Historie der martelaren
Adrianus Haemstedius
Historie der martelaren
die, om de getuigenis der evangelische waarheid, hun bloed gestort hebben, van
Christus onze Zaligmaker af tot het jaar 1655.
Voorrede aan de christelijke lezer
Het lijden van Jezus Christus onze Zaligmaker
Johannes de Doper onthoofd, en zijn hoofd aan de
overspelige Herodias gebracht
Stefanus, de diaken, gestenigd
Jakobus, de zoon van Zebedeüs, onthoofd
Jakobus, de zoon van Alfeüs, doodgeslagen
Marcus, de Evangelist, buiten Alexandrië gesleept
om verbrand te worden, en onderweg gestorven
De tien bloedige vervolgingen van de Christenen
onder de Heidense keizers van Rome
De eerste vervolging van de christenen onder
keizer Nero
Simon Petrus gekruisigd te Rome, onder keizer Nero
Paulus van Tarsen te Rome onthoofd onder keizer
Nero
Andreas, de Apostel te Patris, in Achaje
gekruisigd
Filippus, de Apostel, te Hiërapolis gemarteld
Bartholomeüs de Apostel, in Albanië in Armenië
gekruisigd en de huid afgestroopt
Thomas, de Apostel, in Indië door de wilden
vermoord
Mattheüs, de Apostel en Evangelist
De Apostelen Simon Zelotes en Judas Alpheus
Johannes, de Apostel en Evangelist
Sommigen van de zeventig Discipelen en andere
medereizigers der apostelen
De tweede vervolging van de christenen onder
keizer Domitianus
Timotheüs, een leerling van Paulus
De derde vervolging van de christenen onder keizer
Trajanus
Simeon, bisschop van Jeruzalem
Ignatius, bisschop van Antiochië
De vierde vervolging van de christenen onder
keizer Antoninus
Attalus, Blandina, Ponticus en nog een ander
De vijfde vervolging van de christenen onder
keizer Septimeus Severus
De zesde vervolging van de christenen onder keizer
Maximinus
De zevende vervolging van de christenen onder
keizer Decius
Alexander, opziener van de gemeente te Jeruzalem
Babylas, opziener der gemeente te Antiochië
Metranus en vele anderen te Alexandrië
De achtste vervolging van de christenen onder de
keizers Valerianus en Gallienus
Cyprianus, bisschop te Karthago
De negende vervolging van de christenen onder
keizer Aurelianus
Laurentius, de diaken, te Rome op een rooster
verbrand
Het eerste jaar van de vervolging
Petrus, Dorotheüs en Gorgoneüs
Het tweede jaar van de vervolging
Het derde jaar van de vervolging
Het vierde jaar van de vervolging
Het vijfde jaar van de vervolging
Het zesde jaar van de vervolging
Het zevende jaar van de vervolging
Het achtste jaar van de vervolging
Het negende jaar van de vervolging
Het tiende en laatste jaar van de vervolging
De Christenen verkrijgen vrede in het Romeinse
rijk
De verdeling van het Romeinse rijk en de oorsprong
van de Antichrist
Arnulph, Aartsbisschop te Lyon
Petrus van Bruis en Henricus van Toulouse
Vijf en dertig burgers te Mainz
Twee honderd vier en twintig personen verbrand
Gerardus Segareill en Dolcinus van Novari
Rogier Acton ridder, Johan Brown edelman en Jan
Beverley, in Engeland, opgehangen en daarna verbrand
Johannes Husz te Konstanz verbrand
Ulrich van Vahendres en Hendrik Raadgever
Wenceslaus, pastoor te Arnostowitz, met nog acht
anderen verbrand
Vier en twintig burgers te Leitmeritz verdronken
Wenceslaus Swets, Inartinus Loquis, Procopius
Jednooky
Petrus Clarcke, Engels priester
Dr. Johannes de Vesalia, of Wesel
Een edelman van Kandia of Kreta
Hieronymus Savonarola, Dominico de Piscia en
Sylvester
Een vrouw verbrand in Engeland, en hoe de
kanselier werd omgebracht door een stier
De opkomst van Mr. Maarten Luther
Hendrik Voes en Johannes van Essen, twee
Augustijner monniken, te Brussel verbrand
Nicolaus, een Augustijner monnik, van Antwerpen
Gaspar Tauber en Georgius, een boekbinder
Geschiedenis van de getrouwe martelaar van Jezus
Christus, Johannes Pistorius, van Woerden
M. Pet. Spengler, pastoor te Brisgau
Nicolaas Wieretenarz en Clara, zijn huishoudster,
in Bohemen verbrand
Martha Porzicz te Praag verbrand
Een glasblazer en een riemsnijder
Mr. Jakob Keyser, bijgenaarnd Schlosser
Petrus Flysteden en Adolf Clarenbach
Jakobus Baynham en Richard Bayfield
Vier mannen te 's Hertogenbosch gedood
Denys Bryon en Hieronymus Vindocin levend verbrand
Verscheidene martelaars te Parijs
Cowbrig, te Oxford levend verbrand
Vijf martelaren in Schotland verbrand
Wilhelmus Tyndall te Vilvoorde verbrand
Jan Lambert, ook genoemd Nicholson
Vijf martelaren in Schotland verbrand
Thomas Cromwell,
graaf te Essex
Catharina, de vrouw van een raadsheer te Krakau,
verbrand
Twee christenen te Gent verbrand en twee vrouwen
levend begraven
Aymont de la Voye, regent van groot Saintefois, in
Agenois, boven Dordogne
Hector Remy en zijn vrouw Mathinette du Huisset
Claudius de Schilder, een goudsmid
Een boekverkoper te Avignon verbrand, met een
Bijbel op zijn borst gebonden
Geerte Stelmees en Neeltje Claas
De bewoners van Mirandola en Cabriëra
Maarten Huerblok, Jan de Bock, Nicolaas van der
Poele en de vrouw van Jan de Bock
Marion, de vrouw van Adriaan, kleermaker te
Doornik
Vier martelaren uit Schotland verbrand
Eusinas, ook Driander genaamd, een Spanjaard
Anna Asker, Jan
Lacels, Jan Adlams en Nicolaas
Belenian
Veertien burgers te Meaux, in Brie verbrand
De vrouw van Bygaerden en haar zoon
Een en dertig personen te Valladolid gestrafd
Mr Florentius Venot te Parijs verbrand
Een kleermaker te Parijs voor de koning van
Frankrijk in het verhoor gebracht en daarna verbrand
De marteling van Mr. Nikolaas, in Henegouwen
Maria, de vrouw van Augustijn, de barbier
Johannes Godeau en Gabriël Beraudin
Jan van der Put, de geneesheer genaamd
Gillot Vivier, Michiel le Fèvre, Jacques le Fèvre,
Amna le Fèvre en Mechaëlla de Caignoncle
Jan van Ostende, bijgenaamd Tromken
Vervolging, te Brugge, in Vlaanderen
Johannes Mollius en een Perugiaanse wever
Steven le Roy en Pieter Dinocheau
Jan Filleul en Juliaan Leveille
Jan Vernou, Guyraud Tauran, Autonius Laborie,
Bertrand Bataille en Jan
Trigalet
Engelse martelaren in het jaar 1555
Thomas Causton en Thomas Higbed
Johannes Laurentius en Willem Digel
Johannes Cardmaker
en Johannes Warne
Hunfroy Middleton en Nikolaas Scheterden
Robert Samuel en enige anderen
Robert Glover en enige anderen
Nicolaas Ridley en Hugo Latimer
Hier volgt de geschiedenis van de martelaren in
het algemeen in het jaar 1556
Robert Oguier, zijn vrouw en beide zonen
Johanna, de moeder, en haar jongste zoon Maarten
Oguier
Laurens, de schoenmaker, en Jan Fasseau
Engelse martelaren in het jaar 1556
Agnes Potten en Johanna Trunchfield
Christoffel Lyster, Jan Mace, Jan Spenser, Simon
Joyne, Richard Nicols en Jan Hamoud
Rugo Laverocke, een kreupele en Jan Apprice, een
blinde
Katharina Cawehes en haar beide dochters en haar
dochters kind
De martelaren in het jaar 1557
Mr. Philibert Hamelijn en enige anderen
Joriaan Simonsz en Clement Dirkz
Een grote en zware vervolging van de kerk van
Christus te Parijs in het jaar 1557
Nicolaas le Cene en Pieter Gabart
Franciscus Rebezus en Frederick Danville
Engelse martelaren in het jaar 1557
Richard Woodman, met nog negen anderen, vier
vrouwen en vijf mannen, verbrand
Geschiedenis van de martelaren in het jaar 1558
George Tardif, Nicolaas Guilotet, Jan Caillou en
Nicolaas van Jeuvife
Een zware vervolging van de gelovigen te
Valladolid, in Spanje, in het jaar 1558
Renatus du Seau en Jan Almarie
Engelse martelaars in het jaar 1558
Willem Fetty, een kind van acht jaren
Verscheidene gelovige christenen in Engeland
De martelaren in het jaar 1579
Adriaan de schilder en Hendrik Bockhalt kleermaker
Cornelis Halewijn en Herman Jansz
Nicolaas Ballon en Nicolaas Guenon
Isabella Vaenia,
Maria Viroësia, Cornelia en
Bohorquia
Ferdinandus van St. Jan en Morsillius
Jan van Leon en Ferdinandus van Valladolid
Dr. Johannes Egidius en Dr. Constantinus Pontius
Antonius de Richend, heer van Mouvans
Martin Rousseau, Gillis le Cotart en Philips Parmentier
Christiaan de Quekere, Mr. Jakob Dieussart en
Janneken Salomes
Verscheidene martelaren in Frankrijk
Pieter Annood en Daniël Galland
Een groot aantal gelovigen, om de belijdenis van
het heilig Evangelie, in Calabrie omgebracht
De benarde toestand der kerk van Christus in de
Nederlanden
Thomas Watelet, uit het land van Luik
Autonius Caron, Reinholdina Fransz en enigeanderen
Franciscus Varlut en Alexander Daycke
De la Faye, Jan Greffin en de beambte van Pontoise
Farresier, Pieter Bonnet en enige anderen
Christoffel Fabritius en Olivier de Bock
Paulus Millet, bijgenaamd de Ridder
Julius Guirlanda en Antonius Ricetto.
Franciscus Sefra en mr. Franciscus Spinola
Maarten Bayaert, Glaude du Flot, Jan Dautricourt
en Noël Tournemine
Mailgaert de Hongere, dienaar des Woord
Jan Goris en Joris van der Assche
Guido de Bray en Peregrin de la Grange, dienaren des Woords
Pieter Mon, Wonter Oensel en Gerrit N.
Vervolgingen in West-Vlaanderen van dat jaar
Pieter van Keulen en Betteken, zijn dienstmaagd
Cristoffel Gauderijn, Jan Liebaert, Willem van
Spiere en Tanneken Baerts
Heynzoon Adriaansz., Barend van Utrecht en Jan
Heymen
Schoblandt Barthelsz, Hans van Hues en Joris Coomans
Mr. Cornelis de Lesenne en Mr. Carel van Oudenaarde
Gillis Annike, Jan Annike en Louis Mieulen
Weyn Oekers en haar dienstmaagd
Een kort verhaal aangaan de vele christenen, die
te Doornik en te Valenciennes werden omgebracht
Enige gelovigen omgebracht in het hertogdom
Limburg
Nicolaas Croquet, Filippus en Richard de Gastines,
vader en zoon
Marcus de Lannoy en Jan le Grand
Gerard Moyart en Pieter de Meulen
Arend Dierixsz. Vos, Sybrand Jansz., Adriaan
Jansz. en Wouter Simonsz.
Gestreng schrijven van de graaf van Megen aan de
graaf van Arnhem
Hendrik Alertsz. Schouten, deurwaarder te Mechelen
Gaspar de Coligny, admiraal van Frankrijk
Moord van de edellieden des Konings van Navarre en
van de Prins van Condé
De Predikanten Buyrette, Horeen Desgorris
De luitenant Taverny en zijn zuster
Marturin Lussaut, zijn vrouw, zoon en dienstbode
Philippe le Doux en zijn vrouw
De Pluimgraaf des Konings en zijn vrouw
De weduwe van Gastines de Jonge en anderen
De moord van de Hervormden te Meaux, in Brie
De vervolging van de gelovigen te Troyes, in
Champagne
De verschrikkelijke moord van de gelovigen te Lyon
Besluit over de moord aan de hervormden in
Frankrijk
Arnoud de Croos Mielfiel de Seeldraaier
Joos de Jonge, Quirijn de Palme en Rogier Joosten
De verschrikkelijke moord door de pausoezinden aan
de hervormden in Valtellitia
Onmenselijke wreedheid door de pausgezinde Ieren
gepleegd aan de hervormde christenen in Ierland
Korte geloofsbelijdenis der hervormde gemeenten in
Piëmont
Aan alle eerbaren, wijzen en edelen heren, overheden, bestuurders, stadhouders en Staten in onze Nederlanden, van Brabant, Gelderland, Vlaanderen, Bolland, Zeeland, Friesland, enz., wensen wij een godzalige voorzienigheid om het volk te regeren, te onderhouden en te leiden tot zaligheid, vrede, eendracht en voorspoed, van God onze hemelse Vader, door Jezus Christus, Zijn welbeminde Zoon, onze enige Zaligmaker. Amen.
|
Rom.
13, vs. 4. 1 Petr. 2, vs. 14. De overheid moet Gods woord kennen. Pred. 10,
vs. 16. |
Eerbare, wijze heren, die Gods dienaren bent, tot prijs en bescherming
der goeden en wraak en straf der bozen. De almachtige God heeft u in deze
wereld verkozen, om hoofden te zijn van het volk. Daar nu het lichaam niet
ziet, noch riekt, noch smaakt, noch verstand bezit als het hoofd bedorven is;
zo is het ook niet mogelijk, dat een gemeente goed geregeerd en in goede orde
gehouden wordt, wanneer de hoofden verstandeloos en onwetend zijn, want een
onverstandig vorst zal zijn volk verwoesten. Daarom verkoos Mozes, om het Israëlitische volk te regeren, bejaarde
wijze mannen, die de Heere vreesden, de waarheid bezaten en de gierigheid
haatten. Zonder de vrees des Heeren toch is er geen wijsheid, zonder de
kennis der waarheid en gerechtigheid kan men niet goed oordelen, en de
gierigheid verblindt de ogen der wijzen. |
|
Deut.
17, vs. 18, 19. |
Doch, om hiertoe te geraken, is het nodig de raad van de heiligen Profeet
Mozes aan te nemen, die leert, het boek der wet iedere dag des levens te
lezen, opdat zij God de Heere mogen leren vrezen, en zijn woorden en
plechtigheden, in de wet geboden, onderhouden. |
|
Joz.
1, vs. 7, 8. |
Aldus sprak ook de Heere tot de vorst zijns volks, Jozua: "Wees
sterk en heb goede moed, dat gij onderhoudt en doet de gehele wet, welke
Mozes mijn knecht u geboden heeft, en wijk daarvan niet, ter rechter noch ter
linkerhand, opdat gij verstandelijk handelt, in alles wat gij doet. Dat het
boek der wet niet wijke van uw mond, maar overleg het dag en nacht, opdat gij
waarneemt te doen naar alles, wat daarin geschreven is; want alsdan zult gij
uw wegen voorspoedig maken, en alsdan zult gij verstandelijk handelen." |
|
Gods
Woord eist de bevordering van Zijn rijk. |
Derhalve is het openbaar, dat de wet des Heeren bijzonder en vooral eist
Gods naam te heiligen en Zijn Rijk uit te breiden. Daartoe behoren de
overheden hun grootste naarstigheid te besteden, willen zij Gods dienaren
zijn en blijven. Is het iedere christen bevolen, de bekommeringen van het
tijdelijke leven te laten varen en Gods Rijk en Zijn gerechtigheid te
bevorderen; hoeveel temeer betaamt dit een christelijke overheid. |
|
Voorbeelden
van hen, die de godsdienst bevorderen. |
Daarvan vindt men een voorbeeld van hen, in de heilige aartsvaders,
Abraham, Izak en Jakob, ja reeds voor hen in Henoch. Welk een godzalige vorst
David was, om de ware godsdienst te bevorderen getuigt de bijbelse geschiedenis
overvloedig. Doch vooral hebben wij een goed voorbeeld voor alle vorsten van
onze tijd in koning Hizkia; want, gelijk het in zijn tijd gesteld was met het
uitverkoren volk des Heeren in Israël, zo is het ook thans met de christenen:
zij maakten beelden, zij verzonnen vreemde godsdiensten buiten Gods Woord, en
brandden wierook voor de koperen slang. De godsdienst was verbannen, de
tempel des Heeren was gesloten. |
|
2 Kon.
18, vs. 4. |
Doch de godzalige vorst vernielde nu de beelden, wierp de hoogten en bossen
om, en verbrak de koperen slang, die Mozes gemaakt had. Hij opende het huis
des Heeren, en richtte de ware godsdienst weer op. |
|
2
Kron. 30, vs. 1. |
Ja, wat meer is, zelfs buiten zijn koninkrijk, wat alleen Judea was, zond
hij boden en leraars tot het koninkrijk van Israël, die daar predikten, dat
zij zich bekeren zouden tot de ware godsdienst, doch zij werden door velen
bespot en beschimpt. Dit deed ook voor hem Josafat in Judea, waarvoor hij
door de Heere gezegend werd. |
|
2
Kron. 23, vs. 4, enz. 2 Kon. 34, vs. 3, enz. |
Zulk een godzaligheid zag men ook in Josia, die een opvolger was n de
regering van de beide koningen Manasse en Ammon, die altaren oprichtten voor
de afgoden, en de hemellichamen vereerden en aanbaden. Het wetboek was
verloren gegaan, en de kinderen werden in het vuur geofferd. Doch Josia
roeide al hun afgoderijen uit, bracht de Heilige Schrift aan het licht, en
liet die voor al het volk in het Huis des Heeren lezen. |
|
Van
onze tijden. |
Op soortgelijke wijze ging het ook in deze tijden onder de christenen;
zij riepen beelden, altaren, offeranden en vreemde godsdiensten buiten Gods
Woord in het leven. Van het avondmaal, dat ons bevolen is te houden tot een
gedachtenis van de dood van Christus, maakten zij een afgod, brandden er
wierook en fakkels voor; de ware godsdienst was verbannen, Gods Woord mocht
men niet prediken, de tempel was er voor gesloten; het wetboek der heilige
Schrift te lezen was verboden. Men achtte Gods Woord als bedrog en vergif.
Als de Heere enige godzalige vorsten verwekte, die predikers uitzonden, om de
ware godsdienst te onderwijzen, en het volk van hun dwalingen te genezen,
zoals God de vrome koning van Engeland, Eduard de zesde, en enige Duitse
vorsten verwekt bad, werden de predikers beschimpt, belasterd, gevangen genomen
en gedood. |
|
Men
verbood het Woord des Heeren te onderzoeken. |
O gij, goede heren, slaat hierop acht! omdat het wetboek aan uw handen is
ontvallen, de Bijbel in een hoek ligt, en Gods Woord niet wordt onderzocht,
daarom wordt het volk slecht geregeerd, de rechtvaardige verdrukt, en de
onrechtvaardigheid ten hoogste verheven; daarom vervalt de gemeente tot
velerlei dwalingen en sekten; want de opzieners zijn blind, en de herders
stomme bonden, die niet blaffen kunnen, en er is geen wetenschap bij hen. |
|
Jes.
56, vs. 10. Jes. 1, vs. 2, 3. |
Terecht mocht de Heere zich over zijn volk beklagen, en roepen over het
onverstand der lompe onwetendheid: "Hoort gij, hemelen, en neemt ter
oren, gij aarde! wat de Heere spreekt! Ik heb kinderen groot gemaakt en
verhoogd, maar zij hebben tegen Mij overtreden. Een os kent zijn bezitter, en
een ezel de kribbe zijns heren, maar Israël heeft geen kennis, mijn volk
verstaat niet. |
|
Jes.
30, vs. 9, 10, 11. |
Zij tergen Mij tot gramschap, de leugenachtige spruiten, die de wet Gods
niet willen horen, die daar zeggen tot de zieners: Ziet niet, en tot de
schouwers: Schouwt ons bedriegerijen. Wijkt af van de weg, maakt u van de
baan; laat de Heilige Israëls van ons afhouden!" |
|
De
onwetendheid heeft onkunde als gevolg. |
Door zulke onwetende blindheid en onkunde komt het, dat er zoveel
onwetendheid onschuldig bloed wordt vergoten, en dat de rechtvaardigen
vervolging en verdrukking lijden. Want hoe kunnen de rechters naar waarheid
oordelen, die deze zaken niet verstaan? En hoe zouden zij die kunnen
verstaan, als zij de Schrift niet onderzoeken, waarin het recht en de
gerechtigheid wordt verklaard? Maar zij haten het licht, omdat zij in de
duisternis verkeren. Zij vervolgen de waarheid, omdat zij door de leugens
verblind zijn. |
|
Joh.
15, vs. 21, en 16, vs. 3. Luk. 23, vs. 34. 1 Kor. 2, vs. 8. |
"Dit zullen zij u doen," zegt de Heere, "omdat zij noch de
Vader noch Mij gekend hebben." Hij bad ook voor zijn vervolgers, toen
Hij zei: "want zij weten niet, wat zij doen." Want, indien de
vorsten dezer wereld de wetenschap bezaten, en niet verstandeloos waren, zo
zouden zij de Heere der heerlijkheid niet gekruisigd hebben." Zo was het van het begin van de wereld, en zal het duren tot het einde
dat de duistere, blinde en onwetende wereld de gelovige kinderen des lichts
vervolgde, en vervolgen zal. Christus en al de leden van Christus zijn enkel
licht, leven en waarheid; en de wereld en allen, die Christus niet recht
kennen, zijn enkel duisternis, dood en ijdelheid. Als nu het licht in de
duisternis schijnt, zijn alle nachtraven, vleermuizen en nachtuilen in
beroering, want zij kunnen het licht niet verdragen. |
|
Joh. 3, vs. 19. Joh. 7, vs. 7. |
Daarom zegt Christus: "Dit is het oordeel, dat het licht in de
wereld gekomen is, en de mensen hebben de duisternis liever gehad dan het
licht, want hun werken waren boos." En wederom: "De wereld haat
Mij, omdat Ik van dezelve getuig, dat haar werken boos zijn." Zo is het
ook met de christenen, als zij de zonden aan het licht brengen en bestraffen:
als zij de ijdelheid en de leugen uitroeien door de waarheid, dan stelt de
gehele wereld zich te weer, en ieder brengt hout aan, om zulke ketters te
verbranden, want zij spreken en leven tegen de gehele wereld, omdat de gehele
wereld zich tegen de waarheid en gerechtigheid verzet. |
|
Boek
der wijsheid, h. 2. |
Dit heeft ons de wijze man zeer juist afgeschilderd, waar hij de bozen
laat zeggen: Wij willen de rechtvaardige onderdrukken, want hij is ons onnut
en tegen al onze werken; hij verwijt ons, dat wij tegen de wet zondigen, en
beschuldigt ons, dat wij tegen de tucht handelen; hij geeft zich uit, dat hij
de wetenschap van God bezit, en noemt zich een Zoon van God, hij bestraft ons
voornemen en opzet, hij is ons zeer lastig om te zien, want zijn leven is
zeer verschillend van de anderen, en hij verandert zijn wegen; wij worden
door hem gehouden voor beuzelaars, en hij wacht zich voor onze wegen als voor
onreinheid, en het slechtste der rechtvaardigen roemt hij hoog, en beroemt
zich, dat hij God tot een Vader heeft, enz. Met verdriet en moeite willen wij
hem onderzoeken, en zijn lijdzaamheid beproeven; wij willen hem met een
schandelijken dood veroordelen, en zo kan hij denken aan zijn woorden. Dit
hebben de boze lieden gedacht, en zij hebben gedwaald, want hun boosheid
heeft hun hart verblind. |
|
De
predikers van de waarheid worden altijd vervolgd. 1 Kon. 22, vs. 24, 27. Jes.
36, vs. 23. Dan. 6, vs. 16. Amos 7, vs. 12. |
Denkt er toch over na, gij christelijke heren, welke onwetendheid en
blindheid gij bewijst, hoe men tegen hen opstaat, hen vervolgt en doodt, die
het waarachtige licht van het goddelijke Woord verkondigen, en de wetenschap
en de kennis van God onderwijzen. Daarom kreeg Micha kinnebakslagen, werd in
de gevangenis geworpen, met het brood der bedruktheid gevoed en met water der
benauwdheid gedrenkt; daarom werden de boeken van de Profeet Jeremia
verbrand, en hij in een put van slijk en modder geworpen; daarom werd Daniël
geworpen in een leeuwenkuil, de Profeet Amos door de priester van Bethel als
een oproermaker voor de koning Jerobeam beschuldigd, en verboden te prediken
in de heerlijkheid en het gesticht van de koning; daarom hebben Johannes de
Doper, Christus en zijn Apostelen hun bloed gestort; om deze redenen werden
de heilige leraars, door de tirannie der heidenen en pausgezinden verdreven,
vermoord en verbrand, en als onwaardig geoordeeld de wereld te bewonen. |
|
Matth.
10, vs. 16. |
Deze zijn de getuigen en martelaren, van welke Christus spreekt, als Hij
hen uitzendt als lammeren en schapen onder de wolven; waar zij overgeleverd,
geslagen en gedood zouden worden, de koningen, vorsten en heidenen tot een
getuigenis, waarom zij ook getuigen of martelaren genoemd worden. Ja, niet
alleen hebben enige verstandeloze en verblinde vorsten de leraars en
predikanten van het goddelijk Woord omgebracht, maar ook hen steeds vervolgd,
die Gods Woord gehoorzaam en onderdanig waren; opdat al het bloed, van Abels
tijden af tot het einde der wereld toe vergoten, op hun hoofd zou komen, en
van hun handen geëist worden. |
|
Tot de
gelovige heren. |
Daarom bid ik u, o gij heren en overheden van het volk Gods, weest
voorzichtig in uw oordelen; onderzoekt de zaken, voor gij het vonnis velt.
Wacht u een vonnis over een zaak uit te spreken, die gij niet zelf onderzocht
en goed hebt leren kennen. Ziet niet langer door de ogen van anderen, opdat
de blinde leidslieden u niet in een put der verderfenis storten. |
|
Joh.
19, vs. 7. |
Wanneer de Schriftgeleerden en Farizeeën zeggen: "Volgens onze wet
moet Hij sterven. Hij is een ketter; wij hebben Hem onderzocht; indien Hij
geen boosdoener ware, zouden wij Hem u niet hebben overgeleverd;" weest
dan niet onredelijker dan de heidense Pilatus was, en gij zult hun dikwerf
ten antwoord geven: "wij vinden geen oorzaak des doods in hem; neemt en
oordeelt hem naar uw wetten." Ik weet en het is bekend, dat er velen onder u zijn, wiens ogen door Gods
Woord zijn verlicht, zodat zij maar al te goed weten, dat de christenen ten
onrechte door de zogenaamde geestelijkheid beschuldigd, en voor ketters en
oproermakers gescholden worden. Zij weten, dat zij om de gerechtigheid
lijden, en wegens de waarheid hun bloed storten. Maar uit vrees, dat ook zij
door de geestelijkheid als ketters geacht en beschuldigd zouden worden,
durven zij de beleden waarheid niet belijden, en de gerechtigheid voorstaan
of beschermen. De een zegt: "Ik wil de bijen niet tergen, noch de
slapende honden wakker maken." Anderen zeggen: "Wij kunnen niet
alleen dansen, dit moet gemeenschappelijk geschieden," en intussen
worden de rechtvaardigen omgebracht. Och, mijn heren, openbaarde en beleed
ieder, naar de kennis, die hij van God ontvangen heeft, de waarheid, de
priestermacht zou spoedig in rook verdwijnen. Maar nu ieder terugtreedt,
bevlekt gij uw handen met het onschuldig bloed, dat vergoten wordt. Want,
indien gij u beijverd had, zoudt gij voor de Heere onschuldig zijn, al had
dit niet plaats volgens uw verlangen. |
|
Voorbeelden
van hen, die de onschuldigen helpen. Gen. 37, vs. 29. 2 Kon. 18, vs. 4. Jer.
38, vs. 8, 9, vs. 7. |
Och, of gij de vrome mannen navolgde, die hun leven stelden als een muur
voor het Huis des Heeren, en de rechtvaardigen en onschuldigen zochten te
verlossen uit de macht van hen, die hen verdrukten, zoals Ruben de
onschuldige Jozef zocht te verlossen uit de handen der bloeddorstige
broeders; zoals Obadja, de hofmeester van de koning Achab, toen Izebel, de
koningin, de Profeten des Heeren doodde, hen bij vijftig tegelijk verbergde,
spijzigde en onderhield. Zo ging ook Ebed-melech, de moor, tot Zedekia, de
koning en verzocht hem vriendelijk om de Profeet des Heeren te verlossen. Ja,
ook een vrouw waagde het, voor het volk des Heeren, de koning Ahasveros te
bidden met gevaar van haar leven. En zouden dit de mannen niet durven doen?
Waarlijk, dat zou te beklagen zijn! |
|
Luk.
19, vs. 17. Matth. 10, vs. 40, 41. |
Denkt toch eens, o gij dienaren van God, aan de heerlijke beloften, die u
de Zoon van God doet, wanneer gij uw dienst getrouw waarneemt, hetwelk
bestaat in de goede tegen de onderdrukkers te beschermen. "Wel, gij
goede dienstknecht," zal Hij zeggen, "omdat gij in het minste
getrouw zijt geweest, zo heb macht over tien steden." "Gaat in, in
de vreugde uws Heeren," zegt Hij met een heerlijke belofte, tot hen, die
zijn volk ontvangen en bijstaan. "Die u ontvangt, ontvangt Mij,"
zegt Hij, "Die een Profeet ontvangt in de naam eens Profeten, zal het
loon eens Profeten ontvangen; en die een rechtvaardige ontvangt in de naam
eens rechtvaardigen, zal het loon eens rechtvaardigen ontvangen. En, zo wie
één van deze kleinen te drinken geeft, alleen een beker koud waters, in de
naam eens discipels, voorwaar zeg ik u, hij zal zijn loon geenszins
verliezen." Wat zal hij dan doen als gij de rechtvaardige uit de macht
der bozen en bloeddorstigen verlost? |
|
Luk.
