Jodocus van Lodensteyn

 

Predikatie over Hosea 9:12

Gedaan op een bededag, door Ds. van Lodensteyn,
die toen te Sluis in Vlaanderen was

Want ook, wee hun, als Ik van hen zal geweken zijn.

Inleiding

Ik was in bedenking, als mij, door de voorzienigheid van de Heere God, gelegenheid gegeven werd, om op deze dag tot u te spreken, wat ik het beste tot u spreken zou. En het was mij al bedenken waard, omdat ik zo bijzonder de ongestalte van deze gemeente nu niet weet. Om dan enige zonden van deze stad op te halen en te bestraffen, vond ik niet geraden. Ik wil dit liever overlaten aan de eigen voorgangers van deze gemeente. En ik heb liever willen spreken van de algemene ongestalte van Zion, om zo door die beschouwing te komen tot een klaar gezicht en gevoel daarvan, opdat wij mogen weten hoe wij ons daarin zullen gedragen. Alleen moet ik vooraf zeggen, dat wanneer ik spreek van het volk van de Heere, dan versta ik daardoor niet het Nederlandse volk. Nee! Dat volk zal mettertijd afvallen. Maar ik meen de Kerk van Christus, en niet zon nationaal volk. Ik meen dat uitverkoren geslacht, dat koninklijk priesterdom, dat heilig en verkregen volk, 1 Petr. 9:9. Immers dat zou het zijn, en vertonen het te zijn, als de Heere met Zijn Geest niet was weg geweken.

De profeet is hier bezig om het volk hun zonden voor ogen te stellen, alsook om te verkondigen de straf, die God hun daarover bedreigde, in de voorgaande verzen. Waarop volgt deze, als een van de grootste straffen: Want ook, wee hun, als Ik van hen zal geweken zijn.

Daar kunt u zien het grootste oordeel, dat de Heere dikwijls op Zijn volk legt, namelijk, dat Hij van hen weg gaat.

Twee delen Zijn er in onze tekst aan te merken. Eerst, de verbreiding van de ellende van dat volk: wee hun. En dan, ten tweede, de voorgaande oorzaak van dat wee: als Ik van hen zal geweken zijn.

1. Door dit wee, geeft de Heere te kennen de allergrootste en schrikkelijke ellende, welke de mens kunnen treffen. Zo gebruikt de Heere Jezus dat woord dikwijls, als onder andere Matth. 11:21, Wee u, Chorazin! Wee u, Bethsaida! Matth. 23:13-15, Wee u, gij Farizeeën, gij geveinsden; vs. 16, Wee u, gij blinde leidslieden. Zo worden ook in de Openbaring van Johannes de oordelen, die op een volk komen zouden, weeën genaamd, Openb. 9:12; 11:14, Het tweede is weggegaan; ziet, het derde wee komt haast. En Luk. 6:24,25, wordt dit woord wee gesteld, tegen het geluk van de zaligen, en van de treurigen: Wee u, die nu lacht! wee u, gij rijken, want gij hebt uw troost weg.

2. Het tweede deel raakt de zaak zelf: als Ik van hen zal geweken zijn. En dit is een onttrekking van de Heere, gelijk in deze profetie, hfdst. 5:6 staat: Met hun schapen, en met hun runderen zullen zij dan gaan, om de Heere te zoeken, maar niet vinden: Hij heeft Zich van hen onttrokken; als ook, Deut. 3l:1618, daar zegt de Heere tot Mozes: Zie, gij zult slapen met uw vaderen; en dit volk zal opstaan, en nahoereren de goden van de vreemden van dat land, waar het naar toe gaat, in het midden van hetzelve; en het zal Mij verlaten, en vernietigen Mijn verbond, dat Ik met hetzelve gemaakt heb. Zo zal mijn toorn te dien dage tegen hetzelve ontsteken, en Ik hen verlaten, en Mijn aangezicht van hen verbergen, dat zij ter spijze zijn en vele kwaden en benauwdheden zullen het treffen; dat het te dien dage zal zeggen: Hebben mij deze kwaden niet getroffen, omdat mijn God in het midden van mij niet is? Ik dan zal mijn aangezicht te dien dage ganselijk verbergen, om al het kwaad, dat het gedaan heeft: want het heeft zich gewend tot andere goden.

Maar wat is dat te zeggen? de Heere is immers overal tegenwoordig, Jer. 23:24. Hij is niet alleen een God van nabij, maar ook van verre. Hij vervult hemel en aarde. En Jes. 66:1, zegt Hij: De hemel is Mijn troon, en de aarde is de voetbank Mijner voeten; en 1 Kon. 8:27 staat: de hemelen, ja, de hemel der hemelen zouden U niet bevatten.

