HOOFDSTUK 4

 

4:1 Doch ik zeg, zo langen tijd als de erfgenaam een kind is, zo ver schilt hij niets van een dienstknecht, hoewel hij een heer is van alles.

4:2 Maar hij is onder voogden en verzorgers, tot den tijd van den vader tevoren gesteld.

 

Daar ziet u, hoe het in Paulus brandt en schuimt, opdat hij slechts de Galaten mocht terugroepen; zijn grootste wens maakt hij met zeer sterke argumenten duidelijk: hij ontleent ze aan de ervaring, aan het voorbeeld Abraham, of aan andere schriftwoorden, aan de tijdsomstandigheden en aan gelijkenissen, zodat Paulus datgene waarom het hem gaat nogal dikwijls schijnt te herhalen. Hij was immers tamelijk ver terug in de brief met zijn twistgesprek over de rechtvaardiging al gereed gekomen en had logisch bewezen dat de mensen alleen door het geloof voor God gerechtvaardigd kunnen worden. Maar omdat hem nu dit voorbeeld over de minderjarige te binnen schiet, een voorbeeld dat uit het dagelijks leven genomen is, gebruikt hij dat om de onbehouwen Galaten daarmee te vangen. Met een zekere heilige sluwheid belaagt hij ze en wil ze zo vangen. Zo zegt hij een andere keer: 'Als een sluw man heb ik u met list gevangen' (2 Korinthe 12:16). Het volk wordt gemakkelijker door vergelijkingen en voorbeelden gewonnen, dan door moeilijke en subtiele redeneringen; het ziet liever een goed geschilderde afbeelding dan een goed geschreven boek. En zo noemt Paulus na de vergelijkingen met het testament van een man, met de kerker en met de tuchtmeester, dit van ouds bekende voorbeeld van de erfgenaam en zoekt daarmee zijn lezers te bewegen. (...) En deze welsprekende wijze van redeneren zal nu tot het einde van de brief doorgaan.

Paulus zegt: zo zien jullie het ook in de burgerlijke wetten, dat de erfgenaam, ofschoon hij de baas is over alle goederen van zijn vader, nochtans maar knecht is. Hij heeft wel de belofte en de zegen van de erfenis en toch, zoals de juristen zeggen, voordat de tijd van de verlossing uit de vaderlijke macht gekomen is, houden voogden en rentmeesters hem gevangen en opgesloten, zoals een leraar dat met een leerling doet. Met betrekking tot zijn eigen goederen wordt hij als een knecht gehouden. (...) Deze afhankelijkheid en gevangenschap is heel goed voor de erfgenaam, anders zou hij door zijn dwaasheid zijn goederen verspelen.

 

4:3 Alzo wij ook, toen wij kinderen waren . . .

 

Zo lijken wij op kinderen, want wij waren wel erfgenamen en hadden de belofte van de toekomstige erfenis, die ons door het Zaad van Abraham, door Christus, ten deel zou vallen; want Hij zou alle volken zegenen.

Maar omdat de tijd van de vervulling nog niet was aangebroken, kwam de voogd, de beheerder en opvoeder, onze Mozes, en hield ons opgesloten en gevangen, zodat wij, omdat onze handen gebonden waren, niet konden heersen en de erfenis in bezit nemen. Intussen heeft Mozes ons zoals de erfgenaam met de hoop op de toekomstige vrijheid gepaaid wordt de hoop op de belofte, die op haar tijd zou geopenbaard worden, te drinken gegeven, zoals men kinderen melk geeft. Dit werk van Mozes gold tot op Christus en Zijn komst; voor Zijn komst was het de tijd van de wet; nadat Hij nu gekomen is, is de tijd der wet ten einde en de tijd der genade is aangebroken.

'Tijd der wet' heeft een dubbele betekenis. Ten eerste, zij is ten einde door de komst van Christus in het vlees. Deze komst geschiedde op de door de Vader bestemde tijd. (...) Vervolgens komt deze zelfde Christus, Die eenmaal gekomen is, dagelijks en ieder uur tot ons in de Geest. Eens heeft Hij namelijk door Zijn eigen bloed ons verlost en geheiligd. Maar omdat wij nog niet volkomen rein zijn, maar tot op heden aan ons vlees nog resten van de zonde kleven, omdat het vlees strijdt tegen de Geest, daarom komt Hij dagelijks in de Geest tot ons en brengt van dag tot dag meer en meer de door de Vader bestemde tijd (der wet) ten einde, ja, doet de wet weg en heft haar op.

En zo is Christus ook tot de vaderen dagelijks in de Geest gekomen, eer Hij eens op de bestemde tijd gekomen is; zij hadden Christus in de Geest, in wiens openbaar‑wording ze geloofden, zoals wij in de geopenbaarde Christus geloven en zij werden op gelijke wijze gered als wij naar het woord uit HebreeÎn 13:8: 'Jezus Christus is gisteren en heden en ook in eeuwigheid Dezelfde.' Gisteren, voor de tijd van Zijn komst in het vlees, heden, nadat Hij in de tijd geopenbaard is, nu en in eeuwigheid is Hij dezelfde Christus. Door deze een en dezelfde Christus worden alle gelovigen van het verleden, van het heden en van de toekomst vrijgemaakt van de wet, gerechtvaardigd en gered. (...)

Er ligt dus een grote nadruk op het woordje 'wij dienden' . Alsof Paulus wilde zeggen: ons geweten was aan de wet onderworpen, die met alle kracht haar dwingelandij over ons uitoefende, ons sloeg zoals een despoot zijn gevangen slaven, ons opgesloten en gevangen hield; dat wil zeggen de wet bracht ons tot vrees, droefheid, verschrikking, ja tot wanhoop, dreigde ons met eeuwige dood en verdoemenis. Dit theologische knechtschap is erg hard, het blijft echter niet altijd, maar het duurt slechts een korte tijd, zolang wij kinderen zijn, dat is, zo lang Christus niet gekomen is. Als Hij afwezig is, zijn wij slaven, onder de wet besloten, missen de genade, het geloof en alle gaven van de Heilige Geest. Maar nadat Christus gekomen is, is het afgelopen met die gevangenis en slavernij onder de wet.

 

4:3 . . . zo waren wij dienstbaar gemaakt onder de eerste beginselen

 

Sommigen hebben gedacht, dat Paulus hier spreekt over de stoffelijke elementen: vuur, lucht, water en aarde. Maar hij gebruikt een bijzondere manier van uitdrukken en spreekt hier over de wet van God, die hij met een denigrerende uitdrukking 'elementen van deze wereld' noemt. Zijn woorden klinken heel ketters. Paulus heeft immers ook anders de gewoonte heel geringschattend over de wet te spreken, bijvoorbeeld als hij ze noemt 'de letter, die doodt' 2 Korinthe 3:6, of als hij spreekt over de 'wet der zonde en des doods' Romeinen 8:2 of over de 'kracht der zonde' 1 Korinthe 15:56. Deze minachtende uitdrukkingen die welsprekend en zeer wezenlijk de kracht en het effect van de wet laten zien, kiest Paulus met overleg, om ons in de kwestie van de rechtvaardiging van de wet te jagen. Want de wet kan eigenlijk niets anders doen, dan het geweten schuldig verklaren, de zonden vermeerderen, met dood en verdoemenis dreigen.

Paulus noemt de wet 'elementen der wereld', d.w.z. het gaat om uiterlijke letters en overleveringen, die in een boek geschreven zijn. (...) Wanneer men de wet houdt als ware zij een maatschappelijke regel, dan levert zij een gerechtigheid op, die bij sommigen tot stand komt uit angst voor straf en bij anderen doordat zij door hun medemensen voor standvastig, oprecht, geduldig enz. gehouden willen worden. Daarom is deze gerechtigheid eerder klatergoud en huichelarij, dan gerechtigheid te noemen.

Voorts kan de wet op zichzelf, ook bij haar beste toepassing niets anders doen dan aanklagen, verschrikken, verdoemen en doden. Maar waar de schrik voor de zonde en de dood en voor de toom van God gevoeld wordt, daar is beslist geen gerechtigheid, daar is niets hemels, daar is geen God, maar daar zijn enkel dingen van deze wereld. De wereld is immers niets anders dan een samenloop van zonde, dood, toom van God, hel en van alle kwalen, die de verschrikten en bedroefden gevoelen, maar waarvan de zelfverzekerden en verachters niets bespeuren. Zonde, dood en andere kwalen zijn enkel dingen van deze wereld. Daarom spreekt Paulus terecht over de wet als de 'elementen van de wereld'.

Hoewel Paulus de gehele wet 'elementen van de wereld' noemt, zoals gemakkelijk uit het reeds gezegde begrepen kan worden, spreekt hij hoofdzakelijk over de ceremoniÎle wetten, die, al zijn ze heel nuttig, toch alleen bepaalde uiterlijkheden betreffen, zoals eten, drinken, kleding, plaatsen, tijden, feesten, reinigingen, offers enz.; dat zijn toch enkel wereldse zaken, door God voorgeschreven om in dit tegenwoordige leven te kunnen bestaan en in ieder geval niet tot rechtvaardiging en tot heil. Met dit woord 'elementen der wereld' verwerpt Paulus de gehele gerechtigheid door de wet, welke met die uiterlijke ceremoniÎn samenhangt, ofschoon die toch door God tijdelijk verordineerd en voorgeschreven waren; Paulus veroordeelt ze en noemt ze heel minachtend 'elementen der wereld'. Zo vallen ook de keizerlijke wetten onder dit begrip 'elementen der wereld'. Zij gaan over aardse zaken, die op dit leven betrekking hebben, zoals geld, bezit, erfenis, moord, echtbreuk, roof enz.; daarover gaat het ook in de tweede tafel van de wet der tien geboden. Maar pauselijke decreten en wetten, die huwelijk en spijs verbieden, noemt Paulus ergens anders 'leer van de demonen'; ook dat zijn elementen van deze wereld en bovendien zijn het zeer goddeloze bepalingen tegen het Woord van God en tegen het geloof, omtrent de uiterlijkheden van het leven.

Zo bewerkt de wet van Mozes buiten het aardse niets; dat wil zeggen, zowel in haar maatschappelijke als ook in haar theologische toepassing toont ze alleen de kwade dingen aan die er in de wereld zijn. Nochtans kwelt zij het geweten met haar verschrikking, zodat het geweten gaat dorsten en vragen naar de beloften van God en op Christus gaat zien. Maar daarbij behoort de Heilige Geest, Die tot diep in het hart zegt: 'Het is niet de wil van God, dat gij, nadat de wet haar werk tegen u gedaan heeft, alleen maar verschrikt en gedood wordt, nee, gij moet, als gij door de wet uw ellende en verderf beseft, toch niet wanhopen, maar in Christus geloven, Die het einde van de wet is tot gerechtigheid voor een ieder die gelooft.' Dan wordt er waarachtig niets aards geschonken, dan vallen alle aardse dingen weg, alle wetten, en dan beginnen de Goddelijke gaven. (...)

Dat zeg ik niet met de bedoeling, de wet verachtelijk te maken. Ook Paulus wil dat niet, hij wil, dat wij de wet in hoge ere houden. Maar omdat Paulus hier met de leer van de rechtvaardiging bezig is (het spre ken over de rechtvaardiging is echter heel wat anders dan het spreken over de wet) was het noodzakelijk dat hij over de wet als over een zeer verachtelijke zaak spreekt. (...) Als u de schrik voor de wet gevoelt, moet u toch zeggen: wet ik wil niet naar je luisteren, je hebt een nare stem, verder is de volheid des tijds reeds gekomen, ik ben vrij en wil je heerschappij niet langer verdragen enz. Dan wordt duidelijk hoe verschrikkelijk moeilijk het is, wet en genade te onderscheiden, wat voor een grote Goddelijke en hemelse gave het is, hier op hoop tegen hoop te kunnen geloven; dan wordt duidelijk, dat Paulus met zijn uitspraak, dat wij alleen door het geloof gerechtvaardigd worden, de hoogste waarheid gesproken heeft. (...)

Voor het overige moeten wij, buiten de leerschool der rechtvaardiging, met eerbied over de wet denken en haar hogelijk prijzen en dan noemen we haar heilig, rechtvaardig, goed, geestelijk, goddelijk enz. Als het niet over het geweten en over de rechtvaardiging gaat, moeten wij van de wet een god maken; maar als het over het geweten en over de rechtvaardiging gaat, dan is de wet echt een duivel, omdat zij ook bij de geringste aanvechting niet kan oprichten en troosten, ze doet juist het tegenovergestelde, ze verschrikt het geweten en bedroeft het en berooft het van het vaste vertrouwen, dat het gerechtigheid, leven en al het goede zal ontvangen. Daarom noemt Paulus haar verderop 'zwakke en arme elementen'. (...) De vrome moet dus leren, dat wet en Christus twee tegenovergestelde en wel volkomen onverenigbare zaken zijn; als Christus er is, dan mag de wet op geen enkele wijze heersen, maar moet uit het geweten verdwijnen en het bed (dat te smal is voor twee, Jesaja 28:20) alleen aan Christus overlaten. Alleen Hij heerse in gerechtigheid, zorgeloosheid, vreugd en leven, zodat het geweten blij kan inslapen in Christus, zonder ook maar iets te voelen van de wet, de zonde en de dood. (...)

Voor Christus is de wet heilig, na Christus is zij de dood. Daarom, waar Christus gekomen is, mogen wij eenvoudig niets weten van de wet, behalve voorzover de wet heerschappij voert tegen het vlees, dat zij temmen en onderdrukken moet. Dan strijden de wet en het vlees dat de heerschappij van de wet maar hard vindt, zolang met elkaar, tot wij sterven. (...)

 

4:4 Maar wanneer de volheid des tijds gekomen is, heeft God Zijn Zoon uitgezonden, geworden uit een vrouw, geworden onder de wet.

4:5 Opdat Hij degenen die onder de wet waren, verlossen zou..

 

(...) Let er zorgvuldig op, hoe Paulus hier Christus beschrijft. Hij zegt, dat Deze de Zoon van God en van de vrouw is, Die om onze zonden onder de wet gesteld is, opdat Hij degenen die onder de wet waren, verlossen zou. Met deze woorden omvat hij beide, de persoon en het ambt van Christus. De persoon is bepaald door de Goddelijke en de menselijke natuur. Dat zegt Paulus duidelijk met de woorden: 'God zond Zijn Zoon, geworden uit een vrouw.' Christus is waarachtig God en waarachtig mens. Het ambt beschrijft Paulus met de woorden: 'Hij is onder de wet gesteld, opdat Hij degenen die onder de wet waren, verlossen zou.'

