De brieven

van

Samuel Rutherford

in leven professor en predikant aan de academie en kerk van St. Andrew’s in Schotland

In het Nederlands vertaald door

Jakobus Koelman

bedienaar van het Heilig Evangelie te Sluis in Vlaanderen

362 Brieven in drie delen

Deel 2, brieven 101-200

Inhoud

Brief van toeëigening aan de gemeente van Sluis in Vlaanderen *

Brieven, deel 2 *

101e brief. Aan meester Johannes Fergushill *

102e brief. Aan zijn eerwaarde en lieve broeder Mr. Robbert Douglas. *

103e brief. Aan zijn liefhebbende vriend Johannes Henderson *

104e brief. Aan meester Hugh Henderson *

105e brief. Aan de vrouw Robertland. *

106e brief. Aan de Graaf van Cassils *

107e brief. Aan de vrouw Rowaland *

108e brief. Aan Robbert Gordon, van Knobbrex *

109e brief. Aan mijnheer Balmerinoch *

110e brief. Aan Alexander Gordon van Knokgray *

111e brief. Aan mevrouw Marre de Jongere *

112e brief. Aan Jacobus Mac-Adam *

113e brief. Aan mijn zeer lieve broeder Willem Livingstone *

114e brief. Aan Willem Gordon van White Park *

115e brief. Aan Meester Georgius Gillespie *

116e brief. Aan Johannes Meine *

117e brief. Aan Mr. Thomas Garven *

118e brief. Aan Bethaia Aird *

119e brief. Aan Alexander Gordon, van Knokgray *

120e brief. Aan Johannes Fleming, Baljuw van Leith *

121e brief. Aan Robbert Gordon, van Knokbrex *

122e brief. Aan Alexander Gordon, van Earlestoun *

123e brief. Aan zijn eerwaarde en liefhebbende broeder Mr. Johannes Nevay *

124e brief. Aan Meester J. R. *

125e brief. Aan meester Willem Dalgleisch *

126e brief. Aan Maria Mac-Knaught *

127e brief. Aan Johannes Gordon, te Risco *

128e brief. Aan Mr. Hugo Henderson *

129e brief. Aan de vrouw Largirie *

130e brief. Aan Earlestown de Jonge *

131e brief. Aan meester Willem Dalgleisch *

132e brief. Aan de heer van Cally *

133e brief. Aan Johannes Gordon, van Cardones de Jonge *

134e brief. Aan mijnheer Boyd *

135e brief. Aan Robbert Gordon, burgemeester van Air *

136e brief. Aan Alexander Gordon, van Earlestown *

137e brief. Aan Johannes Lawrie *

138e brief. Aan meester Jacobus Fleming *

139e brief. Aan meester Johannes Meine *

140e brief. Aan Cardonnels, de oude *

141e brief. Aan de Graaf van Lothian *

142e brief. Aan Johanna Brown *

143e brief. Aan Robert Stuart *

144e brief. Aan de vrouw Gaitgirth *

145e brief. Aan meester Johannes Fergushill *

146e brief. Aan Johannes Stuart, Burgemeester van Ayr *

147e brief. Aan Carsluth *

148e brief. Aan Cassincarrie *

149e brief. Aan zijn gemeente te Anwoth *

150e brief. Aan Mevrouw Cardonness *

151e brief. Aan Sibilla Mac-Adam *

152e brief. Aan de heer van Cally *

153e brief. Aan Willem Gordon, te Kenmure *

154e brief. Aan Margarita Fullerton *

155e brief. Aan Willem Glendining *

156e brief. Aan Robert Lennox, van Disdove *

157e brief. Aan Johannes Fleming, Burgemeester van Leith *

158e brief. Aan Willem Glendining, Burgemeester van Kirkcudbright *

159e brief. Aan Robbert Gordon, van Knokbrex *

160e brief. Aan Earlestown, de Jonge *

161e brief. Aan Johannes Gordon *

162e brief. Aan meester Hugh Mackaill *

163e brief. Aan Jacobus Murray *

164e brief. Aan Johannes Fleming, Burgemeester van Leith *

165e brief. Aan Earlestown, de oude *

166e brief. Aan Meester Johannes Fergushil *

167e brief. Aan Willem Glendining *

168e brief. Aan Mevrouw Culross *

169e brief. Aan mevrouw Cardoness *

170e brief. Aan Janneken Macculloch *

171e brief. Aan mijnheer Craighal *

172e brief. Aan zijn eerwaarde en lieve broeder, Mr. Robert Blair *

173e brief. Aan mevrouw Carleton *

174e brief. Aan mijnheer Craighall *

175e brief. Aan Johanna Gordon *

176e brief. Aan Crissal Fullerton *

177e brief. Aan Patrick Corsen *

178e brief. Aan Johannes Carsen *

179e brief. Aan mevrouw Boyd *

180e brief. Aan de vrouw Cardones de oude *

181e brief. Aan Mr. Jacobus Hamilton *

182e brief. Aan juffrouw Stuart *

183e brief. Aan Mr. Hugo Rackaill *

184e brief. Aan Alexander Gordon, van Garlok *

185e brief. Aan Johannes Bell de oude *

186e brief. Aan Willem Gordon, van Robertown *

187e brief. Aan mevrouw Boyd *

188e brief. Aan Mr. Thomas Garven *

189e brief. Aan de heer van Moncriefe *

190e brief. Aan Johannes Clark *

191e brief. Aan Cardones, de oude *

192e brief. Aan Cardonness de Jonge *

193e brief. Aan Carletown *

194e brief. Aan vrouw Busbie *

195e brief. Aan Fulwood, de jonge *

196e brief. Aan Mr. Hugo Mackaill *

197e brief. Aan zijn eerwaarde en lieve broeder Mr. David Dickson *

198e brief. Aan zijn eerwaarde en lieve broeder, Mr. Johannes Levingstone *

199e brief. Aan Mr. Efraïm Melvin *

200e brief. Aan een edele vrouw, op de dood van haar man *

 

 

 

  1. Brief van toeëigening aan de gemeente van Sluis in Vlaanderen
  2. Mijn waarden en geliefden in de Heere Christus!

    Alzo ik hier wederom een bekwame gelegenheid heb, om in druk tot ulieden te spreken, zo wilde ik die niet laten voorbijgaan, maar tot uw voordeel en verkwikking zodanig waarnemen, dat de Heere zodoende verheerlijkt, en de gemeente van Nederland daardoor mocht gesticht worden. Want (gelijk ‘t blijkt) ‘t gelieft toch Hem, Die alles werkt naar de wijze en soevereine raad van Zijn wil, en Die verkiest en gebruikt ‘t verachte en zwakke en ‘t geen niets is, opdat Hij ‘t geen iets is, te niet make, mij niet meer zo bijzonder voor ulieden dan wel voor de Nederlandse Kerk in ‘t algemeen te gebruiken. Hij wil, dat ik nu zal zaaien aan alle wateren, en tot een staande getuige verstrekken tegen de menselijke vonden, die in onze kerk, omtrent het stuk van godsdienst gebruikt en gehandhaafd worden, en tegen de overweldiging, aanmatiging en inpalming van ‘t recht van de kerk en van Christus’ macht, door de burgers in ons land, en bijzonder ook tegen de opzieners hun nalatigheid, lafhartigheid, en onwilligheid, om het werk van de hervorming en zuivering van Gods huis in ‘t midden van ons te aanvaarden, en ernstig voort te zetten, in de punten, waarvan haar een register tot volle overtuiging is voorgehouden, niet alleen in het boekje, genaamd: "De wekker der leraren in tijden van verval", maar bijzonder en met uitbreiding, in een boek, uitsluitend tot dat doeleinde uitgegeven, onder deze titel: "De punten van nodige reformatie, omtrent de Kerk, Kerkelijken en Belijders van de Gereformeerde Kerk van Nederland"; opdat zij geen onkunde mochten voorwenden omtrent het werk dat op hun hand ligt. Ik hoop daarin zonder ophouden voort te gaan; och of de Heere mij barmhartigheid gaf, om getrouw te zijn, hetzij de burgerlijken en kerkelijken het horen en aannemen zullen, hetzij dat zij het laten zullen; totdat ik mijn getuigenis in deze met mijn leven zal voleindigd hebben, om het alsdan voor de Heere, die mij daartoe gezonden en afgezonderd heeft, op te brengen, opdat Hij te zijner tijd na mijn dood, (want als nog schijnt het niet, dat zulks in mijn leven wezen zal; en och, mocht het zijn, ‘t zou mij een dubbel leven en een kleine hemel op aarde zijn, mocht ik de reiniging van deze vervuilde kerk van Nederland zien!) die betuigde gewichtige waarheden doe handhaven, en behartigen en heerlijk blinken; want hiervan ben ik verzekerd, en ‘t is bij mij alzo ontwijfelbaar, als dat er een veel heerlijker staat van de kerk, met de inkomst van de Joden volgens de veelvuldige profetieën daarvan zijnde, op aarde zal komen. De Heere zal nog die onderdrukte, gelasterde en gesmade waarheden, hoe weinig onze leraars dat ook willen denken en geloven, als die menigmaal niet ontzien, dezelve voor inbeeldingen, beuzelingen en verachtelijke kleinigheden uit te krijten, in ‘t midden van zijn kerk in heerlijkheid stellen; en Hij zal, benevens verscheidene andere ingekropen abuizen en verdorvenheden, wel bijzonder uit Zijn kerk als drek en vuiligheid uitwerpen en weg doen de ziel- en kerkverdervende en Geestuitblussende formulierdienst, en de Godtergende, bijgelovige en afgodische feestdaghouding. Ook zal Hij de overheden doen schrikken en sidderen, om zich in het toekomende, gelijk weleer, en nu, meesterlijk en heersachtig in ‘t midden van Zijn kerk aan te stellen, en op de Heeren Jezus Zijn troon te klimmen, om naar haar goedvinden leraars op en af te zetten, de kerk wetten te geven, en met een oppergezag in kerkelijke zaken te vonnissen en te oordelen, en rechterlijk en met een geweldigen arm die te behandelen, en de leraars als hun knechten en dienaars aan te zien en te bejegenen. En alsnu vernieuw ik voor geheel Nederland mijn meermalen gegeven getuigenis, en uitdrukkelijke protestatie, tegen ‘t geen de Heren Staten Generaal, en de H.H. Staten van Zeeland in het bijzonder tegen mij, hoewel een van de minste en geringste dienaars van de Heere Jezus Christus in het werk van het Evangelie, gedaan hebben, als zijnde tot verongelijking en terging van Hem, de enige Heere en Wetgever in Zijn huis, en tot bittere verdrukking van Zijn gemeente, waarin hij mij zelf gesteld en gezegend had, en tot vertreding en verkorting van de kerkelijke macht en recht op het schrikkelijkste. En ik vermaan en waarschuw nogmaals mijn mededienstknechten en broederen, dat ze niet langer tegen hun geweten en uit mensenvrees, stilzwijgen; maar vrijmoedig roepen uit de keel tegen deze blijkelijke onderdrukking, vertrapping en overweldiging van de kerkelijke macht; en dat ze voor de Heere Jezus Zijn kroon en scepter opstaan, en onbeschroomd voor ‘t recht van die Koning verklaring en betuiging doen, zowel in kerkelijke en publieke vergaderingen, als in geheime aanspraken, indien zij niet ontrouwe dienstknechten en gezanten bevonden willen worden in de dag van hun rekening. Ik weet wel, en erken het, ik ben zo gering, onwaardig en verachtelijk in mij zelf, dat het geen wonder, en ook daar zeer weinig aan gelegen was, al wilden kerkelijken noch burgerlijken niet eens aan mij denken, veel minder voor mij spreken; maar vermits ik in deze Christus’ smaadheid draag, en omdat in mij dusdanig te verstoten, Christus Jezus Zelf voor zover van Zijn troon gestoten is, en anderen Zijn plaats en macht ingenomen hebben, en aangezien men ook in mij te hinderen van mijn bediening, voor vervloekte mensenvonden, wetten en vaderlijke overleveringen omtrent het stuk van de godsdienst, meer dan voor Zijn inzettingen en geboden geijverd en gearbeid heeft; zo betaamt het hun, die zich aan Hem beproefd willen voorstellen, dat ze als Zijn getrouwe gezanten en agenten, in zo’n voorval en gelegenheid van de tijd, hun mond tegen Zijn bestrijders openen, en aan de waarheid getuigenis geven, al zouden zij in gevaar zijn, van door kerkelijken of burgerlijken bestreden, gehaat, ja uit hun standplaats en bediening uitgeworpen te worden; dat indien zij nalaten, ja veeleer voortgaan de burgerlijken met woorden en werken te stijven en te bevestigen in hun doen en Gods waarheden en bevelen (de oorzaken van mijn lijden) in ‘t geheim en op de preekstoelen lasteren en hatelijk maken; zo zal ik voorts, gelijk ik dagelijks doe, ‘t zelf aan de Heere klagen, en bidden, dat Hij eenmaal Zelf deze zaak richt, en op Zijn tijd en wijze daarvoor ijvert, en aan burgerlijken en kerkelijken hun verdiende rechtvaardige vergelding niet geeft, wegens hun overtredingen tegen Hem, en kleinachtingen van Hem en van Zijn eer; maar dat Hij hun de ogen genadig opent, en hen overtuigt, bedroeft en verootmoedigt, om te komen neervallen voor Zijn voeten, en aanbiddende, niet alleen verzoening en kwijtschelding van hun zware misdragingen, maar ook genezing van hun veelvoudige gebreken in deze zowel als in veel andere dingen, te verzoeken.

