Korte schets van de bekeringsweg en ontvangen weldaden van Keetje Moens

 

Brief van Cornelia de Visser-Moens,

Geboren te Zoutelande op 9 augustus 1887

Gehuwd met Willem de Visser

"Schoolzicht", Aagtekerke.

Overleden te Aagtekerke op 17 april 1956.

 

Aan

Haar kinderen en kleinkinderen,

met de bedoeling dat deze brief eerst na haar dood zou worden overhandigd.

Aan welke wens in september 1959 kon worden voldaan.

 

 

 

 

Aagtekerke, 30 januari 1947

 

Geliefde kinderen en kleinkinderen,

 

Het is al lang mijn begeerte, om in de vorm van een brief enige trekken uit mijn leven op te schrijven. Maar zag ik op de kostelijke boeken ontviel mij de moed, en dan weer geen gelegenheid. Maar lezende in het boekje van Ds. Hofman, werd ik er weer bij bepaald, zodat ik nu onder biddend opzien tot de Heere een begin maak, met de begeerte zo het niet goed is het maar afgebroken mag worden.

Van dat ik een kind was had ik o zo vroeg indrukken van dood en eeuwigheid. Op 12 jarige leeftijd op een Zondag middag in juli kreeg ik het zo benauwd met mijn schuld en zonde, en ik de keus deed om de wereld een scheidbrief te geven.

Vader en Moeder vonden dat goed en ook mijn broer, die was nog maar negen jaar; in die weg geen tegenstand. maar de benauwdheid was groot, dag en nacht voor oog wat het was onbekeerd te wezen. Het was ieder ogenblik of ik zou sterven en dan God te ontmoeten dan zag ik de hel voor me open en zo voort getobd tot Februari en dan op een nacht met deze woorden: "Komt tot Mij, allen die vermoeid en belast zijt, en Ik zal U ruste geven." En dat was zo groot, dat God riep "Komt tot Mij" en nu kon ik nog zalig worden, dat brak die vreselijke banden van wanhoop en ik kreeg meer lust om naar de kerk te gaan en in het onderzoek van Gods Woord. Maar onder dat alles bleef ik ongelukkig en tobbende, hoe kom ik met God verzoend.

Tot mijn 15de jaar en toen op een middag werd ik zo op mijn schuld gewezen, dat ik maar uit mocht roepen: "Heere, het zou rechtvaardig zijn al moest ik eeuwig omkomen."

En toen met deze woorden: "Ik heb U liefgehad met een eeuwige liefde en daarom heb ik U getrokken met koorden van goedertierenheid." En toen moest ik maar zeggen, hoe kan dat, dat Hij mij lief heeft en toen deze woorden: Alzo lief heeft God de wereld gehad, dat Hij Zijn eniggeboren Zoon gegeven heeft, en werd ik ingeleid in het paradijs; daar vrij en moedwillig van de Heere afgeweken zijn wij Zijn beeld verloren maar hoe nu in de stilte der eeuwigheid een weg uitgedacht is voor een gevallen Adamskind.

Alzo lief heeft Hij de wereld gehad en nu die Gifte des Zoons wat was dat groot, nu kon ik zalig worden zonder krenking van Gods deugden.

Toen gevoelde ik mij zo gelukkig. Dat mijn schuld bedekt en niet vergeven was daar had ik geen erg in, dat kwam wel later. Wat heb ik toen gezongen van de verlossing die er in Christus is; zalig worden omdat God het wil. Nu werd er zo een levensmoed voor mij ontsloten en ik voelde mij zo gelukkig.

Nu zal ik alle strijd ook in mijn kerkelijk leven (Heere, waar legert Gij de kudde op den middag) voorbij gaan.

