HOOFDSTUK 3

 

3:1 0 gij uitzinnige Galaten . . .

 

In Paulus brandt een apostolische bekommernis, een heftige, maar zeer geestelijke verontwaardiging, en naar zijn eigen regel in 2 Timotheus 4:2 mengt hij door zijn bewijsvoering en weerlegging ook vermaningen en berispingen: 'Verkondig het Woord, treed er mee op, gelegen of ongelegen, werk op het gemoed, spreek smekend, berisp.' (...)

Naar het schijnt gaat Paulus wel erg tegen de Galaten tekeer, als hij zegt dat zij onzinnig, betoverd en aan de waarheid ongehoorzaam zijn. Of Paulus uit verontwaardiging en hartstocht of uit barmhartigheid zo gesproken heeft, kan ik niet uitmaken, beide kan het geval zijn. (...) Uit christelijke ijver is het een apostel, een herder of een leraar geoorloofd het volk dat hij te leiden heeft, streng aan te pakken; zo'n berisping is vaderlijk en heilig. Zo noemen ouders uit vaderlijke of moederlijke bewogenheid een zoon wel 'dwaas' of 'dagdief', een dochter 'kleine slet', maar ze zouden niet dulden, dat anderen dat zeiden. Een leraar gaat soms hard tegen een leerling tekeer, noemt hem een ezel, slaat hem met de stok en de leerling laat het gelaten over zich komen, hij zou het zich niet laten welgevallen, als iemand van dezelfde leeftijd of een medeleerling hem zo behandelde. En zo berispt, toomt en bestraft de overheid, zonder strenge tucht kan er niets, noch in vredestijd noch in oorlogstijd, tot een goed einde gebracht worden. Als de kerkelijke, politieke of wetenschappelijke overheid niet toomt en bestraft, als het nodig is, dan is zij zwak en onbekwaam en kan zij haar plicht niet naar behoren vervullen.

Daarom zijn boze woorden en dreigende taal op alle terreinen des levens even hard nodig als welke deugd dan ook. Maar zulke woorden en dreigende taal moeten met terughoudendheid gebruikt worden, en mogen niet uit nijd voortkomen maar uit vaderlijke zorg of christelijke ijver; dat wil zeggen het mag geen woedeaanval zijn uit kinderachtigheid of zwakte die op wraak uit is. De vaderlijke toom zoekt slechts de fout te verbeteren. (...)

Zo is het te begrijpen, dat Paulus hier uit edele verontwaardiging tegen de Galaten tekeergaat, niet om ze te vemederen, maar om ze op deze manier op de rechte weg terug te brengen en ze daarop te houden.

(...)

Op gelijke wijze scheldt Christus tegen de Farizee蝦s, als Hij ze 'slangen', 'adderengebroed', 'zonen des duivels' enz. noemt (Matth萿s 23:33). Maar dat zijn scheldwoorden van de Heilige Geest, het zijn de scheldwoorden als van een vader of een moeder en ze komen van een trouwe vriend, zoals het ook in Spreuken 27:6 staat: 'Beter wonden van een vriend dan kussen van een vijand.' En zo komt het, dat hetzelfde scheldwoord uit de mond van de vader een grote weldaad is en uit de mond van een leeftijdgenoot of van een vijand gewoon misdadig is. Als twee hetzelfde doen, dan wordt het van de een geprezen en van de ander afgekeurd. Als Christus of Paulus tekeergaan, dan is dat de hoogste deugd en het verdient lof en als een filosoof of een willekeurig persoon dat doet, dan is dat een grove fout en een schande. Hetzelfde werk en woord is van Paulus afkomstig een weldaad, van een ander afkomstig een misdaad.

Een speciale nadruk ligt op het woord 'Galaten'. Hij noemt ze niet 'broeders', zoals elders, maar gebruikt de naam van het volk. Het schijnt tot de aard van deze volksstam behoort te hebben, dat ze onverstandig waren, zoals de Kretenzen leugenachtig genoemd worden. Het is alsof Paulus wilde zeggen: wat jullie naam zegt, dat zijn en blijven jullie ook echt, namelijk onverstandige Galaten, en dat bewijzen jullie, nu het over het Evangelie gaat en jullie je toch heel verstandig zouden moeten tonen; maar nu komt daar jullie volksaard weer naar voren. Op precies dezelfde manier onderscheiden wij ook de volken met betrekking tot hun fouten. Ieder volk heeft zijn eigen tekortkomingen: de Duitsers zijn verzot op nieuwigheden, de Italianen zijn verwaand enz. Paulus herinnert de Galaten dus door deze manier van berispen aan hun volksaard.

Voor het overige worden wij er hier aan herinnerd, dat in de gemeenten en onder de christenen de natuurlijke tekortkomingen van het vlees blijven bestaan. De genade verandert de vromen niet zodanig, dat zij terstond totaal nieuwe en volmaakte mensen doet geboren worden, nee, in de vromen worden te allen tijde de resten van de oude fouten uit hun vroegere staat gevonden. Als een van nature driftig mens tot Christus bekeerd wordt, wordt deze fout wel door de genade getemperd en de Heilige Geest vervult wel zijn hart, zodat hij zachtmoedig wordt, maar de fout wordt toch niet helemaal uit het vlees weggedaan. Zo worden hardvochtige mensen wel bekeerd tot het geloof, maar die hardvochtigheid leggen zij niet volledig af, er blijven in hen resten ervan over. Daarom worden de Evangeli蝞 en de Heilige Schrifturen, die toch 热n enkele waarheid bevatten, door de verschillende geesten op verschillende manieren behandeld en uitgelegd. De een is wat milder en zachtzinniger in zijn manier van onderwijzen, de ander is wat harder. En zo wordt de Heilige Geest in verschillende werktuigen uitgegoten, zonder dat Hij in 热n keer de natuurlijke fouten tenietdoet; een heel leven lang heeft de Heilige Geest nodig om die inwonende zonden uit te wissen, niet alleen bij de Galaten, maar bij alle mensen in alle volken.

Ofschoon dus de Galaten verlicht en gelovig geworden waren en de Heilige Geest door de prediking des geloofs ontvangen hadden, zo bleef toch in hen deze fout en deze tondel kon door een vonk van de valse leer gemakkelijk vlam vatten. Daarom mag niemand zoveel vertrouwen in zichzelf hebben, dat hij meent, dat hij na het ontvangen van de genade geheel en al bevrijd is van zijn oude fouten. Veel wat onrein is wordt afgelegd, vooral wordt de kop van de slang, dat is het ongeloof en de onwetendheid omtrent God, afgerukt en vertrapt, maar het gladde lijf en de resten van de zonden blijven in ons. (...)

 

3:1 . . . wie heeft u betoverd, dat gij der waarheid niet zoudt gehoorzaam zijn . . .

 

Daar hebt u alweer een andere rechtsgrond voor die uitmuntende gerechtigheid die de mens zelf met de wet tot stand brengt en waarop hij zich beroemt. Paulus zegt, dat zij ons tot verachting van de waarheid brengt, dat zij ons betovert, zodat wij niet gehoorzamen, maar tegen de waarheid in opstand komen.

Paulus noemt de Galaten daarom onverstandig en betoverd, omdat hij ze met kinderen vergelijkt, voor wie de betovering het meest schade lijk is; het is alsof hij wilde zeggen, het gaat met jullie als met kinderen, die door grijpgrage heksen en toverkollen gewoonlijk gemakkelijk betoverd worden en met wie de satan dan de spot drijft. Paulus ontkent dus niet, dat toverij van betekenis is, evenals hij verderop in hoofdstuk 5 onder de werken des vleses ook de toverij rekent. ( ...)

Het valt nu eenmaal niet te ontkennen, dat de duivel leeft, ja, de hele wereld regeert. (...)

De satan is in staat alle vijf zintuigen op meesterlijke wijze in zijn ban te brengen, zodat men zou kunnen zweren dat men dit of dat ziet, hoort, aanraakt, wat men toch niet ziet, hoort, aanraakt enz.

Daarbij verlokt de satan de mensen niet alleen op zo'n grove wijze, dat hij de vijf zintuigen misleidt, hij heeft nog een veel fijnere en gevaarlijkere manier van misleiding, en daarin is hij een geweldige meester. Paulus spreekt niet alleen over de betovering van de zintuigen, maar ook over een betovering van de geest. Door deze geestelijke betovering brengt de oude slang niet de zintuigen van de mens in zijn ban, maar de harten en de gewetens en bedreigt hij de aldus betoverden met valse en goddeloze inzichten, die dezen dan voor waar en vroom houden. Dat de satan dat klaar speelt, is tegenwoordig genoegzaam te zien aan de fanatici, aan de wederdopers, de sacramentari蝦s enz. De satan heeft met zijn spel hun diepste wezen zo betoverd, dat zij leugens, dwalingen en ver schrikkelijke duistemis voor de absolute waarheid en het helderste licht houden. Zij laten zich van hun dromen door geen enkele vermaning of geschrift afbrengen, omdat zij er rotsvast van overtuigd zijn, dat alleen zij verstand hebben van de heilige dingen en er recht over oordelen kunnen terwijl alle anderen blind en verblind zijn. (...) Op deze manier heeft de satan in onze tijd Muntzer, Zwingli en anderen en door die weer anderen betoverd.

Tenslotte betovert en schaadt de duivel met zoveel hartstocht, dat hij niet alleen de zelfverzekerde en hoogmoedige geesten begoochelt, nee, hij probeert met zijn duivelse spel ook diegenen te bedriegen die vroom en op de juiste manier met het Woord van God en de christelijke godsdienst omgaan. Mij heeft hij dikwijls zo hevig aangevallen en met zulke treurige gedachten overstelpt, dat hij Christus vrijwel volledig voor mij verduisterd, ja bijna van mij weggenomen had. Kortom, er is niemand onder ons, die niet telkens weer door zulke verkeerde idee蝞 betoverd zou worden, d.w.z. dat wij vrezen waar niets te vrezen valt, vertrouwen en blij zijn waar niets te vertrouwen en blij te zijn valt. Wij denken bij tijd en wijle allemaal anders over God, over Christus, over het geloof, over onze roeping, over het christen‑zijn dan wij behoorden te denken. (...) Als de duivel ons niet nuchter en niet met geestelijke wapens, d.w.z. met het zwaard van Gods Woord en met het schild van het geloof, toegerust vindt, verslindt hij ons. (...)

Dikwijls zijn wij door de duivel neergeveld en ook nu nog worden wij in deze strijd omvergeworpen, maar we gaan niet te gronde. Christus heeft nog altijd getriomfeerd en nog triomfeert Hij door ons. Daarom hebben wij een rotsvast vertrouwen, dat wij ook in de toekomst in de strijd tegen de duivel als overwinnaars te voorschijn komen door Christus. (...)

 

. . . wie heeft u betoverd? . . .

Met deze woorden verontschuldigt hij de Galaten en laadt hij alle schuld op de valse apostelen. (...) Door hun wettische leer betoveren zij jullie, zodat jullie nu anders over Christus denken dan vroeger, toen jullie het Evangelie van mij hoorden. Maar wij sturen met vermaningen en brieven eropaan, dat wij de betovering door de valse apostelen verbreken en dat degenen, die onder jullie betoverd zijn, door middel van ons bevrijd zouden mogen worden. (...)

Zoals het onmogelijk is, dat een mens zichzelf bevrijdt uit de duivelse betovering van de zintuigen, zo is het ook onmogelijk, dat degenen, die geestelijk betoverd zijn, op eigen kracht verlossing vinden; zij moeten door anderen, wier geest niet betoverd is, bevrijd worden. Want zo groot is de kracht van de duivelse verblinding bij hen die zich laten misleiden, dat zij zich verheffen en zweren dat zij de absolute waarheid hebben; zij denken er niet over, toe te geven dat zij dwalen. (...) En ook door onze vermaningen laten zij zich niet verbeteren, maar verharden zij zich slechts des te meer. Nooit zou ik het geloofd hebben, als ik het vandaag de dag niet door ervaring moest leren, dat de macht van de duivel zo groot is en dat hij zijn leugens zo aannemelijk weet te maken. En wat tenslotte het allerergste is: daar hij die verwarde gewetens door al te grote droefheid doden wil, speelt hij het klaar zo geheel en al de gedaante van Christus aan te nemen, dat een aangevochtene dat onmogelijk kan bemerken. Zo worden velen, die van deze duivelskunst geen weet hebben, tot wanhoop gebracht en begaan zelfmoord. Zozeer zijn ze door de duivel misleid, dat zij in de overtuiging leven, dat het absoluut waar is, dat zij niet door de duivel, maar door Christus Zelf worden aangevochten en aangeklaagd.

 

(Aansluitend vertelt Luther over een zekere dr. Kraus uit Halle, die in het jaar 1527 zelfmoord pleegde, daar hij zich Christus als rechter en aanklager voorstelde en zich door niets van deze dwangvoorstelling liet afbrengen. Luther spreekt over een duivelse verzoeking waartegen die geleerde het onderspit had gedolven.)

 

Daar dus de duivel, die duizendkunstenaar, dat stuk leedvermaak, ons een zo klaarblijkelijke en onbeschaamde leugen kan inprenten, dat je wel duizendmaal zou kunnen zweren dat het de volstrekte waarheid is, is het zaak alle hoogmoed te laten varen, in vreze en eenvoud onze weg te gaan en onze Heere Christus aan te roepen, dat Hij ons niet in verzoeking laat leiden. Zelfverzekerde mensen, die een paar keer het Evangelie gehoord hebben, menen al heel gauw dat zij de eerstelingen van de Geest ontvangen hebben. Tenslotte ‑ en dat is geen wonder, daar zij God niet vrezen en Hem niet danken ‑ krijgen zij verbeelding en menen, dat zij niet alleen geweldig vroom zijn in woorden en werken, maar ook dat zij in iedere strijd, al is hij nog zo zwaar, tegen de duivel stand kunnen houden. Dat zijn de geschikte werktuigen van de duivel, welke hij kan betoveren en tot wanhoop kan brengen.

