Preek van Ds.W.C.Lamain te Grand-Rapids

Uitgesproken op 23-06-1963.

Want door Hem hebben wij beiden de toegang door één Geest tot de Vader.

Efeze 2:18

Zingen: Psalm 24:2+3
Lezen: Efeze 2
Psalm 51: 6+7
Psalm 103:7
Psalm 36:3

Geliefden,

David, in de Psalm waaruit we gezongen hebben smeekte: neem Uw Heilige Geest niet van mij. Hij mocht door de genade van de Heilige Geest bewustheid in zijn ziel omdragen dat de Heilige Geest hem was geschonken. Maar er was ook een bewustzijn in zijn hart vanwege hetgeen er achter hem lag wat er voorgevallen was toen hij dien Heilige Geest had verzondigd. En toch in de derde plaats een bewustheid in zijn hart van de noodzakelijkheid dat die Heilige Geest bij hem zou blijven. Al zou God van die man alles ontnemen, zijn paleis, zijn rijk, zijn goederen, en zijn kinderen dat had voor die man niet zo erg geweest als het missen van de Heilige Geest. Neem Uw Heilige Geest, zegt hij, niet van mij. Want wanneer dat zou gebeuren dan zag die man voor zichzelf niet anders, met alles wat er gepasseerd was en met al wat er doorleefd was, dat hij voor eeuwig zou wegzinken. Hij kon die Heilige Geest niet missen van ogenblik tot ogenblik, omdat hij iets, omdat hij een weinig, voor zijn ziel had leren kennen van de noodzakelijkheid van die Heilige Geest. Ook in het toenaderen tot Gods troon met al zijn noden en met al zijn schulden en zonden, met al zijn moeite en met al zijn verdriet.

Vanmiddag wensen we met de hulpe Gods iets te zeggen over de waardij van de Heilige Geest in het naderen tot Gods troon en tot Gods hart.

Onze tekst, die kunt u opgetekend vinden in het voorgelezen Capittel, de brief van de Apostel Paulus aan die van Efeze, het tweede hoofdstuk en daarvan het achttiende vers waar Gods Woord aldus luidt:

Want door Hem hebben wij beiden de toegang door één Geest tot de Vader.

Tot dusver.

De Apostel spreekt in deze tekst van:

EEN ONTSLOTEN TOEGANG

Ten eerste: Tot de Vader

Ten tweede: Door Christus

Ten derde : Door één Geest

Of, DE TOEGANG TOT DE VADER

Ten eerste: Als een grote weldaad

Ten tweede: Onderzoekend wie daartoe verwaardigd worden

Ten derde : Door Wie die toegang wordt ontsloten

Ten vierde: Op welke wijze er gebruik van die toegang wordt gemaakt

Dat zijn onze gedachten die we een weinig wensen te ontwikkelen. Het verband van de tekst daar zullen we niet zoveel van zeggen. Ten eerste Efeze was in het jaar 51 gesticht, op de tweede zendingsreis van de Apostel Paulus. Het waren meestal heidenen die daar woonden en een kleine nederzetting van de Joden was er ook te vinden.

Maar de een zowel als de ander was totaal vervreemd van God en van Christus. De heidenen wisten er niet van en de Joden hadden er ook geen kennis aan. In het jaar 62 heeft de Apostel van uit de gevangenis van Rome deze brief aan de gemeente van Efeze geschreven. Hij heeft geroemd de grote genade en de grote weldaden die God aan die mensen had geschonken. Ze waren levend gemaakt daar ze dood waren in de misdaden en de zonden. Omdat ze uitverkoren waren van voor de grondlegging der wereld. Ze waren met Christus opgewekt en met Christus gezet in de hemel, ze waren uit genade zalig geworden, ze waren in Christus nabij gebracht, en nu hadden ze ook door Christus een toegang tot de Vader.