Ik ben bij Ds. Kieviet op de Vrage [catechisatie] gekomen en dat is waar, die is mijn geestelijke Vader geworden in het onderwijs bij hem genoten. Ik werd gevraagd om belijdenis te doen maar dan ben ik nog ziek geworden en in die ziekte ben ik daar veel mee bezig geweest. En werd ik zo ingewonnen met die woorden: "Geef Mij de hand en kom tot Mijn Heiligdom" dat ik zon begeerte kreeg om in het midden van de gemeente voor God en mensen te beloven om de wereld te verlaten, en mocht ik er iets van verstaan: ik zal me nog geringer aanstellen, met die dienstmaagden zal ik verheerlijkt worden.

Wat was dat een liefdedienst, en de weg is gebaand om het te mogen doen op 20 jarige leeftijd. Dat is een onberouwelijke keus. Ik heb nu de leeftijd van 59 jaar en dan moet ik wel zeggen, hulp van God, verkregen hebbende sta ik tot op deze dag.

Wat zal het wezen door "door U alleen om het eeuwig welbehagen." Dan is alle roem uitgesloten in zichzelven, en mag de kerk bij ogenblikken roemen in haar Koning de Gegevene des Vaders, vol genade en waarheid. Hij is blank en rood en draagt de banier boven tienduizend en daarom kon de bruid getuigen: ziet mij niet aan dat ik zwartachtig ben. Wat mag dan een ziel mijnen en zien op die gebaande weg, die Rotsteen Wiens werk alleen volkomen is. Want alles wat van ons is zal geen dageraad hebben. Alleen Zijn eigen werk zal gekroond worden.

En veel was ik bij dat volk, wat hebben wij dikwijls tot midden in de nacht zitten spreken over de wegen des Heeren. En in die tijd was menigmaal mijn begeerte om ontbonden te worden en met Christus te zijn, om van een lichaam der zonde verlost te worden. Wat was ik daar werkzaam mee en wat had de wereld weinig waarde. Maar in die toestand werd ik bepaald bij deze woorden: "Ik bidde niet dat Gij ze uit de wereld weg neemt maar dat Gij ze bewaard van den boze". Toen geloofde ik dat mijn weg niet ten einde was maar dat ik nog door vele verdrukkingen heen zou moeten, maar zag toen zoveel in die voorbidding, dan kan het.

"Al loopt hun pad dan door de zee,
hen zullen als op Mozes bee,
geen golven overstromen."

Wat heb ik dat mogen ondervinden maar dat neemt niet weg dat ik dikwijls heb uitgeroepen "Hoe kom ik nog door Achors wegen". Soms midden in de verdrukking uit; en inwendig, en dat verdorven bestaan. Want in die eerste tijd kan alles zo aan banden liggen. Maar wat leert hij kennen het is niet alleen dit kwaad dat roept om straf maar ik ben in ongerechtigheid geboren, de wortel bedorven, en als vrucht van de zonde spaart Hij geen vlees en bloed maar gebruikt soms zulke diepe wegen om hen daaraan bekend te maken dat hij verdorven is en blijft.

Maar wat wordt genade dierbaar als hij in die ontdekking onderwijs mag ontvangen, want al Zijn kinderen zullen toch van den Heere geleerd worden en wat wordt de zonde bitter en maakt ze scheiding.

Dus zoals ik schreef zag ik dat ik midden door het leven moest en Zijn Raad uit mocht dienen.

Op 24 jarige leeftijd ben ik getrouwd; de vele bezwaren die er voordeden ga ik voorbij.

Ons eerste kindje hebben we moeten missen. De weg van smart daaraan verbonden zal ik niet over schrijven. Er waren van het volk die geloofden, dat het een pareltje was aan Zijn Middelaarskroon; het is hopen want als je er over denkt kinderen voort te brengen ten eeuwigen dood; en dat is waar, nu zal de Heere zowel verheerlijkt worden in diegene die verloren gaan als behouden worden. Zo mocht ik ook overgeven dat Hij doet met hetgeen Hij wil, maar dat neemt niet weg de verzuchting voor kinderen en kleinkinderen en familie: "Mocht Gij ze wederbaren en bekeren".

