Eens Christens onderrichting, dienende om hem te geleidendoor al hetgeen hem in deze wereld door Gods voorzienigheidoverkomt. Voorgesteld in 15 predikaties. Door Mr. ChristophorusLove.

Vijftiende predikatie

Tekst 1 Cor. 7: 30, 31.

En die wenen, als niet wenende; en die blijde zijn, alsniet blijde zijnde; en die kopen, als niet bezittende; En diedeze wereld gebruiken, als niet misbruikende; want de gedaantedezer wereld gaat voorbij.

"De gedaante dezer wereld gaat voorbij." De leer diewij uit deze woorden getrokken hebben, was deze: Dat al devertroostingen en vergenoegingen dezes levens van onsvoorbijgaande zijn, zelfs terwijl zij niet ons zijn. Zij zijn vanene veranderlijke en verwelkelijke natuur.

Beminden opdat deze algemene leer een weinig op uwe zielen magwerken, zal ik u eerst de waarheid dezer leer tonen, en dan enigepractikale gevolgen daaruit trekken, en alzo dezen tekstafhandelen.

Dat alle wereldse dingen van ons wegvliedende zijn, zelfs alsze met ons zijn, zal ik u tonen door deze drie of vier dingen.

Vooreerst. Het blijkt door de aanleiding der delen: wantindien gij alle staten en voorwaarden der mensen beschouwt,hetzij in eer, voorspoed of rijkdommen, etc., gij zult al dezevoorwaarden in een verwelkelijke en verterende gestalte zien.Beschouwt Adam in de staat zijner rechtheid, zijn staat scheeneen vaste en duurzame staat te zijn, en nochtans bleef Adam nietenen nacht in eer, maar werd gelijk de beesten, die vergaan. Zietook eens op Salomo, die de eer en de glorie der wereld was,"noch voor hem, noch na hem was zijns gelijke niet;" alde dingen der aarde bewezen hem eerbied en brachten hemgeschenken, 2 Chron. 9: 13-28 wordt de gehele som van Salomo'sheerlijkheid getoond: "Het gewicht nu van het goud, dat voorSalomo op een jaar inkwam, was zes honderd zes en zestig talentengouds; behalve dat zij van de kramers en kooplieden inbrachten;ook brachten alle koningen van Arabi en de vorsten deszelvenlands goud en zilver aan Salomo. Daartoe maakte de koning Salomotwee honderd rondassen van geslagen goud; zes honderd sikkelenvan geslagen goud het hij opwegen tot elke rondas. Insgelijksdrie honderd schilden van geslagen goud; drie honderd sikkelengouds liet hij opwegen tot elk schild, en de koning leidde ze inhet huis des wouds van Libanon. Nog maakte de koning een grotenelpenbenen troon, en hij overtoog dezelve met louter goud. En detroon had zes trappen, en een voetbank van goud, aan de troonvast zijnde, en leuningen aan beide zijden, tot de zitplaats toe;en twee leeuwen stonden bij de leuningen. En twaalf leeuwenstonden daar aan beide zijden, op de zes trappen: desgelijks isin geen koninkrijk gemaakt geweest. Ook waren alle drinkvaten vande koning Salomo van goud, en alle vaten van het huis des woudsvan de Libanon waren van gegoten goud; het zilver was in de dagenvan Salomo niet voor iets geacht. Want des konings schepen voerennaar Tharsis, met de knechten van Huram: eens in drie jarenkwamen de schepen van Tharsis in, brengende goud en zilver,elpenbeen en apen, en pauwen. Alzo werd de koning Salomo groterdan alle koningen der aarde, in rijkdom, en wijsheid. En allekoningen der aarde zochten Salomo's aangezicht, om zijne wijsheidte horen, die God in zijn hart gegeven had. En zij brachten eenieder zijn geschenk zilveren vaten en gouden vaten, en klederen,harnas en specerijen, paarden en muilezels, elk van jaar totjaar. Ook had Salomo vier duizend paardestallen en wagens, entwaalf duizend ruiters en hij leidde ze in de wagensteden, en bijde koning te Jeruzalem. En hij heerste over alle koningen van derivier, tot aan het land der Filistijnen, en tot aan de landpalenvan Egypte. Ook maakte de koning het zilver in Jeruzalem alsstenen; en de cederen maakte bij te zijn als de wildevijgenbomen, die in de laagte bij menigte zijn. En zij brachtenSalomo paarden uit Egypte, en uit alle die landen." Ennochtans wat geschiedde van al zijne glorie en eer? "Salomoin al zijn heerlijkheid was niet bekleed als een lelie desvelds," gelijk Christus zegt, Matth. 6: 9. Zo ook, indiengij op alle voorwaarden van mensen in eer ziet, zij staan opglibberige plaatsen; zij zijn alle dagen afglijdende, gelijk tezien is Job 20:6-9: "Wanneer zijne hoogheid tot de hemelopklom, en zijn hoofd tot aan de wolken raakte, zal hij gelijkzijn drek in eeuwigheid vergaan, die hem gezien hadden, zullenzeggen: waar is hij? Bij zal wegvliegen als een droom, dat menhem niet vinden zal, en hij zal verjaagd worden, als een gezichtdes nachts," etc. Alzo is ook de Assyrische monarchieovergegaan tot de Perzen, en de Perzische tot de Grieken, enGriekse tot de Romeinen. De staat van eer is een verwelkelijkestaat. Of indien het uw deel is in de wereld rijk te zijn; diestaat is ook al verwelkende, uwe rijkdommen zullen of uw einde,f gij zult haar einde zien, 1 Tim. 6: 17 "Stelt uwe hoopniet op de ongestadigheid des rijkdoms; zo ook, Spr. 23: 5:"De rijkdommen zullen gewis vleugelen maken, enwegvliegen." En Spr. 27: 24: "Want de schat is niet totin eeuwigheid; of zal de kroon van geslachte tot geslachtezijn?"