12, vs. 42, 45. |
Ziet, de Heere heeft u over zijn Huis gesteld, omdat voor te staan en te
verzorgen. Zalig bent gij, als Hij bij zijn komst u aldus bevindt. Maar, als
gij in uw hart zegt "De Heere; vertoeft te komen," en gij begint uw
mededienstknechten te verdrukken, en de lust van uw hart op te volgen; dan
zal voorwaar de Heere komen op de dag, waarin gij Hem niet verwacht, en zal u
in stukken houwen, en uw deel zetten met de ontrouwen; want een dienaar, die
de wil zijns Heeren kent, en die niet wil volbrengen, en niet naar zijn wil
gedaan heeft, zal met vele slagen geslagen worden; en die veel gegeven is,
van die zal ook veel geëist worden. Denkt daarover toch na! |
|
Tot de
onwetenden, Joh. 16, vs. 2. 2 Thess. 2, vs. 10, 11. |
Ten anderen. Zij, die door onwetendheid kwaad en boos zijn, en menen God
een dienst te doen, wanneer zij iemand om Gods Woord doden en verbranden,
deze volgen juist de voetstappen van hun voorouders, en zullen ook hun loon
ontvangen. Tot zulk een val moesten zij komen, omdat zij de liefde tot de
waarheid niet hebben ontvangen tot hun zaligheid. Daarom zendt de almachtige
God hun krachtige dwalingen toe, opdat zij de leugens zouden geloven, en zij
allen geoordeeld worden, die de waarheid niet hebben geloofd, maar de
ongerechtigheid beschermd. Waarlijk, die de tirannie van Farao navolgen, Gods
woorden ongehoorzaam zijn, en het volk des Heeren met geweld onderdrukken,
zullen ook door de krachtige hand des Heeren in de wateren der verderfenis
verzinken en vergaan. |
|
Voorbeelden
van de straf van de vervolgers. |
Is het ooit gebeurd, dat zulke bloeddorstige lieden zonder een vreselijke
dood deze wereld hebben verlaten? Waarlijk, zelden of nooit geschiedt dit,
als ons oude en nieuwe geschiedenissen betuigen. Denkt aan Kaïns dood tot op
onze tijden; ten allen tijde was God een wreker van het bloed zijner
uitverkorenen, dat om wraak roept voor zijn oren. Hoe geweldig heeft de Heere
zo vele machtige koningen vernield, die zijn volk, dat Hij uit Egypte bracht,
wilden verdrukken. Hoe schandelijk zijn de koningen opgehangen en verwurgd! |
|
1 Sam.
31, vs. 4. |
Welk een verschrikkelijk einde had de boze koning Saul, nadat hij David
zo vaak had vervolgd, en de priesters des Heeren met het zwaard gedood, heeft
hij eindelijk met zijn eigen zwaard zich van het leven beroofd. Jerobeam, de
koning, door God over Israël gesteld, versloeg de Heere met zijn gehele
geslacht, omdat hij de leraars, de profeten des Heeren verdreef, en een valse
godsdienst voor het volk in het leven had geroepen. |
|
1 Kon.
22, vs. 34, 38. 2 Kon.
9, vs. 33, 35. 2 Kon.
26, vs. 7. Judith
13, vs. 10. De
voetstappen van Antiochus worden door onze koningen gevolgd, 1 Makk. 1. |
Achab, de koning, werd doorschoten, en de honden lekten zijn bloed, omdat
hij de onschuldige Naboth ten onrechte door de rechters liet doden, en niet
hoorde naar de Profeten des Heeren. Izebel, zijn vrouw, werd uit het venster
geworpen, brak de hals, en werd door de bonden verslonden, omdat zij de
Profeten van God en alle Godvruchtige mannen verdreef en vermoordde. Om
dezelfde reden werd Zedekia blind in de Babylonische ballingschap, en
Holofernus schandelijk door een vrouw verslagen; ja, ook Antiochus, de
koning, die een duidelijk voorbeeld is voor de vorsten en koningen in onze
tijden, wiens voetstappen zij allen navolgen; want door zijn bevel dwong hij
Gods volk de heidense gewoonten en wetten te onderhouden, en Gods bevel te
overtreden, en stelde kettermeesters en onderzoekers aan in alle steden, die
het volk daartoe dwongen. Hij liet de boeken, de Testamenten des Heeren in
stukken snijden en verbranden. Wie Testamenten des Heeren bezat, en volgens zijn
Woord wilde leven, werd op bevel des konings gedood. Deze werd door de Heere
met zulk een weemoed en droefheid van het hart getroffen, dat hij aan de
gevolgen daarvan stierf. In onze tijden mag men zich hieraan wel voor goed
spiegelen. Let hierop toch, want Gods hand is ook nu niet verkort, om de
wreedheid der tirannen te straffen, en het bloed zijner martelaren te wreken. |
|
Christenen
worden ketters en oproermakers genoemd. |
Zegt iemand soms: “Ja dat deden de goddelozen aan de kinderen Gods; maar
nu vervolgt men niemand dan oproerige ketters, sektemakers, en hen die het
volk verleiden." Och, gij vrome heren, let toch eens op de aard en de natuur van de satan,
die zich toch dagelijks als een God opwerpt, en zijn macht verheffen wil,
opdat hij God en zijn heerlijkheid zou verduisteren en teniet doen. Wie zijn
toch de ketters? Zij, die de woorden des Heeren navolgen, of zij, die
daartegen opstaan en die onderdrukken? Die de boosheid bestraffen en haten,
of die verdedigen en navolgen? Oordeelt nu zelf, wie de ketters zijn. |
|
Joh. 5, vs. 39. Matth. 28, vs. 19. |
Christus beveelt de christenen de Schrift te onderzoeken, waarin zij het
eeuwige leven zullen vinden. Hij beveelt de predikanten te prediken volgens
zijn bevel. Dit te doen wordt verboden en ketterij genoemd; die volgens zijn
bevel prediken en de valsheid bestraffen, heten verleiders en oproermakers,
die men niet kan uitstaan. Zij, die de sacramenten naar het bevel des Heeren
Jezus Christus uitdelen en ontvangen, worden valse leraars, sektemakers, en
sacramentschenders genoemd door hen, die de sacramenten van Christus
vervalsen, schenden of vernietigen. Christus heeft bevolen, dat allen uit één
kelk moeten drinken, en, die dat doen willen, heten ketters, want de
priesters verbieden dat. Zij, die de heidense afgoderij van houten en stenen
beelden te aanbidden, aan te roepen, te verlichten en te vereren volgens Gods
Woord verbieden, noemt men beeldstormers en verachters van heiligen bij dit
overspelig en afgodisch geslacht. Daarentegen heten zij, die de afgoden
oprichten, heilige christenen. |
|
Jes. 5, vs. 20. Amos 7, vs. 10. 1 Kon.
18, vs. 17. Luk.
23, vs. 2. Matth. 26, vs. 61. Hand. 24, vs. 5. |
Ziet aldus weet de duivel het blaadje door zijn handlangers om te keren.
Wee u, wee u, die het kwade goed noemt, en het goede kwaad, die het licht
duisternis acht, en de duisternis licht. Gelijk Amazia, de priester van
Bethel, liet volk tot afgoderij verleidde, zo beschuldigt men de prediker des
Heeren, dat hij oproerig is jegens de koning, en beweert, dat het land zijn prediking
niet verdragen kan, en hij uit het land moet verbannen worden. Elia werd als
een oproermaker door de koning Achab gescholden, omdat hij de Baälpriesters
wegens hun afgoderij bestrafte. Christus zelf werd door de geestelijkheid bij
de wereldlijke overheid als een oproermaker aangeklaagd, en gezegd, dat Hij
het volk beroerde van Galilea af tot hiertoe; dat Hij verbood de keizer
schatting te geven, en dat Hij de tempel wilde verbreken. Paulus werd door de
Joodse priesters voor de Romeinse rechter als een oproermaker en voorstander
der sekten beschuldigd. Het moet de christenen gaan, zoals het Christus, de
Apostelen en Profeten ging. Zouden de discipelen beter zijn dan de Meester?
Dat kan niet. Let er op en ziet, of de eigenlijke ketters niet altijd de godzaligen
hebben vervolgd. Waar vindt men, dat de valse profeten en valse leraars door
de wereld vervolgd werden? Is het ooit gezien of gehoord? Neen, toch niet,
want de wereld bemint altijd het hare; zij scheidt, vervloekt, doodt en
verbrandt, wat door Christus is uitverkoren, want dat is niet van de wereld.
Zo werden Christus en zijn leerlingen door die wereld als ketters, verleiders
en oproermakers gehouden, en de verleiders, ketters, en die tegen de Heere
oproerig waren, werden door de wereld christenen genoemd. Daarom, gij christelijke heren en overheden van het volk, let niet op het
geroep en geschreeuw van het volk, op de klachten van de geestelijkheid, die
altijd tegen Christus en zijn heilig Woord opstonden, en bekreunt u ook niet
om de gewoonte of het algemeen gebruik en de loop der wereld van de tijd der
voorouders af; want deze zouden u allen bedriegen. Maar let op het
onvervalste Woord des Heeren, dat een licht voor uw voet zal zijn, opdat gij
in de duisternis niet struikelt. Weest niet langer onwetend in goddelijke
zaken, opdat gij de onschuldigen kunt beschermen tegen hun overweldigers. |
|
Christus
wordt vervolgd in zijn dienaars. Hand. 9, vs. 5. Zach. 2, vs. 8. Ps. 105, vs.
15. |
Bedenkt, dat, wanneer gij Gods dienaren voor u hebt, dat Christus zelf
voor u staat, en door u wordt veroordeeld, en dat Hij tot u zegt: Waarom
vervolgt gij Mij? Het is u hard de verzenen tegen de prikkels te slaan.
Aangaande deze zijn uitverkorenen zegt Hij toch: Die u aanraakt, raakt de
appel mijner ogen aan. Hij vermaant u door te zeggen: Tast mijn gezalfden
niet aan, en weest niet wreed jegens mijn Profeten. Het is een grote wreedheid en een verschrikkelijke ondankbaarheid om hen
te onderdrukken, die hun bezittingen en leven wagen, om u van de weg der
verderfenis tot het eeuwige leven te voeren; aldus beloont gij het goede met
het kwade. Dit zijn immers geen bewijzen van ware mensen, nog veel minder van
christenen. Daarom bid ik u, en vermaan u door onze Heere Jezus Christus,
door wiens bloed gij van de tirannie des duivels verlost bent, u te wachten
van uw handen te bevlekken met het bloed der rechtvaardigen. Doet u het, de
hand des Heeren is nu opgeheven om zulke onrechtvaardige wreedheid en wrede
onrechtvaardigheid te straffen. Verstout gij u, de godzaligen te verdrijven
en uit te roeien, zo zult gij allen vergaan. |
|
Gen.
7. Gen.
19. |
Toen Noach in de ark ging, rees de verderfelijke watervloed over alles,
wat leven ontvangen had. Toen de godvrezende Lot met zijn dochters uit Sodom
vertrok, kon men niet anders dan zwavel en vuurregen van de Heere verwachten,
om alle bozen te verteren. Daarom, ziet toe, gij bent in uw eigen licht, gij
verderft uzelf. |
|
Jes.
1, vs. 9. Gen.
3, vs. 15. 2 Thess. 2, vs. 8. Spr. 21, vs. 20. Hand.
3, vs. 17. |
Want zo de Heere u geen zaad nalaat, dan zult gij als Sodom en Gomorra
door Gods toorn worden verslonden. Wilt gij de slang helpen in Christus’
hielen te bijten, dan zal uw hoofd in stukken geslagen worden. Wilt gij de
antichrist op zijn zetel verheffen, dan zal Christus u met het zwaard van
zijn Woord vernielen, en tot een voetbank zijner voeten maken. Tegen God
geldt toch raad noch geweld. Nu, welaan, ik weet, dat gij het door
onwetendheid gedaan hebt, zoals al uw voorvaders de Profeten en Apostelen
hebben omgebracht, maar bekeert u nog, en laat af van het vergieten van het
onschuldig bloed, en de Heere, die rijk is in barmhartigheid, zal zich uwer
ontfermen, en met geopende armen ontvangen. Volgt het voorbeeld van de koning
Manasse; beweent uw zonden, en de Heere zal u genadig zijn. Want Hij wil de
dood van de zondaar niet, maar dat hij zich bekeert en leeft. Wanneer gij het
boze laat varen, en u bekeert, zal de Heere een licht laten opgaan in uw
harten, en de zon der gerechtigheid overal laten schijnen. In vreugde zult
gij uw leven doorbrengen, en in vrede uw volk regeren. Het volk zal de wet
des Heeren leren, en zij zullen de vrees Gods voor ogen hebben. O, gelukkig
volk, dat dit ten deel valt, die de Heere voor hun God houden. O zalige
overheden, die het wetboek en de Testamenten des Heeren steeds in de hand
hebben, en zich daarin oefenen dag en nacht. Want zij zullen de wil des
Heeren erkennen, en hun volk in rechtvaardigheid regeren. |
|
Jes.
11, vs. 9. |
Dan zal niemand gewond of gedood worden op de heilige berg van God; want
de aarde zal vervuld worden van de kennis des Heeren. De almachtige, en
barmhartige God, de Vader van onze Heere Jezus Christus, verlichte eenmaal
door zijn Heilige Geest de duistere ogen en blinde harten, en vooral die van
de overheid, opdat zij zien mogen in wie zij gestoken hebben, en de Heere der
heerlijkheid en de Koning aller koningen belijden, zijn naam heiligen, zijn
gemeente beschermen, en alzo hun poorten openen, om de Koning der
heerlijkheid te ontvangen. Amen. |
Antwerpen, in het jaar onzes Heeren 1559.
Adrianus Haemstedius
Beminde, goedgunstige lezer, het is genoeg bekend, dat de gelovigen der
eerste kerk, naar de voorzegging van de Heere Jezus Christus, aan vele en zware
beproevingen waren onderworpen, want zelfs de Apostelen van Christus hadden uit
de Joden en Heidenen tot vijanden, die in deze wereld, volgens het oordeel der
mensen, de geleerdste, machtigste en uitnemendste waren, die hen met alle macht
en wreedheid vervolgden, en eindelijk doodden en ombrachten. Doch van de apostolische
tijd ontstond er nog veel grotere tirannie, toen de Romeinse keizers al hun
macht aanwendden, om het ware geloof en de christelijke kerk, die over de
gehelen aardbodem zich begonnen uit te breiden, uit te roeien. Men leest ook,
dat zij tot de tijd van Constantijn de Grote, gedurende drie eeuwen, geen
wreedheden nalieten te plegen, om het geloof uit te blussen. Zij toch beroofden
de christenen niet alleen van wereldse eer, staat en waardigheid, maar de
christenen werden ook onthoofd, opgehangen, verdronken, verbrand, de wilden
dieren voorgeworpen, en allerlei martelingen werden hun aangedaan. Ja, de wilde
stomme dieren waren soms barmhartiger dan de tirannen, zodat zij vele gelovigen
spaarden, en de beulen verscheurden en verslonden. In één woord, de wreedheid
was in die tijden zo buitengewoon, dat er ten tijde van Diocletianus geen grote
stad was, waarin niet iedere dag bijna honderd gelovigen werden gedood. De
geschiedschrijvers hebben zelfs aangetekend. dat er eens in één maand zeventien
duizend christenen werden omgebracht. Doch onder deze verschrikkelijke
vervolgingen ondervond men ook de vertroosting, dat wanneer de christenen
dikwerf in onreine kwalijk riekende gevangenissen lagen, zij door andere
broeders niet vergeten, maar door hen getroost, versterkt en van spijs in de
gevangenis voorzien werden; of, indien hun dit door een gevangenbewaarder niet
werd toegestaan, schreven en zonden zij hun enige troostrijke brieven; ook
hielpen en sterkten zij hen in hun heilige voornemens met hun openbare en
bijzondere gebeden.
En aangezien God wilde, dat ook de gedachtenis van zijn heilige martelaren
onder de mensen in waarde zou gehouden worden, droegen de vroegere christenen
niet alleen zorg voor hun gevangen medebroeders in het leven; maar ook, wanneer
zij om de naam van Jezus Christus waren gedood, werd de gedachtenis van deze
martelaren ook in ere gebonden, omdat zij vast geloofden, dat de zalige
martelaren uit dit ellendig tranendal naar het eeuwige en onsterfelijke leven
verreisd en waarlijk wedergeboren waren; en ook, om zich en hun medegelovigen
door zulk een gedachtenis tot gelijke standvastigheid op te wekken. Opdat ook
de geschiedenissen der martelaren niet in vergetelheid zouden geraken, waren er
ook, die deze schriftelijk te boek stelden, zoals men, onder andere, leest, dat
Keizer Constantijn, op verzoek van Eusebius, bisschop van Cesarea, naar alle
delen der wereld mannen zond, en de namen van de martelaren alsook de tijd van
hun lijden liet optekenen, alsmede onder wie, op welke wijze en in welke
plaatsen zij hadden geleden. Te beklagen is het echter, dat, wat de eerste
christenen tot opwekking der standvastigheid diende, dit door de nakomelingen
in schandelijke afgoderij werd veranderd.
Doch, wat zullen wij zeggen van de verschrikkelijke vervolgingen, die toen
en later hebben plaats gehad? Het aantal der vroegere martelaren was zeer
groot; maar wie kan het veel grotere getal van onze martelaren berekenen? De
vroegere martelaren werden gruwelijk gepijnigd en gedood, maar welke tong kan
uitspreken, of welke pen kan beschrijven met welke vreselijke barbaarse en
onmenselijke martelingen, zoals onthoofden, verdrinken, ophangen, levend
begraven, langzaam in het vuur roosteren, tot as verbranden en dergelijke wrede
doodstraffen de martelaren in later tijd werden omgebracht? En daarom verdienen
zij geen geringen lof, die zich benaarstigden de gedachtenis van onze
martelaren onder de mensen levendig te houden. Vooral voegt het ons
Nederlanders, hen zeer te danken, die de namen der martelaren, als ook de tijd
wanneer en de plaatsen, waar zij gepijnigd werden, de martelingen, die hun
werden aangedaan en dergelijke omstandigheden meer, tot een eeuwige gedachtenis
van hun standvastigheid beschreven en de nakomelingen nagelaten hebben.
En, aangezien het bloed der martelaren zo overvloedig bijna als water, niet
alleen in de Nederlanden, maar ook in het gehele christelijke rijk vloeide,
zijn in dit boek niet alleen de martelaren in Nederland opgenomen, maar ook
verscheidene andere martelaren, die in Engeland, Frankrijk, Spanje, Italië, en
andere landen, om de belijdenis der waarheid leden, er bijgevoegd; doch niet
allen, slechts de voornaamste; ook niet met alle bijzonderheden, zoals die in
de Engelse, Franse en andere martelaarsboeken beschreven staan; want dit alles
zou niet in één deel opgenomen kunnen worden, maar alleen het voornaamste wat
er bij hun martelingen plaats had.
Daar vroeger dit Nederlandse martelaarsboek in drie delen was uitgegeven,
hebben wij daarvan nu één deel gemaakt, en iedere martelaar naar volgorde
beschreven, en wel op behoorlijken tijd en plaats. Zo veel ons mogelijk was,
hebben wij er ook op gelet of iemand hunner in het een of in het andere
gedeelte van het jaar gemarteld werd, en dit ook naar volgorde geschikt. Wij
hebben ook verzwegen zulke geschiedenissen, die wij zagen dat op twee of drie
verscheidene plaatsen werden verhaald, en wel soms met dezelfde namen, soms met
een kleine verandering; en hebben ons daarbij aan de uitvoerigste gehouden.
Deze laatste druk is ook met verscheidene schone en gedenkwaardige
geschiedenissen, die vroeger in het Nederlandse Martelaarsboek niet waren
opgenomen, vermeerderd, zoals bijvoorbeeld: Bij de moord te Parijs hebben wij
ook gevoegd de moord, die in die tijd, om dezelfde redenen, in andere provinciën
en steden van Frankrijk, als te Angers, Rouaan, Bordeaux en andere plaatsen
tegen de Hervormden plaats had; ook de moord die in 1620 in Valtellina aan de
Hervormden geschiedde, en meer andere geschiedenissen van bijzondere gelovigen
tot het jaar 1633; alsmede de onmenselijke en ongehoorde wreedheid gepleegd
jegens de Hervormde christenen in het koninkrijk Ierland, in het jaar 1641,
alsmede de verschrikkelijke moord aan de Waldenzen in Piëmont in het jaar 1655.
De Verhandeling over de hovaardij en opgeblazen oppermacht der Pausen het
eerst in de Engelse taal geschreven door de eerwaarden dienaar van Jezus
Christus, Johannes Foxus, en daarna in onze Nederlandse taal overgebracht door
H. Hexam, hebben wij laten voorafgaan, die ons toont, hoe al de bloedige vervolgingen
der gelovigen in de volgende eeuwen ontstaan zijn, tot op deze dag. Daarin
wordt ons levendig voor ogen gesteld, hoe de eerste getrouwe bisschoppen van
Gods Kerk in verloop van tijd al erger en erger werden, en hoe zij
langzamerhand als van zeer goede onderdanen der keizers en koningen, geworden
zijn heren en heerschappijvoerders over koningen en koninkrijken, die in de
tempel Gods als een God zitten, zichzelf vertonende dat zij God zijn;"
zoals dit door de Heilige Geest vooruit gezien, en ons in de Heilige Schrift
voorzegd en geopenbaard is." En aangezien de getrouwe bisschoppen en vrome
getuigen van Jezus Christus de hoogmoed van deze bedorven bisschoppen niet
konden verdragen, noch voor het hoofd der kerk, waarvoor zij zich uitgaven, zoals
de pausen nog doen, wilden erkennen, maar veel meer voor de waren antichrist,
die zich tegen Christus verheft, en derhalve ook hun menselijke vonden en
instellingen niet wilden goedkeuren noch aannemen, daarom hebben vele
martelaren hun bloed laten vergieten; daardoor is de gehele wereld in beroering
gebracht; daardoor heeft zich de Babylonische hoer tot nog toe dronken gemaakt
niet het bloed der vrome martelaren daardoor is het aantal van hen, "die
gedood waren om het Woord Gods en om het getuigenis” dat zij zo groot en
ontelbaar geworden, dat het door niemand ter wereld kan worden berekend, waarom
ook de namen van vele duizenden martelaren in dit boek niet konden worden
opgenomen, die echter in de hemel, in het boek des levens, geschreven zijn.
Wij bidden daarom de christelijke lezer, deze onze genomen moeite ten goede
te willen aannemen, en die zo tot nut te maken, opdat het mag medewerken tot
grootmaking van Gods heiligen naam en eer, tot stichting van de naasten,
versterking in het geloof en tot zaligheid der zielen. Amen.
In het twee en veertigste jaar van de regering van Augustus, de tweede
Romeinse keizer, is Jezus Christus, de enige Zoon van de levende en almachtige
God, door de kracht des Heilige Geestes ontvangen en geboren uit de maagd
Maria, en waarachtig mens geworden uit het zaad van David naar het vlees, gelijk
Hij tevoren de vaderen was beloofd, om het menselijke geslacht met Zijn Vader
te verzoenen, en van zonde, dood, duivel en verdoemenis te verlossen door de
onbevlekte offerande Zijns lichaams. Zijn ontvangenis te Nazareth en Zijn
geboorte te Bethlehem is zeer wonderbaar en goddelijk geweest; en, naardien Hij
om onzentwil onder de wet geworden is, om ons van de slavernij der wet te
verlossen, is hij besneden, en in de tempel de Heere voorgesteld; ook is Hij
toegenomen in wijsheid, in grootte en in genade bij God en de mensen. Maar,
aangezien door het gerucht van de komst der Wijzen, Herodes en geheel Jeruzalem
beroerd waren over Zijn geboorte, hebben zij Hem terstond vervolgd en, om Hem
te doden, de Bethlehemitische kinderen wreed vermoord; maar Christus is (door
de waarschuwing van de Engel) met Zijn ouders naar Egypte gevlucht, en daar
gebleven tot áèn (lood van Herodes. Toen Hij onder de regering van Archelaus
wederkeerde naar Nazareth, was Hij Zijn moeder en vermeenden vader onderdanig.
Verder zich met Zijn ouders begevende naar de feesten te Jeruzalem, heeft Hij
op Zijn twaalfde jaar een heerlijk bewijs van Zijn Godheid getoond onder de
geleerden der wet, en heeft voorts een gewoon leven geleid, Zich met timmeren
bezig gehouden onder Zijn vermeende vader Jozef, tot het dertigste jaar Zijns
levens.
In het dertigste jaar Zijns levens, toen Tiberius, de derde keizer van
Rome, regeerde, is Hij aan Israël geopenbaard, en door God Zijn Vader in het
openbaar door de doop en de zalving des Heilige Geestes tot onze groten
Profeet, Hogepriester en eeuwige Koning gewijd, dat is tot onze ware Messias en
Zaligmaker.
En, om dit ambt ten onze beste te kunnen bedienen, heeft Hij Zich begeven
tot vasten en bidden, waarin Hij is verzocht is geweest van de satan; maar hem
krachtig overwinnende, heeft Hij het leraarsambt bediend met zulk een macht,
volkomenheid en aangenaamheid, dat zelfs Zijn vijanden zich daarover
verwonderden en zich ontzetten.
Zijn hemelse leer en de wil Zijns Vaders heeft Hij in Zijn eigen persoon, door
Zijn goddelijke kracht, met zulk een overvloed van wonderen bevestigd en
versterkt, dat zelfs de redeloze schepselen daarover bewogen en alle mensen
verwonderd waren.
Hij heeft de kerk van God Zijn Vader hervormd en gezuiverd, alle dwalingen
en vervalsingen van de wet verbeterd, de boosheden der mensen bestraft en de
verdrukkers der waarheid gestadig overwonnen. Hij heeft Zich ook discipelen
verzameld, en een kerk of geestelijk rijk opgericht. In Zijn leven heeft Hij
onstraffelijk en onbevlekt gewandeld, opdat Hij de wet voor ons zou kunnen
volbrengen, gelijk van de waren Messias werd vereist, en door de reine beesten
in de offeranden is afgebeeld.
Hij was de schoonste en heerlijkste onder alle mensen; in voorkomen,
gedaante en zeden aldus gesteld, dat Hij wonderlijk was en aangenaam boven alle
schepselen, Welke de Engelen hebben begeerd te aanschouwen.
In één woord, in alles was Hij vol wijsheid, ernst en heerlijkheid; ja de
kracht Zijner Godheid was vaak glansrijk en te aanschouwen in Zijn menselijk lichaam.
Maar om onzentwil is Hij integendeel geweest de allerverachtste en
onwaardigste, een worm en geen mens, omdat Zijn gehele leven één gedurig lijden
is geweest, opdat Hij ons door Zijn lijden zou heiligen; want wat hij heeft
geleden van de ondankbare Joden, Schriftgeleerden, Farizeeën en vele andere
Goddeloze mensen, en hoe menigerlei benauwdheden, gevaren en zwarigheden Hij
voornamelijk gedurende de tijd van drie jaren heeft uitgestaan en verdragen, is
met geen woorden uit te spreken, noch pen te beschrijven.
Doch men moet onderscheid maken tussen Hem en de martelaren, wier dood,
hoewel kostelijk in de ogen des Heeren, niet tot verlossing van iemand strekt,
maar om te bewijzen de volstandigheid van hun geloof en de vervulling der
broederschap; want Christus heeft de pers alleen getreden, omdat Hij heeft
geleden en gesmaakt de toorn Gods en de gramschap der hel, welke alle
martelaren in het allerminst niet konden bedenken, laat staan lijden en dragen.
De kerkleeraars zeggen wel, dat het bloed der martelaren het zaad der kerk
is, maar niet de verzoening der kerk. En, als zij gezegd worden de
overblijfselen van het lijden van Christus te vervullen, dan is dit niet zo te
verstaan, dat aan het lijden van Christus iets zou hebben ontbroken, maar dat
zij Zijn voorbeeld navolgen, en alzo is Hij nog lijdende in Zijn heiligen.
Want, zoveel de verzoening der kerk aangaat, zij is alleen verlost en gezuiverd
door het dierbaar bloed van Christus Jezus, de Zoon Gods.
Voorts, benevens de verzoening in alle Christus, zo dient ons ook Zijn
lijden tot een voorbeeld om na te volgen; want Hij is als onze Heere en
opperste Hoofd ons voorgegaan, opdat wij, onder Zijn banier strijdende, door
Hem zouden verkrijgen de volle overwinning tot onze zaligheid. Maar Hij is alzo
niet de eerste onder alle martelaren, in deze tijd, onder keizer Tiberius; want
het Lam Christus is van het begin der wereld aan geslacht, zodat Hij is de
eerste en als het Hoofd der martelaren voor Abel en al de profeten, die ooit om
des Heeren wil hebben geleden; maar eigenlijk heeft Hij in de volheid des tijd
alle dingen door Zijn dood volbracht.
Ten laatste, nadat Hij het Heilige Avondmaal voor de Zijnen tot een
gedachtenis van Zijn dood en verzegeling van hun zaligheid had ingesteld, is
Hij van Zijn eigen discipel Judas verraden, en van een grote schare, uit
gezonden door de Overpriesters, Schriftgeleerden en Ouderlingen van het volk,
gewapend met zwaarden en stokken, gevangen genomen en gebonden.
Deze brachten hem eerst naar Annas, die Hem daarna gebonden zond naar
Kajafas de hogepriester, waar de Schriftgeleerden en Ouderlingen vergaderd
waren.
Voor deze Joodse raad is Hij vals beschuldigd, dat Hij gezegd had, dat Hij
de stoffelijke tempel van Jeruzalem, die met handen gemaakt was, zou afbreken.
en in drie dagen een anderen, zonder handen gemaakt, opbouwen. Daar heeft men
ook verklaard, dat Hij een Godslasteraar was, omdat Hij Zich Gods Zoon had
genoemd. Daar hebben enigen Hem in Zijn heilig aangezicht gespogen en met
vuisten geslagen; anderen hebben Hem kinnebakslagen gegeven en gezegd:
profeteer ons Christus, wie is het, die U geslagen heeft?"
Deze Joodse raad Hem, des doods schuldig geoordeeld hebbende, is Hij door
tien aan de wereldlijken rechter Pontius Pilatus overgeleverd, met verzoek, dat
Hij zou gekruisigd worden. Pilatus, wetende, dat de Joden Hem uit nijd hadden
overgeleverd zocht alle middelen om Hem los te laten, en betuigde dat Hij, na
naarstig onderzoek van alles, geen schuld in Hem vond; maar, ziende, dat Hij
hierdoor bij hen niets vorderde en dat zij desniettegenstaande bleven roepen:
"Kruis Hem, kruis Hem," en hem dreigden met de ongenade des keizers,
zo heeft hij (nadat hij zijn handen met water gewassen en betuigd had, dat hij
onschuldig was aan het bloed van deze Rechtvaardige, en de Heere Jezus had
gegeseld) Hem aan de krijgsknechten overgeleverd om gekruisigd te worden.
Deze hebben Hem, in het rechthuis nemende, ontkleed, een purperen mantel
aangedaan, een doornenkroon op het hoofd gezet, een rietstok in Zijn
rechterhand gegeven, en, op hun knieën voor Hem neervallende, bespot, zeggende:
wees gegroet, gij Koning der Joden;" en op Hem gespogen hebbende, hebben
zij Hem met een rietstok op het hoofd geslagen, daarna de mantel afgedaan, en
wederom Zijn eigen klederen aangetrokken, en aldus uitgeleid om gekruisigd te
worden.
Eindelijk werd hij naakt tussen twee moordenaars gehangen,Zijn handen en
voeten doornageld en aan het kruis gehecht. Onder vreselijke smarten des
lichaams en der ziel, in de uiterste benauwdheid, om onzer zonden wil,
uitroepende: mijn God, Mijn God, waarom hebt Gij Mij verlaten," is Hij
gestorven, terwijl Hij Zijn ziel met vertrouwen in de handen van God Zijn Vader
beval, in de leeftijd van drie en dertig jaren, omtrent het achttiende jaar der
regering van Tiberius, de derde keizer van Rome.
De Heere Jezus Christus is na Zijn dood door Jozef van Arimathea en
Nicodemus op eervolle wijze ter aarde besteld en begraven, en ten derde dag als
de eersteling dergenen, die ontslapen zijn, opgestaan uit de doden, tot eeuwige
onsterfelijkheid. Na veertig dagen is Hij openlijk voor de ogen Zijner
Apostelen naar de hemel gevaren, en gezeten aan de rechterhand Gods, om op de
jongste dag vandaar terug te komen, teneinde te oordelen de levenden en de
doden, en Zijn gelovigen op te wekken, en met lichaam en ziel over te brengen
in het eeuwige leven.