Maar er is een tegenwoordigheid van God, die onderscheiden is van deze algemene tegenwoordigheid bij al Zijn schepselen. En de tegenwoordigheid waarvan hier gesproken wordt, is niet anders dan de heilige en genadige bijwoning van God de Heere in de mens, Col. 3:3,4,11. Of het is de openbaring van de Godheid aan de mens, door een heilige en genadige mededeling van Zichzelf aan hem; zodat de Heere Zichzelf in Zijn eigenschappen en heerlijkheid ontdekt aan de mens, waardoor hij tot Hem wordt getrokken, door Zijn liefde en door Zijn waardigheid omzet wordt met vrees, door Zijn almachtigheid met onderwerping en door Zijn wijsheid met overgave van zichzelf aan Zijn leiding.

Dit werd ook voorgesteld door de inwoning van God op de tempel, in het Oude Testament. Al deze dingen hadden een hogere beduiding. Want dat alles leerde ons de heerlijke inwoning van God, door Zijn genade en Zijn Geest in ons.

Verder moet men ook weten, dat deze bij- en inwoning gaat omtrent elke Christen in het bijzonder. Het is daar bij een Petrus, hier bij een Paulus, Maria, Elizabeth, enz. En hierom wordt die mens genoemd een tempel van de Heilige Geest, 1 Cor. 6:19. Het is waar, het wordt op de gehele Kerk wel toegepast, maar dat is, omdat er vele zulke in zon Kerk zijn. Wij zeggen niet: dat is een Christen omdat er een Kerk is. Nee: maar dat is een Kerk, omdat er Christenen zijn. Nu men zo gezien heeft, hoe de Heere bij ons is en komt, dan kan men gemakkelijk begrijpen, dat de Heere dan van ons wijkt en weggaat, als de Heere ons onttrekt het licht, dat God in de ziel laat schijnen, en als Hij daarentegen een duisternis in de ziel geeft.

Tegenwerping. Maar gemakkelijk denkt iemand: hoe kan gezegd worden dat de Heere van Zijn volk weggaat, daar Hij degenen, die Hij eens liefgehad heeft, liefheeft tot het einde toe? Doch deze moeten weten, dat dit wel waar is van een bijzonder Christen, van wie de Heere nooit geheel afwijkt, en in wie Hij blijft wonen tot het einde toe.

Maar dan wordt gezegd dat de Heere van Zijn Kerk wijkt, wanneer Hij het zo belieft te beschikken, dat er weinig vromen zijn; want u kunt wel uiterlijke voorspoed hebben, ja de waarheid, en belijdenis, en leraren, en alles, en God kan evenwel geweken zijn. De Heere zou u dat wel allemaal kunnen laten houden, en echter heengaan, en wat zal het dan zijn? Het gaat er ook al hard naar toe. Want sommige vromen worden verstoten. Anderen worden door God weggehaald, voor de dag des kwaads, Jes. 57:1. Sommigen gaan zelf heen en willen met deze uiterlijke schors van de vormelijke godsdienst niet te doen hebben En op deze wijze verliezen wij zeker de geestelijke, verstandige, ijverige, nederige, verstorven voorbeelden in de Kerk, zodat er maar weinig dergelijke over zijn. Dat zien wij zo alvast voor onze ogen dagelijks gebeuren. En ik denk dan, wat zal het nog met dat volk worden! Ik spreek nu hun afzondering van de Kerk niet voor, maar het geeft mij al een grote bedenking. En het is alvast een zwaar oordeel voor de Kerk, dat er zulke alvast uitgaan, zoals wij voor 6 à 7 jaren gezien hebben. En die mensen, die zich zo afscheidden, laten ons volk zo alles houden wat maar werelds was, als: hun lekkere tafel, hun mooie kleren, hun prachtige huizen, al hun voorspoed en vermaak, hun formulieren van enigheid (die echter zo nodig en nuttig zijn), hun catechismus en predikanten. En zo gaat de Heere vast weg, zelfs dan, als de uitwendige godsdienst blijft.

En och, ellendigen! Wij zien het gevaar niet, en al slapend, merken wij de hand van de Heere niet aan. Ik zelf ben zo. Wij dromen zo wat van de Kerk, en het is alles de Kerk, de Kerk! die is in zon heerlijke staat. Maar ondertussen verrotten wij aan het hart. Wij liggen in een diepe slaap. De Heere stoot ons wel eens aan, en Hij trekt ons de ogen wel eens open, zeggend tot ons: Wat is u, gij hard slapende? En dan waken wij zo eens een uur of twee, maar wij liggen gauw weer neer te slapen als tevoren.

