Schriftverklaringen

door Dr. H. F. KOHLBR‹GGE

In leven predikant bij de Nederlands-Gereformeerde Gemeente te Elberfeld

JOB 19 vs. 25

Mijn geliefde broeders en zusters! Het is niet goed, als wij alleen des zondags christenen zijn, maar de gehele week door moeten wij christenen wezen. Het vertrouwen op de levende God moet niet alleen aanwezig zijn, als wij iets zien, als wij naar ons begrip iets hebben, waarop wij ons kunnen verlaten, maar veel meer dan, wanneer er niets is. De waarheid Gods, de waarheid van het geloof is niet van onze gewaarwordingen of van ons gevoelen afhankelijk, ze is niet gebonden aan hetgeen wij zien of grijpen kunnen, maar berust op Gods beloften, door het geloof omhelsd. Die God, Die in de hemel woont, en alles in Zijn hand, macht en geweld heeft, regeert; en voor Hem zijn de mensen als een druppel aan de emmer, als een stofje aan de weegschaal. Wat gebeurt, gebeurt alleen door Zijn hand, geschiedt alleenlijk naar Zijn raad en gelijk Hij het bij Zich-zelf heeft besloten. Zo hebben wij vaak oorzaak met Job te zeggen: zouden wij het goede van God ontvangen en het kwade niet ontvangen? Job 2:10. Geef ons heden ons dagelijks brood" is de bede, die de Heere ons gaf; maar als wij geen brood meer hebben, dan zitten wij diep in de zorgen. Voor zo veel wij naar ons begrip zouden hebben, willen wij wel acht slaan op het evangelie, maar wij luisteren niet gaarne naar Zijn heilige geboden, Zijn heilige wet. Het is bekend, dat wij in een plaats wonen, die sinds eeuwen boven vele andere met Gods Woord en waarheid is begenadigd; maar het is ook bekend, dat de zonden van onze woonplaats ten hemel schreeuwen, dat haar misdaden voor God niet zijn vergeten, en zij vol is van gruwelen tegen de heilige en levende God! Waar zullen wij nu blijven, waarheen zullen wij vlieden, als Gods oordelen over onze stad zullen aanvangen? Waar zullen Zijn kinderen blijven, die Zijn Naam aanroepen? Waar zullen wij ons herbergen, als wij gedenken aan onze eigen zonden? Als wij indachtig worden onze lichtzinnigheid, onze hoogmoed, onze wandel zonder de levende God, waar wij wel iets van genade kennen of menen te kennen, maar slechts alleen zo lang de Heere ons niets in de weg legt! Waar zullen wij blijven, als God de Heere, heden of morgen, voor honderden en duizenden de staf van het brood breekt, zodat men niet meer weet wat te eten of te drinken, of waarmee zich te kleden? Dan staan wij radeloos daar, en waar zullen wij dan de moed vandaan halen, om te bidden: Geef ons heden ons dagelijks brood", daar wij zulke grote en gruwelijke zondaars zijn? Mijn geliefden! Als God komt, dan gaat het gewoonlijk, alsof, terwijl alles licht is, er plotseling een glas springt (Op hetzelfde ogenblik, dat de schrijver deze woorden uitsprak, sprong het glas van een der gaslampen.). Bij God is geen ding onmogelijk. Kan God brood en kleding geven, kan Hij werk verschaffen, kan Hij helpen, als buitendien volstrekt geen uitzicht daarop bestaat? Het antwoord van alle is gewis: ja! Maar wat heb ik aan dat blote: ja, wat heb ik aan de Almacht Gods op zichzelf? Alleen dan heb ik daaraan iets voor mijn arme ziel, te midden van mijn kommer en mijn zorgen, als ik mij met al het mijne mag werpen op de levende God. Wat is toch wel het zwaarste stuk voor het geloof? Dat is de wederopstanding der doden. Dat God een mens, op wonderbare wijze, laat geboren worden, dat Hij hem laat opvoeden en van alles verzorgt, dat Hij hem laat sterven en hem in de hemel opneemt, dat is alles nog niets, maar dat Hij ten laatste ook over het stof blijft staan, dat Hij, als de wormen reeds lang deze mijn ogen, dit mijn lichaam, deze mijn huid zullen doorknaagd hebben, nochtans alles weer zal verzamelen en te voorschijn roepen uit de graven, zodat een ieder voor Hem zal staan in zijn eigen lichaam, dat is groot, dat is wonderbaar! Zo wij recht daarvan overtuigd zijn, mogen wij Hem dan niet al het andere vrij overlaten, al het andere Hem toevertrouwen? Wanneer wij reeds lang in de graven zullen zijn gezonken, als ons stof lang vergeten is in het land der levenden, als de wormen ons lichaam doorknaagd, en geheel opgelost zullen hebben, waar zal dan het stof blijven! Wie zal daarover waken? Wie zal dat weer verzamelen en verheerlijken, zodat het gelijkvormig zij aan het verheerlijkte lichaam van Christus? Dat kan Hij alleen! Dat zal Hij alleen doen, die getrouwe Vriend! En zo Hij dat doen kan en doen zal, zal Hij dan ook niet voor alles voor dit leven zorg dragen? Dit betuigt de lijdende Job als hij spreekt in Job 19:25: Want ik weet, mijn Verlosser leeft!

