HOOFDSTUK 5
Tegen
het einde van de brief gebruikt Paulus een heftige en harde manier van spreken
om de leer van het geloof en van de christelijke vrijheid te verdedigen tegen de
valse apostelen, tegen de vijanden en verwoesters van die leer; met zijn woorden
richt en werpt hij ware bliksemschichten op hen, om hen te verslaan; tegelijk
vermaant de apostel de Galaten dat zij de verderfelijke leer van deze lieden
moeten mijden als de pest. Tussen de vermaningen door, dreigt Paulus, doet hij
beloften en laat hij niets onbeproefd om hen vast te houden in de vrijheid die
Christus voor hen verworven heeft. En dit zijn de woorden van de apostel:
5:1 Staat dan in de vrijheid, met welke ons
Christus vrijgemaakt heeft . . .
Dat
wil zeggen: wees sterk. Zo zegt Petrus: 'Weest nuchter en waakt, want uw vijand,
de duivel, gaat rond als een brullende leeuw en zoekt, wie hij zou kunnen
verslinden. Weerstaat hem, dapper in het geloof' ( 1 Petrus 5:8). De apostel
zegt: wees niet gerust, maar sterk, lig niet terneer en slaap niet, maar staat,
alsof hij wilde zeggen: waakzaamheid en standvastigheid zijn vereist, als jullie
de vrijheid willen vasthouden waartoe Christus ons bevrijd heeft; gerusten en
slapers kunnen die niet vasthouden. Want de satan haat het licht van het
Evangelie met alle kracht, dat wil zeggen hij haat de leer van de genade, van de
vrijheid, van de troost en van het leven. Waar hij dit licht ziet opgaan, stormt
hij er dadelijk razend en tierend op af om het uit te doven. Daarom vermaant
Paulus de vromen, dat zij vooral niet moeten slapen en gerust voortleven, zij
moeten in slagorde tegenover de satan standhouden, anders ontneemt deze hun de
door Christus verworven vrijheid enz.
Alle
woorden worden stuk voor stuk beklemtoond. Paulus zegt: 'Staat in de vrijheid.'
In wat voor vrijheid? Niet in de vrijheid die de keizer schenkt, maar in die
waartoe Christus ons bevrijd heeft. De keizer heeft onder dwang aan de bisschop
van Rome de vrije stad en andere landstreken afgestaan, daarbij nog
vrijstellingen van allerlei dienstbaarheden, privileges, volmachten enz. Dat is
ook vrijheid, maar politieke vrijheid, k rachtens welke de roomse opperpriester
met zijn geestelijken van alle openbare lasten ontheven is. Dan is er ook nog de
vrijheid van het vlees, die overal in de wereld heerst. Dan is er geen
gehoorzaamheid aan God en de wetten, maar men doet wat men wil. Deze vrijheid
streeft het volk tegenwoordig na en ook de fanatici, die vrij willen zijn in hun
doen en denken, om datgene waarvan zij dromen dat het goed is, ongestraft te
kunnen onderwijzen en in praktijk te brengen. Dat is een duivelse vrijheid, door
welke de duivel de goddelozen bevrijdt, opdat zij zondigen tegen God en de
mensen. Over deze vrijheid hebben wij het niet, ofschoon er volop gebruik van
gemaakt wordt en de hele wereld alleen deze vrijheid zoekt en nastreeft. Het
gaat ons ook niet om de politieke vrijheid, maar om een andere, die door de
duivel het meest wordt gehaat en bestreden.
Het
gaat om de vrijheid, waartoe Christus ons bevrijd heeft, niet over de bevrijding
uit enige vorm van menselijke slavemij of tirannie, maar om de bevrijding van de
eeuwige toom van God. Waar? In het geweten. Hier heeft onze vrijheid haar plaats
en deze grenzen wil ze niet overschrijden. Want Christus heeft ons niet in
politiek opzicht vrijgemaakt, niet met het oog op de uiterlijke mens, maar
theologisch of op een geestelijke wijze; dat wil zeggen: Hij heeft ons geweten
vrij en vrolijk gemaakt, zodat het niet behoeft te vrezen voor de komende toom.
Dat is de ware (niet te overtreffen!) en onschatbare vrijheid, in vergelijking
met de grootte en majesteit daarvan zijn de overige vrijheden (de politieke en
de op de uiterlijke mens betrekking hebbende) nauwelijks een druppel of een
druppeltje. Wie kan genoeg prijzen hoe groot dat is, als iemand met zekerheid
daarover kan spreken, dat God noch toornig is, noch Zich ooit toornig wil
betonen en dat Hij in eeuwigheid om Christus' wil onze toegenegen en lieve Vader
zal zijn? Dat is waarlijk een grote en onbegrijpelijke bevrijding, om weet te
hebben van de gunst, de bescherming en de hulp van deze hoogste Majesteit en te
verwachten, dat Hij ons tenslotte ook lichamelijk zal bevrijden, zodat ons
lichaam, dat gezaaid wordt in verderfelijkheid, oneer en zwakheid, wordt
opgewekt in onverderfelijkheid, heerlijkheid en kracht (1 Korinthe 15:42 e.v.).
En zo is het een onbeschrijfelijk heerlijke vrijheid, groter dan hemel en aarde
en alle schepselen: wij zijn voor eeuwig bevrijd van de toorn van God.
Uit
deze vrijheid volgt de andere, tengevolge waarvan wij door Christus vrijgemaakt
worden van de wet, van de zonde, van de dood, van de macht van de duivel, van de
hel enz. Zoals de toom van God ons niet kan verschrikken, want Christus heeft
ons daarvan vrijgemaakt, zo kunnen ons wet, zonde enz. niet aanklagen en
verdoemen. En al zou de wet ons aanklagen en de zonde ons verschrikken, dan
kunnen zij ons nog niet tot wanhoop brengen, omdat dan direct het geloof, die
overwinnaar van de wereld, spreekt: met die machten heb ik niets te maken, want
Christus heeft mij van hen verlost. En zo ligt de dood, die het meest
verschrikkelijke en het meest huiveringwekkende ter wereld is, overwonnen in het
geweten door deze vrijheid van de Heilige Geest. (...)
Aan
het hart moet daarom geleerd worden, dat het, als de aanklachten van de wet, de
verschrikkingen door de zonde, de angst voor de dood en de toorn van God, zich
aandienen, de blik van al deze treurige beelden moet afwenden en in plaats
daarvan moet kijken naar de vrijheid van Christus, de vergeving van de zonde, de
gerechtigheid, het eeuwige leven en de altijd durende barmhartigheid van God. En
al voelt het ook de tegenkrachten als sterker, dan moet het hart er toch aan
vasthouden, dat dat niet lang zal duren, naar het woord van de profeet: 'In een
ogenblik van toom heb ik mijn aangezicht een weinig voor u verborgen, maar met
eeuwige barmhartigheid wil ik mij over U ontfermen' (Jesaja 54:8). Maar dat te
doen is heel moeilijk. Daarom is het gemakkelijker over de vrijheid die Christus
voor ons verworven heeft, te spreken, dan er in te geloven. (...)
Laten
we dus leren die vrijheid van ons hoog te schatten, die niet de keizer, niet een
engel uit de hemel, maar Christus, de Zoon van God, door Wie alles in de hemel
en op de aarde geschapen is, door Zijn dood voor ons verworven heeft. En Hij wil
ons niet uit de een of andere lichamelijke en tijdelijke slavemij bevrijden, Hij
maakt vrij van de geestelijke en eeuwige slavemij van zeer wrede en
onoverwinnelijke tirannen, van de slavemij van de wet, van de zonde, van de
dood, van de duivel enz. en verzoent ons zo met de Vader. Als echter deze
vijanden overwonnen zijn en wij door de dood Zijns Zoons met God verzoend zijn,
dan is het zeker, dat wij voor God rechtvaardig zijn en al wat wij doen Hem
welgevallig is en dat, wat er aan zonde in ons over is, ons niet toegerekend
wordt, maar om Christus' wil wordt kwijtgescholden. (...) Wie in Christus
gelooft, heeft deze vrijheid. (...)
De
pausgezinden en alle werkheiligen beroemen zich er ook op dat zij de vergeving
van de zonde en de gerechtigheid enz. hebben, zij beroemen zich ook op de
vrijheid, maar dat alles is pover en onzeker en verdwijnt ogenblikkelijk in de
aanvechting, omdat zij zich verlaten op de werken en op de menselijke
genoegdoening, maar niet op het Woord van God en van Christus. Daarom is het
onmogelijk, dat mensen die zich inlaten met werkheiligheid, weten wat het is om
vrij te zijn van de zonden. (...)
5:1 . . . en wordt niet wederom met het juk der
dienstbaarheid bevangen.
Paulus
heeft met zeer zwaarwegende woorden over de genade en de christelijke vrijheid
gesproken en de Galaten zeer uitvoerig vermaand, dat zij in die vrijheid moeten
standhouden; zij gaat zo gemakkelijk door slaperigheid en zelfverzekerdheid
verloren ‑ daarom beveelt hij vast te staan of de vrijheid wordt verspeeld
door van de genade en van het geloof te vervallen in de wet en de werken. En
omdat dit voor het verstand, dat de gerechtigheid door de wet verre verkiest
boven de gerechtigheid door het geloof, verder niet gevaarlijk lijkt, richt
Paulus zijn wrevel tegen de wet van God, noemt haar met een zekere
geringschatting en duidelijke minachting 'juk' en wel juk der dienstbaarheid. Zo
zegt ook Petrus in Handelingen 15:10: 'Wat verzoekt gij God, door een juk op de
hals der discipelen te leggen?' Zo verkeert Paulus alles in het tegendeel. De
valse apostelen hebben de belofte geminacht en de wet en haar werken op deze
manier groot gemaakt: als jullie vrij willen zijn van de zonde en van de dood en
als jullie de gerechtigheid en het leven willen verkrijgen, houd je dan aan de
wet, laat je besnijden, neem feestdagen, maanden en tijden in acht, heilig die
enz.; deze gehoorzaamheid aan de wet zal jullie rechtvaardigen en redden. Paulus
zegt juist het tegenovergestelde. Zij die op deze wijze de wet onderwijzen,
bevrijden de gewetens niet, maar leggen die met touwen vast en doen ze buigen
onder het juk en wel onder het juk der dienstbaarheid.
Daarom
spreekt Paulus uitermate smadelijk en minachtend over de wet en heeft het over
de banden van een zeer harde slavemij en over het juk der dienstbaarheid. Dat
doet Paulus niet zo maar. Deze verderfelijke mening over de wet, dat die zou
rechtvaardigen, ligt heel vast verankerd in ons denken, ja het gehele
mensengeslacht is zo in deze voorstelling verstrikt geraakt, dat het uiterst
moeilijk is, het daaruit te bevrijden. Paulus schijnt hier degenen die de
gerechtigheid door de wet zoeken, te vergelijken met runderen die het juk moeten
dragen. Zoals de runderen, die onder het juk hard moeten zwoegen, daaraan
tenslotte niets overhouden dan hun voer en die, als zij niet meer tot werken in
staat zijn, geslacht worden, zo zijn zij die in de wet gerechtigheid zoeken,
gevangen onder de druk van het juk der dienstbaarheid, dat wil zeggen onder de
wet. En als zij zich lang genoeg met veel moeite en pijn met de werken der wet
afgetobd hebben, hebben zij tenslotte dit loon, dat zij ellendige en eeuwige
slaven zijn. Slaven van wie? Slaven van de zonde, van de dood, van de toom van
God, van de duivel, van het vlees, van de wereld en van alle schepselen. En
daarom bestaat er geen grotere en hardere slavemij, dan de slavemij van de wet.
Niet voor niets noemt Paulus die daarom een juk der dienstbaarheid, want de wet,
zoals boven uiteengezet, laat alleen maar de zonde zien en vermeerdert die,
klaagt aan, verschrikt, verdoemt, werkt toom en brengt het geweten - en dat is
de allerellendigste en hardste slavemij - tot wanhoop (Romeinen 3:4 en 7). (...)
5:2 Zie, ik Paulus zeg u, zo gij u laat
besnijden, dat Christus u niet nut zal zijn.
Paulus
spreekt in hevige aandoening, met het vuur van de Heilige Geest; zijn woorden
zijn echte bliksemschichten tegen de wet en de besnijdenis; de Heilige Geest
dwingt hem, die toomig is over het stuitende gedrag van de Galaten, op het stuk
van de wet deze brandende woorden uit te spreken: 'Zie, ik Paulus zeg u enz.' Ik
weet, dat ik het Evangelie niet van een mens heb, maar door openbaring van ~ezus
Christus, ik weet zeker, dat ik opdracht heb en Goddelijke volmacht om te
onderwijzen en te bevelen; ik laat jullie misschien een nieuw woord horen, maar
een zeker en waar woord, dat namelijk als jullie je laten besnijden, Christus je
niet tot nut zal zijn. Dat is een zeer hard woord: besnijdenis is hetzelfde als
Christus uitschakelen; natuurlijk geldt dit woord niet iedereen, het geldt de
Galaten, die zich door de list van de valse apostelen lieten vangen en meenden
dat de gelovigen behalve het geloof in Christus, ook de besnijdenis nodig
hebben, zonder welke de zaligheid hun niet ten deel zou kunnen vallen.
Dat
is nu de toetssteen ('de Lydische steen') waarmee wij elke leer, elk werk, elke
eredienst, alle ceremoni蝞 van alle mensen, met alle zekerheid en in alle
vrijheid beoordelen kunnen. Of het nu pausgezinden zijn, of joden, of Turken, of
sektari蝦s enz., als zij onderwijzen dat er behalve het Evangelie van Christus
nog wat anders nodig is om de zaligheid te verkrijgen, als zij een werk of een
vorm van eredienst voorschrijven, als zij zich aan een orderegel, een traditie
of een of andere ceremonie houden in de mening dat zij daardoor vergeving van de
zonden, gerechtigheid en het eeuwige leven kunnen verwerven, dan moeten zij
allemaal deze uitspraak van de Heilige Geest horen, die Paulus tegen hen
aanvoert, dat Christus hun eenvoudig geen nut doet. En als Paulus, wat toch zeer
verwonderlijk is, dit woord tegen de wet en tegen de door God verordende
besnijding doet gelden, wie zou het dan niet aandurven datzelfde ook tegen het
kaf van de menselijke tradities te zeggen?