Dit is een zeer klaar voorbeeld van onze dagen, Ezech. 9:3. Daar gaat de profeet beschrijven, hoe de heerlijkheid van de Heere zich eerst vertoonde op de Cherub, toen werd de heerlijkheid van de Heere verheven, van de Cherub, waarop Hij was, tot de dorpel van het huis van de Heere. Dit nemen onze kanttekenaren op als een teken, dat de Heere Zijn volk en huis verlaten wilde, Ezech. 9:3, noot 20 en Ezech. 10:4, noot 24. En dit zien wij klaar in onze dagen. Het schijnt of de Heere ook zo met ons wil doen. Dat nu is de schrikkelijkste en allererbarmelijkste staat, waarin een Kerk komen kan, namelijk, als de heerlijkheid van de Heere weggaat van een volk, van een land en van een ziel.

Daar is geen ellendiger staat dan deze; dat gevoelde de Heere Jezus in de dagen van Zijn vlees, als Hij daarover zo erbarmelijk klaagde: Mijn God, mijn God! waarom hebt Gij Mij verlaten! Matth. 27:46.

Dat nu zon staat zeer ellendig is, blijkt uit deze redenen: eerst, omdat dan weggaat het leven uit de Kerk. En wat is er dan meer over, dan een dood? Want gelijk ons lichaam leeft door de ziel, zo leeft het geestelijke deel door de inwonende God, Joh. 14:23. Ten tweede: de heerlijkheid van de Heere gaat weg. Ichabhoth, waar is de heerlijkheid? zei men toen de ark van de Heere weg was, 1 Sam. 4:21. En als Gods heerlijkheid van een volk weggaat, dan behouden zij niet dan schande. Ten derde, haar macht gaat weg; want in de Heere lag haar sterkte, en daarvan wordt men dan ontbloot. Ten vierde, haar rust gaat weg, en dat is die rust van vertrouwen, of die stilheid van het gemoed, volgens welke de Heere zegt: En vreest niet, Ik zal met u zijn. En ook dit kan er niet zijn, als de Heere weg wijkt. Want de Heere Zelf moet tot de ziel zeggen: Zijt stil, legt u onder Mijn wil en eeuwig besluit.

Onderzoeking

Dit moet ons dan ten eerste dienen tot een onderzoeking, hoe het nu gesteld is met de Kerk van ons land. Ik spreek nu niet van deze of van die Kerk, maar van de Kerk in het algemeen; mijn oogmerk is maar, eens te zeggen wat ik zie. En hoewel dat maar weinig is, is het nogal veel, dat ik het zie. Ik zie dan, dat de Heere met Zijn heilige inwoning geweken is (had ik bijna gezegd), maar altijd zeer aan het wijken is, van onze genaamde Christenkerk. Maar wat is dit te zeggen, zullen onze Christenen zeggen; zou de Heere wijken van de Christenen? Zou Hij wijken van de Gereformeerde Kerk? Hoe is dat mogelijk? Heeft Jezus dan niet gezegd: Ik zal met u zijn, tot aan de voleinding der wereld? En is van haar niet gezegd, dat ze zal staande blijven tegen de poorten der hel?

Immers hebben wij de Heere, Jehova, nog onder ons, hoe kan Hij dan weggaan? Maar men moet die belofte niet aannemen, alsof zij gedaan was aan een bijzondere kerk of volk. O nee! Maar zij is gedaan aan de ware Kerk. En zo zal de Heere Jezus altijd Zijn Kerk hebben in de wereld. Maar de Heere Jezus is niet gebonden aan deze of die kerk. Daar staat Openb. 2:5, dat de Heere Zijn kandelaar wilde wegnemen, uit de gemeente van Efeze, maar echter zou de Heere evenwel Zijn Kerk hebben, de belofte is dan aan Jeruzalem, of Antiochië, of Efeze, of Rome gedaan. Die kerken hebben reeds een scheidbrief gekregen, en echter blijft de belofte: Ik ben met u, Matth. 28:20.

Doch ook ondanks dat, staat er 2 Tim. 3:2, dat de mensen zouden zijn liefhebbers van zichzelven, ja, de gestalte van de Kerk zodanig zou zijn, dat de Heere Jezus daarvan zegt, Luk. 18:8, De Zoon des mensen, als Hij komt, zal Hij ook geloof vinden op de aarde? Och! Babel is in het midden van ons en zit op de troon; de vrouw vlucht nu in de woestijn, Openb. 12:6. Het recht is achterwaarts geweken, en de waarheid struikelt op de straten, Jes. 18:14. Dus wijkt de Heere vast van ons.

