HOOFDSTUK 2

 

2:1 Daarna ben ik, na veertien jaren, wederom naar Jeruzalem opgegaan . . .

 

(Luther is van mening, dat de hier beschreven reis naar Jenuzalem, niet de reis is naar de apostelvergadering in Jeruzalem, waarvan in Handelingen 15 sprake is. Terwijl de uiteenzetting van Handelingen 15 aan het begin van het optreden der apostelen moet hebben plaatsgevonden, is de in Galaten 2 genoemde reis ongeveer 18 jaar later te stellen.)

 

Dit was de hevigste twist, die aan Paulus vervolgens heel wat moeite bezorgde. Paulus leerde namelijk, dat de heidenen alleen door het geloof gerechtvaardigd worden, zonder de werken der wet. Nadat hij dat overal onder de heidenen verkondigd had, kwam hij naar AntiochiÎ en verkondigde ook daar dat Evangelie aan de discipelen. Toen kwamen degenen die gewend waren zich aan de wet te houden, tegen Paulus in opstand. Zij konden niet verdragen, dat hij aan de heidenen predikte, dat zij vrij van de wet waren. Zo kwam het in AntiochiÎ tot twist. Paulus en Barnabas stonden manmoedig voor hun getuigenis: overal waar wij onder de heidenen hebben gepredikt, kwam de Heilige Geest en viel op de hoorders van het Woord. Zo ging het in alle gemeenten uit de heidenen. Wij predikten niet de besnijdenis, wij gaven ook geen bevel om de wet van Mozes te onderhouden, wij predikten slechts het geloof in Christus. En op deze prediking van het geloof in Christus, gaf God de Heilige Geest aan de hoorders. Derhalve bevestigt de Heilige Geest het geloof van de heidenen, zonder wet en besnijdenis. (...) Dat was de bewijsvoering van Paulus en Barnabas.

Toen stelden velen zich tegenover hen, daar het naar hun mening nodig was de wet te onderhouden. De heidenen kunnen niet gered worden zonder de besnijdenis naar de wet van Mozes. Paulus streed verbitterd tegen deze mening. En deze strijdvraag over de wet beklemde hem nog lang daarna. Ik geloof echter niet, dat het bij deze reis naar Jeruzalem om die strijd gaat, die Lukas in Handelingen 15 beschrijft. In Handelingen 15 gaat het over de twist, die dadelijk na het begin van de evangelieverkondiging schijnt te zijn uitgebroken. De geschiedenis echter, die Paulus hier in Galaten 2 vertelt, schijnt zich veel later afgespeeld te hebben, toen Paulus reeds 18 jaar lang het Evangelie gepreekt had.

Hier hebben dus joden, die heftig voor de wet ijverden, zich met grote kracht verzet tegen de apostel die predikte dat de heidenen alleen door het geloof, zonder de werken der wet, rechtvaardig gemaakt worden. Het was ook geen wonder dat de tegenstanders van Paulus boos waren. Want alleen al de benaming 'wet van God' heeft een heerlijke glans en eengeweldige autoriteit in de harten van de mensen. Reeds de heiden, die nog nooit van de wet van God gehoord heeft, wordt ontroerd als hij hoort: deze leer is de wet van God. Hoe veel te meer zullen zij, die vanaf hun vroege jeugd met de wet van God zijn opgevoed en die de wet met de moedermelk hebben ingedronken, erdoor gegrepen zijn en ervoor ten strijde trekken. (...) Zo groot is de macht der gewoonte bij het beÔnvloeden van een karakter, dat toch al de neiging heeft zich aan de wet te onderwerpen. Als dus de gewoonte, die in de loop van de tijd en door oefening vastgezet wordt, erbij komt, dan ontstaat daaruit een neiging die twee keer zo sterk is. Daarom was het voor christenen uit de joden onmogelijk om de wet terstond vaarwel te zeggen. Zij hebben weliswaar het geloof in Christus aangenomen, niettemin menen zij toch ook zich nog aan de wet te moeten houden. En deze zwakheid heeft God tijdelijk toegelaten, totdat de leer van het Evangelie van de wet gescheiden moest worden. (...)

Zo heeft God immers ook onze zwakheid onder het pausdom verdragen. Hij is namelijk geduldig en zeer barmhartig. Maar wij mogen deze goedheid van God niet misbruiken en in zwakheid en dwaling volharden, als ons door het licht van het Evangelie de waarheid geopenbaard wordt.

En degenen die tegen Paulus in beweerden dat de heidenen besneden moesten worden, hadden de wet der vaderen aan hun kant en ook het voorbeeld van de apostelen en tenslotte het voorbeeld van Paulus zelf, die Timotheus besneden had. Toen Paulus hier zei, dat hij dat niet gedwongen, maar in vrijheid en uit christelijke liefde gedaan had, opdat het geloof van de zwakken niet ondergraven zou worden, wie zou dat dan willen inzien of geloven. (...) Als iemand in ongenade geraakt is bij het volk en in zo'n onaangename toestand terechtgekomen is, helpt er nu eenmaal geen verdediging meer aan. Toen Paulus dus zag, dat die ruzie en het rumoer eromheen met de dag heviger werd en hij bovendien door een Goddelijke openbaring vermaand was, ging hij naar Jeruzalem, om zijn Evangelie met dat van de apostelen te vergelijken, maar niet om hemzelf, maar terwille van het volk.

 

2:1 . . . met Barnabas, ook Titus medegenomen hebbende.

 

Paulus neemt twee getuigen met zich mee, Barnabas en Titus. (...) Barnabas kon samen met Paulus tegenover de joden die voor de wet ijverden, uit eigen ervaring getuigen, dat de heidenen alleen door het geloof in Christus en zonder wet en besnijdenis kinderen Gods zijn en gered worden. Titus was niet alleen christen, maar ook aartbisschop, aan wie Paulus de zorg voor de orde in de gemeenten op Kreta had overgedragen. Hij was heiden geweest.

 

2:2 En ik ging op door een openbaring, en stelde hun het Evangelie voor, dat ik predik onder de heidenen; en in het bijzonder dengenen die in achting waren . . .

 

(...) Daar hoort u dus dat Paulus na 18 jaren eindelijk naar Jeruzalem gekomen is en met de apostelen over zijn Evangelie heeft gediscussieerd. (...) Paulus heeft de mensen met zijn evangelieprediking niet overvallen, maar hij hield rekening met de zwakken. Opdat de zwakken niet gekrenkt zouden worden, heeft hij ongetwijfeld op de volgende manier tot de joden gesproken: als de overbodige eredienst van de mozaische wet jullie bevalt, hoewel die niets bijdraagt aan de gerechtigheid, dan neem ik die niet weg; behoud hem, maar belast niet de heidenen ermee, die deze dienst der wet niet hebben. Paulus geeft toe, dat hij inzake het Evangelie met de apostelen tot een vergelijk gekomen is. Maar, zo zegt hij, ze hebben ons niets gegeven, ze hebben ons niets geleerd. Integendeel, wij hebben voor de vrijheid van het Evangelie gevochten en de overwinning behaald. (...).

 

2:2 . . . opdat ik niet enigszins tevergeefs zou lopen of gelopen hebben.

 

(...) Paulus ging naar Jeruzalem, omdat de mening dat de wet noodzakelijk is voor de rechtvaardiging, dagelijks aan invloed won. Door een openbaring gedreven, trok hij naar Jeruzalem om dit kwaad uit te bannen, opdat uit de vergelijking met de leer in Jeruzalem het allen duidelijk zou worden dat zijn Evangelie niet afweek van de leer van de overige apostelen. Hij wilde de tegenstanders de mond snoeren. Anders zouden ze gezegd hebben dat hij tevergeefs liep of gelopen had. Tevens kunt u en passant meenemen, dat het degenen zijn die de eigen gerechtigheid of de wet leren, die vergeefs lopen en leven.

 

2:3 Maar ook Titus, die met mij was, een Griek zijnde, werd niet genoodzaakt zich te laten besnijden.

 

De uitdrukking 'hij werd gedwongen' toont voldoende aan van welke aard de vergelijking en slotconclusie geweest zijn, namelijk zo: de besnijdenis zal aan de heidenen niet opgelegd worden, ze is echter tijdelijk aan de joden toegestaan, niet dat zij nodig zou zijn tot gerechtigheid, maar uit eerbied tegenover de vaderen, verder ook uit liefde opdat de zwakken niet gekwetst zouden worden, totdat zij tenslotte krachtig in het geloof zouden zijn geworden. Het zou zeer liefdeloos geweest zijn, de wet en de eredienst van de vaderen onmiddellijk af te schaffen, die toch met zoveel majesteit door God aan dat volk waren opgedragen. (...)

Daarom verwerpen ook wij tegenwoordig het vasten en andere vrome oefeningen niet als vloekwaardige zaken, maar wij leren wel dat door die werken niet de vergeving der zonden verkregen kan worden. Als de men sen dat horen, dan oordelen zij gelijk dat wij de goede werken verwerpen. En in deze mening wordt men versterkt door de preken en geschriften van de pausgezinden. Maar zij spreken onwaarheid en doen ons onrecht. Want niemand heeft in de laatste eeuwen beter en vromer over de goede werken onderwijs gegeven, dan wij tegenwoordig doen. (...)

Het was een belangrijke vraag, of de wet al dan niet noodzakelijk is voor de rechtvaardiging. Over dit belangrijke thema, waarin het voornaamste van de hele christelijke leer is vervat, twisten hier Paulus en Petrus. Paulus was er de man niet naar, dat hij om een bagatel Petrus voor de ogen van de hele gemeente in AntiochiÎ zou hebben aangevallen en rekenschap hebben gevraagd. Hij valt hem dus aan op een hoofdpunt van de christelijke leer. Want toen de joden er niet bij waren, at Petrus met de heidenen; zodra echter de joden kwamen onttrok hij zich. Dan berispt Paulus hem, omdat hij door zijn huichelarij de heidenen noodzaakt joodse manieren over te nemen. De nadruk ligt vooral op het woord 'noodzaakt' (hoofdstuk 2:14). (...)

Paulus had niemand die besneden wilde zijn, gedwongen onbesneden te blijven; maar hij maakte wel duidelijk dat de besnijdenis niet noodzakelijk is voor de rechtvaardigmaking. Paulus wilde deze dwang juist afschaffen. Hij stond de joden toe dat zij de wet onderhielden, wat hun noodzakelijk scheen. Maar hij leerde ononderbroken aan joden en heidenen, dat zij in hun geweten vrij moesten zijn van wet en besnijdenis, zoals ook alle patriarchen en heiligen in het Oude Testament in hun geweten en geloven vrij geweest waren en niet door wet en besnijdenis gerechtvaardigd waren.

Paulus zou de besnijdenis van Tltus hebben kunnen toestaan, maar toen hij zag, dat hij ertoe gedwongen zou worden, wilde hij niet. Want als degenen die op de besnijdenis stonden, dat bereikt zouden hebben, dan zouden zij direct de conclusie getrokken hebben dat de besnijdenis voor de rechtvaardiging noodzakelijk was en zouden zij zelfs via deze concessie een overheersende positie gekregen hebben. Daarom laten wij er iedereen in vrij, of hij de monnikspij wil aantrekken of afleggen, of hij in het klooster wil treden of het klooster wil verlaten, wij laten hem erin vrij, of hij vlees of groente wil eten. Opdat iedereen in alles vrij blijve en zich niet in zijn geweten late binden. Dat men het zie als een daad van liefde, niet als een daad van geloof, dat men wete dat dit alles niets bijdraagt tot de verzoening van de zonden en tot het verkrijgen van genade. Maar zoals destijds de valse apostelen het inachtnemen van de wet en de besnijdenis niet vrij lieten, maar dat als noodzakelijk tot het heil voorstelden, zo houden tegenwoordig onze tegenstanders er uit alle macht aan vast dat de menselijke tradities niet zonder het heil in gevaar te brengen buiten beschouwing kunnen worden gelaten. Zo maken ze van een daad van liefde een daad van geloof, terwijl er toch maar ÈÈn daad van geloof bestaat, namelijk het geloven in Jezus Christus.

 

2:4 En dat om der ingekropen valse broederen wil, die van bezijden ingekomen waren om te verspieden onze vrijheid, die wij in Christus Jezus hebben, opdat zij ons zouden tot dienstbaarheid brengen;

2:5 Dewelken wij ook niet een uur hebben geweken met onderwerping, opdat de waarheid van het Evangelie bV u zou verblijven.

 

Paulus geeft hier de reden aan, waarom hij naar Jeruzalem opgegaan is en zijn Evangelie met dat van de apostelen vergeleken heeft en de besnijdenis van Titus heeft afgewezen. Niet opdat hij daardoor zekerder van zijn zaak zou worden en door de apostelen in het Evangelie versterkt zou worden, want daaraan twijfelde hij geenszins. Hij trok naar Jeruzalem, opdat daarmee de waarheid van het Evangelie bij de Galaten en bij alle gemeenten uit de heidenen zou blijven bestaan. Zo ziet u, dat de onderneming van Paulus niet maar een aardigheid of een kleinigheid geweest is.

