Het vasthouden van een welgegronde hoop

door het geloof in het Evangelie

 

Henry Inglis

  

De vaste grond

Het moet mij van het hart dat ik niet onbekend ben met verwarring en misvatting die over het Evangelie bestaan. Zo kan de gedachte post vatten dat het begin van de bekering niet goed was, omdat er sprake was van een verkeerd gebruik van het Woord van God. Maar deze vorm van redeneren gaat geheel tegen de Schrift in. Let op de kern van de tekst die ik in dit verband wil noemen: "Want wij zijn Christus deelachtig geworden zo wij namelijk het beginsel van deze vaste grond (Eng. vert. geeft vertrouwen) tot het einde toe vast behouden.

Wat het beginsel van deze vaste grond van deze Hebreen was en wat zij moeten vasthouden, zien wij in Handelingen 2. Zij hadden de Zoon van God gedood en waren door de overtuiging van deze daad in hun harten verslagen, terwijl zij op dezelfde dag het Woord met blijdschap ontvingen. De uitwerking van de uitstorting van de Heilige Geest, als de Trooster en als de Geest van aanneming tegenover de Geest van dienstbaarheid onder de wet, is in overeenstemming met de opsomming die Christus geeft van de werkingen van de Geest, wanneer Hij zal gekomen zijn (zie Joh. 16:7-9). Wij zien dat deze Joden in Handelingen 2 van zonde werden overtuigd, omdat zij in Christus niet geloofden en daarover verslagen waren in het hart. Maar ook werden zij overtuigd van gerechtigheid door de opstanding van Christus en ontvingen zij het Woord met blijdschap en verheuging.

 

Dit was ongetwijfeld de eerste periode van de Geest van aanneming, dat zij het beginsel van de vaste grond mochten ontvangen. Zij zagen terug op hun vorige leven als op een zwarte bladzijde, op hun verwerping, verraad en moord van de eeuwige Jehova, God geopenbaard in het vlees. Als zij op zichzelf zagen, vonden zij geen enkele grond van vertrouwen in God tot vergeving van hun zonden, maar waren zij nabij de wanhoop. Maar zij zagen op de gerechtigheid die in de opstanding van Christus wordt geopenbaard, tot vergeving van hun zonden en op de liefde die daarin wordt vertoond. Zij zagen dat, ondanks al de verergering van hun zonden, er niets meer was dat hen van deze hoop kon afhouden en zij werden verzekerd dat het bloed dat zij vergoten hadden, van alle zonde reinigt. Nu wisten zij dat Christus, Die in de rust was ingegaan, elke hindernis, die bij de grootste zondaar kon opkomen of de zwakste kon afhouden, had overwonnen en dat Hij de zaligheid beloofd heeft aan een ieder die gelooft. Zij konden niet anders dan in God vertrouwen, tot vergeving van hun zonden en verlossing van de heerschappij daarvan, om zo met Christus eenmaal in de rust in te gaan. De apostel schrijft aan deze Hebreers, die het Woord met blijdschap hadden ontvangen en jarenlang in leer en gemeenschap, in de breking des broods en in de gebeden standvastig hadden gewandeld: "Want wij zijn Christus deelachtig geworden, zo wij namelijk het beginsel van deze vaste grond tot het einde toe vast behouden." Wij hebben gezien wat dit beginsel was en nu zullen wij stilstaan bij de vermaning om de vaste grond standvastig te bewaren.

 

 

Het begin van de hoop

Wij menen dat er alle aanleiding is voor een dergelijke vermaning, wanneer wij een weinig letten op het gevaar waaraan christenen zijn onderworpen, wanneer zij bij voorbeeld afwijken van het getuigenis dat zij steeds moeten horen: "Deze is Mijn geliefde Zoon in Welke Ik al Mijn welbehagen heb." Als wij voor de eerste maal het Evangelie van God geloven en op ons vroegere leven terugzien, zien wij niets anders dan een aaneenschakeling van ongeloof. Wij maakten God tot een leugenaar door het getuigenis, dat Hij van Zijn Zoon gegeven heeft, te verwerpen en betoonden hiermee de wereld meer lief te hebben dan God.