Wij slaan hier acht op de naam "Verlosser"; op het geloof dat spreekt: "mijn Verlosser"; op hetgeen van deze Verlosser gezegd wordt: Hij leeft"; op de vaste overtuiging die zich daarin uitspreekt, dat Job zegt: ik weet. En eindigen met enige toepasselijke opmerkingen. Het woord "Verlosser" beduidt hetzelfde als "Bloedvriend, nabestaande", die ons naar het bloed de naaste is, die het recht bezit, zijn bloedvriend te helpen, hem vrij te kopen, zo hij zichzelf verkocht heeft; hem vrij te kopen niet alleen voor zover het zijn persoon betreft, maar ook zijn goederen, die hij mocht hebben verkocht of weggeworpen. "Losser, verlosser" betekent iemand, die met een losgeld, een losprijs de goederen wederom verwerft, die een bevriend persoon verkocht heeft. Verder beduidt het woord "verlosser" een bloedwreker, die het vergoten bloed van een verslagene wreekt; als ook hij, die de kinderloze weduwe van zijn broeder of nabestaande zich ter vrouwe neemt. In deze verschillende betekenissen vinden wij het woord "verlosser" dikwijls in de Heilige Schrift, zo vooral in Lev.25:25, waar wij lezen: "Wanneer uw broeder zal verarmd zijn, en iets van zijn bezitting zal verkocht hebben, zo zal zijn losser, die hem nabestaande is, komen, en zal het verkochte van zijn broeder lossen. En vers 47 van hetzelfde hoofdstuk: En wanneer de hand van een vreemdeling en bijwoner, die bij u is, wat bekomen zal hebben, en uw broeder, die bij hem is, verarmd zal zijn, dat hij zich aan de vreemdeling en bijwoner, die bij u is, of aan de stam van het geslacht van de vreemdelingen zal verkocht hebben; nadat hij zich zal verkocht hebben, zal er lossing voor hem zijn: ťťn van zijn broeders zal hem lossen; of zijn oom, of de zoon van zijn oom zal hem lossen, of die uit de naasten van zijn vlees van zijn geslacht is, zal hem lossen; of heeft zijn hand wat bekomen, dat hij zichzelf losse. Deze instelling gaf God de Heere ook als profetie, ziende op de geestelijke bloedvriend Christus. Als iemand zich aan de duivel of de zonde als slaaf verkocht heeft, in slavernij geraakt en arm geworden is, zo geeft God naar Zijn wet, d.i. naar Zijn genade, het recht, dat zulk een mens, die zichzelf verkocht heeft, een losser, een bloedvriend hebbe, tot wie hij moet komen, en die hem zal verlossen. Dit is ook het geval, als iemand uit armoede zijn goederen heeft verkocht; daarvan hebben wij ook heerlijke voorzeggingen en instellingen. Losser betekent echter ook "Bloedwreker", Numeri 35:19: "De wreker des bloeds, die zal de doodslager doden: als hij hem ontmoet, zal hij hem doden." Gelijk hij doodsloeg, moet hij ook zelf doodgeslagen worden. Wanneer de doodslager zich niet in een vrijstad bevond, mocht de bloedwreker hem doden, ja volgens de wet was hij daartoe verplicht. Deze instelling was ook een profetie op Christus. In een ander beeld, waar van de vrijsteden wordt gesproken, betekent de doodslager de duivel, die de arme mens doodslaat: daar is dan Christus de bloedwreker, die Zich rust noch vrede gunt, totdat hij de duivel ook doodgeslagen heeft. Christus is voor al de Zijnen de ware, allernaaste Bloedvriend, zodat Hij geen engelen aanneemt, maar het arme zaad van Abraham, dat neemt Hij aan. Overmits dan de kinderen aan het vlees en bloed deelachtig zijn, zo is Hij ook desgelijks derzelve deelachtig geworden, opdat Hij door de dood te niet zou doen dengene, die het geweld des doods had, dat is de duivel; en verlossen zou al degenen, die met vreze des doods, door al hun leven, aan de dienstbaarheid onderworpen waren. Hebr.2:14-16. Nog komt het woord "Verlosser, Losser" in