Je moet echter niet zeggen: ik ben volmaakt, ik kan niet vallen; doe maar gewoon en vrees, dat je niet vandaag staat en morgen valt. Ik ben doctor in de theologie en heb Christus vele jaren gepredikt en de duivel in zijn valse doctoren bestreden, maar ik heb ervaren, hoeveel moeite mij dat bezorgd heeft. Ik kan de duivel niet verjagen, hoe graag ik dat ook zou willen. Ik kan Christus ook niet zo aangrijpen, als de Schrift Hem mij voorstelt, want telkens weer schuift de duivel een valse Christus naar voren. Maar God zij dank, die ons bij het Woord, bij het geloof en bij het gebed bewaart. (...)

Daarom, degenen die deze overtuiging zijn toegedaan, dat zij door de werken der wet en de menselijke tradities gerechtvaardigd worden, die zijn betoverd. (...)

 

. . dat gij de waarheid niet zoudt gehoorzaam zijn . . .

(...) Nu klinkt het nog harder, als hij zegt, dat zij de waarheid niet geloven. Paulus geeft met deze woorden aan, dat zij betoverd zijn en dat hij deze betovering van hen wil wegnemen, maar dat zij deze weldaad niet willen inzien en aannemen. Het staat namelijk vast, dat Paulus niet alle Galaten heeft kunnen overtuigen, dat hij ze dus niet allemaal van de dwaling der valse apostelen tot de waarheid heeft teruggeroepen; in velen van hen bleef de betovering bestaan. Daarom gebruikt Paulus die heftige woorden: 'Wie heeft u betoverd' enz., alsof hij wilde zeggen: jullie zijn niet goed bij je hoofd en de betovering heeft jullie zo in haar greep, dat jullie de waarheid niet kunnen gehoorzamen; hij vreest dat het met velen onder hen gedaan kan zijn en dat zij wellicht nooit meer tot de waarheid terugkeren enz. (...)

 

3:1 . . . denwelken Jezus Christus voor de ogen tevoren geschilderd is geweest . . .

 

Het woord van Paulus over de betovering en het niet‑gehoorzamen was zeer hard, maar het wordt nog veel harder, als hij eraan toevoegt: Jezus Christus is hun zo voor ogen geschilderd, dat zij Hem met de handen hadden kunnen tasten, en toch gehoorzamen zij tot op heden de waarheid nog niet. (...) Alsof hij zeggen wilde: geen kunstschilder kan Christus met verf zo wezenlijk afbeelden, als ik Hem in mijn prediking jullie voor ogen gesteld heb, en toch volharden jullie tot op dit uur in jullie betovering.

 

3:1 . . . onder u gekruist zijnde?

 

Hier voegt Paulus aan toe: (...) jullie hebben niet slechts de genade van God verworpen, niet alleen is Christus tevergeefs voor jullie gestorven, Hij is ook op de meest schandelijke manier in jullie gekruisigd. Op gelijke wijze luidt Hebree蝞 6:6: 'Daar zij voor zichzelf de Zoon van God weer kruisigen en openlijk te schande maken.'

Men moet werkelijk schrikken, als men alleen al de woorden monnik, tonsuur, kap, orderegel hoort, al mogen de pausgezinden die gruwelijke dingen de grootst mogelijke eer toebrengen en pochen zij dat die het toppunt van het christelijk geloof en van de heiligheid zouden zijn. Ook wij konden, voordat ons het Evangelie geopenbaard werd, niet anders oordelen over deze woorden; wij waren namelijk opgevoed in de menselijke overleveringen, die van Christus het licht en de heilsbetekenis weggenomen hadden. Nu horen wij Paulus zeggen, dat degenen die begeren door de wet gerechtvaardigd te worden, niet alleen geloofsverzakers en men senmoorders zijn, hij noemt ze bovendien schandvlekken, die Christus kruisigen. Als degenen die door de gerechtigheid van de wet en door de werken van de wet begeren gerechtvaardigd te worden, Christus kruisigen, zeg mij dan, wat voor mensen dat zijn, die zaligheid en eeuwig leven zoeken door de drek van menselijke gerechtigheid en een leer van demonen.

Wie had ooit geloofd of begrepen dat het een zo verschrikkelijke en verfoeilijke schanddaad is om tot de geestelijke stand toe te treden (zoals zij dat zelf noemen), dat wil zeggen mispriester, monnik of non te worden? Beslist niemand. Zij hebben zelf onderwezen dat de kloostergelofte een nieuwe doop is. Kan er echter iets vreselijkers gezegd worden dan dit, dat Rome het rijk is van hen, Die Christus bespuwen en de Zoon van God opnieuw kruisigen? Christus, die eens gekruisigd en opgestaan is, kruisigen zij opnieuw in zichzelf, in de kerk of in de harten der gelovigen; met smaad, lasteringen en beledigingen bespuwen zij Hem, met hun val~ se leerstellingen doorboren zij Hem, zodat Hij jammerlijk in hen sterft. En in Zijn plaats stellen zij iets dat zo betoverend mooi is, dat de mensen erdoor van hun zinnen beroofd worden, zodat zij Christus niet herken nen als Rechtvaardigmaker, als Verzoener en Heiland; zij maken van Hem een bedienaar der zonde, een aanklager, een rechter die ons ver werpt en van zich wijst, die door onze werken en verdiensten verzoend moet worden.

Uit dit gevoelen is zo die zeer goddeloze en verderfelijke leer van Rome ontstaan: als je God wilt dienen, zondenvergeving en ook het eeuwige leven wilt verdienen, en anderen wilt helpen de zaligheid te verwerven, ga dan in het klooster, en leg de geloften af van gehoorzaamheid, kuisheid, armoede enz. Verstrikt in en opgeblazen door deze valse heiligheid droomden de monniken dat alleen zij in de staat der volmaaktheid leefden, de overige christenen zouden een gewoon leven leiden, zich niet aan kuisheid, armoede en gehoorzaamheid houden, alleen maar gedoopt zijn en de tien geboden houden. Zij, de monniken hielden zich echter behalve aan wat zij met de gewone christenen gemeen zouden hebben, ook aan de raadgevingen van Christus en zouden zo werken kunnen volbrengen waartoe zij niet verplicht waren. Daarom hoopten ze, dat ze bijzondere verdiensten zouden hebben en in de hemel een plaats zouden krijgen onder de grote heiligen, ver boven het gewone christenvolk verheven. (...)

Allen echter die met deze gedachte in een klooster treden, dat zij door het in acht nemen van de kloosterregels rechtvaardig genoemd worden, gaan een rovershol binnen, waar Christus opnieuw gekruisigd wordt. (...)

Door het kleine woord 'in u' (men kan ook vertalen 'onder u') drukt Paulus uit, dat Christus in Zijn eigen persoon niet meer gekruisigd wordt of sterft, zoals in Romeinen 6:10 staat. Hij wordt in ons gekruisigd, als de zuivere leer, de genade, het geloof, de vergeving der zonden die om niet geschonken wordt, afgewezen worden en als wij door speciale uitgekozen werken of door die welke in de wet voorgeschreven zijn, gerechtvaardigd willen worden. ( ...)

En zo wordt Paulus door een brandende verontwaardiging verteerd en komt hij tot de uiterst zware beschuldiging, ja eerder nog vervloeking van de gerechtigheid door de wet en werkheiligheid, en brandmerkt hen daarmee, dat zij 'de Zoon van God kruisigen'. (...)

 

3:2 Dit alleen wil ik van u leren: Hebt gij de Geest ontvangen uit de werken der wet, of uit de prediking des geloofs?

 

Paulus zegt: als ik mij helemaal niet meer tegen jullie zou kunnen verweren, dan zou ik toch op jullie ervaring willen steunen. (...) En met dit argument overwint hij ze, zodat ze daar niets meer tegenin kunnen brengen, want heel duidelijk komen zij met hun eigen ervaring in botsing, daar zij niet door de werken der wet, maar door de verkondiging van het Evangelie de Heilige Geest hadden ontvangen.

En weer wijs ik erop, dat Paulus niet alleen over de ceremoni蝜e wetten spreekt, maar over de gehele wet. (...) Er leiden maar twee wegen naar de rechtvaardiging: het Evangeliewoord of de wet. Daarom moet hier het woord wet in de uitgebreide zin verstaan worden, als volkomen verschillend en gescheiden van het Evangelie. Maar niet alleen de ceremoni蝜e wetten zijn van het Evangelie gescheiden, ook de wet der tien geboden. Paulus heeft het hier over de gehele wet.

Paulus maakt een duidelijk onderscheid tussen wet en Evangelie en argumenteert dan als volgt: zeg mij eens, hebben jullie de Heilige Geest door de wet ontvangen of door de prediking van het Evangelie? Geef nu antwoord! Jullie kunnen niet zeggen: door de wet, omdat jullie de Heilige Geest nooit ontvangen hebben zolang jullie onder de wet waren en haar werken deden. (...) Als de Heilige Geest door middel van de wet gegeven zou worden, zouden jullie Hem zeker hebben moeten ontvangen, daar jullie niet alleen leraren en leerlingen van de wet geweest zijn, maar ook daders der wet, en toch kunnen jullie er niet op bogen, daardoor ooit de Heilige Geest ontvangen te hebben. Maar nadat het Evangelie gekomen is, hebben jullie dadelijk, nog voor dat jullie een of ander werk of vrucht van het Evangelie konden laten zien, alleen door het gelovig horen, de Heillige Geest ontvangen. Want het is zoals Lukas in Handelingen 10:44

Getuigt: 'Gewoon toen de prediking van Petrus en Paulus weerklonk, viel de Heilige Geest op hen, die het Woord hoorden.' Door de Heilige Geest ontvingen zij ook de verschillende gaven, zodat zij met nieuwe tongen spraken enz. (...)

Als het volbrengen van de wet niet eens de Heilige Geest doet ont vangen, hoeveel te minder dan alleen het horen van de wet. (...)

Paulus spreekt hier echter over een openbaring van de Geest in de eerste gemeente; de Heilige Geest kwam namelijk met voor iedereen onmiskenbare verschijnselen op de gelovigen en gaf zo een betrouwbaar getuigenis, dat Hij bij de prediking van de apostelen aanwezig was, tegelijk betuigde Hij, dat degenen die het woord van de apostelen gelovig hoorden, bij God voor rechtvaardig gehouden zouden worden, anders zou Hij niet op hen zijn neergedaald. (...)

En zo wil het hele boek Handelingen ons niets anders leren, dan dit, dat de Heilige Geest niet geschonken wordt op grond van de wet, maar bij het horen van het Evangelie. Toen Petrus predikte, viel de Heilige Geest terstond op hen die het Woord hoorden. En op 热n dag kwamen drieduizend mensen, die de prediking van Petrus hoorden, tot het geloof en ontvingen de gave van de Heilige Geest (Handelingen 2). En zo ontving ook Comelius de Heilige Geest niet door de aalmoezen die hij gaf, maar toen Petrus zijn mond opende en nog sprak, viel de Heilige Geest op allen die van Petrus het Woord hoorden (Handelingen 10:44). Dat zijn concrete getuigenissen uit de praktijk en werken van God, die onmiskenbaar zijn. ( ...)

De joden konden wel morren tegen de heidenen en zeggen: zij, de heidenen, komen plotseling, zonder de hitte en de last van de dag gedragen te hebben, en hebben dan ‑ zonder ervoor te werken ‑ dezelfde gerechtigheid en de Heilige Geest, die wij door te werken en door de last en de hitte van de dag te dragen niet konden verkrijgen. 'Zij hebben maar 热n uur gewerkt' (Matth萿s 20:12) en door dat werk zijn zij meer verkwikt dan vermoeid. Waarom heeft God ons dan de last van de wet opgelegd, als die niets tot de gerechtigheid bijgedragen heeft? Hij bevoorrecht de heidenen boven ons, die zo lang onder het juk der wet gebukt gingen. Wij zijn het volk van God en tobden ons de ganse dag af; zij zijn niet het volk van God en hebben de wet niet en ook nog nooit iets goeds gedaan, en toch zijn zij aan ons gelijkgesteld.

Hieruit blijkt, hoe nodig dat het concilie in Jeruzalem was, waar het erom ging, dat de opgewonden gemoederen van de christenen uit de joden gesust werden, die, ofschoon zij in Christus geloofden, toch in hun harten heel hardnekkig aan de mening vasthielden, dat men zich aan de wet van Mozes moest houden. (...) Daar heeft Petrus vanuit zijn ervaring gesproken. Zijn woorden betekenden: broeders, wij behoeven ons niet aan de wet te houden, daar ik, toen ik voor Comelius predikte, in de praktijk ervaren en geleerd heb, dat de Heilige Geest zonder wet aan de heidenen wordt gegeven, alleen maar door het horen van het Woord. (...) Dus moet ook u af van de mening, dat de zaligheid u door de wet ten deel valt. (...)

Daarom onderwijzen wij dit: al vast gij ook, o mens, al eert gij uw ouders, al geeft gij aalmoezen, al gehoorzaamt gij de overheid, al zijt gij aan uw meerderen onderdanig enz., dan wordt u daardoor toch niet rechtvaardig. Het woord van de Schrift: eert uw vader en uw moeder, of welk ander gebod ook, heeft niet de kracht om te rechtvaardigen. Wat dan? Het komt eropaan de stem van de Bruidegom te horen, het Woord des geloofs; dit Woord, als dat gehoord wordt, rechtvaardigt.