En ik heb in alle gebrek en met veel tekort altijd gewezen, kinderen, om den Heere te zoeken in de weg van Zijn inzettingen. Hij is het zo waardig om er om gevraagd te worden. Wij mogen nooit met de besluiten werken, ach, onze vijandschap is in die weg zo groot. Wij zijn kinderen des duivels. Wat zal die eeuwigheid openbaren. Die twee wegen, eeuwig wel of eeuwig wee.

Wat zal het eenmaal voor Zijn volk mee vallen. Dan zullen ze geen vreemde God ontmoeten.

En zo zijn er enkele jaren verlopen in veel ziekte en rouw in de familie dat ik ondersteund ben maar geen doorleiding voor mijn zieleleven. Mijn schuld bedekt, maar niet verzoend, maar daar had ik geen erg in. Als de Heere overkwam had ik genoeg.

Zo was het ook nog in de week van voorbereiding, in de strijd van binnen niet anders denkende als dat ik niet zou durven de dood, des Heeren verkondigen, en dat bleef zo tot Zondagsmorgens en toen kwam de Heere over met deze woorden: "Ook verduistert de duisternis voor U niet maar de nacht licht als de dag" dat viel zo voor me open wat de Heere is voor Zijn volk, hoe dat al onze ontrouw Zijn trouw niet te niet doet. Wat heb ik het toen gemakkelijk mogen doen. Wat hebben we toen met het volk gezongen:

"Gelijk een vader hem pleegt te erbarmen
Over zijn kind, zo wil Hem God, ontfarmen
Over hen, die hem vrezen in t gemein.
Wat de mense zij dat bekend de Heere
Hij weet ook wel, dat wij, vol van onere,
Niet anders zijn dan stof en stank onrein."
En zo wisselen de wegen af.

Schreef ik dat we ons eerste kindje moesten missen, ons tweede kind was op 13 jarige leeftijd zo ziek, longontsteking, zeven dagen en nachten zonder kennis; en er bij zittend werd het mijn schuld zo te verduren [medelijden] en zocht de eenzaamheid; aan een Drie-enige God opgedragen bij de doop en nu met en voor mezelf geleefd en dan de schuld en de tekortkomingen in het opvoeden, niet alleen in het vermanen maar Gode te leven in de weg van heiligmaking, dat ik maar uit mocht roepen, het zou rechtvaardig zijn als Gij hem weg nam, maar ach, als het wezen mag, ontferm hem zijner. En dan werd ik zo bemoedigd met deze woorden: "Gods goedertierenheid duurt toch den gansen dag" en dan kon het om Zijns Zelfs wille, die grondslag van de liefde Gods in de eeuwigheid. t Was of de Heere zeide, Mijn kind, al komt gij Mij te verlaten, Ik zal U niet begeven of verlaten. Ik zal zijn die Ik zijn zal.

En ons derde kind, moest zes weken oud naar het ziekenhuis en ach, daar staat hij weer met lege handen en wat was ik bedroefd en zuchtend en wat komt dan de eigenliefde weer op de voorgrond. Maar onder al het tobben blijft toch op de bodem van zijn hart liggen: Heere, tot wien zullen wij anders henengaan, Gij hebt toch de woorden des eeuwigen levens. En die genadetroon staat dag en nacht open in en dat bloed en die gerechtigheid van de Heere Jezus die uitgeroepen heeft "Het is volbracht". Door Hem hebben we beiden den toegang door enen Geest tot den Vader.

En ook in die weg ondersteund met deze woorden: "Het is Israëls God die krachten geeft" en heeft ons er door geholpen. Zo is Hij de nooit beschamende Rotsteen voor Zijn volk.

Maar ach, hij komt het weer te verzondigen en blijft zo afhankelijk. Maar wat is Zijn Woord dan en licht op zijn pad en een lamp voor zijn voet.

