgebracht en scherp vermaand, dat hij van al zijn
dwalingen afstand zou doen, de leerlingen van Wicklef en Husz herroepen en
afzweren, en voorts al1e ketterij verloochenen, dan zou de kerkvergadering hem
alle vriendschap bewijzen.
Hierop antwoordde Hieronymus aldus: “Ik betuig heden voor mijn God en Heere
en voor u allen, dat ik mij aan geen ketterij of valse leringen schuldig ken,
want ik geloof van hart at de artikelen van het heilige, algemene christelijk
geloof, en houd vast wat de algemene christelijke kerk belijdt. Ik kan ook
Wieklef en Husz, als vrome. eerlijke en godzalige lieden, niet verwerpen. Zij
werden ook van vele dingen vals en onwaar beschuldigd, en vele leringen van hen
worden verkeerd voorgesteld. Dat ik dan zeggen zou, dat zij niet goed geleefd,
geschreven of geleerd hadden, of dat het oordeel en vonnis, over ben
uitgesproken, recht is, wil ik in geen geval doen. Wat ik weet, ja de gehele
wereld bekent het, dat zij u geen onrecht gedaan, maar de waarheid gezegd
hebben in wat zij tegen uw onrechtvaardige instellingen en verkeerde misbruiken
gesproken en geleerd hebben. En ofschoon ik voorzie, dat gij mij doden zult,
kan ik nochtans de waarheid niet verloochenen, en beveel mijn zaak aan God mijn
Heere; Zijn wil geschiedde op aarde als in de hemel, Amen." - Hierna
bevalen zij, dat het vonnis, dat uitvoerig tegen hem beschreven was, zou
gelezen worden, waarvan dit de inhoud was: de heilige kerkvergadering van
Konstanz snijdt af en verdoemt Hieronymus van Praag, als een verrotten en dorre
tak van de boom, en als een vervloekten en verdoemden ketter, en dat wegens
zijn dwalingen, lichtvaardig bestaan en hardnekkigheid, en voornamelijk, omdat
hij zijn vroegere herroeping heeft geschonden, en wel met grote verachting van
deze heilige kerkvergadering; levert hem over aan de wereldlijke overheid,
opdat zij hem straft, zodanig als zijn goddeloosheid verdient.
Toen het vonnis aldus tegen hem uitgesproken was, werd Hieronymus een kroon
(zoals vroeger aan Husz was gedaan) gebracht, rondom met duivels beschilderd.
Zo spoedig hij die zag, wierp hij zijn hoed onder de daarbij staande priesters,
zette de papieren kroon op het hoofd en zei: “ Toen mijn Heere Jezus Christus
voor mij, ellendig mens, zou sterven, droeg Hij op Zijn hoofd een veel zwaarder
doornenkroon. Ik zal daarom ook gaarne met deze, om Zijner genade en liefde
wil, in het vuur gaan." Nadat hij die woorden gesproken had, werd hij
terstond door de gerechtsdienaren gewapenderhand uit de hoofdkerk naar de
gerechtsplaats geleid. Onder het gaan zong hij, met luide stem en een blij
gemoed, terwijl hij zijn ogen naar de hemel hief, het algemeen geloof, gelijk
dit gewoonlijk in de kerken gezongen wordt, en daarna andere lofzangen, totdat
hij buiten de poort kwam aan de plaats, waar Husz vroeger werd verbrand.
Hij de paal gekomen zijnde, waaraan hij zou verbrand worden, viel hij op de
knieën, en hield zich geruime tijd in stilte met bidden bezig. Daarna richtten
de scherprechters hem op, trokken zijn klederen uit, en hingen hem een bemorst
kleed over de schouders. Toen hij nu aldus met ketenen aan de paal gebonden
stond, werd er rondom hem hout met stro vermengd opgestapeld, en terwijl men
hiermee bezig was, zong Hieronymus andermaal met luider stem de lofzang van het
Paasfeest: “Salve festa dies; toto venerabilis aero, crua Deus infernum vicit,
et astra tenet, &c.
Na het aanheffen van de lofzang, beleed hij het berijmde algemeen geloof,
en sprak het volk in de Hoogduitse taal aldus aan: “Weet, zeer lieve mannen,
dat ik niets anders geloof dan wat ik daar even heb gezongen, en van de
hoofdzaak van het geloof aanneem, gelijk het een christen betaamt. Maar nu ben
ik ter dood veroordeeld, omdat ik aan deze vergadering van priesters in het
veroordelen van Husz geen gelijk heb willen geven; en hij was toch, om van de
oprechtheid zijns levens niet eens te spreken, een getrouw leraar van Gods wet
en het Evangelie van Jezus Christus." Nadat zij hem van het hoofd tot de
voeten met hout hadden omstapeld, en zijn uitgetrokken klederen daarbij
geworpen hadden, wilde de scherprechter het vuur van achteren aansteken, opdat
hij het niet zien zou. Doch Hieronymus zei tot hem: “Kom vrij hier, en steek
het vuur voor mijn ogen aan, want indien ik voor het vuur bevreesd ware
geweest, zou ik op deze plaats, die ik wel had kunnen vermijden, niet gekomen
zijn." Daarna riep hij met luide stem: Heere, in Uw handen beveel ik mijn
Geest." Vervolgens sprak hij op zeer luiden toon in de Boheemse taal:
Heere God, almachtige Vader ontferm U mijner, en vergeef mij mijn zonden; want
Gij weet, dat ik een liefhebber ben van Uwe waarheid."
Toen hij eindelijk door het vuur geheel was aangetast, zag men aan de
beweging der lippen dat hij bad, totdat hij de geest gaf. Intussen bracht men
zijn bed en andere voorwerpen uit de gevangenis, en deze werden met hem door
het vuur verteerd, terwijl de as van zijn lijk, zoals men ook met die van Husz
gedaan had, in de Rijn werd geworpen. Aldus werd deze geleerde man, om de naam
van Christus, tot as verbrand, op de 30e Mei, in het jaar onzes Heeren 1416.
Poggius uit Florence een pausgezinde, die hij de gerichtshandel
tegenwoordig was, deelt in zekere brief aan Leonardus Bruno van Arrezzo
(Aretinus), de laatste woorden van Hieronymus, aan de geestelijken mee, waarin
Hieronymus, zegt hij, een ongelooflijk verstand getoond heeft, zodat ieder van
de omstanders met verwondering werd aangegrepen. Hij voegt er hij, dat
Hieronymus nooit iets heeft verricht, dat een goed man niet betaamde. Indien
hij het geloof in zijn hart dus omhelsde, als hij met woorden beleed, kon er
hij hem niet alleen geen oorzaak des doods, maar zelfs niet van de minste
belediging gevonden worden." Aan het einde van deze brief zegt hij: aldus
is deze (boven het geloof) voortreffelijke man door het vuur verteerd. Ik heb
zijn uitgang gezien, en elke onderhandeling, met hem gehouden, naarstig onderzocht.
Waarlijk, men zou uit de school van de oude wijsgeren de dood van deze man
hebben kunnen beschrijven. Ik heb u zulke dingen verhaald, omdat zij niet
ongelijk zijn aan de geschiedenis van de ouden. Want Mutius, te weten Scaevola,
heeft met zulk een kloek hart niet geleden, toen er slechts één lid van zijn
lichaam namelijk, zijn hand, verschroeid werd; en Socrates dronk niet zo
vrijwillig het vergif, als deze zich vrijwillig in het vuur begaf."
Sommigen schrijven, dat deze Hieronymus tot de bisschoppen en andere
geestelijken, die hem veroordeelden, zou gezegd hebben: "Ofschoon gij geen
schuld of enige rechtmatige oorzaak tot veroordeling des doods in mij hebt
kunnen vinden, bemerk ik nochtans, dat gij het besloten hebt en het uw
voornemen is, mij eindelijk te doden. Nu sta ik hier voor de almachtige God,
Die alle harten kent; en op Hem, als op de opperste en rechtvaardigste Rechter
beroep ik mij, opdat gij over honderd jaren God en mij verantwoording en
rekenschap geve. Ik weet ook zeker, dat ik na mijn dood u een scherpen steek in
het hart, en een smartelijke knaging in het geweten zal nalaten. God kome mij
met Zijn genade te hulp. en vergeve ulieden uw zonden, amen."
Door een profetische geest voorzegde hij dit aangaande de tijden, die na
honderd jaren aanbraken. Immers, deze martelaar van Jezus Christus werd gedood
in het jaar 1416; maar later heeft Maarten Luther, door de prediking van het
Evangelie, de waarheid aan het licht gebracht in het jaar 1517.
Zo zei ook Johannes Husz door een voorzeggende geest, tot de
schriftgeleerden en opperpriesters: gij kunt nu wel de Husz (hetwelk in de
Boheemse taal gans betekent) braden, maar de zwaan, die nog komen zal, zult gij
niet kunnen braden." Waarmee hij zeggen wilde, dat Maarten Luther, die
later komen zou, door hun geweld niet gedood worden.
[JAAR 1417].
Ulrich van Vahendres en Hendrik Raadgever, twee priesters te Reprensburg,
in Beijeren, werden, om de Evangelische waarheid, die zij moedig hadden
voorgestaan en verdedigd, in die stad, niet lang na de dood van Hiëronymus van
Praag, verbrand. Vignier zegt, dat dit geschiedde in het jaar 1417.
[JAAR 1417.]
In het jaar 1416 ging Katharina Saube van Thou, uit Lotharingen, te
Montpellier naar de parochiekerk te Sint Firmin tot bijwoning van de mis.
Vijftien of zestien dagen geleden had zij de burgemeesters der stad gebeden, om
in een nonnenklooster opgenomen te worden. De bedoelde burgemeesters, benevens
de ambachtslieden en het volk, samen meer dan 1.500 mensen, gingen in plechtige
optocht naar de genoemde kerk, en brachten Katharina als een bruid naar het
nonnenklooster, en lieten haar in een cel opsluiten, terwijl ieder naar huis
terug keerde. Omtrent 2 uur des namiddags. op de 21e Oktober van het jaar 1117,
plaatste Raymond Cabasse, leraar in de heilige Schrift, Predikmonnik, Vicarius
der kettermeesters, zich op de rechter stoel in het Hoofdstuk hij het raadhuis
te Montpellier, in tegenwoordigheid van de bisschop van Maguelonne, de
luitenant des stadhouders, van de vier orden en van het gehele volk, die het
plein voor het raadhuis hadden ingenomen. Daar werd de genoemde Katharina
Saube, die op haar verlangen in het nonnenklooster was opgenomen, volgens zijn
uitspraak in het openbaar voor een ketterse verklaard en veroordeeld, omdat zij
vele veroordelenswaardige dwalingen tegen het katholieke geloof had verbreid,
te weten: dat alleen die mannen en vrouwen tot de katholieke kerk behoren, die
het leven van de Apostelen navolgen; verder, dat zij de hostie, die door de
priester gezegend was, niet wilde aanbidden, omdat zij niet geloofde, dat het
lichaam van Christus daarin tegenwoordig was; vervolgens dat het niet nodig was
aan de priester te biechten, maar dat het voldoende was wanneer men aan God
zijn zonden beleed; dat het even goed was, aan een vroom lid van de gemeente
als aan een kapelaan of priester te biechten; dat er na dit leven geen vagevuur
was, enz.
Nog vier andere artikelen stonden in het stadsboek geschreven, waarmee
Katharina beschuldigd werd.
Deze luidde aldus:
1. Dat er nooit een ware paus, kardinaal, bisschop of priester is geweest,
nadat de verkiezing van de paus niet meer door buitengewone werken des geloofs
bevestigd is,
2. Dat de goddeloze priesters en kapelanen het lichaam van Christus niet
kunnen heiligen. ofschoon zij de sacramentele woorden daarover uitspreken.
3. Dat de doop, die door een goddelozen priester wordt bediend, ter
zaligheid niets baat.
4. Dat de kinderen, na de doop, voor zij geloven kunnen sterven, niet zalig
worden (aangezien zij niets van weten) dan alleen door het geloof van hun
peters, meters, ouders of vrienden.
Hij de vier laatste artikelen schijnt het, dat haar tegenpartij niet ter
goeder trouw gehandeld heeft, of dat zij in alles geen volkomen kennis had van
de christelijke godsdienst.
Nadat het genoemde vonnis was gelezen, gaf meester Raymond Katharina aan de
rechter over, terwijl het volk bad, dat hij haar genadig wilde behandelen; maar
de rechter volvoerde het uitgesproken vonnis op dezelfde dag. Zo werd dan Katharina
naar de galg te Montpellier gevoerd, en daar als een ketterse verbrand. Toen er
velen waren, die zeiden, dat zij weer rechtelijk gedood was, hield de bisschop
van Maguelonne. nadat hij voor de raad de mis bediend had, een predikatie
betreffende genoemde Katharina, waarin hij de ontevredenheid van het volk met
vele en scherpe woorden op hevige wijze bestrafte. Door de strijd en het
martelaarschap van deze vrouw werden vele eenvoudige lieden bewogen, om ook in
die tijd van grote duisternis de waarheid wat naarstiger te onderzoeken.
[JAAR 1418.]
Johan Cobham, ridder, heer van Oldcastel, van adellijke afkomst, in het
koninkrijk Engeland, maar bovenal edel door de kennis des Heeren Jezus
Christus, die de waarachtige en hoogste adel is, was een zeer ijverig
voorstander der waarheid. Met vrijmoedigheid beleed hij dikwerf in het openbaar
parlement des konings, dat het vooral nuttig voor het koninkrijk Engeland zou
zijn, wanneer men de paus van Rome daarover geen heerschappij liet voeren.
In het koninkrijk Engeland had erin die tijd een grote vervolging plaats,
waarbij, door de geestelijke gezanten, priesters en monniken, allen dienaren
van de antichrist, veel onschuldig bloed, om de belijdenis van Jezus Christus,
vergoten werd; zodat vele godzalige lieden zeer beangst en benauwd waren, en
niet wisten, waar zij vluchten of gaan zouden, teneinde hun leven te behouden.
Maar God, de almachtige en barmhartige Vader, 'bewoog het hart van deze vromen
ridder, zodat hij hen allen zeer vriendelijk ontving, verborg, hielp, beschutte
en beschermde. Ja, hij zond ook leraars uit, die de zuivere waarheid van het
Evangelie in de bisdommen van Londen, Roffen en Hereford zouden prediken, als
hoogst nodige arbeiders in de wijngaard des Heeren. Hij schroomde niet dit te
doen, in weerwil dat er, in het jaar 1401 een vermanende bepaling was
uitgevaardigd, dat men hem, die deze teer beleed, hielp bevorderen, bijstand of
gunst bewees, gevangen nemen en doden zou.
Dat zijn rijk aldus zou verstoord worden, kon de duivel niet lang verduren,
en dreef de geestelijkheid bijeen, om te beraadslagen, hoe men de waarheid het
best kon onderdrukken en uitroeien. Thomas Arundel, aartsbisschop van
Canterbury, een groot vijand van het Evangelie, riep daarom de geestelijkheid
samen in de parochiekerk van St. Paulus, en deed daar de vraag, welke middelen
men zou aanwenden om dergelijke ketterij te vernietigen. Eindelijk werd
besloten, dat men de beschermer der gelovigen, Johan Cobham, ridder, heer van
Oldcastel, in de eerste plaats zou ontbieden, en, wanneer hij niet ophield deze
zaak te ondersteunen, dat men hem dan ook door de wereldlijke macht zou doen
straffen.
Aangezien Johan hij de koning in groot aanzien stond, reisde de
aartsbisschop met zijn geestelijke stoet naar de koning op het slot Reningion,
bracht daar zijn klachten in tegen de heer van Cobham, en bad de koning te
bedenken aan welk groot gevaar, onrust en opstand, door zulk een man, het
koninkrijk Engeland werd blootgesteld. Doch de koning, als een kloek en
verstandig vorst, haastte zich niet, na de klacht van de aartsbisschop, zijn
oordeel uit te spreken. Hij beval de aartsbisschop, dat hij met zijn
bisschoppen enige lijd deze zaak moest laten rusten, aangezien hij met de heer
van Cobham persoonlijk deze zaak wilde bespreken, om het geschil en de
tweedracht, die er tussen hem en de geestelijken bestond, zoveel. hem mogelijk
was, uit de weg te ruimen. Daar de koning echter de vromen ridder van zijn
godzalige kennis en voornemen niet kon af brengen, en de aartsbisschop niet
ophield met hem te verklagen en te beschuldigen, gaf de koning eindelijk de
gehele zaak de bisschoppen over.
Men liet hem schriftelijk uitnodigen, waaraan hij niet wilde beantwoorden.
Daarna riepen zij hem, en daagden hem hij zich door brieven, die geslagen waren
aan de deuren der domkerken te Roffen, twee Engelse mijlen van het slot
Conveling gelegen, waar de heer van Cobham woonde. Toen hij er later op de
bepaalde dag niet verscheen, deden zij hem in de ban, lieten hem door de
dienaren des konings gevangen nemen, en in de Tower te Londen opsluiten. Toen
zij hem nu in hun macht hadden, vergaderden zij, namelijk Thomas, aartsbisschop
van Canterbury, de heer Richard, bisschop van Londen, en Hendrik, bisschop van
Winchester, lieten de gevangene in de vergadering brengen, en beschuldigden hem
van de volgende artikelen:
Van het sacrament des altaars.
Van de biecht.
Van de verering der beelden.
Van de bedevaarten.
Van de sleutelen en de macht der kerken.
Aangaande deze artikelen begeerde heer Johan zijn belijdenis in het openbaar
te mogen afleggen. Toen hem dit toegestaan werd, las hij een brief en beleed,
dat onder het hoogwaardig sacrament, onder de gestalte van brood en wijn, de
gelovigen uitgedeeld wordt het lichaam en bloed van Christus Jezus; dat de ware
boetvaardigheid bestond in verbetering van het leven, met zulk een biecht en
voldoening als de Heilige Schrift eist en vordert; dat de bedevaarten niet
nodig waren, want hij, die uit een oprecht geloof zijn leven betert, verkrijgt
het eeuwige leven; hem, die dat niet doet, zullen geen bedevaarten helpen; dat
de beelden, te vereren, en het een hoger te schatten dan het andere,
schandelijke afgoderij is, die jegens God gepleegd wordt, Wien alle eer alleen
toekomt.
Toen hij deze bekentenis had afgelegd, wilden zij hem verder vragen, hoe
hij het woord gestalte verstond, of hij meende, dat het brood hetzelfde wezen
of dezelfde natuur behield, of dat het in vlees werd veranderd. Doch hij
antwoordde, dat hij hij zijn voornoemde bekentenis bleef volharden. Zij
bedreigden hem toen, en zeiden, dat zij de macht hadden hem voor een ketter te
verklaren, wanneer hij zijn bedoeling en gevoelens niet duidelijker uitlegde.
Maar de heer van Cobham bleef hij zijn gegeven antwoord. Zonder verder in
woordenwisseling te treden, gingen zij uit elkaar, terwijl de heer Johan weer
naar de gevangenis werd geleid.
Op Maandag de 25sten September kwamen zij andermaal samen, terwijl hun
aantal vermeerderd was met advocaten en schrijvers om de rechtszaak te
behandelen. Maar aangezien de heer van Cobham in de ban was, vroegen zij hem,
daar niemand die in de ban is voor het gerecht spreken mag, of hij ook wenste
van de ban ontslagen te worden, of vrijspraak begeerde'? Hij antwoordde, dat
hij in dit geval van hen niets begeerde, want dat God hem alleen kon vrijspreken.
Vervolgens begeerden zij, dat hij op de bewuste artikelen wat uitvoeriger
zou antwoorden. Eindelijk beleed hij, dat het brood in het sacrament zijn
natuur niet veranderde, en, wat de roomse kerk daarvan heeft vastgesteld, zij
dat gedaan heeft tegen de Heilige Schrift, en wel tijdens zij rijk begon te
worden, en alle valse en schadelijke leringen in haar midden de overhand
kregen.
"Wat de biecht betreft," zei hij, “wanneer iemand zich aan grote
zonde schuldig maakt, die hij niet kan overwinnen, dan is het goed, dat hij tot
een priester gaat en hem raad vraagt; maar, dat hij de priester zijn zonden zou
biechten, is tot zaligheid niet nodig, want zodanige zonden moeten door een
waar berouw en zonder de biecht weggenomen en gereinigd worden."
Wat men zegt van de verering van beelden en de aanbidding van het kruis,
zei hij, dat men alleen de Heere Christus, die aan het kruis gehangen heeft,
moet vereren en aanbidden.
Aangaande de sleutelen en het gezag der kerk, zoveel de paus,
aartsbisschoppen, bisschoppen en andere geestelijken betreft, beweerde hij, dat
de paus de ware antichrist en het hoofd van de antichrist was, en de anderen
zijn leden, die men niet schuldig is te gehoorzamen, tenzij zij in leer en
leven ware navolgers van Christus en Zijn apostelen zijn; en dat hij alleen de
ware nakomeling van Petrus is, die een vroom en onschuldig leven leidt, en
niemand anders. Onder het opheffen van zijn hand, riep hij zeer luid tot het
omstaande volk: Allen, die gij hier tegenwoordig ziet, om mij in dit gericht te
veroordelen, zullen u allen en ook zichzelf verleiden, en u in de afgrond der
hel doen zinken; wacht u daarom voor hen!"
Toen de priesters deze vrijmoedigheid hoorden, verdoemden zij hem onderling
als een ketter, deden hem in de ban, en leverden hem over in de handen van de
wereldlijken rechter. Aldus werd hij als een ketter en verachter der
koninklijke majesteit, weer naar de Tower te Londen geleid, en daar gedurende
geruime tijd opgesloten.
Dit was echter bovengenoemde geestelijkheid niet genoeg. Naar alle plaatsen
zonden zij plakkaten en brieven, waarin zij verklaarden, dat allen die onder de
bescherming van de edelen heer van Cobham stonden, als ketters veroordeeld
waren, dat niemand hun verblijf verlenen, ontvangen, bijstaan of behulpzaam
wezen zou.
Toert de genoemde heer Johan Cobham geruime tijd in de gevangenis had
doorgebracht, wist hij des nachts uit te breken en zich te verlossen, en
vluchtte met enige anderen naar Cambriam, waai hij ook dagelijks met de
geestelijken streed, en niet naliet het Evangelie van Jezus Christus te
verkondigen. Vier jaren daarna echter nam men hem weer gevangen, en bracht men
hem in de gevangenis te Londen. Onder de regering van koning Hendrik de vijfde,
werd hij op de plaats St. Egidy aan een ijzeren keten opgehangen en daarna
verbrand. Dit geschiedde de 14e December in het jaar der geboorte van Jezus
Christus, onze enige Zaligmaker, 1418.
Aldus werd aan hem zijn eigen voorzegging vervuld, die hij hij herhaling
aangaande zichzelf uitsprak, namelijk, dat hij op aarde zou omkomen en sterven
zoals voormaals de Profeet Elia deze aarde verliet, waarmee zijn heengaan enige
overeenkomst had. Gelijk Elia in een vurige wagen van deze aarde tot het
eeuwige leven werd opgenomen, werd de vrome martelaar Johan Cobbam, heer van Oldcastel,
eerst aan een galg als op een wagen gezet en opgehangen, daarna een vuur rondom
hem aangelegd, en aldus op gelijke wijze door een vurige wagen opgenomen; en,
terwijl hij de geest gaf, voer hij naar de hemel tot het eeuwige leven.
[JAAR 1420.]
Na de dood van Johannes Husz en Hieronymus van Praag, namen velen de leer
van het heilige Evangelie aan, en gaven met hun bloed aan de waarheid
getuigenis. Onder deze bevond zich, benevens vele anderen, meester Hendrik
Groenvelder, die van de orde des pauselijken priesterdoms tot de ware kennis
van Christus kwam, en te Regensburg verbrand werd, in het jaar 1420.
[JAAR 1420.]
Johannes Krasa, een der voornaamste kooplieden te Praag, kwam te Breslau,
in Silezië, om koophandel te drijven. In die tijd bevonden zich daar keizer
Sigismund en Ferdinandus, een gezant van de paus, om te overleggen op welke
wijze men het best de bewoners van Bohemen de oorlog zou kunnen aandoen.
Terwijl Johannes Krasa in het logement vertoefde, kwam het gesprek op de
godsdienst, waaibij hij de onschuld van Johannes Husz, die ten onrechte was
veroordeeld, en het sacrament van het heilige avond maal onder beider
gestalten, krachtig verdedigde, en werd ten gevolge daarvan gevangen genomen en
in de kerker gesloten.
De volgende dag werd in dezelfde gevangenis gebracht zekere Nikolaas van
Bethlehem, student, die door de gelovigen te Praag was belast, de keizer te
kennen te geven, "dat, indien hij de drinkbeker in het sacrament des
heiligen avondmaals wilde toelaten, zij hem als hun koning zonden
erkennen." Over deze woorden werd de keizer op deze bode in hoge mate
verbolgen.
Toen deze student hij Krasa was geplaatst, versterkte hij hem door
Godvruchtige toespraken, en verblijdde zich, dat hij hem tot een metgezel in
het lijden was gegeven. "Mij broeder Nikolaas, zei hij, welk een eer is
het, dat wij geroepen worden, om getuigenis af te leggen van de Heer Jezus;
laat ons met moed deze kleine onaangenaamheden ons getroosten; de strijd is
kort, de prijs eeuwig. Laat ons gedenken wat een bitteren dood onze Heere voor
ons heeft uitgestaan, door welk onschuldig bloed wij verlost zijn, en welk
lijden de martelaren en maagden hebben verduurd!" Met deze en dergelijke
vermaningen hield hij niet op hem te versterken. Maar toen zij naar de
strafplaats werden geleid, en de touwen, waarmee Nikolaas aan een paard door de
straten der stad zou gesleept worden, hem aait de voeten werden gebonden,
herriep hij, uit vrees voor de dood, en omdat Ferdinandus, de gezant van de
paus, hem het behoud van zijn leven beloofde, zijn gevoelen, namelijk, de
dwaling van Husz, zoals men die zo noemde. Doch Krasa bleef, in weerwil van
alles wat de gezant hem zei, onbeweeglijk als een rots. Langzaam werd hij door
de straten gevoerd, terwijl de gezant van de paus hem overal volgde, en
herhaalde malen uitriep, ja, zelfs gebood, dat de scherprechter moest
stilstaan:,Heb medelijden met uzelf; laat uw dwalingen varen, die de Bohemers
lichtvaardig hebben uitgestrooid!" Hierop antwoordde Johannes: “Ik ben
bereid voor het Evangelie van Jezus te sterven!" Aldus werd hij, meer dood
dan levend, naar de gerechtsplaats gesleept en verbrand. Dit geschiedde de 11e
Maart in het jaar onzes Heeren 1420.
[JAAR 1420].
In hetzelfde jaar, toen Albertus van Oostenrijk zijn zwager Sigismund, te
Praag hulp verleende, namen zijn soldaten te Arnostowitz gevangen Wenceslaus,
pastoor in die plaats; een man door God en de mensen bemind, en zijn kapelaan,
drie werklieden en vier kinderen, van welke het oudste elf jaren was. De eerste
werden gevangen genomen, omdat zij het avondmaal onder beide gedaanten hadden
bediend, de anderen omdat zij daaraan deel. genomen hadden. Zij werden naar
Bystricium, waar het leger lag, tot de overste des legers gebracht die hen
verder naar zijn bisschop zond. De bisschop gebood de pastoor de bediening van
het avondmaal onder beide gedaanten af te zweren, en bedreigde hem, dat hij
anders zijn vermetelheid met de vuurdood zou boeten. Zeer moedig antwoordde
daarop de pastoor: Leert het Evangelie u dit? Is dat in uw Missalen vervat? Is
dat recht? Door dit vrijmoedig antwoord werd de woede der omstanders derwijze
opgewekt, dat een soldaat de pastoor met een ijzeren handschoen zodanig in het
gezicht sloeg, dat het bloed hem de neus en de mond uitliep. De bisschop zond
hem weer tot de krijgsoverste en daarna de krijgsoverste Item andermaal tot de
bisschop. Toen zij hem de gehelen nacht bespot hadden, werden zij samen des
morgens vroeg, op Zondag, naar buiten gebracht, en de kleine strijders
Wenceslaus in de schoot gegeven. Als de bisschop nog verder aanhield, dat
Wenceslaus de drinkbeker in het avondmaal voor de leken zou afzweren,
antwoordde hem de getrouwe herder, zo voor zich als uit aller naam:
“Dat zij ver van ons! Liever willen wij duizend doden sterven, dan de
waarheid, die zo duidelijk in het Evangelie is geopenbaard, af te zweren."
Terstond werd de scherprechter bevolen, het hout aan te steken, en zond hen
aldus als een welbehaaglijke offerande naar boven, terwijl de pastoor het
laatst van allen de geest gaf. Dit geschiedde de 7e Juli in het jaar onzes
Heeren 1420.
Op de 20sten April 1421 werd ook Nikolaas Hochta te Praag, om zijn
belijdenis der Evangelische waarheid, verbrand.
[.IAAR 1421.]
De burgemeester van de stad Leitmeritz, Pichel genaamd, een wreed en
bedrieglijk mens, liet ’s nachts vier en twintig van de voornaamste burgers, en
onder die zijn eigen schoonzoon, gevangen nemen, en in een kelder van een
toren, staande aan de St.Michielspoort, werpen. Toen zij door de honger en
koude half dood waren, liet hij hen eindelijk, in overleg met de bevelhebbers
van keizer Sigismund, gewapenderhand eruit halen, sprak het doodsvonnis over hen
uit, deed hun de handen en voeten aan elkaar binden, op wagens leggen, en
beval, dat zij naar de oever van de Elbe zouden worden gevoerd, om daar
verdronken te worden.
Toen het volk dit vernam, liep het samen met de vrouwen, kinderen,
bloedverwanten en vrienden, en weenden en maakten groot misbaar. Terwijl dit
plaats had, verscheen ook de dochter van de burgemeester, viel met gevouwen
handen de vader te voet, en bad om het leven van haar man. Maar de vader,
harder dan een steen, beval haar niet langer te wenen, zeggende, dat zij niet
wist, wat zij bad. Kunt gij, vroeg hij, geen waardiger man dan deze krijgen?