Om deze tekst recht in zijn verband te zien en te beschouwen, dan is het wel noodzakelijk, geliefden, dat we vanmiddag iets zeggen over het grote voorrecht en over de grote weldaad om een toegang tot de Vader te mogen hebben. Het woord Vader komt in Gods Woord in verschillende betekenissen voor. Het komt voor als een Naam die gegeven wordt aan het Goddelijke Wezen waar de andere Personen in begrepen zijn. En de naam Vader wordt ook in bijzonder gegeven aan de eerste Persoon. En in die laatste betekenis hebben we in deze tekst de Vadernaam te verklaren. Waar in deze tekst van de andere Personen afzonderlijk wordt gesproken. We hebben hier in deze tekst (dat hebt ge wel opgemerkt) een samenvatting van het werk van de Drie Goddelijke Personen. Want door Hem (dat is door Christus) hebben wij beiden de toegang. Wij beiden, dat betekent hier: de Joden zowel als de heidenen. Door één Geest. Er is maar één Heilige Geest, en die ene Heilige Geest heeft Zijn aandeel in het werk der schepping, zowel als in het werk der verlossing en der zaligheid. Want door Christus hebben wij beiden den toegang door één Geest. Opmerkelijk dat er in die tekst niet staat: Want met Hem hebben wij beiden de toegang door één Geest tot de Vader. Waarom zou er niet staan, met Hem? Waarom staat er hier, door Hem? Als er stond, met Hem, dan was Christus geen volkomen Zaligmaker. Met Hem dat betekent, dan zouden wij ook nog een stem in het Capittel hebben. Dan zouden wij er ook nog wat in te zeggen hebben en er aan toe kunnen voegen. Maar dat wordt alles buitengesloten en uitgesloten.

Het is hier alleen zuiver wat op de voorgrond komt, vanmiddag, de Drie Goddelijke Personen met uitsluiting van de mens en van al hetgeen wat van de mens is. Een toegang tot den Vader. We hebben reeds opgemerkt, dat we hier de Vadernaam moeten gebruiken en verklaren ten opzichte van de eerste Persoon.

En wanneer ge dat nu vasthoud dan komt ge weer tot drieërlei ondergedachten, die uit deze tekst vloeien. Want we weten dat de eerste Persoon in het Goddelijke Wezen Vader genoemd wordt uit kracht van de eeuwige generatie. Ten tweede: Uit kracht van wondervolle schepping. En ten derde: Uit kracht van genadige herschepping.

Over het eerste stuk zullen we zeer kort over zijn omdat we er weinig van kunnen zeggen. Dat is een grote verborgenheid waar wij met ons verstand niet in kunnen dringen en niet in kunnen komen. Er staat in Psalm 2:7 "Gij zijt Mijn Zoon, heden heb ik U gegenereerd."

En de generatie, is een zaak, die zonder begin is en die ook nooit een einde zal nemen. Omdat wij eindige schepsels zijn kunnen wij dat niet bevatten. Alles waar wij over kunnen denken dat is over iets dat een begin heeft en over iets dat tot een einde komt.

Maar wij kunnen met onze kleine gedachten en met ons verstand dat verduisterd is vanwege de zonde eigenlijk geen voorstelling maken wát dat is.

U weet dat in onze Dogmatiek een onderscheid wordt gemaakt tussen de onmededeelbare en de mededeelbare eigenschappen. Zoals die onmededeelbare eigenschappen in God zijn is er absoluut, en dan ook absoluut, niets van in enig schepsel. Wat de mededeelbare eigenschappen betreft, verstand, wil en macht, daar was in de staat der rechtheid iets van te zien in Adam, die geschapen is naar het beeld Gods. Maar na de val is een mens God kwijt en zijn heerlijkheid kwijt en zijn beeld kwijt.

Er staat hier in de Bijbel in het tweede Capittel van Efeze, waar onze tekst uit genomen: Een mens is zonder God in de wereld. En als een mens er enig besef van krijgt door de verlichting van de Heilige Geest, dan zal hij tot de conclusie komen, dat hij niet anders dan een wangedrocht is. Een wangedrocht!

In één van de verzen van Van Lodensteijn staat: Misvormt door duizend zonden. En dat is nu de mens krachtens zijn val. Nu wordt in Gods uitverkoren volk, Gods beeld hersteld. Maar die herstelling van dat beeld is aanvankelijk. In de hemel daar zal Gods volk verzadigd worden met Gods beeld. In de hemel! Maar hier is het: Wij kennen ten dele, en wij profeteren ten dele. De koningin van Scheba zei: De helft is mij er niet van aangezegd. En het is een wonderlijke zaak, geliefden, hoe meer dat het God behaagd om er ons van te leren en er openbaring van te geven, hoe meer dat we tot de conclusie zullen komen, hoe weinig dat we er van weten, hoe weinig dat we er van beseffen.

Ik sprak daar zo-even over het onderscheid dat onze Vaderen gemaakt hebben tussen de eigenschappen Gods. Maar wanneer u het recht beseft Hellenbroek zegt: God en Zijn eigenschappen zijn één, en ze zijn van elkander niet te scheiden. En dan is er als u het recht zien mag (en dat is ook op Gods Woord gegrond) eigenlijk maar één eigenschap in God. En wat is die ene eigenschap die er in God is? Dat is dat Hij God is. In Jesaja staat er tweemaal: Gij zijt Mijne getuigen dat Ik God ben! En in Psalm 90:2 "Van eeuwigheid tot eeuwigheid zijt gij God."