Daarom
is deze tekst een verschrikkelijke bliksemschicht tegen het gehele rijk van het
pausdom. Want alle priesters, monniken, kluizenaars enz. (en nu spreek ik over
de beste vertegenwoordigers) hebben niet op Christus vertrouwd, Die zij door het
hoogste onrecht en door lastering tot een toomige rechter hebben gemaakt, Die
alleen maar beschuldigt en veroordeelt, maar op hun werken, op hun
gerechtigheid, hun geloften en verdiensten; daarom horen zij hier hun vonnis,
dat Christus hun geen nut doet. Want als zij door eigen gerechtigheid en
nauwgezetheid de zonde kunnen wegdoen en vergeving van de zonden en het eeuwige
leven kunnen verdienen, wat nut hun dan de geboorte van Christus, Zijn lijden,
het vergieten van Zijn bloed, Zijn opstanding, Zijn overwinning over de zonde,
dood en duivel, als zij deze monsters in eigen kracht kunnen overwinnen? Het is
niet uit te spreken, hoe Christus dan verlaagd wordt, als men Hem van Zijn
eigenlijk werk berooft. (...)
Het
tekstwoord is volkomen duidelijk. Christus is niet tot nut, dat wil zeggen: Hij
is tevergeefs geboren, gestorven enz. voor wie zich laat besnijden, d.w.z. voor
wie op de besnijdenis vertrouwt. Ik heb hierboven reeds betoogd dat Paulus het
niet over de werken als zodanig heeft, die doen geen schade als men er maar niet
zijn vertrouwen op stelt, in de mening dat men daardoor gerechtigheid verdienen
kan. Paulus heeft het erover, hoe men met de werken moet omgaan, dus daarover,
dat men vertrouwen en gerechtigheid verbindt aan de werken. Men moet Paulus naar
zijn belangrijkste uitgangspunt verstaan en dat is, dat de mensen door de wet,
door de werken, de besnijdenis enz. geen rechtvaardiging kunnen vinden. Paulus
zegt niet dat de werken als zodanig geen waarde hebben, zij gaan teniet door het
vertrouwen en de gerechtigheid die men aan de werken verbindt; daardoor schakelt
men Christus uit. (...)
Zo
moeten wij goed leren Christus zorgvuldig gescheiden te houden van alle werken,
goede en boze, van alle goddelijke en menselijke wetten, van alle verslagen
gewetens (bedoeld is dat Christus niet tot taak heeft de gewetens verslagen te
maken), daarmee heeft Christus niets van doen. Christus hoort wel bij de
bedroefde gewetens; niet dat Hij die nog meer in verwarring zou brengen, Hij wil
veeleer de reeds verwarde gewetens weer oprichten en troosten. Daarom als
Christus als een soort rechter of wetgever verschijnt, Die rekenschap vraagt
over het leven dat we geleid hebben, dan behoren wij zeker te weten, dat dat een
woedende duivel en niet Christus is. Want de Schrift beschrijft Christus als
Degene Die aan onze kant staat als de Verzoener, Die voor ons pleit en Die ons
vertroost. Zo 热n is Hij en blijft Hij altijd, Hij kan Zichzelf niet
verloochenen. Daarom, als de duivel de gestalte van Christus aanneemt en op de
volgende wijze met ons redetwist: dat had je moeten doen, ik heb je toch
gewaarschuwd en je hebt het niet gedaan, dat had je moeten nalaten en je hebt
het gedaan, weet dan dat ik je zal straffen; dan moet ons dat niet beroeren,
maar wij moeten direct denken: op die manier spreekt Christus niet met gewetens
die de wanhoop nabij zijn, Hij slaat de reeds verslagenen niet nog eens neer.
'Het geknakte riet zal Hij niet breken en de smeulende vlaspit zal Hij niet
uitdoven' (Matth萿s 12:20). Met de harden spreekt Hij hard, maar de
geschrokkenen nodigt Hij zeer vriende lijk tot Zich: 'Komt herwaarts tot Mij,
allen die vermoeid en belast zijt' enz. (Matth萿s 11:28), 'Ik ben niet gekomen
om te roepen rechtvaardigen, maar zondaars' enz. (Matth萿s 9:13. (...) Wij
moeten erop letten, dat wij ons niet door de wonderlijke kunst en door de
talloze streken van de satan laten misleiden en hem die ons aanklaagt en
verdoemt, aannemen in plaats van onze Trooster en Heiland en zo onder het masker
van een valse Christus, dat wil zeggen van de duivel, de ware Christus verliezen
en Hem voor ons waardeloos maken. Dit over onze persoonlijke aanvechtingen en
hoe wij ons daarin hebben te gedragen.
5:3 En ik betuig wederom aan een iegelijk mens
die zich laat besnijden, dat hij een schuldenaar is de gehele wet te doen.
De
hiervoor besproken schade is geweldig groot, want Paulus zegt dat Christus hen,
die zich laten besnijden, geen nut doet. De schade, waarover we het nu moeten
hebben is niet minder, want Paulus zegt dat zij, die zich laten besnijden,
schuldig zijn, de gehele wet te
houden. Deze woorden zegt hij zo emstig, dat hij ze door een eed bekrachtigt:
'Ik betuig' enz., d.w.z. ik zweer bij alles wat heilig is. Deze woorden kunnen
op twee manieren uitgelegd worden, negatief en positief.
Negatief,
dan gaat het zo: ik betuig aan iedereen, die zich laat besnijden, dat hij
schuldig is de gehele wet te houden, dat wil zeggen dat hij de wet in het geheel
niet houdt, zelfs ook in de besnijdenis wordt hij niet besneden; ook als hij de
wet vervult, vervult hij die toch niet, hij overtreedt ze. Dat lijkt mij de
eenvoudige en eigenlijke bedoeling van Paulus te zijn op deze plaats. Verderop,
in hoofdstuk 6:13, legt Paulus zichzelf zo uit: 'Die zich laten besnijden,
houden zelf de wet niet'; zo staat het ook in hoofdstuk 3:10: 'Die uit de werken
der wet leven, die zijn onder de vloek', dat wil zeggen: ook al laten jullie je
besnijden, dan zijn jullie toch niet gerechtvaardigd en vrij van de wet, maar
jullie zijn daardoor nog veel meer schuldenaars en knechten van de wet geworden;
hoe meer jullie proberen aan de wet te voldoen, om vrij van haar te worden, des
te meer komen jullie onder haar juk, zodat zij al maar meer recht heeft om aan
te klagen en te verdoemen. Dat wil zeggen: het paard achter de wagen spannen en
vuil met vuil afvegen.
Wat
ik hier over de woorden van Paulus zeg, heb ik in het klooster door ervaring
geleerd, bij mijzelf en bij vele anderen. Ik heb er velen gezien, die met veel
ijver en met de beste bedoelingen alles deden, om een gerust geweten te krijgen,
zij hebben ruwe haren hemden gedragen, zij hebben gevast, gebeden, hun lichamen
geslagen en door allerlei kastijdingen verzwakt, zodat die, al waren ze zo sterk
als ijzer geweest, tenslotte wel moesten breken en toch: hoe meer zij zich
aftobden, hoe angstiger ze werden. Vooral als ze moesten sterven, was het hun zo
bang te moede, dat ik moordenaars die tot de doodstraf veroordeeld waren, vaak
meer getroost heb zien sterven dan hen, die toch zo heilig geleefd hadden.
En
zo is het ongetwijfeld waar, dat zij, die de wet doen, haar niet houden. Hoe
meer de mensen proberen aan de wet te voldoen, des te meer overtreden zij haar.
Hoe meer iemand probeert, door eigen gerechtigheid zijn geweten tot rust te
brengen, des te meer maakt hij het juist daardoor onrustig. Ik heb als monnik
geprobeerd, met de meeste nauwgezetheid naar het voorschrift van de orderegel te
leven, ik was gewoon, altijd na voorafgaand diep berouw, al mijn zonden
nauwkeurig op te biechten en dikwijls herhaalde ik mijn schuldbelijdenis en ik
heb de mij opgelegde boetedoening ijverig verricht. En toch kon mijn geweten
geen zekerheid krijgen, maar twijfelde altijd en zei: dat heb je niet goed
gedaan, je bent niet berouwvol genoeg geweest, je hebt bij je belijdenis wat
achtergehouden enz. Hoe langer ik dus probeerde, mijn onzeker, zwak en
temeergeslagen geweten naar het recept van de menselijke tradities te doen
genezen, des te meer maakte ik het van dag tot dag slechts onzekerder, zwakker
en verwarder. En terwijl ik mij op deze wijze aan de menselijke tradities hield,
overtrad ik ze des te meer en terwijl ik de gerechtigheid van mijn orde zocht,
kon ik die toch nooit grijpen, omdat het onmogelijk is, dat door de werken der
wet het geweten tot vrede komt, zoals Paulus zegt, nog minder door menselijke
tradities, zonder de belofte en het Evangelie van Christus.
Daarom,
die door de wet gerechtigheid in het leven zoeken, wijken van de wet en het
leven verder af dan de tollenaars, de zondaars en de hoeren. Die kunnen namelijk
niet op hun eigen werken vertrouwen, omdat hun werken zodanig zijn, dat zij niet
mogen hopen op grond daarvan genade en vergeving van hun zonden te verkrijgen.
(...) Zij zijn echter, wat dit betreft, gelukkiger dan de werkheiligen, omdat
hun het vertrouwen op eigen werk ontbreekt, dat, zo het al niet het geloof in
Christus regelrecht tenietdoet, daarvoor toch uiterst hinderlijk is. (...)
Wie
dus de wet houdt met de bedoeling door de wet gerechtvaardigd te worden, die is
schuldig de gehele wet te houden en dat wil zeggen dat hij geen enkele letter
van de wet gehouden heeft. De wet is ook niet gegeven om te rechtvaardigen, maar
om de zonden te laten zien, om te verschrikken, aan te klagen en te verdoemen.
Daarom, hoe meer iemand probeert met de wet of de werken het geweten te helpen,
des te meer maakt hij het onzeker en verward. (...)
De
andere, de positieve betekenis van het woord van Paulus, is dat hij, die
besneden wordt, ook schuldig is de gehele wet te houden. Want wie Mozes aanneemt
in het ene, is gedwongen hem aan te nemen in alles. Wie een gedeelte van de wet
noodzakelijk acht voor de zaligheid, die moet ook alle andere delen van de wet
houden. Het gaat niet aan te zeggen dat de besnijdenis noodzakelijk is, maar de
overige wetten van Mozes niet. Met dezelfde logica, waarmee je aan de
besnijdenis gebonden bent, ben je ook aan de gehele wet gebonden. Maar de gehele
wet houden, is toch niets anders dan metterdaad betuigen, dat Christus nog niet
gekomen is. Als dat waar is, dan moeten alle joodse ceremoni蝞 en de wetten
over spijzen, heilige plaatsen en tijden in acht genomen worden en dan wordt
Christus nog verwacht, Die, nadat Hij het joodse koninkrijk en priesterdom zal
hebben weggedaan, een nieuw rijk gaat stichten dat de gehele wereld omvat. Maar
de gehele Schrift betuigt en de gebeurtenissen zelf verkondigen, dat Christus
reeds gekomen is, door Zijn dood het menselijk geslacht verlost heeft, de wet
weggedaan en alles vervuld wat alle profeten over Hem geprofeteerd hebben.
Christus heeft de wet weggedaan en de genade en waarheid geschonken. En zo
rechtvaardigen niet de wet en de werken, maar het geloof in Christus Die reeds
gekomen is. (...)
Wij
kunnen in geen geval toelaten, dat wij met een of andere wet van Mozes belast
worden. Wij laten toe, dat men Mozes leest en hoort als prediker en getuige van
]ezus Christus, wij zoeken bij hem de voorbeelden van de beste wetten en zeden,
voor het overige kennen wij hem geen heerschappij over het geweten toe, daarvoor
moet Mozes dood en begraven zijn en 'niemand behoort te weten, waar zijn graf
is' (Deuteronomium 34:6).
De
eerste, negatieve, betekenis van het woord van Paulus lijkt mij geestelijker en
geschikter. Toch zijn allebei de uitleggingen goed en verdoemen de gerechtigheid
uit de wet. De eerste betekenis zegt: de wet maakt niet alleen niet
rechtvaardig, maar hoe meer wij proberen de wet te vervullen, des te meer
overtreden wij haar. De andere uitlegging zegt: wie een gedeelte van de wet wil
houden, is schuldig de gehele wet te houden; kortom: Christus heeft geen nut
voor degenen die door de wet rechtvaardig willen zijn. Daaruit volgt, dat Paulus
met dit alles wil aantonen dat de wet de verloochening van Christus is. Maar het
is iets wonderlijks, dat Paulus durft te beweren, dat de wet van Mozes, die toch
door God aan het volk Isra蝜 gegeven werd, de ontkenning (negatio) is van
Christus. Waarom heeft God dan de wet gegeven? V6Or de komst van Christus, toen
nog verwacht werd dat Hij in het viees zou komen, was zij noodzakelijk.
Hoofdstuk 3:24 e.v.: 'De wet is namelijk onze opvoeder geweest tot Christus.'
Maar nadat Christus verschenen is, 'zijn wij niet meer onder de pedagoog'. (...)
De wet zelf is getuige van de beloften van Christus en heeft geprofeteerd, dat
Christus niet Koning van de wet, maar Koning van de genade zal zijn.
5:4 Christus is u ijdel geworden, die door de
wet gerechtvaardigd wilt worden, gij zijt van de genade vervallen.
Hier
maakt Paulus zelf duidelijk, dat hij het niet heeft over de wet zonder meer, of
over het werk van de besnijdenis zonder meer, maar over het vertrouwen dat men
daarop stelt en het vermetele ervan dat men daardoor rechtvaardig wil worden.
Paulus wil zeggen: ik veroordeel de besnijdenis en de wet niet zonder meer. Ik
mag immers wel met de joden overeenkomstig de wet eten, drinken en omgaan, ik
kan Timotheus besnijden (Handelingen 16:3) enz.,maar door de wet gerechtvaardigd
willen worden alsof Christus nog niet gekomen zou zijn, of dat Hij, ofschoon Hij
er is, niet all热n zou kunnen rechtvaardigen, dat veroordeel ik, want dat
betekent: buiten de gemeenschap met Christus gesloten worden. (...)
Wat
erger kan men tegen de wet inbrengen, wat tegen die dodelijke bliksem (vers 4)?