Toen zij zag, dat haar vader niet te verbidden was, stond zij op met de
woorden: "Gij zult mij, o vader, niet meer uithuwelijken. En terwijl zij
op haar borst sloeg, volgde zij, met hangende haren, haren man en de anderen.
Toen deze martelaren aan de oever van de Elbe gebracht waren, werden zij
van de wagens geworpen. Terwijl de schuiten werden gereed gemaakt, verhieven
zij hun stemmen, riepen de hemel en de aarde aan tot getuigen van hun onschuld,
namen afscheid van hun vrouwen, kinderen en vrienden, vermaanden hen tot stand
vastigheid, drukten hun op het hart, dat zij liever Gods Woord dan menselijke
verdichtselen moesten aanhangen, baden God voor hun vijanden, en bevalen hun
zielen Gode aan. Daarna werden zij in de schuiten gebracht, naar het midden der
rivier gevaren, en gebonden aan handen en voeten, in de rivier geworpen en
verdronken. Met stokken en grote vorken, beslagen met ijzer, stonden de scherprechters
aan de oevers, om te verhoeden, dat zij aan de oever zouden komen; terwijl zij,
die dit, hoewel half dood, beproefden, werden doorstoken en naar de diepte
gestoten.
Toen de dochter van de burgemeester de ogen op haar man sloeg, sprong zij
eindelijk in de rivier, en terwijl zij hem omhelsde, poogde zij hem uit de
stroom te verlossen. Maar, aangezien de rivier te diep was, en haar man niet
kon losgemaakt worden, en het ingezwolgen water hem deed zinken, verdronken zij
beiden, en werden de volgende dag, zoals zij elkaar hadden omvat, opgehaald en
begraven. Dit had plaats de 30sten Mei van het jaar onzes enige Zaligmakers
Jezus Christus 1421.
Deze gebeurtenis werd kort daarna in de Allerheiligenkerk te Leitmeritz,
tot een eeuwige gedachtenis, met gulden letteren beschreven, en ook afgebeeld
in een tafereel voor de poort van St. Michiel. Op bevel van de commissaris der
hervorming, George Micha, werd dit schilderstuk de 8e Juli 1623 uitgewist en
vernietigd.
[JAAR 1421.]
Op de 23sten Juli 1421 werd te Praag in een vat gesloten en verbrand zekere
schoenmaker, Wenceslaus genaamd. Hem werd ten laste gelegd, dat hij, toen de
Priester het sacrament ophief, niet wilde opstaan, ja daaraan de rug had toegekeerd,
en aldus het sacrament onteerd.
De 26e Februari van hetzelfde jaar werd ook gevangen genomen Martinus
Loquis en beschuldigd, "dat hij de dwalingen van de Waldenzen, het
sacrament des avondmaals betreffende, invoerde; en dat hij met ergerlijke ontheiliging
leerde, dat het brood des avondmaals en de drinkbeker gegeven woest worden in
de handen der Avondmaalgangers."
Op de voorbede van de gelovigen te Tabor werd hij uit de gevangenis
ontslagen, en om de haat en het woeste geweld van zijn tegenstanders te
ontgaan, vatte hij het voornemen op, om met een ander leraar, Procopius
Jednooky, naar Moravië te gaan. Toen zij door Chrudim trokken, weide zij
herkend en door de bevelhebber der stad, Dionysius, gevangen genomen en in
boeien geklonken, terwijl men hun vroeg hoe zij over het sacrament des altaars
dachten. Daarop antwoordde Martinus: "Het lichaam van Christus is in de
hemel; Hij heeft één lichaam en geen meerdere gehad." De bevelhebber, die
zulk een zogenaamde godslastering niet kon verdragen, gaf hem een slag in het
aangezicht, en beval aan denscherprechter zich gereed te houden om de ketter te
verbranden.
Ambrosius echter, pastoor te Hiadisko, die daar tegenwoordig was, verzocht
dat zij aan hem zouden overgegeven worden; hij nam hen mee naar Hiadisko, hield
hen daar vijftien dagen gevangen, en poogde op verschillende wijzen hen tot
bekentenis en herroeping van hun dwalingen, zoals hij meende, te brengen. Maar
hij bevond, dat zij standvastiger waren dan hij dacht, en zond ben naar
Raudnitz. Daar werden zij in een duistere gevangenis gezet, waar zij gedurende
twee maanden, zonder dat iemand toegang tot hen had, vertoefden, en op
onderscheiden wijze werden gepijnigd. Men brandde hun gaten in het lichaam,
totdat de ingewanden er gedeeltelijk uithingen, opdat zij bekennen zouden waar
zij deze dwalingen hadden geleerd, wie hun geestverwanten te Praag waren,
terwijl men ben trachtte te dwingen enige namen der zodanigen bekend te maken.
Toen zij aangespoord werden, dat zij van de weg der dwaling tot de waarheid zouden
terugkeren, antwoordden zij al lachende: “Niet wij, maar u moet er aan denken
om terug te keren; want u bent van Gods Woord tot de bedriegerijen van de
antichrist afgedwaald, en u bidt het schepsel aan in plaats van de Schepper.”
Als zij tot de strafplaats, waar het vuur ontstoken was, werden geleid,
vermaanden de mispriesters hen, dat zij het volk zouden verzoeken voor hen te
bidden, waarop zij tot antwoord gaven: “Wij hebben die gebeden niet nodig. Maar
christenen, bidt voor uzelf en voor hen, die u verleiden, dat de
allergenadigste Vader geeft, dat u de duisternis mag verlaten.” Op de
gerechtsplaats aangekomen, werden zij beiden in één vat gesloten en verbrand.
Dit gebeurde de 21e augustus, in het jaar van onze Heere 1421.
[Jaar 1421.]
Aangaande deze Johannnes Purvey verhalen de engelse geschiedschrijvers, dat
hij een leraar was in de vrije kunsten, en dat hij van de tegenpartij en de
vijanden van de waarheid veel moest lijden. In zijn jeugd had hij Johannes
Wicklef tot onderwijzer, door wie hij in de gronden van de ware godsdienst goed
onderwezen was, en die naderhand dit onderwijs zo goed wist aan te wenden, dat
hij door zijn leer en godzalig leven vele zwakke en verdwaalde schapen uit de
kaken van de wolven redde, en weer tot de schaapsstal van Christus bracht.
Daarom noemde zijn tegenpartij hem smadelijk een boekverkoper van de Lollarden
en een uitlegger van Wicklef. Deze Purvey had in die tijd, door de kracht van
de Heilige Geest, de vrijmoedigheid te zeggen, dat Rome het verleidende
hoerenhuis was van de satan, en dat zijn zo zeer vergiftigde en geschonden kerk
de hoer was, met purper bekleed en met goud behangen, met wie de koningen en
bewoners van de aarde zo lang gehoereerd waren, dat zij dronken waren van de
wijn van haar hoererij, Openb. 17. Thomas Arundel, aartsbisschop van Canterbury
vervolgde hem, liet hem in het jaar 1396 in de gevangenis werpen, en bracht hem
door velerlei pijnigingen zo ver, dat hij in de St. Pauluskerk te Londen zeven
artikelen herriep. Toen hij weer naar de gevangenis geleid was, bekende en
verbeterde hij zijn afval en kleinmoedigheid zo, dat hij van de waarheid niet
afgetrokken kon worden. In het jaar 1421 stierf hij in de gevangenis, nadat hij
onder de aartsbisschop van Canterbury, Hendrik Chicheley, vreselijke
martelingen en pijnigingen had verduurd.
[Jaar 1422.]
Johannes Zelivaeus was een monnik van de orde van de Premonstratensen, in
het klooster ad Mariam niveam, een van degenen, die verkozen waren tot de
bediening van de consistorie, en beroemd niet alleen om zijn geleerdheid, maar
ook wegens zijn welsprekendheid. Deze had een grote toeloop, terwijl hij de
zuivere leer van de Taborieten verdeedigde; en hij raadde de bewoners van
Praag, dat zij moesten verwisselen van burgemeester. Maar de bevelhebber van
Oud-Praag, Haschok de Welish, die hij dikwijls had bestraft, maakte met de
raad, die voor de helft uit priesters bestond, een samenzwering, en lokte, de
9e maart 1422, deze Johannes Zelivaeus, met nog twaalf anderen, in het raadhuis,
en lieten hen op staande voet onthoofden. Door het wegvloeien van zijn
onschuldig bloed werd dit bemerkt. Het veroorzaakte een geweldig oproer, zodat
het volk de deur van het raadhuis openbrak, om de lijken van de doden te
vinden. Een van hen bracht het hoofd van Zelivaeus, en terwijl hij dit aan de
voor het raadhuis verzamelde menigte vertoonde, ontstond er zo’n geween en
gehuil, dat het met geen pen is te beschrijven. Direct daarna liet zeker
priester, Gaudentius genoemd, het hoofd in een schotel door de gehele stad
omdragen, en hitste ieder, die hem ontmoette, tot wraak op, waardoor er onder
het volk een oploop ontstond, en er enige raadheren werden vermoord, en de
anderen de vlucht namen, terwijl men de colleges van de academie plunderde, de lijken
van de vermoorde gelovigen in de kerk bracht, waar zij op eervolle wijze werden
begraven.
Toen de predikant het geschrei van het volk hoorde, en zag, dat de lieden
zo verslagen waren, zo zelfs, dat er enigen in zwijm vielen, en naar buiten
moesten gedragen worden, was hij in het begin ook als verstomd; maar moed
vattende, verklaarde hij de woorden van Hand. 8. vs. 2: “En [enige]
godvruchtige mannen droegen Stefanus te zamen [ten grave], en maakten grote
rouw over hem.” Aan het einde van zijn predikatie toonde hij, onder roerende
woorden, tranen en betuigingen, het hoofd van Zelivaeus aan het volk, en
vermaande het ernstig, dat zij alles, wat zij van die getrouwe leraar gehoord
hadden, gedurig moesten bedenken, en al ware het dat een Engel uit de hemel hun
tegendeel leerde, zij hem niet moesten geloven.
[JAAR 1423.]
Willem Taylor, een priester in Engeland, was een oprecht man, en leidde een
onberispelijk en onbesproken leven. Met christelijke ijver weerstond hij de
pausgezinden, en als een getrouw en vroom dienaar van God, bestrafte hij hun
veelvuldige afgoderij op een moedige wijze. De verschrikkelijke godslastering,
die zij met hun valse en verleidelijke leer dreven, weersprak hij met
vrijmoedigheid, en streed daartegen met krachtige getuigenissen der Heilige
Schrift.
Inzonderheid verzette hij zich tegen de aanroeping van schepselen, en
beweerde, dat men het gebed alleen behoorde te richten tot de almachtige,
eeuwige God, waarover hij ook een boek schreef, waarin hij krachtig bewijst,
dat men de heiligen niet behoort aan te roepen.
Ofschoon de dienaren van de antichrist door velerlei pijnigingen en
martelingen hem gedwongen hadden om zijn gevoelens te herroepen, keerde hij
toch later, onder groot leedwezen over zijn afval van de Heere Jezus Christus,
tot de Evangelische waarheid terug, en deed andermaal een goede belijdenis. In
het jaar 1422 werd hij op het Smitsveld te Londen als een volhardend martelaar
en belijder van Jezus Christus verbrand, en dat alleen, zoals Waldenus
schrijft, om het artikel, waarin hij de aanbidding van geschapen voorwerpen
afgoderij noemde.
Jan Draandorp, een edelman uit Meissen, werd in het jaar 1424, om de
belijdenis der goddelijke waarheid, te Worms omgebracht.
Petrus Tornauw ontving, om dezelfde reden, de martelaarskroon te Spiers, in
het jaar 1426.
]Jaar 1428.]
Willem White, uit Kent, was een geleerd, oprecht, redelijk en welsprekend
man en priester in Engeland. Deze verwierp de pauselijke leerstellingen, en nam
een godzalige, ernstige maagd, Johanna geheten, tot zijn echte vrouw. Hij hield
echter daarom niet op het zuivere Woord van God en het heilig Evangelie te
verkondigen, en arbeidde met des te grotere ijver, om de kennis en het geloof
van Jezus Christus door lezen, schrijven, prediken en onderwijzen te
verbreiden. De hoofdartikelen van zijn leer waren:
1. Dat men de vergeving van zonden alleen van de almachtige God moest
ontvangen.
2. Dat het ongehuwde leven van de paus en zijn geestelijken niets anders is
dan een duivelse staat, een zware gevangenis van de antichrist, en daarom een
afval der christelijke vrijheid.
3. Dat men de beelden en de andere afgodische schilderijen niet behoort te
dulden.
4. Dat men het gebeente der gestorven heiligen niet behoort te vereren.
5. Dat de roomse kerk de vijgenboom is, die de Heere Christus,omdat hij
geen vruchten van het ware geloof voortbracht, vervloekt heeft.
6. Dat de gekapte, gewijde en beschoren geestelijken, dienaren en
krijgslieden zijn van Lucifer; en dat zij allen, omdat hun lampen niet branden,
zullen uitgesloten worden, wanneer de Heere Christus komen zal.
Toen hij, onder de aartsbisschop, Hendrik Thirheley te Canterbury, in het
jaar 1124 gevangen zat, herriep hij, uit menselijke zwakheid en uit vrees voor
de dood, zijn gevoelens, en bekende, dat hij gedwaald had. Maar gelijk hij uit
zwakheid viel., werd hij later weer in Christus Jezus veel vromer en
krachtiger, en legde andermaal een vrijmoedige belijdenis af.
Eindelijk werd hij in September, in het jaar der geboorte van onze enige
Zaligmaker 1428, te Norwich door de bisschop, Wilhelmus genaamd, van dertig
artikelen beschuldigd en verbrand.
Zijn huisvrouw, die de heilige voetstappen van haren man navolgde, stichtte
en onderwees ook vele mensen in de vrees Gods, waarom haar ook door de bisschop
veel leed en verdriet werd berokkend.
[Jaar 1430.]
In het jaar onzes Heeren 1430, kort na de kroning van Hendrik de zesde,
koning van Engeland, leefde te Londen een burger, Richard Hoveden genaamd, een
wolkammer. die, hoewel hij maar een eenvoudig ambachtsman was, nochtans door
generlei aanvallen, aanrandingen, bedreigingen noch pijnigingen van Wicklef,
leer, die hij volgde, kon afgetrokken worden. Ten gevolge daarvan werd hij door
de roomse bisschoppen en geestelijken als een ketter veroordeeld en hij de
Tower te Londen verbrand.
[JAAR 1431.]
Thomas Bagley, een Vicarispriester van de parochie te Momendem, in het
graafschap Essex, was een voortreffelijk leerling en aanhanger van Wicklef. Hij
werd omtrent half vasten, in het jaar onzes Heeren 1431, door de bisschoppen te
Londen veroordeeld, ontwijd en levend op het Smitsveld verbrand.
[JAAR 1131.]
In hetzelfde jaar, 1431, werd Paulus Craw, geboren in het koninkrijk
Bohemen, in de nabijheid van de stad St. Andries, in Schotland, gevangen
genomen en beschuldigd, dat hij daar gekomen was om de leer van Wicklef en Husz
te verbreiden; om welke reden hij door de bisschop Hendrik veroordeeld werd, en
aan de wereldlijken rechter overgegeven, om als ketter te worden verbrand. De
reden waarom hij veroordeeld werd was, dat hij moedig verwierp en verachtte het
boze, afgodische gevoelen van de pausgezinden, aangaande het sacrament des
avondmaals, de aanroeping van gestorven heiligen, de oorbiecht en andere
dingen, die zij op schandelijke wijze in de christelijke gemeente hadden
ingevoerd.
[JAAR 1433.]
Petrus Clarcke, hoogleraar in de wijsbegeerte aan de hogeschool te Oxford
en priester, was een getrouw en ijverig leerling van de apostolische leraar
Johannes Wicklef, waarom hij dan ook in zijn predikatiën zeer uitvoer tegen de
priesters en monniken. In het jaar 1420 streed hij in het openbaar in de
scholen der godgeleerden te Oxford tegen Thomas Walden, en verzette zich tegen
de aanbidding der gestorven heiligen, beeldendienst, overblijfselen van
heiligen, offeranden, tienden, beloften, bedevaarten, bedelarij der monniken en
beweerde, dat de dom me monniken Gods Woord door hun bijgeloof vervalst hadden.
Hij behandelde tien nog met enige verschoning, omdat hij de onreinheid van het
pausdom niet al te zeer wilde aanroeren, teneinde geen groten stank te
veroorzaken. Nochtans moest hij spoedig na zijn twistgesprek, uit vrees voor de
tirannie der pausgezinde Farizeeën en om zijn leven te sparen, naar Bohemen
vluchten, waar hij, door geestelijken ijver aangevuurd, een boek schreef tegen
de synagoge van de antichrist, en nog een ander tegen de bedelmonniken.
Eindelijk werd hij in het jaar 1433 door de dienaren des keizers gevangen
genomen, en evenals Caxtomis en Fabianus omgebracht, doch men weet niet, welke
dood hem werd aangedaan.
[JAAR 1136.]
Thomas Rhedon, te Thenes in Bretagne, in Frankrijk, geboren, was een
karmelieter monnik, en reisde met enige geestelijken uit Venetië, door Italië,
hij had, hoewel hij tot de verbasterde en goddeloze bedelorde behoorde, in zijn
monnikenleven enige kennis der waarheid verkregen De reden waarom hij Frankrijk
verliet en Italië doorreisde, was de hoop, daar enige godvruchtige monniken te
vinden, met welke jij in het geheim en op godsdienstige wijze zou kunnen leven,
en zo dagelijks in alle godzaligheid meer en meer toenemen.
Hij dacht dit nergens beter te zullen vinden dan in de stad Rome, daar zij
als het hoofd der christenheid en de zetel van de allerheiligste Apostel Petrus
geacht werd. Ziedaar waarom hij naar Rome ging, waar hij echter alles anders
vond dan hij meende. In plaats van heiligheid, vond hij geveinsdheid; in plaats
van geestelijk leven, trof hij er hoogmoed en verkwistenden overvloed aan; in
plaats van vrees Gods, vond hij er niets dan verachting van Goden vreselijke
godslastering.
In zijn predikatiën bestrafte hij eindelijk hevig dit schandelijk leven,
vooral dat van de kardinalen en opperpriesters, die zich nog wel geestelijke
hoofden der christenheid noemden. Maai, aangezien de duisternis het licht niet
kon verdragen, en de waarheid de vijandschap groter maakte, beschuldigden zij
Thomas als een ketter, om de volgende artikelen:
1. De kerk heeft een hervorming nodig, zeker is het, dat zij zwaar zal
gestraft en hervormd worden.
De gelovige Joden, Turken en heidenen, die Mauritanië (Noordkust van
Afrika) wonen, zullen in de laatste tijd ook tot de Heere Christus en het
christelijk geloof bekeerd worden.
3. Dat Rome vol was van verschrikkelijke gruwelen.
4. Dat de ban van de paus, wanneer die onrechtvaardig toegepast werd, niet
te vrezen was; dat ook zij, die hem verachtten, niet zondigden.
In die tijd regeerde te Rome paus Eugenius IV, voor wien Thomas geroepen
werd. Toen hij daar verscheen, werd hij in de gevangenis geworpen. Als hij
daarin enige tijd vertoefd had, en op velerlei wijze gepijnigd, werd hij
vervolgens van zijn priesterschap ontzet en daarna verbrand, en wel in het jaar
van onze enige Zaligmaker Jezus Christus 1436, vier jaren, nadat hij te Rome
was gekomen.
[JAAR 1453.]
Reijnold Pebocke, bisschop te Chichester, werd door de valse bisschoppen in
Engeland, om de belijdenis van de ware leer van het evangelie, op vreselijke
wijze verdrukt; en, zoals enige schrijven, nadat hij van zijn bisschoppelijke
waardigheid ontzet was, tot aan zijn dood gevangen gehouden, ofschoon anderen
menen, dat hij in het geheim werd omgebracht.
[JAAR 1455.]
Hij wijze van geschiedenis, zouden wij zeer veel kunnen meedelen aangaande
de gelovigen in de eerste tijd der hervorming, toen zij nog weinig verlicht
waren, en toch velerlei martelingen met standvastigheid verdroegen, doch door
het lang tijdsverloop zijn vele namen van hen verloren gegaan. Het kan ook geen
verwondering baren, dat de onderdrukking van de zogenaamde geestelijkheid zich
uitstrekte tot de burgers en de mindere standen, aangezien zelfs de priesters
en bisschoppen niet van de verdrukking verschoond bleven. In welke staat,
toestand en betrekking de mensen zich ook bevinden, wat die ook zij, kan God,
als Hem dit behaagt, enige daaruit in Zijn wijngaard trekken. Baleüs, een
engels geschiedschrijver, verhaalt van zekere Mattheüs Hager, die, om de
belijdenis van het heilige Evangelie, en omdat hij, zonder twijfel, de zaak van
Johannes Husz in Duitsland voorstond, te Berlijn werd omgebracht in het jaar
onzes Heeren 4455.
[JAAR 1473.]
In het jaar 1473, tijdens de regering van koning Eduard de vierde, werd
Johannes Goose (dat is gans) een zeer godzalig en standvastig dienaar van
Christus, om de goddelijke waarheid, als een ketter veroordeeld, en in Augustus
op het plat van de Tower, of de gevangenis te Londen, levend verbrand.
[JAAR 1479.]
Deze man was een dokter in de godgeleerdheid en prediker in de stad Worms,
waar hij in het jaar onzes Heeren 1470, onder groten toeloop van hoorders, het
Evangelie verkondigde. Doch de vijanden der waarheid, die dit niet konden
verdragen, legden hem listen en lagen, en namen hem eindelijk gevangen. Naar
aanleiding van enige artikelen, ontleend aan zijn predikatiën en geschriften,
beschuldigden zij hem van ketterij. Onder andere dingen hield hij vol, dat alle
christenen zalig worden uit loutere genade en door het geloof in Jezus
Christus; dat de mens geen vrije wil, dat is de genegenheid en begeerte tot het
goede, had; dat men alleen het Woord van God moet geloven en niet de
uitleggingen van de kerkvaders, en dat dit Woord van God door zich zelf moet
verklaard worden, en wel door vergelijking van de ene tekst met de ander; dat
de geestelijken geen macht hebben om enige wetten te geven voor het gewetens
der mensen, of om aan de Heilige Schrift zulk een uitlegging te geven, als hun
goed dunkt. Hij verwierp ten enenmale alle inzettingen, zoals het vasten, om
daarmee iets te verdienen, de vergeving van zonden door de paus, de bedevaarten
en andere bijgelovigheden. Hij verwierp verder het laatste oliesel en het
vormsel, keurde de oorbiechten de priesterlijke voldoening af. Betreffende de
oppermacht van de paus zei hij, dat dit maar een droom was, en dat hij vreesde,
dat de godgeleerden van vroeger tijd de teksten der Heilige Schrift zeer
verkeerd uitlegden en niet verstonden. Het huwelijk der geestelijken en de
bediening van het avondmaal onder beide gestalten keurde hij goed.
Als een ketter werd hij ter dood veroordeeld, en te Mainz, in het jaar
onzes Heeren 1479, in het openbaar omgebracht. Deze daad mishaagde vele
voortreffelijke mannen, die door de vonken der waarheid enigermate waren
ontstoken, onder wie waren Johannes Keijserbergh en Eugelinus Bruijswijck,
beide doktoren in de godgeleerdheid, die vrijmoedig betuigden, dat de monniken
hem uit haat en nijd hadden gedood, en dat het merendeel van zijn artikelen,
uit zijn predikatiën bijeengebracht, niets onberispelijks inhield.
[JAAR 1490.]
De geschiedschrijver Faventius verhaalt, dat er op het eiland Kandia een
man was van het geslacht der hertogin, die, om de belijdenis van de
Evangelische waarheid, beschuldigd, en door Petrus Thomas, gezant van de paus,
daar als een ketter veroordeeld werd, en eindelijk terwijl hij buitengewoon
standvastig bleef, verbrand; terwijl de anderen, die om dezelfde reden
veroordeeld waren, hun gevoelens herriepen. Dit had plaats in het jaar onzes
Heeren 1490.
Bovengenoemde schrijver meldt ook, dat deze gezant het lijk van zeker
iemand, die daar gestorven was, liet opgraven, en op de aarde werpen, aangezien
hij na zijn dood van ketterij werd beschuldigd.
[JAAR 1490.]
In Engeland bevond zich een ridder, Rogier Dule genaamd, die, om de
belijdenis en het voorstaan der goddelijke waarheid, werd opgehangen en
geworgd, en wel in het jaar 1490.
[JAAR 1494.]
Opmerkelijk is het, dat om de getuigenis van het Evangelie te vereren, geen
stand of soort van mensen uitgesloten was, die door God geroepen waren, om van
Hem en Zijn waarheid getuigenis te geven. Zo zijn er heerlijke voorbeelden van
vrouwen, die, niet mannelijke standvastigheid, allerlei pijnigingen en
martelingen, om de naam van Jezus Christus, verduurden. In het jaar 1491t, het
gle jaar der regering van Hendrik de zevende, koning van Engeland, werd, op de
2811 April, een zeer eerbare weduwe, Johanna Bougton, moeder van vrouw Young,
die meer dan tachtig jaren oud was, op het Smitsveld te Londen levend verbrand,
omdat zij van de artikelen van Wieklef vrijmoedig beleed en voorstond.
[JAAR 1498]
Hieronymus Savonarola, een Italiaan, de 25e September 1452 te Ferrara
geboren, werd door zijn vader Nikolaas, een voornaam man, aan zeer geleerde
onderwijzers overgegeven, om onderwezen te worden in alle kunsten en
wetenschappen, waarin hij zulke vorderingen maakte, dat hij reeds in zijn jeugd
een boek schreef over de bedeling der wetenschappen, dat het bewijs gaf van
bijzondere geleerdheid en godzaligheid.
Op rijpere leeftijd gaf hij zich geheel over aan het naarstig onderzoek van
de leer der godzaligheid. Om dit te beter te kunnen doen, liet hij de twisten
van de drogredenaars en kanonisten varen, en onderzocht met naarstigheid en
vlijt de geschriften der oude kerkleraars. Spoedig bemerkte hij echter, dat hij
in zijn vaderstad zijn studie niet goed kon voortzetten, en vertrok daarom naar
Florence, waar hij zich onder de Dominikaner orde liet opnemen.
Hij zijn verblijf onderzocht hij met grote naarstigheid de kerkelijke
geschiedenis en de geschriften der kerkvaders, vergeleek die met de Heilige
Schrift, en bevond dat de roomse kerk zich op jammerlijke wijze aan menselijke
overleveringen en instellingen had overgegeven, en dat het gedrag van de toen
levende bisschoppen zeer afstak hij dat van de vroegere.
Toen de monniken van het klooster zijn grote geleerdheid bemerkten, droegen
zij hem het predikambt op, dat hij gewillig aannam en met ijver bediende.
Ofschoon hij in het begin van zijn predikambt zeer verschonend te werk ging,
bestrafte hij nochtans, omtrent het jaar1483, met grote gestrengheid in het
openbaar in de Geminianuskerk, de dwalingen, bijgelovigheden en onkuisheid der
geestelijken, en beweerde, dat de roomse kerk weldra zou ondergaan, wanneer er
niet een algemene hervorming plaats had. Hierdoor haalde hij zich vele vijanden
op de hals, zodat hij genoodzaakt werd Florence te verlaten, en zich naar andere
plaatsen te begeven, waar hij, en vooral te Brescia, met vrijmoedigheid
predikte.
Na zeven jaren, en wel in het jaar 1490, keerde hij echter naar Florence
terug, waar hij, de eerste augustus, begon met de, verklaring van de Openbaring
van Johannes, en op de roomse kerk toepaste.
In de vasten van het volgende jaar, 1491, predikte hij in de St.
Liberatakerk, en bedreigde zo hevig als ooit tevoren de kerkdienaren met Gods
gramschap, om de vele dwalingen waaraan zij schuldig waren. Aangezien het volk
in grote menigte van alle kanten toeliep, en met gretigheid en aandacht hem de
genade van God in Christus hoorde verkondigen, verweten enige afgunstigen hem,
dat hij een oproerig mens was, die het volk naar zich zocht te trekken, dat hij
wat nieuws voor had, en meer zijn eigen dan Christus' ere zocht; wat alles
nochtans valse en opgeraapte lasteringen waren.
Maar door deze lasteringen van zijn tegenpartij, werd hij echter niet van
zijn schuldigen plicht afgeschrikt. Terwijl hij gedurig aanhield met bidden,
lezen, overdenken, schrijven en prediken, besteedde hij zijn tijd uitermate
goed, gelijk blijkt uit de talrijke en onderscheiden werken, die hij schreef,
zowel in de Latijnse als in de Italiaanse taal, en voornamelijk uit zijn
overdenkingen en verklaringen van enige Psalmen van David, zoals van de 31ste,
51ste, 80ste en het gebed des Heeren, gewoonlijk het "Onze Vader"
genaamd.
Nadat hij gedurende enige jaren het Woord Gods te Florence gepredikt had,
(zo getuigt Franciskus Guicciardino, Florentijns edelman, in zijn geschiedenis
van de Italiaanse oorlogen,) kreeg hij hij het merendeel van het volk de naam
en het gezag van profeet, en wel omdat hij ook (zelfs wanneer men in geheel
Italië geen zweem van oorlog bemerkte, en er grote rust en vrede genoten werd,)
menigmalen in zijn predikatiën voorzegde. dat er vreemde heirlegers in Italië
komen zouden, en wel met zulk een verbazende menigte van mensen, dat er geen
steden, met welke hechte muren ook, noch legers sterk genoeg zouden zijn, om
deze vreemde macht te kunnen weerstaan. Hiermee zag op de spoedig volgende
oorlog van Karel de achtste, koning van Frankrijk in Italië, die hij voerde om
het koninkrijk Napels in bezit te krijgen. En, aangezien hij zei, dat deze en
dergelijke dingen hem dooi, openbaring waren meegedeeld, murmureerden er velen
tegen hem, en haalde hij zich ook de haat op de hals van de paus en van vele
aanzienlijken te Florence.