Wat verstaan wij nu onder de generatie? Onder die generatie die niet stoffelijk is maar geestelijk verstaan we dat God als Vader van eeuwigheid tot in eeuwigheid hetzelfde Goddelijke Wezen aan Zijn Zoon mededeelt. En toch is die generatie een inblijvende daad in het Wezen Gods. Want alle generatie die plaats heeft op de wereld brengt een aparte persoonlijkheid te weeg. Een aparte persoonlijkheid. Maar dat is niet in deze generatie. Want de Vader is in de Zoon en de Zoon is in de Vader. "Ik en de Vader zijn één." Het is maar een paar woorden wat ik er stamelen kan vanzelf. Maar het is zo een oneindige diepte dat we er duizenden, nee niet duizenden, maar dat we miljoenen mijlen van de werkelijkheid af moeten blijven. Waar we alleen terecht kunnen komen, dat is dit, in Psalm 68:17

Hoe groot, hoe vrees'lijk zijt G' alom,
Uit Uw verheven heiligdom,
Aanbidd'lijk Opperwezen!

Verder kunnen we het niet brengen mensen, onmogelijk! Dus Hij is Vader uit kracht van de eeuwige generatie.

En Hij is ook Vader uit kracht van wondervolle schepping. Want het werk der schepping wordt in het bijzonder aan de Vader toegekend. "In de beginne schiep God de hemel en de aarde." Niet met uitsluiting en buitensluiting van de Zoon en de Heilige Geest. Want er staat van de Zoon, dat door Hem, de Vader alles geschapen heeft. "Door het Woord des HEEREN zijn de hemelen gemaakt, en door den Geest Zijns monds al hun heir."

De Heilige Geest is er ook in begrepen: "Zendt Gij Uw Geest uit, zo worden zij geschapen, en Gij vernieuwt het gelaat des aardrijks."

Dus door wondervolle schepping is de eerste Persoon Vader, omdat Hij is de Schepper aller dingen, omdat Hij is de Beginner van alles. "Uit Hem zijn al de geslachten beide in de hemel en op de aarde." En in Jacobus 1:17 staat er: "Alle goede gave en alle volmaakte gift is van boven, van den Vader der lichten afkomende." In dat opzicht kunnen alle mensen bidden: "Onze Vader die in de hemelen zijt." Uit kracht van wondervolle schepping. Omdat wij schepselen Gods zijn. "Want in Hem leven wij en bewegen wij ons en zijn wij."

Maar in de derde plaats: Hij wordt Vader genoemd uit kracht van genadige herschepping. Dat betreft niet alle mensen, maar dat betreft alleen de uitverkorenen, degenen die door de Vader zijn verkoren van eeuwigheid. Degenen waarin Hij van eeuwigheid Zijn welbehagen gehad heeft. "In mensen een welbehagen." De predestinatie gaat niet over gevallen mensen, wel in de Raad des vredes en in het Verbond der verlossing daar gaat het over de mens die gevallen is.

Maar de predestinatie zelf gaat over mensen. Er is een onderscheid en dat onderscheid wordt duidelijk in de Waarheid ons verklaard. Er staat geschreven: "Dat er zijn vaten ter ere en vaten ter onere." Vaten uit kracht van wondervolle herschepping. Genadige herschepping. Omdat dat volk naar Gods beeld herschapen en vernieuwd worden, de beelde Zijns Zoons gelijkvormig.

De Vader treedt op de voorgrond vanwege Zijn Vaderlijke hoogheid en vanwege Zijn ontzaglijkheid, zoals Hij Zichzelven openbaart in het hart en in het leven van Zijn volk.

Er staat in 1 Petrus 1:17 "En indien gij tot een Vader aanroept Dengene, Die zonder aanneming des persoons oordeelt naar eens iegelijks werk, zo wandelt in vreze den tijd uwer inwoning." En in Psalm 103:13 "Gelijk zich een vader ontfermt over de kinderen, ontfermt Zich de HEERE over degenen, die Hem vrezen."

En wat we nu in de Vader opmerken, voor zover dat Hij Zichzelven verklaart in de Waarheid, dat is Zijn Vaderlijk vermogen. Dat is Zijn Vaderlijke zorg dat is Zijn Vaderlijke onveranderlijkheid en dat is Zijn Vaderlijke rijkdom. Daarom spreken we van een goedertieren Vader, van een barmhartige Vader, van een almachtige Vader, van een rijke Vader en van een getrouwe Vader in de hemel. Die Vader gaat Zich openbaren in de zaligmakende bediening in het hart van Zijn gunstgenoten.