 

Toen wij wanhoopten aan alles van onszelf, dachten wij er niet aan om de geringste hoop op iets anders te bouwen. Ook bleken onze zonden niet in staat om de meest levende hoop van de zaligheid te schudden, want juist deze was gebouwd op Gods liefde door een Goddelijke gerechtigheid, zonder de minste achting voor de menselijke waardigheid. Zo is dit het enige wat van alle hoop in zichzelf uitsluit en dadelijk alle wanhoop ten opzichte van de zaligheid, die door de grootheid van de zonde en enige andere zaak kon worden voortgebracht, wegneemt. Het is deze enige hoop, die erkent dat alle mensen in dezelfde staat tot God staan, dat Hij onze menselijke waardigheid niet in aanmerking neemt, noch iets waardoor iemand zich van een ander kan onderscheiden, maar dat het alles is naar Zijn soevereine genade, waardoor Hij sommigen, in onderscheiding tot anderen, tot het eeuwige leven heeft uitverkoren.

 

Zo is het gesteld met christenen, wanneer zij voor het eerst geloven en bij het horen van het Woord van God vrij zijn van de geboden en leringen van mensen. Maar, helaas! hoe vaak kan niet gezegd worden: "Hoe is het goud zo verdonkerd, het goede fijne goud zo veranderd!" Wanneer wij het Evangelie geloven, ontvangen wij de waarheid hiervan in liefde. Wij zien dan, dat niets tussen ons en de eeuwige ellende in staat, dan het werk van Christus. Wij loven en prijzen Hem boven alles, dat Hij een schuilplaats geworden is voor iedere storm, "hoewel Hij in de gestaltenis Gods zijnde, de gestaltenis van een dienstknecht heeft aangenomen, en gehoorzaam geworden zijnde tot de dood, ja, de dood des kruises, en is de mensen gelijk geworden." Wat is de noodzakelijke uitwerking van deze liefde anders dan gevoelens van liefde en het behagen van het geliefde Voorwerp, wat bestaat in het onderhouden van Zijn geboden? Ook is hiervan de vrucht van het geloof in de blijde boodschap, dat Christus een Slachtoffer voor de zonde geworden is. Wat Hem welbehagelijk is, bestaat in de hoop van het deelgenoot zijn van alle dingen die Christus geopenbaard heeft om aan ons te schenken. Het gevolg van het zien op God, Die Zijn gerechtigheid openbaart, evenals op Zijn barmhartigheid in de vergeving der zonden, is de hoop op Gods genade, waardoor de Goddelijke gerechtigheid ons niet meer kan veroordelen.

 

Het gevolg van het kennen van de bedoeling van de openbaring van de Zoon van God om van de zonden te verlossen, van het eeuwig voornemen van God om een volk te verlossen van alle ongerechtigheid en om met Hem gemeenschap te mogen hebben in de beschouwing van Zijn volmaaktheden, is de ernstige begeerte tot heiligmaking en gelijkvormigheid aan Christus. Het is Jezus Christus Die iedere belemmering tegen het ingaan in Zijn rust heeft weggenomen, zelfs voor de voornaamste der zondaren, en het gevolg hiervan is de hoop van in Zijn rust in te gaan. Verder is het noodzakelijke gevolg van deze hoop, blijdschap en vrede. En is Hij het niet, Die Zichzelf vanwege de zonden van Zijn volk vernederd heeft en de verberging van het aangezicht van Zijn Vader heeft verduurd, evenals de aanvallen van de duivel en de vervolgingen van mensen, waardoor de vrucht bij ons moet Zijn, bekering en Goddelijke droefheid over de zonden die de Zoon van God aan het kruis brachten? Zo worden liefde, gehoorzaamheid, hoop en bekering door het geloof in het Evangelie voortgebracht en in zo verre is alles goed en op de juiste plaats gerangschikt.