Zijn uitwendig leven getuigde van een godzaligen wandel, en zijn
leerredenen waren tegen allerlei zouden en gruwelen gericht, zodat hij daardoor
velen tot verbetering des levens bracht.
Toen nu, gelijk hij voorzegd had, Karel de achtste, koning van Frankrijk,
met een machtig leger in Italië kwam, om zich van het koninkrijk,Napels meester
te maken, stond Pietro de Medicis, buiten weten van de Raad van Florence, de
koning enige steden en kastelen af, teneinde daardoor als het ware zijn gunst
te kopen. Hierdoor viel hij in ongenade hij de burgers, die hem haatten, en
eindelijk noodzaakten de stad te verlaten, terwijl hij zijn paleis en
bezittingen ten roof moest achterlaten en zich door de vlucht moest redden.
Enige kwaadwilligen verweten dit verraad aan Hieronymus, alsof het met zijn
voorkennis en op zijn raad geschied was. Hieronymus was, integendeel, hij de
komst van de koning hem tegemoet gegaan, en drong er hij hem in de naam van God
op aan, dat hij de Florentijnen hun steden en kastelen zou teruggeven. Onder
andere beweegredenen, bedreigde hij ook, dat, wanneer de koning zijn eed, die
hij op de heilige Evangeliën en als voor de ogen van God gezworen had, niet
nakwam, hij binnenkort door God zwaar zou gestraft worden, ofschoon hij in een
ander opzicht de oorlog van de koning voor een goddelijke oorlog moest houden.
Ofschoon de koning naar Frankrijk terugkeerde, hield Hieronymus niet op te
verkondigen, dat de koning van Frankrijk andermaal naar Italië komen zou, om de
last, die God hem had opgelegd, te volbrengen, te weten, om de kerk door, het
zwaard te hervormen en de tirannie van Italië te kastijden, en indien hij dit
niet deed. God hem zeer zwaar zou straffen. Hierdoor ontstond grote onenigheid
tussen de burgers van Florence; de een hield het met Hieronymus, en hoopte, dat
de koning van Frankrijk zou terugkeren, en de andere partij, die de talrijkste
was, wilde, dat men de zijde van de ligue (het verbond) zou kiezen, en alle
hoop op de koning zou laten varen. Zij zeiden, dat het slechts dwaasheid was,
daarop te wachten, en dat broeder Hieronymus een ketter was, die men in een zak
behoorde te binden en in de rivier te werpen. Wegens zijn vele voorstanders,
die hij te Florence had, durfde nochtans niemand de hand aan hem slaan.
Intussen schreven paus Alexander de zesde en de hertog van Milaan
herhaaldelijk brieven aan de bestuurders van Florence, waarin zij hun
verzekerden, dat zij hun de stad Pisa en andere plaatsen zouden teruggeven, als
zij de vriendschap Frankrijk zouden verbreken, en de genoemde broeder nemen en
straffen.
Om de gunst van de paus te winnen, veranderde de regering van Florence,
onder welke vele vijanden van Hieronymus waren, van gevoelen, zoals meermalen
geschiedde, en zette het volk tegen hem op, terwijl men beval hem uit het
klooster te halen, waaraan voldaan werd. Met twee andere monniken, Dominico de
Pescia en Sylvester, werd Hieronymus tot de regering gebracht, en met zijn
geestverwanten in de gevangenis gezet. In het oproer, dat daarover ontstond,
werd een der regeringsleden van de stad, Franciskus Vallerius, een getrouw
vriend van Hieronymus, dood geslagen.
Toen de paus vernam, dat zij gevangen zaten, zond hij twee gezanten,
namelijk, de generaal der Jakobijnen en de bisschop Romolin, om de zaak te
onderzoeken.
Op de 9e april 1490 werden er enige gekozen,voor wie Hieronymus en zijn
metgezellen zouden terechtstaan, en wel vanwege de raad, die de voornaamste
ambten bekleedden, zeven mannen, vanwege de gemeente negen en vanwege de paus
twee. Men begon eerst met zachte woorden, daarna met dreigingen en eindelijk
met martelingen Hieronymus te ondervragen, en wel naar vele zonderlinge dingen,
waarvan men hem verdacht, doch die hem voor het merendeel vreemd waren.
Aangezien hij volstandig in zijn gevoelens volhardde, en deze niet wilde
herroepen, werden zij derwijze op hem verbitterd, dat zij hem die dag tot twee
malen op de pijnbank legden, en op de jammerlijkste wijze mishandelden, welke
martelingen en wreedheden hij echter met groot geduld, doorstond.
Van de 11e tot de 19e april werd het verhoor van Hieronymus voortgezet,
doch zonder hem, zoals vroeger plaats had, te pijnigen, maar nu op de laagste
wijze hem te bespotten, en met scheldwoorden tegen hem uit te varen, zoals
gelijk bekend is, de vijanden van Christus gewoon zijn de verdrukte belijders
van de waarheid te behandelen. Eindelijk werden, op hun eigen verlangen, zijn
bekentenissen op vier en twintig vellen papier opgetekend, en op de 19e april
hem voorgelezen, terwijl hij gedwongen werd die te ondertekenen, ofschoon er
niets in gevonden werd waarom men hem met recht ter dood kon veroordelen,
aangezien hij zich op elk punt zeer gepast wist te verantwoorden. De reden
waarom hij sterven moest, was vooral, dat hij de paus en zijn zich noemende
geestelijken te veel had aan de kaak gesteld, en hun bijgelovigheden en
dwalingen in zijn predikatiën openlijk had aangewezen en bestraft.
Hij het laatste onderzoek waren er nog meer tegenwoordig dan hij de
voorgaande, en wel de afgevaardigden Adimaris, Rainaldus de Orsinis, Vikarius
van de bisschop van Florence, voorts Castellanus de Castellanis, dokter in de
rechten, Franciskus Salviatus, prior van het St. Markusklooster en nog vijf
andere monniken van dit klooster.
Weinige dagen daarna zond de paus naar Florence Joachini Turranus, een
Venetiaan, vikarius van de orde der predikheren, en Franciskus Ramalithius,
dokter in de beide rechten, een Spanjaard,die vanwege de paus eisten, dat de
Raad van Florence de drie gevangenen in hun handen zou overleveren, waaraan
terstond werd voldaan. De een na de ander werd door de inquisitie in het
verhoor genomen, hun leer op hatelijke wijze verdraaid, terwijl men hen met
bedreigingen daarvan zocht af te trekken. Doch Hieronymus en zijn
medegevangenen bleven volstandig hij wat zij verkondigd hadden, en wilden dit
niet herroepen, veel minder beloven iets anders aan te nemen. Vervolgens kwam
de voorzitter van de raad, met de bovengenoemde gezanten van de paus samen, en
las enige artikelen, die zij hadden opgetekend, aan het volk voor, als redenen
en bewijsstukken waarom zij Savonarola en zijn medebroeders billijk, zoals het
heette, verdoemden en ter dood veroordeelden.
Nadat zij hem deze en vele andere artikelen, die zij of uit zijn boeken
getrokken, of in zijn of hun predikatiën van hem hadden gehoord, hadden
voorgehouden, vroegen de genoemde gezanten van de paus aan Hieronymus en zijn
metgezellen of zij hun gevoelens wilden laten varen, openlijk herroepen, en de
paus om vergiffenis vragen, dan of zij het vonnis daarover wilden afwachten.
Zij antwoordden echter, dat zij, door Gods genadige hulp, volstandig wilden
blijven in de betuigde waarheid, en niet in het minst daarvan afwijken,
aangezien zij vast vertrouwden op en verzekerd waren van de zaligheid hunner
zielen.
Door de bisschop van Utasie werden zij, de een na de ander, van hun
priesterlijke waardigheid ontzet, en alzo aan het wereldlijk bestuur van
Florence overgegeven, met dringend bevel, uit naam vanwege de paus. dat zij als
onverzettelijke en hardnekkige ketters ter dood gebracht zouden worden.
Op de 23e mei 1498 werden zij op de markt te Florence eerst opgehangen, en
daarna hun lijken tot as verbrand en die as in de rivier de Arno geworpen. Aldus
bevestigden deze godzalige martelaren hun leer met hun bloed.
Op deze Hieronymus Savonarola heeft de geleerde dichter Flaminius het
volgende vers gemaakt:
Dum fera flamma
tuos, Hieronyme pascitur artus
Religio Sanctas delania ta comas;
Fovitae, o dixit, crudeles parcite flammae,
Parcite, sunt isto viscera nostra rogo.
Dat is:
Tewijl Hieronymus moest
in het vuur verbranden,
Stond Religio bedroefd met haar beide handen
Verdrietig in het haar, en koesterde de held,
En sprak: Ach hete vlam, doe hem toch geen geweld.
Hij is mijn hart, mijn vreugd, mijn ingewand en leven;
En die zijn, nu met hem aan ’t wrede vuur gegeven;
ik sta daarom bedroefd en wonder ongerust
Het schijnt nu dat het vuur de grote ijver blust.
[JAAR 1503.]
Op de 25sten Augustus 1503 rukte Hemondt Picard, in de kapel van het paleis
te Parijs, uit de hand van een priester, die de mis bediende, de hostie,
verbrijzelde die en wierp haar ter aarde in de tegenwoordigheid van de gehelen
adel. Om deze daad werd hij in de gevangenis gezet, en door mr. Jan Standum hij
herhaling en dringend aangeraden, dat hij om vergiffenis zou bidden. Doch,
aangezien hij dit niet wilde doen, werd hij spoedig daarna verbrand.
[JAAR 1503.1
In het jaar 1503 werd te Salisbury levend verbrand een zekere Richard Smart
en wel, omdat men bevond, dat hij de geschriften van Wicklef gelezen en anderen
geleerd had, dat het sacrament des altaars niet het ware lichaam van Christus
is, en ook omdat hij aan zekere Jan Stilman de geschriften van Wicklef had
geleend.
[JAAR 1504.]
Onder de regering van Wladislaus, koning van Bohemen, in het jaar onzes
Heeren 1504, liet de baron van Schamberg, zes mannen behorende tot de
rechtzinnigen, die zich toen Fratres unitatis, dat is, broeders der eendracht,
noemden, in het dorp Augesd hij Tusta gevangen nemen, en in de stad Boi
veroordelen om verbrand te worden. Hun namen waren Matthias Prokop,
schoenmaker, Johannes Shimonovita wever, Bartholomeus Icranovita, kuiper,
Johannes Herbeck, pottenbakker en de broeders Johannes en Nikolaas Madribka
bouwlieden. Toen zij naar de strafplaats geleid werden, vroeg hun de baron in
welk geloof zij zo hardnekkig wilden sterven. “In dat geloof," zeiden zij,
"hetwelk alleen rust op Jezus Christus, Die van God gegeven is als de
enige Verzoener der wereld, de enige hoop en zaligheid van allen, die in Hem
geloven."
Zij toonden zeer kloekmoedig hun vonnis te willen ondergaan. Toen de
overste aan Nikolaas, die hij boven de anderen zeer genegen was, het leven
beloofde, zo hij slechts enige tijd van beraad, al ware het ook een geheel
jaar, eiste, antwoordde Nikolaas, na een ogenblik te hebben nagedacht,
onmiddellijk, Ik wil liever met mijn andere broeders om de goddelijke waarheid
sterven, dan hen, na zulk een kleinen tijd alleen te volgen; en alzo betrad hij
met de anderen de brandstapel.
[JAAR 1507.]
In het jaar onzes Heeren 1507 werd Thomas Norice, geboren te Brochfort, in
Suffolk, door de bisschop veroordeeld om levend verbrand te worden, omdat hij
geweigerd had, de afgestorvene heiligen en hun beelden te aanbidden, of die te
begroeten met het gebed des Heeren. Geduldig verdroeg hij dit lijden te Norwich
en wel op de 31e Maart.
[JAAR 1508.]
Wij zullen hier een voorbeeld verhalen, waarin de almacht en
rechtvaardigheid van God zich duidelijk hebben getoond. Hierin zullen de
christenen ook zien, dat God dikwerf zijn rechtvaardig oordeel in het openbaar
bewijst, en wel in het straffen van de vervolgers Zijner uitverkoren schapen,
die om de naam van Christus liever alles leden, en gewillig allerlei
martelingen uitstonden, dan de waarheid te verzaken.
In Chepingsadhery, een stad in Engeland, in het jaar van onze enige
Zaligmaker en Heiland Jezus Christus 1508, werd een zeer godzalige vrouw, om de
belijdenis van het Evangelie, verbrand, en wel onder de regering van Hendrik de
zevende, koning van Engeland. Gelijk de standvastigheid van deze godzalige
vrouw zeer heerlijk en troostrijk is voor alle christenen, die zich daarover
zullen verwonderen, zo is ook de straf, de onrechtvaardige vechter, de
kanselier van de bisschop, overkomen, voor alle pausgezinden, die niet ophouden
de leden van Christus' gemeente te vervolgen, een afgrijselijk schouwspel,
waarin zij kunnen zien, dat God niet alleen in de toekomende, maar ook in deze
tegenwoordige wereld zulke tirannen in het openbaar, straft.
De naam van deze vrouw, die, omwille van het Evangelie, de wrede vuurdood
niet vreesde, is niet bekend. De kanselier, die haar onrechtvaardig ter dood
veroordeelde, heette Dr. Whytington. Mr. Fox, die het engelse martelaarsboek
geschreven heeft, zegt duidelijk, dat de dood van deze standvastige vrouw hem
eerst bekend werd korte tijd voor hij het eerste stuk van zijn geschiedenis in
het licht gaf; waarin hij de geschiedenis van de martelaren verhaalde, die in
Engeland, om de naam van Christus stierven. Hieruit is op te maken, dat God de
Heere niet wilde toelaten, dat de lofwaardige standvastigheid van deze vrouw
aan de vergetelheid zou worden prijs gegeven, maar veel meer dat haar lijden
allen nakomelingen in volgende tijden openbaar en bekend zou zijn. Niet zonder
beschikking van Gods voorzienigheid werd deze geschiedenis hem bekend, opdat
hij die aan het laatste gedeelte van zijn boek zou toevoegen, zoals hij ook met
getrouwheid deed, gelijk hier volgt.
Nadat deze godzalige vrouw en manmoedige martelares, om de belijdenis der
waarheid, door de kanselier Dr. Whytington ter dood veroordeeld was, en de tijd
aangebroken, dat deze vrouw naar de plaats zou gebracht worden, waar, zij zich
zou opofferen, had er een grote toeloop van volk plaats, door de lieden die van
alle kanten en dorpen, in de omtrek liggende, en vooral uit de stad samen kwamen,
om getuige te zijn van de volbrenging van het vonnis. Onder de menigte volgde
ook Dr. Whytington, de kanselier, teneinde het vonnis, dat hij over deze
onschuldige had uitgesproken, te zien uitvoeren. Toen men op de gerechtsplaats
kwam, werd deze gelovige vrouw en dienstmaagd van Jezus Christus aan een paal
gebonden. Nadat men om haar lichaam stroriet geplaatst had, bereidde zij zich
vrijwillig als een onschuldig lam tot de vuurdood, en na God, haren almachtige
Vader, ziel en lichaam te hebben aanbevolen, ontsliep zij godzalig in de Hete.
Toen het volk van de gerechtsplaats naar huis ging, gebeurde het, dat op
die tijd een slachter in de stad bezig was een stier te slachten, die hij,
zoals men gewoonlijk doet, met touwen gebonden had, om het beest beter te kunnen
bedwingen. Maar, toen deze slachter, die, naar het scheen, niet zo ervaren was
in het doden van beesten, als de pausgezinden in het vermoorden van de vrome
christenen, zijn bijl ophief om het beest op de kruin van het hoofd te treffen,
sloeg hij mis, en raakte de stier op de neus of daaromtrent. De slager had het
beest wel enigermate gekwetst, maar niet minder verschrikt, zodat het met
geweld de touwen verbrak, de slachter ontliep, en de straat in vluchtte, waar
het volk zich bevond, dat van de gerichtsplaats naar de stad keerde. Zo spoedig
de lieden deze stier zagen aankomen, vluchtten zij, niet wetende wat het beest
deerde, in de grootste haast uit de straat, waar de stier liep, terwijl ieder
op eigen lijfsbehoud bedacht was. Men meende, dat het beest dol was, wat naar
men vermoeden kan, niet veel scheelde, en wel ten gevolge van de slag, die het
op de mond had gekregen. Nochtans liep de stier zo voorzichtig door al het
volk, dat hij niemand kwetste. Toen hij een tamelijke lengte van de straat,
door het gedrang van het volk heen, had afgelegd, en wel met een
voorzichtigheid alsof hij de mensen met opzet vermeed, liep hij eindelijk naar
Dokter Whytington, de kanselier, die, met enige anderen, zich in eert hoekje
verbergde. Maar helaas, tevergeefs meende hij Gods gramschap en straf te kunnen
ontgaan; want zodra zag de stier hem niet, of deze liep regelrecht met de
hoornen op hem toe, en scheurde hem derwijze de buik open, dat hij dood op de
grond bleef liggen, terwijl het beest wegliep met de darmen van de kanselier op
zijn hoornen. Dit maakte allen, die het zagen, onder grote verwondering,
verschrikt, zeer verbaasd en beschaamd.
Zie hier het wonderwerk des Heeren. Inderdaad, al zijn wij ook door onze
vleselijke gezindheden geheel blind, en hebben geen recht inzien in de daden
des Heeren, zodat wij somwijlen aan het noodlot, of aan het blinde fortuin,
toeschrijven wat eigenlijk Gods voorzienigheid heeft gedaan; nochtans, welk
mens zou zo plomp en onwetend kunnen zijn, die in dit zeldzaam en openbaar
beeld niet zou opmerken, dat dit een bijzonder werk en een straf van God is,
waarmee de Heere Zijn almacht en Zijn rechtvaardig oordeel in het straffen van
dezen goddelozen kanselier? Het was een waarschuwend voorbeeld voor alle andere
vervolgers der christenen, opdat zij de rechtvaardige hand des Heeren zouden
vrezen, wanneer zij zodanige tirannie aan de onschuldige Christenen plegen.
Opdat niemand denken zou, dat hier iets, de waarheid van deze geschiedenis
betreffende, op lichtvaardige wijze is meegedeeld, en om alle wantrouwen weg te
nemen, is het nodig, de getuigenis hij deze geschiedenis te voegen van enige
geloofwaardige lieden, die er hij tegenwoordig waren, en alles hebben gezien,
en vooral de geschiedenis van zekere Roeland Web, die in die tijd in de stad
Chepingsadbery woonde. Deze had een zoon, Richard Web genaamd, die later
werkzaam was hij M. Latimer, met wie hij ook vele benauwdheden, zoals een
gevangenisstraf van zes jaren, met geduld doorstond. Deze Richard betoonde in
zijn jeugd grote geneigdheid tot de leer van het Evangelie, zodat hij dikwerf
door, zijn vader, die zeer tot de roomse godsdienst geneigd was, vermaand werd,
dat hij die gevoelens, welke hij ketterij noemde, moest laten varen. En
teneinde hem daarvan te beter af te trekken, verhaalde hij hem dikwijls de
geschiedenis van de vrouw te Chepingsadbery, die hij om deze ketterij zag
verbranden. Hiermede zocht hij zijn zoon bevreesd te maken, en voegde er ook
hij, dat een stier in diezelfden tijd de kanselier met zijne hoornen had
omgebracht. Dit alles heeft Richard Web in persoon aan Mr. Fox verhaald en
bevestigd, uit wiens geschiedboek wij dit getrouw hebben overgenomen. Deze
getuigenis zal, hopen wij, genoeg en voldoende zijn voor alle onpartijdige
lezers, die de waarheid zijn toegedaan.
[Jaar 1540.]
In het jaar 1510, zoals Fox meldt, werden er te Norwich, in Engeland, om
het artikel van het sacrament des altaars, twee personen levend verbrand, van
wie de een, Thomas, een priester was, die in een klein stadje, Eckels genaamd,
woonde waar hij werd ontwijd en naar Norwich gebracht, om verbrand te worden.
Terwijl hij, na zijn ontwijding, nog geruime tijd in de gevangenis vertoefde,
liet hij zich door enige overreden zijn geloof te verzaken. Toen hij later
daarover berouw had, werd hem tot straf opgelegd, dat hij van de gevangenis tot
de gerichtsplaats, waar hij als een slachtoffer zijn leven zou eindigen, op
zijn ontblote voeten op distelen en doornen die weg moest afleggen.
Niet lang daarna werd Thomas Bongay, een eerzaam en hoog bejaard man, in de
stad Norwich, tot de brandstapel veroordeeld, omdat hij sinds veertien jaren
het sacrament van geen roomsen priester had willen ontvangen, daar hij van de
afgodische mis een gruwel had.
[JAAR 1511]
Andries Poliwka was een burger van Kuttenberg, in Bohemen, maar die, omdat
hij van godsdienst veranderde, naar Lytomistia vertrok en, daar zijn vrouw hem
niet wilde volgen, werd hij, terwijl hij haar bezocht, verraden. Toen hij
gevangen genomen was, werd hij door de priester der calixtijnen zo lang
gekweld, totdat hij beloofde hij zijn vrouw te willen blijven, en de priester
gehoorzaamheid te bewijzen. Hij willigde dit in, doch tegen zijn gemoed. Op
zekere heiligen dag geschiedde het, toen de priester zijn toespraak bad
geëindigd, en hij de ciborie voorbracht, op het altaar plaatste en het volk de
ouwel, die daarin was, aanbad, dat Andries het vuur, dat in hem brandde, niet
kon uitblussen, en met luider stem riep: “Zwijg priester: het komt mij nu toe
te spreken." En terwijl hij zich tot het volk wendde, zei hij: “Lieve
mensen, waar loopt gij toch zo gretig naar toe? Wat bidt gij aan, een God van
brood? Och, bidt de levende God aan, Die in alle eeuwigheid te prijzen
is." De priester riep tot het volk, dat zij deze schelmse booswicht zouden
verbieden te spreken; dat zij deze Picardist moesten gevangen nemen. Door de
algemene schrik sloeg niemand de hand aan hem, doch eindelijk vielen enige hem
aan, sloegen hem met vuisten, verbrijzelden hem het hoofd ten dele tegen een
pilaar, en sleepten hem zeer bebloed naar de gevangenis. De volgende dag werd
hij naar het raadhuis gebracht, waar de raad en de priesters tegenwoordig
waren, en werd hem gevraagd, of hij nog herhalen wilde, wat hij daags tevoren
had gezegd. Hij antwoordde daarop toestemmend, en verweet hun hun afgoderij,
die niet beter was dan die van de antichrist. Toen hem gevraagd werd door wiens
ingeven hij dit gedaan had, antwoordde hij met de, wedervraag: door wiens
ingeven durfde Abraham zich afscheiden van de afgodendienaren, en de levenden
God aanbidden.” Zij hielden verder aan en zeiden: "Gij moet ons duidelijk
zeggen op wiens aanraden gij zulke dingen durft te doen. Hij antwoordde: “Op
wiens aanraden heeft Daniël zich legen de afgoderij verzet?" Daarop riepen
zij: "Zwijg; wij weten deze dingen beter dan gij; in geen dele hebben wij
nodig van u onderwezen te worden. Wij weten, dat gij hierin metgezellen hebt,
die gij wel niet vrijwillig wilt noemen. doch waartoe wij u wel zullen
dwingen." Daartoe werd hij weer naar de gevangenis gebracht, terwijl men
beval hem terstond te pijnigen; maar, toen men door martelingen niets van hem
kon te weten komen, werd hij, als een hardnekkig mens, veroordeeld om verbrand
te worden. De priesters verzochten dus de schout, dat hij hem, wanneer hij
buiten kwam, niet zou vergunnen te spreken, opdat hij door zijn woorden het
volk niet zou besmetten. De schout kwam met Andries overeen, dat, indien hij
niet zweeg, men hem de mond zou toestoppen. Hij beloofde dit, en hield ook
woord, daar hij op de gehelen weg geen woord sprak, maar in stilte bad. Toen de
vlammen zijn hoofd bereikten, riep hij uit: Jezus, Zoon des levenden Gods,
ontferm U, ontferm U over mij, ellendigen zondaar," en sprak verder niets
meer. De priesters riepen daarop tot het volk: .,Ziet, nu roept hij Jezus aan,
in Wie hij in zijn leven niet heeft willen geloven, en Wiens sacrament hij niet
heeft willen eren." Dit geschiedde in het jaar onzes Heeren 1511.
[Jaar 1512.]
Omstreeks het jaar 1512 werd er nog een ander hoog bejaard man, Pop
genaamd, een wever van beroep, in het stadje Aye, om dezelfde zaak van het
sacrament des altaars, met dezelfde kroon van het martelaarschap versierd.
[Jaar 1515.]
In het jaar onzes Heeren 1515 woonde te Londen, in Engeland, een man, met
name Richard Hunne, een lakenkoper. Hij was een vroom en godzalig man, en werd
gehouden voor Rooms-katholiek, ofschoon hij in het geheim reeds enige lust had
in de Evangelische waarheid. Deze man had een jong kind, dat opgevoed werd te Midlese,
in de parochie St. Maria te Marsilon, en op vijfweekse leeftijd stierf. Thomas
Drifield, pastoor in die plaats, eiste van Richard Hunne de deken van het kind,
als een gerechtigheid die hem toekwam. Richard zei, dat de deken het eigendom
niet was van het kind, en dat hij derhalve hem de deken niet schuldig was. De
priester kon deze weigering niet verdragen en riep hem daarover voor de
opziener der kerk. Op aanraden van zijn vrienden, beklaagde zich Richard over
dit onrecht hij de wereldlijke overheid, en zei, dat de priester iets
onbillijks van hem eiste, en liet de priester dagvaarden, teneinde zijn zaak
tegen hem te handhaven. Maar, aangezien de mispriesters daartoe niet te bewegen
zijn, vooral niet, wanneer zij er iets hij verliezen kunnen, beraadslaagden zij
met elkaar, hoe zij de zaak het best zouden aanleggen, en besloten dat men de
genoemden Richard van ketterij zou beschuldigen, en hij de bisschop van Londen,
Richard Fitsiam, die zelf die raad gegeven had, aanklagen. Toen nu Richard
aangeklaagd was, werd hij terstond door de bisschop in de toren van de St.
Pauluskerk, die de Lollardentoren genoemd wordt, gevangen gezet. In die tijd
had Willhelmus Horsey, kanselier van de bisschop, over die gevangenis het
opperbestuur. Charles Jozef, sergeant aan het bisschoppelijke hof, en Jan
Spaldinck, klokkenluider der St. Pauluskerk, waren vertrouwde dienaren van de
kanselier. Deze twee vatten het voornemen op om Richard Hun in de toren van
honger te doen sterven. Toen zij echter zagen, dat dit niet wilde gelukken,
vielen zij in de gevangenis op hem aan, bonden hem handen en voeten, en
verwurgden hem op gruwelijke wijze.
Daarna maakten zij hem los, en hingen hem met zijn gordel aan een muur op.
Dit geschiedde de 4de, December, in het jaar onzes Heeren 1515.
Toen zij deze gruwelijke daad hadden bedreven, strooiden zij het gerucht
uit, dat Richard Hunne zich in de gevangenis aan zijn eigen gordel had
verhangen. Toen dit ruchtbaar was geworden, en men sterk vermoedde, dat hij
door zijn vijanden was vermoord, werden er twaalf aanzienlijke mannen, benevens
de fiskaal te Londen, Thomas Barnewel genaamd, gelast de zaak te onderzoeken.
[JAAR 1517].
Toen de antichrist, de paus van Rome, zijn gezanten en leerlingen, zoals de
bisschoppen, priesters en monniken, meenden, dat zij door hun moorden,
verworgen, verbranden en doden het Evangelie en de dienaren der waarheid
onderdrukt, verdrukt en uitgeroeid hadden, en dat zij nu vrij en onverhinderd
konden handelen, Christus uit Zijn Rijk stoten, en heerschappij voeren over de
harten en gewetens der mensen, verdroot dit eindelijk de almachtige en eeuwige
God, die de geest verwekte van de heiligen man Luther, door wien hij het licht
van het evangelie glansrijk over het gehele christendom deed schijnen.
In het jaar 1517 na de geboorte van onze enige Zaligmaker Jezus Christus
zond de antichrist aflaatbrieven, waarmee hij voor geld de zonden vergaf en
kwijtschold. Die aflaatbrieven werden te Wittenberg, in Saksen, aangeprezen en
verkocht door een Jakobijner monnik, Tetzel genaamd, die in zijn predikatiën
zich daarover op de schandelijkste wijze uitliet. Onder andere leerde hij het
volk, dat zo spoedig de penning op de bodem der kist klonk, terstond de zielen
der afgestorvenen uit het vagevuur naar de hemel werden gevoerd.
Tegen hem en zijn goddeloze prediking schreef Luther 95 leerstellingen, die
hij aan de kerkdeur aanplakte. Tetzel, die de paus wilde behagen, riep enige
monniken en drogredenaars samen, en verzocht hun tegen Luther te schrijven. Hij
zelf zat ook niet stil, maar noemde in zijn predikatiën Luther een ketter, en
drong er op aan, dat men hem verbranden zou. De stellingen en de predikatiën,
die Luther geschreven had, liet hij in het openbaar verbranden. Doch door hun
grote beweging hebben Tetzel en de zijnen Luther genoodzaakt de waarheid
uitvoeriger te beschrijven.
Toen nu de drogredenaars van Leuven, Keulen en andere dergelijke vijanden
tegen Luther schreven, werd hij eindelijk als gedwongen ook andere punten aan
te roeren, namelijk:
Van het onderscheid tussen de goddelijke geboden en de menselijke
instellingen.
Van het schandelijk misbruik van het avondmaal, in het kopen en verkopen,
en in de opoffering van levenden en doden.
Van de ware boete.
Van de vergeving der zonden.
Van het geloof.
Van de aflaat.