Maar voordat ze Hem in die verschillende betrekking gaan leren kennen dan krijgen ze Hem te kennen, niet als een Vader maar als een Rechter. En dat is een punt, geliefden, waar we wel de nadruk op moeten leggen, ook vanmiddag.

Want als God met een mens begint (ik bedoel met een mens die tot zijn verstand en onderscheid van jaren gekomen is). God kan een kind ook bekeren, in de wieg een kind bekeren, God kan Zijn genade verheerlijken in een kind terwijl het nog bij de moeder is, voordat het op de wereld gekomen is. Jeremia was geheiligd van de baarmoeder af, Samuël was geheiligd voor de geboorte, Obadja vreesde de Heere van zijn jonkheid af aan. David zegt: "Op U ben ik geworpen van de baarmoeder af, van den buik mijner moeder aan zijt Gij mijn God."

Daar moet u eens over denken wat een moeder hij heeft gehad. Och, wat weet een mens weinig van de waarheid. Och, zo bitter weinig mensen, dat hij zijn ogen wel uit zijn hoofd mocht schamen. Werkelijk! We lezen in de Bijbel van dag tot dag, maar het is net of we niet lezen. Werkelijk! "Op U ben ik geworpen van de baarmoeder af; van den buik mijner moeder aan zijt Gij mijn God." Dus, of die er mee werkzaam is geweest, of die er wat mee te doen heeft gehad! Wonderlijk, wonderlijk zijn Gods wegen.

En als God nu met een mens begint die tot enige kennis (zijn verstand) gekomen is dan worden er drie dingen ontdekt, in zo een leven.

Ten eerste: Korter of langer, een verzuimde tijd die achter ons ligt; een gapende afgrond die onder ligt; en een eeuwig gericht dat boven ons is. Tegenwoordig zijn er zoveel bekeerde mensen, de kerken die lopen er van over, ze zijn bijna allemaal bekeerd.

Maar als je nu met die drie puntjes is gaat beginnen en dat zijn allemaal punten op de Waarheid gegrond mensen. Dan zal het een wonder wezen als hij ook niet door de mand valt.

Een verzuimde tijd die achter ons ligt; een gapende afgrond die onder ons ligt; en een eeuwig gericht dat boven ons is. Ik zal het eenvoudig zeggen en dan moet elk mens zijn hart er maar bij leggen, vanmiddag, elk mens. Want het kan vanmiddag wel de laatste preek wezen die u hoort in de wereld. Hebben we wel eens ooit met God te doen gekregen in ons leven? Zijn we wel eens ooit met God in aanraking gekomen? Met een heilig, met een rechtvaardig God? Nee, mensen, het begint niet met Christus en het begint niet met de Heilige Geest. Als God met een mens begint dan weet hij van geen Christus af. En u leest in Handelingen 19 van twaalf mensen in Efeze waar Paulus mee in aanraking kwam toen hij in die stad kwam. En toen hij met die mensen een paar woorden ging spreken, toen kreeg hij dadelijk een indruk dat het mensen waren die niet vreemd van de genade waren. Maar toen Paulus met die mensen verder ging praten zeiden ze: Wij hebben zelfs niet gehoord of er een Heilige Geest is. En toch bekeerde mensen! Och, werkelijk ik kan dat toch niet genoeg zeggen, gemeente, en niet genoeg de nadruk er op leggen: Als God begint weet een mens nergens van. Een mens staat overal blind, stekeblind. Ik heb wel eens gezegd op deze preekstoel: Als God zaligmakend met een mens begint dan wordt in de dadelijkheid in de levendmaking, geloof, hoop en liefde in zijn hart geschonken. Die drie juwelen die nooit meer weggaan, die daar blijven liggen, voor eeuwig blijven liggen. "De poorten der hel die zullen Mijn gemeente niet overweldigen." En dan gaat een mens pas beseffen de werkelijkheid van het leven en dan gaat een mens pas gevoelen het gewicht van de eeuwigheid als God hem gaat bekeren. Als God komt dan wordt het werkelijkheid in een mens zijn leven, dat is het vroeger nooit geweest.