zijn volle betekenis voor in het schone boek Ruth. Daar staat geschreven hoofdstuk 2:19,20: Toen zeide haar schoonmoeder tot haar: Waar hebt gij heden opgelezen, en waar hebt gij gewrocht? Gezegend zij, die u gekend heeft. En zij verhaalde haar schoonmoeder bij wie zij gewrocht had, en zeide: de naam van de man, bij welke ik heden gewrocht heb, is Boaz. Toen zeide NaŲmi tot haar schoondochter: Gezegend zij hij de Heere, die zijn weldadigheid niet heeft nagelaten aan de levenden en aan de doden. Voorts zeide NaŲmi tot haar: die man is ons naastbestaande, hij is een van onze lossers: Christus is onze ware Bloedvriend en Losser, dat wil zeggen: Hij beŽrft al het goed, dat wij verloren hebben, dat wij in onze nood en armoede verkocht, en er aan gegeven hebben, wat wij dus niet meer bezitten. Hij beŽrft en koopt het, en geeft het ons weer met zichzelf, en zet ons weer in ons verloren erfdeel. Zo ook hoofdstuk 4. De andere, de nadere bloedverwant, d.i. de wet, moest eerst gevraagd worden, met hem moest de zaak vereffend worden, eer dat Christus als de ware Bloedvriend kon optreden. Boaz ging op in de poort van het gericht, en zette zich aldaar neer. En als de andere erfgenaam voorbijging, sprak Boaz met hem en zeide: Wijk herwaarts! zet u hier, gij zulk een. En hij, Boaz, nam tien mannen, naar het getal van Gods geboden, van de oudsten der stad, en sprak: zet ulieden neer, en zij zetten zich. Toen zei hij tot die losser: het stuk land, dat van Elimelech, onze broeder, was, heeft NaŲmi, die uit der Moabieten land is weergekeerd, verkocht. Ruth 4:1-3. Dat betekent: zij vraagt, dat gij of ik het los. Wilt gij het lossen of niet? Ja, ik wil het lossen, sprak de nadere bloedvriend. Goed! Maar dan moet gij u ook Ruth, de arme, kinderloze Moabietische weduwe, ter vrouw nemen, om de naam van onze verstorven broeder over zijn erfdeel te verwekken. Dit wilde echter de nadere bloedverwant, de wet, niet, want de wet wil wel onze werken hebben, maar ons zelf kan zij niet aannemen. Christus echter wil zich over de arme, onvruchtbare weduwvrouw ontfermen, zoals geschreven staat, Jes. 54:1: Zing vrolijk! Gij onvruchtbare, die niet gebaard hebt, enz. Dat is alzo een Gošl of Verlosser! Een losser of verlosser is dus volgens de Hebreeuwse taal zulk een, die iemand loskoopt met een losgeld, en dat niet alleen de persoon, maar die ook de verloren goederen en eigendommen terugbrengt. Verder een, die het vergoten bloed wreekt, dus het leven van de zijnen beschermt en bewaart, en eindelijk zulk een, die de van alle anderen gehate en versmade ziel aanneemt, en haar Heiland, Beschermer en Man wordt; en bovendien haar Bloedvriend is. En zo beschouwde Job Jezus Christus als zijn Gošl, Bloedvriend, Losser en Verlosser. Nu geven wij acht op Jobs geloof. Mijn Verlosser, spreekt hij: die alzo mij, niet alleen anderen maar ook mij, met een losgeld vrijgekocht heeft en vrij kopen zal: die niet alleen voor anderen, maar ook voor mij alle verloren goederen meegebracht heeft, en zal weerbrengen, die voor mijn arme ziel zorgt, waar niemand anders voor zorgt, die een wreker is van mijn uitgestort bloed, en mijn vergoten tranen telt, en zich rust noch vrede gunt, totdat mijn bloed op mijn vijanden gewroken is. Dat zegt Job evenals David: 0 Heere! ja, ik ben uw knecht, ik ben uw knecht, de zoon van uw dienstmaagd, gij hebt mijn handen losgemaakt. Ps. 6. Gij hebt recht op mij, die Gij vrijgekocht hebt! Of zoals Thomas uitroept: Mijn Heere en mijn God, want dat is de eigenschap van het ware geloof om "mijn" te zeggen. Ook toen Hij van Zijn Vader