Kohlbrugge over Romeinen 7 : 14


Aan het slot van de zo straks aangehaalden Brief (aan Freule v. V. d.d. 23 Nov. 1833) schrijft Kohlbrgge: "De aanleiding tot de preek was niet de brief van Da Costa, welken ik eerst in deze week ontving, maar ik had mij reeds lang voorgesteld zulk een te houden. God gaf mij gedurig andere teksten. Laatstleden Zondag (18 Nov.) was het de tijd". En op een vroegere plaats van dien uitvoeringe brief staat: "Voor 14 dagen (d.i. op 11 Nov.) preekte ik des morgens over de woorden: De rechtvaardige zal uit het geloof leven". Laatstleden Zondagnamiddag (18 Nov. 1833): "Doen wij dan de wet te niet door het geloof ? Dat zij verre, maar wij bevestigen de wet". (Ro 3.31.) De werking dezer beide predikaties vooral was geweldig. In de laatste tastte ik de schouwburg, concerten, bals, opera's, onderdrukking der arbeidslieden, onderling bedrog in koopmanschap en nering, in het kort alles wat ik verkeerds in Elberfeld had opgemerkt, vrijmoedig aan. De werken des burgemeesters, die concerten laat geven voor armen !! er onder begrepen, eindelijk ook de vals mystieke heiligheid van Tersteegen, toonde aan, wie de eigenlijke Antinomianen en tenietdoenders der wet waren, en stelde daarop voor, hoe Christus het einde der wet was, en hoe het niet anders zijn kon, of die het ware geloof hadden brachten ook vanzelve vruchten der dankbaarheid voort. Vooral tastte ik ook die aan, die tot stelregel hebben: laat ons zondigen, opdat de genade des te heerlijker worde, en die zich als zwijnen openbaar laten kenmerken. De valse broeders en Christenen, die nog niet recht ervaren hadden, dat Ro. 7:14 geen compliment is, bleven ook niet verschoond." Nu, het woord van God keert niet ledig weer; de waarheid behaalde hare zege; vele werden door die prediking aangegrepen, ontdekt, uit hun zondengraf opgewekt en in de ruimte gezet. Wie immers de wille Gods wilde doen, die bekende van deze leer, dat zij uit God was, en dat die leraar niet van zichzelf sprak. Evenals K. zelf door de genade des Heilige Geest de waarheid erkend en door Dies drijving de preek op schrift had gebracht, zo ging ook velen hoorders en lezers het licht op in de duisternis, en menig vermoeide en belaste ziel ontving de troost van de vergeving harer zonden en de gewisheid van hare volkomen zaligheid. Evenzeer verwekte dit getuigenis geweldigen aanstoot en ergernis. Merkwaardig echter genoeg: de n noemde K. een wetdrijver, de ander een wetbestrijder. "Men heeft mij meermalen schamper bejegend of bespot of gehouden voor iemand, die de zogenaamde volmaaktheid dreef, of de wet verwierp, dus f beschouwd als een Antinomiaan f als een volmaaktheidsdrijver" (Brief aan Drost). Zo gaat het, als de waarheid van God gepredikt wordt" en elk, die het woord recht snijdt, moet zich met lijdzaamheid wapenen tegen de gewoons der eigengerechtige en valse broeders, dat hij zowel een wetbestrijder als een volmaaktheidsdrijver is". (Bevestigende Vragen en Antwoorden op de Heidelb. Catechismus blz. 161.) Tegenover al de tegenwerpingen antwoordde K. met het woord van God; hij zegt steeds en zeer beslist tot de bestrijder : "zo staat er geschreven, en gij moogt toezien". Hetgeen hij ontvangen had van de Here, stond bij hem vast; dat was hem heilig, dat hield bij staande, daarbij volhardde hij. De vijandschap tegen de leer, die K. preekte, hebben niet alleen Da Costa en vele van zijn vroegere vrienden uit de kring van het Rveil, en die straks tot de Afscheiding (1834) overgingen, getoond, maar ook nog heden roepen even velen, en dat, schoon