Aangemoedigd door het vriendelijk onthaal dat onze "Overdenkingen over verscheidene belangrijke punten van ons allerheiligst geloof" bij velen van onze lezers, tot nu toe hebben mogen ondervinden, gevoelen wij een gewilligheid des harten in ons om op die weg voort te gaan.
En omdat wij, zoals we mogen geloven, hulp uit de enige Bron van alle licht en leven hebben mogen ontvangen, wilden wij andermaal, bij de aanvang van een nieuwe tijdkring en bij het begin van een nieuw onderwerp, in vereniging met des Heeren volk onze ziel opheffen tot de God en Vader van onze Heere Jezus Christus, de Vader der heerlijkheid, opdat Hij ons geve de Geest der Wijsheid en der Openbaring in Zijn kennis en Hij ons de ogen des verstands verlichte.
Dat het de Heere behagen moge onder onze aandacht te brengen en op het hart te binden enig gedeelte van Zijn dierbaar Woord, dat ons mag voorkomen als een gepast Woord, van een opbouwende natuur en wij dat Woord mogen ontvouwen in "betoning des Geestes en der kracht, opdat het als een woord, met zout besprengd" (Kol. 4:6, Efeze 4:29) niet alleen genade geve die het lezen, maar ook dat het door openbaring der Waarheid zichzelf aangenaam make aan een ieders consciëntie, in de tegenwoordigheid Gods." (Efeze 4:17, 18; 1 Kor. 2:4; 2 Kor. 4:2.)
Het is inderdaad een groot voorrecht ons verleend, een gunst die van Boven is en waarvoor wij niet genoeg dankbaar kunnen zijn, dat de Heere zo neerbuigend goed zijn wil, om gebruik te maken van een zo zwak instrument, ten einde door hetzelve enig onderwijs, vertroosting of bemoediging mee te delen aan enigen van degenen, die Hij van eeuwigheid heeft liefgehad en die Hij leidt door menige smartelijke weg van beproeving en verdrukking, tot de kennis van Zijn liefde hier, opdat zij die eenmaal ten volle zouden genieten hiernamaals.
En daar het de Heere behaagd heeft, naar Zijn eigen voornemen ons ter zijde te leggen, althans voor een tijd, dat wij van de werkzame bediening van het Woord zijn uitgesloten, gevoelen wij ons dubbel verplicht van het voorrecht ons nog vergund gebruik te maken, namelijk dat wij Zijn dierbaar erfdeel zouden onderhouden door onze pen, om zo niet nutteloos voor ons zelf noch vruchteloos voor de kerk van God te zijn.
Het is nu ons voornemen, met de hulp en zegen des Heeren voor onze lezers enkele gedachten neer te leggen over het "Voorschrijvend deel van het Woord der Waarheid", zoals dit in het bijzonder vervat is in en aangedrongen wordt door de Schriften van het Nieuwe Testament.
Verscheiden reden hebben aanleiding gegeven om ons gemoed bij dit deel van de Goddelijke Waarheid te bepalen:
Maar laat ons nu, bij wijze van inleiding tot ons onderwerp, voor alle duidelijkheid, eerst een definitie of omschrijving geven, van het geen wij verstaan door het "Voorschrift" of wel het "Het voorschrijvend deel van het Woord van God".
Wij moeten in dit opzicht zeer duidelijk en nauwkeurig zijn, "opdat wij niet lopen als op het onzekere, noch kampen als in de lucht slaande, maar zijn mogen als een arbeider die niet beschaamd wordt, die het Woord der Waarheid recht snijdt". 1 Kor. 9:26; 2 Tim. 2:15.
Ten einde dan onze mening zo duidelijk en onderscheiden mogelijk voor te stellen, zullen wij het onderwerp van twee kanten bezien:
1e ontkennender- en 2e bevestigenderwijs.
Door het Voorschrift verstaan wij niet enig gedeelte van het oude Verbond "Doe dat en leef", want wij sluiten zorgvuldig en onvoorwaardelijk uit, iedere gedachte, daad of beweeggrond, die ontspruit uit, verbonden is met of steunt op de Wet der Werken, zij het ook als een Verbond of als een regel, rechtvaardigmakend of heiligend, de consciëntie verbindend of die haar invloed doet gelden op ons hart en leven.
Hier wensen wij pal te staan en niet te wijken, zelfs niet voor één ogenblik, noch voor enig mens of regel, dogma of bevinding, beginsel of praktijk, letter of geest, woord of werk, dat ons in dienstbaarheid zou willen brengen, of dat een wettisch juk zou willen leggen op de hals van de ware discipelen van Christus. Neen, laat ons hier duidelijk zijn; laat ons onbeweeglijk staan in de "vrijheid' met welke ons Christus heeft vrijgemaakt", en niet in de ijver tot de wet waardoor wij onszelf plaatsen onder de vloek van de wet, of de rook en het vuur van Sinaï's top vermengen met het helder en heerlijk licht van de berg Sion.
Laat ons duidelijk onderscheiden tussen: "Doe dat en leef" en "Leef en doe alzo"; tussen de geest der dienstbaarheid en de geest der aanneming; tussen de gedwongen taak van een veroordeelde in de ketenen, en de gewillige gehoorzaamheid van een liefhebbende zoon; tussen de dief sluipende in de provisiekast en het kind dat aan tafel zit; tussen de onwillige ogendienst van een slaaf die vreest voor de zweep, en de hartelijke en gewillige dienst van een vrouw, die haar hoogste beloning geniet in een toeknik en een kus.
Als wij deze zaken niet uit elkaar houden, konden wij beter onze vingers in het vuur steken dan dat wij daarmede het gebiedend deel van het Nieuwe Testament behandelen zouden. O, als wij met betrekking tot dit onderwerp een weinig acht geven op de genade en wijsheid, die zo krachtig uitblinkt in de brieven van de apostel Paulus: wat een duidelijk onderscheid stelt hij tussen Wet en Evangelie; tussen de bediening der verdoemenis, der dienstbaarheid en des doods en de bediening der rechtvaardigheid, vrijheid en leven!
Wie kant zich zo vurig als hij tegen het leggen van een wettisch juk op de hals van degenen die door de Waarheid zijn vrijgemaakt en tegen het onderéén mengen 'van de kinderen der Beloftenissen en de kinderen der Dienstbaren'? Hoort zijn uitspraken, die hij als gewapend met het gezag en de macht van een apostel van God, slingert naar het hoofd van de leraren van de gemeente van Galatië, die door hun wettische leerstellingen de gelovige discipelen van Jezus zochten te ontvoeren en het Evangelie van Christus wilden veranderen! Gal. 1:7-9. En let er evenwel op, hoe dezelfde man Gods, met de genade van het Evangelie in het hart en het Voorschrift van het Evangelie in de hand, zo teder zijn kon als een voedster en zo vriendelijk en toegenegen als een vader. "Want wij zijn vriendelijk geweest in het midden van u, gelijk als een voedster hare kinderen koestert. Gelijk gij weet, hoe wij een iegelijk van u, als een vader zijn kinderen, vermaanden en vertroostten. En betuigden dat gij zoudt wandelen waardiglijk Gode, die u roept tot Zijn Koninkrijk en heerlijkheid." 1 Thess. 2:7, 11, 12.
Het Voorschrift van het Evangelie
2. Maar, omschreven hebbende wat wij door het "Voorschrift" niet verstaan, met andere woorden, het ontkennender wijze hebben beschouwd, laat ons nu bepalen wat wij er wel door verstaan, dus bevestigenderwijs er iets van zeggen.
Wij verstaan dan door het "Voorschrift" of het "Voorschrijvend deel van het Woord van God", (de wil van God in Christus) die vermaningen, bevelen, geboden, smekingen, waarschuwingen, noemt ze zo u wilt, als u die betekenis er maar aan verbindt die de Heilige Geest in het Nieuwe Verbond daaraan geeft of als zodanig heeft geopenbaard, namelijk alles wat onze aandacht vraagt en onze gehoorzaamheid vereist en zich richt tot ons hart en dat zijn invloed doet gelden op ons leven.
Het Voorschrift is geen dogma, hoewel daarop gegrond, geen bevinding, maar daarmede verbonden, maar het staat afgescheiden van beiden. Het heeft een eigen, bijzonder, onderscheiden karakter of eigenschap. Zij zijn alle drie gelijk, een deel van hetzelfde Evangelie, hebben dezelfde Auteur, dezelfde bekrachtiging, hetzelfde gezag en ze moeten daar alle drie ontvangen worden door hetzelfde geloof, met dezelfde eerbied en in dezelfde liefde.
Die het ene verwerpt of veracht, verwerpt of veracht ook de anderen en hij die door Goddelijke kracht of invloed waarlijk het leerstellige gelooft, zal geestelijk delen in de bevinding en zal met een gewillig hart het Voorschrift zoeken te beleven.
Maar, uit welke oorzaak is het Voorschrift onder de kerken die de Waarheid belijden, dan zo verwaarloosd?
Vrienden en broeders, is het zo, of is het zo niet? Staan wij schuldig of niet schuldig, dienaren van de levende God, leden van de kerken gefundeerd op de liefde der Waarheid in haar zuiverheid en kracht?
Denk er om, wij spreken hier niet van de hen die aan het eind van een predikatie de geboden tot een bundel roeden tezamen bindt en daarmede de schapen en lammeren van Christus zoekt te geselen. Dit is wetswerk. Dit is geen prediken van het Voorschrift zoals Paulus het predikte en de Heilige Geest het heeft geopenbaard.
Het Voorschrift gepast te behandelen is het geestelijk te behandelen, in de liefde en Geest van het Evangelie, met een verbroken hart en een verslagen geest; verbroken onder het gevoel der zonden en vernederd onder het besef van barmhartigheid. Dit, om een nadere verklaring niet vooruit te lopen, dit is het, wat wij bedoelen door de prediking van het Voorschrift.
Maar zijn er geen oorzaken voor dit verzuim? Zeer zeker zijn die er, anders zou het niet zo algemeen zijn. Staan wij zelf hieraan niet schuldig? Wij belijden vrijwillig onze schuld op deze dag, en misschien hebben wij maar in ons eigen hart te zien om uit te vinden waarom anderen eveneens schuldig staan.
Wij belijden dat wij gedurende enige jaren, nadat wij de liefde der Waarheid ontvangen hadden, niet duidelijk of ten volle zagen het verband van het Voorschrift met de leerstellingen van genade en de bevindingen van de heiligen. Wij zagen, wat duidelijk genoeg was, dat het Voorschrift een grote en uitstekende plaats innam in het Nieuwe Testament, en als zodanig namen wij het aan. Maar twee moeilijkheden schenen in de weg te staan, om het hartelijk en oprecht te omhelzen en een recht gezicht te hebben van de schoonheid en dierbaarheid daarvan, als een deel van de Goddelijke openbaring.
Deze waren 1e de zondigheiden ten 2e het onvermogen van het schepsel en van onszelf in het bijzonder. De bewustheid van de totale onmacht om het Voorschrift te volbrengen, bracht het voor ons als het ware buiten ons bereik, en de heiligheid daarvan deed het in ons oog te zuiver zijn, om het met de hand aan te raken. Als het dus dientengevolge onaangeroerd bleef, vloeide dit niet voort uit verachting maar uit eerbied; en het niet ter hand nemen daarvan sproot niet uit opzettelijk verzuim, maar omdat wij niet duidelijk zien konden de plaats die het Voorschrift in het Evangelie van de genade Gods inneemt.
Laat mij enkele woorden hierover te zeggen.
Alle waarheid en inzonderheid de geopenbaarde Waarheid moet zichzelf gelijk zijn en een overeenstemming hebben in alle delen. Maar om deze overeenstemming te kunnen zien, moet het oog niet alleen behoorlijk geoefend zijn, maar moet op het voorwerp kunnen zien vanaf de juiste plaats.
De lezer sta ons toe één of twee voorbeelden bij te brengen om onze bedoeling duidelijk te maken. In een kunstgalerij plaatst ge u voor een schoon schilderstuk, bijvoorbeeld, voor een van de grote zeegezichten van Turner. U bekijkt het van nabij; en wat ziet u? Een hoop vlekken met stukjes witte verf hier en daar. U gaat een paar treden achterwaarts en bekijkt het stuk nu vanaf de juiste plaats. Wat een verandering! Wat een schoonheid, wat een overeenstemming, wat een verscheidenheid van kleuren! De vlekken en smetten lossen zich op in een zeezwelling met leven en beweging; en de stukjes verf zijn golven, al schuimend krullende, die als 't ware uw voeten schijnen te bespatten.
Neem een meer huiselijk beeld. Kijk door een stereoscoop op een foto. Wat ziet u? Iets wat op een gebouw lijkt, maar alleen verward. Wacht een ogenblik tot u het brandpunt hebt gevonden. Wat ziet u nu? Het front van een paleis of kathedraal, zelfs tot in de bijzonderheden van de bouwkunst en dit zo helder en duidelijk dat ge u zou voorstellen dat u het gebouw zelf ziet.
Zo is het met de Goddelijke waarheid. Laat het oog geestelijk geopend zijn, laat de juiste plaats van uitzien bereikt zijn en dan zien we elk deel op zijn juiste plaats, vol schoonheid en overeenstemming. Dus als wij het Voorschrift beschouwen vanaf een wettische grond dan kunnen wij het niet anders zien dan verwrongen en niet op zijn plaats. Het is wat wij zouden noemen, verkeerd perspectief; wij zien het niet van uit hetzelfde punt, zoals de Heilige Geest dit in het Woord getekend heeft en zoals Hij beoogt, namelijk, dat het gezien zal worden met een gelovig oog.
Maar als wij het zien, zoals in het Evangelie wordt voorgesteld, leerstelling en bevinding, belofte en gebod, liefde en gehoorzaamheid, beweegreden en handeling, Christus ontvangende en in Hem wandelende, de genade die verlost en de genade die heiligt, het bloed dat reinigt en het water dat wast, Christus als Priester om te verzoenen, Christus als Profeet om te onderwijzen, Christus als Koning om te heersen, alles één harmonisch geheel vormend, alles verenigd in één heerlijk ontwerp tot heerlijkheid Gods en tot de tegenwoordige en toekomende gelukzaligheid van Zijn volk, dan zien wij de Waarheid zoals ze in Jezus is; evenals Mozes staarde op het land der belofte van de hoogten van Pisga, of zoals Johannes "de heilige stad zag, het nieuwe Jeruzalem, nederdalende van God uit de hemel, toebereid als een bruid die voor haar man versierd is," Openb. 21:2.
Doch er was misschien nog een andere reden waarom wij de schoonheid en overeenstemming van het Voorschrift niet zagen. Toen onze vleselijke heiligheid en menselijke vroomheid aan stukken gebroken was, en wij gedurende vele jaren onder veel inwendige oefening en aanvechting moesten heengaan, leerden wij in die school de totale hulpeloosheid van het schepsel kennen.
Maar toen wij verlost werden van het knellende juk van wettischheid en eigengerechtigheid en leerden smaken de zoetheid en de vrijheid van het Evangelie, kwam ons gemoed in verzet tegen al wat wettisch, eigengerechtig of Farizees scheen. Zo geraakten wij dus op weg tot het andere uiterste. En terwijl wij het ene kwaad vermijden, bleven wij weliswaar voor het andere uiterste bewaard, maar hadden wij toch te veel toenadering tot het andere.
Afgestoten en bijna geërgerd door de wijze waarop Arminianen en het gehele geslacht van gevormde predikers, de uitnodigingen en geboden van het Evangelie behandelden, ze aanbiedende aan dode mensen om dienovereenkomstig te handelen en ze te volbrengen, deinsde ik daarvan terug. Ik vond geen aansluiting met zulke handelingen, zulk onderwijs en prediken, zo'n ten onderste boven keren van zaken, zo'n bemodderen van de wateren, zo'n vertreden van de weiden van de kudden.
