De brieven

van

Samuel Rutherford

in leven professor en predikant aan de academie en kerk van St. Andrew’s in Schotland

In het Nederlands vertaald door

Jakobus Koelman

bedienaar van het Heilig Evangelie te Sluis in Vlaanderen

362 Brieven in drie delen

Deel 1, brieven 1-100

 

 

Inhoud

 

Aanspraak tot de vrome en recht geheiligde zielen *

Brieven, deel 1 *

1e brief. Aan Meester Robert Cunyncame, Dienaar van het Evangelie te Holywood in Ierland *

2e brief. Aan die van zijn Parochie of Gemeente *

3e brief. Aan de eerwaarde zeer beminde belijders van Christus en zijn waarheid in oprechtheid, in Ierland. *

4e brief. Aan de recht edele en uitverkoren Vrouwe, Mevrouw Markgravin van Kenmure *

5e brief. Aan de edele en christelijke Mevrouw, de Markgravin van Kenmure *

6e brief. Aan de rechtwaardige en Christelijke Vrouwe, Mevrouw de Markgravin van Kenmure *

7e brief. Aan de eerwaarde en recht edele Vrouwe, de Markgravin van Kenmure *

8e brief. Aan de edele en christelijke Vrouw, de Markgravin van Kenmure *

9e brief. Aan de recht waarde en christelijke vrouwe, de Markgravin van Kenmure *

10e brief. Aan de edele en christelijke vrouw, de Markgravin van Kenmure *

11e brief. Aan de eerwaarde en christelijke vrouw, Mevrouw Markgravin van Kenmure *

12e brief. Aan de eerwaarde en christelijke vrouw, Mevrouw Kenmure *

13e brief. Aan de recht waarde en christelijke vrouw, Mevrouw Kenmure *

14e brief. Aan de eerwaarden Johannes Gordon van Cardoness de oudste *

15e brief. Aan de rechtwaardige en christelijke vrouw, Mevrouw Boyd *

16e brief. Aan Mr. Alexander Henderson *

17e brief. Aan de eerwaarden heer, Mijnheer Lowdon *

18e brief. Aan Mr. Willem Dalglisch, Bedienaar des Evangelies *

19e brief. Aan Meester Hugo Mackaill, dienaar des evangelies *

20e brief. Aan Mevrouw Boyd *

21e brief. Aan Mr. David Dickson *

22e brief. Aan Mr. Mattheüs Mowat *

23e brief. Aan Willem Halliday *

24e brief. Aan een edele vrouw, na de dood van haar man *

25e brief. Aan Johannes Gordon van Cardoness de Jongste *

26e brief. Aan Johannes Gordon, van Cardoness de Oude *

27e brief. Aan Earlestoun de Jonge *

28e brief. Aan zijn eerwaarde en lieve broeder Alexander Gordon van Knokgray *

29e brief. Aan vrouwe Kilconquair *

30e brief. Aan de vrouw Forret *

31e brief. Aan mevrouw Kaskiberry *

32e brief. Aan Mr. Jacobus Bruce, bedienaar van het Evangelie *

33e brief. Aan de vrouw Earlestoun *

34e brief. Aan Carletoun *

35e brief. Aan Maria Macknaucht *

36e brief. Aan Johannes Gordon van Risco in Galloway *

37e brief. Aan vrouw Halhill *

38e brief. Aan de hoogwaardige heer mijnheer Lindsay *

39e brief. Aan mijnheer Boyd *

40e brief. Aan mevrouw Boyd *

41e brief. Aan mevrouw Culross *

42e brief. Aan de graat van Cassils *

43e brief. Aan de hooggeëerde Johannes Osburn, Burgemeester van Ayr *

44e brief. Aan Robert Gordon, Baljuw van Ayr *

45e brief. Aan Johannes Kennedy, Baljuw van Ayr *

46e brief. Aan Johannes Kennedy, Baljuw van Air *

47e brief. Aan Margriet Balantin *

48e brief. Aan Johanna Kennedy *

49e brief. Aan Margarita Royd *

50e brief. Aan Jacobus Bautie *

51e brief. Aan Johannes Stuart, Burgemeester van Ayr, nu in Ierland. *

52e brief. Aan Johannes Stuart, Burgemeester van Ayr *

53e brief. Aan de Heer Johannes Stuart, Burgemeester van Ayr *

54e brief. Aan vrouw Busbie *

55e brief. Aan Ninian Mure *

56e brief. Aan Mr. Thomas Garven *

57e brief. Aan Johanna Brown *

58e brief. Aan Johanna Mac-Millan *

59e brief. Aan de vrouw Busbie *

60e brief. Aan Willem Rigge *

61e brief. Aan zijn waarde en veelgeëerde vriend Fulk Eliassen *

62e brief. Aan Jacobus Lindsay *

63e brief. Aan de Graaf van Cassils *

64e brief. Aan vrouw Largirie *

65e brief. Aan de vrouw Dungueigh *

66e brief. Aan Johanna Mac-Culloch *

67e brief. Aan mijnheer Craighall *

68e brief. Aan Willem Rigge, van Atherny *

69e brief. Aan de vrouw Kilconquhair *

70e brief. Aan de vrouw Craighall *

71e brief. Aan Mr. Jacobus Hamilton *

72e brief. Aan Mr. Georgius Dumbar *

73e brief. Aan Mr. David Dickson *

74e brief. - *

75e brief. Aan de hoogwaarde heer, mijnheer Lowdon *

76e brief. Aan de heer van Gaitgirth *

77e brief. Aan de vrouw Gaitgirth *

78e brief. Aan zijn eerwaarde en zeer lieve broeder, Mr. Georgius Gillespy *

79e brief. Aan Mr. Mattheus Mowat *

80e brief. Aan Mr. Johannes Meine *

81e brief. Aan Johannes Fleming, Baljuw van Leyth *

82e brief. Aan Alexander Gardon, van Earlestoun *

83e brief. Aan Robbert Lennox, van Disdove *

84e brief. Aan Maria Mac-Knaught *

85e brief. Aan Thomas Corbet *

86e brief. Aan Alexander Gordon van Earlestoun *

87e brief. Aan Robert Gordon, van Knockbrex *

88e brief. Aan mijn welbeminde en eerwaarde broeder Mr. Robbert Blair *

89e brief. Aan Johannes Kennedy, Baljuw van Ayr *

90e brief. Aan Elizabeth Kennedey *

91e brief. Aan Johanna Kennedey *

92e brief. Aan zijn eerwaarde en lieve broeder Mr. David Dickson *

93e brief. Aan de eerwaarde Willem Rigge, van Athernie *

94e brief. Aan Johannes Ewart, Baljuw van Kirkcudbright *

95e brief. Aan Willem Fullerton, Burgemeester van Kirkudbright *

96e brief. Aan de eerwaarde en veelgeëerde Mr. Alexander Colvil, van Blayr *

97e brief. Aan Earlestoun de Jonge *

98e brief. Aan Robbert Glendining *

99e brief. Aan Willem Glendining *

100e brief. Aan Johanna Brown *

 

 

  1. Aanspraak tot de vrome en recht geheiligde zielen

in de gemeente van Sluis in Vlaanderen, die de zoetste gemeenschap met Jezus oprecht zoeken, en ernstig hun koers hemelwaarts gericht hebben.

Bevattende

  1. Een verhaal van het heilig en voorbeeldig leven en zalig sterven van de uitnemende man Gods, Samuel Rutherford.
  2. Een vertoog van de uitstekende voortreffelijkheid en nuttigheid van zijn brieven.

Mijn geliefden en zeer gewensten!

Mijn blijdschap en kroon!

Ulieden bent ‘t voorname voorwerp van al mijn arbeid, ulieden te bevestigen en te versterken in uw goede weg, opdat u vaststaat in de Heere, en ulieden te besturen en te geleiden door het licht van het Woord tot de genieting van uw God en Zaligmaker, is mijn grote werk, waarin ik zal voortgaan, zolang het de opperste Herder gelieven zal, mij onder ulieden te gebruiken; en ‘t zal de vervulling van mijn wens zijn, zo ik in dit opzicht van mij over ulieden leven en sterven mag. Er is niets te kostelijk, dat ik voor ulieden niet zou hebben, en niets zo zwaar om te doen of te lijden, hetwelk ik niet tot uw opbouwing, graag door Gods genade begeer te ondergaan; hoewel ik weet, dat mijn kracht en bekwaamheid klein is, zo is toch dat alles voor ulieden ten beste, en wat mij de Heere verder uit Zijn volheid zal meedelen. Ik zou ook gaarne voor ‘t algemeen, voor de kerk van Nederland nuttig zijn. Doch niet zo, dat het tot uw nadeel zou zijn. En zo heb ik hier deze brieven van Rutherford voor ‘t algemene goed van de vromen in ons land vertaald, maar mijn oog heb ik bijzonder op ulieden gehad; waarom ik ook geraden gevonden heb, ulieden afzonderlijk aan te spreken, en te vertonen de uitstekende nuttigheid en zoetheid van deze brieven; nadat ik ulieden een historisch verhaal zal gedaan hebben van ‘t leven en sterven van de schrijver; dat degenen, die hem van nabij en in lengte van tijd gekend, en met hem omgegaan hebben, en in ‘t bijzonder, die de brieven in de moedertaal heeft laten drukken, hebben verklaard.

Deze man Gods, Samuel Rutherford, was een Schotsman van geboorte, een edelman van afkomst; hij is opgevoed in de scholen en colleges, en was al vroeg tot verwondering wegens zijn uitnemende begaafdheden, werd zelfs toen al aangezien als een persoon, van wie grote dingen mochten verwacht worden. Hebbende de loop van zijn studiën voleindigd, is hij nog zeer jong zijnde professor gemaakt in de Filosofie in ‘t college van Edinburgh (waarin hij was opgeleid) van daar is hij bevorderd tot de predikdienst in de gemeente van Anwoth, die hem geroepen heeft, en tot welke hij is gekomen, zonder enige verbintenis te geven aan de Bisschop van Galloway, en dat door middel van de Hoogedele Heer, Markgraaf van Kenmur, aan wiens zeer Godzalige huisvrouw hij zoveel brieven geschreven heeft; in deze gemeente arbeidde hij dag en nacht, met groot succes, alzo ‘t geheel land daaromtrent hem was, en zichzelf rekende, als zijn bijzondere kudde. Daar was het, dat hij dat grote meesterstuk van geleerdheid schreef tegen de Arminianen (dat toch maar was een kort begrip van wat hij toen beoogde) genaamd Exercitationes Apologeticae pro divina gratia, contra Jacobum Armium, eiusque sectatores, et Jesuitas; dat hij aan de voornoemden markgraaf de heer Johannes Gordon heeft toegeëigend, en is het eerst gedrukt in ‘t jaar 1036 te Amsterdam, daarna herdrukt te Franeker. Door dit geleerde en fijne schrift is zijn naam en geleerdheid in Nederland alleszins bekend geworden, gelijk ook door een ander uitnemend geleerd boek, in ‘t Latijn tegen de Jezuïeten, Arminianen, en Socinianen geschreven, en te Edinburgh gedrukt in ‘t jaar 1650, genaamd Disputatio Scholastica de Divina Providentia, welke twee boeken mij op de Utrechtse Academie zijnde, zonderling behaagden, en gretig door mij werden gelezen; waardoor dan mijn verlangen van zijn onderwijzing in de Academie daar te genieten, niet weinig ontstoken werd; want daar was hoop van hem te krijgen: nademaal toen de Achtbare Magistraat van Utrecht, in ‘t jaar 1651 (als de Hooggeleerde en voortreffelijke man Carolus Dematius, wiens naam in zegening zij, aan de Academie en kerk van Utrecht door de dood ontnomen was) deze Rutherford had beroepen tot Professor in de Theologie, als hebbende verstaan zijn ongewone geleerdheid, Godzaligheid, en ijver voor het Huis des Heeren; en had zijn broeder, die onder onze Staten diende, en daarna nog te Utrecht in de Heere ontslapen is, naar hem met de beroepsbrief toegezonden, om te beproeven, of zij hem uit zijn Vaderland naar Nederland konden doen overkomen, om door zijn persoon en leer, Gods Huis te bouwen, en de Academie en de Theologische stoel te versieren, maar ‘t gebeurde, dat hij in ‘t heen reizen door de Engelsen op zee genomen werd, en onder anderen ook van die beroepsbrief beroofd werd. En zijnde evenwel voortgereisd naar Schotland tot zijn broeder heeft hij hem wel de wil en begeerte van hun Achtbaarheden verklaard, maar omdat hij de authentieke brief van ‘t beroep verloren had, heeft hij maar de hoop van hem te krijgen meegebracht: zo is hij dan wederom daarheen van de Ed. Magistraat gezonden, met een nieuwe brief van ‘t beroep voorzien, maar omdat ondertussen Olivier Cromwel de Koning, in datzelfde jaar in Schotland gekroond zijnde, uit het land had verdreven, zijn leger verslagen hebbende, zo weigerde hij zijn Vaderland te verlaten, zeggende, hij kon dat volgens zijn geweten niet doen, terwijl de Kerk in groot gevaar en benauwdheid was. Zo geliefde het de Heere God niet, dat deze deftige Theologant tot ons zou overkomen, die nevens de twee grote Engelse Theologanten, die op het fijnste en krachtigste de Arminianen hebben onder gebracht, Guilielmus Amesius, en Guilielmus Twissus waardig is genoemd te worden de hamer van de Arminianen, gelijk dat ook bijzonder blijkt uit een derde boek tegen hen, dat lang na zijn dood is uitgekomen, namelijk in ‘t jaar l668 te Utrecht, genaamd Examen Arminianismi, waarvan de zeer geleerde Professor Matthias Nethenus, die de druk ervan met veel moeite bezorgd heeft, dit heerlijk getuigenis geeft in de voorrede tot de lezer: "Uit al de boeken, die onze Theologanten in ‘t Latijn tegen de Remonstranten geschreven hebben, ken ik niet een, die zo ten volle geleerd, krachtig, in goede methode, en tegelijk zoveel doenlijk was, kort en derhalve zo gepast op de nuttigheid van de aankomelingen en van die meer geleerdheid hebben; de ganse leer van de Remonstranten heeft onderzocht, en de rechtzinnige leer van onze Kerken daartegen heeft beschermd, als wel dit tegenwoordige boek van Rutherford, dat ik daarom als van de beste slag durf aanprijzen." Maar om weer tot zijn leven te komen. Als hij dat eerste boek had geschreven en uitgegeven, zo heeft niet alleen de Bisschop van de Provincie van Galloway, zonder wiens goedkeuring hij de bediening des Woords in de Kerk van Anwoth had aangenomen, hem beschuldigd, maar ook de andere Bischoppen, en dat wegens die Apologetische Oefeningen (zo gezond waren die mannen in ‘t geloof) en zij hebben hem in hun hof voor recht geroepen, wegens enige woorden, die hij in de predikatie gezegd had van de zonde van het koninkrijk. Maar hoewel hij voor hun hoge commissiehof verscheen, zo declineerde hij toch hun rechterlijk oordeel, als niet kunnende haar erkennen als rechters door Christus aangesteld; waarop dan de bisschoppen hem in ‘t jaar 1636 van zijn predikdienst hebben afgezet, en hebben hem ver van Anwoth naar Aberdeen heen weggezonden en hem daar gevangen gehouden, vanwaar hij deze brieven en meer andere aan zijn vrienden geschreven heeft. Daar is hij gevangen gebleven tot het jaar 1638, wanneer er een heerlijke en gelukkige omkering van de zaken in Schotland kwam, toen is hij tot zijn kerk wedergekeerd, waarover hij in de gevangenis nacht en dag was bekommerd geweest. Doch evenwel heeft hij die kerk niet lang kunnen bijzijn en ten dienste staan: want in ‘t volgende jaar 1639, (vijftien jaar, nadat hij de Academische studiën en oefeningen had vaarwel gezegd) is hij door de algemene kerkelijke vergadering, uit die Kerk tot Professor van de Theologie aan de Academie, en tot Predikant in de kerk te St. Andrews geroepen; welke stad zijnde de stoel van de Aartsbisschop, de rechte kweekplaats was van alle bijgeloof’ in de Godsdienst, en dwaling in de leer, en de verzamelplaats van alle onheiligheid in de wandel onder de studenten, waar God de onvermoeiden arbeid van Zijn dienaar zo zonderling heeft gezegend, en in ‘t leren in de scholen en in de gemeente, dat die stad werd als een Libanon, waaruit cederen genomen werden, om des Heeren Huis, door ‘t ganse land te bouwen, welke nog niet weinige op deze dag zijn, die genade verkregen hebben van de Heere, om Zijn getrouwe getuigen te zijn, tegen Schotlands tegenwoordige, schandelijke en onvergelijkelijke afval.

