De zondaar verheugd in Gods heiligdom, onder het gelovig gebruik maken van Christus, als de ware geestelijke Spijs van de zielen

Dit is de inhoud van deze tien uitmuntende leerredenen, meest op avondmaalstijden gedaan, strekkende tot ontdekking van zorgeloze zondaren, tot besturing van overtuigden, en tot bemoediging en opwekking van het volk van de Heere.

Thomas Halyburton,

in zijn leven Professor van de heilige Godgeleerdheid in de Academie van St. Andrews.

Uit het Engels vertaald door W. Hoog en J. de Koning.

Naar de uitgave van 1763 opnieuw herdrukt.

 

 

Bericht

Geliefde Vrienden!

Des Heeren maaltijd, of onthaling Gods in zijn heiligdom

Christus gekruisigd, of, de wijsheid en kracht Gods, die de roeping van het evangelie in hem krachtdadig doet zijn

Goddelijke openbaringen, strekkende met de einden en voordelen ervan, tot de uitwerking van christelijke gehoorzaamheid en bevestiging in de genade

Goddelijke invloeden, ter herstelling van de toestand der zodanige die onder een geestelijke doodheid zijn

Het vlieden der schaduwen, en het aanbreken van de eeuwig dageraad, ter vertroosting van het duistere volks Gods

De gestalte van een begenadigde ziel, in de beschouwing van deszelfs gemeenschapsoefeningen met Christus

Christus, de luister, en veiligheid der gelovige

Des Heeren genadige verschijning in de grootste ongelegenheden

Geloofsbeschouwing van de heerlijkheid Gods, of de zegenpraling van het geloof

Het hart ontdekt en beproefd, of, de bedrieglijkheden van het hart aangetoond en voor ogen gesteld

 

 

Uitgegeven na voorgaande visitatie en Approbatie van de E. Classis van Schieland, de 11 November 1762

 

Bericht

Ofschoon de wereld als 't ware opgevuld is met boeken, en er nog dagelijks meer te voorschijn komen over verscheidene onderwerpen, ook wel over soortgelijke stoffen, welke in dit boekdeel ('t geen wij geachte lezers, u aanbieden) vervat zijn. Desniettegenstaande, terwijl er, gelijk elk oordeelkundig lezer weet, verscheidenheid van stoffen is zowel als verscheidenheid van gaven, en de een in deze uitmunt boven de anderen, zo hebben wij om die redenen en uit aanmerking van onze Auteur, wiens werkjes wereldkundig genoeg en van velen gretig aangenomen zijn, ons niet kunnen weerhouden van onze landgenoten (als zijnde dit des Auteurs laatste werk,) een vertaling daarvan door dezelfde hand als de vorige, mee te delen.

Een aanprijzing van dit ons werkje zou beter in een voorrede passen, doch oordelen zulks nodeloos; temeer, terwijl onze godzalige Auteur door zijn reeds vertaalde en uitgegeven geschriften, zo van zijn eigen leven en bekering, als in zijn uitmuntend werk, genaamd het groot aanbelang der Zaligheid, welke beiden zeer gretig bij onze landgenoten ontvangen, en nog dagelijks werd verdebiteerd, overvloedig bekend is; als zijnde sprekende getuigen van deszelfs voortreffelijkheid.

Alhoewel dit werkje over andere stoffen handelt, zijn wij echter verzekerd, dat dit geen van het minste is: de leerredenen hierin vervat, zijn meest gedaan bij gelegenheid van des Heeren Avondmaal. Wat de verhandeling van de stof zelf betreft, zo ten opzichte der verklaring als toepassing, laten wij liever over aan het oordeel des lezers; doch zo wij ons niet bedriegen, zal elke verstandige moeten erkennen, dat in hetzelve verstand en godsvrucht uitblinkt.

De verhandeling der stoffen zijn niet langdradig, maar kort en zakelijk, doch zeer toepasselijk gemaakt naar tijdsgelegenheid: de Auteur door bevinding wetende, hoe dikwijls Gods volk door ongeloof en bestrijding op zulke tijde geslingerd werden, heeft opzettelijk zijn werk gemaakt (indien hem de Heere geliefde als een middel te gebruiken) om hun daar tegen op te wekken en te bemoedigen: en ten die einde alle uitvluchten des ongeloofs, en bestrijding klaar te ontdekken en uit de weg te ruimen; de Naamchristen, aan zichzelf te ontdekken, en zondaars te overtuigen van hun gevaarlijke staat, waarin zij van nature zijn, en hen aan te sporen om in deze dag van hun genadige bezoeking op zo een dierbaar voorrecht en aanbieding van Zaligheid acht te geven, tot behoudenis hunner onsterfelijke zielen.

Overtuigde zondaars, die hun aangezicht naar Zion gewend hebben, en onder veel bekommering omzwerven, niet wetende hoe zich op de tijd van het H. Avondmaal te gedragen, zullen hierin ook hun bescheiden deel kunnen vinden.

Intussen, wij wensen, dat het de Zalige en Algenoegzame God behagen mag, veel schijnsel over dit en de andere geschriften van deze onze godzaligen Auteur te geven, opdat het Koninkrijk van Christus in de harten van velen, uitgebreid en gesteld mag worden tot een lof op aarde. Waarmee wijl geachte lezers verblijven.

Uw heil toewensende Vrienden,

H. VAN PELT, en

P. HOLSTEYN.

Rotterdam, 1763.

 

Geliefde Vrienden!

Met het bericht aan de lezers, kan ik mij van hart verenigen. juist om dezelfde reden, als voren gemeld, dacht ik dat het niet ondienstig was dit dierbaar geschrift opnieuw in druk te doen verschijnen, voegende intussen mijn wens bij die der vorige uitgevers, dat de Heere het velen mag doen zijn tot ontdekking, bestraffing, vertroosting of bemoediging op de weg door dit Mesech en dat het nog als slijk tussen Gods vingeren mag gebruikt worden, tot uitbreiding van Zijn Koninkrijk en tot eer van Zijn driemaal Heilige Naam om de verdienste van Zijn eeuwig geliefde zoon.

Zo zij het,

D. J. VAN DER LEE.

VOORBURG, Februari 1881.

 

Des Heeren maaltijd, of onthaling Gods in zijn heiligdom

Vertoond uit Jes. 25: 6.

En de Heere der Heirscharen, zal op deze Berg alle volken een vette maaltijd maken, een maaltijd van reine wijn, van vette vol mergs, van reine wijnen die gezuiverd zijn.

Om u tot de rechte zin van deze woorden op. te leiden, zo moeten wij na 't laatste gedeelte van het voorgaande hoofdstuk terug zien, alwaar ons voorkomt een profetie van de Heere Jezus Christus, betrekkelijk op zijn overwinningen, de onderbrenging van zijn vijanden, en van zijn heerlijke regering op de berg Sion en Jeruzalem, (dat is na een figuurlijke spreekwijs van het Oude Testament, de Kerk des Nieuwe Testaments) voor of in tegenwoordigheid van zijn Oudste, zijn staatsministers en dienaren die zich aan zijn hof bevinden; alle hovelingen die zich aan de hoven der vorsten bevinden, en alle opwachters en dienaren die tot ondergeschikte bedieningen gebruikt worden, ontvangen en volvoeren hun bevelen, staan in hun tegenwoordigheid en zijn getuigen van hun heerlijkheid.

De profeet nu op het diepst aangedaan zijnde wegens de openbaring van des Heeren heerlijkheid, in het straffen of kastijden van zijn eigen volk, in het verdelgen van zijn vijanden, in 't bevestigen van zijn troon, en in zijn heerlijke regering; kan zich niet onthouden de Heere door een lied daarvoor te loven, hetwelk vervat wordt in de vijf eerste verzen van dit hoofdstuk.

Na het eindigen van dit lied, gaat hij, in de woorden van onze tekst en in de volgende zeven verzen, weer over tot een profetische beschrijving van de gelukzaligheid, die de onderdanen van Christus koninkrijk in de dagen van het evangelie, onder zijn regering zouden genieten. Wegens deze hun gelukzaligheid, tekent de Geest Gods in deze plaats door de profeet, drie zeer aanmerkelijke zaken aan.

1. Dat er een grote maaltijd voor hen bereid is, in het zesde vers, zijnde de woorden van onze tekst.

2. Dat er een klare en volkomen ontdekking van de raad Gods, tot hun zaligheid, voor hun is verordineerd, alsmede een wegneming van al die deksels, waardoor hun inzien in die dingen tevoren verhinderd werd, namelijk a. het deksel of bewindsel der natuurlijke duisterheid op hun verstand: en b. het deksel der donkere schaduwen gevend, maar een duistere ontdekking, welke beiden zouden weggenomen worden vs. 7, gelijk die nu ook weggenomen zijn, als uit het Nieuwe Testament klaarblijkelijk is.

3. Daar wordt een volkomener overwinning over hun lichamelijke en geestelijke vijanden beloofd, van het 8ste tot het 12de vers, de dood zou verslonden worden tot overwinning en Moab, onder wiens benaming al hun vijanden begrepen zijn, zou verdorst worden.

In het midden van dit laatste gedeelte van deze profetie, wordt er vers 9 een andere profetie ingevoegd, welks inhoud behelst, de blijdschap die de bewijzen der barmhartigheid, liefde en getrouwheid van God, in al deze dingen te vervullen, zou veroorzaken, na een lang uitstel en vele verhinderingen, tot teleurstelling en beschaming der vijanden, die hun wegens hun verwachtingen en volkomen bevestiging hoonden, zelfs tegen hun eigen vrees aan, en tegen de ondervinding en genieting van datgene waarover hun eigen ongeloof en de ingeving der vijanden hen poogden tot oneer der beloften Gods, te doen wanhopen. Nu, zegt de profeet, te die dag zal de Kerk op haar tijd triomferen, en wel op betere gronden. De beledigingen der vijanden waren een triomf voor de overwinning; maar de Kerk zal dan met haar spreken in de poort, en al hun voorgevingen door overtuigende bewijzen beantwoorden. En men zal te die dag zeggen, ziet deze is onze God enz!. Doch om weer te keren tot onze tekst.

Dit zesde vers, dat wij, nu hebben voorgelezen, was voor de Kerk des Ouden Testaments een voorzegging of belofte onder figuurlijke spreekwijzen, van die rijke voorraad van geestelijke weldadigheden, welke de Heere voorgenomen had voor zijn volk te bereiden en hun daarmee te onthalen in de tijden van het evangelie, in en door deszelfs instellingen.

Hetgeen voor hen van ver, een voorzegging en belofte van goede dingen was, is voor ons, eensdeels een geschiedverhaal van hetgeen de Kerk van het evangelie nu reeds lang, in deszelfs instellingen genoten heeft, en hetgeen nu nog voor ons, indien wij Sions kinderen zijn, daarin verzorgt is; en anderdeels een dierbare belofte aan al des Heeren volk, bijzonder wanneer zij op de Heere wachten in de instellingen van de godsdienst, gelijk gijlieden nu heden doet; en wel een belofte van goede dingen, die nu in gereedheid voor u, indien gij de zodanige bent, zijn toebereid en die zo aanstonds aan u zullen aangeboden en toegediend worden.

Dus ziet gij tot wat maaltijd gij genodigd wordt, wanneer gij heden bent samen geroepen om op de Heere te wachten, in de Evangelie-instellingen van zijn dienst; en op een meer bijzondere wijze schijnt deze instelling van des Heeren H. Avondmaal een nauwe betrekking op deze belofte te hebben, omdat die de meeste overeenkomst heeft met de gelijkenis die in de tekst gebruikt wordt, om nu geen andere redenen meer te melden die zouden kunnen worden bijgebracht.

Gij kunt niet anders dan erkennen, dat hier van een grote maaltijd gesproken wordt, en dat het zeer gevoeglijk is, bij deze gelegenheid, wanneer er een grote menigte alhier vergaderd is om het Feest te houden, daarvan te horen handelen: maar mogelijk zult gij enigszins twijfelmoedig zijn wegens u aandeel aan die maaltijd, waarvan in onze tekstwoorden wordt gemeld. Indien dit zo is, dan staan wij wel toe dat het billijk is dat deze twijfeling u zou beantwoord worden; doch omdat, wij op deze dag veel werk te verrichten hebben, en de tijd zeer kostelijk is, zo zijn wij verplicht de gewone handelwijze voorbij te gaan, en uit te kiezen zulke dingen die best met de tekstwoorden overeenkomende, uw zwarigheden het gemakkelijkste zouden kunnen wegnemen, maar boven alles het gesprokene op uw gemoederen aan te dringen, overeenkomstig het oogmerk van deze onze samenkomst. Om dan nu aanstonds ter zake te komen, de tekst levert een genoegzaam antwoord' uit, op enige vragen, waaromtrent gij mogelijk voldoening zult begeren.

Mogelijk zult gij zeggen hier wordt wel melding gedaan van een maaltijd; maar wij begeerden wel te weten:

I. Waar dezelve zal aangericht worden?

II. Of het zeker is dat dezelve daar zal zijn?

III. Wat die verzorger van dezelve is?

IV. Op wat wijze die is toebereid?

V. Voor wie dezelve is bestemd?

VI. Wat soort van maaltijd dit is?

VII. Wat de gerechten zijn die daar gevonden worden?

Nu indien wij u wegens deze dingen kunnen onderrichten zo dunkt mij dat gij dan niet veel anders zult kunnen begeren, dan toe te treden, indien u tot de geroepene behoort; om met blijdschap te eten en dankbaar te zijn. Welnu, onze tekstwoorden leveren ons gepaste antwoorden op al deze voorgestelde zaken uit.

1. Bent gij begerig te mogen weten waar deze maaltijd zal aangericht worden? Onze tekst zegt dat het op deze berg is. Vraagt gij verder, op welke berg? ik antwoord, de samenhang toont zulks aan, het is de berg Sion; daar melding van gedaan wordt in het laatste vers van het vorige hoofdstuk, en waartoe dit betrekking heeft. Doch het is nodig dat dit antwoord onderscheidenlijker wordt uitgebreid, omdat het als de sleutel is van de gehelen tekst, die wanneer hetzelve wel verklaard wordt, de weg voor al het andere zal openen. Nu om dit klaar voor u te ontvouwen, zo geeft nauwkeurig acht op de volgende aanmerkingen:

1. Merkt aan in het algemeen, dat de opmerkelijkste gevallen die de Kerk vanouds zijn overkomen, betrekkelijk deszelfs uitwendige toestand, schaduwen van de geestelijke zegeningen die de Heere voornemens was aan het ware Israël Gods te schenken, zijn geweest. Dus was hun dienstbaarheid in Egypte, hun verlossing uit dezelve, hun reis door de woestijn en hun inbrenging in Kanaän, bedoelende om ons op te leiden tot een beschouwing der geestelijke weldadigheden die de Heere voorgenomen had aan zijn volk te bewijzen. De aanhaling van deze dingen in het Nieuwe Testament tonen zulks klaarblijkelijk aan: derhalve.

2. Wanneer de Heere, in de dagen vanouds, geestelijke weldadigheden beloofde, die Hij voornemens was, bijzonder in de tijden van het evangelie te schenken, belooft Hij dezelve in bewoordingen die overeenkomst hadden met zulke dingen, die toen bij haar in gebruik waren; en door welke de Heere onder die meer duistere bediening, deze geestelijke dingen aan haar afschaduwde en duister te kennen gaf; doch echter zodat haar geen waarschuwingen ontbraken, die haar genoegzaam te kennen gaven dat zij in deze uiterlijke dingen, die maar schaduwen van toekomstige geestelijke zegeningen waren, niet moesten berusten, ofschoon over het algemeen de Israëlieten niet verder dan op de uiterlijke letter en uitwendige schaduw zag. Doch

3. Om nog nader te komen, zo merkt aan, dat wanneer de Heere zijn volk uitleidde uit Egypte, Hij hen op hun weg na 't beloofde land tot de berg Sinaï bracht, een berg gelegen in het midden van een dorre woestijn en bezet met doornen en bramen, waarvan die zijn benaming had. Hier verscheen God hun op een wijze, die machtig was om vrees en ontzag voor zijn hooggeduchte majesteit in hun harten te verwekken. Hij kwam neer in vuur, in donkerheid en duisternis, met verschrikkelijke donder en bliksem, en het geluid van een bazuin, en uit zijn mond en van zijn rechterhand kwam een vurige wet voort Exod. 19: 16. Hebt. 12: 18, 19. Deut. 33: 2, Ondertussen stond het volk met verschrikking en beving aan het onderste des bergs, verplicht om op een bepaalde afstand te blijven, op straf van aanstonds zonder genade gedood te worden, horende de stem der woorden die hun met verschrikking vervulden, en welke Mozes zelfs gans bevreesd en bevende deed zijn. Deze verschrikkelijke wijze van wetgeving en bevestiging van het Oude Verbond, gepaard met de veelheid van deszelfs geboden, de gestrengheid van deszelfs straffen en de nauwkeurige uitvoering er van, vervulden hen met schrik en brachten hun onder de geest der dienstbaarheid. Nu deze berg Sinaï verbeeldde; de Kerk van het Oude Testament in deszelfs eigenlijke staat Gal. 4: 3, 25.