Bijna smadelijk, zou men willen zeggen, noemt Paulus de maagd Maria, de moeder van de Zoon van God, gewoon 'vrouw.' Dat hebben hem ook enkele van de oude vaderen kwalijk genomen, die graag gezien hadden, dat Paulus haar liever maagd dan vrouw genoemd had. Maar Paulus heeft het in zijn brief over de hoofdzaak, namelijk over het Evangelie, over het geloof, over de christelijke gerechtigheid en verder over wat Christus voor iemand is en wat voor ambt Hij heeft, wat Hij om onzentwil op Zich genomen en gedaan heeft en welke weldaden Hij ons arme zondaren gebracht heeft. Omdat er iets zo groots en verbazingwekkends aan de orde is, kan de apostel niet op het maagd‑zijn ingaan. Het was hem genoeg, de onschatbare en oneindige barmhartigheid van God te prediken, dat God namelijk Zijn Zoon verwaardigd heeft uit dit geslacht geboren te worden. Hier gaat het niet om de waardigheid van het geslacht, Paulus noemt slechts eenvoudig het geslacht. Door het geslacht te noemen, duidt Paulus Christus aan als ware mens, uit het vrouwelijk geslacht geboren. Paulus wil zeggen: Hij is niet uit het mannelijke en het vrouwelijke geslacht geboren, maar alleen uit het vrouwelijke geslacht. Als Paulus alleen het vrouwelijke geslacht noemt, drukt hij met 'geworden uit een vrouw' immers hetzelfde uit als wanneer hij zei 'geworden uit de maagd'.

Verder betuigt deze tekst, dat Christus dan, toen de volheid des tijds gekomen is, niet een nieuwe wet na die oude wet van Mozes gegeven heeft; Hij heeft de wet weggedaan en degenen die onder de druk van de wet stonden, verlost. Daarom is het een zeer verderfelijke dwaling van de monniken en de sofisten, als zij Christus voorstellen als een nieuwe wetgever na Mozes, niet ongelijk aan de dwaling van de Turken, die prediken dat hun Mohammed een nieuwe wetgever was, na Christus. (...) Maar Christus zegt: 'Ik ben niet gekomen opdat Ik de wereld oordele, maar opdat de wereld door Mij zalig worde' (Johannes 12:47); dat wil toch zeggen: Ik ben niet gekomen om een nieuwe wet te brengen en de mensen volgens die wet te oordelen, zoals Mozes en de andere wetgevers, Ik heb een veel hoger en beter ambt. Ik veroordeel en verdoem de wet, de wet heeft jullie gedood. Ik daarentegen doodt de wet, en zo doe Ik door de dood de dood weg. (...)

Deze verderfelijke mening, alsof Christus wetgever, tiran en rechter zou zijn, kunnen wij ook tegenwoordig, nu wij het licht van de waarheid zo helder en klaar bezitten, nog niet helemaal uit ons hart wegdoen. Zo hardnekkig houdt dat waaraan wij vanaf onze jeugd gewend zijn, stand. Jullie, jonge mensen, zijn nog nieuwe vaten en nog niet met die goddeloze overtuigingen besmet; jullie kunnen met minder moeite Christus zuiver leren kennen dan het ons ouderen mogelijk is, om deze schandelijkste voorstellingen omtrent Christus uit de ziel te bannen. Maar ook jullie zijn niet helemaal aan de strikken van de satan ontkomen. Al zijn jullie nog niet besmet met die goddeloze mening dat Christus wetgever zou zijn, dan hebben jullie toch het materiaal daarvoor in je, dat wil zeggen vlees, verstand en de boosheid van een natuur, die niet anders kan dan Christus voor een wetgever houden. Daarom moeten jullie er uit alle macht naar streven, dat jullie Christus leren kennen en zien, zoals Paulus Hem in deze tekst laat zien. Maar als deze verdorvenheid van de natuur ook nog door valse leraars (daarvan heeft de wereld er genoeg, oude en nieuwe valse leraars) ondersteund wordt, wordt het kwaad dubbel zo groot. Want als de in zichzelf verdorven natuur ook nog door een goddeloze leer ondersteund wordt, is het onmogelijk om zich geen verkeerde voorstelling van Christus te maken; de natuur op zichzelf heeft dat valse beeld van Christus al en daarbij komt dan nog die verkeerde leer, die de valse voorstellingen nog versterkt en ze zo krachtig in de harten inprent, dat ze niet dan met grote moeite eruit weggedaan kunnen worden. (...)

Maar op welke wijze en hoe heeft Christus ons nu verlost? Op deze manier: Hij is onder de wet gesteld. Christus, Die gekomen is, vond ons allen als gevangenen onder onze opvoeders en voogden, dat wil zeggen in verzekerde bewaring onder de wet. Wat heeft Hij gedaan? Hij is de Heer van de wet, daarom heeft de wet geen recht tegen Hem, kan Hem niet aanklagen, omdat Hij de Zoon van God is. Hij, Die niet onder de wet was, heeft Zich vrijwillig aan de wet onderworpen. Toen heeft de wet alles tegen Hem in stelling gebracht, wat ze ook tegen ons in stelling bracht. Maar ons heeft de wet aangeklaagd en verschrikt, zij heeft ons onderworpen aan de zonde, de dood en de toorn van God en ons verdoemd met haar vonnis. En dat heeft zij naar recht gedaan, omdat wij allen zondaren zijn enz. Maar Christus 'heeft geen zonde gedaan en er is geen bedrog in Zijn mond gevonden', 1 Petrus 2:22. Hij was aan de wet niets schuldig. En toch heeft de wet tegen een zo heilige, rechtvaardige en Gode welgevallige op gelijke wijze gewoed als tegen ons vervloekte en verdoemde zondaren, ja zij heeft tegen Christus nog erger gewoed. Zij heeft Hem aangeklaagd als lasteraar en oproerling, zij heeft Hem voor God schuldig gemaakt aan alle zonden van de gehele wereld, tenslotte heeft zij Hem zulk een droefheid en verschrikking gebracht, dat Hij bloed zweette, uiteindelijk heeft zij Hem door haar vonnis gedoemd tot de dood, ja tot de dood aan het kruis.

Dat is inderdaad een wonderlijk tweegevecht, waar de wet, het schepsel, zo met de Schepper in botsing komt en tegen alle recht in aan de Zoon van God heel haar dwingelandij bedrijft, die zij tegen ons, de zonen des toorns, bedreven heeft. Omdat de wet zich verschrikkelijk en goddeloos aan haar God vergrepen heeft, wordt zij nu ter verantwoording geroepen en aangeklaagd. Dan spreekt Christus: Vrouwe Wet, gij keizerin en machtigste en wreedste tiranne over het ganse menselijke geslacht, wat heb Ik misdaan, dat gij Mij, de onschuldige, hebt aangeklaagd, verschrikt en veroordeeld? Dan wordt de wet, die tevoren alle mensen verdoemd en gedood heeft, daar zij niets tegen deze aanklacht tot haar verdediging en reiniging kan inbrengen, op haar beurt zelf verdoemd en ter dood gebracht, zodat zij haar recht verliest, niet alleen tegen Christus (tegen Hem heeft zij ten onrechte gewoed en Hem gedood), de wet verliest haar recht ook tegen allen die in Christus geloven. Dan zegt Christus: Komt tot Mij, allen die onder het juk der wet zuchten. Ik had de wet volkomen terecht kunnen overwinnen zonder enig kwaad te lijden, want Ik ben de Heer der wet en daarom heeft zij geen recht van spreken tegen Mij. Maar terwille van jullie, die onder de wet waren, heb Ik jullie vlees aangenomen en Mij aan de wet onderworpen, dat wil zeggen, ten overvloede heb Ik mij vemederd tot dezelfde kerker, tirannie en slavemij van de wet als waarin jullie geknecht waren; ik heb verdragen dat de wet over Mij, haar Heer, heer werd, Mij in verschrikkingen stortte, Mij onderwierp aan de zonde, de dood en de toom van God, wat de wet allemaal niet mocht doen. En zo heb Ik de wet met dubbel recht overwonnen, temeergeworpen en dodelijk getroffen: ten eerste als Zoon van God, als Heer der wet, en vervolgens in jullie persoon, wat hetzelfde is als hadden jullie de wet zelf overwonnen. (...)

De wet, die zich aan de onschuldige Christus vergrepen heeft, is daarom als het ware een rover en een tempelschender, de moordenaar van de Zoon van God; derhalve heeft zij alle recht verloren en verdient de verdoemenis. Overal waar Christus is of tenminste waar Zijn Naam genoemd wordt, daar is de wet gedwongen ver weg te gaan en voor deze Naam te vluchten, zoals de duivel voor het kruis. Daarom zijn wij gelovigen vrij van de wet door Christus, Die door Zichzelf over de wet getriomfeerd heeft. Deze heerlijke triomf, die Christus voor ons behaald heeft, is ons zonder welke werken dan ook ten deel gevallen, hij wordt alleen in het geloof aangegrepen. Bij gevolg rechtvaardigt alleen het geloof. (...)

Zo is Christus een Goddelijke en een menselijke persoon, geboren uit God voor alle eeuwen, uit de maagd in de tijd, niet gekomen om wetten uit te vaardigen, maar om ze te verdragen en weg te doen. (...)

Dat Christus echter in het Evangelie geboden geeft en wetten leert, of veeleer uitlegt, heeft niet betrekking op het leerstuk van de rechtvaardiging, maar behoort tot de leer van de goede werken. Het is namelijk niet het eigenlijke werk van Christus, waarvoor Hij in de wereld gekomen is, om de wet te onderwijzen, dat deed Hij terloops, zoals Hij in het voorbijgaan ook nog dit deed: zieken genezen, doden opwekken, onwaardigen weldoen, bedroefden troosten enz. Dat zijn heerlijke en Goddelijke werken en weldaden, maar dat is niet het voomaamste van Christus. De profeten hebben ook de wet onderwezen en wonderen verricht. Maar Christus is God en mens, Die in de strijd tegen de wet al haar woede en tirannie geleden heeft en juist daardoor, dat Hij de wet hield en verdroeg, de wet in Zichzelf heeft overwonnen. En daarna heeft Hij in Zijn opstanding uit de dood de wet, onze kwalijkste vijand, verdoemd en uit het middelpunt weggedaan, zodat zij ons voortaan verder niet verdoemen en doden kan. Daarom is dat het eigenlijke en ware werk van Christus, dat Hij strijdt tegen de wet, de zonde en tegen de dood van de gehele wereld en wel zo, dat Hij het tegen die machten volhoudt en ze daardoor in Zichzelf overwint en tenietdoet; zo bevrijdt Hij ons van de wet en van alle kwaad. Het zijn dus deelweldaden van Christus, als Hij de wet onderwijst en wonderen doet; dat was niet de voomaamste reden van Zijn komst. Want de profeten en vooral de apostelen hebben grotere wonderen gedaan dan Christus Zelf (Johannes 14:12).

Als Christus in Zijn eigen persoon de wet overwonnen heeft, volgt daaruit noodzakelijk, dat Hij van nature God is. Want niemand, hetzij hij mens is of engel, staat boven de wet, dat geldt alleen van God. Maar Christus staat boven de wet, omdat Hij haar overwonnen en verworgd heeft, daarom is Hij de Zoon van God en van nature God. Daarom, als u op deze manier Christus aangrijpt, zoals Paulus Hem hier beschrijft, zult u niet dwalen noch verloren gaan. Dan zal het mogelijk zijn, een mening te hebben over alle levenswijzen, over de godsdienst en de godsdienstige oefeningen van de gehele wereld. Maar als het ware beeld van Christus uitgewist of ook alleen maar verdonkerd wordt, raakt alles zeker door elkaar, want de natuurlijke mens kan niet oordelen over de wet van God. Dan houdt de kunst van de filosofen, juristen en van ieder ander op. De wet heerst namelijk over de mens, dus beoordeelt zij de mens, en niet de mens de wet. Alleen de christen oordeelt over de wet. En hoe? Hij weet, dat zij niet rechtvaardigt. Waarom houdt men er zich dan aan, als zij niet rechtvaardigt? De rechtvaardigen mikken met hun gehoorzaamheid aan de wet niet op gerechtigheid voor God, die alleen door het geloof ontvangen wordt, zij hebben vrede in de wereld, dankbaarheid jegens God en het goede voorbeeld op het oog, waardoor zij anderen uitnodigen tot het geloof in het Evangelie enz. De paus heeft de ceremoniÎle wetten, de zedelijke wetten en het geloof zo door elkaar gehaald, dat hij tussen die alle al helemaal geen verschil meer maakte, wat tenslotte leidde tot een voorkeur voor de ceremoniÎle wetten boven de zedelijke wetten en vervolgens voor de zedelijke wetten boven het geloof.

 

4:5 . . . en opdat wij de aanneming tot kinderen verkrijgen zouden.

 

Hier gaat het om het kindschap Gods. Paulus roemt hier het woord uit Genesis 22:18: 'In zijn Zaad zullen gezegend worden' enz. Hierboven heeft hij als zegen van het Zaad van Abraham genoemd: de gerechtigheid, het leven, de belofte van de Geest, de verlossing van de wet, het testament, de belofte enz. Hier noemt hij er het kindschap en de erfenis van het eeuwige leven bij. Dat vloeit alles voort uit de zegen. Want als door dit gezegende Zaad de vloek is opgeheven, dat is de zonde, de dood enz., dan volgt in plaats daarvan de zegen, dat is de gerechtigheid, het leven en al het goede. (...)

Door welke verdienste hebben wij deze gerechtigheid, dit kindschap en de erfenis van het eeuwige leven ontvangen? Door geen enkele. (...) Dit kindschap hebben wij alleen ontvangen op grond van de verlossing door Jezus Christus, de Zoon van God. Hij is onze overvloeiende, onbeschrijfelijke en eeuwige verdienste, of dat nu uit billijkheidsoverwegingen of op grond van waardigheid is. Tegelijk met dit geschonken kindschap hebben wij ook de Heilige Geest ontvangen, Die God door het Woord gezonden heeft in onze harten, Die luidkeels roept: Abba, lieve Vader! Daarover spreekt Paulus nu.

 

4:6 En overmits gij kinderen zijt, zo heeft God den Geest Zijns Zoons uitgezonden in uw harten . . .