Van de beloften en andere dergelijke zaken meer, gelijk men in zijn
geschriften zien kan. Vervolgens werd Luther door de paus, die nu inzag, dat
Babylon, zijn hoofdstad, begon te wankelen, in de ban gedaan, en zijn
stellingen als ketters vervloekt en gedoemd, en in bijna alle landen verbrand.
De boer van Babylon, die dronken is van het bloed der heiligen, maakte alle
vorsten dronken door de wijn van haar hoererijen; zodat de keizer, koningen en
vorsten, zeer weinigen uitgezonderd, die de waarheid liefhadden, als woedend
waren om het Evangelie te vernietigen en de godzalige predikers te vermoorden.
En, ofschoon het hun door God niet toegelaten werd, de heiligen man Gods,
Maarten Luther te doden, betoonden zij nochtans hun wreedheid aan anderen, die
door de leer en geschriften van Luther tot de kennis der waarheid gekomen
waren.
[JAAR 1523.]
Te Antwerpen, in Brabant, was een Augustijner klooster, waai, de monniken
uit de geschriften en boeken van Luther de kennis der waarheid hadden
verkregen, en die aan het volk onderwezen. Om die reden werden zij gevangen
genomen en naar Vilvorde gebracht, waar de Leuvense hoogleraars zich
benaarstigden en beijverden, om deze monniken van de belijdenis van het
evangelie af te trekken, ja, dreigden zelfs hen te doden en te verbranden,
wanneer zij de waarheid niet verloochenden en herriepen, die zij eens beleden
en geopenbaard hadden.
Door hun tirannische bedreigingen brachten zij het zover, dat zij allen
afvielen, uitgezonderd drie, die volstandig aan hun belijdenis bleven
vasthouden. Deze werden door Hoogstrate en sommige andere kettermeesters, die
terecht meesters en hoofden in de ketterij en dwalingen genoemd mogen worden,
ondervraagd, en wel vooreerst, wat zij geloofden. Zij antwoordden daarop, dat
zij de twaalf artikelen des christelijken geloofs aannamen en vasthielden, en
ook alles wat in de Evangelische en Bijbelse Schriften is vervat; dat zij ook
aan een christelijke kerk geloofden, maar niet, zoals de kettermeesters dit
deden.
Ten andere vroegen zij, of zij ook geloofden aan de instelling der
kerkvergaderingen en aan de kerkvaders. Zij antwoordden, dat zij de artikelen
geloofden, in zoverre die met de goddelijke Schriften overeenkwamen, en er niet
tegen waren.
Ten derde vroegen zij, of zij ook geloofden, dat zij zich aan dodelijke of
verdoemelijke zonden schuldig maakten, die de instellingen van de pausen der
kerkvaders overtraden. Zij antwoordden, dat zij geloofden, dat de geboden van
God zalig maakten en verdoemden, en niet de menselijke instellingen.
Nadat de kettermeesters niet nalieten, dan eens met zachtheid, dan weer met
hardheid, de goede christenen tot herroeping van hun gevoelens te bewegen, maar
tevens zagen, dat zij niet vorderden, besloten zij ten laatste zulke
hardnekkige ketters, zoals zij hen noemden, aan de wereldlijken rechter over te
leveren, zoals Christus aan Pilatus en de heidenen werd overgeleverd, om ben te
doden. Vervolgens werden zij van Vilvorde naar Brussel overgebracht, en daar
met alle voorzorg in de gevangenis bewaard. Niet lang daarna kwamen ook te
Brussel de drogredenaars van Leuven, namelijk, Hoogstrate, Egmont, Godtschalck,
Lathomus, Ruardus en Paseba, een karmelieter van Mechelen.
Op de 1e juli liep het volk in grote scharen naar de markt; maar er waren
weinig vreemdelingen, aangezien alles in het geheim had plaats gehad. Daar
verschenen de drie bedelmonnikenorden, met kruisen en vaandels, zoals hun
gewoonte is,wanneer zij in statelijke optocht en pracht zich vertonen willen.
Toen nu de leraars der goddelijke Schrift en de abten, die de bisschoppen
vertegenwoordigden, met hun waardigheidstekenen en gewone staven, zich in orde
op het schavot hadden geplaatst, werd de jongste van de drie, een jong, maar
geleerd en welsprekend man, over de markt gebracht en binnen geleid. Enige
ogenblikken later voerde men hem, met misklederen aan, op het schavot. Midden
op het schavot stond een tafel, versierd en bedekt als een altaar. Voor deze
tafel knielde hij neer, met het aangezicht naar het volk gekeerd, en niemand
bespeurde enige tekenen van vrees of schrik aan hem. Achter hem stond de
opziener van de grauwe monniken, die begon te prediken, terwijl daartegenover
een bisschop geplaatst was, die met een geopend boek de plechtigheden begon uit
te voeren. Terwijl dit alles plaats had, van elf tot twaalf uur, en de een
predikte en de ander hem ontkleedde, bleef de jongeling in alles dezelfde,
zodat zijn aangezichtskleur zelfs niet veranderde. Zijn wezenstrekken waren
zedig en vol uitdrukking, waaruit men gemakkelijk afleiden kon, dat hij niet
alleen de dood verachtte, maar ook, dat hij een zeer bescheiden en zachtmoedig
man was. Zijn gelaat en houding deden vermoeden, dat hij zich met bidden en de
overdenking der hemelse dingen op heerlijke wijze bezig hield. Toen men hem had
ontwijd, werd hij weer binnen gebracht.
Kort daarna kwamen de andere twee voor, die ouder waren dan de
bovenbedoelde, want beiden hadden een baard, terwijl de andere jongeling geheel
glad en baardeloos was. Uit het voorkomen van deze beide mannen kon men
gemakkelijk hun volharding en vrijmoedigheid bespeuren. Zij werden ook ontwijd
en van hun priesterschap of monnikendom beroofd, en gingen van het schavot naar
binnen, waar zij veroordeeld en gevonnist werden.
Hoewel het recht en billijk en vooral te Brussel de gewoonte was, dat het
vonnis van ieder veroordeelde, voor zij stierven, in het openbaar moest worden
voorgelezen, werd dit echter in deze zaak, uit schaamte over de grote
onrechtvaardigheid, nagelaten.
Om hen te troosten vervoegde zich Hoogstrate, de leraar van Leuven, hij
hen, en zei, dat hij, wanneer zij nog wilden herroepen, de macht had om hen los
te laten.
Een hunner antwoordde daarop: "Dit zijn de woorden aan Pilatus: Gij
zoudt geen macht hebben tegen mij, indien het u niet van boven gegeven
ware."
Enige tijd daarna bracht men alleen de twee, namelijk, die er eerst uitkwam
en een van die laatste, voor, terwijl zij naar het vuur werden geleid, dat men
tot dit einde op de markt gereed maakte.
Toen men hen daarheen voerde, en zij hun klederen uittrokken, vloeiden hun
monden over van heerlijke taal, waaruit ieder duidelijk kon bemerken, dat zij
vrome en godvruchtige mannen waren, die zich hartelijk verblijdden, ontbonden
te zullen worden en hij de Heere Jezus Christus te zijn. Hij herhaling
betuigden zij, dat zij als christenen stierven, dat zij geloofden aan een
heilige algemene christelijke kerk, en zeiden ook, dat nu de dag aanbrak,
waarnaar zij lang begeerd hadden.
Toen zij tot op het hemd ontkleed waren, moesten zij geruime tijd aldus
blijven staan, totdat zij, terwijl men hen bond, van zelf naar de paal grepen,
waaraan zij verbrand moesten worden. Langzaam ontbrandde het vuur; en al zagen
zij de rook opstijgen, die de vlam spoedig volgen moest, zo werden zij nochtans
niet kleinmoedig, maar waren, gelijk men uit hun gelaat en ogen kon bemerken,
hoe langer zo meer getroost, standvastig en moedig. Een zonderlinge blijdschap
bespeurde men aan hen, zodat velen meenden, dat zij lachten.
Onder andere beleden zij de artikelen des christelijken geloofs, en zongen
het Te Deum Laudamus, de een het ene vers, de ander het volgende. Toen een
hunner zag, dat men het vuur onder zijn voeten aanstak, zei hij, dat hij dacht,
dat men er rozen onder strooide. In de vlammen riepen zij herhaalde malen Jezus
aan, maar werden eindelijk door de gloed van het vuur verstikt, en offerden aan
de Heere hun ziel op. Dit geschiedde op de 11e juli in het jaar 1523, zij waren
de eerste, die om de gevoelens van Luther werden gedood. De derde van deze
mannen werd niet voorgebracht, en waarom zulks niet geschiedde, is onbekend.
Sommigen zeggen, dat hij zijn gevoelen herriep, doch dit is niet zeer
gelofelijk, want dan zou dit ongetwijfeld in het openbaar voor het volk hebben
plaats gehad. Anderen menen, dat hij in het geheim werd gedood.
Velen van deze monniken namen de vlucht, terwijl het klooster verwoesten
vernietigd werd. Door de standvastigheid van deze monniken werd, tegen de
bedoeling van velen, de genoemde leer in de stad Brussel derwijze voortgeplant,
dat zij daar voortdurend beleden werd. Het hoofd of de prior van het bedoelde
klooster (waarschijnlijk Hendrik van Zutphen), predikte nog vele jaren daarna
de Evangelische leer in het openbaar, en bekeerde tot haar een grote menigte
van Nederlanders, zoals ook een monnik, die uit dat klooster was gevlucht, door
zijn predikatiën en standvastige raad vele mensen in de genoemde leer
versterkte.
[JAAR 1524.]
In deze tijd waren te Antwerpen en in de omliggende plaatsen vele lieden
van verschillende naties, hij wie de begeerte naar het goddelijke Woord begon
te ontwaken. Onder anderen was er te Mels, dat twee mijlen van Antwerpen lag,
een pastoor, wiens predikatiën door veel volk bezocht werden, zodat hij
dikwerf, wegens de grote menigte, op een open plaats moest prediken. Nadat hij
geruime tijd met vrijmoedigheid het Woord Gods verkondigd, en de valsheid en
boosheid der monniken bad ontdekt, beschuldigde hij zich in zijn laatste prediking
in het openbaar voor het volk, en zei, toen hij van de mis sprak: "Wij
zijn inderdaad erger en bozer dan Judas de verrader was, want hij heeft
Christus verkocht en geleverd; maar wij verkopen Hem aan u, en leveren Hem
niet."
Spoedig daarna ergerden het de priesters en monniken, dat het Evangelie
zulk een goede ingang vond; en, daar zij er tegen wilden waken, dat hun de roof
uit de mond zou genomen worden, wisten zij een bevelschrift van de keizer te
verkrijgen tegen de pastoor en een Augustijner monnik, die te Antwerpen
predikte. In dit geschrift werd bevolen en toegestaan, dat men hun het bovenste
kledingstuk ontnemen zou, die in zodanige vergadering of predikatie
tegenwoordig was, en hij die de prediker zelf gevangen nam, zou dertig
Carolusguldens tot beloning ontvangen. Alzo werd Christus weer voor dertig
penningen verkocht.
Het geschiedde nu, dat op een Zondag, in het jaar onzes Heeren Jezus
Christus 1524, het volk, dat zich niet om het bevelschrift bekommerde,
bijeenkwam op de scheepstimmerwerven. Na geruime tijd op de Augustijner monnik
tevergeefs gewacht te hebben, stond er een priester op, Nicolaus genaamd, die
zeer ervaren was in de Heilige Schrift, en zei: "Aangezien de prediker
niet is gekomen, is het nochtans niet behoorlijk, dusdanige bijeenkomst
hongerig, zonder enig voedsel van het goddelijke Woord te verlaten." Hij
klom dus op een schip, dat daar afgewerkt lag, en leerde het volk veel meer uit
de Heilige Schrift, dan ooit tevoren gehoord had.
Om deze reden werd hij later door twee vleeshouwersknechten gevat en in de
handen der overheid geleverd. Des anderen daags, op Maandag, nadat hij de
zuivere leer des Evangelies standvastig had beleden, werd hij in een zak
genaaid, en met groten spoed, omdat men het volk vreesde, hij de stadskraan in het
water geworpen, en wel in het jaar van onze enige Zaligmaker 1524.
Omstreeks het jaar 1520, werd Mr. Georgius, predikant te Halte, omdat hij
het avondmaal des Heeren onder twee gestalten, te weten, brood en wijn,
bediende, onder opruiing der priesters, door eniae straatschenders gegrepen en
niet ver van Assenburg op jammerlijke wijze verbrand.
[JAAR 1524.]
In het jaar 1524 ging Hendrik van Zutphen, een Augustijner monnik, van
Antwerpen naar Bremen, en begon daar, op verlangen van enige godvruchtige
mannen het Evangelie te verkondigen: hetwelk daar door de genade des Heeren zo
gretig ontvangen werd, dat in korte tijd de gehele stad zich naar de regel van
het heilige Evangelie hervormde en herstelde, en zelfs de buikdienaars, dat is:
de priester en monniken, verwierp en versmaadde.
De bisschop van Bremen legde hem wel vele lagen om hem gevangen te nemen en
om te brengen, maar de eerbare en wijze Raad der stad handelde daarin
voorzichtig, en beschermde en bewaarde de heiligen man voor de bloedgierige
wolven. En, hoe de bisschop met zijn genoemde geestelijkheid ook woelde en
raasde, zo door het bijeenroepen van kerkvergaderingen, als door pauselijke en
keizerlijke bevelschriften, Hendrik liet nochtans niet na, het Woord des Heeren
te verkondigen, daar hij overtuigd was, dat hij in zodanige zaken God meer
behoorde te gehoorzamen dan de mensen.
Eindelijk werd hij ook geroepen door Nikolaüs Boye, pastoor, en enige
andere vrome christenen van Meldorf en Dithmarsen, om daar het Woord Gods te
verkondigen, en de mensen te verlossen uit de tirannie van de antichrist. Hij
gaf daaraan gewillig gehoor, ofschoon dit de bewoners van Bremen mishaagde,
aangezien zij de woestheid der bewoners van Dithmarsen wel kenden, en reisde
daarheen ‘s maandags voor het Kerstfeest in het jaar van onze Heere en enige
Heiland Jezus Christus 1524.
Nauwelijks was hij daar aangekomen, en had er zelfs nog niet gepredikt, of
de duivel met zijn aanhang werd toornig, en verwekte de Jakobijner monniken en
andere priesters, die met elkaar beraadslaagden en besloten, dat men vooral
zorgen moest, dat hij niet predikte; want de zwarte nachtuilen haten het
heldere licht van het goddelijke Woord, en vreesden, dat hun werken en
geveinsdheid aan het licht zouden gebracht worden, en dat alzo hun rijk een
einde zou nemen.
Daarom maakte zich de prior van de Jakobijnen op, en reisde naar ter Heide,
naar de achttien bestuurders van het gehele land, en klaagde met groten nadruk,
dat de monnik van Bremen gekomen was, om het gehele land Dithmarsen te
verleiden, zoals hij te Bremen gedaan had. Deze prior werd in zijn klacht
ondersteund door de algemene kanselier, mr. Gunther, en Pieter Nannen, beiden
grote vijanden van Gods Woord. Deze beiden hielpen de prior met allen ijver, en
hielden de anderen zestien bestuurders, die onkundige en eenvoudige mannen
waren, voor, welke groten lof zij in geheel Nederland zouden behalen, en vooral
dat zij de bijzondere dank van de bisschop verdienen zouden, indien zij deze
monnik zouden ter dood brengen.
Toen de onnozele en onkundige lieden dat hoorden, was zijn dood reeds over
hem besloten, ofschoon zij hem nooit gezien, nog minder gehoord of naar recht
overwonnen hadden. Zij schreven aan de pastoor van Meldorf, onder bedreiging
van de zwaarste straf, dat hij Hendrik zou verjagen voor hij predikte. Doch de
pastoor en Hendrik trokken zich dat niet aan, en Hendrik betrad de predikstoel,
predikte met ijver, en verkondigde het zuivere Woord van de almachtige God, zo
zelfs, dat de gehele gemeente van Meldorf daarin rust en troost had voor haar
gemoed, terwijl zij God dankte, dat zij door Gods genade zulk een prediker in
haar midden had. Hendrik ging daarmee geruime tijd tweemaal daags voort, zodat
het volk meer en meer begon in te zien, dat het door de priesters en monniken
vroeger werd verleid.
Ondertussen zat ook de prior niet stil, maar riep de hulp in van de grauwe
monniken, die zich minderbroeders noemen. Onder geen volk zijn er geschikter te
vinden om de eenvoudige mensen door geveinsdheid tot zich te trekken en te
verleiden dan deze Minderbroeders. Deze grauwe monniken wendden zich met de
grootste haast tot enige van de bestuurders, namelijk, tot Peter Nannen, Peter
Schwijn en Klaas Kode, en gaven onder het uiten van zware klachten te kennen,
dat de ketter predikte en het volk verleidde, dat hem reeds genoeg aanhing; en,
wanneer zij niet toezagen en de ketter ombrachten, zou de lof van Maria en van
de beide heilige kloosters teniet gaan. Ziedaar hun schrijven, waarmee zij de
ketter overwonnen.
Toen de onnozele en onwetende lieden dat hoorden, werden zij toornig, en
Peter Schwijn antwoordde er op, dat men de pastoor en Hendrik geschreven had,
wat zij moesten doen, en wanneer het nodig was, dat zij dan nog wel eens wilden
schrijven. Waarop de prior antwoordde: "Neen, gij moet het anders
aanleggen; want begint gij met aan de ketter te schrijven, zo zal hij u weer
antwoorden, en, eer gij het gewaar wordt, bent gij zonder twijfel ook verleid;
en, komt hij eens aan het woord, dan is het einde ervan niet te voorzien."
Toen werd beraadslaagd, dat men hem in de nacht, in het geheim, zou
gevangen nemen, en, eer men het bemerkte, met de meeste spoed verbranden. Die
raad vonden allen goed, vooral de Minderbroeders. Vervolgens riepen zij uit
alle omliggende dorpen de boeren samen, en bevalen dat zij ‘s nachts, in het
geheim, aan het huis van de schrijver mr. Gunther, te Nieuwerkerk zouden komen.
Van daar gingen zij met de gehele schaar boeren naar Hemmingstet, een halve
mijl van Meldorf gelegen.
Toen zij daar waren samen gekomen, werd hun in het openbaar de reden
meegedeeld waarom zij daar ontboden waren; want niemand dan de verkozen
hoofdlieden waren er mee bekend. Toen allen de zaak vernamen, wilden zij weer
vertrekken, en deze boze daad niet uitvoeren. Maar de hoofdlieden bevalen hun,
met bedreiging van lijf en goed te zullen verliezen, dat er niemand mocht
heengaan. Men bracht ook drie vaten Hamburgs bier, dat gedronken werd, opdat
zij moediger zouden zijn. Aldus kwamen zij op de 9e december, omstreeks 12 uur
‘s nachts, gewapenderhand te Meldorf. De Jakobijnen of predikmonniken voorzagen
hen van toortsen en fakkels, opdat zij zouden kunnen zien, en Hendrik hun niet
zou ontlopen. Met geweld vielen zij op het huis van de pastoor aan, en sloegen
alles open en aan stukken, zoals dolle beschonken boeren plegen te doen; en wat
zij vonden van zilver, goud of andere kostbaarheden, namen zij mee. Vervolgens
grepen zij dan de pastoor, hakten naar hem, sloegen en staken hem, en riepen
"Slaat dood! slaat dood!” Sommigen wierpen hem naakt op straat in de drek
en vuiligheid, en namen hem gevangen, terwijl zij uitschreeuwden, dat hij met
hen moest meegaan. Anderen daarentegen riepen, dat men hem moest laten aan,
omdat zij geen bevel hadden gekregen om hem gevangen te nemen.
Daarna, toen zij hun wraak aan de pastoor gekoeld hadden, sleurden zij
Hendrik naakt uit bed, sloegen, staken en sleepten hem. Zijn handen bonden zij
hem op de rug, en mishandelden hem zo jammerlijk, dat het Peter Nannen, die
echter een venijnig vijand was van Gods Woord, begon te hinderen, en hij beval,
dat men hem moest laten gaan. Naakt en barrevoets sleepten zij hem door de
koude en over het ijs naar Hemmingstet, zodat zijn voeten geducht gewond waren.
Van daar brachten zij hem, in diezelfden nacht, naar het huis van een priester
te Ter Heide, en sloten hem in een kelder, waar de beschonken boeren hem
bewaarden en de gehele nacht bespotten.
Onder anderen kwamen tot hem de beer Simon, pastoor te Aldenwoorden, en de
heer Christiaan, te Nieuwerkerke, beide domme vervolgers der waarheid, en
vroegen om welke reden hij het heilig kleed had afgelegd. Die vraag
beantwoordde hij zeer vriendelijk uit de Schrift, doch zij verstonden het niet.
Mr. Gunther kwam ook tot hem, en vroeg, of hij liever naar de bisschop van
Bremen wilde gezonden worden, of te Dithmarsen zijn straf ondergaan. Daarop
antwoordde Hendrik: "Wanneer ik iets onchristelijks gedaan of geleerd heb,
kunt gij mij wel straffen." Toen riep Mr. Gunther: " Hoort gij wel,
mijn vrienden, hij verkiest te Dithmarsen te sterven." Het volk gaf zich
intussen die gehelen nacht aan de ergste dronkenschap over.
Omstreeks 8 uur in de ochtend gingen zij naar de markt, om te beraadslagen,
wat men hem doen zou. Daar riepen de beschonken boeren: "Verbrandt hem in
het vuur, waarmee wij door God zullen behoed worden, en eer behalen hij de
mensen. Hoe langer hij leeft, hoe meer hij er verleiden, zal. Wat baat het lang
dralen! Hij moet toch sterven."
Daarna werd er uitgeroepen, dat allen, die hem hadden helpen gevangen
nemen, met hun wapenen hij het vuur moesten komen. Daar verschenen ook de
grauwe monniken, die de boeren in hun boosheid ophitsten, en zeiden: "Nu
doet gij goed," en stijfden, alzo het domme volk in hun opzet. Toen grepen
zij hem, en bonden hem aan handen en voeten, en brachten hem, onder groot
geschreeuw en getier, naar de brandstapel. Toen hij daar kwam, veroordeelden
zij hem, en velden over hem het doodsvonnis, dat de voogd dus uitsprak:
"Deze booswicht heeft gepredikt tegen de Moeder Gods en tegen het
christelijk geloof; om welke reden ik hem, vanwege mijn genadige heer, de
bisschop van Bremen, beschuldig en tot de vuurdood veroordeel." Toen
antwoordde Hendrik: “Dat heb ik niet gedaan; doch, o Heere! Uw wil
geschiede." En, terwijl hij zijne ogen naar de hemel hief, zei hij: Heere
vergeef het hun, want zij weten niet wat zij doen, Uw naam zij alleen
geheiligd, hemelse Vader!"
Om hem de biecht af te nemen, kwam er een onwetende grauwe monnik tot hem.
Hendrik vroeg hem: "Broeder, heb ik u ooit enig kwaad gedaan?" Hij
zei "Neen". "Wat zou ik u dan biechten of wat van u verlangen
mij te vergeven?" Beschaamd ging de grauwe monnik heen. Toen vielen zij
met alle geweld op hem aan; de een sloeg hem met een degen op het hoofd, een
ander met een zware hamer, een derde stak hem in de zijde, de vierde in de rug,
ieder, zoals hij hem het beste kon treffen. Mr. Gunter moedigde het volk aan,
ruide het op en riep: “Toe maar, lieve vrienden, hier woont God."
Hoe men het ook aanstak, het vuur wilde echter niet branden, en ging zelfs
twee malen uit. Zij hielden en maakten dit uit voor toverij, en lieten intussen
niet na hem te slaan en te steken, dat wel twee uren aanhield, terwijl hij
gedurende die tijd alleen met een hemd bedekt en zijn ogen hemelwaarts geslagen
voor de boeren stond.
Eindelijk haalden zij een lange ladder, waarop zij hem vastbonden, teneinde
hem in het vuur te kunnen werpen. Toen begon het geloof van de goede martelaar
van Christus zich in woorden te openbaren, doch een hunner sloeg hem met de
vuist op de mond, en zei: “Eerst zult gij branden, en daarna kunt gij spreken,
zoveel gij wilt." Vervolgens zette een ander de voet op zijn borst, en
bond hem, teneinde hem te worgen, met de hals zo stevig aan een sport, dat mond
en neus bloedden; want deze beul zag, dat hij van de wonden, waarvan men hem er
twintig had toegebracht, niet sterven kon.
Daarna richtten zij hem met de ladder op, zoals de plaat te zien geeft en
een hunner zette zijn hellebaard daaronder, om die te helpen oprichten,
aangezien de stad geen scherprechter had, doch de hellebaard schampte van de
ladder, en doorstak de heiligen martelaar, terwijl de ladder ter zijde van de
brandstapel viel.
Toen hielp Johan Holm, en nam een zware hamer, en sloeg hem daarmee zo lang
op de borst, dat hij stierf, en zich niet langer verroerde; en daar het vuur
niet branden wilde, verschroeiden zij zijn lichaam op de kolen. Doch daar dit
op deze wijze niet kon verbrand worden, hieuwen zij het des anderen daags,
zijnde acht dagen voor het kerstfeest, handen en voeten af, staken het vuur op nieuw
aan, verbrandden daarin de afgehouwen leden des lichaams, terwijl het overschot
daarvan werd begraven, en zij als onzinnigen daarom dansten en sprongen.
[JAAR 1524.]
In dezelfde stad Dithmarsen werd ook, om de naam van Jezus Christus en Zijn
heilig Evangelie, gevangen genomen een zeker man, Johannes genaamd. Deze heeft
niet alleen grote smaadheid en verdriet geleden, maar werd ook, daar hij zich
standvastig aan de Evangelische waarheid vasthield, ter dood gebracht.
[JAAR 1524.]
Nadat Gaspar Tauber, een burger uit Wenen, in Oostenrijk, de kennis der
waarheid uit enige gedrukte boeken verkregen had, en de slavernij der
christenen onder de tirannie van de antichrist inzag, begon hij de christelijke
vrijheid hij enige zijner medeburgers te Wenen te verdedigen en voort te
planten. Daarom werd hij gevangen genomen, en in een zeer onreine gevangenis
geworpen. Terwijl hij daar zat, zond de bisschop Johannes dikwerf enige
godgeleerden naar hem, om hem van gevoelen te doen veranderen, en tot de schoot
der roomse kerk te doen terugkeren. En, toen zij dachten, dat hij hun enige
hoop op herroeping gegeven had, spraken zij een vonnis over hem uit, dat in de
drie volgende hoofdstukken bestond.
1. Dat hij al zijn dwalingen, in al de Lutherse artikelen vervat, op die
feestdagen, na de predikatie in de St. Stephanuskerk, voor de predikstoel
overluid zou herroepen, en de verboden boeken verbranden.
2. Dat hij op drie volgende Zondagen blootshoofds en barrevoets, in een
boetekleed, met een strop om de hals, zo lang de mis duurde, voor de deur van
de St. Stephanuskerk zou staan, en, tot een teken van boetvaardigheid, een
brandende fakkel in de hand houden; en op de Vrijdagen voor die Zondagen niets
dan brood en water zou eten, en drie arme lieden van spijs voorzien.
3 Dat hij gedurende een geheeljaar in de gevangenis boete zou doen, en
enige van zijn bezittingen afstaan, ten behoeve van de oorlog tegen de Turken,
al de onkosten van het rechtsgeding betalen, en zijn gehele leven een kruis
dragen, opdat hij altijd uit anderen zou kunnen gekend worden.
Toen men meende, dat hij dit alles doen zou, werd hij op het feest van
Mariaboodschap in de kerk geleid, opdat hij uit een geschrift al de artikelen
zou herroepen. Nadat de predikatie geëindigd was, beleed hij met groten ijver
in het openbaar, dat hij niet wist, dat hij in enige zaak gedwaald had, en dat
hij alleen geloofde en leerde, wat in de Heilige Schrift was vervat. Toen de
genoemde geestelijkheid door bedreigingen, noch smeken en bidden iets vorderde,
werd hij weer naar de gevangenis gebracht, en op een verschrikkelijke wijze
gemarteld en gepijnigd. Eindelijk werd hij uit de gevangenis naar het klooster
der Augustijnen overgevoerd, waar hij onverhoord door de geestelijke orde als
een ketter werd veroordeeld, en aan de wereldlijke overheid overgeleverd, om
door baar gestraft te worden, die dan ook terstond zijn handen in boelen sloeg.
Gaspar klaagde er over, dat het onbehoorlijk was, iemand te veroordelen zonder
eerst zijn verontschuldiging gehoord te hebben. Maar daarmee vorderde hij
niets, zodat de omstanders met grote meedogendheid zich over zulk een
rechtsgeding verwonderden.
Op de 17de September van het jaar 1524, des morgens ten 6 uur, werd hij op
een kar gezet, en met de meesten spoed naar de gerichtsplaats buiten de stad
gevoerd, zodat er nauwelijks honderd toeschouwers hij deze handeling
tegenwoordig waren.
Toen hij de kar verliet, bad hij zeer aandachtig tot God zijn Heere,en
antwoordde de priester die hem dwong zijn zonden te belijden en voor zijn ziel
te zorgen: "Mijn ziel is in Christus mijn Heere zeer goed bezorgd."
Daarna vermaande hij de omstanders, dat niemand hunner hen, die het vonnis der
rechters uitvoerden, later verkeerd moest bejegenen. Eindelijk zei hij drie
malen: "Heere in Uw handen beveel, ik mijn geest." En, toen hij dit
gezegd had, sloeg hem de beul het hoofd af. Daarna werd zijn lichaam verbrand,
en aldus is de vrome martelaar van Christus tot as vergaan, en de haat der vijanden
aan hem openbaar geworden.
In hetzelfde jaar werd ook te Wenen een boekbinder, Georgius genaamd, om de
belijdenis van de waarheid, door een zware straf op de brandstapel Gode
opgeofferd.