    Nu wend ik mij wederom rechtstreeks tot ulieden, waarden en beminden in Christus, om een tijdig en nuttig woord tot ulieden te spreken. Ik heb, gelijk gijlieden weet, onlangs in des Heeren voorzienigheid op een rustdag, een zeer schone gelegenheid gehad, wanneer een goed getal van ulieden, nevens veel anderen die van elders toekwamen, samen vergaderden buiten uw stad Sluis, om tot ulieden onderrichting en opwekking, besturing en vertroosting te spreken; en ik dank de Heere voor die goede ontmoeting, die wij daar hadden; omdat wij met Jakob mochten zeggen, hoe ongelegen anders die plaats was, de Heere was gewis aan die plaats, het was een huis Gods. Doch de satan kwam ook daar onder de kinderen Gods, om zijn werk te doen; want hij, vrezende, gelijk wel bleek voor een ieder, die zijn gedachten niet onbekend zijn, dat zijn koninkrijk daardoor enige afbreuk zou lijden, verwekte een boos instrument, als een andere Tobias en Sanballat, om het goede, dat te doen stond, te verhinderen, gebruikende daartoe een uit het midden van ulieden, die hoedanig een hij is, en lang geweest is, gijlieden best weet, en daarom onnodig hem te beschrijven. Deze ellendige vond zich aangepord, och of hij gemerkt had waardoor en door wie, om ten uiterste wat hij kon, hoewel hij niet kon, niets hebbende van hoger hand, veel minder van de Heere, enige last of commissie daartoe, door zich en door anderen, onze ontmoeting en oefening van gemeenschap, en zo de gewone stichting en verkwikking te voorkomen, en te hinderen, doende alzo nog boven al zijn gruwelen ook deze, welke hem, dit wilde ik hem als zijn leraar uit Gods Naam aanzeggen, als gloeiende jeneverkolen en hels vuur en sulfer op zijn hart zullen liggen branden tot in eeuwigheid, indien hij zich niet bekeert, en in deze zijn dag geen genade zoekt. Doch van die bekering is weinig hoop te scheppen omtrent iemand, die de overtuigingen en knagingen, ontsteltenissen en bassingen van het geweten, in ziekten en andere gelegenheden, meermaal tegengestaan en verdoofd heeft, en die zichzelf aldus verhard, en zijn geweten als met een brandijzer toegeschroeid heeft. Nochtans omdat bij de Heere God alle dingen mogelijk zijn, en Hij tot verbaasdheid van engelen en mensen in Zijn grote barmhartigheid menigvuldiglijk vergeeft, zo is het mijn hartelijke wens en bede voor hem, dat de Heere hem mocht grijpen in het hart, en hem trekken uit dit vuur, en uit de macht des satans (bij wie hij als een gebonden slaaf levendig gevangen is naar zijn wil) en alzo verheerlijken Zijn oneindige rijkdom van Zijn genade aan zo iemand! Maar toch de satan kreeg toen zijn wil niet. Neen, de Heere heeft ons evenwel die heiligen sabbat genadig geschonken, om op dezelve onze harten in gezangen, gebeden en dankzegging, samen tot Hem op te heffen, en om zijn H. Woord te spreken en te horen; hetwelk was tot onze grote blijdschap en vrolijkheid. En waarlijk, de God der goden, de Heere die hoger is dan de Hoge, gelijk de God des hemels en der aarde, heeft Zich daaromtrent ons niet onbetuigd gelaten. Hij was daar zonderling in genade in ‘t midden van ons op het veld, tonende Zijn welgevallen in onze ontmoeting door de werkingen van zijn Geest; wat ook de nijdige en boosaardige Ismaëls en Ezaus daarvan mochten zeggen of denken. Ik merk het dan aan, als een zonderling bewijs van gunst, dat mij de Heere gaf, en als een verzegeling, dat de zaak, waarvoor ik de uitstoting en omzwerving lijd, van Hem geëigend en behartigd wordt, hoewel van kerkelijken en burgerlijken bestreden, gesmaad en vervolgd. En ik dacht toen met heuglijke blijdschap aan de gezegende veldvergaderingen, welke de getrouwe leraars en oprechte belijders in ‘t koninkrijk van Schotland nu ettelijke Jaren herwaarts, met de grootste voorspoed van het Evangelies, en tot bekering van duizenden, zo ik goed onderricht ben, gehouden hebben, hoewel dodelijk vervolgd en gehaat van de afvallige en meinedige overheden en kerkelijken daar; en ik was in veel verwachting, dat de Heere op die ene dag wel zoveel zegen over mijn bediening mocht zenden onder die menigte, welke mij daar kwamen horen, als ik anders te Sluis in vele maanden niet zou gehad hebben. Ook had ik gemeend, en gijlieden dacht niet anders, dat dit wellicht de laatste maal zou zijn, dat wij elkaars aangezicht op aarde zien, en ik tot ulieden het woord openlijk spreken zou; want er was een beroep of nodiging uit Herford in Duitsland op mij gevallen, en ik had het, (behoudens altijd mijn recht en verbinding aan de kerk van Sluis, tot welke ik op des Heeren tijd zou willen terugkeren, wanneer mijn plaats weer leeg gemaakt werd van hem, die dezelve nu ingenomen heeft, en als zij, die mij nu geweldig weerhouden, zich zouden bekeerd hebben, of uit het midden zouden weggedaan zijn), bij voorbaat aangenomen, horende dat daar enige goede zielen hongeren en dorsten naar een zuivere en geestelijke bediening van het Evangelie, en gewillig zijnde, om waar de Heere een deur opent, tot een vrije en onverhinderde uitvoering van mijn opgelegde last en commissie, mij derwaarts heen te begeven; maar nu heb ik van daar zekerlijk verstaan, en ik maak het ulieden tegelijk bekend, dat er verhindering tussen is gekomen, zodat de Heere mij nu klaarblijkelijk toont, dat Hij mij derwaarts niet zenden wil; want die prinses, in wiens hof ik zou prediken, maakt nu zwarigheid, om mij bij haar te hebben, zo zij laat weten, omdat ik op de feestdagen, niet zou willen prediken, hetwelk Haar Doorluchtigheid oordeelt, een grote aanstoot en ergernis te zullen zijn voor de lieden in die plaatsen, zo blijkt het alleszins, dat die onheilige heilige dagen, afvloeiende van het afgodische en bijgelovige pausdom, diep ingeworteld zijn in de harten van de mensen, en dat het nu immers meer dan tijd is, dat elk getrouw dienstknecht van Christus zijn best doet om die mensenvonden en vuiligheden, en leverijen van de hoer van Babel, de kerk uit te werpen, als welke nooit in Gods hart zijn opgekomen, om die in Zijn kerk in te stellen en op te leggen, behalve dat Haar Doorluchtigheid mij heeft doen verzoeken, en voldoende antwoord afvorderen, en dat ik niet tegen de formulierbidders, en formulierlezers zou prediken, noch de Coccejaanse kwesties aanraken, en mij ook voorts voegen naar de orde van de Hoogduitse Gereformeerde Kerken, in ‘t bidden, preken, avondmaal houden enz. Nu ik versta, dat daar het avondmaal op de hoogtijden van Kerstmis, Pasen en Pinksteren gehouden, en niet aanzittende, maar staande en wandelende uitgedeeld wordt, en dat ik daar gewoon op de rustdag maar eens zou prediken, alzo de prinses gezind is, gelijk voordezen, op de namiddag in de Lutherse kerk te gaan, om de goede correspondentie met die lieden te houden. Nochtans had men mij volstrekt beroepen, en al de vrijheid die ik mocht wensen, beloofd. Ik heb mij hierover niet duister verklaard aan die prinses, en ik merk wel, indien ik van ‘t nieuwe gevoelen was geweest, en de goddelijke verbintenis van ‘t vierde gebod niet had erkend, maar een ruim geweten omtrent de heiliging en onderhouding van die dag had gehad, en anderen ook zo geleerd had; indien ik de vaderlijke overleveringen en bijgelovige tijden had willen onderhouden, al had ik anders op menige sabbat of niet, of maar eens gepredikt, indien ik mijn prediken naar het humeur van een mens wat had kunnen schikken en voegen, en iets van Gods wil en Woord had willen verzwijgen en de oude palen en gewoonten geenszins verzetten, en alle leraars rondom in hun rust, manier en vormen laten, dan had ik daar een recht aangenaam leraar geweest; maar nu ik Gods Woord zuiver wil volgen, en geheel de raad en wil des Heeren verkondigen, en besloten ben tegen alle zonden en fouten, kwade gewoonten, voegingen, vleselijk bezadigdheid, inschikkelijkheid, correspondenties en genaamde voorzichtigheid van de kinderen van deze wereld mij te stellen, en alle sleurdienst, bijgeloof en