Zo denk ik nog over een dankdag. Het was voor ons zo een gezegend jaar geweest en ik moest me zo beklagen, waar is nu de dankbaarheid, en ik ging 's avonds zo bedroefd slapen en werd wakker met deze woorden: Goed doet geen nut ten dage der verbolgenheid, maar gerechtigheid alleen red van de dood. Zo kan al het onze den Heere niet behagen. Ook in het stuk van heiligmaking. Neen, alleen Zijn gerechtigheid. Wat wordt genade dierbaar, dat Hij niet gekomen is om te roepen rechtvaardigen maar zondaars tot bekering. En niet om op te zondigen, o neen, het is en blijft onze schuld, vrij en moedwillig van de Heere afgeweken, dat komt hij met smart te getuigen.

En wat zou hij graag in wederliefde beantwoorden aan de weldaden in natuur en genade ontvangen. Maar nu komt hij zo aan de weet, uit U geen vrucht meer in der eeuwigheid, maar uw vrucht is uit Mij gevonden. Om nu bediend te worden en geleerd te worden, dan komt hij uit te roepen: "Niet ons, o Heere maar Uwen Naam alleen de eer."

Maar zoals ik schreef, ik had er geen erg in dat ik toch niet in de bewustheid als zijn kind was aangenomen totdat ik op een keer in de kerk kwam bij Ds. Kok en die preekte over zondag 23. Wat baat het U dat gij dat al geloofd? En dan dat antwoord dat ik in Christus voor God rechtvaardig ben, en kwam dat zo kostelijk uit te leggen. Vrijgesproken in het gericht, ziende op den Heere Jezus, dan valt de schuld weg maar het onderscheid, de schuld kwijtgescholden. En toen zei ik, wat een onderscheid, en dat mis ik; en dat werd zo een gemis maar daar ben ik nog onder voort blijven tobben in het gemis; tot dat op een vrijdagmorgen met Nieuwjaar Ds. Lamain preekte en die kon niet preken over de stof die hij begeerde te preken zo graag hij dat ook wilde, want die was voor de Nieuwjaarsmorgen. Maar nu werd hij gewezen op Jesaja 43: 2 "Wanneer gij zult gaan door het water ik zal bij U zijn en door de rivieren, zij zullen U niet overstromen. Wanneer gij door het vuur zult gaan en zult gij niet verbranden en de vlam en zal U niet aansteken".

Maar de Dominee trachtte het uit zijn gedachten te krijgen zelfs nog op de preekstoel komende, maar hij kon niet anders en schreef boven zijn tekst 'De gemeente Gods veilig gegrond en opgelost in de deugden Gods" En die preek ging er zo door en ik werd zo in mijn ongeluk gezet en zondag moest het avondmaal wezen. En toen we 's morgens naar de kerk gingen, ik zei: voor mij kan dat niet, want ik ben onbekeerd. Mijn man zei onderweg: je zult toch wel aan de bediening gaan, zoveel gebeurd. Hoe ik met dat toen onbekeerd werd. En wat was dat benauwd. Wij kwamen in de kerk. De tafel aangericht maar Ds. Verhage was niet gekomen. Hij heeft 's morgens niet gepreekt maar s middags en 's avonds in zijn eigen gemeente gepreekt. De Dominee zei: als ik me wilde kleden om naar Aagtekerke te gaan werd ik niet goed. Er is toen een preek gelezen uit Vermeer "de wind blaast waarhenen hij wil en men hoort zijn geluid alzo is een iegelijk die uit God geboren is".