Te Praag in Bohemen, werd ook nog een ander christen verbrand, omdat hij het
goddeloze leven (Ier priesters en de schandelijke kloosterbeloften vaarwel had
gezegd, en tot een eerlijk en Gode welbehaaglijk leven in het huwelijk was
overgegaan.
Inderdaad, het is zeker, dat deze en anderen, die voor de naam van Jezus
Christus sterven, om een geheel andere reden deze pijnigingen lijden dan
dieven, rovers, moordenaars en andere misdadigers, die een rechtvaardige straf
wegens hun boze daden moeten dragen. De gelovige christen wordt bewogen dit te
lijden ter ere van God en tot stichting van zijn naaste. Doch de wereld sluit,
volgens haar gewone ondankbaarheid en goddeloosheid haar ogen, opdat zij deze
heerlijke roeping van God en de belijdenis des geloofs in de martelaren niet
zien zou; en wat nog erger is, zij meent dat zij Gode er een dienst mee bewijst
en een offer brengt, wanneer zij aan deze dienstknechten van Christus zulke
wreedheden pleegt. En toch zal dit ongeloof der mensen nimmer de waarheid Gods
teniet doen, noch de vromen beroven van de kroon der rechtvaardigheid, die in de
hemel is weggelegd voor allen, die de waarheid hebben voorgestaan; die, naar
het voorbeeld van Mozes, liever wensten met Gods volk kwalijk behandeld te
worden, en in alle armoede en verdrukking te verkeren, dan hier met de
goddeloze eer, tijdelijk gewin en de wellusten des levens te genieten.
[JAAR 1524.]
Nicolaas Hottinger was van een oud en aanzienlijk geslacht uit het
eedgenootschap, te Zürich, en van beroep een schoenmaker. Toen hij, tijdens de
hervorming, door Ulrich Zwingi, in die tijd leraar te Zürich, de roomse
dwalingen en de evangelische waarheid leerde kennen, was hij derwijze met ijver
daarvoor bezield, dat hij overal, waar hij als schoenmaker werkzaam was, de
lieden met getrouwheid in de ware godsdienst onderwees en vele van hen
bekeerde.
Daar hij ook te Tagerfeld, in het graafschap Baden, waar hij zich geruime
tijd ophield, hetzelfde deed, en vele goedgezinde lieden tot Christus bracht,
werd hij eindelijk door de landvoogd daar gevangen genomen, en van Baden naar
Luzern gebracht, waai, hij, na een volstandig afgelegde belijdenis der
waarheid, op de 14e Maart 1524 door het zwaard werd omgebracht.
[JAAR 1524.]
In het jaar onzes Heeren Jezus Christus 1524 leefde er een dokter in de
godgeleerdheid, Johannes Castellanus genaamd, geboren te Doornik. Hij was een
Augustijner monnik, en toen hij de ware kennis van Jezus Christus en van Zijn
heilig Evangelie verkregen had, werd hij een zeer getrouw dienaar van het
Evangelie, en verkondigde dat met bijzondere ijver in Frankrijk, te Barle-Duc,
niet ver van de stad Vitri gelegen, te Chalons-sur-Marne, en ook in de stad
Wijck, de woonplaats van de bisschop van Metz, daarna ook in de stad Metz, waar
hij met grote vrijmoedigheid in het openbaar het Woord Gods predikte, en de
vele gruwelen van het pausdom aan het licht bracht, waarom de dienaren van de
antichrist hem zeer vijandig vervolgden, en alle middelen aanwendden om hem
gevangen te nemen. Doch, aangezien zij dit in de stad Metz niet durfden doen,
wachtten zij, totdat hij van daar zou vertrekken. Nauwelijks had hij dan ook
die stad verlaten, of de dienaren van de kardinaal van Lotharingen namen hem te
Gorse, een abdij hij Metz gelegen, gevangen, van waar hij door hen gebracht
werd naar het kasteel Nommeny.
Dit geschiedde niet zonder grote ontsteltenis der bewoners van Metz, die
het zeer euvel duidden, dat hun getrouwe dienaar dus in het genoemde kasteel
werd gevangen gehouden; waarom zij ook enige onderdanen van de kardinaal
gevangen namen, en geruime tijd opgesloten hielden. Eindelijk verscheen de abt
van St. Anthonis, te Wenen, Theodorus Chaumont genaamd, die zich uitgaf voor de
generaalvicaris van de genoemden kardinaal, zo in het wereldlijke als
geestelijke, in de bisdommen Metz, Totil en Verdun, voorzien van brieven en een
bevel van de paus, en bracht het door velerlei bewijzen en verzoeken aan de
Raad van Metz eindelijk zo ver, dat de onderdanen van de kardinaal werden
losgelaten.
Niettegenstaande dit alles, werd Johannes Castellanus van de 4e Mei 1523
tot de 12e Januari 1524, in het kasteel Nommeny wel verzekerd bewaard en wreed
mishandeld, gedurende welke tijd hij de leer der goddelijke waarheid zeer
standvastig beleed en getrouw verdedigde. De vijanden der waarheid werden zeer
verstoord op hem, en zeiden, daar zij hem niet konden wederleggen: "Ziet
toch, welk een verleider deze is; hij betovert alle mensen die met hem twisten,
zodat niemand hem kan overwinnen. Men moet daarom zulken vermijden, opdat zij
niemand met hun leer verstrikken." Wee echter, zodanige lasteraars, die
het goede kwaad, en het kwade goed, die het licht duisternis en de duisternis
licht noemen. Immers, zij wilden niet opmerken, dat het de Geest van God was,
die door hem sprak, en die hem mond en wijsheid gaf, die zij niet konden
tegenspreken.
Op de 12de Januari werd hij van daar overgebracht naar de stad Wijck en het
kasteel daar, waar hij met grote standvastigheid in de genoemde leer der
waarheid volhardde, zodat hij door geen vermaningen, beden noch bedreigingen
tot herroeping kon gebracht worden, maar tot het einde getrouw bleef aan zijn
Heer Jezus Christus. Om die reden zettenzij het rechtsgeding tegen hem voort.
De wijbisschop ontzette hem eerst van het priesterschap, terwijl zijtje
dienaren hem het priesterlijk gewaad uittrokken, dat hij tot dusverre nog
droeg, en deden hem een gewoon kleed aan. De bisschop sprak hem op de volgende
wijze aan: Wij willen, dat de wereldlijke overheid thans u, die van elke
geestelijken rang en alle voorrechten beroofd bent, in haar zorg neme."
Daarna zei hij, op zeer geveinsden toon, zoals hun gewoonte is: "Heer
rechter, wij bidden u, om Gods wil, dat gij met alle barmhartigheid jegens
delen ellendigen mens gezind mag zijn, en geen besluit over hem nemen, waardoor
hij zijn leven zou verliezen, of enig lid van zijn lichaam gekwetst zou
worden."
Toen Johannes Castellanus aan de wereldlijke overheid overgeleverd was,
veroordeelde hem het bestuur der stad Wijck om levend verbrand te worden. Met
een zeer standvastig en kloek gemoed onderging hij de straf op bijna 50-jarige
ouderdom.
[JAAR 1524.]
Johannes Hospinianus en zijn beide zonen werden geboren in het vlek
Stanheim, een grote en oude parochie, gelegen in het lage rechtsgebied van de
stad Zürich, maar in het hoge of halsgericht, onder het LandGraafschap Thurgau,
toebehorende aan het oude eedgenootschap. Sinds oude tijden stond daar een zeer
vermaarde kapel, die ter ere van de heilige Anna, moeder van de maagd Maria,
was gesticht, en door de bijgelovige lieden van nabij en verder gelegen
plaatsen en landen werd bezocht.
Toen in het jaar 1523, na een in het openbaar gehouden gesprek te Zürich,
de vrome Raad daar door een algemeen bevel gelast had, uit al de kerken de
beelden weg te nemen, werd in het volgende jaar 1524 ook bovenvermelde St.
Annakapel daarvan gezuiverd; onder welke beelden ook een kostbaar stuk, het
geboorteregister van St. Anna, op de heiligen dag van Johannes de Doper, werd
weggenomen.
Dit werd, benevens door vele anderen, zeer euvel geduid door de landvoogd
van Thurgau, die te Frauenfeld woonde, en die dit voor een grote misdaad
beschouwde, waardoor de dood verdiend werd. Hij bedreigde dan ook dit ten
zwaarste te zullen straffen. Hij gaf hiervan alleen de schuld aan Johannes
Hospinianus, de onderstadhouder van Stanheim, en aan diens beide zonen, die hij
dan ook, zolang hij regeerde, zeer haatte, maar hen toch niet durfde straffen.
Later kwam te Frauenfeld een nieuwe landvoogd, geboren te Scheijts die
reeds hij de aanvang van zijn regering de inquisitie inriep, en in de nacht van
de 7e Juli Johannes Oechstlen,
predikant te Burg, hij Steyn aan de Rijn, liet gevangen nemen. Hierover
ontstond een grote beweging, en er werd zelfs een moordgeschrei aangeheven,
zodat alle bewoners van Thurgao daarheen gingen, om de gevangene uit hun handen
te rukken en te verlossen. Doch het was te laat, daar hij reeds weggevoerd was.
De bewoners van Thurgau in Zürich legerden zich te Wingen in het
Karthuizerklooster, aan de rivier Tur gelegen, en gingen zelfs op de 8e Juli zo
ver van in dit klooster te eten en te drinken, en ei, schandelijk huis te
houden.
Wel zocht de onderstadhouder Hospinianus, die niet ver van daar woonde, en
een aanzienlijk en zeer geacht man was, het volk daarvan af te trekken, en tot
stilte te vermanen, maar al zijn pogingen waren tevergeefs.
Daarna staken enige moedwillige lieden het klooster in brand en vernielden
het. Toen dit de Raad van Zürich ter oor kwam, het hij terstond zijn
onderdanen, alsook de bewoners van Thurgau, door zijn afgezanten aanzeggen dat
zij hun verkeerdheden zouden staken, en wel omdat de onderstadhouder
Hospinianus, die aan deze daad niet schuldig was, maar wel begreep, dat hij
daarvan de schuld zou moeten dragen, hierover had geklaagd.
Vervolgens werd er ‘s maandags voor St. Margaretha door de regerende
Stenden een vergadering te Frauerifeld belegd, teneinde inlichting te bekomen
omtrent dit oproer en de brand. Op Dinsdag na St. Margaretha had er weer een
andere vergadering plaats te Zürich, waar men de gehele schuld van het oproer
en de brand wierp op de oude onderstadhouder Hospinianus en zijn beide zonen,
als ook op Buchard Ruijteman, onderstadhouder te Nusbaumen, mr. Coenraad
Steven, de heer Erasmus Smijden, bedienaar des goddelijke Woords te Steijn, die
door de pausgezinden Stenden bedreigd werd, dat zij hem door de rechterlijke
macht zouden laten halen. Hierover ontstond zulk een groot oproer, dat een
openbare oorlog scheen te zullen uitbarsten. Intussen verlieten de beide
laatstgenoemde personen Steijn, en wisten zich te redden.
Zürich, dat alleen volkomen de Hervorming had aangenomen, liet de vier
eerstgenoemde personen aan een onpartijdige rechter in bewaring geven en onder
borgtocht stellen, ondervoorwaarde, dat men geen geweid, maar recht aan ben
doen zou.
En, ofschoon zij, na een bedaard en onpartijdig onderzoek en de uitspraak
van het recht, aan zulk een oproer, plundering en het verbranden van het
klooster onschuldig werden bevonden, werkte het toch niets uit; het geschiedde
zelfs, dat de pausgezinde orde, die op onstuimige wijze raasde en tierde,
dreigde de gevangenen, niettegenstaande de borgtocht te halen, wat hun
eindelijk gelukte, doch onder uitdrukkelijke voorwaarde, dat men hen niet dan
over het oproer en de brand zou onderzoeken. Toen zij op de Vrijdag voor St.
Bartholomeusdag naar Baden tot de algemene eedgenoten overgebracht werden,
ontstond er hij hun aankomst te Baden een grote oploop van volk, bestaande zo
uit ingezetenen als vreemdelingen, die daar toen waren.
Toen de gevangen vader Hospinianus dit zag, zei hij tot zijn zonen: Ziet
lieve zonen, wordt heden aan ons niet vervuld, wat Paulus zegt:, Wij zijn een
schouwspel geworden der wereld en de Engelen en der mensen." En, toen hij
de stadhouder van Frauenfeld onder het volk zag, drong.hij door het volk hem te
gemoed, en reikte hem de hand toe, maar de stadhouder weigerde die aan te
nemen, waarop Hospinianus zei: “Heer stadhouder wees niet toornig, want God in
de hemel leeft, en ziet alle dingen."
Daarna werden zij naar de toren van de Mellingerpoort geleid, en ‘s
zaterdags op nieuw door de daartoe bestemde gezanten der eedgenoten onderzocht
betreffende hun geloof, alsook over het afschaffen der beelden, dat tegen de
gemaakte voorwaarde der heren van Zürich plaatshad, die alleen hadden
ingewilligd en toegestaan, dat men hen over het oproer en de brand, en niet
over hun geloof zou ondervragen, zoals ook de Zürichse afgevaardigden van de
Raad met allen ernst beweerden. Door de gezant van Bern echter werden zij met
bittere woorden bejegend. Hieruit ontstond grote onenigheid, zodat de gezanten
van Zürich opstonden, en deze heerszuchtige handeling niet langer wilden
bijwonen; doch de pausgezinde gezanten gingen evenwel met deze ondervraging en
het onderzoek voort. En hierbij bleef het niet, want, ofschoon de stadhouder
van Frauenfeld vele dingen had onderzocht, en daarvoor getuigen verzameld had,
werd toch de oude vader om deze zaken gruwelijk gepijnigd, zodat hij met tranen
in de ogen had, dat men hem toch van de martelingen enigermate zou verschonen,
en zich met het gedane onderzoek en de bijgebrachte gebeurtenissen tevreden
stellen, en wel, omdat hij de oprechte en grondige waarheid ervan had betuigd.
Hierop werd Johannes, de oudste zoon, die in de genoemde St. Annakapel te
Opperstanheim kapelaan of tweede dienaar geweest was, op de pijnbank gelegd, en
ondervraagd, hoe hij aan zijn ketterse gevoelens gekomen was, onder bedreiging,
dat zij hem, zoals met de beelden had plaats gehad, zouden verbranden.
Verantwoording, bidden noch smeken mochten baten, daar men, zonder enige
barmhartigheid te tonen, voortging hem op de gestrengste wijze te pijnigen,
zodat hij eindelijk zei: “O barmhartige God, kom mij te hulp en troost
mij." Een van de gezanten voegde hem toe:"Waar is nu uw Christus? Gij
booswicht, zeg uw Christus, dat Hij u nu helpt!" 'Waarop hij zuchtende
antwoordde: "Hij zal het ook doen."
Spoedig daarna werd ook mr. Adrianus, de jongste zoon, die ook in
Neder-Stanheim kapelaan of tweede dienaar was geweest, naar de pijnbank geleid,
tot wie een der gezanten zei: Heer zeg ons de waarheid. Wie heeft het klooster
verbrand, en vanwaar hebt gij uw geloof? Want ik verklaar u hij mijn
ridderschap, dat ik verkregen heb aan plaatsen, waar God de pijn en de dood
heeft ondergaan, dat men u, wanneer gij het niet zegt, de een ader na de andere
zal uitscheuren. Wij hebben uw vader met uw ketterse leer onderzocht, en wees
er van verzekerd, dat wij hem zullen doden, waaraan wij ons land en onze
onderdanen willen wagen, opdat dit vuil en ketters geloof worde
uitgeroeid." Adrianus bad, dat men toch niet zo tegen hem zou woeden, maar
hem genade bewijzen, en alleen naar de waarheid vragen. De gezant antwoordde:
"Adrianus, de Apostelen hebben zo niet gehandeld, maar hun dood met
vreugde begeerd."
Hoewel Adrianus hen altijd, in alle redenen en tegenspraak vriendelijk
bejegende, werd hij toch eindelijk aan het touw vastgemaakt en opgetrokken. Een
van de gezanten zei in die ogenblikken: "Adrianus, dat is het geschenk
waarmee wij u op uw bruiloftsfeest vereren." Adrianus had zich namelijk
kort tevoren met een meisje uit Beijlingen te Winterthür verloofd.
Eindelijk bracht men ook de bovengenoemde Ruijteman voor, die men
insgelijks omtrent alle zaken met ijver en onder vele pijnigingen ondervroeg ofschoon
het avond werd, en de gezanten vermoeid waren.
De volgende Zondag, toen men hen samen in één gevangenis had gebracht,
vertrokken de gezanten op dezelfde dag, om hun oversten van alles verslag te
doen.
Veertien dagen daarna, des Zondags na St. Urenen, kwamen de gezanten weer
samen, en onderzochten de gevangenen onder pijnigingen andermaal, doch bevonden
niet, dat zij aan het verwekken van oproer en het stichten van de brand
schuldig waren; dat zij, integendeel, naar hun beste vermogen dit alles hadden
trachten te behoeden en te weren.
Op Dinsdag de 6den September werd door de secretaris van Baden hun
bekentenis op schrift gesteld, en aan de overheden afgegeven.
Drie weken later werd er weer door de gezanten een vergadering te Baden
gehouden. Ten gunst van de gevangenen werd daar een dringend verzoek gedaan,
zowel door de inwoners van Zürich alsook door de ketterin Anna, die daar zelf
verscheen, om voor haar gevangen man Hospinianus en haar beide zonen in de bres
te springen, doch alles was tevergeefs. Evenmin hielp het, dat Hieronymus, hoog
ambtenaar te Zürich, die twee malen stadhouder van Thurgau was geweest,
getuigde, dat de bedoelde onderstadhouder een eerlijk, gehoorzaam man was, die
gunstig hij de overheid stond aangeschreven, en wie zij zeer genegen waren, die
jegens vreemdelingen en landgenoten gastvrij, getrouw, oprecht, redelijk en
nooit oproerig was geweest, zodat zijn huis gelijk aan een klooster en gasthuis
was. Doch door de Raad werd hun geantwoord, dat hij moest sterven, omdat hij de
grootmoeder van Christus, de zalige Anna, de moeder van de moeder Gods,
verbrand had. Zij voegden er hij, dat, wanneer hij slechts had gestolen,
geroofd, gemoord of ketterij bedreven, zij hem dan zouden verschonen.
Op Woensdag de 2881 September, in de avond van St. Michaël, in het jaar
15211, kwamen de eedgenoten van de negen regerende Stenden op het Raadhuis te
Baden samen. Die van Zürich, die de Evangelische godsdienst beleden, waren,
aangezien hun voorbede niet had geholpen,afgetreden, en hadden zich verwijderd,
daar zij niet in de Raad der bozen wilden zitten. De vergaderden spraken over
de gevangenen dit vonnis uit, dat Johannes Hospinianus, onderstadhouder te
Stanheim, en Johannes, zijn zoon, alsmede Borchard Ruijteman, onderstadhouder
te Nusbaamen, door het zwaard zouden sterven; maar dat Adrianus, als de jongste
zoon, aan zijn moeder, die zoals boven verhaald is, voor hem vergeving
afgesmeekt had, zou terug gegeven worden.
Toen dit vonnis de gevangenen in de toren werd meegedeeld, zei de vader tot
Adrianus: "Mijn zoon, daar God u nu het leven wil sparen, zie wel toe, dat
gij, noch iemand van de onze zich vermeet om deze onze onschuldige dood te
wreken. De wraak behoort God in de hemel alleen toe, Die zal te Zijner tijd al
het onschuldig bloed wreken. Hij wil ons genade bewijzen, en in het ware geloof
ten einde toe versterken."
Toen nu Adrianus hierover bitterlijk weende en zeer bekommerd was, zei
Johannes, zijn broeder, tot hem: "Mijn broeder, gij weet, dat wij Gods
Woord getrouw verkondigd hebben, en wel aldus, dat wij ten allen tijde het
kruis ervan gedragen hebben; ween daarom zo niet, en houd op met schreien. Ik
breng lof en dank aan God, dat Hij mij op deze dag waardig acht, om de wil van
Zijn heilig Woord te lijden en te sterven; Zijn heilige naam zij hoog geprezen
in eeuwigheid! Het geschiedde, gelijk het Hem behaagt."
Intussen troostten zij elkaar en bereidden zij zich voor, totdat het uur
van hun dood slaan zou met christelijke spreuken uit Gods Woord, en bevalen
Adrianus om dit ook de hunnen mee te delen, en hen te troosten, daar zij niet
wegens enige schande of oneer, maar alleen om Gods wil moesten sterven.
Negen volle weken brachten deze vrome mannen op verschillende plaatsen in
de gevangenis door, in welke tijd zij niet van klederen noch hemden verwisselden.
Zij werden door die wrede martelingen meer en meer ontzenuwd, afgetobd en
krachteloos. Maar zij betuigden, dat zij er verheugd over waren, omdat zij nu
eindelijk van hun zwakke lichamen en zware pijnigingen zouden bevrijd worden,
en loofden daarom God in hun lijden, en hielden in getrouwheid aan in het
gebed.
Toen nu de tijd van hun sterven genaakte, verzamelde zich een grote
menigte, door welke men de drie mannen leidde, die vol geduld en gewillig
daarheen gingen, terwijl velen hun tranen niet konden bedwingen. Voor het
Raadhuis werden hun de bekentenissen voorgelezen, en aangezien deze meer op
gezegden van anderen, dan op hun eigen woorden waren gegrond, sprak de
onderstadhouder Hospinianus enige artikelen in het openbaar tegen, en betuigde,
dat die hem nooit in de zin waren gekomen. Zijn zoon Johannes zei daarop:
"Niet alzo, lieve vader, niet alzo; maar laat het alles waar zijn en zo
blijven, de Heere, Die in de hemel is, weet wel wie en wat wij zijn, en hoe
alle dingen zijn geschied. Aldus moet de antichrist Zijn zaak met liegen en
bedriegen bemantelen. Het grote gericht dezer wereld zal aanbreken, waarin al
het verborgen en de waarheid, zoals het behoort, aan de gehele wereld zal
geopenbaard worden. Met geloof en lijdzaamheid zullen wij thans alles
overwinnen."
Nadat hun de bekentenissen en het vonnis waren voorgelezen, sloeg de beul
van Locaris het eerst de handen aan Johannes, bond hem, en leidde hem weg.
Deze sprak, ten volle vertroost, van Christus, van Diens verdiensten, en de
zaligheid, waardoor hij zelfs vele zielen in het geloof versterkte. Daarna bond
de beul van Luzern de beide onderstadhouders samen, en volgde achter de eerste
beul. Zij werden begeleid door de priester Galli, kerkelijk dienaar te Baden,
die hun veel van de pauselijke leer op het hart wilde drukken, doch waartegen
zij het hoofd schudden, en er geen gehoor aan wilden geven.
Toen zij op de brug tegen het slot gekomen waren, waar vroeger de kapel van
St. Joost stond, doch welke, zo ook de brug in die Lindmaat, de 28sten Augustus
1568, door een watervloed ondermijnd en weggespoeld werd, vermaande hen de
genoemde priester, dat zij zouden neerknielen en de heiligen Joost aanroepen.
Doch Johannes keerde zich terstond om en zei: "Waarom zouden wij voor hout
neerknielen, en dat aanroepen? God in de hemel behoort men alleen aan te
roepen; wend u ook tot Hem met oprecht berouw, want gij zult geen grauwen rok
meer verslijten zo min als ik." Dit gezegde van hem aan de priester werd
ook vervuld, want binnen een jaar stierf hij. Johannes wendde zich ook tot zijn
vader en zei: "Mijn vader, ik bid u, wil toch niet afwijken van wat gij
onderwezen hebt, en waarvan gij weet, dat het de waarheid is. Gij weet, dat er
maar één Middelaar is tussen Goden de mens, welke is onze lieve Heere Jezus Christus,
onze enige troost en Heiland." Daarop antwoordde de vader: “Lieve zoon,
met Gods hulp zal ik zeker daarbij blijven tot het einde." Hierop baden
zij overluid het Onze Vader, en zeiden de artikelen van het geloof op, totdat
zij op de gerichtsplaats kwamen, waar Johannes terstond afscheid van zijn vader
nam en sprak: "Vriendelijke, hartelijk geliefde vader, voortaan bent gij
niet meer mijn vader, noch ik uw zoon, maar wij zijn broeders in Christus onze
Heere, om Wiens naams wil wij thans de dood moeten ondergaan. Met Gods hulp
zullen wij tot Hem komen, Die de Vader is van ons allen, en hij Hem met alle
uitverkoren heiligen eeuwige rust, vreugde en zaligheid genieten. Daarom,
vriendelijke, lieve vader, en broeder in Christus, weesgetroost, geef u aan de Heere
over, en laat hem begaan." Daarop sprak de vader: "Amen! Zo zegene u
God, de almachtige, welgeliefde zoon en broeder in Christus! Hem zij lof, eer
en dank in eeuwigheid!" Velen waren bedroefd van hart om dit afscheid.
De onderstadhouder Ruijteman sprak weinig; hij bad en luisterde toe naar
hetgeen Johannes en diens vader met elkaar spraken.
Na dit alles werd Johannes het eerst naar de gerichtsplaats gevoerd, en
ontkleed om onthoofd te worden. Het omstaande volk vermaande hij ernstig tot
eenheid en christelijke liefde, en dat zij met naarstigheid Gods Woord zouden
lezen en volgen. Hij verzocht ook ieder, dat zij hem door het Onze Vader God
zouden helpen aanroepen, en vroeg om vergeving, indien hij iemand iets misdaan
had, zoals hij ook ieder gewillig vergeven had. Eindelijk knielde hij in de
naam van Jezus Christus, en werd onthoofd.
Daarna werd ook de vader door de genoemden scherprechter naar de
gerichtsplaats gevoerd; en toen hij insgelijks knielde in de naam des Vaders,
des Zoons en des Heilige Geestes, en zijn ziel Gode had bevolen, werd hij
onthoofd.
De priesters fluisterden de onderstadhouder Ruijteman onophoudelijk in het
oor, dat hij Onze Lieve Vrouw en de heiligen moest aanroepen; maar hij bad het
Onze Vader, en toen hij in Gods naam knielde, werd hem het hoofd afgeslagen. De
priesters maakten de onwetenden hoop wijs, dat hij begeerd had een zielsmis
voor hem te doen; doch niemand had dit ooit van hem gehoord. Intussen bracht
dit hun veel geld op.
Een zodanig einde hadden deze drie aanzienlijke vrome mannen. En, of dit
nog niet genoeg ware, moest de arme, bedroefde weduwe boven dit alles aan de
pausgezinde orde betalen zes honderd Duitse guldens voor de gemaakte onkosten
en bovendien honderd vijftig gulden voor de vertering, gemaakt hij hun verblijf
in de gevangenis, en voorts nog tien kronen aan de wrede beul, zodat er in het
geheel geen barmhartigheid getoond werd.
Adrianus Hospinianus, die, gelijk boven verhaald is, aan de moeder was
teruggegeven, werd door de achtbaren Raad van de stad Zürich in de parochie
Altorf, in hun graafschaap Kijburg gelegen, aangesteld, en spoedig daarna tot
deken van dit hoofdstuk gekozen. Beide ambten bediende hij met alle
naarstigheid en getrouwheid tot aan zijn dood, waar hij ook de 9den Februari
4563 stierf, nadat hij hij zijn tweede vrouw, Dorothea Wolphy, zuster van
Johannes Wolphy, de godgeleerde, een zoon had verkregen, Rudolf Hospinianus,
die door zijn uitnemende geschriften bijna hij ieder bekend is.
[JAAR 1525.]
Johannes de Klerck, geboren te Melden, was de oudste broeder van Pieter de
Klerck, van wie wij later zullen spreken. Deze Johannes werd, in het jaar onzes
Heeren 1513, in de stad Melden gevangen genomen, omdat hij aan de deuren van de
grote kerk aldaar enige artikelen aangeslagen had tegen de gezonden
aflaatbrieven van de paus, waarin hij schreef, dat de paus de antichrist was.
Hierom werd het volgende vonnis over hem uitgesproken, namelijk, dat hij
gedurende driedagen, op zekere tijden, met roeden zou gegeseld, en hem een
schandteken aan het voorhoofd zou ingebrand worden. Toen zijn moeder, die een
oprechte en christelijke vrouw was, maat, een man had, die de waarheid haatte,
zag dat haar zoon gegeseld en gebrandmerkt was, bemoedigde zij hem, en riep op
luiden toon: "Zo moet Christus met zijn merktekenen in u leven."
Daarna reisde de genoemde Johannes de Klerck, gestraft en gebrandmerkt, naar
Rosoay, in Brie, en vandaar naar Metz, in Lotharingen, waar hij enige tijd
woonde, en zich met zijn ambacht het wolkammen bezig hield.
Op zekere avond voor de dag, waarop men, even buiten de vesting der stad,
aan enige beelden in een kapel grote eer zou bewijzen, kwam Johannes, met een
goddelijke ijver, zoals de uitkomst leerde, ontstoken, aan de plaats waar de
volgende dag de beelden zouden worden aangebeden, en sloeg die aan stukken.
Toen nu de hogere geestelijken, priesters en monniken het volk met grote pracht
en in processie daarheen leidden, en ontdekten, dat hun beelden geschonden en
verbroken waren, bewogen zij de gehele stad, om de dader van dit feit te
zoeken, die dan ook zeer spoedig werd gevonden.
Behalve dat men reeds vermoeden op hem had, hadden sommigen hem in de
vroege morgen de stad zien ingaan. Hij werd daarom gevangen genomen, beleed
zijn daad terstond. en gaf voor het gehele volk de reden op, waarom hij dat
gedaan had. Het volk ontstak daarover dermate in gramschap en woede jegens hem,
dat men terstond verlangde, dat men hem een gruwelijke dood zou aandoen. Nadat
hij de zuivere leer van de Zoon Gods, Jezus Christus, voor de rechters en het
volk met kloekmoedigheid had beleden, werd zijn vonnis geveld, en hij naar de
plaats, Champasselle genaamd, gevoerd, waar hij zijn straf ontvangen zou. Men
het hem een zeer wrede dood ondergaan. De beul hieuw hem eerst de rechterhand
af, daarna werd hem de neus met scherpe tangen afgeknepen, zo ook de armen, de
borsten afgesneden, en van zijn hoofd cirkelsgewijze de huid afgestroopt en met
vuur verschroeid. Hij dit wrede schouwspel was niemand tegenwoordig, die zich
niet ten hoogste hierover ontzette, voornamelijk toen zij de onoverwinnelijke
standvastigheid zagen, waarmee God Zijn dienaar versterkte, die onder de
grootste en zwaarste pijnigingen de volgende woorden uit de 115den Psalm op de
lippen nam en uitsprak: Hunlieder afgoden zijn zilveren goud, het werk van
mensenhanden," enz. Het leven, dat in dit ellendig lichaam nog over was,
werd daarna spoedig door het vuur verteerd.
