pneumatologia

Tweede boek

Hoofdstuk 3. Werk van de Heilige Geest, ten opzichte van het Hoofd van de nieuwe schepping, Christus' menselijke natuur

1. De eigenlijke werken van de Heilige Geest in de nieuwe schepping. 2. Zijn werk op Christus menselijke natuur. 3. Hoe dit werk kan zijn, aangemerkt de vereniging van de menselijke natuur, tot en in de persoon van Gods Zoon. 4. Het aannemen van de menselijke natuur in vereniging, de enige daad van de persoon des Zoons tot haar. 5. Persoonsvereniging, het enige noodwendige gevolg van deze aanneming. 6. Alle andere werkingen van de persoon des Zoons in en op de menselijke natuur, vrijwillig. 7. De Heilige Geest de onmiddellijke uitwerkende oorzaak van alle Goddelijke werkingen. 8. Hij is de Geest van de Zoon of van de Vader. 9. Hoe al de werken van de Drie-eenheid onverdeeld zijn. 10. Christus lichaam in de baarmoeder gevormd door de Heilige Geest; maar van de zelfstandigheid van de gezegende maagd; waarom dit nodig was. 11. Christus is hierom niet de Zoon van de Heilige Geest volgens de menselijke natuur. 12. Onderscheid tussen het aannemen van de menselijke natuur door de Zoon, en het scheppen ervan door de Heilige Geest. 13. De ontvangenis van Christus, hoe de Heilige Geest toegeschreven, en hoe de gezegende maagd. Redenen van de ondertrouw van de gezegende maagd aan Jozef, vroeger dan Christus ontvangenis. 14. De dadelijke zuiverheid en heiligheid van Christus ziel en lichaam, door zijn wonderdadige ontvangenis.

1. Des Heilige Geestes bedeling en werk in deze nieuwe schepping betreffen eerst het Hoofd van de kerk, de Heere Jezus Christus in zijn menselijke natuur, als zullende worden en zijnde verenigd tot de persoon van Gods Zoon. Zij raken ten tweede de leden van dat God geheime lichaam in alles wat hun als zodanig aangaat. En onder deze twee hoofden zullen wij ze overwegen.

2. 1. Moeten wij dan naspeuren des Heiligen Geestes werkingen, rakende Jezus Christus, het Hoofd van de kerk. Deze zijn van twee soorten. 1. Zulke, waarvan Christus' persoon in zijn menselijke natuur het onmiddellijke voorwerp was. 2. Zulke, die Hij volbrengt aan anderen zijnentwege dat is, met lijnrecht opzicht op zijn persoon en ambt.

3. Eer wij evenwel overwegen de eerste soort van zijn werken, waarmee wij beginnen zullen, moet ene tegenwerping van schijngewicht en zwarigheid weggeruimd worden; hetwelk ik te liever doe, omdat ons antwoord de gehele zaak, die wij behandelen, klaarder en gemeenzamer maken zal. De tegenwerping is, dat, omdat Christus menselijke natuur wordt aangewezen als het onmiddellijke voorwerp van deze werkingen van de Heiligen Geest, en dat die natuur was, onmiddellijk, onafscheid en onverdeelbaar verenigd tot de persoon van Gods Zoon, er geen noodzaak schijnt, ja geen plaats voor enige zulke werkingen van de Geest. Want kan niet Gods Zoon zelf in eigen persoon volbrengen al het nodige tot het vormen, onder steunen, heilige en bewaren van zijn eigen natuur, zonder eigenlijke bijstand van de Heilige Geest? 't Is moeilijk te verstaan hoe een onmiddellijk werk van de Heilige Geest zou worden tussen gesteld in dezelfde persoon, tussen de ene natuur en de andere. Deze schijnzwarigheid dringen de Socinianen sterk aan, om daardoor te verwarren ons gehele leerstuk van de gezegende Drie-eenheid en de menswording van Gods Zoon. Maar duidelijke Schriftgetuigenissen en de klare evenmaat van het geloof, zullen ons gemakkelijk en veilig door deze schijnzwarigheid helpen. Overweeg tot dit einde,

