De inhoud van het Evangelie

 

Samuel Pike

 

Het goede nieuws

 

Het woord Evangelie betekend eigenlijk goed nieuws, of blijde boodschap en het kan gebruikt worden om het goede nieuws van allerlei soort aan te duiden. Maar het Evangelie wordt bij uitstek zo genoemd, omdat het een boodschap is van goede tijding die ons van de hemel wordt verkondigd. De inhoud van deze boodschap is, om aan gevallen en veroordeelde zondaren van het menselijke geslacht te verklaren dat Jezus de Christus is, Die in de wereld gekomen is om zelfs de voornaamste van de zondaren zalig te (1 Tim 1: 15), dat God ons het eeuwige leven gegeven heeft en dat dit leven is in Zijn Zoon (1 Joh. 5: 1 l), dat God was in Christus de wereld met Zich verzoenende, hun zonden hun niet toerekenende (2 Kor. 5:19). Al deze zaken tezamen genomen in een gezegende en veelomvattende betekenis met als n centraal punt, vormen het Evangelie. Zij worden ons openlijk en vrij voorgehouden, opdat wij mogen geloven dat Jezus is de Zoon van God en dat wij gelovende, het leven hebben in Zijn Naam of in wat ons over Hem als Zaligmaker wordt meegedeeld. Dit Evangelie werd aan Adam gepredikt in de moederbelofte, aan Abraham, toen hem werd gezegd dat in hem al de volkeren van de aarde zouden gezegend worden, aan Isral in de schaduwdienst van de offeranden. Het wordt in de Psalmen en in de profeten geleerd en in het Nieuwe Testament met betrekking tot de geboorte, het leven, de dood, de opstanding en de verheerlijking van onze Heere Jezus, van Wie ons de ware en heerlijke bedoeling van dit alles wordt aangegeven (Hand. 10:37-43; 13:27-39). Wanneer wij alles samenvatten, dan is het Evangelie niets anders dan de afkondiging van een vrije en algehele zaligheid in Jezus Christus aan verloren, hulpeloze en doemwaardige zondaren. De verlossing, zoals die door Jezus Christus is verworven, wordt ons voorgesteld, als geheel nodig tot onze zaligheid, als geheel gepast voor onze toestand, als geheel vrij tot onze bemoediging en als geheel volledig voor onze behoeften (Rom. 3:19-24).

 

Deze voorstelling van zaken is zo groot en zo heerlijk en zij bevat zulks verblijdende bijzonderheden, dat zij niet anders dan een meest verlevendigd licht, de meest bevredigende hoop en de meest gegronde blijdschap en geestelijke levenskracht in onze zielen kan verwekken. Hoe dat de betekenis, het bewijs en het belang van het Evangelie ook mogen worden aangemerkt, dit doet toch niets af van de zekere inhoud, duidelijke aanleg, werkelijke invloed en uitwerking die zij heeft. Wij zijn er echter zeker van, dat het Evangelie zonder de Goddelijke onderwijzing of invloed van de Geest der waarheid en genade niets vermag te doen.

 

 

De uitwerking van het Evangelie

Het Evangelie brengt ons de meest belangrijke boodschap en de meest verblijdende tijding nabij. Sommigen zien deze boodschap over het hoofd, anderen verachten of misverstaan deze, weer anderen twisten daarover. Velen verstaan het zo gebrekkig dat het hun gemoed geen vermaak of bevrediging biedt en het maakt voor hen niet uit, al hebben zij het Evangelie wel of niet gehoord. Het blijkt uit de praktijk dat velen onder het geklank van het Evangelie verkeren, die weinig of in het geheel niet worden verlevendigd, bemoedigd of op wie het geen aantrekkingskracht uitoefent. Dit kom door hun bezwaren of tegenwerpingen die niet zijn opgelost, maar nog steeds in hun binnenste blijven woekeren, waardoor zij de blijdschap, voldoening, hoop en liefde belemmeren, die anders door het geloven van de boodschap in hun gemoed was ontstaan. Het is vanuit het Woord van God toch duidelijk, dat zij die het Evangelie hoorden en het verstonden, verblijd waren en het Woord van de Heere verheerlijkten (Hand. 2:46;8:8,39; 13:48; 16:34).