Als Paulus spreekt over 'de waarheid van het Evangelie', dan zegt hij dat er tweeÎrlei gebruik van het Evangelie is, namelijk het ware en het verkeerde gebruik, of dat er een waar en een vals evangelie is. (...) De waarheid van het Evangelie is, dat onze gerechtigheid alleen uit het geloof komt, zonder de werken der wet. Van vervalsing en bederf van het Evangelie is sprake, als men zegt, dat wij door het geloof gerechtvaardigd worden, maar niet zonder de werken der wet. Deze voorwaarde voegden de valse apostelen aan hun evangelieverkondiging toe. Onze sofisten leren precies hetzelfde, dat men eerst in Christus moet geloven en dat het geloof het fundament van het heil is, maar dat het geloof alleen rechtvaardigt als het door de liefde aangevuld wordt. Dat is de waarheid niet, maar dat is een geschminkt en verminkt evangelie. Het ware Evangelie is, dat de werken of de liefde geen verfraaiing en voltooiing van het geloof zijn, maar dat het geloof op zichzelf een gave van God en een Goddelijk geschenk in het hart is, dat het geloof daarom rechtvaardigt, omdat het Hem Zelf, de Heiland Christus, aangrijpt. Het menselijk verstand heeft als thema de wet: dat heb ik gedaan, dat heb ik niet ~edaan. Het geloof echter, als het goed functioneert, heeft geen ander hema dan Jezus Christus, de Zoon van God, overgegeven voor de zonde ~an de wereld. Het geloof legt niet de nadruk op de liefde, het zegt niet: vat heb ik gedaan, wat heb ik gezondigd, wat heb ik verdiend? Maar, wat heeft Christus gedaan, wat heeft Hij verdiend? Dan zegt de waarheid van het Evangelie: Hij heeft je vrij gekocht van de zonde, van de duivel, van de eeuwige dood. Het geloof erkent dat het in de persoon van Jezus Christus vergeving van zonden en eeuwig leven heeft. Wie daaraan voorbijgaat, heeft niet het ware geloof, maar een geflatteerd geloof, een eigen mening en wendt de blik van de belofte naar de wet, die hem doet schrikken en tot wanhoop brengt.

Daarom, wat de sofisten geleerd hebben over het geloof dat rechtvaardig maakt als het door de liefde vorm gekregen heeft, dat is echt monsterachtig. Alleen dýt geloof rechtvaardigt, dat Christus, de Zoon van God, aangrijpt en waaraan door Hem glans verleend wordt; niet het geloof met inbegrepen liefde. Want het is noodzakelijk, wil het geloof vast en zeker zijn, dat het niets anders aangrijpt dan Christus alleen en het kan in de strijd en in het verschrikte gemoed nergens anders op steunen dan op deze verbinding, namelijk geloof en Christus. Daarom wie Christus in het geloof aangrijpt, hij moge door de wet verschrikt en door de menigte van zijn zonden bezwaard zijn, hij kan er toch in roemen dat hij rechtvaardig is. Op welke wijze of waardoor? Door de edelsteen Christus, dat het geloof bezit. Dat zien de tegenstanders niet in, daarom werpen zij de edelsteen Christus weg en zetten de liefde in Zijn plaats, waarvan ze zeggen dat die de edelsteen is. Omdat zij echter niet weten wat geloof is, is het onmogelijk dat zij geloof hebben, nog minder kunnen zij anderen in het geloof onderwijzen. Wat zij wel hebben, dat is een droom, een mening en natuurlijk verstand, maar geen geloof.

Dit zeg ik daarom, opdat u beseft, dat Paulus met klem de uitdrukking 'waarheid van het Evangelie' gebruikt, om het tegendeel af te keuren. Wat hij natuurlijk aangeven wil, is dat er enigen een verkeerd gebruik van het Evangelie maken. Hij verwijt dus met deze woorden de leugenapostelen, dat zij een vals evangelie geleerd hebben; zij stonden namelijk op de besnijdenis als noodzakelijk voor het heil. Verder wilden zij met wonderbaarlijke kunstgrepen en met veel listigheid Paulus in de val lokken; want zij letten er immers op of hij Titus besnijden wilde, verder, of hij het zou wagen om hen (de leugenapostelen) in tegenwoordigheid van de apostelen te weerstaan. Daarom bestraft Paulus hen met vreselijke woorden. Zij wilden, zei hij, onze vrijheid die wij in Christus hebben, bespieden, opdat zij ons tot dienstbaarheid zouden brengen. Daarom hebben de valse apostelen zich met de grootste ijver gewapend en alle mogelijke vingerwijzingen tegen Paulus gegeven, om hem voor de gemeente te blameren en hem te overwinnen, op welke manier dan ook. En tenslotte wilden zij, om hun plan te verwerkelijken, misbruik maken van het gezag van de apostelen, door te zeggen: Paulus smokkelt de onbesneden Titus de gemeente binnen, zodat ieder daaraan kan zien, dat hij in uw tegenwoordigheid, apostelen, de wet verloochent en verwerpt. Als hij dit hier durft beproeven, wat zal hij zich dan veroorloven onder de heidenen, als u apostelen, er niet bij bent.

Toen Paulus dus zag dat men hem met zoveel list wilde vangen, verzette hij zich uit alle macht tegen de leugenapostelen. Hij zei: onze vrijheid, die wij in Christus Jezus hebben, lieten wij niet in gevaar komen, zoals de valse broeders met hun geraffineerde dwangmaatregelen en verdachtmakingen van plan waren, nee, wij hebben ze overwonnen, waarbij ook de uitspraak van de apostelen ons ondersteunen moest. Geen enkel ogenblik wilden wij voor hen opzij gaan. (Zij hadden ongetwijfeld gezegd: Paulus, doe althans voor een zekere tijd afstand van de vrijheid.) Wij zagen namelijk, dat zij met geweld aan de wet vasthielden als ten dele noodzakelijk. Als zij echter om der broederen wil tot gehoorzaamheid hadden opgeroepen, dan zou Paulus toegegeven hebben. Maar zij zochten wat anders, zij wilden Paulus en allen die zijn leer aanhingen, weer tot slavernij brengen.

Zo bieden wij de pausgezinden aan, wat maar aan te bieden is en nog wel meer dan wij moeten. Een uitzondering maken wij voor de vrijheid van het geweten, die wij in Christus Jezus hebben. Wij willen namelijk niet gedwongen worden, of ons geweten laten binden aan wat voor werk ook, zodat wij, als wij dit of dat doen rechtvaardig zouden zijn, maar als wij het nalaten verdoemd zouden zijn. Gaarne gebruiken we samen met hen dezelfde spijzen, houden dezelfde feesten en vastentijden als zij. Alleen moeten zij toestaan, dat wij dit alles uit vrije wil in acht nemen en zij moeten ophouden met die dreigende taal, waarmee zij tot nu toe de hele wereld schrik aangejaagd en aan zich onderworpen hebben. Ze zeiden: wij bevelen, wij leggen de last op, wij verzwaren die, wij sluiten buiten de gemeenschap enz. Maar wij kunnen niet bereiken dat zij ons deze vrijheid gunnen, zoals Paulus dat ook niet kon. Daarom doen wij hetzelfde, wat hij ook gedaan heeft. Want toen hij die vrijheid niet verkrijgen kon, wilde hij geen ogenblik de leugenapostelen toegeven. Daarom, omdat de tegenstanders ons niet onverkort willen toestaan dat alleen het geloof in Christus rechtvaardigt, willen en kunnen ook wij niet wijken op het punt dat een geloof dat in daden van liefde gestalte gekregen heeft, zou rechtvaardigen. Dan willen en moeten wij hardnekkige rebellen zijn, anders zouden we de waarheid van het Evangelie verliezen. Wij zouden onze vrijheid verliezen, die wij niet in de naam van de keizer, van koningen, van vorsten, niet in de naam van de paus, niet in de naam van de wereld en van het vlees hebben, maar in Christus Jezus. Wij zouden het geloof in Christus verliezen, dat, zoals boven gezegd, niets anders aangrijpt dan de edelsteen Christus.

Om dit geloof, waardoor we wedergeboren, gerechtvaardigd en in Christus ingelijfd zijn, gaat het; als de tegenstanders dat niet zouden aantasten, dan nemen wij op ons alles te doen, als maar niets met dat geloof in strijd is. Daar wij dit echter niet van hen verkrijgen kunnen, willen wij van onze kant geen centimeter voor hen wijken. Want het gaat om een emstige en grote zaak, namelijk om de dood van de Zoon van God, Die naar de wil en het bevel van de Vader in het vlees gekomen is, gekruisigd werd en voor de zonden van de hele wereld gestorven is. Als dat geloof hier opzij gaat, dan is de dood van de Zoon van God van geen nut. Dan is het een fabel, dat Christus de Redder der wereld is; tenslotte wordt dan God Zelf als leugenaar bevonden, daar Hij, wat Hij toch beloofd heeft, niet gehouden heeft. Daarom is onze hardnekkigheid op dit punt, een vrome en heilige zaak. Met deze hardnekkigheid streven wij ernaar, onze vrijheid, die wij in Christus Jezus hebben, te bewaren, wij willen de waarheid van het Evangelie behouden. Als wij die verliezen, dan hebben wij God, Christus, alle beloften, het geloof, de gerechtigheid en het eeuwige leven verloren.

Maar iemand wil misschien zeggen: de wet is Goddelijk en geestelijk. Ja, zij moet haar heerlijkheid behouden. Maar geen wet, zij kan dan nog zo Goddelijk en heilig zijn, mag mij leren dat ik door de wet rechtvaardig gemaakt word en zal leven. Ik wil toegeven dat zij mij leert, dat ik God en mijn naaste moet liefhebben, verder, dat ik in eerbaarheid en geduld moet leven enz., maar de wet mag mij niet tonen hoe ik van zonden, van de duivel, van de dood, van de hel vrijgemaakt moet worden. Daarvoor moeten we raadplegen en horen het Evangelie, dat leert, niet wat ik doen moet - dat is de eigenlijke functie van de wet - maar wat een Ander voor mij gedaan heeft, dat dus Jezus Christus, de Zoon van God voor mij geleden heeft en voor mij gestorven is, opdat Hij mij van zonde en dood zou bevrijden.

Dat is wat het Evangelie u gebiedt aan te nemen en te geloven en dat hetekent de waarheid van het Evangelie. En dat is de hoofdzaak van de christelijke leer, waarin de kennis van de vreze des Heeren is samengevat. Daarom is het heel belangrijk deze hoofdzaak goed te kennen en voortdurend in te prenten. Dat had Paulus ervaren. Dat ervaren alle vromen.

(...)

 

2:6 En van degenen die geacht waren wat te zijn, hoedanigen zij eertijds waren, verschilt mij niet . . .

 

(...) Deze weerlegging door de apostel is zeer heftig en fier. Hij laat de ware apostelen zelfs niet hun hoge titel behouden, want hij zegt met een zekere afzwakking 'die iets schenen te zijn', dat wil zeggen, die verantwoordelijk waren, van wier goedkeuring of afkeuring alles afhing. Inderdaad was het gezag van de apostelen bij alle gemeenten groot en ook Paulus doet hun eer niets tekort. Hier echter spreekt Paulus, in zijn antwoord aan de valse apostelen, op schampere toon over de apostelen, daar de valse apostelen overal in de gemeenten tegenover Paulus de grootheid van de apostelen en hun leerlingen stelden, om zo het gezag van Paulus te verkleinen en al zijn werk in de gemeente te smaden. Dat kon Paulus zich op geen enkele wijze laten welgevallen. Om dus de waarheid van het Evangelie en de vrijheid van de gewetens in Christus bij de Galaten en bij alle gemeenten van de christenen uit de heidenen te handhaven, antwoordt de apostel de valse apostelen op deze uitdagendsuperieure manier, dat hij er zich namelijk niet druk om maakt hoe groot de apostelen zijn of wat zij ooit voor mensen waren. Tenslotte maakt het hem bitter weinig uit, of door de valse apostelen het gezag van de naam 'apostel' tegen hem aangevoerd wordt. De apostelen zijn zeker van belang en hun gezag moet geÎerd worden, maar daarom kan hij niet toestaan dat men wegens de naam of de titel van een nog zo grote apostel of zelfs van een engel die vanuit de hemel spreekt, zijn Evangelie of zijn dienst op het spel zet. (...)

Al zijn het ook nog zo grote apostelen, al zijn het engelen uit de hemel, het interesseert mij niets. Wij spreken over het Woord van God en over de waarheid van het Evangelie. Er is alles aan gelegen dat het Evangelie gehandhaafd wordt. Dat moet voorrang hebben. Daarom interesseert het ons niet hoe groot Petrus en de andere apostelen geweest mogen zijn en hoeveel wonderen zij gedaan hebben. Wij strijden ervoor, dat de waarheid van het Evangelie bij u blijft bestaan.

De bewering van de apostel Paulus lijkt erg zwak, omdat hij zich wel erg inspant, terwijl hij het feit dat de valse apostelen de zo grote apostelen tegen hem uitspelen, alleen maar met minachting beantwoordt en dit, hun sterkste argument, niet anders weet te pareren, dan door te zeggen: het interesseert mij niet. Hij voegt echter ook een argument aan zijn weerlegging toe.

 

2:6 . . . God neemt de persoon des mensen niet aan . . .

 

Paulus haalt hier woorden van Mozes aan, die door Mozes meer dan eens gebruikt zijn, o.a. in Deuteronomium 1:17. Het gaat om een theologische zinspreuk of uitspraak: God ziet niet aan wat voor ogen is, de persoon.' Met dit woord stopt Paulus de valse leraars de mond, alsof hij zeggen wilde: jullie stellen diegenen die iets schijnen te zijn, tegenover mij. Maar God bekommert zich niet om hen. Hij kijkt niet naar het ambt van apos tel, bisschop of vorst, Hij let niet op eer, ambt enz. Opdat dat heel duide lijk zou worden, liet God toe, dat een van de eerste apostelen, namelijk Judas, viel en verworpen werd. Precies zo verging het een van de voornaamste koningen en wel de eerste koning, Saul. (...) Van nature zijn wij geneigd tot persoonsverheerlijking. Deze ondeugd zit in ons bloed, dat wij personen bewonderen en belangrijker achten dan het Woord van God, terwijl God toch wil dat wij zeer gehecht zijn alleen aan het Woord zelf. Hij wil dat wij de noot en niet de dop zullen kiezen, dat wij ons meer druk maken om de huisvader dan om het huis. Hij wil niet dat wij in Petrus en Paulus het apostelambt bewonderen en vereren. Hij wil dat wij Christus eren, Die door hen spreekt en het Woord van God Zelf dat uit hun mond uitgaat.