4. Nadat zij daar enige tijd gebleven waren, voerde de Heere zijn volk op en bracht hen in Kanaän, een land overvloeiende van melk en honing, Hij bracht ze tot de landpalen zijner heiligheid Ps. 78: 54 en bevestigde haar te Jeruzalem in geruste woonplaatsen Jes. 33: 20 en verkoos daar de berg Sion, tot de plaats van zijn dienst, verordineerde daar de verrichting van die godsdienst, welke dienen moest om Christus als de Verlosser der zondaren van de vloeken en schrikken de vurige wet, af te schaduwen, en voor te stellen. Daar werd de tempel door Gods bestelling gebouwd; hier was de ark, het verzoendeksel en de offeranden, alle verbeelden Christus het Lam, Gods dat de zonden der wereld wegneemt. In een woord, daar gingen de 'stammen op tot het getuigenis Israëls om de Heere te danken. Daar waren de priesters, de profeten en de stoelen des gerichts; alle Christus afschaduwende in zijn onderscheiden ambten, om zondaren te bevrijden van de toorn Gods. Derhalve

Deze berg Sion, die de Heere tot zijn woning verkozen had, zeggende: Dit is mijn rust tot in eeuwigheid, bier zal ik wonen, want ik heb ze begeerd Ps. 132: 14 was een schaduw van de Evangeliekerk, in welke het wezen dier dingen waarvan zij in haar godsdienstige instellingen maar een flauwe vertoning hadden, gevonden werd. Dit wordt ons in het Nieuwe Testament duidelijk geleerd, bijzonder in Gal. 4 en Hebr. 12: 18-22, alwaar van ons, de Kerk des Nieuwe Testaments, gezegd wordt, dat wij niet gekomen zijn tot de berg Sinaï, wier beschrijving in die plaats herhaald wordt; maar lot de berg Sion, tot het hemelse of geestelijke Jeruzalem, tot het bloed der besprenging en tot Jezus de Middelaar des Nieuwe Testaments enz., waaruit blijkt dat wij in de Evangeliekerk en deszelfs geestelijke instellingen van godsdienst, de ware berg Sions, het wezen van datgene bezitten, daar zij de schaduw maar van hadden. Doch dit leidt mij:

6. Om aan te merken, dat deze berg Sions, daarin de tekstwoorden van gesproken wordt, namelijk de Kerk des Evangeliums, de plaats der Evangelie-instellingen is: bijzonder worden de plechtige instellingen van de openbare godsdienst hierdoor verstaan, omdat Sion alleen de plaats was, die door de goddelijke bestelling tot deszelfs verrichting verkozen was. Dit is de stad van onze bijeenkomsten, gelijk Sion oudtijds was voor haar; en het is om deze reden, dat de Heere de poorten Sions bemind boven al de woningen Jakobs Ps. 87: 2.

7. Dat niets anders dan dit alhier kan verstaan worden is klaarblijkelijk, want a) Dit alleen is de berg Sions, op welke Christus regeert, en voor wiens oudsten heerlijkheid is, gelijk wij reeds uit het laatste vers van het vorige hoofdstuk, waarop dit betrekking heeft, hebben aangetoond, b) Dit is een klare voorzegging van zulke dingen die de Kerk tot nog toe niet geschonken waren, en van uitnemender genietingen dan zij tevoren mee was verwaardigd geworden: hebbende nooit meer, of zoveel daarvan genoten, dan. in de tijd van David en Salomo, alleen de dagen des Evangelies uitgezonderd. c) Dit is een maaltijd voor alle volken, niet alleen joden maar ook Heidenen; hetgeen te kennen geeft dat de middelmuur des afscheidsels, en al die toestel om die staande te houden, en gevolgelijk al de voorrechten van dat Sion, daar dezelver verricht werd, zou verbroken worden. d) Tot deze berg Sions moesten alle volken kunnen naderen; hetwelk aan geen andere plaats kan worden toegekend, of ergens anders enige overeenkomst mee heeft, dan met de Evangeliekerk en deszelfs instellingen alleen. e) De verklaring die wij tevoren over het woord gegeven hebben, is al was er niet meer, genoegzaam om klaarblijkelijk aan te tonen, dat het de berg Sion, de berg Evangelie-instellingen; en in het bijzonder de plechtige instelling van des Heeren H. Avondmaal is, daar de Heere altijd een bijzondere hoogachting voor gehad heeft en nog heeft, ik zeg, daar is het, dat deze maaltijd, waarin de tekstwoorden van is gesproken, is toebereid, en daar zal dezelve gehouden worden.

8. Gelijk ik tevoren heb aangeroerd, ofschoon ik geen instelling van het evangelie uitsluit, zo denk ik echter, dat de plechtigheid van deze dag, het feest van des Heeren H. Avondmaal, een bijzonder aandeel in deze belofte mag vorderen en toegestaan worden, en wel om verscheidene redenen. Want a) In hetzelve is een uitnodiging ter deelachtig wording van de geestelijke weldaden, die in de tekstwoorden zijn vervat. b) Zij worden voorgedragen onder de zinnebeeldige beschouwing van een maaltijd. c) Het oogmerk van haar voordraging onder de gelijkenis in de tekst vervat, en de teken in dit H. Sacrament is een en dezelve; strekkende om de Heere als de oorsprong van alle geestelijke sterkte, voeding en vertroosting voor te stellen. Het vette vol mergs en de wijn zijn gepast tot al deze dingen, en zo is het ook in deze instelling gesteld.

d) Zo ergens anders, hier vergunt de Heere overvloed aan zijn volk, zodat het billijk een maaltijd mag genoemd worden; andere redenen zouden opgegeven kunnen worden, doch deze zijn genoeg. Dus hebben wij de vraag: waar deze maaltijd aangericht zal worden? beantwoord en voldaan.

Deze berg Sion is derhalve de berg van Evangelie-instellingen, bijzonder van openbare plechtigheden, en 'in het allerbijzonderst is die zodanig in deze instelling van des Heeren Heilig Avondmaal.

Welnu, gij bent niet gekomen tot de berg Sinaï, tot de vurige wet, tot de duisternis, tot de donderen en bliksemen, en de stem der woorden, welke die ze hoorden, baden dat het woord niet meer tot haar zou gedaan worden: maar gij bent heden gekomen tot de berg Sion: die berg welke de Heere heeft uitverkoren, zeggende: Dit is mijn rust tot in eeuwigheid, hier zal ik wonen want ik heb ze begeerd Ps. 132: 14. Van deze berg worden zeer heerlijke dingen gesproken Ps. 87: 3. Het is de stad van onze bijeenkomsten Jer. 33: 20, uit welke de wet uitgaat Jes. 2: 3, daar wordt de goede boodschap des vredes verkondigd Jes. 40: 9, dit is de plaats, waar de uitverkorene worden wedergeboren tot een levende hoop, 1 Petr. 1: 3, van welke kan gezegd worden: ziet deze en die is daarin geboren, en de Allerhoogste zelf zal ze bevestigen Ps. 87: 5, alhier is het waar de Verlosser komt tot degene die haar bekeren van de overtredingen in Jakob, Jes. 59: 20, de Heere is groot in Sion Ps. 99: 2, en uit dezelve verschijnt bij blinkende Ps. 50: 2, alhier geeft hij heil, aan Israël zijn heerlijkheid Jes. 46: 23 en zend zijn volk 'hulp Ps. 20: 3, verlossing Ps. 14: 7 en zegeningen Ps. 12.8: 5, namelijk alle geestelijke zegeningen in de hemel in Christus Ef. 1 vers 3.

In de instellingen van het evangelie, bijzonder in het woord en de sacramenten, worden al deze zegeningen medegedeeld; op deze berg Sion staat het Lam Gods, Openb. 14: 1, die heden alhier een maaltijd voor u heeft toebereid. Hebt gij derhalve geen reden om uit te roepen, hoe vreselijk is deze plaats! dit is niet dan een huis Gods, en dit is de poort van de hemel Gen. 22: 17, geloofd zij, de Heere die mij alhier heeft gebracht. Doch

11. Indien iemand van Uw zou vragen, maar zal deze maaltijd daar zijn? De tekst antwoordt, dat op deze berg die maaltijd zal worden aangericht; vreest derhalve niet, alhier zal geen maaltijd zijn. En om u in deze te voldoen, zo overweegt alleen de kracht van het kleine woordje "zal" in de tekst vermeld, hetwelk de kennen geeft:

a. Dat het niet een enkel vermoeden, een bloot misschien is, maar iets hetgeen is voorgenomen, besloten en van over lang bepaald is geworden, in het besluit van Hem, wie het tevoren besloten heeft en door niemand daarvan is af te keren. Jer. 4: 28, de raad des Heeren zal bestaan. Jes. 46: 10, de gedachten zijns harten van geslacht tot geslacht, Ps. 33: 11.

b. Het is niet enkel een besluit dat verborgen gehouden is in des Heeren boezem; maar het is een besluit dat bekend gemaakt is, hetwelk bij aan zijn dienaren niet alleen heeft toegelaten, maar hen zelf gelast om het in zijn naam te verkondigen. Nu, de Heere zal niet hetgeen uit zijn lippen is gegaan, veranderen Ps. 89: 35.

c. Doch dit niet alleen, maar het is ook een belofte, en dit als het ware met eerbied gesproken, stelt het buiten des Heeren macht, om zonder ontrouw te veranderen of hetzelve te herroepen: en al zijn volk heeft vrijheid om de vervulling van het woord zijner beloften te vorderen.

d. Het is een belofte, die door vele anderen, van dezelfde natuur in de H. Schriften voorgedragen, bevestigd wordt; namelijk aan alle plaatsen, daar hij zijns naam gedachtenis stichten zal, heeft hij: beloofd tot zijn volk te komen en hen te zegenen; zodat, waar er twee of drie in Zijn naam vergaderd zijn, hij in het midden van hen is. Op alle plaatsen waar zijn dienstknechten zijn instellingen bedienen, heeft hij beloofd met hen te zijn tot de voleinding der wereld. Hij heeft ons tot deze plechtigheid geroepen, en nodigt ons te nemen, te eten, te drinken en onze monden wijd open te doen, belovende dat Hij die vervullen zal Ps. 81: 11.

Eindelijk zou ik hier kunnen bijvoegen, dat het aan de Kerk door een lang reeks van ondervindingen is bevestigd geworden. Doch

III. Vraagt gij, wie de verzorger van deze maaltijd is, en wie ons alhier deze tafel zal toebereiden? de tekst antwoord, dat het is de Heere der Heirscharen, de Heere Zebaoth. En van wie anders zouden wij het kunnen verwachten? want

a Wie komt het toe een huisgezin te verzorgen en maaltijden in een huis aan te richten? Is het niet de Heere des huisgezins, aan wie het huis toebehoort? Hij is het die zijn huisgenoten verzorgen moet, zie 2 Tim. 5: 8. Nu, hetgeen de Heere aan een arme aardworm niet wil toestaan, maar ten hoogste bestraft, zou hij. zelf daaraan schuldig zijn?

b. Aan wie past het grote maaltijden en koninklijke feesten aan te richten, is het niet aan vorsten alleen?

e. Wie is in staat alle volken te onthalen, dan alleen Hij die de God is der gehele aarde, die zich toeeigent al de beesten op duizend bergen, al de vogelen van de hemel, de vissen der zee, ja alles wat hemel en aarde kan verschaffen; en wat meer is, die ook de algenoegzame God is, die wanneer het gehele geschapene niet genoeg ter beantwoording van zijn voornemens en ter vervulling van zijn beloften kan uitleveren, machtig is oneindig meer te scheppen.

d. Aan wien komt het toe de beloften te vervullen, dan aan de Heere Heere alleen? die God welke aan zijn woord en alle andere dingen, het leven en wezen geeft.

Doch mij dunkt, ik hoor de een of andere bekommerde ziel zeggen: het is zo, het is de Heere wel alleszins betamelijk zulke maaltijden aan te richten, en het is een onverplichte goedheid Gods dat Hij ons iets daarvan bekend laat maken: maar wat betekend zijn zwaard aan de heup? waarom is Hij rood aan zijn gewaad? Waarom eigent Hij zich op een feestdag de name Jehovah Zebaoth, Heere der heirscharen toe? Dit zou op de dag van de strijd welvoeglijk zijn; maar op een feestdag baart zoiets mistrouwen. Wie kan met vreugde maaltijd houden wanneer een zwaard boven zijn hoofd hangt? Zachte kleding, een scepter des vredes, klederen des heils, en een naam die milddadigheid, liefde, barmhartigheid en rijkdom te kennen geeft, zou bij deze gelegenheid meer voegzaam zijn.

Doch hierop antwoordde ik, dat dit een misvatting is, voortvloeiende uit onkunde van de redenen waarom Hij bij deze gelegenheid zichzelf deze naam toeeigent, welke genoegzaam zijn om al deze vrees weg te nemen. Ik zal er enige daarvan voorstellen: weet dan,

(a) Dat deze maaltijd een triomffeest is over zijn en uw vijanden; dezelve is aangericht ter gedachtenis van de overwinning die Hij verkregen heeft, en een onderpand dat gij ter bekwamer tijd door hem een volkomen overwinning zult bekomen. Alhier verschijnt bij (indien 't mij vergund is, zo te spreken) in zijn krijgsgewaad, als de Heere der heirscharen, om u indachtig te maken, dat Hij op deze berg Moab verdorst de dood verslonden heeft tot overwinning en voornemens is zijn wapenen niet neer te leggen, totdat het werk voleindigd, en geen een vijand meer overgelaten is om vrees te verwekken, of het blijmoedig gebruik van hetgeen Hij voor u bereid heeft, te verhinderen; bent dan goedsmoeds, Hij heeft de wereld en al uw vijanden overwonnen.

(b) Gij zult heden, als een voornaam deel van deze koninklijke maaltijd, onthaald worden met de roof der vijanden, namelijk de zonde, de satan en de wereld; gij wordt met zinspeling hierop, als het ware, geroepen om het vlees van koningen, vorsten en der helden te eten. Gij! zijt samen geroepen om u te vergenoegen met een beschouwing van het. verderf van Uw vijanden, en van de slag die op hun gevallen is en nog vallen zal; Hij verschijnt als de Heere der Heirscharen, om u te leren aan wie gij: hetgeen geschied is, verschuldigd bent, wie u deze roof, die gij nu geniet heeft toegebracht, en van wie gij de volmaking van deze overwinning te verwachten hebt.

(c) Weet tot uw troost, dat de Heere, gelijk David spreekt Ps. 23:, 5 een tafel toegericht heeft tegenover uw tegenpartijders, Gij hebt vele aanschouwers, namelijk de Zonde, de Satan en de Wereld, die in u voorspoed verdriet hebben; en welke, indien het in hun macht was, de vreugde van deze dag zou verstoren, en u wijn vermengen met u bloed. Nu, hierom verschijnt Hij, als de Heere der heirscharen, om de plechtigheid van uw maaltijd staande te houden, en u te beveiligen tegen de vrees van uw vijanden, ik meen een vrees die de moed beneemt; en om u te verzekeren, dat er over al het heerlijke een beschutting is, en dat hij over alle vergaderingen op de berg Sions een wolk zal scheppen Jes. 4: 5.

(d) Gij allen die tot deze maaltijd genodigd bent, zijn aangeworven krijgsknechten, verbonden tot de strijd: en Hij verschijnt als de Heere der heirscharen, om u te kennen te geven, dat gij onder zijn banier moet strijden. Hij zal het krijgsheir monsteren en is geenszins van voornemens om u alleen zonder Hem te doen optrekken; en om u daartoe te verbinden, te bemoedigen en te versterken, zo heeft Hij u aan deze zijn tafel genodigd. Dus kunt gij hieruit bespeuren mijn vrienden, dat het eten aan zijn tafel in kracht een krijgseed is, die een verbintenis te kennen geeft om onder zijn banier te strijden, en Hem te volgen waar Hij ons leiden zal.

(e) Hij verschijnt op heden als Jehovah Zebaoth, de Heere der heirscharen, om u te verzekeren, dat de beloften des verbonds vervuld zullen worden, niettegenstaande al de verhinderingen die in de weg waren of schenen te zijn. Hij is de Heere, de getrouwe God, die het wezen aan al zijn beloften geeft. Hij noemt zich de Heere der heirscharen, om U te kennen te geven dat geen vijanden machtig zullen zijn Hem tegen te staan, of te verhinderen; want Hij is de machtige, doende zijn woord Joël 2: 11, de Heere der heirscharen die niet zal bezwijken, of de moed opgeven, totdat hij het oordeel zal uitbrengen tot overwinning.

(f) Hij neemt die naam van Heere der heirscharen aan, om. u te kennen te geven, dat gij deze dag u zelf niet moet wijden zonder vrees, gelijk degene deden waarvan gemeld wordt Jud. vs. 12, de krijg is nog niet geëindigd: want nadat deze tijd der verkwikking voorbij is, moet gij u aanstonds weer bereiden tot de strijd.

Dus hebt gij gehoord wie deze maaltijd voor u heeft aangericht, het is de Heere der heirscharen, namelijk de Heere Jezus Christus, de oversten Leidsman ter zaligheid, die de wijnpers alleen getreden heeft, die versiert is in zijn gewaad, dat geverfd is in het bloed Zijner vijanden Jes. 63: 1 5, en die op zijn kleed en op zijn dij deze naam geschreven heeft: Koning der Koningen, en Heere der Heeren Openb. 19: 16, die heersen zal tot dat hij al de vijanden onder zijn voeten zal verpletterd hebben, maar

IV. Waarom wordt het bereiden van dit feest aan hhhem toegeschreven? Wat zijn de redenen dat van hem gezegd wordt dat Hij die maaltijd maken zal? Ik antwoord, om zeer goede, ja de allerbeste redenen die er zijn kunnen: want,

1. Het eerste voornemen daarvan is, indien ik zo spreken mag, in bent boezem geboren. Hierin is de liefde, niet dat wij God liefgehad hebben, maar dat hij ons lief heeft gehad, 1 Job. 4: 10. Wij zouden niet hebben durven denken, veel minder ons. zelf voorstellen, zodanig een onthaal te genieten, indien het uit hem niet eerst was voortgevloeid; zo weinig als de verloren Zoon zou gemeld hebben van het gemeste kalf, Luk. 15.

2. Gelijk Hij het voornemen genomen heeft, zo geschied het ook alles op zijn eigen kosten. Wij hadden ons deel van die goederen die ons door het recht der schepping, toekwamen ontvangen, maar hebben hetzelve door ons overdadig leven doorgebracht; doch ziet, hier heeft hij na zijn vrijmachtige genade, barmhartigheid, en goedertierenheid, een maaltijd toegericht, opdat hij u zou onthalen.