4. 1. De enigste bijzondere onmiddellijke daad van de persoon des Zoons op de menselijke natuur, was het aannemen ervan in enigheid met Zichzelf. Hierin hadden Vader noch Geest deel, noch medehulp, ei mh kat' eudokian kai boulesin, dan door goedkeuring en toestemming, gelijk Damascenus spreekt. Want de Vader nam de menselijke natuur niet aan; Hij werd geen mens: gelijk ook niet de Heilige Geest. Maar dit was des Zoons bijzondere daad en werk. Zie Joh. 1: 14, Rom. 1: 4, Gal. 4: 4, Filip. 2: 6, 7, Hebr. 2: 14, 17, welke plaatsen met anderen van dezelfde inhoud, ik elders uitgelegd en tegen der Socinianen uitvluchten verdedigd heb.

5. 2. Dat het enige noodwendige gevolg van deze aanneming van de menselijke natuur of de menswording van Gods Zoon is de persoonsvereniging van Christus, of het onafscheidbaar bestaan van de aangenomen natuur in de persoon des Zoons. Deze was noodzakelijk en onverbreekbaar, zodat ze niet werd verkort of in het minste geschud, door de tijdelijke ontbinding van die natuur in het scheiden van ziel en lichaam. Want de vereniging van ziel en lichaam in Christus, maakte Hem niet zo'n persoon, dat de ontbinding ervan zijn persoonschap vernietigde maar Hij was een persoon door die beide te verenigen tot Gods Zoon.

6. 3. Dat alle andere werkingen van God in de persoon des Zoons tot de menselijke natuur vrijwillig waren, en niet noodzakelijk volgden op de gemelde vereniging. Want daar was geen overstorting van de eigenschappen van de ene natuur in de andere, noch dadelijke natuurlijke meedeling van goddelijke wezenlijke voortreffelijkheden aan de mensheid. Die zo iets schijnen te beweren, brengen alles ten laatste tot ene ware toewijzing, bijwijze van bekendmaking, als noodzakelijk op de gemelde vereniging, maar beweren geen wezenlijke overgieting van de eigenschappen van de ene natuur in de andere. Toch waren deze mededelingen vrijwillig. Hiervan kwamen die tijdelijke bedelingen, toen de menselijke natuur onder haar grote beproeving klaagde, dat de Goddelijke haar had verlaten en verschoven, Matth. 27: 46. Want deze verlating was niet in persoonsvereniging, of in noodwendig bestaan en ondersteuning, maar in het vrijwillig mededelen van licht en vertroosting. Hierom verklaart Christus zelf, dat de menselijke natuur niet was het inwonende onderwerp van alwetendheid. Want zo spreekt Hij, Mark. 13:32: Maar van die dag en die uur weet niemand, noch de engelen in de hemel, noch de Zoon, maar de Vader. De uitlegging van sommige oud-vaders, dat de Heere Christus dit sprak niet volstrekt, maar alleen, dat Hij het niet wist om het hen te verklaren, is Zijner onwaardig. Want de Vader wist het zo ook niet, aangezien Hij het niet heeft verklaard. Doch slechts sommigen zeiden dit; de beter beradenen gevoelden anders. Christus spreekt van Zichzelf, ten opzichte van zijn menselijke natuur alleen. Aan die waren alle mededelingen vrijwillig. Zo gaf God Hem na zijn hemelvaart de openbaring, die Hij Johannes gaf, Openb. 1: 1. De menselijke natuur derhalve, hoe onbegrijpelijk verhoogd, is niet het onderwerp van oneindige, wezenlijke, Goddelijke eigenschappen. En de werkingen van Gods Zoon te harent, ingevolge van haar aanneming en haar onverbreekbaar bestaan in de vereniging die daarop volgde, zijn vrijwillig.