Toen is hij door de algemene vergadering, met andere waarde leraars Alexander Herderson, Georgius Gillepy, Robertus Bailie enz., in ‘t jaar 1643, afgezonden naar de vermaarde Synode van Londen, waar hij uitnemende goede plichten heeft aangewend ten goede van de kerk van Engeland en Schotland, hebbende gedurende de tijd van zijn woning daar verscheidene nuttige schriften uitgegeven; tien redelijk grote boeken, zo van twistgesprekken als van oefening, behalve twee uitnemende predikatiën voor ‘t parlement van Engeland heeft hij in ‘t Engels beschreven en uitgegeven; welke alle bewijs geven van zijn uitnemende geleerdheid en bijzondere Godzaligheid en heiligheid, zelfs daar hij de donkerste stof verhandelt, die naar ‘t schijnt allerverst af waren van de oefening, daar merkt men, dat hij een geur van heiligheid geeft. Het was een man van onvergelijkelijke arbeidzaamheid en heilige ijver, als hij omtrent zijns Meesters werk bezig was; zodat hij gestadig scheen te bidden, gestadig te spreken, gestadig te catechiseren, steeds zieken te bezoeken, van huis tot huis op te wekken, zoveel te onderwijzen in de scholen, en zoveel tijd te verslijten met de jongelingen, alsof hij van de gehele wereld daarbuiten afgezonderd was, en tegelijk zoveel te schrijven, alsof hij gestadig in zijn studeerkamer was opgesloten geweest (waarvan genoegzaam bewijs kunnen geven niet alleen de menigerlei boeken die hij in ‘t licht gegeven heeft, maar ook de grote menigte van papieren met zijn hand beschreven, zo van de twistpunten als van de oefeningen, die hij nagelaten heeft en tot publiek gebruik en voordeel verordend had, maar die nu met hem begraven zullen zijn, en ‘t licht niet zullen zien, omdat ze zijnde gelijk de schilderij van Apelles, die door zijn eigen penseel moest volmaakt, of geheel ter zijde gelegd worden, hij zijn pen met zich genomen heeft, weinigen nalatend in dit geslacht, die zouden durven ondernemen zijn gedachten op te volgen en te volmaken, of zo iemand het mocht beproeven, het zou in het einde wezen, gelijk de dichter zegt: Humano capiti cervicem jungere equinam (een paardenhals bij een mensenhoofd), zodat die ene Mr. Rutherford vele bekwame godzalige mannen ineen scheen te zijn, of een, die met de genade en bekwaamheden van velen voorzien was.

Zijn manier van leven, in alle godzaligheid en heilige wandel, maakte hem lief aan alle lief hebbers van de heiligheid. Hij was een rechte Johannes de Doper, totus vox, geheel een roepende stem, een stem in zijn kleding, gebaren en omgang, in zijn leven en in zijn dood; hij had die barmhartigheid van de Heere verkregen, dat hij zelfs, als hij niets zei, tot allen predikte, die zijn wandel zagen (waarvan men merkte dat die in de hemel was, terwijl hij onder de mensen verkeerde) dat er niets goed was, als nabij God te zijn.

Zijne nederigheid en zelfverloochening was ongemeen; vele dingen maakten hem aangenaam aan Gods kinderen, maar bijzonder maakte het hem lief aan hen, dat hij zijn grote genade als een Christen en de uitnemendheid van zijn bekwaamheden als een gestudeerde, overdekte met het voorhang van nederigheid, die het voornaamste sieraad van een begenadigden geest is, dat ook maakte dat het één en ander met meerder luister uitscheen, en naast hun natuurlijke en inwendige schoonheid een bijkomende glans en afschijnsel gaf aan die menigte gaven en genaden, die tegelijk in hem te vinden waren. Het was openbaar aan allen, die maar een weinig kennis aan hem hadden, dat zijn zedigheid en nederigheid zodanig was, dat hij in al zijn uitnemendste verschijningen voor God, uit het oog poogde te zijn, opdat hij door op te staan schuldig mocht worden, in zich aan te nemen enig deel van die eer, die Hem alleen toekomt, uit Welke alle dingen zijn, en tot Welke alle dingen zijn. Ook verloor hij hierdoor niets, want aldus werd hij groot in het koninkrijk Gods, zijn neerwaarts groeien in die hoge en Evangelie versierende genade en nederigheid, deed hem opwaarts groeien in gunst bij God en alle goed, en zo door zichzelf te verloochenen, en God alleen te zoeken, heeft hij tegelijk gevonden wat hij zocht, en verkregen wat hij niet willig was te nemen, noch zich wilde eigenen als hem toebehorend. Zijne nederigheid was de rechte reden, die hem onverbiddelijk maakte, als zijn vrienden hem gestadig drongen en baden, hij wilde tot algemene stichting deze brieven uitgeven. Doch hij wilde daar niet naar luisteren, maar deed geweld aan de begeerten van velen, dit te weigeren; hoewel het bekend was, dat hij de bevrediging en het voordeel van de ware vromen meer dan zichzelf zocht. De reden was niet omdat hij dezelve onwaardig achtte als een geleerd man, niet gestoffeerd zijnde met een grote menigte dorre schetsen, maar de ware oorzaak, waarom hij die trachtte te onderdrukken en voor de wereld te verbergen was, opdat niemand van hem zou denken, boven ‘t geen betamelijk was, wegens de menigte openbaringen en zielsverkwikkende ontdekkingen, die hij had.

Alleszins was hij een onvergelijkelijk man. Niet één vroom leraar was er in Schotland, die zijn arbeidzaamheid, zijn teerhartigheid, zijn ijver, zijn schijnende en Evangelieversierende wandel kennende, zich verongelijkt zou gerekend hebben, zo hij zich de voortocht gaf, wiens waken en wenen, en onvermoeide arbeid om de waarheid voort te zetten, en de zielen van de mensen nuttig te zijn, hem zonder weerga of zijns gelijk maakte, en zelfs diepe overtuigingen lieten op hen, dat ze te kort kwamen, die met een wel gegrond vertrouwen verwachtten de goedkeuring van: Welgedaan goede en getrouwe dienstknechten, ten dag van hun verschijning, en die sterven in dit geloof, dat als de grote Herder zal verschijnen, zij een onverwelkelijke kroon van heerlijkheid zullen ontvangen.

Hij was een man van kostelijke ondervindingen, bijzonder in tijd van zijn lijden, wat hij geduldig en kloekmoedig uitstond voor de zaak van Christus. Hij was een edel getuige, die voor de Heere opstond in een tijd van groot verval, en de Heere toonde Zich wonderlijk nabij hem. De schutters hebben wel zeer op hem geschoten, maar zijn boog is in stevigheid gebleven; de armen van zijn handen zijn zo gesterkt geworden door de handen des Machtigen Jacobs, dat hij te zwaar was voor allen, die met hem in twistgesprek traden: en als zij meenden dat zij genoeg gedaan hadden, of om hem te dwingen tot een voeging, of om hem te doen bezwijken onder de vruchten van hun verbolgenheid, door hem af te zetten van zijn predikdienst, die hem dierbaarder was dan zijn leven, zo was hij door dit alles niet zozeer tot het lijden gesteld (om eigenlijk te spreken) als hij wel voor een tijd, een weinig afgeweerd was van ‘t geraas, en van de aftrekking die in de wereld is, om alleen met God te zijn. (O zalige eenzaamheid! O zoet gezelschap!) Hij was opgenomen uit het geroep en de verwarring die hier beneden is, naar de berg, waar hij tot een nauwe gemeenschap werd toegelaten en ondervond de zoetheid van die gemeenschap met God, welke hij anderen gepreekt had. Al werd hij van de aarde niet weggenomen, zo werd hij toch niet alleen bewaard van ‘t kwaad dat toen was en nu is in de wereld, maar hij genoot ook zo’n hemel onder zijn zware verdrukkingen, dat al was de bezigheid omtrent zijns Meesters werk bij hem geacht geweest, ver boven zijn eigen vertroostingen, hij zou in gevaar zijn geweest van de ellenden van Zion te vergeten en te zeggen, ‘t is goed voor mij, hier te zijn. Maar hij was zo’n knecht, die het zijn spijs en drank maakte, zijns Meesters wil te doen; hij had Christus zo geleerd, dat hij wat Hem belangde verhief boven zijn hoogste vreugde, en daarom vinden wij hem dikwijls in deze brieven, feesthoudende op de vertroostingen Gods met de tranen in de ogen, terwijl hij aan Zion denkt, en zich te binnen brengt de wanhopige staat van de kudde van Christus (in ‘t bijzonder van zijn eigen) voor welke hij niet bereid was.

Hij vond in zijn eenzaamheid zo’n mate van tegenwoordigheid, die nauwelijks kon verwacht worden buiten de presentiekamer, alwaar volheid is van vreugde en lieflijkheden eeuwiglijk; hij wist meer, in dit gelukkige vertrek, van de oefening van degenen die boven zijn (welke Gode tot Koningen gemaakt zijnde, kronen op hun hoofden hebben, en zijnde ook priesters gemaakt, dezelve aan de Gever opofferen) dan hij had kunnen leren, door alle boeken die in vele eeuwen geschreven zijn door te bladeren, in de grootste uitwendige kalmte en gerustheid. Hij vond zo’n zomervrucht, groeiend uit dat harde hout van Christus’ kruis, hetwelk hem opgelegd was, dat voor zijn smaak zo zoet was, dat ze hem deden versmaden de lekkernijen zijner tegenpartijders en een walg hebben van de zure onsmakelijke vermakelijkheden van de kinderen der mensen, die, hoewel zij in ‘t eerst enig lieflijk zoet in zich schijnen te hebben, nochtans ras de tanden van de eter verstompen, en bitter bevonden worden in de buik en van kwade vertering. Hij vergaderde door zijn lijden voor Christus de vreedzame vruchten der gerechtigheid in zo’n overvloed, dat hij enige korven van die zoete vruchten uitzond onder zijn vrienden, om een goed gerucht te brengen over zijn milddadigen Heere en Meester, die dengenen die Hem volgen, als zij gedrukt zijn met gebrek aan andere vertroostingen, een volle maat vergunt, ja een goede neergedrukte, geschudde en overlopende maat; alsmede om een goede naam te brengen over Christus’ kruis, teneinde het blijkt, dat deze last zo ver is van het leven van een lijdende heilige bitter te maken, dat tegendeel, gelijk het lijden van Christus in hem overvloedig is, alzo mede zijn vertroosting door Jezus Christus overvloedig is.

In zijn banden ondervond hij veel van de heerlijke vrijheid van de kinderen Gods. Hoe menigmaal vinden wij, dat hij zijn afzondering en gevangenis stelde boven al de ondermaanse tevredenheid van zijn vervolgers? Hier weidde hij op deze zuiver en onvermengde vermakelijkheden, die zo’n vrolijkheid in ‘t hart stellen, dat ze al de verborgen droefheid, die er in is, uitdrijft, en de ziel zingen doet, terwijl zij met alle uiterlijke zwarigheden omringd is; terwijl dezulken ondertussen zich met as voeden, en hun buik met de oostenwind vullen, die op de tranen van Gods volk leren, en niet anders schijnen te hebben, om hun rust af te breken, dan hoe zij de kinderen des vredes zullen verontrusten. In dit huis van zijn dienstbaarheid, en onder dit arrest, afgesloten en beroofd van alle schepselen hun troost, was het, dat hij bevond de overklimmende zoetheid van de vertroostingen Gods, die nooit beter smaken, dan wanneer ze allervrijst zijn van de modder, en vermenging van andere genietingen; daar was het dat hij de waarheid bevond van het gezegde van Augustinus: Tanta est dulcedo coelestis gaudii, ut si una guttula difflueret in infernum, totarn amaritudinem inferni absorberet. Indien een druppel van hemelse vreugde in de hel viel, zij zou verzwelgen of verzoeten al die bitterheid van die plaats der pijniging. De liefde Gods, en de blijdschap des Heiligen Geestes, was zo overvloedig in zijn hart uitgestort, terwijl hij in de oven was, dat zijn kruis daardoor niet alleen licht gemaakt werd, en zijn leven plezierig, maar menigmaal vindt men ook dat hij zegt (omdat hij door deze voorsmaak besefte, wat een onbegrijpelijke vertroosting er moet zijn in het onvermijdelijke gezicht en de volle genieting Gods) dat indien er geen andere weg was, om tot de bezitting van die zaligheid te komen, hij zou niet alleen willen kiezen, door een zee van uitwendige zwarigheden te zwemmen, maar ook willen gaan door een poel van vuur en sulfer, om van God zelfs bezeten te worden; en er is niemand, die de begenadigde matigheid van deze heilige man kende, die oordelen zou, dat hij complimenteerde met zo te spreken, ja er is niemand, die bevonden heeft, wat een verkoelende en verkwikkende lommer en overvloedige vertroosting de ziel vindt, in ‘t gezelschap van de Zoon des mensen, terwijl hij met Hem wandelt in het midden van de vlammen van de meest-brandende vurige beproevingen, of hij zou het vreemd vinden, indien hij anders sprak.

De uitnemende alleenspraken met God, die Hem gewoon waren in de tijd van zijn afzondering, hadden zo’n aangenaamheid in Hem gedrukt, dat zijn pen en preken daarna altijd een geur en verf er van hadden; want terwijl anderen maar schetsen preekten, en sommigen spraken, omdat zij geloofden, zo merkte men van hem menigmaal, dat hij niet zozeer als gelovende sprak, maar als ziende. Dat hij zolang met God op de berg was geweest, deed zijn aangezicht steeds daarna blinken in zijn publieke verschijningen; en er was een bijzondere zoetheid in zijn spreekwijze (inzonderheid in de liefde van Christus uit te roepen en aan te prijzen, in de vreugde van de Heilige Geest, of de heerlijkheid van het toekomende leven te verhalen) boven dat er zelfs bij andere heilige mannen gevonden werd. En het was niet, dat hij dit leerde onder de dorre Scholastieken, noch aan de voeten van Aristoteles (hoewel er weinigen waren in die eeuw, die zo’n goede kennis van beiden hadden). Neen, neen, vlees en bloed konden hem dat niet openbaren, hij studeerde boven de wolken, en daar was het, dat hij deze metafysica leerde.

Zijn kloekmoedigheid en dapperheid was ongemeen; nooit heeft iemand die op hem lette, gemerkt, dat hij bevreesd was voor ‘t aangezicht van een mens, als hij verscheen voor het voordeel van Christus; hij wist niet wat het was stil te zwijgen, als bij het in gevaar zag; ja hij was zo’n zoon van Levi, dat hij noch vriend noch broeder kende in de zaak Gods; welke gezegende gestalte hem vergezelde tot zijn graf toe: want hoewel zijn Meester zo teer omtrent hem, zo’n getrouw dienstknecht, was, dat hij in vrede zou sterven, zo weigerde Hij hem toch de eer niet van een martelaar, stervend onder een vonnis van gevangen te zijn in zijn eigen huis; de Heere rukte hem uit de kaken van een bloedige dood, waarmee hij bedreigd was, en die voor hem beoogd was, door degenen, wier verbolgenheid bijna tot die hoogte gekomen was, dat ze in de grond zeiden: brengt hem hier op het bed, opdat wij hem doden mogen, want niet vergenoegd met het getuigenis van de doktoren, noch van de overheden noch van de leraren van die plaats, verzekerend dat hij niet bekwaam was, om naar Edinburgh te reizen (hetwelk door ‘t gevolg droevig bevestigd werd) zo werd hij in zijn eigen huis vastgezet, als hij niet machtig was om buiten te gaan, en hij werd te schande gemaakt in die plaats, waar hij met recht de naam verdiende van een van de geleerdste, voorspoedigste, en arbeidzaamste godgeleerden, die ooit die stoel vervuld hebben, en van een van de getrouwste en vlijtigste predikanten, die ooit over een volk waakte of daaronder werkte.