3. Zijn wijsheid heeft het bestel en de schikking van deze gehele maaltijd verzorgd, en zijn bevelen omtrent al deszelfs bijzonderheden gegeven; wat elks deel zal zijn, wie zal aanzitten, en wie zal dienen, ziet Spreuken 9: 1, 2 enz.

4. Hij heeft dit grote Gastmaalhuis, het Vorstelijk Paleis waarin deze maaltijd is toebereid, verzorgd. Hij is het die de heerlijke Evangeliekerk en de instellingen ervan heeft opgericht. De Opperste wijsheid heeft haar huis gebouwd; zij heeft haar zeven pilaren gehouwen Spr. 9: 1.

5. Hij heeft de voornaamste zorg op zich genomen om de gasten aan deze maaltijd te overzien, gelijk blijkt Matth. 22:11. Hij was het, die. de mens niet bekleed zijnde met het bruiloftskleed ontdekte.

6. Hij is het die de gasten onthaalt, verwelkomt, en nodigt om te eten hetgeen Hij heeft toebereid, zeggende, eet Vrienden, drinkt, en wordt dronken o Liefste, Hoogl. 5: 1.

7. Hij zegent rijkelijk haar kost, Ps. 132: 15 en verzadigt hun volkomen. Om al deze en dergelijke redenen, blijkt het hoe billijk men mag zeggen dat bij deze maaltijd heeft toebereid. Doch mogelijk zult gij

V. Vragen, voor wie is deze maaltijd bestemd? Ik antwoord met de tekst, het is voor alle naties, voor alle volken.

a. Zij is niet voor enige weinige bijzondere gunstelingen, enige weinige boezemvrienden, met uitsluiting van andere maar zij is voor alle volken, de gehele kerk van Christus zonder onderscheid.

b. Zij is niet nauw bepaald aan het Israël naar de vleest, het zaad van Jakob of een bijzondere natie; o neen, maar zij is ook voor de Heidenen, het einden der aarde zelf wonende in de eilanden der zee. Geloofd zij de Heere voor deze weldaad; die vanouds zo niet is geweest, doch welke nu voor alle volken, voor alle naties is.

c. Deze tafel is niet toebereid voor dezulke die rijk zijn, en hem wedervergelding kunnen doen; maar voor de arme en nooddruftige, die op een bijzondere wijze hier genodigd worden, want de Heere wil zelf zich niet anders gedragen, dan Hij van de zijnen afvordert te zijn en te doen, ziet Luk. 14: 14.

d. In een woord, zij is voor alle volken, voor alle nooddruftigen, die komen willen, en niet hem willen bevredigd zijn, zich aan hem onderwerpende, opdat zij hem zouden dienen, wat zij ook geweest zijn, en hoeveel zij ook doorgebracht hebben, indien zij maar op het sterkste genoodzaakt worden hun gebrek te zien, tot zichzelf te komen en weer te keren, zo zullen zij, niet uitgesloten, maar hartelijk verwelkomd worden, en genodigd om van deze edele spijs te eten. En daarom, hoort! ja, neemt het ter harte; gij arme, nooddruftige, hongerige, dorstige en stervende zielen, die in Schotland en in deze gemeente van Ceres bent, gij wordt tot een toebereide tafel geroepen: waar geen andere worden uitgesloten dan vervloekte Moabiten, onverzoende vijanden, die verdorst zullen worden.

VI. Indien iemand van U zou vragen, wat soort van onthaling dit is? De tekst antwoordt, het is een maaltijd: door welke benaming deszelfs, natuur meer bijzonder wordt uitgedrukt. Dus ziet gij mijn vrienden,

a. Dat hetgeen de Heere der heirscharen voor u in het Evangelie, en op de dag van heden, in Zijn instelling heeft toebereidt, geen gewone maaltijd is, gelijk Zijn volk altijd heeft; ook is het geen bekrompen portie, maar het is een overvloedige onthaling, hier door een maaltijd uitgedrukt.

b. Het is een grote onthaling, zoals maaltijden gewoonlijk zijn; en zeker, wanneer wij deze vergelijken met hetgeen de kerk vanouds genoot, zo mag die terecht een maaltijd genoemd worden. Haar ontbrak wel niet hetgeen volstrekt noodzakelijk was; maar de Heere heeft over ons wat beters voorzien. Ofschoon wij de jongste broeder zijn, zo hebben wij echter, gelijk Benjamin, een dubbele portie gekregen.

c. Dit is een maaltijd, die ons niet alleen bij het leven kan behouden, maar die ons ook een genoeglijk en troostelijk leven kan verschaffen, wij mogen met de Psalmist zeggen, dat onze beker overvloeiende is. Christus is niet alleen gekomen. opdat Zijn volk het leven, maar ook overvloed zonden hebben, Joh. 10: 10.

d. Dit is een maaltijd, welke, gelijk diegene van de uitmuntendheden die tot enig gastmaal behoren, ontbreekt, zo heeft die ook veel voortreffelijkheden die nergens anders gevonden worden: want

(a) Deze maaltijd is geestelijk, ofschoon die aan ons wordt voorgedragen door gelijkenissen, die van uitwendige en zichtbare dingen genomen zijn: zo verklaart het Christus zelf, wanneer Hij met soortgelijke uitdrukkingen dezelfde zaken beschrijft. Doet dan alle vleselijke gedachten weg; want het is geestelijke spijze die u heden zal worden opgedist.

(b) Het is een maaltijd die hemels is, niet minder dan het brood Gods hetwelk uit de hemel is neergedaald, namelijk Christus zelf, die de wereld het leven geeft. Joh. 6: 32, 33, dit is het brood der machtigen, ja, hetzelve oneindig overtreffende.

.(c). Het is een onvergelijkelijke maaltijd, vanwege deszelfs uitmuntendheid, verscheidenheid, gepastheid, overvloed van spijzen en duurzaamheid: doch hiervan meer in 't vervolg.

(d) Het is een maaltijd om niet: alles is hier zonder geld, zonder prijs, Jes. 55: l; vele andere uitmuntende hoedanigheden aan deze maaltijd eigen, zou ik hier kunnen bijvoegen. Hier is overvloed zonder overdaad; gezond en heilzaam voedsel dat het heil der ziel teweeg brengt, een tafel die vol van zaligheid is.

(e) Ik voeg bij deze maaltijd, waartoe gij heden in deze Evangelie-instelling van het Avondmaal van onze Heeren genodigd wordt, een plechtige verbintenis van het evangelie, bekrachtigt niet alleen door zijn bestel en gezag, maar ook door zijn gebod: en met betrekking hierop, verzoek ik alleen de vrijheid om deze algemene opmerking er bij te voegen, dat elke maaltijd wel een plechtigheid is; doch dat de maaltijd waartoe gij heden genodigd wordt is ingericht en ons wijst op drie voorname plechtigheden, alles overtreffende, dat ooit is geweest.

A. Vrienden opnieuw met elkaar verzoend, zullen ten teken van hun verzoening en onderlinge verzekering van een vaste en bestendige vriendschap, samen maaltijd houden 1 Kor. 10: 16 vergeleken met 2 Kor. 5: 19, 20, hier zullen wij gemeenschap met God (hebben in het bloed der verzoening, want het is een maaltijd der verzoening, plechtig bevestigende, de gelukkige herstelling van de allerdodelijkste twistzaak die er ooit is geweest.

B. Het is een bruiloftsfeest: waarop de ondertrouw van is Konings Zoon met de bruidkerk, die Hij door een verbazende onverplichte liefde heeft verkoren, plechtig gevierd wordt.

C. Het is een maaltijd, die op bijzondere wijze een huldiging kan genoemd worden. Wanneer erfgenamen in het bezit gesteld worden van grote goederen, dan richt men gewoonlijk grote maaltijden aan, die men inhuldigingsmaaltijden noemt, omdat zij dan als erfgenamen van die goederen worden ingehuldigd en gediend: en zo wordt ook nu bij deze gelegenheid de Bruid, de vrouw des Lams, in bezit gesteld van, en begiftigd met een verzegeld recht op de heerlijke erfenis haars Heeren. Is dit nu zo, hoe groot moet dan deze onthaling, deze maaltijd niet zijn, die door de Heere der heirscharen, zulk een groot en uitnemend Persoon is toebereid; om op eenmaal, drie zulke grote plechtigheden te vieren! Doch om voort te gaan.

VII. Indien gij verder mocht vragen, welke de gerechten zijn die op deze plechtige maaltijd gevonden worden? de tekstwoorden geven het te kennen, het is het vette, het vette vol merg, reine wijn, wijnen die gezuiverd zijn. Dit geeft ons dan te kennen:

1. Dat hier alle voorraad gevonden wordt, die tot een volmaakte maaltijd wordt vereist, al wat tot voedsel nodig is. Hier is spijs en drank door het vette en wijnen uitgedrukt.

2. Alles wat hier verzorgd is, is goed, ja in haar soort het beste, niets minder dan het vette vol mergs, en reine wijnen die gezuiverd zijn.

3. Alhier is overvloed van allerlei vettigheden en wijnen, in het meervoudig getal: in het huis van onze God is overvloed van brood.

4. Hier is ook verscheidenheid, zo van vettigheden, als van wijnen, betrekkelijk deszelfs soorten en getal. Om u maar een proef der rijkdommen, van hetgeen voor u in het Evangelie is weggelegd, te geven, zo weet dat hier waarlijk gevonden wordt, hetgeen de joodse rabbijnen beuzelachtig van het manna verhalen namelijk, dat hetzelve een ieders smaak en noden kon voldoen. Want

(a) Alhier zijn toebereidselen gemaakt om de honger op te wekken: van deze soort zijn de bedelingen die gemeld worden, Hosea 5: 15. Hoogdl. 4: 5.

(b) Hier is melk voor kinderen, namelijk de redelijke onvervalste melk van Gods Woord, 1 Petr. 2: 2, Hebr. 5 vers 14.

(c) Hier is ook water, water des levens, ter verkoeling; dat de dorst der ziek kan lessen. Joh. 4: 14.

(d) Hier is ook versterkende drank voor de zodanige die op het uiterste zijn van verloren te gaan, en wijn voor de bitter bedroefde van hart, waarvan zij, mogen drinken, en dus aan haar moeite niet meer gedenken, Spr. 31: 6.

(e) Daar is brood, de staf, het brood des levens; hetwelk niet alleen versterkt, maar ook het leven geeft.

(f) Hier is vaste spijs voor degene, die door gewoonte, de zinnen geoefend hebben, Hebr. 5: 14.

(g) Men heeft er ook hartversterkingen, lekkernijen ter verkwikking van zwakke en flauwhartige, hartsterkingen en specerijwijnen. Hoogl. 8: 2.

(h) Daar zijn vruchten, appelen en granaatappelen, daar ontbreekt niets dat nuttig of verkwikkend is.

5 Alles wat hier verzorgd is, heeft ook een wonderbare kracht Alhier is (a) die wijn die het hart der treurende verheugd, hetgeen de gehele wereld niet machtig is te doen (b) Hier is spijs die niet alleen versterkt, maar ook het leven geeft. (c). Deze voorraad hersteld, verlevendigd en vernieuwd de jeugd, zie Ps. 103. (d) Deze maaltijd doet wonderen, zij opent de ogen der blinde, zij doet de dove horen, de kreupelen springen als een hert, ja doet wat meer is deszelfs deelgenoten leven tot in een eindeloze eeuwigheid. Alles bijeen genomen, (e) deze maaltijd verzadigd, daar men anders al zijn arbeid besteed voor hetgeen dat niet verzadigen kan, Jes. 55: 2.

6. In een woord, in deze maaltijd is alles, zo wat de spijs als de wijze van bediening betreft het allerbeste, en in de geschiktste orde en tijd, overeenkomstig de grootheid des Konings. Hij die zelfs de beesten een ieder zijn bescheiden deel geeft ter bekwamer tijd, Ps. 104: 27, zal voor zijn eigen volk niet minder doen bij zulk een plechtige gelegenheid: alles moet hier overeenkomstig de grootheid van de koning en de plechtigheid der gelegenheid zijn.

VIII. Indien iemand na al hetgeen gezegd is, nog zou vragen, wat betekend toch dit alles? al wat wij gehoord hebben schijnt zinnebeeldig te zijn: wij wilden graag in duidelijke woorden horen, wat wij verkrijgen zullen of mogen verwachten. Om u hierin te voldoen, zo zal ik in klare woorden enige weinige bijzondere schotels van deze maaltijd aan u voordragen, en in het uitkiezen zal ik een bijzonder oog houden op de instelling die wij nu voornemens zijn te vieren.

l. Gij kunt, o gelovige disgenoten, uw ogen verzadigen met een levendige beschouwing van het allerheerlijkste, overtuigendste ja verbazendste bewijs van de onbegrijpelijke teerheid der eeuwige liefde Gods, tot zulke geringe aardwormen als gij u zelf billijk moet schatten. Het was oudtijds de betuiging van God tot zijn volk, die haar aanraakt, raakt mijn oogappel aan, Zach. 2: 8. Doch welk een zware taak was het niet voor arme zondaar op het diepste met een gevoel van Gods heiligheid, en haar eigen zondigheid aangedaan, te begrijpen hoe dit kon zijn,. of hetzelve te geloven: en echter ziet hier een bewijs ter volkomen overtuiging. Hierin is liefde, niet dat wij God liefgehad hebben, maar dat Hij ons liefgehad heeft, en zijn Zoon gezonden heeft tot een verzoening voor onze zonden, 1 Joh. 4: 10, hierin is de liefde Gods tegen ons geopenbaard, gelijk in het voorgaande vers gezegd wordt. Gewis een bewijs dat de zaak buiten alle tegenspraak stelt, een bewijs te boven gaande al hetgeen men zou hebben kunnen begeren of verwachten. Enige schemeringen hiervan waren wel eertijds vanouds gegeven; doch hier is het in een levendige vertoning van God ingesteld, om ons en klare indruk van de heerlijkheid van dit onderpand van zijn liefde, en van de liefde die zich daarin vertoont, te geven. O, arm gelovig zondaar! hoe staat nu deze spijs u aan? Of is er geen smaak in de liefde Gods? Geen zoetigheid in de rommelende ingewanden van ontfermende liefde, in zulk een klaar en helder licht geopenbaard, dat de luister der zon op de volle middag overtreft!

2. Alhier kunt gij ook verzegeld worden, en een bewijs verkrijgen van de vergeving van uw zonde. Zoudt gij u zelf niet dikwijls gelukkig. hebben geacht, waneer gij maar had kunnen zien dat er vergeving bij God te vinden was, ja over dubbel gelukkig, indien gij maar het minste bewijs dat uw zonden vergeven waren, had kunnen verkrijgen. Welgelukzalig is hij wiens overtredingen vergeven, Wiens zonde bedekt is, Ps. 32: 1 Ziet het doorslaande bewijs er van. Hier hebt gij een afbeelding van het bloed der verzoening, dat ware zoenoffer, hetgeen de Heere verkoren heeft, en hetwelk hij zeker zal aannemen, ja reeds aangenomen heeft. Deze drinkbeker is het bloed des Nieuwe Testaments, hetwelk voor velen vergoten wordt tot vergeving der zonden, drinkt alle daaruit Matth. 26: 27, 28, hoe smaak t u dit? is het niet gelijk nieuwe wijn die zachtjes neergaat, doende de lippen der slapende spreken, Hoogl. 7: 9.

3. Alhier hebt gij niet alleen een onderpand, een voorsmaak van uw verzoening met God, maar ook een levendige afschaduwing der middelen, waardoor deze vrede is teweeg gebracht. Die God met wie gij eertijds in vijandschap hebt geleefd, en welks vijanden gij was in uw harten, richt de tafel voor u toe, nodigt u in zijn huis, en in plaats van enige kruimels voor zulke honden te laten vallen; zo nodigt Hij u om aan te zitten, en vergunt u innige gemeenschapsoefeningen met Hem te genieten, en niet alleen zijn achterste delen, maar zelfs zijn heerlijkheid in het aangezicht van Jezus Christus te zien; en met opzicht hierop, kan van de ontdekking en het gezicht hetwelk Mozes van de heerlijkheid van God had, bijna gezegd worden dat het geen heerlijkheid had. Ondertussen, hij strekt zijn hand in toorn niet tot u uit, Exod. 24: 11 Hij handelt noch twist niet met u na de grootheid zijner macht, Job 23: 6, o, neen! maar Hij wil u kracht geven. U zoudt hebben kunnen verwachten, Hem te ontmoeten als een leeuw die van zijn jongen is beroofd: maar hier ontmoet Hij u gelijk een man zijn vriend, ja zijn innige vriend ontmoet. Hier is iets dat edeler en aangenamer is dan het gemeste kalf, ja dan al de muziek dat de gehele wereld kan uitleveren. Wel nu mijn vrienden, wat dunk u, is dit niet een liefelijk onthaal?

4. Beschouw al de goederen van Christus, herleest zijn testament, zoekt in te dringen in al de onnaspeurlijke rijkdommen van Christus, en smaakt al de vruchten des geestes, indien ook enige smaak daarin gevonden wordt. Immers, dit alles wordt nu aan u voorgesteld en voorgedragen in een verzegeld recht. Deze drinkbeker is het Nieuwe Testament, verzegeld, bevestigd en bekrachtigd in zijn bloed. Wordt u niet geboden dezelve te nemen? bent u onzinnig, of hebt gij uw smaak dermate verloren, dat geen van deze gerechten u kunnen behagen?