7. 4. De Heilige Geest is, gelijk bewezen is, de onmiddellijke bijzondere uitwerkende oorzaak van alle Goddelijke werkingen naar buiten want God werkt door zijn Geest; of brengt in Hem onmiddellijk de kracht en het vermogen van de Goddelijke voortreffelijkheden tot haar werking waarom hetzelfde werk eveneens is het werk van elke Persoon.

8. 5. De Heilige Geest is de Geest van de Zoon, niet minder als de Geest van de Vader. Hij gaat uit van de Zoon, gelijk van de Vader. Hij is des Zoons Geest, Gal. 4: 6. Hierom is Hij de onmiddellijke werker van alle Goddelijke daden van de Zoon zelf, ook op zijn eigen menselijke natuur. Alles wat Gods Zoon wrocht in, door of op de menselijke natuur, wrocht Hij door de Heilige Geest, die zijn Geest is, gelijk Hij is des Vaders Geest.

9. 6. Om de gehele zaak op te helderen moeten wij nog verder aanmerken, dat de onmiddellijke werkingen van de Heilige Geest niet worden gezegd van Hem volstrekt, noch Hem toegeschreven met uitsluiting van de andere Personen en hun medehulp in dezelve. De spreuk is algemeen aangenomen: Opera Trinitatis ad extra sunt indivisa, dat is, in Gods werken naar buiten is niet zodanige verdeling, dat ook slechts n werk zou zijn de daad van n Persoon, zonder medehulp van de anderen; en de reden is, omdat Gods natuur, die de grondregel is van alle Goddelijke werkingen, een en dezelfde is, onverdeeld in die allen. Omdat ze dan zijn de uitwerksels van de Goddelijke macht, en die macht wezenlijk dezelfde is in elke Persoon, behoren de werken zelfs evengelijk tot Hen. Gelijk zo het mogelijk was, dat drie mensen zagen door hetzelfde oog, de daad van zien maar n zou zijn, en evengelijk de daad van alle drie. Maar de zaken die wij overwegen, worden de Heilige Geest toegeschreven bij uitstek, uit hoofde van de orde van zijn bestaan in de H. Drie-eenheid, als zijnde de Geest van de Vader en de Zoon; dus moet in elke Goddelijke daad worden aangemerkt des Vaders gezag, des Zoons liefde en wijsheid, en de onmiddellijke uitwerking en kracht van de Heilige Geest. ja, daar is zo'n onderscheid in hun werkingen, dat ene Goddelijke daad kan voortbrengen een bijzonder opzicht en betrekking tot de enen persoon en niet tot de anderen; gelijk het aannemen van de menselijke natuur deed tot de Zoon, want Hij alleen werd mens. En zulke zijn de bijzondere werkingen van de Heilige Geest, aangaande het Hoofd van de kerk, onze Heere Jezus Christus, in dit werk van de nieuwe schepping, gelijk wij in verscheidene zaken zullen betogen.