Maar zegt de mens: het is evenveel een kerk, die de waarheid heeft, hoe kan men dan zeggen, dat de Heere van haar geweken is? Doch men moet altijd onderscheid maken tussen de waarheid, en tussen de woorden van de waarheid. Daar is groot onderscheid, òf men heeft de woorden van de zaak, òf de zaak van de woorden, dat verschil is groot. De Heere God is de waarheid, staat er, Jer. 10:10, en als die God weggaat, dan gaat de waarheid weg, en het is zeker, dat de Heere kan wijken of weggaan.

Zegt men nu daar tegen: wij hebben evenwel de waarheid. Dan zeg ik, zoveel te zwaarder zal het u vallen. Want de dienstknecht, die de wil zijns heren geweten, en niet gedaan heeft, die zal met vele slagen geslagen worden, Luk. 12:47. De mensen roepen al: de waarheid, de waarheid, maar de waarheid zal u zwaar genoeg vallen. Roept u vrij op de waarheid te hebben, zoals men zegt, en evenwel onbekeerd te blijven van de waarheid; moet dan Rome de beker van Gods gramschap drinken? U zult het grondsop drinken, omdat u de waarheid hebt gehad. En welke troost zal de waarheid geven u, als ze in waarheid tegen u zal getuigen, dat u bent in een leugen van het leven; en dat u verloren gaat, met de uitwendige waarheid in de ene, en met een bedrieglijke leugen van het leven in de andere hand.

Nu staat ons dan te bewijzen, dat de Heere van de Kerk weggaat. Het eerste bewijs is omdat er geen Goddelijke glans, noch heerlijkheid in de Kerk wordt gezien. Ja maar, zegt men, de Kerk is onzichtbaar, en ook indien de Heere daar niet was, men zou het wel gauw zien.

Het is waar, de Kerk is onzichtbaar; maar de bijzondere lidmaten zijn niet onzichtbaar. Die zouden het vertonen. En een ieder die ze ziet, zou bekennen dat het een zaad was, dat het van de Heere gezegend was, Jes. 61:9. Dit werd voorafgebeeld in het Oude Testament, door de tempel die zo heerlijk blonk, dat men van ver de glans daarvan kon aanschouwen. En zo moest het ook in onze Kerk zijn. Gods heiligheid moest zich daarin vertonen. Hier gelden de woorden, Ps. 93:5, De heiligheid is Uwen huize sierlijk, Heere! tot lange dagen. Maar waar is toch nu die heiligheid? De Heere komt deze vruchten zoeken van Zijn wijngaard, Jes. 5:2,7, maar Hij vindt ze niet. Wat zal Hij dan doen met dat volk?

Christenen! kunt u zich wel inbeelden, dat onze wandel die glans uitmaakt, die blijk zou geven van de inwonende God in ons? Zie toch eens aan het leven van de heidenen, van de Turken, zie eens aan het leven van die van het pausdom. Overtreffen zij niet in veel opzichten de Gereformeerde naamchristen?

Maar, zegt de mens, die allen zijn afgodendienaars. Doch wat bent u toch? Waarmee vertoont u, dat u de ware God dient? Och! als wij eens gaan inzien die noeste bezigheid onder hen, wat een kerkgang, wat een wassing, wat een biechten, wat al een geselingen zijn er onder hen, om het lichaam onder dienstbaarheid te brengen, al was het tot het overgeven tot de dood toe. En waar blijven onze naamchristenen bij hun ijver? Och, daar moest zon glans in onze Kerk zijn, dat de Joden voor onze voeten kwamen neervallen. Maar helaas! wat vertoont er zich nu meer in onze Christenen, dan in de papisten? Hebben de papisten veel goederen, leven zij wellustig en overdadig? Zo doen de onzen ook. Volgen zij de mode van de wereld? De onzen ook. Gaan zij met uitgestrekte halzen al trippelende? Jes. 3:16. Onze voornoemde Christenen doen eveneens. Waarin toch overtreffen wij hen dan?

Het tweede blijk is die algemene geesteloosheid van de Kerk. Het moest nu geheel geestelijk zijn in onze dagen, maar het is alles vleselijk. Er is geen geest in de Kerk te zien. En men stelt zich tevreden met zo wat op een vleselijke wijze te doen.

Doch wij zijn van de papisten niet gescheiden, omdat zij de belaste plichten en oefeningen te veel hadden, neen, maar omdat zij die deden op een uiterlijke wijze. En de reden van ons afscheiden was, opdat wij de plichten geestelijk doen zouden.