 

Laten wij nu wat verder gaan en proberen de tegenwerpingen en moeilijkheden, die in het gemoed opkomen. te onderzoeken. Waardoor komt het toch dat velen, wanneer zij het Evangelie horen, geen troost en voordeel in hun zielen ontvangen, zodat het duidelijk is dat het geen kracht in hen doet. Wij mogen er toch van uitgaan, dat het Evangelie, op zichzelf genomen, een boodschap is van grote blijdschap, want anders zou dit woord deze betekenis niet dragen.

 

Het is duidelijk uit de praktijk, dat voor velen deze blijde tijding geen enkel genoegen verschaft, omdat zij niet beantwoordt aan hun eigen behoeften en begeerten. Het is voor hen een zaak, die ver buiten hun eigen gedachten en wensen ligt en daarom verachten en verwaarlozen zij het. De n zegt in zijn hart: "Als u mij een boodschap kon brengen, dat ik enige wereldse eer zou ontvangen. of een grote som gelds, dan zou ik blij zijn. Of als u mij kon vertellen, hoe ik mij zou kunnen vermaken met zinnelijke vermaken, dan zou dit wel aangenaam voor mij zijn." Anderen spreken weer anders: "Als u mij kon verzekeren, dat er een weg bestaat dat ik kon leven door mij in de zonde te verblijden, zonder dat er sprake is van straf, zonder dat ik hoef te vrezen voor de dood of voor de hel, dan zou dat goed nieuws voor mij betekenen." Maar in beide gevallen is het duidelijk, dat de gevoelens van het hart geheel tegenover de waarheid van God staan. De eerste rekent de wereld tot zijn voornaamste deel en de laatste vindt in de zonde zijn hoogste goed. Zij merken in het geheel niet op en zij geloven niet werkelijk, wat de gepastheid en het belang is van de zaligheid in Jezus Christus voor hun zielen en daarom doet het goede nieuws hen niets (Joh. 4: 10;6:26).

 

Geen belang bij het verkondigde heil

Voor anderen is de afkondiging van de zaligheid door Christus alleen geen goed nieuws, omdat zij niet zien dat dit voor hen nodig is. Zij zien niet in, dat hun geval werkelijk zo slecht is, dat zij een volledige en vrije zaligheid behoeven. Zij zien niet dat zij geheel verloren en hulpeloos zijn, maar zij menen dat zij nog iets kunnen doen om bij God in de gunst te komen. Zij hebben er een afschuw van en gaan er dan ook tegen in, dat het vrije Evangelie alle zelfgenoegzame begeerten en verlangens veroordeelt. Het blijkt dat zij zichzelf, de wet of de ware God niet recht kennen (Matt. 9:12,13; Rom. 10:3).

 

Er is nog een andere reden, waarom de blijde boodschap van het gezegende Evangelie geen werkelijke bevrediging geeft. De eigenlijke vrijheid van de Goddelijke genade, zoals deze is geopenbaard, wordt niet onderscheiden of erkend. De taal van velen is: "Ik ontken niet of trek niet in twijfel dat het werk van Christus volkomen is en dat de door Hem aangebrachte verlossing vrij is. Deze dingen heb ik gehoord en daarvan ben ik overtuigd, maar toch voel ik mijzelf verloren, ellendig en hulpeloos. Ik kan niet inzien dat deze zaken mij enig genoegen of bevrediging verschaffen, want ik heb nog veel tegenwerpingen tegen mijzelf en veel twijfelingen en bezwaren in mijn gemoed over mijn zaligheid." Wat deze bezwaren zijn, zullen wij later zien. De vraag is of u werkelijk gelooft dat de Goddelijke genade vrij is. Hoe komt het dan dat u u niet door wordt bemoedigd en er niets in ziet, want het kan toch niet anders, of u moet zich aangesproken weten. Als iemand die een groot gebrek heeft, verteld wordt dat hij gratis voedsel kan krijgen, of wanneer iemand een schuld heeft en gearresteerd dreigt te worden, gezegd wordt dat hij een gratis gebruik kan maken van een bekwame en gewillige borg, zal dit dan geen hoop en bevrediging verschaffen, wanneer hij dat hoort en gelooft? En als dit niet zo is, zal een omstander dan niet denken dat er iets mis met hem zal zijn, of dat hij niet helemaal goed bij zijn verstand is? Zo zal er iets aan ons begrip of bevatting ontbreken, als wij voor ons gemoed geen bevredigende hoop aan het vrije Evangelie en aan de volle zaligheid in Jezus Christus, bestemd voor een hulpeloze en verloren zondaar, ontlenen.