Het is dus onmogelijk dat Christus en de wet gelijktijdig in het hart wonen. Of
de wet of Christus moet wijken. Als u werkelijk de overtuiging bent toegedaan,
dat Christus en de wet beide in uw hart kunnen wonen, dan kunt u er zeker van
zijn, dat niet Christus, maar de duivel in uw hart woont, onder het mom van een
Christus, die aanklaagt en u schrik aanjaagt en die voor uw gerechtigheid wet en
werken eist. Maar de ware Christus - dat heb ik daarnet nog uiteengezet - stelt
geen eisen als het uw zonden betreft, Hij zegt niet dat u op uw goede daden moet
vertrouwen. De ware kennis van Christus of het geloof maakt er geen punt van of
u goede werken hebt gedaan tot gerechtigheid of slechte tot verdoemenis, daar
geldt eenvoudig: als u goede werken hebt gedaan wordt u daarom niet
gerechtvaardigd; als u boze werken hebt gedaan wordt u daarom niet verdoemd. Ik
doe daarmee niets af aan de goede werken en ik prijs de boze werken niet aan,
maar als het over de rechtvaardiging gaat, zeg ik, komt het eropaan, of ik
Christus vasthoud, opdat Hij voor mij niet waardeloos wordt, als ik door de wet
gerechtvaardigd wil worden. Want alleen Christus rechtvaardigt mij tegen al mijn
boze werken in en buiten al mijn goede daden om. Als ik zo van Christus denk,
neem ik Christus werkelijk aan, maar als ik van oordeel ben, dat Hij van mij wet
en werken eist voor de gerechtigheid, dan is Hij mij al onnut geworden, dan ben
ik buiten de gemeenschap met Hem gesloten.
Deze
dreigende woorden tegen de gerechtigheid door de wet en tegen de
eigengerechtigheid zijn schrikwekkend. Maar dan zijn het ook heel vaste
beginselen, die het leerstuk van de rechtvaardiging bevestigen. Tenslotte en
uiteindelijk gaat het daarom: of u moet Christus loslaten, of de gerechtigheid
uit de wet. Als u Christus vasthoudt bent u rechtvaardig voor God, als u aan de
wet vasthoudt doet Christus u geen nut en bent u schuldig de gehele wet te
houden. Voor u geldt dan het woord uit Deuteronomium 27:26: 'Vervloekt is een
ieder, die niet blijft in al hetgeen geschreven is in het boek der wet om dat te
doen.' En over de menselijke tradities spreken wij op soortgelijke wijze als we
al eerder over de wet gesproken hebben: of de paus met zijn vrome volgelingen
moet alles verliezen waarop hij tot dusver vertrouwd heeft, of Christus is hun
tot geen enkel nut. Zo ziet u maar hoe gevaarlijk en verdoemelijk de pauselijke
leer is; die heeft ons namelijk oneindig ver van Christus weggevoerd en heeft
onze verhouding tot Hem volkomen verwaarloosd. God klaagt bij de profeet Jeremia
(23:26 e.v.), dat de profeten de leugen profeteren en de bedriegerij van hun
hart verkondigen, en dat doen met het gevolg dat Zijn volk Zijn naam vergeet
enz. Zoals de valse profeten dus de oorspronkelijke uitlegging van de wet en de
leer van het Zaad van Abraham, de belofte voS)r alle volken, lieten voor wat die
was en hun eigen dromerijen predikten, zodat het volk zijn God vergat, zo hebben
de pausgezinden het Evangelie van Christus verduisterd en onderdrukt, zodat men
er verder geen gebruik van gemaakt heeft, en hebben alleen aangedrongen op de
leer van de werken en zo de gehele wereld oneindig ver van Christus weggevoerd.
Wie daarover emstig nadenkt, die kan alleen maar schrikken.
. . . gij zijt van de genade vervallen.
Dat
wil zeggen, jullie zijn niet langer in het rijk van de genade. Zoals degene die
zich op een schip bevindt en dan overboord slaat en in zee valt, onder water
verdwijnt en verdrinkt, zo zal ook degene die uit de genade valt, beslist
verloren gaan. Door de wet rechtvaardiging zoeken, betekent schipbreuk lijden en
regelrecht het risico lopen van de eeuwige dood. Wat kan echter grotere
dwaasheid en zonde zijn, dan dat men de genade en de gunst van God wil
verliezen, om de wet van Mozes maar te kunnen behouden en zich daarbij de toorn
van God en al het kwaad op de hals te halen? Maar als diegenen van de genade
vervallen, die door morele wetten gerechtvaardigd willen worden, wat voor een
val moeten dan de werkheiligen wel maken, die door hun tradities en geloften
gerechtigheid zoeken? Zij varen ter helle! Maar zij verheffen zichzelf tot in de
hemel! Want zo hebben zij zelf onderwezen: zij die naar de regel van de heilige
Franciscus wandelen enz., Gods vrede en barmhartigheid zij over hen! Verder: zij
die altijd kuis en gehoorzaam zijn enz., die zullen het eeuwige leven hebben.
Doe deze ijdele en goddeloze gekheden weg en let op wat Paulus hier onderwijst,
luister verder in gehoorzaamheid naar het woord van Christus: 'Wie de Zoon van
God gelooft, die heeft het eeuwige leven; maar wie de Zoon niet gelooft, die zal
het leven niet zien, maar de toorn van God blijft op hem' (Johannes 3:36).
Verder: 'Wie niet gelooft is reeds veroordeeld' (Johannes 3:18).
Overigens
hield men deze leer van de pausgezinden over de menselijke tradities, werken,
geloften, verdiensten enz. voor iets zeer voortreffelijks en ze was op de gehele
wereld dan ook de meest verbreide, maar door haar heeft de duivel zijn rijk
gesticht en zeer versterkt. En zo is het niet te verwonderen, dat als deze leer
nu door ons bestreden wordt, en 'als kaf voor de wind' (Psalm 1:4) weggevaagd
wordt, dat dan de satan zo vreselijk woedt, met al zijn benden en boosheden
overal aanwezig is en de gehele wereld tegen ons in beweging zet. Natuurlijk zou
iemand kunnen zeggen: zou het niet beter geweest zijn te zwijgen, dan zou niets
van dit kwaad ons zijn overkomen? Wij moeten de gunst van God, Wiens roem wij
prediken, hoger achten dan de woede van de wereld die ons vervolgt; want wat is
nu helemaal de paus en de gehele wereld tegenover God, Die wij zeker groot
moeten maken en boven alle schepselen moeten stellen? Dan verwekken de
goddelozen zeker tumulten en schandalen die de satan nog aanblaast, om onze leer
te onderdrukken of tenminste te verdraaien. (...) Wij zijn wel gering en zwak,
maar in aarden vaten dragen wij de hemelse schat (2 Korinthe 4:7). En hoe zwak
de vaten mogen zijn, de schat is onmetelijk en niet te omvatten.
Deze
woorden: 'Gij zijt van de genade vervallen' mag men niet met een koud hart en
een geeuwende mond lezen, daar zijn ze te belangrijk voor. Wie van de genade
vervalt, verliest zonder meer de verzoening, de vergeving van de zonden, de
gerechtigheid, de vrijheid, het leven enz., die Christus door Zijn dood en
opstanding voor ons verworven heeft en aan de andere kant haalt hij in plaats
van die heerlijkheden de toom en het gericht van God over zich, de zonde, de
dood, en dat hij een slaaf van de duivel moet zijn en eeuwig verdoemd. (...)
Terecht zou dit woord alle vijanden van het geloof en van de genade moeten
verschrikken, allen die het met de werken willen klaarspelen, zodat zij zouden
moeten ophouden het woord van de genade, van het leven en van het heil te
vervolgen en te lasteren. Maar zij zijn zo verhard en verstokt, dat zij dit
verschrikkelijke woord dat de apostel tegen hen aanvoert 'ziende niet zien en
horende niet horen' (Matth萿s 13:13). Laten wij dus maar over hen ophouden,
want zij zijn blind en 'blinde leidslieden van blinden' (Matth萿s 15:14).
5:5 Want wij verwachten door den Geest uit het
geloof de hoop der rechtvaardigheid.
(...)
Paulus wilde niet alleen evenals anders zeggen: 'Wij worden door het geloof
gerechtvaardigd' of 'door de Geest op grond van het geloof', nu voegt hij eraan
toe: 'Wij verwachten, wat wij van de gerechtigheid hopen' en brengt dus de hoop
mede ter sprake, om zo alles, wat met het geloof te maken heeft, samen te
vatten. Als Paulus zegt: 'Wij verwachten door de Geest' enz., dan hebben wij bij
het woord 'Geest' aan de antithese te denken, alsof hij zei: wij willen niet
door het vlees gerechtvaardigd worden, maar wij trachten emaar door de Heilige
Geest gerechtvaardigd te worden, niet door de geest die een dweepzuchtige en een
eigenmachtige is, zoals die waarover de sektari蝦s roemen, maar onze Geest komt
uit het geloof. Over de Geest en het geloof is hiervoor uitvoerig gesproken.
Maar Paulus zegt niet alleen dat wij 'door de Geest uit het geloof
gerechtvaardigd worden' maar voegt er aan toe: 'Wij wachten op de gerechtigheid,
waarop men moet hopen.' Dat is een geheel nieuwe toevoeging. De hoop wordt in de
Heilige Schrift op twee manieren gebruikt. Nu eens voor datgene waarop men hoopt
en dan weer voor de emotie van de hoop (het hopen zelf). ~olossenzen 1:5 wijst
op de eerste betekenis datgene waarop men hoopt: 'Om de hoop, die u weggelegd is
in de hemelen, danken wij Hem.' Over het hopen als emotie staat in Romeinen 8:24
e.v.: 'Hoop die gezien wordt, is geen hoop, want wat iemand ziet, hoe zou hij
daarop kunnen hopen? Maar als wij hopen op, hetgeen wij niet zien, dan
verwachten wij het met lijdzaamheid.'En zo kan onze tekst, die over de hoop
gaat, tweeledig opgevat worden, zodat er een tweevoudige betekenis aan de dag
treedt. De eerste uitlegging is: wij verwachten door de Heilige Geest en op
grond van het geloof datgene waarop wij hopen, onze rechtvaardigheid; dan gaat
het over de gehoopte gerechtigheid, die zeker te zijner tijd openbaar moet
worden. De andere uitlegging is: wij verwachten door de Heilige Geest op grond
van het geloof in hope met vurig verlangen de gerechtigheid; dat wil zeggen wij
zijn gerechtvaardigd en nochtans zijn wij nog niet rechtvaardig, omdat wij nu
nog op onze gerechtigheid hopen, naar Romeinen 8:24: 'Wij zijn gered op grond
van hoop.' Want zo lang wij leven, zit ons de zonde nog in het bloed: 'Er blijft
een wet in vlees en leden, die strijdt tegen de wet van onze geest en ons
gevangen zet in de gehoorzaamheid van de zonde' (Romeinen 7:23). Als dan deze
driften van het vlees in ons woeden en wij ons door de Heilige Geest daartegen
verzetten, dan blijft dit woord, waardoor wij op de gerechtigheid mogen hopen,
vaststaan. Wij zijn wel begonnen door het geloof gerechtvaardigd te worden, en
door het geloof hebben wij ook de eerstelingen van de Heilige Geest ontvangen;
het doden van het vlees is begonnen, maar wij zijn nog niet volkomen
rechtvaardig. Onze volkomen rechtvaardiging hebben wij nog tegoed en daarop is
onze hoop gevestigd. En zo werkt onze gerechtigheid nog niet volkomen, maar zij
bestaat in hope.
Dat
is een heel rijke en ongewoon zoete troost, waardoor de verslagen en verwarde
geesten, die de zonde gevoelen, die verschrikt worden door allerlei 'vurige
pijlen van de boze' (Efeze 6:16), wonderbaarlijk staande gehouden kunnen worden.
Want in de strijd van het geweten - wij spreken uit een rijke ervaring - heerst
sterk het gevoel van de zonde, van de toom Gods, van de dood, van de hel en van
alle mogelijke verschrikkingen. Dan moet men tegen de aangevochtene zeggen:
broeder, u wilt een voelbare gerechtigheid hebben, ja u wilt die gerechtigheid
zo voelen zoals u de zonde voelt, dat zal niet gebeuren. Maar uw gerechtigheid
moet boven uw gevoel van zondigheid uitsteken en u moet hopen, dat u voor God
rechtvaardig zijt. D.w.z. uw gerechtigheid is niet iets zichtbaars, iets
voelbaars, maar staat vast in de hoop, dat ze te zijner tijd openbaar zal
worden. U moet niet oordelen naar het gevoel van zondigheid, dat verschrikt en
verwart. U moet oordelen naar de belofte en naar de leer van het geloof, door
welke u Christus beloofd wordt, dat is uw volkomen en eeuwige gerechtigheid. En
zo wordt mijn hoop door de daad van het hopen geroepen op te staan midden in de
verschrikking en in het gevoel van zondigheid en door het geloof opgericht,
zodat ik hoop dat ik rechtvaardig ben. Het andere begrip 'hoop' heeft betrekking
op wat men hoopt: dat wat ik nog niet zie, hoop ik, zal voltooid worden en te
zijner tijd geopenbaard worden.
Beide
begrippen 'hoop' zijn goed, maar het eerste, het hopen als daad, geeft rijkere
troost. Want mijn gerechtigheid is nog niet volkomen en ook niet te voelen,
daarom wanhoop ik echter niet, maar het geloof laat mij Christus zien, op Wie ik
vertrouw. Als ik dan Hem in het geloof aangrijp, strijd ik tegen de vurige
pijlen van de satan en word ik door de hoop tegen het gevoel van zondigheid in,
gesterkt en weet, dat voor mij de volkomen gerechtigheid in de hemel bereid is.
En zo is het allebei waar, dat ik hier rechtvaardig ben door de beginnende
gerechtigheid en door deze hoop staande blijf tegenover de zonde en dat ik de
voltooiing van de volkomen gerechtigheid verwacht in de hemel. Dat is d齨 goed
begrepen, als het in praktijk gebracht wordt.
Hier
rijst de vraag, wat het verschil is tussen geloof en hoop. Dat heeft de sofisten
menige zweetdruppel gekost en toch hebben ze niets bepaalds kunnen vaststellen.
Wij onderzoeken de Heilige Schrift zo nauwkeurig mogelijk en gaan daarbij veel
spiritueler en intelligenter te werk dan de sofisten (alle afgunst zij verre!)
en toch is het voor ons moeilijk enig verschil tussen geloof en hoop vast te
stellen. Geloof en hoop zijn zo innig verwant, dat het 热n niet van het ander
kan losgemaakt worden. En toch is er verschil tussen die twee en dat valt af te
leiden uit hun beider functies, tegenstellingen en doeleinden.