Dit alles maakt voldoende duidelijk, dat er verschil is tussen wet en Evangelie. De wet brengt nooit de Heilige Geest, dus rechtvaardigt zij niet, omdat zij ons alleen leert wat wij doen moeten. Het Evangelie brengt de Heilige Geest, omdat het ons leert wat wij ontvangen moeten. Daarom zijn wet en Evangelie twee totaal verschillende leerstukken. Het Evangelie is een geschenk en brengt het geschenk met zich mee, het eist niets. De wet daarentegen schenkt niets, maar eist enkel en alleen van ons, en wel het louter onmogelijke.

(...) Ja maar, zeggen de tegenstanders, Cornelius mag dan een heiden geweest zijn, en de Heilige Geest niet door de wet ontvangen hebben, de tekst zegt toch heel duidelijk dat hij rechtvaardig en godvrezend was en aalmoezen gaf enz., en zo is het waarschijnlijk, dat hij zich daardoor verdiensten heeft verworven en daarom later de Heilige Geest heeft ontvangen. Ik antwoord: Comelius was in het oude verbond rechtvaardig en heilig om het geloof aan de komende Christus, zoals alle aartsvaders, profeten, vrome koningen in het Oude Testament rechtvaardig geweest zijn, doordat zij om het geloof in de komende Christus in het verborgene de Heilige Geest hadden ontvangen. De sofisten maken geen onderscheid tussen het geloof in de komende Christus en het geloof in de gekomen Christus. Daarom, als Cornelius v66r de openbaring van Christus gestorven zou zijn, dan zou hij toch niet verloren gegaan zijn, omdat hij het geloof der vaderen had, die alleen door het geloof in de komende Christus gered werden (Handelingen 15). Hij bleef dus een heiden, onbesneden, zonder de wet en eerde toch dezelfde God als de vaderen namelijk in het geloof aan de komende Messias. Maar omdat nu de Messias gekomen is, was het noodzakelijk, dat hem door middel van de apostel Petrus duidelijk gemaakt werd, dat men de Christus niet meer te verwachten heeft, maar dat Hij al gekomen is.

Het leestuk van de nog te verwachten en dan reeds gekomen Christus is uiterst belangrijk (om u ook dat even op het hart te drukken); want aangezien Christus nu geopenbaard is, kunnen wij niet gered worden door het geloof aan de nog te verwachten Christus, maar is het nodig dat wij geloven dat Hij reeds gekomen is, dat hij alles volbracht heeft en de wet weggedaan heeft. Zo moest ook Cornelius bekleed worden met het nieuwe geloof, dat Christus reeds gekomen is; dit geloof had tevoren tot inhoud dat Hij nog komen moest. Zo maakt het ene geloof plaats voor het andere 'uit geloof tot geloof' (Romeinen 1:17).

Dus de sofisten dwalen, als zij tot staving van hun bewering dat God een werk uit billijkheidsoverwegingen beloont, zeggen, dat Cornelius de genade en de Heilige Geest ontvangen heeft door zijn natuurlijke werken, die hij met de krachten van zijn gezond verstand en uit zijn moreel vermogen heeft verricht. Want rechtvaardig en godvruchtig te zijn, is voor een heidens en natuurlijk mens onmogelijk, maar behoort tot de geestelijke mens, die het geloof reeds heeft. Als hij niet in God geloofde en God niet vreesde, kon hij niet hopen in het gebed wat dan ook van God te ontvangen. Daarom prijst Lukas Cornelius eerst om zijn rechtvaardigheid en zijn godvrezendheid, en pas dan om zijn werken en aalmoezen. Dat bedenken de sofisten niet, maar zij grijpen alleen dit stukje aan en maken daar een halszaak van, dat hij namelijk aan de armen aalmoezen gegeven heeft. Dat schijnt hun leer over de werken, dat God uit billijkheidsoverwegingen beloont, te bevestigen. Men moet echter eerst naar de persoon of naar de boom kijken, en pas dan naar de werken en de vruchten. Cornelius is een goede boom, want hij is rechtvaardig en god vrezend. Daarom brengt hij goede vruchten voort, geeft aalmoezen en roept God aan. En deze vruchten behagen God wegens het geloof. Daarom bevestigt de engel zijn geloof in de komende Christus en zet hem over in het geloof in de reeds gekomen Christus. Daarom zegt de engel: 'Ontbied Simon, deze zal u zeggen wat gij doen moet' (Handelingen 10:5 e.v.). En zo is Cornelius v66r de openbaring van Christus zonder wet geweest en zo heeft hij ook na de openbaring van Christus geen wet, besnijdenis enz. ontvangen; zoals hij tevoren de wet niet heeft gehouden, zo ook achteraf niet. Het argument blijft dus in al zijn kracht bestaan: Cornelius is zonder wet gerechtvaardigd, daarom maakt de wet niet rechtvaardig.

 

(...) De Galaten zijn dus gedwongen te bekennen, dat zij voor de prediking van Paulus nooit van de Heilige Geest gehoord hebben, en dat zij toen, toen de apostel het Evangelie predikte, de Heilige Geest hebben ontvangen.

Datzelfde moeten ook wij tegenwoordig bekennen, overwonnen door het getuigenis van ons eigen geweten, dat namelijk de Geest niet door de wet gegeven wordt, maar door de gehoorde prediking van het geloof. Want velen hebben tevoren onder de pauselijke heerschappij met heel veel moeite en vlijt geprobeerd zich aan de wet, de reglementen en decreten van de vaderen zowel als aan de tradities van de paus te houden; sommigen zijn zich in langdurige en talrijke oefeningen in het waken, vasten en bidden zo te buiten gegaan en hebben daarbij hun gezondheid zo ondermijnd, dat zij niet meer in staat waren om ook maar iets van belang te presteren. Met al hun inspanning hebben zij niets anders bereikt, dan dat zij zich met hun zelfkwelling ziek maakten. Nooit konden zij zover komen, dat zij een rustig geweten en vrede in Christus zouden gekregen hebben, voortdurend twijfelden zij aan de goede wil van God ten opzichte van hen. Maar nu het Evangelie leert, dat niet wet en werken rechtvaardigen, maar het geloof in Christus, volgt echte kennis en een heel diep inzicht, een heel opgewekt geweten en een heel helder oordeel over alles wat zich in het leven voordoet. Nu kan de gelovige oordelen, dat de pauselijke heerschappij met al haar verordeningen en tradities goddeloos is; dat was vroeger niet mogelijk. Want wij waren verblind in de wereld, dat wij oordeelden, dat de werken die door mensen uitgedacht waren, niet alleen zonder maar ook tegen het bevel van God, veel beter waren dan de werken die een overheidspersoon, een huisvader, een leraar, een zoon, een knecht enz., naar het duidelijk bevel van God verricht. (...)

Nu bij het stralende licht van het Evangelie kunnen alle gebieden van het leven in de wereld feilloos door ons beoordeeld worden. Wij verkondigen vanuit het Woord van God de vaste mening, dat de stand der dienstknechten, die bij de wereld niet in tel is, bij God veel aangenamer is dan alle monnikenorden bij elkaar; want de stand der dienstknechten wordt door God in Zijn Woord erkend, aanbevolen en geprezen, maar zo niet de stand der monniken. (...)

Het hart van de mens verstaat dat niet en gelooft niet dat zoiets waardevols, namelijk de Heilige Geest, alleen op grond van het gelovig horen geschonken wordt, maar redeneert zo: er is iets geweldigs aan de hand, als je zonden vergeven worden, als je van zonde en dood verlost wordt, als je de Heilige Geest ontvangt, gerechtigheid en eeuwig leven; om deze onuitsprekelijke gaven te ontvangen, moet je dan ook iets geweldigs presteren. De duivel staaft deze mening en maakt dat het hart er vol van is. Als het verstand daarom hoort: u kunt niets doen om de vergeving van de zonden te verkrijgen, maar u moet alleen het Woord van God horen, antwoordt het direct en zegt: ach ge maakt de vergeving van de zonden al te gering en verachtelijk. Zo bewerkt de grootte van de gave, dat wij haar niet ontvangen. En omdat die grote schat voor niets, zonder tegenprestatie aangeboden wordt, wordt hij veracht. (...)

Luister tenslotte naar Christus, wat Hij Martha antwoordde, die zich hevig uitsloofde en zich ergerde omdat haar zuster aan Jezus' voeten zat en z'n prediking aanhoorde en haar alleen liet dienen. De Heere zegt: 'Martha, Martha, gij hebt veel zorg en moeite, maar 热n ding is nodig; doch Maria heeft het goede deel uitgekozen, dat van haar niet zal weggenomen worden' (Lukas 10:41 e.v.). Een christen wordt men niet door het doen, maar door het horen. Daarom wie rechtvaardig wil zijn, die oefene zich in het luisteren naar het Evangelie. En als hij het gehoord en ontvangen heeft, danke hij God met blijdschap en oefene zich in goede werken, die hem in de wet van God geboden zijn, maar dat alles zo, dat wet en werken op het gelovig horen volgen. Zo kan een christenmens, met vaste tred wandelen in het Licht dat Christus is, en met zekerheid die werken uitkiezen en verrichten, die niet gehuicheld zijn maar echt goed, waarvan hij weet dat ze God behagen en door Hem voorgeschreven zijn; alle schijnwerken die voortkomen uit de eigen keuze moeten veracht worden. (...)

De vromen ervaren, hoe graag zij met een echt geloof het gehoorde Woord vasthouden en de gedachte aan de wet en aan hun eigen werk willen uitrukken, maar zij ondervinden aan den lijve, hoe het vlees met alle geweld de Geest wederstaat. Want het verstand en het vlees willen heel eenvoudig m热werken.

Dit 'men moet zich laten besnijden, de wet houden' raken we nooit helemaal kwijt, maar het woont in de harten van alle vromen. Daarom staan de vromen in de voortdurende strijd tussen het gelovig horen en de werken der wet. Gedurig verzet het geweten zich en denkt: dat is toch veel te gemakkelijk, als louter op het horen van het Woord gerechtigheid, de Heilige Geest en de eeuwige zaligheid beloofd wordt. Maar pro beer het ernstig en beproef of het wel zo gemakkelijk is naar het Woord des geloofs te luisteren.

Groot is de Gever en Hij geeft van harte grote gaven en maakt niemand een verwijt, maar uw bevattingsvermogen schiet te kort en uw zwak geloof stort u in tweestrijd, zodat u de aangeboden gaven niet kunt ontvangen. Maar laat uw geweten toch morren en al komt dat 'men moet (de wet houden)' steeds weer terug, houd maar vol en wacht, tot u dit 'men moet (de wet houden)' zult overwinnen. Als het geloof op deze wijze groeit, zal de mening die uit is op de gerechtigheid door de wet, langzamerhand aan kracht verliezen. Maar dat gaat niet zonder veel strijd.

 

3:3 Zijt gij zo uitzinnig? Daar gij met de Geest begonnen zijt, voleindigt gij nu met het vlees?

 

(...) Paulus zegt: 'In de Geest zijt gij begonnen.' Dat wil zeggen, jullie zaak met God was prachtig begonnen en ontwikkelde zich uitermate goed; verderop zegt Paulus: 'Gij liept wel.' En wat gebeurt er? Nu willen jullie het in het vlees voleindigen, ja jullie worden door het vlees nu al aan jullie einde gebracht. Paulus stelt hier 'Geest' tegenover 'vlees'. Hij bedoelt met vlees niet de lust, de dierlijke begeerte of de lust der zinnen; hier heeft Paulus het niet over de lust of over de andere begeerten van het vlees, maar over de vergeving van de zonden, over de rechtvaardiging van het geweten, over de gerechtigheid voor God, over de bevrijding van de wet, de zonde, de dood. Toch zegt hij hier, dat zij, als zij de Heilige Geest verlaten, door het vlees aan hun einde zullen worden gebracht. Daarom is 'vlees' hier de eigengerechtigheid, de wijsheid van het vlees en de denkwijze van het menselijk verstand, dat door de wet gerechtvaardigd wil worden. Wat dus het beste en voortreffelijkste in de mens is, noemt Paulus 'vlees', namelijk de hoogste wijsheid van het menselijk verstand en de gerechtigheid van de wet zelf.

En over deze schriftplaats moeten we eens goed nadenken wegens de smaadwoorden waarvan de pausgezinden tegen ons misbruik maken. Zij verklaren namelijk, dat wij onder Rome in de Geest zouden begonnen zijn, nu echter, nadat wij vrouwen hebben genomen, zouden wij in het vlees eindigen ‑ alsof het geestelijk leven hetzelfde is als het celibaat. En intussen mag dat het geestelijk leven niet hinderen, als iemand er in plaats van 热n hoer er een aantal tegelijk op na houdt. Die mensen hebben geen verstand en begrijpen niet, wat vlees en wat Geest is. Geest is, wat in ons door de Heilige Geest geschiedt, vlees is, wat in ons geschiedt overeenkomstig het vlees zonder de Heilige Geest. Daarom zijn alle werken van de christenen, als daar zijn z'n vrouw liefhebben, kinderen opvoeden, een gezin hebben, zijn ouders eren, de overheid gehoorzamen ‑ werken die voor de tegenstanders wereldlijk en vleselijk zijn ‑ vruchten van de Geest. Die blinde mensen zien geen verschil tussen de dingen die God goed geschapen heeft en die welke zonden zijn.

Men moet er ook op letten, dat Paulus zegt dat de Galaten in de Geest waren begonnen. Hij zou eigenlijk in bedrijvende vorm verder moeten gaan: nu voleindigen jullie het in het vlees. Dat doet Paulus echter niet, maar hij zegt in de lijdende vorm: jullie worden door het vlees aan je einde gebracht. Dus zo weinig rechtvaardigt de gerechtigheid die uit de wet is en die Paulus hier 'vlees' noemt, dat degenen die, nadat zij de Heilige Geest door de prediking van het geloof ontvangen hebben, naar deze gerechtigheid uit de wet terugkeren, daardoor aan hun einde

gebracht worden, dat wil zeggen, zij hebben afgedaan en gaan geheel te gronde. (...) Dat is het eerste gevaar, waarvoor Paulus de Galaten wil laten terugschrikken, als zij namelijk de rechtvaardiging door de wet begeren, verliezen zij de Geest en doen het zo goede begin door een jammerlijk einde teniet.