 

Verontschuldigingen en twijfels

Nu wil ik zo duidelijk mogelijk aangeven, waarin de misvatting of twijfel bij velen bestaat. De n zegt: "Het Evangelie verschaft geen verlichting voor mijn gemoed, omdat mijn zonde en mijn schuld groter zijt dan van velen. of wie dat ook zijn mag. Mijn ongerechtigheden zijn over mijn hoofd gegaan en mijn overtredingen hebben zich tot aan de hemel opgehoopt. En waar ik ook heenga, ik vind geen verlichting. Of ik nu achterom zie, of vooruit, of omhoog, of binnen in mij, alles is donker en vreselijk. Mijn geval is zo bijzonder, mijn zonden zijn zo verergerd, dat ik niet kan begrijpen dat Gods genade mij direct zou kunnen bereiken." Mijn antwoord is dat geen enkele schuldige zondaar van de afkondiging van genade wordt uitgesloten. Als dat zo zou Zijn, houdt de genade op genade te zijn. niet alleen voor u, maar voor iedereen, want wij hebben allen gezondigd en derven de heerlijkheid van God en als de Heere de ongerechtigheden zou gadeslaan, wie zou dan bestaan? U denkt dat het Evangelie een blijde boodschap is voor anderen en niet voor u. Maar waarom? U zegt: "Omdat zij niet zo slecht zijn als ik ben en geweest ben". Dit is hetzelfde als te zeggen dat anderen een betere hoop op Christus hebben dan u, omdat zij in sommige opzichten beter dan u zijn. Maar als wij zo denken, dan kan de genade van God in Christus niet geheel en direct vrij zijn, want dan kunnen wij ons inbeelden dat wij eerst iets doen moeten waardoor wij beter zijn dan anderen, voordat wij op Christus mogen hopen. Maar ons wordt direct verteld dat Christus in de wereld gekomen is om de voornaamste van de zondaren zalig te maken. Het is juist een getrouw woord en aller aanneming waard en dus ook voor u. Wat u dan ook geweest mag zijn of nog bent. U hebt gelijk, als u denkt dat u de voornaamste van de zonaderen bent, maar u hebt het mis en verdraait de genade en het Evangelie van Christus, als u zegt dat u niet als andere zondaren op deze aarde welkom bent voor de verlossing door Jezus Christus.

 

Eigenlijk zijn zulke wanhopige en ogenschijnlijk nederige belijdenissen, als zij grondig worden onderzocht en onze hoop blijken te belemmeren, niets anders dan de overtuiging en de verontschuldiging dat aan ons materiaal ontbreekt om een altaar voor onze hoogmoed op te richten. Wij zoeken een rechtvaardigende gerechtigheid en wij zijn ernstig bezig om die te verkrijgen. Maar dit zoeken is niets anders dan een pijnlijk klagen dat voortkomt uit een gevoel van teleurstelling, omdat wij deze gerechtigheid en het leven door de werken der wet niet kunnen verkrijgen. Wij zijn zo met ernst bezig met de wetenschap, dat er toch wel wat goeds in onze harten, in onze motieven en zeker ook in onze daden moet zijn, hoewel wij tegelijkertijd gevoelen dat dit alles ons geen volkomen vertrouwen op God geeft.