Dit geschiedde op de 29e Juli in het jaar onzes Heeren 1525.
In het Latijn beschreven door Willem Gnapheüs, Rector van de Latijnse
school te 's Gravenhage en medegevangene van Pistorius.
Later in het Nederlands vertaald.
[JAAR 1525.]
Johannes Pistorius, of de Bakker, van Woerden, in Holland, was uit
aanzienlijke ouders geboren, en overtrof van zijn jeugd af in deugd en
eerbaarheid des levens allen, die van zijn leeftijd waren. Reeds op 12-jarige
leeftijd zong hij, daar hij een zeer heldere stern had, in de hoofdkerk te
Utrecht, volgens de gewoonte van die dagen, met de hogere geestelijken, en
stond hij het college der priesters in hoog aanzien. Nadat hij die jaren van
zijn leven aldus had doorgebracht, en zijn stem begon te verzwakken, wilden de
priesters hem nauwelijks ontslaan, om tot zijn studiën, die hij enige tijd
vaarwel had gezegd, ja, bijna verlaten, met een bijzondere lust terug te keren.
Tot onderwijzer had hij later meester Johannes Rhodius, een zeer beroemd
opziener over het college van Hieronymus, een geleerd en tevens vroom man, die
hem naarstig onderwees in de geboden der godsvrucht en de ware godsdienst,
alsmede in de beginselen van zijn aanstaand ambt. Al spoedig werd deze leerling
met zijn onderwijzer gehaat, daar men hem beschuldigde de gevoelens van Luther
te zijn toegedaan. In deze tijd namelijk openbaarde zich de Evangelische
waarheid reeds, en om die te bevorderen, reisde bovengenoemde Rhodius dikwerf
naar Duitsland. De goede vader van Pistorius maakte zich voor de ondergang van
zijn zoon zeer bevreesd, aangezien het vermoeden, dat hij de leer van Luther
voorstond, dagelijks meer en meer toenam. Hij riep hem daarom uit de school
naar huis, en beval hem nevens hem het kosterambt waar te nemen. In deze
betrekking liet hij niet na de lof van het meer en meer helder schijnende
Evangelie hij alle gelegenheden zijn medeburgers in te scherpen, en vele nieuwe
planten tot Christus te leiden.
Van daar werd hij, om zijn verstand nog meerder te verrijken, naar Leuven
gezonden, en aan Erasmus, de roem van Holland, aanbevolen, met wie zijn goede
vader vroeger samen had gewoond, en in zijn jeugd veel had omgegaan, aangezien
zij in één school waren onderwezen. Het was verwonderlijk te zien, hoezeer
Pistorius in korte tijd in kennis toenam. Doch de vader, die meer zag op het
voordeel, dat hij door zijn zoon behalen kon, dan op diens studiën, overlegde
hij zichzelf, hoe hij het best van zijn zoon partij kon trekken. Hij zond hem
daarom naar Utrecht, om hem als dienaar in de godsdienst te laten wijden. De
goede jongeling werd gedwongen, zich naar de wil van zijn vader te schikken,
het leven der geestelijken aan te nemen, en de gevoelens van Luther af te
zweren, wat hij in die tijd deed, voorzover de christelijke eenvoudigheid geen
sekten kende. Evenals deze levenswijze Pistorius niet behaagde, betuigde hij
ook hij herhaling, dat hij tot de slavernij van deze kerkelijke bediening was
toe getreden alleen om zijns vaders wil, of om in dit leven er zich op te
kunnen toeleggen de catechismus te beoefenen, zoals hij dit dan ook met groten ijver
in zijn vaderland heeft gedaan. Daar het gerucht hiervan dagelijks toenam, werd
hij spoedig daarna te Utrecht geroepen, om zich daarover te verantwoorden.
Maar, aangezien hij de lagen bemerkte, welke men hem legde, weigerde hij in de
vergadering der kwaadwilligen te verschijnen. De priesters van het college te
Utrecht deelden de verachting, die Pistorius der vergadering toedroeg, aan het
hof van Holland mee. Aangezien deze aanklagers daar geloof vonden, werd hij met
een van zijn medebroeders door de gouverneur van het slot te Woerden
gevangengenomen. Terwijl echter zijn tegenpartijders, uit vrees voor de
burgers, zoals men meent, hen niet langer van ketterij beschuldigden, en wel in
deze plaats, waar zij alles naar hun wil konden doen buigen, gebeurde het, dat,
toen zijn metgezel door bloedgang werd aangetast, Pistorius, om de
besmettelijke ziekte werd ontslagen uit de gevangenis, onder belofte, dat hij
zich ten allen tijde aan het rechterlijk onderzoek zou onderwerpen. De
geestelijken te Utrecht waren wrevelig dat deze prooi aan hun handen ontgaan
was, en wisten door hun scherpe bedreigingen het zover te brengen, dat beiden
een vrijwillige ballingschap aannamen. Uit liefde tot de ware godsvrucht gingen
zij naar de gemeente te Wittenberg, in Saksen. Na drie maanden op deze reis
doorgebracht te hebben, keerden zij weer naar hun vaderland terug. Toen die van
Utrecht dit vernamen, riepen zij hen op nieuw voor hun gericht, teneinde hen
van ketterij te zuiveren. Eindelijk werd hun bevolen naar Rome te reizen, en
gedurende drie jaren buiten hun vaderland te blijven. Pistorius minachtte dit
vonnis, en wilde geen voetbreed uit het stadje wijken, en nog minder
volbrengen, wat hem gelast was.
Hierdoor werden zijn tegenstanders nog meer op hem verbitterd, zodat zij
besloten hem te zullen doden, zo spoedig zij hem ergens onder hun gebied konden
betrappen. Aan een overste der ruiterij werd de last opgedragen, zulk een
ongehoorzaam mens en oproermaker gevangen te nemen en te Utrecht te brengen.
Ondertussen hield Pistorius zich buiten het gebied van Utrecht op, doorreisde
geheel Holland, en versterkte voortdurend de broeders en gemeenten, die tot eer
valt de Heere vergaderden. Te Delft bezocht hij, met grote bereidwilligheid
mij, en Cornelius Honius, een zeer kundig rechtsgeleerde, die ook met mij,
omdat hij zich tegen het monnikenleven verklaard had, gevangen zat, en gaf ons
door zijn toespraken een groot bewijs van godzaligheid. En, opdat deze goede
man, wat hij leerde ook door daden zou bewijzen, wat zij echter voor ketterij
verklaarden, trad hij, ofschoon hij priester was, in het huwelijk. Na zijn
huwelijk bediende hij de mis niet meer, verliet de geestelijken stand, en het
zich de kruin niet meer scheren. Ja, deze pas gehuwde achtte het niet beneden
zich allerlei slaafse arbeid te verrichten. Nu eens was hij aan het bakken, dan
weer aan het graven; op een anderen tijd werkte hij op het land, al naar ieder
zijn hulp vroeg. Intussen hield hij zich ook bezig met de verkondiging van het
Woord in de huizen, en bekleedde met naarstigheid het ambt van Evangelisch
predikant, zodat het bleek, dat hij er een gewetenszaak van maakte, de minsten
tijd in ledigheid door te brengen.
Terwijl hij zijn tijd met deze zaken, gelijk reeds gezegd is, ten goede
besteedde, geschiedde het, dat de paus van Rome zijn rijk, dat dreigde teniet
te gaan, ja reeds aan het zinken was, door nieuw uitgevonden aflaten, zoals men
die noemt, zocht staande te houden. Deze aflaten werden nu niet meer, zoals
vroeger, verkocht, maar tegen het gebruik om niet de boetvaardigen en die de
mis bijwoonden in de hand gestopt. Toen deze aflaten ook in het stadje Woerden
werden gebracht en aangeplakt, verzette zich deze martelaar daartegen als een
muur voor het huis Israëls. Gelijk deze goede man de overleggingen van de satan
bekend waren, zag hij ook spoedig de bedoelingen en bedriegerijen van de
antichrist in. Hij begaf zich daarom naar de biechtkamer, en, o goede God! met
welk een goede gesteldheid des harten ontdekte hij het bedrog van de aflaten.
Teneinde velen tegen deze koophandel te stemmen, en hen voor het bedrog van
deze aflaten te bewaren, nam hij geen geld aan, zoals gewone priesters doen,
van hen die hij hem ter biecht kwamen. Hij maakte er zijn werk alleen van, om
hij ieder de beginselen van de godsvrucht en van de christelijke godsdienst in
te planten, de zwakke gemoederen in Christus te versterken en de geschokte
gewetens door het Evangelie van Christus rust te schenken. Ten gevolge daarvan
liepen de burgers met grote scharen tot Pistorius, waardoor de inkomsten van de
gewone priester zeer verminderden. Deze werd daarover met wrevel vervuld, en
wendde zich hij herhaling tot de overheid met het verzoek, zulk een mens, die
het heilig sacrament, de openbare gebeden en het gezag van de paus verachtte,
uit de heilige kerk te weren. In weerwil daarvan, werd de vromen martelaar door
de broeders verzocht, dit godvruchtig begonnen werk niet te staken, opdat de
koophandel van de paus dagelijks zou verminderen. In deze tijd bediende hij
eens de mis, en liet eenmaal zijn hoofd scheren, en deed dit, omdat hij meer
zag op de liefde en de tegenwoordige omstandigheden des tijd, dan om aan
verkeerde hartstochten en begeerten toe te geven. Dit was de laatste en vierde
mis, die hij als priester in drie jaren tijd bediende. Intussen, toen de
huurling, de oude priester, gestorven was, veroorzaakte de roomse priester, die
in zijn plaats gekomen was, een nieuw treurspel. Pistorius werd namelijk voor
het stadsbestuur geroepen, en bevolen zijn zaak te verantwoorden. Daar werden
hem vele vragen gedaan betreffende het pausdom, het vagevuur en de besluiten
der kerkvaders. Met een spreuk bracht hij hen tot zwijgen, en betuigde dat God
tevergeefs wordt geëerd door geboden en instellingen van mensen. Hij zelf riep
enige priesters samen, en wel ten getale van drie, die over zijn huwelijk
zouden oordelen. Onder deze was er een, die, eer men tot het onderzoek
overging, het voornemen en de rechtschapen handelingen van de nieuwe pastoor
(Pistorius) bespotte en hem vroeg op wiens order hij in een vrije stad zulk een
oproer verwekte. Doch, daar hij van de opperste rechter daartoe geen last had
bekomen, ging hij beschaamd heen, en werd ook de vergadering opgeheven. De
volgende dag nam hij van het Bestuur van Woerden een schriftelijk bewijs van
het gebeurde, en zo bracht deze onbeschaamde lasteraar alles, zo hatelijk als
hij slechts kon, aan het Hof van Vrouw Margaretha over. Op haar bevel werd
Pistorius daarna weer gevangen genomen, en naar 's Gravenhage, zijn vaderstad,
overgebracht, onder geleide van vier gerechtsdienaren. Op deze reis had hij nu
en dan goede gelegenheid om te ontvluchten, doch hij beproefde dit nochtans
niet, en betrad zelfs niet vreugde de gevangenis te, 's Gravenhage. Het gerucht
hiervan, nieuw als het was, kwam, terwijl ik in de Latijnse school werkzaam
was, Mij ter oor, en terstond nam ik de pen ter hand, en begon een
verantwoording voor de gevangen broeder op te stellen, waarin ik zijn zaak, die
rechtvaardig, en duidelijk te verantwoorden was, poogde voor te staan en te
verdedigen, terwijl ik niet wist, dat ook mij, ten gevolge daarvan, het lot van
in de gevangenis te geraken, boven het hoofd hing. Drie dagen daarna werd ook
ik in dezelfde gevangenis gestoten, omdat ik door de kuiperij van de monniken
verraden was, wier orde ik in mijn geschrift had afgekeurd. Met stilzwijgen ga
ik het zeer aangename verkeer met deze man voorbij; en terwijl ik hier was, heb
ik, bijna steelsgewijze, beschreven, wat hij mij meedeelde, vooral wat hem van
de inquisiteurs bejegende, wat ik in de volgende samenkomsten getrouw zal
verhalen.
Wilt gij, beminde lezer, dat ik u de man nader beschrijf, weet dan, dat hij
recht en lang van persoon was, met een deftig en vergenoegd uiterlijk, een hoog
voorhoofd, en een oprecht en vrijmoedig gelaat. Hij droeg lang, zwart en dun
haar. Hij was sterk van gebeente, in de bloei van zijn jeugd, en had nauwelijks
27 jaren bereikt. In het redetwisten was hij wakker, in het onderwijzen
duidelijk, in het vermanen vrijmoedig, en zeer ijverig in het bestraffen van
zijn tegenpartijders. Zijn gang was
gelijkmatig en statig, de kleur van zijn huid helde een weinig naar het gele.
Meerdere bewijzen, zo van zijn deugd als vroomheid, die ik in die tijd in hem
opmerkte, zou ik kunnen meedelen, doch dit zou volgens het algemene
spreekwoord, tevergeefs een krans van eikenloof uithangen zijn, waar wijn te
koop is. Wie hij was, en hoe hem het hart gloeide voor God, hebben zijn
martelaarschap en dood genoegzaam bewezen. Dit wilde ik van het leven dezes
godvruchtigen mans, ofschoon zeer kort, meedelen. Neem zeer vriendelijke lezer,
deze onze arbeid, die wij ten goede van de christelijke godsvrucht verrichten
ten goede aan. En, wanneer het u behaagt, ook het volgende te lezen, zult gij
met de Profeet moeten zeggen, dat God Zijn heiligen tot een muur heeft gesteld.
Wij geven u hier, onpartijdige lezer, de redevoeringen, die de uitnemende
martelaar, Johannes Pistorius, met de Leuvense drogredenaars, die zich voor
inquisiteurs of onderzoekers der ketterse boosheid uitgaven, gehouden heeft, en
wel met geen mindere kloekheid van het hart en vertrouwen, als geleerdheid en
godsvrucht. Wij geven u die met dezelfde oprechtheid en getrouwheid te lezen,
als wij die in de gevangenis, waar wij samen waren, uit zijn mond vernamen,
terwijl wij ons veroorloofd hebben de stijl wat te verbeteren. Aangezien deze
zogenaamde godgeleerden hij herhaling met deze onze martelaar gesproken, en
vete dingen op beuzelachtige wijze hebben voorgesteld, dunkt het ons goed het
geheel van alles, wat er toen is gesproken, in vier twistgesprekken of
samenspraken samen te vatten, opdat wij niemand door te grote uitvoerigheid van
de lezing zouden afschrikken. Als in een spiegel is in deze samenspraken te
zien, hoe deze beklagenswaardige drogredenaars zich gelijk blijven, en hoe
ongelukkig zij strijden. Ofschoon zij zich beroemen onderzoekers der
ketterijen, leraren der onwetenden, leidslieden der dwalenden en meesters der
waarheid te zijn, zijn zij dit evenwel niet; want niemand onderwijst de
onwetenden minder dan zij, en niemand leert de weg der zaligheid aan onkundigen
minder dan zij. Dit alles zal uit deze twistgesprekken, die volgens hun wijze
van handelen, en niet uit bitterheid of door ons verzonnen beschreven zijn,
duidelijk kunnen gezien worden.
Dit eerste onderzoek, waarin enige punten van minder belang zijn voorbij
gegaan, had plaats op de 14den Juli in het jaar onzes Heeren 1525.
De sprekers waren:
Magister Noster, Nikolaas a Montibus, inquisiteur.
M. N. Godschalk Rosemundus, bijzitter.
M. N. Ruard Tapper, van Enkhuizen, bijzitter.
Bucho Bernhard Vries, deken en burgemeester van 's Gravenhage.
Duvevortius Brunchus, procureur fiscaal.
Johannes Pistorius, van Woerden, gevangene.
Mont. Zeg mij Johannes, wilt gij dat wij Latijn spreken of Nederlands?
Pistorius. Doe, zoals gij wilt, het is mij om het even.
Mont. Mijn Heeren, wat zal ik dan het eerst vragen?
Rosemund. Laat ons tot de zaak zelf overgaan.
Tapper. In het geheel niet. Het zal beter zijn, dat men vraagt, of hij u
houdt voor een bevoegd rechter.
Mont. Heer Johannes, zult gij mij ook oprecht antwoorden op wat ik u zal
vragen?
Pistor. Ik zal antwoorden op alles wat recht is.
Mont. Leg dan uw hand op uw borst, en zweer, dat gij ons de waarheid zult
zeggen van wat wij u vragen zullen.
Pistor. Ik vind mij bezwaard om veel te zweren; doch ik neem op mij te
antwoorden naar de eis van deze rechtbank.
Mont. Wat, kent gij deze hand niet?
Pistor. Het kan wel zijn, dat zij het is; maar, ofschoon gij mij veel
vraagt, heb ik niet voorgenomen ulieden te antwoorden, dan nadat ik eerst in
het algemeen rekenschap heb gegeven van mijn geloof.
Mont. Wat vragen wij naar uw getuigingen? Antwoord op hetgeen wij vragen:
Blijft gij nog hij deze uw belijdenis?
Pistor. Ik zal geen titel antwoorden, zo gij mijn protest niet inwilligt.
Mont. Maar wij zullen in geen dele toestaan, dat gij naar uw goedvinden
zult protesteren. Antwoord, wat wij u vragen.
Pistor. Wat dwingt gijlieden mij aldus, dat ik naar uw zin zal moeten
antwoorden? Wat is dat voor een onbillijkheid.
Duvevortius. Hij vraagt, wat billijk is, sta hem toe, dat hij zich naar
zijn begeerte verklare.
Pistor. Gijlieden schijnt om niets anders hier gekomen te zijn, dan om mij
in mijn woorden te vangen. Wat is dat voor een manier van doen?
Tapp. Ja, wij zijn er hier geheel op uit, om u tot betere gevoelens te
brengen. Waarom weigert gij ons te antwoorden?
Bucho. Mijn vriend Johannes, opdat gij de zaak goed mag inzien; hier hij
ons, is de commissaris van de keizer, om rechter in uw zaak te zijn.
Munt. Ziehier het schriftelijk bewijs van mijn last.
Tapp. Dat het artikel gelezen worde, hetwelk de inhoud van het bevel
behelst.
Pistor. Ik geloof wel, dat het door de keizer hierheen is gezonden.
Tapp. Het is genoeg. Hij erkent de rechter.
Mont. Wat zegt gij dan van deze uw belijdenis?
Pistor. Wanneer ik de verklaring van mijn geloof zal blootgesteld hebben,
zult gij horen, wat ik zal antwoorden.
Duvev. Doe dan uw beklag.
Pistor. Ik, Johannes, van Woerden, beklaag mij voor ulieden. Waarom
meesmuilt gij zo?
Bucho. Heer Johannes, de Magistri nostri bespotten u niet, maar zij
glimlachen, omdat gij u laat voorstaan uw beklag zeer goed ingeleid te hebben.
Maar, eilieve ga voort.
Pistor. Ik, Johannes, van Woerden, verklaar voor ulieden, dat ik niet
voornemens ben iets uiteen te zetten.
Duvev. Ga zo voort, als gij begonnen bent.
Pistor. Ik, Johannes, van Woerden, verklaar voor ulieden, dat ik niet heb
voorgenomen iets uit een te zetten, wat in de Heilige Schrift niet is
uitgedrukt.
Tapp. Zwijg een ogenblik, en geef mij uw Bijbel. Wat, zal men alleen de
Schrift en ook niet de kerkvaders geloof schenken? De Handelingen der Apostelen
geven duidelijk te kennen, dat Paulus het volk beval de geboden der Apostelen
en ouderlingen te onderhouden.
Pistor. Dit zegt de Apostel zeer goed; want die geboden van de ouderlingen
waren overeenkomstig de Heilige Schrift.
Rosem. Maar de Apostelen zeggen in hetzelfde hoofdstuk: “Het heeft de
Heilige Geest en ons goed gedacht, dat gij u onthoudt van hetgeen de afgoden
geofferd is, en van bloed." Waaruit blijkt, dat de Apostelen en hun
navolgers iets hebben bevolen buiten de Heilige Schrift; want zij zeggen:
"Het heeft de Heilige Geest en ons goed gedacht." Wat antwoordt gij
op het woord ons?
Pistor. De Apostelen hebben daar niet gesproken zonder gezag van de Heilige
Schrift; want de wet had de Joden wat verstikt was of bloed te eten verboden,
en bepaald, dat diens ziel zou zijn in de plaats van de geslachte offerande. De
vergadering der Apostelen had uit de geschriften der Profeten geleerd, dat de
heidenen in het christendom zouden opgenomen worden. Dit lieten de Joden
ongaarne toe, en toen dacht het de Apostelen, door het ingeven des Heilige
Geestes, goed een reden te bedenken, waardoor zo vele delen tot de enigheid van
het geloof zouden gebracht worden. Dit kon echter niet geschieden, tenzij het
een deel het andere wat toegaf, en wel uit verplichting der liefde, die soms de
wet een weinig opheft. Hieruit volgde, dat, toen de Joden van het gestreng
aandringen op de besnijdenis wat lieten vallen, en de heidenen zich daarentegen
van het verstikte en het bloed voor enige tijd onthielden, beide volken zich
met de Evangelische leer tevreden stelden. Dat nu zulk een apostolisch besluit
voor de heidenen niet van voortdurende kracht was, blijkt daaruit, dat het
thans geheel is afgeschaft. Door de Apostelen is ook niet lichtvaardig
gehandeld, en zij hebben de grenzen van hun zending niet overschreden, die hun
hij Mattheüs worden voorgeschreven.
Mont. In Mattheüs 23 zult gij wat anders vinden dan gij gezegd hebt.
Pistor. Wat is duidelijker dan de woorden, waarmee de Apostelen tot de
wereld werden gezonden: "Gaat dan heen," zegt Christus,
"onderwijst al de volken, lerende hun onderhouden alles wat Ik u geboden
heb."
Mont. Dat bedoel ik niet; maar ik haal het 23ste hoofdstuk van Mattheüs
aan: waar staat: "De Schriftgeleerden en Farizeeën zijn gezeten op de
stoel van Mozes; daarom, al wat zij zeggen, dat gij houden zult, houdt [dit],
en doet [het]; maar doet niet naar hun werken." Hoort en verstaat gij dit?
"Wat zij u zeggen," zegt Christus, "doet het."
Pistor. Bent gij dan de Farizeeën en Schriftgeleerden van onze tijd, naar
wier woorden wij moeten horen, en wier doen wij moeten misprijzen? Ziet
gijlieden dan wel toe, dat gij met hen niet in hetzelfde oordeel valt, die met
een slecht voorbeeld van het leven de zuiverheid van de leer van het evangelie
verontreinigt. Ik erken niet, dat gij op de stoel van Mozes zit, omdat gij de
wet des Heeren, aan Mozes gegeven, niet leert; daarom moet men ook naar ulieden
niet horen. Immers, men moet de menselijke overleveringen nalaten, en Gods
Woord zuiver verkondigen, volgens de woorden van God: "Gij zult tot het
Woord, dat Ik u heden gebied, niet toedoen, en ook daarvan niet afdoen."
Tapp. Als het waar is wat gij doordrijft, dan zijn de Apostelen ver van de
waarheid afgedwaald.
Pistor. Hoe dat, eilieve zeg mij dit.
Tapp. Omdat zij de wijze van dopen, door Christus met duidelijke woorden
voorgeschreven, hebben durven verminken, en alleen in de naam van Jezus hebben
gedoopt, zoals te zien is in de Handelingen der Apostelen.
Pistor. Moet men zo tegen mij schreeuwen? Moeten de onwetenden aldus
onderwezen worden, en de dwalenden op deze wijze terug geroepen worden? Gij
dondert allen uit een mond tegen mij, alsof gij mij wilt verscheuren? Moet men
alzo te werk gaan?
Rosem. Zacht wat, mijn vriend Johannes; al wat wij doen, doen wij bepaald
om uwentwil, teneinde wij u van de dwalingen terug en weer op de rechten weg
zouden brengen.
Pistor. Dat zal de uitkomst wel leren.
Mont. Antwoord op het gezegde van de heer Magister noster, betreffende de
veranderde wijze van dopen door de Apostelen verricht.
Pistor. Zij hebben voornamelijk in de naam van Jezus gedoopt, die toen nog
weinig bekend, en als de Zaligmaker der wereld nog niet was aangenomen, opdat
Hij meer en meer zou geprezen worden. Voorts, wat is in de naam van Jezus te
dopen, Die tegelijk God en mens was, anders dan in de naam, dat is, in de
kracht des Vaders, des Zoons en des Heilige Geestes te dopen? Zoals Christus
naar waarheid spreekt: “Ik en de Vader zijn één," en verder:
"Filippus, die Mij gezien heeft, die heeft de Vader gezien." Verder
loochent hij dadelijk de personen van de Vader en de Heilige Geest, die de allerbeste
en grootste God met de naam van, Vader aanspreekt? Leerde Christus zelf ons dan
verkeerd bidden, toen Hij, Zijn naam verzwijgende, het gebed begon met de
aanbeveling des Vaders? Wat de wijze van dopen aangaat, door Christus
ingesteld, die heeft Hij ons daarom zo godsdienstig niet voorgeschreven, alsof
het een grote misdaad ware, een weinig van de voorschreven woorden af te
wijken, wanneer men in alles met de zaak overeenkomt; “Want het Koninkrijk Gods
is niet gelegen in woorden, maar in kracht." In de naam des Vaders, des
Zoons en des Heilige Geestes wordt niemand in der daad gedoopt dan hij, die,
door de kracht Gods en de zalving des Heilige Geestes gezalfd en gereinigd
zijnde, vernieuwd wordt naar de inwendige mens. Wij moeten onze inlijving niet
zozeer toeschrijven aan de punten, letters en voorgeschreven woorden, als wel
aan de wederbarende kracht en aan Hem, die ons verstand vernieuwt met een
beteren Geest in dit bad der wedergeboorte. Wie zal het kunnen loochenen, dat
de Apostelen de christenen ook in de naam des Vaders en des Heilige Geestes
hebben gedoopt, daar toch van wie Lukas verhaalt, de enige niet zullen geweest
zijn, die gedoopt zijn in de naam van Jezus?
Buch. Hier is zulk een uitvoerige redevoering niet nodig. De heren
inquisiteurs vragen alleen, of gij ook niet aan iets anders gelooft, dat in de
Heilige Schrift niet is uitgedrukt?
Pistor. Neen, geen enkele letter.
Mont. Houdt gij het dan voor kwaad, iets te geloven buiten de Schrift?
Pistor. Ik geloof geen schriften dan alleen de Heilige, die alleen nodig
zijn, om daaruit de zaligmakende leer te putten.
Buch. Waarom heeft dan Christus gezegd: "Wie u hoort, die hoort
Mij?"
Pistor. Dit wordt met recht tot hen gezegd, die tot de oogst van het
evangelie werden uitgezonden; want de bedienaren des Evangelies moeten, als
Christus zelf, gehoord worden; want aangaande hen wordt gezegd: "Want gij
bent [het] niet die spreekt, maar [het is] de Geest uws Vaders, die in u
spreekt." Wanneer ook gij naar dit voorbeeld door de Heere gezonden werd,
om het Evangelie voort te planten, en wel als lammeren onder de wolven, wij
zouden ook niet weigeren naar ulieden te horen; ja, wij zouden u voor Engelen
Gods houden. Aangezien gij echter hier gekomen bent, gewapend met de bullen van
de keizer en van de paus van Rome, niet om ons te behouden, maar om te
verderven, houden wij u voor geen gezanten van Christus Jezus, maar van de
mensen; daarom mogen wij in geen dele naar u horen; want op u is niet van
toepassing, wat tot de Apostelen werd gezegd: “Wie u hoort, die hoort
Mij."
Mont. Gij bent zeer los in de mond.
Rosem. Gelooft gij dan aan al de boeken der Heilige Schrift?
Pistor. Aan alle, voor zover die in de canon zijn aangenomen.
Mont. Door welke beslissing kunt gij weten, welke boeken aangenomen en
verworpen zijn, zo het niet is door de toestemming der kerk?
Pistor. De kerk staat niet boven de Schrift, en de Schrift ontvangt ook
haar gezag niet van de kerk; maar, wanneer die samen overeenstemmen, en de
geest van het geloof ons gebiedt ons daarop te verlaten, is het gepast, dat wij
aangaande de Schrift een goed vertrouwen hebben, en behoeven het oordeel der
kerk niet af te wachten. Daarom zegt de Apostel: "Omdat wij nu dezelfde
Geest van het geloof hebben, gelijk er geschreven is: Ik heb geloofd, daarom
heb ik gesproken; zo geloven wij ook, daarom spreken wij ook." Dit geloof
en deze Geest, Die inwendig in ons spreekt, moeten wij meer aan het geloof der
Schrift toeschrijven, dan aan het oordeel der kerk, die de macht niet heeft ons
iets te geloven op te dringen, wat door de Schrift voorgeschreven, maar door de
Heilige Geest niet versterkt wordt.
Tapp. Waarom gelooft gij ook niet de heilige leraars der kerk?