verlaten was, riep onze Heiland: Mijn God! Mijn God! waarom hebt Gij Mij verlaten! Dit "mijn" zeggen bevat ook in zich een betuiging van liefde en tederheid. En zo bekent dan de gelovige, als hij "mijn" zegt: mijn Heiland en Verlosser, dat hij zelf zich aan de duivel verkocht heeft, en in diens strikken vast is geraakt; dat hij al zijn goed verkwist en doorgebracht heeft; dat hij in zijn bloed verslagen ligt, en dat zijn ziel is als de ziel van een eenzame en verlaten weduwe, die door alle onweders voortgedreven en ongetroost is. Hij bekent het eveneens, dat hij onder de zonde verkocht is, en als een arme en ellendige daar staat; die echter ook van harte spreekt: "in deze Gošl, in deze Verlosser heb ik alles weer, en ben ik zelf gezet op de weg van het heil." De gelovige bekent door dit "mijn" zeggen, dat zulk een Gošl onontbeerlijk voor hem is, dat hij anders gewis verloren is, maar midden in zijn verlorenheid bekent hij het: deze is mijn Verlosser, Hij is mijn eeuwige toevlucht, en buiten Hem ben ik om en om, geheel en al, ook wat de hope van de toekomende heerlijkheid betreft, een verloren mens. Maar deze is de mijne, wij zijn met elkaar verbonden; en ofschoon Hij eigenlijk mijn Rechter zijn moest, omdat ik mij onder de zonde verkocht, en alles, wat Hij mij gegeven heeft, doorgebracht heb, zo verwacht ik Hem toch met een opgericht hoofd uit de hemelen, want ik weet, dat Hij mij niet veroordelen zal, daar Hij zich zelf te voren onder het gericht van God gesteld heeft om mijnentwil. En dat weet ik ook, dat Hij woord en trouwe houdt. En ofschoon ik verloren ben, en alles verloren heb, nochtans heb ik een machtige Bloedvriend. Hij is mijn Gošl en Borg, Hij zal voor mij betalen, en heeft voor mij betaald tot de laatste penning toe. En ofschoon ik diep in de ellende zit, ben ik nochtans niet ongelukkig, want Hij leeft, die mijn arme, eenzame en verlaten ziel in genade heeft aangenomen. En Hij is mijn Borg, die mijn zaak tot de Zijne heeft gemaakt. Verder heb ik gezegd, dat Hij leeft, dat Hij een levende Verlosser is, en geen dode afgod. Wat is levend? Ach, mijn Geliefden! wat is in ons oog levend? In ons oog leeft alleen wat wij zien, vlees en bloed, de mensen, de guldens, die wij in handen krijgen, het werk, dat wij hebben, om er ons brood mee te verdienen; in een woord, alles leeft voor ons, wat wij zien, en met onze ogen bekijken kunnen. Maar God? Maar de Heere Jezus? Hij alleen moet in onze ogen leven. Welgelukzalig zijn wij, zo al het andere voor ons in de dood gaat. Van Hem getuigt de Apostel Paulus, Rom.6:9 en 10: wetende, dat Christus uit de doden opgewekt zijnde, niet meer sterft; de dood heerst niet meer over Hem. Want dat Hij gestorven is, dat is Hij der zonde eenmaal gestorven; en dat Hij leeft, dat leeft Hij Gode. Dat wil zeggen: eens, voor altoos. En Openb. 1:17,18. En toen ik Hem zag, viel ik als dood aan Zijn voeten: en Hij leide Zijn rechterhand op mij, zeggende tot mij: vrees niet, Ik ben de eerste, de laatste, en die leef, en Ik ben dood geweest, en Ik ben levend in alle eeuwigheid! Amen. En ik heb de sleutels van de hel en van de dood. De alziende Gošl, de Verlosser, mijn Verlosser en God, leeft! Hij is niet dood, Hij is niet als de afgoden, die oren hebben en toch niet horen; die ogen hebben en toch niet zien, die niet spreken met hun tongen, die handen hebben en niet kunnen grijpen, die voeten hebben en zich niet op weg kunnen spoeden, om ons te helpen (Ps.115:5). Neen, Hij, onze Gošl en Heiland, leeft. Hij heeft oren en hoort het wenen, het schreien, het gebed van de Zijnen, ja Hij