Briefwisseling tussen Noctua Aurita en Philomela in het Koningsdal

William Huntington

Briefwisseling tussen Noctua Aurita (de luisterende Steenuil) en Philomela (de zingende Nachtegaal) in het Koningsdal

"De zangtijd genaakt", Hooglied 2:12.
"Het gedierte des velds zal Mij eren, de draken en de jonge struisen", Jesaja 43:20.

 

 

Een briefwisseling

1ste Brief

Aan de nachtegaal op een tak, berg Tabor.

De lange koude vochtige winter van mijn geliefde zuster in God is voorbijgegaan; de akelige wolk van de berg Sinaï die lang zijn verwarrende strikken op uw ziel heeft uitgegoten, nu gans overgedreven.

De plaats der verberging tegen de woedende stormen en de schuilplaats tegen het vreselijk onweder zijn ten laatste gevonden. Doornat zijnde van de regenbuien der bergen, heeft zij uit gebrek van een schuilplaats de rots omhelsd.

Hij was toornig op mij, zegt de nachtegaal: maar Zijn toorn is afgekeerd, en Hij troost mij. In Zijn gunst is het leven.

"Men mag een nacht lang wenen, maar 's morgen komt er gejuich." De bloemen worden gezien in den lande, de tijd van het gezang der vogelen is gekomen en de stem van de tortelduif wordt gehoord in den lande." Israël bloeit en bot uit als de roos, de leliën der vallei komen van onder de doornen te voorschijn, zij die lang onder de potten en potscherven, der aarde hebben veroordeeld gelegen omtrent haar zelf krijgen de vleugels van een duif, hun vederen schitteren met geluwd goud terwijl de stem van de tortelduif haar metgezel beweent. En hij zal de ziel van de tortelduif uit de menigte der goddelozen bevrijden en de vergadering zijner armen in eeuwigheid niet vergeten. Ps. 74: 19. Onder de oude bediening werden er altijd twee duiven tegelijk geofferd, maar nooit één alleen. Jezus stierf niet alleen; wij werden met hem gekruisigd. Hoe kostelijk is het offer van een gekruisigde Zaligmaker voor arme omkomende zondaren; en hoe kostelijk is het offer van een gebroken en verslagen hart voor Christus Jezus. Deze worden beide geofferd, en zij zullen beide te samen gaan; zoals het in het voorbeeld is, is het ook in waarheid. De stem van de hemelse tortelduif wordt gehoord en verstaan en zijn goedkeurende en bevelende stem tot zijn, metgezel is: "O mijn duif, die daar zijt in de kloof der steenrots, in de verborgen plaatsen, toon mij uw gedaante, laat mij uw stem horen, want uw stem is zoet en uw gedaante is liefelijk." Liefde in het hart doet hem goed en waarheid op de tong streelt zijn gezegende oren, terwijl een verheugd gelaat, weerkaatst door een blij geweten, alles aan hem opdraagt, en hem een gewillig en vreugdevol gevangene houdt onder de liefkozingen der genegenheden van een sterveling, "de Koning is gebonden op de galerijen." Hoe nederig makend, hoe laag afdalend is de Koning der koningen, en de Heere der heren om de hemelen te buigen en neer te komen, om zichzelf te openbaren, zijn goddelijke bezoeken te brengen aan opstandelingen, aan misdadigers in ketenen gesloten, die besloten zijn in ongeloof, in, wettische banden, en in de sterke kastelen der zonde en van de satan! Maar hij komt en zijn loon is met hem, en zijn arbeidsloon is voor Zijn aangezicht."

Hij gaat in en neemt bezit van de prijs van zijn eigen bloed en verblijdt zich over de heerlijkheid van zijn eigen overwinning, scheidt de voorwerpen zijner keuze van de overige gevangenen en huwt met de vreemdeling. Welk een schitterend gevolg van heerlijkheid, majesteit en macht vergezelt hem, wanneer de eeuwige deuren worden opgeheven en de Koning der ere ingaat! Dan buigen wij voor zijn scepter, onderwerpen ons aan zijn zacht juk, omhelzen de hemelse afkondiging, en komen met onuitsprekelijke blijdschap onder zijn goddelijke banier, terwijl de standaard die hij gegeven heeft aan allen die Hem vrezen wordt ontplooid, opdat Zijn beminde bevrijd worden van die vrees en die kwelling die bitterder is dan de dood. Hoe wonderlijk zijn Zijn werken onder de kinderen der mensen. De klei ligt lijdelijk onder de hand van de pottenbakker, terwijl hij het gebroken vat in een ander vervormt, zoals het de pottenbakker goed dunkt hetzelve te maken. Hij verlicht het verstand om zijn schoonheid, gepastheid en waarde te zien; Hij vernieuwt het hart, schrijft er de wet van het geloof in, en onderhoudt het met hemelse dingen; Hij verbindt de gebrokenen van hart, en stort er zijn liefde in uit; Hij reinigt het geweten, en bedauwt haar met eeuwige vrede, en het getuigenis van onze aanneming; Hij bezielt het oordeel, en neigt de wil om het betere deel, dat van ons niet zal weggenomen worden, te kiezen, te omhelzen en vast te houden. De waarheid met de liefde tot haar gaat naar binnen en de beloften met haar rijkste zegeningen dalen in ons af, in al haar zoetheid, macht, liefde en onuitsprekelijke blijdschap, terwijl de gezegende vertrooster dezelve opent, uitlegt en toepast als nagelen ingedreven door dien Meester der verzamelingen. Zo helpt Hij ons in de onvastigheden van onze gebeden, getuigt van Jezus, en ons aandeel aan hem en vervult beide hart en mond met duizend dankzeggingen, zegeningen en lofgevingen. Dit volk heb ik mij geformeerd, zij zullen mijn lof vertellen. O, dat wij zonder Mozes en Elias op die berg konden blijven. Dat zou een hemel op aarde zijn.

Maar helaas hoe dikwijls wordt deze zoete blijdschap verstoord. Wat vreest de ziel te zondigen tegen hem, en dat Hij dan mocht opstaan en weg gaan; wat wenen, bidden, nalopen en zich aftobben om Hem vast te houden, als Hij schijnt zich te onttrekken; en wat een kwellende angst als Hij weggegaan is, uit vrees dat Hij nimmer zal wederkomen. Dan komt die boze raadgever, die vijand van alle gerechtigheid, met een "waar is nu uw God?" Maar Hij komt al weer en weer terug, naar de tijd des levens door Hem bestemd, en, verlevendigt en vernieuwt zijn bezoeken en zijn werk, zeggende: Voor een kleine tijd heb ik u verlaten maar met grote goedertierenheid zal ik u vergaderen; in een kleine toorn heb ik mijn aangezicht voor u een ogenblik verborgen, maar met eeuwige goedertierenheid zal ik mij weer over u ontfermen, zegt de Heere, uw Verlosser."

Aldus spreekt de grote Jehovah; aldus zingt de nachtegaal en alzo moet ik het onderschrijven.

Maar de aartsvijand zal vele strikken voor u spannen in uw nieuwe en heerlijke verbinding, in uw verhoogde staat en in de gelukkige blijdschap over die waardigheid, waartoe gij zo onverwacht gekomen bent. En daar gij zo lang de wettische omhelzingen van Mozes bent gewoon geworden, zult gij een eigengerechtige geest in u gewaar worden, die u tussen beide diezelfden weg weer zal zoeken te doen bewandelen. En er zal ene aankleving aan hem zijn niettegenstaande al de harde behandeling die gij van hem ondervonden hebt. Zijn eerste vrouw was een Cushitische of Moorse; en al die met hem getrouwd zijn, zijn zwart maar niet liefelijk, tot op deze dag. Twist, gebreken aanwijzend, vervloeking en veroordeling zijn alle dingen, die door hen, die hem niet wegens echtscheiding vervolgen, kunnen verwacht worden. Zijn omhelzingen baren niets anders dan banden tot vrees en de gemeenschap met hem, wordt gevolgd door eindeloze zielsarbeid en vruchteloos werk, terwijl de inkomsten alleen vruchten des doods, maar niets anders zijn. Geen bruiloftskleed, geen ring, noch fraai geschoeide voeten versieren hen, die met die man blijven verkeren. "Gij zijt mij een bloedbruidegom" zegt de Cushitische, "ter oorzaak van de besnijdenis." Toen werd zij weggezonden, en hoe lang zij in weduwschap leefde, weet ik niet. Evenwel, haar vader bracht haar weer tot hem in de woestijn want ik lees niet, dat hij haar ooit weder haalde, en wat er later van haar werd weet niemand. Ik denk dat hij haar liet uithongeren, want Mozes gaf hen het ware brood uit de hemel niet, zij aten manna en zijn gestorven, Joh. 6: 32-49. Ik geloof ook dat bij al de vrouwen, die hij sedert had, uithongerde, en als hij enige troost nu of dan in zijn eigen hart kreeg, waardoor hij met een, liefelijk en verlicht aangezicht verscheen, legde hij een deksel op zijn aangezicht, opdat niemand op het einde er van zien zou, dan hij zelf. 2 Kor. 3: 13.

Men kan met hem niet leven, zomin als met iemand anders uit zijn huisgezin. Wat had de arme, eerbiedwaardige moeder Sara toch een droevig leven, zo lang als Hagar in haar tent was! Zij wilde graag vorstin zijn, hoewel zij in dienstbaarheid was, en verwachtte dat haar nagemaakte zoon, de erfgenaam der beloften en des huizes zou zijn, totdat zij beiden op hoger bevel uil het huis werden verjaagd, dat door de wettige nakomeling van de vrije vrouw zou bewoond worden.

Maar niettegenstaande alles wat ik gezegd heb, zult gij in deze wettische banden komen. Gij zult een deksel op uw aangezicht krijgen, verblind worden, gebonden, benauwd, onvruchtbaar, levenloos, gemelijk, onrustig, vol opstand en verhard worden; ja, en gij zult met deze dingen te doen krijgen, zodra uw allerliefste zijn aangezicht verbergt, heen gaat en u tot jaloezie verwekt om uw liefde te beproeven en uw getrouwheid en gehechtheid aan Hem openbaar te doen worden, niet opdat hij zou weten hoe gij u gedragen zult, maar opdat gij zoudt weten wat Hij voor u gedaan heeft; en dat gij door zijn gaan en komen, door Zijn tegenwoordigheid en afwezigheid tot een meer volmaakte kennis van Hem, en een nauwer omgang met Hem mocht komen. Als Hij wijkt zal de oude mens het hoofd opsteken en wanneer de Heere u bezoekt zal hij in zijn hol kruipen, want waarlijk, hij is een nachtvogel. Hij kan het licht niet verdragen, noch het hoofd opsteken, wanneer wij goddelijk vertroost worden. Maar niet zodra heeft de goede man zijn geldbeurs meegenomen en zich aan zijn echtgenoot onttrokken, of de uilen, vleermuizen en avondwolven komen te voorschijn; maar als de zon opgaat leggen zij zich in hun holen neer. Op zulke tijden moeten wij bidden, waken, wachten en zien uit het hol der leeuwen, en van de bergen der luipaarden, want op die tijd werkt, zonder dat wij het opmerken, de wettische geest in ons. De ziel gevoelt duidelijk haar verlies; haar liefde, vreugde en troost zijn weggezonken en daarom bemerkt zij de Heere niet zoals gewoonlijk, het willen en volbrengen in haar werkende.

Wat is het dan? Wel als Hij niet in ons werkt moeten wij voor Hem werken. Dan rijzen de verdorvenheden op en houden ons in de uitoefening van onze plichten tegen.

Wanneer dan toorn oprijst, beschuldigt ons het geweten; het ongeloof krijgt de overhand, en dan volgen opstand en verharding van het hart; de toorn en de dienstbaarheid van de wet komen over ons en houden ons vast. Nu zijn wij ontevreden en murmureren overal over, zelfs zijn wij in opstand tegen de Heere. Hoe ontevredener wij in onze verlaten staat zijn, hoe meer wij twisten met een haastige geest, en hoe meer wij twisten hoe, vaster wij gebonden worden, totdat het licht van Zijn gezegend aangezicht een andere genezende straal in onze zielen schiet en de stem des vredes de storm bestraft en doet bedaren. Dan keert de Heere met dubbele liefde terug, en wij smelten in dubbele dankbaarheid weg. Nu houdt Mozes zich stil en is tevreden. De leeuw sluipt weg naar zijn kreupelbos en de oude mens bezwijkt en sterft weer als wij naar het kruis opzien. De nagelen doorboren, hem, de speer ligt naast hem, het uitgewiste schuldboek bevredigt hem en God, verzoend zijnde in het aangezicht van Christus verbant hem. Onze oude mens is niet Hem gekruisigd; maar de kruisiging is een langzame en versmachtenden dood, en de oude mens sterft moeilijk. Hij is van dezelfde afkomst en van dezelfde staat als de duivel, zijn vader. Beiden zijn veroordeeld, vervloekt, en teniet gedaan en toch zijn zij beiden in wezen, dat weten wij door droevige ondervinding. God was met Juda en zij verdreven de Kanaänieten van het gebergte, maar uit de dalen konden zij ze niet verdrijven, omdat zij ijzeren wagens hadden, Richt. 1: 19. Het is geen kleine zaak om ze uit het hart en de genegenheden te houden; maar om ze uit ons hart met wortel en tak uit te roeien is een ongedaan werk, totdat wij de laatste vijand verslagen hebben.

Met die laatste vijand, bedoel ik de dood. Want hoewel er geen einde aan die strijd komt, nochtans zal er een ganse beëindiging van die strijd plaats hebben als de strijd zelf gedaan is, want dan zal er geen Kanaäniet in het huis van de Heere der Heirscharen meer gevonden worden. Deze ontmoeting maakt de overwinning volkomen en de overwinnaars wacht de kroon. Zonde en dood kwamen in het eerste paradijs, maar beide zullen uit het tweede uitgesloten zijn. De eerste Adam liet ze binnen, de tweede Adam zal ze uitdrijven. O, lang verwachtte, gezegende en gelukkige dag wanneer en waar de inwoners niet meer zullen zeggen Ik ben ziek. Waar treuring en zuchting zullen wegvlieden, en waar wij de glans van een miljoen zullen zien, die op ons en door ons heen zullen schijnen, en die ons met alle volheid zullen voldoen en dat voor eeuwig en altoos. Dat bid

Uw goedwillige dienaar

De Woestijn. DE STEENUIL.

 

2de Brief

Aan de Steenuil in de woestijn

Ik ontving uw zeer aangename brief. De Heere belone uw arbeid der liefde aan mij, het onwaardigste schepsel, waarop de Heere neerdaalde met Zijn werk, bewezen. Al wat gij mij schrijft, aangaande de uitwerkselen van Mozes, heb ik bij eigen ondervinding, en dat wel in de loop van twee maanden, voor mijn reis naar Gasson's Bower. Het is mij een wonder, hoe ik daar kwam en wat ik daar kreeg. Maar de Heere zegende het gesprek dat ik ''s morgens met u had toen wij te samen in het veld wandelden en gaf mij licht om te zien hoe ik verschrikt was, en ik geloof dat ik nooit meer in die strik van de satan zal gevangen worden. De volgende keer moet hij in een andere weg komen, wil hij mij weer, hetgeen de Heere verhoede, daarin brengen. Nu ben ik echter niet op dien berg en vrees de gedachte er ooit weer op te komen.

Ik weet dat de Heere U, zowel als mij naar Gasson's Bower zond. Het was een gelukkig ogenblik voor mijn ziel, want de Heere was met ons. Als gij het u nog kunt herinneren, vertelde ik u een droom die ik had gehad, en waarvan ik verzekerd was, dat hij van God kwam. Wat het meest opmerkelijke in mijn droom was, was dat gij tot mij zeide, dat ik mij in het Sabbatdeel waar van ik gedroomd had, nog wel eens verblijden zou. Ik droomde dan, dat gij trachtte mij te bemoedigen en te vertroosten onder de zware beproeving waar ik toen onder gebukt ging. Het was zo wat tien dagen voor dat gij kwam, dat ik die droom had. Ik wist dat ik alles wat mij dierbaarder was dan de gehele wereld, verloren had, ik bedoel die nabijheid Gods en die gemeenschap met Hem, waarin ik mij vroeger verblijd had.