Ik zal er nog wat bij voegen om geen misverstand te verwekken. God is als Schepper vrij van elk mens, zelfs de heidenen zullen in het oordeel nooit iets in kunnen brengen tegen de Allerhoogste Rechter. Ik heb pas in een van onze Engelse Godgeleerden daar nog een verklaring van gelezen, en die man gaf verschillende punten aan (op Gods Woord gegrond) dat zelfs een heiden verstommen zal voor het oordeel zonder dat hij het Evangelie ooit gehoord heeft. God is vrij van elk mens, maar daarbij maakt God Zich vrij van elk mens in de weg der voorzienigheid, maar ook in de weg der verlossing in het voorstellen en in het aanbieden van de genade Gods in Christus Jezus.

Daarom staat er in Johannes 15:22 dat Christus gezegd heeft: "Indien Ik niet gekomen was en tot hen gesproken had, zij hadden geen zonden; maar nu hebben zij geen voorwendsel voor hun zonde." Want het licht heeft geschenen. Christus is het Licht der wereld. En Christus is hier op de wereld gekomen en komt nog op de wereld door Zijn knechten om de volle raad Gods te verkondigen tot zaligheid. Elke preek die een mens hoort of leest is er een gelegenheid om tot God bekeerd te worden. Een mens die onder de Waarheid is geboren en groot geworden heeft de Bijbel in zijn huis. En nu moet u maar eens vragen en uzelf een antwoord geven hoe vaak of u in uw huis naar die Bijbel kijkt. Die Bijbel heeft in ons huis een aparte plaats.

Ik heb van Ledeboer wel eens gehoord, dat hij nooit iets op de Bijbel durfde leggen, geen boek, totaal niets. Die Bijbel bleef daar altijd maar liggen, zonder dat er ooit wat op gelegd werd. En ik heb er wel eens over nagedacht en werkelijk, mensen, daar zit toch iets bijzonders in. Als we potten en pannen in ons huis hebben daar zetten we van alles op. Maar de Bijbel, "het is Gods getuigenis

dat eeuwig zeker is
en slechten wijsheid leert."

De Bijbel ligt daar op de tafel of in de kast of op een plank als getuige bij dag en nacht dat God in dat Woord Zijn wil aan een mens bekend maakt. De weg der zaligheid laat prediken. Verkondigt dat God verlossing gevonden heeft, verzoening gevonden heeft, in de voldoening van Zijn Zoon. En dat die voldoening toegepast wordt door God de Heilige Geest, dat staat allemaal in die Bijbel.

En waar kan je dat nu het beste aan weten mensen? Och, ik zal u eens wat vertellen, heel eenvoudig! Als nu een mens (ik spreek nu over een mens die aanvankelijk door God is bewerkt, want het is toch maar aanvankelijk.) Er wordt soms gepraat (dat heb ik ook wel eens gedaan in mijn dwaasheid) over doorgeleide mensen maar die zijn er vanzelf niet. Die zijn er niet! Zijn er dan geen doorgeleide mensen? Nee! Ja, maar dat heb ik toch zo vaak horen vertellen zult u zeggen. Die man is doorgeleid en die vrouw is niet doorgeleid! Och, er is geen mens doorgeleid. Nee! Wel is de ene een beetje verder op de weg naar de hemel dan de ander. Wanneer zou Gods volk dóórgeleid wezen? Als ze door de doods Jordaan zijn gegaan, en als ze in de eeuwige zaligheid aanlanden, dan zijn ze doorgeleid. Maar hier niet hoor. Nee! Ik ben er ook voor in de schuld moeten komen omdat ik verkeerd gepraat heb. Want een mens kan hier niet doorgeleid wezen. Want we kennen ten dele en we profeteren ten dele. Maar de ene is een klein stapje verder als de ander. Dat is wat anders. Er was eens een gezelschap en daar zat een oude godzalige man en daar vroegen ze aan: Hoever dat hij op de weg naar de hemel was? Hij was al in de tachtig die man. En weet u wat voor antwoord die man gaf? Met alles wat hij had gekregen van de hemel, zei hij tegen die mensen: Ik heb hoop dat ik aan het begin mag wezen. Ik heb hoop dat ik aan het begin mag wezen. Dat was toch eens een antwoord hé? Dus die man zei ook niet dat hij doorgeleid was, hij had de vergevende daad en was hersteld in de gemeenschap Gods. En toch zei hij: Ik heb hoop dat ik aan het begin mag wezen. Dus dat is toch om jaloers op te worden. Hoop dat je aan het begin mag wezen Want u moet rekenen al heeft u nog zoveel gekregen mensen, er is er een achter je die je van alle kanten vastpakt, die je van alle kanten vastpakt. Kortgeleden schreef er nog een van Gods oude beproefde kinderen, dat hij gezongen had: "Gij zijt toch mijn Koning van ouder tijd." Hij zei, toen ik klaar was met zingen stond er een bij me die zei: Hoe ben je er aan gekomen? Hoe ben je er aan gekomen? Hij zei: Ik werd dadelijk vastgepakt. Dadelijk weer vastgepakt! We gaan een versje zingen, en dan gaan we nog een beetje verder. Het is weer tijd.