Maar ik had. het zo benauwd er onder. Als ten dode opgeschreven en ik verlangde tegen dat ik s middags alleen thuis was om mijn ongeluk te betreuren. 'k Zou dan trachten te lezen en sla mijn boek open op de 1e Zondag: Welke is Uw enige troost? En ik moest uitroepen ik heb geen troost, alle troost verzondigd en toen werd ik geleid naar het paradijs, hoe dat ik in Adam vrij en moedwillig van den Heere was afgevallen, Zijn beeld verloren; viel ik op de grond uitroepende: "Verloren, t zou recht zijn al moet ik voor eeuwig omkomen" en niet anders denkende als onder die Deugden te verteren, daar treedt de Borg in met deze woorden "Verlos ze dat ze in 't verderf niet nederdale. Ik heb er verzoening voor gevonden" en dan die woorden er over heen "dat zal mij zijn als de wateren Noachs dat ze niet meer over de aarde zouden gaan alzo heb Ik gezworen dat Ik niet meer op U toornen of schelden zal". Dat vrijspraken des Vaders, mij aanschouwende in het bloed van Christus, ach, dat kan beter ondervonden worden als uitgedrukt.

En dan was het de volgende zondag bediening en preekte Ds. Verhage uit Ps. 116. Toen viel dat zo open en als het formulier gelezen werd en hoe dat er staat: Zijn gezegend lichaam aan het kruis laten nagelen, opdat Hij het handschrift onzer zonden daar aan zou hechten. Wat kreeg ik toen te geloven dat mijn zonden geworpen waren in een zee van eeuwige vergetelheid. En dan met het bedienen van de tafel, ik zal den beker der verlossing opnemen. En hoe dat de Dominee daar in kwam, dien beker gevuld, ziende op dat bloed, gestort tot reiniging van de zonde, wat was dat groot en daar heb ik wel een week of zes in mogen leven.

En toen werd ik op een vrijdagnacht wakker en als ik wakker werd dan was het een verwonderen over de liefde Gods maar nu was dat niet zo en ik was bevreesd waarom ik dat missen moest. Nu zeiden ze, dat zal zo niet blijven maar ik zuchtte, waarom Heere. En nu had ik het geschreven aan een vriendin en zaterdagsmiddags kreeg ik een briefje terug zoals ik daaronder liep te zuchten. En die gaf haar blijdschap te kennen met het gebeurde maar ze schreef: "Vriendin, daar is nog meer te bekomen. Ze zullen kennen en vervolgen te kennen" en dat bracht me in het verborgene. Wat bedoelde die vriendin daarmee en wat mis ik nog en het bleef een worstelen en zuchten om licht.

En daar komen met kracht deze woorden in mijn hart "Gij hebt niet ontvangen den Geest der dienstbaarheid tot vreze maar den Geest der aanneming tot kinderen door welken wij roepen Abba Vader en deze Geest getuigt met onze geest dat wij kinderen Gods zijn".

Die goedkeuring van dien derden Persoon in het Goddelijke Wezen. Nu hetgeen hij in den eersten Adam verloren had in de tweede Adam teruggeschonken, de zonde geworpen in de zee van eeuwige vergetelheid. Ik zal niet meer op U toornen of schelden en deze Geest getuigt met onze geest dat wij kinderen Gods zijn. Die vrede en die nu vast ligt in een Drie-enig God. Dan zou hij alles wel willen toeroepen: "Alles wat adem heeft love den Heere.

En daar heb ik nogal enkele weken in mogen leven maar daar lezen we op een middag in ons vervolg aan de tafel over Noach, die geschiedenis van Noach dat hij zich ontblote in het midden van zijn tent en werd ik bepaald wie dat we toch geworden zijn door onze zonden; nu zo met de zijnen bewaard in de zondvloed. En daar kreeg ik zo mijn beeld in te zien, die schat omdragende in een aarden vat. O, de zonde, vrij en moedwillig van den Heere afgeweken! Wat was ik bedroefd, nooit in wederliefde beantwoord. Maar de Heere Die niet moede noch mat wordt om Zijn volk te onderwijzen en die Geest die uitgaat van den Vader en den Zoon kwam mij te onderwijzen door Zijn Woord met deze woorden "De zonde zal over U niet heersen, gij zijt niet meer onder de wet maar onder de genade". En hoe ik toen mocht verstaan dat de Heere Jezus niet alleen gegeven is tot rechtvaardigmaking maar ook tot heiligmaking, ja tot volkomen verlossing. In Hem zijn wij meer dan overwinnaars. In beide Zijne handpalmen gegraveerd.