[JAAR 32.]
Johannes, bijgenaamd de Doper, uit de stam van Aäron, een zoon van de
priester Zacharias en zijn vrouw Elisabeth, naar het bevel van de Engel aldus
genaamd, werd geboren ten tijde van de koning Herodes, en wel op een wonderbare
wijze, toen zijn ouders op hogen leeftijd gekomen waren, en is van zijn
geboorte aan vervuld geweest met de Heilige Geest.
Toen hij nu omtrent dertig jaren oud was, (ongeveer een half jaar voor de
Heere Christus Zijn Profetisch ambt begon) in het vijftiende jaar der regering
van de keizer Tiberius, toen Pontius Pilatus stadhouder was, ten tijde van de
Hogepriesters Annas en Kajafas, is hij van God geroepen en gezonden om te
prediken de doop der bekering tot vergeving der zonden, en als een Engel of
bode voor het aangezicht van Christus de weg te bereiden voor de Messias, en
het hart der vaderen te bekeren tot de kinderen.
Aangaande de heerlijkheid van deze man had de Engel des Heeren gezegd, dat
velen zich over zijn geboorte zouden verblijden, dat hij groot zou zijn voor de
Heere, om voor Hem te bereiden een toegerust volk, en (zoals niet alleen de
Profeten, maar ook Zacharias van hem door de Geest des Allerhoogste had
voorgezegd) om Zijn volk kennis der zaligheid te geven, in vergeving van hun
zonden.
Als Johannes nu van God aldus was geroepen en gezonden, om van het licht
van Christus te getuigen, kwam hij aan de Jordaan bij Salim en elders, terwijl
hij doopte en leerde. Hij bezat een uitnemende geest en verstand; en velen
kwamen er om van.hem gedoopt te worden en naar zijn leer te horen, onder wie
vele geveinsden en boze mensen, wien hij ernstig de waarheid zei, bestrafte en
vermaande tot bekering. De arme zondaars, tollenaars, krijgslieden en anderen
heeft hij met groten ijver onderwezen en getroost in de weg der zaligheid.
Toen hij met zijn werk begon, kwam Christus aan de Jordaan en Deze verzocht
door hem gedoopt te worden, hetwelk hij eerst uit nederigheid en met een goede
bedoeling weigerde; maar Christus overtuigde hem, dat zulks nodig was, zodat
hij Hem dan ook doopte en dadelijk van Christus getuigde dat Hij het Lam Gods
en de Bruidegom Zijner kerk, ware Messias, Wiens schoenen hij niet waardig was
Hem na te dragen.
Aangezien Johannes doopte en leerde onder een zeer groten toeloop van volk,
waren er velen die twijfelden, of hij zelf niet de Messias was, welke eer hij
echter van zich afgewezen en Christus, Wien zij alleen toekwam, gegeven heeft.
De Farizeeën en Joden hebben toen hun gezanten tot hem gezonden, om hem te
vragen naai, zijn roeping, zending en gezag, omdat hij de Evangelische leer
verkondigde, en nochtans de Christus niet was. Hij heeft hun echter zo
geantwoord, dat zij bedremmeld en beschaamd heengingen. Toen nu Johannes (die
zeer ijverig, was,) vele leerlingen maakte, en die leerde vasten en bidden en
hij van zijn werk zich met loffelijke ijver kweet, won hij in grote mate het
vertrouwen, aanzien en gezag bij alle mensen, zelfs bij de koning Herodes
Antipas, die hem in waarde hield en graag hoorde. Maar deze koning had zich aan
een goddeloze daad schuldig gemaakt, door namelijk zijn eigen vrouw, de dochter
van Aretas, de koning van Arabië, te verstoten, en de vrouw van zijn broeder
Filippus, nog bij het leven van haren man, tot zich te nemen, terwijl zijn
broeder reeds enige kinderen bij haar had verwekt. Dit kon Johannes
overeenkomstig zijn ambt niet verduren, noch verdragen, en zonder vrees voor
ondank of geweld heeft hij hem openlijk over deze bloedschande bestraft. Doch,
daar de goddelozen niet willen bestraft worden, zo haatte hij hem, en zocht een
aanleiding om hem te doden. En aangezien velen dachten, dat hij de Messias was,
waardoor de toeloop van het volk dagelijks groter werd, zo heeft Herodes
Johannes (onder de naam van oproermaker) laten gevangen nemen en overbrengen in
de kerker Machaerus.
Intussen heeft Johannes zijn werkzaamheden niet gestaakt, en zelfs uit Zijn
gevangenis enige van zijn discipelen tot Christus gezonden, om hen en anderen
door Christus, leer en wonderen van de waarheid van Diens toekomst te
verzekeren, gelijk ook heeft plaats gehad.
De Heere Christus heeft niet alleen toen, maar ook later bij herhaling een
goede getuigenis gegeven van zijn leer, standvastigheid, zijn doop, en
gesproken van zijn klederen, eten en drinken, in één woord, dat hij in alles
was de ware, geestelijke Elia, een brandende kaars, de grootste Profeet onder
hen, die van vrouwen geboren waren. Dat hij geen tekenen deed, was misschien
wel daarom, opdat men niet menen zou, dat hij de Christus was.
Maar de goddeloze en ontuchtige Herodias, nog niet tevreden, dat Johannes
gevangen zat, legde hem lagen, om hem zo mogelijk te laten doden, doch dit
gelukte haar niet, want Herodes vreesde Johannes. Doch op de verjaardag van
Herodes gaf deze aan zijn hovelingen een luisterrijken maaltijd, waarbij het
dochtertje van Herodias, ten genoegen van al deze lichtzinnige lieden, zeer
mooi danste. Herodes beschonken zijnde, vond daarin zulk een beha gen, dat hij
het met ede bezwoer, haar alles te zullen geven, wat zij begeerde. Nu had
Herodias gelegenheid zich op Johannes te wreken, en raadde haar dochter aan,
van Herodes te vragen, dat haar terstond het hoofd van Johannes de Doper in een
schotel zou gebracht worden. Herodes, dit horende, was zeer bedroefd; maar om
zijn lichtvaardig gezworen eed te houden, en om (zogenaamd) zijn woord niet te
breken tegenover zijn hovelingen, stond hij haar verzoek toe; liever zijn
zondigen eed houdende, dan die te breken, waarmee hij echter zich zo niet zou
bezondigd hebben. De scherprechter werd nu naar de gevangenis gezonden, en deze
beeft Johannes zonder enig rechterlijk vonnis onthoofd, terwijl het hoofd van
deze Profeet, tot een bewijs van hun wreedheid, ten spot en schouwspel van deze
goddeloze lieden, ja tot een getuigenis van de barbaarsheid van hen allen in
een schotel gebracht werd. Alzo hebben zij hem, onder toelating van de
Voorzienigheid Gods vervolgd, gelijk zij begeerden.
De wrede Herodias wenste wel, dat Johannes’ lichaam onbegraven op het veld
weggeworpen en door de dieren verslonden zou worden, opdat men te minder aan
hem als ook aan haar overspel zou denken, doch zijn leerlingen hebben zijn
lichaam weggenomen en begraven.
Dit geschiedde omtrent het jaar 32 na de geboorte van Christus, en zijn
lijk is te Sebaste in Palestina bewaard gebleven tot de tijd van Julianus. Toen
is zijn gebeente door de vijanden der waarheid verbrand en de as in de wind
verstrooid. Maar de Heere heeft de dood van deze man in Herodes, Herodias en
haar dochter (zoals de geschiedenis getuigt) zeer zwaar gestraft.
[JAAR 34.]
Stefanus, wiens naam vertaald wil zeggen "kroon" was, naar de
mening van Doretheüs, een van de zeventig leerlingen van Christus, hoewel
Eusebius zegt, dat men niet juist beschreven vindt, vanwaar hij was, en of hij
een Jood was of een Griek (gelijk het laatste uit zijn naam schijnt te volgen)
is niet met zekerheid bekend. Zo weet men ook niet, waar hij is geboren en wie
zijn ouders zijn geweest. Lukas verhaalt, Hand. 6 vs. 5, dat hij de eerste was
van de zeven diakenen, een man vol des geloofs en des Heilige Geestes; en nadat
hij door de Apostelen met oplegging der handen in zijn dienst was bevestigd, is
hij ook begaafd geweest met krachten en wonderdaden, en deed grote tekenen
onder het volk.
Hij was zeer geleerd en welsprekend. Misschien behoorde hij vroeger tot de
sekte der Libertijnen, die met anderen met hem twistten; maar zij konden de
wijsheid en de Geest, door welke hij sprak, niet weerstaan, zodat zij, volgens
hun oude aard, met vele valse getuigen teen hem opstonden onder het volk oproer
verwekten en hem beschuldigden, dat hij lasterlijke woorden had gesproken tegen
de wet en de tempel, en dat hij betuigd had, dat Jezus van Nazareth die plaats
zou verbreken, en de zeden veranderen,die Mozes hun had overgeleverd. Om dit
alles werd Hij gevangen genomen, en, in de raad gebracht, terwijl zij zagen dat
zijn aangezicht blonk als van een Engel. Hoe hij zich heeft verontschuldigd, Christus'
eer gehandhaafd en de waarheid verdedigd, blijkt uit de welsprekende en
belangrijke redevoering, die hij gehouden heeft voor de gehelen Joodse raad te
Jeruzalem, gelijk wij zien Hand. 7, waarin hij het gehele Oude Testament, de
wet en de Profeten doorliep, en eindelijk alles toepaste op Jezus Christus, Die
het einde der wet is lot rechtvaardigmaking voor een iegelijk, die gelooft, hen
bestraffende, dat zij de Profeten hadden gedood, die tevoren verkondigd hadden
de komst des Rechtvaardigen van Wie zij nu verraders en moordenaars geworden
waren.
Toen zij dit hoorden, barstten hun harten en knarsten zij de tanden tegen
hem; maar hij, vol zijnde des Heilige Geestes, en de ogen houdende naar de
hemel, zag de heerlijkheid Gods en Jezus staande ter rechterhand Gods, Die hem
van de zaligheid verzekerde en versterkte in zijn lijden, terwijl Stefanus zei:
"Ziet, ik, zie de hemelen geopend, en de Zoon des mensen, staande ter
rechterhand Gods." Maar zij, roepende met grote stem, stopten hun oren, vielen
eendrachtig op hem aan, wierpen hem de stad uit en stenigden hem. Maar de
stenen waren hem als beken der zoetigheid. Met een grote stem riep hij: Heere,
"reken hun deze zonde niet toe;" en, terwijl hij op de knieën
neerviel, zei hij: ",Heere Jezus, ontvang mijn geest."
Alzo is Stefanus ontslapen in de Heere in het jaar 34 na de geboorte van
Christus, zijnde het negentiende jaar van de regering van Tiberius, in het
zevende jaar na de doop van Christus, hetwelk het acht en dertigste jaars zijns
ouderdoms was. Enige godvruchtige mannen begroeven hem, en hieven over hem een
grote rouwklacht aan.
[JAAR 45.]
Jakobus, de zoon van Zebedeüs en Salome, genaamd de grote, ter
onderscheiding van Jakobus, de zoon van Alfeus, niet omdat hij ouder of
voornamer was dan de andere, maar omdat hij voor hem was geroepen tot een
discipel van Christus. Hij was een visser, die, gehoorzaam aan Christus, alles
verliet en Christus is nagevolgd. Met anderen werd hij geruime tijd in het
Apostelambt onderwezen, totdat hij ordelijk daartoe werd uitgezonden onder de
Joden, toegerust met gaven om tekenen en wonderen te doen; en wegens zijn
uitnemende gaven werd hij een van de drie Boanerges, dat is, zonen des donders,
genaamd. Bij alle niet openbare handelingen van Christus was hij tegenwoordig,
zoals bij het opwekken van het dochtertje van Jaïrus, alsook bij de
verheerlijking van Christus op de berg, en in de hof van Gethsemané.
Daar hij zich hierop schijnt verhovaardigd te hebben, heeft hij zich boven
zijn medeapostelen zoeken te verhellen, zodat zijn moeder aan Christus
verzocht, of haar beide zonen, van wie hij er een was, in zijn koninkrijk
zouden zitten, de een aan zijn rechter, en de andere aan zijn linkerhand.
Christus heeft echter dit verzoek bestraft, toen Hij zei: "Gijlieden weet
niet, wat gij begeert; kunt gij de drinkbeker drinken, die Ik drinken zal, en
met de doop gedoopt worden, waarmee Ik gedoopt wordt? En als hij en zijn
broeder Johannes zich daarop lichtvaardig hadden beroemd, heeft Christus hun
voorzegd, dat zij Zijn drinkbeker wel zouden drinken, en met de doop, waarmee
Hij gedoopt werd, gedoopt zouden worden, maar dat het zitten aan Zijn rechter-
aan Zijn linkerhand bij Hem niet stond te geven, maar dat het zal gegeven
worden, aan wie het bereid is van Zijn Vader. Na Christus' dood heeft hij zich
bij de andere Apostelen gevoegd, om ook getuige te zijn van Zijn lijden, dood
en opstanding, en om in de veertig dagen na Zijn opstanding, onderwezen te
worden in de dingen van Zijn koninkrijk. Na de hemelvaart van Christus bleef
hij te Jeruzalem, en, toen hij ook daar de Heilige Geest ontvangen had,
predikte hij het Evangelie in Judea en Samaria. Vandaar is hij (zoals sommigen
verhalen) naar Spanje gegaan; maar, daar weinig vrucht op zijn werk ondervindende,
is hij naar het Joodse land teruggekeerd, waar hij, naar men zegt, te doen had
met Hermogenes, een tovenaar, en vele wonderen gedaan heeft. Abdias, bisschop
van Babylonië, en anderen verhalen vele dingen van hem, die wij echter, omdat
zij zeer fabelachtig zijn, verzwijgen.
Deze Apostel heeft niet langer geleefd dan tot omtrent het vierde jaar der
regering van Claudius, toen Agabus een hongersnood over de gehele wereld had
voorzegd. Toen heeft deze keizer aan Herodes Agrippa bevolen de kerk van Christus
te verdrukken. Om het volk te behagen, sloeg deze koning zijn bloedige handen
aan deze Apostel, heeft hem even voor het Paasfeest in de gevangenis gezet en
daarna ter dood veroordeeld, zodat hij te Jeruzalem met het zwaard gedood is in
het jaar 45 na Christus' geboorte. Clemens verhaalt, dat de scherprechter toen
deze zijn onschuld zag, tot het christendom bekeerd en ook met hem gestorven
is.
[JAAR 63.]
Jakobus, de zoon Alfeüs en van Maria de zuster van Christus' moeder, werd
de Kleine genoemd, ter onderscheiding van Jakobus, de zoon van Zebedeüs en
broeder van Johannes. Hij werd de broeder des Heeren genoemd, dat is, zijn
neef, naar Hebreeuwse wijze, en had nog andere broeders, als Judas, Thaddeüs,
Simon en Joses.
Deze Jakobus is door Christus, na behoorlijk onderwijs, tot Apostel
aangesteld, toegerust met gaven, en uitgezonden ten dienste der Joden, waarvan
hij zich tot Christus' dood zeer goed gekweten heeft. Daarom is hij ook met
anderen uitgezonden om het Evangelie te verkondigen, hetwelk hij gedaan heeft
onder de Joden tot de dood van Stefanus. En, ofschoon Petrus, Jakobus en
Johannes, zijn broeder, de bijzondere Apostelen waren, zo is deze na de dood
van Jakobus voor een van de drie pilaren der kerk gehouden geworden.
De Apostelen hebben hem verkozen tot een eerste opziener der moeder van
alle kerken, namelijk Jeruzalem, van welke het woord des Heeren zou uitgaan, en
wel terstond na de dood van Christus.
Gedurende dertig jaren heeft hij deze dienst getrouw waargenomen, en bracht
er velen tot het waarachtig geloof, niet alleen door de zuivere leer van
Christus (door deze inzonderheid), maar ook door zijn heilig leven, waarom hij
de Rechtvaardige is genoemd. Hij was zeer verstandig en heilig, ook in kleding,
spijs, en drank, een rechte Nazireeër, en bad dagelijks voor Gods kerk en de
algemene welvaart.
Deze Apostel heeft een zendbrief geschreven tot vertroosting van de twaalf
stammen, die in de verstrooiing waren, in al hun lijden en tegenspoed, waarin
hij voornamelijk het rechtvaardigmakende, in daden zich openbarende geloof en
andere heilzame en christelijke leringen behandelt. Maar, daar de hardnekkige
Joden zijn heilzame leer niet langer konden verdragen, heeft Ananias, de
hogepriester, een stout en wreed jonge man, hem voor de rechters gedaagd om hem
te dwingen, dat hij zou loochenen, dat Jezus de Christus is, en het geloof te
verzaken in de Zoon van God en in de kracht Zijner opstanding. Om die reden
stelden hem de Schriftgeleerden en Farizeeën op het dak van de tempel, ten
tijde van het Paasfeest, om voor het gehele volk zijn geloof af te zwelen;
maar, toen hij daar voor het volk stond, beleed hij met de grotere
vrijmoedigheid, dat Jezus is de Christus. de beloofde Messias, de Zoon van God,
onze Zaligmaker, en dat Hij als Zoon des mensen gezeten is aan de rechterhand
Gods, vanwaar Hij zal komen op de wolken van de hemel, om te oordelen de
levenden en de doden. Over deze vrijmoedige belijdenis van Jakobus prees het
gehele volk God, roepende: Hosanna, de Zoon Davids!" Maar de harten van de
Overpriesters, Schriftgeleerden en Farizeeën barstten van nijd, en enige van
hen klommen op het dak, en stieten hem van boven neer en stenigden hem. Die val
deed hem echter niet dadelijk sterven, doch wel de een breken; en, op de knieën
liggende, bad hij nog voor hen, die hem stenigden, zeggende: Heere, vergeef het
hun, want zij weten niet, wat zij doen." En, toen een van de priesters nog
voor zijn leven wilde bidden, zeggende: Wat doet gijlieden toch! houd op met stenigen,
want deze rechtvaardige bidt voor ons," heeft een dergenen, die daar
tegenwoordig waren, hem met een volderstok een slag aan de slaap van het hoofd
gegeven, zodat hij stierf, en hij werd in de nabijheid van de tempel begraven.
Dit geschiedde in het jaar 63 onzes Heeren, in het 96ste jaar zijns ouderdoms,
in het zevende jaar der regering van Nero, toen het stadhouderschap onbezet
was, tussen de dood van Festus, en de komst van zijn opvolger Albinus.
[JAAR 63 OF 64.]
Barnabas of Barsabas, een man vol des Heilige Geestes, die genaamd was
Jozef of Joses, met de bijnaam Justus was een Leviet van Cyprus, die de
Apostelen genoemd hebben Barnabas, dat is een zoon der vertroosting, zoals hij
dat in zijn leven aan de armen heeft bewezen. Hij wordt ook gehouden voor een
van de zeventig discipelen van Christus. Wegens de vele namen, die hij draagt,
kennen wij zijn vermaardheid en aanzien, die hij ook in alles heeft betoond,
want hij heeft Paulus na zijn bekering bij de Apostelen ingeleid. En, als het
woord Gods te Antiochië door enige Cyprische en Cyrenische mannen aan de
Grieken werd gepredikt, is hij door de Apostelen daarheen gezonden, om deze
zaak te onderzoeken; en, toen hij alles naar waarheid bevond heeft hij hen, als
een Apostel, in de Christelijke waarheid bevestigd en versterkt.
Daarna ging hij naar Tarsen, om Paulus te zoeken, en bracht hem te
Antiochië, waar zij een geheel jaar bleven en het volk leerden. Toen de
hongersnood uitbrak ten tijde van keizer Claudius, heeft hij en Paulus een
goede handreiking overgebracht aan de broeders, die in Judea woonden. Vandaar
keerde hij weer naar Antiochië, waar hij door het bevel van de Heilige Geest
werd uitgezonden, om in vele landen het Evangelie te prediken, waar hij, om
zijn welsprekendheid, dikwijls het woord heeft gevoerd. Te Antiochië was een
grote twist ontstaan over de noodzakelijkheid van de besnijdenis, en nu reisde
hij met Paulus naar Jeruzalem naar de Apostelen en Ouderlingen, die daar over
deze zaak elkaar geraadpleegd, en samen een besluit genomen hebben. Vervolgens
hebben zij dit besluit, in gezelschap van Judas en Silas, overgebracht naar
Antiochië, waardoor er een einde aan deze twist kwam. Daarna hielden zij zich
enige tijd te Antiochië op, en, toen zij weer op reis zouden gaan, om de
gemeenten onder de heidenen nog eens te bezoeken en in het geloof te
versterken, ontstond er twist onder hen beiden, en wel om Johannes Marcus, die
hen vroeger op reis naar de heidenen had vergezeld, maar te Pamphylië was
teruggekeerd, en zich aan het werk onder de heidenen had onttrokken, waarom
Paulus het niet goed achtte Johannes Marcus weer mee te nemen. Hierdoor
ontstond er een verbittering tussen de twee getrouwe dienaren van Christus,
zodat zij van elkaar scheidden. Paulus nam Silas met zich en doorreisde met hem
Syrië en Cilicië de gemeenten versterkende. Nu nam Barnabas Johannes Marcus
mee, voer met hem naar Cyprus, en volbracht het werk, dat hem was opgelegd,
gelijk Hiëronymus met lof van hem heeft getuigd.
Toen hij later op het eiland Cyprus terugkwam, moest hij daar de
martelaarskroon dragen, want te Salamis, een grote stad op Cyprus, die thans
Famagusta heet, gekomen zijnde, om de gemeente daar in het geloof te
versterken, werd hij door een Joodse tovenaar zeer kwalijk bejegend. Deze ruide
de Joden en het gehele volk tegen hem op, zodat zij hem in een oproer gevangen
namen, en tot de rechter wilden brengen; maar, uit vrees, dat de rechter zijn
onschuld zou bemerken, en hem loslaten, hebben zij hem (na hem eerst
schandelijk mishandeld te hebben) een touw om de bals gedaan, buiten de stad
gesleept en daar verbrand. Alzo is deze trouwe dienaar van Christus in zijn
vaderland met de martelaarskroon vereerd en zalig in de Heere ontslapen, en wel
korte tijd nadat Jakobus de Rechtvaardige te Jeruzalem was gedood, niet lang
voor de dood van Petrus en Paulus, ten tijde van keizer Nero, doch voor de
afkondiging en het bevel van de eerste heidense vervolging plaats had.
[JAAR 64].
De Evangelist Marcus wordt algemeen gehouden voor Johannes, bijgenaamd
Marcus, een man uit de besnijdenis en neef van Barnabas, wiens moeder Maria
heette, en een zeer godzalige vrouw was, die haar woning te Jeruzalem leende tot
de samenkomsten der Christenen. Hij was eerst verkozen tot een dienaar van
Paulus en Barnabas; maar op de reis naar Pamphylië keerde hij weer naar
Jeruzalem terug. Om hem (zoals wij in het leven van Barnabas verhaald hebben)
ontstond er een verbittering tussen Paulus en Barnabas, zodat zij van elkaar
scheidden, en Paulus Silas meenam op reis en Barnabas deze Marcus. Maar, toen
deze twist geëindigd, en de zaak bijgelegd was, beval Paulus uit zijn
gevangenis deze Marcus der gemeente van Colosse aan, en verzocht, dat zij hem
ontvangen zouden als een medearbeider in het koninkrijk Gods; en gebood ook
Timotheüs, dat hij Marcus zou meenemen en bij hem brengen, omdat hij hem zeer
nuttig was tot de dienst. Hij heeft ook bij Paulus in de gevangenis vertoefd,
en hem grote en getrouwe hulp en bijstand in zijn gevangenschap bewezen. Petrus
noemt Marcus ook zijn zoon, zonder twijfel, omdat hij hem voor, Christus had
gewonnen, of omdat hij zijn leerling, tolk en schrijver was; want het Evangelie
heeft hij, op verzoek van de gelovige broeders te Rome geschreven, na de dood
van Simon de tovenaar, op last en bevel van Petrus, volgens de mededelingen,
die hij aangaande Christus uit Petrus' mond had ontvangen, zoals ook Hiëronymus
getuigt, als hij zegt: Marcus, een leerling van Petrus, daartoe van de
broeders te Rome verzocht zijnde, naar hetgeen hij Petrus had horen verhalen,
heeft een kort Evangelie geschreven, hetwelk Petrus na het gezien te hebben,
heeft goedgekeurd en aan de gemeente op zijn woord gelezen, gegeven.
Daarna is Markus door Petrus naar Egypte gezonden, en, terwijl hij zijn reis nam over Aquila de hoofdstad van Friol, heeft hij daar velen tot het geloof gebracht en Hermagoras tot een herder over die gemeente achter gelaten. Vervolgens reisde hij naar Afrika, en heeft in Lybië, Marmorika, Ammonika, Pentapolis allerwegen het Evangelie verkondigd, en vertoefde enige jaren te Alexandrië, dat hij tot zijn woonplaats genomen heeft.
Aangaande zijn dood schrijft Hiëronymus alleen, dat hij te Alexandrië
gestorven en begraven is, in het achtste jaar van de regering van Nero, het
vier en zestigste na de geboorte van onze Zaligmaker, en dat Anianus daarin
zijn plaats opziener geworden is. Gelasius beweert, dat hij als martelaar is
gestorven. "Marcus", zegt hij, "door Petrus naar Egypte gezonden
zijnde, heeft het woord der waarheid daar trouw gepredikt, en zijn getuigenis
met zijn bloed heerlijk bezegeld." Met dit bericht stemmen ook alle oude
en nieuwe Griekse en Latijnse martelaars boeken overeen.
De geschiedenis meldt verder, dat, toen Marcus in het achtste jaar der
regering van Nero op het Paasfeest gedachtenis vierde van het bitter lijden en
sterven van Christus, de heidense priesters met al het volk hem overvallen, en
met baken en touwen, die zij om zijn lichaam hadden geslagen, uit de
vergaderplaats getrokken, en langs de straten tot buiten de stad gesleept
hebben, zodat het merendeel van zijn vlees aan de scherpe stenen is blijven
hangen, en zijn bloed op de grond werd vergoten, totdat hij, onder het
uitspreken van de laatste woorden van onze Zaligmaker, zijn geest in de handen
van de Heere overgaf, uitroepende: “Heere, in uw handen beveel ik mijn
Geest!"
Volgens de getuigenis van keizer Trajanus, heeft Nero te Rome zo loffelijk
geregeerd, als ooit enige keizer tevoren. In de aanvang van zijn regering was
hij zachtmoedig, en zo afkerig van mensenbloed, zelfs op wettige wijze, te vergieten,
dat hij wenste niet te kunnen schrijven, als hem verzocht werd het doodsvonnis
te ondertekenen van enige oproermakers. Na vijf jaren aldus geregeerd te
hebben, is hij daarna als aan de duivel overgegeven en verkocht, om alle
boosheid en schandelijkheid gierig te bedrijven, zo zelfs dat het scheen, alsof
de duivel lichamelijk in hem woonde, want deze zijn meester leerde hem in de
eerste plaats zijn toverkunst door Simon de tovenaar, de eerstgeboren zoon des
duivels, die voor de raad te Rome, om Nero de keizer te behagen, een beeld
heeft opgericht met het opschrift: Aan Simon de heiligen God. Zijn duivels
leermeester, die een leugenaar en mensenmoorder van de beginne is geweest,
heeft hem tot alle gruwelijke lusten aangezet, zodat hij wenste een wereldbrand
en een afbeelding van de brand van Troje, benevens de plaats, waar hij in het
lichaam van zijn moeder gelegen had, te zien. Om van zijn onkuisheid te
zwijgen, heeft hij zijn moordlust het eerst aan zijn broeder Britannicus
geopenbaard, die hij heeft laten vergeven. Het lichaam van zijn eigen moeder
Agrippina, die hem, door het toedienen van vergif aan haar man Claudius, het
keizerrijk bezorgde, heeft hij later opengesneden. Octavia, zijn wettige
huisvrouw, heeft hij met het zwaard laten ombrengen, omdat zij geen kinderen
ter wereld bracht; en Poppea, zijn bijzit, tot vrouw genomen hebbende, heeft
hij, terwijl zij in vergevorderde staat van zwangerschap verkeerde, dood
geschopt. Seneca, zijn getrouwe leermeester, heeft hij een ader doen openen en
alzo laten doodbloeden.
Hij al deze boosheden was hij de eerste, die de algemene en openbare
bevelen tegen de Christenen door de gehele wereld heeft laten afkondigen, met
het doel om die in alle landen door het vuur, het zwaard en op andere wijze te
vervolgen, hetgeen Tertullianus de raad van Rome openlijk verweet, zeggende:
"Leest uw eigen geschiedenis, waar gij vinden zult, dat Nero de eerste is
geweest, die tegen deze sekte (te weten der Christenen), die toen te Rome het
talrijkst was, gewoed heeft. Maar wij beroemen ons ook tegelijk op een
zodanigen eerste bewerker van onze veroordeling, want die hem kent weet, dat
het een grote zaak is door hem veroordeeld te zijn." Op een andere plaats
zegt dezelfde Tertullianus: "Nero is de eerste geweest, die het toenemend
christendom te Rome met bloed heeft gemengd.” De inhoud van het bevel luidde
aldus: “Zo wie bekent, dat hij een Christen is, zal als een verklaard vijand
van het menselijk geslacht, zonder zich nader te mogen verdedigen, met de dood
gestraft worden."
De reden, waarom Nero de Christenen zo wreed heeft vervolgd, was niet
gelegen in de schuld of misdaden der Christenen zelf, maar vond zijn aanleiding
in een groten brand, die enige dagen achtereen heeft gewoed, waardoor het
grootste gedeelte van die schone stad is vernield. Toen namelijk Nero zag, dat
de Romeinen hierover zeer verbolgen waren, verspreidde hij het gerucht, dat de
Christenen dit hadden gedaan, hoewel hij zelf de brand gesticht, en met vreugde
van de hoge toren buiten de stad had aanschouwd, daar hij een voorstelling
wenste te hebben van de brand te Troje, en het voornemen had een nieuwe stad te
bouwen, en die naar zijn naam te laten noemen. Hierop is toen een hevige en
wrede vervolging tegen de Christenen uitgebroken, niet alleen te Rome, maar ook
in andere streken en landen, die voortduurde tot zijn dood.
Wie de eerste martelaars in deze vervolging geweest zijn, werd in de
geschiedboeken of andere geschriften niet gemeld, doch wij stellen ons
tevreden, dat hun namen geschreven zijn in het boek des levens. Daarom echter
is hun roem in Christus niet kleiner, daar de heidenen zelf gedrongen werden
een goede getuigenis van hen af te leggen, en openlijk hebben bekend, dat het
niet wegens de brand was, maar alleen uit haat dat de Christenen zo wreed vervolgd
zijn. Van deze valse beschuldiging door Nero aangaande de Christenen, zet
Tacitus: “Nero, om de beschuldiging van brandstichting van zich te werpen,
heeft hen, die het volk Christenen noemt, daarvan aangeklaagd en met vreselijke
straffen gemarteld. Deze naam is afkomstig van Christus, die in de tijd van
Tiberius’ regering, door de landvoogd Pontius Pilatus, in het openbaar is
gedood. Die nu beleden, dat zij Christenen waren, en later zijn van deze een
grote groep ontdekt, zijn eerst gevangen genomen, en vervolgens veroordeeld,
niet zozeer wegens de brand, als uit haat, die het menselijke geslacht hun
toedroeg. Het ombrengen ging gepaard met veelvoudige bespotting. Men wikkelde
hen in huiden van wilde dieren, liet hen door honden verscheuren, of aan kruisen
nagelen, of op brandstapels verteren, zo zelfs, dat zij ’s nachts als brandende
lichten de toeschouwers moesten dienen." Tacitus erkent dan voldoende, dat
Christenen aan brand geen schuld hadden, doch dat zij onder beschuldiging
daarvan, hebben moeten lijden.