 

 

Het beginsel losgelaten

Maar helaas! hoe vaak en hoe droevig wordt alles niet omgekeerd. Het is waar dat al deze dingen onafscheidelijke bewijzen en vruchten van de geopenbaarde waarheid zijn, maar het hart van een mens is zo arglistig en dodelijk, meer dan enig ding, dat hij de waarheden van God niet op z'n plaats laat. Onder het voorwendsel van deze zaken te onderzoeken, of de waarheid wel of niet geloofd is, wat op zichzelf beschouwd niet verkeerd is, worden deze zaken apart genomen, in plaats van u te verbinden aan de waarheid die ze heeft voortgebracht. Het doel van dit zelfonderzoek is als volgt: Wanneer iemand een sterk geloof heeft in Gods barmhartigheid en denkt dat deze hoop geheel op het werk van Jezus Christus gegrond is, wordt hij gedrongen om te onderzoeken of hierdoor vruchten worden voortgebracht, die de hoop op het ware fundament altijd moet voortbrengen. Maar hoe vaak gebeurt het niet dat het zoeken om genadebewijzen, zoals liefde, gehoorzaamheid, hoop, blijdschap, vrede en bekering, plaats vindt, wanneer het geweten door een gevoel van schuld wordt belast. Dan gaat het niet om een onderzoek in antwoord op een goed geweten voor God, door de opstanding van Jezus Christus, en vanuit het zich verheugen in het gevoel van vergeving van zonden, vanwege de offerande van Christus, maar dan stellen wij de vruchten, waarnaar wij onderzoek doen, in de plaats van Zijn bloed.

 

Hier houden wij even stil. Heeft u het begin van uw vertrouwen vastgehouden? O liever gezegd, bent u niet van de hoop van het Evangelie afgeweken en heeft u de blijdschap in het vertrouwen opgegeven? Wanneer het Evangelie voor het eerst geloofd werd en u door een gevoel van schuld en gebrek aan ieder kenmerk werd bezwaard, was er toch geen andere toevlucht dan het bloed van Jezus? Toen was Hij als rivieren in een dorre plaats en als de schaduw van een rotssteen in een dorstig land. Maar heeft u nu andere wateren en andere steenrotsen buiten Hem? Wanneer u door een gevoel van schuld wordt gekweld, vlucht u dan naar de kenmerken, naar bewijzen van de gunst van God, dan dat u de toevlucht neemt tot het grote bewijs van Gods welbehagen in het werk van Zijn geliefde Zoon, geopenbaard in Zijn opstanding uit de doden? Zo maakt u verschil tussen zondaren, voordat zij het Evangelie geloofden, en zij die gelovigen geworden zijn. Dat is dan als het gaat over de volmachten die de Schrift aan zondaren geeft, namelijk om verlichting te krijgen van een gevoel van schuld en een bemoediging om tot God te naderen. Het gaat er toch om dat zondaren niets meer zoeken tot verlichting van hun schuldige gewetens, waarmee zij tot God kunnen naderen, dan wat hen verzekert dat door God zal worden aangenomen en dat is niets anders dan het werk van Christus, waarin Hij een welbehagen heeft. Nu zult u nooit kunnen vertroost worden, noch tot God kunnen naderen, voordat u ziet dat u dit gelooft en dat dit alleen de eigenlijke vruchten voortbrengt. Dan gaat het dus alleen over het vertrouwen in het bloed van Jezus, waardoor wij alleen vrijmoedigheid ontvangen om tot God te naderen. Bij het tegenovergestelde zijn wij geen hulpeloze zondaren meer, die in het hart zijn verslagen en het Woord met blijdschap ontvangen, maar dan zijn wij goede christenen, trots op onze genadeblijken, tot onderscheiding van andere mensen, en wij naderen dan tot God om ons christelijk karakter voor te stellen, in plaats van te vertrouwen op de offerande van Jezus Christus.

 

 

Afwijkingen van de rechte weg

Hier zien wij een weg, waarin het beginsel van ons vertrouwen niet standvastig tot het einde toe bewaard wordt. In dit geval is er verschil tussen het begin en tussen het einde van ons vertrouwen, wat neerkomt op het verschil tussen het vertrouwen in God en in onszelf. Dan gaat het alleen om de verheerlijking van onze eigen persoon en werken en niet om de verheerlijking van de Persoon en van het werk van Christus. Maar er is nog een andere weg, die nauw met de vorige verwant is, waarin het beginsel van het vertrouwen niet standvastig bewaard wordt. Wanneer wij onze liefde, gehoorzaamheid, hoop, blijdschap, vrede en bekering in de plaats stellen van het werk van Christus, is het duidelijk dat wij niets anders doen dan deze gaven te verdoezelen. Want als wij iets anders denken, zien of begeren te zien dan het werk van Christus, dan zal de liefde tot Hem, als onze enige Toevlucht, beschadigd worden, dan gaat de hoop verloren, dan kunnen blijdschap en vrede niet in leven blijven. Ook zullen wij dan niet veel over onze zonden treuren, want wij zien dan niet dat wij alleen op grond van het werk van Christus op vergeving mogen vertrouwen. Hier is de hoop van het Evangelie vergaan en verlaten wij God, de Springader des levens, om onszelf gebroken bakken uit te houwen, die geen water kunnen bevatten.