Bovendien bemerkten wij in enige zelfs goede mannen, (mannen waarvan wij betere dingen gehoopt hadden) door een wettisch vooroordeel geleid werden om het Voorschrift te gebruiken, meer als een roede voor anderen, dan als een regel voor zichzelf. Die daardoor veeleer een geest van bitterheid zochten aan te kweken in hun eigen gemoed en in het gemoed van dengenen die zij beïnvloeden, dan de zuivere melk van het Woord voort te brengen opdat de kudde daardoor mocht opwassen. Het resultaat van zodanige prediking is geestelijke hoogmoed en zelfverheffing onder velen van het ware volk van God, meer dan ootmoed, gebrokenheid des harten broederlijke toegenegenheid en liefde. Vandaar scheiding tussen dienaren van de Waarheid, vandaar verdeeldheden in de kerken, wat juist het tegenovergestelde gevolg uitmaakt van de ware geest en het oogmerk van het Voorschrift.
Al deze dingen bijeengenomen doen het Voorschrift geen eer aan. En als het zo uit zijn ware plaats gerukt wordt verliest dit veel van zijn bevalligheid en schijnt het eerder afgescheiden te zijn van het gebouw, dan dat het er een heerlijk deel van uitmaakt. "Gelijk in het water het aangezicht is tegen het aangezicht, alzo is het hart des mensen tegen de mens." Zo kan het zijn dat onze ervaring betreffende dit punt, ook de ervaring is geweest van anderen en zo ja, dan kan dit ter verklaring dienen, waarom het Voorschrift te zeer veronachtzaamd is door hen, zowel als door onszelf.
Maar gedurende enkele, dicht achter ons liggende jaren, zijn wij geroepen geworden te wandelen in een enigszins onderscheiden pad. Wij hadden veel verdrukking in het lichaam en daarin veel oefening van onze geest in de zaken van God, met veel onderzoeking des harten. Wij wensen over deze zaak met voorzichtigheid te spreken, kennende de geveinsdheid en bedrieglijkheid van onze zondige natuur; maar wij vertrouwen, dat door deze verdrukkingen en de daarmee gepaard gaande oefeningen, in ons hart is gewerkt een groter, als ook een meer ernstige en blijvende wens, om nauwer met de Heere te wandelen, meer te leven in Zijn vrees en meer te kennen van Zijn Persoon en werk, bedoeling en wil in de openbaringen van Zichzelf door het woord van Zijn genade. Niet dat wij één ziertje beter zijn; niet dat wij onze natuur minder verdorven vinden of ons hart minder bedrieglijk, meer dan enig ding of minder onherstelbaar boos. Niet dat wij een enkele stap voorwaarts doen kunnen, zonder invloed of kracht van boven; niet dat onze wintergetijden niet veel en lang en onze zomergetijden niet weinig en kort zijn. Het tegendeel is onze ervaring; en toch zijn wij niet geheel overgegeven aan zorgeloosheid en zinnelijkheid, maar dit alles doet ons onze rug geven aan het Woord dat hem slaat en doet onze hals buigen onder het juk dat het Woord oplegt. En nochtans moeten wij erkennen, dat het licht over het Voorschrift in onze ziel geleidelijk is opgegaan, en dat zijn plaats in het Woord der Waarheid klaarder voor ons verstand geopend is en dat een groter plaats daarvoor in ons hart en consciëntie gemaakt is.
In hoeverre dit licht van Boven is, kunnen onze goedwillende lezers zelf beoordelen, als wij onze arbeid hebben verricht, uit de waarheid en geur van onze verklaring en uit de indruk en de kracht die zij, naar wij hopen, zal maken in hun consciënties, als overeenkomende met het Woord en hun eigen bevinding.
Nu, zoals wij onze fout beleden hebben dat wij niet dadelijk de ware plaats hebben kunnen zien, die het Voorschrift in het Evangelie van de genade Gods inneemt, dachten wij dat het het beste is zo eenvoudig als ons doenlijk was de weg uit te stippelen, waarin wij tot ons tegenwoordig standpunt ten opzichte van dit belangrijk deel van de Goddelijke Waarheid zijn geleid geworden.
Op deze manier eerlijk sprekende door overvloedige genade, behoren wij geen achterliggende dwaling langer te erkennen, noch een verkeerd inzicht, noch een opzettelijk of ongepast verzuim, noch enige misleidende bevinding als Christenmens, noch enig vals onderwijs als Christenleraar langer te belijden. Integendeel, wij mogen met dankbaarheid erkennen, dat ons verlangen is: 'meer uitgebreid te worden naar een grotere maat of tot een voller bezit van de kennis van Gods wil, in alle wijsheid en geestelijk verstand', Kol. 1:19. Wij worden vermaand "op te wassen in de genade en de kennis van onze Heere en Zaligmaker Jezus Christus." Daarom begeren wij ernstig voor onszelf zowel als voor anderen, om niet altijd als een paal op een en dezelfde plaats te staan, of als een geesteloos mens te blijven op een en dezelfde trap van kennis en ondervinding, alsof wij alreeds kenden wat gekend moet worden en de eindpaal reeds bereikt hebben en nu slechts te wachten hebben op de kroon der overwinning. Neen, maar wij willen liever met de apostel Paulus, 'vergeten hetgeen achter ons is en verlangen naar hetgeen voor ons is en jagen naar het doel en de prijs van de hoge roeping Gods in Christus Jezus'.
Laat dit dan voldoende zijn als een inleiding tot ons onderwerp
Naar de mate dat wij in het geestelijk leven vorderingen maken, zien en voelen wij, gewoonlijk meer en meer de dikke duisternis en de grove onkunde die over onze ziel is uitgespreid. Het is alleen door een genadige ontdekking aan onze ziel dat wij kennis krijgen van ons totaal onvermogen om de zekerheid en het gezag van Goddelijke dingen te beseffen. "De dingen des Geestes Gods", wij gevoelen het zoals de apostel zegt, "kunnen alleen geestelijk onderscheiden worden," 1 Kor. 2:14. Omdat ze hoog, hemels en heilig zijn, zijn ze uit hun eigen natuur ver buiten ons gezicht of boven het bereik van ons natuurlijk verstand, laat het zich inspannen zoveel als mogelijk is, of tot zijn hoogste ontwikkeling worden opgevoerd. Het is alleen in Gods licht, dat wij het licht zien, Ps. 36:9. En omdat alleen het licht alles openbaar maakt, Efeze 5:13, komt het gezicht en het gevoel dat wij van onze duisternis hebben alleen van het licht des levens in onze ziel. Naar mate wij groeien in het licht en in het leven, -want er behoort een groeien in de genade te zijn, 2 Petrus 3:18, naar die maat is er ook een meerdere ontdekking en een dieper besef van de duisternis van onze geest in de dingen Gods.
Maar het is niet álles duisternis, want de duisternis is één zaak en de macht der duisternis is een andere zaak. En zulken zijn immers overgezet in het Koninkrijk van de Zoon Zijner liefde, Kol. 1:13. Telkens toch zijn er van die ogenblikjes dat een straaltje en een glans van hemelse werkelijkheid, helder en heerlijk in hun ziel schijnt. Maar dan, misschien plotseling, wordt dit weer weggenomen, als wij de vergelijking eens mogen maken, zoals het laken dat Petrus zag in een gezicht en dat weer werd opgenomen in den hemel. Of, het is als de wolk die de opvarende Heiland voor de ogen van de Hem nastarende discipelen wegnam, Hand. 1:9 en 10:16.
Uit deze Goddelijke ontsluitingen krijgen wij een geestelijk besef van de bovennatuurlijke dingen, die hun werkelijkheid doen kennen aan het verlicht verstand en hun gelukzaligheid verzegelen aan het hart. Het gemis van die invloeden overtuigen ons welk een sluier van onwetendheid en duisternis er over onze ziel hangt!
Wij hopen dat onze lezers ons toestaan dit met een voorbeeld te verduidelijken. Op een nevelige dag, als de dikke mist het ons omliggende landschap aan het oog onttrekt, zal soms de zon plotseling er door heen schijnen. In één ogenblik wordt de sluier opgeheven en 't gehele landschap komt er helder uit te voorschijn. De trotse bergketen, of het ons toelachende dal, of de lange kronkelende zeekust met al hare rotsachtige voorgebergten, die zich in de mist schuil hielden, komen plotseling te voorschijn en het gehele landschap vertegenwoordigt zich aan het oog, duidelijk en klaar, als een harmonisch geheel. Maar de mist keert terug, bijna even plotseling als ze was opgetrokken; het ene voorwerp na het andere wikkelt zich opnieuw in de nevel, totdat het geheel aan ons oog onttrokken is. En toch zijn we niet alles kwijt. Wij kunnen ons herinneren wat wij gezien hebben. Het heeft een indruk op onze geest gemaakt, het heeft een duurzame herinnering achtergelaten, hoewel niet in hare volle helderheid en klaarheid, maar wat wij nu zien is slechts nevel en mist.
Kunnen wij dit beeld niet toepassen op ons oordeel in geestelijke dingen, beide wat aangaat licht en duisternis? Meestal kermen en zuchten wij onder een gevoel van de dikke duisternis waaronder wij verkeren. Want hoewel het licht zoet is en het de ogen goed is de zon te aanschouwen, niettemin zijn de dagen der duisternis vele. Pred. 11:7,8. Dit is de dichte nevel en de mist. Maar er zijn ook tijden en stonden dat de Zon der Gerechtigheid plotseling voor het oog van de ziel opgaat met genezing onder Zijn vleugelen, Mal. 4:2. Dan wordt de nevel en mist onmiddellijk verdreven. Licht schijnt in het hart; en op hetzelfde ogenblik wordt het gehele plan en ontwerp der zaligheid, van genade tot heerlijkheid, van vóór de grondlegging der wereld tot aan het eind der eeuwen, van het oorspronkelijk voornemen van God tot de volle en laatste voltooiing daarvan in de zalige eeuwigheid, geopenbaard.
Dit wordt soms ontdekt onder het lezen van Gods Woord, soms doordat een gedeelte van de Schrift wordt toegepast aan het hart, soms in eenzame overdenking, soms als wij op onze knieën liggen om des Heeren aangezicht te zoeken. Op deze gezegende ogenblikken schijnt het Goddelijk licht in de ziel, "want de opening Uwer woorden geeft licht", Ps. 119:130. En dit licht breidt zich uit, als het ware over het Woord der Waarheid en verlicht elk deel waarop het schijnt met een onbeschrijfelijke schoonheid en heerlijkheid.
Laat ons bijvoorbeeld, onder zo'n Goddelijke kracht en invloed lezen Efeze 1 of Romeinen 8 of de samenspraken van de Heiland met Zijn discipelen vóór Zijn lijden en dood, of het wonderlijke gebed, Joh. 17, waarin Hij optreedt voor Zijn discipelen en ook voor ons die in Zijn Naam geloven, vers 20, als Voorspraak, als de grote Hogepriester over het huis Gods.
Als wij deze hemelse waarheid lezen, als het geloof krachtig wordt en zich verenigt met hetgeen wij lezen, wat een schoonheid en gelukzaligheid schijnt er uit iedere volzin en hoe straalt het heerlijk Evangelie van de genade Gods uit als met hemels licht, om elk deel daarvan te doen samensmelten als een groot harmonisch geheel! Als de ziel vertederd wordt en smelt onder de kracht en invloed van het Woord, als een Woord van geest en leven, dan vluchten alle schijnbare bezwaren weg en niet één verkeerde noot verstoort de overeenstemming van het hemels koor van Evangeliewaarheid, dat een zoet geluid in het hart voortbrengt. Op zulke tijden en in zo'n gestalte willen wij graag aan zijn plaats laten wat wij niet ten volle kunnen begrijpen; twist en onenigheid met God of mensen, met onszelf of tussen anderen, vlieden weg, want zij kunnen in deze hemelse dampkring niet leven En de majesteit en de kracht van het Woord van de levenden God vervult de ziel met eerbied en trekt haar genegenheden in liefde uit. Alle leerstellingen, alle ondervinding, alle Voorschrift wordt dan gezien als een groot, harmonieus geheel, zich verenigend in het Middelpunt, in de heerlijke Persoon van de Zoon van God. Zij komen allen uit Hem en tot Hem keren zij allen terug. Afgescheiden van Hem beschouwd, is het leerstellige slechts een dorre tak, de bevinding slechts een misleidende droom, het Voorschrift slechts een wettische dienst. Maar als Zijn licht ons verlicht, Zijn geest ons verlevendigt en Zijn kracht het woord van Zijn genade vergezelt, dan zien wij het leerstellige niet langer aan als droog en dood, maar als een heerlijke waarheid, dan zien we de bevinding niet maar als louter een zaak van onzekerheid, maar een gezegende werkelijkheid, als het ware koninkrijk van God, door een Goddelijke kracht opgericht in het hart. En dan is de gehoorzaamheid niet als een wettische plicht, maar als een hoge, heilige en aangename dienst.
Maar wij moeten ons onderwerp niet vooruit lopen want wij zullen bevinden dat in de bedding die wij in het kort geschetst hebben onze visie en gedachten voornamelijk zullen lopen. Maar wij meenden er goed aan te doen deze voorafgaande schets te geven, aan de ene kant begerig zijnde om reeds van het begin af alle verdenking die in het gemoed van vriend of vijand zich mocht opdoen te ontzenuwen opdat wij de behandeling van het Voorschrift ter hand nemende, niet mochten afzwerven van de waarheid tot een wettisch beginsel en aan de andere kant, om de weg te bereiden tot een nadere beschouwing van het stuk, dat we ondernomen hebben te verklaren.
Zonder meerdere inleiding stellen wij ons voor, bij de behandeling van ons onderwerp het Voorschrift in deze vier zaken nader te overwegen:
Laat ons ten eerste zijn belangrijkheid overwegen.
Een zeer eenvoudig bewijs van, de belangrijkheid van het Voorschrift is wat wij kunnen noemen zijn omvang.
Laat ons dit eens onderzoeken door na te gaan hoeveel aandacht hieraan gegeven wordt in de verscheiden brieven van het Nieuwe Testament.
1. Wij maken hier in het bijzonder melding van omdat het Voorschrift wordt gericht aan de Christenkerken en het een onderscheiden en bijzondere plaats in de brieven inneemt, als een harmonieus deel van de openbaring van de genade en waarheid in het Evangelie van Jezus Christus.
Neemt dan, als ons eerste voorbeeld de brief aan Efeze, de meest volkomen en rijkst bedeelde brief en die wij misschien zouden mogen noemen, de meest verhevene in leer, van al de brieven die Paulus door Goddelijke ingeving aan de kerken geschreven heeft. Van de 6 hoofdstukken die er in deze brief zijn, zijn er 3 voorschrijvend, inderdaad vermengd met en gegrondvest op de leerstellige en bevindelijke waarheid, want in dit kanaal loopt het Voorschrift altijd; behalve dat het aanneemt de vorm van duidelijke, stellige vermaning, waarschuwing en besturing.
Overweegt dit punt, leraren, die elke dag des Heeren niet anders preekt dan leerstelling, leerstelling en nog eens leerstelling, en vraag uzelf af, of dezelfde Heilige Geest, die de eerste 3 hoofdstukken van de brief aan de Efeze bekend maakte, ook niet de laatste 3 openbaarde. Is niet de hele brief geïnspireerd, een deel van die Schrift waarvan wij lezen: "Al de Schrift is van God ingegeven, en is nuttig tot lering, tot wederlegging, tot verbetering, tot onderwijzing die in de rechtvaardigheid is. Opdat de mens Gods volmaakt zij, tot alle goed werk volmaaktelijk toegerust", 2 Tim. 3:16,17. Hoe kunt u een mens Gods zijn, volmaakt, dat is volkomen als leraar en degelijk uitgerust tot alle goed werk, indien u moedwillig een gedeelte van de Schrift veronachtzaamd, die God gegeven heeft, tot nut voor uzelf en door u aan anderen?