Het tweede bewijs om te tonen, dat alle wereldse dingenverwelkende en voorbijgaande zijn, is dit: omdat de ganse wereldvan ene vergankelijke natuur is, en daarom moeten de wereldsedingen noodzakelijk ook zo zijn. 2 Pet. 3:10: "De hemelenzullen met een gedruis voorbij gaan, en de elementen zullenbranden en vergaan, en de aarde en de werken die er in zijn,zullen verbranden."

Ten derde. De mens, welke Gods meesterstuk in de wereld is, issteeds verwelkende en voorbijgaande, en daarom zo veel te meer dedingen der wereld. 's Mensen leven is maar een damp, maar eenrook van de baarmoeder tot het graf. "De mens heeft hiergeen blijvende stad," Hebr. 13: 14. Ps. 144: 4; 39: 6. EnJob zegt op het einde van zijn eerste hoofdstuk: naakt ben ik uitmijner moeders buik gekomen, en naakt zal ik daar heen weerkeren." Daar wordt geen gewag gemaakt van in de wereldstaande te blijven, niets dan van een inkomen in de wereld en vaneen uitgaan.

Ten vierde. Het blijkt uit de gelijkenissen bij welke dewereld en hetgeen er in is, in de Schriftuur vergeleken wordt.

Om ons de onzekerheid van de dingen hier beneden te kennen tegeven, vergelijkt de Geest Gods de wereld "bij een glazenzee met vuur gemengd." Openb. 15: 2. Zij wordt vergelekenbij een zee vanwege haren op en neergang; en bij ene glazen zeevanwege haar broosheid en onzekerheid: zij wordt spoedigverbroken, en "bij ene glazen zee met vuur gemengd," omons te leren en te tonen, dat de wereld altijd in een verterendestaat is. Niemand zal de zee aanschouwen, dan als een zeeronzeker en onstandvastig element: die druppel water, welke nuhier was, is terstond weg gegaan, en kan niet teruggevondenworden.