Maar het andere gedeelte van mijn droom was iets waarvan ik de blijdschap nog verwachtte. Mijn verwachting is niet afgesneden, zoals gij zult zien uit hetgeen ik u nu zal verhalen. Eén uur voor dat ik naar Gasson's Bower op reis ging gevoelde ik zulk een kracht van verenigende liefde tot hen die bij mij waren, en ook tot diegenen die ik daar dacht te ontmoeten, in mijn hart afdalen, dat ik onmogelijk onder woorden brengen kan; en de predikatie die gij die avond deed was mij een zegel en bevestiging van alles wat ik gevoeld had. Het was waarlijk het nieuw gebod met de vinger Gods op mijn hart geschreven. En zoals ik tevoren gezegd heb, het was mij een gelukkig ogenblik. Mozes' banden begonnen te breken, want ik kon niet langer in dezelve gehouden worden. Ik werd uit de kloof, van Elia, in de woestijn gebracht en God leidde mij in de kloof der steenrots, de aangename en zoete plaats, waarvan gij mij gesproken had. Ik bevind het inderdaad een: zoete plaats want Hij laat al Zijn goedheid bij mij voorbijgaan, en roept uit dat Hij barmhartig en genadig is, enz. En waarin ik mij nu verheug kan niets minder zijn dan een onderpand van die eindeloze heerlijkheid, waarvan de Sabbatdag een afschaduwing is. Alzo zijn de woorden die gij in de droom tot mij sprak, vervuld; want ik geniet een, "Sabbatsdeel". De Heere zendt zulk een zegen neer dat er geen plaats voor is om die te ontvangen. Ik wens dat mijn gemoed worde uitgebreid. Jabes bad er om en verkreeg het, en mijn waarde vriend, vraag het ook voor mij, want ik moet verwijd worden of er onder sterven, dat is God bekend. Dit is voorzeker zingen op de hoogten van Sion en weiden op de hoge plaatsen. Ik hoop dat de Heere mij niet zal doen gaan uit deze kloof der steenrots, voor dat Hij mijn lemen tabernakel zal ter neer werpen, die mij zulk een last is als ik ooit tevoren gevoeld heb. Waarin ik mij verheug is iets meer dan geloof en hoop, hoewel deze blijven, maar het is het allergrootste, namelijk de liefde. Maar hoewel het zo met mij gesteld is, weet ik toch dat de Satan dicht bij mij is en mij als hij kon van alles zou beroven. Soms gevoel ik zulke vurige pijlen van hem als ik nooit tevoren heb ondervonden. Maar het wordt hem niet toegelaten mij te kwetsen. Christus werd in het vlees geopenbaard opdat hij de werken des duivels verbreken zou. Eén ding dat gij in uw brief schreef bedroefde mij ten hoogste en het was dit, dat gij zei, dat ik het oude werk van Mozes aan te hangen, al weer en weer ter hand zou nemen. Maar ik zal zeker aan hem en aan Zijn wet sterven, en dat is mij voorzegd in een andere droom die ik gisteren nacht bad. Het was dit: Ik droomde, dat ik van huis en bij ene vriendin gelogeerd was. Er kwam iemand bij mij, en zei tot mij dat ik dood was en dat ik met hem mee moest gaan naar een huis op een kleine afstand van daar gelegen, om mijn lijk te zien. Ik werd jegens hem met verontwaardiging vervuld en zei hem dat ik innig verblijd was dat ik dood was, want dat ik van mij zelf mijn gehele leven last had gehad, maar dat ik er geen voet voor zou verzetten. om mijn eigen lijk te zien, maar dat er iemand wezen mocht, die de moeite zo willen doen om mij te begraven. Misschien zal dit vervuld worden, wanneer ik met Paulus zeggen kan: "Ik ben de wet der wet gestorven." Vergeef mij dat ik u zo lastig val met dromen, want als ik aan u schrijf kan ik enkel schrijven wat ik gevoel. Ik hoop dat wij u spoedig zullen zien. Ik heb alles wat een toegenegen hart kan wensen. Ik bedoel dat ik onder Zijner Majesteits herauten mag zitten, wier heerlijke redevoeringen aanmerkelijk voor mij gezegend worden. Zeker, "de snoeren zijn mij in liefelijke plaatsen gevallen, een schone erfenis is mij geworden!" Ik verzeker u, dat wanneer wij allen te samen zijn, wij veel over u spreken. Ik weet dat wij allen veel zielsvereniging met u hebben. ik verzoek u vriendelijk onze kleine zuster Moorhen te gedenken; gij weet dat zij geen borsten heeft. Zij heeft uw vriendelijk briefje ontvangen en zij bedankt er u voor, maar zij was er over verwonderd hoe gij haar toestand uitvond, daar zij er u nooit iets van gezegd had. Nu moet ik eindigen, hopende spoedig van u te horen en geloof mij steeds te blijven

Uw zeer oprecht toegenegen

Het Koningsdal. NACHTEGAAL

 

3de Brief

Aan de nachtegaal in het koningsdal

Ik heb zo-even mijn eigen werk met woeker ontvangen. De bij heeft zijn weg naar mijn korf met was aan zijn poten en honig in zijn maag gevonden. Het beloofde land vloeit nog steeds over van die kostelijke spijs.

Eet er zo veel van als u goed doet, want dit is de kennis der wijsheid als zij in het hart komt "want daar zal ene beloning zijn en uw verwachting zal niet afgesneden worden." Ik ben een tijdelijk huurder, en iedere kleine windvlaag die mijn hut schudt, zie ik als ene waarschuwing aan om die te verlaten, hetgeen mijn aankomst aan het beter huis niet met handen gemaakt, zal verhaasten. Temeer ben ik geneigd zulke gedachten te koesteren daar ons Israël voor het grootste gedeelte het manna begint te verfoeien, de gewichtigste zaken licht brood noemende. Over zulk een, gedrag mag het goddelijk mishagen rechtvaardig te voorschijn komen, ja het zal komen, en een honger in het land zenden; ook zal het reinigheid der tanden door al hun stammen geven.

De talloze wolken zonder water, die met iedere wind heen en weer gedreven worden langs onze kusten, zijn zeker voortekenen van die kwade pijlen, want zij zullen de ziel der hongerigen leeg laten en de dorstigen drank doen ontbreken. Maar ook dit zal mij mijn kroon niet roven noch hun ruig voor de gesel Gods bewaren. Hoe licht zijn deze lichamelijke droefenissen wanneer de liefde van de gestorven Jezus het vermoeide hart een zachte peluw doet toekomen.

Ik zal dien man de bestendigen vrede schenken, want hij heeft op mij vertrouwd. Dit spreidt ons het bed gemakkelijk in onze krankheid, en is de zoetste rust voor de ziel op het ziekbed. Het is waar dat het oog van het geloof, in de stralen der morgenster, ontdekt dat de morgenstond en het aanbreken van de dag uit der hoogte geneigd zijn hem te bezoeken, en de ziel tobt zo veel zij kan om de duistere en donkere streken van de schaduw des doods te ontgaan. Als de glans der onsterfelijke heerlijkheid zich uitspreidt, is het voor het oog van het geloof des te kostelijker de zon te aanschouwen. Dat is Hem te zien die onzienlijk is voor het oog van alle stervelingen en voor al het licht der natuur. Jehovah's goedheid verschijnt in 't land der levenden; het geloof bemerkt dat en trekt daaruit het vaste besluit voor de verlichte ziel dat, "Hij de schoonste is onder tienduizend en de aller beminnenswaardige". Het hemelse licht schijnt over de duistere profetie, en verlicht die donkere plaats. Het brengt de goddelijke overeenstemming aan het licht, waar het vleselijk verstand in de grootste verwarring geraakt. Het vertrouwen legt de hand op de goddelijke waarheid, en wacht totdat getrouwheid de belofte goed maakt. En hier bezwijkt de ziel tenzij zij gelooft. Maar de hemelse duif fladdert in het hart, zweeft over de ziel en brengt hoop en verwachting te voorschijn, welke beide het anker der ziel en haar uitziende verwachting zijn. Het eerste houdt haar staande en belet haar wegzinken in haar bezwijkende aandoeningen en het andere vervult haar met angst totdat de begeerte vervuld is. Zo ziet het geloof het beloofde voorwerp op een afstand en een goddelijke invloed op de wil, bindt het om de keuze te doen, totdat het onsterfelijk zaad der verkiezende en eeuwige liefde in het hart wordt uitgestort door de beloofde Trooster en dan worden alle genegenheden opgewekt om de keuze goed te keuren en te bewonderen. Nu zijn de Oude van Dagen, en het kind wiens ouderdom slechts een hand breed is, niet meer op een afstand. De zon der gerechtigheid en de worm in het stof ontmoeten elkaar, zonder gevaar te lopen van te verdorren, of uit te drogen Hij toont ons zijn lijdende natuur en schijnt er doorheen; de duisternis gaat voorbij en het ware licht schijnt, terwijl de ogen zien en de oren horen, en het geloof het woord des levens gevoelt. O wat is dat gezicht wegsmeltend, verootmoedigend, ziels- en zelf vernederend! En wanneer het in het geweten spreekt, zal de rechtvaardige door het geloof leven. Er is geen geest meer overgebleven, alles, alles is opgedronken en de kruisiging heeft plaats; men heeft gemeenschap met zijn lijden en met Hem ene plant geworden te zijn in de gelijkmaking zijnes doods, wordt gevoeld en verstaan.

De uitwerking daarvan is, dat de wereld aan de zondaar wordt gekruisigd en hij aan de wereld. Dit is het openbaren van zichzelf aan hen die Hem gegeven zijn op deze aarde, en als hij weer ontwaakt, opstaat en opvaart, neemt Hij het hart, de genegenheden, de gedachten, de begeerten, de verlangens, de honger en al de krachten der ziel met zich mee, en laat ons als ledige schaduwen zonder bestaan, werktuigen, zonder raderen of automaten staan. Spreken mogen wij, maar dat is ook alles en soms kunnen wij dat ook niet.

Of het in of buiten het lichaam geschied is kunnen wij niet zeggen, God weet het. De koop is gesloten, de knoop is doorgehakt en de Nachtegaal is gebonden in het bundeltje der levenden, bij de Heere haar God. De band des verbonds heeft haar omstrengeld en al wat bij lief heeft moet leven, want het ware licht gaat altijd gepaard met Zijn liefde tot in de dood, dat is met zijn genezende stralen. Alle licht dat daar niet mee vergezeld gaat schiet te kort voor de verlossende welstand der naties, want daarin is geen redding, gezondheid, welvaart of leven. Been van Zijn been, vlees van Zijn vlees en één geest met hem, volmaakt in hem, zijn grote verborgenheden. Maar nu spreek ik over mijn meester en mijn meesteres, wier gewillige dienaar ik eeuwig hoop te blijven. Getekend en verlost.

Uit de Woestijn. De Steenuil

 

 

4de brief

Aan de Steenuil in de woestijn.

Ik heb de uwe ontvangen, en ik verblijdde mij hartelijk toen ik het schrift zag. Ik weet dat de Heere u zal belonen voor het werk der liefde dat gij aan mijn ziel ten koste legt. Het deed mij leed te vernemen, dat gij uw werk moest staken. Ik hoop dat gij eer gij deze ontvangt weer beter zult zijn, want ik geloof werkelijk dat de Heere u niet lang in de gevangenis zal houden, omdat er onder u zo velen zijn die naar u voor voedsel uitzien, daar er zo weinig herders onder hen zijn om hen te voeden. Verleden week behaagde het de Heere mij met ene ongesteldheid te bezoeken, zodat ik enigszins verwachtte, dat Hij mij thuis zou halen. Maar Hij heeft mij weer opgericht, waartoe, weet ik niet. Ik zou graag heengegaan zijn. Ik weet dat er een woning voor mij bereid is, en dat niets mij van de tegenwoordigheid scheiden zal van Hem, die het leven en de blijdschap van mijn ziel is. Ik weet nu wat gij bedoelde in de eerste brief die gij mij zond, nadat mijn ketenen gebroken waren. Dit heeft mij tot onlangs zeer in de war gebracht. Gij zei dat ik het geloof gekregen had door het gehoor en het gehoor door het woord Gods, dat het geloof weldra door de liefde werken zou, dat de liefde alle vrees en beroering uit zou drijven en dat als dan de koop zou gesloten worden. En zo bevind ik het werkelijk, want ik gevoel de uitwerkselen van de vereniging met Christus zeer sterk. Wel mocht de apostel in deze taal uitbreken als bij zegt: ""Ziet hoe grote liefde ons de Vader bewezen heeft, namelijk dat wij kinderen Gods genaamd zouden worden." Maar wij zullen er meer van weten, zoals gij opmerkt, wanneer wij de heerlijkheid van een miljoen zonnen, die ons tegenlachen, in ons branden, en door ons heen schijnen, voor eeuwig zien zullen. Deze uitdrukkingen zetten als het ware mijn ziel in mijn ziel in vlam. Maar deze woorden van de apostel kwamen in mijn gemoed: "Gij hebt lijdzaamheid van node, opdat gij de wil van God volbracht hebbende, de beloftenis mag wegdragen". En ik geloof dat niemand meer lijdzaamheid nodig had, dan ik.

Ik bemerk, dat gij mij niet toelaat mijn zoete bete te gebruiken zonder bittere saus; gij moest mij aan de alsem en de gal herinneren die mijn ziel onder Mozes’ juk gevoelde.

Ik geloof waarlijk dat een man zoals gij dat zeker waarnemen zoudt, en daarom geloof ik wat gij zegt. Maar nu ben ik daar niet, neen, ik ben in het wijnhuis en de liefde is zijn banier over mij. Ik verzeker u dat mijn sterfelijk deel het nauwelijks dragen kan. Ik geloof dat mijn lichaam zeer verzwakt is, hetgeen de reden is waarom ik denk dat de Heere mij niet lang hier zal laten blijven, want ik schijn geheel boven het stof te leven. Ik heb veel genoegen gesmaakt in het gezelschap van die man, die onlangs in de predikbeurt bij ons was. Ik gevoel vereniging van het hart met hem. Hij schijnt waarlijk bekommerd te zijn. Ik bid de Heere dat Hij zich aan hem openbaart, en de wonden mag helen die in zijn ziel geslagen zijn en zijn genezing en gezondheid doe rijzen. Ik hoop dat wij u binnenkort in het Koningsdal mogen ontmoeten. Uw zoete uitdrukkingen der liefde in Christus Jezus tot ons, neem ik in waarheid aan, want dat hebt gij bewezen, en ik ben er van verzekerd dat dezelfde band ons bij elkaar houdt, als die welke ons met Christus ons hoofd verbindt. Ik geloof dat Zijner Majesteits heraut in goede doen is. Gisteren werd mijn ziel onder Zijn uitnemende rede zoet verkwikt. Ik had wel gewild dat hij tot middernacht gesproken had. Ik geloof niet dat ik alsdan in slaap zou gevallen zijn. Hij bracht melk en vaste spijze tevoorschijn, opdat ieder op de rechte tijd een deel hebben mocht. Ik geloof werkelijk dat hij sedert wij elkaar in onze plechtige vergadering in de schuur en in onze kring ontmoetten veel van de kracht en tegenwoordigheid Gods ondervindt. Zo dikwijls de Heere u onder ons zendt, bevestigt en versterkt gij het werk in onze zielen, door de heraut van de koning daargesteld. Gij ziet dat eigen belang een grote drijfveer van ons verlangen is om u te ontmoeten. Evenwel geloof ik dat één voor velen zeggen mag dat wij u innig liefhebben in de Heere Jezus, zowel als gij ons liefhebt. Ik zou mij verblijden van u te mogen horen, zo spoedig als maar enigszins mogelijk is. Mijn wederhelft wil u vriendelijk groeten. Nu eindig ik en blijf

Uw U toegenegen vriendin en zuster in de Heere Jezus Christus.

Het Koningsdal.

DE NACHTEGAAL.

 

 

5de Brief

Aan de Nachtegaal in het Koningsdal.

Van God beminde, uw brief heb ik in orde ontvangen. De tijdingen zijn goed en, God blijkt getrouw, waar, goed, genadig, barmhartig, liefdevol, goedertieren en teer te zijn. Hij is gedachtig aan Zijn verbond, en medelijdend jegens in zichzelf verloren, bij zichzelf veroordeelden, en aan zichzelf wanhopende zondaren. De bitterheid des doods is geweken, de zak is ontbonden en het beste kleed is aangetrokken. Hij heeft "de banden van uw hals", losgemaakt, "o gevangen dochter Sions." De sterkte van de satan is terneer geworpen; de gevangenis van ongeloof heeft zijn gevangene, die daar hoopte, losgelaten, en zij die in duisternis zat, leert nu zichzelf.

Wonderlijk is de wederopstanding der ziel onder de levend makende bewerking des Geestes en zijn vertroostende invloeden. Wanneer het gevoel van de goddelijke toorn de ondraaglijke last der zonde, de geest der zwaarmoedigheid, de wanhoop, verwerping en alle schrikkelijke verwachtingen beginnen te wijken en van de ziel worden afgewend, klimt zij liefelijk omhoog en elke gedachte van gevangenschap en elke verrukkende inval gaan met haar mee. Aan- en optrekkende liefde van boven trekt de ziel en haar genegenheden naar de rechterhand der Majesteit in de hoogte, terwijl het geloof deel heeft aan de liefde tot in de dood en het alles verzoenend bloed en de hoop haar anker binnen het voorhangsel werpt. De liefde werpt alle beletselen en hindernissen weg, te samen met iedere medeminnaar en maakt de weg effen voor de allerGeliefdste, om in ene vaste vereniging op te springen, de huwelijksknoop te leggen en één geest te worden met de duurgekochte ziel. O, wonder der wonderen.

Vaarwel.

De Woestijn. DE STEENUIL

 

 

 

6de Brief

Aan de Steenuil in de woestijn.

Ik heb geen woorden om mijn erkentelijkheid uit te drukken voor de bewijzen van toegenegenheid die gij mij steeds betoont. Mijn schuld wordt groter en ik heb niets om te betalen. Maar ik geloof waarlijk dat mijn dierbare Verlosser u een volle beloning zal geven. Geloofd zij Zijn naam. Hij geeft mij een hart om er om te bidden: "En Hij die de harten doorzoekt, weet wat de mening des Geestes zij, want de Geest zelf bidt voor ons, naar de wil van God." Uw brief kwam als een groot zegel op alles wat ik van maandag tot zaterdagavond van de volgende week, toen ik de Uwe ontving, had ondervonden. Gedurende de dagen van mijn vereniging met Christus, was deze mij zo duidelijk gemaakt als ik ooit de zon op de middag aanschouwde. Wat ik in mijn ziel van de uitwerkselen der liefde tot in de dood ondervond kan tong noch pen in eeuwigheid uitdrukken. De goddelijke droefheid, die zij in mijn hart deed ontstaan, smolt het. De Heere gaf mij te zien op Hem Die ik doorstoken had, en deed mij over Hem weeklagen; dit verbrak mijn stenen hart in duizend stukken. De drie coupletten van de lofzang van Mr. Hart over de verloren zoon, werden aan mij vervuld, namelijk deze,

D' afvallige die lange tijd,

Verwaand en nochtans laag

Zijns vaders raad verworpen had,

En zijn genade licht geschat

Keert weder als verloren zoon

En bidt genade, in plaats van hoon.

