Verklaring van het zesde gebod

Een predikatie over de 40e zondag van de HeidelbergseCatechismus

Johannes van der Kemp

Gij zult niet doodslaan. Exodus 20:13

Vraag 105. Wat eist God in het zesde gebod?

Antwoord. Dat ik mijn naaste noch met gedachten, noch metwoorden of enig gebaar, veel minder met de daad, door mijzelf ofdoor anderen ontere, hate, kwetse of dode; maar dat ik allewraakgierigheid aflegge; ook mijzelf niet kwetse of moedwillig inenig gevaar begeve; waarom ook de overheid het zwaard draagt omde doodslag te weren.

Vraag 106. Maar dit gebod schijnt alleen van het doodslaan tespreken?

Antwoord. God, verbiedende de doodslag, leert ons, dat Hij dewortel van de doodslag, als nijd, haat, toorn en wraakgierigheid,haat en zulks alles voor een doodslag houdt.

Vraag 107. Maar is het genoeg dat wij onze naaste, zoalstevoren gezegd is, niet doden?

Antwoord. Neen; want God, verbiedende de nijd, haat, en toorn,gebiedt, dat wij onze naaste liefhebben als onszelf, en jegenshem geduld, vrede, zachtmoedigheid, barmhartigheid en allevriendelijkheid bewijzen, zijn schade, zoveel als ons mogelijkis, afkeren, en ook onze vijanden goed doen.

De Heere doodt en maakt levend, zingt Hanna, de hoogste Godter ere. Het recht over dood en leven is alleen bij Hem, Dieoppermacht over alles heeft. En wie heeft die, dan alleen deHeere God, Die even gemakkelijk kan levend maken als doden? Hijwil dat Zijn volk die met ernst zal opmerken, als Hij zegt: Zienu, dat Ik, Ik Die ben, en geen God met Mij, Ik dood en maaklevend, Ik versla en Ik heel. Naar Jobs woord is in Zijn hand deziel van alles wat leeft, en de geest van alle vlees des mensen.Zelfs de vorsten kunnen zich aan deze oppermacht niet onttrekken.Hij snijdt de geest der vorsten af als druiven, de koningen deraarde is Hij vreselijk. Te veel macht matigen zich die hogemachten aan, ja stellen zich in Gods stoel, als ze met de koningvan Babel doden en in het leven behouden die ze willen. Zijn zein hoogheid boven haar onderdanen gesteld, het is niet om hen hetleven te benemen, maar te behouden. Dragen ze het zwaard niettevergeefs, ze mogen het echter niet naar hun wil, maar naar Godswil gebruiken, om te doden en in het leven te behouden. Pauluszegt tot de Romeinen: De macht is Gods dienares, u ten goede, eneen wreekster tot straf degenen die kwaad doen. Doch de hoogsteoppermacht en het hoogste recht van leven en dood heeft Hij aanZichzelf gehouden en aan allen verboden, als Hij van de hemel metvertoning van Zijn hoge Majesteit uit het brandende vuur, indonkerheid, en duisternis met donderend en bliksemend onweder eenieder toeroept: Gij zult niet doodslaan. De Heere God heeftouders en anderen over ons gesteld, en wil in het vijfde geboddat wij ze zullen eren. Doch opdat niet de huisgezinnen, waarouders over gesteld zijn, noch het Gemenebest waar de overhedenover gesteld zijn, verwoest worden, wil hij dat niemand zijnnaaste dode. De Onderwijzer, dit gebod verklarende, wijst aan:

I. Welke zonden hier verboden worden, vragen 105 en 106.

II. Welke deugden hier geboden worden, vraag 107.

De zonde wordt aangemerkt eerst in zichzelf, vraag 105, en danin zijn oorzaken, vraag 106.

De zonde in het algemeen is doodslaan, hetwelk men begaatomtrent anderen en zichzelf. De tweede tafel der wet gebiedt deliefde tot de naaste, en zo eist dit zesde gebod de liefdeomtrent des naasten leven. Daarom wordt hier het gevoelen vanPythagoras niet gesterkt, die leerde dat men zelfs geen beestmocht doden, menende dat der mensen ziel wel in een beestverhuisde. Het wild gedierte mag en moet men doden, opdat hetgeen mensen verslinde.

God droeg zorg dat het bij IsraŽl niet te machtig noch tezeer vermenigvuldigd werd. David doodde de leeuw en de beer, dieeen schaap van de kudde wegnamen. Al het gedierte der aarde, alhet gevogelte des hemels, al wat zich op de aardbodem roert, enalle vissen der zee, al wat zich roert dat levend is, zij u totspijze. Ik heb het u alles gegeven, gelijk het groene kruid, zegtde Heere tot Noach en zijn nakomelingen. De onredelijke dierenzijn toch voortgebracht om gevangen en gedood te worden, naarPetrus' woord. Het is echter niet goed te keuren, maaronmenselijk, dat men zonder medelijden wreed tegen het vee is enhet tergt. De rechtvaardige kent het leven van zijn beest, maarde barmhartigheden der goddelozen zijn wreed, zegt Salomo. Metzo'n wreedheid en terging doet men het schepsel zuchten. Het zijndan de mensen die men niet mag doden.

Hoewel de onderdanen de naasten zijn van hun overheden,nochtans mogen ze door hun overheden gedood worden voor zwarezonden, die het Gemenebest zouden verwoesten. Wij hebben algezegd dat de Overheid van God daartoe met het zwaard gewapendis. De Heere heeft uitdrukkelijk geboden dat, wie des mensenbloed vergiet, zijn bloed vergoten worde, want God heeft de mensnaar Zijn Beeld gemaakt. Het staat niet aan de hoge machten dedoodslager vrijlating of pardon te geven. Tot haar wordt gezegd:Gij zult geen verzoening nemen voor de ziel des doodslagers, dieschuldig is te sterven; want hij zal zekerlijk gedood worden.Sauls verschoning van de verbannen Amalekieten, en Achabsverkeerde barmhartigheid omtrent Benhadad, bekwamen hen zeerkwalijk.