zij beter kunnen weten, dat door Kohlbrgge geleerd wordt: "weg met de wet, wij worden niet beter, maar al erger". Dat door hem (en zijn leerlingen) slechts ellende en verlossing gepredikt wordt, maar geen dankbaarheid; dat door hem (en zijn volgelingen) de leer der Heiligmaking verzaakt wordt. Die laster meent men straffeloos te kunnen en te mogen verbreiden en voor die prediking te waarschuwen. Dan vindt men hier, dan daar dergelijke aantijgingen, bij de een in zeer scherpe bewoordingen, bij de ander meer gemoedelijk; dan spreekt men van "Kohlbruggianen", en een weet reeds wie daar onder zijn te verstaan, eigenlijk: Antinonianen - of van "Neo-Kohlbruggianen", (deze benaming is uitvinding van Dr. A. Kuyper *), waarmee deze de z.i. van Kohlbrugge afgeweken leerlingen aanduidde) en beschuldigt hen als afwijkende van de Gereformeerde leer. De waarheid van God zal echter blijven staan, en wij zullen er geen haar aan krenken, noch een stroobreed wijken! 1887. en verder de beschuldigingen in de dictaten over de dogmatiek voor de studenten der Vrije Universiteit, en verstrooid in vele anderen werken. Tegenover hetgeen uit de kring der tegenstanders van K.en diens prediking, ondanks betuiging van waardering, is gezegd en geschreven, hetzij deze zich bevinden in de Nederlandse Hervormde Kerk of onder de zich noemende "Gereformeerde Kerken" (A of B of C) 1834 of 1886 geleerden van professie *) of meer ontwikkelde gemeente leden** of wie en waar immer zij mogen gevonden worden, leze men Kohlbrugge's eigen getuigenissen, zijn preken, en oordele dan! * Zie o.a. Dr. G.J. Vos Azn.: Groen van Prinsterer en zijn tijd Dr.J. Groenewegen in de Stemmen voor waarheid en Vrede". 1882. Prof.Dr. S.D. van Veen: een eeuw van worsteling. 1904 (handelt op blz. 513-517 over Kohlbrugge; zie met betrekking tot deze kwestie blz. 516. ** Zie o.a.J.Kuiper, Geschiedenis van het godsdienstige en kerkelijk leven in Nederland. blz. 436 vv. H. Veenendaal, (toen hoofd der Chr. school te Silvolde), thans leraar aan de Chr. Kweekschool voor onderwijzers en onderwijzeressen te Leiden): Iets over Dr.Kohlbrugge en zijn volgelingen. (Referaat, gehouden in de ringvergadering van Geref. Jongelings-Vereenigingen in "de Graafschap" te Varsseveld 28 Oktober. 1898.) Hierin wordt ook van Kohlbruggianisme, Kohlbruggianen en op voetspoor van Dr. A. Kuyper van Neo-Kohlbruggianen gesproken. De naam van de schrijver was niet bekend, maar het Voorbericht werd getekend H. Te Velde, V.D.M. Dr. J.van Lonkhuyzen noemt het in zijn genoemd werk en aldaar: Een woord vooraf (blz. 3.) "een zeer verdienstelijk werkje" en zegt er van: "het geeft behalve mededeling van de voornaamste gebeurtenissen uit K.'s. leven, van hem en van zijn leerlingen en hun prediking een vrij juiste beschrijving en gezonde beoordeling". Opmerkelijk is het, dat juist van de zijde dergenen, die zich het meest beroemen gereformeerd" te zijn en met de Belijdenis overeen te stemmen, de meest hatelijke aantijgingen geschied zijn. Ik denk daarbij aan het pamflet, dat uit de hoek der Christelijk-Gereformeerde Gemeente te Middelburg in 1870 is te voorschijn gekomen. waar zekere A. Buyk in een Brochure "Het Antinomianisme van de WelEd. Heer Bernhardt te Utrecht ontmaskerd, bestreden en weerlegd" ook melding maakt van de "Kohlbruggiaanse geest" en geweten heeft dwalingen aan te wijzen bij de "wijdberoemden heer Kohlbrugge" hoofdzakelijk in de leer van de wet en de heiligmaking", een man, die zichzelf noemt "een bijna 70-jarigen bewandelaar van de weg naar Jeruzalem daarboven", wiens