Psalm 103 het zevende vers:

"Geen vader sloeg, met groter mededogen,
Op teder kroost ooit zijn ontfermend' ogen,
Dan Isrels HEER' op ieder, die Hem vreest;
Hij weet, wat van Zijn maaksel zij te wachten;
Hoe zwak van moed, hoe klein wij zijn van krachten.
En dat wij stof, van jongs af, zijn geweest.
Het zevende vers van Psalm 103.

Dus, geliefden, als God begint is God niet onze Vader maar dan is God onze Rechter. Toen Adam gezondigd had is hij weggevlucht, toen heeft hij zichzelf achter een boom verscholen, want zijn ogen werden geopend en hij zag dat hij naakt was. Had hij dan vroeger wel eens kleren gedragen? Nee, maar die dagen toen hij in het Paradijs in de staat der rechtheid was, versierd met Gods beeld, was hij bekleed met de heerlijkheid Gods. Zodra de mens gezondigd heeft, heeft God dat beeld van hem weggenomen. Want een mens heeft het beeld Gods verwoest. En Boston zegt in de Viervoudige Staat: Dat bij de scheppende daad, de richterlijke daad God samen valt. En wat is de richterlijke daad? Zodra het ongeboren kind in het lichaam van de moeder leven ontvangt, komt God de zonde van Adam aan dat wicht al toe te passen. Dan wordt de zonde van Adam, dat kind, voor het geboren is, al toegerekend. En (dat doen we allemaal vanzelf) als dan zo'n kind op de wereld is gekomen en aangekleed dan zeggen we: Wat is het toch een lief kind. Maar het is geen lief kind, want het mist Gods beeld, het mist Gods beeld. In zonde ontvangen en in ongerechtigheid geboren, voorwerpen van Gods vloek en van Gods toorn reeds van het uur van de ontvangenis af. Job heeft gewenst: "De dag verga, waarin ik geboren ben, en de nacht waarin men zeide: Een knechtje is ontvangen." En in Job 3:16 staat er van geschreven: "Of als een verborgen misdracht, zou ik niet zijn; als de kinderkens, die het licht niet gezien hebben."

Want als het eens werkelijkheid wordt mensen, dat God als Rechter tegenover u komt te staan dan blijft er niets anders voor u over, dan voor eeuwig te verteren en om voor eeuwig weg te zinken onder Gods recht, onder Gods toorn en onder Gods gramschap. "Ik ben Uw gramschap dubbel waardig." Want als het zover in ons leven gekomen is:

"Gij vindt in gunst, en niet in wraak, Uw lust," dan is de tweede Persoon ontdekt en dan is Zijn werk van de Heilige Geest verklaard geworden. Als dat nu niet naar voren is gekomen en niet ontdekt in onze ziel dan staat God als Rechter tegenover een mens, en dan is hij maar benauwd.

Mag ik nog een weinigje ervan zeggen mensen, een klein weinigje maar? Ik heb in mijn jeugd een vrouw gekend die opgegroeid was als een heidin. Ze wist van God en gebod totaal niets af. Van de Bijbel niets, nergens van. Maar er was een jongen uit onze gemeente, die trouwde met dat meisje tegen alle vermaningen en tegen alle waarschuwingen in. Maar hij ging met die heidin trouwen. En het tweede kind dat gedoopt werd, werd gedoopt door dominee H. Roelofsen in Goes. En toen dat tweede kind werd gedoopt greep God ze in haar hart. Ja, dat is gebeurd hoor! Daar greep God ze in haar hart. En toen ze thuis kwam, zei ze tegen haar man: Heb je niet gezien dat God me vastgepakt heeft? Maar die man had vanzelf niets gezien. Ze zei: God heeft me vastgepakt. En toen kwam ze in de weg van overtuiging. En er was een ouderling (die nu ook al in de eeuwigheid is) die haar bezocht. Want ze had het zo benauwd, zo benauwd En die ouderling zei tegen haar: Ik hoop dat God je bezoekt. Maar hij ging weg, en daar ging ze over denken, ze wist van God niet af. Ja, ze dacht dat God net als een mens was hé! Dat dacht ze. En haar man ging 's morgens weg om te gaan werken. Ze zei: Blijft toch alstublieft thuis, blijf toch thuis, want ik ben zo benauwd, ik ben zo benauwd. Maar die man ging werken en ze ging al de deuren sluiten van voren en van achter. En er was een meisje bij haar die vroeg: Waarom doe je dat? O, ze zei: Ik ben zo benauwd dat God zal komen, Hij slaat me straks voor eeuwig weg. En dan zat ze maar door het raam te kijken. Ja, ze dacht dat God kwam, ze dacht dat God kwam. Later toen ze een beetje licht kreeg werd dat anders. Maar werkelijk ze zat in haar huis te beven, o, als God toch eens komen zal!