bijgelovige tijden en dagen, enz. tegen te gaan en te verwerpen, en de sabbatten geheel in openlijke en geheime oefeningen door te brengen, en anderen daartoe te dringen, en zo alles naar de regel van ‘t Woord te schikken, zo wil men mij wel graag missen, en men zoekt liever een ander, die beter alles, wat daarin oefening is, zal kunnen inschikken. Ik ben wel tevreden, hier in ons land te blijven, en berust in deze voorzienigheid Gods, als mij ten goede; mij verzekerende, dat mij gelijk tot nog toe, zo ook in ‘t vervolg van mijn leven, genoegzame gelegenheid van de Heere zal gegeven worden, wat ook de kerkelijken in kerkeraden en Synoden, en elders daartegen woelen en woeden, om mijn talent aan te leggen. Nu is er ook hoop, dat wij elkaar meer mochten zien; immers dat ik met schrijven, indien ‘t niet geschieden kan door mondelinge aanspraak, ulieden meermaal tot opwekking zal zijn; gelijk ik ook nu graag was. Ik heb op die gewenste dag des Heeren tweemaal tot ulieden gepredikt uit Gal. 2:19,20, en toen in het brede een evangelische en beweeglijke nodiging, naardien ik kon, uit de Naam mijns Heeren Jezus Christus gedaan, en helder aangetoond, hoedanig men aan de wet zou sterven, en Gode leven, mits volgens het evangelie, en de eis van ‘t genadeverbond, Christus te maken tot de Fontein van al ons geestelijk leven, troost, heiligheid en sterkte; en tot besluit deed ik mijn beklag over enige dingen, en gaf ettelijke regelen tot ulieder besturing. Het zal niet van onnut zijn, dit in het kort te verhalen en te noemen, doch zonder uitbreiding. Mijn beklag deed ik over enige dingen omtrent mij, en over enige dingen omtrent ulieden. Omtrent mij, beklaagde ik, en betuigde leedwezen over deze vier dingen: 1. Over mijn gebrek aan ernst en geestelijkheid in ‘t openbaar prediken en bidden, terwijl ik onder ulieden was. 2. Over mijn afzwerven in mijn prediken. tot vele dingen, in plaats van gedurig Christus, het evangelie, en ‘t genadeverbond in haar volheid en heerlijkheid voor te stellen. 3. Over mijn gebrekkige, en niet zo voorbeeldig heilige wandel in ‘t midden van ulieden gelijk het betaamde. 4. Over mijn gebrek en veelvuldig verzuim omtrent de huisbezoeken, mij met studeren ophoudende, als ik had moeten gaan van huis tot huis; over deze vier dingen beklaagde ik mij bijzonder; doch ik betuigde mij geenszins te beklagen over mijn verwerping en bestrijding van de formulierdienst, van de feestdaghouding, en van de uitsluiting van de kerkelijke macht door de overheden, noch ook over mijn lijden wegens dat mijn doen; maar integendeel, ik ontdekte ulieden mijn vreugde en zoete verkwikking, die ik daarover, en daarin vond, gevende de Heere dat getuigenis, dat ik mijn honderdvoud ontving met de vervolging, zodat mij niet alleen niets ontbrak naar het lichaam, maar ook dat onder al de bittere tegenkanting van de leraars hier en daar, nochtans de Heere niet naliet mijn werk te zegenen, en schijnsel daarover te geven, ten goede van vele zielen. Omtrent ulieden deed ik mijn beklag over deze drie dingen: 1. Dat ik hoorde, dat sommige goeden onder ulieden wankelende waren, en naar enige dwalende bevattingen en wijzen van doen overhellende. 2. Dat ik alleszins verstond, dat er verslapping en ijverloosheid in ‘t midden van ulieden te bespeuren was, openbaar en geheim. 3. Dat ik zekerheid had, dat sommigen, die bij ons voor ontwijfelbaar vroom gerekend werden, tot enige merkelijke en snode ergernissen vervallen waren. Hiertegen gaf ik ulieden de navolgende besturingen. Eerst belangende uw gedraging omtrent de ganse Kerk; ik zeide: 1. Helpt deze Kerk van Nederland reformeren, biddende en werkende daartoe, naar uw standplaats. 2. Wacht ulieden zeer van scheuring en afscheiding van de Kerk, en van al zulke personen, hoe schoon zij u ook voorkomen, die de afscheiding praktizeren en leren. 3. Wacht u voor gronden, maximen en stellingen, die voor zich tot scheuring dienen, en daartoe de weg banen, als namelijk: 1. Dat het gehoor van de prediking des Woords, al heeft men gelegenheid, niet volstrekt nodig is, en dat men dezelve wel zou mogen en kunnen missen, als men goede kennis heeft, en zich in ‘t geheim veel oefent even alsof het geen altijd verbindende instelling was. 2. Dat men met een, naar ons oordeel, geesteloze, natuurlijke, en onherboren leraar geen voordeel kan doen, en men niet gehouden is hem te horen; ja dat een zodanige voor geen leraar te houden is. 3. Dat het H. Avondmaal te genieten, zo wanneer men gelegenheid heeft, niet iedereen nodig is, en dat men zonder dat alzo wel zal groeien en getroost zijn. 4. Dat men op de sabbatdag de morgen en namiddag openbare godsdienst niet gehouden is waar te nemen, maar dat men met één kerkgang tevreden mag zijn, en dat men ook op de werkdagen, als er gepredikt wordt, en wij gelegenheid hebben, niet gehouden is naar de kerk te gaan. 5. Dat men in het toelaten tot de gemeenschap van de Kerk, en in het afhouden ervan, eerst moet oordelen, of iemand wedergeboren is, en als men hem zodanig niet meent te bevinden, al is hij onergerlijk van wandel, en kennis heeft van de grondwaarheden, dat men hem moet afhouden, of afsnijden. 6. Dat men zich mag, ja moet afhouden van ‘t genot van het Avondmaal, wanneer men ziet, dat door de leraars tot de heilige tafel worden toegelaten onwetenden, ergerlijken of onherborenen; alsof dat ‘t middel was van God ingesteld om de opzieners tot hun plicht te brengen. 7. Dat er geen zichtbare Kerk van Christus is, waarin goede en kwaden, herborenen en onherborenen zijn, onderscheiden van de onzichtbare Kerk van de ware gelovigen; maar dat de vromen en begenadigden alleen van de Kerk zijn, en de anderen buiten de Kerk als de heidenen, en derhalve dat ook de kinderen van de onwetenden, ergerlijken, onherborenen, de doop niet toekomt, noch diende bediend te worden. Dit waren de besturingen, die gijlieden hebt waar te nemen omtrent de Kerk en tegen de scheuring. Ten andere: omtrent uw leraars, die Christus over ulieden gesteld heeft, neem deze drie regelen waar: 1. Wekt hen op tot hun plicht, in leer en wandel, en zegt hen, dat ze hun bediening vervullen. 2. Maakt hen niet kleinmoedig en slap, en slapper, door hun predikdienst te verzuimen, en door achter hun rug of in hun aangezicht verkeerd en smadelijk van hen te spreken. 3. Hebt ze lief, en eert ze in uw hart, en alleszins, en acht ze hoog om huns werks wil, en hebt medelijden met hun zwakheden, als u die ziet, en bidt te meer voor hen. Doch aangaande de leraar D. Doelman, die mijn plaats tegen mijn wil heeft ingenomen, gedenkt wat ik aan hem, en aan ulieden hem aangaande, geschreven heb; u kunt hem horen, doch houdt hem niet voor uw leraar. Ten derde, neemt omtrent uw naasten deze besturingen. 1. Wekt uw liefde veel op, eerst tot de vromen, dan ook tot natuurlijke mensen, tot uw vrienden, en buren. 2. Legt uw talenten en geraden en gaven veel aan, tot nut van uw naasten, en scherpt elkaar op ten goede. 3. Laat uw onderlinge geheime vergaderingen niet na. 4. Leest en verkeert samen in vrede en enigheid, hoewel elkaar bestraffende en vermanende, naardat de gelegenheid vereist. 5. Verdraagt elkaars zwakheden, gebreken en vergissingen, en komt de dwalenden te hulp, gedenkende, dat wij in de strijdende Kerk zijn, waar alles onvolmaakt is. Ten vierde, omtrent uw eigen wandel, onderhoudt deze weinige regelen: 1. Wacht u van ergernissen te geven of te nemen, en waakt daartegen. 2. Viert de sabbat uit kracht van ‘t vierde gebod, en houdt die leer vast in uw oefening. 3. Neemt uw geheime geestelijke oefeningen naar uw geweten en teer waar. 4. Doet uw huisplichten dagelijks omtrent uw huisgenoten. 5. Weest ijverig van geest in uw samensprekingen van ‘t goede, in uw godsdiensten, in voor Gods eer, wet, en waarheid, en kinderen, en voor de stichting te staan, en te werken. Dit alles heb ik toen gezegd, en opdat het niet vergeten worde, stel ik het hier ter gedachtenis.