10. 1. Het toestellen, vormen en wonderdadig ontvangen van Christus lichaam in de baarmoeder van de gezegende maagd, was het bijzondere en eigenlijke werk van de Heilige Geest. Dit werk wordt, beken ik, ten aanzien van bestemming en gezaghebbende schikking van zaken, de Vader toegeschreven. Want alzo spreekt de Christus tot Hem: Een lichaam hebt Gij mij bereid, Hebr. 10:6. Maar deze toebereiding betekent niet het dadelijke vormen en gereedmaken van dat lichaam, maar het eeuwige bestemmen daarvan het was voorbereid in des Vaders raad en liefde. Ten aanzien van vrijwillige aanneming wordt het toegeschreven aan de Zoon zelf, Hebr. 2:14: Dewijl de kinderen vlees en bloed deelachtig zijn, nam Hij ook deel er aan; Hij nam aan een lichaam en ziel, de gehele menselijke natuur, gelijk de kinderen of alle gelovigen die hebben, synecdochisch genoemd vlees en bloed; vs. 16: Hij nam aan het zaad van Abraham maar de onmiddellijke Goddelijke uitwerking in deze, was het eigenlijke werk van de Heilige Geest, Matth. 1: 18: Als Maria, zijn moeder, ondertrouwd was aan Jozef, eer zij samen kwamen, werd zij zwanger bevonden uit de Heilige Geest; vs. 20: Dat in haar is ontvangen, is uit de Heilige Geest Luk. 1:35: De engel antwoordende, zei tot haar: de Heilige Geest zal over u komen, en de kracht des Allerhoogste zal u overschaduwen; daarom zal ook dat Heilige, dat uit u zal worden geboren, Gods Zoon genoemd worden. 1. De werkende persoon is de Heilige Geest. Hij is de wonderbare Werkmeester in dit heerlijke werk; en daarin werd de kracht des Allerhoogste te werk gesteld. Want de kracht des Allerhoogste is geen uitlegging van de vorige uitdrukking de Heilige Geest; als ware die enkel de kracht van de Allerhoogste, zij is ook niet het bijvoegen van een onderscheiden werker of oorzaak bij de Geest als waren de Heilige Geest en de kracht des Allerhoogste onderscheiden werkers in deze. Alleen wordt uitgedrukt de wijze, op welke Hij zou uitwerken deze wonderbare zaak, waaromtrent de gezegende maagd gevraagd had, vs. 34: Hoe zal dit wezen, omdat ik geen man beken? De Heilige Geest, zegt de engel, zal de kracht des Allerhoogste tewerkstellende, of in Gods oneindige macht het volbrengen. 2. Zijn treden tot zijn werk wordt uitgedrukt door over haar te komen. De kracht en betekenis van deze uitdrukking is hierboven verklaard; zij wordt dikwerf gebruikt om aan te duiden zijn werkingen, ten opzichte van het volbrengen van wonderdaden. Hand. 1:8: Gij zult kracht ontvangen, nadat de Heilige Geest op u gekomen is. Hij zal zo op u komen, dat hij tewerkstelt de kracht van de Allerhoogste in en door u, in gaven en wonderwerken. Want Hij wordt gezegd te komen, ten opzichte van zijn beginnen van enige wonderbare werking, daar Hij tevoren niet werkte tot dergelijk einde. 3. De daad van de Heilige Geest in deze was ene scheppende daad; wel niet gelijk de eerste scheppende daad, die voortbracht de stof en het wezen van alles uit niet, doende iets zijn, wat tevoren niet was, in stof noch vorm, noch lijdende gestaltenis maar gelijk de volgende daden van schepping, waardoor uit stof tevoren geschapen en toebereid, zaken gemaakt werden hetgeen zij tevoren niet waren, en tot welke zij in zichzelf geen bedrijvige gestaltenis hadden, noch hulp toebrachten. Dus werd Adam geschapen, of gevormd uit het stof van de aarde, en Eva uit ene rib, van Adam genomen. Daar was voorafgaande stof tot hun schepping, maar zulke die geen bijstand gaf, noch bedrijvige gestaltenis had tot het voortbrengen van dat bijzondere soort van schepsel, waarin zij werden gevormd door Gods scheppende macht. Zo was deze daad van de Heilige Geest, in het vormen van het lichaam van onze Heere Jezus Christus. Want al geschiedde dit door ene daad van oneindige scheppende macht, het werd evenwel gevormd of gemaakt van het Wezen van de gezegende maagd. Dit moest volstrekt zo zijn. 1. Ter vervulling van de beloften aan Abraham en David, dat de Messias zou zijn van hun zaad, en uit hun lendenen zou voortkomen. 2. Ter vervulling van de eerste moederbelofte, dat het zaad van de vrouw liet hoofd van de slang zou vermorzelen. Want het woord moest vlees worden, Joh. 1: 14. Worden uit ene vrouw, Gal. 4:4, of uit Davids zaad volgens het vlees, Rom. 1:3, en aannemen Abrahams zaad, Hebr. 2:16. Om de waarheid hiervan te bevestigen, is zijn geslachtslijst volgens het vlees, beschreven van twee Evangelisten; die tevergeefs en onwaar was, zo Hij niet was gemaakt van de zelfstandigheid, of het vlees van de gezegende maagd. 4. Al onze bloedverwantschap met Hem, waardoor Hij werd bevoegd om onze Zaligmaker te zijn en te lijden in dezelfde natuur, waarin wij gezondigd hebben, hangt hiervan af, Hebr. 2:14. Want ware Hij ons niet in alles gelijk gemaakt, zonde alleen uitgenomen, zo ware Hij geen deelgenoot van onze natuur; daar was geen grond om ons toe te rekenen hetgeen Hij leed en deed, Rom. 8: 3, zo weinig als aan engelen, welker natuur Hij niet aannam, Hebr. 2: 16. Het werk van de Heilige Geest, ten opzichte van Christus menselijke natuur in de baarmoeder, was dan, die te vormen door zijn almachtige kracht van de zelfstandigheid van het lichaam van de heilige maagd, zoveel zijn lichaam aangaat. En hieruit volgen verscheiden zaken.