Gruwelijk doet men dan in het pausdom, dat men daar de kerkenen kloosters openzet, om moordenaars te verschuilen en tebeveiligen tegen het zwaard der Overheden, die hen vandaar nietmogen weghalen. God wilde dat men de doodslager van voor Zijnaltaar zou wegnemen om hem te doen sterven. Salomo ontzag ookJoab niet, ofschoon hij tot de tent des Heeren gevlucht was, ende hoornen van het altaar vatte, maar liet hem doden. Het is danook dwaas dat Menno's en Socyn's navolgers willen, dat het deOverheden in het Nieuwe Testament niet geoorloofd is demisdadigers met het zwaard te doden. Maar zo dit dechristenoverheid niet betaamde, wiens leven zou veilig zijn? Eris ook geen reden, waarom men de doodslager nu minder zoustraffen dan in vroegere dagen. Overheden moeten echter toeziendat ze met de goddeloze Achab, Joas, Pilatus en Herodes deonschuldigen niet doden, opdat ze op zichzelf en hun volk geenbloedschuld noch Gods toorn leggen.

Verschrikkelijk is de oorlog. Hoeveel duizenden onschuldigenworden daarin doodgeslagen? Zij zullen ook het oordeel van derechtvaardige Opperwreker niet ontvlieden, die onrechtvaardig deoorlog begint. Een rechtvaardige oorlog mogen we nochtans met deMennisten en Socinianen niet afkeuren omdat God de doodslagverbiedt. Want behalve dat niemand een gerust en stil leven zoukunnen leiden, zo men met een billijke oorlog de vijand nietweerstond, zo heeft Gods volk, nadat dit gebod gegeven was, opGods bevel, en naar Zijn krijgswetten de oorlog gevoerd. Nooitheeft Johannes de Doper de soldaten, noch Petrus aan Cornelius dehoofdman over honderd, noch Paulus de stadhouder Sergius Paulus,geraden hun krijgsambt af te leggen, hoewel ze zich tot hetchristendom bekeerden. Het is zo, men mag de boze niet weerstaan.En men moet zijn vijanden liefhebben, naar Christus' woord. Maarwordt dit aan de Overheden omtrent de vijanden van het Gemenebestgezegd? Nee immers! Maar aan de discipelen omtrent hun bijzonderevijanden, tegen wie te oorlogen hen niet paste. De Heere Godheeft wel voorzegd dat de volkeren tegen elkander geen zwaardzouden opheffen, en geen oorlog meer leren. Maar zo dezevoorzeggingen alle oorlogen afkeuren, zo zijn ze nog nietvervuld, want de ervaring leert ons dat alle oorlogen nog nietzijn opgehouden. Het is dan klaar, dat hier de vrede tussen Jodenen heidenen, door Christus' dood teweeg gebracht, wordtvoorspeld, gelijk uit de samenhang van die teksten te zien is,die ook de wettige oorlog niet afkeuren.

Hoewel het zeer droevig is dat iemand, door nood geperst, zijnnaaste doodt, als die hem moorddadig aanvalt, en hij met bidden,betuigen, roepen en vluchten niet zich kan redden, maar deaanvaller in dat ogenblik doodt, niet uit wraakzucht, maar alleenom zichzelf te beschermen. Het is echter zo iemand voor geenverboden doodslag toe te rekenen. Mocht men een dief, zonderbloedschuld op zich te laden, doden, die het huis bij nachtdoorgraafde om te stelen, hoeveel meer mag men dan iemand die opons leven aanvalt doden, als men zichzelf niet anders van de doodkan bevrijden. God heeft bijna al wat leven heeft, natuurlijkgewapend om zich tegen zijn vijand in doodsgevaar te verweren, enzal dan het verstandige schepsel zich in zo'n geval weerlooshouden, en zich laten vermoorden? Het is waar, ik moet mijnnaaste liefhebben als mijzelf, maar dan moet ik eerst en meestmijzelf liefhebben, en alzo meer mijn eigen leven dan dat vanmijn naaste zoeken te behouden. Het is ook een zwaar ongeluk datiemand zijn naaste bij toeval, onvoorziens en zonder dat hij hemhaatte, dode. B.v. die hout houwt en de bijl schiet van de steelen treft zijn naaste dat hij sterft. Het is een zwaar ongeluk,doch het mag onder de strafschuldige doodslagen niet gerekendworden. De Heere God verklaart zulke ongelukkige doodslagersonschuldig, en wilde ze verbergen voor de bloedwrekers, en daarombeval Hij zes vrijsteden en toevluchtplaatsen in IsraŽl voor henaf te zonderen.

Maar als de Wetgever zegt: Gij zult niet doodslaan, danspreekt Hij van de doodslag die door een bijzonder mens uit haat,wraaklust en met voorbedachte rade omtrent zijn naaste begaanwordt, hetzij dan door zichzelf, hetzij door anderen.

1. Men doodt zijn naaste door zichzelf met gedachten; als menin zijn gedachten hem vervloekt en verwenst dat hem dit of dat,ja, de dood zelf, overkome. Waartegen Salomo zich stelt, als hijzegt: Vloek de koning niet, zelf in uw gedachten, noch vloek derijke niet in het binnenste van uw slaapkamer. Hoe menigmaal komthet in het hart des zondaars op, als iemand niet naar zijn zindoet: Wanneer zal hij sterven en zijn naam vergaan? Gelijk Davidsvijanden naar zijn dood verlangden. Toont dit niet een moorddadiggemoed? Werden ze allen weggenomen, die de zondaar dood wenst, dewereld was haast uitgestorven. Niet minder mag het voor endoodslag gehouden worden, als men overleggingen bij zichzelfmaakt om zijn naaste leed te doen. Dat de een des anderen kwaadin zijn hart denkt, volgens Gods verbod. Ook is het voor doodslagte houden als men met Saulus behagen heeft in de dood deronschuldigen.

2. Men doodt ook zijn naaste met woorden van bitse enscherpstekende verwijtingen, met schelden en lasteren; waaroverDavid zeer geraakt de Heere klaagde: Mijn ziel is in het middender leeuwen, ik lig onder stokebranden, mensenkinderen welkertanden spiesen en pijlen zijn, en hun tong een scherp zwaard.Inzonderheid is het doodslaan, als men zijn naastens doen tenkwade aan zijn vijand overbrengt, en hem zo in levensgevaar doetkomen. Zou DoŽg wel ooit zijn handen hebben moeten gebruiken om85 priesters met al was adem had in Nob te slaan met de scherptedes zwaards, indien hij Achimelechs vriendschap, aan Davidbewezen, niet op de gemeenste wijze had overgebracht aan Saul?Ziet de historie 1 SamuŽl 22:6. Niet minder zijn als doodslagerste achten, die een onschuldige bij de rechter vals betichten enzijn dood vorderen, gelijk de Joden omtrent de Zaligmaker keer opkeer deden, en alzo naar Stefanus verwijt, verraders enmoordenaars van die Rechtvaardige geworden zijn. Petrus overtuigthen ook dat ze Hem door de handen der onrechtvaardigen aan hetkruis hadden gehecht en gedood.