Nu zullen wij vervolgen met de mededeling van de voorbeelden van de
Apostelen en anderen, die onder de wrede bloedhond voor de goddelijke waarheid
hun bloed hebben gestort.
Simon, de zoon van Jona en broeder van Andreas, geboren te Bethsaida in
Galilea, was een visser van beroep, die zijn huis en woonplaats had te
Kapernaüm bij de moeder van zijn vrouw. Door zijn broeder Andreas, die een
leerling van Johannes de Doper was, werd hij het eerst tot Christus gebracht,
en spoedig daarna met zijn broeder van de zee geroepen, om een visser der
mensen te worden. Toen Christus hem uitzond tot de verloren schapen van het
huis Israëls, gaf Hij hem de naam van Cefas of Petrus. Van Christus genoot hij
een uitnemend onderwijs en is in Diens school derwijze toegenomen., dat hij als
het ware de mond of woordvoerder van al de Apostelen is geworden. Voornamelijk
was hij de vrijmoedigste in het vragen en antwoorden, als ook de meest
ijverende voor Christus, om Hem zijn liefde en trouw te bewijzen, hoewel hij
zijn ijver dikwerf zeer onnadenkend en zonder kennis betoonde, zoals hij ook
daarover dikwijls door zijn Meester is bestraft geworden; nochtans beminde
Christus hem niet minder dan de anderen, en was hij bij Hem in grote achting en
aanzien. Hij was een van de drie Boanerges, dat is, zonen des donders, en met
Jacobus en Johannes getuige van Christus’ verheerlijking op de berg. In de
volgorde der namen komt hij in de eerste plaats voor, niet om het hoofd te zijn
of heerschappij te hebben boven de anderen, want dit heeft Christus hun allen
met duidelijke woorden en Zijn voorbeeld verboden, maar om hem te eren als de
aanzienlijkste onder hen. Hij werd gebonden voor een pilaar der kerk, doch hij
niet alleen, want de anderen waren het ook. Hem waren de sleutels van het
koninkrijk beloofd, maar, toen die werden gegeven, ontving hij geen meerder
gezag dan de anderen. Christus beval hem wel Zijn schapen te hoeden, maar hem
niet alleen, want de anderen werd dit ook opgedragen. Hij heeft ook nooit enige
heerschappij over de anderen gevoerd, maar zich graag aan het oordeel van
anderen onderworpen; ja hij heeft zich door de Apostelen laten uitzenden en
geleiden, zelfs bestraffen, wanneer hij niet goed handelde.
Hoewel hij de stoutste was in zich te beroemen met Christus te willen
lijden, en de zwakste toen de strijd begon, nochtans heeft hij daarna met grote
vrijmoedigheid het woord gevoerd tot de menigte. Door de kracht van de Heilige
Geest was hij zodanig versterkt, dat hij voor niemand, hoe groot ook en machtig
naar de wereld, heeft gevreesd; en bijzonder vrijmoedig betoonde hij zich in
het bestraffen van zondaren. Rijke vruchten heeft zijn werk gedragen, zo zelfs,
dat hij wel eens enige duizenden mensen tegelijk tot het geloof heeft gebracht.
Zijn leer heeft hij ook met tekenen, zoals Christus beloofd had, bekrachtigd,
als aan de kreupele, Ananias en Saffira, Eneas, Tabitha en anderen. De wil des
Heeren tot de roeping der heidenen werd hem van de hemel geopenbaard. En, daar
hij eigenlijk een Apostel was der Joden, heeft zijn arbeid zich krachtig onder
de besnijdenis betoond.
Wel heeft de Heere Christus aan Petrus diens dood voorzegd, maar hij heeft
eerst veel om Christus' wil geleden. Te Jeruzalem, waar hij van de waarheid van
Christus op krachtige wijze getuigenis aflegde, is hij met Johannes gevangen
genomen en voor de Joodse raad gebracht, die hen scherp heeft bedreigd, dat zij
niet meer in de naam van Jezus zouden spreken of leren.
Daaraan hebben zij echter geen gehoor gegeven, maar antwoordden hun:
"Oordeelt gij, of het recht is voor God, ulieden meer te horen dan God?”
Terwijl Petrus weer gevangen genomen was met de andere Apostelen, zijn zij
‘s nachts op wonderdadige wijze door de Engel, die de gevangenis opende, eruit
geleid.
Daarna zijn zij andermaal gevangen genomen, en door de Joodse raad
gegeseld, en met het bevel, dat zij niet meer zouden spreken in de naam van
Jezus, heeft men hen laten gaan, terwijl zij verblijd waren, dat zij waren
waardig geweest, om Zijns naams wil smaadheid te lijden.
Daarna liet Herodes Petrus te Jeruzalem in de gevangenis zetten, met het
voornemen om hem na het Paasfeest te doden, zoals hij Jakobus, de broeder van
Johannes, om het volk te behagen, had gedaan, doch God heeft hem ‘s nachts van
zijn ketenen en uit de sterk gebouwde gevangenis verlost.
Petrus is ook te Antiochië geweest, en heeft daar de gemeente Gods
gesticht. Toen hij daarna in het Joodse land was teruggekeerd, heeft hij een
grote strijd gehad met Simon de tovenaar. Ook heeft hij Babylon bezocht, en wel
Babylon in Assyrië, welke stad vroeger de zetel des rijks was. Want, aangezien
Petrus een Jood was en een Apostel der Joden, zo bezocht hij op zijn reizen
zijn volk van welke velen, na de Babylonische ballingschap, in die Oosterse landen
woonachtig waren, en heeft van daar ook geschreven aan de Joden, die verstrooid
waren in Pontus, Galatië, Cappadocië, Azië en Bithynië.
Wel hebben enige leraars uit de Roomse kerk, onder wie ook is de Jezuïet
Bellarminus, beweerd, dat door dit Babylon, van waar Petrus zijn eerste
zendbrief geschreven heeft, Rome zou moeten verstaan worden, omdat in de
Openbaring van Johannes dikwijls Rome Babylon wordt genaamd, opdat zij Petrus
alzo tot bisschop van Rome zouden kunnen maken. Men moet echter niet vergeten,
dat hij Petrus niet het minste wordt gevonden, waaruit kan blijken, dat hij van
Rome spreekt; want hij maakt alleen melding van Babylon, zonder enige
bijvoeging, waarom het duidelijk is, dat hij van het eigenlijke Babylon
spreekt, en er geen andere stad mee bedoelt. Ten anderen, wanneer Petrus uit
Rome zijn zendbrief had geschreven, waarom zou hij dan Rome niet hebben
genoemd? Paulus heeft verscheidene zend brieven uit Rome geschreven, en toch
noemt hij Rome geen Babylon. Vervolgens, indien Petrus gewild had, dat zij, aan
wie hij schreef, weten zouden, waar hij was, zo had hij liever de eigen dan een
anderen naam moeten schrijven. En dat hij dit ook heeft willen doen, blijkt
daaruit, dat hij uit Babylon de groetenis doet. Eindelijk, wanneer Petrus deze
brief uit Rome had geschreven aan de gemeenten in Azië, dat zou het niet
waarschijnlijk zijn, dat hij de gemeenten in Griekenland, Illyrië en Thracië,
die daar tussen lagen, zou hebben vergeten.
Maar, zo wij het van het eigenlijke Babylon verstaan, dan is er overeenstemming.
Want niets is meer gepast dan dat de Apostel, terwijl hij zich te Babylon
ophield, zorg droeg voor de gemeenten in Azië, die dichter bij Babylon lagen
dan de gemeenten in Europa, die zover vandaar verwijderd waren.
De bewering van de Roomse kerk, dat Petrus te Rome bisschop zou geweest
zijn, kan uit de Heilige Schrift niet bewezen worden, aangezien Petrus daarvan
in zijn zendbrieven geen melding maakt, evenmin Paulus, noch Lukas, die de
Handelingen der Apostelen en hun reizen met vlijt heeft te boek gesteld. Veel
minder zou kan er worden bewezen, dat hij daar vijf en twintig jaren zou hebben
gewoond en onder Nero gekruisigd zou zijn. In de brief aan de Galatiërs,
hoofdst. 2, vs. 7, leest men, dat aan Petrus door God was toebetrouwd het Evangelie
der besnijdenis en aan Paulus dat der voorhuid; dat is, dat hij het Evangelie
zou verkondigen aan de Joden en Paulus aan de heidenen. Zou dan Petrus jaren
lang tegen het bevel van God gehandeld en zich vijf en twintig jaren onder de
heidenen gehouden hebben, en het tegendeel hebben gedaan van hetgeen hem
bevolen was? Dat zij verre van zulk een heilig Apostel!
Enige van de Roomse kerk zeggen, dat Petrus in het tweede jaar der regering
van keizer Claudius te Rome kwam, anderen in het derde en wederom anderen in
het vierde, ofschoon in Hand. 1,5 staat, dat Petrus de kerkvergadering te
Jeruzalem bijgewoond heeft, die gehouden werd in het zesde jaar van Claudius'
regering, en het achttiende jaar na Christus' hemelvaart, gelijk te zien is in
het eerste en tweede hoofdstuk van de brief aan de Galatiërs zoals ook
Hiëronymus die daarover geschreven heeft, mede getuigt.
Opmerkelijk is het, dat Petrus vroeger niet te Rome geweest was, want in de
Handelingen der Apostelen worden vele schone leringen en wenken verhaald, die
Petrus intussen gegeven heeft, en, ware nu ook Petrus in die tijd te Rome
geweest, dan zou Lukas dat ook niet met stilzwijgen zijn voorbijgegaan. De
pausgezinden, en onder hen Bellarminus, zeggen dat hij na zijn verblijf te Rome
zeven jaren te Antiochië zou vertoefd hebben, maar men moet hem dan ook tijd
geven, om het Evangelie te prediken in Pontus, Cappadocié, Azië en Bithynïe,
zoals daarvan Origenes en Euseblus getuigen. Daartoe heeft hij acht, negen of
meer jaren nodig gehad, want de vijf jaren, die zij daarvoor berekenen, zijn
niet voldoende om in deze uitgebreide en machtige landen het Evangelie te
verkondigen. Als men nu, zoals het behoort, deze jaren samen telt, zal men
bevinden, dat Petrus langer heeft geleefd dan Nero, en hoe heeft dan Nero
Petrus te Rome kunnen laten kruisigen.
Daarenboven, toen Paulus te Rome kwam, zijn hem zoals Lukas schrijft, Hand.
vs. 15, de Christenen tegemoet gekomen. Indien Petrus toen ook te Rome was
geweest, dan zou deze hem, zonder twijfel, ook zijn tegemoet gekomen, en Lukas
zou dit niet verzwegen hebben.
Aan het slot van de brief, die Paulus aan de Romeinen schreef, liet hij
vele Christenen groeten, die in naam, bediening en allerlei deugden minder
geschat kunnen worden dan Petrus, en hem noemt hij niet. Zeer onbetamelijk zou
het geweest zijn, indien hij zo’n voornaam persoon zou hebben verzwegen, indien
deze toen te Rome was geweest. Dat hij voor die tijd te Rome is geweest, blijkt
evenmin, daar Paulus, die hun geloof zo roemt, zulk een Apostel, wanneer hij daar
de grond van het geloof had gelegd, niet zou hebben verzwegen, want hij is
gewoon hun vooral te gedenken, door wie de gemeenten het eerst werden gesticht,
zoals uit zijn brieven aan de Filippenzen, Corinthiërs, Colossensen en anderen
blijkt. Duidelijk is het dus, dat het niet mogelijk is, dat Petrus vijf en
twintig jaren te Rome als bisschop zou hebben verkeerd.
En, hoewel Eusebius, op gezag van Origenes verhaalt, dat Petrus, nadat hij
de Joden, die in Pontus, Gatatië, Bithynië, Cappadocië en Azié verstrooid
waren, het woord Gods had gepredikt, eindelijk ook te Rome is gekomen, en daar
door Nero tot de kruisdood veroordeeld, en met het hoofd naar beneden is
gekruisigd, omdat hij alzo begeerde te lijden, aangezien hij zichzelf niet
waardig achtte zo aan het kruis te hangen als de Zoon van God zijn Zaligmaker
geleden had; zo besluit nochtans Hiëronymus en Lyra, en niet ongevoegelijk, uit
de woorden van Christus, Matt. 23, vs. 31, dat hij niet te Rome maar te
Jeruzalem is gekruisigd. Doch hierover laten wij de verstandige lezer zelf
oordelen, en hem kiezen, wat hij het beste keurt; want, naar onze mening, is
het voor de pausgezinden van even weinig belang, dat hij te Rome, als voor ons,
dat hij te Jeruzalem is gedood.
[JAAR 63.]
Paulus, die ook Saulus genaamd werd, was van afkomst een Hebreeër uit de
Hebreeën, uit het geslacht van Israël, van de stam van Benjamin. Wie zijn
ouders geweest zijn, blijkt niet. Toen de Romeinen hun woonplaats hadden
verwoest, begaven zij zich naar de vermaarde stad Tarsen in Cilicië, waar
Paulus is geboren. Hij was naarstig onderwezen in de vaderlijke wet door de
wijzen Gamaliël, in de kennis waarvan hij heeft uitgemunt boven velen van zijn
leeftijd in zijn geslacht. Onberispelijk heeft hij naar de Joodse wet geleefd.
Hij was een Farizeeër en een vurig vervolger en verdrukker van de gemeente
Gods, zo zelfs, dat hij een welbehagen had aan de dood van Stefanus, en de
klederen bewaarde dergenen, die hem doodden. Na de dood van die martelaar
verwoestte Paulus de gemeenten te Jeruzalem, zelfs tot Damaskus, bij welke
stad, blazende nog dreiging en moord tegen de volgelingen des Heeren, hij door
Christus uit de hemel snel met een licht is omschenen, ter aarde geworpen en
met blindheid geslagen, en alzo krachtig, niet van mensen, noch dooi, mensen,
maar door de Heere Zelf geroepen, om een uitverkoren vat te zijn, en Zijn naam
te dragen voor de heidenen, en de koningen en de kinderen Israëls. Na drie
dagen werd hij door Ananias, tot wie hij te Damaskus door de Heere was
gezonden, wederom ziende gemaakt, gedoopt, de handen opgelegd en vervuld met de
Heilige Geest, terwijl hij terstond Christus predikte in de Synagoge,
betuigende, dat Hij de Zoon van God was.
Enige tijd hierna zei de Geest tot de Profeten en Leraars der gemeente te
Antiochië: "Zondert mij af, beiden, Barnabas en Saulus, tot het werk,
waartoe Ik hen geroepen heb;" en zij werden door de Heilige Geest
uitgezonden.
Aan deze Paulus waren allerlei geestelijke gaven geschonken, zoals om de
geesten te onderscheiden, de gave der profetie, der tongen, en hij bezat
ongewone krachten, gave der onthouding, van uitnemende openbaringen, zo zelfs,
dat hij in de derde hemel is opgetrokken geweest, en daar gehoord heeft
onuitsprekelijke woorden, die de mens niet geoorloofd zijn te spreken. Maar,
opdat hij zich door de uitnemendheid der openbaringen niet zou verheffen, heeft
de Heere hem een engel van de satan als een scherpe doorn in het vlees gegeven,
die hem met vuisten zou slaan, opdat hij zich niet zou verheffen. Die heeft hem
ook menigmaal verhinderd hier of daar heen te reizen, om het Evangelie te
prediken, zodat hem, gelijk hij zelf betuigt, de listen des duivels niet
onbekend waren.
Daarenboven was hij nog versierd met vele christelijke deugden van
getrouwheid en een zeer goed geweten aangaande zijn dienst, had een vaderlijke
zorg voor al de gemeenten en een hartelijke liefde tot haar, tot zijn eigen
verbanning, ja zelfs tot de dood toe. Hij was mild van hart; en vreemd aan
gierigheid, arbeidde hij liever met zijn eigen handen, daar hij van handwerk
een tentenmaker was, opdat hij de zwakke gemeenten niet zou bezwaren. Hij
toonde zich trouwhartig jegens de arme gemeenten, door die van de aalmoezen der
rijken getrouw te verzorgen. Met al deze geestelijke gaven en christelijke
deugden was deze Apostel zo nederig, en had zulk een klein gevoel van zichzelf,
dat hij, zijn vorigen toestand voor zijn bekering bedenkende, en de Heere
dankende voor Zijn genade en barmhartigheid aan hem bewezen, menigmaal bekend
heeft, dat hij niet waardig was een Apostel genaamd te worden, hoewel hij in
geen ding minder was dan de uitnemendste der Apostelen, ja, door de genade
Gods, die met hem was, overvloediger gearbeid had dan zij allen.
Wat hij op zes verschillende reizen, gedurende de tijd van bijna dertig
jaren, geleden heeft, toen hij vertoefde in Judea, Syrië, Azië, Macedonië,
Griekenland, Italië en elders, is duidelijk te lezen in de Schriften des Nieuwe
Testaments en andere geschiedboeken. Terstond na zijn bekering en doop predikte
hij Christus in de Synagoge binnen Damaskus en,ging vervolgens naar Arabië.
Toen hij naar Damaskus terugkeerde, en daar de waarheid moedig beleed en
mannelijk verdedigde, hebben de Joden hem lagen gelegd zo zelfs, dat de poorten
bewaakt werden en de stadhouder van de koning Aretas hem wilde gevangen nemen.
Doch de gemeenteleden lieten hem ‘s nachts in een mand over de muur, en hij
ontkwam alzo aan zijn handen en kwam te Jeruzalem bij de Apostelen.
Terwijl hij met vrijmoedigheid sprak in de naam van de Heere Jezus, en zijn
woord ook richtte tegen de Griekse Joden, wilden zij hem daarom doden. Toen dit
bij de broeders bekend werd, hebben zij hem naai, Cesarea geleid, vanwaar hij
zijn tweede reis begon in Syrië en Cilicië en keerde later naar Jeruzalem
terug.
Vandaar deed hij zijn derde reis naar Antiochië en ging op bevel van God
naar Seleucië, en Cyprus, en kwam te Paphos, waar hij de stadhouder, Sergius
Paulus heeft bekeerd. Vandaar kwam hij te Perge, een stad in Pamphylië, en
daarna te Antiochië, een stad in Pisidië, waar de Joden tegen hem en Barnabas
oproer verwekt hebben, zo zelfs, dat de heidenen hen uit hun landpalen hebben
geworpen. Vandaar kwamen zij te Iconië, waar de Joden de heidenen tegen hen
opruiden, en ben wilden smaden en stenigen, zodat zij vluchtten naai de de
steden van Lycaonië, namelijk Lystre en Derbe, waar ook de Joden van Antiochië
en lconië het volk tegen Paulus opzetten, zodat de schare Paulus heeft
gestenigd en buiten de stad gesleept, menende, dat hij dood was. Tot zichzelf
gekomen zijnde, ging hij de volgende dag met Barnabas naar Derbe, en, nadat zij
in die stad het Evangelie verkondigd en vele discipelen gemaakt hadden, keerden
zij weer naar naar Lystre, lconië en Antiochië, en versterkten daar de zielen
der gemeenteleden en vermaanden ben, dat zij zouden blijven in het geloof.
Pisidië doorreisd hebbende, kwamen zij te Pamphylië, en, toen zij te Perge het
Evangelie verkondigd hadden, vertrokken zij. naar Attalië, en scheepten vandaar
af naar Antiochië. Toen zij daar waren en de gemeenten samen geroepen hadden,
verhaalden zij welke grote dingen God door en met ben gedaan had, en dat Hij de
heidenen de deur van het geloof had geopend, en verkeerden daar een geruime
tijd met de gemeenteleden. Terwijl Paulus en Barnabas daar waren, ontstond er
een twist tegen sommigen, die van Judea gekomen waren over de noodzakelijkheid
der besnijdenis. Men kwam overeen, dat Paulus en Barnabas en enige anderen uit
ben naar de Apostelen en Ouderlingen zouden gaan te Jeruzalem, om over dit
verschil samen te spreken. Daar geraakte men het met de Apostelen en
Ouderlingen over dit verschilpunt eens, zodat zij, in gezelschap van Judas
bijgenaamd Barnabas, en Silas, die voorgangers waren onder de broeders, met
brieven gezonden werden naar Antiochië, waar zij de vrede in de gemeente
herstelden.
Vandaar ging Paulus met Barnabas voor de vierde maal op reis teneinde de
broeders in elke stad te bezoeken waar zij het Evangelie verkondigd hadden, en
naar hun toestand te vernemen. Er ontstond echter een verschil tussen Paulus en
Barnabas over Johannes, bijgenaamd Marcus, en Paulus verliet Barnabas, nam
Silas mee en vertrok naar Syrië en Cilicië, de gemeenten versterkende, en kwam
te Derbe en Lystre, waar hij Timotheüs aan zich verbond, met hem door Phrygië
en Galatië reisde en eindelijk te Troas kwam. Hier werd hij door een gezicht
vermaand naar Macedonië te reizen, en kwam, verscheidene plaatsen doorreisd
hebbende, te Filippi, de voornaamste stad van Macedonië, waar hij en Silas, op
bevel der hoofdmannen werden gegeseld en daarna in de gevangenis geworpen, met
bevel aan de stokbewaarder dat hij hen goed verzekerd zon bewaren. Door
goddelijke kracht werden de deuren der gevangenis geopend, hun boeien
losgemaakt, en zij vervolgens door de stokbewaarder, die gelovig was geworden,
naai, buiten geleid. Deze wies hen van de striemen, en werd met al de zijn
gedoopt. Nadat hij hun spijs had voorgezet, en zij door de hoofdmannen uit de
gevangenis waren geleid, daar dezen vernomen hadden, dat de Apostelen Romeinen
waren, hebben zij op hun verzoek de stad verlaten. Eindelijk, na vele steden te
zijn doorgegaan, kwamen zij te Thessalonika, waar Paulus veel volk bekeerde. De
Joden echter, met enige boze mannen uit de marktboeven gemene zaak gemaakt
hebbende, beroerden de stad tegen hen, zodat de broeders Paulus en Silas ‘s
nachts naar Berea zonden, waar men de prediking des Evangelies met alle
toegenegenheid ontving. De Joden van Thessalonika kwamen ook daar, en bewogen
de scharen tegen hen. Terstond brachten de broeders Paulus naar de zee, en kwam
hij te Athene, waar hij in strijd geraakte met de Epicureïsche Stoïsche
wijsgeren, die hem hielden voor een klapper en verkondiger van vreemde goden,
en hem op de gerechtplaats brachten, waar hij zich met een welsprekende redevoering
verdedigde. Vandaar vertrok hij naar Korinthe, waar hij enige tijd met prediken
bezig was. Hij wilde vandaar vluchten, aangezien hij daar tegenstand en
lastering ondervond; maar werd door de Heere in een gezicht vermaand te
blijven. Later brachten de Joden hem voor de rechterstoel van de stadhouder
Gallio, die hen, na hem gehoord te hebben, liet gaan, en Paulus reisde weer
naar Jeruzalem.
Zijn vijfde reis ondernam Paulus van daarnaar Antiochië, en nadat hij daar
enige tijd vertoefd had, doorreisde hij vervolgens het land van Galatië, en
Phrygië, en versterkte al de gemeenteleden. Van daar ging hij naar Efeze, waar
hij gedurende drie jaren met gezegende vrucht, des daags en ‘s nachts, heeft
gepredikt en er velen bekeerde, en onder ben die ook hun duivelse boeken hebben
verbrand. Het schijnt, dat hij omtrent deze tijd, onder de stadhouder
Hiëronymus, volgens heidense wijze, heeft gevochten tegen de wilde beesten en
die overwonnen heeft. Na het grote oproer, dat Demetrius, een zilversmid, om de
godin Diana tegen Paulus had verwekt, vertrok de Apostel naar Macedonië, en,
nadat hij de gemeenteleden daar met vele redenen had vermaand, kwam hij in
Griekenland. Toen de Joden hem daar tegenstonden, was hij voornemens naar Syrië
te varen, maar veranderde zijn reisplan, en keerde weer naar Macedonië terug.
Eindelijk kwam hij, na vele steden doorreisd en hier en daar gepredikt te
hebben, te Cesarea, waar de Profeet Agabus hem zijn gevangenneming voorzegde,
waarbij hij echter getroost en tevreden was. Toen hij op het pinksterfeest te
Jeruzalem kwam, raadde Jakobus hem aan, dat hij zich met enige Joden naar de
wet zou heiligen. Ofschoon hij dit deed, verwekten de Joden van Azië een oproer
tegen hem, zodat de schare hem greep, buiten de tempel sleepte en zocht te doden.
Doch, toen zij de overste zagen met de hoofdmannen over honderd en de
krijgslieden, hielden zij op hem te slaan. De overste greep hem, beval dat men
hem met twee ketenen zou boeien, en onderzocht, wat hij gedaan had. Terwijl de
Joden in de grootste wanorde schreeuwden en tierden, zo zelfs, dat men in het
rumoer de woorden niet onderscheiden kon, werd hij in de legerplaats gebracht,
waar Paulus zich naar behoren heeft verdedigd. Maar de Joden, die de waarheid
van Paulus woorden niet konden verdragen, riepen: "Weg van de aarde met
zulk een, want het is niet behoorlijk, dat hij leeft!" Vervolgens beval de
overste, dat men hem met geselen zou onderzoeken, teneinde te weten, waarom de
Joden zijnentwege alzo schreeuwden. Toen zij hem met riemen uitrekten, om hem
tot bekentenis te dwingen, beriep Paulus zich op het Romeinse burgerrecht,
waarop terstond de geseling gestaakt werd, en Paulus van zijn boeien ontslagen.
De volgende dag werd hij voor de gehele Joodse raad gebracht, waar hij zich
weer met Gods Woord verdedigde. Toen in deze vergadering de hogepriester
Ananias bevel gaf aan degenen, die bij Paulus stonden, om hem op de mond te
slaan, bestrafte Paulus hem, omdat hij een gevangen en onveroordeeld mens tegen
de wet gebood te slaan.
Terwijl het oproer al groter werd, vreesde de overste, dat Paulus door hen
zou gedood worden, en liet hem daarom door het krijgsvolk vandaar naar de
legerplaats overbrengen. De volgende dag spanden veertig Joden tegen Paulus
samen, en verbonden zich met een eed, dat zij niet eten noch drinken zouden,
totdat zij Paulus zouden hebben gedood. Toen Paulus van deze samenzwering door
de zoon van zijn zuster onderricht was, gaf hij door hem daarvan aan de overste
kennis. Deze wist dit te voorkomen, door Paulus onder een gewapend geleide te doen
overbrengen naar Cesarea, waar hij hem behouden overleverde aan de landvoogd
Felix, met bijvoeging van brieven, die voldoende waren om Paulus onschuld te
bewijzen. Op deze wijze maakte hij zich gereed tot de zesde reis van Jeruzalem
naar Italië.
Toen de Stadhouder Felix de brief gelezen had, bewaarde hij Paulus in het
raadhuis, om hem daarna, in de tegenwoordigheid der Joden, die hem
beschuldigden, in het verhoor te nemen, hetgeen vijf dagen na zijn komst plaats
had. De hogepriester Ananias, met de gehele Joodse raad, beschuldigde hem door
de tolk Tertullus, dat hij degene was, die overal onder al de Joden oproer
verwekte, dat hij de tempel had ontheiligd, en een opperste voorstander was van
de sekte der Nazarenen. Met Gods Woord en een gepaste rede heeft Paulus zich
van deze valse beschuldigingen zodanig gezuiverd, dat Felix hem bewaarde tot de
komst van Lysias, de overste, en vergunde Paulus intussen verlichting van zijn
boeien, en beval dat niemand van de zijnen zou verhinderd worden om hem te
dienen of hem te bezoeken.
Toen enige dagen daarna Felix met Drusilla, zijn vrouw, daar gekomen was,
werd Paulus daar weer ontboden, die in hun tegenwoordigheid over het geloof in
Christus sprak. En, als Paulus sprak over rechtvaardigheid, matigheid en het
toekomend oordeel, werd Felix zeer bevreesd, en zei tot Paulus, dat hij voor
ditmaal zou heen gaan, en dat hij hem te gelegener tijd, weer zou laten roepen.
Om de Joden gunst te bewijzen, hield Felix Paulus gevangen. Toen Porcius Festus
in Felix' plaats gekomen was, reisde de nieuwe landvoogd, drie dagen na zijn
aankomst, naar Jeruzalem, waar de hogepriester en de voornaamste van de Joden
hem verzochten, ja, baden, dat hij Paulus naar Jeruzalem zou laten overbrengen,
terwijl zij van plan waren Paulus onder weg te doden. Festus belette dit
echter, en vond het beter, dat de Joden zelf van Jeruzalem naar Cesarea zouden
reizen, om Paulus daar te beschuldigen, als hij van iets onbehoorlijks kou
aangeklaagd worden, zoals dan ook na verloop van enige dagen plaats had. Terwijl
Paulus daar voor de rechterstoel van Festus gebracht was, heeft hij zich met
bondige redenen tegen al de beschuldigingen van de Joden mannelijk verdedigd.
Om de Joden gunst te bewijzen, vroeg Festus Paulus, of hij naar Jeruzalem wilde
gaan, om daar voor hem over deze dingen geoordeeld te worden. Doch Paulus
beriep zich op de keizer, daar hij liever in de handen der heidenen dan in die
der Joden wilde vallen. Festus en de leden van de raad berustten er in, dat
Paulus zich op de keizer beroepen had. Toen intussen koning Agrippa daar
gekomen was, heeft Festus hem de gehele zaak van Paulus verhaald en hem tevens
verontschuldigd. Agrippa verlangde Paulus te horen, en toen Paulus voor hen
gebracht werd, hield hij zulk een voortreffelijke redevoering, dat wel Festus
uitriep, dat de grote geleerdheid van Paulus hem tot razernij bracht, maar de
koning tot hem zei: "Gij beweegt mij bijna een Christen te worden,"
en samen betuigden zij, dat hij niets gedaan had, wat des doods of der
gevangenis waardig was, en dat hij zou losgelaten kunnen worden, zo hij zich
niet had beroepen op de keizer.
Toen de tijd gekomen was, dat Paulus en de andere gevangenen naar Italië
zouden afvaren, werden zij aan Julius de hoofdman over honderd overgeleverd, en
na vele gevaren en moeilijkheden doorworsteld te hebben, zijn zij eindelijk in
zulk een ellendigen toestand geraakt, dat zij veertien dagen hebben doorleefd
zonder voedsel, en, toen zij vreesden, dat zij schipbreuk zouden lijden, wilden
de krijgslieden Paulus en de andere gevangenen doden, maar de hoofdman, die
Paulus wilde behouden, heeft dit verhinderd.