Ten tweede. Wordt de wereld vergeleken bij ene wolk, Job 30:15: "Mijn heil (zegt Job) is als ene wolkvoorbijgegaan." Wolken zijn altijd wegvliedende, alzo is dewereld, en al hetgeen er in is. En daarom zegt David, Ps. 104:3,dat God aan de wolken Zijnen wagen maakt, te kennen gevende zijnevaardigheid en snelheid in de werken Zijner barmhartigheid ofoordeel.

Ten derde. De wereld wordt vergeleken bij een wind: Ps. 78:39: als een wind die voorbij gaat en niet weer komt; zo ook Ps.18: 10; 104: 3. Wat is lichter en sneller dan de wind? Hoe snelwaait de wind voorbij! zo is er ook geen duurzaamheid in enigedingen hier beneden.

Ten vierde. De wereld wordt vergeleken bij gras, Jac. 1: 10,11: "Want de rijke zal als een bloem van het grasvoorbijgaan. Want de zon is opgegaan met de hitte, en heeft hetgras dor gemaakt, en zijne bloem is afgevallen, en de schonegedaante van haar aanschijn is vergaan, alzo zal ook de rijke inzijne wegen verwelken." Niet alleen bij gras, maar bij enebloem des velds.

Ten vijfde. Zij wordt vergeleken bij rook en gij weet dat dewind de rook spoedig her en derwaarts verspreidt. Hos. 13: 3:"Daarom zullen zij zijn als ene morgenwolk, en als een vroegopkomende dauw, die weg gaat." (Gij weet, dat zodra de zonschijnt, de dauw terstond verdwijnt) als kaf van de dorsvloer, enals rook uit de schoorsteen wordt weg gestormd." Er zijnhier vijf gelijkenissen in dit ene vers samen gesteld, zodat gijziet, beminden! dat deze gelijkenissen het zeer duidelijkaantonen en openbaren, hoe onzeker, verwelkelijk en vergankelijkalle wereldse eer en vertroostingen zijn.

Ik kom nu tot hetgeen ik in het bijzonder voor heb, en dat is:om het alles in ene practikale toepassing te verhandelen. En alhetgeen ik hierin doen zal is: dat ik uit deze algemene leerzeven practikale onderwijzingen zal trekken.

Vooreerst. Is het zo, dat alle wereldse dingen van ons voorbijgaande zijn, terwijl zij met ons zijn; wel laat dan dezebedenkingen uwe genegenheden aan alle wereldse dingen spenen.Waarom wilt gij dan zo zeer beminnen, hetgeen u niet lang bij kanblijven? Het is de raad, die Salomo geeft, Spr. 23: 5: "Zultgij uwe ogen laten vliegen op hetgeen dat niet is?" dat is:hoewel zij in wezen zijn, zijn zij nochtans niet op de duur;"want de rijkdommen zullen zich gewis vleugelen maken, enwelvliegen." Deze bedenking behoorde uwe liefde tot allelichamelijke vertroostingen in te tomen. En hoewel wij op dewereldse dingen met onze ogen zien, behoorden wij het nochtansmet onze harten niet te doen, maar die gevestigd houden, niet opde dingen, die gezien worden, maar op de dingen, die niet gezienworden, "want de dingen die men ziet zijn tijdelijk, maar dedingen die, men niet ziet, zijn eeuwig." 2 Cor. 4: 18. Zijzijn niet waardig aanschouwd te worden, omdat zij tijdelijk zijn.In ene zekere stad in Griekenland, Sparta genaamd, regeerde eenkoning maar n jaar, en daarna leefde hij gering in eneverholen plaats, en daarom was het moeilijk om iemand te krijgen,die hetzelve wilde aannemen: zo behoorde ook het bedenken van deverwelkende natuur van alle wereldse dingen, ons te bewegen omonze genegenheden van dezelve af te trekken.