En hoe ontvangt zijn Vader hem

Hij drukt zijn liefde uit

En doet het beste kleed aan

Het allerbeste zelfs, Laat staan

Dat Hij zijn allerteerst gevoel

Laat blijken, als zijn enig doel.

De knechten brengen rijke spijs

Men maakt een groot geschal.

De bedelaar ontvangt een ring

De vader toont zijn lieveling

Dat alle ellende is gegaan,

En Hij volkomen is voldaan.

Mijn vreugde en goddelijke droefheid werden steeds groter, en de volgende dinsdag rezen zij zo hoog dat ik onbekwaam was om mijn huishouden te doen. Ik kon mij slechts naar buiten begeven, zeggende: "Heere, zo kan ik niet langer leven, ik kan niet, nee ik kan niet, neem mij maar weg. Gij weet het, ik kan zulk ene grote uitlating van Uw liefde niet dragen." Zeker, ik was dronken van de nieuwe wijn van het koninkrijk. De Heere liet mij zoveel drinken dat ik mijn armoede vergat, en mijn ellende niet meer gedacht. Zeker, de Heere bereidt mij voor iets voor, maar wat weet ik niet. Evenwel, ik weet dat ik niet lang in deze weg zal gelaten worden, maar weer in het duister zal raken, als het pad dat voor mij aankomt. Ik geloof dat Hij mij, òf in de heerlijkheid zal opnemen, òf dat ik door een vurige beproeving zal geoefend worden. Evenwel zal, hetgeen ik deze laatste maand ondervond, nooit, door welke bestrijding ook, uit mijn gemoed worden uitgewist. Ik weet nu dat Christus de mijne is en dat niets mij ooit van Hem zal scheiden. Ik kan nu met de bruid zeggen: "Mijn liefste is mij als een bundeltje mirre, dat tussen mijn borsten vernacht." Ik ben waarlijk blij, dat ik van een vriend gehoord heb, dat gij beter bent en weer in staat de ploeg te volgen. De Heere bekrone uw werk met een goede uitkomst, opdat de harde grond van het hart der zondaren voor het ontvangen van het kostelijke zaad mag worden toebereid, en dat het vlees geworden Woord in vele harten geopenbaard worde. Ik zal blij zijn als ik u zie. Ik hoop dat het niet lang zal duren eer ik dat genoegen smaak. Gisterenavond ontmoette ik de heraut van de koning, hij was gezond.

Ik geloofde dat hij zich in mijn geluk verblijdt. Dat de Heere hem zegene en voorspoedig rnake! De kracht die te Gasson's Bower op ons afdaalde schijnt te blijven, beide bij hem en bij ons. Zeker dat was een tijd om nooit te vergeten. Onze lieve zuster Moorhen verzocht mij u vriendelijk te groeten. Zij bedankt u ook voor uw aangename brief; maar zij zegt dat gij haar te veel bemoedigt en zij nooit meer aan u zal kunnen schrijven, maar verlangt dat ik niet vergeten zal u te zeggen, dat zij u om het werk des Heeren dat in u is, hartelijk lief heeft. Ik geloof dat wij van haar zeggen mogen wat Christus van Nathanaël zei toen Hij hem tot zich zag komen: "Ziet waarlijk een Israëliet in welke geen bedrog is." Ik heb haar van ganser harte lief. Zij is kostelijk voor mij, en den Heere dierbaar, daar twijfel ik geen ogenblik aan. Ik hoop zo spoedig mogelijk iets van u te vernemen. Ik hoop dat de gedurige komst van de Sunamitische u niet moeilijk zal vallen. Laat mij voortdurend een aandeel in uw gebeden hebben. Ik geloof dat ik er nooit meer belang bij had dan nu, want ik denk dat de Satan woedend op mij is, en mij wellicht strikken voor de voeten zal leggen. Bidt dat de Heere mij wijsheid geve opdat ik niet onwetend zij van zijn aanslagen. Mijn papier zegt mij dat ik uit moet scheiden. Geloof mij steeds te blijven,

Uw zeer oprechte en, toegenegen vriendin, en zuster in banden van het evangelie

Het Koningsdal

DE NACHTEGAAL.

 

 

 

7de Brief

Aan de Nachtegaal in het Koningsdal.

Uw aangename, zalvende (lees: verzachtende of vertroostende) en wegslepende brief is goed overgekomen. Niets, schijnt er nu sedert de werking van haar laatstgehouden feestmaal van goddelijke liefde, goddelijke droefheid, en haar gelukkige ontvangst, aan haar heerlijk werk der bekering wedergeboorte en vereniging met Christus te ontbreken. Haar ogen hebben die Rechtvaardige gezien, en zij hebben tranen van hemelse liefde over Hem, in Zijn smartelijk lijden geweend, die met een aller verblijdendst en verzekerd gevoel van bevrediging vergezeld gingen. De gezegende gevolgen daarvan waren zelfverloochening en zo’n zelf verfoeiing als niet te beschrijven zou zijn. Er is een geheim dat de uitverkorenen Gods gemeen hebben, wanneer de eeuwige vereniging tussen Christus en de bruidsziel plaats heeft. Dit werd nooit door een huichelaar ontdekt, en nooit door een dienaar der letter beschreven. Er schijnt nu aan het geloof van mijn zuster niets te ontbreken; zij komt nergens in te kort, op de Zoon van God wachtende. Zij begrijpt nu met alle heiligen van vroeger, beide de hoogte en diepte van de onbegrensde liefde, die de kennis te boven gaat.

De Heere heeft haar de zekere tekenen van de dingen die met de zaligheid gevoegd zijn geschonken, zodat zij in alles haarzelf bewezen heeft, rein te zijn in deze zaak. Alzo kan er geen toverij tegen de Nachtegaal, noch waarzeggerij tegen de dochter Abrahams gedaan worden. Ik zal zeker, volgens mijn eerste voorzegging, haar in het koninkrijk Gods daarboven ontmoeten. Deze hartveranderende vereniging, deze gemeenschap met Christus in Zijn lijden, en de gelijkmaking in zijn dood is het edelste, het meest ziel verrijkende en ziel bevestigende werk van de Heilige Geest der belofte, en het brengt de uitgelezenste bevinding mee, die ooit een ziel deed hopen. Zij doorzoekt alle dingen tot op de bodem, en brengt alles, ja zelfs het leven en de onsterfelijkheid in de ziel aan het licht. De arme zondaar verschijnt in zijn slechtste gewaad, en Jezus als de schoonste onder tienduizenden.

Geen engel in de hemel werd ooit met zulk een gezicht begunstigd en geen engel in de hemel had ooit zulk een gevoel; want Christus nam nooit hun natuur aan, en zij werden nooit aan hem door de echt verbonden. O, de weergaloze zachtmoedigheid, verbrokenheid, onderwerping en overgave, die in het hart van het arme schepsel gevoeld wordt, wanneer de ring, het kleed en het gemeste kalf voortgebracht worden. Wat wordt dan de ziel vastgezet en bevestigd, en geeft geen plaats aan een twijfeling, een struikelblok, een "indien" of "misschien", want wij worden verzekerd en verzegeld tot de dag der eeuwige verlossing. De Heere bereidt u voorzeker ergens voor, mijn zuster. En zoudt gij weten wat dat is? Wel, Abraham maakte een grote maaltijd op de dag dat Izak gespeend werd. Daarop wordt de borst droog gemaakt en er wordt een weinig bittere aloë aangestreken, zodat elke zoete droppel door bitterheid. gevolgd wordt en dat noem ik een van de slechtste reukwerken van Christus klederen. "Al zijn klederen rieken van mirre, dat is de liefde want die wordt eerst genoemd; dan volgt aloë en daar zal uw volgende brief wel meer of minder naar ruiken. De rol van Ezechiël en het boekje van Johannes hadden deze bestanddelen in zich. Gij kunt ze bitter zoet noemen, want beiden komen in hun belijdenis aangaande deze zaak overeen: "Het was in mijn mond zoet als honing en toen ik het opgegeten had, was het in mijn buik (hart) bitter." Als de zoogtijd over is, wordt het lam van de borst genomen en weggedreven, men beveelt het achteraan te komen en de herder te volgen. Deze behandeling is vreselijk en werd nimmer verwacht. En nu is het in plaats dat het woord zuivere melk zou geven een droge borst. De kleine vindt geen lepelkost, wordt ook niet op de zijden gedragen noch door de lippen gekust; geen glimlachjes op het gelaat noch antwoord op zijn vragen. "Als een dien zijn moeder troost, alzo zal ik u troosten." En dat is alles waar.

Maar de moeder zet het jongste kind op zijn voeten onder de andere, en dat is om op haar knieën plaats te maken voor het pasgeborene. "Ik heb u met melk gevoed, en niet met vaste spijze, want gij kon dat toen nog niet dragen. Zijt geen kinderen in het verstand maar in de boosheid." Ach, zegt de Nachtegaal, maar mijn ziel begeert vroegrijpe vrucht. Wat moet ik beginnen, wanneer er geen trosje te eten is? Ja, maar er is voedsel: ik zal u herders geven naar mijn hart, die zullen u weiden met wetenschap en verstand.

Zo niet; "Hoe kunnen de bruiloftskinderen vasten, terwijl de bruidegom bij hen is?" Dat is waar. "Maar de dagen zullen komen, wanneer de bruidegom van hen zal weggenomen zijn, en dan zullen zij vasten in die dagen." Maar vergadert Hij de lammeren niet in Zijn armen, en draagt Hij ze niet in Zijn boezem? Ja, maar als zij een jaar oud zijn, worden zij niet meer lammeren maar schapen genoemd.

De rammen van Nebajoth moeten onder hen, de dienst doen. Als Hij zijn eigen schapen uitleidt gaat Hij voor hen heen, zij moeten naar Zijn stem horen, en Hem volgen. Maar zij die ooien en bevrucht zijn, moeten op zijn macht steunen, en aan Zijn hand hangen, want Hij leidt hen. Maar de lammeren die nog geen jaar oud zijn, worden algemeen in de boezem gedaan onder 's herders kleed, terwijl de liefde van des herders hart hen warm houdt, en de gordel van getrouwheid en waarheid hen draagt. Maar daarna worden zij onder de rest van. de kudde gesteld, en op de hoogte van Israël in de schaapskooi gebracht, waar nu ook voortaan hun weide zijn zal. Een pas gehuwd man mocht volgens de oude wet zijn vrouw een jaar lang verheugen zonder dat hij ten oorlog behoefde mee uit te trekken. Maar daarna moest hij de oorlog en zijn andere bezigheden volgen, terwijl andere jonge maagden hun echtgenoten mochten verheugen. Maar ach! hoe zal ik het uithouden te zien dat jonge dochters getrouwd zijn en dat zij hun hemelse bruidegom verblijden, als ik moest dienen zonder één toeknik, zonder één gunstige aanblik, van die Allerliefste, die mij als een botte duif zonder hart heeft achtergelaten! Krank te zijn naar liefde, zou mij naar het graf doen, dalen en jaloezie zou mij verschroeien in de vlammen van de beledigden minnaar. Zal ik, die als een trommelslager geweest ben, en zo lang in de wijnkelder heb feestgevierd ooit in mijn liefdekrankheid komen, om een droppel of appel van de jonge dochteren Sions af te smeken? Of zeggen: "Ondersteun mij met de flessen, want ik ben krank van liefde". Dit alles ligt in de volgende profetie: want de Heere heeft u geroepen als een verlaten vrouw als een bedroefde van geest, zegt uw God. Voor een klein ogenblik heb ik u verlaten maar met eeuwige goedertierenheid zal Ik u vergaderen. Als dit gebeurt rijzen opstand, jaloezie, toorn enz. met iedere andere verdorvenheid omhoog en zullen zich met zeven hoofden en tien hoornen vertonen. Ai mij, zegt de Nachtegaal, maar ik hoop dat gij in dit alles een valse profeet zult zijn. Amen, ja amen zegt

de Uwe, in de Heere Jezus Christus.

In de woestijn.

DE STEENUIL.

 

 

8ste brief

 

Aan de Steenuil in de woestijn

Sedert de Nachtegaal uw laatste gunstbewijs ontving, is haar ziel in het binnenste van haar geschokt geworden en dat moet zij u bekendmaken, omdat gij in haar consciëntie, als een waar profeet des Heeren, bent geopenbaard. In uw laatste brief, profeteerde gij, dat mijn reuk in mij zou veranderd worden; en dat, daar mijn klederen naar mirre geroken hadden, zij ook, als ik de volgende maal tot u kwam, naar de bittere aloë zouden ruiken. Ik wist dat gij ook hierin geen vals profeet voor mij zoudt zijn. Maar ik verlang de dag des kwaads ver van mij te stellen, en daarom zei ik, zal ik het niet geloven, voor het mij overkomt. Evenwel legde de Satan een strik voor mij. Hij wist dat ik enige tijd in het huis der maaltijden geweest was, feesthoudende met het vette vol mergs en de wijnen die gezuiverd zijn, zoals hij nooit gesmaakt heeft, en ook nimmer smaken zal. De dierbare zielen in het dal, die mij op het hart liggen om er mee te leven en sterven, zagen mijn geluk, en daar ik niets voor hen wilde verbergen, omdat ik het uit genade gekregen bad, gaf ik het hen vrijwillig over. Ik weet bij ondervinding, dat er een is die uitstrooit wien nog meer toegedaan wordt."

Ik geloof dat de Satan wist dat zij goed waren in mijn gezelschap en dus graag bij mij waren en daarom kwam hij op deze wijze tot mij: Hij fluisterde mij in, dat mijn vrij en openhartig mededelen van de handelingen Gods met mijn ziel, nergens anders als uit hoogmoed ontstond, daar zij dan hoge gedachten van mij zouden koesteren, en dat zij dan in plaats van hun ogen op Christus te vestigen, op een schepsel zouden zien. Ik dacht dat ik mij op mijn consciëntie kon beroepen dat het anders was, want ik wist dat als het zo was, het Gods roede over mij zou brengen, om mij zo lang te kastijden, tot zij zagen op wie zij vertrouwd hadden. Enige dagen had ik er veel last van zodat ik er mij zelf om haatte. Evenwel besloot ik, dat ik kleefde mijn tong aan mijn gehemelte, tot hen over datgene niet meer zou spreken wat God aan mijn ziel was doende of gedaan had. Dat was verleden week donderdag. Verleden zaterdag kwam mij iemand Q. in de achterbuurt genaamd, mij bezoeken: zij had enige tijd onder onze heraut gezeten en zijn redevoeringen aangehoord. Ik dacht dat zij een bezwaard gemoed omdroeg, maar kon ze nooit tot spreken krijgen. Maar nu kon zij zich niet langer inhouden.

Zij vertelde mij dat zij in de laatste tijd verscheidene predikaties gelezen had; ook had zij opgemerkt dat er onlangs in mijn gelaat een bijzondere verandering te zien was. Ik zweeg en dat was genoeg voor haar, want zij zei dat zij voor niemand haar gemoed kon openleggen. Zij verzocht geheimhouding, maar ik kon ze niets beloven. Zij gaf mij zulk een beschrijving van haar toestand, en deed mij zodanige vragen, dat ik het besluit om mijn mond nooit meer te openen, geheel vergat. Zij haalde alles uit mij wat God aan mijn ziel gedaan had, van dat ik eerst werd gewond, totdat de Heere mijn ketenen verbrak. En haar ziel scheen enige hoop te krijgen, dat er voor haar ook nog genade zou zijn. Het is een diepgaand werk, niet van een dag, een maand of een jaar hoewel het God beliefd heeft toe te laten dat het geheim bleef, en zij er niet van weet, dat iemand buiten mij er mee bekend is, zij heeft twee brieven aan onze nachtwacht geschreven, maar ze beide verbrand. Evenwel ging ik zo spoedig mogelijk met de tijding naar hem toe. Zij kan het niet langer buiten hem stellen. Daarna kwam het mij te binnen dat ik de palen van mijn belofte was te buiten gegaan.

Evenwel ik zo niet meer te doen. En nu moet gij weten hoe God op donderdagavond daarna, met mij handelde. Zodra de heraut zijn rede geëindigd had, kwam zij te Bethel tot mij, met zulk een gelaat als ik nimmer zal vergeten. Zij was te vol om te spreken. Mijn consciëntie zei mij, dat zij onder het alarm en de waarschuwingen van de nachtwaker dieper getroffen was dan ooit tevoren. Maar ik zei in mijn hart dat ik niet tot haar wilde spreken. Alleen vroeg ik haar of zij niet wel was, en zij ging van mij weg. Maar mijn consciëntie sloeg en beschuldigde mij zo, dat ik het niet kan beschrijven. Ik ging naar huis en naar bed, maar wat had ik een nachtverblijf! De duivel en de consciëntie maakten mij veel te doen, omdat ik mijn mond gesloten had gehouden, daar ik wist dat zij uit overeenstemming naar mij toe kwam. Ik denk dat ik wel vijftig pond had willen geven, als ik die nacht op had kunnen staan en naar haar toe gaan, maar zij woonde te ver weg. Evenwel had ik 's morgens vrijheid in mijn gemoed haar een brief te schrijven; dat deed ik, en zond die dadelijk naar haar toe. Des avonds van de feestdag kwam zij te Bethel weer bij mij met deze woorden: Ik dank u, ik dank u; ik verdien het niet, o, wat moet ik doen! Nooit kwam zo iets zo op tijd. Had ik donderdagavond tot u kunnen spreken, dan had ik u moeten zeggen, dat ik zeker verdoemd was. O dat ik één van de gekenden was! Mijn hart berstte bijna, en. ik riep tot haar: "Gij bent er één, gij bent er één van!" O. zei ze tot mij: gij zult nog van mij horen, ja, dat zult gij. Mijn ingewanden werden over haar ontroerd. Zeker, de Satan zal er het ergste aan zijn. "Gedenk des strijds, doe het niet meer." Job. 41: 8. Ik weet dat het uw hart zal verblijden, van deze arme zondares te horen. Ik geloof dat haar verlossing nabij is. Ik zie dat mijn papier vol is, en daarom kan ik u alleen! zeggen dat ik de vrede weer gevonden heb, die ik verloren had. Ik geloof dat gij weet dat ik wedergeboren ben om het u lastig te maken. Ik hoop dat gij allen gezond bent. Vriendelijk verzoek ik u zo spoedig mogelijk iets van u te laten horen. De helft van hetgeen ik wilde zeggen, heb ik nog niet gezegd. De Heere zegene u met de beste aller zegeningen. Dat bidt

Uw toegenegen zuster in de Heere Jezus

Het Koningsdal.