Op het andere gevaar en de andere schade wijst hij met het woord: 'Hebt gij zoveel tevergeefs geleden?', alsof hij wilde zeggen: (...) bedenk ook dit, dat jullie om het Evangelie en om Christus veel hebt geleden, namelijk de roof van je goederen, lasteringen en smaadheden, gevaar voor lijf en leven enz. Alles was bij jullie dik in orde, jullie hadden de zuivere leer, leefden heilig en hebben voor de naam van Christus geduldig het boze voor lief genomen. En nu zijn leer en geloof, jullie werk en jullie lijden weg; weg is de Geest en Zijn vrucht in jullie.

Daaruit blijkt genoegzaam, wat de gerechtigheid uit de wet, de eigengerechtigheid, voor schade aanricht, namelijk dat zij, die daarop vertrouwen, in 热n keer, al wat zij aan onbegrijpelijk heerlijks ontvingen, verliezen. Het is zeer te betreuren, dat iemand zo vlug en gemakkelijk zo'n grote heerlijkheid en zijn vaor God geruste geweten verliezen kan; en is het niet betreurenswaardig dat men een zo groot en zwaar lijden en zulke emstige gevaren met betrekking tot zijn bezit, zijn vrouw en kinderen, voor lichaam en leven dragen kan en dat dit dan allemaal van nul en generlei waarde is? (...)

 

3:4 Hebt gij zoveel tevergeefs geleden7 Indien ook maar tevergeefs!

 

Dit is een correctie, waarmee Paulus de bovenstaande berisping, die een beetje te hard was uitgevallen, verzachtte. Dat doet hij als apostel, om de Galaten niet al te zeer schrik aan te jagen. Hij berispt ze, maar altijd zo, dat hij toch olie in de wonden giet, om ze niet tot wanhoop te brengen.

(...)

Hij wil zeggen: ik heb niet alle hoop voor jullie opgegeven. Als jullie dat werkelijk willen, de Heilige Geest verlaten en in het vlees eindigen, dus de gerechtigheid uit de wet volgen, zoals jullie begonnen zijn te doen, dan moeten jullie weten, dat al jullie blijdschap en al jullie vertrouwen op God niets waard is en dat al jullie lijden tevergeefs is. Ik moet wel een beetje hard tot jullie spreken, de zaak stevig aanpakken en jullie nogal scherp berispen, omdat het belang van de zaak eist, dat jullie niet denken dat het er niets toe doet als jullie de leer van Paulus verwerpen en naar een andere leer luisteren en die aannemen. Desondanks wil ik niet al jullie hoop de bodem inslaan, als jullie maar tot bezinning komen. (...)

 

3:5 Die u dan de Geest verleent en krachten onder u werkt, doet Hij dat uit de werken der wet of uit de prediking des geloofs7

 

(...) Paulus wil zeggen: God bewerkte door mijn prediking niet alleen dat jullie gelovig werden, maar ook dit, dat jullie heilig begonnen te leven, veel vruchten van het geloof voortbrachten en allerlei kwaad geduldig doorstonden. Zo zijn jullie in de kracht van de Heilige Geest van gierige, overspelige, driftige, ongeduldige en vijandige mensen, goedgeefs, kuis, zachtmoedig, geduldig en vol naastenliefde geworden. Daarom getuigt hij in hoofdstuk 4, dat zij hem, Paulus, als een engel hebben ontvangen, ja als Jezus Christus Zelf, en dat zij hem zo liefgehad hebben, dat zij bereid waren voor hem hun eigen ogen op te offeren enz.

De naaste echter zo zeer liefhebben, dat men bereid is voor zijn heil geld, goed, ogen, leven en alles op het spel te zetten, tenslotte alle moeilijkheden geduldig te dragen enz., dat zijn zeker allemaal krachtige uitwerkingen van de Heilige Geest. Deze deugden, zegt Paulus, hadden jullie vroeger voor de valse apostelen tot jullie zijn gekomen. Jullie hebben ze niet uit de wet ontvangen, maar van God, Die jullie de Heilige Geest met zoveel kracht heeft geschonken en dagelijks vermeerderd heeft, dat het Evangelie bij jullie een zeer gelukkige loop nam in leer, geloof, werken en geduld. Daar jullie dat dan weten, overtuigd door het getuigenis van jullie eigen geweten, hoe komt het dan, dat jullie deze deugden niet meer zoals vroeger ten toon spreiden? Hoe komt het toch, dat de rechte leer, het vrome geloof, het ware leven, het goeddoen, het geduld in het lijden niet meer bij jullie zijn? Tenslotte, wie heeft jullie toch zo bedorven, dat jullie tegenover mij niet meer zo vol liefde zijn als vroeger? Nu zouden jullie de apostel Paulus niet meer als een engel Gods ontvangen, als Jezus Christus, jullie zouden je ogen niet meer uitrukken en aan mij geven. Hoe komt het toch, zeg ik, dat jullie niet langer met zoveel vuur voor mij ijvert en maar nu aan de valse apostelen de voorkeur geven, die jullie zo erbarmelijk misleiden?

Zo gaat dat tegenwoordig ook met ons. In het begin van de prediking van het Evangelie waren er zeer velen, die van onze leer genoten en die met oprechte gevoelens, ja vol eerbied over ons spraken; toen volgden de deugden en de vruchten van het geloof op de prediking van het Evangelie. En wat gebeurt er nu? Plotseling staan de fanatici op, de wederdopers en de sacramentari蝦s en verwoesten in korte tijd, wat wij in lange tijd en met veel zwoegen en zweet opgebouwd hadden. De harten van hen die ons vroeger zo zeer liefhadden en onze leer dankbaar aannamen, hebben zij zo met vijandschap jegens ons vervuld, dat dezen niets zo intens haten als onze naam. Dat is de schuld van de duivel, die in zijn gelederen de tegenkrachten opwekt, die strijden tegen de krachten van de Heilige Geest. Jullie ervaring, o Galaten, zegt Paulus, moet jullie toch leren dat die grote deugden niet uit de werken der wet voortkomen. Want zoals jullie ze voor de prediking van het Evangelie niet hebben gehad, zo hebben jullie ze thans, nu de valse apostelen onder jullie de overhand hebben, ook niet meer.

En zo kunnen wij nu zeggen tot degenen die zich erop beroemen dat ze evangelisch zijn en uit de tirannie van de paus bevrijd zijn: hebt u de tirannie van de paus overwonnen en de vrijheid in Christus verworven met behulp van de fanatici, of door ons, die u het Evangelie van Christus gepredikt hebben? Als zij op deze vraag naar waarheid willen antwoorden, moeten zij zeggen: natuurlijk door de prediking van het Evangelie. En het is waar, in het begin van onze prediking had de leer van het geloof een voorspoedige voortgang. Toen werden de aflaten, de leer van het vagevuur, de kloostergeloften, de missen en soortgelijke gruwelen, die al het verderfelijke van Rome met zich meebrachten, tenietgedaan. Niemand kon ons redelijkerwijze veroordelen. De leer was zuiver, sterkte en troostte veel gewetens, die lang door de menselijke tradities onder het pausdom onderdrukt war~n geweest. Ja, de pauselijke heerschappij was je reinste tirannie en een afbeulerij van de gewetens. Daarom danken velen God ervoor, dat zij door het Evangelie, dat wij destijds als eersten gepredikt hebben, uit deze valstrikken en uit deze vildersplaats voor de gewetens, werden weggerukt.

En toen kwamen de sektari蝦s, die de lichamelijke tegenwoordigheid van Christus in het avondmaal loochenden, de doop ontwijdden, de beelden neerhaalden en alle ceremoni蝞 afschaften; daarmee wilden zij tegelijkertijd het pausdom omverwerpen en onze heerlijkheid verduisteren. Van toen af aan vond men onze leer niet goed meer klinken. Algemeen zei men vol grootspraak: de belijders van deze leer zijn het onderling niet eens. Dat heeft velen kopschuw gemaakt, van de waarheid afgekeerd en aan de pausgezinden hoop gegeven, dat wij heel spoedig met onze leer te gronde zouden gaan, omdat die innerlijk onduidelijk zou zijn en zij, de pausgezinden, binnenkort weer op kracht zouden komen en in hun oude autoriteit en waardigheid hersteld zouden worden. (...)

De sektari蝦s van vandaag de dag, die aan het heil van de Katholieke Kerk bijdragen en dat, terwijl ze de pauselijke heerschappij in 热n keer wilden vemietigen, ja uit de wereld helpen ‑ door afschaffing van de ceremoni蝞, door het wegdoen van de beelden en bestrijding van de sacramenten ‑ hebben de kerk door al deze dingen er niet bovenop geholpen, maar veeleer geschaad; zij hebben de pauselijke heerschappij niet vemietigd, maar versterkt.

Als zij samen met ons, zoals zij ook begonnen waren~ het leerstuk van de rechtvaardiging hadden onderwezen en de mensen zorgvuldig hadden ingeprent, dat wij niet door de wet of door eigen gerechtigheid, maar alleen door het geloof in Christus rechtvaardig worden, dan zou inderdaad dit ene leerstuk, zoals het immers al begonnen was, het pausdom langzamerhand te gronde gericht hebben, met zijn broederschappen, aflaten, orden, relikwie蝞, met kerkse godsdienstigheid, zijn aanroeping van de heiligen, zijn vagevuur, zijn missen, zijn nachtwaken, zijn plechtige geloften en met al zijn andere onbeschrijfelijke gruwelen. Zij hebben echter de prediking van het geloof en de prediking van de christelijke gerechtigheid nagelaten en de zaak anders aangepakt, maar tot grote schade van de gezonde leer en van de kerk. En zo is hen overkomen, dat zij, naar een Duitse zegswijze: 'Voor het schepnet uit vissen', dat wil zeggen dat zij de vissen, die al bijna in het schepnet gevangen waren, weer verjaagd hebben, doordat zij die namelijk met de handen wilden pakken.

Zoals dus de valse apostelen aan de Galaten de gerechtigheid gebracht hebben door hun leer dat men de wet moet houden, zo hebben de sektari蝦s door hun lawaai het pausdom vemietigd (tweemaal ironisch gesproken). De beeldendienst en de andere misbruiken in de kerk zouden ineengestort zijn, als zij het leerstuk van de rechtvaardiging trouw gepredikt hadden. Maar zij begeerden ijdele eer, al te graag zouden zij gehoord hebben, dat men lovend over hen zegt, dat zij het pausdom ten val gebracht hebben. Daarom hebben zij het leerstuk van de rechtvaardiging veronachtzaamd en die rellen veroorzaakt, door welke zij ons bijna overwonnen hebben; en de pausgezinden hebben zij in hun gruwelen gesterkt. Zover komt het, als men probeert de eigen eer te zoeken en niet de eer van God. (...)

De sektari蝦s zeggen: de paus is de antichrist. Goed, maar de paus zelf zegt daarentegen, dat aan hem het handhaven van de leer is opgedragen, dat hij de macht bezit om de sacramenten te beheren, te binden en te ontbinden en deze macht bezit hij door erfrecht en is hem overgeleverd uit de handen van de apostelen. Daarom wordt de paus door het uiterlijke tumult van die oproerige acties niet van zijn troon gestoten. Dat gebeurt alleen op die ene manier, namelijk als ik zeg: paus, ik wil u de voeten kussen en u als opperste bisschop erkennen, als u mijn Christus aanbidt en toestaat dat wij door Zijn dood en door Zijn opstanding ver geving van zonden en eeuwig leven hebben, maar niet door het inachtnemen van uw tradities. Als u mij dat toestaat, zal ik u uw kroon en macht niet ontnemen; geeft u echter niet toe, dan zeg ik vastberaden, dat u de antichrist bent en houd staande dat al uw riten en devoties niet alleen verloochening, maar zelfs de grootste lastering van God en afgodendienst zijn. Dat doen de sektari蝦s niet, zij proberen met openlijk geweld de paus zijn kroon en zijn macht te ontnemen. Maar hun poging leidt tot niets. Voor alles is nodig, dat ik de goddeloosheid en de gruwelen van de paus openbaar maak, waarmee hij onder de schijn van heiligheid en ware godsdienst de hele wereld tot last is geworden. Als ik dat doe, zal ik wel eens zien wat hij straks nog overhoudt. Ik heb namelijk de pit weggenomen en laat hem de schillen. De sekten nemen de schillen van hem af en raken de pit niet aan.

Slotsom: zoals uit de werken der wet geen werkelijke deugden te maken waren, zo veroorzaken de uiterlijkheden, die de sektari蝦s eisen, niets dan oproer en nog grotere verwarring in de kerk, ja zijn een verhindering voor de Heilige Geest. Dat leert ons de ervaring. (...)

Ik heb dikwijls aangeboden en ik bied ook nu nog aan, dat ik de wetten van de paus gaame verdraag, als hij die maar in vrijheid geeft. En niet de gewetens ermee bindt, zodat de mensen menen, dat zij bij het nakomen van deze wetten gerechtvaardigd worden, maar bij het nietnakomen verdoemd worden. Maar dat doet de paus niet. (...) Hoe dikwijls immers wordt gezegd, je kunt niet zalig worden, als je Rome niet gehoorzaamt. (...)

 

3:6 Gelijkerwijs Abraham Gode geloofd heeft, en het is hem tot rechtvaardigheid gerekend.