Dit te zien, ligt niet in de natuur van de wereldse mens, maar is een zaak van de geestelijke mens. Die alleen onderscheidt de persoon van het Woord, het Goddelijk aanschijn van God Zelf. Nu, in deze periode van de wereldgeschiedenis hebben wij te doen met de God Die Zich verbergt. Hier en nu kunnen wij niet met God van aangezicht tot aangezicht omgaan. De hele schepping is verhuld aanschijn van God. Maar er is wijsheid voor nodig om God van Zijn aanschijn te onderscheiden. Deze wijsheid heeft de wereld niet, daarom kan zij God niet van Zijn masker onderscheiden. Als een gulzigaard, die alleen op zijn buik acht slaat, hoort, dat de mens niet alleen bij brood zal leven, maar bij alle Woord dat van de mond van God uitgaat, dan schrokt hij weliswaar het brood op, maar hij ziet in het brood God niet, omdat hij het uiterlijke brood zo belangrijk acht en dan in verwondering raakt en het aanbidt. Zo doet hij met zijn goud en het andere geschapene: zolang hij het heeft, vertrouwt hij erop. Als zij echter weg zijn, wordt hij wanhopig.

Dit zeg ik daarom, opdat niemand mene dat zulke uiterlijkheden of personen door Paulus verworpen of veracht zouden worden. Paulus zegt niet dat er geen persoon mag zijn, maar dat er bij God geen aanzien des persoons is. De uitwendige mens moet er zijn, en God heeft die gegeven. Hij is een schepsel van God, maar wij mogen hem niet vereren en aan bidden. Beslissend is het gebruik der dingen, het zijn niet de dingen zelf, zoals ik hiervoor gezegd heb. De fout ligt niet in de besnijdenis of in de voorhuid, want de besnijdenis is niets en de voorhuid is niets, maar daarin, hoe men er tegenover staat. De besnijdenis vereren en aanbidden, zijn gerechtigheid daarop bouwen, en het hebben van de voorhuid tot zonde verklaren, betekent het instellen van een verdoemelijke zede, die moet verdwijnen. Als dit verkeerd gebruik eenmaal verdwenen is, zijn de besnijdenis en de voorhuid beide goed.

Zo zijn de overheid, keizer, koning, vorst, burgemeester, predikant, leraar, leerling, vader, moeder, kinderen, huisheer, knecht enz. personen of uiterlijke verschijningen, die God in ere gehouden en als Zijn schepselen erkend wil hebben en die er in dit leven moeten zijn. Maar Hij wil niet dat wij iets Goddelijks in hen zien, dat is dat wij hen als God vrezen en vereren, ons vertrouwen op hen stellen en Hem vergeten. Daarom heeft God toegelaten dat al deze personen in zonde vallen, en wel zo diep, dat wij eraan herinnerd worden, dat het eropaan komt goed te onderscheiden tussen de persoon en God. (...) Zo heeft Petrus Christus verloochend enz. (...)

Als Paulus hier over de uiterlijke schijn van de persoon van de mens spreekt, dan bedoelt hij het ambt van de apostelen, die toch echt wel veel wonderen hebben gedaan, de mensen onderwezen en tot geloof gebracht hebben en met Christus vertrouwelijk omgingen. Kortom: 'persoon' omvat de hele handel en wandel van de apostelen die heilig waren, en hun gezag dat toch groot was. En toch, zegt Paulus, vindt God die niet belangrijk. Niet alsof dat alles Hem eigenlijk onverschillig zou zijn, maar daar waar het om de rechtvaardiging gaat, blijft het buiten beschouwing. Het is belangrijk dit onderscheid goed voor ogen te houden, zodat wij in de theologie heel anders redeneren dan in de politiek. In de politiek behoren wij naar Gods wil die personen als Zijn beeld en werktuig te eren, door welke God de wereld leidt en regeert. Maar als het gaat over de godsdienst, het geweten, de godsvrucht, het godsvertrouwen en de eredienst, dan zal niemand welke mens dan ook als god vrezen, niemand op hem al zijn vertrouwen stellen, niemand van hem de ware troost verwachten. Niemand mag hopen van de een of andere mens lichamelijke of geestelijke verlossing te kunnen verkrijgen. (...)

Zo zou ik ook de paus eren en hem om zijn ambt hoogachten, als hij slechts mijn geweten vrij wilde laten en mij niet dwingen zou, God Zelf te beledigen. Maar de paus wil zelf zo geÎerd en gevreesd worden, dat de majesteit van God schade lijdt, het geweten gekwetst wordt en ik tot slavemij van de zonde gebracht word. Als een van beiden moet verdwijnen, dan dat ambt, maar God moet blijven. De heerschappij van de paus zou ik best willen verdragen, maar hij misbruikt zijn gezag en macht en wil ons dwingen dat wij hem alleen als heer erkennen, waarbij we God moeten verloochenen en versmaden; hij wil onze gewetens binden en onder druk zetten, met terzijdestelling van de godsvrucht en het godsvertrouwen. Zo zijn we gedwongen, hoewel tegen onze wil, ons tegen de paus te verzetten, want er staat geschreven: men moet Gode meer gehoorzaam zijn dan de mensen (Handelingen 5:29). Daarom verzetten wij ons met een goed geweten tegen de paus, wat ons geweldig vertroost. Anders zouden we ons zeker in ons geweten bezwaard voelen dat wij ons tegen de paus verzetten, maar bovendien tegen de keizer, die zo'n machtig rijk en zo'n grote majesteit heeft en over wie God ons geboden heeft dat wij hem alle eer zouden toebrengen. Muntzer en andere sekten hebben zich ook tegen de paus verzet en doen het nog, maar bij hen geschiedt het om de persoon van de paus, niet om God. Wij zouden graag de Behemoth en zijn schubben laten begaan, dat wil zeggen de paus en zijn bisschoppen alle uiterlijk vertoon van de waardigheid die zij hebben, dulden, als zij ons Christus maar lieten. Omdat wij dat echter niet van hen gedaan kunnen krijgen, verachten wij hun uiterlijk vertoon en zeggen tegelijk met Paulus: God ziet niet naar de persoon der mensen.

Er ligt een grote nadruk op het woord 'God'. Op het stuk van het geloof en van het Woord van God kan de persoon op geen enkele manier iets van belang zijn. Als het echter gaat over zaken buiten de godsdienst, afgezien van de Godsverering, dan is het hoogachten van de persoon belangrijk en moet men de persoon aanvaarden, opdat er geen verwarring zal ontstaan en het respect en de orde niet verloren gaan. God wil dat in deze bedeling de orde, de eerbied en het onderscheid tussen de personen gehandhaafd blijft. Anders zouden een zoon, een leerling, een ondergeschikte, een knecht kunnen zeggen: ik ben net zo goed een christen als mijn vader, leraar, vorst, gebieder, waarom zou ik hem eer bewijzen. God wil dus, dat wij onder elkaar het onderscheid tussen de personen bewaren, maar voor Hem Zelf valt het onderscheid tussen de personen weg. Daar telt noch Griek, noch jood, maar zijn allen ÈÈn in Christus. (...)

 

2:6 . . . want die geacht waren, hebben wij niets toegebracht.

 

Paulus wil zeggen: ik ben niet tot een gesprek met de apostelen gekomen, om door hen onderwezen te worden. Want wat zouden zij mij moeten leren, daar Christus mij alles overvloedig geleerd had door zijn openbaring, daar ik voorts reeds 18 jaren het Evangelie onder de heidenen verkondigd had en Christus zo vele wonderen door mij gedaan had, waardoor Hij mijn prediking bevestigde. Daarom was het geen dispuut, maar slechts een ontmoeting, waarbij ik vertelde wat ik gedaan had, namelijk dat ik aan de heidenen predikte dat zij alleen door het geloof in Christus zonder de wet rechtvaardig zouden worden. Ik deelde hun mee dat bij deze prediking de Heilige Geest op de heidenen viel, die terstond in tongentaal begonnen te spreken. Het is dus tevergeefs dat de valse leraars zich op het gezag van de apostelen beroepen, alsof die mij onderwezen zouden hebben. Want ik heb niets van hen geleerd en ik heb me ook niet tegenover hen verdedigd, maar ik heb alleen maar verteld hoe ik het Evangelie onder de heidenen gepredikt heb. Nadat ik dit verteld had, hebben de apostelen mij bevestigd dat ik een rechte leer verkondigd heb.

Deze trots van Paulus, hij zegt immers dat de andere apostelen hem niets geleerd hadden, is niet verwerpelijk, maar zelfs uitermate noodzakelijk. Want als hij hier toegegeven zou hebben, zou de waarheid van het Evangelie te gronde zijn gegaan. Veel minder mogen wij aan de goddeloze pausgezinden toegeven, die zich met het gezag van hun afgod 'paus' tegen ons keren, zoals Paulus hier voor de valse apostelen niet wijken wilde, die het gezag van de apostelen tegen hem deden gelden.

Ik weet het, dat onder de vromen deemoed moet heersen, maar tegenover de paus moet en wil ik met een heilige hoogmoed optreden en verklaren: paus, ik wil niet aan je onderworpen zijn, ik wil je niet als leraar hebben, omdat ik zeker weet dat mijn leer waar en Goddelijk is. Dat wil ik bewijzen en daarover verantwoording afleggen. Maar de paus wil mijn leer niet horen, hij wil mij veeleer dwingen dat ik naar hem luister en als ik niet naar hem luister, excommuniceert hij mij en verdoemt mij als ketter en als iemand die de kerk verlaten heeft. Daarom is onze trots tegenover de paus zeer groot en noodzakelijk. En als wij niet zo fier zouden optreden en in de kracht van de Heilige Geest de paus met z'n leer en de duivel, die zijn vader is, niet zouden verachten, dan konden wij onmogelijk aan het artikel van de gerechtigheid door het geloof vasthouden. Niet dat wij ons op deze manier boven de paus zouden willen stellen, niet dat wij eropuit zouden zijn dat wij ons boven de hoogste vorsten zouden verheffen, daar het toch duidelijk is hoe wij alle mensen leren zich te verootmoedigen, onderdanig te zijn en zich te onderwerpen aan het gezag. Maar dat begeren wij, dat Gods eer en de gerechtigheid door het geloof ongeschonden bewaard worden, zo dat wijzelf gered kunnen worden. Als wij dat verkrijgen, dat erkend wordt dat God alleen uit louter genade rechtvaardigt door Christus, dan willen wij niet alleen de paus op handen dragen, maar hem ook de voeten kussen. Maar omdat wij dat niet bereiken kunnen, daarom zijn wij in God bovenmate trots en willen ook niet voor alle engelen in de hemel, niet voor Petrus en Paulus, niet voor honderd keizers, niet voor duizend pausen, ja niet voor de hele wereld, ook maar een duimbreed wijken. Dan zij alle nederigheid verre, als zij ons van onze roem beroven willen, God Zelf, Die ons geschapen en alles gegeven heeft, Jezus Christus, Die ons door Zijn bloed gekocht heeft. Wij willen ons graag al onze goederen, onze naam, ons leven en alles wat wij hebben, laten afnemen, maar het Evangelie, het geloof, Christus enz. willen wij ons niet laten afnemen. Daarmee uit. Vervloekt zij de nederigheid, die dat toelaat; hier moet een ieder fier en vasthoudend zijn, als hij Christus niet verloochenen wil. Daarom, als God het mij geeft, zal mijn kop harder zijn dan de koppen van alle anderen. Hierin wil ik hard zijn en het weten ook, daarom heb ik de naam dat ik voor niemand opzij ga. Ik verblijd mij van harte, als ik hierom rebel en stijfkop genoemd word. Hier beken ik voor iedereen dat ik hard ben en hard zal zijn, en ik zal geen haarbreed wijken. De liefde verdraagt alle dingen, gelooft alle dingen, hoopt alle dingen en is lankmoedig, maar niet alzo het geloof. Dat kan volstrekt niets verdragen wat daartegenin gaat, zoals de volksmond zegt: met mooie woorden, met een goed geloof en met vriendelijke ogen kun je slecht schelden. Daarom zij een christen, wat het geloof aangaat, vol trots en onverzettelijkheid; hij late eenvoudig niets toe wat tegen het geloof ingaat, voor niemand zal hij ook maar een haarbreed wijken. Door het geloof wordt de mens de Goddelijke natuur deelachtig (2 Petrus 1:4). God echter duldt niets wat tegen Hem is, wijkt voor niemand, Hij is de Onveranderlijke. Daarom is het geloof onveran derlijk. In de liefde is een christen echter lankmoedig en duldt alles, dan is hij namelijk alleen maar mens.

 

2:7 Maar daarentegen, als zij zagen dat aan mij het Evangelie der voorhuid toebetrouwd was, gelijk aan Petrus dat der besnijdenis.

 

(...) Dat is een wonderlijke tekst, omdat Paulus zegt dat aan hem het Evangelie voor de heidenen is toevertrouwd, aan Petrus echter het Evangelie voor de joden. Want de Schrift zegt toch, dat Paulus bijna overal voor de joden in de synagogen en Petrus ook voor de heidenen gepredikt heeft. Van beide feiten bevinden zich voorbeelden en getuigenissen in de Handelingen der apostelen. (...) En in het bijzonder staat bij Markus en MatthÈus het zendingsbevel voor alle apostelen: gaat heen in de gehele wereld en predikt het Evangelie aan alle creaturen (Markus 16:15 en MatthÈus 28:19). En Paulus zegt in Kolossenzen 1:6, dat het Evangelie aan de hele wereld gepredikt is. Waarom dan noemt Paulus zich alleen de apostel der heidenen en Petrus en de anderen apostelen der joden?