En op een keer had zij of haar man gelezen in de Bijbel over die Samaritaanse vrouw, dat Christus daar aan die waterput zat. En achter haar huis was een waterput of een wel waar de koeien en paarden uit kwamen drinken en daar ging ze aan zitten. En er was een man die zei: Wat zit je hier toch? Och ze zei: Ik zit te wachten totdat de Heere Jezus zal komen, want bij die Samaritaanse vrouw is Hij ook gekomen, en nu ga ik er ook maar zitten, misschien zal Hij nu ook komen!

Maar, och, wat ik nu wou zeggen is dit mensen: Als God Zich als Rechter komt te openbaren dan is een mens bevreesd, want hij kan God niet ontmoeten. Dan is het:

"'k Bracht de nachten door met klagen;
'k liet niet af mijn hand en oog
Op te heffen naar omhoog."

Zulk een mens durft bijna niet meer te leven, laat ik het zo zeggen. Een mens durft bijna niet meer te leven. Want de dood zit op zijn hielen van dag tot dag. Hij moet sterven en God ontmoeten en hij kan niet. En wat hij geloven kan is alleen dat het voor eeuwig kwijt is, dat God hem voor eeuwig zou verstoten en voor eeuwig zal verwerpen.

(Ik moet maar een paar grote stappen doen vanzelf want de tijd is bijna verstreken) Maar als er nu een tijd mag komen (met eerbied druk ik dat nu uit mensen) dat hij van die grote God niet meer benauwd is, niet meer benauwd is Kunt u het volgen, dat hij van God niet meer benauwd is? Maar dat hij naar die God toe kruipt om onder Zijn vleugelen een toevlucht voor zijn ziel te krijgen. Dan is er wat naar voren gekomen, dan heeft God Zijn Woord voor hem geopend: "Grimmigheid is bij Mij niet." Dan is er een tijd in zijn leven aangebroken dat hij een klein kruimeltje geloof kreeg omdat we geloven dat het zo is. Dan is er een tijd in zijn leven aangebroken dat hij heeft mogen geloven:

"Want goedertieren is de HEER';
Zijn goedheid eindigt nimmermeer;
Zijn trouw en waarheid houd haar kracht,
Tot in het laatste nageslacht."

Dan is er een tijd voor hem aangebroken dat er iets van den hemel verklaard is geworden:

"Lout're goedheid, liefdekoorden,
Waarheid, zijn des HEEREN paán
Hun, die hun verbond en woorden,
Als hun schatten, gadeslaan.
Wil mij, Uwen naam ter eer,
Al mijn euveldaán vergeven;
Ik heb tegen U, o HEER',
Zwaar en menigmaal misdreven."

Als hij van die God niet meer benauwd is Dan is er Eén in zijn ziel verklaard Die het rantsoen heeft opgebracht. Dan is Christus in zijn hart verklaard, het zij door het Woord of door een dadelijke openbaring dat Hij aan de gerechtigheid genoeg gedaan heeft. Dan is er in zijn leven iets van Christus in zijn ziel verklaard dat de Vader in Hem Zijn welbehagen genomen heeft en dat nu in dat offer van Christus de Vader daar in rust. En dat nu vanwege dat offer dat door Christus is aangebracht. Dat de Vader Zijn gunst en Zijn liefde openbaart. Dan kom je in Psalm 85 wat ik straks reeds met een paar woorden noemde: "Gij vindt in gunst, en niet in wraak, Uw lust."

En nu is Gods volk (daar moet u eens even naar luisteren en goed over denken) nooit uit de liefde en uit de gunst van God gevallen. Want dat is van eeuwigheid. Maar door de diepte van de val, mensen, komt God Zich nog tienduizend en miljoenen maal meer te verheerlijken dan als we in de staat der rechtheid gebleven waren. Maar nu zullen ze eeuwig zingen van Gods goedertierenheen.

"Van goedertierenheid en van recht zal ik zingen."
"Door al Uw deugden aangespoord,
Hebt Gij Uw Woord
En trouw verheven.
Gij hebt mijn ziel, op haar gebed,
Verhoord, gered,
Haar kracht gegeven.
Al 's aardrijks vorsten zullen,
HEER', Uw lof en eer
Alom doen ho-ren."