Ten tweede. Indien de gedaante dezer wereld voorbij gaat, laatdit dan uwe zielen opwekken en gaande maken om naar de dingen vanene andere wereld om te zien, van standvastiger en duurzamerwezen. Chrysostomus vergelijkt de wereld bij ene paling; gijweet, hoe vaster gij ene paling houdt, hoe eerder hij uit uwehanden zal glijden; zo is het ook met de wereldse dingen: hoevaster gij ze denkt te houden, hoe spoediger zij u zullenontglijden, en daarom, arbeidt om Christus, de genade,heerlijkheid, de hemel en de gelukzaligheid te gewinnen. Hebr.13: 14 "Wij hebben hier geen blijvende, stad, (zegt deapostel) maar wij zoeken de toekomende." omdat zij hier geenblijvende stad hadden, zagen zij naar de toekomende, "naarene stad welker Kunstenaar en Bouwmeester God is." Zij zagennaar de dingen van ene andere wereld, welke niet zouden vergaangelijk deze; gelijk te zien is 2 Cor. 4: 18: "Wij aanmerkenniet de dingen, die men ziet, maar de dingen die men niet ziet.Want de dingen die men ziet, zijn tijdelijk, maar de dingen, diemen niet ziet, zijn eeuwig." Gij hebt nog ene andereopmerkelijke plaats. Heb. 11: 15-17, wordt gesproken van degodzalige Patriarchen: "Indien zij aan het vaderland gedachthadden, van waar zij uitgegaan waren, zij zouden tijd gehadhebben om weder te keren; maar nu zijn zij begerig naar eenbeter, dat is: naar een hemels Vaderland." omdat zij nietnaar hun eigen land om zagen, het land Kanan, daaromverklaarden zij, dat zij een beter in het oog hadden, waarnaarzij streefden, namelijk, een hemels Koninkrijk. De koning vanSparta, zond in dat jaar, toen hij koning was, een grote schatnaar de plaats van zijne bestemming, opdat bij er naderhandaltijd wel van zou kunnen leven, alzo behoorden de Christenenook, terwijl zij hier leven, in de hemel schatten op te leggen,Matth. 6: 19, 20. Beminden! zijn de dingen van deze wereld, zoijdel en onzeker; wel laat ons dan naar de dingen ener beterewereld omzien.

Ten derde. Is het zo, dat deze wereld zo nietig envergankelijk is, arbeidt dan om van de waarheid ervan overtuigdte worden, en laat uw hart gevoelig zijn van de ijdelheid enonzekerheid aller dingen hier beneden. Ik mag van dezelve zeggen,gelijk de apostel spreekt bij ene andere gelegenheid, Col. 2: 22:" Al deze dingen verderven door het gebruik." Zodra gijde wereld aangrijpt, zodra gaat zij voorbij. Wij hebben hier nietmeer vastigheid aan de aardse dingen, dan aan ene kooi metvogelen, ik kan niet zeggen, dat zij de mijne zijn, hoewel zij inmijn hof zitten. De heerlijkheid van Efram wordt gezegd weg tevliegen als een vogel. De wereld verdort gelijk een ruiker,terwijl gij er aan ruikt; gelijk de, sneeuw smelt, terwijl zij inde hand der kinderen is. Op de inhuldiging der pausen, gaat ergewoonlijk een roepende vooruit, brandende een flambouw; zo gaatde heerlijkheid der wereld voorbij. Het is ene wonderlijkezinspeling, die een geleerd man heeft over de namen van de tweeeerstgeborene mensen in de wereld, Kan en Abel; wij kunnen uitdezen leren (zegt hij) zelfs uit hun namen. Kan betekent hierbezitting, en Abel betekent hier ijdelheid, om te tonen. datAdani en Eva in al hun bezittingen niets dan ijdelheid zagen.Och! dat gij, die zonen en dochteren Adams zijt, en veel mindervan de wereld hebt dan Adam had, o dat gij uwe harten op deijdelheden en onzekerheden dezer wereld (welke zo spoedig voor uvoorbij gaat) niet wilde zetten!