11. 1. Dat de Heere Christus niet uit deze hoofde, ook niet ten opzichte alleen van zijn menselijke natuur, kan gezegd worden te zijn de Zoon van de Heilige Geest, al vervulde de Geest de plaats en kracht van een natuurlijke Vader in voortteling. Want de betrekking van Zoonschap hangt alleen af, en spruit van ene volkomen voortteling, en niet van elk gewrocht van een uitwerkende oorzaak. Van het ene vuur door het andere aangestoken zeggen wij niet, dat is de zoon van het andere dan zeer oneigenlijk. Veel minder van een huis, door iemand gebouwd, dat is zijn zoon. Daar was dan geen andere betrekking tussen de persoon van de Heilige Geest en Christus menselijke natuur, als die van Schepper en schepsel. En de Heere Christus is en wordt genoemd Gods Zoon, alleen ten opzichte van de Vader, en zijn eeuwige onuitsprekelijke generatie, Hem meedelende wezen en bestaan, als de bron en oorsprong van de Drie-eenheid. Zoonschap is dan een persoonlijk bijvoegsel, en behoort tot Christus als een Goddelijk persoon, en niet ten opzichte van zijn menselijke natuur. Maar die natuur aangenomen zijnde, was de gehele Christus Gods Zoon.

2. Dat deze daad van de Heilige Geest in het vormen van Christus lichaam, verschilt van des Zoons daad, in het aannemen van de menselijke natuur, tot persoonsvereniging met Zichzelf. Want deze daad van de Zoon was geen scheppende daad, voortbrengende een wezen uit niets, of iets te maken door dezelfde kracht, hetgeen het in zijn eigen natuur niet was. Maar het was ene onuitsprekelijke daad van liefde en wijsheid, opnemende de natuur, zo gevormd door de Heilige Geest, zo voor Hem toebereid, tot zijn eigen, op het ogenblik van haar vorming, daardoor voorkomende het enkel en alleen op zichzelf bestaan van die natuur. Gelijk dan des Heiligen Geestes scheppende daad in het vormen van Christus lichaam in de baarmoeder, Hem niet maakt tot zijn Vader, zelfs niet volgens de menselijke natuur maar Hij Gods Zoon is alleen uit hoofde van zijn eeuwige generatie; duidt ze ook niet aan ene aanneming van die natuur tot eenheid met Zichzelf, de Geest werd geen mens: Hij vormde Christus menselijke natuur, lichaam en ziel, met, in en tot een bestaan in de tweede Persoon in de Drie-eenheid, niet zijn eigen.