3. Het gelaat kan zich hier ook schuldig een maken, als hetgelijk de wijzer van het hart openbaart, dat daar de bozeneigingen tegen de naaste worden gehuisvest. Uit het bitter enmoorddadig gemoed zal des zondaars gedaante nu verbleken, danverblozen, nu zwelt het op, dan wordt het ingetrokken. Iedereopslag der ogen is als een doodslag, en werpt vlammen vuurs vanbrandende toorn uit. De neusgaten spalken zich op en blazendreiging en moord. Of naar Salomo's spreuk: Een Belials mangraaft kwaad, en op zijn lippen is als brandend vuur. Hij sluitzijn ogen om verkeerdheden te bedenken. Zijn lippen bijtendevolbrengt hij het kwaad. Of om het u in de broedermoordenaar afte beelden: Hij ontstak, en zijn aangezicht verviel.

4. Mag men zijn naaste met gedachten, woorden, en gelaat nietdoden, veel minder mag men het dan met de daad doen.

a. Dit geschiedt door zijn naaste te onteren, zodat men hem inzijn eer, velen dierbaarder dan het leven, hoont, smaadt en inverachting brengt, gelijk het voor David een doodsteek in zijnbeenderen was dat zijn tegenpartijders hem hoonden. De Heere Zelfneemt het zeer hoog op als men zijn naaste onteert. Hij wil datwie tot zijn broeder zegt: Raka, zal strafbaar zijn door de groteRaad; en die zegt: gij dwaas, dat hij strafbaar zij door hethelse vuur.

b. Als door hem te kwetsen, waardoor hij lichtelijk aan zijneinde komt. Men brenge iemand eens een wond aan, die nietdodelijk is, maar daar ontstaat eens koorts of een ander ongevaluit dat hem doet sterven. Is men dan geen oorzaak van zijn dood?Billijk is dan de vergelding door de Heere daartoe gesteld. Alsiemand aan zijn naaste een gebrek zal aangebracht hebben; gelijkals hij gedaan heeft, zo zal ook aan hem gedaan worden; breukvoor breuk, oog voor oog, tand voor tand, enz.

c. Ook is hij van dadelijke doodslag niet vrij te spreken, diezijn naaste in levensgevaar brengt. Wie een huis bouwde, moesteen leuning op zijn dak maken, opdat hij geen bloedschuld op zijnhuis zou leggen, wanneer iemand vallende daarvan afviel, volgensDeuteronomium 22:8. Als iemand, wetende dat zijn os stotig was,hem niet bewaarde, en de os doodde een man of vrouw, zo moestniet alleen de os gestenigd, maar ook zijn heer gedood worden,naar des Heeren bevel in Exodus 21:9.

d. Maar hoger gaat het als iemand zijn hand aan zijns naastenleven legt, en hem daarvan berooft, hetzij dan met een ijzer ofmet een steen, of met een hout: of met venijngeving, dat bozewerk des vleses, waar de apostel van spreekt in Galaten 5:20.Geschiedt zulks verraderlijk onder schijn van vriendschap met eenkus, zoals Joab Abner en Amaza doodde, het gaat alle gruweldadente boven. Hoewel de tweegevechten, lichaam om lichaam, navoorafgaande uitdaging, onder het werk van verraden niet kangerekend worden, ze zijn echter niet te verschonen, maar zeergruwelijk. Want wat kan er ijselijker bedacht worden, dan dattwee mensen met opzet zich tegen elkander zetten, om zelf testerven, of zijn naaste te doden, of wel beide om te komen? Iseen mens heer van zijn eigen of eens anders leven, om het in zijnhand te stellen en van de aarde weg te nemen? Niemand denke dathet laf is zijn gekrenkte eer niet te herstellen door zijntegenpartij uit te dagen, of dat het blohartigheid is deuitdaging niet aan te nemen. Neen, de grootmoedige edelheid en deedele grootmoedigheid des mensen lijdt het niet, dat men zijn eerin schandelijke; ja in moorddadige tweegevechten zoeke, en nietzijn smader of uitdager verachte. Steekt hij boven andere nietmeer uit, die het meerdere boven het mindere, het leven boven deeer stelt, dan die het mindere boven het meerdere, de eer bovenhet leven acht? Maar ik denk dat zulke kampvechters de heiligegrootmoedigheid, die het welzijn der ziel bezorgt, niet kennen.Het is het werk van dwazen zich in dit gruwelstuk te verschonenmet Davids voorbeeld, die zich met Goliath in tweestrijd begaf.Want zulks deed David door en onder het gezag van IsraŽlskoning, tegen de openbare vijand van IsraŽl, die God en IsraŽlsslagorden gehoond had, met verzekering van de overwinning, endoor een sterke drijving van de H. Geest, maar niet door ijdeleglorie vervoerd. Als onze tweevechters met David eens met eenleeuw en beer gevochten hebben, laten ze dan eens zien of ze zichmet Davids heldendaad kunnen behelpen.

Niet alleen doodt men zo de naaste door zichzelf, maar ookdoor anderen, hetzij dan dat men er andere last en bevel toegeeft, gelijk David beval aan Joab, dat hij Uria in de heetstestrijd zou zetten, en zijn hulp hem onttrekken, zodat Joabgehoorzaamt en aan velen met Uria het leven kost. Maar hoort hoeDavid hierover door Nathan bestraft wordt: Gij hebt Uria, deHethiet, met het zwaard verslagen. Hetzij dan door eenonrechtvaardig vonnis te doen vellen, gelijk Naboth overkwam,doch het wordt Achab verweten, dat hij hem gedood had, hoewel hetde rechters en valse getuigen, door Izebel opgehitst, in Achabsnaam gedaan hadden. Hetzij dan door toestemming, gelijk Paulushet voor zijn bekering toestemde als de belijders des Heerenwerden omgebracht.

Het geschiede dan door zichzelf of anderen, het doden van zijnnaaste is een zeer vreselijke zonde. Want de doodslager verbreektGods beste pronkstuk dat Hij op aarde gemaakt heeft: de mens,maar een weinig minder gemaakt dan de engelen, met eer enheerlijkheid gekroond, en gesteld over het werk van Gods handen.Wie hem doodt, die schendt ook Gods Beeld, gelijk de Heere Zelfverklaart in Genesis 9:6. Hij verkort het Gemenebest en werpt deonbekeerde zondaar in de hel, zonder hem tijd van bekering telaten.