 

Het zenden van de Heilige Geest geschiedt op tweeÎrlei wijze. In de eerste gemeente werd de Heilige Geest in een duidelijke en zichtbare gestalte gezonden. Zo daalde Hij bij de Jordaan op Jezus neer in de gedaante van een duif; op de apostelen en de andere gelovigen kwam Hij in de gedaante van vuur! Dat was de eerste uitstorting van de Heilige Geest, die was noodzakelijk in de eerste gemeente, die wegens de ongelovigen met duidelijke tekenen gesticht moest worden, zoals Paulus in 1 Korinthe 14:22 betuigt: 'Het spreken in tongen is een teken, niet voor de gelovigen, maar voor de ongelovigen.' Maar later, toen de kerk vergaderd en door deze tekenen versterkt was, was het voortduren van deze zichtbare uitstorting van de Heilige Geest niet meer nodig.

De andere uitstorting van de Heilige Geest is er, als de Heilige Geest door het Woord in de harten van de gelovigen komt, zoals in deze tekst staat: 'God zond de Geest Zijns Zoons in de harten.' Dit zenden geschied zonder zichtbare tekenen, als wij namelijk door het Woord dat wij horen, vuur en licht ontvangen en zo andere en nieuwe mensen worden, met een nieuw oordeel, een nieuwe gezindheid en nieuwe bewegingen des harten. Deze verandering en het nieuwe oordeel zijn niet het werk van het menselijk verstand of de menselijke deugd, het is alles geschenk en werking van de Heilige Geest, Die komt met het gepredikte Woord, dat door het geloof de harten reinigt en de geestelijke bewegingen in ons werkt. Daarom is er een zeer groot onderscheid tussen ons en de vijanden en bedervers van het Woord. God zij dank, kunnen wij vanuit het Goddelijk Woord tot een betrouwbaar oordeel komen met betrekking tot de wil van God jegens ons, met betrekking tot alle wetten en leerstellingen, met betrekking tot ons eigen leven en het leven van anderen. Maar de pausgezinden en de fanatici kunnen over geen enkele zaak een gemotiveerd oordeel vellen. De laatsten verminken en bederven het Woord, de eersten vervolgen en lasteren het. Zonder het Woord is er geen recht oordeel over welke zaak dan ook.

Maar het wordt niet openlijk zichtbaar, dat wij in de geest vemieuwd zijn en de Heilige Geest hebben. Maar ons oordelen, ons spreken en ons belijden geven genoegzaam te kennen, dat de Heilige Geest met Zijn gaven in ons is. Want tevoren konden wij over geen enkele zaak recht oordelen, toen konden wij niet zoals nu belijden dat alles van onszelf zonde is en verdoemd, dat Christus alleen ten volle onze geldige verdienste is, waaraan wij niets behoeven toe te voegen, Christus is onze meritum congrui (passend) et condigni (waardig). Maar wij kunnen nu zo spreken, omdat de Zon der waarheid ons verlicht. Daarom moet het op ons geen indruk maken, dat de wereld, van wier werken wij getuigen moeten dat zij slecht zijn, ons voor schadelijke ketters en oproermakers houdt. Zij zeggen dat wij de godsdienst zouden omverwerpen en de openbare rust bedreigen; ja zij houden het er voor dat wij door de duivel bezeten zijn, die uit ons zou spreken en al ons doen en laten zou regeren Tegenover dit verwerpelijk oordeel van de wereld is ons het getuigenis van ons geweten genoeg; want wij weten dat het een gave van God is, dat wij niet alleen in Christus geloven, maar Hem ook in het openbaar verkondigen en voor de wereld belijden. Zoals wij in het hart geloven, zo spreken wij met de mond, naar het psalmwoord: 'Ik geloof, daarom spreek ik, ik word echter diep vemederd' Psalm 116:10.

Verder: wij oefenen ons in godsvrucht en mijden de zonde zoveel wij kunnen. Als wij zondigen, gebeurt dat niet met opzet, maar in onwetendheid en zijn wij bedroefd. Wij kunnen vallen omdat de duivel ons dag en nacht belaagt, bovendien kleven de resten van de zonde ons vlees aan.

Voorzover het dus ons vlees betreft, zijn wij zondig, ook na het ontvangen van de Heilige Geest. Er is uiterlijk geen groot verschil tussen een christen en een fatsoenlijk mens. Want de werken van de christenen zijn voor het oog broos. De christen doet zijn plicht overeenkomstig zijn roeping, bestuurt de gemeenschap, regeert zijn huis, beplant zijn akker, geeft raad, is vrijgevig en dient de naaste. De vleselijke mens acht zulke dingen niet zo hoog, maar meent dat ze gewoon zijn en niets bijzonders, alle mensen, ja ook de heidenen, kunnen die doen. De wereld ontwaart niet wat van de Heilige Geest is, daarom heeft zij een averechts oordeel over , het werk van de vromen. Maar de hoogdravende heiligheid van de huichelaars en hun zelfgekozen werken bewondert de wereld niet alleen, zij verbindt daaraan religieuze verering en ondersteunt ze ook nog met veel geld. De werken van de vromen, die voor het oog broos en gering zijn (maar ze zijn toch goed en door God aanvaard, omdat zij in het geloof geschieden, met een blij gemoed, in gehoorzaamheid en dankbaarheid jegens God) erkent de wereld niet als goed, ze acht die zo weinig, dat zij er slechts afkeuring en veroordeling voor over heeft, alsof het over zeer grote goddeloosheid en ongerechtigheid gaat. Daarom gelooft de wereld er niets van, dat wij de Heilige Geest hebben. Doch in tijd van tegenspoed en kruis en van het belijden van het geloof (en daarbij gaat het om de eigenlijke en belangrijkste werken van de gelovigen) als vrouw, kind, goederen en het leven moeten worden achtergelaten of Christus moet worden verloochend, dan blijkt duidelijk, dat wij in de kracht van de Heilige Geest het geloof, Christus en Zijn Woord belijden.

We mogen er dus niet aan twijfelen dat de Heilige Geest in ons woont, wij moeten met standvastigheid vasthouden dat wij de 'tempel van de Heilige Geest zijn', zoals Paulus zegt in 1 Korinthe 6:19. Als iemand liefde voor het Woord van God gevoelt en graag over Christus hoort, spreekt, denkt, dicteert en schrijft, dan moet hij weten, dat dat niet het werk is van de menselijke wil of van het verstand, maar het werk van de Heilige Geest. Zulke dingen kunnen onmogelijk geschieden zonder de Heilige Geest. Waar echter haat tegen en verachting van het Woord is, daar regeert de duivel, de god van deze wereld, in de harten van mensen, verblindt ze en houdt ze gevangen; hij verhindert dat het licht van het Evangelie en van de heerlijkheid van Christus hen verlicht. Dat zien wij tegenwoordig bij het volk dat geen idee van het Woord van God heeft, maar dat Woord diep veracht en er zich niets van aantrekt, als ware het iets totaal onbelangrijks. Maar als er mensen zijn, in wie de vlam brandt van de hunkering naar het Woord, dan mogen die dankbaar erkennen, dat hun deze innerlijke beweging door de Heilige Geest geschonken is. Want met deze innerlijke beweging worden wij niet geboren; die kan ook niet, door welke wetten dan ook, aangekweekt worden. Dat is enkel en alleen de verandering door de rechterhand van de Allerhoogste. Daarom als wij graag luisteren naar de prediking over Christus, de Zoon van God, Die om onzentwil mens is geworden en Zich aan de wet heeft onderworpen om ons te verlossen, dan zendt God door en met deze prediking zeker de Heilige Geest in onze harten. Daarom is het voor de vromen zeer nuttig te weten dat zij de Heilige Geest hebben.

Dat zeg ik, om de verderfelijke leer van de sofisten en monniken af te wijzen, die zij onderwezen en gehandhaafd hebben, dat namelijk niemand zeker zou kunnen weten of hij in de genade is, ook al heeft hij naar zijn beste krachten goed gedaan en onberispelijk geleefd. Deze zeer verbreide en algemeen aanvaarde mening was een basisleerstuk van het geloof in het gehele pausdom en door deze goddeloze overtuiging hebben zij de leer van het geloof volslagen geruineerd, zij hebben het geloof omvergeworpen, de gewetens in verwarring gebracht, Christus uit de kerk verdreven, alle weldaden en gaven van de Heilige Geest verduisterd en geloochend, de ware aanbidding weggedaan en afgodendienst, verachting en lastering van God in de harten van de mensen gevestigd. Want wie twijfelt met betrekking tot de wil van God jegens hem en niet de zekerheid heeft dat hij in de genade is, die kan niet geloven dat hij vergeving van zonden heeft, dat hij in de zorg van God is en dat hij gered kan worden.

Augustinus zegt heel juist en op een vrome wijze, dat ieder heel zeker van zijn geloof is, als hij het heeft. Dat ontkennen zij. Zij zeggen, het is er verre van dat ik met zekerheid zou vaststellen, dat ik in de genade ben, dat ik heilig ben, dat ik de Heilige Geest heb, ook als ik heilig leef en alles doe. Voor deze goddeloze mening, waarop het hele rijk van de paus steunt, behoren jullie, jongeren, te vluchten en te huiveren als voor de meest schadelijke pest, omdat jullie daar nog niet door aangetast zijn. Wij, ouderen, zijn vanaf onze jeugd in deze dwaling opgevoed en hebben die zozeer ingezogen, dat ze diep in ons hart wortel geschoten heeft. Daarom moeten wij deze dwaling met even veel ijver afleren als wij het ware geloof aanleren. Het is heel erg nodig, dat wij met zekerheid vaststellen dat wij in de genade zijn, dat wij God om Christus' wil behagen, dat wij de Heilige Geest hebben. Paulus zegt in Romeinen 8:9: 'Wie de Geest van Christus niet heeft, die behoort Hem niet toe'; wat zulk een mens in twijfel denkt, spreekt, doet, is zonde, omdat alles wat niet uit het geloof is, zonde is.

Daarom, wie een ambt in de kerk of in de staat bekleedt, moet vast kunnen geloven dat zijn ambt God behaagt. Deze zekerheid zal hij echter nooit hebben, als hij niet de Heilige Geest heeft. Maar u zegt: ik twijfel er niet aan, dat het ýmbt God behaagt, omdat het door God ingesteld is, maar ik twijfel eraan of de persoon God behaagt. Die vraag moet men dan aan de theologie stellen, die er vooral op uit is ons de zekerheid te verschaffen, dat niet alleen het ambt van de persoon, maar ook de persoon zelf God behaagt; want die persoon is gedoopt, gelooft in Christus, is door Zijn bloed van alle zonden gereinigd, leeft in de gemeenschap van de kerk en verder heeft hij niet alleen de reine leer van het Woord lief, maar verheugt zich er zeer over dat die verbreid wordt en dat het aantal gelovigen groeit, daarentegen haat hij de paus en de geestdrijvers met hun goddeloze leer, overeenkomstig het woord uit Psalm 119:113: 'Wufte mensen haat ik, maar Uw wet heb ik lief'

Daarom moeten wij goed vasthouden, dat niet alleen ons werk God behaagt, maar ook onze persoon. Alles wat die ook buiten het ambt om zegt, doet of denkt, behaagt God, niet om onzentwil, maar om Christus' wil, van Wie wij geloven dat Hij voor ons onder de wet gesteld is. Wij zijn er heel zeker van, dat Christus God behaagt, dat Hij heilig is enz.

Zoals Christus God behaagt en wij Hem aanhangen, zoveel behagen ook wij God en zijn ook wij heilig. En al kleeft nog de zonde aan ons vlees en glijden wij tot nu toe dagelijks uit, dan is toch de genade rijker en machtiger dan de zonde. (...) Daarom kan de zonde ons niet verschrikken of doen twijfelen, ten aanzien van de in ons werkende genade van God. (...) Zolang deze ontzagwekkende Christus, aan de rechterhand van God zit en voor ons bidt, kunnen wij niet twijfelen aan de genade van God jegens ons.

En dan heeft God ook nog de Geest van Zijn Zoon uitgezonden in onze harten, zoals Paulus hier zegt. Maar Christus is er in Zijn Geest heel zeker van dat Hij God behaagt. Daarom moeten ook wij, die dezelfde Geest van Christus hebben, er zeker van zijn dat wij in de genade zijn ter wille van Hem, Die er zeker van is. Tot zover over het innerlijk getuigenis, dat ons hart de grootst mogelijke zekerheid geeft dat het in de genade is en de Geest van God heeft. De uiterlijke tekenen werden reeds boven vermeld: graag over Christus horen, onderwijzen, danken, loven, Hem belijden, ook als bezit en leven op het spel staan, verder overeenkomstig de roeping naar ontvangen krachten zijn plicht doen in het geloof, in de vreugde enz., geen behagen scheppen in de zonden, niet indringen in een vreemd beroep, maar het eigen beroep uitoefenen, de arme broeder ondersteunen, de bedroefde troosten enz. Door zulke tekenen worden wij achteraf (a posteriori) ervan verzekerd, dat wij in de genade zijn. Ook de goddelozen hebben deze tekenen, maar niet zuiver. (...)

Daarom moet ieder zich eraan gewennen dat hij goed vasthoudt, dat hij in de genade is en zijn persoon met de werken ervan God behaagt. Als hij twijfel gevoelt, oefene hij zijn geloof, strijde hij tegen de twijfel en spanne zich in om de zekerheid te verkrijgen, zodat hij kan zeggen: ik weet dat ik aangenomen ben, de Heilige Geest heb, niet om mijn waardigheid of deugd, maar om Christus, Die Zich voor ons onderwierp aan de wet en de zonde van de wereld gedragen heeft. In Hem geloof ik. Als ik een zondaar ben en dwaal, Hij is rechtvaardig en kan niet dwalen. En verder, hoor, lees, zie en schrijf ik graag over Hem en wens niets liever dan dat Zijn Evangelie aan de wereld bekend wordt en dat velen bekeerd worden.