5. O, arme zondaars, mogelijk zullen sommige van Uw denken, of zeggen: de zaken die wij nodig hebben om onze gelukzaligheid te volmaken, en de mate der genade die er vereist wordt, om zulke zwakke en behoeftige schepselen, door al de plichten, verzoekingen en beproevingen die op hun weg gevonden worden, door te dragen, zijn zo groot, dat de kroon, het gewicht der heerlijkheid en alle eer welke voor de erfgenamen der heerlijkheid bestemd is, zo ver onze geringe toestand overtreffen, dat het vermetel zou schijnen te zijn, aan haar te gedenken, of daarop te hopen: ach! hoe bezwijken en vrezen wij niet dat ons die zullen geweigerd worden, wanneer wij ze begeren; ja, dat wij als vermetele zullen afgewezen worden, indien wij zouden pogen ons die toe te eigenen. Ik weet dat sommige aldus zijn verzocht geworden, en het is wonder dat er niet meer zodanige zijn. Welnu, hoe zou het u aanstaan, indien de Heere u op deze dag een onderpand in banden gaf dat u beveiligde, ja meer te hand stelde dan al datgene dat achter is? Gij zult mogelijk zeggen: "o, mochten wij dit genieten, wij zouden niets meer behoeven! Wij hebben 't altijd, sedert de Heere onze ogen geopend heeft, wel gezien dat er overvloed in het genadeverbond was, om ons na wens gelukzalig te maken, maar hier haperde het altijd aan! Zou hij ons deze en die zaken wel willen schenken? Welnu mijn vrienden. God heeft zijn eigen Zoon voor u niet gespaard, maar heeft Hem voor ons allen overgegeven, en Hem als zodanig aan u aangeboden; en ziet, hier verschijnt Hij nu weer om Hem aan u te geven, en deze zijn gave te verzegelen. Zeg mij nu eens, nadat de Heere dit alles geschonken heeft, zou Hij dan, hetgeen nog overig is, wel kunnen onthouden? Of zal Hij ons ook met hem niet alle dingen schenken? Zou dan genade of heerlijkheid, ja de hemel zelf, en alles wat gij nodig hebt of op roemen kunt, bij God meer geacht zijn dan zijn Zoon? Zou Hij die aan u schenken en al het andere terug houden? Zou Hij Hem dus aan en voor u overgegeven hebben, terwijl gij nog vijanden was, en zou Hij nu, wanneer gij zijn verzoende vrienden, erfgenamen en kinderen bent, u weigeren het nodige, als voedsel, deksel, bescherming of deel te hebben in zijn erfenis? Wie zou zulke gedachten durven koesteren? Welnu mijn vrienden, boe bevalt u deze spijs? Zeker het is niet gelijk het wit van een ei, nog smakeloos in zichzelf, als iets, dat niet kan gegeten worden zonder zout.

6. Om er niets meer bij te voegen, zie hier nu voorgesteld het Lam Gods, dat Lam, van welke de kerk Gods 4000 jaren heeft geleefd in het geloof. Hier is de vervulling van die grote moederbelofte die het langst was uitgesteld, en het grootste gevaar omtrent de vervulling gelopen heeft, en welks vervulling nochtans datgene was, waarop de hoop der gehele Kerk was gegrondvest, en de gelukzaligheid van afhing; hiervan hebt gij de vervulling aan u voorgesteld, welke genoeg is om de getrouwheid van God tot in eeuwigheid van alle argwaan vrij te spreken, en ons te verplichten om volkomen geloof aan al zijn beloften te geven, schoon die nog zover mogen afwezig zijn, en wat schijn van onmogelijkheid of ware moeilijkheden in de vervulling mochten gevonden worden.

Ik zou veel andere kaken van dergelijke natuur hier kunnen bijvoegen, maar het voorgestelde is tot een proef genoeg. Nu hoop ik, dat ik duidelijk en niet door gelijkenis gesproken heb; en wat de toepassing aangaat, ik denk dat het niet nodig zal zijn dezelve uit te breiden: omdat onze tijd zeer kostelijk is en reeds te ver verlopen.

Ik zal alleen, aan deze talrijke vergadering, een vraag in de naam des Heeren voorstellen; bent gij voor ons, of voor onze vijanden? bent gij aan des Heeren zijde, of tegen Hem? Ik weet dat gij alle van nature vijanden bent: maar bent gij met Hem, zijn wetten, voorzienigheid en instellingen verenigd geworden? Bent gij in een verbond tegen de zonde, bestrijdt gij dezelve, en dat wel alle zonden, zo verborgen, als geliefde? bent gij in een gedurige strijd tegen dezelve? of vergunt gij enige daarvan met u in vrede te leven? Kunt gij uw wapenen neerleggen, zolang die nog in leven zijn? zo ja; dan bent u nog onder de vijanden, de Moabieten, behorende; deze maaltijd is voor u niet bestemd: maar indien gij; strijdt onder de banier van Jehovah Zebaoth, de Heere der heirscharen, tegen alle zonden die krijg voeren tegen uwe ziel, .en aan dezelve geen vrede of stilstand kunt vergunnen; dan zeg ik,

(a) Wie gij, ook zijn mag, wat ook uw staat, toestand of betrekking wezen mag, of wat gij; tot hiertoe mag geweest zijn, voor u is deze maaltijd heden bereid. Hetgeen de Heere in onze tekstwoorden heeft beloofd, is heden in deze plechtigheid des Evangelies toebereid; de ossen, en het gemest vee zijn geslacht, de wijn is gemengd, de tafel toegericht, en wij zijn uitgezonden u tot deze maaltijd te nodigen, maar

(b) Wij, kunnen ook niet nalaten uw gelukzaligheid te roemen: welgelukzalig gij, gij gezegende des Heeren! ja welgelukzalig, gij volk dat zo rijk begunstigd wordt! en wie het de Heere der heirscharen behaagt heeft aldus te eren, dat Hij u tot zulk een heerlijke maaltijd verwaardigd, en dezelve voor u heeft toebereid, en u doet aanzitten aan zijn tafel.

(e) Om des Heeren wil, acht deze eer die heden aan u bewezen wordt niet gering; want het is geen kleine zaak. Is het gering in uw ogen neer te zitten aan de tafel des Heeren?

(d) Doe uw mond wijd open. Indien uw honger niet sterk en uw begeerte niet levendig zijn, o! roept tot Hem die u hulp kan toezenden: want de toebereiding van het hart is van de Heere.

(e) Om des Heeren wil, gedenk waar gij bent, wanneer gij tot zijn verbondstafel nadert, en wacht u toch voor een onstichtelijk gedrag.

(f) Eer gij toenadert, zie toch wel toe of gij waarlijk behoort onder de zodanige die het recht hebben om aan te gaan, want een misvatting in deze, kan van gevaarlijke gevolgen zijn. Wat u aangaat die tot deze gemeente behoren, heb ik kentekenen voorgesteld, waaraan gij; uzelf kunt beproeven; en wat de vreemdelingen betreft, ik, twijfel niet of zij zullen genoeg onderrichting van hun leraren hebben gehad. Indien hier echter enige Moabieten zouden willen indringen, gelijk ik vrees dat veel zullen doen, die kunnen en mogen hier verwachten, dat zij zullen verdorst worden.

(g) Wat u betreft, die de Heere onze God geroepen heeft, voor ons blijft heden niets meer over, dan u te nodigen en te verwelkomen in de naam des Heeren. Kom, eet vrienden, drinkt en wordt dronken, o liefste; ja kom, eet het goede en laat uw ziel haar in vettigheid verlusten. De Heere die deze maaltijd heeft toebereid, zal u, o arme zondaren, met brood verzadigen, en uw kost rijkelijk zegenen. Amen.

 

Christus gekruisigd, of, de wijsheid en kracht Gods, die de roeping van het evangelie in hem krachtdadig doet zijn

Over 1 Kor. 1: 23, 24.

Doch wij prediken Christus de gekruisigde, de joden wel een ergernis en de Grieken een dwaasheid. Maar haar die geroepen zijn, beide joden en Grieken, prediken wij Christus, de kracht Gods en de wijsheid Gods.

Wij zijn heden samengekomen om ons te bereiden ter viering van de gedachtenis der kruisiging of dood van Christus, en derhalve, weet ik niet wat gepaster tot dit einde kan zijn, dan dat ik u tracht op te leiden tot rechte gedachten van de natuur, uitmuntendheid en gewichtigheid van deze dood, wiens gedachtenis gij voornemens bent plechtig te houden; ook is dit temeer noodzakelijk, daar vele in deze dagen dit voorname gedeelte van het evangelie begint te verdrieten, omdat zij nauwelijks weten, overeenkomstig hun bevatting van godsdienst, welke plaats hetzelve te geven. De stof is ruim en onze tijd kostelijk; derhalve zullen wij maar als t ware een nalezing doen, verkiezende ons liever bezig te houden met hetgeen niet mag worden nagelaten, dan met hetgeen dienaangaande kon gezegd worden.

De Apostel in deze uitstap, nemende zijn aanvang met vers 17 en eindigende met het begin van hoofdstuk 3, stelt aan ons voor welke de krachtdadigste weg is om zondaren zalig te maken; en in deze verhandeling toont bij aan:

1. De ijdelheid van alle menselijke uitvinding om dit einde te bereiken, vers 19-21.

2. Hij stelt ons voor welk middel God heeft uitgevonden, namelijk het Evangelie, vers 18, 21.

3. Hij vertoont ons wat het voornaamste middel tot zaligheid is, aan ons voorgesteld in het Evangelie, het is de gekruisigde Christus, vers 17, 18, 23, 24.

4. Hij toont ons aan op welke wijze dit middel moet gebruikt en toegepast worden, namelijk, in en door de bediening van het Evangelie: Christus gekruisigd, moet gepredikt worden overeenkomstig de instelling Gods, vers -17, 21.

5. Hij geeft ons te kennen hoe hetzelve ontvangen is, wanneer het werd voorgesteld, vers 25. Joden en Grieken beiden, verwierpen dit middel tot zaligheid.

6. In onze tekstwoorden, vers 24, stelt hij de uitmuntendheid van dit middel, deze weg van zaligheid vast, niettegenstaande al de versmadingen die hetzelve moest ondergaan.

In dit vers zullen wijl kort deze vier zaken aanmerken.

1. Het onderwerp van de redenering van de apostel; het is Christus en die gekruisigd dit blijkt klaar uit het voorgaande vers, en uit de gehele samenhang Christus de gekruisigde, was, volgens het oordeel van de Apostel, het grote onderwerp des Evangelies, hetwelk is het woord des kruises, vers 18. Dit was het, dat hij voornamelijk bedoelde aan zijn hoorders voor te dragen, en hun hetzelve te doen kennen, hfdst. 2: 2, en in vergelijking hiervan achtte hij alles schade te zijn, Filip. 3: 10. Het schijt dat onze Apostel van een geheel verschillende gedachte was, met vele in deze dagen, zo bier als elders, welke denken dat men een goed Christen kan zijn, en waarlijk tot de gelukzaligheid kan geraken, ofschoon men geheel weinig, of mogelijk niets van de dood van Christus kent; doch dit is niet de enige zaak, waarin onze Apostel van verschillende gedachten is geweest met de Schriftgeleerden van oude en latere tijden, en waarover hij bittere berispingen genoeg ontvangen heeft, welke, ik vrees, dat die berispers in de groten dag gewis tot straf zullen verstrekken.

11. Deszelfs uitmuntendheid, met opzicht op de zaligheid van zondaren, dat het einde is dat wij nu bedoelen, gelijk de gehele samenhang dit buiten alle tegenspraak stelt. Het is de kracht Gods, het krachtdadig middel, waardoor God zijn macht betoont tot zaligheid van degenen die geloven; het is de wijsheid Gods, Rom. 1: 16, de wijze raad Gods, Hand. 4: 27 en 28, waardoor hij voorgenomen heeft, en ook dadelijk betoond zijn wijsheid en kracht in het zaligen van zijn Kerk.

III. De personen aan welke dit middel zodanig is; het zijn degene die krachtdadig geroepen zijn, hetzij joden, hetzij Grieken: voor haar was het: zij vonden het krachtdadig, zij keurden het goed, als zijnde de wijsheid en de kracht Gods.

IV. De zekerheid en vastheid van deze leer, niettegenstaande het tegengestelde gevoelen van Joden en Grieken: welke ons te kennen gegeven wordt in het bijgevoegde woordje doch, in het begin van ons tekstvers, omdat het in strijd is met hun oordeel vers 23.

Wij zullen uit deze woorden de volgende leer voorstellen. Namelijk: dat Christus gekruisigd, in de bediening van het evangelie voorgesteld, het verordineerde middel is, waardoor de Heere, naar zijn oneindige wijsheid, allen die geroepen zijn, krachtdadig zaligt.

Het is onnodig bewijzen uit de Schrift bij te brengen om deze leer te bevestigen, daar die duidelijk zijn in de tekstwoorden zelf; ook is het klaarblijkelijk met de samenhang: en uit het gehele woord van God, gelijk in 't vervolg zal blijken. In het verhandelen van deze woorden zullen wij.

I. Enige klare aanmerkingen omtrent Christus de gekruisigden aan u voorstellen.

11. Een verklaring geven van de hoedanigheid dergene, voor wie Hij gekruisigd is.

III. Dit leerstuk, door enige voorbeelden van de kracht des doods en der kruisiging van Christus ophelderen en nader betogen.

IV. Een toepassing maken overeenkomstig de tegenwoordige tijdsomstandigheid.

Het eerste algemene Hoofddeel, strekt dan om enige klare aanmerkingen, omtrent Christus de gekruisigde voor te stellen, en:

1. Onze Heere was in waarheid de Christus, de Messias, de gezalfde Gods, de Heere had Hem plechtig afgezonderd en volkomen bekwaam gemaakt om de Zaligmaker van Zondaren te zijn. Hij is uw heilig kind Jezus die gij gezalfd hebt, na de taal der verheugde gemeente in haar gezang des lofs, Hand. 4: 27, vergelijk ook Matth. l; 21, met Luk. 1: 74.

2. De Christus Gods, die Hij verordineerd heeft om de wereld zalig te maken, is in de wereld gekomen en door de wereld gekruisigd en ter dood gebracht. joden en Heidenen, de oversten en het Volk, geestelijke en wereldlijke, uitverkorene en verworpene, een volkomen vertoning van de wereld, hebben samen gestemd om de Zaligmaker der wereld te kruisigen. Dit is een algemene doch wonderbare waarheid. Ontzet u hierover gij Hemelen, ja bent verschrikt, over de verfoeilijke ondankbaarheid van een boze wereld hier beneden! welk een verwonderlijke taak is het niet, dat Hij die verordineerd en gezonden was om de wereld te zaligen, zou sterven! Dat de Vorst des levens zijn eigen leven zou verliezen! en de Zaligmaker als het ware zou uitgedelgd worden! doch dit is 't niet alleen, maar:

3. De Christus Gods was door God in de wereld gezonden, om te sterven en te worden Christus de gekruisigde. God heeft Hem niet gespaard; maar heeft Hem overgegeven; en zijn vijanden over Hem macht gegeven, gelijk Hij zelf aan Pilatus te kennen gaf. Hij gaf bevel aan het zwaard om tegen Hem te ontwaken; Hij maakte Hem krank, en verbrijzelde Hem. O, wonder! dat de Christus Gods, door de voorbepaalden raad Gods, moest gekruisigd worden! wat is toch de oorzaak hiervan?. maar dit noopt mij om aan te merken:

4. Dat de Christus Gods niet is gekruisigd om enige van zijn eigen zonden: o, neen! Want Hij was heilig, onnozel, onbesmet en afgescheiden van de zondaars, Hebr. 7: 26 en 27. Hij, had geen. verzoening voor zijn eigen zonden nodig, Hij werd niet uitgeroeid voor zichzelf, Dan. 9: 26, want zelfs zijn vijanden konden geen schuld in Hem vinden; de hemel zelfs verklaarde Hem onschuldig te zijn. Verdoemelijk zijn derhalve die opvattingen, die nu onder ons verbreid worden, dat de wil van Christus zondig was; dat er weerspannigheden in zijne mindere faculteiten of vermogens waren, enz. gelijk ook de verdedigingen van deze dwalingen geen beter benaming verdienen.

5. Christus is gekruisigd in de plaats van zondaren, om onze zonden, want Hij is afgesneden uit het land der levenden: om de overtredingen van zijn volks is de plaag op Hem geweest; dat is niet alleen ten onze nutte, gelijk de Socinianen spreken: ook was het niet alleen of voornamelijk om aan ons een voorbeeld van lijden na te laten, maar het was voor ons en in onze plaats. Dit weerspreken de Socinianen, en dezulke, die het van oude of latere tijden met hun eens zijn: en het ware te wensen dat sommige onder ons, door hun nieuwe en nutteloze redetwistingen, wegens de zin waarin Christus onze personen heeft gedragen, niet te veel hadden toegebracht, om deze heerlijke waarheid te verdonkeren, waarvan de gehele kracht van Christus dood met opzicht op onze zaligheid afhangt. En derhalve, laat mij toe u voor te stellen wat de Heilige Schrift aangaande deze zaak duidelijk te kennen geeft.

(a) De Heere Christus was aangesteld of toegelaten om bij God onze borg te zijn, Hebr. 7:22. Daar wij tevoren door en aan de wet verbonden waren: is het aan Hem nu toegestaan om in onze verbintenis te komen, en te worden onder de wet, Gal. 4: 5, waardoor hij verplicht werd alles teweeg te brengen, hetgeen de wet van ons vorderde: en hieraan heeft Hij zich gewillig onderworpen. Zodat, Hij, ofschoon in de gestaltenis Gods, zich echter heeft vernietigd, en de gestaltenis eens dienstknechts aangenomen hebbende, zich zelf vernedert, gehoorzaam geworden zijnde tot de dood, ja de dood des kruises, Filip. 2: 6, 7, 8. Ps. 40: 7, 8, 9.

(b) Onze zonde werden Hem toegerekend, en de Heere heeft van onze aller ongerechtigheid op Hem doen aanlopen, Jes. 53: 6, en Hij, heeft dezelve gedragen, namelijk onze zonden, vs. 11.

(c) Hij heeft de straf voor deze zonden gedragen, Hij is afgesneden uit het land der levenden, Jes. 53: 8, en dat niet voor zichzelf, Dan. 9: 26, maar om de overtredingen zijns volks is de plaag op Hem geweest, Jes. 53: 8.