Hij maakt zich aan de boze KaÔn, ja ook aan zijn vader deduivel, de mensenmoorder van de beginne, gelijk, naar Johannes enzijns Meesters woord in 1 Joh. 3:12 en Joh. 8:44. Het bloed desverslagenen roept om wraak en pijnigt de consciŽntie, gelijk wein de eerste doodslager zien. Het kan niet anders dan met eenschandelijke dood geboet worden, volgens Gods wraakwet. Heteeuwige leven moet de doodslager derven. Ja, het deel van dedoodslager is de tweede dood, in de poel die brandt van vuur ensulfer.

De doodslagers is, naar Paulus getuigenis, de wet gesteld terveroordeling.

Is de doodslag omtrent de naaste zo'n verschrikkelijke zonde,wie zal dan naar waarde de gruwel van zulke ouders, die hunkinderen vermoorden, kunnen uitdrukken? Tegen zijn eigeningewanden te woeden is immers onnatuurlijk? Het is echterdikwijls gezien dat ouders, in hongersnood en armoede, hunkinderen niet van brood kunnende voorzien, en hun jammer nietkunnende aanzien, tot die gruweldaad vervoerd zijn. Dikwijls, enmeer dan men weet, zullen lichte vrouwen, door hoererij zwanger,haar ongeboren en jonggeboren kindertjes ombrengen. Zekerlijk eenwerk van verbasterde ontaarde, onnatuurlijke en ontmenste mensen.Maar onbevattelijk schijnt het, dat het mensdom zo verduisterd,en van God zover vervallen is, dat het tot zo'n boos stuk kangenegen zijn, uit ik weet niet welk een soort vangodsdienstigheid, gevende tot slachtoffer zijn eerstgeborene voorzijn overtreding, en de vrucht des buiks voor de zonden zijnerziel. Het heidendom, gelijk der Moabieten koning, heeft nochtanszich hiermede schandelijk bezoedeld. Het wist Gods recht, dat diezulke dingen doen, des doods waardig zijn. En dat bloed voorbloed, ziel voor ziel moest gegeven worden tot voldoening van datrecht. Het bloed, de ziel der dieren kon de schuld van hetredelijke schepsel niet boeten. Niets was daar dan bekwamer toe,dan het bloed en de ziel van hun dierbare kinderen. Dat datblinde volk, dervende Gods openbaring van de ware Borg, daartoeverviel, kan worden ingeschikt. Maar dat Gods eigen volk,dagelijks in het toekomende zoenoffer van de Messias onderwezen,zijn kinderen slachtte aan de beken, de Molech, de drekgodenofferde en door het vuur deed gaan, om ze te verteren, dat wasondraaglijker dan de snode kindermoord der heidenen. De Heereheeft ook die moorderijen van Zijn volk niet ongewroken gelaten.Het was ook over deze zonde dat de Heere HEERE tot de Joden zegt:Ik zal een vergadering tegen hen doen opkomen, en zal ze totberoering en ten roof overgeven. En de vergadering zal ze metstenen stenigen, en hen met hun zwaarden neerhouwen. Hun zonen enhun dochteren, zullen ze doden, en hun huizen met vuurverbranden. EzechiŽl 23:46,47.

Men zou zeggen: Niemand kan de daden van die bozen te bovengaan. Men ziet echter nog groter gruwelen. De zondaar, door demensenmoorder van de beginne verleid, wordt wel zo verwoed dathij zijn handen aan zijn eigen leven legt en zichzelf ombrengt,hetzij dan uit wanhoop met Judas of uit boos misnoegen, omdat hijminder dan anderen geŽerd wordt gelijk daarom Achitofel zichverhing; of met Saul en zijn wapendrager, om niet in des vijandshanden te vallen, en van hen gesmaad en gekweld te worden.

En niet beter doen de scheepslieden, die om de wreedheid vanhun vijanden waarvan ze overwonnen zijn, te ontgaan, de brand inhet kruit steken en het schip met alle zielen daarin in de luchtte laten vliegen. Waarlijk, geen zonde is meer onnatuurlijk dande zelfmoord. Wie heeft toch ooit zijn eigen vlees gehaat?Niemand, zegt Paulus. Zo'n zondaar sterft met Saul in zijn zonde.Is hij, die zijn broeder haat, een doodslager, en weren wij uitdes apostels bericht dat geen doodslager het eeuwige leven heeftin zich blijvende, niet onzekerder is dan het eeuwig verderf vanzulke zelfmoordenaars. Zijn er krankzinnige mensen, die van hundaden geheel onkundig zijn, en zichzelf ombrengen, wij kunnen vanhun eeuwig uiteinde niet oordelen. Het doden van zichzelf tewillen verschonen met Simsons daad, die zichzelf ombracht met deFilistijnen, is onredelijk. Want Simson deed dat als Richter overIsraŽl, als een wonderlijke heldendaad, gelijk in al zijnheldendaden, toen de Geest de Heeren over hem vaardig werd, enalzo in het geloof.

Hoewel hij, die zich buiten zijn beroep moedwillig inlevensgevaar begeeft, zoals hoge klimmers, diepe zwemmers,onversaagbare scheepslieden, stoute rijders en lichtvaardigekoorddansers, met opzet zijn handen aan zijn leven niet legt,nochtans is hij niet geheel onschuldig aan het doden vanzichzelf. Want komt hij om in gevaar, is hij dan zelf niet deoorzaak van zijn dood? Verzoekt hij God niet lichtvaardig? En wieport hem aan dan de mensenmoorder van de beginne? Zocht hij nietGods Zoon tot die zonde te vervoeren, of hij Hem mogelijkdaardoor van kant mocht helpen? Niet minder beroven zij zich vanhet leven, die door ongebondenheid, door gulzigheid in spijs ofdrank, en door schandelijke hoererij en overspel hun gezondheiden levensgeesten krenken, zodat ze hun dagen niet tot de helftbrengen, gelijk David spreekt in Ps. 55:24. Want bij wie is wee?Bij wie och arme? Bij wie wonden zonder oorzaak? Bij degenen diebij de wijn vertoeven. Bij degenen die komen om gemengde drank nate jagen, vraagt en antwoordt de wijste der koningen. En van deontuchtigen zegt hij, dat hij in zijn laatste brult, als zijnvlees en zijn lijf verteerd is. Wil men zich aan deze zonden nietschuldig maken, men moet dan ook zichzelf niet kwetsen. Dat magook geen priester doen, hoe groot ook zijn rouw over een dode is.De Heere verbiedt het in Lev. 21:5. Dat Bašls priesters uitgodsdienstigheid gelijk verhaald wordt, zichzelf met messen enpriemen sneden, totdat ze het bloed over zichzelf uitstortten, isaan hun afgodische dwaasheid en dwaze afgodendienst toe teschrijven. Maar dat de Roomse priesters met gehaakte zwepen tenbloede toe zichzelf geselen, om hun opgesmukte heiligheid engewaande kruisiging des vleses te vertonen, is verfoeilijk enwreed. Of laat mij liever met Paulus zeggen. Een schijnreden vanwijsheid en eigenwillige godsdienst en nederigheid, en in hetlichaam niet te sparen, doch is niet in enige waarde, maar totverzadiging des vleses.