    Nu laat mij toe, dat ik ulieden enige verdere besturingen omtrent uw beoefening van de godzaligheid geef; welke deze zijn.

    1. Besturing. Zoekt te hebben een diepe en blijvende indruk, en heldere kennis van de boosheid en verdorvenheid van uw hart, zoals ‘t van nature is, en zelfs nog na de bekering in de gelovigen is; houdt altijd een vers gevoelen en geheugen van uw zwakheid, armoede, en ellende; laat gedurig op uw ziel liggen een overtuigdheid, en klaar besef van uw machteloosheid en bedrieglijkheid van het hart; want dit is zeker, en ontwijfelbaar: u hebt in uw boezem een hart, dat door en in zichzelf vijandschap is tegen God, hatende God en Zijn wegen en wetten, en weerspannig zijnde tegen al Zijn aanbiedingen en vriendelijkheden; u hebt in uzelf een lichaam der zonde, dat ten allen dage ten kwade neigt, aanzet en beweegt, ja soms trekt en drijft, en dat altijd het goede tegenstaat, en zich daartegen aankant, en daartegen spreekt en werkt; een hart, dat ondankbaar atheïstisch, afgodisch, zich zelf zoekende en beestachtig is; u hebt vlees in u, dat strijdt tegen de geest, dat is tegen ‘t werk en genade van God in de ziel, en dat niet toelaten wil, dat de ziel iets goeds doet, immers niet op een rechte wijze, en tot een recht einde; en hetwelk de ziel ras drijft tot een koers van weerspannigheid tegen God, en haar aftrekt van God recht te dienen, verwekkende daarin kwade bewegingen en genegenheden, en verkiezende de zijde van de zonde; u hebt een hart, dat verraderlijk en bedrieglijk is boven alle dingen, zoekende de mens alleszins te verderven en te verstrikken, ‘t verstand te verduisteren, en met vooroordelen te bezetten, en de wil en genegenheden te misleiden, te vervoeren, en gevangen te leiden achter de ongeoorloofde lusten. En daarbij moet u altijd denken, dat u in uzelf noch verstand of wijsheid, noch kracht of sterkte hebt, om die boze, machtige en listige vijand, die binnen in uw ziel, gemoed, hart, en genegenheden verblijft, tegen te staan, om de verdorvenheid te doden, en de plichten recht te betrachten; en dit alles volgens de teksten: Rom. 8:7,13; Gal. 5:17; Rom. 7:14,15, enz., 23,24; 1 Kor. 2:14; Hebr. 12:1; Jer. 17:9; 2 Kor. 3:5; Joh. 15:5; Jak. 1:13,14.

    2. Besturing. Arbeidt, om Jezus de Middelaar terdege te kennen; zoekt een vast en breed besef, en een krachtige overtuiging te hebben door het Woord en door de Geest, van Jezus’ volheid en algenoegzaamheid, van Zijn vriendelijkheid, meedogendheid en barmhartigheid, van Zijn volvaardigheid en willigheid, om zielen te behouden, en arme zondaars te helpen, en van Zijn getrouwheid en waarheid, in Zijn beloften uit te voeren. Dit moet bij u klaar en vast liggen: de Heere Jezus is algenoegzaam, volkomen welvoorzien van alles, wat een zondaar nodig heeft, namelijk van ogenzalf, kleding, en goud met het vuur beproefd, van wijsheid en heiligmaking; bij Hem is een volheid, ja alle volheid, juist naar de eis en nood van de arme zondaars, recht gevoeglijk en passend op hun geval; Hij is ten volle en rijkelijk aangedaan met alle hoedanigheden, die Hem bekwaam maken, om volkomen zalig te maken allen, die door Hem tot God willen komen, als hebbende alle macht in hemel en op aarde, en bijzonder ook om de Geest te zenden, alles onder zijn voeten gesteld zijnde; want ‘t behaagde de Vader, dat alle volheid in Hem wonen zou, en al de schatten, onnaspeurlijke schatten in Hem, ten goede van de zondaar verborgen zouden zijn, zodat Hij alles kan zijn in en aan allen, en tot alles, waartoe zij Hem mochten wensen te gebruiken; en niet alleen is Hij algenoegzaam, maar ook zeer meedogend en volvaardig, om ellendige zondaars met Zijn genade en sterkte te helpen; Hij is een teer en medelijdend Hogepriester, Hij heeft tere ingewanden, zodat Hij het gekrookte riet niet zal verbreken, noch de rokende vlaswiek uitblussen; Hij weet medelijden te hebben met de ellendige en verachte; en Hij staat ambtshalve verbonden als een Profeet, Leider en Gebieder van het volk, om te zijn de Weg, de Waarheid en het Leven, voor degenen die tot Hem komen, om tot de Vader gebracht te worden; Hij is de Borg en Middelaar van het Verbond; Hij is de Vader Zijn knecht, en heeft commissie en last van Hem, dat Hij een ieder, die Hem aanschouwt en in Hem gelooft, het eeuwig leven geeft, en heerlijk opwekt ten uiterste dage. En Zijn Naam is Amen, de Getrouwe en waarachtige Getuige, die ‘t geen Hij beloofd en ondernomen heeft, ook doen zal. Zoekt dan naast de kennis van uzelf, dat is van uw boosheid, verdorvenheid en machteloosheid, de kennis van de Heere Jezus; bestudeert Zijn rijkdom, genade en goedheid, en legt gedurig onder de klare en krachtige overtuigingen, dat Hij is en alles heeft, wat u tot de Godzaligheid en zaligheid nodig hebt, als die de Naam met recht draagt, dat Hij alles in allen vervult; want zo spreekt de Schrift, Joh. 17:3; Kol. 3:11; Ef. 1:22,23; 3:8; Kol. 1:19; 2:3,9,10. Hebr. 7:25; 1 Kor. 1:30; Openb. 3:18; Matth. 28:18; Jes. 11:2; 61:1,2; Joh. 15:26; Jes. 42:2; Hebr. 2:17,18; 4:15,16; 5:2; Openb. 1:5.

    3. Besturing. Beschouwt verstandig en gelovig de natuur en de inhoud van de drie Verbonden van God, ‘t Verbond der werken, ‘t Verbond der verlossing en ‘t Verbond der genade. Het eerste met Adam en al zijn nakomelingen in hem; het tweede met Christus de Middelaar; het derde met de uitverkorene gelovigen. Beschouwt wat een heerlijkheid en geluk er was in ‘t Verbond der werken, dat God aanging met de mens in het begin, en hoe onmogelijk het nu na de val is, dat Verbond in enig deel te volbrengen, en derhalve hoe het nu geenszins een weg van het leven en van de gerechtigheid kan zijn; zodat allen, die onder dat Verbond staan en blijven, eeuwig verloren moeten gaan. Maar wendt dan uw ogen tot het Verbond der verlossing of borgtocht dat Jehovah met Zijn Zoon als Middelaar en Borg gemaakt heeft van eeuwigheid, nopende de weg, om de uitverkoren zondaars tot de heerlijkheid te brengen, en merkt verstandig op wat Christus daarin ondernomen, en waartoe Hij Zich verbonden heeft; en wederom, wat de Vader aan de Middelaar beloofd heeft, opdat het welbehagen des Heeren door Zijn hand voorspoedig zou doorgaan; hoe Christus beloofde de menselijke natuur aan te nemen, te worden onder de Wet, te komen onder de vloek ervan, volbrengende alle gerechtigheid, dragende Gods toorn, en stervende wegens de zonden van het volk de vervloekten dood van het kruis, latende vergieten Zijn kostelijk bloed, om aan de gerechtigheid Gods te voldoen, en het geëiste rantsoen te betalen tot verlossing van de uitverkorenen en om hen te heiligen, en tot de zaligheid te voeren. En hoe de Vader Hem bijstand, voorspoed, verhoging en een zaad beloofde, en alle genade, hulp en zegen, welke nodig was voor degenen, voor welke Hij Zijn leven zette en opofferde; zodat indien tot de uitverkorenen niet gebracht werd alle genade, sterkte en heerlijkheid, Christus als Verlosser de eer van Zijn getrouwheid aan de Vader zou verliezen, en zijn Vader de eer van getrouwheid, in Zijn beloften aan de Zoon te volbrengen. Dan ziet ten derde op ‘t Verbond der Genade, dat God in de tijd maakt met de uitverkorenen, aan welke Hij Zichzelf tot een God, en alle genade en heerlijkheid met Zichzelf wil geven, onder voorwaarde, dat zij door het geloof Christus omhelzen, en alle goed door Zijn hand en in Zijn Naam eisen, en ontvangen; een verbond, dat eeuwigdurend en in alles wel vastgesteld en wel verzekerd is, waarin al hun heil, en daarbij al hun lust is en wezen moet. En let daar op alle bijzondere heerlijke en getrouwe beloften, nopende alles wat de zondaars tot vrede, sterkte, overwinning van de vijanden, troost; rechtvaardigheid en leven nodig hebben; daarin is besloten vergeving, heiligmaking, wijsheid, verlossing en zaligheid, Ja alles, wat tot dit leven, en tot de Godzaligheid en eeuwige heerlijkheid vereist wordt; van deze drie verbonden spreekt de Schrift. Gen. 2:16,17; Rom. 5:12; 8:3,4; Jes. 42:1—4; 49:6—8; 52:13,15; 53:4—6,8,10—12; 2 Kor. 5:21; Jer. 31:33,34; 32:39,40; 33:8; Ezech. 11:19; 36:25—28,33; 1 Kor. 1:30; 2 Sam. 23:5; Rom. 16:20; 6:14; Ps. 84:6,8,12; 89:20—22,29,30,36—38; Jes. 61:1,2. Matth. 12:18.