12. 3. Hieruit volgt ook, dat de ontvangenis van Christus in de baarmoeder, als het uitwerksel van ene scheppende daad niet geschiedde met voortgang en vervolg van tijd, maar in een ogenblik was volbracht. Want al kunnen aan de scheppende daden van oneindige macht, daar de gewrochte werken onderscheiden delen hebben, voortgang of during van tijd worden toegekend, gelijk de wereld geschapen is in zes dagen; evenwel werd elk deel er van, dat het voorwerp van ene eigenlijke scheppende daad is, ogenblikkelijk voortgebracht. Dus geschiedde het vormen van Christus' lichaam, met het instorten van ene redelijke ziel om het leven te geven al groeide het naderhand in de baarmoeder tot de geboorte. En gelijk deze ontvangenis waarschijnlijk geschiedde onmiddellijk op de groetenis van de engel, was noodwendig, dat niets van Christus menselijke natuur op zichzelf bestond, voor haar vereniging met Gods Zoon. Want op, en in het tijdstip van zijn vorming werd het Woord vlees, Joh. 1: 14. En Gods Zoon werd uit een vrouw, Gal. 4: 4. Zodat het gehele wezen van zijn natuur werd geschapen in hetzelfde tijdstip. Dusver gaat de Schrift voor, en hierin is het nodig staande te houden het vormen van Christus lichaam en ziel door de Heilige Geest. De nieuwsgierige vragen van sommige schoolgeleerden en anderen, laten wij achterwege, of veroordelen ze liever. Want het verdere van deze wonderdaad van de Heilige Geest, schijnt met opzet ons verborgen in de uitdrukking dunamiV uyistou episkiasei soi, de kracht des Allerhoogsten zal u overschaduwen. Onder dit geheime heerlijke lommer, wensen wij hier op aarde te leren aanbidden dat heilige werk, waarin wij eeuwig hopen ons te verheugen en God te zegenen. Doch ik denk, dat in dit woord ook wordt gezinspeeld op de uitdrukking van de oorspronkelijke werking van de Heilige Geest, over de nieuwlings voortgebrachte mengelklomp van de oude schepping, hierboven gemeld. Hij was Gen. 1: 2, "merachefet" zwevende en bewegende, als het ware, over dezelve, ter vorming en voortbrenging van alles wat leeft. Want beide woorden sluiten in ene zinspeling van overdekken, gelijk een vogel zijn eieren broeit, om derzelver zaaddragende kracht, door zijn warmte, levenwekkend vermogen mee te delen.

13. Wij moeten nog overwegen, hoe hetzelfde werk van Christus' ontvangenis werd toegeschreven aan de Heilige Geest en aan de gezegende maagd. Want van haar wordt uitdrukkelijk voorzegd, Jes. 7: 14, "ha'almah harah", ene maagd zal ontvangen hetzelfde woord dat gebruikt wordt om uit te drukken het ontvangen van enige andere vrouw, Gen. 4: 1. Hierom hebben de ouden haar genoemd QeotokoV en dei Genitrix, moeder Gods, welk laatste woord ten minste, ik wenste dat zij niet gebruikt hadden. Vergelijk het met de Schrift, en gij zult er ras ene onverdedigbare kainofwnia in vinden. De woorden van de engel, Luk. 1: 31, zijn tot haar sullhmh en gastri kai texh uion, gij zult ontvangen in uw baarmoeder, en voortbrengen een Zoon. Haar ontvangen van Hem wordt onderscheiden van Hem voort te brengen. Evenwel zegt de oude geloofsbelijdenis, gemeenlijk genoemd van de apostelen, en algemeen aangenomen van alle Christenen, dat Hij is ontvangen van de Heilige Geest, en alleen geboren van de maagd Maria. Antw. Hetzelfde werk wordt toegekend aan beiden, als oorzaken van verscheidene soorten, aan de Heilige Geest, als bedrijvige uitwerkende