Maar laat ons dit punt een weinig van naderbij bezien. "Zo bid ik u dan, ik, de gevangene in den Heere (ik daarom de gevangene des Heeren, bid u enz. Eng. vert.) dat gij wandelt waardiglijk der roeping, met welke gij geroepen zijt. Met alle ootmoedigheid en zachtmoedigheid, met lankmoedigheid, verdragende elkander in liefde. U benaarstigende te behouden de enigheid des Geestes door den band des vredes, Efeze 4:1-3. In de voorgaande hoofdstukken had de Apostel de gelovige Efeziërs voor ogen gesteld, hun eeuwige. verkiezing in Christus, hun verordinering tot aanneming tot kinderen, hun verlossing door het bloed van Jezus, ook de vergeving van hun zonden, hun verzegeling door de Heilige Geest der belofte als een onderpand van hun erfenis, hun gebouwd zijn op het fondament der apostelen en profeten, en dat tot een woonstede Gods in de Geest. Welk een bundel van hemelse zegeningen en dat alles komt hun toe als heiligen en gelovigen in Christus Jezus. Wat volgt dan? Ik 'daarom'. Wat een daarom! Hoe leidt het ons terug tot die geestelijke zegeningen, waarmede God ons gezegend heeft, in Christus, Efeze 1:3. En hoe dringt het aan, opdat die zegeningen kracht zouden hebben op onze handel en wandel! Ik, daarom, de gevangene in de Heere, bid u, dat gij wandelt waardiglijk der roeping, met welken gij geroepen zijt," enz. Maar niet voldaan met deze algemene vermaning, gaat de apostel in drie op elkaar volgende hoofdstukken verder het Voorschrift nader te ontvouwen, opdat het in hun hart en consciëntie de vruchten der gerechtigheid zou voortbrengen, zoals: ootmoed, zachtmoedig, lankmoedig, verdraagzaam, liefde, vereniging en wederkerig elkaar vergeven. Bij zijn vermaning voegt hij ernstige waarschuwing tegen alle zonden, zoals onreinheid, leugen, toorn, diefstal, bitterheid, gramschap en lastering enz. Merkt ook op hoe nadrukkelijk hij zich niet slechts bezig houdt met onze persoonlijke handel en wandel, maar ook met de familiekring, èn vaders èn moeders, èn kinderen èn knechten èn heren en hoe hij hen de onderlinge plichten op het hart drukt. En hoe hij zijn gehele redenering bouwt op de vaste beweeggronden en haar baseert op hemelse en geestelijke beginsels.
Wij hebben dus in deze brief de verhevendste leerstelling, de hoogste praktijk en het verrukkendste gezicht van de soevereine eeuwige genade van God de Vader. Hoofdstuk 1:3-12, en 19:23, van de onuitsprekelijke liefde van God de Zoon, hfd. 3:17-19. en van het levendmakend, verzegelend en bevestigend werk van God de Heiligen Geest, hfd. 1:13-14; 2:1, 18, 22; 3:16. En volgend op deze rijke, heerlijke voorstelling van de innigste leerstellige Waarheid, vinden wij het innigste Voorschrift, dat ons als vrucht van deze soevereine genaden voor ogen stelt, de gewillige gehoorzaamheid van hart, mond en leven, met elke inwendige genade en elke uitwendige vrucht.
Geeft hier acht op, lezers. Onderzoekt het voor uzelf. U hebt uw bijbel voor u. U behoeft geen geleerdheid, geen grote ontwikkeling om dit te kunnen verstaan.
Als u in uw ziel een weinigje begunstigd wordt en u gevoelt dat uw hart week wordt en smelt onder den indruk van Gods goedheid en barmhartigheid, gaat dan voor een korte tijd alleen, gaat in uw binnenste kamer en sluit de deur achter u toe, de uitwendige- en de inwendige deur, Matth. 6:6. Leest daar met een biddend hart de brief aan Efeze. En als uw geloof met heilige blijdschap en hemelse zoetheid de eerste 3 kapittels omhelzen kan, leest verder en omhelst door het hetzelfde geloof de wijze en heilige Voorschriften in de 3 laatste kapittels vervat, die ook voortvloeien van dezelfde Heilige Geest, Die ze heeft ingegeven en laten neerschrijven. Nu, er is maar "één Geest" en "één geloof", Ef. 4:4,5. Reken er dan op, dat als de gezegende Geest de ogen van uw verstand verlicht om de leerstellingen te zien, en uw hart zalft om de invloed van de vrije genade te smaken, dezelfde gezegende Geest ook uw ogen en uw hart wil zalven om te zien en te ervaren de invloed van de krachtdadige genade. Want Die schijnt net zowel op het geïnspireerde Voorschrift als op de geïnspireerde belofte. Ook zal uw geloof dat de zaligheid omhelst, niet minder gewillig zijn de dingen te omhelzen, die met de zaligheid gevoegd zijn, Hebr. 6:9. Wij weten vanzelf, dat om dit te betrachten een geestelijk gemoed vereist wordt; maar wij schrijven voor geestelijke lezers, voor diegenen die iets kennen van de kracht van het woord op het hart, zowel als de bedoeling van de letter van het Woord in hun verstand.
Neemt dan de brief aan de Kolossenzen, dien wij op één lijn stellen met de brief aan de Efeziërs, ook omtrent dezelfde tijd geschreven (anno 61, toen Paulus te Rome gevangen zat) en die hoofdzakelijk ook handelt over dezelfde heerlijke waarheid.
Deze brief heeft vier kapittels. Van deze zijn er twee voorschrijvend, dat is de helft van de brief. Is dit niet van veel betekenis? En kan het bestaanbaar zijn met de betamelijke eerbied voor het Woord van de genade Gods om een halve brief stilzwijgend ter zijde te leggen als van weinig of geen belang?
Beschouwt dan 1 Thessalonicenzen. Deze bevat 5 hoofdstukken, waarvan de laatste twee geheel voorschrijvend zijn. En als wij in plaats van bij hoofdstukken te rekenen, de verzen tellen, zullen wij bevinden dat iets meer dan de helft (46 tot 43), gewijd zijn aan het onderwerp van de praktijk en de eis van de Christelijke gehoorzaamheid.
Maar hier kan de tegenwerping gemaakt worden dat wij de brieven hebben uitgekipt en twee van de langste en belangrijkste verzwegen hebben, namelijk de brief aan de Romeinen en aan de Hebreeën, waarop de vergelijking in omvang niet van toepassing is. Het is volkomen waar dat in geen van deze brieven de verhouding van Voorschrift tot leerstelling, in omvang genomen, zo groot is als in die welke wij onderzocht hebben. Maar er is een krachtige en bondige reden voor: deze schijnbare onevenredigheid in beide gevallen was nodig om duidelijk bekend te maken het grote leerstuk van de rechtvaardigmaking door het geloof in het bloed en de gerechtigheid van de Zoon van God. Dat is immers het voornaamste onderwerp in de brief aan de Romeinen. Het was noodzakelijk dit volledig en breedvoerig te doen en zo'n gewichtige waarheid te plaatsen op een brede en duurzame grondslag. Luther noemt dit: "Het artikel waarmede de Kerk staat of valt", (Articulus stantis aut cadentis ecclesia." Letterlijk: "Het artikel van de staande of vallende kerk".)
In een korte brief zoals die aan de Filippenzen, kon die fundamentele leerstelling, van alle kanten niet uitvoerig worden uiteengezet. Een zekere omvang, met uitnemend, helder bewijstrant, (want het leerstellig deel van de brief aan de Romeinen is een meesterstuk van verdedigende redeneerkunde) was nodig, om het grote bolwerk van de kerk te gronden op een onbeweeglijk fondament, tegen de dwalingen van alle eeuwen.
Op dezelfde wijze wordt het priesterschap van de Heere Jezus beschreven, dat het onderwerp vormt van de brief aan de Hebreeën. Dit kon niet van alle zijden belicht worden in enkele woorden. Want het was nodig daarin te schetsen de vervulling van het Levietisch priesterschap met haar zinnebeelden en offeranden in de Persoon en het werk van de Middelaar Gods en der mensen.
Dit overwegende, zien wij al dadelijk een voldoende reden waarom deze twee brieven een blijkbare afwijking vertonen ten opzichte van de omvang van het Voorschrift. En nochtans is in allebei het Voorschrift te schatten, niet naar werkelijke omvang maar naar de belangrijkheid, naar hoedanigheid, niet naar de grootheid. Overigens een bewonderenswaardig bewijs wat niet minder sterk en sprekend is dan in de eerstgenoemde brieven.
Leest bijvoorbeeld Rom. 12, 13, en 14. Welke nadrukkelijke Voorschriften, hoe aanééngesloten en toch hoe begrijpelijk. Welke hechte en sterke Evangelische grondslagen zijn daar neergelegd! De ontfermingen Gods, kap. 12:1; het eigendom dat Christus heeft aan ons; kap. 14:7-9; lidmaatschap met Hem en met elkander; kap 12:4, 5; de geestelijke natuur van het koninkrijk Gods; kap 14:17, 18; het voorbeeld van Christus kap 15:3-6; de eis van broederlijke liefde; kap. 13:8-10; de nadering van de volle en eindeloze zaligheid; kap. 13:11; en onze verantwoordelijkheid voor God; kap. 14:12. Welk een grondslag is er dus gelegd! En op deze brede grondslag van Christelijke voorrechten wordt een heerlijke bovenbouw van Christelijke Voorschriften gebouwd. Leest van Rom. 12:1 tot Rom. 15:7. Ziet eens welke nadrukkelijke Voorschriften! Hoe innig en nauw samengevoegd! En hoe vol er van begint kap. 12, met welk een kostelijke en invloedrijke grondslag vangt dit aan: "Ik bid u dan broeders, door de ontfermingen Gods, dat gij uw lichamen stelt tot een levende, heilige en Gode welbehagelijke offerande, welke is uw redelijke godsdienst. En wordt dezer wereld niet gelijkvormig; maar wordt veranderd door de vernieuwing uws gemoeds, opdat gij moogt beproeven welke de goede en welbehagende en volmaakte wil van God is."
Het lichaam te stellen tot een levende offerande aan God, de wereld niet gelijkvormig te zijn, maar van gedaante veranderd te worden door de vernieuwing des gemoeds naar het beeld van Christus, met een tastbare bevinding en proeve daarbij van de volmaakte wil van God, welk een fondament voor de wezenlijke en praktikale godzaligheid!
Maar wij moeten op ons onderwerp niet vooruit lopen daar deze zaken in vervolg van tijd moeten overwogen worden. Laat het ons voor het tegenwoordige genoeg zijn onszelf de eenvoudige vraag te stellen: Kan het juist, kan het veilig, kan het Schriftuurlijk zijn deze volheid en belangrijkheid van het Voorschrift met niet meer belangstelling te behandelen dan een oude Parlementswet? Of, om wat minder scherp te zijn, om het te ontvangen als het Woord van God, maar evenals wij met de laatste kapittels van Ezechiël dikwijls doen, die wij weinig lezen en nog minder verstaan, hoewel wij er niet aan twijfelen, dat ze deel uitmaken van de geïnspireerde Schrift?
Dezelfde opmerking geldt voor de brief aan de Hebreeën. Naar zijn omvang genomen, komt het voorschrijvend deel van de brief te kort bij het leerstellig deel. Maar wie, die de twee laatste hoofdstukken leest, kan de ernst van vermaning, waarschuwing en besturing ontkennen waarvan ze vol zijn, die wij echter slechts kunnen aanstippen om ons zoveel mogelijk te bekorten?
Men zal echter hebben opgemerkt dat wij alleen den omvang als bewijs voor de belangrijkheid van het voorschrijvend deel hebben aangetoond.
Als onze lezers lust hebben onze bewijsgrond verder door te nemen, onderzoekt dan de brief aan de Galaten, waarvan twee van de zes hoofdstukken voorschrijvend zijn, namelijk 5 en 6.
Onderzoekt ook de brief aan de Filippenzen, waarin het Voorschrift zo schoon uitblinkt en zo vermengd is met het leerstellige deel, zie kap. 1:6; 2:5-11; 3:20-21; en met het bevindelijke, zie kap. 1:21-23; 3:7-16, zodat het mag genoemd worden: een patroon van Voorschriften.
Onderzoekt verder de brieven van Timotheüs en Titus, die bijna geheel voorschrijvend zijn. En de brieven van Petrus en Jacobus, die vol zijn van Voorschriften van 't begin tot het einde.
Het veelvuldige voorkomen van Voorschriften in de brieven zou iemand wiens aandacht nooit bij dit punt heeft stilgestaan, met verbazing vervullen als hij dit eens zorgvuldig ging naspeuren.
Maar het is droevig te moeten vaststellen hoe weinig onder ons de Schrift met al haar waardigheid wordt gelezen, met verstandige oplettendheid, met zorgvuldige en oprechte naarstigheid, met een ernstige wens om haar geestelijke bedoeling te mogen verstaan, te geloven en in het hart te ondervinden. Dit noemt Gods Woord vergelijkenderwijs:"een zoeken als naar zilver, een naspeuren als naar verborgen schatten. Spreuken 2:4.
2. Maar de belangrijkheid van het Voorschrift zal klaar blijken van uit een ander oogpunt beschouwd. Waren er geen Voorschriften in het Nieuwe Testament, wij zouden zijn zonder een geïnspireerde regel des levens, zonder een gezaghebbende Leidsman ten opzichte van onze handel en wandel voor de kerk van God en de wereld. Met recht verwerpen wij de Wet als een regel des levens voor de gelovige. Wat is dan onze regel? Zijn wij een groep wettelozen die leven naar het ons goeddunkt, zoals de vijanden van de Waarheid ons lasteren? Dat zij verre. Wij hebben een geestelijke, gezaghebbende regel des levens, een samenstel van Voorschriften, van de meest breedvoerige, meest volkomen, van de nauwkeurigste omschrijving, die bestemd en afdoende is om iedere gedachte, woord en daad van ons leven te regelen en te beheersen. En dit alles vloeit voort uit de eeuwige wijsheid en wil van de Vader, verzegeld en bekrachtigd door het bloed van de Zoon en ingegeven en geopenbaard door de Heilige Geest. Wanneer ons dan voor de voeten wordt geworpen dat, doordat wij de Wet verwerpen als een regel des levens, wij ons openbaren als losbandige, wetteloze Antinomianen, dan is dit ons antwoord, en laat God en Zijn Waarheid beslissen of dit niet voldoende is: Dit is géén waar! Wij hebben een regel des levens, die de Wet zover te boven gaat als het nieuwe Verbond der Genade en Waarheid in de heerlijke Persoon van de Zoon van God, het oude Verbond der werken overtreft en te boven gaat. Of zoals de bediening van de Geest des levens en der rechtvaardigheid in heerlijkheid uitblinkt boven de bediening van de letter, des doods en der verdoemenis", 2 Kor. 3:6-11. Kortom, de geboden van het Nieuwe Testament in al hun volkomenheid, nauwkeurigheid en veelheid zijn onze regel des levens.
Maar let eens op: Wat zou het gevolg zijn als het voorschrijvend deel van het Nieuwe Testament als een deel nutteloze zaken uit de heilige bladeren werd weggenomen? Het zou zijn alsof men aan boord ging van een schip, dat een lange en gevaarlijke reis moest gaan doen en dat men, even voor het de haven verliet, alle kaarten, het kompas, de sextant (afstandsmeter), de loodlijn, de chronometer (tijdmeter), kortom, alle instrumenten voor de zeevaart onmisbaar, van boord haalde.
"Maar", zou u kunnen zeggen:" als er geen voorschrijvend gedeelte was, dan zou de kerk nog de Heiligen Geest hebben, die haar veilig over de zee des levens tot de hemelse haven zou leiden". Dit is waar, want de eerste Christenen, als bijvoorbeeld Stefanus de Martelaar en die leefden vóór de brieven geschreven waren, hadden de Heilige Geest om hen te leiden, bij gemis van het Voorschrift. Maar ten eerste, in die dagen werd de Heilige Geest in een overvloedige mate uitgestort en in de tweede plaats, zij had in haar midden apostelen en profeten (1 Korinthe 12:4-11, Efeze 2:20 en 4:11, 12) die onmiddellijk geïnspireerd werden om haar te leiden en te besturen. Welke gaven echter hebben opgehouden, nadat de canon van de Heilige Schrift werd voltooid. Bovendien, waar de Heilige Geest eertijds door de lippen van geïnspireerde mannen onmiddellijk werkte, 1 Kor. 14:21, werkt Hij nu middellijk door het geïnspireerde Woord. Daarom is het argument niet steekhoudend dat wij het nu zouden kunnen doen zonder het geschreven Voorschrift.
De vraag is niet wat God doen kan, maar wat God doet; niet wat wij geloven of denken, maar wat God zegt. Als de Heere naar Zijn barmhartigheid en genade ons regels en Voorschriften geeft om naar te wandelen, laat ons die dan dankbaar aanvaarden en niet onderzoeken in hoever wij het zonder die zouden kunnen doen.