(d) De straf die hij voor deze zonden heeft geleden, was die straf welke door de wet was bedreigd. Hij is een vloek geworden voor ons, om ons te verlossen van de vloek der wet, Gal. 3: 13.

(e) Zijn oogmerk, in deze straf te dragen was, opdat Hij ons zou verlossen van de vloek, gelijk blijkt uit de tekstwoorden zelf, zo even aangehaald.

(f) Zijn dood wordt als de onze gerekend, dat is, voor ons ondergaan en geleden, en waarvan deszelfs gezegende vrucht tot ons nut zou uitlopen. Want indien een voor allen gestorven is, dan zijn zij allen gestorven, 2 Cor. 5: 15 en dan zijn wij met Hem gekruisigd, en begraven.

(g) Ons wordt geleerd, wanneer wij beschuldigd, aangeklaagd en tot verantwoording geroepen worden, te pleiten op zijn dood en straf; alsmede op zijn opstanding als onze volkomen kwitantie, van al hetgeen van ons, kan gevorderd worden, met opzicht op onze rechtvaardigmaking, zie Rom. 8: 34, 35. Het verhandelde is genoegzaam, om aan het voorgestelde, in het eerste algemene Hoofddeel te voldoen. Dus gaan wij over tot het

II. Algemene Hoofddeel, in hetwelk is te zien; wit zij zijn voor welke Christus gekruisigd is, en aan wie Hij is de kracht Gods. Dit is een gewichtig verschilstuk; en daarom zal ik aan u enige duidelijke schriftuurlijke hoedanigheden voorstellen, waaruit blijken zal wie de rechte onderwerpen zijn.

(a) Het zijn de zodanige die door de Vader aan Christus gegeven z ijn. Hij heeft macht het leven te geven aan allen die Hem van de Vader gegeven zijn, Joh. 17: 2, die alle ter bestemder tijd tot Hem zullen komen, en geen van hen verloren gaan, Joh. 6: 37, 39.

(b) Zij zijn volgens onze tekstwoorden, de zodanige die geroepen zijn, niet alleen uitwendig, gelijk dezulke, waarover in het vorige vers gesproken is, maar inwendig en krachtdadig, in tegenoverstelling van hen, die dus dezelve met de uitverkorene, waarover gesproken wordt vers 26 en 27, vergeleken met de tekst.

(c) Het zijn dezulke aan welke Christus in der tijd geschonken is, en met Hem alle dingen, Rom. 8: 32, bier vinden wij de order (1) Christus is voor overgegeven. (2) Hij is aan ons geschonken (3) en ook met Hem alle dingen.

(d) Het zijn ook de zodanige die in Hem geloven, en Hem aannemen, en voor dezulke is het Evangelie de kracht Gods, Rom. 1: 16.

Eindelijk zou ik, hier nog kunnen bijvoegen, (c) dat zij zijn het volk Gods, Jes. 53: 8. Christus' schapen, Joh. 10: 11. Gods gemeente enz. Doch ik kan dit voorbijgaan, en overgaan tot het

III. Algemene Hoofddeel, hetwelk is, om in enige voorbeelden aan te tonen dat Christus de gekruisigde, of de dood van Christus de kracht en de wijsheid Gods is tot hun zaligheid.

(a) Christus' dood, in het Evangelie voorgesteld, is de kracht Gods, het krachtdadig middel, waardoor zondaren geroepen of bekeerd worden. Want wat is de grote zaak toch die zondaren overreed om zich tot God te bekeren? Zeker, het is de aanbieding van een gekruisigde Zaligmaker, Hand 2: 42. Daar werden drie duizend zielen bekeerd! wel nu, maar wat was het dat op haar zoveel vermocht? Beschouw maar de samenhang, en gij zult bevinden, dat het een prediking van de gekruisigde Christus was. Wie heeft de meeste zielen tot God bekeerd, ik geloof dat er nooit iemand zoveel bekeerd heeft als onze Apostel Paulus. Welk middel gebruikte hij daartoe, het was de prediking van het kruis, gelijk blijkt uit het verband van onze tekst.

(b) Christus de gekruisigde is de kracht Gods tot rechtvaardigmaking, dit wordt uitvoerig door onze Apostel behandeld, in de vijf eerste kapittels van zijn brief aan de Romeinen, en op andere plaatsen meer. Het is met deze zaak aldus gesteld: De. strafschuldige mens wordt rekenschap gevraagd en bij wegens zijn zonden aangeklaagd bij God; wat zal hij ter verdediging inbrengen? wat zal hij voor zichzelf antwoorden hetwelk hem krachtdadig zal vrijspreken? O, indien het oordeel eens tegen hem is uitgesproken, zo is hij geheel verloren.

De wijsheid der mensen, zo Heidenen als Christenen hebben getracht verdedigingen uit te vinden, en tot heden toe worden nog naar nieuwe uitvluchten gezocht (1) sommige zoeken zich te verontschuldigen door ontkennen, (2) anderen door hun schuld, gelijk Adam, te verschonen en te verkleinen. (3) Sommigen door verbeteren, doende beloften om het in 't toekomende beter te maken. (4) Anderen beloven meer te doen dan geëist wordt. (5). Enige trachten haar zonden te verzoenen door hun tranen, (6) anderen gebruiken daartoe boetedoeningen, (7) weer anderen nemen hun toevlucht tot het offeren van beesten, (8) anderen tot hun eigen kinderen op te offeren, (9) sommigen vrezende dat dit alles nog niet voldoende is, zouden zich wel wenden tot onmogelijke zaken. Micha 6: 6. (10), sommigen stellen veel verdienste in liefdadige werken, (11) anderen verkiezen kloosterbeloften, afzonderingen en afstervingen, gelijk zij het verkeerd noemen, of om het gewone woord te noemen boete doen, (12) sommigen stellen hun vertrouwen in hun eigen geloof, (13) anderen in hun oprechte gehoorzaamheid, zoals zij die kunnen volbrengen. En in kracht komt het hier alles op uit, dat zij ponden schuldig zijn en penningen willen betalen. Dus blijkt het dat zulks twee voordelen bevat, 1. dat de Heere niet zal kunnen zeggen, dat Hij hen alles om niet vergeven heeft, 2. dat zij kunnen zeggen iets betaald te hebben, ofschoon niet hetgeen zij schuldig waren, echter hetgeen zij konden, en dat het derhalve wreed zou zijn om meer van hen te eisen. Eindelijk sommigen vrezende dat dit alles nog niet voldoende is, wenden zich tot een vagevuur, of om het schoon klinkender uit te drukken, tot een staat van zuivering. Aldus ziet men wat een harde zaak het voordes mensen wijsheid is, en echter kan geen van al die dingen, noch die alle te samen de kracht niet hebben om ons vrij te spreken en voor God te rechtvaardigen.

Het is de wijsheid van God die in en door het Evangelie, de rechtvaardigheid Gods openbaart, Rom. 1: 17. Wanneer een gelovig zondaar beschuldigd en wegens zijn zonden met de verdoemenis wordt bedreigt, dan geeft hetzelve hem recht om te pleiten, dat Christus voor de zonde gestorven is, dat is, dat Hij voldaan en betaalt heeft; dat Hij is opgewekt en dus een kwijtschelding heeft verkregen, en naar de hemel is opgevaren om dezelve plaats te doen hebben, Rom. 8: 34, dit is het dat ons krachtdadig zal vrijspreken; hetgeen geen andere pleitreden of verschoningen, als zijnde alle zwak en dwaas kunnen doen.

c. De dood van Christus de kracht Gods tot heiligmaking. Dit moeten wij ophelderen in een voorbeeld of twee, voornamelijk met opzicht op de doding der zonde.

(1) De dood van Christus is een voldoening voor de zonde, voor de schuld van al de zonden van degenen die er deel aan hebben, en hierdoor verliest de zonde het recht op hun dienst. Zij is de kracht Gods om het fondament van de heerschappij der zonde te verzwakken, de zonde heeft geen recht dat Gods recht kan benadelen, doch de zonde en de Satan hebben beide een soort van wettige heerschappij door onze eigen toestemming over ons overeenkomstig de regel, Rom. 6: 16. Maar zodra wij; deelgenoten van het lijden en de dood van Christus geworden zijn, Filip. 3: 10 en dus met hem gestorven, Rom., 6: 4, 5, die voor de zonde gestorven is, 2 Kor. 5: 15 Zo kunnen wij, wanneer de zonde voorwend te willen heersen, en te zeggen, dat wij. onszelf tot dienstknechten om die te gehoorzamen, hebben overgegeven, antwoorden, wij zijn gestorven, 2 Kor. 5: 15, en daarom niet langer verbonden; want de wet heerst alleen over de mens zo lang hij leeft, Rom. 7: 1, daarenboven, zo wordt onze toestemming verklaard van geen waarde te zijn, daar onze Borg, gelijk voor onze andere zonden ook daarvoor geleden heeft, derhalve zo is die gestorven en verbindt niet meer; ja dat meer is, zij, kunnen zeggen, gij o zonde, bent als een verrader veroordeeld geworden, wanneer wij, of liever onze Borg, wegens onze onderwerping aan u veroordeeld werd en daardoor is het vonnis tegen u geveld; onze op de mens is met Christus gekruisigd, Rom. 6: 6 en men is aan een gestorven meester, een die volgens de wet dood is, geen dienst meer verschuldigd. Aldus zien wij, dat de mening is van Rom. 6: 6, want die gestorven is, die is gerechtvaardigd van de zonde. En dus is hij krachtdadig beveiligt tegen enig recht hoe ook genaamd, dat de zonde met opzicht op de dienst ervan kan afvorderen.

(2) Christus dood als de prijs van onze verlossing van de macht der zonde, heeft volkomen verworven, dat is krachtdadig of waarlijk verdiend, de mededeling des Heiligen Geestes, die dadelijk de kracht der zonde verbreekt, door het tegengestelde grondbeginselen der genade, namelijk de wet des geestes des levens in Christus Jezus, in te planten, werkzaam te maken, te ondersteunen, te versterken en te doen herleven, waardoor wij niet alleen vrijgemaakt zijn van de wet der zonde, maar waardoor ook de zonde wordt gedood, Rom. 2: 3. Dus heeft de dood van Christus, als een dierbare losprijs dit verworven en teweeg gebracht, Gal. 3: 13, 14, en wordt door hem rijkelijk over ons uitgegoten, Tit. 3: 6. Christus gekruisigd is de kracht Gods in een eigenlijke en verdienstelijke zin, om ons te verlossen van kracht der zonde.

(3) De dood van Christus, als een verzoening aangemerkt, verzekert de aanneming van al onze godsdienstplichten, neemt alle twijfelmoedigheden weg, en geeft ons, de allerkrachtigste drangredenen tot ware heiligmaking; onze arbeid is niet ijdel in de Heere, 1 Kor. 15: 58, maar aan God, aangenaam door hem, 1 Pet. 2: 5, ziet ook 2 Kor. 5: 14, IS, dus is die zedelijk aangemerkt, de kracht Gods tot heiligmaking.

(4) Christus dood, zoals die in het Evangelie wordt voorgesteld is het gewone middel dat de Heere gebruikt om ons heilig te maken, en dus, als het ware, instrumenteel aangemerkt, de kracht Gods tot heiligmaking, 2 Kor. 3: 18; het is een voornaam gedeelte van die heerlijkheid waardoor wij veranderd worden, wanneer wij die aanschouwen; wij zouden vele andere bewijzen van deszelfs invloed tot ware heiligmaking kunnen bijbrengen, gelijk onder anderen dat zij als een voorbeeld, waardoor de oude mens wordt teniet gedaan, wordt voorgesteld, Rom. 4: 5, 6 en dergelijke meer. Geen wonder derhalve dat een ziel de heiligmaking najagende, instemt met het verlangen van de apostel, Filip. 3: 10.

(d) De dood van Christus of Christus gekruisigd, is de kracht Gods tot van onze vertroosting, omdat die het groot onderpand is van de liefde Gods tot ons; want hierin bevestigd God zijn liefde tegen ons, dat Christus voor ons gestorven is als wij zondaars waren, Rom. 5: 8 en hierin ligt veel opgesloten, zoals uit de samenhang van vs. 6 tot 12 blijkt. Dit is derhalve de rechte springbron, waar alle troost uit vloeit.

(e) De dood van Christus is de kracht Gods, om ons te verzekeren van al de andere weldaden des Verbonds. Zij is het onderpand die ons verzekert dat alle andere zegeningen, van besturing, sterkte, ondersteuning, geestelijke voorraad, bescherming, licht, leven, liefde enz. ons op zijn tijd zullen geschonken worden. Ziet Rom. 8: 32.

De kruisdood van Christus is de kracht Gods, die ons verzekert van onze aanneming, en ons een vrije toegang tot het heiligdom doet verkrijgen, Heb. 10: 19, hier zijn wij veilig, omdat wij het Lam dat geslacht is, tussen ons en alle zwarigheden kunnen stellen. Hij heeft de ongerechtigheid van onze heilige dingen gedragen, zodat wij toegang hebben, ja een veilige toegang in het heiligdom door zijn bloed.

(g) De dood van Christus is de kracht Gods, tot neerwerping van de satan: want door zijn dood heeft hij teniet gedaan dengenen die het geweld des doods had, dat is de Duivel., Heb. 2: 14, gelijk blijkt uit hetgeen wij over de heiligmaking hebben gezegd; Christus betaalt de schuld, en derhalve verliest (1) de Satan, die sterk gewapende zijn recht om ons in de gevangenis te houden. En wij hebben (2) een recht om op de sterkste wijle kracht in te roepen, om ons van die beledigende geweldhebber te bevrijden

h. De dood van Christus bevrijdt krachtdadig van de prikkel des doods, namelijk de schuld der zonde; dit hebben wij tevoren opgehelderd, wanneer wij over de rechtvaardigmaking handelden, ziet Heb. 2: 15.

i. Christus dood is de verdienende losprijs van onze erfenis; Hij is gestorven opdat wij de belofte der eeuwige erve ontvangen zouden, Heb. 9: 15. Eindelijk,

k De dood van Christus. doet het Testament der genade vast zijn, en verzekert ons dus alle genade en heerlijkheid, Heb 9: 16, 17.

Wij zouden nu verder wel kunnen spreken wegens deszelfs kracht in het kruisigen der wereld, en dergelijke meer; doch dit daar latende, gaan wij over ter

Toepassing

Wij zien dus uit het reeds gezegde,

1. Tot Onderrichting.

a De veelvuldige wijsheid Gods, die door een middel, zo onwaarschijnlijk en dwaas in de ogen en na de bevatting der mensen, zovele heerlijke uitwerkingen heeft teweeg gebracht; dit is die verborgenheid daar de Engelen begerig zijn om in te zien, en daar de verlosten rondom, de Troon hun ogen op gevestigd houden, namelijk het Lam dat geslacht is.

b. Dat de leer van Christus kruisdood en deszelfs kracht, het grote, ja voornaamste deel, en de heerlijkheid der verborgenheid van het evangelie van de Christelijke godsdienst is. Alle soorten van godsdienst die deszelfs kracht verminderen en die te nauw bepalen, schoon zij ijver voorwenden voor hetgeen zij staande houden, stellen de Christelijke godsdienst vals voor, ja missen die geheel en al; want de gehele kracht van onze godsdienst, ontstaat alleen uit de plaats, die de krachtdadige dood van Christus daarin heeft: en derhalve leren de Jezuïeten in Indië die dezelve verborgen houden, en de Socinianen, Kwakers en hedendaagse Mistieken (die niets anders aan de kracht van Christus dood toeschrijven, dan dat die alleen maar een voorbeeld of een merkwaardige daad van gehoorzaamheid in een moeilijke plicht is) het Evangelie niet.

c. Hoe eigenlijker en klaarder enige instelling van het Evangelie, Christus als gekruisigd of Christus in zijn dood vertoont en voorstelt, hoe heerlijker, nuttiger en van meer waarde die is. Hoe uitnemend is dan niet de heerlijkheid van deze instelling, tot welks waardig gebruik gij nu u zelf toebereidt? Hoe heerlijk wordt bij, daarin niet als gekruisigd voorgedragen, zowel in uitgedrukte woorden zijner openbaring als door tekenen en zegelen die hij zelf heeft ingesteld?

d. Hieruit zien wij: ook, dat het een groot voorrecht is zulke dierbare middelen te hebben, waardoor Christus in zijn dood zo klaarblijkelijk wordt voorgesteld; want dit zijn de kanalen, door welke deze zaligende kracht aan al die geroepen zijn wordt toegebracht. Daar is geen bevinding van deze kracht, dan alleen door het geloof, want door het geloof worden wij zalig, Ef. 2: 8, en daar geen goddelijk gebod om ons recht te geven, geen instelling om daarop te berusten, noch geen belofte om die te omhelzen, gevonden wordt, maar een, wie heeft dit van uw handen geëist? ons gedurig als in het aangezicht vliegt, daar kan geen geloof zijn. Het is een verdoemelijke leer die vele thans aannemen, dat alle middelen die wij ons kunnen verbeelden, tot uitwerking van deze of geen einden nuttig, zijn, bijv. doding der zonden enz. mogen gebruikt worden; dit zal crucifixen, boetedoeningen en wat dies meer zij, ja de gehele heidense plechtigheden weer in te voeren, want dit is een schoen die elk past; doch God zij dank, dat wij de middelen van God zelf ingesteld, genieten, die de kanalen zijn van de kracht, namelijk de bediening des Woord, wanneer de Geest die toepast aan de ziel, en welke wij ons niet schamen, Rom. 5: 16.

e. Wij kunnen hieruit ook leren, dat onze godsdienst een bevindelijke godsdienst is, het is de ontdekking van een middel tot zaligheid voor verloren gaande zondaren, een middel dat alleszins krachtdadig is, en vele dierbare uitwerkingen, die kunnen, ja moeten ondervonden worden, teweeg brengt. Wel zo gij, dan nu de kracht van Christus doodt, tot dit reeds aangetoonde einde, niet hebt ondervonden, zo zijt gij geen Christenen. Bevatting van waarheden maakt niemand een Christen, het is alleen de ondervinding van de kracht Gods, en geestelijk inzien en overtuiging te hebben van de wijsheid Gods daarin betoond: Want het koninkrijk Gods bestaat niet in woorden, maar in kracht.