verneemt ook de stille verzuchtingen, die tot Hem opstijgen. Hij hoort de ouden van dagen, Hij hoort de kindertjes, ja zelfs de kindertjes van twee en drie jaar, die, terwijl hun ouders onder de last van de nood en van het kruis neergebogen zijn, in hun kinderlijke eenvoud spreken: Heere Jezus, vader en moeder zijn zo bitter bedroefd tot de dood toe, Gij kunt helpen, ach! help dan toch ook! Hij heeft ogen en ziet wat in de kast ligt en wat op de tafel staat, en wat in het hart diep verborgen is. Hij ziet het alles. Hij heeft ook handen, om te helpen, en voeten, om Zich tot degenen te spoeden, die diep gebogen in het stof ter neer liggen. En ook als alles ontbreekt, al is er geen vrucht van de wijnstok en geen rund in de stal meer, (Habakuk 3:17) nochtans is hij gelukzalig en nog eenmaal gelukzalig, die op de levende God hoopt; hij, die de psalmen ter hand neemt, en zingt: Hij leeft! mijn Gošl leeft! Dat weet ik, zegt Job, ik weet, dat mijn Verlosser leeft. Het Hebreeuwse woord geeft zulk een weten te verstaan, waarbij men om en om van een zaak overtuigd is, er niet aan twijfelt, maar er ten volle van verzekerd is, een "weten" zoals het weten van de lieve aartsvader Jacob was, toen hij Jozefs beide zonen ging zegenen. Gen.48:17, vv. "Toen Jozef zag, dat zijn vader zijn rechterhand op het hoofd van EfraÔm legde, zo was het kwaad in zijn ogen; en hij ondervatte de hand van zijn vader, om die van het hoofd van EfraÔm, op het hoofd van Manasse" af te brengen. En Jozef zeide tot zijn vader: niet alzo, mijn vader, want deze is de eerstgeborene; leg uw rechterhand op zijn hoofd. "Maar zijn vader weigerde het, en zeide: ik weet het, mijn zoon, ik weet het; hij zal ook tot een volk worden, en hij zal ook groot worden; maar nochtans zal zijn kleinste broeder groter worden dan hij; en zijn zaad zal een volle menigte der volken worden." Alzo, Job wil zeggen: ik ben er van verzekerd, en twijfel er geenszins aan, gelijk ook Paulus zegt in Rom.8:38 en 39; want ik ben verzekerd, dat noch dood, noch leven, noch engelen, noch overheden, noch machten, noch tegenwoordige, noch toekomende dingen, noch hoogte, noch diepte, noch enig ander schepsel, ons zal kunnen scheiden van de liefde Gods, welke is in Christus Jezus, onze Heere. Hoe kon Job dat weten? Dat wist hij uit de in het Paradijs geschonken beloften, dat kon hij weten van Sem, dat kon hij weten van Abraham, want volgens vele oude schriftverklaarders was Job een kleinzoon van Ezau; alzo behoorde hij tot het vijfde geslacht na Abraham. Uit de Paradijsbelofte kon hij het eveneens weten, uit de levende prediking had hij het vernomen; en eindelijk wist hij het door de openbaring van de Heilige Geest. Daar heeft hij het geweten, evengoed als wij, dat het beloofde vrouwenzaad lijden en sterven zou, dat het wederom op zou staan en de dood overwinnen, dat Hij leven en onsterfelijkheid aan de dag zou brengen, dat Hij niet alleen de ziel zou verlossen, maar dat Hij ook het lichaam zou verlossen, door dood, en graf, door verrotting en vernietiging heen! Ja dat Hij, niettegenstaande de verrotting van het vlees, lijf en ziel weer tot een geheel verenigd, in Zijn heerlijkheid zou opnemen. Dit weten wordt hem om zo te zeggen door de nood afgeperst. In het gehele boek Job zien wij een vreselijke strijd. Job begrijpt Gods wegen niet. Ondoorgrondelijk zijn hem de gangen van de Heere, zoals Hij hem leidt. Hij steunt geenszins op zijn eigen gerechtigheid, maar weet toch, dat hij met een goed geweten voor God en mensen geleefd heeft. Hij verstaat echter niet, dat de Koning der Koningen hem daartoe