Dat zijn gewisse kentekenen dat de Heilige Geest er is; zulk een liefde en lust tot Christus en Zijn Woord en werk komen niet in het hart door menselijke inspanningen, zij kunnen ook niet door welke oefeningen of vlijtige arbeid dan ook verworven worden, maar vallen ons alleen door Christus ten deel, Die ons in de eerste plaats door de kennis van Zijn heil rechtvaardig maakt, vervolgens een rein hart schept en nieuwe bewegingen des harten teweegbrengt, verder die zekerheid schenkt, dat wij de Vader om Christus behagen; verder geeft Hij ons zekerheid in het beoordelen, zodat wij onderzoeken kunnen, wat wij vroeger niet wisten of geheel en al verachtten. Wij moeten ons dus dagelijks meer en meer van de onzekerheid naar de zekerheid toe vechten en ons inspannen om deze dodelijke mening, dat de mens niet zou weten of hij in de genade is deze mening heeft de gehele wereld verslonden ‑ met wortel en tak uit te roeien. Want als wij eraan twijfelen, of wij in de genade zijn en of wij God om Christus' wil behagen, dan verloochenen wij de verlossing door Christus en verloochenen wij domweg al Zijn weldaden. (...)

 

4:6 . . . Die roept: Abba, Vader!

 

Paulus had ook kunnen zeggen, God heeft de Geest van Zijn Zoon in onze harten uitgezonden, Die daar roept: Abba, lieve Vader. Maar na rijp beraad zegt hij: 'Die daar schreeuwt'; hij wil de verzoeking aangeven van de christenmens, die altijd nog zwak is en een zwak geloof heeft. In Romeinen 8:26 noemt hij deze schreeuw een 'onuitsprekelijke zuchting'. 'Evenzo komt ook de Geest onze zwakheden te hulp, want wij weten niet wat wij bidden moeten, zoals het behoort, maar de Geest Zelf doet dat in onze plaats met onuitsprekelijke zuchtingen.'

Het is een geweldige troost, als Paulus hier spreekt over het schreeuwen van de Heilige Geest, Die door God in onze harten uitgezonden is: Abba, Vader enz.; zo staat er ook in Romeinen 8:26, dat de Geest onze zwakheden te hulp komt en het voor ons met onuitsprekelijke zuchtingen opneemt. Wie dat vast zou geloven, zou door geen enkele nog zo grote verzoeking verloren kunnen gaan. Maar er zijn vele zaken, die het geloof in de weg staan. Ten eerste is ons hart in zonden geboren, verder is ons dit kwaad aangeboren dat wij aan Gods goedheid jegens ons twijfelen; wij kunnen er niet met zekerheid aan vasthouden, dat wij God behagen enz. Bovendien 'gaat de duivel, onze tegenpartij, rond als een briesende leeuw' (l Petrus 5:8). De duivel houdt ons voor: je bent een zondaar, daarom toomt God over je en zal je voor eeuwig verderven. Tegenover dit harde en onverdragelijke geschreeuw, hebben wij niets te stellen, wat ons zou kunnen oprichten en troosten; wij hebben alleen het blote Woord, dat Christus voorstelt als overwinnaar over zonde en dood en alle kwaad. Maar dat in die verzoeking en in die strijd vast te houden, kost moeite, ja, dat is zwaar werk. Dan vertoont Christus Zich aan geen menselijk zintuig. Wij zien Hem niet, het hart voelt Zijn tegenwoordigheid en hulp niet in de verzoeking. Ja, dan schijnt Christus op ons vertoomd te zijn en ons te verlaten. Dan wordt de mens in de verzoeking de kracht van de zonde gewaar, de zwakheid van zijn vlees, de twijfel, hij wordt gewaar de vurige pijlen van de duivel, de schrik van de dood, hij voelt de toom en het gericht van God. Dat alles schreeuwt verschrikkelijk hard tegen ons, zoda.t er helemaal niets schijnt over te blijven dan wanhoop en eeuwige dood.

Maar midden in deze verschrikkingen van de wet, in dit bulderen van de zonde, in de beroeringen door de dood, midden in het brullen van de duivel, begint, zoals Paulus zegt, de Heilige Geest in ons hart te schreeuwen: Abba, lieve Vader! Deze schreeuw overstemt alles en dringt heen door het zo luide en verschrikkelijk geschreeuw van de wet, de zonde, de dood, de duivel enz., dringt door de wolken en de hemel heen en bereikt het oor van God.

Paulus wil met deze woorden aanduiden de zwakheid die nog in de vromen is, zoals ook in Romeinen 8:26 staat: 'De Geest komt onze zwakheden te hulp.' Daar het gevoel van het tegenovergestelde sterk is bij ons, dat wil zeggen omdat wij meer de toom van God dan Zijn gunst jegens ons gewaar worden enz., daarom wordt de Heilige Geest in onze harten uitgezonden, Die niet zucht, niet roept, maar heel hard schreeuwt: Abba, lieve Vader, en Die voor ons naar de wil van God met onuitsprekelijke zuchtingen bidt. En hoe?

In de emstige verschrikkingen en in de strijd van het geweten grijpen wij weliswaar Christus aan en geloven in Hem als onze Heiland. Maar dan verschrikt de wet ons zo hevig en brengt de zonde ons in verwarring; tenslotte strijdt de duivel tegen ons met alle mogelijke middelen en met zijn vurige pijlen en probeert uit alle macht ons Christus te ontroven en alle troost uit te blussen. Dan duurt het niet lang meer of wij delven het onderspit helemaal en worden wanhopig; dan zijn wij namelijk 'dat gekrookte riet en die rokende vlaswiek' (MatthÈus 12:20). Maar intussen komt toch de Heilige Geest onze zwakheden te hulp, bidt voor ons met onuitsprekelijke zuchtingen en schenkt aan onze geest het getuigenis dat wij kinderen van God zijn. Op deze manier wordt te midden van de verschrikkingen onze geest weer opgericht, zodat deze tot onze Heiland en Hogepriester zucht, de zwakheid van het vlees overwint en weer troost ontvangt en zegt: Abba, lieve Vader. Dit zuchten, dat wij nauwelijks voelen, noemt Paulus schreeuwen en onuitsprekelijk zuchten, dat hemel en aarde vervult. Dan weer noemt hij dat schreeuwen ook zuchten van de Geest, omdat de Geest in al onze zwakheid en aanvechting dit schreeuwen in ons hart verwekt. (...)

Maar wij houden dit zuchten, dat wij in deze verschrikkingen, in deze zwakheid van ons uiten, zo weinig voor schreeuwen, dat wij nauwelijks opmerken dat er zuchten is. Ons geloof, dat in de verzoeking tot Christus zucht, is namelijk heel zwak, voorzover het ons gemoed betreft. Daarom horen wij dit schreeuwen niet. Wij hebben alleen het Woord, dat grijpen wij aan in deze strijd en zuchten, wat wij merken dit zuchten tot op zekere hoogte, maar het schreeuwen horen wij niet. Maar Paulus zegt, dat Hij Die de harten doorzoekt, weet waarnaar de Geest verlangt. Voor deze Hartendoorzoeker is dit zwakke zuchten ‑ want voor het vlees lijkt het zwak ‑ heel hard schreeuwen en onuitsprekelijk zuchten en in vergelijking daarmee is er van het geweldige en angstaanjagende gebrul van de wet, de zonde, de duivel en de hel niets, maar dan ook helemaal niets te horen. Niet voor niets dus noemt Paulus dit zuchten van het vrome aangevochten hart, schreeuwen en onuitsprekelijk zuchten van de Geest, want het vervult de hemel helemaal en dit schreeuwen is zo hard, dat de engelen menen, dat zij niets anders horen dan dit schreeuwen.

Maar bij ons heerst een volkomen tegenovergesteld gevoel. Dat beetje zuchten van ons schijnt de hemel niet zo te vervullen, dat het als het enige in de hemel door God en de engelen gehoord wordt, nee wij menen, vooral als de verzoeking blijft voortduren, dat de duivel verschrikkelijk tegen ons brult, dat de hemel davert, de aarde beeft, ja alles in puin gaat vallen, dat alle schepselen ons met boosheden bedreigen, dat de hel zal opengaan en ons verslinden. Dat gevoel is in onze harten, die verschrikkelijke stem en dat vreselijke visioen horen en zien wij overal. En dat is het, wat Paulus in 2 Korinthe 12 zegt, dat de kracht van Christus in onze zwakheid volbracht wordt. Dan namelijk is Christus waarlijk almachtig, dan regeert en triomfeert Hij werkelijk in ons, als wij, om zo te zeggen, geheel en al zwak (omniinfirmi) zijn, zodat wij nauwelijks een zucht kunnen slaken. Maar Paulus zegt, dat zo'n zucht in Gods oren overluid schreeuwen is, dat hemel en aarde vervult. (...)

Wij, die nu tegengesproken worden door en veel leed te verdragen hebben van de paus, de tirannen en de geestdrijvers, die ons rechts en links bestrijden, kunnen niets anders doen dan zulke zuchten slaken en die zijn onze hele wapenrusting geweest, waarmee wij in al die jaren de aanslagen van onze tegenstanders verijdeld hebben en begonnen zijn het rijk van de antichrist te verwoesten. Zulke zuchten van ons zullen ook Christus ertoe bewegen de dag van Zijn heerlijke toekomst te bespoedigen, waarop Hij alle macht, heerschappij en geweld zal verdelgen en al Zijn vijanden onder Zijn voeten zal leggen. Amen. (...)

De pausgezinden hebben ervan gedroomd, dat de heiligen zo van de Heilige Geest vervuld waren, dat zij nooit aanvechting gevoeld of gehad zouden hebben. Zo spreken ze echter alleen maar speculatief over de Heilige Geest, zoals de geestdrijvers dat tegenwoordig ook doen. Maar Paulus zegt dat de kracht van Christus alleen in onze zwakheden volbracht wordt en dat de Heilige Geest onze zwakheden te hulp komt en voor ons met onuitsprekelijke zuchtingen bidt enz. En zo hebben wij de Heilige Geest met Zijn hulp en met Zijn troost dan het meest nodig en is Hij het dichtst bij ons, als wij geheel onmachtig en de wanhoop nabij zijn. (...)

U zult ook opmerken, dat Paulus zegt dat de Heilige Geest in de verzoeking niet voor ons bidt met omhaal van woorden, maar alleen met zuchten, dat dan ook nog onuitsprekelijk is. Hij maakt ook geen gebruik van veel gejammer en tranen: 'Erbarm u over mij, o God enz.'; de Heilige Geest schreeuwt en zucht alleen maar dit: 'O Vader!' Dat is heel kort, maar het zegt alles. Daar spreekt niet de mond, maar het hart, alsof het zeggen wilde: al word ik ook benauwd van alle zijden en schijn ik verlaten, ja verworpen van voor Uw aangezicht, ik ben nochtans een zoon om Christus' wil, ik ben bemind om des Beminden wil. Daarom is het woord Vader recht uit het hart gesproken, zeer welsprekend en het gaat boven alles uit wat Demosthenes, Cicero en al de grootste redenaars die er ooit op de wereld geweest zijn, hadden kunnen zeggen. Dat wordt niet met woorden, maar met zuchten uitgedrukt en dan schieten alle woorden van alle redenaars tekort; die zuchten zijn onuitsprekelijk.

Met lange uiteenzettingen heb ik aangetoond, dat een christenmens heel zeker moet weten, dat hij in de genade van God is en dat hij de Heilige Geest in het hart heeft, vooral als de christen zijn eigenlijke taak vervult en dat is het al lijdende belijden. Dat heb ik gedaan, opdat u de zeer schadelijke mening van het ganse rijk van de paus geheel zou mogen verwerpen. Daar onderwijst men, dat de christenmens over de genade van God jegens hem in het onzekere moet zijn. Maar als deze mening heerst, dan doet Christus totaal geen nut. Want wie twijfelt aan de genade van God jegens zichzelf, die moet ook aan de beloften van God twijfelen en als gevolg daarvan aan de wil van God, aan de geboorte van Christus, aan Zijn lijden, dood, opstanding enz. Er is geen grotere lastering van God, dan Zijn beloften, God Zelf, Christus enz. te ontkennen. (...) De paus heeft het gehele mensengeslacht geroepen tot gehoorzaamheid aan de heilige Roomse Kerk als tot een heilige staat, waarin de mensen zeker het heil zouden kunnen verwerven. Daarna heeft hij echter degenen die zijn geboden gehoorzaamden, geboden te twijfelen. Dus eerst stelt het rijk van de antichrist de wetten, de kloosterorden, de regels enz. als enorm heilig voor en belooft met zekerheid het eeuwig leven aan allen, die zich aan wet en regels houden, maar dan, als die stumpers lang genoeg hun lichamen volgens het voorschrift van de menselijke overleveringen met waken, vasten enz. gekweld hebben, hebben ze tenslotte dit gewonnen, dat zij niet weten of die gehoorzaamheid van hen God behaagt of niet. En zo heeft de satan, door middel van de pausgezinden een verschrikkelijk spel gespeeld met de dood van de zielen. En daarom is het pausdom in de meest ware zin van het woord een folterkamer voor de gewetens, ja het rijk van de duivel zelf.

Om hun verderfelijke dwaling echter staande te houden en hard te maken, hebben zij zich bediend van het woord uit Prediker 9:1: De rechtvaardigen en de wijzen en hun werken zijn in de hand Gods en toch weet een mens niet of hij liefde of haat waardig is. De ÈÈn verstaat deze woorden met het oog op de toekomstige en de ander met het oog op de tegenwoordige haat van God; maar beiden verstaan Salomo niet, die op deze plaats juist helemaal niet zegt, wat zij erover dromen. Voorts is de gehele Schrift erop gericht, dat wij niet twijfelen, maar vaste hoop hebben, vertrouwen en geloof, dat God barmhartig, vriendelijk en geduldig is, geen leugenaar en misleider, maar trouw en waarachtig, Die de belofte vervult; en nu heeft; Hij gedaan wat Hij beloofd heeft; Hij heeft namelijk Zijn eniggeboren Zoon gezonden, opdat ieder, Die in Hem gelooft, niet verloren ga, maar het eeuwige leven hebbe. Er kan geen twijfel over zijn, dat God verzoend is en ons van harte welgezind is, dat de haat en toorn van God heeft afgedaan, daar Hij Zijn Zoon voor ons zondaren liet sterven. (...) Maar dat enkele woord van Salomo, dat zij zo slecht begrepen hebben, heeft meer kracht gehad, vooral bij de monniken met hun geloften en hun nogal strenge godsdienstige oefeningen, dan alle beloften en vertroostingen van heel de Schrift, ja dan Christus Zelf. (...)