Geloof
en hoop verschillen allereerst in hun bezigheid, omdat het geloof werkzaam is op
het terrein van het verstaan, de hoop echter op dat van de wil. Maar in
werkelijkheid kunnen zij niet gescheiden worden, evenmin als de twee cherubs
boven de ark des verbonds. Verder verschillen geloof en hoop met het oog op hun
functie, want het geloof geeft richtlijnen voor het verstand en leidt dat, maar
niet zo, dat het buiten de wil omgaat. Het geloof onderwijst, w齮 geloofd moet
worden. Het geloof is dus onderwijs of kennisgeving. De hoop aanmoediging, zij
stimuleert mijn gemoed, opdat ik dapper zal zijn, staande zal blijven, opdat ik
waag, verdraag, in tegenspoed volhard en het betere verwacht. Bijgevolg is het
geloof de leraar en rechter, die strijdt tegen de dwalingen en ketterijen en de
geesten en leringen beoordeelt. Daarentegen is de hoop de legeraanvoerder, die
de gemoedsstemmingen bevecht, zoals de benauwdheid, het kruis, ongeduld,
droefheid, kleingeloof, wanhoop, lastering en zij heeft
haar
positie in de vreugde, in de innerlijke dapperheid enz. tegenover de zojuist
genoemde gemoedsstemmingen. Tenslotte verschillen geloof en hoop ook in het
onderwerp, waarmee ze zich bezighouden. Het geloof richt zich op de waarheid en
onderwijst dat men die moet vasthouden, het inzicht in het Woord dat daarover
gaat en richt de blik dus op de belofte. De hoop richt zich op de goedheid (d.i.
het goed‑zijn van de dingen) en let op datgene waarover het Woord spreekt,
d.w.z. zij let op wat er beloofd wordt, en op het aannemen waarvan het geloof
aandringt.
Als
ik dus door het geloof in het Woord van God onderwezen, Christus aanneem en met
een hartelijk vertrouwen, dat evenwel niet zonder de wil kan, in Hem geloof, dan
ben ik in deze kennis rechtvaardig. Als ik zo door het geloof of door deze
kennis gerechtvaardigd ben, dan komt alras de duivel en probeert het geloof door
list, leugen, dwalingen en ketterijen, door geweld, tirannie en moord uit te
doven. En dan klampt de hoop zich hartstochtelijk vast aan wat het geloof
duidelijk heeft laten zien en overwint de duivel, die het geloof bestrijdt;
nadat de hoop overwonnen heeft, komt er dan vreugde en vrede in de Heilige
Geest. Wat de zaak zelf betreft kunnen geloof en hoop nauwelijks onderscheiden
worden en toch is er verschil tussen. Om het gemakkelijker te begrijpen, wil ik
de zaak door een gelijkenis aanschouwelijk maken.
In
de politiek is er onderscheid tussen wijs beleid en dapperheid; het ene is
anders dan het andere en toch hangen ze zo met elkaar samen, dat men ze niet
gemakkelijk kan scheiden. Dapperheid is standvastigheid van het gemoed, zij
wanhoopt niet in tegenspoed, maar houdt stevig stand en wacht op betere tijden.
Maar als dapperheid niet door wijsheid geregeerd wordt, is ze roekeloosheid, en
andersom, als er bij wijsheid geen dapperheid komt, is wijsheid niets waard.
Zoals dus in de politiek wijsheid zonder dapperheid niets is, zo is in de
theologie het geloof niets zonder de hoop, want de hoop verdraagt de
moeilijkheden en houdt vol en overwint ze. En andersom, zoals dapperheid zonder
wijsheid roekeloosheid is, zo is de hoop zonder het geloof aanmatiging in de
geest en verzoeking van God, haar ontbreekt dan namelijk de kennis van de
waarheid of van Christus, Die het geloof onderwijst; daarom is zij een blinde en
drieste dapperheid. Daarom moet een vrome eerst en vooral van het juiste
gevoelen zijn en het door het geloof geleide begrip hebben, dienovereenkomstig
kan dan het hart in de aanvechtingen geleid worden, zodat het in tegenspoed het
beste hoopt, datgene wat het geloof altijd weer betuigd en onderwezen heeft.
Het
geloof onderricht derhalve door middel van redenering (fides igitur est
dialectica), het formuleert alle geloofsprincipes zorgvuldig; de hoop overtuigt
door middel van welsprekendheid, ze maakt de dingen groot en belangrijk, ze
overtuigt en spoort aan tot standvastigheid, opdat het geloof in de verzoeking
niet zwicht, maar het Woord vasthoudt en daarin volhardt. Zoals de kunst van het
disputeren en de kunst der welsprekendheid van elkaar verschillen en toch zo met
elkaar verbonden zijn, dat de ene van de andere niet gescheiden kan worden.
Omdat de redenaar zonder redeneerkunst (sine dialectica) niets werkelijk kan
onderwijzen en aan de andere kant de vertegenwoordiger van de disputeerkunst
zonder welsprekendheid zijn hoorders niet kan boeien ‑ want alleen wie
beide verbindt, die onderwijst en overtuigt. En zo zijn geloof en hoop
verschillende roerselen, het geloof is iets anders dan de hoop en de hoop iets
anders dan het geloof en toch kunnen die twee, wegens de nauwe verwantschap die
zij met elkaar hebben, niet van elkaar gehaald worden. Zoals dus disputeerkunst
en welsprekendheid elkaar wederzijds versterken, zo ook geloof en hoop. Dit
onderscheid tussen geloof en hoop is in de theologie datgene, wat het
onderscheid is tussen het intellect en de wil in de filosofie, het onderscheid
tussen wijsheid en dapperheid in de politiek, het onderscheid tussen
disputeerkunst en welsprekendheid in de wereld van het woord.
Kortom:
als het hart wordt onderricht in wat waarheid is, wordt het geloof door
onderwijs ontvangen en de hoop door aansporing, want de hoop wordt in de
aanvechtingen door de aansporing aangewakkerd; deze hoop versterkt de reeds in
het geloof gerechtvaardigde, zodat hij niet voor het kwade opzijgaat, maar
daarentegen des te moediger zal zijn. Maar als de fakkel van het geloof niet met
zijn licht v66r de wil uit zou gaan, zou de hoop de wil niet kunnen overtuigen.
(...)
Dus
in het geloof zijn wij begonnen, in de hoop volharden wij, in de tijd van de
openbaring zullen wij alles in bezit krijgen. Doordat wij intussen leven en
omdat wij geloven, onderwijzen wij het Woord en breiden de kennis van Christus
uit tot anderen; doordat wij echter onderwijzen, lijden wij vervolging (naar het
woord uit Psalm 116:10: 'Ik geloof, daarom spreek ik, ik wordt echter zeer
verdrukt'). Maar als wij lijden, dan worden wij met kracht staande gehouden door
middel van de hoop, want de Schrift moedigt ons aan door de zeer zoete en
troostrijke beloften, die het geloof ons geleerd heeft. En zo wordt de hoop in
ons geboren en groeit in ons naar Romeinen 15:4: 'Opdat wij door lijdzaamheid en
vertroosting der Schriften hoop zouden hebben.'
En
zo verbindt Paulus niet zonder grond de hoop met het geduld en met de
benauwdheden, Romeinen 5:3 e.v. en Romeinen 8:17 e.v. en andere schriftplaatsen.
Want door middel van benauwdheden wordt de hoop gewekt. Maar het geloof is er
eerder dan de hoop, het is het begin van het leven en gaat aan ieder lijden
vooraf, want het leert Christus kennen en grijpt Hem aan, zonder dat er sprake
zou zijn van benauwdheid door een kruis. Maar op het kennen van Christus volgt
onmiddellijk kruis en strijd. Dat is om het hart aan te sporen tot de dapperheid
die van de Heilige Geest is en waarvan de deugdelijkheid blijkt naar het woord
van Romeinen 15:4: 'Opdat wij door lijdzaamheid en vertroosting der Schriften
hoop zouden hebben.' De hoop is immers niets anders dan de theologische
dapperheid, zoals aan de andere kant het geloof de theologische wijsheid en
schranderheid is. Deze drie blijven dus: het geloof onderwijst de waarheid en
verdedigt die tegen dwalingen en ketterijen, de hoop verdraagt en overwint alle
lichamelijke en geestelijke tegenspoed, de liefde, zoals beschreven in hoofdstuk
5:6, maakt alles wel. En zo is de mens innerlijk en uiterlijk sterk en volkomen
in dit leven, totdat de gerechtigheid wordt geopenbaard, die hij verwacht en die
volmaakt en eeuwig zal zijn.
Verder
bevat dit woord een zeer belangrijke onderwijzing en vertroosting. De
onderwijzing bestaat daarin, dat wij niet gerechtvaardigd worden door werken,
riten, offers en heel die eredienst volgens de wet, nog minder door werken en
menselijke tradities, maar alleen door Jezus Christus. Alles wat er buiten
Christus in ons is, hetzij verstand, wil, werken, lijden enz., is vlees en geen
geest. Wat dus de wereld buiten Christus als het beste en heiligste heeft, is
zonde, dwaling en vlees. Daarom zijn besnijdenis, wetsbetrachting en ook werken,
devoties, geloften van monniken en van allen die op gerechtigheid door de werken
uit zijn, vleselijk. Maar wij, zegt Paulus, zijn hier ver boven verheven en
wandelen in de Geest, omdat wij door het geloof Christus vasthouden en in
benauwdheid hopen op de gerechtigheid, die wij in het geloof reeds bezitten.
En
de troost bestaat daarin, dat u in emstige verschrikkingen (waarin de gevoelens
van zondigheid, van droefheid en van wanhoop enz. zo groot en zo sterk zijn, dat
zij tot alle hoeken van het hart doordringen en die in bezit nemen) niet uw
gevoel moet volgen, want dan zou u moeten zeggen: ik voel de hevige
verschrikkingen van de wet en de tirannie van de zonde, die niet alleen tegen me
strijdt, maar mij geheel en al gevangen neemt, ik voel geen troost of
gerechtigheid, daarom ben ik een zondaar, ben ik niet rechtvaardig en als ik een
zondaar ben, dan ben ik de eeuwige dood schuldig. Maar tegen dit gevoel moet u
zich verzetten en zeggen: al voel ik ook, dat ik door de zonde geheel benauwd en
verslonden ben, al voel ik ook dat God de Rechter Zich van mij afgewend heeft en
toomig op mij is, dan is het toch in werkelijkheid niet waar, behalve dan dat
mijn gevoel zo oordeelt. Het Woord van God, waamaar ik in zulke verschrikkingen
moet luisteren, leert niet datgene wat mijn gevoel zegt, het leert iets
volslagen anders, want 'God is nabij de gebrokenen van hart en Hij behoudt de
verslagenen van geest' (Psalm 34:19), verder staat er in Psalm 51:19: 'Een
gebroken en verslagen hart zult Gij, o God, niet verachten.' Voorts onderwijst
Paulus hier, dat de door de Heilige Geest uit het geloof gerechtvaardigden de
rechtvaardigheid waarop zij hopen nog niet voelen, maar verwachten.
Daarom
als de wet u aanklaagt en de zonde u verschrikt en als u niets voelt dan de toom
van God en het gericht van God, wanhoop dan niet, maar doe de wapenrusting van
God aan, 'het schild des geloofs, de helm der zaligheid en het zwaard des
Geestes' (Efeze 6:16 e.v.), en u zult ervaren, welk een goede en wakkere
krijgsman u bent. Grijp in het geloof Christus aan, Die staat boven de wet en
boven de zonde en boven alle verschrikkingen, welke die gewoonlijk begeleiden.
Door het geloof in Christus bent u gerechtvaardigd (en dat wordt u in uw
aanvechting echter niet gezegd door uw verstand of door het gevoel van uw hart,
maar door het Woord van God), en als dan die worstelingen en verschrikkingen
spoedig terugkomen en u kwellen, verwacht dan in de kracht van de hoop geduldig
de gerechtigheid, die u in het geloof reeds bezit, al is het weliswaar slechts
in beginsel, in onvolkomenheid, en tenslotte zult u die te zijner tijd volmaakt
en eeuwig bezitten. Maar ik voel niet dat ik de gerechtigheid heb of hoogstens
voel ik het maar zwakjes! Niet gevoelen, maar geloven moet u dat u de
gerechtigheid bezit, en als u niet gelooft, dat u rechtvaardig bent, dan smaadt
en lastert u Christus verschrikkelijk, Die u toch met het waterbad van het Woord
gereinigd heeft, Die tenslotte aan het kruis gestorven is en de zonde en de dood
verdoemd en vemietigd heeft, opdat u door Hem eeuwige gerechtigheid en eeuwig
leven zou mogen ontvangen. Dat alles kunt u niet ontkennen (behalve dan als u
een openlijke goddeloze en lasteraar wilt zijn, die God en al Zijn Goddelijke
beloften, Christus en al Zijn weldaden veracht), en zo kunt u ook niet ontkennen
dat u rechtvaardig bent. (...)
De
werkelijk vromen hebben op de gehele wereld niets wat hun meer dierbaar en
waardevol is dan deze leer; als zij zich trouw aan deze leer houden, dan weten
zij, wat de gehele wereld niet weet, namelijk dat de zonde, dood en ander onheil
en kwaad, hetzij lichamelijk, hetzij geestelijk, de uitverkorenen tot zaligheid
strekken. Verder weten zij, dat God d齨 het meest nabij is, als Hij het verst
weg schijnt, dat Hij d齨 het meest barmhartig is en hun Redder, als Hij het
meest schijnt te toornen, te slaan en te verderven. Zij weten, dat zij d齨 de
eeuwige gerechtigheid bezitten, die zij als het meest zekere bezit (voorlopig in
de hemel bewaard) door hoop verwachten, als zij de verschrikking van de zonde en
de dood het allermeest gevoelen en dat zij d齨 over alles gesteld zijn, als zij
geheel arm zijn naar het woord: 'Als niets hebbende en nochtans alles
bezittende' (2 Korinthe 6:10). Dat noemt de Schrift troost ontvangen door hoop.
Maar deze kunst wordt niet geleerd zonder talrijke en grote aanvechtingen.
5:6 Want in Christus Jezus heeft noch
besnijdenis enige kracht noch voorhuid, maar het geloof, door de liefde
werkende.
De
sofisten betrekken deze tekst op hun mening, want zij leren dat wij door de
liefde of door de werken gerechtvaardigd worden. Zij zeggen dat het geloof, ook
als het door God ingegoten is (want over het door de mens verworven geloof
spreek ik niet), niet rechtvaardigt, behalve dan als het door de liefde gevormd
is; zij noemen immers de liefde genade, die welbehaaglijk maakt; daarmee
bedoelen ze, om ons woord of beter nog het woord van de apostel te gebruiken,
een liefde die rechtvaardigt; deze liefde moet door onze verdienste, die God uit
billijkheidsoverwegingen aanneemt, verworven kunnen worden enz. ]a, ze beweren
zelfs, dat het geloof en wel het door God ingegoten geloof, samen zou kunnen
gaan met een doodzonde. Zo scheiden zij al met al de rechtvaardiging van het
geloof en het geloof schrijven ze door deze bewijsvoering alleen toe aan de
liefde. En dat willen zij in onze tekst door de apostel Paulus bewezen hebben:
'Maar het geloof, dat door de liefde werkt', alsof Paulus wilde zeggen: zie het
geloof rechtvaardigt niet, ja het is niets, als daar niet als bewerkster de
liefde bijkomt, die het geloof gestalte geeft.