 

Het menselijke gemoed zoekt van nature naar aktiviteit en de begeerte naar geluk is hiervan een eerste en noodzakelijk beginsel. Wanneer wij het geluk niet in de Schepper vinden, dan zoeken wij het in het schepsel. Als wij de liefde van Christus verzaken, dan moeten wij onze genegenheden op andere voorwerpen richten, dat is op iets in de wereld, "de begeerlijkheid des vleses, de begeerlijkheid der ogen en de grootsheid des levens." Wanneer wij de hoop van het Evangelie verzaken, dan moeten wij een hoop zoeken in deze wereld, die een blijdschap en vrede voortbrengt die hierop aansluit. Dan maakt onze vroegere droefheid naar God plaats voor "de droefheid van deze wereld die de dood werkt". Zo zijn de eigengerechtigheid en de liefde tot de wereld onlosmakelijk met elkaar verbonden.

 

 

De weg terug

Maar zal ons geweten dan gerust zijn? Helaas niet! De gedachte aan de verdwenen hoop, liefde en blijdschap zullen ons achtervolgen, als wij ons om toestand bewust mogen zijn. Als wij alle hoop vanuit het Evangelie hebben verloren, en geest troost ontvangen vanuit wat wij nu zijn, zullen wij proberen enige schijnsels van hoop te verkrijgen uit wat eenmaal geweest is. Als wij horen dat "het bloed van Jezus Christus van alle zonde reinigt", zullen wij dit in woorden toegeven, terwijl wij dit in feite ontkennen. Wij zullen erkennen dat de grootste zondaar, die voor het eerst de waarheid hoort, zijn hoop mag en behoort te stellen in God, maar wij zullen betwijfelen of dit ook geldt voor hem die al enige tijd het Evangelie gelooft. Hier is in feite sprake van een verloochening van het bloed van Jezus, dat van alle zonde reinigt. Vroeger, toen wij voor het eerst in de waarheid geloofden, mocht er troost en hoop vanuit de waarheid voortkomen, zelfs in de meest ellendige situaties, maar nu kunnen wij die hoop niet vinden, want wij menen dat zij niet kan bestaan met het christelijk geloof. Het komt er op neer, dat wij het beginsel van vertrouwen niet standvastig bewaard hebben.

 

Hoe was het voorheen? Geen gevoel van berouw over de zonde kon enig wantrouwen teweeg brengen, want het Evangelie nam dit weg. Geen gevoel van onwaardigheid kon onszelf het eeuwige leven onwaardig doen zijn, want wij wisten dat God ons meer onwaardig zou rekenen dan wij onszelf konden gevoelen. Nu brengt het gevoel van zonde niet zo zeer een droefheid naar God met zich mee, maar veeleer wanhoop. Hoe kunnen wij uit deze toestand verlost worden? Wat kan onze vorige hoop weer herstellen? De Heere wil inderdaad de zielen van Zijn schapen gedenken, maar dit gebeurt niet, als zij een betere gedachte over zichzelf hebben. Nee, wij durven te zeggen dat het dan juist het tegenovergestelde is. Wat kan ons weer doen herleven? Het is dezelfde waarheid, die ons eerst heeft levendgemaakt tot een levende hoop in God, toen wij geheel dood waren en wij geen enkele hoop meer in onszelf hadden. Het is dezelfde waarheid die met de menselijke trots afrekent en alle menselijke waardigheid vernedert, terwijl zij aan de andere kant God verhoogt als onze enige waardigheid en gerechtigheid.