Die Fontein die geopend is in dat bloed dat reinigt van alle zonden. Dan ziet Hij geen zonden in Zijn Jacob en geen overtreding in Zijn Israël, die triomfeert over dood en graf, daar zou Hij wel willen blijven met de discipelen op den berg. Maar o, dat verdorven bestaan en dan midden in een wereld die in het boze ligt en satan die omgaat als een brullende leeuw, dan roept hij nog dikwijls uit, hoe kom ik nog door Achors wegen. Wat komt hij het dan weer te verzondigen, ach, dan is er in hem geen kracht tegen die grote menigte. En kan hij in eigen kracht met al het gebeurde geen gebruik maken van die Fontein. O, wat heeft hij nodig de bediening des Geestes.

Nu geschreven de grondslag van zijn hopen en wat de Heere uit genade gedaan heeft.

Wat zijn er na die tijd een wegen en gangen doorleefd waar de redding en hulp van Boven mij er doorgeholpen heeft, want de wegen van druk wat zijn die menigmaal gebruikt om aan mezelf ontdekt te worden, niet alleen wie hij is maar ook wie hij blijft na ontvangen genade. En het kan er zo diep doorgaan uit en inwendig, dan spaart de Heere geen vlees en bloed" als vrucht van de zonde, want met eerbied gezegd: "Hij verspilt zijn genade niet, daar moet plaats voor zijn". Hij moet iedere keer maar als zo een uitgeledigd vat komen, dat heb ik nog ondervonden in de ziekte van een onzer kleinkinderen, een jaar oud en zo erg ziek, longontsteking, en mochten bij hem waken en ik was zo bedroefd vrezende van het te moeten missen moest ik me zo veroordelen over mijn biddeloosheid, dat het maar een zuchten was om te zuchten of het genezen mocht. En daar komt de Heere over uit Psalm 102 vers 18 en 19 "zich gewend zal hebben tot het gebed desgenen die gans ontbloot is en niet versmaad hebben hunlieder gebed." Wat was dat als koud water op een vermoeide ziel, ik niet kunnen bidden en de Heere kwam me te beloven. "Ik zal me wenden tot een ontblote bidder." Dat kan beter ondervonden worden als beschreven, hoe dat Hij niet alleen vertroost wordt maar onderwijs ontvangt in die weg van zalig worden. O, dan wordt hij zalig omdat God het wil en dan leert hij het te verstaan "Deze ellendige riep, en de Heere hoorde en verloste hem uit alle zijne benauwdheden", want toen viel er hoop voor het kind en hij is gebeterd. Dan is het terecht zoals een zeker dichter zegt als ik dat vatten wil staat mijn verstand en oordeel stil".

Het is nooit te begrijpen, neen, lieve kinderen en kleinkinderen, ik hoop dat je door het geloof mag leren te bukken, die hier niet leert te bukken, in de eeuwigheid zal men moeten, maar dan is het te laat.

Hij beware je daarvoor en schenke je genade. En de wereld zegt wat is dat veel een zwaar leven voor dat volk; en dat is waar, wat is het soms bange en de vrees voor bedrog. Ik denk op het ogenblik terug in die tijd dat ik in de ontdekking liep, door middel van de prediking van Ds. Kok en alles weggesloten werd wat er gebeurd was en een openstaande schuld. Wat is dat benauwd en toen kreeg ik deze belofte: "Zit stil mijn dochter, die man zal niet rusten totdat Hij de zaak voleind heeft" en toen geloofde ik dat mij gegeven zou worden om in een verzoende betrekking gesteld te worden, maar wat is dat op de proef gekomen en daar had ik met het volk over gesproken en toen zeiden ze van binnen dat moest je niet gedaan hebben en ik kreeg het er zo benauwd mee. Want toen werd ik niet goed, een aanleg voor een beroerte, en als dat nu doorgaat je verstand verliezen en dan de belofte niet vervuld en dan is het ene bedrogen, dus al bedrog. Maar zoals ik beschreven heb, ik ben niet beschaamd uitgekomen in het vervullen van de belofte. Een iegelijk die in Hem gelooft zal niet beschaamd worden, maar dat ziet hij zo menigmaal van achteren.