oorzaak, die door zijn almachtige kracht het uitwerksel voortbracht. De twistredenen van sommige ouden over de Spiritu Sanctu, en ex Spiritu Sanctu waren geheel nodeloos. Want zijn scheppende uitwerking wordt bedoeld. En Christus' ontvangenis wordt de gezegende maagd toegeschreven als de lijdende stoffelijke oorzaak; want zijn lichaam werd gevormd van haar wezen, gelijk verklaard is. Deze ontvangenis van Christus was na haar plechtige ondertrouw met Jozef, om verscheidene redenen. 1. Haar huwelijk met hem zou haar onbevlekte onschuld beschermen. 2. God bezorgde iemand, die voor haar en haar kind zou zorgdragen. 3. Onze gezegende Zaligmaker werd daardoor bevrijd voor alle aantijging van ene onwettige geboorte; totdat Hij door zijn eigen wonderwerken getuigenis zou geven aan zijn wonderdadige ontvangenis, aangaande welke men zijn moeder tevoren niet kon geloven. 4. Opdat Hij iemand had uit wiens hoofd zijn geslachtslijst werd beschreven, om te bewijzen het vervullen van de belofte aan Abraham en David. Want de geslachtslijn werd niet wettig vervolgd enkel door de moeder. Hierom beschrijft Matthes zijn geslachtslijst door Jozef, aan wie zijn moeder wettig ondertrouwd was; en hoewel Lukas beschrijft zijn ware natuurlijke geslachtslijn door de voorvaders van de gezegende maagd, noemt hij haar niet, maar meldt enkel haren ondertrouw, en begint met Heli haar vader, Luk. 3: 23. Dit dan is de eerste zaak aan de Heilige Geest eigenlijk toegeschreven ten aanzien van het Hoofd van de kerk Jezus Christus.

14. Christus' 1ichaam werd door deze wonderbare schepping door des Heiligen Geestes onmiddellijke kracht ene gepaste woonplaats voor zijn heilige ziel, alleszins gereed en genegen tot alle oefeningen van genade en deugd. Wij hebben niet alleen te strijden met de verdorvenheid van onze natuur in het algemeen, maar ook met de verkeerdheid van onze bijzondere gestaltenissen. Hierdoor is de een geneigd tot drift, toorn en gramschap, de andere tot ijdelheid en losheid, een derde tot wellust en vleselijk vermaak; anderen tot luiheid en ledigheid. En al is deze neiging, zo ver zij is de uitwerking van onze bijzondere gestaltenis en aard op zichzelf geen zonde, zij komt er zeer nabij, en aangezet door de gewone snoodheid van onze natuur, geeft ze gedurig gelegenheid tot zonde. Maar Christus lichaam, zuiver en nauwkeurig gevormd van de Heilige Geest, had in zijn gestaltenis geen geschiktheid of neiging tot de allerminste afwijking van volmaakte heiligheid van enige soort De wonderbare overeenstemming van zijn natuurlijke gestaltenis, maakte liefde, zachtmoedigheid, medelijden, geduld, vriendelijkheid, milddadigheid Hem natuurlijk en eigen, als zijnde onvatbaar voor alle bewegingen, die konden dienen of strekken tot iets dat ervan verschilde. Hierom, al nam Hij ten tweede op Zich de zwakheden, die tot onze menselijke natuur als zodanig behoren, en van dezelve onafscheidbaar zijn, tot ze verheerlijkt werd Hij nam evenwel geen van onze bijzondere zwakheden aan, die onze personen aankleven, veroorzaakt, of door de ondeugd van onze gestaltenissen, of door het ongeregeld gebruik van onze lichamen. De natuurlijke hartstochten van ons gemoed, die bekwaam zijn als middelen tot kwelling en moeite, gelijk verdriet, droefheid en dergelijke, nam Hij op Zich; ook de natuurzwakheden, die het lichaam moeilijk vallen, gelijk honger, dorst, vermoeidheid, pijn. Ja, de zuiverheid van zijn heilige gestaltenis maakte Hem veel gevoeliger in deze, als ooit enig mens. Maar van onze lichaamskwalen en ziekten, die ons persoonlijk aankleven op de wanorde en ondeugd van onze gestaltenissen, was Hij volstrekt vrij.