Maar
dat zijn allemaal monsterachtigheden, die door onbekwame mensen verzonnen zijn.
Want wie zou dat kunnen verdragen, dat er onderwezen wordt dat het geloof, dat
geschenk van God, dat door de Heilige Geest in het hart gegoten is, samen zou
kunnen gaan met een doodzonde? Als ze dat zouden zeggen over het door de mensen
verworven historische geloof, dan zou het verdragen kunnen worden, ja over het
historisch geloof zouden zij heel goed zo kunnen spreken. Maar over het door God
ingegoten geloof zo denken, betekent eenvoudigweg belijden, dat men werkelijk
helemaal niets van het geloof begrepen heeft. Verder lezen zij deze tekst van de
apostel Paulus door een gekleurde bril (zoals men dat noemt) en vervormen zij de
tekst naar hun eigen idee蝞. Paulus zegt immers niet: het geloof, dat door de
liefde rechtvaardigt; ook niet: het geloof, dat door de liefde welbehaaglijk
maakt. Zo'n tekst verzinnen zij zelf en dringen hem met geweld aan het woord van
de apostel op. Nog minder zegt Paulus: de liefde maakt welbehaaglijk. Zo spreekt
Paulus niet, maar hij zegt: 'Het geloof, dat door de liefde werkt.' Paulus zegt,
dat de werken uit het geloof door de liefde geschieden, niet, dat de mens door
de liefde gerechtvaardigd wordt. Maar wie is zo'n slechte leerling in de
taalkunde, dat hij niet uit de begripswaarde van de woorden zou kunnen opmaken,
dat gerechtvaardigd worden iets anders is dan wer ken? Duidelijk en voor geen
misverstand vatbaar zijn namelijk de woorden van Paulus: 'Het geloof is werkzaam
door middel van de liefde.' Daarom is het een duidelijke diefstal, als zij,
nadat zij de ware en oorspronkelijke bedoeling van Paulus tenietgedaan hebben,
het woord 'werkende' (d.i. werkzaam zijn) verstaan in de zin van gerechtvaardigd
worden en het zelfstandig naamwoord 'werken' verstaan in de zin van
gerechtigheid, omdat zij immers ook in de moraalfilosofie (waar het gaat over
wereldse deugden) gedwongen zijn toe te geven, dat de werken niet de
gerechtigheid zijn, maar dat door de gerechtigheid de werken tot stand komen.
Verder
maakt Paulus hier het geloof niet tot iets wat vormloos of onaf is, alsof het
een chaos zou zijn, met niets verbonden, niet met zijn en niet met handelen,
maar juist dat handelen schrijft hij toe aan het geloof en niet aan de liefde;
hij maakt het geloof juist niet tot iets wat onafgewerkt en ongevormd is, eerder
blijft hij erbij, dat het bij het geloof om iets zeer werkzaams en
daadwerkelijks gaat en houdt het voor een grondvorm of, zoals men zegt, voor een
substanti蝜e vorm. Paulus zegt immers niet: de liefde is werkzaam, maar 'het
geloof is werkzaam', hij zegt niet: de liefde werkt, maar 'het geloof werkt'.
Hij maakt de liefde tot een soort instrument, waardoor het geloof werkt. Wie
weet er nu niet, dat het gereedschap kracht, beweging en actie niet van zichzelf
heeft, maar van de ambachtsman die ermee werkt? Wie zou dan zeggen: de bijl
brengt de kracht en de beweging van het hakken over op de ambachtsman? Of zou
het schip de kracht en de beweging van het zeilen aan de zeeman geven? Of om een
voorbeeld uit de profeet Jesaja aan te halen, wie zou zeggen: de zaag trekt de
werkmeester en de staf heft de hand op? (Jesaja 10:15) Zo iets is het wat zij
zeggen, namelijk dat de liefde de grondkracht (forma) van het geloof is of dat
de liefde de kracht en de beweging op het geloof overbrengt en dus
rechtvaardigt. Als Paulus niet eens de werken aan de liefde toekent, hoe zal hij
er dan in toestemmen dat de liefde rechtvaardigt? Het staat dus wel vast, dat
het een groot onrecht is, niet alleen jegens Paulus, maar ten aanzien van het
geloof zelf en ten aanzien van de liefde, als men deze schriftplaats v66r de
liefde en t萭en het geloof heeft gebruikt en zo bederft. (...)
Het
gaat er de apostel Paulus op deze plaats niet om, te zeggen wat het geloof is of
wat het voor God vermag, in 热n woord, het gaat hier niet om de
rechtvaardiging. Daarover heeft hij hiervoor al zeer uitvoerig gesproken. Nee,
met een kort woord laat hij overtuigend zien wat het christelijk leven is en
zegt: 'Want in Christus Jezus geldt noch de besnijdenis, noch het onbesneden
zijn, maar het geloof dat door de liefde werkt' en hij bedoelt: niet het
verzonnen en gehuichelde geloof heeft kracht, maar alleen het ware en levende
geloof. En dat is het geloof, dat zich door de liefde in goede werken oefent en
het daarbij laat. Eenvoudig uitgedrukt: wie christen wil zijn en zijn plaats in
het rijk van God wil behouden, die moet waarachtig geloven. Maar men kan niet
waarachtig geloven, als het geloof niet gevolgd wordt door de werken van de
liefde. En zo sluit Paulus naar twee kanten, naar rechts en naar links, de
huichelaars van het rijk Gods uit. Naar links keert hij zich tegen de joden en
werkheiligen en zegt: in Christus heeft ook de besnijdenis geen kracht, d.w.z.
geen werken, geen eredienst en helemaal geen bijzondere levenswijze, maar alleen
het geloof zonder enig vertrouwen op werken. Naar rechts keert hij zich tegen
wie het slordig, langzaam of helemaal niet doet, tegen wie zegt: als het geloof
zonder werken rechtvaardigt, dan doen wij niets dan alleen maar geloven en
verder doen we wat we willen. Niet alzo, jullie goddelozen (impii), zegt Paulus.
Het is wel waar dat alleen het geloof zonder de werken rechtvaardigt, maar ik
spreek over het ware geloof, dat, nadat het gerechtvaardigd heeft, niet in
ledigheid slaapt, maar door de liefde werkzaam wordt.
Het
is zoals ik zei: Paulus beschrijft hier het gehele christelijke leven en zegt
dat het geloof naar God toe innerlijk is en de liefde of de werken naar de
naaste toe uiterlijk zijn, zodat dus de mens in de volle betekenis christen is,
als hij innerlijk voor God, Die onze werken niet nodig heeft, door het geloof
leeft en als hij uiterlijk voor de mensen, die aan ons geloof niets hebben,
werken doet of de liefde betracht. Als men dus gehoord of gezien heeft dat het
christelijk leven er zo uitziet, als dat dus, zoals gezegd uit geloof en liefde
bestaat, dan is daarmee nog niet gezegd, wat het geloof en wat de liefde in
wezen zijn; dit is een heel ander verhaal. Want over het geloof, namelijk over
de eigen aard, de kracht en het gebruik van het geloof heeft hij hiervoor
gesproken, toen hij onderwees dat het gerechtigheid of eerder nog
rechtvaardiging voor God is. Hier verbindt Paulus het geloof met de liefde en de
werken, d.w.z. hij spreekt over de naar buiten gerichte functie ervan. Daarbij
maakt Paulus duidelijk, dat het geloof ons in beweging zet, zodat wij tot goede
werken of tot liefde jegens de naaste komen. Daarom zal geen werkelijk wijs mens
ons schriftgedeelte in verband brengen met de kwestie van de rechtvaardiging
voor God, het spreekt immers over het gehele leven van de christen. En het is
een volkomen foutieve redenering, ja puur bedrog, als men niet op de juiste
manier weet te verbinden en te scheiden, dat van het deel wordt begrepen, wat
van het geheel wordt gezegd. De redeneerkunst kan namelijk ook niet uit de
voeten met stijlfiguren als de synedoche (een deel wordt voor het geheel
genomen) en de overdrijving (een kwestie van woordgebruik), zoals dat in de
welsprekendheid goed en gebruikelijk is. De redeneerkunst is een meesteres in
het onderwijzen en in het defini蝦en, in het scheiden en het verbinden, en dan
zo veel mogelijk in de meest eigenlijke zin. Maar wat zou dat voor een
redeneerkunst zijn: de mens is ziel en lichaam en kan zonder ziel en lichaam
niet bestaan, bijgevolg heeft het lichaam begrip en inzicht, de ziel allen heeft
geen begrip en inzicht? Met dezelfde redenering zegt men: het christelijk leven
is geloof en liefde of geloof, dat door de liefde werkzaam is; bijgevolg
rechtvaardigt de liefde, niet alleen het geloof. (...)
5:7 Gij liept wel; wie heeft u verhinderd der
waarheid gehoorzaam te zijn?
Wat
Paulus hier bedoelt is duidelijk. Hij bevestigt, dat hij eertijds goed
onderwezen heeft en ook nu goed onderwijst; tevens maakt hij duidelijk, dat de
Galaten vroeger goed gelopen hebben, d.w.z. de waarheid gehoor zaamd, op de
juiste wijze geloofd en geleefd hebben, maar nu niet meer, nadat ze door de
valse apostelen misleid zijn. Paulus gebruikt hier een nieuwe manier van
uitdrukken, als hij het christelijk leven als loop aanduidt. Bij de Hebree蝞
namelijk betekent lopen of wandelen zoveel als leven of levenswandel. Zo lopen
de leraars en de leerlingen wel, als de eersten de zuivere leer onderwijzen en
de anderen het Woord met vreugde aannemen en als op dat onderwijzen en dat
luisteren de vruchten van de Geest volgen. Dat gebeurde in de aanwezigheid van
Paulus, zoals hij boven in hoofdstuk 3 en 4 verklaarde; hier zegt hij: 'Gij
liept wel', dat is: jullie leefden toch zo goed en waren regelrecht op weg naar
het eeuwig leven, dat het Woord jullie beloofd heeft enz.
Deze
woorden: 'Gij liept wel' bevatten een troost. Paulus heeft met deze woorden
namelijk het oog op de verzoeking, waardoor de goeden geoefend worden, voor wie
het leven een trage gang schijnt, ja een krui pen en helemaal geen hardlopen.
Maar als de gezonde leer aanwezig is (die immers niet onderwezen kan worden
zonder vrucht voort te brengen, zij brengt immers de Heilige Geest met Zijn
gaven), dan is het leven van de vromen, al schijnt het ook een kruipen, toch een
echt lopen. Ons schijnt het toe, alsof het allemaal maar moeilijk is en het
slechts langzaam vooruitkomt, maar wat ons een slakkegang schijnt, is voor God
een snelle loop, wat naar ons oordeel nauwelijks vooruitkruipt, dat gaat voor
God hard. Verder: wat in onze ogen droefheid, zonde en dood is, dat is bij God
vreugde, gerechtigheid en leven, om Christus' wil, door Wie wij volmaakt zijn.
Maar Christus is heilig, rechtvaardig, vol vreugde enz. en er ontbreekt niets
aan Hem en daarom ontbreekt er ook niets aan hen die in Hem geloven. En zo zijn
christenen in waarheid hardlopers en wat zij doen, dat gaat ook en schiet goed
op, omdat de Geest van Christus dat bevordert en de Geest kent geen hindemissen,
die zouden kunnen tegen houden!
Tegengehouden
in hun loop‑worden zij, die van de genade en het geloof tot de wet en de
werken vervallen, zoals dat de Galaten overkwam, die zich door de valse
apostelen lieten overreden en misleiden.
Daarom
bestraft Paulus hen met deze woorden: 'Wie heeft u verhinderd de waarheid
ongehoorzaam te zijn?' En zo lezen we in hoofdstuk 3:1: 'Wie heeft u betoverd,
dat gij de waarheid niet zoudt gehoorzaam zijn?' Terloops geeft Paulus ook hier
aan, dat de mensen door de valse leer zo in de war raken, dat zij leugens en
ketterijen voor waarheid en voor geestelijk onderwijs houden en anderzijds de
gezonde leer, die zij eerst liefgehad hebben, voor een dwaling houden en hun
dwaling voor gezonde leer en daarbij zweren en zich met alle krachten daarvoor
inzetten. En zo hebben de valse apostelen de Galaten die eerst zo goed liepen,
misleid en hen doen denken, dat zij vroeger, toen zij Paulus als leraar hadden,
zouden hebben gedwaald door zijn leer en met een slakkegang vooruit gekomen
zouden zijn. Daama, toen zij door de valse apostelen misleid waren en in ieder
opzicht van de waarheid afweken, waren zij door de valse overtuiging van die
mannen zo betoverd, dat zij meenden dat zij in alles goed vooruitgingen.
Datzelfde overkomt tegenwoordig hen, aan wie de fanatici zich hebben opgedrongen
enz. Daarom zeg ik vaak dat het afvallen van de leer niet menselijk is, maar
duivels. Dat is een val uit de hoogste hemel in de diepste afgronden en wie in
hun dwaling volharden, zijn zo ver verwijderd van het belijden van hun zonden,
dat zij de zonde nog eerder verdedigen als de hoogste gerechtigheid. Daarom is
het onmogelijk, dat zij vergeving kunnen ontvangen.
5:8 Dit gevoelen is niet uit Hem, Die u roept.
Daar
geeft Paulus heerlijke troost en uitstekend onderwijs; hij geeft aan hoe men
hen, die door een valse leer misleid werden, aan de valse overtuigingen kan
onttrekken. De valse apostelen waren grote mannen, die, naar het leek, Paulus
overtroffen in geleerdheid en vroomheid. Door hun geveinsdheid lieten de Galaten
zich op een dwaalspoor brengen, zodat ze meenden, dat als zij hen hoorden, zij
Christus hoorden; zo oordeelden zij dat hun gevoelen uit Christus Zelf was.
Paulus daarentegen, geeft aan wel wat duister en tegelijk op een manier die met
de waarheid overeenkomt ‑ dat dit gevoelen en deze leer niet uit Christus
is, Die hen tot de genade geroepen had, maar uit de duivel. Zo heeft hij velen
weer uit hun valse waan bevrijd. Zo roepen wij tegenwoordig velen, die door de
sekta ri蝦s verleid zijn, uit hun dwaling terug, als wij hen laten zien dat de
idee蝞 van de sektari蝦s dweepziek en goddeloos zijn.