 

Tot nu toe heeft Paulus vanuit zijn ervaring geargumenteerd. (...) Nu voegt Paulus het voorbeeld van Abraham eraantoe en citeert de getuigenissen van de Schrift. Het eerste staat in Genesis 15:6: 'Abraham geloofde.' Paulus steunt hier heel stevig op deze plaats en dan hoofdzakelijk in de Romeinenbrief 4:2 e.v. Daar staat: 'Want indien Abraham uit de werken gerechtvaardigd is, dan heeft hij gerechtigheid en roem, maar niet bij God', maar bij de mensen, want bij God heeft hij zonde en toom. Bij God is hij niet daarom gerechtvaardigd, omdat hij werken verrichtte, maar omdat hij geloofde. Want de Schrift zegt: 'En Abraham geloofde God en het is hem gerekend tot rechtvaardigheid.' Deze schriftplaats uit Genesis 15:6 heeft Paulus in het genoemde hoofdstuk van de Romeinenbrief naar haar waarde op een indrukwekkende wijze uitgelegd en het belang ervan aangetoond. Abraham, zo zegt de apostel, is niet zwak van geloof geworden en zag niet op zijn verstorven lichaam toen hij ongeveer honderd jaar oud was, hij zag ook niet op het verstorven lichaam van Sara, hij koesterde geen twijfel noch argwaan tegenover de belofte van God, maar werd sterk van geloof, gaf God de eer en wist vast en zeker, dat, wat God beloofd heeft, Hij ook kan doen. Dat is hem tot gerechtigheid gerekend. Dat is niet alleen voor hem neergeschreven, maar ook voor ons.

Paulus maakt hier van het geloof in God de volkomen echte dienst aan God, de volkomen toewijding, de volkomen gehoorzaamheid en het volkomen offer. Wie verstand van retorica heeft, moet deze passage eens nauwkeurig bezien en hij zal ontdekken, dat het geloof alles vermag en dat de kracht ervan niet te schatten en zonder einde is. Het geloof geeft God de eer en iets groters kan men God niet geven. God de eer geven, dat betekent Hem geloven, dat betekent Hem voor waarachtig houden, voor wijs, rechtvaardig, barmhartig, almachtig, kortom God de eer geven, betekent Hem als eerste Oorzaak en Gever van alle goeds erkennen. Dat speelt het verstand niet klaar, maar het geloof. Het ge!oof volmaakt het beeld Gods en, laat ik het zo zeggen, het is de schepper van het beeld Gods, niet in de persoon van God, maar in ons. Want zonder geloof verliest God in ons Zijn eer, Zijn wijsheid, gerechtigheid, waarheid, barmhartigheid enz. Kortom, waar geen geloof is, verliest God Zijn Goddelijke majesteit. En God vraagt van de mens niets anders, dan dat deze Hem als God erkent en eert, dat wil zeggen dat hij Hem niet voor een afgod houdt, maar voor God, Die op de mens let, naar hem luistert, Zich over hem erbarmt, hem helpt enz. Als Hij die eer krijgt, is Hij voluit God, dat wil zeggen: Hij heeft alles, wat het gelovige hart Hem schenken kan. God deze eer te kunnen geven, is het wezen van alle wijsheid, van alle gerechtigheid, van alle godsdienst en van elk offer. Nu kunt u zien, wat voor een grote gerechtigheid het geloof is, en omgekeerd wat voor een grote zonde het ongeloof is.

Dus het geloof rechtvaardigt, omdat het God geeft wat Hem toekomt; wie dat doet is rechtvaardig. (Zo stelt de jurisprudentie vast, dat hij rechtvaardig is, die aan een ieder het zijne geeft.) Het geloof zegt dus: God, ik geloof wat U zegt. Maar wat zegt God? Onmogelijke dingen, woorden die leugens schijnen te zijn, dwaas, zwak, absurd, afschuwelijk, ketters, duivels, als men naar het verstand oordeelt. Want wat is belachelijker, dwazer, onmogelijker, dan wanneer God tegen Abraham zegt, dat hij uit het onvruchtbare en reeds verstorven vlees van Sara een zoon zal krijgen?

En zo zet God ons altijd, als Hij zaken uit de geloofsleer aan de orde stelt, voor het eenvoudigweg onmogelijke en absurde, als je naar het verstand oordeelt. Zo schijnt het voor het verstand zeker belachelijk en absurd, dat in het Heilig Avondmaal aan ons het lichaam en bloed van Christus uitgedeeld worden; dat de doop het bad der wedergeboorte en der vernieuwing door de Heilige Geest is; dat op de jongste dag de doden opstaan; dat Christus, de Zoon van God ontvangen en gedragen werd in de schoot van de maagd, dat Hij geboren werd, de zeer smadelijke dood aan het kruis geleden heeft, opgewekt werd, nu zit aan de rechterhand van de Vader en alle macht heeft in de hemel en op de aarde. Paulus noemt het Evangelie van de gekruisigde Christus het Woord van het kruis en een dwaze prediking, voor de joden een ergernis en voor de heidenen een dwaasheid enz. Zo oordeelt het verstand over alle artikelen van het geloof. Het begrijpt niet dat het Woord te horen en te geloven pas echte eredienst is. Maar het verstand meent, dat wat het zelf uitkiest en aan goeds doet ‑ zoals zij zeggen: met doelbewustheid en zelfovergave - aan God zal behagen. Daarom, als God spreekt, houdt het verstand het Woord van God voor ketterij en voor een woord van de duivel, voor het verstand lijkt het namelijk absurd enz. En zo is de theologie van alle sofisten en sektari蝦s, die het Woord van God aan het verstand meten.

Maar het geloof slacht het verstand en doodt dat dier, dat door niets en niemand ter wereld gedood kan worden. Zo heeft Abraham het gedood door het Woord van God te geloven, toen hem nageslacht beloofd werd uit de onvruchtbare en reeds verstorven Sara. Met dit Woord heeft het verstand van Abraham beslist niet dadelijk kunnen instemmen, zeker heeft in hem het verstand tegen het geloof gestreden, hij hield het voor lachwekkend, absurd en onmogelijk, dat Sara, die niet alleen reeds negentig jaren telde, maar ook van nature onvruchtbaar was, hem een zoon zou baren. Deze strijd van het geloof tegen het verstand had daadwerkelijk in Abraham plaats. Maar het geloof heeft in hem gezegevierd, het heeft die zeer verbitterde en verderfelijke vijand van God geslacht en geofferd. Zo moeten alle vromen met Abraham de duistemis van het geloof binnengaan, ze moeten hun verstand doden en zeggen: gij verstand, zijt dwaas, gij verstaat niet wat van God is, spreek mij daarom niet tegen, maar zwijg, matig u geen oordeel aan, maar hoor het Woord van God en geloof! Dan slachten in het geloof de vromen het beest dat groter is dan de wereld, en zo brengen zij God zeer welkome offers en dat is de ware eredienst.

Gemeten aan dit offer en aan deze eredienst van de vromen zijn alle religies van alle volken, alle werken van alle monniken en werkheiligen, op 热n hoop bij elkaar geveegd, van nul en generlei waarde. (...) De werkheiligen, die het geloof niet hebben, doen veel aan vasten en bidden, leggen zichzelf een kruis op en denken met deze dingen de toorn van God te verzoenen en Zijn genade te kunnen verdienen. (...) Maar op deze wijze verachten zij God en betichten Hem van leugen in al Zijn beloften en verloochenen Christus en al Zijn weldaden. Kortom, zij stoten God van Zijn troon. (...)

Paulus voegt er uit Genesis 15 aan toe, dat aan Abraham zijn geloof tot gerechtigheid gerekend is. Dat haalt Paulus niet zonder reden aan. Want de christelijke gerechtigheid bestaat uit deze twee stukken, namelijk uit het geloof met het hart en de toerekening door God. Het geloof is beslist de echte gerechtigheid en toch is het niet genoeg, omdat na het ontvangen van het geloof nog altijd de resten van de zonde in het vlees overblijven. Het offer van het geloof is in Abraham begonnen, maar pas in de dood wordt het voltooid. Daarom moet het andere deel van de gerechtigheid erbij komen, dat deze volmaakt, namelijk de toerekening door God. Want het geloof geeft aan God niet de volkomen genoegdoening, omdat het onvolmaakt is, ja het is nauwelijks een vonkje geloof, dat begint met God God te laten zijn. Wij hebben slechts de eerstelingen van de Geest ontvangen, nauwelijks meer. En ook wordt het verstand in dit leven nooit helemaal gedood. En zo blijven in ons nog over de begeerte, de toorn, het ongeduld en de andere vruchten van het vlees en van het ongeloof. Ook de heiligen, die een volmaakter leven hebben, hebben geen volle en duurzame vreugde in God, maar zijn nu eens zus en dan weer zo gestemd, nu eens treurig, dan weer blij, zoals ook de Schrift dat van de profeten en apostelen getuigt. Maar deze verwarring wordt de heiligen niet aangerekend, om het geloof in Christus, anders zou er geen mens zalig worden. En zo trekken we uit de woorden: 'Het geloof is hem gerekend tot gerechtigheid' de conclusie, dat de gerechtigheid wel in het geloof begint en dat wij door het geloof de eerstelingen van de Geest hebben, maar dat de gerechtigheid wegens de zwakheid van het geloof niet zonder de toerekening door God volmaakt wordt. De gerechtigheid begint met het geloof, maar de toerekening door God volmaakt haar tot op de dag van Christus. (...)

Als het verstand dat hoort, dat wij gered worden door het geloof in Christus, hetgeen God als gerechtigheid aanrekent, ergert het zich dadelijk, raakt buiten zinnen en betuigt haar vijandschap tegen God en zegt: dan zijn dus de goede werken niets waard? En heb ik dan tevergeefs gewerkt en de last en de hitte van de dag verdragen? Vandaar dat oproer van de heidenen, van de volken, van de koningen en van de vorsten tegen de Heere en Zijn Christus. De paus met zijn monniken wil niet gedwaald hebben, nog minder kan hij verdragen dat hij veroordeeld wordt. En zo gaat het ook met de Turken enz. (...)

Om Christus' wil heeft God geduld met al onze zonden en wil ze bedekt laten, alsof er geen zonde zou bestaan. Hij zegt: 'Omdat je in Mijn Zoon gelooft, moeten je zonden, die je toch zeker hebt, vergeven zijn, tot Ik je er door de dood volkomen van verlos.' (...)

Zo is de christen tegelijk rechtvaardig en zondaar, heilig en onheilig, vijand en kind van God. Deze tegenstelling accepteren de sofisten in geen geval, omdat zij de ware aard van de rechtvaardiging niet kennen. Vandaar dat zij de mensen hebben gedwongen net zo lang het goede te doen tot zij helemaal geen zonde meer voelden. En zo hebben zij met hun poging om met inspanning van al hun krachten de volkomen gerechtigheid te verwerven, dit ten eerste niet bereikt en ten tweede velen tot waanzin gedreven. En talloze van de sofisten, die deze goddeloze leer hadden uitgedacht, zijn daarop zelf, toen de dood kwam, tot wan hoop gebracht. Dat had ook mij kunnen overkomen, als Christus mij niet genadig aangezien had en mij van die dwaling bevrijd had.

Wij daarentegen troosten de aangevochten zondaar op de volgende manier en leren: broeder, het is onmogelijk, dat u in dit leven zo volmaakt wordt dat uw lichaam zonder smet net zo helder straalt als de zon, nee, u houdt fouten en gebreken en toch bent u een heilige. Maar u zegt: hoe kan ik dan een heilige zijn, als ik zonde heb en voel? Dat u uw zonden voelt en beseft, is goed, dank God daarvoor en wanhoop niet. Het is de eerste stap naar de gezondheid, als de zieke zijn ziekte beseft en erkent. Maar hoe zal ik van de zonde bevrijd worden? Loop hard naar Christus, de Arts, Die de verslagen harten geneest en de zondaars redt. Geloof in Hem; als u gelooft bent u rechtvaardig, omdat u God de eer geeft, dat Hij almachtig is, barmhartig, waarachtig enz. Zo rechtvaardigt u en gelooft u God, kortom: u laat Hem God en geeft Hem alles. Wat dan nog aan zonde in u over is, wordt u niet toegerekend, maar u om Christus' wil geschonken, in Wie gij gelooft; Die volmaakt en volkomen rechtvaardig is: Zijn gerechtigheid is dan de uwe en uw zonde is de Zijne.

Daarom, zoals ik gezegd heb, is iedere christen een hogepriester, omdat hij ten eerste z'n verstand en vleselijke begeerten ten offer brengt, ten tweede God de eer geeft, dat Hij rechtvaardig, waarachtig, geduldig, barmhartig en een Ontfermer is. Dat is alles bij elkaar het avond‑ en morgenoffer in het Nieuwe Testament. Het avondoffer is het verstand doden, het morgenoffer is God de eer geven. En zo is een christen dagelijks, ja voortdurend in deze dubbele offerdienst en niemand kan de waarde en de waardigheid van het christelijk offer genoegzaam prijzen. (...)