Pistor. Door de geschriften der leraars kan ik bedrogen worden; maar
geenszins door de Heilige Schriften. Voorts heeft de kerk van Christus slechts
één Leraar der waarheid, Die hemelse Geest, Die van de Vader uitgaat, waarom,
aangezien Hij een auteur der Schrift is, die niet is van eigen uitlegging,
volgens de getuigenis van Petrus, het niet te verwonderen is, dat Christus ons
tot het geloof van haar heen wijst, zeggende: "Onderzoekt de Schriften;
die zijn het die van Mij getuigen." Ja, ons wordt bevolen, dat wij naar
Christus Zelf moeten horen, aangezien de stem uit de hemel tot ons zegt:
"Hoort Hem."
Tapp. Gij behoorde nochtans de geschriften der geleerde mannen zo onwaardig
niet te achten, want, wat de Evangelisten stilzwijgend zijn voorbij gegaan, die
al de daden van Christus niet volledig konden beschrijven, dat is de leraars en
heiligen kerkvaders opgedragen, om tot de nakomelingschap over te brengen.
Daarom zegt de Evangelist Johannes: Er zijn nog vele andere dingen, die Jezus
gedaan heeft, welke, zo zij elk bijzonder geschreven werden, ik acht, dat ook
de wereld zelf de geschreven boeken niet zou bevatten."
Rosem. Er is niet aan te twijfelen, of die dingen welke de Evangelisten
niet beschreven hebben, zijn aan de nakomelingschap en de kerkvaders later als
van hand tot hand overgeleverd.
Pistor. Een fraaie redenering. Hoe verminkt en slechts ten halve gij echter
de Heilige Schrift aanhaalt, blijkt daaruit, dat gij verzwijgt, wat Johannes er
bijvoegt: "Maar deze zijn geschreven, opdat gij gelooft, dat Jezus is de
Christus de Zoon van God; en opdat gij, gelovende het leven hebt in Zijn
naam." Tot Trooster zendt ons Christus de Heilige Geest, de leermeester
der waarheid, opdat wij door Hem in alle waarheid zouden geleid worden.
Tapp. Inderdaad, gij bent een stout mens, die er op pocht zeker te weten
welke geschriften van de Heilige Geest afkomstig zijn.
Mont. Verstaat gij de zin des Heilige Geestes?
Rosem. Goede God! hoe vermetel zijn deze mensen, die menen de Heilige Geest
te hebben.
Pistor. Waarom woedt gij zo tegen mij?
Tapp. Gij beuzelaar, hebt gij de Heilige Geest?
Pistor. "Die de Geest van Christus niet heeft, komt Hem niet
toe."
Brunch. Met verlof, mijn heren, ik zal ook wat vragen; heer Johannes, van
waar, weet gij, dat gij een priester bent, en op welke grond gelooft gij, dat
Hij uw Vader is, Die gij voor Vader groet? Wie heeft u aangaande deze dingen
verzekerd?
Pistor. Schaamt gij u niet, een zodanige dwaze en ongerijmde vraag te doen,
een vraag, waardig, dat men met recht de kinderen daarover berispte? Het is een
groot verschil, o aanzienlijke man, of gij de heilige Schrift gelooft, die alle
godvruchtigen onfeilbaar geloof schenken, en wel door de Geest van het geloof,
die zij ontvangen hebben; of dat gij enige andere dingen gelooft buiten de
Heilige Schrift.
Mont. Wat, gelooft gij niet, dat gij een priester bent?
Pistor. Waarom niet?
Mont. Wie heeft u verzekerd, dat gij het priesterschap ontvangen hebt? Wie
heeft u tot een priester aangesteld?
Pistor. De dienaar van de bisschop.
Mont. Gelooft gij, dat hij de macht heeft om u daartoe aan te stellen?
Pistor. Ja.
Mont. Maar, dat staat nergens in de Schrift. Gij gelooft dan aan iets wat
niet in de Schrift staat, namelijk aan de macht van de bisschop om u in uw ambt
te bevestigen?
Pistor. Maar wat heeft dit geloof volgens mijn mening te maken met het
rechtvaardigmakend geloof? Ik zie ook niet in, wat goeds ik van zulk een
bisschop ontvangen heb, dan dat ik priester werd genoemd, aangezien ik door een
Simonisch bisschop, zelf Simonisch zijnde, in het college van priesters ben
opgenomen.
Tapp. Hoe moet dan een bisschop volgens uw Evangelie worden gevormd, of een
priester in zijn ambt bevestigd worden?
Pistor. Wij worden geen priesters gemaakt, maar wij worden door de geest en
het water tot priester herboren, wien bevolen wordt de Heere te offeren. De
kerk van God, de bruid van Christus, kent geen andere priesters; intussen
worden echter de dienaren des Woords en de opzieners der kerk, door tussenkomst
der kerk, door de Heere of verkoren, of geroepen.
Tapp. O onsterfelijke goden! Wat kan er ongerijmder gezegd worden, dan dat
alle christenen priesters zijn?
Rosem. Misschien mogen de vrouwen ook wel de mis bedienen, en aan het volk
Gods Woord prediken en dopen?
Mont. De wet van Mozes heeft geen andere priesters dan uit de stam van
Levi.
Tapp. Indien allen priesters zijn, zal de christelijke wereld in rep en
roer gebracht worden, en er zal geen orde in de kerk heersen, en wel tegen het
beweren van de apostel: "Laat alle dingen eerlijk en met orde
geschieden."
Pistor. Waarom vaart gij allen tegelijk tegen mij uit? Laat er een uit
aller naam spreken, opdat ik weet,wat ik ieder kan antwoorden.
Mont. Gij houdt vooreerst staande, dat alle christenen priesters zijn.
Pistor. Ja, dat zijn zij; want de Heere zegt: "De gehele aarde is
mijn. En gij zult Mij een priesterlijk Koninkrijk en een heilig volk
zijn." Hier spreekt de Heere niet alleen de Levieten aan, maar geheel
Israël. Wanneer gij Christus aanziet, zijn wij ook beminde uit niet beminde.
Petrus schrijft dat ook de Joden toe, die in de verstrooiing vergaderd waren:
"Gij bent," zegt hij, "een uitverkoren geslacht, een koninklijk
priesterdom, een heilig volk, een verkregen volk." Ofschoon dit zo is, wil
ik echter niet, dat ieder het predikambt of de bediening van het 'Woord zal
aannemen, want niemand is er waardig toe, "dan die door God geroepen wordt
gelijkerwijs als Aäron." Wij zijn allen priesters, voor zover wij het
priesterschap van Christus deelachtig zijn, en voorzover wij met Christus Gode
onze redelijke godsdienst als een aangename offerande opofferen, en uit
verplichting der liefde voor de nood der broeders en ouderlingen bidden.
Tapp. O, goede God, op hoe velerlei wijzen dwaalt deze mens!
Rosem. Schaamt gij u over deze dingen niet?
Mont. Gij, die zegt, dat alle christenen priesters zijn, bent buiten uw
zinnen.
Pistor. Ik zal u een duidelijk voorbeeld geven: zoveel de rede van de
geschapen mens betreft, ben ik dan niet zowel een mens als keizer Karel?
Intussen wordt hij keizer genaamd, omdat hij daartoe verkozen is, en niet
wegens zijn geboorte, die ik met hem gemeen heb; doch ik, die van nederige
afkomst ben, leid een gewoon leven.
Mont. Dit is niet hetzelfde.
Tapp. Iets anders is het met de priesterlijke orde, waarbij ons een
onuitwisbaar treken wordt ingedrukt.
Rosem. Hij komt met vele vergelijkingen voor de dag.
Tapp. Nu blijkt het, dat gij verkeerde gevoelens hebt aangaande het
sacrament der ordening, dat gij met uw meester Luther zo goddeloos verwerpt.
Rosem. Dat is geheel waar.
Mont. Wat zal men nu verder doen?
Tapp. Gebied hem, dat hij zijn verklaring verder mededeelt, waarom hij hij
de aanvang verzocht heeft.
Pistor. Ik weet niet, wat ik zeggen zal, omdat gij mij gedurig in de rede
valt.
Mont. Ga toch maar voort; wij zullen zo lang zwijgen, totdat gij geheel
zult hebben uitgesproken.
Pistor. Op deze voorwaarden zal ik het doen: “Ik, Johannes, van Woerden,
verklaar openlijk, voor ulieden, dat ik niet voorgenomen heb iets bloot te
leggen of met kracht staande te houden, wat niet in de Heilige Schrift is
uitgedrukt, aldus te verstaan als de Heilige Geest, Die haar ingegeven heeft,
wil verstaan hebben; tot wier uitlegging wij geen andere woorden nodig hebben
dan waarin deze Schrift is vervat. Maar in andere zaken geloof ik alles, wat de
heilige katholieke of algemene kerk gelooft; waarom ik ook vervloek alle
leringen der mensen en ketterijen, die tegen Gods Woord strijden. Ziehier mijn
protest."
Mont. Het blijkt nu zo klaar als de dag, dat gij ook de leraren der kerk en
de rechtzinnige kerkvaders niet gelooft,
Pistor. Ik heb gezegd, dat ik al de geschriften geloof en toestem, die met
de Heilige Schrift overeenkomen.
Mont. Het doet ons genoegen, dat de geschriften der kerkvaders hij u nog
enige waarde hebben.
Tapp. Gevoelt gij dan, dat men naar de heilige kerkvaders moet horen?
Pistor. Gijlieden schijnt tegen mij hier een zwaard met honig bestreken uit
te trekken. Laat mij dit duidelijker voorgesteld worden.
Buch. Heer Johannes, de heren vragen u, of gij gelooft, dat de kerkelijke
instellingen, zoals de feestdagen, het vasten, de beloften der monniken en
andere besluiten der kerkvaders, moeten waargenomen worden?
Pistor. Wat buiten de canonieke Schriften wordt geboden, daaraan kan ik
mijn geweten niet binden.
Tapp. Maar de Heilige Schrift beveelt ons toch het vasten aan, de biecht en
de onderhouding van de Sabbat, het sacrament des altaars, en het onderhouden
van de beloften, die ons door het gezag van de kerkvaders en van de kerk tot
geboden zijn geworden.
Pistor. Dat alles, wat gij als een bundel samen vat, staat niet gelijk.
Tapp. Zo, is het vasten niet bevolen, opdat wij temeer geschikt mogen
gemaakt worden tot alles wat op de godsdienst betrekking heeft, volgens het
voorbeeld van Mozes, die veertig dagen heeft gevast, toen hij de woorden des
Verbonds van de Heere ontving'?
Pistor. Laat dit zo zijn, wat doet dat dan af tot uw vasten, dat ons op
zekere dagen en in zekere voorgeschreven spijzen gelast wordt, en onder
bedreiging van dodelijke zonde? Het vasten, waar de heilige Schrift van
spreekt, bedoelt matigheid en soberheid, die men altijd moet onderhouden; want
Christus zegt: "Wacht uzelf, dat uw harten niet te eniger tijd bezwaard
worden met brasserij, en dronkenschap en zorgvuldigheden dezes levens."
Mont. Loochent gij, dat men moet vasten?
Pistor. Geenszins, maar ik verlang bovenal, dat gij mij de goddelijke
oorsprong van uw kerkelijk vasten met het gezag van de heilige Schrift bewijst;
aangezien Paulus de gemeente te Galatië bestraft, omdat zij dagen, maanden en
tijden onderhielden. En hij loochent, dat het Koninkrijk Gods gelegen is in
spijs en drank.
Tapp. Gij moet weten, dat de verordening van deze dingen aan de opzieners
der kerk zijn toevertrouwd, dat, wat zij besloten hebben, de kracht van een wet
heeft.
Rosem. Heer dokter, deze twistrede kan lang duren. Laat ons tot de
instelling van de kerk terugkeren.
Mont. Welnu, gelooft gij ook alles, wat de katholieke kerk gelooft?
Pistor. Ik geloof het.
Mont. Namelijk, dat men alles, wat zij gebiedt, houden moet?
Pistor. De roomse kerk mag geen wetten voorschrijven, maar behoort zich aan
het Evangelie te onderwerpen, naar welk Evangelie zij ons moet leren horen.
Tapp. Gij kunt toch niet blijven loochenen, dat de kerkelijke plechtigheden
met een goede bedoeling zijn ingesteld, opdat de mensen niet traag in de
godsdienst zouden worden. Door het vasten toch, de heilige dagen en de
herhaling van gebeden worden de trage gemoederen opgewekt, voornamelijk in deze
laatste dagen, waarin de liefde is verkoeld, en de ongerechtigheid is
toegenomen, zodat zij prikkels en aansporing van de wetten nodig hebben. En,
wanneer al deze dingen werden afgeschaft, welk een gedaante zou de kerk
eindelijk hebben?
Pistor. Goede God, wat redeneert gij dom. Hebt gij nooit gelezen "dat
God een blijmoedige gever liefheeft”? Wat dwingt u dan door kracht der wet en
vrees voor de straf tot de arbeid, die niet kan baten? "De dienstknecht
blijft niet eeuwig in het huis.” Zo staan ook de werken, die wij zelf bedenken,
en andere lieden opdringen, niet gelijk met zulken, die ons door de goddelijke
wet worden voorgeschreven. Indien Abraham, de vader van alle gelovigen uit de
werken der wet gerechtvaardigd is, bezit hij niets, waarop hij kan roemen hij
God; veel minder verkrijgen uw werkers der gerechtigheid, waarop zij hij God
roemen door het prevelen van hun getelde gebeden, vasten, enz.
Mont. Indien er geen wetten en bepalingen bestonden, wat zou de staat en de
toestand der republiek zijn?
Buch. Wanneer er geen galg noch zwaard bestond, inderdaad, ik zou de gewone
weg niet durven betreden, en wel, omdat het moorden en roven zou toenemen.
Pistor. Met u beken ik graag, dat de zaak alzo gelegen is; maar dit is de
taak van de keizer, wien het zwaard van de Heere is gegeven, om de onschuldigen
te beschermen voor alle ongelukken, en de schuldige rechtvaardig te straffen.
Dat de burgerlijke wetten tot het behoud van het algemeen onmisbaar zijn,
loochent niemand. Maar wij spreken hier van de plechtigheden, op welker
onderhouding ik gezegd heb, dat zich niemand voor God beroemen kan.
Mont. Wij loochenen niet, dat de goede altijd gewillig het goede doen, en
dat de handen van de kwaden niet dan uit vrees voor de straf van het kwaad
worden terug gehouden.
Pistor. Welk een onbillijkheid is het dan, dat gij beiden, goede en kwaden,
aan dezelfde wetten bindt, aangezien er geschreven is, "dat de
rechtvaardigen de wet niet is gezet, maar de onrechtvaardigen en de
halstarrigen."
Tapp. Waarom dat?
Pistor. Omdat allen, die niet zullen gevast hebben, de heilige dagen niet
hebben gevierd, zich niet zullen onthouden hebben van de verboden spijzen,
zoals de kerk die heeft ingesteld, door u als overtreders worden veroordeeld,
en voor het gerecht gedagvaard. Ja, gij gaat ook voort, om uw tirannie tot onze
zielen uit te strekken; want gij wilt, dat wij, of wij branden of niet, allen
ongehuwd zullen blijven, daar wij uit het geloof en door het geweten tot de
huwelijken staat geroepen worden.
Tapp. Is hier niet het hoogste recht het hoogste onrecht? Welaan dan,
antwoord mij op dit een: of wij naar de wet der liefde de een de ander niet
moeten dienen?
Pistor. Voorzeker.
Tapp. Waarom schikken zich dan de goede niet uit liefde tot die wetten, om
alle ergernis weg te nemen, waardoor de kwaden van het kwaad worden terug
gehouden?
Pistor. Het behoort de christenen een gemakkelijke zaak te zijn, dat zij
ieders dienaar worden, opdat zij allen voor Christus mogen winnen, indien maar
aan het gewetens vrijheid gelaten wordt, en het geloof geen geweld wordt
aangedaan, zoals hier gewis geschiedt betreffende het gebod van de
priesterlijke reinheid.
Mont. Hoe, zoudt gij dan, die een priester bent, de belofte van reinheid
verachtende, u tot het huwelijk durven begeven?
Rosem. Ziet, nu komen wij zeer gevoeglijk tot de zaak zelf.
Pistor. Alles, waartoe de Schrift, zonder onderscheid, aan ieder de
vrijheid gegeven beeft, moet men niet aan enkelen toestaan; want, "allen
vatten het woord niet," om geen vrouw te trouwen. Daarom, als de Apostel
zegt, "dat een iegelijk [man] zijn vrouw zal hebben," waarom zou dan
een priester niet mogen trouwen?
Mont. Hebt gij een vrouw getrouwd of niet?
Pistor. Zegt gij het, dat ik er een getrouwd heb?
Mont. Een vast gerucht is daarvan omtrent u in omloop.
Pistor. Ik vraag niet, welk gerucht daarvan in omloop is.
Mont. Waarom loochent gij, wat iedereen zegt, en dat, als het nodig ware,
wel door duizend getuigen zou kunnen bewezen worden?
Pistor. Hebt gij enige getuigen voor mijn huwelijk, breng die dan hier.
Mont. Al ontbraken er ook getuigen, zoudt gij, op het gerucht alleen,
volgens onze vastgestelde wetten veroordeeld kunnen worden; doch, daar wij
omtrent deze zaak getuigen in overvloed hebben, zullen wij u, hetzij gij het
bekent of loochent, op hun getuigenis tot de vuurdood veroordelen.
Pistor. Indien dit ulieder voornemen is, waarom is dan dit onderzoek nodig?
Waarom bindt gij mij dan terstond niet aan de paal, teneinde uw wraaklust te
bevredigen? Gij bent bloeddorstig en blaast niet dan vuur.
Mont. Ik zeg u vooraf, wanneer gij zo voortgaat te weerstreven, als gij
begonnen hebt, zullen wij u zo zwaar pijnigen., dat gij of van zelf of
gedwongen zult moeten bekennen, dat u gehuwd bent.
Pistor. Zult gij dan, als rechters, mij, door geen getuigen voldoende
veroordeeld, doen pijnigen? Is iemand verplicht zichzelf te verraden? Het is
onbillijk, dat ik ulieden, die met het onderzoek aangaande mijn geloof belast
bent, tot pijnigers zal hebben.
Mont. Vooreerst getuigt uw pastoor, dat gij gehuwd bent, waarom hij u ook
hij het Hof van Mechelen heeft aangeklaagd. Ook getuigt dat het algemeen
gerucht, waarom wij reden genoeg hebben, om u naar de pijnbank te brengen.
Pistor. Als de zaak omtrent de gevangene aldus gesteld is, zal het
gemakkelijk vallen, valse geruchten van de onschuldige uit te strooien; en, als
men daaraan zo gemakkelijk geloof slaat, zal het met ons leven spoedig gedaan
zijn. Laat de pastoor van onze kerk roepen, om hier te getuigen, dat ik een
vrouw getrouwd heb.
Mont. Wij weten, dat gij een vrouw gehuwd hebt.
Pistor. Wanneer hebt gij dit vernomen, en in welke kerk en voor wie is dit
geschied?
Mout. Het gerucht, dat omtrent u loopt, is niet vals.
Pistor. Inderdaad, gij bent onbillijke rechters over mij, die alleen op het
gerucht mij gedurende twee volle maanden in de gevangenis deed
vertoeven.Wanneer het u genoeg is, getuigen te hebben van horen zeggen, gaat
heen en veroordeelt mij, opdat ik eenmaal van de gevangenisstraf verlost worde,
en gijlieden ophoudt mij langer moeilijk te vallen.
Mont. Waarlijk, uw dralen zal u niet baten, en wij zullen ons recht tot het
uiterste tegen u volhouden.
Pistor. Uw bedrog, dat gij zoekt te plegen om mij te vangen, ken ik zeer
goed; uw tijd is nu daar. Dit mijn lichaam kunt gij wel verbranden, maar mijn
ziel zal de hemelse Vader voortdurend in Zijn hand bewaren.
Buch. Mijn lieve Johannes, wil toch uw hart tegen de heren leraren zo niet
verharden: beken liever de waarheid; en geloof mij, uw zaak zal goed aflopen.
Rosem. Waarom stelt gij u tegen de heer commissaris zo onschuldig aan? Wat
ik u bidden mag, verklaar u duidelijker in deze zaak.
Pistor. Mijn voornemen is niet, mij te verklaren tenzij ik mijn
beschuldigers voor u zie; opdat, indien de aanklager niets bewijzen kan, de
beschuldigde ontslagen worde.
Mont. Aangezien wij in onze voornemens weinig vorderen, moeten wij een
anderen weg inslaan.
Duvev. Het is tijd onze samenkomst te eindigen, aangezien het middag wordt.
Mont. Wat zullen wij met de gevangene doen?
Brunch. Laat men hem weer naar de gevangenis brengen.
Tapp. Het is niet raadzaam, dat hij daarheen gebracht wordt, waar ook
Willem Gnapheüs zit, opdat zij niet te samenspannen.
Mont. Wij zullen hem liever in deze kamer laten boeien, totdat wij na de
middag terug keren.
Pistor. Al werd ik ook niet geboeid, ik zou toch niet ontvluchten.
Mont. Raadpleeg met uzelf, totdat wij terug komen, in hoeverre gij naar ons
zult luisteren, en u van de gevangenis bevrijden.
Brunch. Waarom gaan wij niet?
Tapp. Maar hoor eens, verlangt gij niet, dat wij hier wachten zullen
plaatsen, die de gevangene bewaren?
Brunch. Wel zeker; past gijlieden goed op hem.
Einde van de eerste samenspraak.
Ment. Hoe denkt u er nu over, hoe bent gij te moe?
Pistor. Waarlijk, ik ben goedsmoeds.
Mont. Hebt gij hij uzelf alle dingen goed overlegd?
Pistor. O ja, zeer goed.
Mont. Hoe dan, zult gij eindelijk niet antwoorden op de vraag, die u gedaan
is omtrent uw huwelijk?
Pistor. Ik zal er op antwoorden, maar onder de voorwaarde als ik gezegd
heb, namelijk, dat mijn beschuldigers eerst hier moeten komen.
Mont. Zal ik u met één woord zeggen, waar de knoop zit?
Pistor. Ja, zeg het.
Mont. Wanneer gij ons niet duidelijk antwoordt, zullen wij u naar de raad
des keizers zenden, teneinde die u daaromtrent pijnigt, of dat men u de laatste
straf aandoe. Welaan, kom wat dichter hij mij. Wat antwoordt gij eindelijk?
Pistor. Aangezien gij rechters bent, verwondert het mij, dat gij zo
vijandig op mij, arm mens, aanvalt.
Ment. Omdat gij u zo hardnekkig betoont, durf ik u met niet minder
vrijmoedigheid tot de vuurdood te verwijzen, dan ik de heilige mis bedien; zo
ver is het er ook vandaan, dat ik hierover Gods toorn zou vrezen.
Pistor. Ik geloof het wel, want zo zijn de Farizeeën en de vervolgers der
christenen, dat zij met ons te doden Gode een dienst menen te bewijzen. Maar
ziet gijlieden. wel toe, of gij hierin Christus’ navolgers bent, Die nooit
iemand tot het geloof heeft gedwongen.
Rosem. Staat er niet geschreven "Dwingt ze in te komen”?
Pistor. Het woord mijns Heeren, dat gij ten onrechte aanhaalt, ken ik wel.
God dwingt, en Hij gebiedt te dwingen, niet met gevangenissen, niet met vuur of
geselingen, maar door een krachtig gebruik van Zijn Woord. Alzo moeten onze
vijanden, opdat zij met ons verzoend worden, gedwongen worden door vurige kolen
op hun hoofd te hopen, welke dwang, zoet en liefelijk als hij is, zich ook
krachtig betoont. Och, of gijlieden insgelijks het voorbeeld der Apostelen
navolgde, en vele duizenden mensen tot Christus' bruiloft door een goed leven
en goed onderwijs, dwong!
Tapp. Maar deze besmetting is zo dodelijk, (lat, zo zij niet wordt
uitgeroeid, zij als een kanker de naaste plaatsen verderft. Daarom is het
beter, bijtijds een schurftig schaap te doden, dan toe te laten, dat het zijn
venijn over de gehele kudde verspreidt.
Pistor. Christus stond dan in voorzichtigheid hij ulieden achter; want Hij
wilde, "dat wij het onkruid zouden laten opwassen tot de oogst, opdat wij
met het onkruid ook de tarwe niet uittrekken." De Apostel Paulus zegt ook:
"Verwerpt een ketters mens na de eerste en tweede vermaning." In het
Latijn is dit: "Haereticum hominem post unam & alteram admonitionem
devita." Het Nederlandse woord "verwerpt," luidt in het Latijn
"devita."
Daarop zei Mont. boertig: "Zeer goed "devita", dat is, neem
hem weg uit het leven."
Pistor. Al schijnt gij dit nu op spottende wijze voor te stellen, nochtans
zijn er onder uw orde wel geweest, die deze soort van uitlegging zeer snedig en
gepast hebben geoordeeld. Indien ik nu een ketter ben, voor wie ik mij niet
houd, waarom bestraft gij mij niet op de gepaste wijze, opdat ik weer ontwaken
mag uit de strikken des duivels? Met meerder recht kan ik echter zeggen, dat
gijlieden ketters en tegenpartijders van Christus bent, die, omdat wij tot uw
partij niet behoren, ons in boeien sluit. Door welk voorbeeld van Christus hebt
gij geleerd aldus met mij te handelen?
Mont. Het is niet te verwonderen, dat Christus zulk een voorbeeld niet
nagelaten heeft; want Hij was te arm om een rechtsmacht te hebben.
Pistor. Foei; evenals of de Zoon het recht niet is overgegeven, en Hij alle
macht niet heeft in de hemelen op de aarde? Wat heeft de Apostel Petrus gedaan,
wiens navolger gij zegt, dat de paus van Rome is?
Mont. Heeft Petrus geen macht gebruikt, toen hij Ananias en Safira
vervloekte?
Pistor. Wanneer gij u op het gezag van Petrus beroept tot de handhaving van
uw zending, dood mij dan ook door de macht van Petrus, en lever mij door uw
vloek aan de hel over?
Duvev. Wel, zoudt gij u wel aan het gevaar van zulk een vloek durven
blootstellen, en de uitkomst daarvan met volkomen overgave verwachten?
Pistor. Waarom niet? Dan zou het openbaar worden, of de Heilige Geest de
vloek van hen goedkeurde, die zich voor Apostelen uitgeven. Maar zij zullen
deze wapenen niet in de hand nemen, die aan de keizer en de vorsten dezer
wereld andere wapenen hebben ontleend, waarmee zij de rechtvaardigen
onderdrukken en doden. Christus zegt: "Wilt gij [niemand dwingende] ten
leven ingaan, onderhoudt de geboden." Maar zo zingt gij niet, uw lied
dreigt ons met de dood, tenzij wij hij uw woorden zweren. Christus heeft niet
gewild, dat de Zijnen hier heerschappij zouden voeren of macht hebben, of dat
zij niet andere wapens dan met geestelijke strijden zouden. Doch de paus toont
op allerlei wijzen, dat hij de antichrist is, en heeft ook die kracht niet,
welke de Heilige Schrift aan Petrus met lof toeschrijft.
Tapp. Waarom zou het nodig zijn, dat wij hier lang prediken? Komt niet alle
macht van God de Heere?
Pistor. Ja.
Mont. Zo komt dan ook onze macht van God, door welke wij u als ketter, na
veroordeeld te zijn, kunnen overleveren in de handen van de wereldlijke macht.
Pistor. Op deze wijze zou men ook Judas Iskarioth kunnen verontschuldigen,
die Christus aan de Overpriesters heeft overgeleverd, en ook de oversten der
Joden, die er een gewetenszaak van maakten Christus te doden; maar gemakkelijk
was het, Hem in handen van Pilatus tot veroordeling over te leveren.
Want door hetzelfde recht was hun macht van God, zoals gij zegt, dat uw
macht van God is. Zie echter wel toe, dat deze goede redenen u niet verleiden,
wat gelijk de gedachtenis van Christus en de Apostelen in zegening zal blijven,
en de nakomelingen hun geboortedagen zullen herdenken, twijfel ik ook niet,
wanneer gij mij, om de belijdenis der waarheid, ombrengt, of ik zal
verheerlijkt worden, en gij daarentegen zult altijd onverheerlijkt blijven.
Tapp. O onbeschaamd mens! vergelijkt gij ons alzo hij de Schriftgeleerden
en Farizeeën?
Rosem. Zijn wij vervolgers?
Pistor. Wat gij bent, al zweeg ik ook, tonen deze mijn boeien. Intussen
beroep ik mij op uw eigen geweten, of gij aan mij minder doet dan de Joden, die
Christus hebben gedood, aan Hem deden? Op uw bevel ben ik gevangen genomen, en
moet ik zo lang in de gevangenis zitten. En nu dreigt gij mij, als een die om
ketterij is veroordeeld, over te leveren in de macht van de wereldlijken
rechter; wat is daarvan de oorzaak?
Mont. De keizer heeft bevolen u gevangen te nemen, wij hebben daaraan geen
schuld. Zo u enig ongelijk is aangedaan, kunt gij daarover met de keizerlijke
majesteit twisten.
Pistor. Meesterlijk weet gij de heerlijke waardigheid der keizerlijke
majesteit tot een dekmantel voor uw goddeloosheid te gebruiken; maar hij heeft
de behandeling van deze zaak op uw schouders gelegd, en wel als dengenen wie
hij de godgeleerde kennis heeft opgedragen. Gij hebt de lastbrieven hij u,
welke tevoren getoond zijn, waarom spreekt gij mij dan niet vrij, aangezien dit
in uw macht is?
Mont. In onze macht? Geenszins; want gij bent de gevangene des keizers.
Pistor. O goede mannen! dwaalt niet, "God laat zich niet
bespotten," en laat zich niet door u bedriegen.
Tapp. Foei, onbeschaamd mens, die zo stout en ongepast durft uitvaren tegen
zulke beroemde bestuurders! Gij bent niet waardig, dat zulke lieden u
antwoorden.
Pistor. Ik beroem mij niet zulk een leraar der onwetenden te zijn als
gijlieden bent, of dat ik zeer geleerd ben.
Rosem. Aangezien gij niet zo geleerd bent, betaamt het u niet, zo tegen
geleerde lieden uit te varen.
Mont. Gij bent een zeer hardnekkige ketter, waarom ik mij niet zou ontzien
u tot de vuurdood te veroordelen.