Deze
troost van Paulus is ook bestemd voor alle verslagenen, die zich in de
verzoeking een valse voorstelling van Christus maken. De duivel is immers een
duizendkunstenaar die de mensen weet te overreden, die de allerkleinste en bijna
belachelijke zonde zo weet op te blazen, dat men sen in verzoeking die voor de
verschrikkelijkste misdaad houden, de eeuwige verdoemenis waardig. Zo'n verward
gemoed moet op dezelfde manier opgericht worden, als waarop Paulus de Galaten
oprichtte. Men moet dan zeggen, dat zo'n besef of gevoelen niet van Christus
komt, want het is in strijd met het Evangelie, dat ons Christus niet als
aanklager, als harde eiser enz. voor ogen stelt, maar als de zachte,
barmhartige, o zo nederige Heiland en Trooster.
Ja,
de satan, die duizendkunstenaar, draait alles om en houdt u het woord en
voorbeeld van Christus voor en zegt: Christus is weliswaar mild, goed enz., maar
dat is Hij voor de rechtvaardigen en heiligen, maar de zondaars bedreigt Hij met
toom en verderf (Lukas 13:25 e.v.). Verder weet de satan dat Christus zegt, dat
de ongelovigen reeds veroordeeld zijn (Johannes 3:18) en verder: Christus heeft
wel veel goeds gedaan, veel lijden verdragen en Hij gebiedt ons, dat wij Zijn
voorbeeld navolgen, maar uw leven komt noch met het woord van Christus, noch met
het voorbeeld van Christus overeen, omdat u een zondaar en ongelovige bent en
tenslotte hebt u niets goeds gedaan enz. Daarom gelden voor u de uitspraken die
Christus als rechter enz. laten zien; de troostwoorden van Christus, de Heiland,
gaan u niets aan. Als de satan op deze wijze alles omdraait, dan moet een mens
in zo'n aanvechting zich op deze manier troosten:
De
Schrift stelt ons Christus op twee蝦lei wijze voor. Eerst als geschenk. Als ik
Hem op deze manier heb aangegrepen, dan kan mij in waarheid niets ontbreken.
Kolossenzen 2:3: 'In Christus zijn al de schatten der wijsheid en der kennis
verborgen.' Zo groot en heerlijk als Christus is, is Hij mij door God gemaakt
tot wijsheid, gerechtigheid, heiliging en verlossing. Al heb ik ook vele en
grote zonden begaan, als ik in Hem geloof, worden nochtans alle zonden door Zijn
gerechtigheid verslonden.
Verder
stelt de Schrift ons Christus als voorbeeld ter navolging voor ogen. Maar deze
voorbeeldige Christus wil ik mij alleen laten voorhouden op een dag van vreugde,
als ik niet in verzoeking ben. In verzoeking kan ik nauwelijks het duizendste
deel van Zijn voorbeeld bereiken. Op deze manier wil ik een spiegel hebben,
waarin ik kan zien hoeveel er nog aan mij ontbreekt, zodat ik niet zelfverzekerd
word. Maar in tijden van angst en nood wil ik alleen horen over Christus als
geschenk en Hem alleen toelaten, Die voor mijn zonden gestorven is en mij Zijn
gerechtigheid geschonken heeft en Die datgene, wat in mijn leven ontbreekt, voor
mij gedaan en vervuld heeft. Hij is 'het einde van de wet, tot rechtvaardigheid
voor een ieder, die gelooft' (Romeinen 10:4). (...)
Het
beste van de leer van de wederdopers is nog dat zij het voorbeeld van Christus
en Zijn kruis op de voorgrond stellen en dan vooral natuurlijk die uitspraken
van Christus, waarin Hij Zijn discipelen het kruis aanprijst. Dan is het zaak te
leren hoe men deze satan, die zich verandert in de gestalte van een engel, kan
wederstaan. Dat kan alleen zo geschieden, dat wij leren onderscheiden tussen de
Christus, Die de ene keer als geschenk en Die de andere keer als voorbeeld wordt
gepredikt. Beide soorten prediking hebben hun eigen bestemde tijd; als men zich
daaraan niet houdt, komt er uit de prediking van het heil verderf en onheil
voort.
Vreesachtige
en reeds vroeger door de veelheid van hun zonden verschrikte mensen moet men
Christus als Heiland en geschenk inprenten, niet als voorbeeld en wetgever. Maar
voor zelfverzekerde en verharde mensen geldt het voorbeeld van Christus, opdat
zij aan het Evangelie geen gelegenheid tot vrijheid voor het vlees ontlenen en
zo nog zelfverzekerder worden. (...)
5:9 Een weinig zuurdesem verzuurt het gehele
deeg.
(...)
Zonder twijfel hebben de valse apostelen Paulus bij de Galaten op deze wijze
afgeschilderd: hij is een hardnekkig en twistziek mens, die om het minste en
geringste de eenheid van de kerk verbreekt, om geen andere reden dan dat hij all热n
wijs wil zijn en groot geacht wil worden enz. Met deze valse aanklacht maakten
zij Paulus bij velen gehaat. Anderen, die nog niet helemaal van de leer van
Paulus afgeweken waren, dachten toch dat het geen kwaad kon, als men in de leer
van de rechtvaardiging en van het geloof een klein beetje van Paulus zou
afwijken. Daarom verwonderden zij zich telkens weer, als zij hoorden dat Paulus,
naar zij meenden, een zaak van zo geringe betekenis zo sterk overdreef (zo
scheen het hun toe) en dachten zij: het kan best zijn dat wij van de leer van
Paulus een beetje afgeweken zijn en dat wij er bij het een en ander naast zaten,
maar dat is toch maar een kleinigheid, dat moet Paulus toch toegeven of in ieder
geval niet zo hoog opnemen, anders immers verbreekt hij om deze onbeduidende
aanleiding de eenheid der kerken.
Dan
antwoordt Paulus met het wondermooie spreekwoord: 'Een weinig zuurdesem bederft
het gehele deeg.' Deze waarschuwing vindt Paulus heel belangrijk. Wij moeten die
in onze tijd ook emstig nemen. Want de sektari蝦s, die de lichamelijke
tegenwoordigheid van Christus in het avondmaal ontkennen, verwijten ons
tegenwoordig ook dat wij twistziek zijn, hard en moeilijk in de omgang, dat wij
wegens dat ene leerstuk over het sacrament de christelijke liefde en de eenheid
der kerken verbreken; wij zouden over dat ene onbetekenende leerstuk dat immers
onzeker is en door de apostelen niet duidelijk genoeg is vastgesteld, toch niet
zoveel drukte mogen maken (vooral omdat zij het verder met betrekking tot de
andere artikelen van de christelijke leer met ons eens zijn). Het zou toch niet
zo ver mogen komen, dat wij om dit ene artikel geen rekening meer houden met het
geheel van de christelijke leer en met de algemene eenheid van alle kerken.
(...) Maar zo belaagt de duivel ons; zo probeert hij niet alleen dit leerstuk,
maar de gehele christelijke leer omver te werpen.
Op
dit argument van hen antwoorden wij met Paulus: 'Een weinig zuurdesem bederft de
gehele deegmassa.' In de filosofie betekent een kleine vergissing in het begin,
dat er aan het eind een zeer grote dwaling uit voortkomt. Zo bederft in de
theologie een kleine dwaling de gehele leer. Daarom moet men een groot
onderscheid maken tussen leer en leven. De leer is niet van ons, maar van God,
wij zijn slechts Zijn geroepen die naars; daarom kunnen wij aan de leer ook niet
热n letter veranderen of afdoen. Het leven is van ons, daarom, voorzover het
daarover gaat, kunnen de sacramentari蝦s niets van ons eisen, waaraan wij ons
niet zouden kunnen onderwerpen en wat wij niet zouden willen en moeten toestaan
en verdragen, maar wel altijd zo dat de leer en het geloof daarbij geen schade
oplopen, want wij vergeten nooit het woord van de apostel: 'Een weinig
zuurdesem' enz. In deze zaak kunnen wij geen haarbreed toegeven. De leer gelijkt
op het punt in de wiskunde en kan dus niet gedeeld worden, dat wil zeggen zij
verdraagt geen wegneming en geen toevoeging. Daarentegen gelijkt het leven op
het punt in de natuurkunde, er kan altijd wel iets afgehaald of toegevoegd
worden.
Het
kleinste stofje in het oog verhindert het zien. Daarom zeggen de Duitsers met
betrekking tot geneesmiddelen voor de ogen: niets wat in de ogen komt is goed.
Christus zegt: 'Het oog is de lamp van het lichaam, wanneer dus uw oog eenvoudig
is, dan zal uw gehele lichaam verlicht zijn' (Lukas 11:34), en verder in vers
36: 'Als uw lichaam geen enkel stukje duistemis heeft, dan zal het 热n en al
licht zijn.' Met deze gelijkenis maakt Christus duidelijk, dat het oog ‑
wij denken nu aan de leer heel eenvoudig rein, helder en ongeschonden moet zijn
en dat er geen beetje duistemis, geen wolkje in mag zijn. En zo heeft Jakobus
ook niet uit zijn eigen geest, maar zonder twijfel op grond van een uitspraak
van de vaderen gezegd: 'Wie in het ene faalt, die is schuldig aan het geheel'
(Jakobus 2:10).
Daarom
moet de leer zijn als een stevige ronde gouden ring, waarin geen scheur zit; als
zo'n ring ook maar het kleinste scheurtje krijgt is hij verder niet meer gaaf en
ongeschonden. Wat voor nut heeft het voor de joden, aan 热n God en aan Deze
dan als Schepper van alle dingen te geloven, ja alle leerstukken te geloven en
de Heilige Schrift te aanvaarden, als zij Christus verloochenen? 'Wie in het ene
faalt, die is schuldig aan het geheel.' Daarom moet men deze tekst heel
nauwkeurig beschouwen tegen het argument van de mensen, die ons smaden en zeggen
dat wij tot grote schade van de kerken de liefde verzaken. Wij zijn zeker bereid
met allen vrede en liefde te bewaren, als zij ons slechts ongeschon den en
onaangetast de leer van het geloof laten. Als wij dat niet kunnen krijgen, dan
vragen zij van ons vergeefs liefde. Vervloekt zij die liefde, die ten koste van
de leer van het geloof verkregen wordt, waarvoor toch alles moet wijken, de
liefde, de apostel, de engel uit de hemel enz. Zij geven, als zij deze zaak zo
arglistig als onbelangrijk voorstellen, genoegzaam te kennen, welke waarde zij
aan de majesteit van het Woord toekennen. Als zij zouden geloven, dat het om het
Woord van God gaat, dan zouden zij daarmee geen spel kunnen spelen, maar het de
hoogste eer bewijzen; zij zouden het zonder enige tegenspraak en zonder enige
twijfel geloof schenken en weten, dat 热n enkel woord van God met alle andere
woorden van God samenhangt en omgekeerd, dat alle woorden van God zich in elk
enkel woord weerspiegelen, verder zouden zij weten dat in 热n enkel leerstuk
alle andere begrepen zijn en dat wie 热n leerstuk verliest, ze stuk voor stuk
allemaal verliest; zij hangen immers samen en worden door een soort
gemeenschappelijke band bij elkaar gehouden.
Laten
zij dus de eenheid en de christelijke liefde als groot naar voren brengen, wij
daarentegen maken de majesteit van het Woord en het geloof groot. De liefde kan
men bij gelegenheid zonder risico verwaarlozen, niet echter het Woord en het
geloof. De liefde kan alles verdragen en in alles toegeven. Daarentegen is het
de aard van het geloof niets te verdragen en voor niemand te wijken. De liefde,
die gaarne opzij gaat, alles gelooft, wegschenkt en verdraagt, wordt dikwijls
bedrogen, maar al wordt zij ook misleid, dan lijdt zij daarom toch geen
noemenswaardige schade, d.w.z. zij verliest Christus niet, daarom wordt zij niet
gekwetst, maar blijft onveranderlijk weldoen, ook jegens ondankbaren en
onwaardigen. Daarentegen moet men als het om het heil gaat, als de fanatici
liegen en onder de schijn van waarheid dwalingen leren en die aan velen
opleggen, helemaal geen liefde te betrachten, dan mag men geen enkele dwaling
aanvaarden. Hier verspilt men niet een weldaad aan een ondankbare, maar verliest
men het Woord, het geloof, Christus, het eeuwige leven enz. Daarom, als u God in
热n leerstuk loochent, hebt u Hem in alle geloochend, want men kan God niet
over vele leerstukken verdelen, maar Hij is in ieder leerstuk afzonderlijk en in
alle leerstukken tegelijk geheel en al de ene God. Daarom moeten wij de
sacramentari蝦s, die ons tegenwerpen dat de liefde door ons verwaarloosd wordt,
dit woord van de apostel Paulus voorhouden: 'Een weinig zuurdesem' enz.; en
verder: met de eer, het geloof en het oog kan men geen spel spelen. (...)
De
leer is de zonnestraal, die van de hemel komt, ons verlicht, ons in brand zet en
leidt. Maar zoals de wereld met al haar wijsheid en macht de zonnestralen, die
van de hemel rechtstreeks naar de aarde komen, niet besturen kan, zo kan ook aan
de geloofsleer niets worden toegevoegd of ontnomen, zonder haar geheel te
verwoesten.
5:10 lk vertrouw van u in de Heere . . .
Paulus
wil zeggen: ik heb genoeg vermaand, onderwezen en bestraft, als jullie er maar
naar zouden willen luisteren; maar ik vertrouw jullie nochtans in de Heere. Hier
rijst de vraag, of Paulus er goed aan gedaan heeft te zeggen, dat hij de Galaten
vertrouwt, daar toch de Heilige Schriften het vertrouwen op mensen verbieden.
Beide, het geloof en de liefde, koesteren vertrouwen, toch is het vertrouwen van
beide niet op hetzelfde gericht. Het geloof vertrouwt op God, daarom kan het
niet teleurgesteld worden, de liefde vertrouwt op mensen, daarom wordt zij
dikwijls teleurgesteld. Maar het vertrouwen van de liefde is voor dit
tegenwoordige leven zo nodig, dat het leven in deze wereld niet zonder dit
vertrouwen van de liefde denkbaar is. Want als geen mens de ander wilde geloven
en vertrouwen, wat zou er dan van dit leven op aarde terecht komen? De
christenen geloven eerder door de liefde dan de kinderen dezer wereld; het
vertrouwen jegens mensen in de vromen is namelijk een vrucht van de Heilige
Geest of van het christelijk geloof. Daarom vertrouwt Paulus ook de gevallen
Galaten, maar in de Heere. Het is, alsof hij wilde zeggen: ik vertrouw jullie
voorzover de Heere in jullie is en jullie in Hem zijn, d.w.z. zover jullie in de
waarheid blijven. Als jullie van de waarheid afvallen en je door de dienaren van
de duivel laten bedriegen, kan ik jullie verder ook niet vertrouwen. Op deze
manier is het de vromen geoorloofd, de mensen te geloven en te vertrouwen.