Voorzover het op woorden aankomt, is het allemaal gemakkelijk. Het is dus niet zoals Aristoteles leert, dat de rechtvaardigheid volmaakt in ons woont, nee, de gerechtigheid is buiten ons in de genade alleen en in de Goddelijke toerekening. Er is niets rechtvaardigs in ons behalve die zwakke leerstellingen van het geloof, omdat wij begonnen zijn in Christus te geloven, terwijl er toch altijd nog echte zonde in ons overblijft. Ik zeg, met woorden is dat allemaal gemakkelijk af te schilderen, maar het gaat niet over iets zo gemakkelijks, nee, het gaat over iets heel ernstigs, omdat Christus, Die ons gegeven wordt en Die wij in het geloof aangrijpen, niet een of andere kleinigheid of aardigheid voor ons gedaan heeft, maar zoals Paulus hierboven zegt: Hij heeft ons liefgehad en Zich voor ons overgegeven, Hij is voor ons tot een vloek gemaakt enz. Dat is maar geen onbeduidende speculatie, dat Christus voor mijn zonden werd overgegeven en voor mij tot een vloek werd, opdat ik uit de eeuwige dood weggerukt zou worden. Vandaar dat de Zoon aangrijpen en met het hart in Hem geloven, wat een geschenk van God is, maakt dat God dat geloof, ook al is het onvolmaakt, voor volmaakte rechtvaardigheid houdt. En dan zijn wij buiten de menselijke rede, in een volkomen andere wereld, waar niet getwist wordt over wat wij moeten doen of door welke soort van werken wij genade en vergeving van zonden kunnen verdienen. Hier zijn wij in de Goddelijke theologie, waar wij dit Evangelie horen, dat Christus voor ons gestorven is en dat wij in dit geloof voor rechtvaardig worden gehouden, terwijl er niettemin zonden in ons blijven en wel zeer grote zonden. (...)

Die twee uitspraken zijn met elkaar in tegenspraak, namelijk dat een christen rechtvaardig is en door God bemind wordt en nochtans tegelijk een zondaar is. God kan immers Zijn natuur niet verloochenen, dat wil zeggen Hij moet de zonde en de zondaars haten. Dat doet Hij omdat het noodzakelijk is, want anders zou Hij onrechtvaardig zijn en de zonde liefhebben. Hoe kunnen nu deze twee tegenstrijdige dingen waar zijn: ik heb zonde en ben de toom, ja de Goddelijke haat geheel en al waard, en de Vader heeft mij lief? Hier bestaat geen andere schikking dan alleen door de Middelaar Christus, Die zegt: de Vader heeft u lief, niet omdat u die liefde waardig bent, maar omdat u Mij hebt liefgehad en geloofd hebt, dat Ik van de Vader ben uitgegaan.

Zo blijft een christen echt nederig, omdat hij de zonde immers waarachtig voelt en weet dat hij om haar de toom en het gericht van God, ja de eeuwige dood waardig is; zo wordt de christen in dit leven verootmoedigd. Toch houdt hij steeds ook tegelijk een zuiver en heilig soort overmoed, omdat hij zich naar Christus keert en door Hem, tegen dat gevoel van toom en Goddelijke veroordeling in, moed vat. Door Christus gelooft hij, dat hij door de Vader bemind wordt, niet om hemzelf, maar om de beminde Christus.

Nu is dan ook duidelijk, hoe het geloof zonder werken rechtvaardigt en hoe nodig de toerekening der gerechtigheid nochtans is. In ons blijven de zonden, die God zo bitter haat. En daarom hebben wij de toerekening van die gerechtigheid nodig, die ons deel wordt door Christus, Die ons gegeven is en door ons in het geloof aangegrepen wordt. Intussen worden wij dus, zolang wij leven, gedragen en gekoesterd in de schoot der barmhartigheid en het Goddelijk geduld, totdat het lichaam der zonde afgedaan heeft en wij op die dag als nieuwe mensen opgewekt worden. Dan zullen de hemelen en de aarde nieuw zijn, in welke gerechtigheid woont. Onder de tegenwoordige hemel huizen intussen de zonde en de goddelozen, en ook de vromen hebben hun zonde. Dat is het, waarom Paulus in Romeinen 7 over de zonde klaagt, die nog in de heiligen overgebleven is; en toch zegt hij in Romeinen 8, dat er niets verdoemelijks is aan hen die in Christus Jezus zijn (Romeinen 7:18 en 8:1). Wie verenigt deze beide onderling strijdige beweringen, dat de zonde in ons geen zonde is, dat de verdoemelijke niet verdoemd en dat de verworpene niet ver‑

worpen zal worden, dat degene die de Goddelijke toorn en de eeuwige dood waardig is, geen straf zal ondergaan. Dat is de enige Middelaar tussen God en de mensen, Jezus Christus, zoals Paulus zegt: 'Niets verdoemelijks is er aan hen, die in Christus Jezus zijn.'

 

3:7 Zo verstaat gij dan, dat degenen die uit het geloof zijn, Abrahams kinderen zijn.

 

Dat is de hoofdgedachte en het belangrijkste motief van Paulus tegen de joden, dat de gelovigen de kinderen van Abraham zijn, ofschoon ze niet uit zijn vlees en bloed geboren zijn. Hier en in Romeinen 4 en 9 behandelt Paulus dit punt uitvoerig. Hierop vestigden namelijk de joden al hun vertrouwen en hierop beroemden zij zich: wij zijn het nageslacht en de zonen van Abraham; hij was besneden en hield de wet; als wij dus de echte zonen van Abraham willen zijn, moeten wij dat onze vader nadoen enz. Het was zeker een bijzondere eer en een groot voorrecht om tot het nageslacht van Abraham te behoren. Want niemand kan loochenen, dat God tot en over het nageslacht van Abraham gesproken heeft. Maar dit voorrecht was de ongelovige joden van geen nut. En zo betwist Paulus dit argument heel duidelijk en ontneemt de joden hun vaste vertrouwen op dat voorrecht. Dat kon Paulus eerder dan wie dan ook doen, als het uitverkoren werktuig van Christus. Als wij zonder Paulus van het begin af aan met de joden hadden moeten twisten, dan zouden we heel weinig tegen hen klaargespeeld hebben.

Zo strijdt Paulus tegen dat vertrouwen van de joden, die er zich geweldig op beroemen, dat zij het nageslacht van Abraham zijn. Goed. Abraham was besneden en heeft de wet gehouden, de joden doen hetzelfde. Toegegeven. Maar wat dan nog? Jullie willen toch niet daarom rechtvaardig en gered zijn? Nooit of te nimmer! Laten wij toch gaan zien naar de patriarch Abraham zelf, hoe hij gerechtvaardigd en gered is. Beslist niet om zijn voortreffelijke deugden en heilige werken, niet omdat hij zijn vaderland, zijn familie en zijns vaders huis verliet, niet omdat hij de besnijdenis ontving en de wet hield, niet omdat hij op Gods bevel zijn zoon Izak, in wie hij de belofte van nakomelingschap had, bereid was te offeren, maar omdat hij in God geloofd heeft. Zo is Abraham door niets anders gerechtvaardigd geworden, dan door het geloof. Als jullie daarom trachten door de wet rechtvaardig te worden, dan had jullie vader Abraham nog veel meer door de wet gerechtvaardigd moeten worden. Maar hij kon de rechtvaardiging, de vergeving van de zonden en de Heilige Geest alleen ontvangen door het geloof. Als dit dan op grond van het getuigenis van de Schrift waar is, waarom strijden jullie dan voor de wet, de besnijdenis enz.? (...)

Wie een zoon van de gelovige Abraham wil zijn, moet geloven zoals hij; anders is hij geen zoon van de uitverkoren, aangenomen en gerecht vaardigde Abraham, maar alleen (voor het geval dat hij een jood is) de zoon van de natuurlijke Abraham, die niets anders is geweest dan een mens, in zonde ontvangen en geboren en levend zonder vergeving van zonden, zonder geloof en zonder de Heilige Geest, net als een ander mens, dus verdoemd. Van dat soort mensen zijn ook de zonen, die naar het vlees van hem afstammen; zij hebben geen andere relatie tot vader Abraham, dan dat zij vlees en bloed van hem dragen en met hem zonde en dood gemeen hebben, dus zijn zij ook verdoemd. Daarom is die roem 'Wij zijn het nageslacht van Abraham', ijdel en van geen nut. (...)

Nu zou iemand kunnen tegenwerpen, zoals de joden en zekere leuteraars van tegenwoordig gewoon zijn te doen, dat het woord 'geloofi in het Hebreeuws 'waarheid' betekent en dus door ons op een verkeerde manier uitgelegd en misbruikt wordt. Verder zeggen zij: in Genesis lS wordt gesproken over een lichamelijke kwestie, namelijk over de belofte van een aards nakomelingschap. Dus gaat het in dit hoofdstuk eenvoudig over het geloof van Abraham, het wordt door Paulus op een verkeerde manier op ons geloof in Christus betrokken. (...)

Op de eerste spitsvondigheid van die sofisten antwoord ik: 'geloofi is niets anders dan de waarheid van het hart, dat wil zeggen de rechte kennis van het hart met betrekking tot God. Recht over God denken kan niet het verstand, maar alleen het geloof. Pas dan denkt de mens recht over God, als hij het Woord van God gelooft. Als hij buiten het Woord om met zijn verstand over God wil denken en in Hem geloven, dan heeft hij niet de waarheid van God en zo kan hij ook niet recht over God den ken of oordelen. Zo heeft een monnik, die zich inbeeldt, dat zijn kap, zijn tonsuur en zijn gelofte God behagen en dat die hem bij God aangenaam maken en dat God hem daarvoor zijn genade en het eeuwige leven zal schenken, niet de ware, maar een valse en goddeloze mening over God. De waarheid is dus juist het geloof, dat recht over God oordeelt, namelijk dat God onze werken en onze gerechtigheid niet in aanmerking neemt, dat wij onrein zijn, maar dat Hij Zich over ons wil ontfermen enz. (...) Ik kan met mijn verstand niet begrijpen noch bevatten, dat ik om Christus' wil in genade aangenomen wordt, dat hoor ik door het Evangelie verkondigen en grijp het in het geloof aan.

Op de tweede spitsvondigheid van de sofisten antwoord ik, dat Paulus terecht Genesis 15 op het geloof in Christus betrekt. Want alle beloften uit de vroegere tijd waren in de Messias besloten, Die toch nog komen moest. Zo is ook het geloof der vaderen in Hem besloten geweest. Daarom was het geloof der vaderen gelijk aan het onze (Handelingen 15:10 e.v. en 1 Korinthe 10:4). Dat getuigt Christus Zelf in Johannes 8 over Abraham, als Hij zegt: 'Abraham jubelde en juichte dat hij Mijn dag zou zien hij heeft hem gezien en heeft zich erop verheugd' (Johannes 8:56). Het geloof der vaderen hing nochtans aan een Christus, Die nog komen moest, zoals ons geloof hangt aan Hem, Die reeds gekomen is. Abraham is in zijn tijd gerechtvaardigd geworden door het geloof in de toekomstige Christus; als hij nu leefde, zou hij gerechtvaardigd worden door het geloof in de reeds gekomen en tegenwoordige Christus, zoals ik dat eerder over Cornelius zei, die eerst in de komende Christus geloofde, maar na de prediking van Petrus geloofde hij dat Hij reeds gekomen was, enz. Daarom veranderen de verschillende tijden niet het geloof, de Heilige Geest en de gaven van God. Het was en is altijd dezelfde wil en gedachte van God met het oog op Christus, bij de vaderen van vroeger tijden en nu bij de zonen van tegenwoordig. En zo hebben ook wij op dezelfde wijze een komende Christus en geloven in Hem, net als de vaderen van het Oude Testament. Wij verwachten namelijk, dat Hij op de jongste dag in heerlijkheid zal komen, om te oordelen de levenden en de doden; daarbij geloven wij echter dat Hij reeds tot ons heil gekomen is. Daarom kan dat citaat van de apostel hen die praten naar dat zij verstand hebben, alleen maar irriteren. (...)

Zoals ik gezegd heb, betrekt Paulus de tekst uit Genesis 15, die over het geloof van Abraham spreekt, terecht op het geloof in Christus, omdat ze beiden, namelijk Abraham en de vaderen enerzijds en wij anderzijds, door het geloof in Christus gerechtvaardigd worden, zij door het geloof in de komende Christus, en wij door het geloof in de gekomen Christus. Daarbij gaat het over het wezen en de hoedanigheid van het geloof, die voor beiden hetzelfde zijn, of Christus nu reeds gekomen is of nog komen moet. Het is dus voldoende, dat Paulus laat zien, dat de wet niet rechtvaardig maakt, maar alleen het geloof, of dit geloof zich nu richt op de toekomstige of de gekomen Christus. (...)

En zo is het duidelijk, dat de kinderen van Abraham niet naar het vlees zijn kinderen zijn, daar Paulus niet naar het vlees de vader der volkeren is. Ze zijn de kinderen naar het geloof, zoals het in Romeinen 4:17 gezegd wordt: 'Ik heb u tot een vader van vele volken gesteld voor God, Die gij geloofd hebt.' En zo gaat het bij Paulus over twee Abrahams, namelijk over de man die in de lijn der geslachten staat en over de gelovige. Abraham heeft zonen en is de vader van vele volken. Hoe? Ten opzichte van God, waar hij gelooft, niet ten opzichte van de wereld, waar hij aangemerkt wordt als degene die in de lijn der geslachten staat. Daar is hij de zoon van Adam, zondaar, of, als ik het zo mag zeggen, daar is hij de man die leeft zoals de wet en zijn verstand hem voorschrijven, dus zoals de mens gewoonlijk doet; maar dat heeft niets van doen met de gelovigen.

 

3:8 En de Schrift, tevoren ziende, dat God de heidenen uit het geloof zou rechtvaardigen . . .

 

Dit behoort nog tot het vorige argument. Paulus wil zeggen: jullie joden, beroemen je mateloos op de wet en weten niet van ophouden bij het ophemelen van jullie Mozes, met wie God uit de braamstruik gesproken heeft enz. (...) Dan antwoordt Paulus, de apostel der volken: die overmoed en praal van jullie deugt niet, want de Schrift is jullie voor geweest en heeft lang v66r de wetgeving vastgesteld, dat de volken niet gerechtvaardigd zullen worden door de wet, maar door de zegen die het zaad van Abraham brengen zou; dit zaad was aan Abraham beloofd 430 jaar v66r de wetgeving van Mozes. Deze belofte, die Abraham betreffende dit zaad ontvangen heeft, kon door de wet, die zoveel jaren later gegeven werd, niet worden afgezwakt of opgeheven, zij staat vast en zal eeuwig blijven. Wat kunnen de joden daarvan zeggen? (...)