De verborgenheid des Heeren was ook met deze held Gods; de Heere openbaarde hem vele dingen, die Hij stond te doen omtrent zijn Kerk, ja ook omtrent bijzondere personen; als hij daar te Aberdeen opgesloten was, zo toonde en verzekerde hem de Heere, dat Hij een groot werk in Schotland zou gaan doen, Zijn Kerk zuiveren, de snode regering van de bisschoppen wegnemen, en Zelf als Koning in ‘t midden van hen heersen. Gelijk hij dat in deze brieven menigmaal vrijmoedig geschreven heeft, en gelijk hij het voorzag en voorzegde, zo is het ook gebeurd; zelfs terwijl hij nog in zijn gevangenis was, zo brak het licht door, en de Heere Jezus kwam als een machtige Held, om Zijn volk te verlossen, toen begon die heerlijke verandering en hervorming, welke geduurd heeft, totdat de bisschoppen met de tegenwoordige koning van Engeland en Schotland zijn teruggekomen, en een grote verwoesting hebben aangericht, die met geen bloedige tranen genoeg kan beklaagd worden. (Och dat Nederland eens die heerlijkheid Gods in het midden van haar zag! dat eens de Geest Gods zo daarop werd uitgestort, en ‘t werk van de hervorming in de kerk, politie, militie, huisgezinnen, scholen en academiën met kracht inkwam!) degenen die de uitkomsten van de zaken weten te vergelijken met hetgeen deze lijdende dienstknecht voorzag omtrent het werk in ‘t algemeen, en in opzicht van enige bijzondere personen, die kunnen oordelen van zijn bijzondere inlatingen in de geheimen Gods. Ook voorzag hij met veel droefheid van de ziel de schandelijke afval van Schotland, die even na zijn dood gebeurd is, gelijk de Heere hem ook heeft laten zien een verlossing van Zijn Kerk daar, welke nog door de vromen in Schotland verwacht, en met groot verlangen tegemoet gezien wordt; dit zal ik tonen met zijn eigen woorden, in een brief, die hij niet vele weken voor zijn dood, te St. Andrews in het jaar 1661, geschreven heeft aan Mr. Robert Campbel. Mij aangaande, zegt hij, ik ben nabij de eeuwigheid, en om tienduizend werelden zou ik niet durven avonturen, om af te gaan van de protestatie tegen de verdorvenheden van de tijd, noch mij voegen bij de schandelijke afval van vele zwijgende en stomme wachters van Schotland; maar ik reken het mijn laatste plicht, een protestatie te gaan doen in de hemel voor de rechtvaardigen Rechter tegen de practicale en wettische Verbondsbreuk, en tegen al de eden op de gewetens van des Heeren volk gelegd, en tegen al de paapse, bijgelovige en afgodische geboden van de mensen; weet, dat nu de omverwerping van de gezworen hervorming, de invoering van papisterij, en van de verborgenheid van de ongerechtigheid, op weg is in de drie koninkrijken, en al wie zijn klederen rein wil houden, is onder dit bevel: raak niet, en smaak, en tast niet aan. De Heere roept u, o lieve broeder, om voorts standvastig te zijn, onbeweeglijk, en altijd overvloedig in ‘t werk des Heeren. Onze koninklijke en vorstelijke Meester is op zijn reis, en zal komen, en niet vertragen, en welgelukzalig is de dienstknecht, die Hij, als Hij komt, wakende zal vinden; vrees geen mensen, want de Heere is uw licht en zaligheid. Het is waar, ‘t is wat droevig en troosteloos, dat u alleen bent, maar zo was het ook met onze dierbare Meester; en u bent ook niet alleen, maar de Vader is met u. Het kan wezen, dat ik geen ooggetuige hiervan zal zijn in het vlees, maar ik geloof, Hij zal haastelijk komen, die onze duisternis zal weg doen, en heerlijk zal schijnen in het eiland van Brittanië, als een gekroond Koning, hetzij in een formeel bezworen Verbond, hetzij op Zijn Eigen heerlijke wijze, hetwelk ik laat aan de bepaling van Zijn oneindige wijsheid en goedheid, en dit is de hoop en ‘t vertrouwen van een stervenden man, die tot bezwijkens toe verlangt naar de zaligheid Gods. Op de laatste februari van ‘t jaar 1661, hetwelk omtrent een maand was, voordat hij stierf, in het einde van een breed getuigenis, dat hij gaf aan ‘t werk van de hervorming in Schotland, sprak hij deze woorden, nadat hij van het lijden voor Christus gesproken had: Zalige ziel, zeide hij, die haar leven niet liefheeft tot de dood; want op dezulke rust de Geest der heerlijkheid en de Geest Gods, 1 Petr. 4:14, maar wij kunnen niets anders zeggen of dit is een dag van duisternis, en geen dag van lastering en schelden; de Heere heeft zich bedekt met een wolk in zijn toorn; wij zagen uit naar vrede, maar zien het kwade: Onze zielen verheugden zich, als zijn majesteit ‘t Verbond Gods bezwoer, en zijn zegel en handtekening daarbij deed, en het daarna bevestigde door zijn koninklijke belofte zodat de gemoederen van de onderdanen de Heere loofden, en op het genezende woord van een Prins rustte. Maar nu, helaas! het tegendeel is door een wet vastgesteld, het graveersel is afgebroken, de instellingen zijn mismaakt, zodat wij gebracht zijn tot de vorige dienstbaarheid, en tot de ongereformeerde klomp van bisschoppelijke verwarringen, en ongeregeldheid; en het koninklijke voorrecht, dat Christus toebehoort, is van Zijn hoofd afgenomen; wij hebben dagen van droefheid gezien, en hebben rechtvaardige oorzaak te vrezen, dat men ons dat zal doen lezen en doen eten, waarin geschreven zijn klaagliederen, zuchting en wee; maar wij geloven, dat Christus zo niet van dit land weggaan, maar een overblijfsel zal behouden, en Hij zal heersen als een overwinnend Koning van de einden der aarde. O! dat er volken, geslachten, tongen waren, en al het volk, dat op Christus’ bewoonbare wereld is, die Zijn troon met geroep en tranen mochten omringen, om de geest der smeking, die beloofd is, die over de inwoners van Juda te dien einde zal uitgestort worden. Omtrent twee en een half uur voor zijn dood was onder andere dingen, die hij sprak; die zeer naar de hemel smaakten, en de zielen dergenen verkwikten, die ze hoorden, ook deze uitdrukking: Ik twijfel er geenszins aan, of Christus zal opstaan, en verslaan de lendenen Zijner vijanden. Dit was in diezelfde nacht, welke volgde op die duistere en nare dag, waar in des Parlements Rescissoire Acte, dat is, van verbreking van al de banden van het Verbond gemaakt was, alsof God het Zijn stervende dienstknecht wilde bekend maken, opdat hij het aan anderen mocht mededelen, dat Hij die Acte wilde vernietigen, en de verbrekers van de heilige banden verbreken; een wond in de lendenen, als de slag gegeven wordt van Hem, die is God Almachtig, moet dodelijk zijn, indien Hij hen daar verwond, moeten zij vallen, al waren zij sterker dan leeuwen; want wie kan voor Hem bestaan, als Hij eens toornig is? En ‘t is vreselijk te vallen in de handen van de levende God.

Vele dagen achter elkaar voor zijn dood was hij met zoveel blijdschap des Heiligen Geestes vervuld, als hij kon houden; en als hij nergens over te klagen had, zoo was evenwel dit zijn klacht in zijn weggaan (hoewel met een zoete onderwerping aan zijn Meesters wil) dat hij in dat bed van eer niet stierf, en dat hij niet was voortgebracht, om zijn leven en laatsten adem uit te blazen op een schavot, nademaal zijn Meester zulke gunstbewijzen uitdeelde onder die Hem volgen (want aan sommigen ((en geloofd zij Hij eeuwiglijk, die hen met eer daardoor gevoerd heeft)) is het gegeven, niet alleen te geloven, maar ook te lijden, en dat tot overtuiging van hun vijanden, als mensen, die eerder schenen te triomferen over die koning der verschrikkingen, als verzet te zijn door zijn vreselijk aanschouwen) en nademaal Hij zulke bewijzen nam van de getrouwheid en genegenheid van sommige van Zijn navolgers. Zijn eigen woorden op deze gelegenheid, die uit zijn mond zijn opgetekend, als hij nu op de dorpel van de heerlijkheid stond, gereed om de onsterfelijke kroon te ontvangen, waren deze (en hij heeft deze woorden meermaat herhaald) mijn tabernakel is zwak en ik zou het een heerlijker wijze achten van uit de wereld te gaan, mijn leven af te leggen voor de zaak, bij het kruis van Edinburgh, of van St. Andrews, maar ik onderwerp mij aan mijn Meesters wil.

Maar om nog nader te verstaan, hoe liefelijk hij was in zijn dood, en hoe die dood met zijn vorige leven recht overeenstemde, waarin hij zo menigmaal geproefd had de gevoelige inlatingen van de Geest, zo zal ik alleen enige van zijn laatste stervende uitdrukkingen ophalen, uit zijn mond opgetekend, door degenen, die toen bij hem in zijn sterven tegenwoordig waren, hij zeide dan; Ik zal schijnen, ik zal Hem zien gelijk Hij is, en al ‘t schone gezelschap met Hem, en ik zal mijn brede deel hebben. Het is geen lichte zaak een christen te zijn maar wat mij belangt, ik heb de overwinning gekregen, en Christus steekt zijn armen uit, om mij te omhelzen. Ik heb mijn vrezen en bezwijkingen gehad, gelijk een ander zondig mens, om met een goede naam daardoor te geraken; maar zo zeker als Hij ooit tot mij sprak in Zijn Woord, zo heeft Zijn Geest ook aan mijn hart getuigd, zeggende: vrees niet. Hij had mijn lijden aangenomen, en de uitkomst zou geen stof tot bidden, maar tot loven zijn. Ook zeide hij: Uw Woord was gevonden, en ik at het, en ‘t was mij de blijdschap en verheuging van mijn hart. En een weinig voor zijn dood, na een flauwte zei hij, nu gevoel ik, ik geloof, ik geniet, verheug mij. En kerende zich tot Mr. Blair, toen tegenwoordig, zeide hij, ik weid op manna, ik heb engelenspijs, mijn ogen zullen mijn Verlosser zien, ik weet dat hij ten laatsten dage op de aarde zal staan; en ik zal opgenomen worden in de wolken, om Hem te ontmoeten in de lucht. En daarna had hij deze woorden: Ik ontslaap in Christus, en als ik ontwaak, zal ik verzadigd worden met Zijn beeld. O, had ik armen, om Hem te omhelzen! En tot een, die van zijn arbeidzaamheid in den predikdienst sprak, riep hij uit: Ik laat dat alles varen, de haven daar ik in wil zijn, is verlossing en vergeving der zonden door Zijn bloed. En zo vol van den Geest, ja als het ware overwonnen met gevoelige genieting, blies hij zijn ziel uit; zijn allerlaatste woorden waren: Heerlijkheid, heerlijkheid woont in Immanuels Land!

Hij stierf den 29e maart van het jaar 1661, en het verlies van zulk een meester in Israël werd zeer beklaagd door allen die Zions welstand zochten en wensten in Schotland. Een van zijn discipelen, troostende de vromen, die over zijn dood onmatig bedroefd waren, zeide aldus, gelijk hij dat in de voorrede voor Rutherfords brieven heeft gesteld: Laat de tranen uw ogen niet verblinden, dat gij niet zoudt opmerken de goedheid Gods, die ons zulk een gegeven heeft. Het was een woord van een uitmuntend en welgeoefend christen (waardig gedacht te worden in dit tegenwoordig geval, en opgetekend te worden voor de nakomelingen) merkend dat velen droefgeestig waren om het wegnemen van een der meest brandende en schijnende lichten, waarop Brittanië te roemen heeft, (ik bedoel die grote uitlegger der Schrift Mr. Burham) zo zeide die waarde persoon: keert uw tranen en zuchtingen over dit verlies, hoewel ‘t bijna schijnt niet te vergoeden te zijn (een eeuw nauwelijks nog zo’n ander voortbrengende) in gezangen van lof, en geeft uw droefheid zo niet toe, omdat de Meester een gezant heeft thuis geroepen, die zo getrouw en voorspoedig voor Hem gehandeld heeft, dat gij ondertussen de Heere des oogstes zou vergeten te prijzen, Die zulk een arbeider in zijn wijngaard heeft uitgestort; laat de grootheid van uw droefheid u niet doen vergeten den rijkdom van Zijn goedertierenheid aan de kerk van Christus in Schotland, daarin dat er een Mr. Burham was, om daaruit te sterven. Zo zeg ik, als gij in deze brieven te lezen gedenkt, dat de waarde schrijver ervan tot zijn rust is gegaan, zo wordt toch niet schuldig aan zoveel ondankbaarheid, door uw overdadige droefheid, dat ge Gods zorg en vriendelijkheid omtrent de kerk van Schotland zoudt vergeten, die hun onder anderen een Mr. Rutherford gaf; een die niet alleen binnen en buiten ‘s lands vermaard was wegens zijn grote geleerdheid, maar zulk een dienaar van het Evangelie enz.

Zo ver ‘t leven en sterven, van die getrouwe dienstknecht van Jezus, Mr. Rutherford. Nu zal ik schrijven van het uitnemend voordeel en zoetigheid van de brieven.

Het is niet te zeggen, wat nuttigheid en kracht deze brieven gedaan hebben, in die tijd als hij die eerst geschreven heeft; de Heere heeft ze onder anderen gebruikt als een gezegend middel om de vrome harten te bereiden en te verwakkeren tot het grote werk, dat Hij op die tijd in Schotland ging werken; al wie smaak hadden in de dingen Gods, en geoefende zinnen hadden, om te onderscheiden de dingen die verschillen, als die deze brieven zagen en lazen, waren er mee ingenomen; en een menigte kopieën zijn er van afgeschreven; en zoo kan ik niet twijfelen; of zij zullen ten hoogste nuttig en aangenaam zijn door Gods meegaande zegen, aan diegenen, welke enige kennis hebben van de zoete ademingen van Gods Geest, die ooit door smaken gezien hebben, hoe goed de Heere is, of die ooit ondervonden hebben, wat zielsbenauwdheid daar volgt op het verbergen van Zijn aangezicht van een, die zijn voldoening zo volkomen geplaatst heeft in het licht van Zijn aangezicht, verheven over de ziel, dat hij zichzelf niet kan genieten, als hij Hem niet geniet, maar draagt zich als een die van alles beroofd is, ‘t welk het leven begeerlijker dan de dood maakt. Zulken zullen hier vrij wat te beschouwen hebben; zij zullen beiden deze staten voorbeeldig voor ogen zien gesteld in een uitmuntenden heilige; zij zullen hier vinden, wat een hemel de heiligen hebben, of hebben kunnen aan deze zijde van de heerlijkheid, en hoe zeer Gods gevoelige tegenwoordigheid al hun droefheid doet vergeten, gelijk een gevoelde afwezigheid al hun andere genieting bitter maakt.

Degenen die alleen vermaak en ingenomen zijn met nieuwe of hoogdravende gedachten, die geen natuurlijke samenknoping hebben, met het hart te ontsteken met de liefde Gods, maar die daar zijn het wild vuur van de eeuw, het meeste deel rook in plaats van licht, een duistere flikkering ontstaande uit het verduisterd verstand van de mensen, van welke licht, totdat zij van boven verlicht zijn, opgaat uit een donkere kerker, en ten verderve leidt tot de put des verderfs, in plaats van hem te besturen, die het volgt tot een plaats van rust, zulken zullen hier geen vermaak vinden, maar zullen er misschien mee spotten, zeggende gelijk die spotters: deze zijn vol zoete wijn; laat die elders gaan, wij zullen ze niet nodigen om dit te lezen; dit is een spijze die zij niet kennen; zij weiden zich liever met as en vullen hun buik met de oostenwind, die in plaats van voedsel niets voortbrengen dan veel pijn in het binnenste. Maar u, geheiligden des Heeren, zult dit werkje verwelkomen, als hetgeen dat spijs en medicijn voor uw ziel bevat; u zult hier veel boeken samengerold vinden in weinig woorden, een grote ziel in een klein lichaam opgesloten, veel pit van de praktikale godsdienst in iedere brief, ja in iedere regel bevat. Hier zult u iemand ontmoeten, die verwarmd is van de liefde Gods, die daar schijnt en weerschijn van hitte geeft op allen, die omtrent hem zijn, latend u uit zijn eigen ervaring weten, wat er in een gemeenschap met God te vinden is, nergens zozeer begerig naar, als dat u en anderen met hem deelgenoten mocht wezen van diezelfde liefde, die beter is dan het leven en van diezelfde gelukzaligheid die hem de ganse dag in God deed roemen, en zichzelf in zijn verdrukking zegenen. Ziehier te smaken van ‘t geen hem blijmoedig maakte onder het kruis, en hem in staat stelde om al zijn zwarigheden te verzetten. Als gijlieden een weinig met hem verkeert, zult u misschien uw hart brandende vinden binnen u, terwijl u met deze warme ziel spreekt, welks woorden vuur schijnen te werpen in de genegenheden, en ‘t hart in een vlam te zetten. De schrijver is in zijn andere geschriften ver boven vele mensen, maar in deze brieven, (hoe laag zij ook in ‘t eerste aanzien mogen schijnen) is hij boven zichzelf, zijnde dikwijls als iemand die verhoogd is boven het rijk der sterfelijkheid, en reeds opgenomen in de rang van de engelen, of als een engel onder de mensen neergekomen, tonend aan de inwoners van deze lage wereld iets, van wat steeds een grote verborgenheid zal zijn, terwijl wij hier zijn, namelijk wat een leven dat zij leiden, die God zien, gelijk Hij is, en Hem genieten.