DE NACHTEGAAL.

 

 

9de Brief

Aan de Nachtegaal in het koningsdal, of waar ook

Uw brief kwam goed over, en heeft een beetje van de reuk der bittere kruiden, waarover ik in mijn laatste geschreven heb. Dit artikel is bij het gehele huisgezin bekend, en alleen aan hetzelve, terwijl de vreemde zich daarmee niet mengt. In mijn laatste brief toonde ik u een weinig van hetgeen u in latere dagen zou overkomen opdat gij niet zoudt denken dat u iets vreemds overkwam. En wanneer de verzoeking lang duren zou, dat gij dan niet vermoeid zou worden en bezwijken in uw ziel. Onder de oude bedeling, zoals ik vroeger aanstipte, was ieder die een nieuw huis had gebouwd, een, nieuwe wijngaard geplant, of onlangs getrouwd was, vrij om naar huis te gaan, terwijl zo iemand nergens mee belast mocht worden, en zelfs voor een geheel jaar vrij was ten oorlog te gaan. Gij bouwt nu in de tempel des Heeren en werd onlangs in de levende wijnstok overgeplant, en gehuwd aan de beste man der ziel en omtrent Kerstmis is uw jubeljaar uit. Omtrent die tijd nu, kunt gij verwachten dat er in of uitwendig de oorlogstrompet zal geblazen worden. Wanneer de overste van onze zaligheid, de jonge manschappen in het wijnhuis leidt, hangt Hij de banier der liefde over hun hoofden terwijl Hij die in hun harten ontplooit, hetgeen schijnt te betekenen dat zij zich gereed moeten maken voor het oorlogsveld, als de weldadigheid hunner jeugd geweken is. Laat mij u daarom nu aanraden uw beste geschenken zorgvuldig te bewaren. Nu bent gij nog in de audiëntiezaal en de deur der hoop is rondom u opgesteld. Zijn troon is nog toegankelijk en Hij toont Zijn liefde, terwijl al Zijn geheime verborgenheden aan het licht zijn gebracht; Zijn verborgen schatten zijn geopend en te voorschijn gebracht en Zijn hemelse rijkdommen uitgedeeld, terwijl Zijn oor, Zijn hart en hand alle geopend zijn. De bruiloftsdagen en de dagen der blijdschap uws harten blijven u nog bij, en de bruidegom is nog met u, en zegt: doe uw mond wijd open en Ik zal hem vervullen, herhalende: "Wat is uw bede en uw verzoek, en het zal u gegeven worden, zelfs, het gehele koninkrijk." Zoek nu ieder bewijs van liefde, bidt om elke genade die gij nodig hebt, en om iedere zegen en elke gift die met de zaligheid gevoegd is. Vraag in al uw gebeden om liefde, wijsheid, rechtvaardigheid en vrede, en bewaar de beloften in de kracht van Hem wiens vrijgevig hart ze u toedient, met eerbiediging van toekomstige hulp, nooddruft en bewaring, want wederom zeg ik u, gelijk ik u tevoren gezegd heb, dat "Gij zult begeren een der dagen van de Zoon des mensen te zien, en gij zult die niet zien." Indien gij deze mijn raad opvolgt, zult gij in toekomende tijden voorzien zijn van vele krachtige pleitgronden; maar als gij Zijn genadewoorden en liefdesbezoeken minacht, zou dat in toekomende tijden uw mond met twistredenen vervullen. Maar helaas! gij hebt het al te druk. Deze oogst zal zijn voorbijgegaan en uw zon aan het ondergaan; de avondschaduwen zullen zich neigen en de beproeving uws geloofs zal aankomen. De Satan zal uw geheugen beroven van al de zoete beloften die gij verkregen hebt. Hij zal op u afkomen als een engel des lichts en op al uw natuurlijke verdorven neigingen in werken die gij ooit bezeten hebt. Hij zal op uw natuurlijke hartstochten zodanige invloed uitoefenen, dat gij niet weet waar zij vandaan komen. Dan zal hij al dat goede werk anders voorstellen, u afmatten en alles in verdenking brengen; en terwijl algemene liefde invloeit, zal de allerliefste aftrekken, en dan zult gij als een jonge, wellustige verkwister neerzitten en uw eigen dwaasheid en onbescheidenheid veroordelen wijl gij deze raadgevingen niet hebt aangenomen; zolang het beproevingswerk duurt, zal er slechts een staan achter de muur en een flikkering door de tralies gevonden worden, hetgeen tot jaloezie verwekt, en over het algemeen overgaat in vlagen van bezwijking en liefdeskrankheid. Op die tijd is de lieflijkheid van het aangezicht zeer ver weg: de sieraden van een zachtmoedige en stille geest zijn bezoedeld; evangelische eenvoudigheid is verdonkerd; de ingewanden der barmhartigheid vernauwd en er is kaalheid in plaats van haarvlechten. De tamboerijn wordt een woord in het voorbijgaan; het samenspreken verliest zijn geur en de woorden hun zout. Laat mij u raden u te voorzien van een weinig hoge hopen getuigen en ook een weinig merktekenen, die gij op eenzame plaatsen opstelt; die zullen u goed doen in de tijd die te komen staat; want de velen die op u zien en uw vat en kruik ledigen, zullen u tot hoeder van hun wijngaard maken en dan zult gij spoedig belijden dat gij uw eigen wijngaard niet gehoed hebt, om datgene wat God aan onze zielen gedaan heeft open te leggen en bekend te maken is recht. De vrouw die van haar kwaal genezen was, werd voor de gehele schare gesteld om te belijden wat haar gedaan was, en het werd goedgekeurd. Wanneer wij met het hart geloven, moeten wij dat met de mond belijden, want dat wordt aangemerkt als terug te keren en God de eer te geven. Maar uw voornaamste werk moet zijn en behoorde te zijn dat gij uw roeping en verkiezing vast maakt, want dat is het goede fondament leggen voor de toekomst. wanneer ik oud en grijs zal geworden zijn, verlaat mij dan niet, o God mijns heils, zegt de Psalmist. En indien gij niets oplegt voor een toekomstige hongersnood, voor een droogte die te komen staat, of aankomende verlatingen, zult gij zeker klagen zoals anderen gedaan hebben: O, dat ik was als in de vorige maanden, toen God mij bewaarde; toen de Almachtige met mij was, toen de verberging Gods op mijn tabernakel was en mijn heerlijkheid in mij. Leg deze brief naast u en lees die over zeven jaar nog eens over en zend mij dan een lijst van de leugenachtige voorzeggingen die in het schrijven gevonden worden, van

Uw U toegenegen vriend en dienstknecht

De Woestijn.

DE STEENUIL.

 

 

10de Brief

 

Aan de Steenuil in de woestijn

Was ik volmaakt in de tale Kanaäns, dan kon ik aan uw gemoed de gevoelens van liefde en dankbaarheid meedelen, die ik in mijn hart gevoel voor U, die met weergaloze liefde mij bedeelt in het werk van het geloof en de arbeid der liefde aan mijn ziel, in de Heere Jezus. Gij zult nooit, voor dat wij te samen in de heerlijkheid zijn, weten welk een werktuig de Heere U voor mij maakt om Zijn werk in mijn ziel te bevestigen en te versterken. Evenwel ben ik daarvan verzekerd dat uw liefde op generlei wijze hare beloning zal missen. Ik geloof dat Zijner Majesteits heraut en gij alleen in deze wereld tot mijn behoeve zijn geboren. Verleden woensdag kreeg ik een brief van u, die van sommige donkere en wolkige dagen profeteerde. Ik ben er zeker van dat mijn oude mens mij een grote hoeveelheid kastijdingen van de Vader der lichten zal verschaffen. Maar, "den hongerigen is alle bitter zoet". Maar, op een afstand geleid en gehouden te worden van Hem, Die mijn ziel liefheeft moet wel een hel op aarde zijn, en ik geloof dat dit door mij nu zwaarder zal gevoeld worden, daar ik verwaardigd ben geworden met zulke uitlatingen Zijner liefde tot mijn ziel als ooit tevoren. Maar er zal ene zoetigheid in liggen als Hij zal terugkeren; want het is maar voor een klein ogenblik dat Hij zijn aanschijn zal verbergen en er zal op die tijd niets van dat bittere kruid, genaamd wrekende gerechtigheid, in zijn. Ik weet dat gij mij nooit een leugenachtige voorzegging gedaan hebt, en dat zult gij nooit doen ook, daar ben ik zeker van; want elke brief die gij mij gezonden hebt kwam onder het zegel van Gods Geest. Zij zijn kostelijk voor mijn ziel en ik acht ze van een onwaardeerbare waarde. Hun prijs gaat de robijnen te boven, en zij zijn begeerlijker dan fijn goud, ook zoeter dan honingzeem. Nu moet ik uw eerste brief loslaten, hoewel ik er veel meer van zeggen kon, ook van de uitwerking ervan op mijn gemoed. Maar van uw tweede brief heb ik heel wat meer te zeggen, dan dat ik die op zaterdagavond ontving. Zij maakte dat de slaap van mijn ogen week, en de sluimering van mijn oogleden, en ik werd er tot bet aanbreken van de dag door heen en weer geslingerd. En had ik vleugelen ener duif gehad, dan zou ik net zo vroeg te Paddington op zondagmorgen geweest zijn, als Maria aan het graf van haar dierbare Zaligmaker. De eerste bladzijde er van is voor mij een verborgenheid. Ik heb geen wijsheid om deze woorden der wijzen en hun duistere uitspraken te verstaan: "De bij die naar uw korf toekwam met haar was en honing." Dat kan ik niet uitvinden. Maar, dat gij gevoelde dat de wind uw hut deed schudden en dat gij dacht dat dit uw aankomst in het beter huis verhaasten zou, maakte mij bedroefd. Het deed mijn hart vanwege de ark Gods beven. Mijn gemoed kreeg een weinig te zien van Gods handelingen met Israël, toen Hij van plan was om Elia weg te nemen. Dit deed Hij niet voordat Hij een ander profeet in zijn plaats gezalfd had. Daar er zo weinig wachters zijn, die God op de muren van ons Sion geplaatst heeft, welke een vijand ontdekken en de uren van de nacht kunnen aangeven, hoop ik dat de Heere de plaats van onze verzamelingen niet in de hand van blinde wachters, die niet verstaan kunnen, zal overgeven, daar Hij zegt dat, "Onze leraars niet meer van ons weggevoerd zullen worden." Wat gij mij laatst in een van Uw brieven gezegd hebt, daardoor zult gij nog wat meer vijanden ontmoeten. Misschien bent gij naar gewoonte in perikelen onder de valse broederen.

Gij zegt dat velen kwaad spreken van het manna, noemende het een lichte spijze. Dit is zeker ongoddelijk geoordeeld maar zoals gij opmerkt is uw kroon zeker, omdat uw beloning bij uw God is. Maar zij die vechten tegen de waarheid, strijden tegen God. Maar ik kan u zeggen; dat de gedachte dat gij in moeilijkheid verkeerde, al de overeenstemmende krachten van mijn ziel opwekten, terwijl ik er zeker van ben dat sedert die tijd mijn gevoelens even als de uwe geweest zijn. En als het niet te veel van u geëist is, mag ik u dan uw sleutel te leen vragen, opdat ik dat slot mag openen, opdat mijn gemoed verruimd is. Ik zou u zeer verplicht zijn als gij mij die zo spoedig mogelijk deed toekomen. Nu moet ik spreken van de aangenaamheden van het andere gedeelte uit een van Uw brieven. De tweede keer dat ik die las, kan ik u niet zeggen: welk een zoete lichtstraal van Gods Geest op mijn gemoed kwam, vergezeld van ene zoete, verbrekende, vernederende gestalte die mij aan de voeten van Jezus bracht. Ik bevond dat ik de sleutel had van datgene wat mijn eigen ondervinding was. Ik kon met u tot aan het einde van uw brief meegaan. Gij hebt al de werktuigen der liefde Gods op mijn ziel te voorschijn gebracht. De uitwerkselen die het heeft en de zielvernederende gevoelens van de armen zondaar onder hetzelve; de kruisiging van hem aan de wereld die als een gevolg daarvan plaats heeft, waren in grote mate aan mij gezegend, daar het mijn gevoelens beter beschreef als ik zelf het kan doen. Ik kan met waarheid zeggen dat ik één plant geworden ben met Christus in de gelijkmaking Zijns doods en ook in de gelijkmaking Zijner opstanding. De wereld en ik komen goed overeen, ik ben aan haar gekruist en zij aan Mij, want zoals gij opmerkt heeft Jezus mijn hart, genegenheden, gedachten, begeerte, wensen en al wat onsterfelijk is ingenomen, en nu ben ik hier een vreemdeling en een bijwoner zoals al mijn vaderen in het geloof waren.

Nu heb ik lijdzaamheid nodig om deze bestemde tijd af te wachten tot mijn verandering komt. De Heere zegene u en geve u veel van Zijn tegenwoordigheid en van de verheuging in Zijn eeuwige liefde. Dat bidt,

Uw zeer oprechte en toegenegen vriendin en zuster in de banden van het evangelie van Christus

Het Koningsdal.

DE NACHTEGAAL.

 

 

 

11de Brief

 

Aan de Nachtegaal in het Koningsdal, of waar ook

Lang gewacht en eindelijk gekomen: "Die zaaien zullen oogsten." Maar ik geloof dat het bijna vier maanden was eer de verwachtte oogst kwam. Feesttijden nemen alle aandacht weg en wij weten dat het geheugen bedrieglijk is. De vrouw aan de put vergat haar watervat, Petrus praatte alles door elkaar en Paulus vergat of het in het lichaam of buiten het lichaam geschied was, toen hij opgetrokken was in het Paradijs. En geen wonder, wanneer de nieuwe wijn over het koninkrijk zo zoet invloeit dat zij de slapenden doet spreken. Maar personen die in hun slaap spreken zijn dikwijls niet te vertrouwen,. Ik ben er blij omdat mijn zuster voortgaat in de gemeenschap der verborgenheid Gods en des Vaders en van Christus.

Zij heeft gemeenschap met de Vader, en de meedeling van Zijn eeuwige liefde. Zij heeft gemeenschap met Jezus en wandelt met Hem in vrede en vereniging; en heeft gemeenschap met de Geest door de getuigenis met haar geest, en door het Abba Vader; en door de troost der gemeenschap, (door de beloften die Hij toepast) en Zijn vriendelijke hulp tegen haar zwakheden, aan de troon der genade. O, gelukkige, gelukkige zielen welke verenigd zijn met God, en, het geloof der heiligen hebben.