Afgezien daarvan, wat een wijd veld om er in te verdwalen zou er geopend worden voor buitensporige geestdrijverij als er geen rechtstreekse en zekere regels getrokken waren, zoals wij die nu hebben in het Voorschrift. Hoe zou iedere misleide geestdrijver kunnen optreden, met voorwendsel door de Heilige Geest geïnspireerd te zijn om ons te leren hoe wij handelen en wandelen moeten, hoeveel vrouwen hij hebben mocht en hoeveel geld wij offeren moesten om hem en zijn aanhang te onderhouden in weelde en gemak. Wat een barmhartigheid voor ons dat wij de Voorschriften des Heeren hebben en niet die van mensen; Gods heilige wijze en liefderijke onderwijzingen; hoe wij Hem moeten verheerlijken in het hart en met de wandel; hoe wij in liefde en vereniging met Zijn dierbaar volk behoren om te gaan; hoe wij onszelf onbesmet bewaren zullen van de wereld; hoe wij Zijn wil zullen weten en die doen met Zijn goedkeuring in onze consciëntie.
En zo trachten wij onze weg zuiver te houden naar Zijn Woord Ps. 119:9, opdat wij niet ten roof worden zouden aan iedere verleidelijke Mormoon, aan iedere behendige bedrieger, aan iedere listige monnik of sluwe non; of aan andere roomsen, aan de volgelingen van Pusey, een leider van de Oxford Movement, of aan de zusters der barmhartigheid, die ons proberen te bedriegen met hun voorgewende openbaringen, of ons zouden willen vastbinden met hun strenge, wrange regels van vleselijke heiligheid. Welke zware lasten zouden zij ons op de schouders binden, zoals wij zien bij de Farizeeën van ouds, die het Woord van God krachteloos maakten door hun inzettingen, en bij de zelf opgelegde kastijdingen van de orde van de Roomse Trappisten en Cartesianen en bij de vaders en broeders van Ignatius, die nu onder ons leven met hun sandalen of voetzolen en hun Benedictijner kleding, zijnde 'een haren mantel om te bedriegen'. Overgelaten aan zulke blinde of opzettelijk bedriegende leidslieden en zonder het Voorschrift als de regel des levens, als de geïnspireerde Gids voor onze wandel, zouden wij geen Woord des Heeren hebben, om ons tegenover hun bedrog en geveinsdheid te verweren. Wij zouden ons leven moeten doorbrengen in voortdurende gebondenheid en vrees, vervuld met ontzag voor de door hun voorgewende openbaringen. Wij hebben genoeg -God weet het- van deze zogenaamde onderwijzers en bestuurders van consciënties. Sommigen treden op met hun listig bedrog, anderen met hun vormen en godsdienstplechtigheden, met hun voorbereidingen voor het Sacrament, met hun handboeken van godsdienstige onderwijs en praktijken van vroomheid, zogenaamde helpers tot de godsvrucht. Dit alles hebben ze samengetrokken tot een regel en voorbeeld om ons te onderwijzen hoe te leven en hoe te sterven. Geheel dit samenstel vervuld van dwalingen, zoals een blind verstand het verzinnen kan en vervuld van wettische dienst- en lippenwerk, zoals een bijgelovig, eigengerechtig Farizees hart het kan uitdenken.
Wat een vloed van Roomse gewoonten schijnt er nu krachtig onder ons in te breken, onder den naam van kerkgebruiken, dat wil zeggen, het inrichten van gebruiken en ceremoniën, middeleeuwse en traditionele regels, in plaats van de leerstellingen van genade en het Voorschrift van het Evangelie.
Wat een genade dan voor de levende Kerk van God, dat wij niet slechts de Heilige Geest hebben als onze inwendige Leermeester om ons door Zijn Goddelijk licht deze dwalingen en begoochelingen te ontdekken, maar ook dat dezelfde gezegende Geest ons in het Woord der Waarheid gegeven heeft, met de liefelijkste, onwrikbaarste en zekerste onderrichtingen, om ons te leiden in en te bewaren op de weg van het eeuwig leven. En dat Hij van tijd tot tijd daarover Zijn eigene liefelijke zalving, genade en geur uitstort, om ze aan onze ziel te maken tot geest en leven en zo te maken als een lamp voor onze voet en een licht op ons pad.
Wat een gelukkige vrijheid, wat een vrije dienst, wat een tedere, hartelijke en kinderlijke gehoorzaamheid brengen de Voorschriften van het Evangelie ons voor ogen! Even veraf van wettische eisen en Farizeese gerechtigheid als van Antinomiaanse slordigheid en zorgeloze goddeloosheid.
O, u die deze dingen ziet en voelt en de zoetheid smaakt van God te dienen in nieuwigheid des geestes en niet in de oudheid der letter, Rom. 7:6; heft met de schrijver van deze regels uw hart en handen naar omhoog en zegt met hem: "Geloofd zij God voor het Voorschrift!" Moge het ons gegeven worden het klaarder te verstaan, zorgvuldiger er op te letten en het meer volkomen te gehoorzamen!"
Wij hebben getracht de aandacht van onze lezers te bepalen bij de belangrijkheid van het voorschrijvende deel van het Woord van God, de overtuiging hebbende dat, als wij maar eens dit punt vast konden leggen in hun harten, dat het met de hulp en zegen des Heeren de weg zou bereiden tot een innige en zorgvuldige overweging van het gehele onderwerp, beide aan hun en aan onze kant. Een ogenblik nadenken zal dit voldoende duidelijk maken.
Wanneer een gedeelte van de Waarheid van God door schrijver of lezer, leraar of hoorder wordt aangezien als weinig belangrijks bevattend, dan heeft het bijna altijd tengevolge dat het òf geheel veronachtzaamd òf dat er maar losjes overheen gelopen wordt. Waarom zouden wij tijd of gedachten besteden aan een onderwerp van weinig belang? Waarom zouden wij zorgvuldig en biddend een onderwerp onderzoeken, dat ons nauwelijks voor de genomen moeite belonen zou? Wij zouden uit eerbied voor belangrijker dingen uit het Woord van God ons van die gedachten en uitdrukkingen onthouden, Echter, dan zou het nare gevolg zijn, zoals wij nu hebben aangetoond.
Maar aan de anderen kant, als door de onderwijzing en het getuigenis van de gezegende Geest enig gedeelte van het Woord der Waarheid met geestelijk licht aan ons verstand ontsloten of met een bijzonder gewicht en kracht op ons hart gebonden wordt, dan wordt het belang ervan opeens gezien en gevoeld, het neemt onze gehele aandacht in beslag en wij zijn verwonderd dat wij zo blind hebben kunnen staan voor hetgeen nu zo duidelijk is, en hoe wij zo onachtzaam hebben kunnen doen over hetgeen ons nu zo gewichtig toeschijnt. Waar ons echter aan alle zijden strikken gespannen worden, staan wij hier voor een verzoeking waarvoor wij hopen bewaard te worden.
Alle ware wijsheid is van Boven, een vrije gift van God, Die aan allen mildelijk geeft en niet verwijt, Jac. 1:5 en 3:17. En de ware reden waarom de Heere aan iemand schenkt 'de kennis van Zijn wil en geestelijk verstand' is, 'dat hij zou wandelen waardiglijk den Heere, tot alle behagelijkheid, in alle goede werken vruchtdragende en wassende in de kennis van God, Kol. 1:10, 11.
Daarom moeten wij op de wacht staan tegen overrompeld te worden met een geest van bestraffing opdat, in een wettische ijver voor het Voorschrift, wij niet de eerste zouden zijn om het te verbreken. Terwijl wij dus iedere mededeling van licht, iedere opening van het Woord der Waarheid, tot onze troost en opbouw, dankbaar aannemen, moeten wij toch zorgvuldig op onze hoede zijn, om uit de genade die ons gegeven wordt, geen stok voor anderen te maken. Dit zou zoveel zijn als de goedheid van God niet te gebruiken, maar te misbruiken. John Newton heeft een voortreffelijke aanmerking hierop. Hij vraagt, wat wij zouden denken van de blinde Bartimeüs, als hij, zodra hij zijn gezicht gekregen had, zijn stok zou genomen hebben om andere blinde mensen te slaan, alleen omdat zij niet zien konden? Op die manier zouden wij het Voorschrift van het Evangelie, het nieuw gebod des Heeren, dat wij elkander zouden liefhebben, gelijk Hij ons liefgehad heeft, Joh. 15:12, veranderen in een zaak van twist en verdeeldheid.
Dat is nu juist de werking van deze berispende geest in het gemoed van diegenen die gepoogd hebben het Voorschrift op wettische wijze te behandelen.
Dit heeft het gehele onderwerp walgelijk gemaakt voor veel van Gods ware kinderen, die niet in staat waren een duidelijk onderscheid te stellen tussen het Voorschrift zelf en de vleselijke, wettische manier waarop het werd aangedrongen.
Als wij voor deze strik bewaard worden, als wij in de geest en in de liefde van het Evangelie uit het Woord der Waarheid, de belangrijkheid van het voorschrijvend deel van het Nieuwe Testament, voor onze lezers kunnen aantonen, als het de Heere behagen moge het aan hun consciënties aangenaam te maken, dan zullen wij onszelf aan hen bewijzen als mensen die geen heerschappij zoeken te hebben over hun geloof, maar veeleer medewerkers zijn van hun blijdschap, 2 Kor. 1:24.
Onze lezers weten, dat wij in het voorafgaande 2 reden genoemd hebben, die naar ons oordeel veel tot de bevestiging van de belangrijkheid van het Voorschrift dienen konden.
Eén er van was: het veelvuldig voorkomen van het Voorschrift, in het Nieuwe Testament, of om onze eigen woorden te gebruiken, zijn omvang of hoeveelheid.
De tweede reden ontleent hare gewichtig aan het feit dat, als er geen Voorschrift was, wij geen gezaghebbende regel des levens zouden hebben.
3. Zeer nauw verbonden met de laatst genoemde reden is een andere, voor ons van geen minder gewicht, om de belangrijkheid van het Voorschrift vast te stellen en waartoe wij nu de aandacht van de lezers verzoeken: Het is deze: Zonder een bijzondere openbaring van het Voorschrift in het Woord der Waarheid, zouden wij niet weten wat de wil van God is, wat betreft de geestelijke en practikale gehoorzaamheid, met andere woorden: wij zouden niet in staat zijn te leven tot Zijn eer.
De overweging hiervan moet voor allen, die God vrezen van het hoogste belang zijn. Wij zullen trachten dit enigszins uitvoerig te verklaren en in het bijzonder proberen aan te tonen het verband tussen de verheerlijking van God en het voorschrijvend deel van het Woord der Waarheid.
Zoals de verheerlijking van God het hoogste doel en oogmerk is van al de openbaringen van Zichzelf, in de werken van schepping, van Voorzienigheid en genade, zo behoort het ook te zijn het doel en oogmerk van geheel onze kennis van Hem, van geheel ons geloof in Hem en van geheel onze gehoorzaamheid aan Hem.
Dit was het doel en de beoging van onze gezegende Heere, het doel waartoe Hij kwam, waartoe Hij leefde, waartoe Hij stierf, waartoe Hij opstond van de dood en waartoe Hij nu leeft aan de rechterhand van Zijn Vader. Daarom kon Hij vóór Hij Zichzelf opofferde, zeggen in Zijn Hogepriesterlijk gebed: "Ik heb U verheerlijkt op de aarde; Ik heb voleindigd het werk, dat Gij Mij gegeven hebt om te doen, Joh. 17:4. En zo heeft Hij op aarde Zijn hemelse Vader verheerlijkt in het doen van de wil van Zijn Vader, Hebr. 10:7. Hij zocht niet Zijn Eigene eer, maar de heerlijkheid van Hem Die Hem gezonden had, Joh. 7:18 en 8:50. En zo is Hij nu Zelf verheerlijkt in de hemel; want Hij is ingegaan in Zijn heerlijkheid, Luc. 24:26, zijnde verheerlijkt met de heerlijkheid, die Hij bij de Vader had, eer de wereld was.
Zo heeft Hij ons dan een voorbeeld nagelaten, opdat wij Zijn voetstappen zouden navolgen, 1 Petrus 2:21. Als wij Hem dan verheerlijken mogen hier op aarde, zullen wij met Hem verheerlijkt worden hiernamaals, en dan zal dit moeten zijn door ons geloof en onze gehoorzaamheid. Hoe duidelijk blijkt dit uit, het Woord. Maar laat ons dit achtereenvolgens eens naspeuren.
Ten eerste door het geloof. Wij verheerlijken God wegens Zijn barmhartigheid, Rom. 15:9. Met andere woorden, wanneer in onze ziel de zaligheid geschonken wordt, vloeiende uit een zuivere daad van barmhartigheid, dan loven en verheerlijken wij Zijn naam, dan prijzen wij Zijn naam als zondaren die uit genade verlost zijn geworden. Daarom lezen wij: "Wie dank offert, die zal Mij eren", Ps. 50:23.
Dit is de eerste trap, omdat de zaligheid uit genade het grote fondament is van ons leven tot Zijn lof. Maar, omdat barmhartigheid en genade alleen geopenbaard zijn in Zijn beminde Zoon, kunnen wij zeggen dat de eerste tred die wij doen in God te verheerlijken deze is, dat wij geloven in de Heere Jezus. Door Hem op te wekken uit de dood en te zetten aan Zijn rechterhand, heeft God Hem verheerlijkt, Hand. 3:13. "Want God heeft Hem uitermate verhoogd en heeft Hem een naam gegeven, welke boven allen Naam is," Fil. 2:9, 10; Efeze 1:20, 21; 1 Petrus 1:21. Wanneer wij dan in Jezus geloven door het geloof der werking Gods, Kol. 2:12, dan verheerlijken wij de Vader. Wij lezen van Abraham: "En hij heeft aan de beloftenis Gods niet getwijfeld door ongeloof, maar is gesterkt geweest in het geloof, gevende God de eer," Rom. 4:20. Wanneer wij nu wandelen in de voetstappen des geloofs van onze Vader Abraham Rom. 4:12, dan. geven wij ook naar de mate van ons, geloof, Gode de eer. Maar dit werk des geloofs is inwendig. God kent het, maar het wordt niet gezien van de mens en daarom, hoewel wij God verheerlijken, toch geven wij Hem niet openbaar voor de wereld de eer die Hem toekomt.
Hier volgt nu de tweede trap, namelijk de Christelijke gehoorzaamheid, of een leven. tot Zijn eer en roem, waardoor God in deze wereld door ons verheerlijkt wordt. De wereld kan ons geloof niet zien, maar zij kan wel zien wat ons geloof doet of voortbrengt. Zij kan de vereniging van Christus met Zijn volk niet verstaan, maar zij kan wel de goede vruchten zien die aan de wijnstok groeien. Daarom zei de Heere tot Zijn discipelen: "Laat uw licht alzo schijnen voor de mensen, dat zij uw goede werken mogen zien, en uw Vader, Die in de hemelen is, verheerlijken," Matth. 5:16. En nog nadrukkelijk in Zijn afscheidsrede: "Hierin is Mijn Vader verheerlijkt, dat gij veel vrucht draagt; en gij zult Mijn discipelen zijn," Joh. 15:8. Zo spreekt ook de apostel: "Vervuld met vruchten der gerechtigheid, die door Jezus Christus zijn, tot heerlijkheid en prijs van God" Fil. 1:11.
Maar nu volgt het verband tussen het Voorschrift en het leven tot eer en heerlijkheid van God. En omdat hierbij niet dikwijls wordt stilgestaan en zeldzaam iets tot verklaring gegeven wordt, zullen wij trachten het verband in zijn ware en eigen licht te plaatsen.
Laat ons hierbij opmerken dat de eer van God het hoofddoel is van geheel onze gehoorzaamheid. En onze gehoorzaamheid behoort te zijn overeenkomstig Zijn voorgeschreven regel en Zijn gegeven voorbeeld. Hierin ligt het hele onderscheid tussen de gehoorzaamheid van een Christen tot eer van God, en de eigenwillige gehoorzaamheid van een Farizeeër tot eer van zichzelf. Laat uw oog maar eens gaan over het uitgestrekt veld van wat men noemt godsdienstige plichten en godsdienstige regels, kortom over het leefgedrag van de godsdienstige wereld. Wat is er van God en Zijn Woord in? Toen God aan Mozes bevelen gaf aangaande het maken van de Tabernakel en haar benodigdheden, zei Hij tot hem: "Ziet dan toe dat gij het maakt naar hun voorbeeld afbeelding, die u op de berg getoond is." Exod. 25:40.