Ten vierde. Is het zo, dat al de vertroostingen dezer wereldvoorbij gaan, zo toont het dan de dwaasheid en dolheid van diemensen, wier vurigste achtervolgingen naar de verwelkendeijdelheden zijn. O wat ene uitzinnigheid is het voor de mensen zovurig in hun nasporingen van deze voorbijgaande en verwelkendedingen te zijn, en onderwijl de dingen van groter uitnemendheiden duurzaamheid te verzuimen; en nochtans is er ene wereld vandwaze en uitzinnige mensen onder ons, welke de ijdelhedennasporen, en de eeuwigdurende rijkdommen veronachtzamen. O! hoedwaas zijn vele mensen in de wereld, die zo ijverig omtrent deslechte en geringe dingen van de wereld te werk gaan, enondertussen in de grote hemelse zaken nalatig, zijn, gelijkArtaxerxes, die zichzelf bezig hield met hechten voor messen temaken, en de belangrijkste zaken van zijn koninkrijk verzuimde,of gelijk Archimedes, welke, zich bezig hield met mathematischelijnen te trekken, en nooit dacht om zijne stad, noch zijn levente behouden. De geschiedenissen getuigen van Caligula een Roomsekeizer, (om welke zaak hij ook voor een dwaas gehouden werd doorallen, die ooit van hem geschreven hebben) dat hij, een grotevloot schepen toegerust hebbende, (waardoor zijne onderdanen.dachten dat hij ene gewichtige zaak zou uitvoeren, en velekoninkrijken met dezelve gewinnen) hen (tegenover al hunverwachtingen) gebood, om al hun schepen te laden metmosselschelpen en keistenen, en zo terug te keren. Even zulkedwaze mensen zijn er velen, die zichzelf beroeren in hetverkrijgen van mosselschelpen en keistenen, de verwelkendeijdelheden dezer wereld, en verzuimen de achtervolgingen van devaste en duurzame rijkdommen van het Koninkrijk der hemelen.

Ten vijfde. Is het zo, dat de wereldse dingen verwelkendezijn, dan kunnen wij hier uit zien dat er een groot verschil istussen de aardse en de hemelse dingen. De heerlijkheid dezerwereld gaat voorbij, maar zo kunt gij van de hemelse dingen nietzeggen. Het eerste verslijt als uwe klederen, de andere gelijkuwe lichaam, en verslijten niet. Rijkdommen zijn "eenvoortgedreven ijdelheid," Spr. 21:6; maar de genaden zijn"duurzame rijkdommen." Spr. 8: 18; 1 Pet. 1: 24:"Het gras verdort en zijne bloem is afgevallen; maar hetWoord des Heeren blijft in der eeuwigheid." Door het gras ende bloem des velds wordt verstaan al de heerlijkheden dezerwereld, en die allen verdorren en vergaan; "maar het Woorddes Heeren blijft in der eeuwigheid." Dat is: het werk dergenade, door het Woord in uwe harten gewrocht, zal blijven tot ineeuwigheid. Dat zal blijven duren, als al de heerlijkheid derwereld voorbij gaat. 1 Joh. 2:17 "De wereld gaat voorbij metal hare begeerlijkheid, maar die de wil Gods doet, blijft in dereeuwigheid." Beminden! hier ziet gij de grote ongelijkheid,die er tussen de hemelse en de wereldse dingen is, als"rijkdom en eer," etc. Veronderstelt, gij waart eenerfgenaam van ene kroon of Koninkrijk, dan zijn dit maartijdelijke erfenissen, en duren maar voor enen tijd, maar eenhemelse erfenis blijft in eeuwigheid. 1 Pet. 1:4: "Tot eenonverderfelijke, en onbevlekkelijke, en onverwelkelijke erfenis,die in de hemelen bewaard is voor u." Al uw vertroostingenhier beneden, zijn maar voor een ogenblik. Rijkdommen en eer zijnniet eeuwigdurend, maar God en Christus, de genade, de hemel ende heerlijkheid zijn eeuwigdurend. Dit zijn vertroostingen dieniet vergaan, maar eeuwig blijven. Uwe aardse ouders zijn nieteeuwigdurend, maar uw hemelse Vader blijft tot in eeuwigheid.Jes. 9: 6. Wij hebben hier geen eeuwig leven, maar in de hemelduurt ons leven tot in eeuwigheid. Luk. 18: 30. Hier beneden zijtgij de enen dag blij, en de andere droevig, maar in de hemel zaluwe blijdschap eeuwigdurend zijn. Jes. 35: 10 En eeuwigeblijdschap zal op hun hoofden wezen." Zo ook 2 Thess. 2: 16:" Die ons heeft lief gehad, en ene eeuwige vertroostinggegeven heeft," etc. Hier zijn uw vertroostingen maar voorenen korten tijd, maar in de hemel blijven zij tot in eeuwigheid.Hier zijn uwe bezittingen maar voorbijgaande, maar daar zijn zijvoor altoos en eeuwig, in de hemel. En hier zijt gij spoedigvergeten, en de gedachtenis uwer namen verloren; maar in de hemelzult gij een eeuwige gedachtenis hebben." Ps. 112: 9.