Niettegenstaande zij schipbreuk leden, zijn zij allen ongedeerd op het
eiland Melite of Malta aangekomen. Na drie maanden daar vertoefd te hebben,
reisde Paulus naar Rome, waar hij door de broeders met blijdschap werd
ontvangen, terwijl de hoofdman de gevangenen overleverde aan de overste van het
leger. Aan Paulus werd vergund op zichzelf te wonen meteen krijgsknecht, die
hem bewaarde, waar hij na drie dagen zich voor de voornaamste van de Joden
heeft verantwoord over zijn boeien, gevangenneming en beroep op de keizer.
Gedurende twee jaren bleef hij in een eigen gehuurde woning, ontving allen, die
tot hem kwamen, predikte het Koninkrijk Gods en leerde van de Heere Jezus
Christus met alle vrijmoedigheid onverhinderd.
Hij zelf heeft gezegd, dat deze gevangenschap in grote mate gediend heeft
tot bevordering van het Evangelie, en dat de waarheid daardoor gekomen is tot
in het keizerlijke hof. Toen keizer Nero de brieven van Festus ontvangen had,
heeft hij Paulus voor de eerste maal bij hem ontboden, die zich tegen de
beschuldigingen van de Joden derwijze, door 's Heeren hulp, heeft verdedigd,
(ofschoon zij hem allen in deze zijn eerste verantwoording verlieten), dat hij
uit de muil van de leeuw, te weten van Nero, verlost werd.
Toen Paulus nu andermaal voor keizer Nero zou gesteld worden, was hij van
zijn aanstaanden dood niet onwetend, zoals hij aan Timotheüs aldus schrijft: ik
word nu tot een dankoffer geofferd, en de tijd mijner ontbinding is aanstaande.
Ik heb de goede strijd gestreden, ik heb de loop geëindigd, ik heb het geloof
behouden; voorts is mij weggelegd de kroon der rechtvaardigheid, welke mij de
Heere,de rechtvaardig Rechter, in die dag geven zal, en niet alleen mij, maar ook
allen, die Zijn verschijning hebben liefgehad." Hij werd door keizer Nero
veroordeeld om met het zwaard gedood te worden, zoals ook plaats had in het
laatst van diens regering (volgens de berekening van Jozef Scaliger) in het 63e
jaar na de geboorte van onze Zaligmaker, zeven jaren, nadat Paulus gevangen te
Rome was gebracht.
Andreas, de zoon van Jona, een broeder van Petrus, geboren te Bethsaïda in
Galilea, was eerst een discipel van Johannes de Doper. Daar hij ouder was dan
Petrus, en het eerst Christus leerde kennen, heeft hij zijn broeder tot
Christus, de waren Messias gebracht. Van beroep was hij een visser; maar
Christus, Die hem riep, beloofde hem een visser der mensen te zullen maken.
Omdat hij de Heere vurig navolgde, en onderwezen was in Diens leer, wandel en
wonderen, heeft Deze hem tot een Apostel aangesteld, welke bediening hij met de
anderen onder de Joden getrouw heeft waargenomen. Hij stond ook in grote
achting bij de Heere, daar het schijnt, dat hij een meer vrijen toegang had tot
Christus dan Filippus. Verder, ofschoon hij in zwakheid, evenals de andere
Apostelen, gevallen is, door zijn Meester te verlaten, heeft hij zich toch weer
bij zijn medebroeders gevoegd. En, toen hij opnieuw het bevel ontvangen had tot
de bediening van het Evangelie, en voornamelijk, nadat hij, gelijk de anderen,
op de Pinksterdag met de Heilige Geest was vervuld, heeft hij het Evangelie met
ijver onder de heidenen gepredikt. Op zijn reizen heeft hij in vele landen
gepredikt, zoals in Pontus, Galatië en Bittiynië.
Hij kwam ook in de omstreken van Antropophage, daarna in Scythië, en
bereisde ook de noordelijke en zuidelijke landen, kwam zelfs tot in de
omstreken van Byzantium en trok ook naar Thracië, Macedonië, Thessalië en
Achaje, en predikte overal Christus, waardoor hij velen tot het geloof in
Christus heeft gebracht. De leer van Christus, zijn Meester, heeft hij ook
versierd en bekrachtigd met vele wonderen; maar, aangezien deze door sommigen
op meer of minder fabelachtige wijze zijn beschreven, zullen wij die laten voor
hetgeen zij zijn.
Toen hij eindelijk naar de wil van de eeuwige God, zijn loop had volbracht,
heeft Aegeas, de stadhouder van Edessa, hem op bevel van de Romeinse raad in de
stad Patris, in Achaje, laten kruisigen.
Hij onderging de marteldood, niet alleen omdat hij de christelijke waarheid
voorstond, en de afgoderij der heidenen bestrafte, maar omdat hij Maximilla, de
vrouw van de gouverneur, en diens broeder Stratocles bekeerde. De dood aan het
kruis te sterven achtte hij om Christus' wil gelukkig, en alzo heeft hij met
grote blijdschap en begeerte zijn ziel in de handen van God, zijn hemelse Vader
bevolen, en aldus zijn leven geëindigd, zoals de geschiedenis getuigt.
Filippus, geboren te Bethsaïda, in Galilea, de stad van Petrus en Andreas,
had een vrouw en een dochter, die zeer goed van leven waren. Hij werd door
Christus gevonden, Die hem beval Hem als discipel te volgen, hetgeen hij zo
getrouw deed, dat, toen hij Nathanaël vond, die ook tot Christus heeft
gebracht, terwijl hij betuigde, dat hij Die gevonden had, van Welke Mozes en de
Profeten geschreven hadden, namelijk Jezus van Nazareth, de waren Messias. Van
toen af heeft Filippus Christus steeds gevolgd, luisterende naar Zijn prediking
en heeft Zijn wonderen gezien, totdat hij bekwaam was tot de dienst van het
heilige Woord Gods, zodat Christus hem tot een Apostel heeft aangesteld en als
zodanig heeft uitgezonden, om het Evangelie te prediken onder de Joden, wat
hij, gelijk de anderen, met ijver heeft verricht.
Bij de Heere stond hij ook in groot aanzien; want bij het heerlijke wonder
van de spijziging der vijf duizend mensen heeft Christus, om hem te beproeven,
met hem ook daarover gesproken. Voor de Grieken, die Christus begeerden te zien
ging hij tot Christus. Verder, toen hij nog niet volmaakt was in het geloof in
Christus, heeft Christus hem onderwezen in het geloof aan God, in het
aangezicht van Jezus Christus, door Wie wij de Vader aanschouwen.
Deze vrome en godzalige Apostel heeft de Heere vergezeld tot aan Zijn
lijden, en, toen de Apostelen, na Christus' verrijzenis verstrooid waren, hield
hij zich bij zijn medebroederen op, totdat zij, na Christus' hemelvaart, de
Heilige Geest hadden ontvangen.
Na de verdeling van de landen predikte hij gedurende enige jaren in
Seythië, waar hij vele gemeenten gesticht heeft. En, aangezien hij bijzonder in
Syrië en in het noorden van Azië reisde, en daarin vele steden de grondslagen
van het geloof legde, kwam hij eindelijk in Phrygië, waar hij in de stad
Hiërapolis en elders vele wonderen deed. De Ebionieten echter en anderen, die
hardnekkig in hun afgoderij voortgingen, hebben hem gevangen genomen, met het
hoofd aan een pilaar vastgemaakt en gestenigd, en alzo is hij in de Heere
ontslapen, en daarna in de genoemde stad Hiërapolis begraven.
Bartholomeüs, een zoon van Tholomeüs, gelijk zijn naam aanduidt, was een
Galileër, evenals de andere Apostelen, en ook een visser, volgens de mening van
Theodoretus. In de Heilige Schrift lezen wij niet veel omtrent hem, dan alleen
dat hij tot Apostel geroepen is, om met de anderen het Evangelie te verkondigen
in Judea en Galilea, aan de verloren schapen van het huis Israëls. Na Christus,
opstanding werd hij in zijn Apostelambt bevestigd, en heeft met de elven de
Heilige Geest ontvangen, zoals Christus beloofd had.
Nadat de Apostelen uit elkander gegaan waren, heeft hij zijn Apostelambt
het eerst bediend in Lycaonië, daarna ook in Syrië en in de bovenste delen van
Azië, vervolgens ook in Indië, waar Pantenus, leraar te Alexandrië, die daar
bijna honderd jaren later kwam, het Evangelie van Mattheüs (dat Bartholomeüs
daar gebracht en waaruit hij de Indianen in hun moedertaal onderwezen had)
gevonden en dat meegenomen heeft. Eindelijk heeft hij het Evangelie ook in
Groot-Armenië verbreid, en daar te Albana, de hoofdstad en koninklijke zetel
van dat koninkrijk, Polemus of Palemonius, de broeder van de koning Astyages,
met zijn vrouw, twee zonen en een dochter, tot het geloof gebracht en twaalf
steden uit de stikdonkere duisternis der onwetendheid, waarin zij de duivel
door de afgod Astharoth dienden, verlost, en verlicht met de kennis van Jezus
Christus, de Heere. Dit verdroot de afgodische duivelpriesters zeer, en zij
klaagden daarover aan de koning Astyages, die de Apostel Bartholomeüs liet
gevangen nemen, en voor hem brengen. Toen Bartholomeüs voor de koning stond,
verweet deze hem, dat hij zijn broeder verleid en de godsdienst in zijn land
aan het wankelen had gebracht, en bedreigde hem, indien hij niet ophield
Christus te prediken, en langer weigerde zijn goden te offeren, dat hij hem zou
laten doden. Op deze, beschuldiging antwoordde Bartholomeüs, dat hij zijn
broeder niet verleid, maar, ten goede bekeerd, en in zijn land de ware
godsdienst gepredikt had, en bereid was daarvoor liever zijn getuigenis met
zijn bloed te bezegelen, dan in het minst schipbreuk in zijn geloof en geweten
te lijden. Om deze vrijmoedige belijdenis werd hij door de koning veroordeeld,
om eerst op de gruwelijkste wijze gepijnigd, met stokken geslagen, daarna met
het hoofd naar beneden aan een kruis gehangen, levend het vel afgestroopt en
daarenboven het hoofd. met een bijl afgehouwen te worden. En alzo is hij met
Christus, zijn Heere verenigd.
Thomas, genaamd Didymus, dat is tweeling, was geboren in Galilea, en van
beroep, zoals het schijnt, een visser. Aangaande zijn ouders vindt men niets,
en evenmin van de tijd, waarop hij bekeerd is, bij de Evangelisten beschreven,
dan alleen van zijn roeping tot het Apostelambt. Zijn vurige liefde, die hij
Christus toedroeg, zien wij vooral, toen hij zijn medeapostelen vermaande om op
te gaan naar Jeruzalem en ook met Christus te sterven. Maar hij had toen nog
niet gestreden tot de dood, en aangaande het doel van Christus' dood verkeerde
hij nog in onwetendheid, waarom hij met de anderen de Heere heeft verlaten.
Toen Christus zich aan de Apostelen openbaarde, was hij niet tegenwoordig; en,
aangezien hij hen niet geloofde, tenzij hij zelf Christus zag en kon betasten,
heeft de Heere zich ook aan hem geopenbaard en zijn ongeloof bestraft. Als hij
Christus zag, geloofde hij aan de opstanding van de Heere, beleed Hem als zijn
Meester, en aanbad Hem als zijn Heere en God. Met de anderen ontving hij een
nieuw bevel tot de dienst van het evangelie onder de heidenen.
Korte tijd na de opstanding van Christus zond hij Thaddeüs naar de koning
Abgarus. Daar hem de Evangeliebediening in Parthië, Indië, Ethiopië en vele
andere landen, zoals Hiëronymus getuigt, ten deel was gevallen, heeft hij vele
landen doorreisd. Het schijnt echter, dat hij er tegen opzag om naar de Moren
en woeste volken van Indië te gaan; maar door gezichten van God werd hij
gesterkt om dit werk op zich te nemen, en was bedeeld met kracht om wonderen te
doen, waardoor zijn dienst bij die lieden zeer vruchtbaar was, en hij er velen
tot God heeft bekeerd.
Aangaande het uiteinde van Thomas is het verhaal het meest waarschijnlijk,
dat hij in Calamina, een stad in Oost-Indië, (waar Hieronymus ook zegt, dat hij
ontslapen is) de gruwelijke afgoderij van die heidenen, welke het beeld der zon
aanbaden, uitgeroeid heeft, zodat hij de duivel zelf, door de kracht van God,
zou gedwongen hebben, het beeld te vernielen. Over deze daad werd hij door de
afgodische priesters hij hun koning aangeklaagd, en deze veroordeelde hem, dat
hij eerst met gloeiende platen gepijnigd en daarna in een gloeiende oven
verbrand moest worden. Toen de afgodische priesters, voor de oven staande,
zagen, dat het vuur hem niet deerde, hebben zij hem met lansen en spiesen of
speren, terwijl hij in de oven lag, de zijde doorstoken; en aldus was hij
gelijkvormig aan zijn Heere Christus, Die hij tot de dood toe volstandig heeft
beleden, en rust alzo van zijn arbeid in de genoemde stad Calamina.
Mattheüs, anders gezegd Levi, de zoon van Alfeüs, was een tollenaar te
Kapernaüm, een betrekking, die bij de Joden veracht was, daar zij zich aan
vreemde vorsten geen tol of schatting schuldig kenden. En, ofschoon het niet
ongeoorloofd was tol of schatting te nemen, wanneer men maar niet te veel nam,
zo gingen toch de tollenaars zich hierin dikwijls te buiten en werden daarom
van de vromen vermeden, waarom ook de afgesnedenen van de gemeente bij dezulken
worden vergeleken.
Toen hij in deze oneerlijke betrekking werkzaam was, heeft Christus Zich in
genade over hem ontfermd, en hem bevolen als Zijn discipel te volgen. Door de
kracht des Heiligen Geestes gaf hij hieraan gehoor, verliet zijn tolhuis,
bereidde een groten maaltijd, en nodigde zijn medetollenaars daaraan, om alzo
naar behoren afscheid van tien te nemen, en hun gelegenheid te geven om
Christus ook aan te nemen, gelijk hij gedaan had. Hierna verliet Mattheüs
terstond alles, en volgde Christus met groten ijver na, en na Christus'
onderwijs ontvangen te hebben, werd hij onder de Apostelen opgenomen, welk
Apostelambt hij tot Christus' dood onder de joden bediend heeft
Bij zijn uitzending om te prediken onder de heidenen werd hem Ethiopië of
Morenland aangewezen. Eer hij echter het Joodse land verliet schreef hij, onder
voorlichting des Heilige Geestes, zijn Evangelie in de Hebreeuwse taal en heeft
hun dit meegedeeld.
Door zijn prediking en het doen van wonderen is hij in Ethiopië met vrucht
werkzaam geweest, waar hij ook na zijn dood zijn Evangelie voor de
nakomelingschap in geschrift heeft nagelaten, waaruit klaar te zien is, welk
geloof hij voorstond, namelijk van Jezus Christus, waarachtig God en mens, Die
voor ons gekruisigd is.
De geschiedenissen getuigen, dat deze Apostel terstond, nadat de gelovige
koning Aeglippus gestorven was, door zijn opvolger Hytacus, een ongelovige
heiden, vervolgd werd, en dat hij hem op zekere tijd, toen hij in de tempel aan
de gemeente het Evangelie verkondigde, heeft laten grijpen en in de hoofdstad
van Ethiopië, Naddaver, heeft laten onthoofden. Daar werd hij ook begraven,
zoals Venantius Forturatus getuigt, die voor duizend jaren leefde, als hij
zegt: "De verheven stad Naddaver zal ons, te weten, op de jongste dag, die
voortreffelijke Apostel Mattheüs teruggeven.
Simon de Kananieter of Zelotes, dat is, ijveraar bijgenaamd, de zoon van
Alféüs en de broeder van Jakobus, Joses en Judas, een neef van Christus, een
van de twaalven en tegelijk met de anderen tot Apostel aangesteld, eerst der
Joden en daarna der heidenen, heeft ook gelijk de anderen op de Pinksterdag de
Heilige Geest ontvangen, waardoor hij ook bekwaam werd gemaakt om een Apostel
van Christus, zelfs onder de heidenen te zijn.
Toen de Apostelen uit elkaar gingen, kwam hij in Egypte, en heeft daar
geruime lijd het Evangelie gepredikt, totdat hij naar Perzië ging, waar hij
zijn broeder Judas vond. Zij bleven daarin de bediening van het Apostelambt
volstandig bij elkaar, totdat zij de goddelijke waarheid met hun bloed hebben
bezegeld. Nicephorus schrijft, dat Simon niet alleen in Egypte, maar ook in
Afrika, Cyrene, Lybië en op de eilanden van Groot-Brittanië het Evangelie des
Koninkrijks gepredikt heeft.
Judas Alfeüs, niet die bijgenaamd wordt Iscarioth, maar die getrouwe
Apostel, bijgenaamd Thaddeüs, dat is belijder, en broeder van Lebbeüs, Jakobus
de kleine en Simon, was ook tot een dienstknecht en Apostel geroepen van Jezus
Christus, Wiens neef hij ook was, evenals Jakobus en Simon. In het Evangelie
wordt van hem niet gesproken, maar alleen gewag gemaakt van een vraag, die hij
de Heere Christus deed, zeggende: “Heere, wat is het dat Gij U aan ons zult
openbaren en niet aan de wereld?” Deze heeft ook een korte en troostrijke brief
aan de gelovigen geschreven en nagelaten, die echter gestreng is voor de
ongelovigen. Of deze Judas die Thaddeüs is, die door Thomas naar Abgarus te
Edessa, gelijk men meent, is gezonden om de koning van zijn kwaal te genezen,
en tot Christus te bekeren, dan of hij een ander van de zeventig discipelen is
geweest, daarover kan men Eusebius en andere schrijvers raadplegen. Deze Judas
heeft, toen de Apostelen de wereld met de prediking van het evangelie hebben
bedeeld, Mesopotamië en Pontus bezocht, waar hij geruime tijd alleen het
Evangelie heeft verkondigd; daarna vertoefde hij met zijn broeder Simon in
Perzië, en heeft daar de wijzen bekeerd, de onwetenden onderwezen, en door de
kracht van de Heilige Geest de duivelse kunsten teniet gedaan, en de
dusgenaamde godsspraken en wonderen van hun afgoden als leugens ten toon
gesteld en doen ophouden, en alzo door de godsdienst van Christus de valse
afgodendienst der heidenen te schande gemaakt en vernietigd. Toen de heidense
duivelspriesters zagen, dat daardoor hun gewin schade leed, hebben zij tegen
deze getrouwe dienaars van Christus een groot oproer verwekt, hen daarin
overvallen en omgebracht. Welke marteldood zij echter ondergaan hebben, kan,
bij gebrek aan berichten, niet gemeld worden.
Matthias was tijdens Christus omwandeling in het vlees een van Zijn
zeventig discipelen. Kort na de hemelvaart van Christus werd hij benevens Barnabas
in de gemeente te Jeruzalem door de Apostelen aan de Heere voorgesteld,
teneinde door Hem, door het lot, als uit de hemel tot een Apostel aangenomen te
worden, terwijl de gehele schaar van honderd twintig mensen over hen beiden God
aanriepen, zeggende: “Gij Heere, Gij Kenner der harten van allen, wijs van deze
twee een aan, die Gij uitverkoren hebt, om te ontvangen het lot dezer bediening
en des Apostelschaps, waarvan Judas afgeweken is, dat hij heen ging in zijn
eigen plaats. En zij wierpen hun loten, en het lot viel op Matthias, en hij
werd met gemene toestemming tot de elf Apostelen gekozen." Met de anderen
ontving hij mede op de Pinksterdag de Heilige Geest, waardoor hij als van de
hemel bevestigd werd in zijn Apostelambt. Kort daarna werd hij ook met de elven
gegeseld en mede waardig geacht voor de naam van Jezus Christus smaadheid te
lijden.
Nadat de Apostelen uit elkaar gegaan waren is deze Matthias (volgens het
gevoelen van Hieronymus) naar een ander gedeelte van Ethiopië of Morenland
vertrokken, waar niemand van de andere Apostelen geweest is, en wel zeer diep
het land in tot aan de uiterste grenzen, waar de inham was van de haven of de
rivier Asphar en Hyssus, waar de onwetendste en meest barbaarse mensen gevonden
worden. Onder deze in allerdiepste duisternis der onwetendheid gezeten mensen
is het heilrijke licht van het evangelie door de dienst van deze Apostel
opgegaan. Nadat hij daar vele zielen voor Christus gewonnen had, is hij
(volgens de getuigenis der geschiedenissen) weergekeerd naar Judea, Galilea en
Samarië, en wel, nadat door de verstrooiing van de Apostelen de Joden schier
verstoken waren van allen apostolische dienst.
Omtrent de dood of het martelaarschap van Matthias bestaat niet veel
zekerheid, zegt Mantuannus, en hij betwijfelt het, of hij in vrede tot God
opgenomen is, en zijn eigen dood gestorven, dan of hij, omdat hij aan de afgod
Jupiter niet wilde offeren, met een bijl onthoofd is door de heidenen. Anderen
zeggen, dat hij, om de lastering, die zij voorgaven, dat hij uitgesproken had
tegen God, tegen Mozes en de wet, en het christelijk geloof weigerde te
verzaken, door de Hogepriester van de Joden veroordeeld is om eerst aan het
kruis gehangen en gestenigd en daarna met een bijl onthoofd te worden.
Wij zullen hier ook laten volgen de geschiedenis van den Evangelist Lukas
en van de Apostel en Evangelist Johannes, hoewel men meent, dat Lukas onder
Domitianus en Johannes onder Trajanus gestorven is. Wij volgen deze orde, opdat
men het leven en de dood van de Evangelisten en Apostelen achtereenvolgens zal
kunnen lezen.
Lukas was een Syriër van Antiochië, een geleerd medicijnmeester en daarom
ook zeer ervaren in de heidense wijsbegeerte. De Heere heeft hem echter willen
gebruiken tot een medicijnmeester der zielen, tot welk einde hij ons twee
heerlijke boeken als geestelijke artsenijboeken heeft nagelaten, en wel
vooreerst zijn Evangelie, dat hij beschreven heeft uit der) mond van hen, die
het van de Heere Jezus Christus zelf hebben gehoord. Daarom kan hij niet een
der zeventig discipelen zijn geweest, noch een van ben, die met Kleopas op de
wee, was naar Emmaüs. Hij was alleen een leerling van Apostelen en in het
bijzonder van Paulus, tot in het vierde jaar der regering van keizer Nero.
Paulus schijnt hem bekeerd te hebben te Antiochië, in het jaar 38 na Christus,
toen hij van Thebe daar gekomen was. Omtrent zijn ouders wordt nergens iets
vermeld, en het schijnt, dat hij geen vrouw gehad heeft. Hiëronymus meent, dat
jij vroeger een proseliet was, die voor het aannemen der christelijke leer de
joodse godsdienst beleed, en alzo een nakomeling van de Joden, wat niet
onwaarschijnlijk is. Hij was zeer ervaren in de Griekse taal, wat genoegzaam
blijkt uit de buitengewoon goede stijl en de spreekwijzen, die in zijn geschriften
kunnen opgemerkt worden. Hij was geen Apostel maar een metgezel der Apostelen,
die dezelfde dienst met hen te vervullen had, en verscheidene landen, en steden
heeft doorreisd. Op bijna al de reizen van Paulus was hij diens medehelper,
waarom hij ook die reizen in goede orde en met grote naarstigheid heeft
beschreven. Toen Paulus bijna van alles was verlaten, heeft Lukas hem
bijgestaan in zijn gevangenschap te Rome. Nadat hij zijn dienst getrouw heeft
vervuld, is hij te Bithynië gestorven in het 81e jaar zijns ouderdoms. Anderen
zeggen, dat hij in Griekenland predikende, aan een olijfboom is opgehangen en
alzo in de Heere is ontslapen.
[JAAR 101.]
Johannes, de zoon van Zebedeüs, en broeder van Jakobus de grote, was
geboren te Nazareth in Galilea. Van beroep was hij een visser. Toen hij met
zijn vader en broeder bezig was de netten in het schip te vermaken, werd hij
door Christus geroepen, en verliet toen beide, het schip en zijn vader, en is
met zijn broeder Jakobus Jezus nagevolgd. Na behoorlijk onderwezen en
toegenomen te zijn in de kennis van God en Christus Zijn zoon, door Zijn leer
en wonderen, werd hij aangesteld tot een Apostel. De Heere Jezus beminde hem
bijzonder, hij lag in Zijn schoot, en heeft Jezus ook zeer lief gehad. Toen de
Heere zei, dat een van hen Hem zou verraden, vraagde hij met bekommering, wie
het was, Hij was een van de drie Boanerges, dat is zonen des donders. Met Hem
was hij getuige van de verborgen dingen Zijns Vaders, op de heiligen berg, bij
het opwekken van Jaïrus' dochtertje en in de hof. Met grote naarstigheid heeft
hij het Evangelie met de anderen onder de Joden gepredikt, en ijverde zelfs
dermate voor de eer van Christus, dat hij uit onverstand wenste, dat het vuur
van de hemel de Samaritanen zou verslinden, omdat zij de Heere verwierpen. Hij
heeft zich ook, buiten gevaar zijnde, beroemd de lijdensbeker van Christus te
kunnen drinken. Hoewel hij met anderen, volgens Christus' voorzegging,
enigermate in het geloof verzwakt was, heeft hij zich toch zeer kloek gedragen,
want hij was niet alleen tijdens Christus' lijden in het huis van Kajafas de
Hogepriester, maar stond ook bij het kruis van Christus, waar Christus hem de
zorg voor zijn moeder aanbeval, die hij ook tot zich genomen heeft.
Hij was zeer verlangend naar Christus' opstanding; en, hoewel hem die niet
terstond is geopenbaard, toen hij naar het graf liep, heeft Christus nochtans
Zich verscheidene malen aan hem vertoond, en hem een nieuw bevel gegeven
aangaande het Apostelambt. Bij de discipelen bleef hij, totdat zij de Heilige
Geest hadden ontvangen, en predikte toen het Evangelie en deed wonderen te
Jeruzalem, waarom hij in de gevangenis werd geworpen en veel heeft moeten
lijden, doch tot zijn blijdschap.
Met Petrus werd hij ook gezonden naar Samaria; en na vele jaren, toen
Timotheüs gestorven was, predikte hij in Azië en in het bijzonder in de stad
Efeze, waar hij ook vele wonderen gedaan, ja sommigen uit de dood opgewekt
heeft. In de vervolging onder keizer Domitianus werd hij gevangen genomen en
naar Rome gebracht, waar hij (zoals sommigen zeggen) in een vat kokende olie
werd geworpen, waaruit hij echter ongeschonden opstond. Vervolgens is hij
gebannen naar het eiland Patmos, gelegen in de Aegeïsche zee, waar hij vele
gezichten gehad en beschreven heeft aan de zeven voornaamste gemeenten in
Klein-Azië, benevens enige heerlijke brieven. Na de dood van Domitianus, toen
Nerva regeerde, is hij naar Efeze teruggekeerd en wel in het jaar 99 na
Christus' geboorte, waar hij opziener was over de gemeenten in Azië.
Met de ketters Ebion en Gerinthus had hij veel te doen. Toen hij Ebion op
zekere tijd in een bad vond, vluchtte hij, uit vrees dat het huis tot straf van
die ketter op hem vallen zou. Wegens hun ketterij schreef hij vooral zijn Evangelie,
waarin hij bovenal de godheid van Christus behandelt, welke door de ketters
geloochend werd.
Om de naam van Christus heeft hij veel geleden en zelfs vergif gedronken,
zonder dat, volgens de belofte van Christus, hem dit schade deed. Eindelijk is
hij, na de verwoesting van Jeruzalem te hebben beleefd, ten tijde van de
regering van keizer Trajanus, in vrede gestorven, in het 68ste jaar na
Christus' dood. Om al de vervolgingen en het lijden, dat hij heeft verduurd,
wordt hij gehouden voor een martelaar des Heeren Jezus Christus. Dit grote
licht rust alzo in Azië.
Prochorus, een van de zeven eerste diakenen, neef van Stefanus en metgezel
van Johannes de Apostel, was opziener van de gemeente te Bithynië, heeft daarna
te Antiochië geleden en is daar gestorven.
Nikanor, ook een van de zeven diakenen, is ook om de christelijke waarheid
ter dood gebracht.
Desgelijks Parmenas, ook een der zeven diakenen,
Olympus was met Paulus te Rome gevangen.
Onesiforus, een leerling van Paulus, die (zoals sommigen zeggen) bisschop
is geweest van Colophon, of, volgens anderen van Coronia, is met Porphyrius,
zijn mededienstknecht, aan de Hellespont, op bevel van de stadhouder Adrianus,
eerst wreed gegeseld en daarna aan wilde paarden gebonden,en alzo dood gesleept
of verscheurd.
Karpus, een leerling van Paulus, die hem tot opziener van de gemeente te
Troas had aangesteld, is daar om het christelijk geloof omgebracht.
Trofimus, een leerling van Paulus, is om de waarheid van Christus onthoofd.
Apollinaris, een leerling van Petrus, is te Ravenna gedood, en wel in het
derde jaar der regering van Vespasianus.
Maternus en Egistus, behorende, tot de zeventig discipelen, zijn in
Duitsland, tegelijk met Marianus, de diaken, om het geloof gedood.
Hermagot was door Petrus tot opziener der gemeente te Aquila aangesteld,
heeft onder Nero geleden.
Onesimus, Dionysius, de Areopagiter, en meer anderen, zijn voor de
goddelijke waarheid gestorven.
Domitianus, als ware hij een erfgenaam van de haat tegen Gods volk en de
bitterheid van Nero, gaat met de tweede vervolging tegen de Christenen voort.
In deze vervolging, die verscheidene jaren geduurd heeft, zijn, volgens de
beschrijving, omgebracht de navolgende personen:
Timotheüs was geboren te Lystre, in Lycaonië. Zijn vader was een Griek,
maar zijn moeder Eunice en zijn grootmoeder Lois waren gelovige joodse vrouwen.
door wie hij van zijn jeugd aan was onderwezen in de Heilige Schrift. Toen
Paulus te Lystre en Iconië een goede getuigenis omtrent hem had horen afleggen,
nam hij hem aan tot een leerling en metgezel in de dienst van het Evangelie
onder de heidenen, en liet hem tevoren besnijden, en wel om der Joden wil, die
in die plaats waren, want allen wisten, dat zijn vader een Griek was.
Boven alle anderen van zijn metgezellen heeft Paulus deze leerling bemind,
en noemt hem zijn oprechte zoon in het geloof. In zijn afwezigheid heeft Paulus
hem ook naar vele plaatsen gezonden en zijn dienst daar gebruikt, om, als hem
vertegenwoordigende, alles te doen tot opbouwing der gemeente van Christus,
waarvan hij zich zeer getrouw gekweten heeft, zodat Paulus hem achtte als een
Evangelist. Nadat Paulus hem tot bisschop of opziener der gemeente te Efeze had
geordend en aangesteld, schreef hij enige bijzondere brieven aan hem, waarin
hij hem onder andere vermaant, om wakker te zijn in alles, verdrukking te
lijden, het werk van een Evangelist te doen en te waken, dat men van zijn
dienst ten volle verzekerd zij, en hem te bejegenen, zoals het betaamt. Omdat
hij de afgoderij van Diana had bestraft, is hij onder de regering van keizer
Domitianus door de onwetende heidenen gestenigd, en heeft alzo zijn loop
volbracht.