Overeenkomstig dit voorbeeld werden alle toebehoren gemaakt en daaraan moesten ze beantwoorden, om te kunnen worden aangenomen en goedgekeurd. "Mozes bezag het ganse werk, en zie, zij hadden het gemaakt gelijk als de Heere geboden had, alzo hadden zij het gemaakt. Toen zegende Mozes hen. Exod. 39:42, 43. Zo is het ook in geestelijk opzicht. Het voorbeeld en de leiddraad om den wil van God te doen en tot eer van God te leven, wordt ons voorgelegd, niet alleen in het voorbeeld van Christus, maar ook in de regel der Voorschriften. Zo zien wij, als er geen Voorschrift was tot onze leiddraad, dat wij dan niet konden leven tot eer van God en Hem geen gepaste gehoorzaamheid konden geven, om de eenvoudige reden, dat wij niet zouden weten hóe en op wèlke wijze wij dit moeten doen. Wij kunnen wensen en wij kunnen proberen om tot eer van God te zijn, maar zouden en moesten in gebreke blijven, zoals Mozes de tabernakel niet had kunnen bouwen als hij geen voorbeeld had gekregen.
Evenals wij zonder de openbaring van de leer der genade niet kunnen weten hoe een zondaar gered wordt, en wij dus God niet zouden kunnen verheerlijken door ons geloof in Hem, zo ook kunnen wij zonder de openbaring van het Voorschrift niet weten hoe wij God moeten dienen en bijgevolg kunnen wij Hem niet verheerlijken door onze gehoorzaamheid.
Let op deze zaak, gelovig kind van God! U verlangt God te verheerlijken in lichaam en in geest, welke beide Godes zijn, 1 Kor. 6:20. U begeert, hetzij u eet of u drinkt, alles te doen ter de ere Gods, 1 Kor. 10:31. U doorleeft tijden dat u zucht en met smart klaagt over de onvruchtbaarheid van uw hart en wandel, dat u een ernstig verlangen hebt om te denken, te spreken en te handelen tot Zijn eer en heerlijkheid, die zoveel voor u gedaan heeft in voorzienigheid en genade. Althans als u deze verlangens niet hebt, dan bent u geen christen, maar u bent op zijn best genomen, nog een arme, wereldse en dode belijder. Wanneer en in hoever leeft u tot eer van God? Alleen dan en alleen voor zóóver uw leven of handel en wandel overeenkomt mèt en bestuurd wordt door de Voorschriften van het Woord. Let toch op dit verband. Wij kunnen uitwendig God alléén verheerlijken door Zijn wil te doen. Wij kunnen Zijn wil alléén kennen, wat onze praktikale gehoorzaamheid daaraan betreft, door de bijzondere openbaring die Hij gegeven heeft.
Waar is deze openbaring? In Zijn Woord en voornamelijk in het voorschrijvend gedeelte daarvan. Dit immers is het, dat Gods Woord voor ons doet zijn een lamp voor onze voet en een licht op ons pad, Ps. 119:105. Daarom riep David uit: "Maak mijn voetstappen vast in Uw Woord. Doe mij treden op het pad Uwer geboden. O, dat mijn wegen gericht waren om Uw inzettingen te betrachten", beseffende dat het alleen zijn wandelen in het Woord en door het Woord was, waarmee hij God kon behagen en leven tot Zijn eer.
Er duizenden mensen in dit land, die menen Gode een dienst te doen, door regels van eigen vinding te ontwerpen en die zich daarop verheffen. Maar wij mogen van al deze plichten en werken wel zeggen, wat Augustinus zei van de deugden van de oude Romeinen, dat het niets anders waren dan: 'Splendia peccata', (blinkende zonden) of om de woorden te gebruiken van het 23ste Artikel van de Kerk van Engeland, getiteld: "Werken vóór de rechtvaardigmaking". "Want daar zij niet gedaan zijn zoals God gewild en geboden heeft om te doen, zo twijfelen wij niet of zij hebben de natuur van de zonde".
4. Wij vermoeien onze lezers niet graag door te lang bij een onderwerp te blijven staan en toch kunnen wij niet nalaten nog een andere reden bij te brengen, om de belangrijkheid van het Voorschrift aan te tonen. Op de vervulling daarvan rust de voornaamste proeve van onderscheid tussen de gelovige en den ongelovige, tussen een uitverkoren vat der heerlijkheid en een vat des toorns, tot het verderf toebereid.
Om dit nog wat nader in te zien, laat ons het onderscheid naspeuren, dat de Heere in verscheidene plaatsen ons geleerd heeft, tussen degenen die in waarheid de Zijn zijn door geestelijke vereniging en wederbarende genade, en degenen die de naam hebben dat ze leven, maar dood zijn.
Beschouwen we eerst de gelijkenis van de zaaier. Uit de vier soorten van hoorders van het Woord is er één, waarvoor het een middel is tot zijn redding en heiliging. Nu, wat is het getuigenis dat aan deze verloste hoorder gegeven wordt? Is het niet dat hij vrucht voortbrengt? "Die nu in de goede aarde bezaaid is, deze is degene, die het Woord hoort en verstaat, die ook vrucht draagt en voortbrengt, de een honderd-, de andere zestig- en de ander dertigvoud." Matth. 13:23.
Kan iemand bij het horen van deze woorden ontkennen, dat het onderscheidend bewijs van hetgeen in de goede aarde gezaaid wordt, dit is, dat het vrucht draagt, terwijl dit niet gevonden wordt bij de anderen?
Maar nu komt de vraag op: wat is goede vrucht? Is ze niet inwendig en uitwendig, de inwendige vruchten van de Geest in het hart en de uitwendige vruchten van godzaligheid in het leven? Maar welke regel leidt en beheerst deze vruchten om ze te kunnen onderscheiden van de 'blinkende zonden' waarvan wij gesproken hebben? Duidelijk genoeg het Voorschrift; want daardoor en in overeenstemming daarmee werkt de Geest. Komen er vruchten openbaar zoals liefde, blijdschap, vrede, lankmoedigheid, goedertierenheid, goedheid, geloof, zachtmoedigheid, matigheid, ze zijn gewerkt door de gezegende Geest, overeenkomstig de voorschriften: "En wandelt in de liefde, gelijkerwijs ook Christus ons lief gehad heeft", Efeze 5:2. "Verblijdt u in den Heere allen tijd; wederom zeg ik: Verblijdt u", Fil. 4:4. "Leeft in vrede", 2 Kor. 13:11. Zijt vreedzaam onder elkander", 1 Thess. 5:13. "Met lankmoedigheid, verdragende elkander in liefde". Efeze 4:2. Is hier niet een liefelijke overeenkomst tussen het inwendige werk van de Geest en het uitwendig woord van het Voorschrift?
Nogmaals, zijn er uitwendige vruchten? Het is niet nodig te tonen dat ook deze in overeenstemming zijn met het Voorschrift, want ieder zal de vruchtvoortbrengende aard van de voorschriften van het nieuwen Testament willen erkennen.
Maar laat ons een ander bewijs nemen uit een gelijksoortig getuigenis van des Heeren eigen lippen, zoals dit ons voorgesteld wordt in de gelijkenis van de wijnstok en de ranken. Wat onderscheidt de ranken die door een levendige vereniging in Christus zijn, van de ranken die door uitwendige belijdenis met Hem verenigd zijn? De vruchten. "Ik ben de ware Wijnstok en Mijn Vader is de Landman. Alle rank die in Mij geen vrucht draagt, die neemt Hij weg; en al die vrucht draagt, die reinigt Hij, opdat zij meer vrucht drage". Joh. 15:1, 2. Het vonnis tegen "iedere rank die geen vrucht draagt", is dat de Vader die wegneemt, wegwerpt als een onvruchtbare rank. En hoe handelt Hij met de rank die vrucht draagt? "Hij reinigt of zuivert ze". Waarom? „Opdat ze meer vrucht drage". Wie, die op deze woorden des Heeren behoorlijk acht geeft, kan ontkennen dat de vrucht het kenmerk is van leven, van genade en van zaligheid? Maar deze vrucht moet en zal in overeenstemming zijn met het Voorschrift, want die bevat alle in- en uitwendige godzaligheid, alle geestelijke en praktikale gehoorzaamheid.
Laat ons nog een getuigenis nemen van des Heeren eigen mond. Leest de plechtige gevolgtrekking uit de Bergpredikatie, het grote reglement van het Christelijk Voorschrift. "Een iegelijk dan, die deze Mijn woorden hoort en ze doet, dien zal Ik vergelijken bij een voorzichtig man, die zijn huis op een steenrots gebouwd heeft. En er is slagregen neergevallen en de waterstromen zijn gekomen en de winden hebben gewaaid en zijn tegen dat huis aangevallen, en het is niet gevallen, want het was op de steenrots gegrond. En een iegelijk die deze Mijn woorden hoort en dezelve niet doet, die zal bij enen dwazen man vergeleken worden, die zijn huis op het zand gebouwd heeft. En de slagregen is neergevallen, en de waterstromen zijn gekomen en de winden hebben gewaaid en zijn tegen hetzelve huis aangeslagen en het is gevallen en zijn val was groot." Matth. 7:24-27.
Wat is de eigen toetssteen des Heeren, van onderscheid tussen de wijze man die op de rots bouwt en de dwaze man die op het zand bouwt? De rots beeldt natuurlijk Christus af en het zand is het eigen 'ik'. Maar de toets, het merk, het bewijs van de twee bouwers en de twee gebouwen, is het horen van Christus' woorden en het doen daarvan, of, het horen van Christus' woorden en ze niet te doen. Wij mogen ons wringen en keren onder zo'n tekst, alle mogelijke manieren van uitleg proberen te vinden om de doordringende en snijdende scherpte af te weren; wij mogen de toevlucht nemen tot bewijsredenen, en gevolgtrekkingen van genade, om ons tegen de hevige slagen te kunnen beschutten; wij mogen zoeken te bewijzen dat de Heere daar de wet predikte en niet het Evangelie; en dat wij, verlost worden door Christus' bloed en gerechtigheid -en niet door onze eigen gehoorzaamheid of onze goede werken, hetzij vóór of nà onze roeping-, al die bewijzen en zulke teksten niet op onze gelovige staat van toepassing zijn. Maar niettegenstaande alle onze twijfelingen en haarkloverijen, onze spitsvondige en sluwe argumenten om onze consciëntie gerust te stellen en een valse vrede te bewaren, blijft het Woord des Heeren vast staan, meer nog, het zal eeuwig staan, ondersteund door de plechtige verklaring van dezelfde lippen van de eeuwige Waarheid. "Een iedere boom, die geen goede vrucht voortbrengt, wordt uitgehouwen en in het vuur geworpen. Zo zult gij dan dezelve aan hun vruchten kennen. Niet een iegelijk, die tot Mij zegt: Heere, Heere! zal ingaan in het Koninkrijk der hemelen, maar die daar doet de wil Mijns Vaders, Die in de hemelen is." Matth. 7:19-21.
Om dan ons argument in een kleine kring samen te trekken. Als Evangelievruchten een bewijs zijn van Evangeliegenaden; als wij Gods maaksel zijn, geschapen in Christus Jezus tot goede werken, welke God voorbereid heeft opdat wij in dezelve zouden wandelen; als wij nieuwe schepselen geworden zijn in Christus Jezus, door geestelijke wedergeboorte; en als wij voorbeschikt zijn tot het eeuwig leven; als wij zo wel uitverkoren zijn tot gehoorzaamheid als tot de besprenging des bloeds; en als deze goede werken en deze gehoorzaamheid allen in de nauwste overeenkomst zijn mèt en gereguleerd worden dóór het Voorschrift, dan kan er niets duidelijker zijn, dan zijn grote belangrijkheid. En als het zo belangrijk is, heeft het ook zonder tegenspraak, een wettig recht op onze aandacht en gehoorzaamheid.
2. Maar wij moeten voortgaan om zoals wij hebben voorgesteld, in de tweede plaats te beschouwen, de aard, of natuur van het Voorschrift.
Dit is het voornaamste deel van ons gehele onderwerp en eist van onze kant de zorgvuldigste behandeling en wij hopen er bij te mogen voegen, een vriendelijke overweging van de kant van onze geestelijke lezers. Wij willen hun daarom met alle vriendelijkheid verzoeken: behandelt ons eerlijk; oordeelt over ons inzicht als één geheel. Vit niet op ondergeschikte zaken of op zichzelf staande uitdrukkingen, maar vergelijkt hetgeen wij verklaren met de Schrift en de bevinding van de heiligen, en ontvangt het of verwerpt het, naar gelang u het bevindt te accorderen of niet te accorderen met deze toets der Waarheid. Wanneer hetgeen wij zeggen hiermee niet overeenkomt dan kan het geen stand houden, en wij kunnen ook niet verwachten dat het stand houdt, want onze enig doel is de Waarheid, Waarheid in haar zuiverheid, Waarheid in haar kracht. Dit leggen wij dan neer als een algemene grondslag, dat het Voorschrift als een volledig gedeelte van het Evangelie, er volkomen mee moet overeenstemmen. Indien het strijdt of liever indien ons inzicht er van, strijdt met de leerstelling van de zaligheid uit genade, met de personele verkiezing of voorbeschikking tot het eeuwig leven, met de bijzondere verlossing door het bloed en de gerechtigheid van de Zoon van God, met de volharding der heiligen, dan is er iets in wat niet in orde is. Nog eens, als het Voorschrift of onze inzichten van het Voorschrift, strijdig zijn met het werk van genade in het hart, het onderwijs en het getuigenis van de Heilige Geest en het inwendige koninkrijk van God, zoals het door Goddelijke kracht in het hart wordt opgericht, dan moet daarin iets haperen.
Wij hopen dus helder en duidelijk aan te tonen, dat er de aangenaamste overeenkomst bestaat tussen de leerregels van het Evangelie, de bevinding van het Evangelie en de Voorschriften van het Evangelie. Dit willen wij eerst als een algemene fundamentele grondslag neer te leggen, dat alleen die inzichten van het Voorschrift goed zijn die geheel overeenstemmen met het Evangelie van de genade Gods, in al zijn volkomenheid, in al zijn vrijheid, in alles waardoor het God de eer geeft, in alles waardoor het de zaligheid van de mens toebrengt.
In de beschouwing van de natuur van het Voorschrift zullen wij onderzoeken:
I. Eerst de letter van het Voorschrift.
II. Ten tweede, de geest van het Voorschrift.
I. Het valt onze lezers niet moeilijk het onderscheid te verstaan dat wij stellen tussen de letter en de geest, als ze de eerste willen beschouwen als het lichaam en de laatste als de ziel van het Voorschrift. Want het is met het Voorschrift als met onszelf, het lichaam kan niet werken zonder de ziel, en de ziel gewoonlijk ook niet zonder het lichaam. Zonder de ziel is het lichaam dood. Dus de letter van het Voorschrift is dood zonder de geest van het Voorschrift; en de geest van het Voorschrift werkt gewoonlijk door de letter van het Voorschrift. Wij zeggen 'gewoonlijk', omdat de geest van het Voorschrift werkt en krachtdadig heeft gewerkt zoals in het geval van degenen, "die één van hart en één van ziel waren", Hand. 4:32, éér nog enig gedeelte van het Nieuwe Testament geschreven was en bijgevolg éér nog het Voorschrift gegeven was in zijn tegenwoordige vorm. Ook nu nog, kan de Heilige Geest opwekken tot liefde en goede werken en Hij doet dit menigmaal, zonder een bijzonder gebruik te maken van de letter van het Voorschrift. Maar Zijn werkingen zijn altijd in overeenstemming met de letter van het Voorschrift, zelfs daar waar Hij het niet in het bijzonder gebruikt tot dat doel.
Allereerst zullen wij dus onderzoeken de letter van het Voorschrift en daarbij letten op de volgende 5 onderscheiden zaken:
I. De personen tot wie het Voorschrift zich richt.
II. Het verband van het Voorschrift met de leerstellingen van het Evangelie.
III. De zaken die het Voorschrift in het bijzonder leert.
IV. De beweegredenen die het Voorschrift kracht bijzetten.
V. De gedaante waaronder het Voorschrift wordt geopenbaard.
De Heere bekwame ons om het Woord der Waarheid recht te snijden.