Die zullen voor die God gaan knielen, die zullen Hem meer eer en heerlijkheid gaan geven. En dan is de zaak niet opgelost en toegepast. Nee, mensen, maar er is een opening in het Woord in de belofte in Christus in de verklaringen van de gunst van God in onze harten.

De discipelen (dat zal ik alleen nog even noemen en dan gaan we eindigen) vroegen aan de Heere Jezus of Hij voor hen bidden wilde, want ze voelde de afstand, ze voelde hun onwaardigheid. Daarom hebben ze het aan Hem gevraagd. Ze waren vertrouwd met Hem. En wat heeft toen de Heere Jezus gezegd? "En Ik zeg u niet, dat Ik den Vader voor u bidden zal; Want de Vader Zelf heeft u lief." "De Vader Zelf heeft u lief."

Dus, nu goed begrepen mensen? Om geen missteek te maken en verkeerd op te vatten. Wat nu de eigenschap van de zaken betreft, krijgt Gods kind zelfs in de bekommering, die krijgen in de eigenschappen, iets van de liefde en van de gunst des Vaders in hun hart te smaken. Al is het misschien maar één keer in uw leven gebeurd, of misschien eens twee keer. Want tot tien zult u wel niet komen hoor. Daar moet u niet over denken. Maar als dat nu eens één of twee keer in uw ziel gebeurd is dat het van binnen ging breken, dat het zo ging smelten vanwege de liefde die in uw hart onverwacht uitgestort werd tegenover dat Wezen Gods.

Dat u ging zingen: "God heb ik lief." En toen er geen mens bij was. Want als er mensen bij zijn durf je niet zoveel te zeggen. Maar alleen met God dan durft u het meeste te zeggen. En nu alleen met dat Wezen op de wereld, dat u zegt: O God, wat heb ik U toch lief. Ik kan werkelijk zeggen op het ogenblik dat ik U lief heb boven alles. "Niets is er waar ik in kan rusten." En dan kan die liefde zo sterk zijn dat ze zeggen:

"U al mijn liefde waardig schatten,
Wijl Gij mijn rechterhand woudt vatten."

Maar dan gaat die man door, dat kan dat volk niet in de bekommering, die moeten blijven staan. Maar Asaf die gaat door:

"En mij, hiertoe door U bereid,
Opnemen in Uw heerlijkheid."

We moeten gaan eindigen, de tijd is er. Het is maar een enkel woord, vanmiddag, over dit eerste punt. We hopen een volgende keer het verder uit te breiden. Het zal niet erg zijn als we het een beetje uitbreiden mensen. Want och, een mens weet zo weinig van God af, en hij weet zo weinig van Christus af, en hij weet zo weinig van de Heilige Geest. Dat we onder die indruk vanmiddag maar naar huis mochten gaan. Wat weet ik er van, o God? Wat weet ik er van? Maar dat de noodzakelijkheid opgebonden en aangebonden mocht worden.

Mijn onbekeerde medereiziger, och, dat het niet tevergeefs was dat u hier vanmiddag heb mogen zitten. Maar dat God het aan uw hart mocht zegenen. Och de Heere maakt Zich nog vrij, en Hij buigt zo laag neer.

"Zo gij zijn stem dan heden hoort,
Gelooft Zijn heil- en troostrijk woord,
Verhardt u niet, maar laat u leiden."

O, dat het uw hart nog breken mocht, eer dat het voor eeuwig te laat is.

En, volk des Heeren, die er enige betrekking op gekregen hebben, u zult vanmiddag uw gemis wel gehoord hebben, dat zult u wel gehoord hebben. O, ik denk dat we beschaamd naar huis zullen moeten. Maar dat het ons maar tot Hem mag uitdrijven Die de Volheid Zelf is, en de alles goedmakende Goedheid. De alles goedmakende Goedheid! De Heere zegene het eenvoudige Woord aan onze harten, en bekrachtigd het door Zijn eeuwige Geest. Amen.

Psalm 36:3

"Bij U, HEER' is de Levensbron;
Uw licht doet klaarder, dan de zon,
Ons 't heuglijk licht aanschouwen.
Wees die U kennen mild en goed,
En toon d 'oprechten van gemoed
Uw recht, waar z' op vertrouwen.
Dat mij nooit trotse voet vertrapp',
Noch boze hand in ballingschap
Ellendig om doe zwerven.
Daar zijn de werkers van het kwaad
Gevallen in een jammerstaat,
Waarin zij hulp'loos sterven.