Hoe groot is de neerdaling van de Allerhoogste; Die Zichzelf vernedert om zulke arme stervelingen te bezoeken, om ze te omringen met de stralen en vlammen der oneindige goddelijkheid. Door Zijn gunst omringt Hij ze als met 'n schild, en verhoogt hen vol vreugde als zij Zijn overalomtegenwoordigheid gevoelen. Daar zien wij de Koning in Zijn schoonheid, en het vergelegen land. Daar schijnt het verzoende aangezicht des Vaders aller genade, voor eeuwig als wel voldaan. Het schijnt met goedkeuring, welgevallen en verlustiging, als vol van toegenegenheid, en als de bron van alle genade, goedertierenheid en vrede terwijl wij als in een duistere spiegel zien en naar hetzelfde beeld veranderd worden. Wij worden vernieuwd in kennis, en gezegend met gerechtigheid en ware heiligheid, in welk beeld het gemoed gaat van heerlijkheid tot heerlijkheid; van de heerlijkheid van een volmaaktheid tot de heerlijke ontdekking van ene andere, totdat wij al Zijn eigenschappen elkaar zien ontmoeten, in één punt samenkomen, en met elkaar overeenstemmen, in Christus Jezus onze Heere, tot eer van God in de verlossing van onze zielen. Dit, dit is de godsdienst van Jezus en Gods verborgenheid onder de heidenen. In onze genegenheden op de troon geplaatst, heeft Hij de hoogste macht in handen en daar zwaait Hij Zijn rechtvaardige scepter, en verspreidt de stralen van Zijn onsterfelijk licht uit Sion, de volkomenheid der schoonheid, verschijnt God blinkende. Al de gedachten van de arme zondaar worden in zoete gevangenschap geleid; gerustheid en vrede zijn de gezegende vruchten en uitwerkselen van Zijn heerlijke en ongestoorde regering; terwijl de arme in het stof en de bedelaar op de mesthoop, de zegeningen van Zijn troon beërven, en de bloeiende aangenaamheid van Zijn mild bestuur, en de orde ervan bewonderen. De rechtvaardigheid en onpartijdigheid van Zijn bestuur, de uivoering van Zijn wetten, en het acht geven op de waarheid van ieder gedeelte Zijner wettige regering, verblijdt hen. Dit mijn zuster is het koninkrijk Gods, en het rijk van alles overwinnende genade, dat de helse onrechtvaardige in-bezit-nemer van het hart verbant en hem doorzag in zijn donker oogmerk, waarin hij werkte, en waardoor hij de uitverkorenen lang in slavernij gehouden heeft. Andere heren hebben over ons geheerst maar door U alleen gedenken wij Uws naams. De heerlijke regering van de koning der koningen bestaat in rechtvaardigheid, vrede en blijdschap, om de hulpeloze zielen van de drievoudige regering van Satan, zonde en dood te verlossen. Maar wat wordt deze godsdienst in onze tijd weinig gekend! Hoe weinigen die de kracht kennen, waarin dit koninkrijk bestaat! En waarom zou de Oude van Dagen deze dingen aan ons openbaren en bekend maken, die als schapen zijn, zonder herder, en als het afschrapsel van de aardbodem, waar niemand naar zoekt of voor zorgt? Wij waren opgesloten in de duistere plaatsen, en in de ijzers gelegd, door beide werelden gehaat zo wij dachten, en tot eeuwige slavernij veroordeeld; van eeuwigheid verworpen, zoals ik eens geloofde, vervloekt van de baarmoeder af en gedoemd tot vernieling! Maar onze gedachten waren niet Gods gedachten. Wij mochten niet sterven voor dat wij de Christus des Heeren hadden gezien. Het gezicht was om in ons te spreken, en wij waren bestemd op Hem te zien, wie wij doorstoken hadden. Wij treurden en smolten weg in dit zielsveranderend gezicht, totdat het de goddelijke pottenbakker goed dacht om ons te vermalen en te vormen tot een ander vat dat Zijn hemelse schat zal inhouden, zonder van hoogmoed te barsten en zonder te breken en de wijn uit te laten vloeien, of het vat zelf teniet te doen. De bij, mijn zuster, met was onder haar vleugels en honing in het lijf, was uw eigen brief. Mijn zwak lichaam moet voortdurend hitte en koude doorstaan, en dat gevoel ik steeds, vooral in de wintertijd, en dat kan zo niet lang duren. De grote menigte der belijders, haat in het algemeen de kracht der godzaligheid, en wordt er in onderwezen zich tegen dezelve te wapenen, en alle overtuiging tegen te staan. Ik weet dat God bezoeking over deze dingen doen zal. Ons land is lang het dal des gezichts geweest. Maar de zon is aan het ondergaan en de avondschaduwen neigen zich; het licht wordt meest gehaat, en daarom verwachten wij de aanstoot aan de schemerende bergen. Maar laat ons "die des daags zijn, wakker en matig zijn, aangedaan hebbende het borstwapen van het geloof en der liefde, en voor een helm de hoop der zaligheid! Want God heeft ons niet gesteld tot toorn maar tot verkrijging der zaligheid die daar is in Christus Jezus, met eeuwige heerlijkheid." Nu, de eeuwige onsterfelijke, onzichtbare Koning, de Allerhoogste en eeuwige God zij, als de allerwaardigsten, alle eer en heerlijkheid macht en dankzegging, kracht, majesteit en heerschappij, beide nu en tot in eeuwigheid. Amen, ja amen zegt

Uw toegenegen broeder in de beste aller banden en in de zoetste aller boeien.

De Woestijn.

DE STEENUIL.

 

 

 

12de Brief

Aan de Steenuil in de woestijn.

Elke post die er kwam, hoopte ik, enige tijd aaneen, iets van U te mogen horen. Daarom ben ik zo vrij geweest u deze te zenden "om uw oprecht gemoed door herinnering op te wekken." Ik hoop dat als gij deze ontvangt, gij naar lichaam en ziel wel zult zijn. Ik weet dat als de ziel welvaart, het met het lichaam altijd goed gaat. Niets kan de welvaart der ziel bevorderen, als de tegenwoordigheid van de dierbare Verlosser, de vriend der zondaren, terwijl een gevoel van Zijn liefde, gekend en genoten wordt door de werking van de gezegende Geest. Dat maakt een hemel op aarde uit. Met die blijdschap heeft de Heere mij, sedert ik van Gassons-Bower kwam, meer of minder begunstigd. Ja waarlijk, Hij heeft mijn beker overvloeiende gemaakt. O, welk een liefde tot de arme verloren zoon, die al zijn goed doorgebracht had, en nu van honger verging, een stuk brood en, een droppel water missende, daar hij zijn buik niet met draf vullen kon. Nooit, vroeger noch later, gevoelde ik zulk een gebroken hart, onder het gevoel der liefde aan mijn ziel geopenbaard. Evenals Ezechiël ben ik vier maal door deze rivier der verheuging geleid. De eerste maal kwam het tot aan de enkels, de tweede maal tot mijn knieën; de volgende maal tot de lendenen; en nu geloof ik, dat ik verleden week voor de vierde maal er door gebracht ben, en ik bevond dat het een rivier zonder bodem of oever was. Dit water is in mijn ziel gekomen en ik ben er zeker van, dat ik hier nooit zal zinken, want de Heere heeft mij de handen van het geloof gegeven, zodat ik die kan uitbreiden om te zwemmen. Ik gevoel al die wondervolle werkingen die de verloren zoon gevoelde, toen zijn vader tot de dienstknecht zei: "Breng voort het beste kleed en doe het hem aan; en doe een ring aan zijn vinger en schoenen aan zijn voeten." Gevoelen doe ik het, maar dit gaat alle beschrijving te boven. Kostelijk was het, dat de Verlosser zijn ziel gaf tot een rantsoen voor mijn zonden, en Zijn kostelijk bloed uitstortte, om aan de goddelijke rechtvaardigheid, tot mijn behoud te voldoen. O, dat verbreekt mijn hart en doet mij wegzinken! Lieve broeder, help mij, Hem loven! Ik kan Hem, neen ik kan Hem niet prijzen, zoals ik wel wilde. Maar ik zal het doen, wanneer dit sterfelijke onsterfelijkheid zal hebben aangedaan. Ik zal met Zijn beeld verzadigd worden als ik zal opwaken. Ik geloof dat de Heere mij niet lang hier zal laten. Ik weet, dat noch hoogte, noch diepte, leven noch dood, tegenwoordige noch toekomende dingen mij ooit van Zijn liefde zullen scheiden. Het verblijdt mijn hart te zien dat de Heere met Zijn werk doorgaat, om de harten van vele arme zondaars onder de predikatie van Zijner Majesteits heraut, in deze donkere hoek der aarde tot Zich te trekken. Hij is een brandende en schijnende kaars. Hij staat in zijn spreekplaats als een vlammend vuur voor God. Zeker is hij de grootste zegen, die God ooit aan zulke onwaardige zondaars, als wij zijn, gaf. De wonden van Zuster Moorhen worden al dieper en dieper. Ik geloof dat zij op 's Heeren tijd in die engte zal gebracht worden, waar elke menselijke kracht vergaat, en waar niemand opgesloten of gelaten wordt. Daar is ook nog een andere arme ziel, die geen raad meer weet. Dat is de beste tijding die ik u zenden. kan. O, dat de koorden Sions verlengd mogen worden, en haar palen uitgebreid. Groet uw reizende vrienden van mij, en neem mijn dank aan voor uw versterkende brief. Hij was als koud water op een vermoeide ziel, of goede tijding uit een vergelegen land; als gouden appelen in zilveren gebeelde schalen. Ik weet dat God u zal belonen. Hij zegt, dat wanneer men iemand een beker koud water zal geven, in de naam eens discipels, hij zijn loon niet verliezen zal.

Zij die anderen bevochtigen, zullen zelf bevochtigd worden. Was dit zo niet, dan zouden, dunkt mij, de weldaden die hij aan mij bewijst, mij ellendig maken.

Ik ben er blij om, dat gij beter bent. Ik hoop dat het niet lang meer duren zal eer ik U in het dal ontmoet. Ik hoop dat gij mij spoedig met een brief zult begunstigen. Gedenk inmiddels aan mij in de gebed, opdat ik nederig, waakzaam en dicht bij de Heere mag gehouden worden. De Heere zegene u naar lichaam en ziel, in uw korf en baktrog, in uw uit- en ingaan, dat bidt

Uw zeer oprechte Vriendin en zuster in Christus Jezus

Het Koningsdal.

DE NACHTEGAAL.

 

 

 

13de Brief

Aan de Nachtegaal in het Koningsdal

Alzo zegt de Heere Heere: Ik zal ook van de opperste tak des hogen Ceders nemen, dat ik zetten zal. Van het opperste zijner jonge takjes zal Ik een tere afplukken, die Ik op een hoge en verheven berg planten zal en hij zal takken voortbrengen en vrucht dragen en hij zal tot een heerlijke Ceder worden dat onder hem wonen zullen alle gevogelte van allerlei vleugel; in de schaduw zijner takken, zullen: zij wonen." Ezech. 17: 22-23.

Deze jonge tak werd afgeplukt van het koningkijk huis van David en op de berg Sion geplant, waar de volheid van de eeuwig gezegende Godheid, die in de stam van Jesse woont, Zijn alomtegenwoordigheid en almacht in de zielen van duizenden arme zondaars ten toon spreidt; en ze met zichzelf als takken in de Ceder verenigt, in welke almachtige kracht, liefde en goedheid geopenbaard, en voortgebracht in het hart van de zondaar, de ziel voldaan en bevredigd, rust vindt. Hij bevindt en gevoelt dat Zijn schaduw een zoete beschutting is tegen de vurige pijlen van de satan en de doordringende uitspraken van een vurige wet. De Paradijsvogels zullen in de schaduwgevende takken van deze goeddoende Ceder wonen.

Zing alle zorgen weg, Nachtegaal, want onze liefste geeft psalmen in de nacht. Zing van Zijn rechterhand en uitgestrekte arm die zichzelf de overwinning over uw hart en over al uw haters verwierf. Zing van goedertierenheid en recht; van het recht dat voorbij is, en van goedertierenheid die in de plaats is gekomen. Zing van uw allerliefste aangaande Zijn wijngaard, en van uw vereniging met de levende wijnstok. Zing van Zijn heerlijke overwinning, van Zijn liefde tot in de dood, en van Zijn verzoenend bloed en Zijn heerlijkheid tot de rechtvaardigen. vreugde en blijdschap zullen daarin gevonden worden, dankzegging en een stem der spelenden; want de zangers zowel als de speellieden, zullen binnen u zijn; al mijn fonteinen zullen binnen u zijn. Hij, die Zijn getuigenis in het hart krijgt, namelijk dat wij moeten wedergeboren worden, en dat Hij die in Hem gelooft, zalig zal worden, en dat hij die Hem volgt het licht des levens hebben zal, is verzegeld; het getuigenis is met kracht, in de Heilige Geest en in veel verzekering tot zijn ziel genomen en er ingegaan. Deze verzekering is de verzegelende, bevestigende en vaststellende kracht der zekerheid en blijdschap van de ziel in het ontvangen getuigenis, en van het deel en lot dat hij heeft in al de zegeningen en weldaden, die beloofd zijn en waarvan getuigd wordt. Hij verzegelt en onderschrijft dat God waarachtig is, het bewijs daarvan en van de koop ondertekenende. "Een zal zeggen, ik ben des Heeren," want Hij heeft mij als een vang, de machtige ontrukt; "een ander zal zich noemen naar de naam Jakobs," zeggende ik heb beide het geboorterecht en de zegen verkregen; en "een ander zal zich toenoemen met de naam Israëls" en overluid uitroepen, ik heb de overhand gehad in de gebed. Ik heb op mijn liefste gezien totdat ik Hem heb overwonnen; meer dan overwinnaar zal ik zijn, over hemel en aarde door Hem die mij heeft liefgehad, want als een vorst heb ik macht bij God en de mens en heb de overhand verkregen. Dit zijn gulden dagen Nachtegaal! Geniet er nu veel van, eer de kwade dagen komen; nu terwijl de Wijsheid u leidt door al haar wonderlijke poorten sterkten en deuren, en haar heerlijke en profetische voorstellingen ten toon stelt. Hij staat op de top der hoge plaatsen, Spr. 8. Op Calvarië, op de berg Sion, en op iedere kleine heuvel in haar nabijheid; op de steilte der rotsen, op al de oude bergen, op de eeuwige heuvelen van verkiezende liefde en "aan de zijde van de weg." Hier staat zij, in al deze plaatsen der bewatering, in de verademing plaatsen, rustplaatsen, plaatsen waar men mank gaat, en plaatsen der bezwijking, om raad, bemoediging, verkwikking, woorden op zijn tijd, sterkte en troost te geven. Door dit alles gaan zij van kracht tot kracht, "als zij door het dal Baca, (het moerbeiendal) doorgaan." Hemelse regenvlagen vullen de putten: Ik zal water gieten op de dorstige en stromen op het droge; Ik zal de woestijn tot watertochten en het droge land tot springaders der wateren maken. "Zij roept aan de poorten en de inhoud van haar geroep is, "De Heere bemint de poorten Sions, meer dan alle woningen Jakobs." Doe de poorten open, opdat het rechtvaardige volk, dat de getrouwigheden bewaart, mag ingaan." "Dit is de poort des Heeren, waardoor de rechtvaardigen zullen ingaan." Hij roept aan de ingang der stad, zeggende: "Heerlijke dingen worden van u gesproken, o stad Gods!" "Gij zijt gekomen tot de berg Sions, en tot de stad des levenden Gods, het hemelse Jeruzalem, en de vele duizenden der engelen; tot de algemene vergadering en de Gemeente der eerstgeborenen, die in de hemelen opgeschreven zijn en tot God de rechter over allen en de geesten der volmaakt rechtvaardigen! en tot de Middelaar des Nieuwe Testaments, Jezus, en het bloed der besprenging dat betere dingen spreekt dan Abel." Daarom zijt gij niet meer vreemdelingen en bijwoners, maar medeburgers en huisgenoten Gods. Ziet toe, dat gij dien, die spreekt niet verwerpt." - Zij roept aan de ingang der deuren." De eerste deuren waaraan zij roept, zijn die van de schaduw des doods. "Hebt gij gezien de poorten van de schaduwen des doods? Job. 33: 17.Deze deuren zijn de bedekking en het deksel dat over alle volken verspreid is, Jes. 25: 7, en die dikke duisternis waarmee de God van deze wereld onze zinnen verblind heeft, opdat ons niet bestraalt het heerlijk licht van het evangelie van Christus en wij zalig zouden worden. Maar de wijsheid roept aan deze poorten zeggende. "Het volk dat in duisternis wandelt, zal een groot licht zien: die wonen in het land en de schaduw des doods, over dezelve zal een licht schijnen. Het licht des Heeren dringt door deze poorten, en opent ze, en het verstand ontvangt het licht, en gaat daarin voort, en als de deuren geopend zijn, beginnen wij, met ongedekt aangezicht, als in een spiegel, de heerlijkheid des Heeren te aanschouwen. 2 Kor. 3: 18. Maar hoewel het verstand verlicht is, de ziel is niet geheel verruimd: "Het licht wordt gegeven aan hem, die in ellende verkeert, en het leven aan hen die bitter van gemoed zijn." Dan leidt ons de wijsheid naar een andere poort zegt: "Daarom ziet, Ik zal ze lokken, en daarna in de woestijn leiden, en dan zal Ik naar haar hart spreken." "En Ik zal hen haar wijngaarden geven van toen af, en het dal Achors, tot ene deur der hoop," Hos. 2: 14 15. Nu komt de hoop in en de verwachting wordt groter en het geroep der Wijsheid aan deze deur is: "Welgelukzalig is de mens die op de Heere vertrouwt, wiens vertrouwen de Heere is; want hij zal zijn als een boom geplant aan de wateren, die zijn wortels uitspreidt aan de rivier; en hij zal het niet zien wanneer de hitte komt, maar zijn loof zal groen zijn en in een jaar van droogte zorgt bij niet, en zal niet ophouden van vrucht te dragen." Alzo scheurt Wijsheid het deksel, opent de poorten van de schaduw des doods en laat het verstand uit de duisternis zien, en de donkerheid opmerken. Dan verbant zij de zwarte wanhoop en opent de deur der hoop. Wanneer de hoop in de ziel komt, wordt de verwachting van betere tijden sterker. Dan leidt zij ons weer tot een andere poort, zeggende: "Zij verhaalden alles wat God door hen gedaan had, en hoe Hij de heidenen de deur van het geloof geopend had." Hand. 14: 27. De zetel of eigen plaats van het geloof is het hart. "Met het hart gelooft men ter rechtvaardigheid," enz. Verstoktheid en ongeloof zijn die deuren die het woord en het geloof buiten het hart houden, totdat een goddelijke kracht de stem der Wijsheid begeleidt. Maar zij roept aan deze poort, en haar machtige stem is: "Zo spoedig als zij van mij horen, zullen zij mij gehoorzamen." Nu, het geloof gaat in het hart door het gehoor en het gehoor door het woord Gods; dan gaat onze verstokte hardheid weg, de deur van het geloof gaat open en de rechterhand des Heeren maakt dat de nadelige pijl van het vervloekte ongeloof terug springt. De opening van deze poort ontbindt de ziel en verandert haar: Mijn liefste stak zijn hand in het gat der deur en mijn ingewanden werden ontroerd om zijnentwil." Hoogl. 4. Maar nog zijn wij niet vrijgelaten, want dit is slechts het gat van de deur. De ingewanden zijn ontroerd om Zijnentwil, maar Hij is niet gekomen in de beloofde en heerlijke openbaring van Zichzelf. Het geloof is gekomen, evenals bij de blinde man die genezen werd; maar het voorwerp van het geloof is nog niet ontdekt. "Gelooft gij in de Zoon van God? Wie is Hij, Heere opdat ik in Hem mag geloven?