De personen tot wie het Voorschrift zich richt. Deze zijn gelovigen en gelovigen alléén. De wereld heeft niets te maken met het Voorschrift van het Evangelie. Zij wordt niet aangesproken, ook niet bedoeld. Dit zal direct duidelijk zijn als men een ogenblik nadenkt. Waar vinden wij voornamelijk de Voorschriften in het Nieuwe Testament? In de Zendbrieven. Maar wat zijn de Zendbrieven? Zij zijn geïnspireerde brieven, geschreven aan Christelijke kerken of aan Christelijke personen. Neemt maar iedere brief, en onderzoekt hoe hij begint en aan wie hij geschreven is.
Is het niet aan "Geliefden Gods en geroepen heiligen"? Rom. 1:7. Of aan "geheiligden in Christus Jezus"?, 1 Kor. 1:2. Of aan: "de heiligen en gelovigen in Christus Jezus"? Efeze 1:1 enz. Het is de moeite niet waard, een zo duidelijke zaak nader te onderzoeken, een zaak waarvan zich een ieder kan verzekeren, als hij alleen maar acht geeft op het begin van iedere brief. Maar wat een belangrijk gevolg vloeit er uit deze eenvoudige waarheid, namelijk, dat geestelijke voorschriften alleen voor geestelijke mensen zijn. Daarom, als men de voorschriften opdringt aan vleselijke mensen, gebruikt men ze verkeerd. U schrijft een brief aan uw vrouw in alle vertrouwen van wederzijdse liefde. U deelt haar mee, dat u graag zou zien dat ze dit of dat voor u deed, dat u op een bepaalde dag thuis komt en ze dan die of die zaak moet gereed hebben. Moet nu die brief door al de vrouwen in de stad gelezen worden? Geeft u daarin aanwijzingen aan alle bemoeiallen van de stad, die zichzelf evenzeer bevoegd achten als uw vrouw, om te doen wat u wenst? Schrijft u aan uw knechten op dezelfde manier als u schrijft aan uw vrouw? De een verzoekt u, de andere gebiedt u. De een werkt uit liefde, de ander om loon. En dit eenvoudig feit, dat ons te allen tijde voor ogen staat als wij het Nieuwe Testament openslaan, doet ons zien dat het Voorschrift en de aanwijzingen die door Christus aan Zijn bruid en beminde zijn gegeven, aangegrepen worden door alle belijdende vrouwen, die het liefst tot Hem zeggen: "Ons brood zullen wij eten en met onze klederen zullen wij bekleed zijn, laat ons alleenlijk naar uw naam genoemd worden, neemt onze smaadheid weg. Jes. 4:1.
Wij weten allen dat de enige passende sleutel voor een brief, in 't bijzonder als het een lange brief is, en waarin het gaat over velerlei zaken deze is, dat wij de persoon kennen die hem geschreven heeft en den persoon aan wiep hij geschreven wordt. Als wij een brief ontvangen van vrouw, familie of vriend, hoe lang of kort die is, wij verstaan ieder woord ervan. Maar als ons een brief wordt ter hand gesteld die door een onbekende aan een onbekende is geschreven, voornamelijk als daarin over bijzondere zaken gesproken wordt, dan is alles duister, bedekt en raadselachtig. Zo is de enige ware sleutel op de brieven van het Nieuwe Testament, de kennis van Hem Die ze schreef en van degene aan wie ze geschreven zijn. Hij Die ze geschreven heeft is de Heere, het Hoofd en de Man van Zijn Kerk, want hoewel door de pen van de Heilige Geest gedicteerd, het is in werkelijkheid de Heere Jezus Die ze gezonden heeft en Die nu daarin en daardoor tot Zijn volk spreekt. Zij aan wie ze geschreven zijn, zijn de gelovigen aan Hem verbonden door verbondsbanden en geestelijke verloving. Wat heeft dan een verwaande wereldling, een hoogmoedige Farizeeër, een slordige en losbandige Antinomiaan, te maken met deze brieven, met de zuivere, eerbare, heilige minnebrieven van Jezus aan Zijn bruid? Niet meer dan een vreemdeling te maken heeft met de brieven aan uw vrouw, of aan haar die u binnenkort tot uw vrouw hoopt te hebben.
Gebruikt deze sleutel voor de brieven, voor het voorschrijvend, zowel als voor het leerstellig deel, want zij zijn gelijk, beide zijn zij een deel van dezelfde minnebrief en elk deel er van ademt dezelfde zoete geest van liefde, en dan zult u gemakkelijk het slot ontsluiten. Hoewel wij er moeten bijvoegen, dat menige broddelaar, om niet te zeggen inbreker, verkeerde sleutels gebruikt heeft en gepoogd heeft het slot open te breken. Zodat, indien niet het inwendige daarvan gemaakt was door Hem, Die wonderlijk is van raad en machtig van daad, het reeds lang kapot zou geweest zijn.
II. Ons tweede punt bij het onderzoek van de letter van het Voorschrift, is haar verband met de leerstellingen van het Evangelie. Dit is boven alle andere dingen een zaak waarin het bijzonder kenmerk van het Voorschrift ligt en waarvan het zijn voornaamste invloed en kracht ontleent.
Enkele voorbeelden van dit verband kunnen dit punt méér ophelderen dan een lange verklaring. "Zijt dan navolgers Gods, als geliefde kinderen. En wandelt in de liefde, gelijkerwijs ook Christus ons liefgehad heeft en Zichzelven voor ons heeft overgegeven tot een offerande en slachtoffer Gode, tot een welriekenden reuk." Efeze 5:1, 2. Wij vinden hier een Voorschrift, gebiedende ons 'navolgers Gods' te zijn, dat is, navolgers van het voorbeeld van God. Die vermaning is nauw verbonden aan het voorafgaande vers, Efeze 4:32 waarvan het inderdaad niet moet worden afgescheiden. Daarop volgt, 'in liefde te wandelen' met de kinderen van God.
Nu, ziet het verband van dit Voorschrift met de leerstellingen van het Evangelie. Er is geen leerstelling van het Evangelie dierbaarder dan die van de vergeving van zonden en geen zoeter bevinding is er dan daarvan kennis te hebben. Wij mogen het met recht wel noemen: de grote leerregel van het Evangelie. Want de zonde wordt alleen vergeven door de bloedstorting en de offerande van Christus. Ziet hier dan de inhoud van het Voorschrift, dat wij zouden wandelen in liefde met het volk van God en zijn verband met de leerstellingen van het Evangelie, want op die leerstelling vindt het zijn grondslag.
Let op de volgende zaken waarin het verband bestaat:
1. Dat wij worden aangesproken als 'geliefde kinderen,' dat is geliefd van God. Dit verbindt het Voorschrift met de leerstelling van onze verkiezing en eeuwige voorverordinering tot de aanneming tot kinderen, Efeze 1:5.
2. Let op 'de liefde van Christus door Zichzelven voor ons over te geven'. Dit verbindt het Voorschrift met de leerstelling van de liefde van Christus door te sterven voor onze zonden.
3. Geeft er verder acht op dat wij onszelf behoren over te geven aan Christus tot een 'tot een welriekende reuk aan God'. Dit verbindt het Voorschrift met de leerstelling van de liefelijke reuk van Christus' offerande aan het kruis en de goedkeuring des Vaders daarvan met een oneindige voldoening.
4. En tenslotte, let op de leerstelling van de volkomen vergeving van al onze zonden door God, om Christus wil, door Zijn welriekende offerande.
Wat een bundel Evangelieleerstellingen, zoals verkiezing, aanneming, verlossing, vergeving die allen bezield zijn met geest en leven en in het hart geopenbaard, door een persoonlijke bevinding van hun zaligheid. Nu, wat volgt dan? Indien God ons zó heeft uitverkoren, indien Christus ons zó bemind heeft, indien Hij zó heeft gebloed en gestorven is voor onze zonden, indien de Vader ons zó mildelijk vergeven heeft om Christus' wil, laat ons dan wandelen in liefde met degenen die op dezelfde wijze zijn uitverkoren, op dezelfde wijze bemind, op dezelfde wijze verlost, op dezelfde wijze vergeving ontvangen hebben. Is hierin iets wettisch? Is dit alles geen zuiver Evangelie, in de volmaaktste overeenstemming met iedere genadige leerstelling en ook in de volmaakte overeenstemming met een zoete inwendige bevinding van de liefde Gods, van de Geest der aanneming, van het bloed van Christus, van de vergeving der zonden? In plaats dat het Voorschrift, zoals velen denken, somber en wettisch is, is het juist duidelijk het tegenovergestelde. Het is te verheven, heeft te veel van het zuivere Evangelie in zich dat het zou passen bij of behagen zou aan zelfs velen van degenen die waarlijk God vrezen. Dat komt omdat velen niet genieten: de vrijheid van het Evangelie, een gezegend vertrouwen van aandeel in het bloed van Christus, een gevoel van de liefde Gods uitgestort in het hart, door den Heiligen Geest en een kennis van zaligheid door de vergeving van zonden.
Het Voorschrift zou inderdaad onze wettische, werkzame geest beter passen als er niet zooveel Evangelie in was, als het ons aan de hand deed hoeveel kapittels wij elke dag behoren te lezen; hoe dikwijls en hoe lang wij bidden moesten; hoeveel wij van ons inkomen moeten weggeven; hoe dikwijls wij onze broeder moeten vergeven, als zeventig maal zevenmaal niet genoeg is. Wat zou het onze farizeese geest strelen als het ons enige moeilijke verplichtingen oplegde, zodat wij onszelf konden behagen in ze uit te voeren, en wij nog groter voldoening konden krijgen als wij onze broeder konden geselen omdat hij niet zo correct leeft als wij in het volbrengen van zijn godsdienstplichten. Maar het Voorschrift wil van dit alles niets weten. Het staat op een verheven en hemelse grondslag en het daalt nochtans tot ons af in onze laagste staat. Het staat op de grondslag van vrije genade aan de vuilste zondaren, want zó waren de Efeziërs, Efeze 2:1-3, maar nochtans uitverkoren in Christus; gezegend in Hem met alle geestelijke zegeningen, Efeze 1:3, 4; verzégeld met de Heiligen Geest der belofte 1:13; opgewekt en medegezet in de hemel in Christus Jezus 2:13; en gebouwd tot een woonstede Gods in de Geest 2:22.
Het Voorschrift kent niets van taak en conditie, niets van wettische plichten en betrachtingen, maar richt zich in de zuiverste en verhevendste Evangelietaal tot de kinderen Gods, die door de Geest Gods geleid worden. Het spreekt ze aan als met een stem van de hemel: "Erfgenamen Gods en mede-erfgenamen met Christus, die zó bemind, gezegend, verlost en verzegeld zijt; u, die kennis hebt aan de vergeving van zonden, wandelt in liefde met Gods beminde kinderen; vergeeft hun al hun onvriendelijkheid, harde woorden, koele blikken, bijtende aanmerkingen of zelfs meer persoonlijke en pijnlijke beledigingen".
Is dit een moeilijk Voorschrift? Ja, zeer moeilijk, als wij geen bevinding hebben van de zegeningen van het Evangelie. Dan is het geen wonder dat u schuw bent van dit Voorschrift, als u een wraakgierige, onverzoenlijke geest hebt tegenover een broeder. Maar wat bewijst deze onverzoenlijkheid? Dat u persoonlijk geen bevindelijke kennis hebt van de liefde Gods in het vergeven van de zonden of althans, niet wandelt in de dadelijke genieting ervan.
Maar is het zo'n moeilijk Voorschrift? Als u de verzoenende liefde van God in uw ziel gewaarwordt, dan vindt u het even gemakkelijk als aangenaam om het uit te voeren. Wat meer is, u kunt niet anders dan het in 't werk stellen. Want als u in liefde met God wandelt, wilt u ook wandelen in liefde met uw broeder. Dit éne voorbeeld mag genoeg zijn als een algemene sleutel voor al de andere Voorschriften, want zij allen, om zo te spreken, zijn gemaakt naar hetzelfde patroon; zij allen ademen het zuivere Evangelie.
Maar wij zullen nu één of twee voorbeelden nemen, van wat wij mogen noemen, plichten tegenover bloedverwanten, of, om het juister uit te drukken, familieplichten, en wij zullen zien hoe de Voorschriften van het Evangelie in dit geval eveneens gebaseerd zijn óp en verbonden zijn mèt de leerstellingen van het Evangelie.
De vaders in een Christelijk gezin worden gezegd hun vrouwen lief te hebben. Efeze 5:25-32. Het geheel van. deze vermaning is wel wat lang om aan te halen, maar wij zullen één vers noemen: "Gij mannen, hebt uw eigen vrouwen lief, gelijk ook Christus de gemeente liefgehad heeft, en Zichzelven voor haar heeft overgegeven". Efeze 5:25. Ziet nu eens wat er aan deze vermaning ten grondslag ligt. Waarom moet een Christenvader, volgens dit Voorschrift zijn vrouw liefhebben? Omdat het zijn plicht is, of omdat het bevorderlijk is aan zijn geluk, of omdat zij als deelgenoot in het leven, daarop recht heeft? Neen, geen van deze reden worden genoemd, noch er zelfs op gezinspeeld. Maar dit is de grondslag van het Voorschrift: Christus bemint Zijn Kerk als Zijn verborgen lichaam en heeft Zichzelf voor haar overgegeven. Daarom, zoals de gelovige man aan zijn gelovige vrouw trouw blijft als haar natuurlijk hoofd, -even als Christus in dezelfde betrekking tot de kerk trouw blijft als haar geestelijk hoofd-, zo is hij gehouden haar lief te hebben om Christus' wil en naar het voorbeeld van Christus. Christus en Zijn Kerk zijn één; zij is Zijn eigen vlees dat Hij voedt en onderhoudt. Zo zijn de man en zijn vrouw één vlees. Als hij dan zijn vrouw bemint, bemint hij zichzelven; en haar te voeden en te onderhouden is zijn eigen vlees te voeden en te onderhouden, zoals Christus de Kerk doet.
Is dit niet een heerlijke Evangeliegrondslag, vervuld van de verhevendste en innigste waarheid? Is het niet een geestelijk, hemels en heilig beeld van het Christelijk huwelijk en doopt het die familieband niet als met dezelfde geest en de liefde van Christus? Met welke reinheid en heiligheid omringt het zó het huwelijk van Christenen! En hoe verheft het dit, boven alle wereldsgezindheid en zinnelijkheid en brengt over de huwelijks liefde de reine adem des Hemels, ja herstelt die liefde in nog heerlijker staat, dan zij was in het Paradijs, in de dagen van de staat der rechtheid.
Nu, neemt als een tegenover gestelde plicht het Voorschrift aan Christenvrouwen: "Gij, vrouwen weest aan uw eigen mannen onderdanig, gelijk den Heere; want de man is het hoofd der vrouw, gelijk ook Christus het Hoofd der gemeente is, en Hij is de Behouder des lichaams. Daarom, gelijk de gemeente aan Christus onderdanig is, alzo ook de vrouwen haar eigen mannen in alles." Efeze. 5:22-24. Dit Voorschrift mag misschien voor degenen tot wie het gericht wordt minder smakelijk zijn, want hoewel vrouwen er op letten hoeveel liefde haar man haar toedraagt, hebben zij echter niet altijd evenveel genegenheid om hem haar gehoorzaamheid te betonen. Laat zij dit echter willen of niet wensen, de onderdanigheid en onderwerping van een vrouw aan haar man, wordt hier genoemd als een van de Voorschriften van het Evangelie. Maar op welk een verheven, heilige en geestelijke grond is het geplaatst! Hoe is het Voorschrift gebaseerd op en verbonden mét de heerlijke Evangelieleerstelling dat Christus het hoofd van de gemeente is en zij onderworpen en onderdanig moet zijn aan Hem als zodanig! Als dan een Christenvrouw niet haar eigen wil zoekt, maar de wil van haar man, als zij zich onderwerpt aan zijn wensen en verlangens, - natuurlijk neemt de apostel aan dat deze wensen en verlangens in overeenstemming zijn met het Evangelie - dan is haar onderwerping haar eer en haar geluk. Is het ook niet zo met onze onderwerping aan Christus? Is het niet onze heerlijkheid en onze zaligheid, geen wil te kennen dan alleen Zijn wil en Hem in liefde te gehoorzamen?