    4. Besturing. Ziet steeds alle beloften, en beloofde zegeningen in Jezus’ hand; omdat Hij niet alleen de Verdiener, maar ook de grote Uitdeler van de beloofde genade is. Dat zal helpen, om temeer vertrouwen te hebben in de volbrenging van de beloften, en uitdeling van de zegeningen, die Hij verworven heeft. Christus Jezus is niet alleen de Middelaar en Borg van ‘t Verbond der Genade, en de Bevestiger van alle beloften, die God aan zondaars gedaan heeft. Maar Hij is ook door de Vader gesteld om de grote Schatmeester te zijn, van alle beloofde zegeningen; aan Hem is de uitreiking en bedeling van alle kostelijke en grote beloften en verworven weldaden toevertrouwt; Hij is uitvoerder van ‘t Testament, dat Hij met Zijn dood verzegelde; al het gericht is Hem toebetrouwd, als Heere van allen; in Zijn hand is alle macht gegeven, zodat Hij zelfs Degene is, die al wat wij van de Vader in zijn Naam bidden, doen zal, gelijk Hij gesproken heeft; Hij is de overste Leidsman en Voleinder van ons geloof, en Hij Zelf vervult alles in allen; Hij brengt de vruchten in de Zijnen voort, en is als de dauw voor hen, en als de regen op het nagras; Hij blaast hen aan, en Hij bevochtigt hen; de gaven die Hij ontvangen heeft, geeft Hij de Zijnen; zij ontvangen die uit de tweede hand, uit Christus. Joh. 14:13,14; 5:22; Matth. 28:18; Hand. 5:31; 2 Kor. 1:20; Rom. 15:8; Hebr 7:22; 8:6; 9:15,6; Hoogl. 4:16; Hos. 14:5; Jes. 27:3; Kol. 1:19; Ef. 1:3; Ps. 68:19, 20; Ef. 4:8.

    5. Besturing. Zoekt recht te verstaan, en te vatten, wat het is, in Jezus te geloven, namelijk, niet historisch alleen aan te nemen en toe te stemmen met het verstand, wat Hem aangaande in het Evangelie is geopenbaard, van Zijn Persoon, naturen, ambten en staten, van Zijn lijden, gehoorzaamheid, dood, opstanding, hemelvaart, enz., ook dit, zich te verzekeren, en vast te vertrouwen, dat Christus alles gedaan en geleden heeft voor u, en nog verder voor u doen zal, wat tot uw zaligheid behoort: want beide die dingen kunnen gevonden worden, waar waarachtig geloof in Christus is; en ‘t geloof kan zijn, en is menigmaal zonder ‘t laatste, te weten zonder die verzekerdheid. Maar weet, dat geloven in Christus is een daad van uw hart en wil, waardoor u aanneemt en aangrijpt Christus voor uzelf, opdat Hij uwe is, met al wat Hij voor zondaren heeft, is, en doet, een daad waardoor u willig en hartelijk tevreden en wensend bent, dat Christus u tot leven, gerechtigheid en zaligheid, tot Borg, Middelaar en Medicijnmeester, tot Profeet, Priester en Koning, tot sterkte, heiligmaking, en alles is; ‘t is een daad, waardoor u uitgaande uit uzelf, uzelf naar Christus wendt, en Hem aanschouwt, verkiest, en naar Hem toevlucht neemt, en komt met uw hart, opdat Hij u een volmaakte Heiland en Zaligmaker zij; gevend tegelijk uzelf aan Hem over, en in Zijn hand, als uw Hoofd, Heere en Man, met al wat u bent en hebt, in al uw ellende, schuldigheid, machteloosheid en rampzaligheid, om door Hem en om Zijnentwil zodanig geformeerd en gemaakt te worden, gelijk u wezen moet; ‘t is een daad van volvaardigheid van het hart, waardoor u willig bent, aan Hem te kleven, op Hem te betrouwen, te leunen en te rusten als een Algenoegzame helper voor een zondaar, en al uw last op Hem te werpen, en in Hem gevonden te worden, hebbende Zijn gerechtigheid en sterkte, volgens de teksten: Ef. 1:13; Hand. 9:7,38; Joh. 3:14—16,18; 6:35,57; Jes. 45:22,24; Joh. 1:12,16; Rom. 13:14; 1 Petr. 2:6,7; Joh. 15:5; Jes. 32:2; 25:4; Ef. 3:17; 1 Kor. 1:30; 6:17; Ef. 5:30. Filip. 3:8,9.

    6. Besturing. Legt bij uw ziel weg een klare kennis en bevatting van de wijze, hoe Christus Zich aan een zondaar aanbiedt, opdat Hij recht wel werd aangenomen, omhelsd, en verkoren. Dit is ten hoogste nodig, omdat u uw daad van het geloof hieraan altijd zult beproeven, of die op een rechte wijze van u betracht wordt en betracht is; teneinde die u tot een groot merkteken van genade verstrekt. En hier zoudt u niet alleen uw verstand zoeken goed verlicht te krijgen uit Gods Woord, omtrent de wijze van aanbieding en aanneming; maar ook trachten, in uw oordeel te hebben een volle en brede goedkeuring van die wijze. Namelijk, God stelt Christus voor, en biedt Hem aan, en Christus biedt Zichzelf aan, mits dat men de hele Christus in al Zijn ambten hartelijk en dadelijk aanneemt; en dat men willig is, van al Zijn blindheden, dwaasheden en zonden te scheiden, en verlost, en geholpen te worden door zijn Geest, en Hem te gebruiken en te ontvangen tegen alles, wat ons ellendig maakt en tegen alles wat ons gelukkig kan maken, als de Algenoegzame en volmaakte Zaligmaker; en dat men ook willig is, de kruisen en verdrukkingen op te nemen, en te ondergaan, welke door de boosheid van de wereld, en op Gods heilig bestel, op het hartelijk aannemen van Christus volgen zullen; en bijzonder, mits dat men alles van God, van Christus’ hand, en om Zijnentwil, om niet, en uit vrije genade ontvangt, zonder met eigen werken, droefheid, tranen en lijden, iets van Gods gunst en gaven te willen verdienen of verwerven. Nu, hoe billijk is het, en hoe liefelijk en wenselijk voor ons zondaars, dat wij Jezus tot alles willen hebben, waartoe wij Hem nodig hebben? Zowel tot een koning, om onze zonden ten onder te brengen, en te doden, en ons heilig te doen wandelen, als tot een Priester, om voor ons te voldoen door Zijn lijden, en voor ons te bidden, en te pleiten, en als een Profeet, om ons de waarheden van God te leren, en te leiden op de rechte weg, en ontdekkingen te geven van de verborgenheden? Is het niet zeer begeerlijk, dat hij ook onze meest aanliggende en kwellende verdorvenheden wil kruisigen, en ons daarvan verlossen? Ja is het kruis niet begeerlijk en wenselijk, dat om Zijn Naam zou gedragen worden, nademaal Hij het niet alleen wil helpen dragen, tonend zich genadig en troostelijk tegenwoordig, maar ook daarop wil geven honderdvoud tot vergelding in dit leven, en hierna het eeuwige leven? En wie kan er wat tegen hebben, dat de Heere alles om niet wil geven, zonder prijs, en dat Hij onze bevlekte en gebrekkige goede werken niet wil inlaten, om naast Jezus’ verdiensten te staan, welke oorzaak zijn van de vruchten van Zijn lijden, liefde en genade? 1 Kor. 1:30; Jes. 45:24; Filip. 3:10,11; Luk. 19:14,27; Jes. 55:1; Gal. 2:16; Rom. 3:24,27; Matth. 16:24; 10:38; Mark. 8:29,30,34,35; Ps. 45:12; Luk. 9:33; Jes. 43:2.