En gij hebt Hem gezien, en hij is het die tot u spreekt. Heere ik geloof, en hij aanbad Hem!" - De volgende poort die de Wijsheid opent, is de deur van de sterkte van de satan, en haar stem aan deze deur is: Ik ben gezonden om de ogen der blinden te openen, om de gevangenen uit te brengen uit de gevangenis, en hen die in duisternis gezeten zijn uit het gevangenhuis." Jes. 42: 7, "Zoon, dochter, uw zonden zijn u vergeven." En dit is een algehele bevrijding. De schuld vliegt weg, het juk van onze overtredingen is verbroken, de Satan verdwijnt, vergevende liefde vloeit naar binnen, en vrees en verschrikking worden buiten geworpen; de ketenen van onze zonden zijn verbroken, de gevangeniskleding wordt ter zijde gelegd en 't bruiloftskleed aangedaan. Hij neemt de zak van ons af, en omgordt ons met vrolijkheid. - De volgende poort is de deur der genade.

Deze opent zich bijna vanzelf, zodra wij de gevangenis ontkomen. Door Jezus hebben wij de toegang met vertrouwen in deze genade in welke wij staan. En het roepen van Wijsheid aan deze deur is: Voorwaar, voorwaar zeg ik u. Ik ben de deur der schapen. Allen die voor mij gekomen zijn, zijn dieven en moordenaars, maar de schapen hebben hen niet gehoord. Ik ben de deur; zo iemand door mij ingaat, die zal behouden worden, en hij zal ingaan en uitgaan en weide vinden." Joh. 10: 7-9. Deze deur nu, die ons toelaat tot de tegenwoordigheid Gods en in vereniging brengt en gemeenschap geeft, beide met de Vader en de Zoon, is het verheffen van het licht van Gods aangezicht over ons, het geven aan ons van het licht der kennis der heerlijkheid van Zichzelf in het aangezicht van Jezus Christus, en een volle genieting van Gods eeuwige liefde door Christus die door de Heilige Geest in onze harten wordt uitgestort. Dit is de deur, want als God zijn aangezicht verbergt, wie zal Hem dan aanschouwen? en wie kan tot Hem komen, zonder door Zijn liefde getrokken te worden? En als Hij iemand in Zijn schuld en onder de toorn der wet laat, dan "sluit hij die mens op en er kan geen opening zijn." Job. 12: 14. Hieruit volgt dat men het licht van Gods aangezicht, met zijn liefde moet deelachtig zijn, eer wij in de vreugde des Heeren kunnen ingaan. - De volgende deur waaraan de Wijsheid roept is de deur der bruidskamer. "En zij, die gereed waren gingen met Hem, in, tot de bruiloft en de deur werd gesloten." Matth. 25: 10

Het geroep der Wijsheid aan deze deur zal zijn: Komt, gij gezegenden mijns Vaders, beërft het koninkrijk dat voor u bereid is, van voor de grondlegging der wereld." Deze deur zal bij de eerste opstanding, nadat de levende heiligen zullen veranderd en de doden in Christus zullen opgestaan zijn, geopend worden; daar zullen zij veilig zijn, terwijl de goddelozen, en de wereld met hen aan het vuur zullen worden overgegeven. En dit zal het laatste geroep van de Wijsheid zijn: "Uw doden zullen leven, ook mijn dood lichaam, zij zullen opstaan; ontwaakt en juicht, gij die in het stof woont, want uw dauw is als de dauw der moeskruiden, en de aarde zal haar overledenen uitwerpen. Kom, mijn volk, ga in uw binnenkameren, en sluit de deuren achter u toe; verberg u als voor een klein ogenblik, totdat de gramschap over ga. Want ziet, de Heere zal uit Zijn plaats uitgaan om de ongerechtigheid der inwoners der aarde over haar te bezoeken, en de aarde zal haar bloed ontdekken en zal haar dood geslagenen niet langer bedekt houden." Jes. 26: 19 - 21. - Nu zal de Meester zijn opgestaan en de deur gesloten hebben, wanneer op alle geklop en geroep geen acht meer zal worden gegeven, want er kan geen toelating meer zijn. - Alzo, zeer geliefde nachtegaal, heb ik getracht u iets van de paden der Wijsheid te tonen met haar verborgen poorten en deuren, voor zover ik dit kon doen, en er zelfs doorgeleid ben; en dit zal zo gaan met alle wedergeboren zielen die het Lam in de wedergeboorte volgen. Dit is een pad, dat geen roofvogel kent, en de ogen, der kraai heeft het niet gezien; de jonge hoogmoedige dieren hebben het niet betreden; der felle leeuw heeft daarover niet heen gegaan." Job. 28: 7-8. De leeuw van de bodemloze put wandelde hier nooit; ook werden er enige van zijn welpen ooit gevonden. Hiermee stemt de profeet overeen: "En daar zal een verheven baan en een weg zijn, welke de heilige weg zal genaamd worden; de onreine zal daar niet doorgaan, maar hij zal voor deze zijn; die deze weg wandelt, zelfs de dwazen zullen niet dwalen. Daar zal geen Leeuw zijn, noch geen verscheurend gedierte zal daarop komen, noch daar gevonden worden maar de verlosten zullen daarop wandelen. En de vrijgekochten des Heeren zullen wederkeren en tot Sion komen met gejuich, en eeuwige blijdschap zal op haar hoofd wezen." Jes. 35: 8-19. Velen doen hun best om dit pad te vinden, die nooit het aangezicht naar Sion hebben gekeerd, maar hun voeten stoten aan de schemerende bergen in een weg die niet opgehoogd is. "Het werk der dwazen verteert iedereen van hen, omdat zij niet weten naar de stad te gaan." Dit is de weg die de verstandige naar boven leidt, opdat hij afwijkt van de hel beneden; het is de weg ten leven, en op die weg is geen dood. De vloek en de wraak Gods, vergezelt elke andere weg. "Er is een weg dien iemand recht schijnt, maar het laatste van dien zijn wegen des doods." Zij zoeken geen vereniging met de ware wijnstok, en geven geen acht op zijn takken, en daarom is haar deel vervloekt in de aarde; hij ziet de weg der wijngaarden niet. Job. 24: 18. En wat is nu die verhoogde baan en die weg? De verhoogde baan is Christus en het geloof in Hem. Ik ben de weg, niemand komt tot de Vader dan door Mij."

Dit is de verhoogde baan. En de weg die genoemd wordt de weg der heiligheid, is het volgen van Christus in de wedergeboorte; want zulken zullen met Hem zitten op Zijn troon. Alzo, nachtegaal heb ik u geleid in de weg die ik van nature niet kende en in een pad, dat niet gekend wordt en niet gekend kan worden door alle onwedergeboren mensen totdat God voor hen de duisternis tot licht en het kromme recht maakt. Op alle andere paden mag de huichelaar zowel als de heilige wandelen. Maar geen leeuw of leeuwenwelp, geen felle leeuw of verscheurend dier, geen onrein schepsel, geen afvallige, geen ketter of huichelaar heb ik ooit op die weg ontmoet of gevonden. De weg der wedergeboorte is door al deze nooit betreden of bezocht. Ik zou u dus raden dat gij enige hoge hopen maakt en wat merktekenen stelt opdat zij u in de toekomende tijd van nut mogen zijn. Maar niets van dit alles kan tegenwoordig verwacht worden, want aan de poorten en deuren der Wijsheid wordt niet alleen haar hemelse stem gehoord en gevoeld, maar allerlei vruchten, nieuwe en oude, zijn aan deze poorten voor Zijn allerliefste weggelegd. Hoogl. 7: 13. Hierdoor ontstaat de aangenaamheid der wegen, de verrukkende stem en de heerlijke vrucht die alle aandacht tot zich trekt zodat alles wat men anders zegt, tevergeefs is. Daarom, Nachtegaal, zing maar, want dat ik aan de opperste zangeres deze gezonden heb is om uw hart nog zoeter gestemd te maken en u enige nieuwe zanglust op mijn tiensnarig instrument te geven.

De Woestijn.

DE STEENUIL.

 

 

14de Brief

Aan de Steenuil in de woestijn

Daar uw schrijven mij berichtte dat de bij in uw korf kwam met was aan zijn poten en honing in het lijf, bemoedigde mij om weer tot u te komen. Uw laatste brief was mij zeer kostelijk! heerlijk wedervaren! want waarlijk hij heeft mijn ziel zo verlevendigd, dat ik op niets anders teren kan; heb daarom medelijden met mij en ga steeds voort met mij te helpen, want zeker, dan zult gij ondervinden dat de woorden van de wijze man "Daar is een die uitstrooit, dewelke meer toegedaan zal worden," waarheid zijn. Let er op dat er deze week geen opgaan naar Bethel kan plaats hebben. Onze wachter is in een hoek gezet, zodat wij hem noch zien noch horen kunnen. De Heere zegene zijn bezoek, en geve dat hij spoedig mag terugkeren, en tot ons komen met al de volheid der zegeningen des Evangelies van Christus. Ik heb uw laatste brief tweemaal overgelezen en kreeg een tweede weldaad.

Ik geloof dat ik zolang als ik op deze aarde zal zijn, er nooit mee gedaan zal krijgen. Van sommige der verborgenheden had ik de sleutel voordat zij tot mij kwamen, anders had ik het raadsel nooit uitgevonden. Mijn ziel werd zoetelijk in de bevinding en blijdschap van deze waarheden geleid, dat mijn ziel zo vernederde en vertederde, dat het mij opnieuw aan deze zondige wereld kruisigde, zodat ik er niet geschikt voor ben er in te leven. Ik ben bijna ongevoelig voor alles wat er in is, en tussenbeide weet ik nauwelijks wat ik doen moet of waar ik ben. Dit heeft mij enig licht gegeven in de woorden van onze gezegende Zaligmaker, toen Hij voor de ingang in Zijn lijden tot de Vader bad. Voor Zijn discipelen biddende, zegt Hij: Gij zijn niet van deze wereld, gelijkerwijs Ik van deze wereld niet ben." Ik kan niet anders denken, of gij bent laatst ene Sabbatsreis in enig deel van het beloofde land geweest, en bent er tot het dal Eskol ingegaan, want wat gij mij gezonden hebt schijnt mij toe, één van de vroeg rijpe vruchten, een allerkostelijkste tros te zijn. Die tros kon niet door één man gedragen worden, maar hij werd op een stok gehangen, en zo met hun tweeën gedragen. Het was een van de allerkostelijkste aller zegeningen, niet minder dan een onderpand der gehele erfenis. O, was ik maar bij u om u te vertellen wat ik nu geniet., terwijl de heraut van de koning bij u is. Maar dat is onmogelijk! Vrouwen en moeders moeten thuis blijvers zijn. Maar de uit de hemel geboren ziel kan niet worden beperkt. Hoewel uit het lichaam uitwonende, ben ik naar de geest tegenwoordig, en had ik vleugelen ener duif, dan zou niets ter wereld mijn vlucht beletten, naar de Woestijn. Ik weet nu bij gezegende ondervinding dat niets dan een gevoel van de liefde van Jezus tot in de dood een hoogmoedig hart kan verootmoedigen, en de weerspannige geest van een zondaar verzachten, om hem aan 's Heeren voeten te brengen, en daarvan ben ik een levende getuige. Dit zal de meest verharde, opstandige en wanhopende ellendeling, die ooit op aarde leefde, zich doen onderwerpen, en dit zal dan ook tot in alle eeuwigheid mij verwonderen, en mijn bewondering zijn. O, was ik maar boven, opdat ik Hem, die de verlossing mijns aangezichts en mijn God is, mocht loven en prijzen. Wat verlang ik er naar mij te voegen bij die honderd vier en veertig duizend, de lof zingende van Hem die ons heeft lief gehad, verlost en gewassen van onze zonden in Zijn eigen bloed. Zeker zal dan mijn stem het luidst onder hen gehoord worden. Mijn ziel dankt u voor hetgeen ik deze week van u mocht ontvangen. Ik heb inderdaad feest gevierd. Dat u een volle beloning mag geschonken worden door uw Vader en mijn Vader, uw God en mijn God! Mijn ziel heeft inderdaad een zoete schuilplaats tegen de winderige storm en het onweder gevonden. Ik bevind dat als de schaduw van een zware rotssteen in een dorstig land. Mijn ziel herinnert zich nog steeds de alsem en de gal, die bitter genoeg voor mijn ziel waren. Maar dat alles is voorbijgegaan, terwijl mijn ziel de wrekende gerechtigheid van nu aan tot in eeuwigheid nooit meer gevoelen zal. Wat was het een verwondering wekkende liefde, dat de Heere zulk een opstandeling als ik was, voorbijgaande, toen ik nog in mijn bloed was, tot mij zei, Leef. ja, Hij heeft zijn kleed over mij uitgebreid en in dat gezegend kleed zal ik in de grote dag, zonder vlek of rimpel of iets dergelijks, voor Hem verschijnen; en hoewel ik zo zwart was als de tenten van Kedar, zal ik zo wit zijn als de gordijnen van Salomo. Zoals gij terecht opmerkt, was het wenselijk dat wij altijd zonder stoornis op de berg mochten wonen: maar, helaas! wij moeten naar beneden, van de berg afkomen. Maar ik ben, evenals Petrus, ervoor, de Heere tegen te houden, en een tabernakel te bouwen, opdat Hij bij mij mag blijven, totdat Hij mij in het opperste en beste huis zal opnemen.

Wat de Heere met mij doen zal, weet ik niet, en wat verder mijn weg zal zijn, daaromtrent ben ik in het duister. Gij vertrouwt dat Hij mij voor het slagveld gereed maakt. Moet ik er in onderwezen worden, zwarigheid te verdragen, als een goed krijgsman van Jezus Christus! de wereld, het vlees en de duivel zijn, dat weet ik, tegen mij; maar dat weet ik ook, dat ik alles vermag door Christus die mij kracht geeft. Evenwel tegenwoordig schijnt het als had ik geen vijanden, want de Heere heeft de verdorvenheden mijns harten, als ook de Satan, zo stil als een steen gemaakt.

Hij houdt zoet gemeenschap met mijn ziel, hetgeen mij tot in het stof toe doet bukken, en ik gevoel zulk een vertedering van het hart, als waarvan ik vroeger nooit geweten had, en daartoe hebben uw twee laatste brieven niet weinig medegewerkt. De wonderlijke poorten en wijken, waardoor de Wijsheid mijn ziel heen leidt, zijn sommige der geheimen, die met hem zijn, in wier hart Hij zijn vrees gelegd heeft. "Ik" zegt de Wijsheid, "doe wandelen in de weg der gerechtigheid," in het midden van de paden des rechts, opdat ik mijn liefhebbers doe beërven dat bestendig is; en Ik zal haar schatkamers vervullen." Ik geloof dat datgene waarin ik mij nu verblijd, iets van dat bestendige, van dat Sabbathdags deel is, waarvan gij mij in mijn droom zei, dat ik mij daarin verblijden zou. Zeker, de Heere onderwijst nu, zowel als in de dagen vanouds, door dromen en nachtgezichten. "Wanneer een diepe slaap op de lieden valt, verzegelt Hij hun onderwijzing." Zeker, van die waarheid ben ik getuige.

Wij verwachten dat wij u eerder zouden ontmoet hebben. Maar de Heere weet best wanneer Hij u zenden moet.

Ik hoop dat, wanneer gij komt, het met goede tijding uit een ver land zal zijn, en het één der dagen van de Zoon des mensen voor ons zal maken. Ik denk dat het niet nodig zal zijn u te zeggen dat ik gelukkig zal zijn als ik weer van u mag horen. Ik heb een jong verborgen persoon bij mij, die door u wenst herdacht te worden.

Zij wenst u de blijdschap van iedere geestelijke zegening.

Zij is iemand die wacht op de beroering van het badwater, om van haar geestelijke ongemakken genezen te worden. Onze kleine zuster, die nog geen borsten heeft, is zeer onpasselijk. Ik geloof dat zij zeer graag een brief van u zou ontvangen. Groet Vader G...n, hartelijk van mij. Ik hoop dat hij het niet kwalijk zal nemen, dat ik zo vrij ben geweest aan hem te schrijven. Nu moet ik eindigen, u iedere weldaad uit het beste verbond toewensende en dat gij veel van de tegenwoordigheid des Heeren, mag genieten. Dat bidt

De Uwe, in oprechte toegenegenheid.

Het Koningsdal.

DE NACHTEGAAL.

 

 

15de Brief

Aan de Nachtegaal in het Koningsdal.

De brief van mijn lieve zuster, is aangekomen, met al zijn goede tijdingenen de beschouwingen van goede tijding uit een vergelegen land. De nacht is bij u niet alleen ver verlopen, maar geheel voorbij gegaan, en gij wordt alleen door de aangebroken morgenstond uit de hoogte bezocht. De woestijn heeft zijn lentetijd en de wildernis bloeit als een roos. Er is nu niets anders dan honig uit de raat, wijn van de tros en melk uit de borst. De oude mens is met Christus gekruist, ja dood en begraven, en het lichaam der zonde teniet gedaan en het is uit met hetzelve. De Satan, die de macht des doods had is ook weg, want Christus heeft over hem aan het kruis getriomfeerd zodat van die kant ook geen kwaad kan verwacht worden. Zelfverloochening, een dagelijks kruis, de oven der verdrukking en de vorige beproeving van het geloof zijn alle uit het gericht en uit het gemoed, en noch begeerd noch verwacht. - Gij doet mij weten dat gij graag op die berg zou blijven. Maar ik moet bekennen, dat het mij een wonder is, dat gij er niet reeds afgekomen bent. Het geloof moet beproefd worden, voor dat het bevonden wordt tot prijs, heerlijkheid en eer, bij de verschijning van Jezus Christus. Kunt gij roemen in uw zwakheden? Kunt gij een welbehagen hebben in smaadheden, in noden, in vervolgingen, in droefenissen. om Christus wil? De nuttigste krijgslieden in een leger zijn zeker de jonge rekruten, die al wat zij hebben, uit moeten geven; en de bruikbaarste kinderen in een huisgezin, behoren zij te zijn, die aan de borst liggen. Zulke krijgslieden dienen alleen om de monsterrol aan te vullen; en zulke kinderen zijn alleen goed om het huisgezin te vermeerderen en anders deugen zij nergens voor, God heeft de dag des voorspoeds tegenover de dag des tegenspoeds gezet. Maar uw kwade dagen komen niet.