Gijlieden zult hier betoond en uitgedrukt vinden, vooreerst, wat een hoge springvloed van blijdschap en vertroosting de ziel van deze lijdende dienstknecht vervulde en overstroomde, zodat ge menigmaal zult zien, dat hij zich uitdrukt als een die met een overlading van liefde gepijnigd is (o zeldzame en zalige ziekte!) ernstig verlangend naar een meer bevattende ziel, om meer te vatten van die oneindige oceaan, die noch oever noch grond heeft. Dit is de winst van een, die het verlies van alles om Christus kan verdragen. Dit is de koele verkwikkende schaduw, die hij in de oven vindt, welke niet alleen ‘t vuur van de verdrukking weerhoudt van hem te verzengen, of tot as te verteren, maar dat ook een wenselijker lot maakt, dan ‘t geen anderen ‘t beste leven achten; nademaal de ziel in ‘t midden van deze vlammen zo nabij God ingelaten zijnde, dat de blijdschap al de palen overvloeit, en ‘t hart met vermaak parfumeert, zover is van te klagen over de vurige beproeving, dat zelfs het kruis van Christus haar begeerlijker is dan een kroon. Daar is het dat de vromen, naast aan de hemel, meest van God genieten, en dit doet hen zoetelijk zingen, onder al hun uitwendige droefenissen die hun overkomen, terwijl anderen in hun paradijs van een dwaas, wat zij ook lachen, droefheid aan hun hart hebben, en zich met vele smarten doorstoken vinden.

Ten andere: u hebt hier soms een krachtige uitdrukking van een gevoelde ledigheid; want dit volle feest is geen, en kan niet zijn een gewone spijs: ‘t is het buitengewone banket voor Gods volk door geloof, en niet door aanschouwen, de gestadigheid van die vreugde zowel als haar volheid wordt voor de presentiekamer of binnenkamer bewaard; geen heilige, hoe uitmuntend hij ook is, zelfs in ‘t lijden voor Christus, kan verwachten dat al de tranen van zijn ogen zullen afgewist worden, voordat hij tot dat land komt waar al de inwoners eeuwige blijdschap op hun hoofd hebben, en alwaar zij buiten gevaar van zondigen zijn, zowel als buiten het rijk van lijden. Ik zeg, daar zult u soms zien een gevoelde ledigheid, die de ziel in een koorts van begeerten werpt; die rivier Gods, die vol water is, die de ziel overvloeide en verkwikte, loopt weer in de zee, van waar zij kwam; en in deze lage eb zult u zien, hoe de patiënt met het afwezen gepijnigd is, en wat een hijgen er is naar gevoelige tegenwoordigheid; de ziel wasemt zich als het ware uit, in zulke wensingen als deze: O wanneer zult ge tot mij komen! of, o wanneer zal ik komen, en voor U verschijnen, en eens voor al, en voor eeuwig gesteld zijn buiten de vrees, dat er enige wolk zal opkomen, om het licht van Uw aangezicht weg te nemen! De ziel wordt in dit afwezen gezengd met de koorts en vlam van brandende begeerten; doch dat er nog hoop is, dat houdt de ziel in ‘t leven, dat ze niet uitgaat; dat bewaart haar van verteerd te worden, en van te verzinken in moedeloosheid en bezwijmingen; en hoewel de uitgestelde hoop ‘t hart krank maakt, zo is er toch zelfs in deze pijn een zekere verlichting. Want een onfeilbare verwachting van een toekomend goed geeft een tegenwoordige verkwikking aan de verwachter, en doet hem zichzelf berispen, zeggende: wat zijt gij neerslachtig in mij, o mijn ziel? Deze ziekte was nog nooit tot de dood, maar altijd tot heerlijkheid Gods, daarom hoopt op Hem, want ik zal Hem nog loven.

Drieërlei staat van de vrome zielen zult gijlieden hier levendig beschreven vinden.

In de eerste plaats zult u hier horen en zien, hoe een hongerende en verlangende ziel vervuld en onthaald wordt met de vertroostingen Gods, en als zij in die gestalte is, hoe zij dan ten einde is, om van God te denken of te spreken. Zij weet dan niet, wat zij doen zal en hoe zij zichzelf voor Hem dan zal uitlaten; de vergenoeging, die zij in zich heeft, en de verbintenis, waaronder zij zich ziet liggen, doet haar op alles, wat ze voor Hem doet, van hem spreekt of denkt, zien met een zekere heilige onvergenoegdheid; zij behaagt zich niet in Hem te behagen, en al neemt Hij aan, hetgeen de liefde aanbiedt, zo wenst toch de liefde nog zoveel in ‘t geen gedaan wordt, dat ze alles met een schaamroodheid opdraagt. En in overeenstemming met deze liefelijke en ordelijke verwarring van de Geest, is de grootste welsprekendheid en kunst van welzeggen een soort van afgebroken en gesneden redenen. De ziel is zeer begerig te spreken, maar niet wetende wat te zeggen, ‘t geen niet onwaardig is voor Hem, zo valt ze in een stille verwondering, en nochtans moet zij iets zeggen, waarin zij wel zichzelf niet behaagt, nochtans een goede zin voor Hem maakt en een liefelijke melodie in zijn oren. Dan is ‘t dat Hij ingenomen schijnt te zijn met hetgeen waarin de ziel zoveel feilen en gebreken vindt, dat hij zegt: spreek voort, laat mij zien dat schaamrode aangezicht, laat mij uw stem horen, want uw stem is zoet en uw gedaante is liefelijk. Veel van deze soorten van redenen zult ge kunnen merken in deze brieven, waaraan de heilige schrijver zeer gewend was in zijn alleenspraken met God.

In de tweede plaats, u hebt hier de droeve staat van een ziel, beroofd van deze zoete genietingen. Hij die nu even was genomen in het huis van de maaltijden, en de banier van liefde tot zijn verhemelte had, vindt nu, dat die wijn met specerijen, die zijn ziel met vermaak dronk, uit zijn hand gerukt wordt, en hij hijgt om te hebben een druppel van de beek van zijn wellusten, waarin hij niet lang tevoren zichzelf baadde. Daar volgt dan een nacht van droefheid in de ziel, omdat de zon, die het verlichtte en verwarmde met haar stralen, is ondergegaan. Dan breekt de ziel uit, door vele doorgangen tegelijk, haastende naar Hem, Die Zich onttrokken heeft, zij loopt uit door de ogen in tranen, en door de mond in klachten, vanwege Zijn afwezigheid; doch ‘t geloof stelt deze bezwijkende ziel weer aan de kant van de rivier, en houdt haar daar tegen, dat zij niet weg loopt, totdat de zee wederom vloeit, en de begeerte doet hem uitzien met een waterig oog, als geen uitstel kunnende verdragen; de inwendige weergalm van het hart ondertussen zijn steeds deze: Hoelang zult Gij uw aangezicht verbergen van mij? Hoe lang? En terwijl hij in die gestalte is, zo zoudt u hem niet kennen, dat hij dezelfde is die hij een weinig tijd tevoren was, of die hij binnen kort hierna wezen kan en zal: en geen wonder; want hem is ontnomen en ontbrekende, ‘t geen de gezondheid van zijn aangezicht was, zodat hij bleek eruit ziet. Gelijk het wenend oog van de mensen, verblind met het water, de voorwerpen niet kan zien gelijk zij zijn, inzonderheid als zij wat ver zijn, zo bevindt gijlieden, dat deze heilige man in deze benauwde uren zijn jaloersheid uitte, en dat hij wegens de onttrekking zijn droefheid plaats geeft. Nu gelijk de blijdschap in God te genieten. blijkt uit het gezegde het grootste van alles te zijn (want onder deze volle openbaringen kan de ziel vervoerd worden tot zo’n verrukking van vermaak, dat de mens voor een tijd niet weet, of het in ‘t lichaam of buiten ‘t lichaam is), zo is de droefheid over de beroving van die, omdat de Gever het nodig ziet, deze openbaringen in te houden wetende dat voor een tijd bezwaard te zijn door menigerlei verzoekingen, bekwaam is voor degenen, die zonen van de vertroosting zijn, (en die binnen weinig dagen een eeuwig jubeljaar zullen hebben) de smartelijkste en scherpste boven alle droefheden. Dit is zieleangst, en het minst van alles te verdragen, omdat zij de geest zelf daaronder doet zinken, die indien zij gezond was, ‘s mensen zwakheden zou ondersteunen; terwijl het aldus met hem is, zo kan zijn bed hem niet vertroosten, noch zijn koets zijn klachten verminderen; en in deze koorts ontvallen hem sommige uitdrukkingen, die hij als lichtvaardig en onbedacht herroept, als de hoogste angst over is, zodat hij op rijper berading moet zeggen: dit was mijn zwakheid.

In de derde plaats, daar is een staat die middelslag is tussen deze twee, waarvan ook dikwijls in deze brieven gesproken wordt, en dat is zo’n gemeenschap met God, waarin de ziel een welgevallen heeft in Hem, zeer begerig is om Hem in alles te behagen, zonder die buitengewone verrukkingen van blijdschap, en tegelijk vrij van die diepe neerslachtigheid. Dit is meer de algemene weg van de heiligen, van wie de dagelijkse oefeningen zijn, te komen om hun besturingen van hun Meester te ontvangen, en te trachten, om volgens die te wandelen, als lieden die steeds onder hun Meesters oog zijn, en die aan Hem zullen moeten rekenschap geven; in welke dienst zij niet missen hun eigen zoete troost, want de weg waarin zij wandelen, is een weg van lieflijkheid, en al deze paden zijn vrede; hoewel het zo’n overvloeiende vrede niet is, die tot een onuitsprekelijke en heerlijke vreugde opkomt, want volle vreugde is niet anders dan vrede, zwellende tot buiten het gewone kanaal, en overlopende al deze oevers. En aan de andere zijde, zij missen hun eigen beschuldigingen en berispingen niet; menigmaal zijn zij voor God met de tranen in hun ogen, en weten wat het is, te zuchten vanwege een lichaam des doods binnen hen, vanwege die wet, die in hun leden is, strijdende tegen de wet huns gemoeds, en hen gevangenneemt tot de wet der zonde, die in hun leden is. Nochtans hebben deze veel minder droefheid dan sommigen, die God lief zijn, welke komen brullen vanwege de ongerustheid van hun harten, en uitroepen over de pijlen van de Almachtige, die in hen steken, en over ‘t vergif ervan, welk hun geest uitdrinkt; zodat zij, terwijl zij in dit lijden zijn, met de wijze Heman bijna doodbrakende en twijfelmoedig zijn.

Geliefden, als gijlieden deze dingen in deze brieven zult lezen, zo zult u lichtelijk beginnen te denken of te zeggen, helaas! wij worden spaarzaam behandeld. Wij zijn grote vreemdelingen bij zulke gunstgenootsmaaltijden; maar u zoudt daarbij denken, dat deze een gezant van God was, nu in banden, en derhalve dat zijn Meester mild aan hem toen ‘t goede vergund heeft, behalve dat zijn zielestrijden en angsten zo ongewoon waren, als zijn zielsverrukkingen; en zo heeft het de Heere zo wijs geschikt, in zijn handelen met ieder lidmaat van dat lichaam, waarvan hij ‘t Hoofd is, dat degenen, die het volste vreugdefeest hebben, en tot de innigste gemeenschap toegelaten worden, ook gewoonlijk de diepste neerslachtigheden hebben, opdat de hoogmoed van hun ogen verborgen is. Die warme uren, en hete zonneschijn van een gevoelige tegenwoordigheid worden menigmaal opgevolgd door een scherpe stortregen, en duistere nacht van bittere verlating. Zo gijlieden zijn staat dan goed inziet, u zult merken, dat hoewel hij veel had, hij nochtans niets over had, en zo u de genade van God bij uw staat aanmerkt, u zult vatten, dat al hebt u weinig, u nochtans niets ontbreekt; want Hij is overvloedig omtrent de Zijnen in alle wijsheid en voorzichtigheid.

Maar toch om u klaar te zeggen, waarom hij zoveel heeft bevonden, hetwelk ons bijna dromen schijnen, en ongelooflijke dingen; behalve dat Gods volstrekte onafhankelijkheid er is, die met het Zijne mag doen wat Hij wil, en uitdelen naar dat het Hem gelieft, in opzicht van maat en tijd, de reden daarvan is, dat hij vrij heerlijker getuigenis voor de Heere Jezus gedragen heeft dan wij: hij gaf aan God als een Koning zijn getuigenis (hoe wel hij de Heere diende van ‘t Zijne) tegen de verdorvenheid van zijn tijd; hij had zoveel getrouwheid in zijn bediening, zoveel vrijmoedigheid, zoveel deftigheid en evangeliebetamende kloekmoedigheid, zoveel heilige ijver, zelfs voor ‘t minste wat Christus’ koninkrijk betrof (waarop wij ongaarne ons lijden vestigen, of om de bewaring waarvan wij onwillig zijn ‘t verlies van ‘t minste te wagen) zodat bleek, dat hij Hem zo liefhad, dat hij zijn leven ter dood toe niet liefhad, en dat Christus van hem niets kon eisen als een betuiging van zijn ijver voor zijn winst, van ‘t welk hij niet gereed was te scheiden. En de Heere aan de andere zijde, om te doen blijken, dat hij Hem niet voor niets kon dienen, en dat Hij een zonderling welgevallen had in zo’n ijverige gestalte des Geestes, heeft hem niet alleen buitengewoon ondersteund onder zijn zwarigheid, zodat hij niet bezweek, zelfs als hij aan anderen bovenmate bezwaard scheen te zijn, en boven zijn kracht; maar Zich ook op een zeer gemeenzame wijze aan hem geopenbaard, zodat hij nauwelijks iets hebbende, waarop zijn hoofd neer te leggen, toen vrije toegang had om zijn hoofd te leggen op Zijn schoot; want God toonde, dat Hij niets te groot noch te goed voor hem had, die zichzelf zo geheel aan Hem gaf. Laat ons ook arbeiden God getrouw te zijn, en ijverig in Zijn werk, en zo mogen wij hoop hebben, dat Hij, die aan deze en aan anderen getoond heeft, dat Hij niet onrechtvaardig was, zodat Hij hun ijver in ‘t doen, hun geduld in ‘t lijden, hun arbeid der liefde zou vergeten, ook de onze zal gedenken met die gunst, die Hij haar toegedragen heeft, en wij mogen verwachten, dat Hij tegen onze ziel in ‘t verborgen zal zeggen: ga nu heen, en eet uw brood, al is het bruin, met vreugde, en drink uw drank, al is ‘t geen wijn, met een goed hart; want Ik heb een welgevallen aan uwe werken, en deze zijn bij mij in gedachtenis opgekomen. O! maar een van die uren, die Mr. Rutherford had in Gods gezelschap, waren vele jaren lijden en zweten waardig in de hitte van de dag! Laat ons voornemen ‘t verlies van alles, ook ‘t leven zelf niet uitgenomen, in de dienst van onze Heere en Meester te ondergaan, die ons doet winnen door ons verlies, en al ons gebrek vervult naar de rijkdom Zijner heerlijkheid, wanneer wij alles hebben verlaten om Hem te volgen; het is zeker, als wij de Heere dadelijk getrouw zijn, geen verdrukking zal ons ellendig kunnen maken, het kruis dat Christus ons zal maken, zal ons dragen en ondersteunen, als wij het dragen; als wij dan op ons ergst zijn, zijn wij gelukkiger dan wij weten, of liever wij zijn alleen voor zover ellendig, dat wij niet weten hoe gelukkig wij zijn. Hij die toegelaten is, om te weten, dat hij een plaats in ‘t hart van God heeft, behoeft niet veel bekommerd te zijn, wat hem ontmoet van de hand van de mensen, dit kan al zijn tranen van zijn ogen afwissen, zelfs als hij dat droeve woord uitzucht: Ik ben arm en ellendig, dat hij weet, en dat andere woord er bij kan voegen: doch de Heere denkt aan mij, en Hij gedenkt nog ernstig aan mij.

Wij weten niet wat voor zware tijd en lijden God de Heere nog over ons brengen zal, maar ik kan deze brieven aanbevelen, als zonderling nuttig, om ons in ‘t midden van grote tegenstand moed te geven, en aan te zetten tot een vurige getrouwheid en een blijmoedig lijden; wij hebben hier een heerlijk patroon van een welgeoefende dienstknecht van God, dat ons leert hoe men zich onder ‘t kruis zal gedragen, en wat een zonderlinge troost, en hoeveel heerlijke vrijheid van de kinderen Gods kan genoten worden, in ‘t midden van de banden, en zwaarste moeilijkheden; hij spreekt zo verzekerd, en zo beweeglijk uit zijn ondervinding van de liefelijkheid van het kruis dat men om Christus’ wil draagt, dat men op zo’n verdrukking verliefd zou worden, hoewel zij tegenwoordig zijnde, menigmaal geen oorzaak van vreugde schijnt te zijn.