    7. Besturing. Begrijpt wel, dat de grond, waarop een zondaar in Christus gelooft, en Hem aanneemt tot zijn Alles, zodanig is, dat hij even zoveel vrijheid, verlof en recht heeft, om Hem aan te grijpen, tot Hem toevlucht te nemen, en in Hem te geloven, als hij in ‘t duister is, als wanneer hij licht heeft in zijn ziel; even zoveel als hij zwak en machteloos is in zijn gevoelen, als wanneer hij sterk is, even zoveel als hij geen tekenen, blijken, noch vruchten van genade ziet, als wanneer hij die ziet, even zoveel als hij in zijn eigen ogen genadeloos, verloren, rampzalig, en onder de vloek is, als wanneer hij in zijn oordeel behouden, gelukzalig, en van de vloek verlost is; de grond is dezelfde, en even goed, en even groot, in de ene en de andere staat; een goddeloze en onheilige heeft dezelfde grond, om naar Christus uit te gaan, en Hem aan te nemen, en te verkiezen tot alles, die een vrome en begenadigde heeft. Merkt wel, ik zeg niet, zij hebben evenveel deel aan Christus, en evenveel bezitting en verzekerdheid, en evenveel zoete en troostelijke vrijmoedigheid, en blijken tot vrijmoedigheid; ook spreek ik niet van een geloof van baarblijkelijkheid, en verzekerdheid, of van een wederinkerende daad van het geloof; maar ik wil zeggen, zij hebben ‘t zelfde fundament, en grond, en verlof, en recht, om op Jezus te zien, om uit te gaan, en te gaan aankleven, en toevlucht tot Hem te nemen, en Hem te verkiezen voor de hunne, en tot hun Heiland, Vredevorst, Sterkte en Genezing. Want dit, en dit alleen is dezelfde grond, waarop men mag, en Christus moet aangrijpen, en tot Hem komen, omdat er van God door zijn Woord en dienaars, en aanbieding van Hem aan de zondaars is, aan allerlei zondaars, in wat voor staat zij ook zijn; en omdat de zondaars tot Hem worden geroepen en genodigd, ja hen geboden wordt, onder de hoogste bedreiging van straf en ongenade, hoedanig zij ook zijn, in Hem te geloven, en Hem te maken tot hun Alles; zij mogen, en moeten allen geloven in Hem, omdat God Christus gegeven heelt, en Hem daartoe heeft voorgesteld als van alles wel voorzien; en omdat ze Hem nodig hebben. Deze grond blijft altijd dezelfde, en die vermindert noch verandert niet, hoedanig ook onze verandering en ongestalte is; ‘t is waar, vorige en tegenwoordige genade geeft wel veel troost, verkwikking en hulp; maar zij legt geen nieuwe noch andere grond tot aankleving en toevlucht tot Christus, die wij niet hadden, eer wij die genade hadden ontvangen. 1 Joh. 4:23; Hand. 16:31; Mark. 16:15,16; Joh. 6:27,28,29. Jes. 55:2,3; Matth. 11:28; Openb. 21:6; 22:17; Joh. 8:29; Joh. 3:18,36. Jes. 45:22; Rom. 3:25; 4:5.

    8. Besturing. Leert boven alle dingen de kunst om door het geloof te leven en te wandelen, dat is, om Christus, en ‘t genadeverbond en ‘t evangelie te gebruiken, tot bevordering van licht, leven, vrede, troost, sterkte en heiligmaking. Dit moet niet duister voor u zijn; want het is uw leven. Door dit leven en oefenen van het geloof, wandelt men in de wereld met God, en wordt men aan God meer en meer gelijkvormig. Evangelisch moet men werken, en niet wettisch, of er is geen voorspoed te wachten; het doden en verbreken van zonden, en het voortbrengen van vruchten van de heiligheid, en het groeien en toenemen daarin, moet en kan alleen geschieden, door gebruik te maken van het evangelie, in al de voorvallen van onze leven, niet alleen van de evangelische beweegredenen, maar ook bijzonder van de evangelische invloeden, uit de beloften en toezeggingen van het evangelie, en uit Christus’ dood en leven; al wie dit niet doet, moet noodzakelijk mager en zwak zijn, en onder de macht van de verdorvenheid blijven, welk een goede gedaante en vertoning hij daar ook mocht opzetten. Derhalve hierin zoudt u niet onwetend moeten zijn; u moet weten, Christus tot alles te gebruiken, Hem tot alles in te roepen, en mee te nemen, Zijn raad, hulp en sterkte aan te vatten, en zo aan ‘t werk te gaan, wanneer enige verzoeking of zonde te bestrijden is, of enig goed werk te doen is; het oog des geloofs moet steeds op Hem geslagen zijn; de mond des geloofs moet tot Hem geopend, en wijd gapende zijn; de hand van de ziel, ‘t geloof, moet naar Hem en naar Zijn kracht grijpen; de voet des geloofs moet tot Hem komen en lopen, en toevlucht nemen; ‘t geloof moet al de last, en zorg op Hem werpen en wentelen; ‘t geloof moet alles zuigen uit Jezus als de geopende en altijd vloeiende Fontein van al onze nooddruft; de beloften moeten door ‘t geloof omhelsd worden, zo de algemene, als de bijzondere beloften; en de vervulling daarvan moet door de hand des geloofs, al zuchtende, als uitgeperst worden; alleszins moet men door ‘t geloof zich wenden, in al wat men te doen heeft, in ‘t stuk van Godzaligheid tot het rijke magazijn, en de volle schatkist van de genade, die in ‘t genadeverbond, en in Christus is opgelegd, en halen vandaar al onze wapenen, al ons voortgang en uitwerking, opdat men door Christus, ons kracht gevend, alles vermag te doen. Dit is de kunst der kunsten in het christelijk leven; aldus verheerlijkt men God en Christus het meest, ja alleen; en dus vernedert men en verlaagt men zich alleszins, terwijl men zodoende op de heilige weg voorspoedig voortloopt. Dit geeft ons het Woord Gods te kennen, Gal. 2:20; 2 Kor. 5:7; Hebr. 10:38; Jes. 55:2; 27:5; 64:7; 1 Kor. 1:30; Ef. 6:10; Filip. 4:13; Joh. 15:5; 2 Kor. 12:10.

    9. Besturing. Gebruikt Christus eerst tot rechtvaardigmaking, verzoening, vrede, en tot deel en hoop van de eeuwige kroon en zaligheid, eer u Hem tot heiligmaking gebruikt. Begint niet van de heiligmaking, om dan daarna te zoeken de rechtvaardigmaking; maar zoekt eerst uw ontwaakt en beschuldigd geweten gerust te stellen, door Christus in het geloof aan te grijpen; en aan de Vader te vertonen, tot verzoening, vergeving, vrede en vrijspraak, en zoekt daarop dan de heiligmaking; want door Christus aan te nemen tot rechtvaardigmaking, wordt u één met Hem, en komt u uit de staat van vijandschap tot een staat van vrede; hebbende Zijn gerechtigheid als een kleed aangedaan door het geloof, zo hebt u recht op al Zijn andere weldaden en zegeningen; en derhalve, alsdan, en dan alleen kunt u uit Hem kracht trekken tot heiligheid van het hart en van het leven, en tot voortbrenging van goede vruchten; maakt dit dan uw eerste werk; en zulks niet alleen, wanneer u eerst, op de eerste bekering, tot Christus komt, en uw hand van het geloof aan Hem slaat, en het oog op Hem vestigt, maar ook daarna als u in enige zonde gevallen bent; verzoent eerst de schuld, door uw hand te leggen op het Lam Gods, en door ‘t bloed van de Zoon Gods in geloof aan te grijpen, en op uw geweten te sprengen, en daarmede bij God te komen tot vergeving en bevrediging; en last dan voorts uw geloof op Hem en op ‘t verbond van de genade werken tot heiligmaking. Verstaat het niet zo, dat u eerst moet weten en verzekerd zijn, dat u gerechtvaardigd en verzoend bent, en uw zonden vergeven; maar u moet in het geloof eerst daartoe uitgaan, uzelf op Hem werpen, op Hem rusten, Hem aankleven en aanhangen. Daarna zult u met vrucht en met temeer vrijmoedigheid des geloofs en verwachting van de hoop, de genezing en verbetering uit diezelfde fontein zoeken, en tegemoet zien. Ziet 1 Kor. 1:30; Rom. 5:1—3. Hand. 10:43; Ef. 3:12. Rom. 13:14; 1 Joh. 2:2; 1:7,9,10.

    10. Besturing. Schrijft niet te veel toe aan de droefheid over uw zonden, alsof die iets toebracht tot het maken van uw verzoening met God, tot stilling van Gods toorn, of tot voldoening aan Gods gerechtigheid, want dat wordt alleen en volkomen teweeggebracht door Christus’ verdiensten; en ook onze droefheid en tranen over onze misdragingen en verdorvenheden, vloeien af van de Heere Jezus, als de verdienende, en van de Geest als de werkende oorzaak, zodat ze als genadegiften en geschenken moeten erkend worden. En voor zoveel zij van ons komen, zijn zij bevlekte dingen, welke wel dienen tot bevordering van de haat en walging van de zonden, en tot verwakkering van de begeerte en poging naar nauwer gehoorzaamheid aan de Heere, maar niet tot van onze bevrediging. En uit dezelfde reden mogen wij geen verzoenende noch verdienende kracht stellen in enige van onze werken, welke wij in Christus’ kracht, door zijn Geest en genade, in geloof en liefde doen; waarover wij God en Christus temeer verschuldigd zijn. Al onze hoop moet op Christus zijn, en ‘t vrije volle genadeverbond; daardoor hebben wij vrijmoedigheid en verwachting; en tot dezelve mogen en moeten wij toevlucht nemen, en uitzien, als ons in ons gevoelen de droefheid en heiligheid zonderling ontbreekt, en ‘t missen van die ons zeer ellendig maakt. 2 Kor. 7:10,11; Ps. 51:6; 38:5,10,11,16,18,19,22,23; Zach. 12:10; Luk. 22:61; Ef. 2:8,9; 2 Tim. 1:9; Luk. 7:38,47,48; Hand. 5:31.