De reden van mijn lang stilzwijgen is uw lange voorspoed.

Ik mag een medehelper van Uw blijdschap zijn; maar het vertroosten der treurigen is groter bewijs van liefde. Het is mijn gewoonte niet, de liefdesnaren van een hart dat steeds met gejuich vervuld is, te stemmen. Behalve dat zijn er maar weinige in dit gedeelte der aarde, die men met gezang moet opheffen, dan hen die bezwaard van hart zijn; terwijl veel gejuich voor zulken gemaakt hem tot jaloersheid mag verwekken en zij uw geluk benijden, en door de duivel en het ongeloof er toe gebracht worden, hun hard lot te verwensen, tenzij gij er een weinig verstand bij gebruiken kunt, dat wil zeggen, uw blijdschap een weinig voor u houden als de omstandigheden het vereisen. Houdt u zwak bij de zwakken, en als gebonden bij hen die onder de wet zijn. - Ik heb eens een jongeling gekend die drie of vier jaar lang zijn vertroostingen behield, en niets anders dan blijdschap en geluk scheen te hebben. In die tijd had ik zelden iets anders dan aanvechtingen, wettische banden, vervolging, honger, koude en naaktheid.

Ik heb dikwijls zijn geluk benijd, verlangde er naar gekoesterd te worden, evenals hij en vervloekte mijn hard lot en kwade dagen. Maar hij veranderde en werd een ellendige afvallige, en toen hij zijn maal vervuld had, kwam hij in het midden zijner dagen aan zijn einde. Ik wacht er op om te zien wat soort van zuigeling gij nog worden zult: een die altijd melk nodig heeft, zijnde onverstandig in het woord der gerechtigheid, of één van volle ouderdom, die door het gebruik hun zinnen geoefend hebben, tot onderscheiding beide des goeds en des kwaads, en alzo op vaste spijze leven. Toen het God behaagde zijn Zoon in mij te openbaren, met al zijn verlossende weldaden; toen vergeving, rechtvaardigmaking en aanneming tegelijk invloeide, en volmaakte vrijheid werd geopenbaard, zag Ik op Hem dien ik doorstoken had en. rouwklaagde niet om Hem, want ik had Hem gekregen, maar over Hem, als ik aan zijn vreselijk lijden dacht ten behoeve van zulk een onwaardige ellendeling als ik mij bevond. Zijn liefde tot in de dood deed mij wegsmelten; zijn vertroostingen vervulden mij met heilig misnoegen; ik verblijdde mij in zijn zaligheid, maar weende de ganse dag over mijn lijdende Zaligmaker.

Mijn onwaardigheid deed mij blij zijn tedere goedertierenheid omtrent mij terzijde stellen, en ik kroop voor Hem weg, om het licht te ontgaan. Maar hij drukte zijn liefde in mij, en vervolgde mij, en bracht er mij toe vrijheid en gemeenzaamheid met Hem te oefenen. Dit heerlijk gezicht, met zijn gezegende uitwerkselen, duurde, uitgenomen enkele verduisteringen, bijna twaalf maanden. Alle boosheid van mijn hart was geheel voor mij verborgen, terwijl de beloften als bijenzwermen in mijn ziel kwamen, en als zij in mijn hart kwamen, ontlastten zij daar hun rijke, gezegende voorraad en dat met kracht, liefde en vertroosting. Terzelfder tijd verklaarde de Geest hun bedoeling en paste hun zegeningen aan mijn hart toe. Ik zoog de borsten van deze vertroostingen, ja, ik zoog ze uit en was voldaan, en verkwikt door de overvloed van Sions heerlijkheid. Ik werd op de knieën getroeteld, en op de zijde gedragen en als één die in zijn moeder troost, zo vertroostte mijn God en Zaligmaker mij. Ik werd vertroost in Jeruzalem, want ik had een open gezicht van die wonderlijke stad, en dat wel enige uren lang, op klaarlichte dag. Dit geopenbaarde gezicht verwijdde mijn hart en breidde mijn kennis uit, terwijl mijn inwendige vertroostingen stegen, zodat mijn ziel wegsmolt in liefde, dankbaarheid, teerheid, verootmoediging, verbrokenheid en goddelijke droefheid, de gehele dag. Ik verfoeide mijzelf in stof en as, en dacht dat ik mij nooit genoeg op mijzelf wreken kon vanwege mijn voorgaande dwaasheid, nooit klein genoeg in eigen ogen kon zijn, en nooit dankbaar genoeg aan de koning der koningen en de Heere der heren. Dit duurde, zoals ik boven gezegd heb bijna een geheel jaar, zonder veel verandering. In deze toestand zijnde was ik wondervol verzekerd, en verwachtte dagelijks dat ik rijp zou zijn voor de heerlijkheid, en dat ik spoedig opgeroepen zou worden voor de andere wereld, en daar verlangde ik naar. Weinig dacht ik er toen aan, dat deze vertroostingen zouden verwisseld worden met geestelijke verlatingen, de doordringende duistere blikken en bezwarende handelingen van de hemel en de vreselijke aanvallen van de satan. Ik had in mijn onuitsprekelijke blijdschap beide de duivel en de zonde geminacht. Het zoogkind heeft in het hol van de adder gespeeld, maar het is het gespeende kind dat zijn hand in het hol van de basiliskus zal steken. Ik zei in mijn voorspoed, Zeker, ik zal niet wankelen, want gij, Heere, had mijn berg vastgesteld door Uw goedgunstigheid." Nadat bovengenoemde gestalte was overgegaan, begonnen mijn verdorvenheden het hoofd weer op te steken, zodat ik ze weer zag. Johannes kon op het gezicht van het beest met zeven hoofden en tien horens niet meer verschrikt zijn dan ik was op de verschijning van die zonden. Ik riep sterk tot God, en zij gingen alle weer weg, en buiten mijn gezicht. Spoedig daarop kwamen zij weer, ik bad en al die kleine vossen die de wijngaard verderven, slopen weg naar hun holen. Maar spoedig daarna verschenen zij verschrikkelijker, eerst de één en toen de ander, en voordat ik er één door het gebed weg kon krijgen, kwamen er wel tien te voorschijn, zodat ik er aan wanhoopte deze oude bewoners van het land ooit uitgedreven te zien. Nu vloden mijn vertroostingen weg, de Heere verliet mij en de Satan kwam in het gezicht en toonde mij aan hoe heilig een waar gelovig was, en hoezeer ik daarvan verschilde, namelijk van dat gelukkige aantal. Hij wierp mij zulke teksten als deze in: "Die uit God geboren is, zondigt niet." "Zij doen de ongerechtigheid niet, zij wandelen in zijn wet," enz. Ik werd ook met deze bestrijding aangevallen, namelijk dat ik gewis tegen de Heilige Geest gezondigd had. Dit deed mijn lendenen waggelen. Ik wierp al mijn vertrouwen weg het speet mij dat ik zo vermetel was geweest om Christus als de mijne te beschouwen, en verwierp zo ver als het ongeloof maar gaan kon, alle gedachten dat ik enig deel of lot zou hebben in de grote verlossing van Christus. Toen keerde de Heere terug met dubbele liefde en drievoudige heerlijkheid, verlevendigde al het werk weer en bracht het weer tot licht, mij er toe leidende om geestelijke zaken met geestelijke te vergelijken. Zijn werk van binnen, met het woord der belofte uitwendig en wat ik in Zijn boek las bevond ik dat in mijn hart gegraveerd was en het scheen mij toe dat ik bevestigd was als de eeuwige heuvelen. Nu moet ik mijn vriendin verhalen hoe die beproeving over mij kwam. Ik had enige tijd zulke schriftuurplaatsen als deze overdacht. "Gij zult van allen gehaat worden om mijnentwil." "Door vele verdrukkingen moeten wij in het koninkrijk Gods ingaan." "Ik heb u beproefd in de smeltkroes der ellende." "Die achter mij wil komen, neme zijn kruis op en volge mij." Ik wist dat ik geen van deze oefeningen had en besloot daaruit dat het niet recht met mij was: dat ik mij niet in de voetstappen der schapen bevond, en vrezende dat ik de beloofde rust niet deelachtig zou worden en dat er iets aan mijn geloof, waaraan de zaligheid verbonden is ontbrak, verlangde ik heimelijk naar verzoekingen en beproevingen namelijk naar zulke die op de weg naar het koninkrijk gevonden werden, waarop de bovengemelde verlating spoedig volgde.

Maar na de bovengemelde verlevendiging van het werk scheen mijn berg zo vast te staan, dat ik even als tevoren dacht dat hij nooit meer zou bewogen worden. Maar spoedig daarop volgde een andere verlating, vergezeld van toorn, bitterheid der ziel, wettische dienstbaarheid en onverdraaglijke hardheid van het hart. Door deze werd een vreemd vuur ontstoken, dat ik tevoren nooit gevoeld had, en dat was geestelijke jaloersheid; dit wekte de allerbitterste opstand op en legde mij open voor de wrede aanvallen van de satan. Dat alles kwam mij tegelijk over. Deze droevige aaneenschakeling van ellenden drukte mij zo neer, en terstond mijn geesten zozeer, dat ik genoodzaakt werd mijn wettig beroep te laten varen en in de velden en wouden om te dolen. Eindelijk kwam de Heere weer, zoals tevoren, en bracht het gehele werk aan mijn ziel weer tot licht. Ik vervloekte mijn dwaasheid van gehoor te geven aan de Satan en het ongeloof en dat ik de trouw en waarheid van Jehovah had verdacht, daar deze toch onveranderlijk is. Heimelijk verlangde ik naar een andere strijd met de duivel, niet twijfelende of ik zou mij dan als een man gedragen. Maar zodra de volgende aanval kwam, keerde ik mij om op de dag van de strijd hoewel ik geharnast was en een boog droeg, want de duivel zijn verzoekingen veranderende, viel mij van die zijde aan waar ik het zekerst was. Daarom scheen het mij toe dat mij iets vreemds overkomen was. In deze weg bleef ik enige maanden, op en neergaande in de weegschaal des heiligdoms. In dit strijdperk leerde ik ene les en die was, dat 's Heeren kracht in onze zwakheid volbracht wordt. Want wanneer ik al mijn moed bijeenvergaderd en opgebonden had stond ik in het geheel niet, maar viel zodra de eerste pijl mij bereikte; maar wanneer ik vreesde en beefde, en sterk tot mijn God en Zaligmaker riep, versterkte Hij de zwakken tegen de sterken, zodat de zwakke juist tot de sterke gekomen is. Ik ben in zulke tijden in staat gesteld geweest, om een goed krijgsknecht van Jezus Christus te zijn. Ik heb de duivel uitgetart om zijn onzinnigheid en lastering; ik heb hem vervloekt en geslagen in de naam des levenden Gods. Ik zei hem dat hij vervloekt was en zijn straf zeker over hem komen zou, en dat mijn ogen het zouden zien, en hij kon het niet ontkennen noch er iets tegen inbrengen. Echter, deze voortdurende verwisselingen de ene dag aan de deuren van de hemel, en de andere in de buik der hel, bracht mij er toe te denken dat het God niet behaagde dat ik zo onverzadigbaar naar troost verlangde, omdat ik bemerkte dat mijn blijdschap steeds korter werd, en mijn bittere tijden meer en meer werden verlengd. De dag van voorspoed duurde maar een uur en de dag des tegenspoeds duurde wel een maand. Mijn hart wel met zijn bitterheid bekend en de vreemde vermengde zich niet met mijn blijdschap. Daarom wenst ik heimelijk dat mijn voet op een effen baan stond. Maar moet ik u al de schaamte ontdekken? Welnu dan.

Ik dacht in mijn hart en sprak met mijn lippen de volgende tegenstrevigheid uit: "Ik geloof dat de Heere mij mijn vertroostingen misgunt, anders zou Hij het nooit toelaten dat de duivel mij zo bespringt als zij weggegaan zijn; ik zou liever zonder hen zijn dan zo voortgaan." En de Heere hield mij bij mijn woord; want de zoete borst der vertroosting was tot mijn groot verdriet en niet geringe doding onmiddellijk opgedroogd. En ik bevond het juist zoals de evangelische Profeet het zegt: "Wie zal hij de kennis leren? en wie zal Hij het gehoorde geven te verstaan? de gespeenden van de melk de afgetrokkenen van de borsten. Want het is gebod op gebod, regel op regel, hier een weinig en daar een weinig? Jes. 28: 9-10. Toen de borst was opgedroogd doorzocht ik nacht en dag de Schrift, om te zien welke zekerheid ik er uit kon verkrijgen, welke bevestiging en vastheid het woord van God verschafte. Ik vergeleek zijn werk aan mijn ziel met Zijn woord, waar Hij belooft een nieuw verbond met ons te maken, de zonden te vergeven, ons een nieuw hart te schenken enz. en ik bevond dat het werk echt was en dat het de proef van iedere tekst doorstaan kon, uitgenomen zulke als deze: "Die uit God geboren is zondigt niet."

Zij doen de ongerechtigheid niet, zij wandelen in zijn wegen." Ps. 119: 3. Deze kon ik niet uitvinden, want zij schenen niets minder dan volmaaktheid aan te duiden. Ik struikelde er dikwijls over en waren dus voor mij droevige struikelblokken.

Evenwel beschouwde ik de besluiten en de voornemens Gods. Zijn verbond, Zijn beloften, getrouwheid en waarheid, de onveranderlijkheid Zijner natuur, Christus’ volbrachte werk, de eden Gods, het werk des Geestes en Zijn getrouwheid jegens zijn kinderen gedurende de loop der eeuwen; en nu kreeg ik meer licht en vergaderde langs deze weg meer sterkte. De gezegende Geest, die tevoren mijn vertrooster was, was mij nu een Geest der openbaring en der kennis, en al mijn honing en melk verloren hebbende, leefde ik nu bij vaste spijze: de borst was weggenomen en nu werd mijn voedsel kennis en wetenschap. Vroeger was ik gegroeid in genade, maar nu groeide ik in kennis, terwijl mijn gemoed steeds in hemelse overdenking was over de heerlijke waarheden van het evangelie.. Maar dit verschafte mijn hart niet dat voedsel die warmte en hemelse zoetigheid, die ik door het andere genoot.

Ik zat dikwijls neer en overdacht de dagen vanouds toen "de bezoekingen Gods mijn geest bewaarden, toen zijn heerlijkheid gedurig op mij was, en de dauw alle avonden op mijn dak lag; en ik weende, zuchtte, jammerde en hijgde naar de melk en honig.

Maar de Heilige Geest werkte op zulke tijden onderwerping en gelatenheid in mij ten opzichte van de wil van God en verkondigde aan mijn gemoed dat wanneer ik mijn loopbaan zou geëindigd hebben, mijn hart met die zoete gestalte zou vervuld zijn, en dat voor eeuwig; dit deed mij naar de dood verlangen. Op zulke tijden gedroeg ik mij en stelde mij gerust als een gespeend kind bij zijn moeder; mijn ziel was als een gespeend kind. Ps. 131: 2. In die tijd werkte ik in de steenkolenschuit, honger, koude en bijna naaktheid lijden, behalve de strijd van binnen, de vervolgingen van buiten, en het verlies van datgene dat mij dierbaarder was dan het leven. Het behaagde God medelijden met mij te hebben, en mij weer te bezoeken.

Ik had een oude lorrenkamer, en daar een trok ik mij terug als mijn last te zwaar voor mij was om te dragen, en zo zeker als ik deze plaats betrad, zo zeker bezocht mij dan de Heere aller heren.

Dan kwam Hij neer als de regen op het nagras en als regenstromen die de aarde bevochtigen, zodat ik het niet anders vergelijken kon, als met het ingaan in het heilige der heiligen, zoals ik daarvan wel eens gelezen had wanneer de Heere het huis met de heerlijkheid des Heeren vervulde. O, wat een vernedering voor de Allerhoogste om zo laag af te dalen, dat Hij acht geeft op zulke wormen in het stof! - Na vele van deze zielsverlevendigende, en zielsbevechtigende bezoeken, kwamen de verzoekingen, die eigen zijn aan de bediening des woords, weer op, vergezeld van wettische dienstbaarheid, en verschillende aanvechtingen en opstand; en ik was omringd door allerlei soort van ketters totdat ik, even als de vrouw die door de Zaligmaker genezen werd, verscheidene jaren krom gebogen daar heen ging, zodat ik door onrust, wezenlijke behoefte en zware arbeid aan de rand des grafs was gekomen en naar de dood verlangde, maar hij kwam niet. Ten laatste behaagde het God, mijn jeugd te vernieuwen als eens arends, en hij voorzag mij van tijdelijke behoeften, rustte mij toe met waarheid en sterkte, gaf mij een grote begeerte om nuttig te zijn, en liet mij spoedig zien, dat ik niet tevergeefs arbeidde. Dit werd nu mijn spijze; het was mijn eten en drinken Zijn wil te doen en te zien dat Zijn werk voorspoedig was. Dit bracht er mij toe om met mijn God steeds in vrede en eenswillendheid te wandelen en hulp van God verkregen hebbende, sta ik tot op deze dag. Alzo hebben even als bij Delila uw drie achter elkaar gezonden brieven, het geheim uit mijn hart gehaald. En nu, wat is dit alles? Wel, de goddelijke kracht was in een lok mensenhaar: of, om naar het nieuwe Testament te spreken, het is Gods kracht die in zwakheid volbracht wordt. Vaarwel. Ik moet aan het werk, maar ik kan niet nalaten mij te onderschrijven,

Voor altijd de Uwe

De Woestijn.