Ik moet hier, geliefden in de Heere, een weinig van mijn eigen bevinding verhalen; het is ulieden recht welbekend, wat een hevige vervolgingen, snode lasteringen, bittere versmadingen en dreigementen ik heb uitgestaan, nu enige maanden terug, en dat alleen ter gelegenheid dat ik het gewone gebruik van de menselijke formulieren, in tot God te bidden, en de mensen te vermanen en te onderrichten omtrent de H. Sacramenten en elders, met vele bondige redenen in ‘t openbaar, zo mondeling als schriftelijk, heb tegengesproken, en met mijn voorbeeld heb aangewezen en getoond dat vrij uit het hart te spreken, naar de bijstand van de Geest van de Heere, omtrent ons, hetzij in ‘t bidden hetzij in andere publieke bedieningen, voor de Kerk Gods allernuttigst en voor de dienaren des Evangelies in ‘t N. Testament allerbetamelijkst is. U weet, zeg ik, hoe vele mensen hun tongen bij die gelegenheid tegen mij gescherpt zijn geweest, ook van die het allerminst betaamde; dat ik in Holland en elders van menigten leugens ben beschuldigd geworden, waardoor de Satan naar zijn toorn en boosheid getracht heeft, was het hem mogelijk, mijn bediening te krenken, en ook ‘t grote en nodige werk van de hervorming, dat door alle getrouwe leraars wordt gewenst, merkbaar te stuiten en te hinderen. Nochtans moeten en willen allen (die, ‘t geen ik hier voorspreek en betracht, ernstig opmerken) toestaan en belijden, dat het in zich en afgetrokken van alle menselijke orders, alleszins stichtelijk en Gode behagelijk is, en volgens het Woord des Heeren. En u bent mijn getuigen, die het menigmaal ondervonden hebt en nog dagelijks ondervindt, hoe geheel opwekkend en voordelig voor u de vrije en onbepaalde aanspraak is tot God en tot de gemeente, gelijk u dat verscheidene malen in grote getale, zo met mond als met schrift, waar ‘t nodig scheen, verklaard en betuigd hebt. Doch nu (de Heere zij gedankt) is die zaak, gelijk elk weet, van de Eerw. Classis van Walcheren geoordeeld, als kunnende en zullende in mij toegelaten en verdragen worden (en dat evenzo, gelijk ik het openlijk in mijn traktaat beschermd heb, en nu enige maanden herwaarts heb ten uitvoer gebracht, zonder de minste verandering) waardoor dan degenen die tegenstonden, in rust zijn gebracht; hoewel ik graag daarbij had gezien, dat al de Classes van Zeeland, die in Gods voorzienigheid bij deze gelegenheid over dit punt ook hebben beraadslaagd, deze oefening van mij hadden goedgekeurd, en aan alle leraars de evangelische vrijheid in ‘t spreken in alle openbare verrichtingen van de godsdienst, hadden vrijgesteld en aangeprezen, als zijnde blijkelijk, naar het oordeel ook van duizenden gereformeerde leraars buiten ons land, tot veel groter verwakkering van de leraars en toehoorders, dan wanneer men aan formulieren gebonden is, in tot God te bidden, of de gemeente omtrent de Sacramenten en elders te onderrichten en op te trekken, en daarom een punt van hervorming, waarop zonderling mee in deze tijd van de verbetering te letten is.

Nu is het mij gebeurd, door de goede hand Gods over mij, dat ik op zelfde tijd bezig zijnde met de vertaling van deze uitnemende brieven van Samuel Rutherford, zonderling ben gesterkt en gehard geworden, door de overdenking, herkauwing, en toepassing van ‘t geen ik daarin recht naar mijn gelegenheid vond; zodat ik de velerlei lasteringen, stoute leugens, en gewone smadingen, die mij van allerlei soort van mensen werden nageworpen, met vreugde heb kunnen dragen, en roem in de verdrukking. Hoewel ik bekennen wil, dat ik niet ongevoelig ben geweest voor de bittere gesel van de snode en van de hel aangestoken tongen: maar nu uit merkelijke ondervinding kan spreken van de smarten die door ‘t vervolgen, schelden, liegen, dreigen, en faamroven van de mensen van deze wereld, aangezet door de grote lasteraar, aartsvervolger, en vader van de leugens de duivel, veroorzaakt worden in ijverige leraars, onder welke ik immers graag een van de minste was. Maar desniettegenstaande, zo kan ik tot lof van de Heere en tot aanprijzing van het kruis, dat om Zijnentwil wordt opgenomen, zeggen, dat zelfs in die tijd ‘t Woord van de beloften en van het Genadeverbond, mij de meeste smaak en zoetheid heeft gegeven, en ook deze brieven mij door Gods zegen tot een zoete hulp hebben verstrekt, om kloek, vrolijk, en zonder verschrikking of kleinmoedigheid de zaak van God staande te houden. Zodat ik, hebbende in een groot en bitter voorval gesmaakt de zonderling opwekkende en moedgevende ondersteunde kracht van de redenen, in die hemelse brieven opgesloten, nu met meer ingang, verzekerdheid en geloofwaardigheid ze u kan aanbevelen; die in des Heeren genadige voorzienigheid ulieden en anderen nu van mij worden ter hand gesteld, en ik ben niet zonder veel verwachting, dat ook aan anderen, hebbende van deze honig geproefd, de ogen zullen verlicht worden, en het hart gesterkt, dat ze geen kruis, ‘t welk de satan, en de wereld de getrouwen en heilige onbeweeglijken zal dreigen op te leggen, zullen willen ontgaan, met Gods zaak, of de welstand van de Kerk te kort te doen.

Belangende deze brieven heb ik nog dit te zeggen, dat het niemand met recht zou vervelen of walgen, dat een ding hier zo dikwijls wordt herhaald, indien hij met mij deze drie dingen wel opmerkt. Vooreerst, dat het aan verscheidene personen geschreven is. Nu stond hem vrij, bij allen die God vreesden, aan welke hij schreef, te verkondigen, wat goeds de Heere aan zijn ziel deed. Al hadden zij gehoord van zijn vervolging wegens ‘t evangelie, billijk was het, dat ze allen zouden horen dat de wereld, al doet ze haar best, een die lijdt, niet waarlijk ellendig kan maken, nademaal God hem gelukkig maakt in een gemeenschap met Hemzelf. De hitte van de vervolging kan alle lege waterwellingen opdrogen, of verbitteren, maar dan, gelijk hij vertoont, heeft de ziel vrije toegang tot de Hoge, en wordt toegelaten te drinken, ja tot dronken wordens toe, van deze beken Zijner wellusten. Dit is de specerijwijn die hij drinkt, en de spijze die hij te eten krijgt in ‘t verborgen, welke de wereld niet kent, en van Hem niet ontvangen kan; en hebbende bevonden, hoe zoet dit brood van God smaakt dat van de hemel neerkomt, zo kan hij niet nalaten aan anderen te zeggen, hoe hij genoten heeft, om in allen te verwekken de begeerten, om te komen deelnemen in deze lekkernijen, en zich niet meer te verbrassen aan de wereld zijn bedrieglijke spijs. Ten andere. Merk op, dat deze brieven op verscheidene tijden geschreven zijn. Want zeker, nademaal hij de vertroostingen Gods alle morgen nieuw vond, en ieder ogenblik overvloeiende, ‘t zou een bewijs van laffe ondankbaarheid in hem geweest zijn, zo hij maar eens gewag had gemaakt, van wat God menigmaal aan hem gegeven had. Ten derde. Let ook daarop, dat hoewel dezelfde zaak menigmaal herhaald wordt, dat evenwel meestendeels met zo’n zoete aantrekkende verscheidenheid van spreken geschiedt. Hij brengt het oude en nieuwe samen voort, ja, daar is steeds zoveel nieuws in, dat het bekwaam is, om telkens nieuwe begeerten te ontsteken, om uwe eigen ziel verzadigd te krijgen, en te zoeken, wat hij gevonden heeft. En als u eens daarmede vervuld zult zijn, zo zal uw praktijk in het aan anderen over te zeggen, ongetwijfeld zozeer met de zijne overeenkomen, dat u zult rechtvaardigen, wat hij gedaan heeft, en gij zult het dan onnodig oordelen, een verantwoording te doen voor het menigmaal uitroepen en verkondigen van des Heeren goedheid in het land der levenden. Ik weet wel, een deel vleselijk mensen, welke deze brieven in handen zullen komen, zullen gereed zijn, op de uitdrukkingen te vallen met berispingen, als denkende, dat ze of te algemeen, of te wonderlijk en te duister zijn, en zo zullen zij het bespotten. Want dat is de aard van zulke Ismaëlieten. Maar ik wilde hun wel antwoorden, dat zij wel moesten weten, dat de schrijver een groot meester in Israël was, die het niet ontbrak, aan bekwaamheid om zich uit te drukken, zoals hij het best verstaan zou worden; en hoewel zijn spreekwijzen in zijn moedertaal allerkrachtigst vallen, die het Nederlands zo niet heeft kunnen navolgen, zo zullen zij toch voor geestelijke mensen klaar zijn, en van zoete ingang. ‘t Is waar, vele dingen zijn daarin, welke niet zijn te verstaan, dan door smaken, en hij die de verklaring niet heeft, zal de tekst nooit verstaan. Doch ik wilde raden degenen, die geen zin noch smaak hebben in ‘t geen hier geschreven is, dat zij liever ‘t boek stilletjes neerlegden, (want ‘t wordt hun niet opgedrongen) dan door ‘t tegenspreken, van ‘t geen zij niet verstaan, zo weinig voor hun goede naam te zorgen, dat zij nu aan de wereld dat geheim openbaren, dat ze genadeloze mensen zijn, bij welke de dingen Gods onsmakelijk en aanstotelijk zijn. Doch wat ulieden belangt, geliefden, ‘k weet, gijlieden zult zijn taal meestendeels verstaan, en vergenoeging vinden, als u daar zult lezen, hoeveel zoete uren en troostelijke alleenspraken deze uitmuntende heilige met God gehad heeft in de oven van zijn verdrukking. Gij zult ras zien, dat hij veel heeft ontvangen boven ‘t geen, waar de christenen gewoon toe komen, zelfs die al merkelijke voortgang in de wegen des Heeren gedaan hebben. Gelieft het de Heere niet, dat gijlieden hier op aarde zo zult opgetrokken, en onthaald worden, zo stelt u toch voor, de tijd ja de eeuwigheid komt, in die u zult opkomen, en plaats nemen onder de geesten van de volmaakt rechtvaardigen, en bezitten tot verzadiging ‘t geen, waarnaar u hier zo verlangt. Dan zullen al uw kindse gedachten van God verdwijnen, als uw zon zal opgegaan zijn tot op de volle middag. Dan zal uw verstand ten volle verlicht zijn, en zien de Heere klaar, gelijk Hij is, zonder ooit een wolk tot verduistering van uw beseffen van God te ontvangen. Dan zal uw wil een volkomen welgevallen scheppen in Gods wil, en uw hartstochten zullen eeuwig rechtuit gaan tot Hem, zonder ooit in gevaar te zijn, van tot enig ander voorwerp vermaakt te worden. De Geest des Heeren Jezus zij met u allen.

Sluis, 6 oktober 1673

Uw toegenegen dienaar en broeder in onze zoete Heere Jezus, Jakobus Koelman

  1. Brieven, deel 1
  2.  

    1. Aan Meester Robert Cunyncame, Dienaar van het Evangelie te Holywood in Ierland
    2. Beminde en waarde Broeder! Genade, barmhartigheid en vrede zij u; op de kennis die ik aan u in Christus heb, heb ik het goed gedacht de gelegenheid te nemen aan u te schrijven; nademaal het de Heere des oogstes behaagd heeft, de snijmessen voor een tijd uit onze handen te nemen en ons een eerwaardiger dienst op te leggen, namelijk van te lijden voor Zijn Naam. Het zou goed zijn, dat wij elkaar met schrijven troostten. Ik heb begeerte gehad, om uw aangezicht te zien, maar nu zijnde van Christus gevangen, is die weggenomen. Ik ben zeer getroost, te horen van uw krijgsmans kloeke geest voor uw prinselijke en koninklijke kapitein Jezus, onze Heere; en van de genade Gods in de andere waarde broederen, die bij u zijn; u hebt van mijn moeilijkheid, vertrouw ik, gehoord. Het heeft onze zoete Heere Jezus behaagd, de boosheid los te laten van deze verboden heren in Zijn huis, dat ze mij hebben afgezet van mijn predikdienst te Anwoth, en mij gearresteerd en verzonden honderd zestig mijlen vandaar naar Aberdeen, en ‘t geen tevoren aan niemand geschied is, dat ze mij verboden hebben iets te spreken in Jezus’ naam, binnen dit koninkrijk, op straf van rebellie. De oorzaak die hun haat rijp gemaakt heeft, was mijn boek tegen de Arminianen, waarvan zij mij beschuldigen; deze drie dagen ben ik voor hen verschenen. Maar dat onze gekroonde Koning in Zion leeft, door Zijn genade is het verlies aan hun zijde, de overwinning is in Christus en van de waarheid. Hoewel dit eerlijke kruis door mijn zwaarmoedigheid enige vat op mij had en de inwendige beschuldigingen van mijn geweten voor een tijd scherp waren, nochtans nu, tot moedgeving van u allen, durf ik zeggen en onderschrijven het met mijn hand: welkom, welkom, zoet, zoet kruis van Christus. Mij dunkt waarlijk, de ketenen van mijn Heere Jezus zijn met zuiver goud overdekt, Zijn kruis is geparfumeerd en riekt naar Christus, de overwinning zal zijn door het bloed des Lams en door het woord van Zijn waarheid, en Christus nu op Zijn rug liggend in Zijn zwakke dienaren en onderdrukte waarheid, zal over de buik van Zijn vijanden rijden en de koningen in de dag van Zijn toorn doorsteken. Het is tijd dat wij vrolijk zijn als Hij vrolijk is. En nademaal het Hem nu gelieft, voor een tijd te zitten onder het ongelijk, Hem aangedaan, zo past het ons stil te zijn, totdat de Heere de vijanden heeft doen genieten hun hongerig, mager en nietig paradijs. Zalig zijn zij, die tevreden zijn slagen te ontvangen met de wenende Christus; het geloof zal de Heere betrouwen, ‘t haast niet, noch is niet eigenzinnig, ook is het geloof zo vreesachtig niet, dat het een verzoeking zou vleien, of het kruis met verkeerde middelen afkopen of omkopen. Daar is weinig aan gelegen, of het Lam en Zijn volgers geen borgtocht noch vrede met het kruis kunnen krijgen; het moet zo zijn, totdat wij boven in ons vaderhuis zijn. Het smart mij in mijn hart, wegens mijn moederkerk, die de hoer gespeeld heeft met vele minnaars; haar man is voornemens haar wegens haar schrikkelijke overtredingen te verkopen; zwaar zal de hand van de Heere zijn op dit afkerig volk. De wegen van ons Zion treuren; hun goud is verdonkerd; hun witte Nazireeërs zijn zwart gelijk een kool; hoe, zouden niet de kinderen wenen, als de man en de moeder niet kunnen overeenkomen? Nochtans geloof ik, dat Schotlands lucht weer zal opklaren; dat Christus de oude verwoeste plaatsen weer zal opbouwen, dat onze dode en dorre beenderen een heirleger van levende mensen zullen worden en onze beminde nog zal weiden onder de leliën, totdat de dag aanbreekt en de schaduwen vlieden. Mijn lieve broeder, laat ons elkaar helpen met onze gebeden. Onze koning zal Zijn vijanden neer maaien en zal van Bozra komen met Zijn klederen geheel in bloed geverfd, tot onze troost zal Hij verschijnen en Zijn vrouw noemen Chefsibah, (mijn lust is in haar,) Zijn land Beulah, (het getrouwde,) want Hij zal Zich over ons verblijden en ons trouwen. Schotland zal zeggen, wat heb ik meer met de afgoden te doen? Alleen, laat ons Hem getrouw zijn, Die door hel en dood kan rijden op een strootje en Zijn paard zal nooit struikelen; laat Hij vrij mij maken tot een brug over een water, zo maar Zijn hoge en verheven Naam in mij mag verheerlijkt worden. Slagen met de zoete Middelaarshand zijn zeer zoet; altijd was Hij mijn ziel zoet, maar sinds ik voor Hem geleden heb, heeft Zijn adem een zoeter geur dan tevoren. Och, dat iedere haar van mijn hoofd, ieder lid en ieder been in mijn lichaam een mens was, om een schone belijdenis voor Hem te betuigen, ik zou nog alles te klein voor Hem achten. Als ik aan de overzijde van de linie zie en voorbij dood naar de vrolijke kant van de wereld, zo triomfeer ik en rijd op de hoogten Jacobs; al ben ik anders een bezwijkende doodhartige blode mens, dikwijls neerslachtig en hongerig in ‘t wachten naar het Avondmaal van de bruiloft des Lams, evenwel acht ik het de wijze liefde van de Heere, dat Hij ons met honger voedt en ons vermaakt met gebrek en verlating. Ik weet niet, mijn lieve broeder, of onze waarde broederen zijn ter zee gegaan of niet; zij zijn in mijn hart en in mijn gebeden; indien zij nog met u zijn, groet mijn lieve vriend Johannes Stuart, mijn geliefde broederen Mr. Blair, Mr. Hamilton, Mr. Livingston en Mr. Mak-Cleland, en maak hun mijn moeilijkheden bekend, verzoek hun, dat ze voor de arme verdrukten gevangene van Christus bidden. Ze zijn mijn ziel lief. Ik verzoek uw en hun gebeden voor mijn kudde; aan hen te denken, breekt mijn hart. Ik wens dat volk en mijn andere lieve vrienden in Christus, te beminnen met een liefde in God en gelijk God hen liefheeft; ik weet dat Hij, Die mij naar ‘t westen en zuiden gezonden heeft, mij ook naar het noorden zendt. Ik zal mijn ziel belasten te geloven en op Hem te wachten, zal zijn Voorzienigheid volgen en daar niet voorgaan, noch achterblijven. Nu, mijn lieve broeder, mijn afscheid nemende op ‘t papier, zo beveel ik u allen aan het Woord Zijner genade en aan het werk van zijn Geest aan Hem Die de zeven sterren in Zijn rechterhand houdt, opdat u onstraffelijk mocht bewaard worden tot de dag van Jezus onze Heere. Ik ben