Die vraag is niet moeilijk te beantwoorden. Paulus zegt dat met het oog op het feit dat de andere apostelen voomamelijk in ~udea en Jeruzalem gebleven zijn, tot zij door roeping van God ergens anders heen gezonden werden. Het was toen zo, dat de genoemde apostelen zich in ~udea bevonden zolang de Joodse staat en de tempel bestonden, maar toen de verwoesting kwam, werden zij over de hele wereld verstrooid. Paulus was echter, naar het bericht van Handelingen 13:2, door een speciale roeping tot apostel voor de heidenen uitverkoren. (...) Zo is het waar, dat Paulus vooral de apostel der heidenen geweest is. In ons tekstwoord lezen we dus over een arbeidsverdeling, die tijdelijk gegolden heeft. Toen dan de joden in Palestina verslagen waren, werden de christenen uit de joden en de christenen uit de heidenen tot de ene kerk. (...)

Uit ons tekstwoord wordt duidelijk dat Jakobus, Petrus en Johannes, die als de 'zuilenapostelen' bekend stonden, Paulus geen onderricht hebben gegeven of hem, als de groteren en meerderen, het ambt van de evangelieverkondiging hebben opgedragen. Er was geen gezag van een leraar, van een opdrachtgever of van een zender. Daarom erkent Paulus de genoemde apostelen ook niet als zijn leraars en meerderen. 'Maar toen als zij zelf zagen', staat er, 'dat aan mij het Evangelie toebetrouwd was', namelijk dat het in goede handen was gegeven en dat niet door Petrus. Want zoals ik het Evangelie niet van een mens ontvangen of geleerd heb, zo heb ik ook het bevel tot evangelieprediking niet van een mens ontvangen, maar beide, de kennis van het Evangelie en de opdracht tot evangelieverkondiging onder de heidenen, ontving ik van God en wel rechtstreeks en voor altijd, zoals Petrus van God het Evangelie gekregen heeft en het ambt van de evangelieverkondiging onder de joden ontvangen heeft.

Hier is duidelijk dat alle apostelen een eendere roeping en een eender bevel voor een eender Evangelie ontvangen hebben. Petrus predikt geen ander Evangelie dan de anderen en hijzelf heeft aan anderen geen ambt opgedragen, maar er heerste een volkomen gelijkheid onder hen. Allen zijn ze van God geleerd en geroepen, dat wil zeggen dat de roeping en de opdracht van alle apostelen eenvoudig rechtstreeks van God stamden. Daarom is de ene apostel niet belangrijker dan de andere en heeft niemand het primaat. Het is dan ook een onbeschaamde leugen, als de paus er ophef van maakt dat Petrus de eerste onder de apostelen is geweest en hij daarmee zijn primaat bekrachtigt.

 

2:8 Want Die in Petrus krachtiglijk wrocht tot het apostelschap der besnijdenis, Die wrocht ook krachtiglijk in mij onder de heidenen.

 

(...) Op generlei wijze wil Paulus de mindere zijn van de andere apostelen. Dat beklemtoont hij op een vrome en heilige manier. (...) Paulus stond hier op zijn eer en was trots tegenover Petrus, uit noodzaak en wel uit Goddelijke noodzaak; de ijver voor Gods eer dwong hem zo nadruk kelijk te zijn. (...) Het ging hier niet om de zaak van Paulus, maar om het geloof. Als het om het geloof gaat, komt het eropaan, niet toe te geven, maar hard, ja uiterst hardnekkig te zijn, als wij het zouden kunnen, harder te zijn dan een diamant. Als het om de liefde gaat, moeten we zachter en meegaander zijn, daar is het zaak in ieder opzicht elkaar ter wille te zijn. Hier in onze tekst wordt dus niet gestreden over trots, eer, voorrang enz., zoals wij dat bij de pausgezinden zien. Hier gaat de strijd over de eer van God, over het Woord van God, over hoe we God waarlijk vereren, over de godsdienst en de gerechtigheid door het geloof, opdat wij dat alles zonder smet bewaren.

 

2:9 En als Jakobus en CÈfas en Johannes, die geacht waren pilaren te zijn, de genade die mij gegeven was, bekenden, gaven zij mij en Barnabas de rechterhand der gemeenschap, opdat wij tot de heidenen en zij tot de besnijdenis zouden gaan.

 

(...) Hier hebt u een duidelijke tekst, dat er ÈÈn Evangelie is voor heidenen en joden, voor monniken en leken, voor jong en oud, voor mannen en vrouwen. Het Evangelie maakt geen onderscheid tussen personen, maar het is een algemeen woord en een leer voor alle mensen, hoewel aanzien en persoon verschillend kunnen zijn. De apostelen besneden, Paulus besneed niet. Maar Paulus liet met de andere apostelen de besnijdenis vrij voor hen die daarin geboren waren. De apostelen konden met wijsheid wet en Evangelie zuiver onderscheiden. Daarom geloof ik, wanneer de aan Christus gelovige joden, wet en besnijdenis zouden gezien hebben onder de voorwaarde waaronder de apostelen ze toelieten, dat dan tot op vandaag het jodendom bestaan zou en dat dan de hele wereld de ceremoniÎn der joden aangenomen zou hebben. Daar zij er echter op stonden, dat de wet en de besnijdenis voor het heil noodzakelijk waren en daarvan een eredienst, ja een soort god maakten, kon God dat niet verdragen. Daarom verwoestte Hij de tempel, de wet, Jeruzalem als heili ge stad, zodat er geen steen op de andere bleef. (...)

 

2:10 Alleenlijk, dat wij de armen zouden gedenken; hetwelk ik zelve ook benaarstigd heb te doen.

 

Na de prediking van het Evangelie, is het voorts nog de zorg van een goede herder, dat hij de armen gedenkt. Want waar de kerk is, daar moe ten noodzakelijk ook armen zijn, die ook meestal de enige ware leerlingen van het Evangelie zijn, zoals Christus zegt: 'Aan de armen wordt het Evangelie verkondigd' (MatthÈus 11:5). Want de mensen en de duivel vervolgen de kerk en maken dat vele armen dan verlaten worden; nie mand wil hun iets geven. Verder maakt niemand er zich druk over, zich in te zetten voor de instandhouding van de evangelieprediking. Niemand denkt eraan voor het onderhoud van de dienaren der kerk of voor het instandhouden van de scholen iets bij te dragen en daar zorg voor te hebben. Als het erom ging, het bijgeloof in stand te houden of de valse eredienst in te richten en te onderhouden, dan gaf men graag met volle handen. Er zijn zoveel kloosters, zoveel kerken en kathedralen gebouwd, zoveel bisdommen door Rome gesticht waar toch echt niet de vroomheid regeert, en zoveel inkomsten worden vastgelegd voor hun onderhoud. De burgers voelen zich tegenwoordig al overbelast, als zij een of twee dienaars van het Evangelie moeten onderhouden; vroeger, toen de verdorvenheid in de kerk regeerde, hebben zij een aantal kloosters en talloze mispriesters zonder klagen en zuchten onderhouden. (...) Kortom, de ware godsdienst heeft altijd gebrek en Christus klaagt dat Hij honger en dorst lijdt, een vreemdeling is, naakt en zwak is enz. Daarentegen bloeit de goddeloosheid en heeft alle goederen in overvloed. Daarom moet een ware herder ook zorg dragen voor de armen, wat Paulus hier van zichzelf zegt.

 

2:11 En toen Petrus te AntiochiÎ gekomen was, wederstond ik hem in het aangezicht, omdat hij te bestraffen was.

 

Paulus gaat door met zijn weerlegging en zegt, dat niet alleen Petrus en de andere apostelen in Jeruzalem v66r hem getuigden, maar dat hij ook Petrus weerstaan heeft in AntiochiÎ, in tegenwoordigheid van de gemeente. Hij vertelt dat die zaak niet in een hoek geschied is, maar voor het aangezicht van de gemeente. Het is waarlijk een opmerkelijke geschiedenis, die Porphyrius, Celsus, Julianus en anderen gelegenheid tot smaden gegeven heeft. Zij klagen Paulus aan wegens hoogmoed, daar hij de voomaamste apostel aangevallen had en nog wel voor het aangezicht van de gemeente; daarmee moet hij de grenzen van de christelijke bescheidenheid en nederigheid overschreden hebben. Over zulke verwijten mag men zich zeker niet verwonderen, daar deze uitleggers het kempunt van Paulus' uiteenzetting niet begrepen hebben.

Het gaat Paulus hier niet om pietluttigheden, hij spreekt ook niet om den brode, hij spreekt over de hoofdzaak van de christelijke leer. Als men die in het oog gekregen heeft en voor ogen houdt, worden alle andere zaken gering en zijn als niets. Want wat is Petrus, Paulus, wat is een engel uit de hemel, wat is de ganse schepping tegenover het leerstuk van de rechtvaardiging?! Daarom als u dat ziet afglijden of in gevaar ziet komen, schrik er niet voor terug een Petrus of een engel uit de hemel te weerstaan. Dit leerstuk kan niet hoog genoeg geprezen worden. Die uitleggers, die Paulus bekritiseren, keken emaar hoe groot en hoe waardig het ambt van een Petrus was. Zij bewonderen zijn persoon en vergeten de majesteit van dit leerstuk. Paulus doet het omgekeerde. Hij treedt niet scherp tegen Petrus op, maar behandelt hem met verschuldigde eerbied. Daar hij echter ziet, dat de majesteit van het leerstuk van de rechtvaardiging door de waardigheid van Petrus in gevaar komt, houdt hij met deze waardigheid geen rekening, om het grote leerstuk ongeschonden te handhaven en te verdedigen. Zo gaan wij ook te werk, daar geschreven is: 'Die vader, moeder of zijn leven liefheeft boven Mij, is Mijns niet waardig' (MatthÈus 10:37).

Daarom, als het om de verdediging van het Evangelie en zijn waarheid gaat, schamen wij ons niet, voor hoogmoedig en verstokt uitge' scholden te worden door eigenwijze huichelaars, die naar niemand luiste, ren en voor niemand willen wijken. Ja, hier is het zeer noodzakelijk pal , te staan, omdat de reden waarom wij tegen de mensen zondigen, d.w.z. , waarom wij de majesteit van de persoon of van de wereld schenden, zo gewichtig is, dat deze zonden, die de wereld beoordeelt als de grootste, voor God de hoogste deugden worden en zijn. Wij doen er goed aan als ~ wij onze ouders eren, de overheid eer bewijzen, als wij Petrus en de ande; re dienaren des Woords hoogachten. Maar nu gaat het niet om de zaak . van Petrus, van onze ouders, van de keizer, van de wereld of van welk schepsel dan ook, nu gaat het om Gods zaak. En dan doe ik er goed aan, als ik mijn ouders, de keizer of ook een engel uit de hemel niet gehoorzaam. Reden vergeliikt u God eens met de schepping. Wat is de hele, schepping tegenover God? Een druppel in vergelijking met de zee. Waarom zou ik Petrus, die een druppel is, zo bewonderen, dat ik God, ; Die de zee is, daarvoor zou verlaten. Dus wijke de druppel voor de zee, Petrus wijke voor God. (...)

Laat de anderen maar redetwisten of een apostel kan zondigen. Wij mogen de zonde van Petrus niet verkleinen. (...) Wij mogen de apostelen niet zo'n grote heiligheid toekennen, alsof zij niet zouden kunnen zondigen. (...) De dwaze sofisten en monniken hebben de heiligen met ongehoorde en overdreven loftuitingen overladen en hebben gezegd: de kerk is zo heilig, dat zij geheel zonder zonde is. De kerk is zeker heilig, nochtans is ze tegelijk een zondares. Daarom gelooft ze ook de vergeving van de zonden en bidt: vergeef ons onze schulden. Om deze vergeving zal ieder heilige U aanbidden (Psalm 32:6). Daarom heten we niet 'doorbakken heiligen', zoals de muur wit heet omdat ze met witte verf beschilderd is. De heiligheid die ons aankleeft, is niet genoeg, Christus is onze gehele heiligheid. Waar de ons aanklevende heiligheid niet genoeg is, daar is Christus genoeg. Daarom twijfel ik er niet aan, dat Petrus hier werkelijk gevallen is. En als Paulus zich niet daartegen verzet zou hebben, dan waren alle gelovigen, uit de joden en uit de heidenen, gedwongen geweest, tot het jodendom terug te keren en waren ze verloren gegaan. En tot zulke vreselijke dingen zou Petrus met zijn geveinsdheid aanleiding hebben gegeven.

 

2:12 Want eer sommigen van Jakobus gekomen waren, at hij mede met de heidenen; maar toen zij gekomen waren, onttrok hij zich en scheidde zichzelf af, vrezende degenen, die uit de besnijdenis waren.

 

(...) Petrus heeft, door met de christenen uit de heidenen te eten, niet gezondigd; daar deed hij goed aan en hij wist dat hem dat geoorloofd was. Door deze zijn overtreding toonde hij, dat de wet niet noodzakelijk is voor de gerechtigheid; en hij bevrijdde de christenen uit de heidenen van het zich houden aan de wet. Want als het Petrus geoorloofd is, de wet op ÈÈn punt te overtreden, dan was het ook geoorloofd de wet op alle punten te overtreden. Paulus berispt Petrus ook niet om deze overtreding van de wet, maar om het veinzen, waarvan hier melding gemaakt wordt.

(...)

Nu Petrus zich op een afstand houdt en tot elke prijs het voedsel mijdt, dat hij tevoren gegeten heeft, is dat het zekerste teken, dat degenen die wel eten, tegen de wet zondigen, terwijl degenen die zich van de in de wet verboden spijzen onthouden, gerechtvaardigd worden. (...)