Het is goed dat wij deze dingen weten, in de eerste plaats omdat de pausgezinden zich tegenwoordig voordoen, alsof ze nooit iets verkeerds gedaan zouden hebben. Daarom moeten wij het overtuigend bewijs van hun schuld leveren met hun eigen gruwelen, die zij in de wereld uitgestrooid hebben. Tenslotte geven ook hun boeken getuigenis, waarvan er ontelbaar vele ten aanzien van ons onderwerp een standpunt innemen. Verder zullen bovenstaande uiteenzettingen ertoe dienen, dat wij in de zekerheid versterkt worden, dat wij de zuivere en ware leer van het Evangelie hebben; op deze zekerheid kan het pausdom onmogelijk roemen. Als in het pausdom alles in orde zou zijn, dan overtreft toch deze monsterachtige onzekerheid alle andere monsterachtigheden. En ofschoon het heden ten dage zo is, dat de vijanden van Christus de onzekerheid leren door de gewetens tot twijfelen aan te zetten, dan zijn ze toch zozeer van satanische woede vervuld, dat zij ons, die van hen afwijken, verdoemen en met verblinde zekerheid als ketters willen doden, volledig overtuigd zijnde van hun eigen leer. (...)

Ons fundament is dit: het Evangelie beveelt ons, niet onze eigen weldaden en onze eigen volmaaktheid aan te zien, maar de God der belofte, Jezus Christus de Middelaar. Daarentegen beveelt de paus, niet op de God der belofte, op Christus, de Hogepriester, te zien, maar op onze eigen werken en verdiensten. Daaruit volgt dan noodzakelijk de twijfel en de wanhoop. Bij onze opvatting van het Evangelie komt zekerheid en vreugde van de Heilige Geest, omdat ik mij aan God vasthoud, Die niet liegen kan; Hij zegt namelijk: zie, Ik geef Mijn Zoon in de dood, opdat Hij u met Zijn bloed verlosse van de zonden en van de dood. Dan kan ik niet twijfelen, als ik God niet helemaal verloochenen wil. En dat is de reden, waarom onze theologie zekerheid geeft. Zij trekt ons van onszelf weg en stelt ons buiten onszelf, zodat wij niet op onze krachten, ons geweten, ons gevoel, onze persoon, of op onze werken steunen, maar op datgene wat buiten ons ligt, namelijk op de belofte en waarheid van God, Die niet liegen kan. Dat weet de paus niet, daarom speelt hij dat dwaas‑goddeloze spel samen met zijn boze geesten (= kwelgeesten, in het Latijn: furiae) en zegt: niemand is zeker of hij de liefde van God waardig is enz., ook niet de rechtvaardige en de wijze. Maar als hij rechtvaardig en wijs is, dan weet hij zeker, dat hij door God bemind wordt, of hij is niet rechtvaardig en wijs.

Voor het overige spreekt dit woord van Salomo helemaal niet over de haat of de liefde van God jegens de mensen; het is een woord dat in de politiek thuishoort en de ondankbaarheid van de mensen hard aanpakt. Zo verkeerd en ondankbaar is de wereld namelijk, dat zij degenen die zich voor haar verdienstelijk hebben gemaakt, dikwijls maar slecht beloont, ja af en toe bijzonder onwaardig behandelt. Daarentegen worden de oneerlijken geprezen en met eer overladen. (...) Salomo wil alleen zeggen: vele rechtvaardigen en wijzen, door wie God vele goede dingen doet en de mensen vrede brengt, worden toch door die mensen niet gewaardeerd, ja, dikwijls oogsten ze grove ondank voor hun grootste weldaden. Daarom, al heeft iemand nog zo zijn best gedaan, dan weet hij niet of hij door zijn ijver en zijn trouw haat of gunst bij de mensen oogst.

(...)

De paus heeft met zijn goddeloze leer, waarmee hij de mensen beveelt aan de gunst van God jegens hen te twijfelen, God en alle beloften uit de kerk weggedaan, hij heeft de weldaden van Christus doen vervagen en het Evangelie tenietgedaan. Zulke kwade gevolgen komen ervan, als de mensen niet op de God van de belofte, maar op hun eigen werken en verdiensten steunen. (...) Nergens anders dan in het Woord van God kan men zien, wat God wil en wat Hem behaagt. Dit Woord geeft ons de zekerheid, dat God alle toom en haat jegens ons van Zich afgeworpen heeft, omdat Hij Zijn eniggeboren Zoon voor onze zonde heeft overgegeven enz. Ook de sacramenten en de sleutelmacht geven ons die zekerheid, die God ons niet gegeven zou hebben als Hij ons niet liefhad. (...)

Maar dat schreeuwen en dat zuchten houdt in, dat u in de aanvechting God geen tiran, geen toomige rechter en plaaggod noemt, maar Vader, ofschoon deze zucht z6 zwak is dat hij nauwelijks opgemerkt wordt. Daarentegen is het andere schreeuwen, waarmee wij God in de ware schrik van het geweten een onrechtvaardige God, een wrede, toornige tiran en rechter noemen, geweldig luid en wordt wel degelijk opgemerkt. Daar wordt duidelijk dat God ons verlaten heeft en ons in de hel wil stoten. (...) Dan is het tijd, dat u de ogen afwendt van de wet, van de werken, van het gevoel en van uw geweten, het Evangelie aangrijpt en alleen steunt op de belofte van God; dan zal dat zuchtje geslaakt worden, dat het overluide morren tegen God zal temperen en onderdrukken. Dan zal er niets in het hart blijven dan deze zucht, die zegt: Abba, Vader. Al klaagt de wet mij aan, al verschrikken mij zonde en dood, dan belooft Gij, God, toch genade, gerechtigheid en eeuwig leven door Christus. En zo brengt de belofte de zucht voort, die schreeuwt: Vader.

Het heeft mijn instemming, dat enigen erop wijzen, dat het ene woord bij Paulus Grieks is (PatÈr = Vader) en het andere woord Hebreeuws (Abba = lieve Vader). Paulus heeft zeker met overleg deze beide woorden willen gebruiken, omdat de kerk uit heidenen en joden samengesteld was, die immers in verschillende talen God Vader noemen; en het is toch ÈÈn en dezelfde zucht, als beiden 'Vader' roepen.

 

4:7 Zo dan, gij zijt niet meer een dienstknecht, maar een zoon

Dat is een conclusie en een gevolgtrekking, alsof Paulus wil zeggen: als dat vaststaat, dat wij door het horen van het Woord de Heilige Geest hebben ontvangen en als wij in ons hart 'Abba, lieve Vader' kunnen schreeuwen, dan staat in de hemel vast, dat er geen knechtschap meer is, maar enkel vrijheid, aanneming en kindschap. En wie brengt dat tot stand ? Juist dit zuchten. En hoe ? Het is de Vader, Die belooft. Maar Hij is nog geen Vader voor mij, als ik niet als zoon heb geantwoord. Eerst schenkt de Vader mij met Zijn beloften Zijn genade en Zijn vaderschap, maar dan staat het nog te bezien of ik dat aanneem. Dat gebeurt, als ik met dit zuchten schreeuw en met het hart van een zoon antwoord: lieve Vader. Dan komen Vader en zoon bij elkaar en er komt een verbintenis tot stand zonder enig uiterlijk vertoon. Dat wil zeggen, daar komt helemaal niets meer tussen, er wordt geen wet en geen werk geÎist (wat zou een mens in die verschrikkingen en in de vreselijke duistemis van de aanvechtingen ook moeten doen?). Hier is alleen de Vader met de belofte, die mij door Jezus Christus, Die onder de wet is doorgegaan enz., zoon noemt. Ik op mijn beurt neem dat aan en antwoord met dat zuchten en zeg: lieve Vader. Dat is geen dwang en geen eis, maar alleen de zucht van een zoon, die midden in het lijden vertrouwen krijgt en zegt: Gij belooft het en noemt mij om Christus' wil zoon en ik neem dat aan en noem U Vader. Dan is het zeker, dat wij heel eenvoudig zonder werken tot zonen gemaakt worden. Dat zijn zaken, die men zonder ondervinding niet kan begrijpen.

Paulus gebruikt het woord 'dienstknecht' hier niet zoals eerder in hoofdstuk 3, waar hij zegt: 'Daarin is noch dienstbare noch vrije.' Hij denkt hier aan de slaaf van de wet, dus aan de mens, die aan de wet onderworpen is, zoals hij daarstraks zei: 'Wij waren dienstbaar gemaakt onder de eerste beginselen van de wereld.' Daarom betekent 'dienstknecht zijn' in dit vers volgens Paulus: aangeklaagd zijn en gevangen zijn onder de wet, onder de toom van God en onder de dood liggen, God niet kennen als God of als Vader, maar als beul, vijand en tiran. Dat is echt leven in slavemij en babylonische ballingschap en daarin wreed gepijnigd worden. Hoe meer iemand onder de wet werkt, des te meer wordt hij door de slavemij van de wet onderdrukt. Met deze slavemij, zegt Paulus, is het uit, die kwelt ons niet meer, drukt niet meer op ons enz. Paulus zegt heel concreet: 'Er zal geen knecht zijn.' De zin zal duidelijker worden, als wij hem abstract weergeven en dus zeggen: in Christus zal er geen knechtschap meer zijn, maar enkel kindschap. Want als het geloof komt, houdt dat knechtschap op, zoals ook eerder in hoofdstuk 3:25 uiteengezet is.

Hier laat Paulus duidelijk zien, dat geen schrik, toom, verwarring en dood, dat wil zeggen niets van wat werk en recht van de wet is, toegang mag hebben tot het christelijk geweten. En dan hebben die gruwelen en godslasteringen, zoals ik de menselijke tradities zou willen noemen, natuurlijk nog veel minder toegang. (...) In ieder geval moet ik zeggen: wet, de gehoorzaamheid aan jou moet niet op de troon komen, waar Christus, mijn Heer, zit. Ik luister niet naar je (en nog veel minder, antichrist, luister ik naar jouw monsterachtigheden), want ik ben een vrije zoon, die van knechtschap geen weet heeft en aan geen wet voor knechten gebonden mag zijn. Nee, Mozes mag niet met zijn wetten naar boven naar het bruidsvertrek (en nog veel minder de paus) en daar gaan liggen, dat wil zeggen heersen over het geweten, dat Christus immers daarom bevrijd heeft van de wet, dat het voortaan niet meer in dienstbaarheid zal leven. De knechten moeten met de ezel in het dal blijven, alleen Izak moet met zijn vader de berg beklimmen, dat wil zeggen: laat de wet maar heersen over het lichaam en over de oude mens, laat die maar onder de wet zijn en dulden dat hem de zak wordt opgelegd en dat hij door de wet geoefend en gekweld wordt, laat de wet hem maar voorschrijven wat hij moet doen, moet volbrengen, hoe hij met de mensen moet omgaan. Het huwelijksbed, waarin alleen Christus mag rusten en slapen, mag niet door de wet bevlekt worden, dat wil zeggen: de wet mag het geweten niet in verwarring brengen. Dat mag natuurlijk alleen met Christus, zijn Bruidegom, in het rijk van de vrijheid en van het zoonschap leven.

Als jullie, zegt Paulus, roepen: Abba, lieve Vader, dan zijn jullie zeker geen knechten meer, maar vrije zonen. Dus zijn jullie zonder wet, zonde en dood, dat wil zeggen: jullie zijn gered en jullie hebben niets kwaads meer in je. Zo brengt het kindschap het eeuwige rijk en de gehele erfenis des hemels met zich mee. Maar hoe groot en heerlijk deze gave is, kan de menselijke geest in dit leven niet begrijpen en nog veel minder onder woorden brengen. Intussen zien wij die gave duidelijk als in een spiegel en hebben wij slechts dat zuchtje en dat geringe geloof, dat alleen maar steunt op het horen en de klank van het stemgeluid van de belovende Christus. Daarom, voorzover het ons gevoel betreft, hebben wij het middelpunt van de cirkel, maar de cirkel zelf is reusachtig groot en oneindig uitgestrekt. En zo heeft de christen iets, dat zelf reusachtig en oneindig is, maar binnen zijn gezichtskring en voor zijn gevoel is het uiterst beperkt. Daarom moeten wij het ook niet met het menselijk verstand en de zintuigen meten, wij hebben een andere meetpasser nodig, namelijk de belofte van God; zoals God Zelf oneindig is, zo is ook Zijn belofte oneindig, al is zij ook in deze bedeling opgesloten in beperktheid en om zo te zeggen in het 'woord van het middelpunt'. Nu zien wij het middelpunt van de cirkel, maar eens zullen wij ook de cirkel zelf zien. Daarom is er nu reeds niets meer, wat het geweten zou kunnen aanklagen, verschrikken en binden. Verder is er geen sprake meer van knechtschap, maar van kindschap, dat niet alleen bevrijdt van de wet, de zonde en de dood, maar ook het eeuwige leven doet beÎrven, zoals nu uiteengezet zal worden.

 

4:7 . . . en indien gij een zoon zijt, zo zijt gij ook een erfgenaam Gods door Christus.

 

Wie een zoon is, moet ook een erfgenaam zijn. Eenvoudig door geboren te worden, verdient hij erfgenaam te zijn. Geen werk, geen verdienste geeft hem die erfenis, maar alleen de geboorte. En zo valt de erfenis hem zuiver passief toe, niet door actief handelen. Dat wil zeggen: het geboren worden zelf maakt hem tot erfgenaam, niet het voortbrengen, het werken, het zorgen enz. maakt hem tot erfgenaam. Hij draagt er immers niets toe bij, dat hij geboren wordt; hij ondergaat dat slechts. Zo komen wij op een passieve wijze, niet door actief handelen, tot dat eeuwig goed, vergeving van de zonden, de gerechtigheid, de heerlijkheid van de opstanding en het eeuwige leven. Daar komt niets tussen, maar het geloof alleen heeft besef van die aangeboden belofte. Zoals men in het burgerlijk leven alleen door geboorte erfgenaam wordt, zo maakt hier alleen het geloof tot zonen Gods, die uit het Woord geboren worden. Dat is het Goddelijke moederlichaam, waarin we ontvangen en gedragen worden en waaruit wij geboren worden; dat Woord neemt daama ook onze opvoeding op zich. En door deze geboorte, door dit passieve ondergaan, waardoor we christen worden, worden wij dus ook zonen en erfgenamen. (...)