5:10 . . . dat gij niet anders zult gevoelen . .
.
Namelijk
met het oog op leer en geloof, op alles, wat jullie van mij gehoord en geleerd
hebben, d.w.z. ik vertrouw, dat jullie een andere leer, die van de mijne
afwijkt, niet zullen aannemen.
5:10 . . . maar die u ontroert, zal het oordeel
dragen, wie hij ook zij.
(...)
Paulus wil zeggen: waarom luisteren jullie toch naar deze verderfelijke mensen,
die jullie niet onderwijzen maar verwarren? De leer die zij brengen is niets
anders dan verwarring van de gewetens. Daarom, hoe aanzienlijk ze ook mogen
zijn, zij zullen hun straf niet ontlopen. Uit de woorden 'wie hij ook zij' kan
men besluiten, dat de valse apostelen voor het oog zeer goede en heilige mannen
zijn geweest, ja misschien was onder hen wel een uitstekende leerling van de
apostel, met een grote naam, een man van autoriteit. Niet voor niets gebruikt de
apostel Paulus zulke grote en veelbetekenende woorden. (...) Het lijdt ook geen
twijfel, dat door deze heftigheid van de apostel velen diep beledigd werden en
dachten: waarom doet Paulus afbreuk aan de liefde? Waarom is hij zo hardnekkig
in een zo onbelangrijke kwestie? Waarom spreekt hij zo regelrecht het vonnis
uit, dat hen tot eeuwige verdoemenis veroordeelt, die toch op dezelfde manier
dienaren van Christus zijn als hijzelf? Paulus laat zich door zulke bezwaren
niet tegenhouden, ja met alle stelligheid vervloekt en verdoemt hij degenen, die
aan de leer van het geloof afbreuk doen, al mogen ze voor het oog ook nog zulke
heilige, geleerde en achtenswaardige mannen zijn.
Op
soortgelijke wijze houden wij tegenwoordig voor buitengesloten en verworpen
degenen, die het leerstuk over het sacrament van het lichaam en bloed des Heeren
voor een twijfelachtige zaak houden of de woorden v~n Christus, gesproken bij
het laatste avondmaal, geweld aandoen. Wij willen alle stukken van de
christelijke leer, de grote en de kleine (ofschoon er voor ons geen kleine
leerstukken bestaan) met de grootste gestrengheid zuiver en zeker bewaren. Dat
is hoogst noodzakelijk. Want de leer is ons enige licht, dat ons verlicht en
leidt en de weg naar de hemel wijst. Als dit licht voor een deel uitgaat, kan de
liefde ons niet helpen. Wij kunnen zonder liefde en eensgezindheid met de
sacramentari蝦s zalig worden, maar niet zonder de zuivere leer en het geloof.
Voor het overige zullen wij graag de liefde en de eendracht bewaren met hen, die
met ons in vrome eensgezindheid ten aanzien van de artikelen van de christelijke
leer leven. Wij zullen ook, voorzover het aan ons ligt, de vrede bewaren met
onze vijanden en voor hen bidden, die onze onderwijzingen uit onkunde lasteren
en ons vervolgen; maar zo kunnen wij niet omgaan met hen, die bewust en tegen
het geweten in, afbreuk doen aan 热n of meerdere artikelen van de christelijke
leer. (...)
Daarom,
zoals ik al zo dikwijls vermaande, moet men leer en leven wel onderscheiden. De
leer is de hemel, het leven is de aarde. In het leven is zonde, dwaling,
onreinheid en ellende, zoals men pleegt te zeggen: zo zuur als azijn. Daar moet
de liefde goedmaken, verdragen, daar moet men ook kunnen schertsen, daar komt
het op het geloof, op de hoop aan, daar moet men alles verduren, daar neemt de
vergeving van de zonden de eerste plaats in, als tenminste zonde en dwaling niet
in bescherming worden genomen! Maar in de leer is er geen ruimte voor dwaling,
daarom is hier ook geen sprake van zondenvergeving. Dus is een vergelijking
tussen leer en leven in geen geval toelaatbaar. (...) Onze leer is God zij dank
zuiver, alle artikelen van het christelijk geloof zijn bij ons stevig verankerd
in de Heilige Schriften. Deze zuivere leer zou de duivel graag willen bevlekken
en verwoesten, daarom komt hij zo sluw met dit indrukwekkend argument van de
liefde en de eensgezindheid der kerken, waaraan geen afbreuk zou mogen worden
gedaan.
5:11 Maar ik, broeders, indien ik nog de
besnijdenis predik, waarom word ik nog vervolgd? Zo is dan de ergernis des
kruises vernietigd.
Om
niets onbeproefd te laten, de Galaten terug te roepen, argumenteert Paulus nu
vanuit het voorbeeld van zijn eigen leven. Hij zegt, ik heb mij de bitterste
haat en de vervolging door de overpriesters en door de oudsten van het volk op
de hals gehaald, omdat ik besnijdenis en gerechtigheid van elkaar scheid. Als ik
de gerechtigheid aan de besnijdenis zou toeschrijven, dan zouden de joden mij
niet vervolgen, zij zouden mij veeleer prijzen en zeer liefhebben. Maar daarom,
omdat ik het Evangelie van Christus erl de gerechtigheid door het geloof
onderwijs en de wet en de besnijdenis niet laat gelden voor het verkrijgen van
de gerechtigheid, sta ik bloot aan vervolging. Daarentegen willen de valse
apostelen het kruis en de bitterheid van de haat van het joodse volk niet dragen
en daarom prediken zij de besnijdenis en komen zo bij de joden in de gunst en
worden goede vrienden met hen. Daarom staat er in hoofdstuk 6:12: 'Zij noodzaken
u besneden te worden' enz. Tenslotte zouden zij het liefst maken, dat er geen
enkele onenigheid, maar opperste vrede en eensgezindheid tussen heidenen en
joden zou heersen. Maar dat is zonder schade aan de geloofsleer onmogelijk, want
het is de leer van het kruis en vol ergemissen.
Met
vers 11 wil Paulus te verstaan geven, dat het ongerijmd en onwaardig zou zijn
als de ergernis van het kruis zou ophouden. In 1 Korinthe 1:17 staat: 'Christus
heeft mij gezonden om het Evangelie te verkondigen, niet met wijsheid van
woorden, opdat het kruis van Christus niet van zijn kracht beroofd worde.' Alsof
Paulus wilde zeggen: ik zou niet graag willen, dat de ergemis en het kruis
zouden hebben afgedaan. Iemand zou kunnen zeggen: de christenen moeten toch wel
grote dwazen zijn, dat zij zich uit vrije wil in gevaar begeven. Want met hun
prediking bewerken zij niets anders dan dat zij zich de toorn en de haat van de
wereld op de hals halen en ergernis wekken. (...) Maar, zegt Paulus, dat
verdriet en verwart ons niet, maar maakt ons slechts moedig en welgemoed ten
aanzien van de gelukkige voortgang en wasdom van de Kerk, die groeit en bloeit
onder het kruis. Want Christus, het Hoofd en de Bruidegom van de Kerk, moet
'midden onder Zijn vijanden heersen' (Psalm 110:2). Als daarentegen het kruis
heeft afgedaan en de woede van de tirannen en de ketters alsmede de ergernissen
opgehouden zijn en 'de duivel zijn hof bewaart en alles in vrede leeft' (Lukas 1
1 :2 1), dan is dat het zekerste teken, dat het zuivere onderwijs van het Woord
is opgehouden. (...)
Daarom
houdt Paulus het voor een zeker teken dat het niet over het Evangelie gaat, als
het in een veilige vrede gepredikt wordt. De wereld houdt het daarentegen voor
een zeker teken dat het Evangelie een ketterse en oproerige leer is, omdat zij
ziet dat op de verkondiging ervan verschrikkelijke onrust, verwarring,
ergernissen, sekten enz. volgen. Zo zet God het masker van de duivel op en
anderzijds doet de duivel het masker van God voor. En God wil dat we Hem onder
het masker van de duivel herkennen, maar de duivel onder het masker van God moet
verworpen worden. (...)
Kortom:
de kerk moet vervolging lijden, als zij het Evangelie zuiver onderwijst. Het
Evangelie predikt de barmhartigheid en de eer van God en opent de ogen voor de
boosheid en de list van de duivel, ja het schildert hem in zijn eigen kleuren en
rukt hem het masker af van de goddelijke majesteit, waard~or hij op de gehele
wereld indruk maakt. Het Evangelie laat ons zien dat alle vormen van eredienst
en devotie, alle rangen en standen, die door mensen uitgedacht zijn, verder alle
tradities van het celibaat, van spijzen enz., waardoor de mensen vergeving van
zonden en rechtvaardiging willen verwerven, goddeloze en demonische leringen
zijn. Door niets wordt de duivel meer geprikkeld dan door de prediking van het
Evangelie, die rukt hem het masker van God af en verraadt wat hij in waarheid
is, namelijk de duivel en niet God. Daarom is het onmogelijk, dat daar waar het
Evangelie bloeit, geen vervolging plaats heeft, ofwel de duivel is met zekerheid
nog helemaal niet echt getroffen, maar hoogstens nauwelijks aangeraakt. Als hij
werkelijk getroffen wordt, rust hij niet, maar begint hij vreselijk te woeden en
alles in verwarring te brengen. (...)
5:12 Och, of zij ook afgesneden werden, die u
onrustig maken!
Is
dat nog apostolisch, dat men niet alleen verklaart dat de valse apostelen mensen
zijn die alles in verwarring brengen, dat men ze niet alleen verdoemt en aan de
duivel overgeeft, maar hen ook nog toebidt dat ze geheel en al uitgeroeid en
verdorven mochten worden, wat toch wil zeggen: ze totaal vervloeken? Maar ik
denk dat Paulus hier zinspeelt op de besnijdenis, alsof hij wilde zeggen: zij
dwingen jullie tot besnijdenis, dat zij nu zelf met wortel en tak worden
afgesneden!
Dan
rijst de vraag, of het een christen geoorloofd is te vervloeken. Antwoord: ja,
maar niet altijd en niet om elke willekeurige reden. Als het zover gekomen is,
dat Gods Woord vervloekt wordt of de leer en bijgevolg dus God Zelf gelasterd
wordt, keer dan die uitspraak om en zeg: geloofd zij het Woord en geloofd zij
God en vervloekt zij, wie of wat buiten het Woord en buiten God staat, of het nu
een apostel is of een engel uit de hemel (Galaten 1:8). Hier ziet u, dat Paulus
een weinig zuurdeeg zo belangrijk vindt, dat hij het waagt de valse apostelen,
die voor het uiterlijk mannen van gewicht waren, te vervloeken. Daarom mogen ook
wij het zuurdeeg van de valse leer niet onbelangrijk achten; al is het nog zo
gering, als men er niet op let, dan is het er schuldig aan dat langzamerhand de
waarheid en het heil verloren gaan en God verloochend wordt. Als namelijk het
Woord verdraaid wordt en God, zoals daaruit noodzakelijk volgen moet,
verloochend en gelasterd wordt, kan men niet meer op zaligheid hopen. Maar als
wij gelasterd, vervloekt en gedood worden, dan is Hij er nog, Die ons kan
opwekken en van de vloek, de dood en de hel bevrijden. (...)
Nu
volgen vermaningen en geboden betreffende de goede zeden. Dat is namelijk de
gewoonte van de apostel: na de leer van het geloof en de onderwijzing van de
gewetens, geeft hij geboden voor een christelijke levenswandel en vermaant de
gelovigen, dat zij elkaar de ware vroomheid in liefde zullen bewijzen. Dit
gedeelte van de leer kan ook door het gezonde verstand enigermate begrepen en
onderwezen worden, terwijl het immers van de geloofsleer helemaal niets kan
vatten. Opdat dus niet de schijn gewekt worde, dat de christelijke leer de goede
zeden ondermijnt en zich kant tegen de verordeningen van het openbare leven,
geeft de apostel ook vermaningen ten aanzien van de goede zeden en een eerbare
levenswandel, ten aanzien van de liefde, de eensgezindheid enz. De wereld kan de
christenen er dus slechts ten onrechte van beschuldigen, dat zij de goede zeden
ondermijnen, dat zij de openbare orde verstoren en aan de eerbaarheid afbreuk
doen enz; het tegendeel is waar: de christenen geven de goede zeden en deugden
beter door dan alle filosofen of overheden, want de christenen voegen er het
geloof bij.
5:13 Want gij zijt tot vrijheid geroepen,
broeders; alleen gebruikt de vrijheid niet tot een oorzaak voor het vlees, maar
dient elkander door de liefde.
Paulus
wil zeggen: jullie hebben de vrijheid gekregen door Christus, d.w.z. jullie
staan ver boven alle wetten, naar het geweten en voor God, jullie zijn zalig en
gered, Christus is jullie leven. Daarom kan de wet, de zonde, de dood jullie nog
wel verschrikken, maar niet meer schaden en tot wanhoop brengen. Dat is jullie
heerlijke en onuitsprekelijke vrijheid. Nu is het aan jullie, om je er
zorgvuldig voor te hoeden, dat je deze vrijheid niet tot een welkome gelegenheid
voor het vlees gebruikt. (...)
Het
vlees begrijpt immers helemaal niets van de leer der genade, dus daarvan dat wij
door werken niet gerechtvaardigd worden, maar alleen door het geloof, dat het
recht van de wet niet voor ons geldt. Daarom als het deze leer hoort, maakt het
daarvan teugelloosheid en laat zich dus als volgt uit: als wij zonder wet zijn,
laten wij dan leven zoals wij willen, laten wij niets goeds doen, laten wij
niets aan de armen schenken en laten wij vooral geen kwaad lijden, er is immers
geen wet, die ons zou kunnen dwingen of binden.
Daarom
dreigt van twee kanten gevaar, waarbij echter het ene gevaar nog beter te
verdragen is. Als de genade en het geloof niet gepredikt worden, wordt niemand
zalig, want alleen het geloof rechtvaardigt en redt. Daarentegen, als het geloof
gepredikt wordt, zoals het gepredikt moet worden, verstaat het grootste deel van
de mensen de leer van het geloof vleselijk en trekt de vrijheid van de Geest in
de vrijheid van het vlees. Dat kan men tegenwoordig in alle lagen van de
bevolking zien, zowel bij de bovenste als bij de onderste. Allen beroemen zich
erop dat ze evangelisch zijn, ze beroemen zich op de christelijke vrijheid en in
werkelijkheid volgen ze hun begeerten na en keren zich tot gierigheid, wellust,
hoogmoed, jaloersheid enz., niemand doet wat hij schuldig is te doen, niemand
dient de ander door de liefde enz. Deze stuitende ongerijmdheid maakt mij soms
zo boos, dat ik vaak wens dat deze zwijnen, die de parels met voeten treden
(Matth萿s 7:6), ook verder maar onder de tirannie van de paus mochten blijven.