      Uw broeder in de verdrukking in onze zoete Heere Jezus, Samuel Rutherford

      4 augustus 1636, Van Irwing, zijnde op mijn reis naar Christus’ paleis in Aberdeen

       

    3. Aan die van zijn Parochie of Gemeente
    4. Zeer geliefden en gewensten in de Heere, mijn kroon en mijn blijdschap in de dag van Christus. Genade zij u en vrede van God onze Vader en onze Heere Jezus Christus. Ik verlang uitstekend te weten, of de ondertrouw tussen u en Christus, waar zo dikwijls van gesproken is, nog vast is en of u nog voortgaat, om de Heere te kennen. Mijn dag- en nachtgedachten zijn over u. Terwijl u slaapt, vrees ik voor uw zielen, dat ze van de Rotssteen af zijn. Naast mijn Heere Jezus en deze vervallen kerk, hebt u ‘t grootste deel aan mijn droefheid en ook aan mijn vreugde; u bent de stof van de tranen, zorg, vrees en dagelijkse gebeden van een onderdrukte gevangene van Christus, gelijk ik in de banden ben wegens mijn hoge en verheven, mijn koninklijke en vorstelijke Meester, mijn Heere Jezus; zo ben ik in de banden voor u, want ik zou in mijn warm bed geslapen hebben, de vette wereld in mijn armen gehouden hebben en de koorden van mijn tent zouden vaster en sterker geweest hebben, ik mocht een blijde boodschap van rust voor mijn ziel en voor u voor een tijd lang gezongen hebben met mijn broeders, de zonen mijner moeder, die toornig op mij geworden zijn en mij uitgeworpen hebben uit de wijngaard, indien ik was overgehaald en getrokken, om u, des Heeren kudde, vuil te maken en u te doen eten van weiden, die van mensenvoeten waren vertreden en te doen drinken vuil en modderig water. Maar waarlijk de Almachtige was voor mij een schrik, en Zijn vrees maakte mij bevreesd. O mijn Heere, oordeelt Gij dat mijn predikdienst mij niet waard is? Maar op verre na niet zo lief, als Jezus Christus mijn Heere. God weet, wat een bezwaarde en droevige Sabbatten ik gehad heb, sinds ik mijn twee herdersstaven heb neergelegd aan mijns Meesters voeten. Menigmaal heb ik gezegd, gelijk er staat Klaagl. 3:52,53: Mijn vijanden hebben mij zonder oorzaak als een vogeltje dapperlijk gejaagd, zij hebben mijn leven in een kuil uitgeroeid, en zij hebben een steen op mij geworpen. Want naast Christus had ik maar één vreugde, de appel van het oog van mijn vermaak, namelijk te prediken Christus mijn Heere, en zij hebben dat geweldiglijk van mij uitgerukt, en ‘t was mij gelijk de arme mens met maar één oog; dat oog hebben zij uitgehaald, en mijn licht uitgeblust in ‘t erfdeel des Heeren; maar mijn oog is op God, ik weet, ik zal de zaligheid van God zien en mijn hoop zal niet altijd vergeten worden. Doch aan mijn droefheid zal niets ontbreken tot volmaking, en om mij te doen zeggen: wat baat het mij te leven? Indien u de stem volgt van een vreemde, van een die in de schaapsstal komt niet door Christus’ deur, maar die een andere weg inklimt; indien hij hooi en stoppelen bouwt op het gouden fondament, Jezus Christus, dat reeds onder u gelegd is, en u volgt hem; ik verzeker u, het werk van die man zal verbranden, en Gods vuur niet doorstaan, en u en hij zult beiden in gevaar zijn van eeuwig te branden, tenzij u zich bekeert. Och dat enige smart of droefheid of verlies, die ik door Christus en voor u lijden kan, te pand gelegd werd, om Christus’ liefde voor u te kopen! En dat ik mijn liefste blijdschap naast Christus mijn Heere, kon stellen in de opening en scheur tussen U. L. en ‘t eeuwig verderf! Och had ik papier zo breed als de hemel en aarde, en inkt gelijk de zee, en al de rivieren en fonteinen van de aarde, en dat ik machtig was te schrijven de liefde, de waardij, de voortreffelijkheid, de zoetigheid en behoorlijke lof van onze waardigste en schoonste Beminde, en dat u het dan kon lezen en verstaan! Wat zou mij kunnen ontbreken, indien mijn bediening onder u een huwelijk maakte tussen de kleine bruid in die landpalen en de Bruidegom? O welk een rijke gevangene zou ik zijn, kon ik verkrijgen van mijn Heere (voor Wie ik sta u ten goede) de zaligheid van u allen! O wat een buit zou ik behaald hebben, kon ik u in Christus’ net vangen! O dan zou ik mijns Heeren snoeren en net met een rijke winst uitgeworpen hebben! O dan was wel besteed een gepijnigde borst, en zere rug, en een ziekelijk lichaam, in vroeg en laat tot u te spreken! Mijn Getuige is boven, uw hemel zou twee hemelen voor mij zijn, en uw aller zaligheid als twee zaligheden voor mij; ik zou willen onderschrijven een schorsing en borging van mijn hemel, vele honderden jaren lang (naar Gods welgevallen) indien u zeker was in ‘t Opperhuis, in onze Vader Zijn Huis voordat ik daar kom. Ik neem hemel en aarde tegen u tot getuigen, en wens, dat de zon en het licht des daags, dat ons bescheen, en het hout en de muren van de kerk verklaring deden, zo ik niet een schoon huwelijkscontract heb ontworpen tussen u en Christus, indien ik niet met aanbiedingen heb gegaan tussen u en Christus, en uw geweten u getuigd heeft, en uw mond beleden, dat er vele schone verschijningen en ontmoetingen zijn geweest tussen Christus en u, in het houden van het avondmaal en op andere gelegenheden; er werden armringen, kleinodiën, ringen en liefdesbrieven tot u gezonden van de Bruidegom; u was gezegd welk een schoon huwelijksgoed u hebben zou, en in wat een huis uw man en u wonen zouden, en hoedanig de voortreffelijkheid, zoetheid, macht en sterkte van de Bruidegom was. De eeuwigheid en heerlijkheid van Zijn Koninkrijk is u voorgesteld, en de uitnemende diepte van Zijn liefde, die Zijn zwarte vrouw gezocht heeft, door smart, vuur, schande, dood, graf, en de zoute zee overgezwommen heeft, voor haar de vloek van de wet ondergaande, en toen een vloek voor u geworden is, en u stemde toen toe, en zeide: Welaan, ik neem Hem. Ik raad u, wacht u voor nieuw en vreemd zuurdesem van mensenvinding, buiten en tegen Gods Woord, en tegen de eed van die Kerk, die nu onder u komt. Ik heb u onderwezen omtrent het bijgeloof en de afgoderij van ‘t knielen, als men ‘s Heeren nachtmaal ontvangt, van het kruismaken in de doop, en ‘t onderhouden van dagen van de mensen, zonder enige toestemming van Christus, onze volmaakte Wetgever. Stem niet toe het witte overkleed en gestel van de mispaap, het kleed van de Baälspriesters, het gruwelijk buigen voor de houten altaren, dat onder u zal komen; haat, en wacht u van de afgoden; laat na, in enige gevallen het horen lezen van het nieuwe vaderloze dienstboek, vol grove ketterijen, paapse en bijgelovige dwalingen, zonder enige last van Christus, dienende maar tot het uitwerpen van de prediking; u bent geen gehoorzaamheid schuldig aan de bastaardcanons of regels, zij zijn onwettig, lasterlijk, en bijgelovig; al de ceremonieën, die in de vuile schoot van de antichrist liggen, de waren van die grote moeder van de hoererijen, de kerk van Rome, moeten verworpen worden; u ziet, waartoe zij u leiden; blijf gedurig in de eer, die u ontvangen hebt; u hebt van mij de ganse raad Gods gehoord; naai geen lappen aan Christus’ kleed, neem Christus in Zijn gescheurde klederen en in Zijn verlies, en als van mensen vervolgd; en wees tevreden, te zuchten en te steunen de berg op, met Christus’ kruis op uw rug, laat mij een valse profeet geacht worden (en uw geweten zei eens tegenovergesteld) zo uw Heere Jezus niet bij u zal staan, en uw zaak zal staande houden tegen uw vijanden. Ik heb gehoord, en mijn ziel is er over bedroefd, dat sinds mijn vertrek van u, velen onder u van de goede ouden weg afgekeerd zijn, wederom tot de hond zijn uitbraaksel; laat mij tot deze mensen spreken; het was niet zonder Gods bijzondere besturing, dat de eerste spreuk, die mijn mond tot u sprak was, wat staat Joh. 9:39, Jezus zeide: Ik ben tot een oordeel in deze wereld gekomen, opdat degenen, die niet zien, zien mogen, en die zien, blind worden. Het kan wezen, dat mijn eerste ontmoeting tot u zal zijn, als wij beiden voor de vreselijken Rechter van de wereld zullen staan; en in de Naam en het gezag van de Zoon Gods, mijn grote Koning en Meester, dagvaard ik door deze tegenwoordige brief die mensen, ik arresteer hun zielen en lichamen op de dag van onze verschijning; hun eeuwige verdoemenis staat onderschreven en verzegeld in de hemel door het handschrift van de grote Richter van levenden en doden, en ik ben gereed, op die dag als een predikende getuige tegen zulken in hun aangezicht op te staan, en te zeggen, amen, tot hun verdoemenis; tenzij zij zich bekeren; de wraak van het Evangelie is zwaarder dan die van de wet: de Middelaarsvervloeking en wraak is dubbele wraak; en die wraak is ‘t rechte deel van zulken, en daar laat ik hen als gebonden mensen; ja totdat zij zich bekeren en beteren. U was getuigen, hoe de dag des Heeren doorgebracht werd, terwijl ik onder u was. O kerkschender en rover van Gods dag, wat zult u de Almachtige antwoorden, als Hij zo menige Sabbatten wederom zoekt van u? Wat zal de vloeker, zweerder en lasteraar doen, als zijn tong zal geroosterd worden in die brede en brandende poel van vuur en zwavel? En wat zal de dronkaard doen, als tong, long en lever, benen en alles zal koken en stuiten in een pijnigend vuur; want dan zal hij ver van zijn tonnen met sterke drank zijn, en er is niet een koude waterput voor hem in de hel? Hoe zal het staan met de ellendigste gierigaard? de onderdrukker? de bedrieger? de aardworm, die nooit zijn buik vol genoeg van leem kan krijgen; als in de dag van Christus goud en zilver moeten liggen branden in as, en hij moet verschijnen en antwoorden voor zijn Richter en zijn kleine en verachtelijke hemel verlaten? Wee, wee voor eeuwig de atheïst, die zich naar de tijd keert, die een god en godsdienst heeft voor de zomer, en een andere god en godsdienst voor de winter, en voor de dag van wanning, als Christus zal wannen, al wat op Zijn dorsvloer is; die voor iedere markt een geweten heeft, en wiens ziel rijdt op de gesmeerde wielen van tijd, gewoonte, wereld en bevel van mensen. Och dat de zorgeloze atheïst en slaper, die het alles aflegt met te zeggen: God vergeve het onze herders zo zij ons kwalijk leiden, wij moeten doen, gelijk zij bevelen, en zo zijn hoofd neerlegt in de schoot van de tijd, en zijn geweten geeft aan een afgevaardigde, en alzo slaapt, terwijl de rook van het helse vuur in zijn keel opkomt, en hem doet opvliegen uit zijn beklaaglijk bed. Och dat zo’n mens wilde opwaken. Veel u wening is er voor de vergulde en met goud bepleisterde huichelaar; een zwaar oordeel is er voor de leugenaar en wittongige vleier; en de vliegende rol van Gods toornige wraak, twintig ellen lang en breed, die van het aangezicht Gods uitgaat, zal gaan in het huis en op de ziel van degene die steelt, en vals bij Gods Naam zweert. Zach. 5:3,4. Ik verkondig een eeuwig branden, heter dan de vlammen van Sodom, aan degenen die koken in hun vuile lusten van hoererij, overspel, bloedschande, en dergelijke goddeloosheid; niet één plaats, ja niet een voetbreed voor zulke vuile honden, binnen het zuivere Jeruzalem. Velen van u leggen dit alles af met te zeggen: God vergeve het ons, wij weten niet beter. Ik vernieuw mijn oude antwoord, 2 Thess 1:8. De Richter komt met vlammend vuur, met al Zijn krachtige engelen, om wraak te doen over allen die God niet kennen, en niet geloven. Menigmaal heb ik u gezegd: zorgeloosheid zal u doden; alle mensen zeggen, zij hebben geloof; zoveel mannen en vrouwen nu, zoveel heiligen in de hemel, en allen geloven, zegt u, elke vuile hond is zuiver en goed genoeg voor het reine en nieuwe Jeruzalem daarboven. Een ieder heeft bekering en de wedergeboorte; maar zij zijn er niet goed aangekomen; zij hebben nooit een zieke nacht over hun zonde gehad, bekering is hun overgekomen in een droom ‘s nachts; met één woord, de hel zal leeg zijn op de dag van het oordeel, en de hemel gepropt vol: maar helaas, ‘t is niet licht, noch gemeen te geloven en zalig te worden; velen moeten eindelijk aan de deur van de hemel blijven staan; als zij hun geloof gaan voortbrengen, zo brengen zij een schoon niets te voorschijn, of gelijk u zegt een blaas. O beklaaglijke misgreep! ik bid u, ik belast u in Christus’ Naam, maak vast ‘t werk omtrent Christus en de zaligheid, ik weet, daar zijn enige gelovigen onder u; en ik schrijf aan u, o arme hard verbroken gelovige, alle troost van Christus in ‘t Oude en Nieuwe Testament is uwe. O wat een Vader en Man hebt u! Och had ik pen en inkt en een instrument om van Hem te schrijven! Laat hemel en aarde samen gesmolten worden in massief en zuiver goud, het zal het duizendste deel niet opwegen van Christus’ liefde tot een ziel, ja tot mij, een arme gevangene; o dat is een zuivere en wonderlijke liefde! Mensen en engelen, voegt uw kracht en sterkte bijeen, u zult de liefde niet opheffen, noch van de aarde lichten.