II. Tot beproeving.

Omdat Christus de kracht Gods en de wijsheid Gods is, al die geroepen zijn, zo onderzoekt dan u zelf of gij ook tot de zodanige behoort. Want

a. De plicht die heden van u geëist wordt, is niet te zien op brood en. wijn, maar om de dood van Christus daarin te zien, en te gedenken, als zijnde de kracht en de wijsheid Gods. De verhandelingen van de apostel die aan u bij deze gelegenheid wordt voorgelezen, geeft dit duidelijk te kennen. Niemand kan dit onderscheiden, dan alleen degene die geroepen zijn, omdat het voor anderen maar dwaasheid is.

b. Dit wordt elke avondmaalganger geboden te beproeven, en daarom wordt hun gelast zichzelf te onderzoeken, of zij wel in staat zijn het lichaam des Heeren te onderscheiden? alleen degene die geroepen worden, kunnen dit doen, maar gij zult mogelijk vragen, hoe kunnen wij weten of wij de zodanige zijn? Ik antwoord:

(a) Bent u ooit zo gevoelig gemaakt en zo overtuigd geworden van uw rampzalige toestand, zonde en schuld, .dat gij geen vrede, geen rust, geen uitredding kon vinden in uw schorten van vijgenbladeren; uw uitvluchten, beloften van verbetering, en allerbeste plichtsbetrachtingen, of in iets anders totdat gij van de Heere een krachtdadige ontdekking van de gekruisigde Christus verkregen had? Niets gaf uitredding aan die verlegen en overtuigde zondaren. daar wij van lezen, Hand. 2: 37, tot dat dit geschiede vers 38.

(b) Hebt gij ooit zulk een ontdekking van de kracht en wijsheid Gods in de dood van Christus, Christus gekruisigd, verkregen; die teweeg bracht dat gij, dezelve, met de wereld niet alleen veracht, maar u daarin verheugde, uw gedachten daarop vestigde, ja al uw troost en ,hoop in leven en in sterven, in plichten en beproevingen, daarin stelde? achtende alles maar schade en drek, opdat gij, een aandeel in dezelve verkrijgen, en de kracht daarvan ondervinden mocht, Filip. 3: 8-10

III. Tot vermaning

Tot de zodanige nu, die na zich zelf beproefd te hebben, op goede gronden kunnen zeggen dat zij, geroepenen zijn, zullen wij een woord tot vermaning spreken. Omdat dan Christus gekruisigd, de kracht en de wijsheid Gods is.

(1) Gedenk dan aan de dood van Christus, houdt die in gedachte; kunt gij Christenen zijn, en daaraan niet gedenken? ja, ik zou wel bijna vragen, kunt gij Christenen zijn en aan iets anders denken? Het is te verwonderen dat de gedachten eens Christens, zich bijna op iets anders kunnen vestigen, dat zij daarmee niet vervuld zijn, omdat die het kanaal van hun zaligheid en van alle zaligmakende weldaden is. Zult gij daaraan niet gedenken, waar alles van afhangt, en om wiens wil u alles dat u ontbreekt, of gij verwachten kunt, geschonken wordt. ik weet wel dat sommige zeggen, dat er leraren zijn, die van de dood van Christus te veel prediken; zij moesten naar hun gevoelen liever aandringen op zedekunde, plichten, heiligmaking, sterven aan de wereld, en liefde Gods. O, arme onkundige mensen! is er enige andere weg, die zo krachtdadig ter uitwerking van al die einden als deze is? indien Christus gekruisigd niet gepredikt wordt, en indien. Hij niet wordt aangenomen, zullen dezelve nooit worden bereikt. Bleven wij meer daar op zien, wij zouden heiliger, ootmoediger, en verloochender worden, en de Heere meer liefhebben dan nu, andere dingen zullen het nooit doen. Het is onkunde van het Evangelie, die veroorzaakt dat men andere dingen meer, en dit minder hoogschat en waardeert.

(2) Viert de gedachtenis van de dood van Christus; heeft Hij u geboden die te gedenken, en de weg om het te doen voorgeschreven, en zoudt gij het niet willen doen, en dat wel in de weg die Hij zelf heeft ingesteld?

(3) Bereid u om die te gedenken, bereid u ter viering van deszelfs gedachtenis; daarin is veelvuldige wijsheid te zien, veel kracht te ondervinden: wij hebben nodig voorbereid te zijn, om die te kunnen onderscheiden, daar gebruik van te maken, en dezelve ons toe te eigen. Vraagt iemand hoe zullen wij ons bereiden? welke voorbereiding is er nodig? ik antwoord:

(a) Gij die geleerde mannen bent, en ook gij die u nog oefent op de hogescholen, tracht beden te leren dat gij, rampzalige verloren zondaren van nature bent, zowel als andere, en dat, uw wijsheid en geleerdheid u in deze niet kan behouden: de wijsheid van deze wereld is dwaasheid bij God. Niet dat ik voornemens ben geleerdheid te weerspreken; o, neen! ik zou indien het nodig ware, u die aanprijzen; maar ik zeg dit, omdat het misbruik hiervan, gelijk uit de samenhang blijkt, veroorzaakte dat de wijze Grieken Christus verachtten. Leert dan dat gij rampzalig bent, en dat Christus gekruisigd, de kracht Gods en de wijsheid Gods is tot zaligheid. Dit zal een gepaste voorbereiding zijn. O! tracht dan de veelvuldige wijsheid van God in deze te zien.

(b) Wat anderen aangaat, ja tot u alle, geleerd of ongeleerd, zeggen wij, 1. onderzoekt wat uw zwarigheden en bekommeringen al zijn. Hier zal aan u worden voorgesteld Christus: de gekruisigde, de kracht Gods en de wijsheid Gods, om u van de schuld, de kracht der zonde te bevrijden, en u van de satan, de wereld ja van al uw vrezen te verlossen. 2. Onderzoekt wat u ontbreekt; hier is een dood die de losprijs is, ter vervulling van al uw noden, hier is een onwaardeerbaar testament, een bevestigd testament op Gods eigen kosten, alles is betaald: hier kunt gij een onderpand verkrijgen dat het testament bevestigd is, en dat, u naam in hetzelve geschreven staat, ja hier kunt gij dadelijk de bezitting verkrijgen, en deelachtig worden hetgeen u ontbreekt. 3. Tracht ogen te krijgen om te kunnen zien, laat uw gedachten hierop gevestigd, werkzaam bent, wend u gezicht van andere dingen af. Hier doen zich vele zaken op, doch ik mag u, nog andere, die u mogelijk beter zullen onthalen, niet langer ophouden.

(c) Nog een woord, en dan eindig ik. Gij die geroepen bent, verkondigt zijn dood totdat Hij komt, belijd die openlijk, schaam u daar niet over, erken voor de wereld dat gij de dood van Christus beschouwd, als de heerlijkheid van uw godsdienst, en de kracht Gods tot zaligheid, zelfs dan wanneer die veracht wordt en ten struikelblok voor anderen is. Ik moet nu vervolgens aan u overlaten, andere leringen daaruit af te leiden, alleen zal ik deze vermaning tot besluit daar nog bijvoegen.

(d) Is Christus de kracht Gods tot zaligheid? o, staat er dan na om ondervindelijke kennis van deze kracht te verkrijgen; kracht kan gevoeld worden. O, laat dan in uw wandel gezien worden dat er kracht in Christus is, <m dat gij zijn eigendom geworden bent: Zoekt daarvan heden ondervinding te verkrijgen, tot verlevendiging van uw genaden, liefde, geloof, bekering en doding van zonde, en dit zal een gezegende voorbereiding zijn. Amen.

 

Goddelijke openbaringen, strekkende met de einden en voordelen ervan, tot de uitwerking van christelijke gehoorzaamheid en bevestiging in de genade

Over Matth. 17: 5.

Terwijl hij nog sprak, ziet een luchtige wolk heeft haar overschaduwt, en ziet een stem uit de wolk zeggende, deze is mijn geliefden Zoon in dewelke ik mijn welbehagen heb, hoort hem.

De verkiezing van deze woorden bij de bediening van het H. Avondmaal, zullen u mogelijk enigszins vreemd voorkomen; doch de zaak zelf wel overwogen zijnde, weet ik er geen die gepaster zijn, dat ik hoop in het vervolg te doen blijken. Om de weg te banen tot de zaak welke ik voorgenomen heb te verhandelen, en om deszelfs gepastheid op deze tijdsgelegenheid te doen blijken, zal ik deze weinige navolgende aanmerkingen over de samenhang laten voorafgaan.

Vooreerst: De Heere Jezus Christus openbaarde zich op deze berg, aan drie van zijn discipelen op een heerlijke wijze, zo is hij ook op dezelfde wijze, in de instelling voor de ogen tevoren geschilderd geweest, onder u gekruist zijnde, en wij hopen dat sommige, bij deze gelegenheid, zijn heerlijkheid hebben aanschouwd.

Ten tweede: De discipelen zeer bevreesd en verwonderd zijnde wegens de heerlijkheid van deze openbaring, wisten nauwelijks wat daarvan te denken of te zeggen; doch Petrus begon te spreken van tabernakelen te maken, en op de berg te blijven: Doch zullen ook mogelijk sommige van Uw, verlegen zijn, welk gebruik zij van deze openbaring van de Heere Jezus Christus in dit sacrament genoten, moeten maken.

Ten derde: Terwijl zij in deze verbaasdheid zijn, wordt deze tijdige onderwijzing, aangaande de mening en het oogmerk van dit gezicht en openbaring, in onze voorgelezen woorden vervat, uit de hemel gezonden, hun onderrichtende van het voornemen Gods, waartoe zij, tot hun eigen nut geroepen werden, en wat zij aan de Heere wegens zijn goedheid in deze openbaring behoorden te vergelden.

Dus is dan het oogmerk van deze woorden, om ons te besturen, hoe wij van een aanmerkelijke goddelijke openbaring der heerlijkheid van de Heere Jezus Christus gebruik moeten maken.

In de voorgelezen woorden zelf, kunnen wij, meer bijzonder aanmerken:

(a) De rechttijdigheid van deze onderwijzing: terwijl hij nog sprak, op dat zelfde ogenblik toen Petrus zijn onkunde en misvatting ontdekte, wordt deze stem gezonden om hen weer terecht te brengen; Goddelijke onderwijzingen geschieden op de rechte tijd, genade word geschonken wanneer wij die nodig hebben, wanneer wij afwijken, ter rechter of ter linkerhand, dan is de stem achter ons, zeggende: dit is de weg, wandelt in dezelve.

(b) In de woorden zelf, kunnen wij, aanmerken de wijze van des Heeren verschijning, wanneer Hij komt om te onderwijzen, het is in een luchtige wolk haar overschaduwende; waardoor ons te kennen gegeven wordt 1. Dat des Heeren verschijningen gepast en overeenkomstig hunne noden zijn wanneer wij in het duister zijn, dan openbaart God zich in het licht, ja als het licht zelf. (2) Dat de Heere verschijnt, in een weg niet alleen gepast voor onze noden; maar ook liefelijk overeenkomende met onze kracht. Hij verschijnt glansrijk, alhoewel in een luchtige wolk; wij zijn niet in staat het glansrijkste licht, de onmiddellijke stralen van de heerlijke fontein des lichts te verdragen, maar kunnen alleen een afstralend licht zien: en daarom is er een wolk tussen beide gesteld, om zo veel licht uit te geven als wij nodig hebben, en de onmiddellijke stralen van die heerlijkheid die wij niet kunnen verdragen, af te weren, zie Exod. 33: 19 en 20 enz. (3) De wijze van des Heeren verschijning alhier, is in een wolk, om deszelfs snelheid af te beelden, wanneer de nood van zijn volk een spoedige hulp vereist: wolken zijn gezwind, hierom lezen wij van des Heeren komen op de wolken, en van zijn snel vliegen op de vleugelen des winds. 4. De verkwikkingen die in Goddelijke openbaringen gevonden worden, kunnen hier door de luchtige wolk die hen overschaduwde verstaan worden; want schaduwen zijn verkwikkend in brandende hitte, gelijk Goddelijke openbaringen een beveiliging tegen verzoekingen zijn.

(c) Wij zien hier de middelen van onderwijzing, die de Heere gebruikt; het is een stem uit de wolk, een onderscheidenlijk, duidelijk, aangenaam en onderwijzend geluid; een middel dat 1 ons gemeenzaam, en dus tot ons nut dienstig is, en hetwelk derhalve 2, in zich niet vervat: die schrik die ons zo kon verbazen, dat zij ons buiten staat zou stellen, om te begrijpen hetgeen de Heere voornemens is, om ons te doen verstaan. En 3, alhier vertoont zich ook veel toegevendheid, omtrent hun zwakheden. In hun tegenwoordige verbazing waren zij niet in staat, des Heeren mening door de duistere bekendmaking een zinnebeeldige openbaring te verstaan; daarom gebruikt de Heere die toegevendheid, om hen door duidelijke woorden, aangaande zijn mening, het oogmerk van dit gezicht, en van hun plicht te onderwijzen.

(d) Wij vinden hier een dubbel merkteken van aandacht het een gaande voor de tijd en wijze van des Heeren verschijning, en het ander voor de onderwijzing zelf: waardoor dan te kennen gegeven wordt: 1.:de natuurlijke onstandvastigheid, ongevoeligheid en onbedachtzaamheid van het gemoed der mensen, 2. het gewicht der zaken die ontdekt worden. 3. De noodzakelijkheid van aandacht, om de dingen die daardoor bedoeld worden, te verstaan. 4. De noodzakelijkheid om elke omstandigheid der Goddelijke openharingen, met opzicht op de stof, wijze en tijd, op te merken en in acht te nemen.

(e) Wij zien hier ook de onderwijzing zelf, in zich, behelzende deze drie zaken: 1. de bevestiging van hun geloof, betrekkelijk de grote waarheden, opzicht hebbende op de Zoon van God. Deze is mijnen geliefde Zoon, in de welke ik mijn welbehagen heb; het is alsof de stem gezegd had, het oogmerk van dit gezicht zijner heerlijkheid, dat gij nu hebt aanschouwd, is niet om u voor tegenwoordig te verstrekken tot een rust, of alleen tot een stof van troost en vergenoeging, waarbij; gij stil mag neerzitten, en deszelfs duurzaamheid verwachten; maar alleen om u volkomen te overreden dat deze Christus, die de wereld veracht, verwerpt, tegenstaat en vervolgd, en die gij binnenkort nog dieper vernederd zult zien, echter niettegenstaande dit alles mijn geliefde zoon is, in welke ik mijn welbehagen heb, en om wiens wil alleen ik de uitverkoren zondaar aanneem, en een welbehagen in hem heb, 2. een besturing betrekkelijk op onze handelwijze, 't is hoort hem, dat is, hoe gering ook, zijn gedaante voor het tegenwoordige is, zo hebt gij, echter reden om hem te erkennen als uw Heere, en u zelf aan hem te onderwerpen en om u hiervan volkomen te overreden, zo hebt gij deze voorsmaak van de heerlijkheid waarmee bij na zijn vernedering zal verschijnen, genoten 3. een onderwijzing door een hoorbare stem, betrekkelijk op de krachtdadige. invloed die een vast geloof op de levenswandel eens Christens heeft, want wanneer wij geloven, dat hij de Zoon van God is, dan zal horen en gehoorzamen daar op volgen.

De woorden zelf behelzen in zich vele nuttige waarheden, van welke ik alleen maar deze een zal behandelen, namelijk, dat het grote oogmerk waartoe de Heere plechtige en bijzondere openbaringen zijner heerlijkheid aan zijn discipelen geeft, is om ben in het geloof van de grote fundamentele waarheden van de Godsdienst te bevestigen, en hun daardoor te geleiden tot de gehoorzaamheid van het geloof.

Om deze waarheid des te beter te verstaan, moet men aanmerken: (a) Dat wij door openbaringen, eigenlijk verstaan zulke ontdekkingen welke de Heere van zich zelf, zijn eigenschappen, wil en werken, aan zijn volk gelieft te geven. (b) Dat deze ontdekkingen tweeledig in soort zijn, namelijk gemene en bijzondere: dit onderscheid leert de Heere ons zelf, in zijn redevoering met Judas, niet de Iscariot, Joh. 14: 21, alwaar wij hem horen spreken niet alleen van openbaringen aan de wereld, zo in de werken der schepping en voorzienigheid, als door de wet geschreven in de harten, en door de uitwendige instellingen Gods; maar ook van bijzondere openbaringen; die hij aan de wereld niet doet. (c) Deze bijzondere zaligmakende openbaringen aan zijn eigen volk; zijn wederom tweeërlei in soort, als meer gewone welke zij als hun gewone deel in de loop huns wandels met God genieten, en meer plechtige of buitengewone, die de Heere aan hun bij sommige bijzondere gelegenheden vergunt; het is de laatste soort, die in deze leer bijzonder wordt bedoelt, ofschoon ik de meer gewone openbaringen die het volk van de Heere in de loop van hun wandel voorkomen, niet wil uitsluiten: ook zal ik nu niet verhandelen, de gemene openbaringen die de Heere aan de wereld doet: en wat de schriftuurplaatsen ter bevestiging van deze leer aangaat, die zullen naderhand in onze verhandeling voorkomen; voor tegenwoordig is het genoeg, dat deze waarheid in onze tekstwoorden een klaren grondslag heeft. In het verder verhandelen van dezelve, zullen wij de navolgende vijf zaken in order overwegen:

I. In welke wegen en door welke middelen de Heere deze plechtige en bijzondere openbaringen van zichzelf geeft.

II. Wat er bedoeld wordt door deze bevestiging in het geloof van de waarheden van de godsdienst, die het oogmerk van deze openbaring is.