geschrift N.B. kerkelijk goedgekeurd het licht zag. Deswege heeft Ds. W.E.M. Engelberts die "Kerkelijke Goedkeurders van Buyk's Antinomianisme terechtgewezen wegens overtreding van Gods eeuwig geldende Geboden". (Utrecht. J.J. H. Kemmer 1870.) Daarbij tekenen wij slechts aan het schriftwoord: Psalm 37:32-40. Een uitnemend boek, dat tot verweer dient tegen Dr. van Lonkhuijzen's dissertatie (Dr. J. van Lonkhuijzen Dr. H.F. Kohlbrugge en zijn Prediking in de lijst van zijn tijd. Wageningen 1905. Naamlooze Vennootschap: Drukkerij "Vada", bij de Vrije Universiteit), waarin bij veel waardering toch de staf gebroken wordt over Kohlbrugge en diens leer, is het onlangs verschenen geschrift van Dr.J.C.S. Locher ("Verschenen te Amsterdam 1908 vanwege de "Maatschappij tot uitgave van Gereformeerde Geschriften"). "Toelichting en Verweer, opmerkingen aangaande verschillende punten der waarheid enz", waarin de lezer ook menig stuk vindt, dat over Romeinen 7 klaarheid verschaft (Ook zij gewezen op het lezenswaardig boekje van Ds. Th.J. Locher Noch Perfectionisnie noch Antinomianisme. Korte verklaring van Heidelb. Catech. Vr. en Antw. 114 en 115 en van Rom. VII. Amsterdam.) Te voren reeds had Dr. Locher de afgescheiden Predikant J.C.G. Voigt aangegrepen, die in "de Bode der Gereformeerde Kerken in Noord Brabant en Limburg" een stuk geplaatst had "De Neo-Kohlbruggiaanse dwalingen", waarin ook over Dr. K. wordt gehandeld en de dwalingen opgesomd, uiteengezet en aan Gods woord getoetst en weerlegd worden. In Nr. 3 komt de preek over Ro 7:14 ter sprake, waaruit in Nr. 4 enige uitdrukkingen worden aangehaald, die "toenmaals reden moesten geven, om ongerust te zijn ten aanzien van zijn leer omtrent Gods wet". Het stukje, dat volgt, luidt: "Kohlbrugge zegt in die preek bijv.: "De wet is een lijk, waarmee de Christen niets meer heeft uit te staan, daarom weg met de wet; wij worden immers niets beter, maar al erger? Ook de wedergeborene is en blijft onmachtig, hij blijft ledig in zichzelf; daarom moet hij zich lijdenderwijze gedragen; goede werken brengt hij vanzelf voort, zonder dat hij het merkt .Alle doen is verkeerd, zelfs dit of dat te willen vermijden. Ge kunt niets willen, heden onheilig, na een jaar nog onheiliger. Daarom is alle streven naar heiliging verkeerd. We behoeven ook niet heilig te worden, wij zijn het in Christus. Hoe gruwelijker voorwerp de mens is, des te heerlijker meesterstuk van Gods genade. Alle heiligingsstelsels moeten overboord. Wat gij hebt is zonde, gij kunt niets dan zondigen. Al dat tobben met de wet en de heiligmaking doet de duivel groot genoegen enz. Van de "oefening in de godzaligheid" wil K. niets weten, het "staan naar de volmaaktheid" keurt hij af, het "trachten om Gode waardig te leven" noemt hij de ergste zonde, daar toch alle mening van voor God te willen leven op zelfbedrog en huichelarij uitkomt. Ook wordt het woord Gods "doodt dan uwe leden" aldus verklaard: "houdt ze voor dood". Deze uitdrukkingen gaven, zoals te begrijpen is, veel aanstoot. Ds. Brummelkamp (bedoeld is Ds. A.Brummelkamp, in leven predikant bij de Chr. Afgesch. Gemeente te Hattem, later docent aan de Theologische School te Kampen, overleden 1888) bracht hem met zachten ernst het gevaarlijke er van onder het oog. Maar het antwoord was een scherpe brief, waarin hij Brummelkamp zijn verontwaardiging laat gevoelen, omdat deze "zijn naam in Nederland stinkende had gemaakt, hem beschuldigende van antinomianisme". Tot zover Ds.Voigt. Wij behoeven op een en ander nu niet meer in te gaan, maar voegen