 

2:13 En ook de andere Joden veinsden met hem; alzo dat ook Barnabas mede afgetrokken werd door hun veinzing.

 

Daar ziet u duidelijk, dat Paulus aan Petrus geveinsdheid verwijt. (...) En de anderen, zegt hij, stemden met het veinzen van Petrus in, zodat ook Barnabas, die toch Paulus metgezel was en reeds lange tijd met hem onder de heidenen het geloof in Christus zonder wet verkondigd had, tot dezelfde geveinsdheid verleid werd. Hier hebt u de zonde van Petrus duidelijk beschreven, dat het namelijk geveinsdheid was; die zou in de toekomst de ondergang van het aangenomen Evangelie betekend hebben, als Paulus zich niet tegen Petrus teweergesteld had.

Maar het is een wonderlijke zaak, dat God de jonge kerk en het Evangelie zelf toentertijd door middel van een enkele persoon bewaard heeft. Alleen Paulus bleef staande, Barnabas verloor hij als metgezel, Petrus had hij tegen zich. Zo kan soms ÈÈn enkele persoon bij een concilie meer betekenen dan het hele concilie. (...)

Deze dingen zeg ik daarom, opdat wij het leerstuk van de rechtvaardiging heel ijverig in ons opnemen en dat wij leren, een zuiver onderscheid te maken tussen de wet en het Evangelie; en dat wij daarmee volstrekt niets huichelachtigs doen, voor niemand ook maar een haarbreed wijken. (...) Daarom zij verre van ons de menselijke rede, de vijandin van het geloof, die, als zonde en dood ons aanvechten, niet op de gerechtigheid van het geloof of van Christus steunt, omdat zij daarvan helemaal geen weet heeft, maar op de eigen gerechtigheid of hoogstens op de gerechtigheid van de wet. Zodra echter wet en menselijke rede een verbond aangaan, is de ongereptheid van het geloof geschonden. Niets is meer met het geloof in strijd dan de wet en de menselijke rede. En die twee kunnen niet dan met veel moeite en inspanning overwonnen worden; en zij moeten wel overwonnen worden, als u tenminste gered wilt worden. Daarom, als uw geweten door de wet verschrikt wordt en met het oordeel van God worstelt, vraag het dan niet aan de rede of de wet, maar steun alleen op de genade en het Woord der vertroosting. Gedraag u zo, alsof u nog nooit iets over de wet van God gehoord had, maar stijg op in het duister, waar wet noch verstand verlichten, maar alleen het geheim van het geloof, dat vasthoudt aan de zekerheid dat er redding is buiten de wet om, namelijk in Christus. Zo tilt het Evangelie ons boven het licht van de wet en van de rede uit in het duister van het geloof, waar wet en verstand niets kunnen uitrichten. Ook de wet moet gehoord worden, maar op zijn tijd en zijn plaats. Toen Mozes op de SinaÔ vertoefde en van aangezicht tot aangezicht met God sprak, toen had hij niet te maken met het ontwerpen en toepassen van de wet, maar toen hij van de berg afdaalde, werd hij de wetgever en regeerde het volk door de wet. Zo zij het geweten vrij van de wet, maar het lichaam gehoorzame de wet.

(...)

Wij zijn dus niets met al onze gaven, al zijn ze ook nog zo groot, als God er niet bij is. Als Hij ons verlaat of ons aan onszelf overlaat, is onze wijsheid en ons weten enz. niets. Als God ons niet voortdurend draagt, dan heeft de hoogste kennis en de beste theologie geen nut. Want in het uur van de aanvechting kan het plotseling gebeuren, dat wij door de list van de duivel alle troostrijke plaatsen van de Schrift uit het oog verliezen en wij alleen de dreigende woorden tegenkomen die ons teneerdrukken.

 

(...)

Dat druk ik u daarom zo zorgvuldig op het hart, opdat niemand denke dat de leer van het geloof gemakkelijk is. Zij is gemakkelijk onder woorden te brengen, maar heel moeilijk te verstaan en verder wordt zij gemakkelijk vertroebeld en raakt dan verloren. Laten wij dus maar heel naarstig en nederig de Heilige Schrift blijven bestuderen en laten wij emstig bidden, dat wij de waarheid van het Evangelie niet verliezen.

 

2:14 Maar als ik zag, dat zij niet recht wandelden naar de waarheid des Evangelies . . .

 

Paulus zegt hier, dat Petrus, Bamabas en andere joden niet recht naar de waarheid van het Evangelie wandelden, dat is, ze hebben het Evangelie wel gehad, maar ze hebben er niet naar geleefd. Hoe geweldig zij het Evangelie ook predikten, zij hebben toch door hun geveinsdheid, die met de waarheid van het Evangelie niet kon samengaan, de wet bekrachtigd. De wet bekrachtigen betekent echter, het Evangelie afschaffen en verdraalen.

Wie daarom het Evangelie goed weet te onderscheiden van de wet, zegge God dank daarvoor en wete dat hij een theoloog is. Ik heb in mijn beproeving echt nog niet geweten, hoe ik dat had gekund. Zij zijn echter zo verschillend, dat u het Evangelie in de hemel moet plaatsen, maar de wet op de aarde, de gerechtigheid van het Evangelie moet hemels en Goddelijk genoemd worden, de gerechtigheid van de wet echter aards en menselijk. Even zorgvuldig behoort u de gerechtigheid door het Evangelie van de gerechtigheid door de wet te onderscheiden als God zorgvuldig scheiding gemaakt heeft tussen hemel en aarde, tussen dag en nacht, zodat hier licht en dag en daar duisternis en nacht is. Ach, dat wij het verschil daartussen toch beter konden zien! Daarom, als over het geloof, over de hemelse gerechtigheid, over het geweten gesproken wordt, dan moet de wet volledig buitengesloten worden, die moet op de aarde gelaten worden. Als het over de werken moet gaan, dan wordt het licht van de werken of van de gerechtigheid door de wet in de nacht aangestoken. Dan schijnt de zon en het eeuwige licht van Evangelie en genade op de dag, het licht van de wet echter in de nacht. Zo moeten wij ook in ons geloofsleven tussen die beide onderscheid maken, zodat u, als uw geweten door het gevoel van zonde verschrikt is, denkt: ik leef nog op de aarde, daar werkt de ezel, hij doet zijn dienst en draagt de hem opgelegde last; dat is, het lichaam met zijn ledematen zij aan de wet onderworpen. Als u zich echter opheft naar de hemel, laat dan de ezel met zijn last op de aarde. Want het geweten heeft niets te maken met de wet, met de werken en aardse gerechtigheid. Dan blijft de ezel dus in het dal, het geweten echter klimt met Izak de berg op (Genesis 22) en weet volstrekt niets van de wet en van de werken, maar ziet alleen op de vergeving van de zonden en alleen op de gerechtigheid, die in Christus bekend gemaakt en geschonken is.

In de aardse huishouding daarentegen moet stipte gehoorzaamheid aan de wet geÎist worden. Daar mag men niets weten van het Evangelie, van het vrije geweten, van de genade, van de vergeving der zonden, van de hemelse gerechtigheid, van Christus, maar alleen van Mozes, van de wet en van de werken. Men moet deze beide, wet en Evangelie, volledig scheiden, elk blijve binnen zijn grenzen. De wet blijve buiten de hemel, dat is buiten het hart en het geweten, en anderzijds blijve de vrijheid van het Evangelie buiten het aardse, dat is buiten het lichaam en zijn ledematen. Zodra dus de wet en de zonde in de hemel komen, dus in het geweten, moeten zij direct uitgewezen worden, omdat het geweten niets van de wet en de zonde mag weten, maar alleen van Christus. En omgekeerd, als de genade, de vrijheid enz. in het aardse komen, dus in het lichaam, zeggen we: 'Jij mag je niet in het varkenskot en in de modder van dit lichamelijke leven ophouden, jij hoort in de hemel enz.' Dit onderscheid tussen wet en Evangelie had Petrus door elkaar gehaald en hij had zo aan de gelovigen de overtuiging opgedrongen, dat zij doot Evangelie en wet gelijktijdig gerechtvaardigd zouden worden. (...) De paus heeft echter niet alleen wet en Evangelie vermengd, maar zelfs het Evangelie omgezet in niets dan wetten en wel ceremoniÎle wetten. Hij heeft het politieke en het kerkelijke op ÈÈn hoop gegooid en dat is een satanische en helse vermenging!

Het besef van deze leer, het onderscheid tussen wet en Evangelie, is onvoorwaardelijk nodig, daarin is de hele christelijke leer samengevat.

(...)

Daarom als de wet u verschrikt en de zonde u aanklaagt en het geweten u verbrijzelt, dan moet u zeggen: Er is een tijd om te sterven en een tijd om te leven, er is een tijd om naar de wet te horen en een tijd om de wet te verachten, er is een tijd om naar het Evangelie te horen en een tijd om van het Evangelie geen weet te hebben. Nu verdwijne de wet en het Evangelie kome, want het is niet de tijd om naar de wet te luisteren, maar naar het Evangelie. Maar u hebt niets goeds gedaan, veeleer zwaar gezondigd. Toegegeven, maar ik heb vergeving van de zonden door Christus, door Wie al mijn zonden weggedaan zijn. Als het echter niet om het vrije geweten gaat, als dus de uitwendige werken gedaan moeten worden, zoals die van een predikant, die van een regering, die van een echtgenoot, leraar, leerling, dan is het niet de tijd om naar het Evangelie te handelen, maar naar de wet, dan is het zaak je beroep uit te oefenen. Zo blijft dan de wet met de ezel in het dal en het Evangelie beklimt met Izak de berg.

 

2:14 . . . zeide ik tot Petrus in aller tegenwoordigheid: lndien gij, die een Jood zijt, naar heidense wijze leeft en niet naar Joodse wijze, waar, om noodzaakt gij de heidenen naar de Joodse wijze te leven.

 

(...) Door jouw voorbeeld, dat je je van onreine spijzen onthoudt, verleid je de heidenen te denken: Petrus mijdt nu de spijzen, die alleen de heidenen eten en eerst heeft hijzelf daarvan gegeten. Daarom moeten ook wij ze mijden en naar joodse wijze leven, anders worden wij niet rechtvaardig en worden wij niet gered. Men ziet, Paulus verwijt Petrus geen onwetendheid, want die wist immers dat hij vrij was om met wie dan ook uit de heidenen te eten. Paulus hekelt de geveinsdheid, omdat Petrus de christenen uit de heidenen dwong, op joodse wijze te gaan leven. (...)

In Paulus was geen geveinsdheid, maar de zuiverste en allerchristelijkste gestrengheid, ja een heilige trots, die verkeerd geweest zou zijn, als Petrus de een of andere onbetekenende zonde begaan had en niet in het belangrijkste van de christelijke leer gefaald zou hebben. Daar echter door de schuld van Petrus aan de waarheid van het Evangelie tekort gedaan wordt, kan en mag Paulus niet nalaten die te verdedigen. Opdat het Evangelie ongeschonden bewaard zou blijven, bekommert Paulus zich niet om Petrus en laten Bamabas en de anderen hem onverschillig.

(...)

De hele kracht zit in het woordje 'noodzaakt gij de heidenen de joodse gebruiken in acht te nemen', dat wil zeggen gij dwingt hen van de genade en van het geloof te vervallen tot de wet en de werken en Christus te verloochenen, zodat Hij tevergeefs geleden heeft, gestorven is enz. Dit woordje 'noodzaakt' sluit alle gevaren en zonden in, waarvan Paulus in de hele brief laat zien hoe erg ze zijn. (...)

Daar het dus gevaarlijk is, met de wet te werken en daar men zo gemakkelijk ten val komt en die val zo vreselijk is, namelijk uit de hoogste hemel in de hel, lere iedere christen zeer zorgvuldig deze twee, wet en Evangelie, van elkaar te onderscheiden. De christen dulde in ieder geval, dat de wet in zijn lichaam regeert, echter niet in het geweten! Het geweten is de koningin en bruid, en mag niet door de wet onteerd worden, deze bruid moet onbevlekt voor de ene en enige bruidegom Christus bewaard worden, zoals Paulus ergens anders zegt: ik heb u als bruid bij een Man gebracht. Het geweten mag zijn bruidsvertrek niet in het diepste dal hebben, maar op de hoogte van de berg waar alleen Christus behoort te wonen en te regeren, Die niet verschrikt, de zondaren niet moedeloos maakt. Nee, Hij vertroost hen, vergeeft hun zonden en redt hen. Daarom behoort een temeergeslagen geweten niets anders te denken, niets anders te weten, niets anders tegenover de toom en het gericht te stellen dan het Woord van Christus, dat een Woord van genade, van vergeving, van heil en van eeuwig leven is. Daar steeds aan te denken is een zware en uiterst moeilijke opgave. De rede en de menselijke natuur houden niet aan Christus vast, maar altijd weer vallen zij terug in gedachten over de wet en over de zonde en zo zoeken zij altijd de vrijheid naar het vlees, maar blijven naar het geweten in slavemij en gevangenschap. (...) Paulus spreekt verder met Petrus:

 

2:15 Wij zijn van nature Joden, en niet zondaars uit de heidenen.

 

(...) Het is iets geweldigs, dat wij van nature joden zijn. Hoewel wij echter dit voorrecht hebben, dat wij van nature joden zijn, dat wil zeggen dat wij tot de wet en de werken geboren worden en geen zondaars zijn zoals de heidenen, daarom zijn wij nog niet rechtvaardig voor God.