Dat gaat het menselijk verstand ver te boven, dat wij erfgenamen genoemd worden; niet erfgenamen van een of andere zeer rijke of zeer machtige koning of keizer, niet erfgenamen van de wereld, maar erfgenamen van de almachtige God, van de Schepper aller dingen. De erfenis is dus, zoals Paulus ergens anders zegt 'onuitsprekelijk' (2 Korinthe 9:15). En als iemand dat met een vast en zeker geloof zou kunnen aannemen en de grootheid ervan zou kunnen beseffen, namelijk dat hij zoon en erfgenaam van God mag zijn, dan zou hij alles, wat er aan macht en schatten in alle koninkrijken der wereld is, voor slijk en vuilnis kunnen houden in vergelijking met zijn hemelse erfenis. Wat de wereld aan hoogheid en heerlijkheid te bieden heeft, zou hem doen walgen. En hoe groter de wereld en de heerlijkheid van de wereld is, des te meer afkeer zou hij er van hebben. (...) Tenslotte zou hij vurig wensen met Paulus ontbonden te worden en met Christus te zijn. Niets zou hem meer welkom zijn dan een vroegtijdige dood; hij zou die in vrede en blijdschap omhelzen, hij zou immers weten, dat zulk een dood het eind van alle kwaad zou zijn en dat hij daardoor aan zijn erfenis zou komen. Ja, een mens, die dat echt zou geloven, zou niet lang blijven leven, want hij zou spoedig door de overmatige blijdschap worden weggerukt.

Maar de wet, die in onze leden tegen de wet des Geestes strijdt, maakt dat het geloof niet volkomen is. Daarom hebben wij de hulp en de troost van de Heilige Geest nodig, Die in de benauwdheden voor ons met onuitsprekelijke zuchtingen bidt, zoals eerder werd uiteengezet. (...) Deze strijd van het vlees tegen de Geest voelde ook Paulus en daarom riep hij uit: 'Ik ellendig mens, wie zal mij verlossen uit het lichaam dezes doods' (Romeinen 7:24). Daar klaagt hij zijn lichaam aan, dat hij nochtans moet liefhebben en noemt het met de lelijkste naam 'dood', alsof hij zei: mijn lichaam slaat mij meer temeer en bezwaart mij meer dan de dood zelf. Het verstoorde namelijk de vreugde van de Geest voor hem, zodat zijn gedachten over de komende hemelse erfenis niet altijd lieflijk en aangenaam waren, bij tijd en wijle was er in zijn geest ook droefheid, schrik enz.

Uit het gezegde blijkt duidelijk, hoe moeilijk het geloof is, het is niet zo gemakkelijk en zo vlug te leren en aan te grijpen, zoals de zelfvoldane en trotse geesten dromen, die zich in ÈÈn keer te buiten gaan aan alles wat de Heilige Schrift bevat. Hun zwakheid en de strijd van het vlees tegen de geest in de heiligen betuigt genoegzaam, hoe zwak hun geloof nog altijd is.

Het volkomen geloof zou ons dadelijk vervullen met een totale ver achting voor en een afkeer van het tegenwoordige leven. Als wij het zouden kunnen bevatten en goed zouden kunnen vasthouden, dat God onze Vader is en wij Zijn zonen en erfgenamen zijn, dan zou deze wereld met alles wat zij aan waardevols bevat, namelijk met alle gerechtigheid, wijsheid, koninkrijken, macht, kronen, goud, heerlijkheid, rijkdom, genoegens enz. voor ons echt geen waarde meer hebben. Wij zouden niet zo bezorgd zijn over ons voedsel, zouden niet zo opgaan in de dingen van het lichaam en van de tegenwoordige wereld en daarop ons vertrouwen stellen en na het verlies ervan de moed verliezen en bijna wanhopen; wij zouden alles doen in liefde, nederigheid en geduld (daarop beroemen zich immers de ketters, maar in werkelijkheid zijn er geen wreder, geen hoogmoediger en ongeduldiger mensen dan zij). Bij ons vindt men nu het tegenovergestelde, want het vlees is nog altijd sterk, het geloof echter armzalig en de geest zwak. Daarom zegt Paulus terecht: 'Wij hebben slechts de eerstelingen des Geestes in dit leven' (Romeinen 8:23), maar daar zullen wij de volheid bezitten.

 

. . . door Christus

Paulus is altijd vol van Christus, Hem kan hij niet vergeten. Hij heeft immers zien aankomen, dat niets in de wereld minder bekend zal zijn, dan Christus en Zijn Evangelie, ook bij hen, die zich christenen zouden noemen. Daarom dringt hij voortdurend aan op die Naam en stelt ons die voor ogen. Zo dikwijls hij spreekt over genade, gerechtigheid, belofte, zoonschap en erfenis, zet hij er altijd achter 'in' of 'door Christus', waarmee hij tegelijk in bedekte termen naar de wet verwijst, alsof hij wilde zeggen: al deze goederen vallen ons noch door de wet noch door de werken ten deel (veel minder door onze krachten of de werken die op grond van menselijke tradities tot stand komen), maar alleen door Christus.

 

4:8 Maar toen, als gij God niet kendet, diendet gij degenen, die van nature geen goden zijn;

4:9 En nu, als gij God kent, ja, veel meer door God gekend zijt, hoe keert gij u wederom tot de zwakke en arme eerste beginselen, welke gij wederom van voren aan wilt dienen?

 

Dit is het slot van Paulus' dispuut. Vanaf nu tot aan het einde van de brief zal hij niet veel meer redetwisten, maar voorschriften geven voor de christelijke levenswandel. Maar eerst berispt hij de Galaten en wel in diepe verontwaardiging en verwijt hun, dat zij deze Goddelijke en hemelse leringen zo vlug en zo gemakkelijk uit hun hart lieten rukken, alsof hij wilde zeggen: jullie hebben leraars, die jullie willen terugbrengen onder de slavemij van de wet. Dat heb ik niet gedaan; ik heb met mijn onderwijs jullie uit de duistemis in het wonderbare licht gevoerd, ik heb jullie uit de slavemij verlost en overgeplaatst in de vrijheid van de kinderen Gods. Ik heb jullie niet de werken der wet en de verdiensten van de

mensen gepredikt, maar de gerechtigheid en het geschenk van de hemelse en eeuwige goederen door Christus. Als het zo gesteld is, hoe kunnen jullie dan zo gemakkelijk het licht verlaten en tot de duistemis terugkeren, hoe kunnen jullie je zo gemakkelijk laten terugvoeren van de genade tot de wet, van de vrijheid tot de slavernij ?

Daar zien wij weer, zoals ik eerder ook al gewaarschuwd heb, hoe gemakkelijk het is, van het geloof af te vallen. Dat toont het voorbeeld van de Galaten. En nu zien we het weer aan het voorbeeld van de sacramentariÎrs, wederdopers enz. We prenten voortdurend en met grote zorgvuldigheid de leer van het geloof in, dringen eropaan, maken die duidelijk in spreekbeurten, colleges en geschriften. Wij maken heel duidelijk verschil tussen wet en Evangelie, maar het richt weinig uit. Dat is de schuld van de duivel, die op een wonderlijke wijze de mensen weet te verleiden; hij kan namelijk niets minder uitstaan dan de ware kennis van de genade en van het geloof in Christus. Om Christus uit het blikveld van het hart te halen, stelt hij de mensen andere dingen voor ogen, waardoor hij hen onmerkbaar van het geloof en van de kennis der genade afrukt tot redetwisten over de wet. (...)

Maar waarom zegt Paulus dat de Galaten terugkeerden 'tot de zwakke en armzalige eerste beginselen', dat wil toch zeggen: tot de wet, terwijl zij toch nooit de wet gehad hebben, daar zij immers heidenen waren (ofschoon Paulus deze regels ook aan de joden schrijft, zoals wij hieronder verder zullen uiteenzetten) ? Of waarom spreekt hij niet veel liever zo: eens, toen jullie God nog niet kenden, hebben jullie gediend wat van nature geen goden zijn; maar waarom hebben jullie nu, nu jullie God kennen, de ware God verlaten en je weer gewend tot de dienst der afgoden? Is dat dan voor Paulus hetzelfde, van de belofte afvallen tot de wet, van het geloof afvallen tot de werken en goden dienen, die van nature geen goden zijn? Ik antwoord: wie het leerstuk van de rechtvaardiging loslaat, kent God niet en is een afgodendienaar. Daarom is het hetzelfde of men dan terugkeert tot de wet of tot de afgodendienst, het is hetzelfde of men een monnik heet of een Turk, een jood, een wederdoper enz. Als dit leerstuk afgeschaft wordt, blijft er verder niets over dan dwaling, huichelarij, goddeloosheid, afgodendienst, al is ook uiterlijk de schijn van de hoogste heiligheid aanwezig.

De reden daarvoor luidt als volgt: God wil alleen in Christus gekend worden (en dat kan ook niet anders, zie Johannes 1:18). Hij is het Zaad, dat aan Abraham werd beloofd, op Hem heeft God al Zijn beloften gegrondvest. Daarom is alleen Christus het Middel, het Leven en de Spiegel, waardoor wij God zien en Zijn wil kennen.

Door Christus maakt God ons Zijn gunst en barmhartigheid bekend. In Christus zien wij, dat God geen toomige eiser en rechter is, maar een toegenegen en zeer milde Vader, Die zegent, dat wil zeggen ons van wet, zonde, dood en alle kwaad bevrijdt en ons door Christus gerechtigheid en eeuwig leven schenkt. Dat is de zekere en ware Godskennis en Goddelijke overtuiging, die niet bedriegt, maar de volkomen werkelijke God in Zijn ware gestalte toont en buiten deze kennis is God er niet.

Wie deze kennis verliest, kan niet anders dan zich deze voorstelling vormen: ik wil God zus of zo gaan vereren, tot deze of gene orde toetreden, dit of dat werk gaan doen en zo wil ik God dienen; en dan lijdt het geen twijfel, of God zal dat in aanmerking nemen en aannemen en mij daarvoor het eeuwige leven geven. (...) Dat is de hoogste wijsheid, gerechtigheid en godsdienst, waartoe het menselijk verstand reikt (preciezer: waarover het menselijk verstand oordelen kan) en dat hebben alle heidenen, pausgezinden, joden, mohammedanen, sektariÎrs enz. gemeen. Hoger dan die FarizeeÎr uit Lukas 18:11 kunnen ze niet stijgen. Zij kennen niet de gerechtigheid van het geloof of de christelijke gerechtigheid. 'Maar de natuurlijke mens begrijpt niet de dingen die van de Geest van God zijn' (1 Korinthe 2:14), verder: 'Er is niemand die verstandig is, er is niemand die God zoekt' (Romeinen 3:11). Daarom is er geen enkel verschil tussen een pausgezinde, een jood, een Turk, een sektariÎr enz. De personen, de landstreken, de gebruiken, de godsdienstige oefeningen, de werken, de vormen van verering zijn weliswaar verschillend, maar het is hetzelfde verstand en hetzelfde hart, zij hebben allemaal dezelfde mening en denkwijze. De Turk en de kartuizer denken volkomen hetzelfde, namelijk: als ik dit of dat doe, dan zal ik een genadige God hebben, als ik dat niet doe, dan zal ik een toomige God hebben. Er is geen middenweg tussen de menselijke werkgerechtigheid en de kennis van Christus; als de kennis van Christus verduisterd is, is het achteraf hetzelfde of je een monnik of een heiden enz, bent. ( ... )

Zij allen, pausgezinden, mohammedanen, monniken enz. hebben de voorstelling: als ik dit werk gedaan heb, zal God Zich over mij erbarmen, zo niet, dan toomt Hij. Daarom moet iedere mens, die de kennis van Christus verliest, wel tot afgodendienst vervallen, hij moet zich wel van God een beeld maken, dat op geen manier klopt. De kartuizer stelt zijn vertrouwen op het nakomen van zijn regels, de Turken op het nakomen van de koran enz.; allen hopen zij op hun wijze God te behagen en van Hem het loon voor hun werk te ontvangen.

Zulk een god, die langs deze weg vergeving schenkt en rechtvaardigt, is nergens te vinden. Die is een waandenkbeeld en een droom, een afgodsbeeld in het hart. Nergens heeft God beloofd, dat Hij de mensen wil rechtvaardigen en redden om hun devoties, prestaties, vormen van verering, die door mensen uitgedacht en ingesteld zijn; integendeel, niets verafschuwt God meer (de gehele Schrift betuigt het) dan zulke zelfgekozen werken en vormen van verering, om welke God zelfs koninkrijken en keizerrijken ten val heeft gebracht. Allen die op hun eigen kracht en gerechtigheid vertrouwen, dienen een god die alleen in hun verbeelding bestaat, maar die niet werkelijk God is. Want de ware en werkelijke God spreekt zo: geen gerechtigheid, wijsheid en godsdienst behaagt Mij, behalve die ene1 waarin de Vader door de Zoon verheerlijkt wordt. Wie deze Zoon en Mij aangrijpt of Mijn belofte die in Hem besloten ligt, in het geloof aanneemt, voor die ben Ik God, voor die ben Ik Vader, die neem Ik aan, Ik rechtvaardig hem en red hem. Alle anderen blijven onder de toom, omdat zij dat vereren, wat van nature niet God is.

Wie echter van deze leer afvalt, vervalt noodzakelijk tot onwetendheid omtrent God, tot onwetendheid omtrent de gerechtigheid, de wijsheid en de ware verering van God; hij is een dienaar van de afgoden en blijft onder de wet, onder de zonde, onder de dood en in het rijk van de duivel en alles wat hij doet is verloren en verdoemd. Als daarom de wederdoper zich inbeeldt, dat hij God behaagt als hij overgedoopt wordt, als hij huis, vrouw en kinderen verlaat en zijn vlees kastijdt, als hij veel ongemakken verdraagt en tenslotte de dood zelf, dan is er in deze wederdoper geen vonkje van Christus, maar, daar Christus buitengesloten is, zit hij gevangen in zijn dromen over werken, wereldmijding en kastijding en in niets onderscheidt hij zich in geest of hart van een Turk, jood of pausgezinde, behalve in uiterlijkheden (nisi penes externam larvam), van de riten of van de werken die hij zelf uitkiest. En zo hebben ook alle monniken hetzelfde vertrouwen op de werken, al mogen zij in kleding en andere uiterlijkheden verschillend zijn.