Maar nu ben ik weer even terug gegaan. De Heere komt niet tekort want dan zou men er in omkomen maar ook niet te vroeg, dan zou hij het doorbrengen in zijn vlees. Maar Hij staat voor Zijn eigen werk in. En wat komt Hij Zijn volk ook voor te bereiden op druk of kruis wegen uit- of inwendig of soms beide.

Ik denk hoe dat ik eens gelopen heb met deze woorden: "Hij zitte eenzaam en zwijge stille omdat de Heere het hem opgelegd heeft" maar toch bezwaard, goed gelovende dat er wat zwaars zou komen. Als het morgen was, blij dat alles goed was en was het avond allen bewaard, maar zo was het een tobben, en soms een murmureren: "Alle die dingen zijn tegen mij" want het vlees onderwerpt zich der wet niet, hij is een vijand. En wat komt hij dat soms tot zijn smart uit te leven. En er kwam veel leed, veel verdriet uit- en inwendig en inwendig is het zwaarste, als hij het niet met God eens is. O, dat twisten met den Almachtige, dat ik dacht dat wordt nog een omkomen, maar als de nood op het hoogste kwam was de redding nabij met deze woorden: "Laat ons uitgaan buiten de legerplaats Zijne smaadheid dragende. En toen werd ik geleid en bepaald bij het lijden van den Heere Jezus van Zijn geboorte tot Zijn kruis, alles Borgtochtelijk voor Zijn volk, uitgeroepen "Het is volbracht" en als dat nu aan het groene hout gebeurt, wat zal dan aan het dorre geschieden, en mocht ik uitroepen: "Het is recht, ik heb het verdiend en mocht geloven:"Hij kastijdt noch plaagt niet van harte maar omdat wij Zijn heiligheid zouden deelachtig worden. En dan zijn het geen zaken van vreugde, maar als het een vreedzame vrucht der gerechtigheid mag werken, een iegelijk die Hij lief heeft kastijd Hij, dan mag hij zichzelf overgeven als leem in de hand van die Grote Pottenbakker, ja, dan mag hij er een stipje van verstaan: Ik vermag alle dingen door Christus die mij kracht geeft.

Ik zeg een stipje, want o, in deze donkere dagen die wij beleven, wat zijn we dan met kerk, land en volk en overheid verre, verre van God af, en o, wie Zijn Woord veracht heeft smart op smart te vrezen. Maar nu behoef ik niet naar de kerk en 't volk maar ach, ook eigen hart en leven. Daarom zeg ik een stipje. Want dat is waar, Zijn volk zal niet omkomen in dure tijd of hongersnood. Al bezwijkt dan mijn vlees en mijn hart, zo is God de rotsteen mijns harten en mijn deel in eeuwigheid. En mag ik den dichter nog wel eens nazingen:

"Al de grote waterstromen
Zijn Heer over mij gegaan.
En mij over 't hoofd gekomen
Maar Gij hebt mij bijgestaan.

's Daags toont Gij mij Uw goedheid
En 's nachts Uw barmhartigheid.
Dies zal ik U Heer belijden.
Gij hoedt mijn ziel t' allen tijden."

Als men verwaardigd wordt om Hem te leren kennen, ook in de weg van verhoging, te kennen in de kracht van Zijn opstanding en na gezeten aan de rechterhand Zijns Vaders, die toegang tot de genadetroon die we gesloten hebben door onze zonden. Die bron van zaligheid, gewassen te kunnen worden in die Fontein des Heils, dat bloed dat alleen wast van alle zonden; dat alleen, alles wat buiten dat bloed omgaat zal geen dageraad zien.