Als je mij dus een nog zo goed mens toont, die als jood en met de wet geboren is, die zich vanaf zijn geboorte volkomen aan de wet gehouden heeft, dan is hij daarom nog niet rechtvaardig. Wij zijn wel besneden, maar door de besnijdenis worden wij niet gerechtvaardigd. De besnijdenis is immers slechts een 'teken der rechtvaardigheid' volgens Romeinen 4:11. En de jongetjes, die op het geloof van Abraham besneden werden, zijn niet gered om de besnijdenis, maar om het geloof. Al zijn we dus als joden geboren, al zijn we hellig en kunnen we ons er tegenover de heidenen op beroemen dat wij rechtvaardig zijn door de wet, dat wij de ere dienst, de belofte en de vaderen hebben ‑ dat is inderdaad een geweldige roem ‑ dan zijn wij daarom toch niet rechtvaardig voor God en genieten wij ook geen voorkeur boven de heidenen. (...)

Zo waren Petrus, Paulus en de andere apostelen zonen van God, zij waren rechtvaardig naar de wet, ze waren tenslotte dienaren van Christus, maar zij zullen daarom toch niet rechtvaardig voor God worden verklaard. Al stopt u daarom als het ware dit allemaal bij elkaar in ÈÈn pakket: de wet, de werken en de gerechtigheid uit de werken, de besnijdenis, de aanneming tot kinderen, de testamenten, de beloften, het apos telambt enz., dan komt daardoor toch niet de christelijke gerechtigheid tot stand. Het is namelijk allemaal niet Christus.

Wat hierboven gezegd is, heeft betrekking op het volgende: Paulus wil het geloof uiteenzetten, beklemtonen en verdedigen, omdat dat alleen rechtvaardigt, echter niet de wet. Niet dat de wet slecht of verdoemelijk zou zijn. Niet daarom wordt namelijk de wet, de besnijdenis, de eredienst enz. verworpen, maar omdat zij niet rechtvaardigt. Paulus valt ze daarom aan, omdat de valse apostelen beweerden, dat de mensen daardoor zonder geloof, alleen op grond van uiterlijke wetsbetrachting, gerechtvaardigd en gered zouden kunnen worden. Dat was voor Paulus onverdraaglijk. ~lant als men het geloof loslaat, dan is alles dodelijk, de wet, de besnijdenis, de aanneming tot kinderen, het heiligdom, de kerkdienst, de beloften; ja God en Christus Zelf hebben zonder geloof geen nut. Ronduit en met alle kracht weerspreekt Paulus alles wat tegen het geloof ingaat. Als hij over de wet spreekt, bedoelt hij vooral de ceremoniÎle wetten.

 

2:16 Doch wetende, dat de mens niet gerechtvaardigd wordt uit de werken der wet, maar door het geloof van Jezus Christus . . .

 

Deze woorden 'werken der wet' moeten in de ruimste zin opgevat worden en zijn zeer indringend; dat zeg ik tegen de zelfverzekerde en leeglopende sofisten en monniken. Zij hebben woorden van Paulus, ja de hele Paulus bedorven met hun dwaze en goddeloze kanttekeningen, die ze zelf niet begrijpen. De werken der wet moet men heel eenvoudig als tegenstelling tot de genade opvatten. Wat geen genade is, dat is wet, of het nu om de wet in de rechtspleging gaat of om de ceremoniÎle wetten of om de tien geboden. Als u daarom het gebod der wet: 'Gij zult de Heere uw God liefhebben met uw gehele hart enz.' volbracht zou hebben, dan bent u toch niet voor God gerechtvaatdigd, omdat uit de werken geen mens gerechtvaardigd wordt. Maar daarover hieronder uitvoeriger.

Voor Paulus betekent dus 'werk der wet' het werk van de gehele wet. Er moet dus geen verschil gemaakt worden tussen de wet der tien geboden en de ceremoniÎle wetten. Als echter de wet der tien geboden niet rechtvaardig maakt, dan doet de besnijdenis, die een werk van de ceremoniÎle wet is, dat nog veel minder, want dat is een werk van de ceremoniÎle wet. Als Paulus daarom zegt (wat hij dikwijls doet): 'uit de wet' of 'uit de werken der wet' (wat voor Paulus hetzelfde betekent) 'wordt geen mens gerechtvaardigd', dan spreekt hij eenvoudig over de hele wet en zet als tegenstelling de gerechtigheid uit het geloof en de gerechtigheid uit de gehele wet tegenover elkaar, die of door Goddelijke kracht of door menselijke kracht uit de wet verkregen kan worden. Maar daardoor, zegt hij, wordt de mens niet rechtvaardig voor God. Maar de gerechtigheid uit het geloof rekent God ons toe als een geschenk door de barmhartig heid om Christus' wil. Dus met nadruk en in alle duidelijkheid zegt Paulus 'op grond van de werken der wet'. Want het lijdt geen twijfel, dat de wet heilig, rechtvaardig en goed is. Bijgevolg zijn werken van de wet ook heilig, rechtvaardig en goed. Toch wordt door de werken der wet geen mens rechtvaardig voor God. (...)

Paulus heeft het niet over een deel van de wet, dat ook goed en heilig is, maar over de hele wet. Maar het werk, dat overeenkomstig de hele wet gedaan is, rechtvaardigt niet. Paulus spreekt niet over de zonde tegen de wet, of over het werk van het vlees, maar over het 'werk der wet'; hij bedoelt juist een werk, dat overeenkomstig de wet gedaan is. Daarom niet doden, niet echtbreken enz., of het nu geschiedt overeenkomstig de natuur of door menselijke krachten, naar de vrije wil of uit Gods genadige goedheid of door Goddelijke kracht, dan kan het werk nochtans niet rechtvaardigen.

Werken der wet kunnen voor de rechtvaardiging of na de rechtvaardiging geschieden. Voor de rechtvaardiging hebben vele goede mannen onder de heidenen, zoals Xenophon, Aristides, Fabius, Cicero, Pomponius, Atticus enz. de wet vervuld en uitstekende werken verricht. (...) Echter standvastigheid en waarheidsliefde zijn grote deugden en prachtige werken der wet en toch zijn de bedrijvers ervan er niet door gerechtvaardigd. Petrus, Paulus en alle christenen doen werken der wet na de rechtvaardiging, maar daardoor worden ze niet gerechtvaardigd. 'Ik ben mijzelf van geen ding bewust', zegt Paulus, dat wil zeggen: geen mens kan mij aanklagen, 'doch ik ben daardoor niet gerechtvaardigd' ( 1 Korinthe 4:4). Vast staat dus, dat Paulus spreekt over de hele wet en over de werken van de hele wet, niet over de zonden tegen de wet.

Daarom moet de verdoemelijke en goddeloze mening van de aanhangers van de paus verworpen worden, die aan een verricht werk de kracht toeschrijven om genade en vergeving van zonden te verdienen. Zij zeggen namelijk: een goed werk, dat v66r het ontvangen van genade verricht wordt, heeft in zichzelf kracht om de genade, om redenen van billijkheid, te verkrijgen. Als dan de genade verkregen is, zou het daaropvolgende werk het eeuwige leven op grond van verdienste kunnen ver krijgen, zodat de mens, die zich in staat van doodzonde zonder genade bevindt, als hij maar met een goede, natuurlijke bedoeling een goed werk verricht, bijvoorbeeld een mis leest of hoort, aalmoezen geeft enz., de genade uit billijkheid verdient. Als deze genade dan verkregen is, kan hij al werken doen, die op grond van waardigheid het eeuwige leven verdienen. Bij het eerste werk is God hem nog niets schuldig, maar omdat Hij goed en rechtvaardig is, betaamt het Hem, dat Hij zulk een werk, ook als het in staat van doodzonde verricht is, erkent en daarvoor genade schenkt. Na het schenken van de genade is Hij echter reeds schuldenaar geworden en wordt terecht genoopt het eeuwige leven te schenken, omdat het nu niet meer alleen om een werk van de vrije wil gaat, verricht overeenkomstig de grondgedachte van de geboden; nu gaat het om een werk dat in de kracht van de heiligmakende genade verricht is, dat wil zeggen uit liefde.

Dat is de theologie van het rijk van de antichrist, die ik daarom vermeld, opdat de uiteenzetting van Paulus des te beter begrepen kan wor den. Als de dingen tegenover elkaar gesteld worden, kunnen ze des te beter duidelijk gemaakt worden. Verder moet ook naar voren komen, hoe ver ze van de waarheid zijn afgedwaald, 'zelf blind en leidslieden van blinden' (MatthÈus 23:16) en hoe zij door deze goddeloze en lasterlijke leringen het Evangelie niet alleen verduisterd hebben, maar eenvoudig terzijde geschoven en met Christus afgedaan hebben. Als ik namelijk in een staat van doodzonde het een of ander werkje kan verrichten, dat niet alleen naar zijn inhoud voor God aangenaam is, maar ook genade om redenen van billijkheid verdienen kan en als ik dan, na het ontvangen van de genade, werken kan verrichten in de kracht van de genade, namelijk uit liefde en als ik zo het eeuwige leven verwerven kan, waarvoor heb ik dan nog de genade van God nodig, de vergeving der zonde, de belofte, de dood en de overwinning van Christus? Dan is Christus voor mij totaal overbodig. Ik heb immers mijn vrije wil en de kracht om het goede te verrichten, waardoor ik de genade verdien, daar God naar billijkheid oordeelt en zo kan ik het eeuwige leven verdienen, omdat God beloont naar verdienste. (...)

De paus, zijn bisschoppen, doctoren, monniken enz. hebben het begrip doodzonde alleen op de uitwendige werken betrokken, die tegen de wet gedaan worden, als daar zijn moord, echtbreuk en diefstal. Ze zagen niet, dat doodzonde de onwetendheid is, de haat, de verachting van God in het hart, de ondankbaarheid, het morren tegen God, het weigeren Gods wil te doen. Doodzonde is dit, dat het vlees alleen tÈgen God kan denken, spreken en handelen en voor de duivel. Als zij oog gehad zou hebben voor deze diepe verdorvenheid van de menselijke natuur, dan zouden zij er niet zo goddeloos op los gepraat hehben over verdienste naar het billijk oordeel van God en naar de waardigheid van de mens.

Daarom moet men heel eigenlijk en heel nauwkeurig vaststellen wat een goddeloze of zondaar tot de dood is. Zo iemand kan een vrome huichelaar zijn en een bloeddorstig mens. Zoals Paulus geweest is op de weg naar Damaskus, toen hij Jezus van Nazareth wilde vervolgen en de leer van het Evangelie uit de weg wilde ruimen, de vromen doden en de gemeente van Christus geheel en al verwoesten. En dat was beslist de allergrootste en allerverschrikkelijkste zonde tegen God, maar Paulus had daar geen besef van. Zo zeer was hij door een goddeloze ijver voor God verblind, dat hij meende, dat deze verschrikkelijke misdaad de hoogste gerechtigheid was, een verdienste jegens God en een Gode welgevallige gehoorzaamheid. En zulke 'heiligen', die het voor hun rekening nemen dat zulke verschrikkelijke zonden hoogste gerechtigheid zijn, zouden genade verdienen? (...)

Daarom ontkennen wij met Paulus elke verdienste, die op billijkheidsgronden en die op de waardigheid van de mens betrekking heeft, en met groot vertrouwen verklaren wij dat deze bespiegelingen enkel en alleen het spel van de duivel zijn, en dat er nooit zulke verdiensten geweest of uit voorbeelden gebleken zijn. Want aan niemand heeft God ooit genade en eeuwig leven gegeven om een verdienste uit billijkheidsoverwegingen of om de waardigheid van die mens. Al dat redetwisten van de scholastici over verdienste om redenen van billijkheid en om waardigheid zijn enkel en alleen ijdele gedachtenspinsels en speculatieve dromen van mensen die niets om handen hebben, over dingen van niets. Toch is het hele pausdom daarop gebaseerd en steunt ook nog heden daarop. Want iedere monnik stelt het zich zo voor: ik kan door het in acht nemen van de heilige regels de genade verdienen naar het billijk oordeel van God; maar door de werken, die ik na het ontvangen van de genade doe, kan ik zo veel verdiensten opstapelen, dat het niet alleen voor mij genoeg is om het eeuwige leven te ontvangen, maar dat ik van deze verdienste ook aan anderen kan meedelen en verkopen. Zo hebben alle monniken het onderwezen en voorgeleefd. En om deze openlijke las ter tegen Christus te verdedigen, bestrijden de volgelingen van de paus ons tegenwoordig met alle middelen. Hoe heiliger de huichelaar of de werkheilige is, des te erger vijand van het Evangelie van Christus is hij.

De ware christelijke leer is deze: eerst moet de mens zichzelf door de wet als zondaar leren zien, voor wie het onmogelijk is welk goed werk dan ook te doen. De wet zegt namelijk: je bent een slechte boom en daarom strijdt alles wat je denkt, spreekt en doet tegen God. Je kunt de genade dus niet door je werken verdienen. Als je dat wilt, maak je het kwaad alleen maar erger, omdat je als slechte boom niets anders kunt dan slechte vruchten voortbrengen en dat is zonde, want 'Wat uit het geloof niet is, dat is zonde' Romeinen 14:23. Daarom de genade door voorafgaande werken te willen verdienen, is zoveel als God door zonde te willen verzoenen en dat is niets anders dan zonde bij zonde voegen, God uitlachen en Zijn toorn uitlokken. Als de mens zo in de wet onderricht wordt, dat hij verschrikt en verootmoedigd wordt en echt inziet hoe groot zijn zonden zijn en geen vonkje liefde tot God in zich vindt, dan geeft hij God in Zijn Woord gelijk en belijdt, dat hij de eeuwige dood en de verdoemenis verdiend heeft. Het eerste deel van de christelijke leer is dus de prediking van boete en zelfkennis.