Maar als een Paulus onder ons was, hij zou, als hij onze godsdienst zag, terecht vragen, 1 Cor. 3:4, Zijt gij niet vleselijk? Het is waar, wij kennen wel geen opperhoofd in de Kerk, behalve Jezus, maar wie onder ons legt zijn kroon voor Jezus' voeten neer? En wie brengt al zijn heerlijkheid in het nieuwe Jeruzalem? Wie acht zich zalig, omdat hij zon Heere mag dienen? Gelijk de Koning David zich meer verblijdde omdat hij een knecht van Heere was dan omdat hij een koning over Israël was, Ps. 36. Waar men ziet in onze overheden een ijvergeest, om wat zij vermogen en zijn, te zijn voor de Heere Jezus? Ja, waar is zelfs in de leraars die ijver van geest? Rom. 12:11. Waar zijn de kinderen, die van de Heere geleerd zijn? Jes. 54:13. Ziet men op de jongeren, ziet men op de wat meer bejaarden; men vindt in hen niet minder, dan de inwendige vrees van Heere. Echter als zij groot worden, dan laat men die toe om de zegels van het verbond te genieten; want het is zo gewoonte, dat zij lidmaten moeten worden. Is dat dan ook niet een blijk dat de Heere weggaat?

Maar, zegt verder een werelds mens, dat sommige mensen het verval in de Kerk zozeer zien en beklagen, dat is, omdat zulke klagers, in hun zin, gemeenzaam met God zijn, en dan ziet men het verval veel groter dan het inderdaad wel is. Maar ik zeg: men zou het verval niet zien, indien het er niet was. En omdat het gezien wordt, daarom is het daar zeker en gewis.

Het derde bewijs, dat God van ons wijkt is, omdat de majesteit van de Heere is weggegaan. Zij zien de hoogheid van de Heere niet aan, Jes. 26:10. De Onzienlijke (Die Mozes zag, toen hij zich vasthield, Hebr. 11:27) wordt niet gezien, en daarom is er geen vrees van God in de ziel. Als wij vaak in de consistorie zullen gaan besluiten, welke plichten men aan de gemeente voorleggen zal, dan is het einde meest altijd: er is geen vrees van God in ons land en in onze plaats. God eigenschappen worden niet gezien. De mensen willen allen de naam van Christenen hebben, en helaas! de majesteit, de waardigheid, de wijsheid, de vrees van God ligt niet op hun hart. Het is dan wel een blijk, dat de Heere weggaat.

Het vierde bewijs van Gods vertrek is, dat de liefde tot de waarheid weggaat. Want zoals God de Heere aan de mens een gezicht van Zichzelf geeft, zo geeft Hij het ook van de waarheid, die de mens dan moest omhelzen. Evenals de man, die de parel van grote waarde vond, en alles verkocht wat hij had, en die parel kocht, Matth. 13:46. Doch als nu de Kerk de liefde tot de waarheid mist, dan mist zij meteen al haar gezag, welke zeker dagelijks verminderd wordt, ten opzichte van de dienst en het gezag van de Levieten, of Christus' knechten.

Gaat men van de regenten in politie en Kerk, tot de algemene lidmaten over, dan mag men hier terecht wel vragen: waar is hun liefde tot de waarheid? Is men rijk, men maakt dat men net kan toekomen met zijn inkomsten, omdat men gewoon is zijn staat veel te groot te houden. En zo heeft een ander er helemaal niets van. O! men moest studenten laten studeren op zijn kosten, en hun zulke talen laten leren, waardoor zij die vreemde volkeren konden onderwijzen. Maar neen, het is alles voor zichzelf.

Ziet men op de predikanten, waar is hun liefde tot de waarheid? Maar, zegt u, zij prediken immers zo ernstig, en zo ijverig. Maar wat lijden zij voor de waarheid, waarmee zij de rechte liefde voor de waarheid zouden doen blijken? Het blijkt dan klaar, dat de Heere van ons wijkt. Want 2 Thess. 2:2 wordt getoond, dat de afval van een volk alleen zijn oorsprong had, omdat zij de liefde van de waarheid niet aangenomen hadden om zalig te worden.

En evenzo is het met ons Gereformeerd volk. Dat des te slechter is omdat wij dagelijks voor onze ogen zien, hoe de papisten duizendmaal meer doen voor de kerk en voor de bekering van de ongelovigen dan wij, Gereformeerden.

Het vijfde bewijs is, omdat de Heere door een rechtvaardig oordeel, uit Zijn Kerk laat verdwijnen de waarheid zelf. Maar, denkt u, wat is dat te zeggen? Wij hebben immers de waarheid nog in de Catechismus. Maar ik zeg, het staat er zo mee, dat indien u die niet had, hij zou er niet gemakkelijk komen. En dat de waarheid verdwijnt, blijkt, omdat de Geest weggaat, want Die moet getuigen dat het Woord de waarheid is. Hij, die de waarachtige inwoning van God niet heeft, die heeft de waarheid niet. Het is waar, zij hebben de woorden van de waarheid en de Catechismus, maar dat is de waarheid niet. Ook zouden wij kunnen tonen, dat ons Christenvolk geen bevatting heeft van de waarheid, en niet recht weet wat de waarheid is, want zij kennen geen rechtvaardigheid, en geen heiligmaking, en niet de Vader, en niet de Zoon, en ook niet de Heilige Geest. En zij zijn het spoor geheel bijster.