    11. Besturing. Hoe zwak u zichzelf ook voelt tot enige plicht, waartoe de Heere u roept, gaat er toe, na behoorlijke voorbereiding en toeschikking, in de kracht van de Heere Jezus, opziende naar Zijn hulp met gelovige verzuchtingen, zelfs terwijl u van binnen en van buiten veel tegenstand gewaar wordt, wetende, dat u ieder ogenblik leven en werken moet, door een kracht, die van buiten inkomt, zijnde van uzelf niet bekwaam tot enig goed, en niet vermogend iets te doen zonder Christus, zelfs als u al bekeerd bent; ook bewust zijnde, dat Gods kracht in gevoelde zwakheid volbracht wordt, zodat u sterk bent en sterk wordt, als u zich zwak voelt, opdat alle eer tot Christus komt. Wordt dan niet moedeloos noch afgeschrikt van een plicht te aanvaarden, omdat u uw machteloosheid en veel weerstand gewaar wordt, gedenkende dat Hij, Die het willen geeft, ook het volbrengen zal geven, als Die het hele werk en al uw werken in u, voor u en met u verrichten moet. Ziet dan op naar Hem om bijstand, van Wie al uw kracht komt; en valt aan ‘t betrachten van iedere geboden plicht, biedende u God aan, als gereed en willig, opdat u hebbende gearbeid en gewerkt, daarna met volle toestemming mag zeggen; ik heb gearbeid, maar niet ik, maar de genade Gods die met mij was. Kol. 3:17; Hebr. 10:38; 2 Kor. 3:5; Joh. 15:5; 2 Kor. 12:9,10; 1 Kor. 15:10; Filip. 1:6; 2:12,13; Jes. 26:12; Ps. 138:8; 2 Kor. 8:12.

    12. Besturing. Als u licht, leven, hulp en sterkte zoekt en begeert, zo houdt u in en onder een naarstig gebruik van de ingestelde middelen, en wacht alzo op de Heere, en op Zijn Geest; u kent de Fontein van alle genade, ‘t past u daarvoor open te liggen en te wachten, uitziende om te ontvangen, ‘t geen u wenst, doch in het vlijtige gebruik van de middelen, van God vastgesteld en geboden te gebruiken, namelijk in ‘t lezen, overdenken, bidden, samenspraken met vromen, horen van predikanten en predikatiën enz. De Heere heeft u daaraan gebonden, en daardoor pleegt Hij, en heeft Hij verkozen tot de zielen in genade te komen, hoewel Hij naar Zijn Soevereiniteit op andere tijden en wijzen komen mag en soms komt. Maar van twee dingen zoudt u zich hier zorgvuldig wachten. Eerst, van op enige middelen te rusten en te vertrouwen, en de zaak of zegen zelfs van de middelen tegemoet te zien; want ‘t zijn maar middelen, en met de hoofdoorzaak; gebruik ze dan met zelfverloochening, afhangende alleen van de Heere, en steunende alleen op Hem, uw hoop en verwachting van de middelen afgetrokken hebbende. Want de werkende oorzaak van alle genade is enkel Gods Geest; op Die moet u zien en wachten, eveneens alsof u geen middel gebruikte, omdat de middelen, afgezonderd van de Geest, koude en dode betrachtingen zijn, geen licht, leven, warmte, hulp of sterkte gevende; die eer en dat werk komt de Heere toe. Ten andere: wacht u wel, dat u de middelen slap, slordig en bedrieglijk gebruiken zoudt, omdat u weet, dat ze de zaak zelf niet geven kunnen; maar gebruikt ze vlijtig, arbeidzaam, oprecht en ernstig, evenzo alsof die de zaak konden uitleveren en uitwerken; dat is uw plicht en Gods gebod; de genade is Gods werk en gift, welke Hij op Zijn tijd, wijze en maat naar Zijn goedvinden voortbrengt. Ondertussen staat u en wacht, wendt u, verlangt, ziet op en ziet uit, hongert, begeert, gaapt, opent wijd uw mond, en reikhalst naar de Geest zelf, neerliggende voor Zijn stralen en invloeden, totdat Hij Zich onder de middelen, onder ‘t lezen, bidden, preken, samenspraken enz. openbaart en uitlaat, over de middelen ademt, om die nuttig te maken, en u daarin ontmoet. De Heere wacht Zelf om u genadig te zijn, en Hij roemt ze gelukzalig, die onder ‘t gebruik van de middelen op Hem wachtende zijn, hebbende voor hen grote goederen opgelegd. Matth. 18:20; Hebr. 10:25; 1 Thess. 5:20; Matth. 7:7,8; Rom. 10:14; Joh. 5:3-6; Spreuk. 24:31,32,34; Jer. 48:10; Jes. 30:18, 40:31; 64:4.

    13. Besturing. Zoekt, en gebruikt dagelijks Jezus Christus, zowel in Zijn Profetisch ambt, als in Zijn Priesterlijk en Koninklijk ambt. Dit wordt veel nagelaten en verzuimd, met weinig beschuldiging van het geweten. Doch het is een zeer nodige regel; want u hebt dat ambt zowel nodig, als de andere, en dat ieder dag, ja ogenblik. Want gelijk onze vervreemding van God, en vijandschap tegen Hem, riep om Zijn Priesterambt en offerande, en onze machteloosheid en weerspannigheid, om Zijn Koninklijk ambt, zo roept onze onwetendheid; blindheid, slechtheid, dwaasheid, afzwerving en vaardigheid, om te missen en te dwalen, om zijn Profetisch ambt; wij zijn, ook nadat het licht ons heeft begonnen te bestralen, en de ogen te openen, nog veel verduisterd in ons verstand, en dwalende van harten, en vol misvattingen, en vooroordelen tegen de waarheden Gods; wij zien niet terdege, wie en hoedanigen wij zijn; wat en hoedanig God is, wat onze plicht is, en op wat voor wijze te verrichten; hoedanig de verborgenheden van Gods koninkrijk zijn? Wie en hoedanig onze vijanden zijn, en welk hun listige aanslagen, en gedachten tegen ons; wij kennen maar ten dele, en moeten derhalve gedurig groeien in de kennis, zowel als in de genade van Christus; ook zijn wij in het midden van veel verleiders en dwaalgeesten, die binnen en buiten de kerk zijn, en nieuwe leringen en stellingen tegen het Woord Gods bedrieglijk invoeren, en oppronken; zodat zelfs begenadigde in gevaar zijn, vanaf te zwerven. Nu, Christus is de Leraar van God gekomen, de grote Profeet, door Wie al de uitverkorenen van God geleerd worden; hij is de wezenlijke wijsheid des Vaders, en ons van God geworden tot wijsheid; hij is de waarheid en waarachtige getuige, de Meester, die alleen leert wat nut is, en niemand leert gelijk Hij; Hij is de getrouwe Leidsman, Wiens Naam is, Leider des volks, de overste Leidsman van ons geloof, en van onze zaligheid; die maakt, dat de onbedachtzamen de wetenschap verstaan; Die de blinde leidt door de weg, die zij niet geweten hebben, en hen doet treden door de paden, die zij niet gekend hebben, die de duisternis voor hun aangezicht tot licht maakt, en het kromme tot recht; Hij is het Licht van de heidenen, ‘t Licht van de wereld, ‘t waarachtige Licht, verlichtende een ieder mens komende in de wereld, en voor de Zijnen ‘t Licht des levens. Derhalve weest wel gewaarschuwd, dat zozeer, als u dagelijks van Hem sterkte zoekt tot de strijd, en tot de plichten, u ook alzo zoekt wel meer licht, kennis, onderwijzing en opklaringen van de waarheden; legt voor die Zon der Gerechtigheid neer, met een gelovig uitzien, opdat u iedere waarheid in Zijn licht zien mag, en die dan zoudt aankleven; vasthouden en beschermen; zucht tot Hem steeds in geloof, dat Hij de Geest der waarheid in meerdere mate zendt, Die u alles leert, en in alle waarheid leidt en bevestigt; en dat Hij u besture in alle donkere gevallen, en u beware van dwalingen, uw twijfelingen opklare, uw wolken verdrijve, en uw misvattingen en verkeerdheden aanwijze, en verbetere. Dat hij u tone uw blindheid, dwaasheid, bedrieglijkheid, geveinsdheid, zelfzoeking, afgoderij en boosheid van het hart, en uw gereedheid om te missen en af te zwerven; dat Hij u de Vader tone en openbare, en de verborgenheden van het Koninkrijk openlegge. Steunt toch niet op uw verstand, kennis en geleerdheid, gauwigheid in ‘t twisten, studie, bekwaamheden, bevlijtiging, noch op boeken, professoren, leraars, en ervaren en vlugge christenen; noch op uw besluiten en voornemen, zo u de Heere Jezus niet hebt tot een Leermeester, die alle zullen u van dwalingen niet bewaren in een tijd van verzoeking; maar loopt tot Christus, opdat Hij u de waarheden leert, en in uw gemoed indrukt, en de tegenovergestelde dwalingen doet onderkennen, vermijden, tegenstaan en bestrijden, nadert steeds tot Hem, opdat Hij zijn licht en waarheid zendt, om u te geleiden, oefent uw geloof en begeerten zodanig omtrent Hem, opdat Hij u de waarheden zo leert, gelijk zij in Hem zijn, zodat ze u mogen overheersen, en meester zijn, u omgorden, en gevangen nemen, en dat u die mag gehoorzamen en ontvangen in de liefde, en daarin wandelen, en ze doen, ja, dat u de minste waarheden ook mag vasthouden, hoog schatten, en als een rijke schat in uw hart opleggen, en geenszins verloochenen, noch ook tot de minste dwalingen mag vervallen; zoekt van Hem dagelijks vermeerdering van geheiligde en heiligmakende kennis, vernederende en zielsveranderende wijsheid, die zich meest in heilige daden, en niet zozeer in woorden, samensprekingen, twisten en vlugge bevattingen, welke in de hersenen liggen en zweven, uitdrukt: Spr. 9:9,10; Ps. 111:10; Ef. 4:18,20,21; Jes. 42:16; 58:11; 49:10; Spr. 3:6; Ps. 25:5; Joh. 16:13—15; Kol. 2:3; Joh. 1:18; Spr. 8; Ps. 86:11; 36:13; 143:10; 1 Joh. 1:6; 2 Joh. 4:3; Joh. 4; Mal. 4:2; Jes. 53:4; Joh. 14:6; Joh. 1:4—6; 2 Petr. 3:18; 1 Kor. 13:9; Jes. 48:17; Job 36:22; Joh. 3:7; Jer. 31:33; Jes. 54:13; Hebr. 12:2; 2:10; Jes. 32:4; Kol. 1:21; Ef. 2:13,14,18; Hand. 3:22,23; Deut. 18:15; Matth. 17:5; Ps. 45:6.