III. Welke die gehoorzaamheid van het geloof is, die op deze bevestiging volgt, en het tweede gedeelte van het oogmerk van deze bijzondere openbaring is.

IV. Op welke wijze deze openbaringen ons geloof bevestigen, en opwekken tot dadelijke gehoorzaamheid.

V. De waarheid van deze leer, dezelve aantonende ter bevestiging. En eindelijk:

VI. Enige praktikale gebruikmakingen, en met dezelve sluiten. Het

1. Algemene hoofddeel behelst dan, in wat wegen en door wat middelen de Heere deze plechtige en bijzondere openbaringen aan zijn volk geeft? waarop ik antwoord:

(a) Hij doet het soms door buitengewone en miraculeuze wegen en middelen, die geheel buiten de gewone loop zijn. Daar zijn wonderen in de genade, zowel als in de natuur, daar zijn in des Heeren bedeling der genade gewone middelen, die hij doorgaans gebruikt, in zijn kerk te besturen, en zijn werk daarin voort te zetten; en daar zijn ook buitengewone wegen, welke hij soms gebruikt. Tot deze laatste soort behoren verschijningen door gezichten, dromen, stemmen, ingevingen en dergelijke meer. Zulke openbaringen hebben Mozes, Elias en andere gelovigen vanouds gehad, en zodanig is ook die in onze tekstwoorden word vermeld; en van deze soort van openbaringen is het, dat Elihu op zulk een verheven wijze spreekt, Job 33: 14, 16.

(b) Hij geeft plechtige en bijzondere openbaringen van zijn heerlijkheid, door de zichtbare werken der schepping en voorzienigheid, niet alleen door dezelve aan hun beschouwing te vertonen: want dit hebben alle mensen dagelijks, en aldus worden zij altijd aan Gods volk vertoont: maar dan openbaart hij! zich door dezelve op een plechtige wijze, wanneer hij op een aanmerkelijke wijze de ogen van zijn volk opent; hen een buitengewoon licht schenkt, schijnsel op zijn werk geeft, en hen vergunt een bijzondere onderscheiding van de indrukken zijner heerlijkheid in dezelve te maken; dit ondervond David in het opstellen van de 8sten en 19den Psalm.

(c) Hij geeft bijzondere openbaringen van zichzelf, wanneer het hem behaagt om op een buitengewone wijze over zijn gewone werken der schepping en voorzienigheid schijnsel te geven, hun daardoor in staat stellende om de doorstralende blijken zijner heerlijkheid, in dezelve met ongewone klaarheid te zien; zulk een openbaring genoot de Psalmist, wanneer hij die liefelijke meditatie opstelde, die wij vinden in Psalm 104; en zo groot was deszelfs heerlijkheid, dat hij genoodzaakt was in het midden van zijn gezang stil te houden, om lucht te geven aan het diep gevoel dat hij had van de heerlijkheid des Heeren, schijnend, in zijn werken, uitroepende vers 24. Hoe groot zijn uw werken o Heere! gij hebt ze alle met wijsheid gemaakt, het aardrijk is vol van uw goederen.

(d) De Heere openbaart zich zelf plechtig aan zijn volk, in en door bijzondere voorzienigheden, hetzij betrekkelijk op hun zelf, of op de kerk Gods in het algemeen. Dus openbaarde Hij zich aan Abraham, ter voorkoming van de opoffering van zijn zoon Izak: aan Jakob hem verlossende van zijn broeder Ezau, aan de kerk in Egypte, aan de rode zee, in de woestijn, aan de Jordaan, en bij vele andere gelegenheden.

(e) De Heere openbaart zich soms op een heerlijke wijze aan zijn volk, in hun verborgen godsdienstplichten, gelijk als aan Hanna, aan Daniël enz.

(f) De Heere openbaart zijn heerlijkheid op een bijzondere en plechtige wijze, door heerlijke werken der genade inwendig in hun te werken. Dus openbaart hij, zichzelf aan zijn volk, niet alleen in hun eerste bekering, wanneer hij het nieuwe schepsel formeert, hen overbrengende uit de duisternis tot zijn wonderbaar licht, maar ook naderhand, wanneer hij op een zichtbare wijze de kracht der sterkste verdorvenheden verbreekt, geweldige en hevige verzoekingen bestraft, of de ziel onder grote beproevingen met overvloeiende vertroostingen vervult; gelijk de martelaren en die in groot lijden waren, ondervonden hebben, zodat zij daardoor onder hun verdrukkingen met uitnemende blijdschap werden aangedaan, en de beroving hunner goederen met vreugde hebben aangezien.

. (g) De Heere openbaart zich zelf aldus door zijn beschreven woord, wanneer bijzonder het lezen of bemediteren van hetzelve, hun ogen opent, en de wonderen van zijn wet in een verwarmend en levendmakend licht doet aanschouwen, alleen klaar, onderwijzende in de dingen die hem zelfs aangaan, dit ondervonden de Emmausgangers, wanneer Christus met hen sprak op de weg, en hun de schriften opende, Luk. 24: 22.

(h) De Heere schenkt dikwijls deze plechtige en bijzondere openbaringen in zijn openbare instellingen; Hij bemint de poorten Zions boven alle woningen Jacohs, Ps. 87: 2 zijn sterkheid en ere worden in het heiligdom gezien, Ps. 63: 3. Dit is de plaats des Tabernakels zijner ere, en zij die uit liefde tot de woning zijns huizes daar onderzoeken, zullen de lieflijkheid des Heeren aanschouwen, Ps. 26: 8, vergeleken met 27: 4, hierom is het dat een ieder in zijn tempel, zijn heerlijkheid vermeld.

(i) De Heere schenkt dikwijls zulke plechtige en bijzondere openbaringen van zijn heerlijkheid, in bijzondere instellingen, en bijzonder in de tijd van de bediening des H,. Avondmaals. Het was bij zulk, een gelegenheid dat hij die heerlijke ontdekking, welke een van de liefelijkste gedeelten van het boek Gods uitmaakt, van zichzelf gaf, ik bedoel het 14de en 17de hoofdstuk van het Evangelie van Johannes, gelijk gij zien kunt uit Joh. 13: 31, vergeleken met het begin van hfdst. 18. In deze instelling, zo ergens, wordt Christus als gekruisigd Waarlijk voorgesteld; hierin moeten wij zijn gedachtenis vieren, want hij laat zich nooit aan iemand onbetuigd; Hij ontmoet de vrolijken, en die gerechtigheid doet, degenen die zijner gedenken op zijn wegen, Jes. 64: 5.

II. Nu gaan wij over tot het tweede algemene hoofddeel, namelijk om te overwegen wat er door deze bevestiging in het geloof der fundamentele waarheden van de godsdienst, hetwelk een groot gedeelte van het oogmerk van deze plechtige openbaringen uitmaakt, wordt bedoeld. En hier zullen wij aantonen wat de kracht is van die uitdrukking: Dit is mijn geliefde Zoon enz. in zo ver als die het oogmerk van deze openbaring aantoont, en hiertoe denk ik, dat deze, vier navolgende waarheden behorende zijn.

a. Wasdom in kennis omtrent de waarheden van de godsdienst, Dit is mijn geliefde Zoon, dat zo veel te kennen geeft alsof er gezegd was, deze openbaring zijner heerlijkheid is aan u geschied, op, dat gij onderscheidenlijker en tot meer voldoening zoudt weten, dat deze mijn geliefden Zoon is, wat heerlijkheid hem toekomt, niettegenstaande zijn Majesteit nu voor een tijd is bedekt. Ons verstand is van nature duisternis, en zelfs nadat wij zaligmakend zijn verlicht geworden, zo kennen wij maar ten dele; en uit deze duisternis ontstaan twijfelingen; want hetgeen wij maar duister kennen, houden wij licht verdacht, en vervallen tot misvattingen van hetzelve: maar wanneer de Heere zichzelf openbaart, dan ontdekt hij ons óf iets meer dan wij tevoren kenden, óf hij stelt hetzelve in een veel klaarder licht, en brengt daardoor zijn volk tot een meer volkomen kennis van de goddelijke waarheden in haar onderscheiden betrekkingen, waardoor het gemoed dienaangaande meer vastgesteld, of bevestigd wordt. Nu weet ik, zegt de Psalmist, dat de Heere zijn gezalfden behoud, Ps. 20: 7 en Jethro zei Exod. 18: 11. Nu weet ik dat de Heere groter is dan alle goden: want in de zake daarin zij trots gehandeld hebben, was hij! boven hen, dat is, ofschoon ik tevoren hier iets van kende, zo weet ik het nu op een meer onderscheiden wijze, en kan deswegens nader bevestigd worden.

b. Tot deze vaststelling en bevestiging in het geloof, behoort een volkomenheid der overreding, een vergenoegdheid, bedaardheid of stilheid der ziel in het geloof der waarheid, in tegen stelling van onvergenoegdheid, vrees, verdenkingen en twijfelingen. Dit is mijn geliefden Zoon, dat is, ik heb aldus zijn heerlijkheid geopenbaard, opdat gij hiernamaals, door zijn geringe vertoning, of enige verdere trappen zijner vernedering, niet daartoe zouden gebracht worden om tussen beide te staan, of in het minste te twijfelen of hij mijn geliefden Zoon wel is, maar dat gij integendeel, in weerwil van alle tegenstrijdige vertoningen, met volkomen verzekerdheid mag berusten dat Hij zodanig is. Nu weet ik dat de Heere zijn Gezalfden behoud, is hetzelfde alsof hij, gezegd had, ik heb geen argwaan, twijfeling of zwarigheid meer wegens hetzelve. Dus was Abraham bevestigd in de waarheid der beloften, of ten volle verzekerd in zijn eigen gemoedsbedaardheid, rustende in het geloof, Rom. 4: 21. De ijdelheid van is mensen gemoed, is veelszins gelegen in een geneigdheid om ginds en herwaarts gedreven te worden, en goddelijke waarheden te verdenken. Het oogmerk van bijzondere openbaringen, is de duisterheid te genezen, en de ziel daardoor te brengen tot bedaardheid en rust in het geloven van dezelve, hetwelk het minste gedeelte van haar bevestiging niet is.

c. De vaststelling of bevestiging, die deze openbaring bedoelt, bevat in zich een zekerheid, bijblijvendheid en gestadigheid der overreding, of kracht van het geloof in tegenstelling van beroerende moeilijkheden die ons in onze weg kunnen ontmoeten. Dit is mij geliefden Zoon, uw argwaan, twijfelingen en vrees voor misvattingen, moeten niet alleen nu, maar ook naderhand ophouden, wanneer deze luister verdwenen is; en wanneer gij hem zult zien bespot, bespogen, en ter dood gebracht, moet gij niet twijfelen aan de waarheid door ongeloof, maar gij moet die vasthouden. Dus twijfelde Abraham niet, maar hield vast aan zijn verzekering, wordende door tegenstrijdige schijnlijkheden die zijn geloof schenen te doen wankelen, niet bewogen, maar heeft op hoop tegen hoop gelooft, Rom. 4: 17-20.

d. Tot deze bevestiging in het geloof behoort ook, een vertrouwen, om in deze waarheid daar wij! zo vast van overtuigd zijn te berusten; zo deed Abraham, en dit is de rechte vrucht van hetzelve, want die zijn Name kennen zullen op hem vertrouwen, Ps. 9: 11, hiervan zien wij een aanmerkelijk voorbeeld in de20 Psalm, de Psalmist voldaan en bevestigd zijnde in de waarheid, vers 7, roept uit, nu weet ik dat de Heere zijn gezalfde behoud, en gaat in de volgende verzen voort, om zijn behoudenis van alle gevaren daarop te grondvesten, zo ook in onze tekstwoorden, dit is mijn geliefde Zoon enz. is hetzelfde alsof er gezegd werd, deze openbaring is aan u gegeven, opdat gij met. bemoediging vrijmoedig tot hem zoudt vlieden, hem aankleven, en uw vertrouwen op hem stellen, met opzicht op uw aanneming bij God, en in alle gelegenheden gebruik van hem maken.

III. Nu gaan wij over om aan te tonen wat die gehoorzaamheid van het geloof is, welke voortvloeit uit, en volgt op deze bevestiging, die hun bedoeld wordt in deze woorden: Hoort hem. Het einde waartoe openbaringen geschonken worden, is vooreerst, om ons te overreden van de waarheid van een zaak, en ten tweede om ons aan te sporen tot een gedrag daarmee overeenkomende, en derhalve, geven deze woorden hoort Hem; te kennen.

1. Een erkentenis van hem als de Heere, wij, moeten Jezus, Heere noemen, 1 Kor. 12:. 3. Dat is, hem erkennen of als zodanig eigen, ons aan hem overgeven, en hem aannemen, als een aan wie men alle gehoorzaamheid schuldig is: zodra openbaarde hij; zich niet aan Thomas, hem bevestigende in het geloof, of hij riep aanstonds uit: mijn Heere en mijn God, Joh. 20:28.

2. Hem te horen, vervat in zich op hem te wachten, zich aan zijn bevel te onderwerpen, het is toch het werk van dienstknechten en dienstmaagden te wachten op de wil van hun Heeren, Ps. 123: 2, en gelijk een andere Jesaja gewillig zijn roeping te gehoorzamen, zeggende: ziet hier ben ik, Jes. 6: 8.

3. Hoort hem, dat is, geeft hem volkomen geloof; gij moet niets van hetgeen hij zegt in twijfel trekken, of een van zijn geboden betwisten.

4. Hoort hem, dat is, gehoorzaamt hem, zoekt dadelijk op te volgen hetgeen hij gebiedt: want het Evangelie, is aan volkeren gezonden tot gehoorzaamheid van het geloof, opdat wij in hem gelovende, ons dadelijk mogen schikken na zijn wil, Rom. 1: 5.

5. Hoort hem, zal ook te kennen geven de billijkheid van onze gehoorzaamheid; zeker wij zijn verplicht te gehoorzamen al hetgeen Hij ons gebied, doch kunnen zulks niet doen, zo lang wij niet overreed zijn dat hij de Heere is, iemand die alleszins waardig is onze gehoorzaamheid, als die ons tot dat einde zijn wil klaar en onderscheidenlijk doet verstaan. Dus is de godsdienst een redelijke dienst, want a. wanneer wij Hem waardig achten te gebieden, dan erkennen wij hem ook als zodanig, b. wanneer wij hem horen zijn wil bekend maken, dan oefenen wij daarop gehoorzaamheid.

6. Hoort hem, dat is, hoort het alleen, wij mogen geen ander Heere noemen, want een is onze Heere, namelijk Christus.

7. Hoort hem, zal ook insluiten, een bereidwillige gehoorzaamheid; zodra wij hem horen moeten wij hem gehoorzamen, zo haast als haar oor van mij hoorde, hebben zij mij gehoorzaamd, Ps. 18: 45.

8. Hoort hem, dat is, gijl moet een algemene onbepaalde gehoorzaamheid, zonder het minste uitbeding aan hem vertonen; uw gehoorzaamheid moet algemeen en volkomen zijn. Ten aanzien a. van de stof, wij moeten hem gehoorzamen en geloven in alle dingen, al hetgeen hij openbaart, moeten wij toestemmen, wat zwarigheden ook daar tegen mogen opdoen, en hetgeen hij gebiedt, moeten wij ook doen, wat moeilijkheden ons daarin ook mogen ontmoeten; van deze belde zaken vinden wij een voorbeeld in het geval van Abraham, Rom. 4: 14-22. b. van de wijze en manier op welke hij tot ons spreekt, dat is hoort hem niet alleen nu wanneer hij gelijk als God hier doet, uit de hemel (de troon zijner heerlijkheid, alwaar de grootheid zijner tegenwoordige verschijning een luisterrijk ontzag op zijn woord en geboden doet afstralen) spreekt; maar ook hiernamaals, wanneer hij van de berg afgekomen zijnde, spreken zal door zijn gewone prediking, of door de mond van enig instrument, hoe gering 't ook wezen mag, hetwelk hem behaagt te gebruiken, zelfs dan wanneer de geringheid van hun vertoning, als het ware. de blijken van zijn dienstknechten te zijn verduistert, echter moeten wij aan zijn stem onderscheiden horen, geloven en gehoorzaam zijn. c. Ten aanzien van de tijd, zo moeten wij hem een alleszins gehoorzaamheid bewijzen, dat is, wij moeten hem ten allen tijde, gedurig, ja tot het einde toe horen en gehoorzaam zijn.

Wij hebben dit hoofddeel meer dan gewoon uitgebreid, omdat het ons zeer gepast scheen te zijn op de tegenwoordige tijdsgelegenheid, het is toch hetgeen waartoe gij geroepen wordt, en de beste beantwoording die gij aan de Heere wegens zijn goedertierenheid bij deze gelegenheid kunt geven, namelijk om zijn geliefde zoon te horen. Wij gaan nu

IV. Over om na te speuren, op wat wijze deze plechtige en bijzondere openbaringen, ons in het geloof van de grondwaarheden van de godsdienst bevestigen, en vaststellen; ter beantwoording van deze heerlijke vraag, welke; meer tijd dan wij heden daaraan kunnen besteden, overwaardig is, zullen wij alleen deze weinige navolgende bijzonderheden aan u voordragen.