Wat beroemen jullie je er dan op, Galaten, dat jullie de vergeving van zonden, het kindschap Gods en de erfenis door de wet ontvangen, die toch pas na lange tijd op de belofte gevolgd is, die namelijk 430 jaar later werd gegeven?

Bij de Heilige Doop behoort de heilsbelofte: 'Die geloofd zal hebben en gedoopt zal zijn, zal zalig worden' (Markus 16:16). Als iemand (zoals tegenwoordig de geestdrijvers doen) aan het kind dat zojuist gedoopt is, ontzeggen wil dat het gerechtigheid en heil gegeven werd, daarom dat de belofte pas dan iets zou kunnen uitwerken, als de mens tot zijn verstand gekomen is en al iets goeds kan doen, om daarmee dan te verdienen wat in de belofte wordt toegezegd; verder, als iemand zou willen beweren, dat de doop niet het zegel (signum) is van Gods wil jegens ons, maar slechts een eenvoudig teken (nota), dat voor de wereld gelovigen en ongelovi gen van elkaar onderscheidt, wat zou die mens anders doen dan aan de doop de zaligheid te ontnemen en haar tot de goede werken te rekenen?

(...)

De gerechtigheid van Abraham, die hem zonder wet ten deel gevallen is, bloeide niet alleen tot het tijdstip dat de wet gegeven werd, zij zal in bloei staan tot het einde der wereld. Als echter de vader van het hele joodse volk zonder wet voor de wet gerechtvaardigd is, dan worden toch de zonen op dezelfde wijze als hun vader gerechtvaardigd. Dus niet uit de wet, maar uit het geloof komt de gerechtigheid voort.

 

3:8 . . . heeft tevoren aan Abraham het Evangelie verkondigd, zeggende: In u zullen al de volken gezegend worden.

 

(...) Deze prachtige tekst, die over de geestelijke zegen spreekt, draaien de joden met boosaardige moedwil zo om, dat zij deze zegen alleen maar zien als een lovend woord en een goede wens. Alsof het zou betekenen: jij, jood, bent gezegend, omdat je nazaat van Abraham bent, je bent gezegend, jodengenoot, omdat je de God van de joden eert en je aan Hem verbindt. Ze geloven dus, dat de zegen niets anders is dan lof en eer in deze wereld, dat men er zich op beroemen kan dat men van Abraham afstamt. Maar dat noem ik de woorden van de Schrift van hun betekenis beroven, en niet ze uitleggen. Paulus toont ons echter met de woorden: 'Abraham heeft God geloofd' (Genesis 15:6), de gelovige en rechtvaardige Abraham, de man met de belofte, de geestelijke Abraham, die niet in de dwaling en in het vlees leeft, die niet uit Adam geboren is, maar uit de Heilige Geest. En over deze Abraham, die door het geloof vernieuwd en door de Heilige Geest wedergeboren is, spreekt de Schrift en verkondigt dat hij de vader van vele volken zal zijn. Van Abraham heet het dat hij alle volken tot zijn erfdeel zal hebben, als de Schrift zegt: 'In u zullen alle volken gezegend worden.' (...)

De Schrift zegt over die Abraham hoe hij voor God staat. (...) Dat is de gelovige Abraham, die door het geloof rechtvaardig wordt. (...)

Daarom beroven de joden deze schriftplaats over de zegening gewetenloos van zijn betekenis, als zij die enkel en alleen op de vleselijke zegening laten slaan. De Schrift spreekt toch in alle openheid over de geestelijke zegening en over God, en dat kan en mag ook niet anders verstaan worden. 'In u zullen gezegend worden.' In welke 'u'? Ik zeg: in u, de gelovige Abraham of in uw geloof of in die Christus (uw zaad), Die komen zal, in Wie gij gelooft ‑ in u zullen alle volken gezegend worden; dat wil zeggen alle volken zullen van u, de gezegende, de zonen zijn; zoals gij gezegend zijt 'zo zal uw zaad zijn', staat er geschreven (Genesis 15:5).

Daaruit volgt nu, dat de zegen en het geloof van Abraham dezelfde zijn als bij ons. De Christus van Abraham is dezelfde als Die van ons; Christus is op dezelfde manier gestorven voor de zonden van Abraham als voor die van ons, volgens Johannes 8: 'Abraham zag Mijn dag en verheugde zich.' Alles is dus hetzelfde. En zo mag het de joden nooit of te nimmer toegestaan worden, dat zij dat woord 'zegen' afzwakken en van zijn betekenis beroven. Zij zien de Schrift als door een sluier. Daarom bedenken ze niet waarom het gaat in de beloften aan de vaderen, maar wij moeten daar wel goed op letten. Het gaat er dus om, dat God niet met Abraham over de wet spreekt, niet over dingen die gedaan moeten worden, maar over dingen die geloofd moeten worden; God geeft hem beloften die in het geloof aangegrepen moeten worden. En wat doet Abraham? Hij gelooft deze beloften. En wat doet God voor de gelovige Abraham? Hij rekent hem dat geloof tot gerechtigheid en voegt er bovendien nog meer beloften aan toe: 'Ik ben uw beschermer', 'In u zullen gezegend worden', 'Gij zult een vader van vele volken zijn', 'Zo zal uw zaad zijn'. Deze argumenten zijn onweerlegbaar, daar mag je geen gekheid mee uithalen als je de woorden van de Schrift zorgvuldig en emstig gaat overdenken.

 

3:9 Zo dan, die uit het geloof zijn, worden gezegend met de gelovige Abraham.

 

Alle kracht en alle nadruk ligt op het woord 'met de gelovige Abraham'. Heel duidelijk maakt de Schrift onderscheid tussen twee Abrahams; uit 热n en dezelfde persoon maakt zij er twee, alsof zij wil zeggen: de ene is de Abraham die werken doet, en de andere is de Abraham die gelooft. Met de Abraham van de werken hebben we niets te maken, want als die uit de werken gerechtvaardigd is, dan heeft hij roem, maar niet bij God. Hij mag voor mijn part tot de joden behoren, die Abraham, die in de lijn der geslachten staat en die de werken doet, besneden is en de wet houdt; bij ons behoort die andere Abraham, de gelovige, van wie de Schrift zegt, dat hij door zijn geloof de zegen van de gerechtigheid verkregen heeft en dat hij de belofte van diezelfde zegen overgebracht heeft op allen die geloven zoals hij. Verder wordt aan de gelovige Abraham de wereld beloofd, maar dan ook alleen maar aan de gelovige Abraham. En zo moet de gehele wereld gezegend worden, dat wil zeggen de toerekening van de gerechtigheid ontvangen, als zij gelooft zoals Abraham.

De zegen is niets anders dan de belofte van het Evangelie. Dat alle volken gezegend worden, betekent dat alle volken de Goddelijke zegen horen, dus dat de belofte gepredikt en door middel van het Evangelie onder alle volken verbreid wordt. Uit deze schriftplaats hebben de profeten vele geestelijke profetie蝞 geput, zoals Psalm 19:5: 'Door alle landen is hun roepen uitgegegaan.' Kortom, alle profetie蝞 over het rijk van Christus en over de verbreiding van het Evangelie in de gehele wereld vloeien voort uit deze tekst 'in u zullen gezegend worden' (Genesis 12:3). Dat de volken gezegend zullen worden, betekent dat aan hun de gerechtigheid geschonken wordt en dat zij als rechtvaardig voorgesteld worden, wat alleen door het Evangelie geschieden kan. (...)

Zegenen is dus dit: het Evangelie onderwijzen en prediken, Christus belijden en de kennis omtrent Hem aan anderen doorgeven. Dat is het priesterlijke ambt en tegelijk het offer van de kerk in het Nieuwe Testament, dat zij deze zegen uitdeelt door de prediking, door het beheer over de sacramenten, door de absolutie, door het geven van troost en door de boodschap van het Genadewoord. Ook Abraham had dat Woord, het was zijn zegen; hij moest het alleen geloven om de zegen te ontvangen. En zo worden ook wij in het geloof gezegend. Deze zegen is roem, niet voor de wereld, maar voor God. (...)

Wij ontkennen niet, dat Christus ook een voorbeeld is dat de vromen moeten navolgen en dat men goede werken moet doen, maar daardoor wordt men niet rechtvaardig voor God. Paulus voert deze discussie ook niet om te zeggen wat wij moeten doen, maar hoe wij gerechtvaardigd worden. En dan moeten we ons alleen Christus voor ogen stellen, in Zijn dood voor de zondaars en in Zijn opstanding voor onze gerechtigheid. Als het om de vraag van de rechtvaardiging gaat, moeten wij Christus als een geschenk aanvaarden, maar niet alleen als een voorbeeld. Dat begrijpt het verstand niet. (...)

Voor ons is deze gelovige Abraham niet eenvoudig dood en begraven, zoals dat voor de joden het geval is, wij willen hem hemelhoog prijzen, wij willen hem verkondigen en met zijn naam hemel en aarde vervullen, zodat wij door deze gelovige Abraham niets meer zien van de Abraham der werken. Als wij over de gelovige Abraham spreken, zijn wij in de hemel. Als wij daama datgene doen, wat de Abraham der werken gedaan heeft ‑ menselijke en aardse dingen, geen goddelijke en hemelse (behalve voorzover ze hem door God geschonken waren) ‑ dan bevinden wij ons onder de mensen op de aarde. De gelovige Abraham vervult hemel en aarde. Zo vervult iedere gelovige hemel en aarde met zijn geloof, zodat er voor hem buiten het geloof niets bestaat.

Aan het woord 'zullen gezegend worden' ontleent Paulus nu een ander argument vanuit het tegendeel. De Schrift is namelijk vol antithesen. En een bekwaam mens behoort die antithesen in de Heilige Schriften te zien en ze door de Schriften te kunnen uitleggen. Zo doet hier het woord 'zegening' dadelijk aan het tegenovergestelde denken, namelijk aan 'vervloeking'. Als de Schrift namelijk zegt, dat alle volken in het geloof van Abraham of in de gelovige Abraham gezegend zullen worden, dan volgt daar noodzakelijk uit, dat alle joden of heidenen zonder geloof of buiten de gelovige Abraham onder de vloek zijn. Als namelijk aan Abraham de belofte van de zegen over alle volken gegeven werd, dan is die belofte nergens anders te verwachten dan in de belofte van Abraham, die reeds door het Evangelie in de hele wereld is uitgedragen. Daarom: wat buiten deze belofte is, ligt onder de vloek. Dat leert Paulus in alle duidelijkheid, als hij zegt:

 

3:10 Want zovelen als er uit de werken de wet zijn, die zijn onder de vloek . . .

 

De vloek is een soort zondvloed, die alles meesleurt, wat buiten Abraham is, dat wil zeggen buiten het geloof en de belofte van zegen aan Abraham. Als echter de wet, die Mozes op Goddelijk bevel aan het volk gegeven merkwaardig, dat Paulus zijn stelling uit het negatieve wil bewijzen. Want Paulus zegt: 'Wie de werken der wet doet, die is vervloekt.' Mozes, die hier door Paulus geciteerd wordt, zegt echter het tegenovergestelde, dat, wie de werken der wet niet doet, vervloekt moet zijn. Deze twee woorden van Paulus en van Mozes staan lijnrecht tegenover elkaar. Hoe kunnen deze twee stellingen op 热n noemer gebracht worden, of, wat meer is, hoe kan de ene stelling door de andere bewezen worden? Zeg mij, wat is dat voor een bewijsvoering, als ik deze stelling: Als u de geboden van God houdt, gaat u ten leven in, door de andere stelling bewijzen wil: Als u de geboden van God niet houdt, gaat u ten leven in? Kan ik dan op deze manier door het tegendeel een bewijs leveren? Waarlijk een mooie manier van bewijsvoering. En toch is de bewijsvoering van Paulus precies zo! Maar deze tekst bij Paulus wordt alleen verstaan door hen die dit leerstuk van de rechtvaardiging op de juiste wijze weten aan te wenden. (...)

De beide uitspraken in kwestie zijn niet met elkaar in strijd, maar stemmen volkomen met elkaar overeen. Zo onderwijzen wij het toch ook: 'Niet de hoorders van de wet zijn rechtvaardig voor God, maar de daders zullen gerechtvaardigd worden' (Romeinen 2:13). En wederom: die naar de wet handelen, worden verdoemd. Het leerstuk van de rechtvaardiging zegt namelijk: 'Wat buiten het geloof van Abraham gedaan wordt, ligt onder de vloek' en toch moet in ons het recht der wet vervuld worden (Romeinen 8:4). Deze stellingen schijnen voor de mens, die de leer van het geloof niet kent, volkomen met elkaar in strijd te zijn en even absurd als deze zin: Als u de wet vervult, vervult u haar niet, als u de wet niet vervult, vervult u haar.