      Tien duizendmaal duizenden werelden, zoveel werelden als engelen tellen kunnen, en dan nog zoveel als een nieuwe wereld van engelen kunnen vermenigvuldigen, zouden samen niet uitmaken de boom van een weegschaal, om Christus’ voortreffelijkheid, zoetigheid en liefde daarin te wegen. Stel tien aarden op één en laat er een roos groeien, groter dan tien hele aarden of tien werelden, o wat een schoonheid zou er in zijn en wat een reuk zou deze uitgeven! Zelf maar een geblaas van de adem van die schoonste roos in ‘t ganse paradijs Gods, namelijk van Jezus Christus onze Heere, een gezicht van dat schoonste aangezicht zou in schoonheid en liefelijke geur oneindig te boven gaan alle denkbare en geschapen heerlijkheid. Ik ben verwonderd dat de mensen van Christus durven afwijken. Ik zou mij gelukkig achten, indien ik een openbare uitroep doen kon en de gehele wereld verzamelen, allen die op de aarde wonen, Joden en heidenen en allen die geboren zullen worden, totdat de laatste bazuin zal blazen, dat ze rondom Christus mochten staan, Zijn schoonheid aanziende verwonderende en aanbiddende; want Zijn vuur is heter dan enig ander vuur, Zijn liefde is zoeter dan gewone liefde en Zijn schoonheid gaat boven alle andere schoonheid. Als ik bezwaard en droevig ben, één van Zijn liefdegezicht doet mij meer, dan een wereld vol goed. Och, dat u Hem wilde lief krijgen! Hoe gelukzalig zou ik zijn, hoe blij zou mijn ziel zijn, zo ik u kon helpen Hem lief te hebben. Maar onder ons allen kunnen wij Hem niet genoeg liefhebben; Hij is de Zoon van des Vader liefde en van Gods vermaak, de vaderliefde ligt geheel op Hem. Och, dat alle mensen hun liefde bijeen trokken en het op Hem aanlegden! Nodig Hem, en neem Hem mee tot in uw huizen, in de oefening van het gebed ‘s morgens en ‘s avonds, gelijk ik dikwijls van u begeerd heb; inzonderheid nu, laat Hem niet ontbreken in uw huizen, laat Hem niet liggen op het veld, als Hij uit de preekstoelen en kerken gesloten is; indien u tevreden bent, de hemel met geweld in te nemen en de wind in ‘t aangezicht te hebben wegens Christus en Zijn kruis, ziet ik ben er één, die enige beproeving van Christus’ kruis heb, ik kan zeggen, dat Christus altijd vriendelijk tegen mij geweest is; maar Hij gaat zichzelf te boven, mag ik zo spreken, in goedertierenheid, terwijl ik voor Hem lijd; ik geef u mijn woord daarvoor: Christus’ kruis is zo kwaad niet als zij het wel noemen; het is zoet, licht en troostelijk. Ik zou de bezoekingen van liefde en de ademingen zelfs van Christus’ mond als Hij kust niet willen missen en mijns Heeren vermakelijke toelachingen en liefdeomhelzingen, onder mijn lijden voor Hem, voor een berg van fijn goud, noch voor al de eer, hoffelijkheid en grootheid van de fluwelen kerkelijken; Christus heeft de pit en het hart van mijn liefde: Ik ben mijns liefsten, en mijn Liefste is mijne. O, dat ulieder hand vast was aan Christus! O mijn zeer geliefden in de Heere, ik wilde dat ik mijn stem kon veranderen en dat ik een tong had, gestemd door de hand van mijn Heere; dat ik de kunst verstond, van te spreken van Christus, opdat ik u mocht afschilderen de waardij, de hoogheid, grootheid en voortreffelijkheid van die schoonste en vermaarde Bruidegom! Ik bid u door de barmhartigheid van de Heere, door zuchtingen, tranen en ‘t bloed van het hart van onze Heere Jezus, door de zaligheid van uw arme en kostelijke zielen, klim op de berg, opdat u en ik elkaar voor de troon van het Lam mogen ontmoeten, onder de vergadering van de eerstgeborenen. De Heere geve dat dit de bestemde plaats mag zijn, waar u en ik de handen samen op mogen steken en plukken en eten van de boom des levens, waar wij samen mogen feesthouden en drinken van die zuivere rivier van ‘t water des levens, dat van onder de troon Gods en van het Lam komt. O, hoe klein is hier uw handbreedte en spanlengte van dagen. Uw duimbreedte van tijd is nu minder dan toen wij vaneen scheidden. Eeuwigheid, eeuwigheid komt ter post aanvliegen, dan zal ieder mens zijn zwart en wit, kwaad en goed voor ‘t licht gebracht worden. O, hoe laag zullen uwe gedachten zijn van deze uiterlijk schone, maar van binnen verrotte appel, de ijdele, ijdele nietige wereld; als de wormen hun huizen zullen maken in de holen van uw ogen, het vlees van het ronde van uw kaken zullen afeten en dat lichaam maken tot een deel dorre beenderen; denkt niet dat de algemene deur, van God te dienen, gelijk uwe buren en anderen doen, u naar de hemel zal brengen; weinigen, weinigen worden zalig; in het hof des duivels zijn er menigten; hij heeft het grootste getal van de mensen tot zijn vazallen; ik weet, deze wereld is een grote bosschage van doornen in uw weg naar de hemel, maar u moet er doorheen, gewen u aan de Heere, houd Christus vast, hoor zijn stem alleen, loof Zijn Naam, heilig en houd zijn dag, bewaar het nieuwe gebod, hebt elkaar lief, laat de Heilige Geest in uw lichamen wonen en weest rein en heilig, hebt de wereld niet lief, liegt niet, bemint de waarheid en volgt ze, leert God te kennen, houdt in gedachtenis hetgeen ik u geleerd heb, want God zal er rekenschap van eisen, als ik ver van u zal zijn, wacht u voor alle kwaad en voor alle schijn van kwaad, volgt het goede zorgvuldig en zoekt vrede en jaagt ze na. Eert uw Koning en bidt voor Hem, gedenk mij bij God in uw gebeden. Ik vergeet u niet, ik heb u dikwijls gezegd terwijl ik met u was en nu schrijf ik het weer: Zwaar, droevig en smartelijk is die slag van des Heeren toorn, die op Schotland komt; wee, wee, wee aan dit hoerachtig land, want zij zullen de beker van Gods gramschap nemen van zijn hand, drinken, spuwen, vallen en niet weer opstaan; haast u, haast u schielijker naar uwe sterkte, gij gevangene van hoop, en verbergt u daar, totdat de toorn van de Heere voorbij gaat. Volgt niet de herders van dit land: want de zon is over hen ondergegaan, zo waarachtig als de Heere leeft, zij leiden u van Christus en van de goede oude weg; nochtans zal de Heere de heilige stad bewaren en deze verwelkte kerk wederom doen opluiken en uitspruiten als een roos en als een veld, dat de Heere gezegend heeft. De genade des Heeren Jezus zij met u allen. De gebeden en zegening van een gevangene van Christus, zijnde in banden voor Hem en voor u, zij met u allen, Amen.

      Uw wettige en liefhebbende herder, Samuel Rutherford

      Aberdeen, 14 juli 1637

       

    5. Aan de eerwaarde zeer beminde belijders van Christus en zijn waarheid in oprechtheid, in Ierland.
    6. Hartelijk geliefden in onze Heere en deelgenoten van de hemelse roeping, genade, barmhartigheid en vrede zij u van God onze Vader en onze Heere Jezus Christus. Ik verblijd mij altijd, en allermeest nu ik ben in mijn banden, zeer zoete banden voor Christus mijn Heere, te horen van ulieder geloof en liefde en te verstaan, dat onze Koning, onze Beminde, onze Bruidegom, u nog blijft aanzoeken, zonder vermoeid te worden, zoals Zijn vrouw, en dat de vervolging en bespottingen van de zondaren, de Aanzoeker van uw huis niet hebben verdreven. Ik verzeker u, in de Heere, dat die mannen Gods, die nu verstrooid en van u gedreven zijn, ulieden zetten op de rechte weg, om Christus te krijgen. En ik zet er mijn zaligheid voor in, al waren tien hemelen de mijne, indien deze weg, deze weg daar ik nu voor lijd, deze weg, die de wereld toenamen geeft en smaadt en geen andere weg, niet is de koningspoort ten hemel; ik zal nooit Gods aanschijn zien, helaas, ik zou jammerlijk bedrogen zijn, was het zo, indien niet deze weg de enige zalige weg naar de hemel is.

      Och, dat u het woord van een gevangene van Christus daarvoor wilde aanzien; ja ik weet, u hebt er het woord voor van de grootste Koning, dat het uw wijsheid niet zal zijn, naar een andere Christus om te zien en naar een andere wijze van Hem te dienen, dan nu zalig aan u geopenbaard is. Daarom al heb ik nooit ulieder aangezicht gezien, laat mij toe, dat ik aan u schrijf, u eerwaarde lieden, u trouwe herders, die nog onder de kudde bent, en u oprechte belijders van Christus’ waarheid; ook u die zwak en vermoeid in ‘t afdwalen mocht zijn, die maar een half oog naar de Bruidegom kunt slaan, of ik u door een zwakke bevinding mocht kunnen bevestigen en versterken in deze goede weg die overal wordt tegengesproken. Ik kan met de grootste verzekerdheid, tot de eer van onze hoogste, grootste en liefste Heere zij het gesproken, zeggen, al ben ik maar een kind in Christus en nauwelijks kunnende gaan, als met de hand gehouden zijnde, en de geringste en minder dan de minste van de heiligen, dat wij op twintig trappen niet nabij komen tot de rechte liefde en achting van die Schoonste onder de kinderen der mensen; want indien ‘t mogelijk was, dat de hemel, ja tien hemelen met Christus in de weegschaal gelegd werden, ik zou denken dat de reuk van Zijn adem boven die alle is, dit weet ik zeker, Hij is ver de beste helft van de hemel, ja, Hij is al de hemel en meer dan al de hemel. Mijn getuigenis is van Hem, dat tien levens van zwarte droefheid, tien doden, tien hellen van pijn, tien sulferovens en alle uitgelezen pijnigingen, te weinig zouden zijn voor Christus, indien Hij met ons lijden, als met geld te koop was. Daarom bezwijkt niet in uw lijden en gevaren te ondergaan voor Hem; ik roep hel, droefheid en schande uit over alle lusten, over alle medevrijers, die Christus’ plaats zouden willen innemen in die ganse kleine maat van liefde, in deze onze nauwe zielen, welke de zoetste Jezus toekomt. O hoogste, o schoonste, o liefste Heere Jezus! neem Uw Eigen plaats van alle bastaard-liefhebbers! O, dat wij al ons deel in de tijdelijke eer en goederen konden opveilen en verkopen voor een verbandbrief van Christus voor alle eeuwigheid! O, wat zijn wij beneveld en bevuild met de liefde van de dingen, die aan deze zijde van de tijd en aan deze zijde van het doodswater zijn? Waar kunnen wij een dergelijke als Christus vinden, of een even gelijke, of een betere dan Hij, onder geschapen dingen! Och, deze wereld heeft geen begrip van, noch enige liefde tot onze Welbeminde. Och dat ik mijn lachen, vreugde, rust en alles voor Hem verkopen kon, tevreden zijn met een bed van stro, brood bij gewicht en water met mate, in het veld van onze wenende Christus! Ik weet, zijn zak en as zijn beter dan het lachen van de dwazen, dat is gelijk het kraken van de doornen onder een pot. Maar helaas, wij verharden ons aangezicht niet tegen de koude noorderstormen, die op Christus’ schoon aangezicht waaien; wij houden veel van een zomerse godsdienst, te zijn hetgeen de zonde gemaakt heeft namelijk zo dun van vel, alsof wij van wit papier waren en zouden graag naar de hemel gebracht zijn in een goed dicht gedekte wagen, van harte wensen, dat Christus ons wilde borgstellen en Zijn handschrift en zegel geven, voordat wij alleen een schone zomer zullen hebben, totdat wij in de poorten van de hemel geland zijn; hoe velen van ons zijn hier bedrogen en bezweken in de dag van de beproeving; onder u zijn sommigen van dit slag; het zou mij bedroeven, zo mijn beminde A.T. ulieden verlaten heeft. Ik wil niet geloven, dat hij Christus’ zijde durft verlaten; ik verzoek, dat u hem dit van mijnentwege laat weten, want ik heb hem eens in Christus liefgehad en ik kan mijn hart omtrent hem niet licht veranderen. Maar dit is de waarheid, dat velen van ulieden en te veel ook van uw naburige kerk van Schotland, zijn geweest gelijk een landman, die pachtvrij zit en niet weet, hoe hij het land bezit, totdat zijn recht wordt betwist. En nu ben ik verzekerd, dat iedereen van ons zal gevraagd worden, op welke voorwaarden wij Christus bezitten, want wij hebben lang pachtvrij gezeten, wij hebben Christus zonder een natte voet gevonden, en Hij en Zijn Evangelie zijn op kleine kosten tot onze deuren gekomen, maar nu moeten wij onze voeten nat maken om Hem te zoeken. Onze kwade manieren en de boze fatsoenen van handelen, van een volk, dat van zijn jeugd aan gerust is geweest en gelijk Moab niet van vat in vat vergoten is, Jerem. 48:2, hebben gemaakt, dat wij als staande wateren een vuil schuim hebben vergaderd, en dat, wanneer wij geroerd worden, onze drek opkomt en gezien wordt. Velen grijpen Christus maar ten halve en de wind blaast hen en Christus vaneen, gewis als de mast gebroken en in de zee gewaaid is, zo is het al vrij kunstig, op Christus naar het droge te zwemmen. ‘t Kan wel geschieden, dat Gods kinderen in een zware beproeving zich neerleggen, als verborgen aan de andere zijde van een doornbos, terwijl hun meester Christus gevangen wordt, gelijk Petrus deed, en schuilen daar, totdat de storm over is; wij allen weten de weg, om een hele huid te houden, het eenvoudigste hart, dat er is, heeft een onderbeursje dat de verloochening van Christus zal bevatten en een vreselijke afval. O, wat een zeldzame zaak is ‘t, Christus hou en getrouw te zijn, wanneer Hij een verschil heeft met de schilden van de aarde. Ik wenste dat u allen mocht opmerken, dat deze beproeving van Christus is; zij is over u gekomen opgekocht, want gewis, als wij een verzoeking met ons eigen geld kopen, geen wonder dat wij er zo licht niet van bevrijd worden en dat God zo vaardig niet staat om die van onze handen af te nemen, dit is Christus’ gewone huisijver, hetwelk Hij gebruikt, om alle vaten van zijn huis daarmede te beproeven, nu is Christus bezig, in Zijn schat voor zon en maan uit te brengen en zijn getover te zien, en in het overzien te beproeven, wat gewicht van goud en van gewaterd koper in Zijn huis is. Buigt, noch ontduikt nu niet en geeft uw vijanden niet een haarbreed toe. Christus en Zijn waarheid kunnen niet gescheiden worden, Zijn waarheid heeft geen wijdte of breedte, dat ge daar wat van mag afnemen en wat van laten. Ja, het Evangelie is gelijk een dun haar, dat geen breedte heeft en niet in tweeën kan gekliefd worden; ‘t is niet mogelijk, dat men tussen Christus en de antichrist een zaak zou overeenkomen en vereffenen. En daarom, of u moet voor Christus zijn, of u moet tegen Hem zijn. Het was maar mensenverstand van bisschoppen en van hun Peter de paus, (die onwettige en mens der zonde), dat men Christus en Zijn koninklijke voorrechten en Zijn waarheid, of de minste nagelbreedte van Zijn uiterste wil, gesteld heeft in de nieuwe almanak van middelmatigheden, en dat men een wit onbeschreven blad heeft gemaakt in Christus’ Testament, dat men zou mogen opvullen en alzo de waarheid en hetgeen zij middelmatig noemen, onder elkaar mengen en samen spinnen, opdat de antichrist zijn waren te beter mochten verkocht worden. Dit is niet anders dan de vondst en de verzonnen droom van de mensen, van wie de gewetens ten uiterste vermetel zijn en die een keel hebben, waar een gesneden beeld, groter dan de kerkdeur, vrij door kan gaan. Ik ben zeker, dat, wanneer Christus ons allen zal uitbrengen in ons zwart en wit, op die dag, wanneer hij de tijd en de wereld zal doen ophouden en haar heerlijkheid in witte as zal leggen, gelijk een afgesneden meibloem, die haar bloesem verloren heeft, er weinigen, ja geen zullen zijn, die een stuk, de godsdienst en eer van onze Koning en Wetgever rakende, zullen durven middelmatig maken. O, dat deze verleide en geblinddoekte wereld wilde zien, dat Christus niet rijst noch daalt, niet staat noch ligt naar de mensen hun begrip. Wat is Christus te lichter, dat de mensen met Hem handelen door open uitroeping, gelijk men doet met geschroeid en te licht geld? Nu zet men Christus enige asen, ponden of schellingen af, en men wil, Hij zal gaan voor een penning of een pond, voor één of voor honderd, naardat de wind uit het oosten of uit het westen waait; maar de Heere heeft Hem alreeds onderzocht en gewogen; dit is Mijn geliefde Zoon, in Welke Ik Mijn welbehagen heb, hoort Hem. Zijn waardij en gewicht blijft staan. Ons staat het toe, Christus hoog te heffen en alle geschapen heerlijkheid voor Hem laag te zetten. O, dat ik Hem kon verhogen, Zijn Naam verhogen en Zijn troon verhogen! Ik weet en ben verzekerd, dat Christus wederom hoog en groot zal zijn, in Zijn arme verwelkte, van de zon gebrande kerk van Schotland en dat de spranken van ons vuur over zee en rondom zullen vliegen, om u en andere zusterkerken te verwarmen; en dat deze tabernakel van Davids huis, dat gevallen is, ja, deze woeste plaats van de Zone Davids weer zal gebouwd worden; ik weet, dat het gevangenhuis, de kruisen, vervolgingen en beproeving van de twee geslachte getuigen, die nu dood en begraven zijn, Openb. 11, en van de getrouwe belijders, een achterdeur en achteruitgang van ontkoming hebben; dat de dood, hel, wereld en plagerij alle vaneen zullen klieven en in tweeën splijten en ons een vrijer doortocht geven, om tolvrij daardoor heen te gaan en wij zullen al Gods goede goud uit de oven meedragen en achter ons niet anders dan ons schuim en droesem nalaten, wij mogen dan Christus voorshands als Overwinnaar uitroepen; Hij is als Koning gekroond op de berg Zions; God heeft Hem de kroon op Zijn hoofd gezet, Ps. 2. En wie zou deze Hem weer durven afnemen? Buiten twijfel heeft Hij een zware en harde twist met Zijn kerk en daarom wordt Hij genoemd Jes. 31:9, Hij die te Zion vuur, en te Jeruzalem een oven heeft. Maar als Hij zijn werk te Jeruzalem volbracht heeft, zullen alle Zionshaters zijn, als die hongerige en dorstige mens, die droomt dat hij eet en drinkt, en ziet als hij wakker wordt is hij mat, en zijn ziel is leeg. En dit voordeel hebben wij ook, dat Hij al de zwakheden van Zijn vrouw voor de zon en maan niet zal uitbrengen; het is de zedigheid van de huwelijkstoorn of manstoorn, dat onze zoete Heere Jezus niet met kijven op de straat zal komen, om alles de wereld te doen horen wat tussen Hem en ons is; Zijn zoete misnoegdheden en bekijvingen blijven onder dak, en dit omdat Hij God is.