O! de Geest is de Geest van de waarheid, Die ons in al de waarheid leiden zal, Joh. 16:13. Als dan de Geest weggaat, dan gaat de waarheid weg.

Het zesde bewijs is, omdat de goddelozen overal de overhand krijgen. Bijna overal liggen de vromen onder. Want als de vromen de overhand hadden, dan zou Jezus Koning zijn. Maar de Gereformeerde Kerk wordt geregeerd door de geest van de wereld. Elk wil de meeste zijn, en wij behoorden geen ander hoofd te lebben dan Christus. Wie anders had het opzicht over de apostelen dan de Heere Jezus. En als dit ook zo onder ons was, dan zou die heerlijke belofte aan ons vervuld worden, die wij lezen, Jes. 59:19, Als de vijand zal komen gelijk een stroom, zal de Geest des Heeren de banier tegen hem oprichten. Jes. 60:2, En de heerlijkheid des Heeren zal over ons gezien worden.

Het zevende bewijs is, omdat sommigen van ons land zich niet ontzien de heerlijkheid van de Heere aan te tasten. De Heere heeft gezegd, dat Zijn koninkrijk niet van deze wereld is, Joh. 18:36. En dat was Zijn heerlijkheid, dat Hij alleen als Koning in Zijn Kerk heerste. Het gezag nu dat de Heere in de Kerk toekomt, had Hij bevolen aan Zijn knechten. Maar helaas! de kroon van ons hoofd is reeds hierin aan het vallen. De bedienende macht van de Kerk, onder ons Opperhoofd Jezus, is verloren. De sleutels van de Kerk, Matth. 16:19 en 18:18, Joh. 20:23, worden vermist, of zijn tenminste buiten gebruik geraakt. En God weet waar dit nog heen zal. Men vindt zeer weinig Ambrosiussen, en daarom zo zelden de rechte Theodosiussen. En waren er meer Latimers, er waren meer Henri's. Dus gaat dan vast dat de Heere met Zijn gezag zal verhuizen uit onze Kerk.

Het achtste bewijs is die onveranderlijkheid en onverbeterlijkheid van ons volk, in hun kwade gangen, Ps. 55:20. En dat, niettegenstaande al die slagen, waardoor ons land, zoals wij weten, gebracht is tot zon engte. Waarin zijn wij toch beter geworden? Ging Gods Geest gepaard aan de slagen, dan zouden wij door Gods gerichten gerechtigheid geleerd hebben, Jes. 26:9. Wij zouden de hoogheid van de Heere aanzien, vs. 10. Maar wie van ons kan zien, dat Gods kastijdingen de vreedzame vrucht der gerechtigheid geven aan dengenen, die door dezelve geoefend zijn? Hebr. 12:11. Wie wordt er toch heiliger door de slagen? Immers, als het ooit tijd is geweest om te vragen: "Heere, zien Uw ogen niet naar waarheid? Gij hebt hen geslagen, maar zij hebben geen pijn gevoeld. Gij hebt hen verteerd, maar zij hebben geweigerd de tucht aan te nemen. Zij hebben hun aangezichten harder gemaakt dan een steenrots, zij hebben geweigerd zich te bekeren", Jer. 5:3, dan is het nu de tijd. Moet nu niet de Heere van ons zeggen als Jes. 48:10: Ziet, Ik heb u gelouterd, (te weten door kruis), doch niet als zilver, (want Ik heb het kruis nog gematigd), Ik heb u gekeurd in de smeltkroes der ellende. Maar waardoor hebben wij Hem gelegenheid gegeven, dat Hij ons opnieuw weldadigheid zou bewijzen, nadat wij door Hem, omwille van onze zonden, bedroefd zijn? Wij zijn in het vuur geworpen, maar men ziet Zion nog niet blinken. Wij zijn in de smeltkroes geweest, maar niet gezuiverd. Het schuim is van het goud nog geenszins weggeschuimd. De blaasbalg is verbrand, het lood is van het vuur verteerd. Tevergeefs heeft de smelter zo vlijtiglijk gesmolten, dewijl de bozen niet afgetrokken zijn, Jer. 6:29. Zodat op ons wel mag toegepast worden de volgende woorden van vs. 30: Men noemt ze een verworpen zilver; want de Heere heeft hen verworpen. Want de mensen toch onder ons blijven even goddeloos.