Daarom, Christenvrouwen, als u uzelf onderwerpt aan uwe echtgenoot in liefde en toegenegenheid, dan doet u dit naar het voorbeeld van de gemeente. Hierin is geen verliezen van uw waardigheid of rang, noch een overgeven van uw rechten. Als u uw echtgenoot kunt achten en beminnen als een Christenman zoowel als een medegelovige, en u te samen mag wandelen, niet alléén in een echtelijke liefde maar ook in geestelijke liefde, als hij niets van u vraagt dan wat u gerust en overeenkomstig de Schrift hem mag geven, dan zal het uw genoegen zowel als uw voorrecht zijn, met hem te leven als zijns gelijke, echter in onderdanigheid, wat uw huwelijk betreft.
Een van de eerste zaken die onze ogen openden om meer duidelijk en onderscheiden de geestelijke natuur van de Voorschriften van het Nieuwe Testament in te zien, was hun nauw en innig verband met de leerstellingen van het Evangelie. Dit vereist ongetwijfeld een geestelijke en bevindelijke kennis van de leerstellingen van genade. Want alleen als iemand helder ziet en bevindelijk leert smaken de zaligheid door soevereine genade, is het mogelijk het pad van gehoorzaamheid te betreden, dat de Heilige Geest voor de erfgenamen van de zaligheid, heeft uitgetekend om daar op te wandelen. Een zoon en een dienstknecht wandelen onder regels van twee zeer onderscheiden principes. Zoals nu in een gezin, niemand als een kind in- en uitgaan kan of hij moet een kind zijn, zo kan in het hemelse huisgezin, niemand als een zoon wandelen of hij moet een zoon zijn. Het is uit gebrek van dit te zien en dit bij bevinding voor zichzelven te kennen, dat zo velen over het Voorschrift gestruikeld zijn en dat ze het op vleselijke en wettische wijze zijn gaan behandelen. En omdat ze zelf vol verwarring zijn hebben ze niet veel meer gedaan dan anderen in verwarring gebracht. Omdat dit punt, om het in een militaire term uit te drukken, een post is van de gehele opstelling, van waaruit wij, als we dit kunnen bereiken en vast staan, het gehele veld kunnen overzien, zullen wij op het gevaar af van wat langdradig te zijn, bij dit punt een weinigje blijven staan.
Als onze lezers enkele bladzijden willen terug slaan, zullen zij het verband in verscheidene voorbeelden uit de brieven zien aangegeven. En wij mogen er bij opmerken dat deze geen gedwongen of op zichzelf staande voorbeelden waren, door ons uitgezocht voor een zeker doel, maar zó bijzonder, laat ons eens zeggen, zó ijverig is de Heilige Geest geweest om dit verband aan te tonen en te bewaren, dat er nauwelijks een Voorschrift gegeven, is, dat niet als met een gouden draad aan een of andere leerstelling van het Evangelies is verbonden. Ja zelfs, wat nog meer de aandacht treffen moet, dit verband van de Evangelievoorschriften met de Evangelieleerstellingen is zó innig bewaard, dat er nauwelijks zelfs een waarschuwing is tegen de vuilste en bekende zonden, die niet gegrond is op en verbonden met een waarheid of met een zegen van het Evangelies.
Ter verduidelijking van onze mening, want dit is een zeer teer onderwerp en vereist zorgvuldige behandeling, zullen wij een of twee voorbeelden van dit verband aantonen, die naar wij vertrouwen deze zaak in helder licht plaatsen.
Er kunnen bijna geen twee ergerlijker zonden, dat is schadelijker zonden zijn, dan liegen en onkuisheid. Zouden wij niet zeer zeker verwachten dat de apostel, als hij soms deze zonden behandelt, daarover schrikwekkende bedreigingen van de toorn Gods zou hebben uitgesproken en er op hebben ingeslagen met een tweesnijdend zwaard? Maar neen, dat is niet zijn manier van behandeling, hetzij hij waarschuwt; hetzij hij gebiedt. Laat ons eens zien, hoe hij waarschuwt, en of hij zelfs, in wat wij uiterste gevallen noemen kunnen, de berg Sions een enkel ogenblikje verlaat om de donderslagen van Sinaï's berg te doen horen. Wel, niet anders dan dat hij ernstig waarschuwt tegen zulke en andere openbare zonden door te verklaren, dat degene die in dezelve leven en sterven, geen erfenis hebben in het Koninkrijk Gods. Ziet bijvoorbeeld Gal. 5:21, Efeze 5:5, 6, Hebr. 10:29-31 enz. Maar let nu op, hoe wij gewaarschuwd worden tegen deze twee zonden door het Voorschrift in verband te brengen met de leerstellingen van het Evangelie.
En eerst, wat betreft het liegen. Hoe waarschuwt ons de Heilige Geest tegen die lage, verfoeilijke zonde, de ondeugd van dieven en schelmen. "Daarom legt af de leugen en spreekt de waarheid, een iegelijk met zijn naaste, want wij zijn elkanders leden", Efeze 4:25. Laten wij nu onszelf eens afvragen of wij ooit zouden gedacht hebben over zo'n argument als dit is? Of liever, vraagt uzelf af, of, toen u verzocht werd een leugen te doen, ooit daarvan bent teruggehouden door zo'n beweegreden? Indien u zegt, zoals u waarschijnlijk doen zult: 'neen', bewijst dan uw eigen antwoord niet hoe weinig wij hebben van de zin van Christus en hoe laag en wettisch onze beschouwingen zijn van de Evangelievoorschriften? Is het dan niet eens de moeite waard te bezien op wat een verheven Evangeliegrondslag de Heilige Geest ons hier zegt, niet te liegen, maar altijd de waarheid te spreken? Het is omdat "wij elkanders leden zijn". Als wij gevraagd werden een reden aan te geven waarom de kinderen van God geen onwaarheid mogen spreken tegen elkaar, zou er ooit zo'n beweegreden in ons opgekomen zijn, dat zij door dit te doen, de vereniging en gemeenschap kwetsen, die de leden van Christus' verborgen lichaam met elkaar hebben in Hem?
Bekijkt eens een ogenblikje deze reden, en let op het verband - want dat is de zaak die wij zoeken aan te tonen -tussen het Voorschrift om altijd de waarheid te spreken, en de leerstelling van het Evangelies, aangaande de éénheid van Christus' lichaam. Waarom behoor ik niet te liegen tegen mijn broeder? Omdat wij beiden leden van het lichaam van Christus zijn. Wanneer ik dan tegen mijn broeder onwaarheid spreek, dan doe ik, geestelijkerwijs, hetzelfde alsof ik mijn rechterhand gebruikte om mijn linkerhand te steken; of, van mijn oog gebruik maakte om mijn been in een vuil gracht te steken; mijn gehoor gebruik om mijn voet onder een wagenwiel te zetten. Maar als ik tegen mijn broeder de waarheid spreek, is het geestelijkerwijs, alsof ieder lid van mijn lichaam getrouw zijn aangewezen verrichting uitvoert, zoals als mijn oog mijn rechterhand juist bestuurt, mijne hand mijn oog behoorlijk beschut, mijn oor tijdig mijn voet waarschuwt en mijn voet te rechtertijd mijn been uit het gevaar redt.
Is dit geen verheven en heilige grondslag? Wat een nauwe vereniging geeft dit te kennen van de leden van Christus' verborgen lichaam en wat een geest van vereniging en gemeenzaamheid met hun Hoofd en met elkaar! Zo'n godsdienst is nagenoeg in de kerk niet meer te vinden. Geen wonder dan, dat het Voorschrift veronachtzaamd wordt, als zijn grondslag, indien niet geheel verloren, nochtans buiten het gezicht geraakt is!
Beschouwt nu de wijze waarop de Heilige Geest ons waarschuwt tegen wellustige zonden. De natuur van het onderwerp noodzaakt ons, het met bedachtzaamheid te behandelen. Maar "den reinen zijn alle dingen rein", Tit. 1:15. Als wij over dit onderwerp spreken is het alléén daarom, dat we een klaarder en helderder licht over ons tegenwoordig te behandelen punt willen werpen.
Leest dan met aandacht 1 Kor. 6:13-20. Wij zeggen dit, omdat wij ons voorstellen dat u uw Bijbel in de hand hebt om onze beschouwingen nauwkeurig na te gaan en te vergelijken met alles wat wij aanvoeren. Want als wij niet spreken naar dit Woord 't zal zijn dat wij geen dageraad zullen hebben, Jes. 8:20. Nu, let er op, dat door de Heilige Geest hier drie dierbare waarheden worden aangevoerd als redenen, tegen alle onkuisheid.
III
Maar wij komen nu tot de volgende zaak, het onderzoek naar de natuur van het Voorschrift, met andere woorden: de dingen die het Voorschrift hoofdzakelijk leert. Houdt ons ten goede, waarde lezers, dat wij ook hierin een weinig uitgebreid moeten zijn. Wij wensen u, als het ware, vlak tegenover de Schrift te plaatsen, niet slechts om u de buitenkant van de tempel te tonen, de gebouwen en de grote stenen, Matth. 24:1, Luc. 21:5, niet slechts om rondom Sion te gaan en de torens daarvan te tellen, Ps. 48:12, maar in te gaan in het voorhof, ja, wat meer is, in het heiligdom, want het voorhangsel werd gescheurd van boven tot beneden, toen de Heere des levens en der heerlijkheid stierf. En nu mogen wij de vrijmoedigheid hebben om in te gaan in het heiligdom, door het bloed van Jezus, Hebr. 10:19.
Het zal al een groot stuk gewonnen zijn indien onze overdenking u brengen tot een nauwkeuriger en ernstiger onderzoek in de schatkamer van het Woord en nóg een grotere winst, indien een van deze schatten werkelijk uw eigendom mogen worden, doordat wij ze u duidelijk voor ogen gebracht hebben en u geloof wordt geschonken om ze in hoop en liefde te omhelzen.
Wat zijn dan de zaken die het Voorschrift leert? Wij kunnen in weinig woorden zeggen, dat er niet één goed woord of één goed werk, niet één genade of vrucht van de Geest, niet één daad van liefde tot God of mensen is, waartoe het Voorschrift het levende huisgezin niet oproept en er toe nodigt. Maar omdat op dit punt, zowel als op andere zaken die verbonden zijn met de natuur van het Voorschrift, enig misverstand bestaat, zullen wij naar ons vermogen het proberen te verduidelijken.
In het algemeen is men van mening dat het Voorschrift hoofdzakelijk ziet op uitwendige handelingen en dat zijn doel is om de uitwendige handel en wandel te leiden en te regelen. Nu, hoewel dit op zekere hoogte waar is, het is niet de gehele waarheid. Het Voorschrift richt zich in hoofdzaak tot het inwendige leven en tot het inwendige leven alleen, in verband met het uitwendige. Het is met wortel en tak onderscheiden van de Wet der Werken: "Doe en leef." Want zijn roepstem, zijn zoete en aangename stem is niet: "Doe en leef", maar "Leef en doe". Het is dus niet zoozeer een samenstelling van regels, dan wel een samenstelling van beginselen, een wet gegeven in het verstand en met de vinger Gods ingeschreven in het hart, overeenkomstig één van de vier bijzondere beloften van het Nieuwe Testament Jer. 31:33; Hebr. 8:10 en geen strenge onbuigzame lijst van handelingen en plichten.
Zo roept het ons toe, "ons af te scheiden van de wereld", 2 Kor. 6:17; "te bedenken de dingen die boven zijn"; Kol. 3:2, "veranderd te worden door de vernieuwing onzes gemoeds", Rom. 12:2; "te leven en te wandelen door de Geest", Gal. 5:16, 25; "aan te doen de gehele wapenrusting Gods" Efeze. 6:11; "in geen ding bezorgd te zijn, maar alle onze begeerten, door bidden en smeken, met dankzegging bekend te doen worden bij God"; Fil. 4:6; "af te leggen de ouden mens en aan te doen de nieuwe mens"; Efeze. 4:22-24; "alle dingen te beproeven en het goede te behouden", 1 Thess. 5:21; aan te houden in het lezen en mediteren en ons geheel te wijden aan de dingen Gods" Tim. 4:13-15; te vlieden van de gierigheid en alle goddeloosheid en te jagen naar gerechtigheid, godzaligheid, geloof, liefde, lijdzaamheid, zachtmoedigheid en te strijden de goede strijd des geloofs en te grijpen naar het eeuwige leven"; 1 Tim. 6:11, 12; "niet te bezwijken onder onze beproevingen en verdrukkingen, maar met lijdzaamheid te lopen de loopbaan die ons voorgesteld is, ziende op Jezus", Hebr. 12:1, 2, 5.
Ziet hoe het Voorschrift met deze en dergelijke vermaningen zich richt tot ons innerlijk zijn, tot het binnenste van ons hart en dat het geen koud en dor samenstel van plichten is om die uit te voeren, maar dat het een liefderijke opwekking behelsd tot een levendige, beminnelijke gehoorzaamheid des Geestes en tot een liefdevolle dienst aan Hem, Die ons van onze zonden gewassen heeft in Zijn bloed.
Maar hoewel deze hoge en uitnemende hoedanigheid het hoofdkenmerk en de bijzondere zegen is van het Voorschrift, toch daalt het in een nadere omschrijving tot ons af, opdat wij ook een regel voor ons uitwendig gedrag hebben, een reglement voor de praktijk, zo wel als een reglement van beginselen.
Zo geeft de apostel in Rom. 12 éérst een reeks van invloeduitstralende grondbeginsels, zoals: "de liefde zij ongeveinsd"; "elkander hartelijk lief te hebben met broederlijke liefde, met eer de een de ander voorgaande"; "niet traag te zijn in het benaarstigen, maar vurig van geest te zijn"; "dienende de Heere"; "te verblijden in de hoop; geduldig te zijn in de verdrukking; te volharden in het gebed"; enz. enz.; Als hij ons deze algemene grondbeginsels van een Christelijke wandel gegeven heeft, dan gaat hij in Kap. 13 verder met een breder omschreven regel voor onze wandel neer te leggen, zoals: "onderwerping aan de hogere machten; "het betalen van schattingen aan regeerders en hun dienaren"; "te geven aan een iegelijk wat wij schuldig zijn, tol die wij de tol, vrees, (of hoogachting) dien wij de vrees; eer, dien wij de eer schuldig zijn"; en "dat wij niemand iets zouden schuldig zijn, dan elkander lief te hebben". Daarna gaat hij in Kap. 14 verder dat wij een broeder niet zouden oordelen of verachten, maar dat wij zouden "najagen hetgeen tot de vrede en hetgeen tot stichting onder elkander dient".
Wat een veelomvattende en nochtans welk een eenvoudige en lieflijke regel voor de Christelijke wandel in allerlei omstandigheden wordt hier omschreven, die, wanneer dienovereenkomstig werd gehandeld, de Evangeliekerken inwendig met liefde en vrede vervullen zou en ze uitwendig tot voorbeelden van praktikale godzaligheid zou maken. Hieruit zien wij dat het Voorschrift, als wij het zo eens uitdrukken mogen, een hogere en een lagere toon voert. Als het zegt: "Bedenkt de dingen die boven zijn"; "Laat ons afleggen de werken der duisternis en aandoen de wapenen des lichts"; "Staat dan in de Heere; wederom zeg ik, verblijdt u"; dan heeft het een hoge stem, een opwekkende stem, want het vordert onze harten en genegenheden op, om ze te vestigen op hemelse dingen. Maar wanneer het zegt: "Onderwerpt u aan de ordeningen der mensen om des Heeren wil"; "uwe bescheidenheid zij allen mensen bekend"; "hebt de broederschap lief, vreest God, eert de Koning"; "Gij dienstknechten, zijt gehoorzaam uw heren met vrees"; "Gij vrouwen, wees uw eigen mannen onderdanig; wier versiering niet bestaat in het vlechten des haars of het omhangen van goud of klederen" enz., dan heeft het een lage stem, een afdalende stem, want het daalt af tot de bijzonderheden van de praktikale gehoorzaamheid en het verschaft ons aanwijzingen voor onze dagelijks wandel en samenspraak.