Daaruit volgt het tweede: als u gered wilt worden, dan gelukt die red ding niet door de werken, maar God zond Zijn eniggeboren Zoon in de wereld, opdat wij door Hem zullen leven. Hij is gekruisigd, voor u gestorven en Hij heeft uw zonden in Zijn lichaam gedragen. Er is geen 'billijk oordeel' of een verdienste v66r de genade, want van tevoren is er enkel toorn, zonde, schrik en dood. Daarom laat de wet enkel zonde zien, brengt schrik en verootmoediging en bereidt zo voor op de rechtvaardiging en drijft tot Christus. God is iemand, Die Zijn gavenvoor niets geeft aan allen, en dat Is Zijn eigen eer. Maar Hij kan Zijn God‑zijn niet verdedigen tegenover werkheiligen, die genade en eeuwig leven niet als een geschenk van Hem willen ontvangen; zij willen alles met hun werken verdienen. Deze mensen willen God heel eenvoudig Zijn eer ontroven. Opdat dus God Zijn God‑zijn kan handhaven, moet Hij de wet wel vooropstellen, die schrik moet aanjagen en als bliksem en donder de allerhardste rotsen moet verbrijzelen.

Dat is kort samengevat onze theologie met het oog op de gerechtig heid van Christus: wij keren ons tegen de gruwelen en monsterachtigheden van de sofisten, als zij spreken over de verdienste naar Gods billijk oordeel of naar waardigheid, of over de werken v66r de genade en die na de genade. Deze geheel ijdele dromen hebben zelfverzekerde mensen al nadenkende verzonnen, mensen die nooit geoefend zijn door verzoekingen en door echte schrik over de zonde of die door de dood beproefd zijn. Daarom begrijpen ze niet wat ze zeggen of waarover ze iets beweren, want er kan geen voorbeeld van een werk voor de genade of na de genade gegeven worden. Het zijn dus geheel nutteloze fabels, waarmee de pausgezinden zichzelf en anderen bespottelijk maken. (...)

U ziet dus, dat de christelijke gerechtigheid niet een tot het wezen van de mens behorende eigenschap is, 'forma' zoals zij dat zelf noemen. Zij zeggen namelijk: als de mens een of ander goed werk verricht, dan neemt God dat aan en giet Hij voor dit werk de bedrijver ervan de liefde in. Deze ingegoten liefde noemen zij een inwonende eigenschap in het hart en duiden die als 'basisgerechtigheid' (justitia formalis); het is goed als u deze uitdrukking kent. En zij willen er niet aan, dat deze eigenschap 'liefde', die voor het hart hetzelfde doet als de witte verf voor een wand, geen gerechtigheid is. Zij komen niet hoger dan deze uiting van de menselijke rede: de mens is rechtvaardig door zijn in hemzelf gefundeerde gerechtigheid; die is de genade die heilig maakt; en zij bedoelen de liefde. Zo kennen zij aan een levenshouding en aan een de mens aanklevende eigenschap, namelijk de liefde, die gave en opgave volgens de wet - is want de wet die zegt: gij zult de Heere uw God liefhebben ‑ de gerechtigheid toe die een mens betaamt, en van een mens, die deze uit de liefde voortvloeiende gerechtigheid heeft, zeggen ze dat hij in de grond rechtvaardig is; ja zo iemand is dan ook echt rechtvaardig, omdat hij nu goede werken verricht, op grond waarvan hij recht heeft op het eeuwige leven. Dat is de mening van de sofisten en wel van de besten onder hen.

Anderen zijn niet zo goed, zoals Scotus en Occam, die gezegd hebben, dat die door God geschonken liefde niet nodig is om de genade van God te verkrijgen, want de mens kan de alles te boven gaande liefde van God door zijn natuurlijke krachten uitlokken. Scotus redeneert namelijk zo: als de mens het geschapene kan liefhebben, de jongen het meisje, de gierigaard het geld, dat toch een veel geringer goed is, dan kan hij ook God liefhebben, Die het grotere goed is. Als de mens vanuit zijn natuurlijke krachten liefde tot het geschapene heeft, dan heeft hij nog veel meer liefde tot de Schepper. In dit argument waren alle sofisten verstrikt en niemand van hen kwam eruit. Ze zeiden nochtans: de Schrift dwingt ons te erkennen dat God Zelf, behalve de natuurlijke liefde, waarmee Hij niet tevreden is, ook de door Hem Zelf geschonken liefde verlangt. Zo beschuldigen zij God ervan, dat Hij een woeste tiran is en een wrede eiser, Die er niet mee tevreden is, dat ik Zijn wet onderhoud; maar boven de wet uit, die ik goed volbrengen kan, eist Hij ook nog, dat ik die door bijkomende inspanningen en door sieraden of een bepaalde kledij zal volbrengen. Dat is net als een meesteres, die er niet mee tevreden is dat de kokkin de spijzen zo goed mogelijk heeft toebereid, maar haar de les leest, dat zij de spijzen niet toebereid heeft in een prachtig gewaad met een gouden kroon op haar hoofd. Wat is dat voor een meesteres, die behalve dat wat de kokkin moet doen en wat zij ook voortreffelijk doet, ook nog van haar verlangt, dat ze een gouden kroon draagt, die zij helemaal niet heeft? En wat is dat voor een God, Die van ons eist dat wij Zijn wet, die wij overigens uit eigen kracht onderhouden, zouden volbrengen door iets extra's te doen, wat wij onmogelijk kunnen?

Maar hier maken zij een onderscheid, om niet de schijn op zich te laden dat ze iets tegenstrijdigs zouden zeggen. Ze zeggen, de wet moet op twee manieren onderhouden worden, ten eerste naar de letter, vervolgens overeenkomstig de bedoeling van de Wetgever. Naar de letter, dat wil zeggen voorzover het de zaak zelf betreft, kunnen wij eenvoudig alles volbrengen wat de wet gebiedt, echter niet overeenkomstig de intentie van de Wetgever, dat wil zeggen dat God er niet mee tevreden is, dat we alles wat in de wet geboden is, volbracht hebben, ofschoon er niets is dat Hij verder nog zou kunnen eisen. Maar boven dat alles uit eist Hij, dat we de wet in liefde volbrengen, niet met de natuurlijke liefde die we hebben, maar met de bovennatuurlijke Goddelijke liefde die Hij Zelf geeft. Wat is dat anders, dan van God een tiran en beul maken, Die van ons datgene eist wat wij niet volbrengen kunnen? En het heeft weinig gescheeld, of zij hadden regelrecht gezegd, dat het niet door onze schuld is, dat wij verdoemd worden, maar door Gods schuld, want Hij verlangt van ons, dat wij Zijn wet vanuit dat hoogste gezichtspunt zullen volbrengen.

Ik zeg dit alles om dit onderwerp in een helder licht te zetten. U moet inzien hoe ver ze van de bedoeling van de Schrift zijn afgedwaald, toen ze zeiden: wij kunnen uit eigen kracht God boven alles liefhebben of tenminste op grond van wat we gedaan hebben, genade en het eeuwige leven verdienen. Omdat God het echter niet voldoende vindt, als wij ons aan de letter van de wet houden, maar wil dat de wet overeenkomstig de intentie van de Wetgever volbracht wordt, daarom dwingt de Heilige Schrift ons een bovennatuurlijke, door de hemel ingegoten hoe danigheid te bezitten. Dat is de liefde, van welke ze zeiden dat die de basis van alle gerechtigheid is, die aan het geloof een fraaie vorm geeft, en bewerkt dat het rechtvaardig maakt. Zo is het geloof het uiterlijk, de huls en de kleur, maar de liefde is het leven, de pit en het wezen (forma).

Dat zijn de dromen van de scholastici. Wij echter zetten het geloof op de plaats van de liefde. En als de scholastici zeggen dat het geloof slechts de buitenkant is, maar dat de liefde pas de levendige kleuren en de inhoud zelf aanbrengt, dan zeggen wij daarentegen: het geloof grijpt Christus aan, Hij is de wezenlijke Die aan het geloof het schone aanzijn geeft, zoals de kleur dat doet aan de wand. Daarom is het christelijk geloof niet iets zinledigs in het hart, dat zou kunnen samengaan met een dodelijke zonde, totdat de liefde zou komen en dat geloof tot leven zou wekken. Als het een waar geloof is, dan is het een vast vertrouwen in het hart, een sterk eenswillend zijn, waardoor Christus wordt aangegrepen, zodat Christus het Voorwerp van het geloof is, weliswaar niet als object, maar laat ik het zo zeggen: in het geloof zelf is Christus tegenwoordig. Het geloof is een.zekere mate van besef of een duistemis die niet doet zien, en nochtans woont in deze duistemis Christus, Die in het geloof werd aangegrepen, zoals de Heere op de Sinai of in de tempel in diepe duistemis woonde. De grond van onze gerechtigheid (formalis nostra justitia) is niet de liefde, die aan het geloof pas vorm en kracht geeft, maar de grond van onze gerechtigheid is het geloof zelf en de duistemis van het hart, dat wil zeggen ons vertrouwen in iets wat wij niet zien, dat is ons vertrouwen op Christus, Die, al wordt Hij ook op geen enkele wijze gezien, nochtans tegenwoordig is.

Rechtvaardig maakt dus het geloof, dat die Schat aangrijpt en bezit, namelijk de tegenwoordige Christus. Hoe Hij tegenwoordig is, is met gedachten niet te begrijpen, want er heerst diepe duistemis, zoals ik zei. Waar dus het ware geloof des harten is, daar is Christus midden in wolken en donkerheid en in het geloof. En dat is de grond van de gerechtigheid om welke een mens gerechtvaardigd wordt, het is niet de liefde, zoals de sofisten zeggen. Kortom: terwijl de sofisten zeggen dat de liefde het geloof doet groeien en vrucht doet dragen, dan zeggen wij dat Christus het geloof doet groeien en vrucht doet dragen, zodat Hij de grond van het geloof is. Daarom is de in het geloof aangegrepen en in het hart wonende Christus de christelijke gerechtigheid, om welke God ons als rechtvaardig aanziet en het eeuwige leven schenkt. (...)

Het is een heel gevaarlijke dwaling van de scholastische theologen, als zij onderwezen hebben dat de mens op dÈze wijze vergeving van zonden en rechtvaardiging verkrijgt, indien hij door voorafgaande werken, die zij verdiensten naar het billijk oordeel van God noemen, genade verdient; genade is voor hen een aan de wil inherente kwaliteit, door God gegeven boven op de liefde die wij van nature hebben. Als men die heeft, zeggen ze, dan is de mens in de grond rechtvaardig, dan is hij een waar christen. (...)

Die dromers hebben het geloof gemaakt tot een nietige eigenschap van het hart, die alleen, zonder de liefde, niets vermag; als echter de liefde erbij komt, dan wordt het geloof werkzaam en maakt het rechtvaardig.

De werken die daama volgen, zeiden ze, hebben kracht ‑ uit waardigheid ‑ het eeuwige leven te verdienen, namelijk zo, dat God om de liefde, waarmee Hij de menselijke wil versterkt heeft, ieder werk dat daama volgt aanrekent ten eeuwigen leven. (...)

Tegenover dit gezwets en deze volkomen zinloze dromen van de sofisten stellen wij de volgende opvatting van het geloof en van de centrale christelijke waarheid: de mens wordt eerst door de wet tot zelfkennis opgevoed, zodat hij kan instemmen met 'Allen hebben gezondigd en missen de roem bij God' (Romeinen 3:23) en 'Er is niemand rechtvaardig, ook niet een, er is niemand die verstandig is, er is niemand die God zoekt, allen zijn zij afgeweken' (Romeinen 3:10 e.v.), verder 'Tegen U alleen heb ik gezondigd' (Psalm 51:6). Zo schrikken wij, geheel in tegenstelling tot de sofisten, de mensen af van de verdienste die naar het billijk oordeel van God en om de waardigheid beloond wordt. Als de mens door de wet zo verootmoedigd en tot zelfkennis gebracht is, kan hij oprecht berouwvol zijn en ziet hij zich als een zo grote zondaar, dat hij zich niet in eigen kracht en met eigen inspanning en werk van de zonden bevrijden kan. Dan ziet hij tenslotte goed in, wat Paulus wil, als hij zegt, dat de mens een slaaf en gevangene van de zonde is en dat God alles onder de zonde besloten heeft (Romeinen 3:22), dat de hele wereld voor God verdoemelijk is. Nu ziet die mens dat de leer van de sofisten (over het billijk oordeel van God en over de verdienste uit waardigheid) enkel een schermutseling met woorden is, en dat het gehele pausdom ten val komt.

Iemand die dat is gaan beseffen, mag wel verzuchten: wie zal dan hulp brengen? Want de zo door de wet verschrikte mens wanhoopt geheel en al aan zijn eigen krachten, ziet om zich heen en hunkert naar de hulp van de Middelaar en Redder. Te rechter tijd komt dan het heil van het Evangelie en dat zegt: 'Mijn zoon, heb vertrouwen, uw zonden zijn u vergeven' (MatthÈus 9:2). Geloof in Jezus Christus, Die voor uw zonden gekruisigd is enz. Wanneer u uw zonden voelt, dan moet u ze niet in uzelf aanzien, maar bedenken dat ze op Christus gelegd zijn 'door wiens striemen u genezing geworden is' (Jesaja 53:5).