De geschiedenissen verhalen, dat ook verder zijn omgebracht:
In Frankrijk, Lucianus, bisschop van Bellovaco.
Maximianus en Julianus, ouderlingen.
Nicasius, bisschop van Rouaan.
Quirinus, ouderling.
Scubiculus, diaken.
Patientia, een maagd.
In Italië, Romulus, bisschop van Fesula en anderen op meer andere plaatsen.
Men meent ook, dat in deze tijd is omgebracht in de stad Pergamus, zekere
Antipas, een getrouw getuige van Jezus Christus, van wie gesproken wordt Openb.
2, vs. 13.
Marsilius Glabrio, die in het vorige jaar stadhouder van Rome was, en op
mannelijke wijze een leeuw overwonnen had, waarmee hij veroordeeld was geworden
te vechten, werd mede gedood. De reden, waarom men hem en vele anderen doodde,
was, gelijk Dion Niceüs schrijft, dat zij zich aanstelden als Joden, zoals in
die tijden de Christenen door de heidenen genoemd werden, aangezien de
Christenen uit de Joden afkomstig waren. Men kan het er daarom voor houden, dat
Glabrio en anderen in die lijd hebben moeten lijden om de naam van Christus en
het oprechte geloof.
De derde vervolging tegen de Christenen is begonnen op bevel van keizer
Trajanus, opgehitst door Mamertinus, stadhouder te Rome, en Tarquinus, overste
van de heidense afgoderijen. De afgodendienaars brachten ook geld op, en gaven
schatting om de Christenen te vervolgen en uit te roeien, alles onder het
voorwendsel, lat zij onwillig waren om de goden te aanbidden en met offeranden
te vereren, en dat zij vijanden van hen en van de Romeinse republiek waren.
Onder de martelaren in deze tijd zijn de voornaamste:
[Jaar 109]
Simeon, een zoon van Kleopas, die gehouden wordt voor een neef des Heeren,
omdat hij een zoon was van de broeder van Jozef, Christus’ pleegvader. Hij was
uit de stam van Juda en derhalve van het koninklijke geslacht van David. Deze
Simeon was een vroom dienaar van God, die de Heere Christus ook heeft gezien en
gehoord, zoals uit zijn hogen ouderdom wel op te maken is. Mogelijk behoorde
hij ook wel tot de zeventig discipelen, die de gemeente Gods door prediking en
lering met gehoorzaamheid hebben zoeken uit te breiden, totdat hij na de dood
van Jakobus de jongere, op gezag van de Apostelen, in de dienst werd aangesteld
en wel tot bisschop en opziener in de gemeente te Jeruzalem, omtrent het jaar
61 na Christus' geboorte. Dit ambt heeft hij zeer lang bediend, en met zulk een
getrouwheid, dat hij om de waarheid van Christus vele en zware pijnigingen
heeft geleden. Gelijk men onder de keizers Vespasianus en Domitianus het
koninklijk geslacht van David heeft zoeken uit te roeien, alzo geschiedde het
ook, dat onder de derde vervolging ten tijde van keizer Trajanus deze Simeon
door de ongelovige heidenen werd beschuldigd, niet alleen dat hij behoorde tot
het koninklijk geslacht van David, maar ook dat hij een Christen was. Hierom
werd hij gevangen genomen en aan Atticus, stadhouder te Jeruzalem,
overgeleverd, die hem vele dagen achtereen met scherpe roeden dermate liet geselen,
dat ieder, die het zag ook de rechter zelf zich over hem moesten erbarmen en
verwonderen, hoe zulk een hoog bejaard man van 120 jaren een zodanige
onlijdelijke marteling, had kunnen uitstaan. Toen hij in zijn belijdenis even
volstandig volhardde, is hij zijn Heere, Die hij beleed, in het lijden
gelijkvormig geworden, en werd door Atticus veroordeeld omgekruisigd te worden,
in het 11e jaar der regering van Trajanus of 109 jaar na Chr.
Ignatius, een leerling van Johannes, de Apostel. en een navolger van Petrus
en Evodus in de dienst der gemeente van Christus te Antiochië in Syrië, was een
zeer godvruchtig man, getrouw en naarstig in zijn bediening. Toen hij vernam,
dat keizer Trajanus na zijn overwinningen, die hij behaald had op de volken van
Dacië, Armenië, Assyrië en andere Oosterse rijken, de afgoden te Antiochië
openlijk dankte en grote offeranden bracht, alsof zij hem met deze
overwinningen begunstigd hadden, ondernam hij het, de keizer daarover te
bestraffen, ja (zoals Nicephorus verhaalt) zelfs openlijk in de tempel. De
keizer was hierover zeer gebelgd, en liet Ignatius gevangen nemen, doch in
Antiochië zelf niet straffen, en wel omdat hij bevreesd was voor oproer,
aangezien deze bisschop daarin groot aanzien was; maar hij hhet hem, vergezeld
van tien soldaten, gebonden naar Rome voeren, om hem daar zijn straf te doen
ondergaan. Op weg daarheen zijnde, heeft hij aan verscheidene gemeenten vele
troostbrieven geschreven, zoals aan die van Smyrna, Efese, Filadelfia, Tralles,
Magnesia, Tharsen, Filippi, en in het bijzonder aan de gemeente van Christus te
Rome; welke brief hij voor zijn komst daarheen zond, waarin hij onder andere
verklaart, dat het zijn begeerte en verlangen was, om het christelijk geloof
met zijn bloed te bevestigen.
Zijn eigen woorden luiden aldus: “Van Syrië af naar Rome reizende, te water
en te land, bij dag en nacht, vecht ik met wilde beesten, zeer nauw tussen tien
luipaarden gebonden, die, inderdaad, hoe meer ik hen streel en grotere
vriendschap bewijs, des te wreder en wreveliger jegens mij worden. Doch door
hun wreedheid en pijnigingen, die zij mij dagelijks aandoen, word ik meer en
meer geoefend en geleerd, maar daardoor ben ik niet rechtvaardig. Och dat ik
reeds bij de beesten ware, die gereed zijn mij te verscheuren! Ik hoop, dat ik
ze binnenkort zal vinden, zoals ik ze wens, te weten, wreed genoeg om mij ten
spoedigste te vernielen. Willen zij mij niet aantasten en verscheuren, dan zal
ik hen vriendelijk lokken, opdat zij mij niet verschonen, zoals zij reeds enige
Christenen verschoond hebben; maar dat zij mij met haast in stukken scheuren en
verteren. indien zij nog blijven weigeren, zal ik hen tergen en aanporren.
Vergeeft mij, dat ik zo spreek. Ik weet, wat mij nodig en bevorderlijk is; na begin
ik eerst een discipel van Christus te worden. Ik acht zichtbare noch
onzichtbare dingen, waaraan de wereld zich vergaapt. Het is mij genoeg, als ik
Christus maar mag deelachtig worden. Laat vrij de duivel en boze mensen mij
allerlei pijn en smarten aandoen, met vuur, met kruisigen, met het worstelen
tegen de beesten, met verstrooiing van mijn ledematen en het geraamte van mijn
lichaam, ja met verplettering en verbrijzeling mijns gehelen lichaams; ik acht
dit alles zeer weinig, mits ik alleen Jezus Christus geniete. Alleen, bidt voor
mij, opdat mij innerlijke en uiterlijke kracht gegeven worde, om dit niet
alleen te spreken of te schrijven, maar ook om het na te komen en te kunnen
lijden, opdat ik niet alleen een Christen genaamd maar ook bevonden mag worden.
Toen hij te Rome kwam, werd hij door de soldaten aan de stadhouder
overgeleverd, met de brieven van de keizer, waarin zijn vonnis geschreven
stond. Enige tijd werd hij daar bewaard tot op zekere feestdag van de Romeinen,
op welke dag de stadhouder hem naar het bevel des keizers, in de kampplaats
liet voorbrengen. Nadat hij door vele pijnigingen van het christelijk geloof
niet afvallig kon gemaakt worden, heeft men hem aan de leeuwen voorgeworpen,
door welke hij terstond zeer gretig werd verslonden. Van hem wordt verhaald,
dat toen hij aan de leeuwen werd overgegeven, om door hen verslonden te worden,
en in het perk hoorde brullen, zei: “Ik ben het koren des Heeren, ik word door
de tanden der beesten gemalen en gekneed, opdat ik in Christus een rein brood
worde.” Alzo is deze getrouwe bloedgetuige van Christus zalig ontslapen in het
jaar onzes Heeren 109, in het 11e jaar der regering van keizer Trajanus.
Omstreeks deze tijd werd ook, om de naam van Christus, omgebracht, zekere
Publius, opziener der gemeente in Athene, een goed en vroom man, benevens vele
anderen.
Zosimus, Rufus en anderen werden, om de christelijke godsdienst, ter dood
gebracht en wet in de stad Filippi, in Macedonië.
Op bevel van keizer Trajanus, werd de 26sten Oktober van het tijdelijke
leven beroofd Evarestus, opziener van de gemeente te Rome.
Hermes, stadhouder van Rome, met zijn vrouw en kinderen, benevens nog 1250
mensen, werden levend om Gods Woord in gloeiende ovens verbrand.
Spoedig daarna ondergingen hetzelfde lot Zeno, een Romeins edelman, en
40,203 mensen. Eveneens werden Enstachius en zijn vrouw te Rome om de naam van
Christus omgebracht.
Justus en Pastor zijn, om dezelfde reden, in de Spaanse stad Complutum
genaamd van het leven beroofd.
Tiberianus, stadhouder van Palestina, schreef aan keizer Trajanus, dat hij
niet machtig was de Christenen wegens hun grote menigte uit te roeien. Toen
gebood de keizer, dat men de vervolging zou staken.
Men zegt ook, dat omstreeks deze tijd om het christelijk geloof omgebracht
is, en wel na vele smarten en pijnen te hebben geleden, Phocas, bisschop van
Pontus.
Bovendien zijn om de naam van Christus nog verscheidene personen gedood,
zoals in Italië, te Brescia, Faustina en Jobita. Te Messina, op Sicilië,
ondergingen de dood Eleutherus en zijn moeder Anthia, en meer anderen in
verscheidene andere plaatsen.
Te Tivoli, in Italië, werden ter dood gebracht Getulicus, een leraar, en
Symphorosa met haar zeven zonen; zo ook zijn Cerealis en Amantius, in dezelfde
stad, om de naam van Christus gedood.
Saphyra, een maagd te Antiochië, en Sabina, een weduwe van Valentin, zijn
te Rome om dezelfde reden gedood.
De 5e januari werd, om de christelijke godsdienst, het leven ontnomen aan
Telesphorus, opziener van de gemeente te Rome.
[JAAR 144.]
Ptolomeüs, een vroom en godzalig man, die zijn vrouw tot het christelijk
geloof had gebracht, werd om de waarheid van Christus gevangen genomen. Toen
hem gevraagd werd, of hij een Christen was, beleed hij, de waarheid
liefhebbende, het terstond; want hij, die verzaakt, wat hij is, acht strafbaar
te zijn, wat hij verzaakt. Om deze belijdenis werd hij in de kerker geworpen,
en vertoefde daarin zo lang, totdat hij geheel vermagerd was, terwijl hij ten
laatste aan de rechter Urbicus werd overgeleverd, die hem terstond daarna om de
christelijke waarheid liet doden.
Er was ook een Christen, Lucius genaamd. Toen deze hoorde, dat zo
onverdiend en lichtvaardig het vonnis over Ptolomeüs was geveld, zei hij tot
Urbicius, de rechter: "Wat beweegt u toch, dat gij zulk een ter dood
veroordeelt, die geen overspeler, vrouwenschender, doodslager, moordenaar, noch
rover, of dergelijk misdadiger is, maar die alleen belijdt, dat hij een
Christen is? O Urbicius, dat is iets, wat de goede keizer, zijn wijzen zoon, of
eerbare raad niet aangenaam is, en tot eer verstrekt." Zonder meer te
vragen zei Urbicius: "Mij dunkt, dat gij ook een Christen bent?" En
toen Lucius daarop antwoordde: Ja, dat ben ik voorzeker," veroordeelde hij
hem ook ter dood. Daarop hernam Lucius: “Ik dank u, dat gij mij van zulk een
boze heer verlost, en mij tot God zendt, de allerbeste Vader en Koning over
alles." Dit geschiedde te Alexandrië, in Egypte, omtrent het jaar onzes
Heeren 144, waar ook in diezelfden tijd met hem nog vele anderen werden gedood.
Niettegenstaande de hevige vervolgingen, nam het aantal Christenen overal
toe, zodat Justinus met recht van hen zegt, dat de Christenen vreemdelingen
waren, en toch de plaatsen, steden, eilanden, kastelen, enz. der heidenen
bewoonden, ja ook zelfs het keizerlijk paleis en de raad, waren binnen
gedrongen, hun alleen de tempels als afgodshuizen overlatende. Plinius de
tweede, stadhouder in Bithynië, ziende, dat daar de christelijke godsdienst
meer en meer aanhangers kreeg en de overhand nam in weerwil van de zware en
bloedige vervolgingen, zo zelfs, dat alle afgodstempels bijna leeg en verlaten
waren, werd hij ontroerd over de menigte der Christenen, en maakte zwarigheid
om die allen te straffen. Hij schreef daarover brieven aan de keizer, en vroeg
raad, wat hem, zoals de zaken nu waren, te doen stond.
In deze brieven vraagt Plinius niet alleen raad in deze moeilijke en
verwarde zaak, maar beproeft ook de keizer (naar het schijnt) te bewegen om de
vervolging te doen ophouden, en zegt, dat de Christenen nergens anders in
schuldig werden bevonden. dan dat zij gewoon waren op zekere bestemde dag, voor
de dageraad, bijeen te komen, en met elkaar Christus, als hun God, lofzangen te
zingen, dat zij zich onderling met een eed verbinden generlei kwade daden te
plegen, zich te onthouden van dieverij, doodslag en overspel te begaan, hun
geloof te verzaken, en niet te loochenen, wat hun in bewaring was gegeven. Dat
als zij zulks gedaan hadden, zij dan gewoon waren te vertrekken, en weer te
vergaderen om hun nooddruft te nemen in het algemeen, zonder iemand te hinderen
of letsel te doen, en zij zich gedragen volgens zijn bevel." Betreffende
de grote menigte der Christenen in die landen, voegt hij er bij: Volgens mijn
mening is de zaak wel waardig om uw raad daarover in te winnen, en wel vooral
om de grote menigte van hen, wie het gevaar boven het hoofd hangt. Velen, van
elke leeftijd en van allerlei stand, zo mannen als vrouwen zijn in gevaar of
zullen er in komen, aangezien niet alleen in de steden, maar ook in de dorpen
en gehuchten de besmetting van dit bijgeloof verspreid is.
Op dit schrijven antwoordde keizer Trajanus onder andere het volgende:
"Men zal zodanige lieden niet laten opzoeken, en, indien zij aangebracht
en aangeklaagd worden, moet men hen in dit geval straffen, onder deze bepaling
nochtans, dat zij, die ontkennen Christen te zijn, en dit met de daad tonen, te
weten, door het aanroepen van onze goden, hoewel zij voor het toekomende
verdacht zijn, om hun berouw en boetvaardigheid vergiffenis erlangen.
Tertullianus bestrijdt dit antwoord van de keizer zeer, als indruisend tegen
recht en rede, terwijl hij uitroept: “O vonnis, dat.alleen uit verlegenheid zo
verward is! Hij wil niet, dat men naar hen zoeken zal, omdat zij onschuldig
zijn, en toch beveelt hij, dat men hen als schuldigen zal straffen."
Hoewel door deze brieven het vuur der vervolging werd uitgeblust, toch hield
daarom de vervolging niet geheel op.
Hierna schreef ook Justinus, de wijsgeer, twee verdedigingsgeschriften voor
de Christenen, het een aan de Senaat van Rome, het andere aan keizer Antonius
en zijn opvolgers, alsmede aan de gehele burgerij te Rome. Aan het slot van
zijn schrijven zegt hij met vrijmoedigheid en welsprekende woorden: Dit zeggen
wij u vooraf, dat gij het aanstaande oordeel van God geenszins zult ontgaan,
indien gij in de goddeloosheid volhardt. Wij zullen niet ophouden te bidden wat
God aangenaam is en behaagt, opdat de waarheid worde geloofd en de overhand
behoudt."
Op deze verdedigingsgeschriften volgde een heerlijk schrijven van keizer
Antoninus, hetwelk te vinden is bij Eusebius het vierde boek, hoofdstuk 13.
Melito zegt bij dezelfde Eusebius te vinden, dat Antoninus Pius in het algemeen
ten gunst van de Christenen in alle landen geschreven heeft, en voornamelijk
aan de bewoners van Larissa, Thessalonica en Athene.
Wij willen hier nog bijvoegen, om daarmee de geschiedenis van deze derde
vervolging te besluiten, enige voortreffelijke woorden van dezelfde Justinus,
uit zijn samenspraak met Tryphonus waar hij met levendige kleuren de standvastigheid
der Christenen in die tijd afschildert.
Inderdaad, dat niemand macht heeft om ons die in Jezus geloven, te
verschrikken of te beteugelen, dit blijkt dagelijks. Wanneer wij gedood,
gekruisigd, aan de dieren voorgeworpen, aan het vuur en andere pijnigingen
overgegeven worden, wijken wij toch niet van onze belijdenis; maar hoe wreder
men tegen ons woedt, zoveel temeer beoefenen wij de godsdienst en het geloof in
Jezus; het is met ons niet anders dan of iemand door snoeien een wijngaard
opwekte tot vruchtbaarheid. Want de wijngaard, door God en onze Zaligmaker
Christus geplant, is Zijn volk."
De vierde vervolging tegen de Christenen barstte uit ten tijde van keizer
Antoninus. Er kon geen pijniging, straf, of ombrengen, zo groot, zo wreed, zo
onverbiddelijk voor de boze mensen, door de tirannen, de werktuigen des
duivels, bedacht, aangewend en volvoerd worden, of men meende, dat de
Christenen, als vervloekte mensen als vijanden van het rijk, als oorzaak van
alle ongelukken, duizendmaal meer verdiend hadden. In het openbaar bespot,
levenslang opgesloten, gevangen, gegeseld, gestenigd, geworgd, gehangen,
onthoofd, verbrand te worden, werd niet voldoende geacht. In deze tijd begon
men de arme Christenen met gloeiende platen tot de dood toe te bestrijken, met
gloeiende tangen het vlees van het lichaam te trekken, met ijzeren stoelen over
een klein vuur te plaatsen, in ijzeren pannen te verschroeien, in nauwe netten
gesloten de wilden stieren voor te werpen, teneinde door deze al spelende en
spottende met de hoornen in de lucht gesmeten te worden. Dit alles ging gepaard
met een andere barbaarsheid, namelijk, dat men de lichamen dergenen, die
omgebracht werden, de honden voorwierp, waarbij men wachters plaatste, opdat
deze lijken door de gelovige Christenen niet weggehaald en begraven zouden
worden. Onder de regering van deze keizer zijn de navolgende Christenen wegens
hun christelijke godsdienst, ter dood gebracht.
[JAAR 168.]
Justinus, een zoon van Priscus Bacchus was geboren te Neapolis, in
Palestina, en wel uit Griekse ouders. Hij was een geleerd wijsgeer, zeer
ervaren in alle wetenschappen der heidenen. Deze hoorde, dat de Christenen
boven alles werden beschuldigd, dat zij in hun vergaderingen zich aan
schandelijkheden schuldig maakten. En toch zag hij, dat zij met grote
volharding de dood onbevreesd tegen gingen, waaruit hij besloot, dat het niet
mogelijk was, dat zulke mensen een zodanig slecht leven zouden leiden, aangezien
boosdoeners geen hoop op een beter leven kunnen hebben, maar schrikken voor de
dood. Na een naarstig onderzoek van de Heilige Schrift, verliet hij dan ook het
heidendom, en nam de christelijke godsdienst aan. Hij maakte zulke vorderingen
in de kennis van die godsdienst, dat hij leraar werd van het Evangelie, en het
christelijk geloof kloekmoedig beschermde met schrijven, en zelfs
verdedigingsgeschriften aan de keizer zond, om de Christenen te
verontschuldigen van de lasteringen, waarmee zij werden bezwaard. Hij wekte ook
vele mensen tot het martelaarschap op. Dikwerf redetwistte hij met een
onbeschaamde wijsgeer, Crescens genaamd, maar overwon hem menigmalen en maakte
hem beschaamd. Deze wijsgeer vatte daarover zulk een dodelijke haat tegen
Justinus op, dat hij hem in zijn hart de dood had gezworen. Van die tijd af aan
hield hij dan ook niet op hem lagen te leggen en als Christen aan te klagen,
totdat hij als met Justinus' bloed zijn dorst gelest had, gelijk Tatianus, een
leerling van Justinus, in zijn redevoering tegen de Grieken of heidenen over
hem klaagt, dat hij niet alleen Justinus, maar ook hem naar het leven had
gestaan, omdat zij hem en zijns gelijken, als wulpse dieren en bedrieglijke
wijsgeren, in het openbaar hadden bestraft. Justinus werd op zijn aanklacht
gevangen genomen, en, daar hij kloekmoedig weigerde het Christendom af te
zweren, werd hij eindelijk door de President Rusticus ter dood veroordeeld, en,
na vooraf gegeseld te zijn, met de bijl onthoofd, omtrent het jaar onzes Heeren
168.
[JAAR 174.]
Alvorens de christelijke gemeente te Smyrna in haren brief aan de gemeenten
van Jezus Christus in Pontus, van Polycarpus' martelaarschap melding maakt,
verhaalt zij in het algemeen, hoe groot en gruwelijk de vervolging der vijanden
was jegens andere martelaren, die voor Polycarpus geleden, en welke grote
standvastigheid in het verdragen van allerlei pijnigingen deze martelaren aan
de dag gelegd hebben. Betreffende deze wreedheid, waarmee men de Christenen
pijnigde, schrijven zij aldus: "Alle omstanders waren getuigen, dat het
vlees der bloedgetuigen van Christus door verscheidene geselingen en slagen tot
in de binnenste aderen en allerdiepste zenuwen werd losgerukt en vaneen
gescheurd, zodat men hun ingewanden en verborgen delen des lichaams zag
bewegen; ja dat er dan scherven van gebroken potten, zeeschelpen, ja voetangels
op de grond werden gestrooid, en daarover de reeds gemartelde Christenen met
hun verscheurde lichamen, gesleept en vertreden werden. Wanneer de dus
misvormde Christenen, wegens de aangedane pijnigingen, bijna waren gestorven,
of nauwelijks meer adem konden halen, werden zij aan de wilde dieren
voorgeworpen, om verscheurd te worden. Allen, die deze treurspelen zagen, en
het aanschouwden, hoe onmenselijk de Christenen werden mishandeld, en met welk
een geduld die martelaren dat verdroegen, waren daarover zeer verwonderd en
ontzet.
Onder deze was een, Germanicus genaamd, die door Gods genade versterkt, de
natuurlijke en aangeboren zwakheid zijns gemoeds, welke de lichamelijke dood
zeer vreest, zo krachtig overwon, dat hij, wegens zijn bijzondere
standvastigheid, voor een der voortreffelijkste martelaren te houden is. Toen
de stadhouder hem zocht wijs te maken en te overreden, dat hij toch de bloei
van zijn leven in aanmerking zou nemen en met zichzelf erbarming hebben zou,
verachtte Germanicus die raad, en hield zijn jong leven niet dierbaar voor zijn
Heere Jezus Christus, maar trok terstond, zonder dralen, de wilde dieren, die
gereed en losgelaten waren, naar zijn lichaam toe, en hitste hen als het ware
op, alsof het hem zou gespeten hebben, wanneer zij nog vertoefden om hem te
verslinden, teneinde alzo te eerder van het lichaam der zonde verlost te mogen
worden, tot grote verwondering van al het volk. Met grote standvastigheid had
hij aldus zijn leven veil voor de goddelijke waarheid, en stierf te Smyrna, in
Klein-Azië, omtrent het jaar van Christus' geboorte 174.
Meliton, opziener van de gemeente van Christus te Sardis, een stad in
Lybië, was een geleerd, welsprekend en met de Heilige Geest begaafd man. Hij
schreef een apologie of verdediging van de christelijke godsdienst, en zond die
aan keizer Antoninus. Ook Claudius Apollinaris, opziener der. gemeente te
Hiërapolis, een stad in Azië, deed het zelfde, zoals ook daarna Athenagoras,
een wijsgeer te Athene, en een geleerd en godvruchtig man.
Toen keizer M. Antoninus de Marcomannen overwonnen had, voerde hij oorlog
tegen de Quaden. Met zijn leger in hun land vallende, werd hij dapper
aangevallen, en, na een hevige strijd, met zijn volk ingesloten in een plaats
tussen het gebergte, waar groot gebrek was aan water, terwijl zij veel van de
hitte te lijden hadden. Gedurende vijf dagen verkeerden zij daarin groten nood,
zodat zijn volk, door de hitte en van de dorst schier versmacht, in
moedeloosheid ieder hunner zijn goden tevergeefs aanriep. In die ogenblikken
deed zich een afdeling Christenen op, die ingeschreven waren in zeker groot
leger, Melitana genaamd. Deze bogen met een vast geloof de knieën voor de
enige, eeuwige en waarachtige God. En, toen zij hun vurige gebeden voor de nood
van de vorst en hen allen uitgestort hadden, werden zij terstond, en wel geheel
onverwacht en tot ieders verwondering, met twee weldaden gezegend, een
overvloedige regen in hun midden, waardoor het leger zeer werd gelaafd, terwijl
boven de hoofden der vijanden hevige en langdurige bliksemstralen en
donderslagen zich ontlasttten, waardoor zij verdreven en verstrooid werden.
Door dit wonder werd het gemoed van de keizer dermate getroffen, dat hij
van die tijd aan de Christenen gunstiger behandelde, ja, zelfs in brieven, die
hij aan verscheidene stadhouders zond, beleed, dat hij door het gebed der
Christenen de overwinning verkregen bad, en aan het bovengenoemde leger de naam
gaf van het bliksemende."
Was de vervolging van de Christenen onder M. Antoninus geëindigd, onder
keizer Commodus duurde de vrede voort, en wel omdat hij zonder twijfel nog aan
het buitengewone wonder dacht, hier boven verhaald, dat zijn vader tot
meedogendheid jegens de Christenen had opgewekt; maar ook omdat hij een bijzit
had, Marcia genaamd, die de Christenen een goed hart toedroeg. In het begin der
regering van Commodus hadden dus de Christenen vrede, maar dit duurde niet
lang.
In weerwil van die vrede, worden toch door sommigen als martelaren in het
begin van zijn regering gehouden en genoemd: Vincentius, Eusebius, Peregunus en
Potentianus, leraars, als ook Julius, een raadsheer te Rome.
In deze tijd werd ook in de stad Smyrna gevangen genomen Polycarpus, een
leerling van de Apostel Johannes, die Johannes zelf het woord had horen
verkondigen, en die met hen had omgegaan, die de Heere Christus hadden gezien,
en door Johannes was aangesteld tot een opziener van de gemeente der genoemde
stad Smyrna.
De stadhouder Filippus vermaande hem, dat hij, zijn ouderdom in aanmerking
nemende, zou zweren bij de goden des keizers en Christus vloeken. Met grote
vrijmoedigheid antwoordde hij echter: “Zes en tachtig jaren heb ik mijn Heere
Christus gediend, en hij heeft mij nimmer enig kwaad gedaan; hoe zou ik mijn
Koning kunnen vloeken, die mij behouden heeft?" Toen de stadhouder hem
dreigde met de wilde dieren, als hij van zijn voornemen geen afstand deed en
zich bekeerde, antwoordde Polycarpus: laat hen voorkomen, want mijn besluit is
onveranderlijk, wij kunnen ons door bedreigingen niet bekeren van het goede,
tot het kwade, beter ware het, dat zij zich tot het goede bekeerden, die in hun
boosheid volharden."
Vervolgens zei de stadhouder: houdt gij nog vol? Als gij de wilde dieren
veracht, zal ik u door vuur laten verbranden." “Gij dreigt mij met
vuur," dus hernam Polycarpus, "dat in een ogenblik ontstoken en weer
uitgeblust wordt, want gij weet niet van het eeuwige vuur, dat de bozen treffen
zal in de dag des oordeels. Wat vertoeft u nog? Doe aan mij, wat gij van beide
goedvindt."
Toen nu het volk zijn dood eiste, werd hij door de stadhouder overgeleverd
om verbrand te worden. Als nu het hout van alle kanten voor de brandstapel was
aangebracht, waarbij vooral de Joden, volgens hun gewoonte zich beijverden, en
men hem met nagels aan een paal wilde hechten, zei hij: laat mij zoals ik ben.
Die mij kracht gegeven heeft om de pijn van het vuur te verdragen, zal mij ook
helpen om op deze brandstap te blijven. Daarop werd hij slechts gebonden. Toen
hij met vrijmoedigheid tot God gebeden had en het vuur hem niet deerde,
aangezien dit, tot ieders verwondering, onder en rondom hem uitbarstte, zonder
hem nochtans te verteren, werd hij eindelijk doorstoken, waarbij het bloed zo
overvloedig uit zijn lichaam vloeide, dat het vuur daardoor werd uitgedoofd.
Felicitas, een weduwe, geboren te Rome, werd in haar vaderstad, om Gods
Woord, met haar zeven zonen omgebracht.
[JAAR 179.]
In die tijd ontstond te Lyon en te Vienne in Frankrijk een grote beroerte,
wegens het wrede geweld, dat men de Christenen aandeed. De huizen en woningen
werden verboden, daarna ook het gebruik der baden en later zelfs van de straat.
Dit ging zelfs zo ver, dat men hen in het geheim noch openbaar duidde.
Desgelijks werden er velen gevangen genomen en gepijnigd, zodat zij veel hebben
moeten lijden.
Vetius Epagathus, een vroom Christen, en hoewel van jeugdige leeftijd, toch
christelijk van leven, en een geacht edelman, die de wreedheid zag, welke men
de Christenen aandeed, verlangde, door een ijverige geest bezield, van de
rechter, dat men hem wilde aanhoren in hetgeen hij ten gunst van de goede
burgers in het midden wilde brengen; dat zij namelijk niets kwaads bedreven, en
zich niet in de strikken der ongerechtigheid lieten vangen. Toen hij echter
geen gehoor kon krijgen, vroeg de rechter hem alleen, of hij een Christen was.
En, toen hij dit openlijk en vrijmoedig beleed, zei de rechter: “Dan zult gij
met de gevangenen meegaan als een voorspraak van de Christenen." Zo werd
hij dan ook met de heilige leraar Zacharias, die als een goed herder voor zijn
schapen streed, gevangen weggeleid en eindelijk gedood in het jaar onzes Heeren
179.
Er werd ook gevangen genomen een diaken uit de stad Vienne, Sanctus
genaamd. Men pijnigde hem op zeer onmenselijke wijze, teneinde van hem te weten
te komen, of de Christenen zich aan zulke gruwelijke handelingen schuldig
maakten, als waarvan men hen beschuldigde. Maar, aangezien hij zeer door God
versterkt werd, verachtte hij al de pijnigingen, welke zij hem aandeden,
dermate, dat hij niet bekende, wie hij was, noch uit welk geslacht, uit welk
land of hoe hij heette. Toen men hem onder de pijnigingen omtrent alles
ondervroeg, antwoordde hij niets anders dan dat hij een Christen was. “Dit is
mijn naam," zei hij, ja ik ben in het geheel niet anders dan een
Christen." Om deze reden koelden de tirannen hun wraak dermate aan hem,
dat zij zijn buik en andere gevoelige plaatsen van zijn lichaam met gloeiende
ijzeren platen belegden, zodat zijn vlees verbrandde en van het lichaam viel.