 

U zult mischien denken: "Maar bij alles bevat het Evangelie geen vertroostend of bevredigend nieuws voor mij, omdat ik eraan denk dat Christus de verlossing niet voor de gehele mensheid heeft aangebracht. Ook heeft God deze naar zijn voornemen niet voor allen weggelegd en daarom kan ik hieruit geen troost ontvangem. Immers zij die zalig worden, worden zalig uit vrije en soevereine genade en ik vind geen kenmerken in mijzelf dat ik tot het getal van de uitverkorenen en verlosten behoor. Daarom kan ik alleen maar een hoop of gevoel koesteren, dat ik mogelijk tot dat getal behoor en daarom misschien zalig zal worden. Maar dit gevoel heeft geen enkele vrede of troost voor mijn ziel."

 

Gods soevereiniteit geen belemmering

Ik wil niet anders dan erkennen dat de verkiezing en verlossing particulier en niet algemeen zijn. Deze werkelijke en belangrijke waarheid is dan ook niet voorwaardelijk. Maar al is deze verlossing niet algemeen in het voornemen, zo is zij dat wel in de afkondiging, want deze moet algemeen geloofd worden tot zaligheid (Joh. 3:14-19). Lees deze verzen uit Johannes 3 en u zult zien dat deze het goede nieuws bevatten dat aan arme hulpeloze zondaars wordt voorgehouden, om daarop alleen te vertrouwen. Deze vrije genade vereist geen voorafgaande kenmerken of bewijzen van onze bijzondere verkiezing of verlossing, alvorens door het geloof onmiddellijke verlichting in het gemoed te verschaffen, maar deze genade is open en vrij. Het is waar dat God door Zijn Woord van ons vereist, om de leer van de bijzondere verkiezing en verlossing te geloven, om ons aldus een gezicht te geven van de soevereiniteit van Zijn genade en om te voorkomen dat wij zouden denken dat deze voorwaardelijk is of afhankelijk is van enige daad van onszelf. Maar de genade vereist niet dat wij onze persoonlijke verkiezing of verlossing zouden geloven, alvorens onze hoop op God te stellen. Zij stek de verlossing. die in Jezus Christus is, voor, ah direct en volledig en vrij voor ons, en bij wie deze een gepaste uitwerking op het hart, geweten en gedrag heeft, mag dit zien als een zeker bewijs van zijn verkiezing. Want onze verkiezing van God wordt gekend door het Evangelie dat met kracht komt (1 Thess. 1:4,5). Zeg daarom niet: "Wie zal in de hemel zien of onze namen in het boek des levens zijn?' Maar zie in het Evangelie, of uw naam daar als zondaar niet gevonden wordt en of de genade, die daarin wordt geopenbaard, niet vrij en voor een ieder is.

 

Het werk van Gods Geest geen belemmering

Een andere gedachte kan u bezetten: "Maar helaas, alles wat u zegt en wat ik kan vinden in het Woord over het vrij zijn van de Goddelijke genade, geeft mij geen voldoening, want ik weet dat het werk van de Heilige Geest nodig is om de ziel en Christus bij elkaar te brengen. Ik vind echter geen invloed van Hem in mijn hart en daarom ben ik zeer verward en het spoor bijna geheel bijster, alsof er voor mij geen Evangelie zou zijn.

 

Mijn antwoord is, dat het zeker en vast staat dat het werk van de Geest nodig, soeverein en krachtdadig is. Maar moeten wij gevoelen of ons bewust zijn van enig werk van de Geest in onze harten, voordat wij het getuigenis van vrije genade tot bevrediging van ons geweten geloven? Als dat zo is, zou dit de open toegang tot de genade van God openlijk omver werpen en dan zou het werk van de Geest zo verklaard en voorgesteld worden, als in strijd met het Woord van God. Naar mijn gedachte is er nauwelijks een helderder bewijs van de noodzakelijkheid van het werk van de

 

Geest, om de ware genade aan ons toe te passen, dan de gedurige neiging in ons om deze te verdraaien of hierin te dwalen. Wij zijn zelfs geneigd om het besef van het werk van de Geest tussen een vrije Christus en onze zielen te plaatsen. Het werk van de Geest dient om ons de dingen, die van Christus zijn, te laten zien en om ons de genade van God bekend te maken. Lees wat over Zijn werk en ambt wordt gezegd in Johannes 16:7-11 en 1 Korinthe 2:9-16, waar u een volledige verklaring hiervan vindt. Daarin zien wij dat dit werk in geen geval tegenover de vrijheid van het Evangelie staat, maar integendeel er een bevestiging van is, want Hij zet Zijn zegel op dit werk, wanneer Hij deze vrije genade in ons hart brengt en ons hiervandaan vrede en voldoening schenkt.