Het is onmogelijk dit volk van Gomorra met het Evangelie des vredes te regeren.
Ja
wijzelf, die het Woord onderwijzen, doen ons werk niet met die zorgvuldigheid en
ijver ‑ nu wij in het licht staan ‑ waarmee wij dat vroeger in de
duisternis der onwetendheid gedaan hebben. Des te zekerder wij ten aanzien van
de door Christus verworven vrijheid zijn, des te kouder en matter zijn wij in
het uitleggen van het Woord, in het bidden, in het doen van goede werken, in het
verdragen van kwaad enz. Als de satan ons niet innerlijk met geestelijke
aanvechtingen zou plagen en uiterlijk met vervolgingen door de tegenstanders,
als hij ons niet voortdurend met de verachting en de ondankbaarheid van onze
eigen mensen zou lastig vallen, dan zouden wij heel zelfverzekerd, traag en tot
alle goede werken ongeschikt worden en zo zouden wij langzamerhand de kennis van
en het geloof in Christus verliezen, de bediening van het Woord verwaarlozen, ja
we zouden een levenswijze zoeken die gemakkelijker is voor ons vlees. Dat is
precies datgene, wat de meesten van de onzen beginnen te doen, aangezet door de
omstandigheid dat zij wel in het Woord arbeiden, maar daarmee niet alleen niet
in hun levensonderhoud kunnen voorzien, maar bovendien nog zeer onwaardig
behandeld worden door degenen, die zij door de verkondiging van het Evangelie
uit de jammerlijke slavernij van de paus hebben bevrijd. Als zij dan de arme en
verachte Christus hebben verlaten, raken zij verward in de zaken van het
tegenwoordige leven en dienen hun buik en niet Christus; zij zullen echter bij
tijd en wijle ervaren, welke vrucht daaruit voortkomt.
Opdat
de christenen dus niet, zoals wij zeiden, deze vrijheid zouden misbruiken, legt
de apostel hun vlees de dienstbaarheid door de wet op en die houdt wederzijdse
liefde in. Daarom moeten de vromen er zichzelf aan herinneren, dat zij in hun
geweten wel vrij zijn van de vloek der wet, van de zonden en van de dood en dat
dan alleen om Christus' wil, maar dat zij naar het lichaam dienstknechten zijn.
Dan moet de een de ander door de liefde dienen naar dit gebod van Paulus. Een
ieder moet dus zijn best doen, in zijn beroep getrouw zijn plicht te vervullen
en zijn naaste te helpen zoveel hij kan. Dit eist Paulus van ons met deze
woorden: 'Dient elkander door de liefde'; deze woorden laten de heiligen naar
het vlees niet vrij, maar onderwerpen hen aan de dienstbaarheid enz. (...)
5:14 Want de gehele wet wordt in 热n woord
vervuld, namelijk in dit: Gij zult uw naaste liefhebben gelijk uzelven.
Telkens
als Paulus het fundament van de christelijke leer gelegd heeft, pleegt hij
'daarop te bouwen goud, zilver en kostelijk gesteente' (1 Korinthe 3:12). Het
fundament is echter niets anders, zoals Paulus tot de Korinthi蝦s zegt, dan
Jezus Christus Zelf of de gerechtigheid van Christus. Op dit fundament bouwt hij
nu goede werken en wel waarlijk goede werken, die hij alle samenvat in het korte
gebod: 'Gij zult uw naaste liefheb ben als uzelf.' Paulus wil zeggen: als ik
zeg, dat jullie elkaar door de liefde moeten dienen, dan beveel ik datgene, wat
de wet op een andere plaats zegt: 'Gij zult uw naaste liefhebben enz.'
(Leviticus 19:18). Dat is nu werkelijk de Schrift en Gods geboden uitleggen. Het
besef dat de sofisten van het woord liefde hebben, is volkomen koud en leeg; zij
zeggen name lijk dat de liefde niets anders is dan het goede willen voor een
mens of de liefde is een het gemoed aanklevende deugd, waardoor het hart van een
mens bewogen wordt tot iets dat men een daad van goede wil noemt. Dat is een
volkomen naakte, magere en levenloze (letterlijk: wiskundige) liefde, die, zou
ik willen zeggen, nog geen vlees en bloed geworden is en dus niet tot werken
komt. Paulus zegt daarentegen, dat de liefde een dienares moet zijn en als zij
niet in het werk der dienstbaarheid bezig is, dan is zij nog geen liefde.
Terwijl
Paulus het gebod van de liefde uitlegt, berispt hij tussen de regels door die
dwaze leraars, op wie hij nu zijn pijlen richt, om ook zijn leer over de werken
tegen hen te verdedigen en hard te maken. Paulus wil zeggen: jullie Galaten,
jullie heb ik tot dusver onderwijs in het ware geestelijke leven gegeven, nu wil
ik jullie ook de waarlijk goede werken leren en wel daarom, opdat jullie inzien,
hoe pover die belachelijke en fanatiek beoefende (misschien ook: dweepziek
verzonnen) werken der ceremoni蝞, waarop alleen de valse apostelen zo sterk de
nadruk leggen, afsteken bij de werken der liefde. Dat is de dwaasheid en de
razernij van alle goddeloze leraars en dweepzieke geesten, dat zij niet alleen
het ware fundament en de zuivere en volkomen leer verlaten, maar ook nooit tot
de waarlijk goede werken komen, omdat zij nu eenmaal in hun waan gevangen
blijven. Daarom 'bouwen ze op het fundament' zoals Paulus in 1 Korinthe 3:12
zegt, 'hout, hooi en stoppelen'. Zo onderwezen de valse apostelen, die met alle
hevigheid op werken stonden, niet met nadruk dat men de werken der liefde moet
doen, dat de christenen elkaar wederzijds moeten liefhebben, dat ze bereid
behoren te zijn de naaste in iedere nood te helpen, niet slechts voorzover
mogelijk, maar met hun hele hebben en houden, d.w.z. met de tong, de hand, het
hart en met alle krach ten. Nee, zij stonden er enkel en alleen op dat men zich
zou laten besnijden, zich aan bepaalde dagen en maanden zou houden enz.; andere
werken konden zij niet onderwijzen. Want als het fundament Christus terzijde
gesteld en de leer van het geloof verduisterd is, dan is het onmogelijk, welk
waar gebruik en goede beoefening van en welke mening dan ook over de goede
werken over te houden. Als de boom is omgehouwen, dan zijn noodzakelijk ook de
vruchten weg. (...)
En
zo hebben de mensen onder het pausdom de dwaze en ijdele werken gedaan, die God
niet voorschrijft en gebiedt, en wel met het grootste genoegen en met de
grootste zorgvuldigheid, met brandende ijver en ten koste van zeer veel. Deze
ijver, aan ijdele zaken besteed, zien wij tegenwoordig bij de sektari蝦s en hun
leerlingen, vooral bij de wederdopers. Ook in onze gemeenten, waar de ware leer
van de goede werken zeer zorgvuldig wordt ingeprent, heerst ‑ men kan er
nauwelijks over spreken ‑ een overmaat van zorgeloosheid en slaperigheid.
Hoe meer wij de mensen oproepen goed te doen, liefde tegenover elkaar te
betrachten, af te zien van het zorgen voor de buik enz., des te slaperiger en
kouder worden zij en laten ze het beoefenen van de praktische vroomheid
achterwege. Daarom haat de duivel niet alleen de leer van het geloof, maar ook
die van de goede werken en verhindert ze. Nu eens zo, dat onze mensen ze
helemaal niet leren kennen of zo zij deze leer al kennen, die dan nog niet met
daden staven, en dan weer zijn daar de huichelaars en ketters die deze leer
volkomen uit de gedachten bannen en intussen daarvoor in de plaats de dwaze
ceremoni蝞 of een paar belachelijke en met dweepzuchtige spitsvondigheid
verzonnen werken stellen, waardoor vleselijke mensen gemakkelijk gevangen kunnen
worden. De wereld wordt nu eenmaal niet door het Evangelie en het geloof
geregeerd, maar door de wet en het bijgeloof.
De
apostel vermaant dus de christenen emstig, dat zij, nadat zij de zuivere leer
van het geloof gehoord en aangenomen hebben, ook goede werken doen. In de
gerechtvaardigden blijven immers de resten van de zonde, die hen zowel van het
geloof als van de goede werken afschrikken en verjagen. Dan is daar nog het
menselijk verstand en ook het vlees, dat in de heiligen de Geest wederstaat (bij
de goddelozen heerst het toch al met grote kracht), dat van nature met
farizeische vrome inbeeldingen behept is en naar Psalm 4:3 'de ijdelheid bemint
en de leugen zoekt'. D.w.z. het menselijk verstand en het vlees scheppen er meer
behagen in vanuit menselijke gedachten te bepalen wie God is, dan aan Zijn Woord
het beslissende daarover te ontlenen. En tenslotte doen het vlees en het ver
stand met zeer grote ijver de zelfgekozen werken als waren die de door God
gebodene. Daarom moeten vrome leraars even zorgvuldig en ingespannen hun best
doen de oprechte liefde in te prenten en aan te dringen op de waarlijk goede
werken, als dat zij zich moeten interesseren voor het ware geloof. Niemand denke
dus, dat hij dit gebod: 'Gij zult uw naaste liefhebben als uzelf' volkomen kent.
Wat de woorden zelf betreft, is het heel kort en schijnt het zeer gemakkelijk te
volbrengen, maar laat mij toch de leraars en hoorders maar eens zien, die in
leer en leven dit gebod op de juiste wijze betrachten en volbrengen, ik zie
zowel de eersten als de laatsten verslappen en verstarren. Daarom zijn deze
woorden: 'Dient elkander door de liefde' en 'Gij zult uw naaste liefhebben als
uzelf', eeuwig, die niemand, al is hij ook nog zo vroom, genoegzaam overdenkt,
als belangrijk opvat en in praktijk brengt. En wat zo wonderlijk is, de vromen
hebben de aanvechting dat hun geweten al gauw bezwaard is, als zij de een of
andere kleinigheid die zij hadden moeten doen, nalaten. Maar zij voelen zich
niet in gelijke mate bezwaard, als zij de liefde veronachtzamen (wat dagelijks
geschiedt) en zich niet met een zuiver broederlijk hart jegens hun naaste doen
kennen. Het gebod der liefde achten zij namelijk niet zo hoog als hun gedachten
over hun eigen heiligheid, waarvan zij in dit leven niet volkomen vrij zijn enz.
(...)
God
wordt echt niet verblijd door het inachtnemen van de in de wet voorgeschreven
riten, Hij heeft die ook niet nodig, maar d~t eist Hij van u dat u in Christus
gelooft, Die God gezonden heeft; dan bent u in Hem volmaakt en hebt u alles. Als
u echter aan het geloof, dat voor God de allerliefste eredienst is, de wetten
wilt toevoegen, dan moet u weten, dat in dit allerkortste gebod: 'Gij zult uw
naaste liefhebben als uzelf' alle wetten samengevat zijn. Zoek deze wet te
houden; als u die gehouden hebt, dan hebt u alle wetten gehouden. (...)
Natuurlijk
zeggen zulke werken het verstand niets, dat de een de ander in liefde dient, dat
hij een dwalende onderwijst, een verslagene troost, een zwakke opricht, een
naaste op enigerlei wijze helpt, de boerse zeden en de lompheid van een ander
verdraagt, zich in de kerk en in het openbare leven met gelijkmoedigheid de
onhebbelijkheden, de verdrietelijkheden, de ondankbaarheid en de verachting van
de mensen laat welgevallen, dat hij gehoorzaamt wie boven hem gesteld zijn, zijn
ouders eert, thuis geduld heeft met een knorrige echtgenote en met een
onuitstaanbaar gezin enz. Maar geloof mij, deze werken zijn zo uitnemend en
heerlijk, dat de hele wereld hun nut en verdienste niet begrijpt (ze beoordeelt
immers de werken of wat voor andere dingen ook niet naar het Woord van God, maar
naar het oordeel van het goddeloze, blinde en dwaze verstand), ja zij kan niet
eens de waarde van een enkel heel gering goed werk bevroeden.
Zo
zijn al diegenen in een grote dwaling verstrikt, die dromen dat zij het gebod
der liefde goed begrijpen; zeker, dit gebod is in hun hart geschreven, omdat zij
geheel natuurlijk oordelen, dat men de ander moet doen, wat ieder zichzelf
gedaan wenst; maar daaruit volgt nog niet, dat zij het gebod kennen, want anders
zouden zij het door hun daad doen blijken en zouden zij de liefde boven de
werken stellen, zij zouden dan niet zoveel waarde hechten aan hun eigen
bedenksels en zouden hun kinderachtige en bijgelovige hersenspinsels niet als zo
verheven aan de man brengen; het gaat hun immers al te zeer om zulke dingen: met
een bedroefd gezicht en een hangend hoofd rondlopen, ongetrouwd blijven, op
water en brood leven, in de woestijn wonen, vuile gewaden dragen en dergelijke.
Dat zijn echter zonderlinge en bijgelovige werken, die zij zich zonder bevel en
goedkeuring van God verkiezen; deze werken houden zij voor zo voortreffelijk en
heilig, dat zij denken dat die hoog verheven zijn boven de liefde, die toch de
zon van alle werken is, en dat die een helderder licht zouden verspreiden. Zo
onbegrijpelijk en oneindig is de blindheid van het menselijk verstand, dat het
niet alleen met betrekking tot het christelijk geloof, maar ook met betrekking
tot het leven en de goede werken geen goed oordeel heeft. Daarom moeten wij maat
ijverig tegen de denkbeelden van ons eigen hart strijden, waarop wij, als het
over het heil gaat, van nature liever zouden steunen dan op het Woord van God.
En verder moeten wij ons keren tegen de vrome en heilige schijn van de
zelfgekozen werken; wij moeten leren die werken hoog te schatten, die ieder in
zijn beroep verricht, al schijnen zij ook voor het uiterlijk gering en
verachtelijk; zij zijn echter goed, als zij verricht worden naar een bevel van
God. Tegelijkertijd is het zaak, alle werken die het verstand zonder Gods bevel
verkiest, te verachten, al mogen zij nog zo heerlijk, gewichtig, groot en heilig
schijnen.
Dit gebod heb ik ergens anders zorgvuldig en uitvoerig besproken, daarom