1. In goddelijke openbaringen, wordt altijd gevonden een overtuigend en overmogend licht of blijkbaarheid, dat het gemoed liefelijk overbuigt, en krachtdadig trekt om de waarheden die dus geopenbaard worden, toe te stemmen. en daarin te berusten. Blijkbaarheid is altijd de grond van overreding, en hoe meer daarvan ondervonden wordt hoe bedaarder en geruster het gemoed is gesteld; hierin toch bestaat de heerlijkheid der goddelijke openbaringen, dat in dezelve veel overtuigende blijken gevonden worden, want wat twijfelingen ook in de ziel mochten plaats gehad hebben, zo zullen echter wanneer de Heere verschijnt, deze donkere wolken, door de glans die van hem afstraalt, verdwijnen, en de allerwankelmoedigste ziel liefelijk gedrongen worden van al zijn twijfelingen af te staan, en deszelfs toestemming te geven aan de goddelijke waarheden, die door dit alvermogend licht worden aangedrongen, gelijk dit blijkt in Thomas, uitroepende: mijn Heere en mijn God, Joh. 20: 28, in Nathanael zeggende: Rabbi gij zijt de Zoon van God, gij zijt de Koning Israëls, Joh. 1: 50, en zelfs in de weerspannige Israelieten, 1 Kon. 18: 39. Als nu het ganse volk dit zag, zo vielen zij op haar aangezicht, en zeiden, de Heere is God, de Heere is God; en de blijkbaarheid is nog van een meer overredende kracht, wanneer er een vernieuwd verstand om die te onderscheiden, gevonden wordt, want dan kunnen geen tegenwerpingen daarvoor bestaan.

2. In goddelijke openbaringen, wordt niet alleen gevonden een overmogende blijkbaarheid, aangaande de waarheden; maar ook een onderwijzend licht, ten aanzien van de natuur der dingen die geopenbaard worden zelf. Daar wordt of iets daar men tevoren onkundig van was, bekend gemaakt, of hetgeen men tevoren kende, wordt dan op een meer onderscheiden wijze geopenbaard; zaligmakende openharingen onderwijzen of verlichten toch altijd het gemoed. Gelijk nu de blijkbaarheid die een openbaring in zich heeft, een toestemming veroorzaakt voor die tijd, een overtuiging doet plaats hebben, en de tegenwerpingen verdrijft, die buiten staat stellende om het gemoed te beroeren zo lang dezelve duurt; zo neemt ook dit onderwijzend licht, ten aanzien van de natuur der geopenbaarde dingen, de kracht daarvan weg, en doet, wanneer zijl recht gebruikt wordt, de grond daarvan voor het toekomende verdwijnen: alle tegenwerpingen vloeien voort uit onkunde der zaken, en na mate dat de kennis toeneemt, verdwijnen dezelve. In deze openbaring die aan de discipelen geschiede, zien wij een klaar voorbeeld van deze soort, daar vinden wij een liefelijke onderwijzing, wederstaande en een grondslag leggende ter beantwoording van de voornaamste tegenwerpingen tegen Christus. Vier zaken werden voornamelijk tegen hem ingebracht. a. Velen werden aan hem geërgerd omdat zijn verschijning zo gering was, want hij had geen gedaante noch heerlijkheid, dat zij hem zou begeerd hebben; doch in deze openbaring, werd het deksel weggenomen, zij. zagen hem in zijn heerlijkheid, en werden overreed dat bij genoegzame luister en heerlijkheid bezat, ofschoon hij het nodig achtte die voor een tijd te verbergen. b. Hij werd beschuldigt dat hij zich aankantte tegen Mozes en de profeten; doch in deze openbaring werd de liefelijke overeenkomst en samenstemming tussen hen klaarblijkelijk ontdekt, omdat Mozes de beroemde stichter, en Elias, de ijverige hervormer en bevestiger van de huishouding des O. Testaments samenkomen, liefelijk met elkaar spreken, en met de Heere Christus overeenstemmen. c. Velen werden geërgerd aan zijn dood, als onbestaanbaar met Messas' eer en heerlijkheid; doch hier worden de zenuwen van deze tegenwerping verbroken, omdat hij aan hen nooit in zulk een heerlijkheid verschenen was als nu, wanneer hij een plechtige samenspraak hield over dit onderwerp, want dit is ons door des Heeren Geest bekend gemaakt dat zij samenspraken wegens zijben uitgang, die hij zou volbrengen te Jeruzalem. d. Velen ergerden zich, omdat hij voorgaf en zichzelf toekende de Zoon van God te zijn, doch hier worden zijn voorgevingen gerechtvaardigd, door een heerlijkheid overeenkomstig die betrekking door de tegenwoordigheid van Mozes en Elias, twee mannen, die God het meeste geëerd hadden onder al de kinderen der mensen; en om alles te bekronen, door een stem uit de hemel, de billijkheid zijner voorgeving volkomen bevestigende. Dus zien wij dat Goddelijke openbaringen, ons liefelijk, onderwijzen in de nature der zaken die geopenbaard worden, en alle tegenwerpingen afsnijden, zodat het gemoed niet alleen bedaard, maar ook in een stille gerustheid gehouden werd. Wij zouden vele andere voorbeelden uit de Heilige Bladen kunnen bijbrengen, doch de korte tijd waaraan wij voor het tegenwoordige bepaald zijn, laat zulks niet toe.

3. In deze bijzondere en plechtige openbaringen, wordt altijd iets gesmaakt van de lieflijkheid en goedertierenheid des Heeren, en zijner Goddelijke waarheden, als vloeiende uit die Fontein der waarheid ondervonden, hetwelk de wil en de geneigdheden overbuigt, om de Heere en zijn waarheid aan te kleven, en dit is de ware springbron van bevestiging en standvastigheid in de waarheden Gods. Levenloze bevattingen, zullen de mens nooit vast doen zijn; want die de waarheid in de liefde niet hebben aangenomen, zullen spoedig ter zijde worden afgeleid door haar bedrieglijk hart, maar in Goddelijke openbaringen is altijd iets dat genoten wordt, dat hun noodzaakt en overreed doet zijn, dat het goed is daar te wezen, zoals blijkt in Petrus vers 4, en dit doet de ziel daaraan vastkleven; want de oorsprong der afwijking is gewoonlijk de tegengekantheid der wil, en de afgekeerdheid der genegenheden; deze vermeerderen onze duisternis, veroorzaken twijfelingen, en brengen vooroordelen tegen de Heere, zijn waarheid en wegen voort.

4. Bijzondere en plechtige openbaringen van des Heeren heerlijkheid, gaan altijd met een ondervinding van de kracht der waarheid gepaard: daar is een veelvuldige kracht die de Goddelijke waarheden en openbaringen vergezelschapt, zij hebben een zielverkwikkende, bedaard makende, verwarmende, hartveranderende kracht; en deze kracht wordt het volk Gods door zoete ondervindingen ontwaar, wanneer hij zichzelf openbaart; wanneer zij zijn heerlijkheid aanschouwen, dan ondervinden zij ook zijn sterkte in het Heiligdom, Ps. 63:1, en kracht welke diepe en blijvende indrukken veroorzaakt in de ziel, die diep ingaan, en van een bestendige duurzaamheid zijn. Wanneer de Heere in zijn heerlijkheid verschijnt, dan legt hij zijn machtige hand aan hen ten koste, en richt hen door dezelve op, tot hun zeggende: en vreest niet; en dit verbindt de ziel op een krachtdadige en gevoelige wijze. De gevoelige ondervinding hiervan had een verlevendigende invloed op de discipelen, wanneer zij tot elkaar zeiden Luk. 24: 32, en was ons hart niet brandende in ons als Hij tot ons sprak op de weg, en als Hij ons de schriften opende. Het was niet zozeer de bevatting der waarheid, als wel de kracht die daarmee gepaard ging die indrukken teweeg bracht. Wanneer iemand de goede uitwerkingen hiervan in zijn eigen ziel ondervind, zal zulks hem bemoedigen om de waarheid staande te houden, die aan te kleven en te verdedigen, tegen wie die ook tegenstaat. Dus zegt de Apostel Rom. 1: 15, 16. Het geen in mij is dat is volvaardig, om u ook die te Romen zijt, het Evangelie te verkondigen, want ik schaam mij het evangelie van Christus niet, want het is een kracht Gods, tot zaligheid een iegelijk die gelooft, eerst de Jood, en ook de Griek.

5. In Goddelijke openbaringen van des Heeren heerlijkheid, wordt ook altijd een gepastheid met de toestand, beproevingen en noden der personen aan wie hij zichzelf openbaart, gevonden; zij zijn of gepast op hun tegenwoordige toestand, of op hun plichtsbetrachtingen, beproevingen, zwarigheden daar zij zichzelf zelf in bevinden, of waartoe zij in korte tijd zullen geroepen worden. Wanneer Abraham van zijn vaders huis zal afgescheiden, en heen uittrekken, niet wetend waar; wanneer hij zijn vrienden, maagschap en goederen zal verlaten, dan openbaart de Heere zich zelf aan hem als God de Almachtige, of de Algenoegzame: namelijk als een die machtig was, om voor hem in 't ontberen van alle dingen, alles te zijn; een die hem kon beschermen, tot een schild en beschutting zijn, en alles voor hem vervullen; of die zijn groten loon kon wezen, en hem alles wat hij om God na te volgen zou achterlaten of verliezen, te vergoeden. Wanneer Israël in de gevangenis is, openbaart de Heere zich zelf als de Jehovah, dat is de vervuller zijner belofte. Zo ook hier, wanneer de discipelen de bedrukte getuigen van Christus lijden zullen zijn, dan krijgen zij een liefelijk gezicht van zijn heerlijkheid, om hen alvorens daar tegen te wapenen. Nu, alle dingen zijn de mens meer of minder aangenaam, nadat die minder of meer met zijn toestand, noden en beproevingen overeenkomen; en dit is hetgeen dat Goddelijke openbaringen aangenaam doet wezen, wanneer zij, bevonden worden liefelijk te beantwoorden, aan de toestand van het volk van de Heere, en overeenkomstig hun noden te zijn. Niets kan een hongerig of dorstig mens behagen, dan spijze of drank; een die stervende van honger, robijnen zou verachten, zal gretig grijpen naar een beet brood. En dit is de heerlijkheid der goddelijke openbaringen, dat zij altijd nauwkeurig overeenkomen met de noden van degenen, aan welke die geschieden. Hetgeen iemand de weg daar hij op wandelt, doet verlaten, is als hij bevindt dat die hem in zijn noden niet terecht brengt, noch zijn toestand niet beantwoord: maar de Heere openbaart in zijn weg, dat al hetgeen zij nodig hebben in Hem kan gevonden worden, en dit doet hun blijmoedig bij hem blijven. ja ofschoon zij voor het tegenwoordige niet weten wat die dingen betekenen, zo kennen zij: die echter naderhand met meer klaarheid, en dit doet hen vast staan en verbindt hun om die meerder aan te kleven. Mogelijk wisten de discipelen toen niet recht, wat de noodzakelijkheid van dit gezicht der heerlijkheid van Christus was, doch naderhand verstonden zij het volkomen.

6. Deze openbaringen, verootmoedigen altijd de ziel, en ootmoedigheid is de kracht van alle genade. Wanneer Jesaja des Heeren heerlijkheid zag, was hij op het diepst verootmoedigd, uitroepende: wee mij, want ik verga, dewijl ik een man van onreine lippen ben, Jes. 6: 5, wanneer Job de Heere zag, verfoeide hij zichzelf en had berouw in stof en as, Job 42: 6. Zelfvertrouwen is de grootste zwakheid: wanneer wij op onszelf vertrouwen, dan zoeken wij onze sterkte als 't ware in een druppel afgescheiden van de Fontein, die van geen duurzaamheid kan zijn: wanneer wij sterk in onze eigen ogen zijn, dan zijn w1j, zwak; nooit was Petrus zo zwak, dan wanneer hij: hoogmoedig en op zich zelf vertrouwend was. Daar integendeel, ootmoedigheid een uitgaan uit ons zelf is, en een stellen van al ons vertrouwen op de Heere; en hieraan is de belofte van zijn gunstige tegenwoordigheid gedaan; Hij woont bij de nederige van geest, en wil op haar zien, Jes. 57: 15 en 66; 2, de nederige geeft hij genade, Jak. 4: 6, Hij hoort de wens der zachtmoedige, Ps. 10: 17. Wij zouden hier nog veel meer kunnen bijvoegen, doch wij moeten er van afstappen ten tot het volgende hoofddeel overgaan, namelijk

V. Om deze leer te bevestigen; wij hadden dit in het begin wel kunnen doen, doch wij oordeelden dat na de verklaring der waarheid, zulks beter zou verstaan worden.

Deze waarheid dan, namelijk, dat 't grote oogmerk en voornemen der plechtige en bijzondere openbaringen van des Heeren heerlijkheid om zijn volk in het geloof der grote waarheden van de godsdienst te bevestigen, en hun daardoor tot gehoorzaamheid te leiden, blijkt klaar.

a. Uit het uitdrukkelijk getuigenis van God Joh. 20: 30, 31. Jezus dan heeft nog vele andere tekenen in de tegenwoordigheid zijner discipelen gedaan, die niet en zijn beschreven in dit boek; maar deze zijn geschreven, op dat gij gelooft dat Jezus is de Christus, de Zoon van God; en opdat gij gelovende, het leven heeft in zijnen name. Dus vinden wij in het O. Testament, dat wanneer de Heere enige openbaringen van zichzelf doet, of belooft te zullen doen, hij er altijd de reden van het bedoelde oogmerk bijvoegt, namelijk, opdat gij weten zoudt dat ik de Heere ben. Dit wordt in de heilig bladen, bijna ontalrijk herhaald; en uit die zeer aanmerkelijke, doch zo ik vrees, weinig, opgemerkt. worden uitdrukkingen, kunnen wij zien, dat zelfs des Heeren Volk nodig heeft, om gedurig geleerd te worden dat God de Heere is. Het is zulk een lichte zaak niet, als velen zich verbeelden, daartoe gebracht te worden om te geloven dat de Heere God is.

b. Dit wordt eens en andermaal door een uitdrukkelijke hemelstem uitgesproken, zo bij deze gelegenheid, als, bij de doop van Christus. Wanneer de Heere verschijnt, of iets van zijn heerlijkheid ontdekt, wordt zulks bekend gemaakt door een stem uit zijn uitmuntende heerlijkheid, te kennen gevend dat deszelfs oogmerk, is hen te doen geloven, of hun te bevestigen in het geloof van deze grote waarheid, dat Christus is de Zoon van God.

1e. Het bracht deze uitwerking in de discipelen voort, dat het hun bevestigde in het geloof, wanneer de Heere zijn heerlijkheid openbaarde; zodat zij die met goedkeuring aannamen, Joh. 2: 11. Dit beginsel der tekenen heeft Jezus gedaan te Cana in Galilea, en heeft zijn heerlijkheid geopenbaard, en zijn Discipelen geloofden in hem.

d. Wij vinden ook dat de Heilige als 't ware, aantekeningen van zulke openbaringen tot hun eigen bevestiging .hebben gehouden. Abraham noemde de plaats daar hij geofferd had: de Heere zal 't voorzien, Gen. 22: 8 en Jakob noemde de altaar die hij voor de Heere opgericht had: de God Israëls is God, Gen. 33: 20, om gedurig hem voor ogen te stellen, dat God, de God Israëls, die God is, die in het uur der benauwdheid rechttijdige hulp geeft. Ik ben bewust dat vele andere zaken ter overweging alhier recht tijdig zouden hebben kunnen inkomen, en ook noodzakelijk geweest zijn, indien de tijd ons zulks had willen toelaten, want

1. Wij zouden hebben kunnen onderzoeken, welke die fundamentele waarheden zijn, waarin de Heere zijn volk, wilde bevestigd hebben; ik zou vele derzelver hebben kunnen bijbrengen: namelijk, dat hij haar wilde bevestigd hebben in het geloof van deze waarheid, dat de Heere God is; in het geloof der waarheden die betrekking hebben op de persoon van Christus, dat hij, de geliefde Zoon Gods, God in onze natuur is, en in de waarheden die betrekking hebben op zijn ambten, dat wij in hem alleen aan God welbehaaglijk kunnen zijn, en dat alleen aanneming bij hem, door zijn geliefde Zoon kan verkregen worden en vele dergelijke waarheden meer.

2. Wij zouden hebben kunnen naspeuren, waarom het noodzakelijk is, dat des Heeren volk niet alleen de waarheden moeten geloven, maar dat zij ook in deszelfs geloof moeten bevestigd en versterkt worden. Ter beantwoording hiervan, zou ik breedvoerig hebben kunnen aantonen, dat dit zaken van het allergrootste gewicht zijn, en dus alleen op vaste gronden moeten aangenomen worden, omdat veel op dezelve moet gewaagd worden; namelijk al hetgeen ons voor tijd en eeuwigheid aangaat; en derhalve is het noodzakelijk, dat wij wel toezien dat het fundament goed is daar wij, zo veel op wagen: daar zijn vele dingen waardoor wij beproefd worden, en derhalve hebben wij nodig wel terdege bevestigd te zijn. Het grote oogmerk der vijanden, is de fondamenten om te stoten; en daarom is het nodig dat wij, in dezelve gegrondvest zijn. Wij kunnen (de Heere niet verheerlijken, tenzij wij een redelijke godsdienst aan hem opofferen; en onze godsdienst kan niet redelijk zijn, indien wij aan deszelfs gronden geen klaarheid hebben, of in dezelve niet wel bevestigd zijn. Met een woord, wij zouden hebben kunnen aantonen dat al onze veiligheid, troost, nuttigheid voor anderen, de ere van de Godsdienst en de heerlijkheid Gods, in deze zake niet alleen een groot aanbelang hebben, maar ook niet kunnen verkregen worden, dan alleen in de ware Godsdienst bevestigd en gegrond te zijn.

3. Wij zouden alhier hebben kunnen naspeuren, op wat wijze de bedriegerijen van de satan, van de Goddelijke openbaringen kunnen onderscheiden worden: in hetwelk te beantwoorden, ik vele dingen zou hebben kunnen bijbrengen, als namelijk, dat ware Goddelijke openbaringen, (wat ook de Heere soms bijzonder in de eerste bekering vrijmachtig kan doen bij uitzondering) alleen in een weg van plicht kunnen verwacht worden. Terwijl wij, gelijk hier de discipelen, Joh. 14: 21--123, in de tegenwoordigheid van Christus zijn, zo wordt ons verstand verlicht in de ware kennis Gods; en door dezelve opgeleid om meer onderscheidenlijk te kennen, dat hij de Heere is, dat Christus de weg tot de Vader is, en dat Hij in Hem alleen zijn welbehagen heeft, d