Maar hoe komt de mens, naar Gods Beeld in volmaakte liefde totGod en zijn naaste geschapen, tot zulke snode gruwelen? Door zijnafval van God door zijn vader en de mensenmoorder verleid, heefthij dat zuivere Beeld en die liefde verspeeld. Hij heeft eengruwelijke en duivelse gestalte aangetrokken. Zijn hart isdodelijk. Het gedichtsel der gedachten zijns harten is ten allendage alleenlijk boos geworden. Van nature geneigd om God en zijnnaaste te haten, in boosheid en nijdigheid levende, hatelijk enelkander hatende. Zijn begeerlijkheden en wellusten omtrentijdele eer, vleselijk vermaak en werelds voordeel vervoeren hemtot krijgen en vechterijen. Uit zo'n boos hart komen doodslagen,naar het getuigenis van de Heiland, want dat welt nijd, haat,toorn en wraakgierigheid op; welke boze bewegingen de Onderwijzerals de naaste oorzaak van de doodslag aantekent.

1. Eerst wordt de nijd als zo'n boze wortel van gal en alsemaangemerkt, waardoor men zich over des naasten voordeel bedroeft,en het met een misnoegen hem misgunt. Een gruwelijke beweging,die de Heere beknibbelt over Zijn gunst, en die met boosheidontstoken wordt omdat God goed is, gelijk Jezus zegt. Weinigzonden zijn er, of de zondaar vindt er zijn vermaak in. Maar denijd is voor hem een boze kwelgeest, waar hijzelf wel van verlostwilde worden. De nijd is voor hem ook zeer ongezond. Hij knaagthem het merg uit zijn beenderen en vreet zijn vlees. Salomo zegt:De nijd is verrotting der beenderen. Ja, deze zonde wenst denaaste het kwade, en zoekt het hem toe te brengen, en alzo is zeeen oorzaak van de doodslag, waartoe de booswicht met de nijd vande duivel wordt voortgedreven. De apostel zegt: KaÔn was uit deboze, en sloeg zijn broeder dood. En om wat oorzaak sloeg hij hemdood? Omdat zijn werken boos waren, en van zijn broederrechtvaardig. De nijd stak in de boosaardige Joden zo door, datPilatus wist dat ze Jezus uit nijdigheid hadden overgeleverd.Tegen wrede grimmigheid en overloping van toorn kan men zichverschuilen of beveiligen, maar wie zal voor nijdigheid bestaan?vraagt Salomo.

2. De andere zonde is de haat, zijnde die weerzin die men vande naaste heeft, en hem in het leven niet kan dulden. De HeereGod heeft de gruwelijke beweging des gemoeds al van oude dagen afverboden. Gij zult uw broeder in uw hart niet haten, zegt Hij.Geen wonder, want Salomo zegt: Haat verwekt krakelen. Ja, hijdrijft ook de zondaar tot doodslag. Omdat Ezau zijn broederhaatte, wilde hij hem doden. En Haman liet een galg maken omMordechai, die voor hem hatelijk was, op te hangen.

3. De derde zonde is toorn, waardoor hier niet verstaan wordtdat heilig ongenoegen over iemands zonde, geijk de Zaligmaker,bedroefd zijnde over de verharding van der Joden hart, hen rondommet toorn aanzag. Zo mag men toornig worden zonder zonde. Maar deverboden toorn is die korte razernij of boze ontsteking desgemoeds, waardoor men onbesuisd wordt voortgedreven om de naastehet grootste leed aan te doen. Niet alleen de ziel, maar hetgehele lichaam wordt ontsteld. De leden beven, het aangezichtbesterft, de haren rijzen op, de mond schuimt, de aders zijngezwollen, het bloed kookt, het ziedt en loopt over, en alzo isde grimmigheid een overloping van toorn en wreedheid, zoals westraks van Salomo hoorden. Billijk houdt men de toorn voor devader van de doodslag, want een toornig man verwekt gekijf, enalzo ook de doodslag, zoals gezien kan worden in Simeon en Levi,die werktuigen van geweld; en in Saul, die door toorn ontstoken,David wil doden. En in Herodes de kindermoorder. Menig toornigmens heeft door een al te hevige ontsteking des toorns zichzelfeen ongeneeslijke kwaal, en alzo de dood toegebracht.

4. Er is nog een zonde, snoder dan de toorn, hier verboden, endeze is de wraakgierigheid, waardoor men op tegenwraak loert omhet ongelijk dat men geleden heeft, of denkt geleden te hebbenvan de naaste, met een even gelijk of zwaarder kwaad, en wel metde dood, hem te vergelden. Gelijk die boze Lamech met trotsheidzich over zijn wraakzucht, als over een goed werk, beroemde.Voorwaar, ik sloeg wel en man dood om mijn wonde, en eenjongeling om mijn buile. Want KaÔn zal zevenvoudig gewrokenworden, maar Lamech zeventig maal zevenmaal. Een verfoeilijkkwaad. De wraakzuchtige neemt God, Dien de wraak is, hetwraakzwaard uit de hand en stelt zich op Zijn rechterstoel.Hoewel God in het zesde gebod alleen van doodslaan spreekt,nochtans verbiedt Hij dan ook de nijd, haat, toorn enwraakgierigheid, en houdt dat alles voor een doodslag. Die zijnbroeder haat is een doodslager, lezen we in 1Joh. 3:15. Wie devrucht haat en veroordeelt, wil ook de boom met zijn stam enwortel uitgeroeid hebben. Dat er niet meer mensen tot de volkomendoodslag vervallen is niet aan hun goedheid, maar aan deongelegenheid, onmacht, en het meest aan de wederhoudende genadete wijten. Maar de mens, in tergende gelegenheden aan zichzelfovergelaten, en de macht hebbende, zal zijn dodelijke aard zeerspoedig ontdekken.