Ten zesde. Zijn de vertroostingen dezer wereld voorbijgaande;weet dit dan ook tot uw troost, dat de ellenden, zwarigheden enverdrukkingenen dezer wereld ook voorbij gaan. "Want onzelichte verdrukking, die zeer spoedig voorbij gaat," etc., 2Cor. 4: 17. Veronderstelt dat gij een persoon van enen geringe enlagen staat in de wereld zijt, wel wat is er aan gelegen, wantuwe armoede zal ook voorbij gaan. Veronderstelt, gij zijtziekelijk of zwak van gestalte; uwe ziekte zal ook voorbij gaan.Veronderstelt, u bent een gevangene en in slavernij; gij zult uweboeien en gevangeniskleren nog wel afschudden. Job 11: 16:".Uw ellende zal voorbijgaan als een waterstroom." Zoook Jes. 35: 10: "De vrijgekochten des Heeren zullenweerkeren, en tot Zion komen met gejuich, en eeuwige blijdschapzal op hun hoofden wezen: vrolijkheid en blijdschap zullen zeverkrijgen, maar droefenis en zuchting zullen wegvlieden."Uwe ellenden en droefheden zijn zowel voorbijgaande, als uwevertroostingen. En daarom beminden! dit behoorde uwe harten teondersteunen en op te houden.

Ten zevende. Indien de vermaken en de vertroostingen dezerwereld voorbij gaan dan behoorden wij ons op het hoogst tewachten dat wij om een ogenblik de vermakelijkheden te genieten,onszelf niet in de eeuwige straffen werpen. Beminden! het zou nogiets zijn, indien er tussen uwe vertroostingen hier, en tussenuwe straffen hiernamaals enige gelijkheid was; maar waarom zouiemand zo dwaas zijn, dat hij om een vergankelijke staat teverkrijgen, zijne ziel zou verdoemen, en zichzelf ene eeuwigepijn en ellende veroorzaken? Rijkdommen en vertroostingen dezeslevens lopen snel voorbij; maar de straf over het misbruik ervanduurt tot in der eeuwigheid. Dit is de goddeloze Ezau gelijk, dieom een schotel moes zijn eerstgeboorterecht verkocht. En daarom,o mijn beminden! zijt toch vermaand, liever met Gods volk hiereen korten tijd verdrukking te lijden, opdat gij met hen in dehemel mag regeren en gelukzalig zijn tot in alle eeuwigheid, danhier voor een korten tijd de vermakelijkheden der zonde tegenieten, en daardoor de eeuwige straf uzelf in de toekomendewereld te veroorzaken.

En dus beminden! heb ik in deze vijftien predikaties velestukken aangaande deze zaak verhandeld. Er ontbreekt nu maaralleen, aangaande de tijd die u nog in de wereld leeft, datdegenen, die in dezelve ellenden, zwarigheden en verdrukkingenhebben, moeten "wenen als niet wenende." En degenen,die rijkdommen, eer en vertroostingen hebben, en een overvloedvan allen wereldsen voorspoed genieten, " dat die blijdezijn, als niet blijde zijnde." En degenen, die in de wereldkopen en verkopen, en handel drijven, daar ontbreekt maar"dat zij kopen, als niet bezittende En degenen, die op eenandere wijze de wereld gebruiken, daar ontbreekt maar, "datzij dezelve, gebruiken, als niet misbruikende: want de gedaantedezer wereld gaat voorbij."