O, welk een wijsheid en genade schittert er in het Voorschrift als het bezien wordt in dat licht, waardoor alle dingen openbaar gemaakt worden! Efeze 5:13. Wat een geest van heiligheid en nochtans welk een tedere, hartelijke tegemoetkoming aan onze zwakheden ademt het uit! Hoe schikt het zich naar de heerlijkheid van God en het welzijn van de mens, hoe zachtkens leidt het ons verder in de enige weg waar de ware vrede gevonden wordt, en nochtans verwijt het nooit, hoewel het ons soms wél berispt. Maar ook wil het de minste zonde niet door de vingers zien, maar handhaaft te allen tijde de zelfde vaste regel van de zuiverheid van het Evangelie, en nochtans bukt het neer tot de minste zondaar, die aan de troon der genade ligt.
En inderdaad, wij mogen er wel aan toevoegen, dat hoe meer de volmaakte wet der vrijheid beschouwd wordt, hoe meer haar schoonheid en dierbaarheid uitblinkt. Want wij kunnen in waarheid zeggen, dat, sinds wij onze overdenkingen hierover begonnen hebben, er meer licht in onze ziel is opgegaan om bevindelijk te leren verstaan dat het werk van de Heilige Geest er krachtig en zichtbaar is op afgedrukt en dat wij daarin vernieuwde bewijzen ontvangen hebben, dat in het Voorschrift de levende God tot de harten van Zijn volk spreekt.
IV. De beweegreden die het Voorschrift kracht bijzetten.
Maar laat ons nu overgaan tot het volgende punt, dat wij voorgesteld hadden te onderzoeken, namelijk de beweegreden die het Voorschrift kracht bijzetten.
Daden of handelingen worden door beweegreden te voorschijn geroepen. Wat de wind is voor een schip op zee, wat de stoom is voor de machine op de spoorlijn, wat de eer is voor, een militair, wat de eerzucht is voor een staatsman, dit alles is een beweegreden tot daden. De liefde weg te nemen van een minnaar is evenals de wind weg te nemen van het zeil en de stoom van de locomotief. Dan is er geen verlangen meer naar het bepaalde uur van samenkomst, geen snelle en vaardige gang meer naar de aangewezen plaats. Zo is het Voorschrift vergezeld van beweegreden, die vleugels geven aan de ziel en vleugels aan de voeten. Wij zullen straks proberen aan te tonen hoe de Heilige Geest deze beweegreden leven instort en hoe Hij ze toepast; want zonder deze dierbaren adem des Geestes, blijven zij zonder gevolg. Maar thans spreken wij alleen van de beweegreden zelf.
Wanneer u dan zorgvuldig het voorschrijvend deel van de brieven onderzoekt, zult u bemerken dat de gezegende Geest, waar Hij een Voorschrift geeft, er altijd een beweegreden aan toe voegt. Neemt enige voorbeelden. Ziet eens op wat wij bijna zouden kunnen noemen het eerste Evangelievoorschrift: "Daarom gaat uit het midden van hen, en scheidt u af." En ziet wat een beweegreden daaraan wordt toegevoegd: "En Ik zal ulieden aannemen; En ik zal u tot een Vader zijn, en gij zult Mij tot zonen en dochteren zijn, zegt de Heere, de Almachtige", 2 Kor. 6:17, 18. Het is alsof de Heere zegt "U zult er niets bij verliezen als gij u van de wereld afscheidt, zelfs al moest u vader of moeder verlaten om Mijnentwil. Ik zal u opnemen onder Mijn vriendelijke zorg en hoede, en teder omhelzen; ja u tot een Vader zijn, u opnemen in Mijn huisgezin en u begiftigen met barmhartigheid en goedertierenheid, evenals ik Mijn kinderen doe". Welk een beweegreden om de stap te wagen en van onder hun midden uit te gaan, welke opoffering het ook na zich slepen mag, en zich dadelijk te werpen in de zee van barmhartigheid en liefde, die ontsloten is in het woord der belofte. In plaats van, zoals Lot's vrouw, te talmen, of al bevende aan de oever te staan, vrezende om voorwaarts te gaan, en bevreesd om terug te keren.
Maar neemt een ander voorbeeld van het verband tussen het Voorschrift en de beweegreden daaraan toegevoegd: "Bedenkt de dingen die boven zijn, niet die op de aarde zijn". Waarom? Om welke reden? "Want gij zijt gestorven, en uw leven is met Christus verborgen in God. Wanneer nu Christus zal geopenbaard zijn, Die ons Leven is, dan zult ook gij met Hem geopenbaard worden in heerlijkheid", Kol. 3:3, 4. Wat een invloedrijke beweegreden om te bedenken de dingen die boven zijn, dat, wanneer Christus verschijnen zal, wij dan ook met Hem zullen geopenbaard worden in heerlijkheid!
Neemt een ander voorbeeld: "Zo laat ons dan, niet slapen gelijk als de anderen, maar laat ons waken en nuchter zijn, want die slapen, slapen des nachts, en die dronken zijn, zijn des nachts dronken. Maar wij die des dags zijn, laat ons nuchter zijn, aangedaan hebbende het borstwapen des geloofs en der liefde, en tot een helm de hoop der zaligheid", 1 Thess. 5:6-8. Hier is een oproep tot waakzaamheid en om nuchter te zijn. En laat ons wel acht geven dat hier bedoeld wordt een waakzaamheid en nuchterheid van een Evangelische aard of natuur, die onderscheiden is van een lichamelijke waakzaamheid en nuchterheid, want zij worden in het werk gesteld door aan te doen het borstwapen des geloofs en der liefde, en tot een helm, de hoop der zaligheid. Maar wat is de beweegreden die aan dit Voorschrift vastzit? "Want God heeft ons niet gesteld tot toorn, maar tot verkrijging der zaligheid door onzen Heere Jezus Christus, Die voor ons gestorven is, opdat wij, hetzij dat wij slapen, hetzij dat wij waken, tesamen met Hem leven zouden", 1 Thess. 5:9, 10.
Wij hopen, dat wij onze lezers niet vermoeien zullen, als wij ter verdere verduidelijking van dit punt, tonen zullen dat maatschappelijke plichten op gelijke wijze aangedrongen worden, versterkt en beïnvloed door Evangelische beweegreden: "Gij dienstknechten, zijt in alles gehoorzaam uw heren naar het vlees, niet met ogendiensten als mensenbehagers, maar met eenvoudigheid des harten, vrezende God. En al wat gij doet, doet dat van harte als voor den Heere en niet de mensen", Kol. 3:22, 23. Geeft, om dit in zijn volle kracht te kunnen verstaan, eens een ogenblik acht op de toestand van een arme Romeinse slaaf, want tot hen werd het Voorschrift oorspronkelijk gericht. Hij was overgelaten aan de algehele beschikking van zijn meester. Hij kon hem opsluiten, geselen of kruisigen, al naar het hem behaagde, zonder dat er iemand tussenbeide komen kon of hem recht doen wedervaren. De staat van een slaaf is altijd diep ongelukkig en ellendig geweest, hetzij onder welk volk of in welke eeuw ook; maar nergens was die staat zo geheel ellendig als onder het Romeinse Keizerrijk. (Tot een bewijs hiervan dient, dat, als een meester dood in zijn huis gevonden werd, alle slaven, soms drie- of vierhonderd in getal, onmiddellijk gedood werden, en dat dikwijls onder de wreedste folteringen.) Stelt u nu even voor, deze arme slaaf door genade geroepen en in dienst bij een heidense meester. Hem wordt gezegd zijn meester in alles gehoorzaam te zijn en dat niet uit vrees voor de zweep, maar uit de vreze Gods. Let nu op de beweegreden die hem ondersteunen en opwekken moet onder zijn dagelijkse arbeid in zijn slavenkleding, onder zijn ellendige voeding, terwijl hij elk uur blootgesteld wordt aan gevangenis en zweepslagen. Paulus zegt: Er wordt een gezegende erfenis voor hem bewaard, die een rijke vergoeding zijn zal voor al zijn aardse dienstbaarheid; want hij diende in de geest de Heere Jezus Christus, Die hem eens in het bezit stellen zou van "een onverderfelijke en een onverwelkelijke erfenis".
Nog een voorbeeld. Beschouwt een gelovige meester. Hij krijgt ook een Voorschrift en ook een beweegreden daarbij: "Gij heren doet uw dienstknechten recht en gelijk, wetende, dat ook gij een Heere hebt in de hemelen". Kol. 4:1. De meester moet doen wat recht en billijk is aan zijn dienstknecht. Waarom? Omdat ook hij heeft een Heere in de hemel aan Wie hij verschuldigd is, te doen wat recht en redelijk is, door de band van Christelijke gehoorzaamheid.
Maar wij behoeven dit gedeelte van ons onderwerp niet verder uit te breiden. Onze bedoeling is niet, dat onze lezers alleen acht geven op hetgeen wij genoemd hebben, maar om zo te spreken, ze op het ware spoor te brengen, opdat ze evenals de edele Bereërs voor zichzelf de Schriften zouden onderzoeken of deze dingen alzo zijn Hand. 17:11. De Schrift wordt veel gelezen, maar weinig wordt er in onderzocht en nog minder er van verstaan. Wanneer de Heere dan in Zijn toegenegenheid, gebruik van ons maken wil, om een weinigje licht op Zijn Woord te doen schijnen, meer in het bijzonder over het voorschrijvend gedeelte daarvan, en als onze geestelijke lezers, door dit licht bijgestaan, voor hun zelf dit gedeelte van de Goddelijke Waarheid biddend en zorgvuldig willen onderzoeken, dan kunnen zij met des Heeren hulp en zegen daardoor leiding en nut verkrijgen. Wij zijn niets en hebben niets. Maar omdat de Heere middellijk werkt kan Hij óók onze pen gebruiken tot stichting van Zijn duurgekochte kerk. Indien onze gevoelens van het Voorschrift schriftuurlijk zijn, hoe meer zij dan worden onderzocht, hoe meer zij zullen blijken overeen te stemmen met het Woord van God. Het licht moge meer en meer het verstand van de geestelijke lezer verlichten, zoals wij hopen dat het ook dat van de schrijver gedaan heeft. Het geloof moge meer en meer versterkt worden, want dit wordt gevoed door het zuivere Woord van Zijn genade. De hoop moge haar anker krachtig uitwerpen in de heerlijke waarheden en beloften zoals deze aan het hart ontsloten worden, en de liefde moge met meer warmte en tederheid de Waarheid omhelzen en inzonderheid Hem, die de Waarheid zelf is, in Wie al de beloften en alle Voorschriften samenkomen, want Hij is de Alfa en de Omega, het Begin en het Einde, de Eerste en de Laatste.
Onze lezers zullen zich weldicht nog herinneren, dat wij bij de overweging van de natuur van het Voorschrift, hebben voorgesteld acht te geven op twee onderscheiden zaken en wel
Ook dat wij onder het eerste hoofd, namelijk de letter van het Voorschrift, genoemd hebben vijf onderscheidene zaken, die onze oplettendheid in het bijzonder vereisen. Deze zijn
Vier van deze zaken hebben wij reeds afgehandeld. Rest ons derhalve nog maar één zaak voor ons tegenwoordig onderzoek, namelijk het vijfde of laatste punt, om dan over te gaan tot de beschouwing van de Geest van het Voorschrift.
V. Dit punt is: De gedaante of vorm, waaronder het Voorschrift is geopenbaard
Maar omdat wij ieder punt dat wij voorgenomen hebben te behandelen, zo duidelijk mogelijk willen voorstellen, laat ons dan eerst zeggen, wat wij bedoelen door de uitdrukking 'vorm', zoals het door ons gebruikt wordt met betrekking tot de letter van het Voorschrift. Wij verstaan dan onder 'vorm' die bijzondere wijze van voordracht of manier van uitdrukking, waarvan de Heilige Geest heeft gebruik gemaakt bij de openbaring en in het aandringen van het Voorschrift, als een gedeelte van het Evangelie van de Heeren Jezus Christus. Dat wil zeggen: die manier van spreken waardoor het gekenmerkt wordt als een geïnspireerde regel voor de gehoorzaamheid des geloofs. Het woord 'vorm' of voorbeeld is een Schriftuurlijke uitdrukking en wordt door de Apostel Paulus twee keer gebruikt in bijna dezelfde betekenis als wij er aan gegeven hebben. Let bijvoorbeeld op de volgenden tekst: "Maar Gode zij dank, dat gij wel dienstknechten der zonde waart, maar dat gij nu van harte gehoorzaam geworden zijt aan het voorbeeld der leer, dat u overgegeven is". (Eng. vert. Rom. 6:17. Het voorbeeld der leer waarvan hier gesproken wordt, als overgegeven aan de heiligen onder de Romeinen, betekent: het model of het patroon van apostolische onderwijzing, waarnaar hun hart was gericht geworden. Dit blijkt duidelijk uit de [engelse] kanttekening, en wij mogen er bijvoegen dat dit een zeer aannemelijke vertaling is, luidende: waartoe gij overgegeven zijt", [zoals de Statenvertaling] dat wil zeggen: "overgegeven zoals een muntstuk om bestempeld te worden en waardoor u een bijzondere afdruk gekregen hebt wat bij u gehoorzaamheid des harten heeft teweeggebracht. Het woord dat vertaald is met voorbeeld Rom. 6:17 betekent letterlijk: het stempel, zegel of afdruk van een muntstempel, daarvandaan een model of voorbeeld. Nemen wij dus het denkbeeld van een muntstempel, dan is het Goddelijk onderwijs het stempel in het hart, en een gelovige is de penning dat de juiste en precieze afdruk daarvan ontvangt.
Op een andere plaats zegt de apostel: "Houd het voorbeeld der gezonde woorden, die gij van mij gehoord hebt, in geloof en liefde die in Christus Jezus is", 2 Tim. 1:13. Dit "voorbeeld der gezonde woorden" dat Timotheüs moest houden, was het model of voorbeeld naar hetwelk de apostel aan Timotheüs de waarheid, die door de Heilige Geest aan zijn eigen ziel was geopenbaard, had overgegeven. Daarom zegt hij: "Dewelke wij ook spreken, niet met woorden die de menselijke wijsheid leert, maar met woorden die de Heilige Geest leert, geestelijke dingen met geestelijke vergelijkende", 1 Kor. 2:13 (Eng. vert.) Of, zoals de woorden ook kunnen vertaald worden: "geestelijke dingen met geestelijke samenvoegende", dat is: "geestelijke waarheden met geestelijke woorden verbindende", nl. die dingen geopenbaard door de Geest, 1 Kor. 2:10-12, of de waarheden van het Evangelie die de Heilige Geest leert, vers 13. Deze waarheden zijn het voorbeeld die door de apostel aan de gemeente waren overgegeven. De Heilige Geest heeft dus op het Voorschrift van het Nieuwe Testament een bijzonder merkteken of stempel gedrukt, wat wij hun 'vorm' noemen, welks natuur of karakter wij nu trachten meer uitgebreid te ontvouwen.
De voornaamste of de hoofdvorm van het Voorschrift is natuurlijk die van gebod of reglement, dat wil zeggen, dat het ons met gezag gebiedt dit te doen en dat na te laten, deze of die handelingen na te volgen of niet na te volgen. Het is dus onderscheiden van een uitnodiging, zoals: "Komt herwaarts tot Mij, allen die vermoeid en belast zijt en Ik zal u rust geven", enz. Matth. 11:21. "Zo iemand dorst, die kome tot Mij en drinke", Joh. 7:37. Het is anders dan een verwijt, zoals: "En zijt gij nog opgeblazen en hebt gij niet veel meer leed gedragen, opdat hij uit het midden van u weggedaan worde, die deze daad begaan heeft?" 1 Kor. 5:2. Gij onderhoudt dagen, en maanden, en tijden, en jaren. Ik vrees voor u, dat ik niet enigszins tevergeefs aan u gearbeid heb", Gal. 4:10, 11. Maar hoewel zijn hoofdkarakter vanzelf een gebod is, zonder welke het in het geheel geen Voorschrift zijn zou, neemt het nochtans verscheidene vormen van onderricht aan, en niettemin is iedere vorm in de volmaaktste harmonie met de genade en de geest van het Evangelie.
Bij wijze van inleiding op het punt wat we thans behandelen, kunnen wij in het kort zeggen, dat de vormen van besturing in het Voorschrift, in hoofdzaak zijn:
1. Soms drukt het uit een bevel uit: "En wij bevelen