Daarom moet men er vooral op letten, op welke wijze Paulus hier onderwijs geeft en hoe hij Mozes ziet. Zoals dikwijls gezegd, beweegt Paulus zich hier op het geestelijk vlak en heeft het niet te maken met zaken uit het openbare leven en alle daartoe behorende wetten; hij ziet Mozes met andere ogen dan de huichelaars en de valse apostelen en legt de wet geestelijk uit. De volle nadruk ligt daarom op het woordje 'doen'. De wet doen, betekent niet slechts een uiterlijk doen, maar doelt op een echt en volmaakt handelen. Er zijn dus twee soorten van wetsbetrachting. Er zijn er, die de wet met hun eigen werkkracht vervullen; tegen hen spreekt Paulus en strijdt hij in deze hele brief. Er zijn anderen, die de wet uit het geloof vervullen en daarover zullen we het dadelijk hebben. Vanuit de wet of de eigen werkkracht de wet te vervullen, is duidelijk tegengesteld aan, haar vanuit het geloof te vervullen. De twee manieren staan tegenover elkaar als duivel en God, zonde en gerechtigheid, dood en leven. Vanuit de wet de wet vervullen, betekent: door de wet rechtvaardiging zoeken; vanuit het geloof de wet vervullen, betekent dat wij daarop vertrouwen dat wij alleen uit barmhartigheid gerechtvaardigd worden. Wie zegt dat de gerechtigheid uit het geloof komt, die veroordeelt en vervloekt de gerechtigheid uit de werken. En nogmaals, wie zegt dat de gerechtigheid uit de wet komt, die verdoemt en vervloekt de gerechtigheid uit het geloof. Dat is precies het tegenovergestelde. Paulus spreekt hier niet over de absolute waarde van de wet en de werken, maar daarover, hoe en met welke bedoeling de werken worden gedaan, dus dat de huichelaars door de wet en de werken der wet gerechtvaardigd willen worden.

Het is gemakkelijk te begrijpen, dat de wet niet vervuld is, als ze uitwendig en voor het oog van de mensen gedaan werd, ze kan alleen in de geest vervuld worden, dat wil zeggen dat het er om gaat in waarheid en volmaaktheid datgene te volbrengen, wat in de wet wordt voorgeschreven. Maar waar zult u iemand vinden die de wet zo vervult? Die moge naar voren komen en wij zullen hem lof toebrengen. Dan antwoorden de tegenstanders eenvoudig: de daders van de wet zullen gerechtvaardigd worden. Goed. Maar laten we dan eerst eens vaststellen, wie die daders zijn. De tegenstanders noemen een dader van de wet de mens die de wet houdt en zo op grond van de werken die hij doet, gerechtvaardigd wordt. Maar dat noemt Paulus niet de wet houden, omdat, zoals ik zei, dat tegenstellingen zijn, namelijk leven en werken vanuit de wet of vanuit het geloof. Op grond van de werken der wet de rechtvaardiging zoeken, wil zeggen de gerechtigheid op grond van het geloof verloochenen. En juist omdat de werkheiligen halsstarrig vasthouden aan het doen van de wet, verloochenen zij de gerechtigheid vanuit het geloof en zondigen zij tegen het eerste, tweede en derde gebod en tegen de gehele wet; want God gebiedt, dat men Hem met geloof en vreze zal eren. Zij zelf doen echter het tegenovergestelde en proberen tegen het geloof in op grond van hun daden gerechtigheid te bewerken. Omdat zij de wet houden, gaan zij juist het allermeest tegen de wet in en overtreden haar zo zwaar en gruwelijk als het maar kan. Zij verloochenen de gerechtigheid, de barmhartigheid en de belofte van God, zij verloochenen Christus en al Zijn weldaden en worden in hun hart toch niet rechtvaardig door een wet die ze niet begrijpen en nog minder doen. Tenslotte houden zij niets anders over dan alleen een gedachtenspinsel en de wet als afgod. Daaruit volgt noodzakelijk, dat zij, doordat zij de wet proberen te houden, de wet niet alleen niet houden, maar ook nog zondigen en de Goddelijke Majesteit in al Zijn beloften verloochenen. Maar daarvoor is de wet niet gegeven.

In hun onverstand misbruiken zij de wet, zoals Paulus in Romeinen 10:3 zegt: 'Zij kennen de gerechtigheid Gods niet en zoeken hun eigen gerechtigheid op te richten, aan de gerechtigheid Gods onderwerpen zij daarop vertrouwen dat wij alleen uit barmhartigheid gerechtvaardigd worden. Wie zegt dat de gerechtigheid uit het geloof komt, die veroordeelt en vervloekt de gerechtigheid uit de werken. En nogmaals, wie zegt dat de gerechtigheid uit de wet komt, die verdoemt en vervloekt de gerechtigheid uit het geloof. Dat is precies het tegenovergestelde. Paulus spreekt hier niet over de absolute waarde van de wet en de werken, maar daarover, hoe en met welke bedoeling de werken worden gedaan, dus dat de huichelaars door de wet en de werken der wet gerechtvaardigd willen worden.

Het is gemakkelijk te begrijpen, dat de wet niet vervuld is, als ze uitwendig en voor het oog van de mensen gedaan werd, ze kan alleen in de geest vervuld worden, dat wil zeggen dat het er om gaat in waarheid en volmaaktheid datgene te volbrengen, wat in de wet wordt voorgeschreven. Maar waar zult u iemand vinden die de wet zo vervult? Die moge naar voren komen en wij zullen hem lof toebrengen. Dan antwoorden de tegenstanders eenvoudig: de daders van de wet zullen gerechtvaardigd worden. Goed. Maar laten we dan eerst eens vaststellen, wie die daders zijn. De tegenstanders noemen een dader van de wet de mens die de wet houdt en zo op grond van de werken die hij doet, gerechtvaardigd wordt. Maar dat noemt Paulus niet de wet houden, omdat, zoals ik zei, dat tegenstellingen zijn, namelijk leven en werken vanuit de wet of vanuit het geloof. Op grond van de werken der wet de rechtvaardiging zoeken, wil zeggen de gerechtigheid op grond van het geloof verloochenen. En juist omdat de werkheiligen halsstarrig vasthouden aan het doen van de wet, verloochenen zij de gerechtigheid vanuit het geloof en zondigen zij tegen het eerste, tweede en derde gebod en tegen de gehele wet; want God gebiedt, dat men Hem met geloof en vreze zal eren. Zij zelf doen echter het tegenovergestelde en proberen tegen het geloof in op grond van hun daden gerechtigheid te bewerken. Omdat zij de wet houden, gaan zij juist het allermeest tegen de wet in en overtreden haar zo zwaar en gruwelijk als het maar kan. Zij verloochenen de gerechtigheid, de barmhartigheid en de belofte van God, zij verloochenen Christus en al Zijn weldaden en worden in hun hart toch niet rechtvaardig door een wet die ze niet begrijpen en nog minder doen. Tenslotte houden zij niets anders over dan alleen een gedachtenspinsel en de wet als afgod. Daaruit volgt noodzakelijk, dat zij, doordat zij de wet proberen te houden, de wet niet alleen niet houden, maar ook nog zondigen en de Goddelijke Majesteit in al Zijn beloften verloochenen. Maar daarvoor is de wet niet gegeven.

In hun onverstand misbruiken zij de wet, zoals Paulus in Romeinen 10:3 zegt: 'Zij kennen de gerechtigheid Gods niet en zoeken hlm eigen gerechtigheid op te richten, aan de gerechtigheid Gods onderwerpen zij zich echter niet.' (...) Die gerechtigheid uit de wet, die zij menen te bieden, is in werkelijkheid niets anders dan afgodendienst en lastering van God. Daarom kan het niet anders dan dat zij onder de vloek blijven.

Het is dus onmogelijk, dat wij de wet doen op de manier die zij dromen, nog minder gelukt het door de wet rechtvaardig te worden. Dat betuigt ten eerste de wet zelf, die namelijk een geheel tegenovergesteld effect heeft. Zij vermeerdert namelijk de zonde, brengt toorn, klaagt aan, verschrikt en verdoemt; hoe zal zij dan rechtvaardigen? Ten tweede laat ook de belofte hetzelfde zien, want tot Abraham is gezegd: 'In u zullen alle volken gezegend worden.' Daarom is buiten de belofte aan Abraham nergens een zegen en buiten deze belofte is alleen maar vloek. (...) Omdat God wist, dat wij de wet niet zouden kunnen houden, heeft Hij dat lang v66r de wet bedacht en is Abraham voor geweest met de belofte en heeft gezegd: 'In u zullen alle volken gezegend worden.' (...)

Daarom is 'doen' in de eerste plaats geloven, en daarom moet men door het geloof de wet vervullen. Wij moeten de Heilige Geest ontvangen; door Hem verlicht en vernieuwd, beginnen wij de wet te vervullen en God en de naaste lief te hebben. Maar de Heilige Geest wordt niet door middel van de wet ontvangen (want 'Die onder de wet zijn', zegt Paulus, 'zijn onder de vloek'), maar door het gelovig horen, dat wil zeggen: door de belofte. Wij moeten dus heel eenvoudig met Abraham en door zijn geloof in de belofte, gezegend worden. Men moet in de allereerste plaats zijn toevlucht tot de belofte nemen, om het woord van de zegening, dat wil zeggen het Evangelie, te horen. Dat moet men geloven, de klanken van de belofte aan Abraham brengen Christus dichtbij, Hem grijpt het geloof in en bij dit geloof wordt terstond de Heilige Geest om Christus' wil geschonken. Nu gaat men God en de naaste liefhebben, goede werken worden gedaan en de mens kan het kruis dragen. Dat heet tenslotte: de wet doen, anders blijft de wet eeuwig ongedaan. Zo kan men het 'doen' duidelijk en heel eigenlijk bepalen als geloven in Jezus Christus, waarbij dit geloof samengaat met het ontvangen van de Heilige Geest door het geloof in Christus en met het werk, zodat de wet gehouden wordt. Het kan ook niet anders, want de Schrift zegt, dat er buiten de belofte geen zegen is, ook niet in de wet. Daarom is het onmogelijk de wet te houden en daarbij geen acht te slaan op de belofte. (...)

En zo zult u niemand in de wereld vinden, wie de titel 'dader der wet' toekomt buiten de belofte van het Evangelie om. En zo is 'dader der wet' een begrip dat niemand verstaat en in praktijk brengt, als hij niet zijn uitgangspunt kiest buiten en boven de wet in de zegen en het geloof van Abraham. Daarom is diegene de ware dader der wet, die de Heilige Geest door het geloof in Christus heeft ontvangen en God begint lief te hebben en de naaste wel te doen, zodat het doen het geloof tegelijk insluit; dit geloof sluit de dader der wet zelf in en wordt tot een boom; als die er is komen de vruchten. Eerst moet er namelijk een boom zijn en dan kunnen er pas vruchten komen. De vruchten brengen niet de boom voort, maar de boom brengt de vruchten voort. Zo schept het geloof eerst de persoon, die daarna ook goede werken doet. Wie dus de wet wil houden zonder geloof, die kan net zo goed zonder de boom vruchten vervaardigen van hout en slijk; dat noem ik niet vruchten voortbrengen, maar klinkklare onzinnigheden teweegbrengen. Als er een goede boom geplant is, dat wil zeggen als de persoon of dader er eenmaal is, en dat gechiedt door het geloof in Christus, dan volgen de werken. De dader moet er voor de werken zijn, niet de werken voor de dader. Zo wordt 'de dader van de wet gerechtvaardigd', dat wil zeggen voor rechtvaardig verklaard (Romeinen 2:13). (...)

Als Paulus dus de stelling: 'Die uit de werken der wet zijn, zijn onder de vloek' bewijst met het woord van Mozes: 'Vervloekt is een ieder, die niet blijft in al hetgeen geschreven staat in het boek der wet', dan bewijst hij niet 'het tegendeel door het tegendeel', zoals het op het eerste gezicht lijkt, maar zijn bewijsvoering is volkomen juist en zeer goed. Mozes bedoelt en verzekert hetzelfde wat Paulus ook bedoelt, als hij zegt: Vervloekt is een ieder, die niet doet alles wat in het boek der wet geschreven staat.' Er is immers niemand die dat doet. Daarom: 'Die uit de werken der wet leven', houden die wet toch ook niet. Maar als zij haar niet houden, 'zijn zij onder de vloek'. Daar er dus twee soorten daders der wet zijn, zoals ik heb gezegd, echte daders en huichelaars, moet men de echte daders wel onderscheiden van de huichelaars. De echte daders zijn zij, die krachtens het geloof goede bomen zijn, voordat er vruchten aangroeien; de daders zijn er eerder dan de goede werken. Over deze mensen spreekt Mozes. Als zij niet zulke geloofsmensen zijn, liggen zij onder de vloek. Maar alle huichelaars bij elkaar zijn niet zulke geloofsmensen, want zij leven in de veronderstelling, dat zij door werken gerechtigheid verwerven en door werken zichzelf rechtvaardig kunnen maken. (...) Zij doen hetzelfde, als wanneer een dwaze architect een huis bouwt en dan bij het dak begint. (...) Als zij door de werken de rechtvaardiging zoeken, willen zij iemand op grond van de werken tot dader verklaren, wat lijnrecht tegen Mozes ingaat, die zo'n dader, net als Paulus, aan de vloek onderwerpt.

Zij die door de wet gerechtvaardigd willen worden, houden niet alleen de wet niet, maar verloochenen boven alles het eerste gebod, de Goddelijke beloften, de zegen, die aan Abraham beloofd is. Zij verloochenen het geloof en proberen zichzelf met hun goede werken te zegenen, dat wil zeggen rechtvaardig te maken, van zonde en dood te bevrijden, de duivel te overwinnen en met geweld tot de hemel door te dringen. Dat betekent allemaal eenvoudig God loochenen en de plaats van God innemen. Want al wat ik noemde, zijn alleen werken van de Goddelijke Majesteit, niet de werken van een schepsel, hetzij mens of engel. Daarom kon Paulus gemakkelijk uit de prediking van het eerste gebod afleiden, dat er in de kerk gruwelen zouden zijn, door de antichrist veroorzaakt. Want wie naast de eredienst van het eerste gebod dat bestaat in godsvrucht, geloof en liefde tot God, een andere eredienst leren, die noodzakelijk zou zijn voor de zaligheid, dat zijn antichristenen, zij zetten zich op de plaats van God. (...)