Zo begint de zaligheid, zo worden wij van de zonden bevrijd, zo worden wij rechtvaardig gemaakt en wordt ons het eeuwige leven geschonken, waarlijk niet om onze verdiensten en werken, maar om het geloof waarmee wij Christus aangrijpen. Zo spreken ook wij van een gesteldheid en een grond voor gerechtigheid in het hart, maar wij bedoelen niet de liefde, zoals de sofisten, maar het geloof. Het geloof ziet echter niets anders en grijpt niets anders aan dan Christus, de Verlosser. Dan is het echter nodig, dat men weet, wie Christus eigenlijk is. De sofisten hebben in hun onwetendheid een rechter en beul van Hem gemaakt en hebben die allerdwaaste leer van de verdienste naar billijkheid en waardigheid uitgedacht. Maar Christus is juist niet de wetgever, maar de Verzoener en Verlosser; dat verstaat het geloof en het gelooft zonder twijfel, dat Hij overvloedig werken verricht heeft die naar Gods billijk oordeel en om hun waardigheid aangenomen worden. Hij zou immers met een druppeltje van Zijn bloed voor de zonden van de wereld genoeg gedaan hebben. Nu echter heeft Hij overvloedige genoegdoening tot stand gebracht. (...)

Hier moet ook opgemerkt worden, dat deze drie: geloof, Christus en aanneming of toerekening bij elkaar behoren. Het geloof grijpt Christus aan, houdt Hem voor ogen en omvat Hem zoals een ring de edelsteen omvat, en wie met zulk een geloof, dat Christus in het hart sluit, bevonden wordt, die wordt door God als rechtvaardig aangezien.

Zeer noodzakelijk is de aanneming of toerekening, omdat wij niet in eigen reinheid rechtvaardig zijn, maar omdat in dit leven de zonde nog in het vlees blijft. Van deze in het vlees overgebleven zonde reinigt God ons. Verder worden wij soms ook door de Heilige Geest verlaten en vallen in zonde zoals Petrus, David en andere heiligen. Wij kunnen evenwel altijd terugvallen op dit leerstuk, dat onze zonden bedekt zijn en dat God ze ons niet toerekenen wil (Romeinen 4). Niet dat er geen zonde zou zijn (zoals de sofisten leerden: zolang als wij ons van geen zonde bewust zijn, zolang kunnen wij goede werken doen), nee: de zonde is er echt en de vromen voelen die, maar God ziet eraan voorbij en bedekt ze, omdat de Middelaar Jezus Christus voor ons intreedt; omdat wij Hem in het geloof aangrijpen, behoeven alle zonden geen zonde te zijn. Waar echter Christus en het geloof niet is, daar is geen vergeving van de zonden, geen ontferming, daar is enkel toerekening van de zonde en verwerping. Zo wil God Zijn Zoon verheerlijken en wil Zelf aan ons verheerlijkt worden door de Zoon.

Nadat wij het geloof in Christus onderwezen hebben, leren wij ook over de goede werken. Omdat u Jezus Christus in het geloof hebt aangenomen, waardoor u gerechtvaardigd wordt, ga dan heen en heb God en de naaste lief, roep Hem aan, zeg dank, predik, loof, belijd God, doe wel en dien de naaste, doe uw plicht. Dat zijn waarlijk goede werken, die uit dit geloof en uit de ontvangen vrolijkheid van het hart voortvloeien, daar wij de vergeving der zonden door Christus om niet ontvangen hebben.

Wat er dan later aan kruis en lijden te dragen is, wordt gemakkelijk gedragen. Want Jezus Christus is zachtmoedig en Zijn last is licht (MatthÈus 11:30). (...) Als het van binnen allemaal lieflijk en zoet is, dan kan een christen alles gewillig doen en ondergaan. (...)

We kunnen een christen zo definiÎren, en zeggen: niet hij is een christen, die geen zonde heeft of voelt, maar hij is een christen, wie de zonde om het geloof in Christus niet aangerekend wordt. Deze leer geeft troost, echte troost aan het geweten als het er echt om spant. ( ... )

Een christen mag volstrekt niets te maken hebben met de wet en met de zonde en vooral niet in de aanvechting; voorzover hij een christen is, staat hij boven wet en zonde, Christus, de Heer over de wet, heeft hij in het hart, zoals de edelsteen in de ring gevat is. Wanneer de wet hem aan klaagt, de zonde hem in verwarring brengt, ziet hij op Christus in Wie hij in het geloof de overwinning heeft over wet, zonde, dood en duiveli Christus heerst over die allen, zodat zij de christen geen kwaad doen.

Als we het goed verstaan is de christen dus vrij van alle wetten en aan geen enkele wet, inwendig noch uitwendig, onderworpen. (...)

Gaarne vermanen wij tot en dringen aan op de gerechtigheid van het geloof, opdat alle pausgezinden en sektariÎrs te schande worden en opdat dit leerstuk vast en zeker wordt in onze harten. Dit hebben wij heel erg nodig, want als deze zon er niet meer is, vallen we terug in de vroegere duisternis. Het is een huiveringwekkende gedachte, dat de paus dýt in de kerk heeft kunnen bewerken, dat Christus verloochend, met voeten getreden, bespuwd en belasterd is en dat alles met behulp van het Evangelie en de sacramenten, die hij zo verduisterd heeft en in zulk een afschuwelijk misbruik heeft doen verkeren, dat hij die kon gebruiken tegen Christus, ten gunste van zijn duivelse verdorvenheden, die hij heeft ingesteld en heeft laten overheersen. O verschrikkelijke duistemis en onmetelijke toorn van God!

 

2:16 . . . zo hebben wij ook in Christus Jezus geloofd . . .

 

Dat is het ware van het christen‑zijn, dat wij namelijk door het geloof in Christus en niet door de werken der wet rechtvaardig worden. U moet zich niets aantrekken van die goddeloze opmerking van de sofisten, dat het geloof eerst dan rechtvaardig maakt, als de liefde en de goede werken erbij komen. Door deze verderfelijke kanttekening hebben zij de beste teksten hierover verduisterd en bedorven. Als echter de mens hoort, dat hij weliswaar in Christus moet geloven, maar het geloof niet rechtvaardig maakt, als die eigenschap, namelijk de liefde, er niet bij komt, dan valt hij terstond van het geloof af en denkt: als het geloof zonder liefde niet rechtvaardig maakt, dan is het geloof ijdel en onnut en alleen de liefde maakt rechtvaardig. Want als het geloof geen schoon aanschijn gekregen heeft door de liefde, dan heeft het niets te betekenen.

Voor deze verderfelijke en schadelijke leer voert de tegenpartij die plaats uit 1 Korinthe 13:1 e.v. aan: 'Al ware het, dat ik de talen der mensen en der engelen sprak en al ware het dat ik de gave der profetie had en wist al de verborgenheden en al de wetenschap en al ware het dat ik al het geloof had, zodat ik bergen verzette, en de liefde niet had, zo ware ik niets.' Deze tekst houden zij voor hun onneembare vesting. Maar ze zijn mensen zonder verstand, daarom verstaan ze er niets van en zien ze niets in die Paulus. Door hun verkeerde uitleg hebben zij niet alleen Paulus' woorden onrecht aangedaan, maar ook Christus en al Zijn weldaden onder puin bedolven. Daarom moeten wij hun uitleg mijden als hels vergif en met Paulus besluiten: alleen door het geloof worden wij rechtvaardig en niet door een geloof dat door de liefde vorm kreeg. Daarom moet niet aan de liefde, als dat wat het geloof een schoon aanschijn geeft, de kracht van de rechtvaardigmaking toegeschreven worden, maar aan het geloof dat in het hart Christus Zelf aangrijpt en bezit. Dit geloof zonder de liefde en daaraan voorafgaand maakt rechtvaardig.

We geven toe, dat ook over de goede werken en de liefde onderwezen moet worden. Echter op de juiste tijd en op de juiste plaats, als het namelijk over het probleem van de goede werken gaat en niet over dit belangrijke leerstuk van de rechtvaardiging door het geloof. (...) Wanneer wij ons nu centraal met het leerstuk van de rechtvaardigmaking bezig houden, dan verwerpen en verdoemen wij de werken. (...) De wet is goed, rechtvaardig en heilig. Dat is mooi, maar als het om de rechtvaardigmaking gaat, dan is er geen gelegenheid om over de wet te spreken. Dan gaat het daarom, wie Christus is en wat voor een weldaad Hij ons gebracht heeft. Maar Christus is geen wet, Hij is niet mijn werk of het werk van de wet, Hij is niet mijn liefde of de liefde van de wet, Hij is niet mijn kuisheid, mijn gehoorzaamheid of mijn armoede. Christus is de Heere van leven en dood, de Middelaar en Redder van de zonden, de Verzoener van hen die onder de wet zijn. Door het geloof zijn wij in Hem en Hij is in ons (Johannes 6). Deze Bruidegom Christus moet met de bruid alleen zijn en met rust gelaten worden en alle dienaren en de hele familie moeten op een afstand blijven. Later echter, als de Bruidegom de deur geopend heeft en naar buiten komt, moeten de knechten en maagden komen toelopen en Hem dienen en spijs en drank brengen. Dan worden de werken der liefde mogelijk. (...)

De overwinning over de zonde en de dood ligt niet in de werken van de wet en ook niet in onze ziel enz., ze ligt alleen in Christus Jezus. Daarom willen wij het ook graag dulden, dat wij door onze tegenstanders de 'alleen‑theologen' worden genoemd. Die tegenstanders van ons begrijpen immers niets van Paulus' betoog (...)

 

2:16 . . . opdat wij zouden gerechtvaardigd worden uit het geloof van Christus en niet uit de werken der wet . . .

 

Deze woorden moeten heel nauwkeurig en met toewijding gelezen worden. Paulus spreekt niet alleen, zoals ik al eerder waarschuwde, over de ceremoniÎle wet, maar over de hele wet. Want de ceremoniÎle wet was net zo goed van God als de morele; de besnijdenis, de instelling van het priesterschap, de eredienst en de riten waren net zo goed door God voor geschreven als de wet van de tien geboden. Eveneens was het een wet, dat Abraham bevel kreeg zijn zoon Izak te offeren. Dit werk van Abraham behaagde God, net zoals de andere werken die ceremoniÎle handelingen waren, Hem behaagden, maar hij is niet door dat werk rechtvaardig gemaakt, maar door het geloof, want de Schrift zegt: 'En Abraham geloofde God en het is hem gerekend tot rechtvaardigheid' (Romeinen 4:3).

Na de openbaring van Christus echter, zeggen zij, brengen de ceremoniÎle wetten de dood. Maar iedere wet, ook de wet der tien geboden, brengt zonder het geloof in Christus de dood. Voortaan mag in het geweten niet de wet, maar alleen de Geest des levens regeren, door welke wij in Christus van de wet der letter en des doods, van zijn werken en van de zonden bevrijd zijn; niet omdat de wet slecht zou zijn, maar omdat de wet voor de rechtvaardigmaking van geen nut is. (...)

 

2:16 . . . daarom dat uit de werken der wet geen vlees zal gerecht, vaardigd worden.

 

Tot zover gaan de woorden die Paulus tot Petrus gesproken heeft. In deze woorden maakt hij, als in een samenvatting van de christelijke leer, het belangrijkste leerstuk, dat ware christenen maakt, begrijpelijk. Nu wendt hij zich weer tot de Galaten, aan wie hij schrijft en eindigt met de zin: Daar het zo is, dat wij door het geloof in Christus rechtvaardig worden, daarom 'zal uit de werken der wet geen vlees gerechtvaardigd worden.'

(...)

Met vlees bedoelt Paulus niet die grove zonden, waar de sofisten het over hebben. Hij is gewoon die bij de naam te noemen, als echtbreuk, hoererij, onreinheid enz. (Galaten 5:19 e.v.). Vlees betekent voor Paulus hetzelfde als voor Christus, Die in Johannes 3:6 zegt: 'Wat uit het vlees geboren is, dat is vlees.' Vlees duidt dus de hele natuur van de mens aan met de menselijke rede en al haar krachten. Dit vlees, zegt Paulus, wordt niet uit de werken en ook niet uit de werken der wet gerechtvaardigd. (...). Paulus verstaat onder vlees de hoogste gerechtigheid, de wijsheid, de aanbidding van God, de religie, het intellect, de wil, zo hoog en groot als dat alles in de wereld maar zijn kan. Daarom wordt geen monnik door het behoren tot een orde, ook geen priester door het lezen van missen en het stipt zich houden aan gebedstijden, geen filosoof door wijsheid, ook geen theoloog door theologie, ook geen Turk door de koran, geen jood door Mozes gerechtvaardigd. Kortom: hoe wijs en rechtvaardig de mensen ook mogen zijn volgens de rede en de Goddelijke wet, toch worden ze door al hun werken, verdiensten, missen, door de hoogste gerechtigheid en godsdienstige praktijken niet gerechtvaardigd. (...)

Zo verschrikkelijk en zonder einde is de toorn van God, dat Hij door zoveel eeuwen heen de ondankbaardheid en de verachting van het Evangelie en van Christus aan de pausgezinden gestraft heeft. 'Hij heeft ze overgegeven in de begeerlijkheden hunner harten' (Romeinen 1:24 e.v.), zodat zij, nadat zij Christus - wat Zijn betekenis voor het heil betreft - geheel verloochend en gelasterd hebben, en in plaats van het Evangelie de gruwel van de kloosterregels en van de menselijke tradities aangenomen hebben, die zij alleen aanbeden en verkozen hebben boven het Woord van God. En dat zo lang, tot tenslotte ook het huwelijk van hen afgenomen werd en zij tot het ontuchtige celibaat gedwongen werden. Toen zijn zij ook nog uitwendig bezoedeld met allerlei soort van schandelijkheid, met echtbreuk, onreinheid, onzuiverheid, sodomietische zonden enz. Dat was de vloek van het onreine celibaat. (...)

De voornaamste conclusie is deze: 'Uit de werken der wet wordt geen vlees gerechtvaardigd.' U moet met deze stelling heel ver gaan en alle rangen en standen erbij betrekken. Geen monnik wordt om zijn orde, geen non om haar kuisheid, geen burger om zijn rechtschapenheid, geen vorst om zijn mildheid gerechtvaardigd enz. De wet van God is groter dan de hel