 

Wat moeten wij dan doen als wij in ongeloof vervallen zijn en het als gevolg daarvan in de liefde van de wereld zoeken; als wij hopen op onze eigengerechtigheid of klagen over het gebrek daarvan? Laten wij onszelf met Micha afvragen: "Waarmede zal ik de Heere tegenkomen, en mij bukken voor de hoge God?" (Micha 6:6), of met Paulus uitroepen: Wie zal in de hemel opklimmen, of wie zal in de afgrond nederdalen?" (Rom. 10:6,7), en dan horen naar het antwoord: "Nabij u is het woord, in uw mond en in uw hart". Dat is het woord dat wij belijden te geloven en al het andere, wat wij willen of begeren, is gefundeerd op onze eigengerechtigheid. Belijden wij dan voor God dat wij de voornaamste van de zondaren zijn en laten wij ons vertroosten met dat woord dat tot ons komt en ons heil aanbrengt. De uitwerking is zeker: wij zullen door de opstanding van Jezus weer een levende hoop hebben; wij zullen weer met blijdschap en vrede vervuld worden in het geloven; wij zullen Hem, bij Wie geen verandering of schaduw van omkering te vinden is, weer boven alle dingen liefhebben, Hem Die gisteren en heden dezelfde is en tot in eeuwigheid. Deze liefde zal ons krachtig dringen, om niet meer onszelf te leven, maar Hem. Dan verachten wij alles wat de wereld als schoon en uitnemend voorstelt.

 

 

Gods liefde is onveranderlijk

Deze onveranderlijke liefde en goedheid, vergeleken met onze ondankbaarheid en afwijkingen, zal dan weer die droefheid naar God verwekken, die een onberouwelijke bekering tot zaligheid voortbrengt. Zo leven wij door het geloof, zo verloochenen wij het ongeloof, zo worden wij weer hersteld om door het geloof te leven. En dat is door dezelfde waarheid, waarin wij eerst geloofden, en dan gaat het over hetzelfde ongeloof dat wij toen verzaakten.

 

Het gaat in alles wat wij gezegd hebben over de grote noodzaak om alleen, zowel in beginsel als in de voortgang, te roemen in het kruis van onze Heere Jezus Christus. Het wordt erkend dat het voor belijders van het geloof gepast is om hun geloof door de vruchten te onderzoeken, maar waar zijn deze anders het bewijs van dan van hun geloof in Christus en hoop in Hem tot zaligheid? Daarom kunnen geen werken hun een bewijs verschaffen dat zij tot Gods volk behoren, tenzij dat zij zich bewust zijn dat deze uit het geloof en de liefde van het Evangelie, als de enige grond van hun vertrouwen, voortvloeien. En het is van groot belang om te weten dat, als zij van God en van Zijn wegen afdwalen, zij alleen kunnen worden genezen door dezelfde waarheid waardoor zij eens werden levendgemaakt. Alleen de vrije en soevereine genade van God kan hun hoop en vreugde vernieuwen.

 

Wij vinden veel voorbeelden in Gods Woord die dit aangeven, zoals de raadgevingen in de brieven aan de gemeenten in Klein-Azi (Openb. 2 en 3). De gemeente van Efze had haar eerste liefde verlaten en zij wordt opgeroepen om te "gedenken van waaruit zij gevallen was en zich te bekeren." De gemeente van Sardis, die haar levendigheid in Gods wegen verlaten had, wordt vermaand om "te gedenken hoe zij dat ontvangen had, hieraan vast te houden en zich te bekeren." En die van Laodicea, die in een toestand van eigengerechtigheid en lauwheid vervallen was en hierover door Christus wordt aangesproken, krijgt de raad om te kopen "goud, beproefd komende uit het vuur, opdat gij rijk moogt worden; en witte klederen, opdat gij moogt bekleed worden, en de schande uwer naaktheid niet geopenbaard worde; en ogenzalf, opdat gij zien moogt.

 

 

De directe weg terug: Het bloed!

Daarom is het een troostrijke en zekere leer dat christenen, in al hun ontrouw en zonden, onmiddellijk toegang hebben tot het bloed van Jezus, tot vergeving en vrede in het geweten. Zij mogen bij tijden reden hebben om te twijfelen of zij ooit de waarheid gekend hebben en dat mag in sommige omstandigheden heilzaam voor hun ziel zijn, maar zij behoorden altijd ervan overtuigd te zijn dat het Evangelie waar en voor hun eigen geval gepast is. Zelfs als zij zelfbedriegers zouden zijn, worden zij heden geroepen om tot God te naderen en Zijn almachtige Naam aan te roepen, want Hij verzekert ons dat niemand dat tevergeefs zal doen (Rom 10:13).