De mens geheel en al onder God als Zijn Opperheer staande, kanniet zedelijk overschillig, noch goed noch kwaad, maar hij moetťťn van beide zijn. Als hij het kwade laat doet hij het goede,en als hij het goede doet dan laat hij het kwade. Het is dan nietgenoeg dat we zoals voorheen gezegd is, onze naaste niet doden.Want God, verbiedende de nijd, haat en toorn, gebiedt dat wijonze naaste liefhebben als onszelf, enz.

1. Eerst wordt hier als de worteldeugd geboden onze naastelief te hebben als onszelf. Want dan zal men hen niet doden. Deknibbelzucht van de Remonstranten heeft dit zeggen van deOnderwijzer berispt, alsof deze deugd hier niet juist wasingevoegd, omdat de naaste lief te hebben tot al de geboden vande tweede tafel behoort. Doch het is niet ongeschikt hier van diedeugd te spreken, omdat ze niet alleen zowel tot dit als deandere geboden behoort, maar ook bijzonder tegenover de doodslagstaat, en daarom ook van de Wetgever Zelf tegenover die zondegesteld wordt, als Hij zegt in Lev. 19:18: Gij zult niet wreken,noch toorn behouden tegen de kinderen uws volks, maar gij zultuwen naaste liefhebben als uzelven.

2. Hieruit volgt dat men tegen de naaste geduldig is, waardoormen het geleden ongelijk, en de belediging met lankmoedigheidverdraagt en niet wreekt, maar vergeeft en alzo hem niet dode.Men moet naar het woord van de apostel aandoen de lankmoedigheid,verdragende elkander, en vergevende de een de ander. Dit is tochde aard der liefde die lankmoedig is, niet verbitterd wordt, enalle dingen verdraagt en bedekt, volgens 1Kor. 13.

3. Daar men de liefde najaagt, zal men ook de vredeachterhalen, en met zijn naaste oefenen om alle twist entweedracht, en alzo ook de doodslag te voorkomen. Hier geldt desapostels woord: Indien het mogelijk is, zoveel als in u is, houdtvrede met alle mensen. Zalig zijn de vreedzamen, zegt de groteVredevorst.

4. Liefdedragende mensen zijn ook zachtmoedig, waardoor ze,als ze verongelijkt worden, niet in haastige toorn opvliegen omhun naaste kwaad met kwaad te vergelden, maar zacht en handzaamals fluweel blijven. Man ziet die deugd in Mozes boven anderemensen uitsteken, doch de onzondige Heiland overtreft hem nog, enwil dat een ieder van Hem de zachtmoedigheid lere.

5. Door liefde wordt men ontstoken tot barmhartigheid,waardoor men des naasten ellende zichzelf als eigen aantrekt, enals met hem lijdende, hem zoekt tot verlossing te helpen,waardoor men dan zonder moeite voor nijd, wreedheid en doodslagbewaard wordt. Zo doet men aan de innerlijke bewegingen derbarmhartigheid, naar Paulus raad. De teerhartige Zaligmaker werdkeer op keer over de ellendigen met innerlijke barmhartigheidbewogen en sprak de barmhartigen zalig; want hen zoubarmhartigheid geschieden.

6. De liefde in het hart brandende, zal haar vlam ook naarbuiten vertonen door vriendelijkheid, waardoor men zich minzaamen bescheiden in gelaat, in woorden en in geheel zijn gedragomtrent de naaste aanstelt, waardoor men dan ook des naastensnijd, haat, toorn en wraakgierigheid inbindt. Met broederlijkeliefde wil Petrus dat men vriendelijk zij.

7. Die zo lieftallig is, zal ook, zoveel hem mogelijk is, zijnnaastens schade afwenden. Door schade in goederen, eer en lichaamkan de naaste in groot levensgevaar komen. Wie hem dan nietliefheeft, zal hem zoeken te redden, als hij tot de dood gegrepenis, omdat die wankelt ter doding, zo hij zich onthoudt.

8. Nog edelmoediger vertoont zich de liefde, als men zijnvijanden goed doet. Openbare vijanden, verstoorders van hetGemenebest, die proberen ons de gelegenheid te benemen om hengoed te doen, moet men hinderen, tegenstaan en afbreuk doen,volgens de liefde die we onszelf en onze medeburgers meer danzulke vijanden schuldig zijn. Doch bijzondere en persoonlijkevijanden moet men uit de aard der liefde goed doen, gelijk deSamaritaan de gewonde Jood, zijn vijand, goed deed. Dit gebiedtde Zaligmaker. Paulus dringt het ook aan. En Salomo had het alvoorheen bevolen.

Toepassing

Dat Christus, als een nieuwe Wetgever, bij dit gebod zougevoegd hebben, dat men op zijn broeder niet toornig worde, nochmet bitse woorden hem bejegene, noch het ongelijk, zelfs nietdoor de Overheid, wreke, is de taal van de Socinianen tegen GodsWoord, dat leert dat in het Oude Testament alle toorn, scheld enwraakzucht al verboden is geweest. Men zie slechts Lev. 19:18,voorheen al aangehaald. En zo kan Jezus' bevel in Matth. 5 vanhet niet ten onrechte op zijn broeder toornig te zijn, geennieuwe wet zijn, maar een oude en herhaalde of opgehelderde wet,die de oude FarizeeŽn verdonkerd hadden.

Geliefden, wat dunkt u van de Roomse kerk, die meent Gode eendienst gedaan te hebben dat ze zoveel koningen en vorsten, javeel mensen om de belijdenis der waarheid heeft omgebracht? Invorige tijden was niemand zijn leven zeker. Wie maar in het minsttegen die onreine hoer sprak, werd spoedig opgepakt enveroordeeld om door het zwaard, de strop, of het water gedood teworden. Ja, zo'n dood was niet streng genoeg, men deed dezulkenlevend verbranden of levend in de aarde delven. Ja, het Pausdomheeft geprobeerd om hele landschappen, die met die zogenaamdeNoordse ketterij besmet was te verwoesten en te vermoorden.

Getuigen zijn Piemont, Frankrijk, Ierland en Nederland. Kanzo'n godsdienst naar Gods Woord zijn en Gode behagen; die zich inhet bloed der onschuldigen vestigt? Zeker niet. Al datbloedvergieten is het merk van de grote hoer, die dronken is vanhet bloed der heiligen en van het bloed van Jezus' getuigen. DeHeere God heeft het ook gewroken, door de antichrist af tekorten, en door geestelijke en lichamelijke oordelen hem testraffen en bloed te doen drinken, dewijl hij het bloed derheiligen en profeten heeft vergoten, naar Johannes' profetie inOpenb. 16. Er is niet aan te twijfelen of de Heere God zal hetnog eens volkomen straffen met een gehele verwoesting over hetgeestelijke Babel te brengen, omdat in hetzelve gevonden is hetbloed der profeten en der heiligen, en van al degenen die gedoodzijn op aarde.