Het negende bewijs is gehaald van degenen, die de naam van vroom hebben. En ook zelfs die geven geen schijnsel van zich. O, die kostelijke kinderen van Zion, tegen fijn goud geschat, hoe zijn zij nu gelijk gerekend aan de aarden flessen! Klaagl. 4:2. Want van de dochter Zions is al haar sieraad weggegaan, Klaagl. 1:6. Iedereen houdt nog zijn zonden aan de hand. De godsdienst wordt geesteloos en levenloos betracht, en doet aan hen geen recht nut, alhoewel men veel naar de kerk gaat, en hoewel men ook vele plichten waarneemt. Dit is dan een klaar bewijs, dat God niet woont onder ons.

Men ziet daarbij ten tweede ook, hoe weinig de christelijke liefde toeneemt. Wij moesten één hart en één ziel zijn. Maar wat ziet men nu niet al een grote liefdeloosheid, wantrouwen, achterklap, onderscheid van gevoelen en veroordeling van elkaar.

O! het zout wordt smakeloos, en indien het zout smakeloos wordt, waarmede zal het gezouten worden? Matth. 5:13. Hebt zout in uzelven, en houdt vrede onder elkander, zegt de Heere Jezus, Mark. 9:50.

Ten derde. Men ziet heden ook, hoe weinig zelfverloochening er is onder de Christenen. Want waar zijn zij, die God dienen om Zijn waardigheid? Waar gedraagt men zich gelaten onder Gods wil? Waar hangt men zo van God af in onze geestelijke en lichamelijke ondernemingen? Hoe blijft men niet nog hangen aan zichzelf? Hoezeer ziet men niet het eigen ik bij al onze daden; het is alles eigen, eigen wat men zoekt. En als de Heere onder ons was, dan zouden wij meer in de zelfverloochening uitsteken, zover, dat iedereen het kon zien, zoals men de glans van de tempel van ver zien kon.

Ten vierde. Men ziet ook zo geen uitstekendheid onder de Christenen. O! een Christen is wat zonderling, en de Gereformeerde Kerk moest bestaan uit mensen, in wie de Heere door het geloof woonde, Ef. 3:17. De Heere moest onder ons gezien worden, en men moest van ons kunnen zeggen, gelijk de Sunamietische vrouw van Eliza zei: Ik heb gemerkt, dat deze man Gods heilig is, 2 Kon. 4:9.

Men zal mij gemakkelijk tegenwerpen: wel, is dan de Heere niet te Zion? Is haar Koning niet bij haar? Jer. 8:19. Wij hebben immers meer licht dan die van het pausdom? Maar tegen zulk volk zeg ik, dat dit waar is. Maar dat verzwaart onze ellende schrikkelijk; want licht te hebben en Gods Geest te missen, is een groot oordeel. En ik mag zeggen dat de Gereformeerde Kerk een Babel der Babelen is, duizendmaal erger dan die van het pausdom, vanwege het licht dat zij heeft en niet recht gebruikt.

Waarschuwing

Dit moet ons dan dienen om ons geestelijk voordeel daarmee te doen, en om dit tot een goed gebruik te maken. Hoe zal het nu gaan met de Gereformeerde Kerk? Wat heeft de Heere met ons voor? Ik heb geen andere gedachten, dan dat de Heere in het kort wonderlijk met Zijn Kerk werken zal. Onze mensen roepen al van de Fransen, en die zullen hen uitroeien, menen ze; die zullen onze goederen wegnemen, onze steden innemen.

Maar dat alles is de ondergang van de Christelijke Kerk niet. Dat waren de bedreigingen onder het Oude Testament, want daar was de Kerk het land, en het land de Kerk. Maar nu acht ik het blijken van Gods liefde, wanneer de Heere ons nog slaat.

God laat dikwijls de uitwendige mens verderven, opdat de inwendige vernieuwd wordt van dag tot dag, 2 Cor. 4:16. Neemt eens, dat de Heere het gehele land ondersteboven wierp. Wat dan? Het zou dan misschien veel beter gaan met de inwendige mens en met de rechte belijders van het geloof, dan het nu gaat. Ik heb gehoord, wanneer de Heere zo enige steden liet innemen, en gehele provincies liet overgaan, dat men al riep van het Nederlandse Zion. Maar zie, dat is het Nederlandse Zion niet; die steden en provincies maken Gods Zion niet uit. Zie, zo spreekt men al, omdat men niet recht verstaat wat Zion is. Wij moeten niet besluiten, dat de Heere wijkt, omdat Hij ons slaat. O, neen! Maar omdat God bij de slagen met Zijn Geest weggaat. En waaruit blijkt, zult u zeggen, dat de Heere met zijn Geest weggaat?