Daar is maar Een Naam onder den hemel gegeven door welke we zalig kunnen worden. De Heere komt in Zijn Woord te getuigen: "Ik heb me een ellendig en arm volk doen overhouden, die zullen op den Naam des Heeren vertrouwen." Dat is dat groot vertrouwen, hoe dat ze het geschonken worden in de uren als ze het nodig hebben op Hem te mogen vertrouwen. Wat moet ik dan beschaamd zijn vanwege mijn ongeloof en wat kan men dan soms moedeloos zijn in wegen die tegen zijn.

Ik heb dat eens gehad. in wegen van verdriet erin toen kwam er zo bij mij: "En aldaar zal geen nacht zijn" en dat gaf zo'n overdruk die woorden, dat ik mocht vragen: "Heere, wat hebt Gij daarmee te zeggen. Ziet dat op den dood"? En daar was ik zo werkzaam mee en ik er zo bij bepaald werd, wat het wezen zal, die daartoe verwaardigd wordt, eenmaal verlost te worden van een lichaam der zonde, en dat de Heere hier met Zijn volk afrekent en ik werd zo verenigd met de weg. Dan zal het tegenover die eeuwigheid maar een verdrukking zijn van 10 dagen.

En er is altijd wat van die waarheid over gebleven. Ik was altijd zo benauwd voor de dood en dat is toen met die waarheid zo veranderd. Hij blijft afhankelijk en zal hier die raad Gods uit moeten dienen, en als geloof in oefening is, dan wil hij die raad uitdienen.

Maar toch, zoals ik zei, ziende op mijn zwak lichaam denk ik wel eens, misschien ben ik nog wel eens onverwachts weg en als ik daar vroeger over dacht, om te scheiden van die mij lief en dierbaar zijn, kromp mijn hart ineen en die vrees voor de dood, het is net of ik daar niet meer in kan komen. Zo komt de Heere, door Zijn Woord, en Geest te onderwijzen, en daar blijft altijd wat van over. Dat is nu wel al 5 jaar geleden dat die woorden bij mij kwamen: "En aldaar zal geen nacht zijn" en wat zijn daar weer bange dagen op gevolgd met de oorlog; en voor mezelf was dat dikwijls tot troost maar toch was ik wel benauwd en bezwaard in die tijden van oorlog als die verwoestende elementen in de lucht waren en dat er soms gezinnen onder 't puin bedolven werden. En dan dacht ik maar dat zal de mijnen en ik ook gebeuren en dan onbereid. En daar was ik altijd zo benauwd voor. Ik heb het nog wel eens gehad op een Biddag als Ds. Visser preekte uit Psalm 46:10 Die oorlogen doet ophouden enz. en dan viel er hoop onder die prediking dat wij bewaard zouden blijven en dat er voor Nederland uitkomst zou komen. Maar dat was weer in de strijd en ik was weer zo benauwd. En dat heef t geduurd tot in Walcheren het water kwam. Toen werd ik er zo onder gebracht, alles om eigen schuld en zonde, zo met de weldaden van de Heere afgeleefd. Ook met land, volk en kerk. Het zou recht zijn al kwam de Heere door te trekken.

Doch toen werd ik zo bemoedigd met deze woorden: "Vrees geen der dingen die gij lijden zult". En dat kan ik niet beschrijven zoals ik dat moogde ondervinden, die troost die daarin lag. Hoe dat nu de Heere Jezus het zwaarste gedragen had en in alle benauwdheid mede benauwd was. En veel is ons nog overkomen in vuur en water en ik ben niet meer zo terug gevallen. De Heere kwam meer en meer te versterken. Ook nog met de woorden: "Met ulieden zal ik geen voleinding maken."

En wat zijn we nog verlost en uitgeholpen. Grote dingen heeft Hij nog aan ons gedaan. Maar geen breken met de zonde. Maar Hij heeft het zuchten en kermen nog gehoord en ons land nog niet prijsgegeven.

Einde.