Geliefden, waar het nu op aankomt is, of gij allen dit gebodin al zijn delen onderhouden hebt. Ge moest het onderhoudenhebben, ge staat toch in een rechte linie onder de hoge Wetgever.Hij roept u tussen de vervaarlijke donderslagen enverschrikkelijke bliksemstralen van de hemel toe: Gij zult nietdoden. Hebt ge het gebod niet onderhouden, ge zijt tot de doodveroordeeld en vervloekt omdat ge niet gebleven zijt in alhetgeen geschreven is in het boek der wet om dat te doen, volgenshetgeen ons Paulus leert in Gal. 3:10 uit Deut. 27:26.

Ik heb geen reden om te denken, dat er iemand onder u is, diezijn naaste in het verborgen of in het openbaar heeftdoodgeslagen. maar zijt ge daarom vrij van bloedschuld? Nee. Mendoodt zijn naaste met boze gedachten, met bitse woorden, stuursgelaat, met hem te onteren, met nijd, haat, toorn enwraakgierigheid Ja, men verbreekt deze wet door liefdeloosheid,haat, twist, strengheid, onbarmhartigheid, stuursheid enmisnoegdheid tegen de naaste, en ook als de liefde met haar goedevruchten niet wordt geoefend. Legt u hier eens bij, spiegelt u,en ziet of ge hierin uw eigen gedaante niet opmerkt en uwmoorddadig hart niet gewaar wordt. Of zijt ge geheel vreemd vandie boze bewegingen, en denkt ge van uzelf dat ge goed van aardzijt? Maar wanneer? Als ge alleen zijt en geen gelegenheid hebtom uw gemelijkheid uit te laten? Ja, zult ge u soms niet ophitsenin boosheid tegen dezen en genen, die ge meent dat u beledigdheeft of zou kunnen beledigen? Zijn er niet veel mensen, vreemdenen nabestaanden, man, vrouw, kinderen en ouders, die niet naar uwzin zijn of tot last, die ge stil bij uzelf wenst dat God wegnam?En hoe is het als ge bij mensen zijt waar ge in uw huis en eldersmee moet omgaan? Tergt ge ze niet keer op keer door uw lastigeaard, stuurs gelaat, bitse woorden? En als anderen u oneffenaanzien en toespreken, of doen wat niet naar uw zijn is, ja utergen en verongelijken, kunt ge dat alles met geduld zachtmoedigverdragen en met vriendelijkheid beantwoorden? Zegt ge ja. Ikvraag u dan verder: Wat beweegt u daartoe? Is het de vrees voorGod, dat Zijn verderf bij u een schrik is en gij dat nietvermoogt vanwege Zijn hoogheid, gelijk die lijdzame man Job. Ofis het omdat ge van een laffe en lage geest zijt? Of omdat men u,als ge uw gemelijke geest uitliet, smaden zou? Of omdat uw partijboven u, of immers al zo scherp is als gij, en alzo het ene meshet ander in de schede houdt, gelijk men zegt? Ik vraag ditalles, om, was het mogelijk, u tot uzelf te brengen, en u degruwelijkheid van de gestalte van uw hart te doen zien. Zijt gezozeer met eigenliefde bezet, dat ge tot op de bodem van uw hartniet kunt zien, en daarom van uzelf geen kwaad kunt denken? Hoortdan wat de Heere God, die uw hart, arglistig meer dan enig ding,ja dodelijk, zodat het niemand kent, doorgrondt. Hoort, zeg ik,wat Hij van Joden en heidenen, en alzo van alle mensen, en daaromook van u getuigt in Rom. 3:13-18: hun keel is een geopend graf,met hun tongen plegen zij bedrog, slangenvenijn is onder hunlippen, welker mond vol is van vervloeking en bitterheid, hunvoeten zijn snel om bloed te vergieten, vernieling enellendigheid is in hun wegen, en de weg des vredes hebben zijniet gekend. Er is geen vreze Gods voor hun ogen. Ziet, zo zijtgij, hetzij dan dat gij het weet, hetzij dat gij het niet weet.En als God het eens ordelijk voor uw ogen stelt, dan zult gij hetzien.

Het is echter niet genoeg dat gij weet dat ge zeer zondig engruwelijk zijt. Maar opdat ge ook moogt weten dat het kwaad enbitter is de Heere zo te verlaten, en Zijn vrees niet bij u tehebben. Zo aanmerkt ook welke vergelding de Heere God tot zo'nboosheid gesteld heeft, en past die op uzelf toe. Ik zal u GodsWoord doen horen, dat zegt in Deut. 27:42: Vervloekt zij die zijnnaaste in het verborgen verslaat, en al het volk zal zeggen:Amen. Onder de zes die de Heere haat, en onder de zeven die Zijnziel een gruwel zijn, zijn ook de handen die onschuldig bloedvergieten, een hart dat ondeugdzame gedachten smeedt, en voetendie zich haasten om tot het kwaad te lopen. Het deel derdoodslagers is in de poel die brandt van vuur en sulfer, volgensOpenb. 21:8. Of denkt ge dat ge u dat niet behoeft aan tetrekken, omdat ge nooit enig mens het leven benomen hebt? Wordtdan niet onder de zeven gruwelen gesteld het hart dat ondeugdzamegedachten smeedt? Die zijn broeder haat is een doodslager, en geweet dat geen doodslager het eeuwige leven in zich heeftblijvende. Wij weten dat al wat de wet zegt, zij dat spreekt totdegenen die onder de wet zijn, opdat alle mond gestopt worde, ende gehele wereld voor God verdoemelijk zij. En dit past hij toeop alle gruwelen waar hij van gesproken had, en we u vanovertuigd hebben, dat uw keel is een geopend graf, enz. Ziet dit,en laat het u bekommeren met verlegenheid, opdat ge niet langerhet leven van uw hand moogt vinden, al zoudt ge bedrukt endoodbrakende worden. Want dat zou u van de toekomende toorn en detweede dood doen vlieden.