Toen deze heilige martelaar dus standvastig bleef, werd hij in zeer mismaakte
toestand in de gevangenis geworpen, terwijl later deze vrome getuige, na vele
en gruwelijke pijnigingen, andermaal werd voorgebracht, en om de getuigenis van
Christus onthoofd.
Attalus en Blandina gevangen genomen zijnde, werden zeer dikwijls en
vreselijk gepijnigd, opdat zij Christus zouden verloochenen en zekere verzonnen
boze daden van de Christenen bekennen. Na zware pijnigingen te hebben
uitgestaan, zette men hen weer in de gevangenis.
In deze tijd is onder de Christenen het bijgeloof, om sommige spijzen uit
te zonderen, in zwang gekomen. Men achtte het toen niet ongeoorloofd, (zoals
men nu doet) op zekere dagen vlees te eten, want dit is later eerst verordend,
toen de Antichrist dit begon te verbieden; maar sommigen onthielden zich van
het gebruik van vlees, omdat zij meenden, dat hun vleselijke lusten daardoor
temeer zouden onderdrukt en bedwongen worden. Later dachten sommigen, dat het
een heilige verrichting was, (naar hun mening) Gode aangenaam, en zo werd het
ten laatste een verbod. Juist in deze tijd zat er een ander Christen met
Attalus en Blandina gevangen, die zich zeer sober behielp, en geen wijn en
vlees gebruikte. Nu openbaarde God aan Attalus, dat hij deze mens aanzeggen
moest, dat hij zich van dagelijkse spijs moest bedienen, opdat anderen zijn
voorbeeld daarin niet zouden navolgen, aangezien eenvoudige mensen licht konden
menen, dat het bijzondere gebruik van spijs een aanbevelenswaardige godsvrucht
was. Attalus deelde deze openbaring aan deze mens en andere gevangenen mee, die
er aan gehoorzaamden, terwijl de anderen er door geleerd en versterkt werden.
Na Attalus en de anderen zware en onlijdelijke pijnigingen te hebben
aangedaan, werd de eerste voor de wilde dieren geworpen, ofschoon hij een
Romeins burger was, die men, volgens het bevel des keizers, had behoren te onthoofden.
Maar toen de wilde dieren het lichaam van de martelaren niet aanroerden, liet
de rechter hen andermaal op velerlei wijze pijnigen, en werden zij zelfs op
ijzeren stoelen boven het vuur geplaatst. Toen nu Attalus op de stoel zat, en
men bezig was hem te binden, zei hij tot het volk: ziel, dit is nu mensen eten
(de Christenen werden ook beschuldigd, dat zij kinderen aten) wat gijlieden
doet; wij eten geen mensenvlees, en bedrijven ook geen wandaden." Als zij
hem vroegen hoe God heette, antwoordde hij: “Waar er velen zijn, daar worden
zij met namen onderscheiden; maar, aangezien er slechts één God is, heeft Hij
geen naam nodig." Eindelijk werd Attalus met de anderen in het perk
onthalsd.
Nadat deze omgebracht waren, werden Blandina en Ponticus een jongeling van
15 jaren, andermaal voorgebracht. Toen men hun gebood, dat zij hij de afgoden
zouden zweren, antwoordden zij, dat de afgoden niets zijn, en dat zij daarom
bij hen niet zweren konden. Als zij en vele anderen zich tegen de afgoderij
verklaarden en die verfoeiden, werden zij weer op de vreselijkste wijze
gepijnigd, zo zelfs, dat Ponticus onder de martelingen de geest gaf. Nadat
Blandina van de morgen tot de avond dermate was gemarteld, dat haar gehele
lichaam vaneen gescheurd en als aan stukken gereten was, zo zelfs, dat haar
pijnigers door vermoeidheid ter aarde vielen, en bekenden, dat zij geen
pijnigingen en martelingen meer konden uitdenken, die haar gevoelig moesten
aandoen, riep zij niets anders dan: “Ik ben een Christin, en door ons wordt niets
kwaads of onbehoorlijks gedaan. Eindelijk werd zij in een net gewikkeld en de
stieren voorgeworpen. Deze wierpen haar herhaalde malen met hun horens in de
hoogte, totdat zij haar ziel Gode opofferde, in het jaar onzes Heeren 179.
[JAAR 179].
Photinus, bisschop of leraar te Lyon, een man van ruim negentigjarige
ouderdom, en zwak van lichaam, werd voor de rechterstoel van het volk gebracht.
Zijn vijanden schreeuwden verward door elkaar, en zeiden, dat hij Christus zelf
was. Op de vraag van de president, wie de God der christenen was, antwoordde
hij: "Wanneer gij het waardig bent, zult gij het weten." Als wilde
dieren vielen zij toen op hem aan, en martelden hem met slaan, schoppen,
trekken, stoten, trappen enz. dermate dat hij twee dagen daarna overleed. In
het jaar 179 na Christus' geboorte zijn te Lyon en te Vienne, omstreeks
dezelfde tijd, waarin Photinus stierf, nog ter dood gebracht, Zacharias, een
ouderling, Maturus, Alexander, een dokter, en Alcibiades.
In deze tijd werden ook vele anderen op wrede wijze vervolgd en gedood, zij
werden aan de honden voorgeworpen, men verbood hen te begraven, en de as van
hun verbrande lichamen werd in het water geworpen, opdat zij, naar hun mening,
geen deel zouden hebben aan de opstanding, waarop de gelovigen hopen. God
intussen, gaf aan Zijn volk moed en stond hen bij, zodat zij geen vrees hadden
voor de tirannie.
[JAAR 188]
Apollonius, een raadsheer te Rome, was een man, die wel verdient genoemd te
worden, daar hij zich voor de belijdenis des christelijken geloofs gewillig in
de dood heeft overgegeven, zonder in het minst in aanmerking te nemen de staat,
waarin hij verkeerde, en de waardigheid, die hij bekleedde. Toen hij door zijn
slaaf was aangeklaagd, dat hij een Christen was, en de senaat van Rome hem
dwong om rekenschap van zijn geloof te geven, legde hij een
verdedigingsgeschrift van zijn geloof over, en las het, gelijk sommigen zeggen,
aan de senaat voor. En, hoewel de Christenen nu vrede hadden, zo beweren
sommigen, dat de senaat hiertoe gedrongen werd door zekere wet, die beval, dat
men een Christen, die aangeklaagd was, en bij zijn belijdenis bleef volharden,
niet mocht vrijlaten. Maar ook om aan de anderen kant het bevel van Antoninus
te volbrengen, liet de senaat eerst de aanklager de benen breken. Dit
geschiedde onder de regering van keizer Commodus te Rome, in het jaar onzes
Heeren 188.
De vijfde vervolging van de Christenen barstte uit in het tiende jaar der
regering van keizer Severus. De aanleiding tot deze vervolging was, dat de
eerrovers en lasteraars allerlei valse beschuldigingen uitstrooiden jegens de
Christenen, namelijk, dat zij oproerige lieden waren, die zich jegens de
keizerlijke majesteit misdroegen, doodslagers, tempelrovers, bloedschenders,
die in hun samenkomsten de kaarsen uitbliezen en zich aan allerlei ontucht en
ondeugd overgaven, kindermoordenaars, menseneters insgelijks, dat zij een
ezelskop als God vereerden, maar bovenal dat zij de goden verachtten, en dat
daarom vanwege hen ongeluk en rampen de mensen was overkomen.
De hevigste vervolging had plaats, nadat Eusebius en Tertullianus in Afrika
hun geschriften hadden opgesteld.
Een grote menigte Christenen werd naar Alexandrië, in Egypte, gebracht,
waar zij om de naam van Christus op velerlei wijzen gedood werden.
Tot de voornaamste martelaren van die tijd behoren de navolgende.
Onder deze hevige vervolging werden vele vrome Christenen om de
christelijke godsdienst onder de grootste pijnigingen ter dood gebracht. Onder
deze was ook Leonidas, de vader van de geleerden Origenes, een man van zeventig
jaren. Toen hij in de gevangenis zat, vermaande hem Origenes, die toen slechts
zeventien jaren oud was, met een troostvolle brief tot volharding in zijn
lijden, en dat hij zich niet moest bekommeren om zijn vrouw, Origenes' moeder,
en haar zeven jeugdige kinderen, van welke hij de oudste was. Leonidas, aldus
door zijn zoon tot volharding opgewekt, en bovenal versterkt door de bijzondere
bijstand des Heilige Geestes, werd, omdat hij verstandig bleef, om de
belijdenis van Christus, te Alexandrië onthoofd, in het tiende jaar der
regering van Severus, toen Letus in die stad van Egypte stadhouder was, terwijl
al zijn bezittingen ten behoeve van de schatkamer des keizers werden verbeurd
verklaard.
Te die tijde onderwees Origenes zijn leerlingen zo krachtig in het geloof,
dat later velen hun leven voor de christelijke godsdienst hebben overgegeven.
Onder deze waren de eerste Plutarchus, twee mannen, waarschijnlijk gebroeders,
Sereni genaamd en Hero. Toen Plutarchus naar de strafplaats werd geleid, om
gedood te worden, was Origenes aan zijn zijde om hem te troosten, waarom hij
voorzeker door de woedende schare zou doodgeslagen zijn geworden, zo de
goddelijke Voorzienigheid hem niet had beschermd.
Irenaeus, geboren te Smyrna of daaromtrent, in Azië, was, onder Photinus de
bisschop, ouderling te Lyon, in Frankrijk. Hij was een godzalig, en geleerd en
zeer verstandig man, daar hij in zijn jeugd een leerling was van Polycarpus,
bisschop en martteDlaar te Smyrna. Wegens zijn bekwaamheid en godzaligheid was
hij in Photinus' plaats gekomen. Hij was een naarstig beminnaar en navolger van
de leer van Christus, oprecht in zijn leven en zeer geacht bij alle vermaarde
personen van zijn tijd. Op bijzondere wijze bevorderde hij de vrede der kerk,
vooral in de twist, die ontstaan was, door Victor, bisschop te Rome, over de
tijd, wanneer het Paasfeest moest gevierd worden.
Tengevolge van die twist werkte Victor mee, dat de Oosterse gemeente zich
van de Westerse hebben afgescheiden, waarover Irenaeüs hem en zijn medestanders
ernstig bestrafte. Hij heeft enige goede boeken nagelaten, vooral tegen de
ketters, die hij manmoedig weerstond. Nadat hij gedurende geruime tijd de
waarheid voorstond en verdedigde, werd hij eindelijk onder de regering van
Severus te Lyon gedood, ofschoon het onzeker is, wanneer en welke dood hij
gestorven is.
In die tijd werd ook ter dood gebracht zekere Rhaïs, een eerbare vrouw,
alsmede Marcella en haar dochter Potamiena. Toen over deze het vonnis des doods
geveld was, bespotte het gemene volk haar zeer, doch het werd door Basilides,
die het vonnis uitgesproken had, daarover bestraft, terwijl deze Basilides,
door Gods genade, het geloof in Christus omhelsde, ook daarna de marteldood
stierf.
De voornaamste stadhouders, die in die tijd de Christenen het meest
geplaagd hebben, waren, volgens Tertullianus: Hilarianus, Vigellius, Claudius,
Herminianus, Cecilins, Capella, Vespronius; volgens Cyprianus, ook Demitrianus
en volgens Eusebius, ook Aquila. De meesten dezer werden, op onderscheiden
wijzen, door Gods hand gestraft, zoals onder anderen Claudius Herminianus,
(zonder dat anderen er mee besmet werden) met de pest, nadat hij vroeger
geplaagd was door schadelijk gewormte.
Voor zijn dood zei hij: “laat niemand dit weten, opdat de Christenen zich
niet verblijden."
Omtrent deze tijd schreef Septimius Florens Tertullianus, geboren te
Carthago in Egypte, een verdedigingsgeschrift voor de Christenen tegen de
heidenen, waarin hij al de lasteringen weerlegt, welke men in die tijd de
Christenen aandeed; hij toonde aan, dat zij onschuldig waren en vervolgd
werden, niet om enige boze handelingen, maar alleen om hun naam als Christenen.
Hij voegde er bij, dat niettegenstaande de bitterheid der vervolging, hun
godsdienst in het minst niet leed of verzwakte, maar veel meer werd opgewekt en
gesteund. Onder andere zegt hij: “Ons aantal neemt toe, en wij wassen aan,
wanneer wij door u als gemaaid worden. Het bloed der Christenen is als het
zaad. Want wie is er onder ulieden, die dit ziet, welke niet gedrongen wordt om
te onderzoeken, welk een zaak het Christendom toch zij? Wie is er, wanneer hij
het onderzocht heeft, die er niet toe overgaat? En als hij er zich bijgevoegd
heeft, ook niet wenst te lijden? Op soortgelijke wijze zegt dezelfde: deze
sekte (dit woord wordt hier gebruikt in een gunstige betekenis) zal nooit
uitgeroeid en vernietigd worden. Gelooft het toch, dat zij opgebouwd wordt. al
schijnt zij vernietigd te worden. Want een ieder, die deze grote lijdzaamheid
ziet van hen, welke hoe langer hoe meer geslagen worden, wordt geprikkeld en
aangevuurd om te onderzoeken, wat daarvan de oorzaak is. En wanneer hij tot
kennis der waarheid gekomen is, volgt hij ook onverwijld de Christenen
na."
M. Aurelius Severus, de zoon van Antoninus en neef van de keizer Severus,
was een vroom en oprecht vorst, zeer geleerd en de geleerden gunstig. Zijn
moeder Mammea was een zeer wijze vrouw, die hij zeer eerde en wier wijze
vermaningen hij volgde. Toen hij aan de regering kwam, bestuurde hij de
Republiek onder voorlichting van wijze en verstandige mannen, onder welke
vooral rechtsgeleerden waren. De goddelozen, gierigaards, onrechtvaardigen en
boosaardigen ontnam hij alle openbare bedieningen. De soldaten hield hij onder
goede tucht en bestraffing. Op aanhitsing van Ulpianus was hij in het begin van
zijn regering de Christenen niet zeer gunstig, zodat sommigen van hen werden
omgebracht, zoals:
Agapitus, een jongeling van 15 jaren.
Calapodius, een ouderling.
Pammachius, een raadsheer te Rome.
Simplicius, een raadsheer.
Insgelijks de gebroeders Tiburtius en Valerianus; verder Quiritius,
Patritius en zijn moeder Julia.
Ook Cecilia en Martina, beiden maagden.
Later was de keizer de Christenen gunstiger, vooral om zijn moeder, die de
Christenen een goed hart toedroeg. Zij beschikte ook de Christenen een plaats,
waar zij hun godsdienstoefeningen konden houden, en wilde zelfs ter ere van
Christus een tempel bouwen, doch werd daarin verhinderd. Men leest ook, dat,
toen de Christenen zekere plaats genomen hadden, om die tot de
godsdienstoefeningen te gebruiken, en de slachters der offeranden beweerden,
dat die hun toekwam, de keizer zei, dat hel beter ware, dat men op die plaats
God, op welke wijze dan ook, diende en eerde, dan dat zij door de onreinheid
van de dienaars der tempels besmet en verontreinigd werd.
M. Minucius Felix, een rechtsgeleerde te Rome, en een zeer voortreffelijk
en geleerd man, stelde een samenspraak op ten gunste van de christelijke
godsdienst, waaraan hij de naam gaf van Octavius.
Lactantius getuigt aldus van hem: “Minucius Felix was onder de
rechtsgeleerden een man van hoog aanzien, en zijn boek, dat de naam van zijn
vriend Octavius draagt, geeft de duidelijkste blijken welk een bekwaam dienaar
der waarheid hij zou geweest zijn, wanneer hij zich daaraan geheel en al had
overgegeven."
De zesde vervolging der Christenen brak uit onder de regering van keizer
Maximinus, een van nature zeer wreed mens, zo jegens aanzienlijke personen,
omdat hij van geringe afkomst was, als jegens de dienaars van het Evangelie.
Tot geluk van de Christenen duurde deze vervolging niet lang, daar hij slechts
twee jaren regeerde. Aangezien deze keizer een hevige vijand was van de
dienaars van het evangelie, werden zij ook het eerst vervolgd, omdat zij
leraars en bewerkers waren, zoals men zei, van de christelijke godsdienst.
Men meende namelijk, dat, wanneer men deze vervolgde en wegjoeg, de anderen
te eerder hun godsdienst zouden laten varen.
De kerkleraar Origenes schreef toen een brief, teneinde de Christenen tot
standvastigheid op te wekken, over het martelaarschap, en droeg dit op aan
Ambrosius, opziener der gemeente te Milaan, en Protoctus, beide geleerde mannen
in die tijd.
De geschiedenis zegt, dat onder zijn regering, om de belijdenis der
goddelijke waarheid gedood werd Fabianus, opziener van de gemeente te Rome.
[JAAR 251.]
Omtrent het jaar onzes Heeren en Zaligmakers 251 ontstond er een zeer grote
en wrede vervolging tegen de gelovige Christenen, en wel onder de regering van
keizer Decius, gewoonlijk de zevende genaamd. Sommigen dachten dat hij deze
vervolging beval uit haat jegens keizer Filippus, die de christelijke
godsdienst had aangenomen. Maar Cyprianus, die in die tijd leefde, schrijft de
aanleiding tot deze vervolging aan de Christenen zelf toe. "Men moet (zegt
hij) het inzien en belijden, dat de grimmige en vernielende benauwdheid, die
onze kudde voor het merendeel verwoest heeft en nog zonder ophouden verwoest,
om onze zonden ons is overkomen, omdat wij de weg des Heeren niet bewandelen,
en de hemelse geboden ons tot onze zaligheid gegeven, niet bewaren. Onze Heere
heeft de wil Zijns Vaders volbracht, en wij volbrengen de wil van onze Heere
niet. Ieder onzer benaarstigt zich om geld en goederen te vergaderen, de
hovaardij na te jagen; men maakt zich schuldig aan afgunst en tweedracht, verzaakt
de eenvoudigheid en verloochent de boze wereld alleen niet woorden en niet met
daden, behaagt zichzelf en mishaagt allen. Wij worden aldus geslagen, gelijk
wij verdienen; want welke plagen, welke slagen verdienen wij niet?" etc.
En elders; indien men de oorzaak van de jammer en het ongeluk kent, zal men
gemakkelijk een geneesmiddel vinden voor de wond. De Heere heeft Zijn huisgezin
willen beproeven; en, aangezien de langdurige vrede, de lering en tucht, die
ons van de hemel gegeven waren, bedorven had, zo heeft de hemelse straf het
onmachtige, ja bijna had ik gezegd het slapende geloof, wederopgewekt. En, daar
wij door onze zonden nog meer verdienden te lijden, heeft nochtans de
allerbarmhartigste Heere zo genadig met ons gehandeld, dat al wat er is
geschied, veeleer een bezoeking scheen dan een vervolging. Ieder benaarstigde
zich, om zijn bezittingen te vermeerderen, en men vergat wat de gelovigen of de
Christenen in de tijd der Apostelen. gedaan hebben, of altijd behoorden te
doen; men wendde, integendeel, alle naarstigheid aan, om als door een
onverzadigbare brand van gierigheid de rijkdommen op te hopen en te
vermeerderen. Onder de priesters vond men geen behoorlijken ijver om God te
dienen; onder de dienaars geen oprecht geloof, in de werken geen
barmhartigheid, in de zeden geen tucht. Tot dusverre Cyprianus.
In deze bloedige vervolging werden vele Christenen, uit de aanzienlijken en
uit de lage stand, in vele landen en steden van het gehele keizerrijk onder
ongehoorde pijnigingen ter dood gebracht.
Alexander, opziener van de gemeente te Jeruzalem, was een man, groot in
aanzien en gezag. Hij was zeer begaafd en vreesde de Heere bijzonder. Voor de
waarheid van Christus leed hij veel, doch God spaarde hem, en wel tot onder de
regering van keizer Decius. Onder diens regering werd hij, om de belijdenis van
Christus, door de stadhouder in Cesarea gevangen genomen en voor diens
rechterstoel gebracht. Door alle gelovigen werd hij daar op treffende wijze in
Christus geroemd, en wel bovenal om zijn vrijmoedige verantwoording voor de
naam van Christus. Daarom werd hij in ketenen geklonken, in de gevangenis
gezet, waar hij lang vertoefde, dikwijls voor de vierschaar geroepen werd en
telkens weer naar de gevangenis moest terugkeren. Nadat hij deze ellendige
mishandeling met lijdzaamheid verdroeg, en God met de Apostelen dankte, dat Hij
hem waardig achtte, om Zijns Naams wil dit lijden uit te staan, offerde hij ten
laatste, na veel smart en lijden, zijn leven aan God op. Of hij door
pijnigingen, of hongersnood, of andere ellende in de gevangenis gestorven is,
daaromtrent is niets zekers bekend.
Babylas, bisschop of opziener van de gemeente te Antiochië, was een
voortreffelijk man (zegt Chrysostomus), over wie ieder zich met recht mocht
verwonderen, daar hij keizer Decius belette in de vergaderingen der Christenen
te komen, omdat hij niet wilde, dat een wolf in het midden der schapen vallen
zou. Hij werd gevangen genomen en gedwongen de afgoden te offeren, doch
weigerde dit. Na zijn goede zaak verdedigd en verklaard te hebben, dat een
herder zijn schapen niet behoort te verlaten, dat hij de almachtige God niet
wilde verzaken, en tot valse goden de toevlucht nemen, werd hij om deze
belijdenis ter dood veroordeeld. Toen hij bereid was om te sterven, zei hij:
"Mijn ziel, ga tot uw rust, want de Heere heeft u aangezien." En alzo
werd hij onthoofd.
Alexandrië was als het ware de schouwplaats van alle tirannie. Onder ben,
die daarin die tijd om de naam van Christus werden omgebracht, zijn de volgende
wel de voornaamste:
Metranus, een godvruchtig, bejaard man, die, om de belijdenis van Christus,
door het oproerige volk te Alexandrië gevangen genomen werd, wilde men dwingen
om godslasteringen uit te spreken, dat is, om de naam van God te lasteren, en
Zijn Gezalfde, de Heere Jezus Christus, te verloochenen. Toen hij dit weigerde,
sloeg men hem met stokken over het gehele lichaam, terwijl zijn aangezicht met
scherpe rieten doorstoken werd. Toen hij aldus gepijnigd en gemarteld was,
werd,hij buiten de stad geworpen en ter dood gestenigd.
Daarna werd ook gegrepen zekere Cointha, een edele en gelovige vrouw, die
men in een afgodstempel bracht, voor de goden plaatste en haar dwong om die te
vereren. Maar, toen zij niet verfoeiing van de afgoderij, zich daarvan
afkeerde, bonden zij haar voeten samen, en sleepten haar alzo door de straten
van Alexandrië, geselden haar met roeden, en drukten haar naakte lichaam tegen
draaiende molenstenen. Toen zij haar lang genoeg gesleept, geslagen, gemarteld
en door geselslagen haar lichaam vaneen gereten en verscheurd hadden, en zij
onder dit alles bijna bezweken was, trokken zij naar de voorstad, waar zij haar
met stenen wierpen en daarmee bedekte.
Dit wreed en onstuimig volk sloeg ook de handen aan Apollonia, een
bejaarde, beroemde en christelijke maagd, en sloegen haar met vuisten derwijze
in het gezicht, dat zij al haar tanden uit de mond verloor. Daarna brachten zij
haar voor een vuur, en zeiden haar, dat, wanneer zij aan hun goden niet wilde
offeren en Christus vloeken, zij daarin verbrand zou worden. Maar zij verkoos
liever de pijniging van het vuur, en het verlies van haar tijdelijk leven, dan
Christus te verzaken en haar ziel te verliezen om het tijdelijke leven te
behouden.
Zo werd ook Serapion, geboren te Efese, uit zijn huis gesleept en zijn
lichaam door vele slagen vaneen gereten en bijna van lid tot lid aan stukken
gesneden. Na deze wrede mishandeling wierpen zij hem bovendien van zekere hoge
plaats naar beneden, zodat hij in ellendige toestand stierf.
In die tijd werd ook een Julianus, bijgenaamd Eunus, die ook de waarheid
staande bleef. Door de tirannen werd hij op een kameel gezet, en alzo door de
stad gevoerd. Met scherpe roeden werd hem het vlees van het lichaam gescheurd,
en terwijl het woedende volk hem met stenen wierp, werd hij eindelijk verbrand.
Voorts lezen wij nog van een kloek en dapper ridder, Besas genaamd, die het
volk bestrafte, omdat zij de dode lichamen der martelaren bespotten. Door de
woede van het volk werd hij gevangen genomen, en, daar hij Christus standvastig
beleed, levend verbrand.
Wij willen ook niet zwijgen van Macarius van Lybië, wie de rechter met vele
redenen aanraadde, dat hij Christus zou verloochenen. Maar, daar hij te sterker
in zijn belijdenis volhardde, werd hij levend verbrand.
Epimachus en Alexander hebben ook, na vele pijnigingen, hun leven in het
vuur moeten eindigen.
Aan het vrouwelijke geslacht heeft God evenzeer Zijn kracht op wonderbare
wijze betoond. Er waren namelijk, Ammonaria en Mercuria, twee maagden, en
Dionysia, een bejaarde vrouw, en nog een andere Ammonaria, die ook, onder vele
wrede pijnigingen, tot verzaking van de christelijke godsdienst werden aangezocht.
Zij gedroegen zich daarbij evenwel zo standvastig, dat de vijanden Gods zich
schaamden. Niettegenstaande dit, liet de rechter ze onthoofden.
In deze vervolging werden ook opgebracht Cheremon, bisschop te Nicopolis,
een stad in Egypte, Heron, Arsinus, Isidorus, alle drie Egyptenaars. Insgelijks
Nemesius, Ammon, Zenon, Ptolomeüs, Ingenuus, Theophilus, ook Scirion, een
rentmeester van een aanzienlijk man. Deze beval Scirion, dat hij de afgoden zou
offeren; maar, toen hij dit weigerde, zocht hij hem met harde woorden en
bedreigingen daartoe te dwingen. Maar toen hij daarmee bij hem niet vorderde,
en Scirion volstandig in zijn geloof volhardde, beproefde hij met vleiende
woorden hem daartoe te bewegen. Maar, toen hij zag, dat hij onbeweeglijk bleef,
nam hij een scherpe paal, en stootte hem daarmee zo lang in zijn lichaam,
totdat hij op wrede wijze vermoord was.
Zo wij alle martelaren wilden opsommen, die in alle landen van het
keizerrijk, onder de regering van deze tiran Decitis, werden omgebracht, dit
boek zou die allen nauwelijke kunnen bevatten. Aangaande deze vervolging
getuigt Nicephorus: dat het even moeilijk is, al de martelaren aan te wijzen,
als het zand van de zee te tellen."
De pijnigingen, waaronder de arme Christenen in die tijd werden omgebracht,
waren ontzettend hard. Gebannen, van zijn bezittingen beroofd, tot werken in de
mijn veroordeeld, gegeseld, onthoofd, opgehangen te worden, werd gering en als
niets geacht. Zij werden met hete tarwe bestrooid, over een klein vuur
geblakerd, gestenigd, met scherpe pennen in het aangezicht, de ogen, ja het
gehele lichaam gestoken, langs de straten over harde keien en scherpe stenen
gesleept, tegen steenrotsen verpletterd, van hoge steile plaatsen afgeworpen,
de leden aan stukken gebroken, met kromme haken vaneen gescheurd, op scherven
van gebroken potten gewenteld, de wilden dieren tot roof en spijs gegeven.
Boven dit alles werden hun palen door de lengte van het lichaam gedreven.
Zodanige pijnigingen maakten vele Christenen bevreesd, zodat sommigen van
hen afvallig werden, en schipbreuk leden in hun geloof. Van deze hebben wet
enige berouw gehad, maar velen zijn verhard gebleven en rechtvaardig door God
gestraft.
In de tijd, dat Cyprianus verbannen was, schreef hij aan zijn medehelpers
in het werk des Heeren en anderen, zeer troostrijke brieven. Onder deze brieven
is de laatste van zijn derde boek zeer heerlijk, waarin men, onder andere, deze
woorden leest: "De straffen zijn voor de Christenen geen vervloekte
dingen. De borst van een Christen, die al zijn hoop op Christus heeft
gevestigd, Die aan het kruishout heeft gehangen, wordt door de knotsen niet
verschrikt. De boeten en straffen zijn als versierselen, en hechten de harten
der Christenen niet aan de zonde, maar maken die vrij bij de Heere. Het lichaam
der Christenen vindt bij het werk in de ijzermijnen geen genot als op een bed,
maar smaakt genot in de gemeenschap met Christus; de leden, vermoeid door de
arbeid, liggen wel uitgestrekt op de aarde, maar het is geen pijn alzo met
Christus te liggen; koud zijnde vinden zij daar geen klederen, maar wie
Christus aandoet en door Hem overkleed, is, is overvloedig gekleed en
versierd." En daarna: "God, van boven neer ziende, is, in de
belijdenis van zijn naam, aan de gewilligen aangenaam; Hij helpt de strijdende,
kroont de overwinnende, vergeldende in ons, wat Hij zelf gedaan heeft en
verheerlijkende wat door Hem volbracht is."
Aangaande de straffen, die de vervolgers toen van God zijn overkomen:
schrijft dezelfde Cyprianus aldus: Wij zijn er zeker van en het is gewis, dat
wat wij lijden niet ongestraft blijft; en hoe groter de zonde van de vervolging
is, zoveel te duidelijker en te zwaarder zal de straf zijn, voor de vervolging
ons overkomen. Wanneer ons niet overkomt, wat om die reden in vorige tijden
geschied is, zo zal, wat onlangs gebeurd is, ons genoegzaam tot lering kunnen
verstrekken, namelijk, dat de verdediging zo haastig volgde en met zulk een
grote spoed, zo hard en zwaar, met de val van koningen en prinsen, met verlies
van schatten en rijkdommen, met de afval en schade der krijgslieden, en met
vermindering der legers."
Valerianus en Gallienus waren in het begin van hun regering de Christenen
zeer gunstig, doch veranderde al spoedig, en werden tot haat verleid door een
Egyptische tovenaar; zodat zij daarna de Christenen, door verschilende
pijnigingen, tot afgoderij dwongen.
Lucius, opziener van de gemeente te Rome werd omgebracht.