Pistor. Och, of het mij gegeven werd voor de naam van Christus de dood te
sterven!
Tapp. Och, mijn lieve broeder, bekeer u, want gij dwaalt zeer. Al kon ik ook
de gehele wereld gewinnen, zou ik toch met u in deze toestand niet willen
sterven.
Pistor. Naardien gijlieden zo gezind bent, zou ik met u niet willen leven
of sterven. Gijlieden onderdrukt en kwelt mij, en ik zou, al had ik er de macht
toe, ulieden in het minst niet hinderlijk willen zijn.
Mont. Hierover is nu genoeg gesproken; laat ons terugkeren tot ons vorig
voorstel en de hoofdzaak van ons onderzoek. Zeg ons met één woord of het de
priesters geoorloofd is te huwen of niet? Zwijgt gij?
Buch. Waarom weigert gij, bid ik u, uw gevoelen aan de heren te openbaren9
Pistor. Omdat er geen aanklagers, benevens deze rechters, verschijnen.
Mont. Gij bent hier vroeger reeds genoeg beschuldigd, dat gij een vrouw
getrouwd hebt.
Pistor. Beschuldigd, maar door wie, wanneer en hoe? Aangezien gij een
rechter bent, is het onbetamelijk, dat gij de persoon van een beschuldiger
aanneemt.
Mont. Ja, uw huwelijk, dat gij voor velen bekend hebt, is niet in het
verborgen geschied, maar in het openbaar.
Pistor. Waarom velt gij dan geen vonnis, gegrond op mijn belijdenis en de
getuigenis van velen.
Mont. Dat kunnen wij gemakkelijk doen, want met mijn eigen oren heb ik
gehoord, dat gij gezegd hebt, dat de ongehuwde staat der priesters niet gegrond
is in het goddelijke recht.
Pistor. Welaan dan, aangezien gij mij zo dringt, laat mij dan op een
openbare plaats mijn zaak verantwoorden. Indien ik mij daar niet kan
verdedigen, noch de ongehuwde staat der priesters met bondige redenen
wederleggen, wil ik de laatste straf dragen.
Mont. Weg met die raad; de heilige roomse kerk laat node toe, dat wij met
ketters redetwisten, want zij zijn te hardnekkig om te bekennen, dat zij
overwonnen zijn; daarom moet men hen liever met vlammen dan met woorden
overwinnen, teneinde zij geen kwaad meer zouden doen.
Pistor. Hoe, heeft ieder er dan geen belang hij, wat er over de artikelen
van ons geloof wordt besloten, dat al het volk daarvan kennis moet dragen?
Tapp. Wie zou in zulk een samenkomst uitspraak doen, en de twistende
partijen scheiden'? Zouden dit schoenlappers en karrelieden doen'?
Pistor. Ja, de overeenstemming van de tegenwoordige gemeente, hij wie
alleen het oordeel over de Schrift en de Profeten berust, en niet hij de een of
de ander, die, om de titel van leraar, geëerd wordt.
Tapp. Mij drinkt, dat gij buiten uw zinnen bent; want aangezien het
onwetende volk zonder kennis is, hoe zou het over godgeleerde zaken kunnen
oordelen?
Pistor. Welk een uitvlucht is dit! Even alsof de Schrift zelf haar oordeel
over de waarheid niet uitspreekt, zodat de gehele kerk geen schade kan lijden
door enige onwetenden. Zo er bevonden wordt, dat ik niet oprecht noch getrouw
de Heilige Schrift verklaar, niets zal verhinderen, dat zij mij allen, met goed
recht, tot de vuurdood slepen, of mij, naar verdiensten, met stenen dood
weipen. Maar, indien ik het veld behoud, en zij oordelen dat ik het gewonnen
heb, zal ik zelf liever voor u bidden en een middelaar zijn, en mij midden in
het gevaar voor ulieden begeven, dan dat ik zou dulden, dat u iemand, al ware
het met de vinger, zou aanraken. Het zal hun genoeg zijn, indien zij maar met
een woord de bekende waarheid hebben toegestemd, hoewel gijlieden niet voor
enig oproer van het volk behoeft te vrezen, daar gij zo door de bullen van de
paus, als door de macht van de keizer, voldoende bent gewapend.
Mont. Wij willen geen vingerbreed van het gebruik der roomse kerk afwijken,
want het is betamelijker, dat het eenvoudige, domme en onkundige volk zich aan
de uitspraak der geleerden en het oordeel van de kerk onderwerpt, dan dat de
leraars en de voornaamste in de kerk naar hun wil en begeerte zouden luisteren.
Pistor. Waarlijk, zo doende zult gij niet mee werken, dat uw inquisitie
geacht wordt, en zult gij geen ketterijen uitroeien; want door deze geheime
twistredenen, waardoor gij de waarheid zelf onderdrukt, en de arme in het
verborgen ombrengt, zult gij het volk, dat van de zaak kennis moet dragen, en
dat het ook aangaat, nimmer kunnen voldoen, tenzij het u onverschillig is, of
naar waarheid van u gezegd kan worden een iegelijk, die kwaad doet, haat het
licht.
Mont. De leken worden tot een twistgesprek over het geloof niet toegelaten,
omdat zij lichtgelovig zijn, en zeer graag wat nieuws horen. Daarom, wanneer
zij horen, dat gij Christus in de mond hebt, en dat gij hun de Heilige Schrift
inscherpt, die de ketters gewoon zijn naar hun zin te verdraaien, zouden zij u
terstond geloven; en het zou te vrezen zijn, dat er nieuwe ellende of oproer in
de republiek zou ontstaan. De aartsketter Arius kan ons ten voorbeeld zijn, die
zo vele zielen, door het zoete venijn van zijn valse leer besmet hebbende, ten
verderve bracht, terwijl hij zich ook op de Heilige Schrift beriep, doch op
zeer verkeerde wijze. Wanneer onze voorouders die ook in het begin hadden
verbrand, zou er later in de kerk van God niet zulk een ellende zijn ontstaan.
Pistor. De ariaanse trouweloosheid met onze zaak is voorwaar wel een
onbillijke vergelijking; want wij zijn tevreden ons gevoelen voorgesteld en dat
met de Heilige Schrift bevestigd te hebben, en verwachten daarop het oordeel
van de ware algemene kerk. Wij dwingen niemand, dat hij met ons hetzelfde
gevoelt; maar Arius, wiens voorbeeld gij ijverig navolgt, door de wereldlijken
arm te hulp te roepen, want daarmee hebt gij gedreigd, heeft buitengewone
wreedheid aan de dag gelegd jegens hen, die zijn gevoelen niet wilden aannemen.
Wie handelen dan volgens het Evangelie beter, gij die met Arius, als wrede
wolven, de arme schapen slacht en verscheurt, of wij, die dit lot der
vervolging, met de Apostelen en alle uitverkorenen, lijdzaam dragen.
Tapp. Dat gijlieden niemand dwingt, is, omdat gij daartoe geen macht hebt.
Pistor. Maar door welke macht, u van God gegeven, legt gij ons onder de
bijl, verbrandt gij ons, slacht gij ons en brengt gij ons om het leven?
Tapp. Staat er niet geschreven: "Er is geen macht dan van God?"
En weer: "Alle ziel zij de machten, over haar gesteld onderworpen?"
Zegt Paulus ook niet: "Zijt met alle vrees onderdanig de heren, ook de
harden?"
Pistor. O aanzienlijke man, deze laatste getuigenis is niet van Paulus,
maar van Petrus. Bent gij zo bekend niet de voornaamste plaatsen van de heilige
Schrift, dat gij de een schrijver in plaats van de anderen noemt? En, wanneer
gij ook de geschriften van Paulus goed had ingezien, dan zoudt gij niet
oordelen, dat hij sprak van deze uw macht, die gij u aanmatigt.
Tapp. Wilt gij ons leren hoe wij Paulus moeten verstaan? Ik denk toch, dat
wij Paulus meer hebben gelezen dan gij, nietige godgeleerde!
Pistor. Maar wat zeggen de kinderen in de scholen: "Lezen" zeggen
zij, “en niet verstaan, is dommer worden."
Rosem. Alle scheldwoorden nalatende, wat zegt gij van de woorden: "Er
is geen macht dan van God?"
Pistor. Dat deze plaats u niet betreft; want hier geeft hij het recht van
het zwaard alleen aan de overheid en aan hen, die gij de wereldlijke macht
noemt, en niet aan hen, die tot uw orde behoren, zoals de bisschoppen en
priesters, die eigenlijk behoren te strijden met het zwaard des Geestes,
hetwelk is Gods Woord naar het woord van de Apostel: "De wapenen van onze
krijg zijn niet vleselijk maar geestelijk." Christus heeft u allen lust om
over anderen te heersen en ook alle eergierigheid verboden, als Hij zegt: Doch
gij niet alzo."
Tapp. Nu zien wij duidelijk, dat gij Paulus niet verstaat, en dat gij de
Heilige Schrift niet dan terloops, als anderen doen, leest. "Alle
ziel," zegt hij, "zij de machten over [haar] gesteld,
onderworpen." Hij spreekt in het meervoudig getal van "machten,"
en niet van macht. Door dit woord worden wij vermaand, niet minder de
geestelijke dan de wereldlijke macht te zullen gehoorzamen, welke beide
bedieningen, zo van de kerk als van de republiek, Christus wil uitgeoefend
hebben, volgens deze woorden: "Zie hier twee zwaarden."
Pistor. Ja, hieruit ziet gij duidelijk, tenzij gijlieden blind bent, uw onbillijkheid
en geheel verkeerde uitlegging van de Heilige Schrift, die niet anders dan door
de Schrift zelf verklaard moet worden, en niet door dromen, die gij plaats
geeft in uw hoofd. Ons wordt geboden: "alle menselijke ordening onderdanig
te zijn", naar het zeggen van Petrus, of "de machten over ons
gesteld," naar de leer van Paulus, en dat om "Gods wille". En
wanneer gij vraagt welke machten men moet gehoorzaam zijn, verklaart u Petrus
dat: hetzij de koning, als de opperste machthebbende; hetzij de stadhouders,
als die van hem gezonden worden, tot straf wel der kwaaddoeners, maar [tot]
prijs dergenen, die goed doen." Gij ziet dat daar onderscheiden machten
bedoeld worden, aan wie het zwaard is toevertrouwd, maar het gebruik daarvan is
geheel veranderd, want nergens worden de overspelers gestraft, de hoereerders
wordt geen schande aangedaan, dronkaards worden met vreugde en gejuich begroet,
dobbelstenen te gebruiken is een spel, valse eedzwering wordt zonder straf
geduld, de begeerte tot het geld draagt de naam van behendigheid. Zo is het ook
hij u een lichte zaak, Gods Woord door uw verklaringen en dromerijen te
bederven. Maar, wanneer er eens een Ezra opstond, die de vervallen wet van God
aan het licht bracht, die de kerkelijke mannen, die door dartelheid en
gulzigheid worden weggerukt, en die afgeweken waren terechtbracht, die zoudt
gij voor een driedubbele en misschien nog erger ketter uitschelden. Tegen deze
wordt terstond het zwaard, dat niet aan u, maar aan de wereldlijke overheid is
gegeven, uitgetrokken. Ontvangen aldus "de goede van de macht lof en de
kwaden straf en vrees”?
Mont. Maar weet gij hoe?
Pistor. Wat?
Mont. Deze, die gij hier, zoals zij ook zijn, boosdoeners noemt, bekennen
hun schuld, wanneer hun de zonde onder het oog gebracht wordt. Daarom is het
billijk dat zij, wanneer zij om vergeving smeken, genade verkrijgen, en dat
niet terstond het zwaard getrokken worde. Maar gij, die een vrouw getrouwd
hebt, bekent niet terstond uw schuld van een ongeoorloofd huwelijk te hebben
aangegaan. Wie zou zulk een hardnekkig mens genade bewijzen?
Pistor. Maar eilieve, wat acht gij toch zekerder of ondragelijker, dat een
priester, als hij brandt, nu deze hoer, dan weer een andere aanhangt, of dat
hij zich door het huwelijk met een vrouw verenigt? Ik beroep mij op uw geweten,
dat gij mij oprecht naar de Schrift antwoordt.
Mont. Wij prijzen geen van beide.
Pistor. Maar, aangezien zij dan beiden volgens uw oordeel zondigen, waarom
neemt gij dan de een niet zowel als de ander om hun zonde gevangen? Ik vrees echter,
dat, wanneer dit geschiedde, in de gevangenis geen plaats genoeg zou zijn om
alle overspelers en hoererende priesters op te sluiten.
Tapp. Deze knoop zal ik losmaken. Daar deze zich niet op hun zonden
beroemen, maar hun schuld met ootmoed afbidden, wordt hun ook op godvruchtige
wijze hun overtreding vergeven.
Pistor. Gij vergeeft hun wel, ja, gij ziet liever hun schandelijk leven
door de vingeren, maar toch tevergeefs en goddeloos, aangezien hun de begane
misdaden niet van harte leed zijn, en zij telkens weer tot hun onreinheden
terugkeren, die zij met een leugenachtige en geveinsde belijdenis hebben
uitgewist.
Rosem. Zie wel toe, dat gij niet lichtvaardig oordeelt, want, wanneer zij
dagelijks vallen, biechten zij met berouw ook dagelijks.
Pistor. Beter ware het, om nimmer te biechten, dan onder het deksel van een
gedane belijdenis des te vrijer te zondigen; oprecht te biechten is van harte
de zonde te haten.
Rosem. Maar, goede man, zij biechten niet alleen, maar bidden God ook
zonder ophouden, dat Hij hun hun zonden vergeve,
Pistor. Waarom pogen zij niet liever later oprechte boete te doen, vromer
te leven, en te tonen aan alle geveinsdheid geheel vreemd te zijn?
Mont. Staat er niet geschreven: "De rechtvaardige valt zevenmaal per
dag?"
Pistor. Dit beken ik; maar deze zijn niet rechtvaardig, en staan niet meer
op, want wij zien niet, dat dit overspelig geslacht, als onreine varkens, van
hun onreinheden afwijken, daar zij zich gulzig bedrinken en schandelijk
hoereren, of de tijd in ledigheid doorbrengen. Moeten wij aan deze geveinsde
gedaante van een vernieuwd leven de lof van gerechtigheid toeschrijven?
Mont. Wij bekennen, dat zij allen te bestraffen zijn, indien dit kwaad maar
niet onverbeterlijk is. Maar nu, aangezien zeer velen er zich aan schuldig maken,
moet, volgens de regelen, de menigte, die zich niet goed gedraagt, gespaard
worden.
Pistor. De algemeenheid der zonde behoort gij niet als een dekmantel te
gebruiken voor uw vergunning of toelating van de zonde, om haar niet te
bestraffen. Want daar het zwaard tegen de overspelers niet wordt gebruikt,
geloof ik, dat de reden daarvan is, dat zij, die dienaars van het zwaard
behoorden te zijn, zelf aan dat euvel mank gaan, en aan dezelfde zonden zich
schuldig maken. Daarom, ziet toe voor uzelf, dat, waar gij over mijn splinter
hemel en aarde beweegt, en de balken in uw eigen ogen niet ziet, niet te eniger
tijd zwaarder oordeel zult hebben te dragen. Ik word om het huwelijk, wat mij
door God toegelaten is, maar door een aardsen god kwanswijs verboden wordt,
voor een ketter gehouden, en tot een openbaar schouwspel aan de wereld
voorgesteld; maar de ergere onreinheden, die gij in uw ongehuwde staat begaat,
neemt niemand u kwalijk. Maar God ziet deze dingen, en zal die richten, hoe gij
ook de ogen der mensen blinddoekt.
Rosem. Zou dan een priester met een gerust geweten mogen trouwen? Want dit
schijnen uw woorden te betekenen.
Pistor. Indien ik het u zeg, zult gij mij niet geloven.
Mont. Laat ons eens horen, wat gij ons wilt zeggen.
Pistor. Maar ik vrees, dat gij als honden voor mij zult worden, die mij
veeleer zult willen verscheuren dan van mij leren.
Mont. Goede woorden.
Pistor. Indien gij met het oordeel volgens de Schrift wilt tevreden zijn,
is het antwoord gereed.
Ment. Welaan dan, waarom draalt u te antwoorden?
Pistor. Wel, zult gij u naar mijn oordeel richten?
Mont. Dat zeggen wij niet.
Duvev. Staat hem, bid ik u, toe te spreken; zie, wij geven het oordeel aan
u over.
Mont. Dat staan wij u niet toe; naar wij gebieden u te antwoorden, opdat,
indien gij in iets van de waarheid afdwaalt, gij door ons beter mag ingelicht
worden.
Pistor. Met Pilatus bent gij onwaardig, dat men de getuigenis der waarheid
voor u aflegt; "want men moet het heilige de honden niet geven, noch de
parels voor de zwijnen werpen."
Mont. Maar zult gij eindelijk niet antwoorden, of gij een vrouw getrouwd
hebt of niet.
Pistor. Niet anders of de getuigen moeten tegenwoordig zijn.
Mont. Waarom beroept gij u langs zovele omwegen op de getuigen? Het is
genoeg, dat wij u daarvan beschuldigen.
Pistor. Bent gij dan de aanklager?
Mont. Ja, want ik klaag u aan, dat gij een vrouw getrouwd hebt.Verstaat gij
het wel?
Pistor. Foei! gij geeft mij een monster, de aanklager rechter.
Mont. Wel, wat zou het, of mijn knecht de aanklager is en ik de rechter?
Pistor. Ik verbied dit niet; doe de knecht van de aanklager hier komen, en
het werk van een aanklager op zich nemen. Eilieve, aangezien gij de aanklager
bent, laat horen, wat legt gij mij ten laste? Ziet daar een aanklager zonder
tong en stommer dan een vis.
Mont. Laat mijn knecht met vrede, ik zal voor hem spreken.
Pistor. Ik zeg u, dat ik het niet zal toestaan; hij heeft zijn jaren, laat
hem zelf spreken.
Mont. Maar gij zelf hebt hier al vroeger uw huwelijk bekend; wilt gij het
loochenen, dat gij bekend hebt?
Pistor. Gij zingt al weer uw oud liedje. Welnu, stelt eens dat ik, uit
vrees voor straf of verdriet over mijn gevangenneming, bekend had, dat ik een
moord begaan had, zoudt gij het daarom geloven?
Mont. Indien uw huwelijk niet waar ware, zou het te Leuven niet bekend
zijn.
Pistor. Wel zo, even alsof een vals gerucht niet door de gehele wereld kan
vliegen en die in beweging brengen. Voor iedere leugen van het gerucht zou ik
liever een penning willen betalen, dan voor ware woorden vier gulden, want dat
zou oneindig meer voordeel geven.
Duvev. Mijn vriend Johannes, bent gij vergeten, dat gij het onlangs
bekende, toen wij u ambtshalve ondervraagden?
Pistor. Indien gij mij als rechters ondervraagt, en in mij een daad had
gevonden, die des doods waardig is, dan staat het u vrij, het vonnis uit te
spreken.
Duvev. Wij zijn uw rechters, noch aanklagers?
Tapp. Ik bid u, waarom talmt gij zo lang?
Pistor. Indien gij mij beloven wilt, dat gij mijn zaak zult beslechten,
niet naar uw overleveringen of menselijke instellingen, maar naar de waarheid
der Heilige Schrift, die boven alle besluiten der mensen gelden moet, en met
recht groter gewicht heeft, dan zal ik u niet langer ophouden.
Mont. Wij beloven u niets zekers; maar wanneer gij de zaak oprecht bekent,
veroorloven wij u wel te hopen.
Pistor. Waarlijk, ik wil die hoop niet kopen met gevaar van mijn leven en
tot schade van uw zielen.
Mont. Allerliefste heer Johannes, ik zeg u, ter liefde Gods, dat ik niet
kwalijk jegens u gezind ben. Maar, indien gij voortgaat uw huwelijk zo
hardnekkig te loochenen, zal ik u waarlijk mijn tanden derwijze laten zien, dat
uw hart er van verschrikken zal.
Pistor. Wanneer gij het ergst zult woeden, zal ik God ten ernstigste
bidden, dat Hij mij goedertieren met lijdzaamheid begenadigt onder al mijn
verdrukkingen.
Mont. Ik zweer u hij de heilige mis, dat ik er voortaan geen gewetenszaak
van maken zal, vijandig met u te handelen.
Pistor. Dat is het, namelijk wat de Apostel heeft voorzegd: "Dat het
in de laatste dagen zal geschieden, dat er mensen zullen zijn, liefhebbers van
zichzelf, laatdunkend, hovaardig, lasteraars, achterklappers, wreed, zonder
liefde tot de goede."
Mont. Dit is zo niet; want wij verzetten ons aangezicht daarom zo tegen u,
teneinde op alle manieren te beproeven, of wij eindelijk op enige wijze uw hard
en verstokt hart zouden kunnen vertederen, niet om te verderven, maar om te
behouden. Daarom raad ik u, oprecht te antwoorden en met één woord te zeggen
wat gij gedaan hebt of niet.
Pistor. Gij zult mij nimmer kunnen overtuigen, dat ik een vrouw getrouwd
heb. Hoedanig ik voor God ben, gaat u niet aan.
Duvev. Zie wel toe, dat gij u zelf niet in het lijden brengt, en uw eigen
handschrift niet tegenspreekt, anders zal men u dwingen uw eigen handschrift te
erkennen. Het is daarom voor u beter, dat gij uw aangegaan huwelijk bekent, en
daarna met de Schrift uw daad, zoveel gij kunt, verdedigt. Daartoe vermaan ik
u.
Pistor. Ik geloof wel, mijnheer, dat gij uw best doet mijn zaak ten beste
te schikken, daarom zal ik mij niet bezwaren naar uw raad te luisteren. Indien
gijlieden de rechtvaardigheid voorstaat, om mij, onschuldig mens, te behouden,
en te bevrijden van het ongelijk, mij aangedaan, zoals gij nu mijn raadgevers
bent; en indien ik deze mijn rechtvaardige en duidelijke zaak, die wel te
verdedigen is, zo met de Schrift als met redenen zal bewezen hebben, zal ik
niet nalaten te antwoorden op wat gij mij zult vragen.
Duvev. Wij zullen u alles toestaan, wat billijk is.
Pistor. Welaan dan, aangezien God mij roept tot de ontdekking van de
verborgenheid mijns harten, en uw belofte er mij ook toe roept, zal ik geen
uitvluchten meer zoeken; hoort daarom nu de oprechte belijdenis van de gehele
zaak. Ik heb, dit beken ik, een vrouw getrouwd, maar in het geheim en zonder
getuigen; maar ik heb haar naar recht getrouwd.
Mont. Eilieve, met welk recht, met goddelijk recht, of met menselijk?
Pistor. Is het al niet naar menselijk, dan is het naar goddelijk recht,
opdat ik, deze weg inslaande: de brand in mijn vlees zou kunnen ontgaan, en
hoererij vermijden.
Mont. Beweert gij, dat dit de priesters geoorloofd is, daar zij zich
verbonden hebben door de belofte van niet te trouwen, en toch daarentegen in
het huwelijk te treden?
Pistor. Waarom niet, wanneer zij branden? Het is toch beter te trouwen dan
te branden, volgens de getuigenis van de Apostel.
Mont. Deze woorden van de Apostel mogen niet toegepast worden op de
priesters, en op hen die enige gelofte hebben.
Pistor. Het is te verwonderen, u deze uitvlucht te horen maken, daar toch
de Heilige Geest, de auteur van de heilige Schrift, niemand daarvan uitsluit,
priester, noch non, aangezien de Apostel zo duidelijk zegt: "Maar om der
hoererijen wil zal een iegelijk [man] zijn eigen vrouw hebben,” tenzij onze
gelofte afgelegd hebbende priesters geen mensen zijn, en daarom het woord van
de Apostel hun niet aangaat.
Tapp. Met hen die reinheid beloofd hebben, is het anders gelegen dan met de
leken.
Pistor. Is dan de brief aan de Hebreeën alleen aan de leken geschreven?
Mont. Het is altijd de bedoeling van de Heilige Schrift, om, waar zij
spreekt van het recht des huwelijks, steeds de priesters uit te zonderen.
Pistor. Aangezien die bedoeling nergens in de Heilige Schrift is
uitgedrukt, wie heeft haar u dan geopenbaard? Men mag hij de woorden en geboden
van God niets bijvoegen of afdoen. Op wiens gezag, of liever, uit welke
lichtvaardigheid durft gij hier de Heilige Schrift zo onwaardig naar uw zin
verdraaien? Hij mijn huwelijk heb ik Christus tot raadsman gehad, Die wil, dat,
wie het woord van onthouding vatten kan, het vatte. Maar, indien gij dit
omkeert, zal het zijn, dat wie het niet kan vatten, hij het niet vatte. Op die
vrijheid steunende, beken ik, dat ik een vrouw getrouwd heb, omdat ik de zaak
overlegde, en niet grote spanning van mijn gemoed had ondervonden, dat het niet
goed is, dat de mens alleen zij, dat is, ongetrouwd, dat hij een hulp nodig
heeft, die hem gelijk zij, namelijk een vrouw. Op welke wijze kan iets
duidelijker gezegd worden?
Mont. Indien gij maar had gewild, zoudt gij gemakkelijk in onthouding
hebben kunnen leven.
Pistor. Hoe, zeg mij toch, zou ik beter de aandrang der natuur hebben
kunnen onderdrukken, dan door het gezelschap van een vrouw, die ik genomen heb,
om hoererij te vermijden? Intussen geloof ik niet, dat in vele
monnikenkloosters iemand gevonden wordt, wiens hart groter afkeer zou hebben
van het gezelschap der vrouwen, dan het mijn; ik zwijg zelfs, hoe ik mij
bevlijtigd heb en ingespannen teneinde in onthouding te kunnen leven. Echter,
hoe meer ik dat trachtte te, doen, des temeer nam het kwaad der begeerlijkheid
in mij toe.
Rosem. Maar, door welke middelen zocht gij dit kwaad tegen te gaan?
Pistor. Door zulke, waarmee dit geslacht der duivelen gewoonlijk wordt
uitgedreven, namelijk, door onmatig vasten, gedurig bidden en vlijtige arbeid.
Ik voeg er hij, dat, terwijl ik mij zo pijnigde, ik mij gedurende twee jaren
van allen sterken drank heb onthouden.
Mont. Deze dingen moest gij tevoren geweten en bedacht hebben, voor gij u
in deze heilige orde liet opnemen, maar nu is de boetvaardigheid te laat.
Pistor. Indien ik mij zelf genoeg had gekend, en deze dingen tevoren
geweten, zou ik mij niet hebben laten opnemen in de priesterorde, die mij nooit
zeer behaagde.
Tapp. Wat heeft u dan bewogen om priester te worden?
Pistor. Niet anders dan het dringend aanhouden van mijn vader, die vooral
wilde, dat ik priester zou worden, eensdeels, opdat de kosten, die hij voor
mijn studiën gemaakt had, niet zouden verloren gaan; ten anderen ook, omdat hij
een groot gedeelte van zijn dienst op mijn schouders wilde leggen, aangezien
hij het kosterambt bediende.
Mont. Laat ons deze dingen laten rusten. Gij zegt dan, dat een pastoor
zonder te zondigen een man mag worden?
Pistor. Dit spreekt de Schrift waarlijk zeer duidelijk voor mij uit; aan
haar wil noch kan ik enige bepaling stellen.
Mont. Gij verstaat de Schrift niet.
Pistor. Weest gijlieden dan mijn leermeesters, ik zal mij als leerzaam
leerling gedragen.
Mont. De canonieke rechten, waaraan gij door de eed verbonden bent,
gebieden de priesters ongehuwd te blij ven.
Pistor. (gekscherend). Nu komt gij met uw hoogste recht voor de dag,
waardoor ik nader gedrongen word. Vooreerst beken ik, dat het canonieke recht
het ongehuwde leven aan kerkelijke personen gebiedt, waarover geen verschil
bestaat; maar op grond van welk goddelijk gezag dit geschiedt, laat ik aan
ulieden over te bewijzen, want hierover loopt de gehele kwestie. Bovendien, wat
ik heb bezworen, heb ik ook gehouden. Ik heb gezworen, dat ik naar mijn
vermogen en wetenschap volgens de canones zou leven; want dat is het formulier
van de eed, die men doet. Zo ik mij langer had kunnen onthouden, zonde ik de
breidel van het huwelijk niet hebben aangenomen.
Tapp. De algemene kerk, die door de Heilige Geest wordt bestuurd, kan,
volgens haar recht, vele dingen instellen, ook dingen die buiten de Schrift
zijn, zoals Paulus, een getrouw dienaar van deze kerk, zegt "De overige
dingen zal ik verordenen als ik zal gekomen zijn."
Pistor. Voor zoveel de burgerlijke wetten, plechtigheden en zeden aangaan,
stem ik graag toe, dat de kerk een vrije beschikking heeft; met die verstande
nochtans, dat van deze dingen ons niets als een artikel, nodig ter zaligheid,
moet opgedrongen worden. Maar, aangezien de ongehuwde staat der priesters door
geen geschrift, dat waarlijk canoniek is, wordt bevestigd, moet hij vrij
blijven; zo zelfs, dat hieruit de engelen zelf in de hemel geen nieuw
geloofsartikel mogen maken, veel minder de kerk, die door het Woord Gods
geregeerd wordt, en in geen dele over het Woord mag gebieden of heerschappij
voeren.
Tapp. Loochent gij dan, dat de kerk niet iets mag gebieden, dan op straf
van doodzonde?
Pistor. Ja, dat loochen ik; want gelijk de menselijke macht niet bevoegd is
uit kinderen des lichts en medegenoten van het hemels Koninkrijk, kinderen der
hel en der duisternis te maken, omdat dit Gode alleen toekomt, die de duivel
heeft overwonnen, en het gebied alleen heeft over leven en dood, is geen kerk
bevoegd, enig mens door haar instellingen te binden, wanneer die niet op Gods
Woord gegrond zijn.
Mont. Wel, meent gij dan, dat men de kerkelijke instellingen vrij mag
overtreden en verachten?