Zijn er onder u die van hun bloedschuld zoeken verlost teworden, en geen raad weten wat te doen? Hoort gij dan, die overuw snoodheid en oordeel treurt en weent. Ik heb een goed woordvoor u, en och, dat uw ziel het innam, om u straffeloos voor uwRechter te stellen. Het is dit: God heeft Zijn Zoon tot Borg voorde doodschuldigen gesteld, en Hij heeft er Zichzelf aan ZijnVader toe verbonden, en werkelijk de borgtocht voldaan, als hijZich uit liefde en door de ijver van Gods huis heeft latenverteren en Zich overgegeven heeft tot een offerande enslachtoffer, Gode tot een welriekende reuk. Omdat Hij in deplaats van de doodschuldigen stond, is Hij, de Vorst des levens,gedood. Om onze zonden overgeleverd en gestorven, naar deSchriften. Ik wil nochtans niet dat ge daarop allen spoediggerust zijt, alsof Hij voor alle mensen gestorven was. We wetenbeter. Maar ik wil dat ge Hem zoekt te gewinnen, om deel aan Zijndood te verkrijgen, opdat Zijn dood als de uwe en voor u gerekendmocht worden. Weet dan dat Hij Zichzelf Zijn dood, en daardoorhet leven u aanbiedt. Want de dood hebbende teniet gedaan, zoheeft Hij ook het leven en de onverderfelijkheid aan het lichtgebracht door het Evangelie. Raakt dan zijn Evangelische scepteraan, om met de Heere vrede te maken, en laat Hem, u met Godverzoenen, gelijk u geraden en gebeden wordt in Jes. 27 en 2 Kon.5. Vlucht naar Hem als de welverzekerde Vrijstad, gelijk demoordenaar aan het kruis. De Naam des Heeren is een sterke toren:de rechtvaardige daarheen lopende, wordt in een hoog vertrekgesteld. Och, rust toch niet voordat ge dadelijk en werkelijkZijn dood zijt deelachtig geworden, en daardoor met God verzoendzijt. Bij U is vergeving, zegt David tot de Heere in Ps. 130,opdat Gij gevreesd wordt. Wie dan vergeving heeft, en die hetleven geschonken is, zie toe, dat hij toch zijn dodelijkegestalte, die doodslagen opwelt, kwijt rake. Gramschap,toornigheid, kwaadheid en lastering moet men afleggen, naar desapostels vermaning. Hoezeer men ook verongelijkt en beledigdwordt, men moet geen toorn of wraakzucht behouden. Elk bidde totGod: Vergeef ons onze schulden, gelijk ook wij vergeven onzeschuldenaren, Zullen we dan niet graag vergeven? Welk bewijskunnen we hebben, dat we vergeving hebben, zo we het ongenoegentegen de naasten behouden? Gerechtvaardigden, merkt eens op hoezwaar en dikwijls gij de Heere getergd hebt, en hoe lankmoedigHij uw zonden verdragen, en hoe hartelijk Hij u die vergevenheeft. Ja, ze liever in Zijn dierbare Zoon heeft willen straffendan in u. Zult gij dan, die tienduizend talenden zijnkwijtgescholden, uw mededienstknecht niet honderd penningenwillen kwijt schelden? Ik vermaan u dan met Paulus: Allebitterheid, toornigheid, gramschap, geroep en lastering zij van ugeweerd, met alle boosheid. Maar zijt tegen elkandergoedertieren, barmhartig, vergevende elkander, gelijk ook God inChristus u vergeven heeft. Zijn dan Gods navolgers, als geliefdekinderen. En wandelt in de liefde, gelijk ook Christus onsliefgehad heeft, en Zichzelf voor ons heeft overgegeven, tot eenofferande en slachtoffer, Gode, tot een welriekende reuk. Zietdezelfde vermaning in Kol. 3.

Immers moesten die zonden met een dodelijk haat vervolgd engedood worden. Ze zijn toch moordenaars van uw ziel. Ja, de Vorstdes levens hebben zij gedood. En daarom, nagelt ze ook aan Zijnkruis, opdat blijke dat ge Christus toebehoort. Want dezulkenhebben het vlees met zijn bewegingen gekruist. We mogen geen mensdoden, maar onze oude mens die ons nog nader is moeten we doden.

Moeten we ons omtrent onze naaste zo gedragen, veel meer danmoeten we ons eigen leven verzorgen. We hebben ons leven als eendierbare schat van de Heere verkregen. We moeten het dan ook voorHem en tot Zijn dienst verzorgen en bewaren. Het past ons dan,dat we ons niet alleen van lichtvaardigheid en alleongerechtigheid, die ons in levensgevaar brengt, hoeden, maar ookdat men naar Gods wil, naarstig is om zich, door wettigemiddelen, van levensonderhoud te verzorgen. Hoort en betrachthetgeen Paulus zegt in 2Thess. 3:10-12: Toen wij bij u warenhebben we u dit bevolen dat, zo iemand niet wil werken, hij ookniet ete. Want wij horen dat sommigen onder u ongeregeldwandelen, niet werkende, maar ijdele dingen doende. Doch dezodanigen bevelen en vermanen wij door onze Heere Jezus Christus,dat zij met stilheid werkende hun eigen brood eten. Is men nietgoed gesteld, maar ziekelijk, men gebruike dan ook geneesmiddelentot herstel. Ze zijn toch van de Heere tot genezing gegeven. Menmoet er dan ook niet afkerig van zijn, maar ze volgens Zijn wilgebruiken. Als de Heere God het leven van de dodelijk ziekeHiskia met vijftien jaar wilde verlengen, toen beval hij dat zeeen pleister op zijn gezwel zouden leggen. Vertrouwt echter, totbehoudenis van het leven, niet op uw zorg, noch op de uitwendigemiddelen, maar alleen op de Heere, om uit Zijn hand te leven. Hetwas een vlek op de godsvrucht van Asa dat hij niet de Heere zochtin zijn krankheid, maar de medicijnmeesters. 2 Kron. 16:12. Diealzo of anders naar Gods wil in lijden of in levensgevaar is,moet zijn ziel aan de getrouwe Scheper bevelen met weldoen, naarPetrus' les in 1 Petr. 4:19. En heeft men gebrek aan dagelijksvoedsel of kleding, men zij dan ook niet al te neerslachtig. God,Die onze Vader is en Die ons leven is en de duur van ons levenbepaalt, Die ons het leven geeft, de vogels voedt en het gras desvelds sierlijk bekleedt, zal ons ook van het een en het andereverzorgen, gelijk de mond der Waarheid leert in Matth.4:42-34.

Het is waar, gelovigen, gij moet ook de dood sterven. Doch diezal u overkomen om u het leven te doen beŽrven, en om u daar testellen, waar de dood niet meer zal zijn, noch rouw, nochgekrijt, noch moeite. Want naar Paulus' voorzegging, zal hetverderfelijke de onverderfelijkheid, en het sterfelijke deonsterfelijkheid aandoen.

Amen.