Cecilius Cyprianus, geboren in Afrika, werd eerst opgevoed en onderwezen in
1 de vrije kunsten onder de heidenen. Toen hij te Karthago onderwijs gaf in de
welsprekendheid, werd hij met de christelijke godsdienst bekendgemaakt door een
maagd, Justina geheten, en voornamelijk door een ouderling der Christenen. Men
zegt, dat hij een leerling was van Tertullianus, wiens geschriften hij met
voorliefde las. Hij nam zodanig toe in goddelijke wijsheid en verstand, dat hij
tot ouderling benoemd werd en later tot bisschop van Karthago, welke betrekking
hij lang bediend heeft, niet alleen tijdens het tamelijk vreedzaam was, maar
ook onder de regering van keizer Decius. In de tijd der vervolging wist hij
bijzonder de martelaren te vermanen en op te wekken tot volharding met geschriften
en woorden, naarmate hij daartoe gelegenheid had. Soms werd hij gedwongen zijn
volk te verlaten, aangezien men hem dreigde de leeuwen te zullen voorwerpen;
daarom vluchtte hij soms liever voor enige tijd, om geen oproer onder het volk
te verwekken; temeer daar hij door God zelf wel eens vermaand werd zich te
verwijderen. Hij achtte het wel begeerlijk, om voor de goddelijke waarheid te
sterven, maar, terwijl hij vluchtte, wilde hij God toch niet verzaken, en
vermaande ook daartoe de zijnen. Na de vervolging van Decius stond hij zijn
gemeente weer getrouw terzijde, en had grote moeite met hen die in de
vervolging afvallig geworden waren; maar, uit liefde tot barmhartigheid
geneigd, nam hij die weer gewillig op. Op bijzonder hevige wijze verzette hij
zich tegen de ketterij, zodat hij zelfs, uit ijver zonder verstand, beval, die
te herdopen, die door de ketters gedoopt waren, welk bevel hij echter later
weer introk. Soms werd hij verwaardigd met goddelijke openbaringen, zodat hij
door een profetische geest wreedheden voorzegde tot waarschuwing van zijn volk.
Kort voor zijn dood werd hij eindelijk naar Curubita, in Lybië, in ballingschap
gezonden, en wel op bevel van de rechter Paternus ten tijde van de keizers
Valerianus en Gallienus. De rechter trachtte van hem te vernemen, waar de
leraars der gemeenten zich ophielden, doch hij wilde zulks hun niet meedelen.
Twee jaren verkeerde hij in ballingschap, terwijl hij deze als een
gevangenschap beschouwde. Zijn verbanning had plaats onder het blazen op de
trompet en met verbeurdverklaring van zijn bezittingen, hetwelk hij niet alle
anderen met het grootste geduld verdroeg. Niettegenstaande hij zijn kudde in
persoon moest verlaten, droeg hij toch bijzondere zorg voor haar niet alleen
met gedachte, wil en begeerte, zelfs in de grootste vervolging, maar ook door
het schrijven van vele hartelijke, troostrijke brieven aan zijn vrienden, om
die te versterken en te vermanen tot getrouwheid en volharding. In één woord,
hij was zeer vermaard door zijn grote wijsheid en andere heerlijke gaven,
waarmee hij bedeeld was. In een brief geven Nemesius, Felix, Victor en anderen
de getuigenis aangaande hem, dat hij de voornaamste was in de goede behandeling
van zaken, de welsprekendste in het spreken, de wijste in het redekavelen, de
eenvoudigste in geduid, de vrijgevigste in aalmoezen, de heiligste in
onthouding, de nederigste in de dienst, en de ootmoedigste in alle goede
werken. Al deze eer, lof en prijs werd hem door vele geleerde mannen gegeven.
Eindelijk werd hij door de rechter Galerius Maximus, die in de plaats van
Paternus gekomen was, ontboden, om door hem ondervraagd te worden. Enige tijd
vertoefde hij buiten de stad, totdat hij door de rechter zou geroepen worden,
maar eindelijk liet de rechter hem halen en hem tot de volgende dag bewaren. Op
de 14e September werd hij voor de rechter gebracht, die hem verzocht, dat hij
aan de goden zou offeren. Cyprianus heeft tegen iedere marteling geprotesteerd,
aangezien hij zonder pijniging vrij en openlijk beleed, dat hij een Christen
was, en het hem daarom ongeoorloofd was dit te doen. De rechter zei tot hem:
“Bedenk u wel;" waarop hij antwoordde: doe wat u bevolen is; want in een
rechtvaardige zaak behoef ik mij niet te bedenken." De rechter hernam:
“Reeds geruime tijd was gij een mens vol godslastering, en hebt u bewezen te
zijn een vijand van de Romeinse goden, en u verzet tegen de wetten en bevelen
van de heiligste vorsten." Cyprianus werd vervolgens veroordeeld om met
het zwaard gedood te worden; voor welk vonnis hij God dankte.
Toen men hem naar de gerechtsplaats heenleidde, legde hij zijn
bovenklederen af, sloot zijn ogen en bad met grote ijver tot God. Gewillig boog
hij het hoofd onder het zwaard en gaf zijn ziel aan God over. Dit geschiedde in
het jaar onzes Heeren 259.
In die tijd had er ook een grote vervolging plaats te Alexandrië, waar het
getal der gedoden zeer groot was. Buiten de stad Cesaraea woonden, onder
anderen, die vrome mannen, Priscus, Malchus en Alexander. Deze werden als door
goddelijk vuur van het geloof ontstoken en beschuldigden elkaar van grote
traagheid, zeggende: aangezien er in de stad kronen des levens worden
uitgedeeld, hoe is het mogelijk dat wij nog zo traag en onverschillig zijn, om
die te verkrijgen?" Toen zij elkaar met deze woorden hadden opgewekt,
gingen zij haastig naar de stad, en bestraften daar de vervolgers van de
Christenen, omdat deze zoveel onschuldig bloed vergoten.
Om deze vrijmoedigheid werden zij aangehouden, gevangen genomen en daarna
aan de wilde dieren voorgeworpen.
Filippus, bisschop te Alexandrië, werd ook met het zwaard gedood in deze
vervolging.
In de stad Karthago werden eveneens honderd Christenen om het geloof
omgebracht.
In deze tijd werd ook Pontius, een diaken van Cyprianus, in Frankrijk,
gemarteld, en een groot aantal anderen meer in meest alle oorden van het
keizerrijk, zo door het vuur, het zwaard, wilde dieren en vele andere
pijnigingen, die maar te denken waren.
[JAAR 275.]
In het begin der regering van keizer Aurelianus betoonde deze zich de
Christenen zeer gunstig. Dit duurde echter niet lang, daar hij door goddeloze
raadslieden van mening veranderde, zodat hij, in plaats van de Christenen gunst
te bewijzen zoals vroeger, dagelijks meer middelen bedacht, teneinde hen te
onderdrukken en uit te roeien. Toen hij zich daaraan overgaf, werd hij met zijn
raadslieden door de bliksem getroffen, en kort daarna door de hand van Manco
Poris, en de listen van zijn snelschrijver Innestheus omgebracht.
Tijdens zijn korte regering liet hij, om het christelijk geloof, ombrengen
zekere Felix, opziener van de gemeente te Rome, en wel op de 30e Mei van het
jaar onzes Heeren 275.
In de plaats van Aurelianus, werd door de senaat als keizer verkozen
Claudius Tacitus, een vroom man en zeer bekwaam om landen en volken te
besturen, die, toen hij de regering in handen had, terstond overal de
vervolging tegen de Christenen staakte; doch door zijn spoedig overlijden heeft
deze rust niet lang geduurd.
Op de 8e December werd omgebracht zekere Eutychianus, bisschop te Rome.
In deze tijd verzette zich enige bewoners van Frankrijk, meest boeren, die
zich Bagaudes noemden, tegen het Romeinse rijk, en wel onder aanvoering van
Amandus en Elianu . Keizer Diocletianus stelde toen als medekeizer aan zekere
Maximianus Pannonius, die hem vroeger in de oorlog volgde, en hem wegens zijn
goede handelingen zeer goed bekend was. Deze rustte zich terstond tot de krijg
tegen de bovengenoemde Bagaudes uit, en ontbood daartoe uit de verschillende
delen des rijks een zeer grote macht soldaten. Onder deze was ook het Thebeisch
regiment uit Syrië, dat door de bisschop te Rome in de christelijke godsdienst
meer en meer geoefend en bevestigd was, als overste hebbende Mauritius en als
banierdragers Caudidus, Exsuperius, Innocentius, Victor, Constantinus en
anderen. Toen Maximianus met het hoofdleger over het gebergte in de stad
Octodurum (Martigny) gekomen was, wilde hij dat daar, eer hij de tocht voor
goed begon, plechtige offeranden zouden plaats hebben, waartoe hij alle
oversten en soldaten ontbood, die daar van het Oosten en Westen bij elkaar
waren, onder wie ook was het genoemde Thebeïsche regiment, teneinde allen, na
de gewone offerande, tegen de Bagaudes te doen zweren en de eed van getrouwheid
af te laten leggen. Toen het genoemde regiment het gegeven bevel van Maximianus
vernam, en afkeer hebbende van alle afgoderij en bereid zijnde liever de dood
te sterven dan iets onbehoorlijks tegen hun geweten te doen, weigerden zij
allen eendrachtig tot de offerplechtigheden te komen, ja, weken zelfs, om niet
besmet te worden, door de afgoderij aan te zien, een weinig terug naar het meer
Lemanus, thans het meer van Genève genaamd, tot aan de stad Agaunum. Maximianus
beval, dat zij zouden terugkeren, en zich bij de andere soldaten zouden voegen,
doch Mauritius, Exsuperius en anderen antwoordden uit aller naam, dat zij
bereid waren alles te doen en allerlei gevaren uit te staan tot nut van het
algemeen, maar dat zij vasthielden aan de belijdenis van het christelijk
geloof, en geen afgoderij konden dulden. Maximianus werd daarover zo verstoord,
dat hij tot algemene straf van dit regiment, bij loting de tienden man liet
onthoofden. Door de toespraak van Mauritius in hun geloof versterkt,
onderwierpen zich deze vrome soldaten met lijdzaamheid aan hun lot. Nadat
Mauritius de overgeblevenen tot standvastigheid vermaand en opgewekt had, liet
hij Maximianus andermaal aanzeggen, dat hij en zijn soldaten bereid waren de
wapenen te gebruiken tot hulp en bescherming van de republiek, maar dat zij
liever wilden sterven, dan de waarachtige en levende God te verzaken, en zich
met de duivelse offeranden te verontreinigen. Toen Maximianus dit hoorde,
ontstak hij nog meer in toorn, en liet hij ten tweede male de tienden man
onthoofden, en toen hij zag, dat hij ook met deze wreedheid de overigen niet
kon bewegen, om naar Octodurum (Martigny) terug te keren, maar allen
standvastig bleven, zond hij naar hen het gehele leger te voet en te paard, en
liet hen bijna allen met hun overste Mauritius omsingelen en ombrengen. Aldus
hebben deze vrome kampvechters voor het christelijk geloof hun bloed vergoten,
en zijn zalig in de Heere gestorven.
[JAAR 259.]
Marinus, een krijgsoverste en een man van hoge geboorte en zeer rijk aan
aardse goederen, werd in de stad Cesaraea in Palestina tot grote waardigheid
verheven. Een ander man daar benijdde hem dit, en zei, dat Marinus geen hogere
rang mocht bekleden, omdat hij een Christen was. De rechter vroeg aan Marinus,
of het zo was, wat deze zei. En, toen hij dit met vrijmoedigheid bekende, gaf
de rechter hem drie uren tijd om zich te beraden, of hij aan de goden en aan de
keizer wilde offeren dan als een Christen gedood worden.
Toen hij de gerechtszaal verlaten had, nam Theoternus, de bisschop uit die
stad, hem bij de hand, en leidde hem tot de Christenen in de tempel, waar hij
hem met vele woorden in het geloof versterkte. Eindelijk toonde hij hem een
zwaard, dat hij gewoon was aan zijn zijde te dragen, en ook het Evangelieboek,
en vroeg hem welk van beide hij koos en toen Marinus het Evangelieboek greep,
zei Theoternus tot hem: “Behoud wat gij verkoren hebt, mijn zoon, en dit
tegenwoordige leven verachtende, hoop op het eeuwige; ga onversaagd en ontvang
de kroon, die de Heere u bereid heeft."
Toen hij tot de vierschaar weergekeerd was, werd hij terstond door de
omroeper opgeëist, daar de lijd, die hem gegeven werd om zich te bedenken,
verstreken was. Voor de rechterstoel staande, betoonde hij daar nog grotere
ijver en vurigheid des geloofs dan vroeger, en werd door de rechter overgegeven
om onthoofd te worden.
Toen Marinus ter dood gebracht was, werd hij op de strafplaats gevonden
door Asterius, een Romeins raadsheer, wien de keizer en al het volk zeer grote
liefde toedroegen en die hoog bij hen stond aangeschreven. Deze nam het dode
lichaam van Marinus op de schouders, bracht het van daar weg en nadat hij het
in kostbaar linnen had gewikkeld, legde hij het in een nieuw graf en begroef
het. Maar voor deze eer, welke hij de martelaar had aangedaan, ontving hij ook
spoedig daarna de martelaarskroon.
De 6de Augustus, in het jaar onzes Heeren 259 werd ook, om de christelijke
godsdienst, omgebracht Xystus, bisschop te Rome.
[JAAR 252.]
Toen Xystus, bisschop te Rome, uitgeleid werd om gedood te worden,
ontmoette hem Laurentius, een der voornaamste diakenen van de gemeente te Rome,
die hem aldus aansprak: "Waar gaat gij heen, o vader, zonder uw zoon?
waarheen priester, zonder uw dienaar?" waarop Xystus antwoordde: Ik
verlaat u niet, mijn zoon, gij hebt zwaarder strijd te wachten voor het geloof;
gij zult mij na drie dagen volgen. Zo gij intussen iets bezit in deze
schatkisten, deel het de armen!" Uit die woorden maakte men op, dat hij
een grote schat van de gemeente in bewaring had, zodat hem door de stadhouder
te Rome bevolen werd, dat hij die te voorschijn moest brengen. Om al de
schatten bijeen te zoeken, verzocht hij drie dagen tijd, en bracht toen alle
arme, ellendige lieden, die van aalmoezen leefden, als: kreupelen, blinden, en
dergelijken samen, toonde deze de stadhouder, en verklaarde dat deze de
schatten en rijkdommen van de gemeente waren. De stadhouder hield het er voor,
dat men met hem spotte, en liet daarom Laurentius op een rooster leggen, met
een klein vuur er onder. Toen zijn lichaam aan de een zijde geblakerd was, zei
hij met grote vrijmoedigheid tot de tiran: "Keer dat gedeelte van mijn
lichaam, hetwelk gebraden is, om en verteer het.” Zeker iemand bracht dit
gezegde aldus in rijm:
Genoeg is deze kant
Gebraden en geraakt.
Wend mij nu om en proef, tiran,
Of 't rauw of braen best smaakt.
Door de genadige versterking Gods waren hem de kolen als rozen en als een
verkoeling en verfrissing in zijn lijden. Na voor het Romeinse rijk en zijn
vijanden gebeden te hebben, ontsliep hij, onder grote volharding, in de Heere,
in het jaar onzes Heeren 252.
[JAAR 302.]
In het jaar 302 na Christus' geboorte, in het 19e jaar der regering van
keizer Diocletianus, gaf deze bevel tot een grote en wrede vervolging van de
Christenen. Van deze vervolging, die de tiende genoemd wordt, zegt Sulpitius
Severus het volgende: "Omtrent 50 jaren na hem (te weten keizer
Valerianus), onder de regering van Diocletianus en Maximinus, brak de
allerhevigste vervolging uit, die tien jaren achtereen Gods volk plaagde. In
die tijd was genoegzaam de gehele wereld besmet met het heilig bloed der
martelaren, want men liep als om strijd tot deze heerlijke en beroemde
martelingen. Door op een waardige en heerlijke wijze te sterven werd toen de
eer, die een martelaar toekomt, met grotere ijver gezocht, dan men nu, door
ongepaste en zondige eergierigheid gedreven, de bisschoppelijke ambten najaagt.
De wereld werd nooit door enige oorlog meer onderdrukt; nooit hebben wij met
groter triomf overwinningen behaald, dan toen wij door tienjarige verdrukking
en geweld toch niet konden overwonnen worden."
In deze vervolging werd Diocletianus ook aangezet en geholpen door zijn
mederegent Maximinus, een van nature hard, wreed, ontrouw en ontuchtig men, die
in alles de begeerte en de wil van Diocletianus gehoorzaamde. Diocletianus
woedde tegen de Christenen in het Oosten, Maximinus tegen die in het Westen.
Door geloofwaardige schrijvers wordt over de oorzaken van deze vervolging
verschillend geoordeeld, doch het volgende als de voornaamste genoemd. Toen de
keizers, ofschoon zij heidenen en afgodendienaars waren, de Christenen grote
gunsten bewezen, en hen goed behandelden, zo zelfs dat zij niet alleen voorname
ambten en bedieningen kregen, maar hun ook de vrije uitoefening van hun
godsdienst toestonden, zodat men in verschillende plaatsen bedehuizen en
tempels bouwde; toen hebben de Christenen deze vrijheid misbruikt, zodat de een
de ander begon te haten en te belasteren. Aan de ene kant bejegenden de
bisschoppen en opzieners der gemeenten, alle godsvrucht en deugd verzakende,
elkaar met twist, onenigheid, verkeerde ijver, eergierigheid en tirannische
heerschappij; aan de andere zijde was het volk zonder tucht of orde, en gaf
zich ten enenmale aan oproer en opstand over. Bovendien nam de zonde, die hoog
geklommen was, in het algemeen nog op grove wijze hand over hand toe. Blijken
van boetvaardigheid waren er niet te bespeuren, zodat God in Zijn rechtvaardig
oordeel, om Zijn volk tot een nieuw oprecht en christelijk leven op te wekken,
de gesel van zulk een harde, bittere en gruwelijke vervolging moest gebruiken,
opdat de godvruchtige met de goddeloze wereld niet zou veroordeeld worden.
Aangezien het ook de bedoeling was van keizer Diocletianus, om het roomse
rijk tot de ouden bloei terug te brengen, en daarom alle gewoonten en zeden,
die in onbruik geraakt waren, weer wilde invoeren, poogde hij ook het
onderscheid te voorkomen en te doen ophouden, dat hij in de godsdienst zag, en
zocht vooral de godsdienst der Christenen uit te roeien, daar deze de
verschillende erediensten der afgoden vervloekten en verwierpen. Onder hen, die
de keizer tot de vervolging ophitsten en hem daarin versterkten, waren vele
wijsgeren en drogredenaars, die door scherp hekelende boeken en vuilaardige
geschriften de keizer en alle vorsten en rechters tot geweld aandreven, en de
christelijke godsdienst bespotten, terwijl zij die aanklaagden, dat hij
nieuwigheden, valsheid en goddeloos bijgeloof bevorderde; zij verhieven
daarentegen de heidense godsdienst als de oudste en prezen de dienst van de
goden aan, daar deze met hun macht en majesteit de wereld regeerden. Onder deze
opruiers waren, behalve Apollonius, Porphyrius, een wijsgeer, die van Jood
Christen en van Christen een afvallige was geworden, en zekere Hiërocles, een
aanzienlijk man. Tegen Porphyrius hebben de pen opgevat Methodius, bisschop te
Tyrus, Eusebius en Apollinaris; tegen Hiërocles dezelfde Eusebius; tegen beiden
en alle anderen van die geest Lactantius. De aanleiding om keizer Diocletianus
tegen de Christenen op te hitsen, namen de vijanden der waarheid uit zekere
brand in de stad Nicomedië (toen de plaats waar de keizers zich ophielden),
waardoor het paleis van de keizer geheel vernield werd, van welke brand men de
Christenen beschuldigde. De keizer was daarover zeer verbolgen, en zonder
nadenken gelovende, wat de lasteraars daarvan uitstrooiden, meende hij nu reden
genoeg te hebben, en gaf in de maand Maart, in het 19e jaar zijner regering een
bevel, dat men door het gehele rijk alle bedehuizen der Christenen moest
verwoesten. De heidense stadhouders, die de gelovige Christenen zeer haatten,
volbrachten het uitgevaardigde bevel met allen ijver, terwijl de grootste
vernieling op Paasfeest plaats had.
Spoedig daarna werd er een ander bevel gegeven, en wel dat alle boeken der
Heilige Schrift moesten verbrand worden, hetwelk op vele plaatsen, als ook te
Nicomedië op de markt met alle ijver plaats had. Voort ook bevolen, dat men
alle Christenen, die openbare bedieningen of enige ambten bekleedden, moest
afzetten of hen daarvan beroven; dat anderen, die, geen betrekking vervulden,
tot slavernij en dienstbaarheid moesten veroordeeld worden, tenzij zij de
christelijke godsdienst wilden afzweren, en de zeden en gewoonten volgen van de
heidense godsdienst.
Toen men op bovengenoemde wijze de woede niet meer koelen kon, werd er op
de markt te Nicomedië een derde besluit aan een paal gespijkerd, dat zeer
gestreng, hard en wreed was, namelijk, om alle bedienaars van de godsdienst, en
die enige invloed uitoefenden op de gemeente van Christus, gevangen te nemen,
en hen door allerhande pijnigingen te dwingen aan de afgoden te offeren Zeker
edelman, Johannes genaamd, die door vurige ijver ontstoken werd, rukte dit
besluit van de paal en scheurde het in kleine stukken. Op bevel van beide
keizers, die toen te Nicomedië waren, werd hij met buitengewone pijnigingen
gemarteld, de huid afgestroopt en met zout en edik overgoten, terwijl hij onder
dit alles de naam van Christus tot het laatste ogenblik zijns levens, met
kloekmoedige stand vastigheid beleed en zijn ziel Gode op zalige wijze
toewijdde. Na zijn dood volgde het ene vreselijke jammer het andere.
Aangaande het verbranden van de boeken der Heilige Schrift, en van de
plaatsen, waar de Christenen hun samenkomsten hielden, zegt Arnobius onder
andere: “ Waarom hebben onze Schriften verdiend in het vuur geworpen te worden?
Om welke reden heeft men met zo vreselijk geweld de plaatsen onzer samenkomsten
vernield, waar de hoogste God wordt aangebeden, maar ook welvaart en vrede
wordt afgesmeekt voor alle overheden, legers, koningen, enz.?"
Wij zouden te uitvoerig worden in onze mededelingen, indien wij de
verschillende wijzen wilden beschrijven, waarop, door het ingeven van de
duivel, de Christenen in het bijzonder in die tijd werden omgebracht. Slaan,
geselen, met schrabbers, vijlen, en met allerlei scherpe werktuigen de huid
overal openen, waren slechts de inleiding tot vreselijker pijnigingen, die de
dood veroorzaakten, zoals ophangen, onthoofden, verbranden en met volle schepen
in de zee verdrinken. Sommigen werden met gesmolten lood overgoten, anderen
over gloeiende kolen onder langzame pijnigingen verschroeid; van sommigen
werden de vingers van beide handen, tussen het vlees en de nagels, met scherpe
priemen en naalden doorboord. Omtrent anderen leest men, dat zij geruime tijd
naakt met dunne rijzen en loden platen geslagen, de beren, leeuwen, luipaarden
en andere dieren tot spijs voorgeworpen werden. Deze dieren werden dikwijls ook
opgehitst, maar hadden, door Gods kracht, soms een afkeer daarvan, en keerden
hun wreedheid tegen de vijanden der waarheid. Vele Christenen werden ook aan
bomen gebonden, aan staken geplaatst, aan kruisen genageld, waaraan zij zo lang
moesten hangen, totdat zij van de honger bezweken. Weer anderen werden met het
hoofd neerwaarts gehangen, zelfs vrouwen aan het ene been), zodat zij daardoor
in een houding hingen, waarvan zich het eerbare oog met afkeer moest afwenden.
Daarna werden zij aan handen en voeten vastgemaakt aan dikke takken van bomen,
die van elkaar stonden, terwijl deze takken met kracht werden teruggebogen en
met touwen gebonden welke touwen dan werden doorgesneden, waardoor de takken in
hun vorige stand terugsprongen en het lichaam in vele stukken gescheurd werd.
Sommigen werden in de rook van een langzaam brandend en vochtig vuur gesmoord;
velen, die men de neus, oren en handen hadden afgesneden had, liet men heinde
en ver in ellende ronddwalen, om andere onbekende Christenen schrik aan te
jagen. Deze vervolging heeft zich over een groot deel van de aarde uitgestrekt,
zoals over Azië, Afrika, Europa, en over vele eilanden, voornamelijk over
Sicilië, Lesbos en Samos. In Nicomedië werden op het feest van Christus'
geboorte, op bevel van Maximinus, in een tempel enige duizenden Christenen
verbrand. Een stad in Phrygië, toen door de Christenen bewoond, werd belegerd
en met allen, die er in waren, verbrand. Vele andere steden hebben ook, geen
enkele uitgezonderd, de bittere beker van deze vervolging moeten drinken;
vooral was dit zo in Egypte: te Thebe en Antinopolis; in Thracië: te Nicopolis;
in Italië te Aquila, waar al de Christenen vermoord werden, Florence, Bergamo,
Verona, Neapolis, Benevento, Venusia, in Gallië (Frankrijk): te Marseille; in
Duitsland: te Trier, waar Rictionaris in de vervolging zo heftig en wreed geweest
is, dat het vergoten bloed vele rivieren rood kleurde; voorts in Duitsland: te
Augusta, en ook ten dele in Spanje, Brittannië, Zwitserland en andere landen.
Wij geven hier (teneinde de onmenselijke wreedheid der heidenen jegens de
Christenen te beter in het oog te doen vallen) een bijzonder verhaal van
sommige martelaren, die door geschiedschrijvers genoemd en nader beschreven
worden.
Petrus, een hofbeambte van keizer Diocletianus, stond hij hem zeer in
aanzien. Toen deze de wreedheid bestrafte, begaan aan de edelman Johannes, van
wie boven gesproken is, en hem met grote droefheid over zijn martelingen
beklaagde, werd hij gevangen genomen en gedwongen de afgoden te offeren. Toen
hij dit weigerde, werd hij gegeseld, en zijn vlees verscheurd, teneinde hem
door pijniging te dwingen om te offeren. Toen hij standvastig bleef, overgoten
zij zijn verscheurd lichaam met edik en zout, en verschroeiden hem eindelijk
aan alle zijden op een rooster met een zwak vuur, totdat hij met blijmoedigheid
zijn geest in de handen van zijn hemelsel Vader overgaf.
Dorotheus en Gorgoneus, kamerheren van de keizer, hadden genoemde Petrus in
de christelijke godsdienst onderwezen. Toen zij getuigen waren van de onmenselijke
pijn, die Petrus leed, vroegen zij de vorst: "waarom hij in Petrus de
overtuiging van hun gemoed strafte, die in hen allen leefde? Daarbij voegende:
dit is ons geloof, dit is onze godsdienst, dit is ons eendrachtig en
gemeenschappelijk gevoelen." Terstond liet de keizer deze vrome mannen,
die hij vroeger als zijn kinderen liefhad, martelen, en wel met schier dezelfde
pijnigingen als Petrus geleden had, en eindelijk werden zij opgehangen. Nadat
zij enige tijd waren begraven, werden hun lichamen weer opgegraven en in de zee
geworpen, bevreesd als men was, dat de Christenen die als goden zouden vereren.
In die tijd werd ook, na een heerlijke afgelegde belijdenis, onthoofd
zekere Anthimus, bisschop te Nicomedië, benevens nog een groot aantal
gelovigen. Nicephorus schrijft, dat hij eerst op de wreedste wijze werd
geslagen, dat hem daarna met gloeiende pennen de hielen werden doorboord, dat
hij op gebroken potscherven werd geworpen, gloeiende schoenen hem aan de voeten
werden gedaan, het vlees van het lichaam gescheurd, met brandende fakkels
gezengd en eindelijk onthoofd werd.
Dezelfde weg hebben ook bewandeld Tyrannion, bisschop te Tyrus; Zenobius,
te Sidon; Silvanus, te Gaza, alsmede Pamphilius, over wien Eusebius een
afzonderlijk boek heeft geschreven.
Toen Eustrathius, secretaris van een stadhouder, die zeer bedreven was in
de Griekse taal, de standvastigheid zag van de martelaren, deed hij van de
christelijke godsdienst, waarin hij tevoren in het geheim onderwezen was, in
het openbaar belijdenis, en verfoeide alle heidense goddeloosheid. Hij werd
daarom gevangen genomen, aan een paal opgetrokken, jammerlijk geslagen, daarna
aan verscheidene delen van het lichaam met vuur gezengd en met zout en edik
overgoten, eindelijk met potscherven derwijze geschrabt en geraspt, dat het
gehele lichaam slechts één wond vertoonde. Door Gods kracht genas hij weer,
doch werd later naar de stad Sebastia gevoerd en eindelijk met zijn vriend
Orestus verbrand.
Onder hen, die in die tijd, om het christelijk geloof werden omgebracht,
worden nog vele anderen genoemd, als Agricola en zijn dienaar Vitalis. Onder
zovele martelingen, dat zelfs zijn lichaam als geheel vaneen gereten was, gaf
laatstgenoemde zijn ziel aan God over. Agricola kon het uitstel, dat men hem
gaf, niet langer verdragen, aangezien hij zijn tijd in ledigheid moest
doorbrengen, terwijl hij vele deugden bezat en met groten ijver was bezield, en
daarom tot ergernis was van hen, aan wie hij was overgeleverd; zo werd hij,
zelf om zijn dood verzoekende, terwijl hij zijn vijanden moed inboezemde, aan
het kruis genageld.
Eulalia, een meisje van 13 jaren, uit Spanje afkomstig, werd, omdat zij de
stadhouder over de wreedheid, die hij de Christenen aandeed, met meer
vrijmoedigheid aansprak dan hij verdragen wilde, naar de altaren der afgoden
gesleept, opdat zij daar zou offeren. Toen zij dit weigerde, werd zij levend
verbrand. Haar strijd heeft Prudentius in schone verzen afgemaald.
Toen Albanus, in Engeland, een vluchtenden Christen huisvesting had
verleend, en dit ter oor van de stadhouder was gekomen, gaf hij zichzelf,
verkleed en zich voordoende als de vluchtende Christen, aan de vervolgers over,
en werd, na een standvastige belijdenis, en, omdat hij onwillig was de afgoden
eer te bewijzen en offers te brengen, met touwen gegeseld en onder grote
blijdschap onthoofd.
Te Alexandrië was ook een getrouw herder en leidsman der kudde van
Christus, Phileas genaamd. Hij was een edel mens naar de wereld, maar bovenal
was hij edel voor God. Aangezien hij zeer ervaren was in de kennis der
burgerlijke deugden, stond hij bij de Romeinen in groot aanzien; maar bovenal
blonk hij uit in de beste wijsbegeerte, die van de christelijke godsdienst,
zodat hij allen overtrof, die voor hem daar bisschoppen waren. Daar hij vele
voortreffelijke vrienden onder de edelen had, vermaande de rechter hem dikwerf,
om afstand te doen van zijn christelijk geloof, vooral omdat ook velen van zijn
vrienden voor zijn behoud baden. Doch Phileas sloeg daar geen acht op,
versmaadde dit, en bleef volharden in de goddelijke waarheid.
Bij hem stond een overste van een bende ruiters, Philoromus genaamd, een
voortreffelijk en aanzienlijk man. Toen deze zag, dat Phileas omringd was van
zijn wenende vrienden, en gekweld werd door de hardheid des rechters, riep hij
overluid, zeggende: "Waarom stelt gij de standvastigheid van deze man
tevergeefs op de proef? Waarom wilt gij hem, die aan God gelovig is, ongelovig
maken? Waarom dwingt gij hem om God te verzaken, en de mensen te believen? Ziet
u niet, dat zijn oren uw woorden niet horen, en dat zijn ogen uw tranen niet
zien? Zou hij ook door tranen van aardse mensen bewogen kunnen worden, wiens
ogen de hemelse heerlijkheid zien en aanschouwen?" Toen hij dit gezegd
had, barstte de toorn van allen tegen hem los, en zij begeerden, dat hij
dezelfde straf als Phileas zou ondergaan. De rechter willigde hun verzoek in,
en liet beiden met het zwaard onthoofden.