Zo gaat het tegenwoordig met de meeste anderen, die tot de evangelische leraren gerekend willen worden en die wel, wat hun woorden betreft, de bevrijding van de zonden door Christus' dood onderwijzen. Intussen smaden zij nochtans Christus ten zeerste, want op een misdadige en goddeloze manier bederven en verdraaien ze zijn Woord. Verder onderwijzen zij zo over het geloof, dat zij aan de liefde meer toeschrijven dan aan het geloof. Zij dromen erover dat God naar ons omziet en ons aanneemt wegens de liefde, waarmee wij als reeds verzoenden, God en onze naaste liefhebben. Als dat waar is, dan hebben wij Christus op geen enkele wijze meer nodig. Maar op deze manier dienen zij niet de ware God, maar een afgodsbeeld van hun eigen hart, dat zij zelf gemaakt hebben. Want de ware God aanvaardt ons niet wegens onze liefde, wegens onze deugden of de vemieuwing van ons leven, maar om Christus' wil enz. Maar dan voeren zij aan: toch gebiedt God, dat wij Hem met ons gehele hart moeten liefhebben enz. Goed, maar daaruit kan men niet besluiten: God heeft het geboden, dus doen wij het. Als wij God van ganser harte zouden liefhebben enz., dan zouden wij zeker wegens deze gehoorzaamheid gerechtvaardigd zijn en leven, naar het woord uit Leviticus 18:5: 'De mens die dit doen zal, die zal daardoor leven.' Maar het Evangelie zegt: gij doet dit niet, daarom zult gij daaruit ook geen leven ontvangen. Want dat gebod: 'Gij zult de Heere liefhebben enz.,' eist een volkomen gehoorzaamheid, volkomen vreze, volkomen vertrouwen, volkomen liefde jegens God. Maar dat alles doen de mensen niet, dat kunnen ze in deze verdorven wereld ook niet. Daarom kan het gebod: 'Gij zult de Heere liefhebben enz.' niet rechtvaardig maken, dit gebod klaagt alle mensen aan en verdoemt ze, naar het woord van de Schrift: 'Want de wet werkt toom enz.' (Romeinen 4:15). Maar Christus is de voleinding (het einde) van de wet tot gerechtigheid voor een ieder die gelooft.

Zo verkeert de jood, die de wet houdt in de mening dat hij door het gehoorzamen van de wet God zal behagen, niet God de Vader, hij is veel eerder een afgodendienaar, want hij aanbidt het droombeeld van zijn hart, dat niet overeenkomt met de werkelijkheid. (...)

Hoewel Paulus deze woorden: 'Toen jullie God niet kenden, dienden jullie de afgoden, die overeenkomstig hun wezen geen goden zijn' eigenlijk tot de Galaten zegt, die heidenen waren, bestraft hij met deze woorden toch ook de joden, die ondanks het feit dat ze afgoden voor het uiterlijk verwierpen, innerlijk die afgoden nog meer vereerden dan de heidenen; zo zegt Paulus in Romeinen 2:22 van de joden: 'Gij verafschuwt de afgoden en rooft van God wat Hem toebehoort!' De heidenen waren niet Gods volk, hadden niet het Woord, daarom was hun afgodendienst van een grof soort. De joden die de afgoden dienden, versierden hun goddeloze godsdienstige oefeningen met de Naam en het Woord van God (dat doen alle werkheiligen!) en met deze schijn van vroomheid maakten zij veel indruk. Daarom, hoe heiliger en geestelijker afgodendienst voor het oog is, des te schadelijker ook is hij.

Maar hoe kunnen we deze beide tegenstellingen, waarvan Paulus spreekt (jullie hebben God niet gekend en jullie hebben God geÎerd) met elkaar rijmen? Ik antwoord: alle mensen hebben van nature deze algemene kennis dat er een God is, naar het woord uit Romeinen 1:19 e.v.:'Voorzover God gekend kan worden, is Hij hun bekend. Zijn onzichtbaar Wezen namelijk enz.' Verder betuigen alle vormen van verering en alle godsdienstige gebruiken, zoals ze bij alle volken in gebruik zijn, dat alle mensen een soort algemene kennis van God gehad hebben. Ik spreek er nu niet over, wat het aandeel van de natuur daarin is en wat het aandeel van de voorvaderlijke overlevering.

Maar nu zal iemand tegenwerpen: als alle mensen God gekend hebben, waarom zegt Paulus dan, dat de Galaten voor de prediking van het Evangelie God niet gekend hebben? Ik antwoord: men moet twee soorten kennis van God onderscheiden, de algemene en de eigenlijke. De algemene kennis hebben alle mensen, zij weten dat er een God is, dat Hij hemel en aarde geschapen heeft, dat Hij rechtvaardig is, goddelozen straft enz. Maar hoe God over ons denkt, wat Hij schenken en doen wil, opdat wij van zonde en dood bevrijd en gered zouden worden (dat is toch de eigenlijke en ware kennis van God), dat hebben de mensen niet beseft. Zoals het immers kan gebeuren, dat iemand mij van gezicht bekend is en ik hem toch niet werkelijk ken, omdat ik niet weet wat hij wil. En zo weten de mensen van nature wel dat er een God is, maar zij weten niet wat Hij wil en wat Hij niet wil. Zoals er geschreven staat: 'Er is niemand die God zoekt' Romeinen 3:11. En op een andere plaats: 'Niemand heeft ooit God gezien' Johannes 1:18; dat wil zeggen: niemand weet, wat Gods wil is. Wat baat het echter, als u weet dat er een God is en toch niet weet wat Zijn wil jegens u is. Dan heeft ieder weer een andere droom. De joden stellen zich voor, dat dit de wil van God is, als zij God eren overeenkomstig het voorschrift van de wet van Mozes, de Turken willen het doel bereiken door het volbrengen van de koran, de monnik wil doen wat hij weet. Maar allen misleiden zichzelf en 'zinloos worden hun gedachten', zoals Paulus zegt in Romeinen 1:21; zij weten niet wat God behaagt, wat Hem mishaagt en in plaats van de ware en werkelijke God aanbidden zij de droombeelden van hun hart, die van nature niets zijn.

Dat bedoelt Paulus als hij zegt: 'Toen gij God nog niet kende', dat wil zeggen toen jullie nog niet wisten wat Gods (heils)wil was, 'diende gij hen die van nature geen goden warenl, dat wil zeggen: jullie dienden de droombeelden en gedachtenspinsels van jullie eigen hart en dachten, door dit of dat werk, door deze of gene devotie moeten wij God eren.

(...)

Het maakt maar heel weinig uit, of men hier bij de eerste beginselen denkt aan de wet van Mozes of aan welke heidense overleveringen dan ook (hoewel Paulus het hier eigenlijk en hoofdzakelijk heeft over de eerste beginselen van Mozes). Want wie uit de genade terugvalt in de wet, valt niet aangenamer dan wie buiten de genade om tot afgoderij vervalt. Van God uit gezien bestaat er buiten Christus niets anders dan pure afgoderij, afgodsbeelden en valse maaksels, of het nu de wet van Mozes heet of de wet van de paus of de Turkse koran. Daarom zegt Paulus met iets van verwondering:

 

En nu, als gij God kent . . .

Alsof hij wilde zeggen: het lijkt me zeer verwonderlijk, dat jullie, nadat jullie door de prediking van het geloof, God hebben leren kennen, nu zo plotseling de ware kennis van Gods wil kwijtgeraakt zijn (en ik dacht nog wel dat jullie in die kennis zo stevig stonden, dat ik er helemaal niet bang voor was dat jullie er zo gemakkelijk uit weggerukt zouden kunnen worden) en jullie ‑ doordat jullie door de valse apostelen lastig gevallen werden terugkeerden tot de zwakke eerste beginselen die niet helpen, maar die jullie wel opnieuw willen dienen. Jullie hebben toch op grond van mijn prediking geloofd, dat dit de wil van God is, dat Hij alle volken wil zegenen, niet langs de weg van de besnijdenis of de wetsbetrachting, maar door Christus, Die aan Abraham beloofd is. Wie in Hem gelooft, wordt gezegend met de gelovige Abraham en is zoon en erfgenaam van God. Zo, zeg ik, hebben jullie God leren kennen.

 

. . . ja, veel meer door God gekend zijt . . .

Dat is een oratorische terechtwijzing; Paulus corrigeert de voorafgaande zin (nu, als gij God kent) en keert hem op deze manier om: Iveel meer door God gekend zijtl. Paulus was bang, dat zij God volledig verloren zouden kunnen hebben, alsof hij zeggen wilde: wat verdrietig toch, het is reeds zover gekomen dat jullie God niet meer recht kennen, omdat jullie van de genade tot de wet terugkeren; maar God kent jullie toch nog steeds. Ons kennen is waarlijk meer passief dan actief, het is meer een gekend worden dan een kennen. Al ons doen is meer een ondergaan van het werk van God in ons, Die Zijn Woord geeft dat wij in het geloof, dat vanuit God gegeven wordt, aangrijpen en waardoor wij geboren worden tot kinderen van God. De tekst: IGij zijt door God gekendl, betekent: jullie zijn door het Woord bezocht, aan jullie is het geloof en de Heilige Geest geschonken en zo zijn jullie vernieuwd enz. En zo ontneemt Paulus ook met deze woorden: IGij zijt door God gekend' de gerechtigheid aan de wet en ontkent dat ons op grond van onze werkheiligheid kennis van God ten deel valt. 'Niemand kent de Vader dan de Zoon en die het de Zoon wil openbaren' MatthÈus 11:27. Verder: 'Door Zijn kennis zal Mijn Knecht, de Rechtvaardige, velen rechtvaardig maken, want Hij zal hun ongerechtigheden dragen' Jesaja 53:11. En zo is onze kennis omtrent God zuiver passief.

Paulus verwondert zich zeer, dat zij, die door het Evangelie God reeds waarachtig hebben leren kennen, zich zo vlug door de valse apostelen lieten verleiden en zich weer naar de zwakke en armzalige eerste beginselen lieten omkeren. Zoals het ook mij vreemd zou lijken, als onze kerk (die, God zij gedankt, zo wonderbaar mooi in de zuivere en gezonde leer van het geloof blijft bestaan) door de een of andere prediking van deze of gene fanaticus zo ondermijnd werd, dat zij mij niet meer als leraar zou erkennen. Dat kan nog wel eens gebeuren, is het niet tijdens ons leven, dan wel als wij er niet meer zijn. Dan namelijk zullen velen, die leraars willen zijn, opstaan en onder het voorwenden van vroomheid verkeerde leringen brengen en in korte tijd alles omverwerpen wat wij in lange tijd en met grote moeite opgebouwd hebben. Wij zijn niet beter dan de apostelen, die bij hun leven niet zonder smart de verwoesting gezien hebben van gemeenten, die zijzelf door hun dienst gesticht hadden. Het is dus niets bijzonders, als wij vandaag de dag datzelfde kwaad moeten zien in de gemeenten waar de sektariÎrs regeren, die na onze dood ook andere gemeenten zullen veroveren en met hun vergif zullen besmetten en verderven. Maar Christus zal regeren tot aan het eind der wereld, verbazingwekkend genoeg ook onder het pausdom.

Paulus spreekt hier zeer smadelijk over de wet, zoals hij die (als boven bij het begin van hoofdstuk 4) eerste beginselen (elementen) noemt, ja niet alleen maar elementen, maar zwakke en armzalige elementen. Is dat geen lastering, dat hij zulke beledigende aanduidingen voor de wet van God kiest? Bij juiste toepassing moet de wet ten dienste staan van de beloften en de genade. Als zij daarmee in strijd komt, is zij niet meer Gods heilige wet, maar een valse en duivelse leer en drijft zij slechts tot wanhoop. Dan moet zij verworpen en in de ban gedaan worden. Als Paulus dus de wet zwakke en armzalige elementen noemt, spreekt hij over de wet, zoals de hoogmoedige en vermetele huichelaars die verstaan, die door de wet gerechtvaardigd willen worden. Paulus heeft het met deze uitdrukking niet over de wet die, geestelijk verstaan, toorn oproept. Want de wet, ik heb het al zo vaak gezegd, houdt, als ze goed toegepast wordt, de goddelozen binnen de perken en verschrikt en verootmoedigt de hoogmoedigen. Dan is zij niet alleen een sterk en rijk element, maar zelfs oppermachtig en schatrijk, dan is zij een onoverwinlijke kracht en een onoverwinlijke rijkdom. Als u namelijk de wet aan het geweten wilt meten, dan is het geweten zwak en armzalig, de wet echter zeer sterk en zeer rijk, zij heeft meer kracht en meer rijkdom dan hemel en aarde kunnen bevatten, zodat ook een tittel of jota van de wet het gehele menselijke geslacht zou kunnen doden, zoals de geschiedenis van de wetgeving in Exodus 2:19 e.v. betuigt. Het geweten is zo zwak, dat het ook wegens de geringste zonde schrikt en sterft. Dat is het ware theologische gebruik van de wet, waarover Paulus het hier niet heeft.

Hier spreekt Paulus over de huichelaars, die de wet misbruiken, dat wil zeggen: zij zijn uit de genade gevallen, of ze zijn in het geheel nog niet tot de genade gekomen en streven de rechtvaardiging door de wet na, kwellen en tobben zich dag en nacht af met werken van de wet, zoals Paulus dat van de joden getuigt in Romeinen 10:2 e.v., hij zegt: 'Want ik geef hun getuigenis, dat zij een ijver tot God hebben, dat zij zich dag en nacht inspannen, maar niet met verstand. Want zij kennen niet de gerechtigheid, die voor God geldigheid heeft.' Zulke mensen hebben het vertrouwen, dat zij door de wet zo sterk en rijk kunnen worden, dat zij hun eigen kracht en de rijkdom aan gerechtigheid die zij uit de wet hebben, tegenover de toom en het gericht van God kunnen stellen om zo God te verzoenen en gered te worden. In dit opzicht heet de wet terecht 'zwakke en armzalige eerste beginselen'; die kunnen niet helpen en bieden raad noch hulp. (...)

Door de wet gerechtvaardigd te willen worden, is hetzelfde, als wanneer een op zichzelf reeds zwak en ziek mens bovendien nog een andere ernstiger kwaal opliep, die hem dan volkomen te gronde richtte en toch zou hij zeggen dat hij door middel van deze kwaal volkomen wilde genezen. Zoals een toevallijder de pest te hulp zou roepen, of zoals een melaatse naar een melaatse, een bedelaar naar een bedelaar zou gaan en de een wilde de ander helpen en hem rijk maken. Dan zou het werkelijk gaan zoals het spreekwoord zegt: De ene gek melkt de bok en de andere houdt de zeef eronder. (...)