DE STEENUIL.

 

 

16de Brief

Aan de Steenuil in de woestijn.

Ik heb uw zeer te waarderen brief in orde, ontvangen en ik hoop dat gij het mij niet kwalijk zult nemen dat ik u niet eerder van de ontvangst ervan in kennis gesteld heb. Ik voorzeker u dat dit niet uit gebrek aan toegenegenheid, maar uit tijdgebrek geschied is. Mijn handen zijn veel bezig geweest in het zieken verplegen en dat is voor mij een droevige beproeving. De Heere heeft mijn lieve kleine jongen met een ongesteldheid bezocht. Wij vreesden dat die noodlottig voor hem zou zijn. En onder die beproeving deden de Kanaänieten, die als doornen in mijn zijde in het land overgebleven zijn, mij zeer streng hun macht gevoelen, bijgestaan in hun familiekring door de Satan, die aan hun hoofd verscheen, en zulk een indruk op mij maakte, dat mijn geest er zeer door verontrust werd. De opstand werd er door in mijn hart opgewekt, terwijl er harde gedachten van God volgden. Ik kon het kind niet overgeven en de Satan wierp mij zulke dingen in aangaande de eeuwige staat van de jongen als hij stierf onder de vloek van Gods rechtvaardige wet, dat ik die, naar ik geloof nooit uit de deuren van mijn lippen zal laten komen. Maar dat verzeker ik u, dat zij het hart vaneen reten, en hoewel ik het kind niet kon overgeven, beefde ik op de gedachte, voor zijn leven te bidden. Ik was buiten mate bedrukt; ik kon alleen tot de Heere zeggen: "Gij kent mijn hart, wat ik van nature ben, en dat er door mij nooit anders dan deze schrale onkruiden zullen voortgebracht worden tenzij het U behaagt door Uw Geest in mij die onderwerping en overgave te werken aan Uw wil, dat Gij verheerlijkt wordt. De Heere hielp het kind, en heeft het ons wedergegeven. Maar onderwerping en overgave. werden niet in mijn hart gevonden. Zijn Excellentie zond mij uw brief, waarvan gij gezegd had, dat hij die bij zich houden moest, met het volgende adres er op: "Aan hare Majesteit de koningin der bedelaars, duizend pond waard." Maar toen ik de inhoud gelezen had, werd ik genoopt de waarde te vergroten, want ik bevond zijn prijs ver boven de robijnen. Ik dank er u vriendelijk voor. Ik dacht aan een oud spreekwoord namelijk "Te voren gewaarschuwd is tevoren gewapend." - Ik denk dat mij maar weinig in de weg der verzoeking kan overkomen buiten datgene wat gij mij reeds getoond hebt. Gij schijnt het grondig te weten als gij denkt dat ik voor diegenen, wier blijdschap het God niet behaagt zo hoog als de mijne te doen rijzen, een struikelblok zal zijn. Inderdaad, het is waar dat sommige mij benijden, terwijl anderen met jaloersheid vervuld zijn. Maar nijd en jaloezie schijnen mij toe twee verschillende zaken te zijn. Waar het laatstgenoemde werkzaam is, denk ik, dat het onder God een middel kan zijn om het dezelfde zegeningen deelachtig te doen worden. Deze zullen niet verblijd zijn, wanneer ik in de laagte gebracht wordt, maar zij zullen de eerste zijn om mij te helpen door hun gebeden, opdat ik weer opgeheven mag worden. Maar wat de nijd aangaat, niets zou deze meer genot verschaffen, dan mij neergebogen te zien. Maar dat zal hen in hun eigen zielen niets toebrengen. Tot het eerste gaat mijn gehele hart en ziel uit, maar met het laatstgenoemde gevoel ik geen vereniging. - Iets in uw brief verwonderde mij in grote mate, en dat is, te moeten denken dat gij, na tien maanden lang in zulk een aangename weg geleid te zijn, onder zulke openbaringen van goddelijke liefde, weer in zulk een duisternis gebracht werd, twijfelde of het werk aan uw ziel wel waarheid was. Had gij het niet verhaald als door uzelf ondervonden, dan zou ik er aan getwijfeld hebben. Maar, heeft God zo met u gehandeld, hoe zal ik het dan ontkomen. Maar het is zulk een kwaden dag, dat ik die wel ver van mij zou wensen.

Als zulk een tijd mij ooft overkomt, dan denk ik dat ik ondervinden zal, dat uw brief mij van groot nut zou zijn. Maar ik zou nooit gedacht hebben, dat mij ooit iets dergelijks zou overkomen. Om zeker te zijn, schijnt mijn berg tegenwoordig vast te staan; de plaats van mijn verdediging is de sterkte der steenrots en God is waarlijk zeer goed voor mij, want ik heb geen enkele dag in ware duisternis verkeerd, sedert wij elkaar te Gassons Bower ontmoet hebben, waar de Heere mij onderweg ontmoette evenals de discipelen op hun dagreis naar Emmaüs. Gisteren ontmoette ik zijne Excellentie. Wij plukken de vruchten van zijn arbeid. Na zijn lange afwezigheid zoals ik het genoemd heb, kwam hij tot ons in de volheid der zegeningen van het evangelie des vredes. Ik ben er blij om dat ik geboord heb, dat wij de volgende week een andere gedrukte predikatie van u zullen krijgen! De laatste was mij in grote mate ten zegen. Ik zal er blij om zijn als ik mag horen, dat gij weer onder ons komt, en ik hoop spoedig met een andere brief van u begunstigd te worden, want ik gevoel mijzelf zeer teleurgesteld als ik een gehele week niet van u hoor. Ik zou graag willen weten, als gij weer schrijft, of gij mij vrijheid wilt geven uw laatste brief aan onze vrienden te laten lezen, want zij weten dat ik er een gehad heb. Ik geloof dat zijn Excellentie het hun gezegd heeft.

Maar ik heb hun te verstaan gegeven dat dit zonder uw toestemming niet wezen zal. De jonge opgeschoten knaap van Bower verklaarde mij gisteren dat hij mij niet met rust zou laten voor hij hem had ingezien. Door de brief van mijn zuster heb ik vernomen, dat gij deze winter door kouvatten en schorheid niet zo vreselijk bent gekweld geworden, als dit wel in vorige winters het geval was, en ik was er blij om. De Heere geve u steeds lichamelijke gezondheid en veel zielvoorspoed, is het ernstige gebed van

Uw toegenegen Zuster in de banden van het evangelie.

Het Koningsdal.

DE NACHTEGAAL.

 

 

17de Brief

Aan de Nachtegaal in het Koningsdal.

De brief van mijn zuster is goed overgekomen en ligt nu voor mij. Hij is, evenals van de profeet Habakuk een lied van verschillende dingen, op verschillende wijzen gezongen. Uw dagen zijn droevig geweest en uw arbeid verdrietig. Noem die tijd van tegenspoed God, want daar komt een hoop achteraan, of anders het begin der droefheid, want het ongeloof zal u dikwijls zeggen dat er geen einde aan komt. De Satan is een geleerd tegenstander. Hij kan beide zijn verschijning en zijn invloed anders doen voorkomen. Toen ik in duistere streken van de schaduw des doods lag, onder de banden der goddelijke rechtvaardigheid en vervuld met toorn en de bestraffingen van mijn God werkte hij steeds op de hardheid mijns harten, de vleselijke vijandschap van mijn gemoed, en op die verwoestende zonde des ongeloofs, waarin ik besloten was. Hij nam de gelegenheid waar om zijn beschuldigingen te vermenigvuldigen door de zonden die mij voor ogen stonden; de last der schuld te verzwaren, en de toorn der wet die in mij werkte, te vergroten. Ik wist niet dat dit de duivel was met zijn werken. Maar toen mijn bevrijding afgekondigd, mijn roeping duidelijk gemaakt, en mijn verkiezing zeker was, kwam hij weer tot mij, maar hij was in zijn voorkomen, taal en invloed zo veranderd, dat ik mijn oude kennis waarlijk niet kende. Hij kwam nu niet in zijn zwart gewaad, maar in zijn schitterend kleed, niet om mij naar de hel en het graf te slepen, maar als een vriend op de bruiloft; niet om te beschuldigen, maar om mij raad te geven; niet om weg te drijven maar om te trekken; niet om mij in wanhoop te doen neerzinken, maar om mij boven de wolken te verheffen, en op de wind te doen rijden; mij niet te verwijten maar te prijzen; niet om mij te zeggen welk een ellendig opstandeling ik geweest was, maar welk een heilige ik nu was. De Satan had zijn stem veranderd. En zeker, onder allen die van vrouwen geboren zijn, is er nooit een groter wonder gezien dan Dominee Zak. Ik er in het minst geen erg in hebbende dat die vreemde bezoeker een der zaakgelastigden van de koning van Babylon was, was met zijn komst in mijn schik even als Hiskia, en toonde hem al mijn kostbaarheden, want hij kwam niet met zware tijding, maar met zachte dingen, niet als een verwoester maar als een opbouwer. Hij handelde over de goedheid en veiligheid van mijn staat: over de hoge gunst waarin ik bij God stond en over mijn gewisse aankomst in de begeerde haven. Hier vandaan daalde hij af tot het kleine aantal van Gods uitverkorenen, daar het in vergelijking met de wereld in het algemeen toch zo klein was. En wat hij predikte, trachtte hij als leerstelling toe te passen. Hij werkte zijn kurkentrekker in mijn natuurlijke genegenheden, en deed mijn ingewanden rommelen. Hij zette mijn vrouw en al mijn kleine kinderen voor ogen, als niet in de band des verbonds ingesloten; en werkte toen op al mijn teerheid die ik bezat met zijn invloed. Mijn medelijden, ernstige begeerten enz. enz. begonnen op te )rijzen en werden zo buitengewoon groot, even als Milton de werking der lusten in Adam en Eva beschrijft, nadat zij van de verboden vrucht gegeten hadden, totdat zij begrepen, dat er nieuwe godgeleerdheid in hen ontsprongen was. Ik dacht ook dat mijn hart met genade vervuld was. Mij tot de hoogste top van natuurlijke genegenheid voor mijn vrouw en kinderen opgevoerd hebbende, verliet hij de oude hen met haar kuikens en leidde mijn geest verder tot mijn vrienden en betrekkingen, toen tot mijn oude kennissen en daarna tot veel teerhartige barmhartige en welmenende mensen die ik op aarde kende. Mijn hart ging nog verder open en daar Hij ze voor mijn aandacht bracht, nam ik ze ook mee. Toen kwam hij tot de volken in het algemeen. Nu ging mijn hart nog verder open en werd zeer uitgebreid, daar hij mij voorstelde die allen op het hart te dragen.,

Daarna werden mij de arme heidenen voorgesteld, totdat mijn ingewanden rommelden als een harp, niet alleen voor Moab maar, voor al deze. Toen werden mij de onuitwisbare besluiten Gods voorgesteld, juist zoals de Arminianen die prediken. En daarna werden mij ook de duivelen als voorwerpen van mijn medelijden voorgesteld. En deze laatste toverlantaarn ontdekte 't bedrog. De Satan kon niet langer verborgen blijven, Ik gedacht aan Zijn vurige pijlen, en was toen spoedig uit de strik des vogelvangers bevrijd. Dit was mij in de evangeliebediening van groot nut, daar ik van die tijd af aan op het allerzekerst wist wie het was die de gehele kudde Arminianen onderwees, uitrustte, opvoedde en uitzond, want daar ben ik van verzekerd dat het de duivel onder ene andere gedaante is, die ze allen dat leert. - Enige tijd hierna bracht hij mij een ander bezoek, overeenkomstig met het voorgaande. Op die tijd was ik in de bediening. Hij kwam nu als dominee's fabrikant, om mij te onderwijzen, op welke manier ik in dit gewichtige werk voorspoedig kon zijn. Dat bestond daarin om tussen heiligen en zondaars geen lijnen te trekken; geen toepassingen te maken; om niet op kentekenen, bewijzen, tekenen van liefde, noch tekenen van zekerheid aan te dringen; om niet te staan op beslissende kentekenen, duidelijke aanduidingen, onfeilbare bewijzen, tekenen noch toetsstenen, want dan zou ik geen aanstoot geven; dan zouden er ook geen vooroordelen tegen mij zijn, en dan zou er ook geen blaam op mijn karakter geworpen worden. Dan zou ik oneindig veel nut kunnen doen, en mijn naam zou voor allen een goede reuk zijn. Ik moest mijn net zo uit zien te werpen, dat ik allen die binnen de muren van mijn vergaderplaats kwamen, innam, en zodoende trachten mij zo aan te stellen dat ieder mij liefhad, want zij die een gelovige liefhebben, zijn uit de dood overgegaan in het leven. Ik was voornemens dit plan aan te nemen. Maar toen ik in het werk bezig was, vloeiden het ijvervuur de liefde, de ijver, heilige vrees, vrijmoedigheid en sterkte mij zo toe, dat ik in plaats van te zeggen een Verbinding een verdeler en verstrooier werd overal waar ik heenging. De huichelaar siste als een slang terwijl de eerlijke ziel de kracht gevoelde. Spoedig daarop werd ik er door God toegeleid, deze aanslag van de duivel te doorzien en ik leerde er deze les uit, dat van al de werklieden Gods, en van al de werken Gods onder de hemel, uitgenomen de dood van Christus, een bedienaar des Geestes. en van het werk van de Heilige Geest op de zielen der mensen, de grootste vijanden van de Satan zijn. Hij maakt geen tegenwerpingen tegen uiterlijke reformatie als maar geen uitwendige wedergeboorte plaats heeft. Het is de Heilige Geest die de sterk gewapende uitwerpt, zijn uitrusting waarop hij vertrouwde, wegneemt, zijn huis berooft, en de machtigen zijn gang beneemt. Deze strik ontkomen zijnde, door de goede hand van mijn God over mij, bracht hij mij nog een bezoek in zijn nagemaakte lichtstralen, op welke tijd hij mij al het ware en ingebeelde kwaad met de gevaren, die mij in het werk der bediening zouden overkomen, voelde, namelijk de tegenstand van de wereld, van ketters en huichelaars; de honger, koude en naaktheid waaraan ik was blootgesteld; de verraderij van valse vrienden; het moeilijke werk om de grote verborgenheden der godsdienst goed te verstaan en alle dwalingen te vermijden; het gevaar voor mijn leven langs de weg en eindelijk mijn doop in honderd verschillende vormen, met de onzekerheid van 's Heeren tegenwoordigheid, hulp, en ondersteuning, hetgeen bij opmaakte uit de droevige verlatingen die mij onlangs waren overkomen. Hij toonde mij vervolgens mijn eigen veiligheid, de zekerheid van mijn staat, en het geluk dat ik zou deelachtig zijn, wanneer ik mij in ene eenzame plaats terug trok, en alle handelingen Gods met mij in mijn eigen boezem hield opgesloten. Maar, daar hij hier in niet slaagde, maakte hij spoedig zijn voorzeggingen goed, want er was geen dwaas, vals een evangeliedienaar genoemd in stad of land, die tegen mij blafte, naar mij beet, of tegen mij waarschuwde of het volk tegen mij ophitste, maar 't was andersom. En dit heeft, zonder tussenpozen, meer dan vier en twintig jaar, geduurd. Ik geloof dat het een slecht teken zou zijn als dit ophield, maar daar vrees ik niet voor en zie daar ook geen gevaar in, gewaar wordende dat de duivel de natie met zoveel nieuwelingen opgevuld heeft, die hij met hoogmoed opblaast, totdat zij onder hetzelfde vonnis vallen, waar hij onder ligt. - De medelijdende ingewanden, en de buitensporige genegenheid die gij voor het kind gevoelde, en de opstand tegen God, waarmee dit samenging, waren, dit kunt gij zeker geloven, de uitwerkselen van een bezoek van deze veranderde duivel. Want God is zowel in staat een kind als een man te wederbaren; en dit kan Hij in het laatste ogenblik doen, nu, zoals vroeger de moordenaar aan het kruis. zijn hand is niet verkort." Behalve dat is er niets in de Schrift, dat u het bidden voor uw kind belet of verbiedt, ook niet om zijn leven, daar ik veronderstel, dat gij besluit met: "Niet mijn wil, maar de Uwe geschiede." En als wij dat niet met het hart kunnen zeggen, dan mogen wij om onderwerping vragen om het te kunnen doen.

David vastte weende en bad de gehele dag en nacht voor zijn kind, hoewel God door zijn profeet verklaarde dat het sterven zou. Hij bad zelfs tegen de geopenbaarde wil van God. Maar uw gebed moest naar Zijn wil geweest zijn. Dat is duidelijk, omdat uw kind weer hersteld is, al had gij er niet voor gebeden.

Uw fijne onderscheiding van jaloezie en wangunst moet ik aan de geleerden overlaten. Ik geloof dat Rachel door de vruchtbaarheid van Lea tot jaloersheid werd verwekt, daar zij dacht dat zij hoger in