Maar boven het gezegde, blijkt het daaruit, l. omdat de Heere Zijn kostelijke vaten begint weg te nemen. Is het niet een teken dat de man verhuist, als hij zijn kostelijke vaten begint weg te pakken en weg te voeren? Het is nu openbaar, dat de Heere in weinig tijd terug, zoveel van Zijn kinderen door de dood heeft weggehaald, Jes. 57:1. Sommigen laat Hij uitdrijven, sommigen scheiden zichzelf af en zeggen: "Dat is Babel, ik kan met die kerk geen gemeenschap houden." En dat doet de Heere zo al vast. En zo is Hij bezig met Zijn huisraad weg te dragen, omdat Hij gereed is om Zijn Kerk te verlaten.

Ten 2e blijkt het daaruit, omdat de Kerken zo tegen elkaar aanbotsen. Wanneer men iemand twee potten tegen elkaar zag slaan zou men denken: die man wil die potten aan stukken hebben. En zo gaat het met ons. De Heere splijt de Kerk in vele stukken. Het blijkt ook.

Ten 3e uit al die gruwzame schandalen en ergernissen, ook wel bijzonder de ergernis van Gods kinderen zelf. De Heere laat nu deze en dan gene in schrikkelijke zonden vallen, tot een grote aanstoot van het volk. Echter zou ik die evenwel niet willen veroordelen, maar ik zie daarin ook de schrikkelijke oordelen van God over onze Kerk.

Ten 4e. De Heere Jezus begint Zijn regering van de Kerk te laten komen in handen van Zijn vijanden. Hij laat Zijn Kerk beroven, en Hij staat stil. De Heere zou het wel kunnen verhinderen, maar neen, Hij laat dat zo toe. Elk rukt aan een eind, en het onnozele lam, de Kerk, raakt zo zeker haar rechten kwijt, terwijl de vijanden de roof onder elkaar verdelen. En dat bestelt de Heere zo wijs en zo voorzichtig. Is dat niet een klaar bewijs, dat de Heere van ons wijkt?

Het 5e bewijs is die jammerlijke mishandeling van de heiligheid van de Heere. En ik denk dikwijls, zou de Heere Jezus dat wel toelaten, dat Zijn heilige dingen zo zouden worden ontheiligd, als Hij nog onder ons zou willen blijven wonen.

O! wat al onwaardige, overdadige, weelderige, onwetende mensen laat men niet al tot het Avondmaal toetreden. Hadden de leraars lust om te gaan onderzoeken, zij zouden er velen onbekwaam vinden. Maar nee, dat gaat zo al heen. Het is alsof Jezus dacht, laat ze daarmee omspringen, zoals ze willen; de band is toch los, en Ik zal ze verlaten.

Ja, ten 6e, let eens op hoe wonderlijk de Heere God te werk gaat omtrent het bidden. Hij neemt de rechte natuur van het bidden weg. Het is alsof de Heere zei: bidt niet voor dit volk. Want men ziet in het algemeen, dat men bidt voor de Prins, voor de Overheden, (dat moet ook zijn). Maar daar staat men langer op, dan op ons gebed voor Zion. Zion heeft nauwelijks iets. Hele uren bidt men voor het land, maar voor de Kerk heeft men geen hart om veel te bidden. O! de Kerk is een volk, dat alleen woont, en als het land valt, kan de Kerk wel op het allerbeste staan, in het stuk van haar inwendige gestalte en van uitwendige belijders.

Nu zullen er nog een weinig regels van onderrichting zijn. Vooreerst, dat men dan geen grote gedachten moet opvatten van de Kerk. Ten tweede, dat de Heere niet gebonden is aan enig land of stad. De Heere kon dit land wel ten gronde laten gaan of het verstrooien, en een ander volk verkiezen om daar Zijn Kerk te planten. Hij kan Zijn kandelaar van Zijn plaats nemen, gelijk Hij het gedaan heeft aan de gemeenten, Daarvan men leest Openb. 2 en 3. Ten derde, het leert ons, hoe wij hebben te bidden voor Zion, meer dan voor ons land. Zion moet het meest bij ons wegen. O, ja! want het is ongelijk beter maar water en brood te hebben bij God en Zijn Geest, dan voorspoed te hebben zonder de Geest. Ei, Christenen! leert toch Christelijk te zijn, leert toch geestelijk te zijn, leert inwendig te zijn. Ten vierde, dat wij dan leren alleszins bevorderlijk te zijn voor Zion, in al onze daden. Breekt toch met uw daden niet af, wat u door bidden hebt opgebouwd. Ten vijfde, zoekt veel te beschouwen de ellende van Zion, en klaagt ze veel aan de Heere. Want Hij hoort het zuchten der ellendigen, Ps. 12:6; 91:15, enz. Ten zesde, geeft u dan zo over aan de Heere, om geheel te zijn voor de Heere. En u zult alles in God vinden. Amen.