Allen, die het werk der wet doen met de bedoeling om daarmee gerechtigheid te verwerven, worden niet alleen niet rechtvaardig, maar worden daarentegen op tweeÎrlei wijze onrechtvaardig, dat betekent, zoals ik al zei, dat zij zwakker en behoeftiger worden en ook door de wet alleen maar onhandiger worden in elk goed werk enz. Dat heb ik aan mijzelf en aan vele anderen ervaren. (...)

Wie dus door de wet gerechtvaardigd wil worden, doet niets anders, dan dat hij met al zijn daden zijn houding van die eerste daad handhaaft, hij wil namelijk de toorn en de verschrikking van God met werken verzoenen. Met deze bedoeling gaat hij aan het werk. Maar nooit kan hij zoveel werken vergaren, dat hij voor zijn geweten vrede zou vinden, hij zoekt naar altijd weer nieuwe werken, maar in alle werken die hij gedaan heeft, vindt hij zonde. En zo kan zijn geweten nooit zekerheid krijgen, hij moet altijd twijfelen en denken: je hebt niet goed geofferd, je hebt niet goed gebeden, je hebt iets weggelaten, je hebt deze of gene zonde gedaan. Dan siddert het hart en het blijkt altijd weer belast met hele karrevrachten aan zonden, die maar blijven toenemen, zodat de afstand tOt de gerechtigheid steeds groter wordt, wat tenslotte tot wanhoop leidt. (...) En zo is een monnik aan het eind van zijn leven zwakker, behoeftiger, ongeloviger en meer verschrikt dan bij het begin, toen hij tot de orde toetrad. Oorzaak: hij wilde sterk worden door zijn zwakheid en rijk worden door zijn armoede. De wet of de menselijke tradities of de orderegels zouden hem, de zieke en arme, genezen en rijk maken, maar hij is zwakker en armer geworden dan de tollenaars en de hoeren. Die hebben namelijk niet die ongelukkige 'werkheiligheid', waarop ze zouden kunnen steunen; hoe zwaar zij hun zonden ook voelen drukken, zij kunnen toch met de tollenaar uit Lukas 18:13 zeggen: 'O God, wees mij zondaar genadig.' (...) Voor de monnik zijn noch zijn vroegere noch zijn tegenwoordi ge werken genoeg, hoe veel en hoe groot ze ook mogen zijn, hij staat altijd op de uitkijk en is. steeds weer op zoek naar andere werken, waarmee hij de toom van God probeert te verzoenen en zichzelf te rechtvaardigen, totdat hij tenslotte tot wanhoop vervalt. Daarom, wie het geloof loslaat en de wet volgt, verliest, zoals de hond uit de fabel van Aesopus, het vlees en hapt naar de schaduw. (...)

Kortom: wie door de wet gerechtvaardigd wil worden, probeert iets wat hij nooit tot stand kan brengen. (...) Zij, de wettische vromen, kunnen heel goed vergeleken worden met Sisyphus, die, hoe vaak hij in de onderwereld het rotsblok ook naar de top van de berg omhoog rolt, dat toch telkens weer terugvalt, of met de Danaiden, die in de onderwereld met doorboorde bekers water in een vat vol gaten moeten gieten.

Ik zou u, die de Heilige Schrift bestudeert, graag willen verrijken met dergelijke vergelijkingen, opdat u het verschil tussen wet en Evangelie des te beter zou kunnen vasthouden. Vanuit de wet rechtvaardiging zoeken is net zoiets als uit een lege buidel geld betalen of uit een lege kom en een lege beker willen eten en drinken, (...) honderd gulden willen betalen zonder dat men ook maar ÈÈn muntje heeft of een naakte uitkle den of een ziek en behoeftig mens met nog meer zwakheid en gebrek overladen enz.

Wie zou ooit geloofd hebben, dat de Galaten, die de zuivere en vaste leer van een zo grote en geleerde apostel hadden ontvangen, zich zo vlug daarvan konden afwenden en zich door de valse apostelen in verwarring hadden laten brengen. Ik scherp u niet voor niets zo dikwijls in, dat men de waarheid van het Evangelie gemakkelijk ontrouw wordt; want ook de vrome mensen bedenken niet, welk een waardevolle en noodzakelijke schat de rechte kennis van Christus is. Daarom spannen zij zich niet voldoende in om deze kennis van Christus te verkrijgen en vast te houden. De meeste mensen die het Woord horen, worden niet in het kruisdragen geoefend, strijden niet tegen de zonden, tegen de dood en de duivel, maar leven in zelfverzekerdheid zonder enige strijd. Zulke mensen, die niet door het Woord tegen de slinkse streken van de duivel gewapend zijn, in geen enkele aanvechting geoefend en beproefd zijn, leren dan ook nooit het rechte gebruik en de kracht van het Woord kennen. (...) Als de vrome leraars weggenomen zijn en de wolven in schaapskleren komen, overkomt hen hetzelfde als de Galaten; plotseling en heel gemakkelijk worden zij verleid en afvallig. (...)

Maar als de wet van God zwak is en niet tot rechtvaardiging dienen kan, dan zijn de wetten van de paus pas echt zwak en onnuttig ter rechtvaardiging. Niet dat ik zijn wetten alle zonder uitzondering zou willen verwerpen en veroordelen, ik zeg, dat er wel een paar nuttig zijn voor de oefening van uiterlijke tucht, zodat in de kerk alles ordelijk kan toegaan en geen tweedracht en haat ontstaat enz., zoals ook de keizerlijke wetten nuttig zijn om de openbare aangelegenheden in goede banen te leiden. Maar met dit compliment en met dit gebruik van zijn wetten stelt de paus zich niet tevreden, zijn begeerte is het dat wij denken, dat wij door het in acht nemen van deze wetten de rechtvaardiging en het heil vinden. Dat ontkennen wij en met hetzelfde vertrouwen en dezelfde zekerheid waarmee Paulus zich tegen de wet van God keerde, passen wij zijn stelling toe op uitspraken, tradities of wetten van de paus en zeggen, dat zij slechts zwakke, armzalige en voor de verkrijging van de gerechtigheid onbruikbare elementen zijn, ze zijn afschuwelijk, vervloekt en duivels enz., want wij smaden de genade, werpen het Evangelie omver, doen het geloof teniet, schuiven Christus terzijde enz.

Voorzover dus de paus aan het naleven van de wetten vasthoudt, als noodzakelijk voor de zaligheid, is hij de antichrist en de plaatsvervanger van de satan. Wie hem volgen en met hem mee smaden, met de bedoeling dat zij langs de weg van de wet vergeving van zonden gaan verdienen, dat zijn dienaren van de antichrist en de duivel. Reeds zoveel eeuwen lang zijn in de gehele Roomse Kerk deze wetten onderwezen en als het ware als noodzakelijk voor het heil beschouwd. En zo zit de paus in de tempel van God, vertoont zich als God, stelt zich tegen God en verheft zich boven alles wat God genaamd wordt en als God geÎerd wordt, 2 Thessalonicenzen 2:4. De mensen hebben namelijk de wetten en verordeningen van de paus meer gevreesd en vereerd dan het Woord en de verordeningen van God. En zo is de paus tot heer des hemels, der aarde en der hel geworden en heeft een drievoudige kroon gedragen. En zo zijn de kardinalen en de bisschoppen, zijn creaturen, tot koningen en vorsten van de wereld geworden. Maar als de paus met zijn wetten niet op de gewetens drukte, zou hij zijn verschrikkelijke macht, waardigheid en rijkdom niet lang behouden, maar zijn gehele rijk zou zonder meer ineenstorten. (...)

Zonder de kennis van de genade, dat wil zeggen van het heilig Evangelie van Christus, is het onmogelijk dat een mens merkt dat de wet zwak en armzalig is, onbruikbaar voor de rechtvaardiging, maar geheel daaraan tegenovergesteld beoordeelt hij de wet, namelijk als zijnde niet alleen noodzakelijk tot zaligheid, maar ook tot versterking van de zwakke en behoeftige mensen, dat wil dus zeggen dat de daders van de wet gerechtigheid en eeuwig heil verdienen. (...) Maar de paus met al zijn bisschoppen, scholen en zijn gehele synagoge heeft onderwezen, dat zijn wetten noodzakelijk zijn tot gerechtigheid. En zo onderwees hij de zwakke en armzalige eerste beginselen; daardoor heeft hij de kerk van Christus in de gehele wereld doodziek en straatarm gemaakt. (...)

 

. . . hoe keert gij u wederom tot de zwakke en arme eerste beginselen, welke gij wederom van voren aan wilt dienen?

Dat voegt Paulus eraan toe, om te laten zien, dat hij het over de hoogmoedigen en vetwaanden heeft, zoals hierboven is aangegeven. Want anders noemt hij de wet heilig, goed enz., zie 1 Tlmotheus 1:8: 'Wij weten, dat de wet goed is, als iemand haar recht gebtuikt', namelijk in politieke zin om de kwaadwilligen in toom te houden, in theologische zin om de trotsen af te schrikken en te verbreken. Wie echter de wet gebtuikt om de gerechtigheid voor God te verwetven, weet niet wat hij zegt of beweert; hij maakt de goede wet tot iets wat hem schaadt en verdoemt.

Paulus klaagt de Galaten aan, dat zij opnieuw slaven willen zijn. Deze slavemij veroordeelt hij. Daarom, voor wie de wet wil dienen, wordt, daar hij in zichzelf amm en zwak is, de wet tot zwakte en atmoede. Want dan komen er twee zieke bedelaars bij elkaar, van wie de een de ander niet kan helpen. EÈn enkele sterke kan tien zwakken dragen, maar tien zwakken niet ÈÈn enkele sterke. Een geduldig man kan er velen verdragen, ja een heel koninkrijk, een ongeduldig man verdraagt niets en niemand. Als sterken wilden wij dus graag de wet verdragen, maar de wet naar haar sterkte en naar haar rijkdom, dat wil zeggen vootzover zij haar heerschappij over het lichaam enz. voert. Op deze wijze, zeg ik, zouden wij graag alle wetten willen houden, die de paus en alle rechtsgeleerden tot stand gebracht hebben, want dan zouden wij de wet slechts met lijf en leden dienen, maar niet in het geweten. Maar de paus eist van ons, dat zijn wetten met deze bedoeling gehouden worden: als je ze doet ben je rechtvaardig, als je ze niet houdt ben je verdoemd. Dan is de wet het zwakke en atmzalige element enz. En deze knechting van het geweten onder de wet kan tot niets anders leiden dan tot slavemij en armoede. Daarom ligt de gehele nadtuk op het woordje 'dienen'. Daarover heeft Paulus het, dat het geweten niet onder de slavemij van de wet mag komen, maar vrij moet zijn en over de wet moet heersen en niet de slaaf ervan mag zijn. Want de wet is voor het geweten gestotven en het geweten voor de wet; hierover is eerder in hoofdstuk 2 uitvoetig gesproken.

 

4:10 Gij onderhoudt dagen, en maanden, en tijden, en jaren.

 

Met deze woorden geeft Paulus aan wat de valse apostelen onderwezen hebben, namelijk dat men dagen, nieuwe manen, tijden en jaatlijkse gedenkdagen zal houden. Bijna alle uitleggers hebben deze tekst zo verklaard, dat zij dachten aan astrologische dagen van de ChaldeeÎn, dat de heidenen dus als ze in hun leven iets ondemamen of vetwachten en ook bij het handel drijven, de dagen, maanden enz. in acht namen. Dat zou‑

den ook de Galaten hebben gedaan onder leiding van de valse apostelen.

Maar Paulus geeft onderricht aan het geweten, daarom spreekt hij niet over die heidense gewoonte dagen enz. in acht te nemen ‑ iets waarbij het alleen om het lichamelijk welzijn gaat ‑ Paulus spreekt over de wet van God en daarover dat men dagen, maanden en godsdienstige tijden houdt naar de wet van Mozes. Hij spreekt over de dagen, maanden en godsdienstige tijden, die de Galaten, geleid door de valse apostelen, met het oog op rechtvaardiging in acht namen. Want Mozes had de joden geboden, dat zij de sabbatdag, de nieuwe maan, de eerste en de zevende maand, de drie voomaamste feesten, Pasen, Pinksteren en Loofhutten, het sabbatsjaar en het jubeljaar zouden houden. Zulke feesttijden namen de Galaten ook in acht, gedwongen door de valse apostelen, in de mening dat die feesten nodig waren om de gerechtigheid te verkrijgen. Zo komt het dat Paulus zegt, dat ze de genade en de christelijke vrijheid verloren hadden en weer tetugkeerden tot de slavemij van de zwakke en armzalige eerste beginselen. (...) Maar Paulus laat op geen enkele wijze toe, dat de gewetens door de mozaische wet worden gebonden, maar alletwegen maakt hij ze vrij van de wet. Verderop in Galaten 5:2 zegt hij: 'Zie, ik Paulus, zeg u, zo gij u laat besnijden, dat Christus u niet nut zal zijn.' In Kolossenzen 2:16 heet het: 'Daarom moet niemand u ongunstig beoordelen wegens eten en drinken of met betrekking tot feesten of het vieren van nieuwe maan en sabbatten.' Christus spreekt in Lukas 17:20: 'Het koninkrijk Gods komt niet met uiterlijkheden.' Veel minder nog mogen de gewetens te belast en gebonden worden met menselijke tradities.

Iemand zou kunnen vragen, dat als de Galaten gezondigd hebben met het in acht nemen van dagen en feesttijden, waarom het dan bij u geen zonde is als u hetzelfde doet? Ik antwoord: wij vieren de zondag, de geboortedag van Christus, Paasfeest en dergelijke feesten in volle vrijheid. Wij belasten de gewetens niet met deze gebtuiken en leren niet, zoals de valse apostelen en de pausgezinden, dat deze gebtuiken noodzakelijk zijn tot gerechtigheid of dat we daatmee voor de zonde zouden kunnen voldoen. Wij houden aan deze gebtuiken vast, opdat alles in de kerk met orde en zonder tumult geschiede en de uiterlijke eenheid niet verscheurd worde (in de Geest hebben wij namelijk een andere eenheid); verscheurd werd zij eens, toen de toomse paus Viktor alle christelijke gemeenten in AziÎ in de ban deed om geen andete reden, dan dat zij het Paasfeest op een andere datum vierden dan de Roomse Kerk. Itenaeus heeft Viktor enotm betispt en wel tetecht. Het was namelijk wel heel onzinnig, om voor zo'n kleinigheid de ketken van het oosten aan de d