deze kleine aantekening hierbij: dat Brummelkamp en Kohlbrugge, zijnde tijd en studiegenoten, met elkaar nauwe vriendschappelijke omgang hebben gehad; dat de Afscheiding ook tussen hen een scheuring heeft teweeggebracht; dat K. in zijn schrijven aan Br. uit Utrecht 1839 verklaart: (De briefwisseling verscheen onder de titel: Twee Brieven uit het jaar 1839. Amsterdam. Scheffer en Co 1894. De vorige uit gaven zijn foutief)."Te Utrecht hebben zij tot n toe allen vr de Afscheiding persoonlijke omgang met mij gehad. Ik bleef al tijd te huis, om een iegelijk met des Heeren woord en met de vertroostingen, waarmee de Heere mij vertroostte, te dienen. Zij hebben mij, de een voor, de ander na, verlaten, zich stotende aan dat woord". En Kohlbrugge verklaart aldaar: Niet ik heb mij verwijderd van degenen, die Gij uw Gemeente noemt, maar zij, ten minste voor zoveel de Utrechtse en verscheidene andere Afgescheidenen aangaat, hielden en houden zich tot dus verre verwijderd van dien zij niet horen willen vanwege hun afkerigheid van 's Heeren wet". En in het jaar 1863 schreef K. uit Bazel, waar hij bij zijn schoonzoon, toen Privaatdocent Dr.E. Bhl, vertoefde, een brief aan zekere vriend L., dien Ds. H.W.C. Kocken 1879 uitgegeven heeft, waaraan wij het navolgende ontlenen: "In 1833 verscheen mijn leerrede over Ro. 7:14; zij, die spoedig daarop de Afscheiding invoerden, verwierpen die leerrede en beschuldigden mij van Antinomianismus of wetbestrijding. Ik doorliep toen alle de boeken, die ooit van de Antinomianen uitgegeven zijn. Dat noemde ik en dat noem ik nog onschuldig bloed vergieten, iemand te beschuldigen van de ketterij aller ketterijen, waarvan mijn ziel een afschuw heeft. Zij verwierpen in mijn persoon het getuigenis, waarin de redding van Kerk en land lag. Tegen al mijn waarschuwen aan werd de Afscheiding begonnen en doorgezet. Honderden, die zich afscheidden, vraagden eerst bij mij aan, ik zou hun in de Naam des Heeren zeggen, wat hier de rechte weg ware, 't welk zij dan aanhoorden; weer en weer komende zeiden zij eindelijk, zij hadden er geen licht in, en scheidden zich intussen spoedig daarop af. Zij, die de Kerk waren, gingen kerkjes stichten, lieten zich door deels onbekeerde jongens drijven, om naar vlees te kunnen wandelen, en verwierpen in mij de van God gezonden en door veel lijden toebereide getuige, die weer met de leer kwam, welke God op 't hoogst verhoogt en de mens op 't diepst verootmoedigt. Die ik liefhad keerden mij de rug toe, en de vijanden hadden hun wil. Zo stonden de zaken toen; nu zijn wij ongeveer 24 jaren verder, en de vijand heeft alles in. 't Is geschied onder Gods rechtvaardig oordeel en hoge toelating, gelijk het opkomen van Saul en zijn regering. Mochten er weinigen gevonden worden, die het de vroegeren napraten om mij te betichten van een ketterij, waarvan ik een afschuw heb. Onder Afgescheidenen en niet Afgescheidenen zijn, die mijn broeders en zusters zijn in de Heere. Moest ik in Holland thans leven, zonder zelf te prediken, ik zou gaan, waar ik het groene gras vond, 't zij niet of wel afgescheiden, latende het verdere aan de Heere over, zonder iets terug te nemen van mijn getuigenis, 't zij links of rechts". Dat mogen nu theologen en gemeenteleden, die zich tegen Kohlbrugge en zijn leer in het harnas gestoken hebben, of de prediking van zijn leerlingen haten en vlieden als verderfelijk, wel overwegen; daaruit zal hun ook blijken, wat die leerlingen als oorzaak achten van al die verwarring en sektemakerij en al de boze handel in Kerk en Maatschappij. Lang