uitverkoren en gezet heeft om het mikpunt te zijn van alle duivelen, omdat Hij door Zijn oprechte knecht Job de gehele hel wilde beschamen. En in deze nood en angst, in deze hoogste aanvechtingen, spreekt hij het vaste en allerhoogste geloof uit, juist toen hij zo diep in nood zat, dat hij spreken moest: "Hij heeft Zijn toorn tegen mij ontstoken en mij bij Zich geacht als Zijn vijanden, Zijn benden zijn te zamen aangekomen, en hebben tegen mij haar weg gebaand, en hebben zich gelegerd rondom mijn tent. Mijn broeders heeft Hij ver van mij gedaan, en die mij kennen, zekerlijk, zij zijn van mij vervreemd; mijn nabestaanden houden op en "mijn bekenden vergeten mij. Mijn huisgenoten en mijn dienstmaagden achten mij voor een vreemde; een uitlander ben ik in hun ogen. Ik riep mijn knecht, en hij antwoordde niet; ik smeekte met mijn mond tot hem. Mijn adem is mijn huisvrouw vreemd; en ik smeek om de wil van de kinderen van mijn buik; ook versmaden mij de jonge kinderen; sta ik op, zo spreken zij mij tegen. Alle mensen van mijn heimelijke raad hebben een gruwel aan mij, en die ik lief had, zijn tegen mij gekeerd. Mijn gebeente kleeft aan mijn huid en aan mijn vlees, en ik ben ontkomen met de huid mijner tanden. Ontfermt u mijner! ontfermt u mijner, o gij mijn vrienden, want de hand van God heeft mij aangeraakt!" Job 19:11-21. Daar roept Job dus om ontferming bij de vrienden, maar vindt die niet; maar stijf en strak zien zij hem aan, als wilden zij zeggen: meent gij, dat gij rechtvaardiger zijt dan God? Hoe verheft gij U, in uw eigen gerechtigheid! In deze nood nu roept en weent hij: Och, of mijn woorden toch geschreven werden, och! of zij in een boek ook werden opgetekend! - dat heeft God laten geschieden - dat zij met een ijzeren griffel en lood voor eeuwig in een rots gehouwen werden. En nu laat hij onmiddellijk volgen: "want ik weet, mijn Verlosser leeft." Hoe kwam het, dat Job dit met zulk een zekerheid zeggen kon? Er zijn er velen, die dit woord stout en driest in de mond nemen, zonder dat het een zaak van het hart is. Wie echter met Job weet "dat zijn Verlosser leeft", die kent ook de gehele macht van de twijfels; die is het vaak bang, ja zeer bang geweest; die is het nog vaak bang om het hart. Die dit woord alleen met de oren horen, en met de mond uitspreken, zonder dat het in hun hart leeft, die kunnen het licht zeggen: ik weet, dat Mijn Verlosser leeft, en luid zingen: Jezus leeft! met Hem ook wij." Waar echter geen twijfelingen zijn, waar geen bestrijdingen zijn, waar geen angst, geen versagen is, waar geen gedurig onderzoeken is, of de grond, waarop men staat, wel vast is, daar is ook geen zaligmakend geloof. Want Geliefden, waar zo alles ontzinkt, daar moet het aan de dag komen, waarop men gebouwd heeft, en wat men weet en gelooft. Dan, als alles is weggenomen, wordt het geloof levendig gemaakt. En ofschoon de vijanden daar machtig zijn, ofschoon de water-stromen vreselijk bruisen, zodat men meent voor eeuwig te moeten omkomen, nochtans breekt de ster van Jacob, de blinkende morgenster, in de duistere nacht door, ja juist daar begint de Heere Jezus te blinken - en door alle nood heen, - met de glans van Zijn bloed, van Zijn doornenkroon, met het licht van Zijn heerlijkheid en macht! Waar dit geloofd wordt in waarheid - dat de Heere zo de duisterste nacht in de heerlijkste dag kan veranderen - daar twijfelt men er niet aan. Maar dat kan men zelf niet uitvinden; daartoe zou men niet komen met sluitredenen van het verstand; dat leert men alleen door genade, door onderwijzing van de Heilige Geest! Daar