      Twee bijzondere dingen moet u behartigen:

      1. Beproeft uwe belijdenis, en verzekert die, opdat u geen ledige lampen draagt; helaas, zorgeloosheid is ‘t vergif en de ondergang van het grootste deel van de wereld! Ach, hoe veel belijders gaan met een vergulde luister, en als in ‘t goud voor de mensen (die maar getuigen zijn van onze witte huid) en nochtans maar bastaarden en verworpen zilver zijn; merk hoe schoon sommigen voor de wind gaan, met opgehesen zeilen, en in ‘t wit, zelfs tot het punt van verlichting, Hebr. 6:5, en smakende de hemelse gave, de H. Geest deelachtig, en proevende het goede Woord Gods en de krachten der toekomende eeuw. En nochtans is dit maar een vals stuk van vernieuwing, en binnenkort zijn dezulke schielijk op de rotsen gebroken, en krijgen nooit de haven, maar stranden in de grond van de hel. O, maakt uw hemel zeker, en toetst, hoe u aan de bekering gekomen bent; opdat het geen gestolen goederen mogen zijn, in een schone luisterrijke belijdenis. Een schone huid over oude wonden maakt een onderrottend geweten; vals onderwater, dat niet gezien is, is gevaarlijk, en dat is een lek en reet in de grond van een verlicht geweten, dikwijls vallend en zondigend tegen ‘t licht. Het smart me zeer dat de heilige belijdenis van Christus door velen tot een toneelkleed gemaakt wordt, om een ijdele naam in ‘t huis te brengen, en dat men Christus doet dienen de oogmerken van de mensen. Dit is zoveel, alsof men een oven stopte met de klederen van een koning. Dan ook weet,

      2. Tenzij de mensen ‘t lichaam van de zonde pijnigen en doden, in geheiligde zelfverloochening, zo zullen zij nooit Christus’ martelaars en Christus’ getuigen zijn. Och, dat ik meester kon wezen van die huisafgod: mijzelf, mijn eigen, het mijn, mijn eigen wil, verstand, achting en gemak! Hoe gelukkig zou ik zijn! O, maar wij hebben van node, van onszelf verlost te worden, meer dan van de duivel, en van de wereld! Leer uzelf uit te stoten, en Christus in plaats van u in te nemen; ik zou een zoete ruiling en verwisseling doen, en oud voor nieuw geven, kon ik mijzelf uitschoffelen, en Christus mijn Heere in de plaats stellen van mijzelf, om te zeggen: niet ik, maar Christus, niet mijn wil, maar die van Christus, niet mijn rust, niet mijn lust, niet mijn geringe achting, maar Christus, Christus. Maar helaas, in onszelf te verlaten, en Christus te stellen voor onze afgod, onszelf, zo hebben wij nog een overspelig achteromzien naar onze oude afgod.

      O ellendige afgod, mijzelf, wanneer zal ik u geheel versmaad zien, en Christus geheel in uw plaats gesteld! Ach, dat Christus, Christus de volle plaats en bezitting van mijzelf had, dat al mijn beogingen, voornemens, gedachten en begeerten eindigden en landden op Christus, en niet op mijzelf! Evenwel al kunnen wij deze verloochening van mij en ‘t mijne niet bereiken, zodat wij kunnen zeggen: ik ben niet mijzelf, mijzelf is mijzelf niet, mijn eigen is niet langer mijn eigen, zo zal toch ons beogen hiervan, in al ‘t geen wij doen, aangenomen worden: want helaas, ik denk, dat ik sterven zal maar beginnende en er naar staande, om een Christen te zijn. Is het niet onze troost, dat Christus, de Middelaar van ‘t Nieuwe Verbond, tussen God en ons in ‘t werk is gekomen, zodat groene en jonge erfgenamen, die de zondaars zo gelijk zijn, nu een voogd hebben, die God is? En nu, God zij gedankt, onze zaligheid is op Christus gebouwd; ik ben verzekerd, dat Deze grond nooit uit de hemel en gelukzaligheid zal vallen. Ik zou wel duizendmaal de koop opgegeven hebben, was het niet dat Christus’ vrije genade onze zaligheid in handen had genomen. Bidt, bidt en strijdt met de Heere over uw zusterkerk; want het schijnt, dat de Heere bezig is, om uit te zien naar zijn verstrooide schapen, in de duistere en bewolkte dag. O, dat het onze Heere geliefde, de oude verwoeste en vervallen Tabernakel van David weer op te richten in Schotland, opdat wij de heerlijkheid van de tweede tempel in dit land mochten zien. O, dat mijn kleine hemel werd opgeveild tot een rantsoen van de eer van mijn Heere Jezus, onder Joden en Heidenen, dat er nooit dauw lag op mijn takken en dat mijn arme bloem verwelkt aan de wortel, zo Christus maar op de troon werd gesteld, en Zijn eer gevorderd door de gehele wereld, en bijzonder in deze drie koninkrijken. Maar ik weet, Hij heeft mij niet nodig, wat kan ik Hem toevoegen? Maar och dat Hij Zijn hoge en zuivere heerlijkheid wilde doen lopen, door zo’n vuile goot als ik ben! En hoewel hij de bloesem van mijn enige geringe vreugde, die ik aan deze zijde van de hemel had, heeft doen afvallen, namelijk mijn vrijheid om Christus aan zijn volk te prediken, zo ben ik nu daaraan dood, mits dat Hij maar uit mijn zwijgen en lijden heerlijkheid wilde houwen en trekken, heerlijkheid voor mijn koninklijke Koning. Och, dat ik mijn bekomst had van Zijn liefde; maar ik weet, dat kwade manieren maken een afkerige en vreemde bruidegom. Ik bid u ernstig om de hulp van uw gebeden, want ik vergeet u niet, en ik groet hartelijk in Christus de getrouwe herders, en eerwaarde belijders in dat land. Nu de God des vredes, die onze Heere Jezus, de grote Herder van de schapen, door ‘t bloed van het eeuwige Verbond uit de doden teruggebracht heeft, volmake u in ieder goed werk, om Zijn wil te doen, werkende in u, ‘t geen welbehaaglijk is voor Hem. Genade, genade zij met u!

      De uwe in zijn zoetste Heere Jezus, Samuel Rutherford
      Aberdeen, 4 februari 1638

       

    7. Aan de recht edele en uitverkoren Vrouwe, Mevrouw Markgravin van Kenmure
    8. Edele en uitverkoren vrouw,

      De eer, waar ik deze zestien jaren om gebeden heb, met onderwerping aan mijns Heeren wil, heeft mijn vriendelijke Heere nu aan mij verleend, namelijk te lijden voor mijn koninklijke en prinselijke Koning Jezus, en voor Zijn koninklijke kroon, en de vrijheid van Zijn koninkrijk, hetwelk zijn Vader Hem gegeven heeft. De verboden heren hebben mij gevonnist met afzetting en arrest binnen de stad Aberdeen. In ‘s konings naam is mij gelast, tegen de twintigste van de naastvolgende maand augustus, daar te gaan en daar te blijven, zolang het de koning goed vindt, gelijk zij het hebben voorgegeven. Hoewel Christus’ groene kruis mij vers opgelegd, wat zwaar valt, als ik de vele schone dagen gedenk, die zoet en troostelijk aan mijn ziel waren, en aan de zielen van vele anderen; en dat de jonge spruiten in Christus van de borst zijn afgerukt, en Gods erfdeel woest is gelegd, nochtans dat zoetriekende en geparfumeerde kruis van Christus is verzegeld met zoete verkwikkingen, met kussen van een Koning, met de blijdschap des H. Geestes, met geloof, van dat God het zuchten van een gevangene hoort, met ontwijfelbare hoop, van dat ik, zo zeker als mijn Heere leeft, na deze nacht het daglicht zal zien, en dat Christus’ lucht weer over mij opklaren zal, en over Zijn arme kerk; en dat Hij in een vreemd land onder vreemde aangezichten gunst zal geven in de ogen van de mensen, aan Zijn arme onderdrukte dienaar, die niet durft dan liefhebben, die lieflijke, die prinselijke Jezus, de Trooster van zijn ziel. Alles zou wel zijn, indien ik vrij was van oude beschuldigingen, wegens schuld en verzuim in mijn beroep, en wegens dat ik te weinig voor de kroon, eer en het koninkrijk van mijn Welbeminde gesproken heb. Och, dat ik nog een dag had om te pleiten voor Koning Jezus, in de vergadering van de heiligen! Indien mijn Heere nu ook tot het twisten voortgaat, dan sterf ik, ik kan het niet verdragen: doch ik wacht naar vrede van Hem; want Hij weet, ik mag van de mensen vijandschap dragen, maar de Zijne kan ik niet dragen. Dit is mijn enige kwelling, dat ik vrees, weinig goeds in mijn bediening gedaan te hebben; maar ik durf niet anders zeggen dan dat ik de kinderen van de bruiloftskamer heb liefgehad, en dat ik gebeden en gewenst heb om de voorspoed van het huwelijk, en de komst van Zijn Koninkrijk. Ik voorzie niet minder dan een oordeel over Galloway, en dat de Heere deze gehele natie zal bezoeken, wegens de twist van het verbond. Maar ‘t geen op mij, of iemand aan mij gelijk, kan gelegd worden, is te licht voor Christus. Christus wil meer lijden, ook de dood, en levend verbrand te worden, in Zijn zwakke dienaars, zelfs voor deze eerwaardige zaak, waar ik nu voor lijd. Nochtans niettegenstaande al mijn klachten (en Hij weet, dat ik nu niet durf veinzen) nooit is Hij zoeter en vriendelijker voor mij geweest dan Hij nu is; een kus nu, is zoeter dan tien over een tijd lang; zoet, zoet, zoet is zijn kruis, licht, licht en gemakkelijk is zijn juk. O, wat een zoete stap zou het zijn, tot in mijns Vaders huis door tien doden heen te stappen voor de waarheid en zaak, van die onbekende, en daarom niet half genoeg beminde plant van naam, de Man die genoemd is Spruite, de voornaamste boven tienduizenden, de schoonste onder de kinderen der mensen! Och, wat ongeziene vreugde, hoeveel heimelijke hartbrandingen van liefde zijn er in de overblijfselen van het lijden van Christus! Mijn lieve waarde vrouw, ik betuig het UEd. onder mijn hand (mijn hartschrift zowel als mijn handschrift) welkom, welkom, zoet; zoet en heerlijk kruis van Christus; welkom zoete Jezus met uw lichte kruis, Gij hebt nu al mijn liefde van mij gewonnen en verkregen; behoud wat Gij verkregen hebt. Alleen, wee, wee is mij, vanwege mijn beroofde kudde, wegens de lammeren van Jezus; die ik vrees, dat met droge borsten zullen gevoed worden; doch daarvan zwijg ik nu. Mevrouw, ik durf niet beloven UEd. te bezoeken, wegens de korte tijd, die mij vergund is; en ik heb voor, de koning te gehoorzamen, die macht over mijn lichaam heeft; en weerspannigheid tegen koningen betaamt Christus’ dienaren niet; gelieve aan Mevrouw Marre mijn geval bekend te maken. Ik wil verwachten, dat UEd. en die goede Mevrouw des Heeren gevangene bij God gedachtig zullen zijn, niet om mijnentwil maar om des Evangelies wil. Mevrouw, verbind mij aan UEd. (indien ‘t meer kan zijn) en schrijf aan uw broeder, mijnheer van Lorne, dat ik hem bedank, voor hetgeen hij voor mij, een arm, en aan UEd. onbekende vreemdeling, gedaan heeft; ik zal voor hem en zijn huis bidden, zolang ik leef; het is zijn eer, zijn mond op de straten te openen, voor zijn verongelijkte en onderdrukte Meester Christus Jezus. Nu, mevrouw UEd. en het zoete kind bevelende aan de ontferming van mijn eigen Heere Jezus, en aan de goedgunstigheid Desgenen, die in het braambos woonde, zo blijf ik

      De uwe in mijn eigen zoetste Heere Jezus, Samuel Rutherford

      Edinburgh, 28 juli 1636

       

    9. Aan de edele en christelijke Mevrouw, de Markgravin van Kenmure
    10. Mijn zeer waarde en lieve Vrouw,

      Genade, barmhartigheid en vrede zij u! Ik kan UEd. en dat zoete kind niet vergeten, ik wens te horen, wat de Heere aan u en aan hem doet; het zou liefde zijn, aan mij te schrijven. Ik kan niet nalaten aan mijn vrienden te schrijven, dat Christus mij in Aberdeen beschikt heeft en mijn vijanden mij hier gezonden hebben, om met liefdemaaltijden gevierd te worden bij mijn koninklijke, hoge, hoge en vorstelijke koning Jezus. Mevrouw, waarom zou ik Christus’ eerlijkheid smoren, ik durf Zijn goedheid aan mijn ziel niet verbergen; Hij zag mij wat stuurs en vreemd aan, toen ik hierin ‘t eerst kwam, maar ik geloof Hem Zelf beter dan Zijn aanschouwingen. Ik zal met Christus niet wederom twisten over een duister aanzien; nu heeft Hij het masker van Zijn aangezicht afgetrokken, en zegt, kust uw bekomst, en wat ik meer heb, terwijl ik de grote hemel krijg in mijn kleine armen. O hoe is ‘t lijden van Christus voor Christus; God vergeve het hen, die een kwaad gerucht brengen over het zoete kruis van Christus; het zijn slechts onze zwakke en duistere ogen, die maar op de zwarte zijde zien, die ons doen missen. Degenen, die dit bittere hout schielijk op hun rug kunnen nemen, en het fraaitjes daaraan hechten, zullen het zo’n last vinden, gelijk de vleugelen zijn voor de vogel, of de zeilen voor het schip. Mevrouw, het berouwe u niet, dat gij ‘t beste deel gekozen hebt; op mijn zaligheid, dit is Christus’ waarheid waar ik nu voor lijd; vond ik maar koude troost in mijn lijden, ik wilde anderen niet bedriegen; ik wilde het u rechtuit gezegd hebben; maar de waarheid is: ‘t is Christus’ kroon, Zijn scepter, en de vrijheid van Zijn koninkrijk, die nu in twijfel getrokken wordt, omdat wij niet willen toestaan, dat Christus schatting betaalt, en een Leenheer is aan de schilden van de aarde, daarom zijn de kinderen van onze moeder toornig op ons; maar het past Christus niet, iemands stijgb