kunnen wij dwalen, broeders en zusters, in die hoogstgewichtige stukken der leer der zaligheid, maar toch zal er bij ons het rechte licht over moeten zijn opgegaan, indien wij in vrede zullen wandelen en in leven en in sterven de enige troost deelachtig zijn van Jezus Christus' eigendom te wezen, verlost van de dienstbaarheid der wet, van de zonde, waaronder wij verkocht zijn, van de duivel en diens geweld, en wandelende in de vrijheid, waarmee Christus ons heeft vrijgemaakt, en als in Hem bevonden zijnde, niet hebbende een rechtvaardigheid uit de wet, maar die door het gelove Christi is, namelijk de rechtvaardigheid, die uit God is door het geloof. Kohlbrugge heeft volhard bij deze waarheid en is er op gestorven. Onwaar was het bericht uit de mond van een "broeder" op een conferentie (geestelijke Brigthon-conferentie) te Arnhem, dat wijlen Ds. P. Hut met blijdschap begroette en waarvan hij gewag gemaakt heeft in het Julinummer van het Tijdschrift "Het Eeuwige Leven" 1882, als had K. op zijn sterfbed aan de zuster, die hem de ogen toedrukte, de getuigenis afgelegd, dat hem het rechte gezicht op de heiligmaking steeds had ontbroken, en dat hij, als hij nog in het leven gespaard werd, die nu gans anders zou prediken. Hoe kon men toch komen tot zulk een verzinsel! Dat het bericht een leugen was, zo in zijn geheel als in zijn delen, daarvan heeft Hut zich zelf overtuigd, en in het Octobernummer van hetzelfde Tijdschrift verklaring afgegeven, daaraan toevoegende een schrijven van Ds.A.J. Eijkman, waarvan wij de hoofdinhoud hier laten volgen: "Al stond het onware van bovenstaand getuigenis voor mij vast, daar toch ik, gelijk allen, die kennis namen van hetgeen Ds. K. leerde en schreef, weet, dat zijn standpunt op latere leeftijd in geen enkel opzicht verschilde van dat van zijn vroegere periode, in tegendeel, al wat door hem geschreven is, zich kenmerkt door een vastheid van overtuiging, zoals de Heilige Geest overeenkomstig het woord Gods werkt, Evenwel heb ik gemeend, ter bevestiging der waarheid, tot versterking en vertroosting van allen, die Godzaliglijk willen leven in Christus Jezus en deswegens vervolgd worden, een zodanig getuige te moeten horen, die door zijn dagelijks verkeer met de geliefde ontslapen leraar als volkomen bevoegd ten deze gelden mag. Deze is Ds. J. Knzli, predikant bij de Nederl. Geref. Gemeente te Elberfeld, die mij op mijn schrijven over deze zaak het volgend antwoord toezond: "Het is mij lief, dat gij mij in de gelegenheid stelt, u te schrijven, dat wat die "broeder" op de conferentie te Arnhem omtrent Ds. Kohlbrugge gezegd heeft, een leugen is, zoals iedereen, die de ontslapen leraar gekend heeft, wel weten kan. Ik ben in zijn laatste ure tegenwoordig geweest, en in zijn laatste ziekte heeft niemand anders dan zijn schoondochter hem verpleegd en opgepast, en iets van dien aard heeft Ds. K. nooit gezegd. Neen, onze dierbare leraar is tot aan zijn einde toe vast gebleven bij het getuigenis van de waarheid Gods, ook omtrent de heiligmaking, zoals hij het zijn ganse leven door beleden, en waarvoor hij gestreden heeft". Nog kan ik hier bijvoegen, dat Ds. K. tot een vriend, die hem tijdens zijn ziekte dagelijks bezocht, een paar dagen vr zijn sterven met blijdschap en volkomen zielerust sprak: "Wat is het toch goed, dat men de weg gevonden heeft, als men jong is; want dan behoeft men niet meer te zoeken, als men oud is geworden." Hierbij sta ten slotte het woord, dat Ds. Kohlbrugge bij de viering van zijn 25-jarig ambtsjubileum (7 juni 1871) gesproken heeft (Zur Feier des fnfundzwanzigjhrigen Bestehens unseres Vereins. Elberfeld 1889. Zie de "Stemmen uit Jeruzalem", III Jaargang. Nr. 4. Toespraak, gehouden door Ds. H.F. Kohlbrugge de 7de Juni 1871 blz 13)): "ik sterf daarop en herroep van al wat ik geschreven heb en gijlieden in handen hebt, geen tittel noch jota. Ik weet, dat het Gods woord is, in rein goud en zilver, want ik heb het niet uit de mouw geschud, maar van uit het diepste lijden heb ik het ulieden meegedeeld". Van af het tijdstip, dat Ds. K. de preek over Ro 7:14 heeft gehouden, kan van hem inderdaad hetzelfde gezegd worden, wat Beza in zijn biografie van Calvijn schrijft, dat deze op zijn laatste levensdag nog hetzelfde heeft geleerd als wat er in zijn eerste geschrift door hem is verkondigd. Zoals in Nederland ging het in Duitsland. In het Wupperdal (Elberfeld Barmen Gemarke) werden zijn preken door een overgrote schare gehoord; velen drong zijn woord in het hart; velen bekeerden zich tot God en geloofden in de Heere Jezus Christus, deden afstand van hun leven en vrome werken, om Gode te leven door het geloof, en werden op de vaste grond gezet, die niet wankelt in der eeuwigheid. Maar ook velen stonden tegen. De vijandschap tegen de leer, die Kohlbrugge beleed, toonde zelfs hij, die 't eerst hem de kansel afstond: Dr. F.W. Krummacher (neef van Ds. G.D. Krummacher, te Elberfeld) destijds predikant te Gemarke, daarna te Elberfeld en later hofprediker te Potsdam, die in zijn "Palmbltter" een breed artikel aan "Kohlbrugge en zijn school" (In het Duits staat er: "Der Doctor Kohlbrugge, und seine Schule") heeft gewijd, welk stuk later (in 1859) aan Dr. F.W. Krug, hulpprediker te Elberfeld, tot een historische wegwijzer (tot op 1845) heeft gediend voor zijn lezingen over gelijkluidend thema. Deze lezingen zijn op genomen in diens boek: "Kritische Geschichte der protestantisch-religisen Schwrmerei, Sektirerei und der gesammten un und widerkirchlichen Neuerung im Grossherzogthum Berg, besonders im Wupperthale". (Vorlesung 19-21.) Verkort vindt men dit stuk in het "Repertorium voor Buitenlandse Theologie" (uitgegeven door I.P. de Keijser. Jaargang 1852 blz. 76 vv.) waar de lezer mede ongelooflijk vuile oordeelvellingen van de "Vertaler" vinden kan. Hetgeen echter Krug toen als waarheid meende te moeten verkondigen, heeft hij in 1856 in "Zur Steuer der Wahrheit" herroepen; dit stuk werd in 1857 in het Nederduits uitgegeven onder de titel: "Hulde aan de waarheid. Herroeping van vroegere onjuiste oordeelvellingen omtrent de Weleerw. Heer Dr. Kohlbrugge en zijn leer, door Dr. F.W. Krug (Amsterdam, bij Spin en Zoon 1857) "Belangrijk zowel door vele geschiedkundige bijzonderheden, als door de beschrijving van Dr. K. in zijn werken en in zijn wandel, dienstbaar om ook hier te lande veler vooroordelen weg te nemen en Gods leidingen te doen erkennen". In eerstgenoemde werken hebben n Krummacher n Krug Dr. Kohlbrugge aangegrepen zowel wegens zijn leer (op onderscheidene punten) als ook wegens zijn kerkrechterlijk standpunt, bepaaldelijk de verhouding van hem en van de te Elberfeld gestichte Nederlandsch Gereformeerde Gemeente (Constitutionsakte 1847) tot de Duitse Evangelische Lands kerk (Gereformeerde en Lutherse Kerken in n kerkverband) bij wie de Agenda d.i. een uit Roomse en Lutherse Formulieren samengestelde liturgie van regeringswege was ingevoerd of opgedrongen, en waarvan de belijders der Gereformeerde leer en kerkinrichting niets wilden weten. Meer hierover wellicht later. A. L.


Laatste update 10 november 1997 M. Diepeveen