is dan ook waarachtige verandering van het hart aanwezig, zodat men levend is gemaakt en overgezet in het rijk van de Zoon van God. Voorwaar! Het blijft niet uit, dat de ziel heen en weer wordt geslingerd, het gaat gedurig op en neer, nu eens ligt de ziel vol angst ter neer, dan is zij er weer boven op, nu is zij vol vreze, dan jubelt zij weer, nu heeft men niets, en dan klapt men in de handen van vreugde. Er is strijd en oorlog in de ziel, en in die strijd komt de verzekering: Hij is het, Hij is het, Hij is de Verlosser, mijn Verlosser, die leeft tot in alle eeuwigheid! 0, dat heerlijke woord van de Heere, dat kan maken, dat, ofschoon er niets in de stal, niets in de kast is, er nochtans geen gebrek is; dat, waar het werk ophoudt, er nochtans brood komt; dat, waar de ziel neergedrukt en geperst wordt, er nochtans verademing is; dat een arm schepsel, dat met God worstelt, Hem in waarheid vindt en gezegend wordt! Niet afgeweken van het dierbare Bijbelboek, niet opgehouden met het gebed! Wat in dit boek staat, dat blijft. Eerder vergaan hemel en aarde dan een van s'Heeren goede, genadige en onwankelbare woorden! Eerder vallen de sterren van de hemel, dan dat deze God, deze Gošl de gebeden en smekingen van de Zijnen niet zou verhoren. Maar o! Laat ons toch ťťn ding ter harte nemen, en dat is het behoud van onze arme zielen! Wij verstaan het niet, die te redden; wij denken hoogstens aan uitredding voor het lichaam. Daar behoort genade toe, om te weten, dat men zijn ziel te verliezen heeft, ja! Om te weten, dat men een ziel te verliezen heeft, een kostelijke ziel! Want al schenkt God het een en ander voor dit leven, wat baat het, zo de arme ziel niet gered is? Het volk had eens in de woestijn niets te eten, en zij morden tegen God, omdat zij geen vlees hadden. Waar echter gemord wordt tegen God, daar toont Hij, dat Hij God is. Hij laat kwakkelen komen, het volk wordt rijkelijk verzadigd, maar tegelijkertijd onsteekt de toorn van de Heere geweldig over het volk. Dat hadden zij er nu van! Wat de mens begeert, wat hij op vleselijke wijze van God afdwingen wil, als ware dat de vervulling van Gods belofte, welaan! Hij zal het hebben! Maar dan zal God gewis met Zijn tuchtroede komen, opdat de arme ziel onder al die ingebeelde zegen niet verloren ga. Ik weet, dat mijn Verlosser leeft! Dat is de ware toevlucht. Tot Hem gevloden, waar nood voorhanden is. Dan houdt men zich aan Zijn kruis, al dreigen dood en hel; en werpt zijn nood, angst gebrek en armoede, zijn zorgen voor vrouw en kind, huis en hof, met alles wat ons in het aardse leven drukt, op Hem! Daar Hij zelfs voor het stof zorgt; als Hij, de laatste, blijft staan over ons stof, over ons graf; als Hij ons stof, nadat het ineengestort, of van de wormen gegeten is, weer te zamen brengt, opdat Hij het gelijkvormig make aan Zijn verheerlijkt lichaam, o wat kan Hij dan ook niet doen voor dit aardse leven? Wat kan Hij dan ook niet doen in onze nood? Wat, als wij morgen of overmorgen geen werk hebben? Wat kan dan de Heere? Alles heeft Hij in Zijn hand, macht en geweld! Waar naar en van het zichtbare niets meer te hopen is, laat daar onze blik gevestigd blijven op Hem die leeft, en Die zo almachtig is, dat dood, zonde, duivel, leven en genade, alles in Zijn handen berust. Hij ontfermt zich met eeuwige ontferming, ook waar Hij straft en tuchtigt en met Zijn oordelen komt over stad en land. Nochtans bewijst Hij, dat Zijn Naam Jezus is, en dat Hij ook zorgt voor het dagelijks brood. Hij die arm wilde worden om onzentwil, opdat wij door Zijn armoede rijk zouden worden. Amen.