Een ander kan weer op een andere wijze in de war gebracht worden, zoals met deze vraag: "Ik kan geen bevrediging voor mijn ziel vinden vanuit de Evangelieboodschap, omdat de Schrift zegt: 'Tenzij een mens wedergeboren worde, hij kan het Koninkrijk van God niet zien'. Nu weet ik niet of ik wedergeboren ben; ik kan niet tot mijn bevrediging vaststellen dat ik een beginsel van genade in mijn hart heb en daarom kan ik geen genoegen of vrede vinden, tenzij ik op de n of andere wijze hiervan verzekerd ben." Op deze manier brengen velen een overvloed tegenwerpingen tegen zichzelf in, en maken dat de blijde boodschap van zaligheid in Christus geen uitwerking op hen heeft, omdat zij een besef van hun eigen wedergeboorte nodig achten, alvorens zij hun hoop op God kunnen stellen en vrede met Hem hebben.

 

Maar bedenk dat de genade zo vrij is, dat een verzekering dat wij wedergeboren zijn niet eerst nodig is om onze zielen te doen rusten op de vrije vergeving, zoals die in het Evangelie wordt afgekondigd. Veronderstel dat u niet weet of u wedergeboren bent, dan is dit geen ontmoediging om u van het geloof in de vrije vergeving af te houden en aldus een aandeel daarin te ontvangen. Let er wel op, dat zolang u zich op deze wijze laat ontmoedigen, u het op de een of andere wijze nog in uzelf zoekt. Maar alles waarvan u meent dat u een besef moet hebben, om dan hoop op God te kunnen verkrijgen, dit alles, zeg ik, is de uitwerking van het geloof van het Evangelie in het hart, want wij worden wedergeboren door het Woord der waarheid (Jak. 1: 18). Daarom ligt een gezicht en gevoel van deze waarheid van vrije genade op de bodem van de ware verandering, die in onze gedachten, genegenheden en gedrag wordt teweeg gebracht.

 

Het geloof geen belemmering

Maar sommigen zeggen misschien: "Het geloof is nodig tot zaligheid. Nu, ik kan geen geloof in mijzelf vinden. Ik kan de daad van vertrouwen niet goed uitoefenen. Ik ben niet in staat en heb geen kracht om te geloven". Ik antwoord, als dat uw klacht is, dat u niet kunt geloven dat de Goddelijke genade zo vrij is, dan mag u daar direct op rusten. En als u niet overtuigd bent van de gewilligheid en bekwaamheid van Christus om de grootste van de zondaren zalig te maken, dan voel ik mij geroepen om u dit vanuit het Woord te bewijzen, met de bedoeling dat u hiervan overtuigd wordt.

 

Maar zegt een ander: "Ik twijfel hier niet aan, alleen kan ik er geen troost aan ontlenen, omdat ik het geloof niet heb en dat geloof ook niet in mijn ziel in beoefening en daad kan waarnemen". In dit geval is het duidelijk dat u zich een idee vormt van het geloof, als een soort van tegenwerping tegen de vrije genade van God; in plaats dat u die gelooft, werkt u deze in feite tegen. Als u werkelijk zou geloven wat ik u voorhoud, dan zou u uw gebrek aan iets in uzelf (noem het geloof of iets anders) niet als tegenwerping gebruiken. U zou dadelijk hoop en verlichting ontvangen uit hetgeen u over de genade van God in Christus gelooft. Dan zou u bevindelijk weten, wat het is om te hopen, te vertrouwen en lief te hebben. waarvoor u nu tevergeefs op een andere manier bezig bent.