    14. Besturing. Om uzelf zedelijk, en op een redelijke wijze te bewaren van zonden, en om iedere beproeving tegen te gaan, zo hebt bij uzelf gereed de krachtigste Evangelische beweegredenen tot gehoorzaamheid, en de voornaamste tegenredenen tegen ongehoorzaamheid en weerspannigheid, welke Gods Woord ons geeft, opdat, wanneer de zonde zich inwendig begint te roeren, of een beproeving van buiten die opstookt, u terstond uw oog daar op laat, en verstandelijk en beweeglijk beschouwt, teneinde dat u zo onder Gods zegen van de zonde mag bewaard worden. Ik zal er ulieden zeven van de allergewichtigste noemen, die ik wens, dat ulieden en mij steeds voor ogen kwamen, wanneer de zonden en verzoekingen ons aanvatten, of dreigen te vervoeren.

    Eerst. Wij zouden ons voorstellen, dat God de Heilige en grote Wetgever is, en Soeverein die de zonde verboden heeft. De zonde, iedere zonde is tegen Zijn met opzet en scherp verbod; Hij heeft gezegd: wacht u voor uw ziel, dat u dat niet doet. Hoe zullen wij dan ‘t kwade doen, en zondigen tegen God? Zullen wij opstaan tegen Hem, werpen zijn juk af, en vertreden Zijn verbod, en versmaden Hem, in Zijn soevereiniteit, voor zoveel Hij is de enige Wetgever, Die behouden en verderven kan? Die oneindige kracht, heerschappij en gezag heeft, onder Wiens volstrekte oppermacht wij staan, in afhanging van Wie wij leven, en die over ons, gelijk over de hele wereld beschikt naar Zijn wil en goedvinden in opzicht van onze tegenwoordige en eeuwige staat? Zullen wij bestaan als onwettigen en wederhorigen te doen tegen Zijn uitdrukkelijke wet? Gen. 3:3; 39:9; 1 Joh. 3:4; 2 Sam. 12:9; Jak. 4:11,12; Ef. 1:11; Ps. 115:3; 135:6.

    Ten tweede. Wij zouden ons oog slaan, als enige zonde of beproeving aankomt, op Gods vreselijke wraak en rechtvaardige straf, die Hij de zondaren wegens de zonde gedreigd heeft, en dadelijk over de meesten toezendt. Wij zouden zien op Gods heiligheid en wrekende gerechtigheid, die voor de zonde een zo ijselijke, doch billijke vergelding van loon gesteld heeft, namelijk Zijn vloek en toorn, een eeuwige helse straf over ziel en lichaam, een eeuwige dood, een poel die van vuur en sulfer brandt, tot in alle eeuwigheid. De apostel Paulus wil, dat wij, zelfs die gelovigen zijn, zullen aanmerken, dat God, onze God is een verterend vuur, opdat wij Gode behagelijk in eerbied en vreze moge dienen, en dat het vreselijk is, te vallen in de handen van de levende God, en dat, omdat Hij gezegd heeft, Mij is de wraak, Ik zal ‘t vergelden; en de Heere Christus spreekt aldus tot ons: Ik zeg u, Mijn vrienden, vreest niet voor degenen, die het lichaam doden, maar de ziel niet kunnen doden, niet kunnende daarin meer doen, maar Ik zal u tonen, Wie u vrezen zult, vreest Die, Die nadat Hij gedood heeft, ook macht heeft, ziel en lichaam te verderven en in de hel te werpen, ja Ik zeg u, vreest Die. Jobs woord en gestaltenis diende de onze te zijn, zeggende: Het verderf Gods was bij mij schrik, en ik vermocht niets vanwege Zijn hoogheid. God is een zondewrekende God; en al vergeeft Hij onze zonden, zo moeten wij toch steeds hebben en houden een behoorlijk gevoelen en beseffen van de straf, die wegens Zijn wrekende gerechtigheid iedere zonde toekomt en daardoor verdiend wordt, opdat wij van de zonde mogen afgeschrikt en weerhouden worden. Daarom is het, dat God in die verklaring van Zijn Naam, welke oneindig vol is van moedgevingen voor arme zondaars, die bezwaard zijnde, tot Christus toevlucht nemen, in het einde die woorden er bijvoegt: dat Hij de schuldige geenszins onschuldig houdt. Zouden wij dan evenwel de zonden durven doen, waar wij het recht van God weten, dat degenen, die zulke dingen doen, de dood, de eeuwige dood, waardig zijn? Hebr. 12:28,29; 10:30,31; Matth. 10:28; Luk. 12:4,5; Job 31:23. Openb. 21:8; Rom. 2:32.

    Ten derde. Wij zouden (om zonde en beproeving tegen te staan) vlijtig letten op al de liefde, vriendelijkheden, genade en goedertierenheid van God, tegen Wie iedere zonde begaan wordt. ‘t Is die God, Die eeuwige liefde tot ons gedragen heeft, en ons getrokken heeft met goedertierenheid, (indien wij oprecht zijn) die God, Die ons Zijn eniggeboren Zoon gegeven en ons tot Zijn kinderen aangenomen heeft, die ons een Vader wil zijn, en ons aannemen, en onder ons wonen, Die ook meermaal bijzondere gunstbewijzen, liefdetekenen en panden gegeven heeft, en ook ons voor eeuwig tot Zich wil nemen in Zijn gezelschap daarboven. Die voortreffelijke en onuitsprekelijke liefde Gods, en volle zaligheid daaruit spruitende, dienden wij te beschouwen, opdat wij heilig zijn en onszelf reinigen van alle besmettingen, gelijk Hij heilig en rein is. Zouden wij dan deze God, Die de liefde zelf is, nog tergen? De ogen van Zijn heerlijkheid verbitteren en achteruitslaan tegen de ingewanden van zijn barmhartigheid? Die zo beweeglijk tot ons spreekt: en doet toch deze gruwelijke zaak niet, die Ik haat. Anders zullen wij dat hartbrekende verwijt van Hem horen: zult gij de Heere dit vergelden? Is Hij niet uw Vader, Die u verkregen, Die u gemaakt, Die u bevestigd heeft? Gedenk aan de dagen van ouds. Jer. 31:2; 2 Kor. 6:17,18; 7:1; 1 Joh. 3:1—3; 4:9—11,16,19; Joh. 3:16; Jer. 44:4; Deut. 32:6,7; 1 Kon. 11:9; Ef. 1:4,5.

    Ten vierde. Wij zouden tot weerstand tegen de zonden bedenken Christus’ middelaarswerk en borgtocht, Zijn hartelijke liefde daarin, Zijn zwaar opgenomen dienstwerk om zondaars te verlossen, en te rukken uit de brand van de hel; Zijn gehoorzaamheid, bitter lijden en vervloekte dood. Deze aanmerking recht aangelegd, zou een grote dwang en krachtdadigheid op ons hebben, gelijk de apostel zegt: de liefde van Christus dringt ons, als die dit oordelen, dat, indien Één voor allen gestorven is, zij dan allen gestorven zijn, opdat ze voor Hem zouden leven. Zouden wij dan bestaan om de Heere Jezus met opzet te doorsteken, te wonden en ‘t bloed uit Zijn hart te halen, en Hem openlijk te schande maken? Zouden wij niet graag door onze gehoorzaamheid Zijn hart verblijden, Zijn liefde erkennen, Zijn eer en Naam verblijden? 2 Kor. 5:14,15; Gal. 2:20; 1 Petr. 4:1,2; Zach. 12:10; 2 Kor. 8:23; Tit. 2:13,14; Hebr. 6:6.

    Ten vijfde. Wij dienen behoorlijk aan te merken, dat de Geest Gods in ons woont, wat is het hoogste voorrecht, dat wij in deze wereld deelachtig zijn. Wij zijn woonsteden Gods in de Geest; tempelen des H. Geestes, naar ziel en lichaam. Zullen wij Hem dan met zondigen bedroeven, door Wie wij verzegeld zijn tot de dag der verlossing? Zullen wij Zijn woonplaats bevlekken, vuil maken en schenden, en niet schrikken voor ‘t Woord dat er staat: zo iemand de tempel Gods schendt, die zal God schenden; want de tempel Gods is heilig, welke gij zijt? Zullen wij door de zonde Zijn vertroosting verbeuren, verliezen en versmaden? Zal dit de vergelding zijn voor al Zijn vertroostingen, besturingen, onderwijzingen, bedelingen, ondersteuningen, liefdedaden, bijstand en gemeenschap? 1 Kor. 3:16,17; 6:19,20; Ef. 2:22; 4:30; Filip. 4:1.

    Ten zesde. Wij moeten ‘t oog slaan op ‘t Verbond der Genade en op het Evangelie des vredes, dat tot onze zielen is gekomen, en wiens heerlijkheid en schoonheid, rijkdom en volheid ons ontdekt is; opdat wij waardig in het Evangelie wandelen en versieren, en vorderen in de leer Gods van onze Zaligmaker, welke ons onderwijst alle begeerlijkheid te verzaken, en heilig, matig en rechtvaardig te leven. Verre moest het van ons zijn, dat wij smaad, oneer, laster en ergernis zouden brengen op het Evangelie en op de belijdenis ervan, en verhinderen de loop ervan en aanneming, 2 Kor. 4:4; Ef. 1:13; Filip. 1:27; Tit. 2:10—12.

    Ten zevende. Wij zouden ons voorstellen de voortreffelijkheid en liefelijkheid van de gehoorzaamheid aan God. Wat een vrede, gerustheid, tevredenheid en helderheid des gemoeds wij genoten, als wij, verzocht zijnde, de zonden vermijdden en lieten en onze plicht deden; en integendeel, wat een onrust, beroerten, krankheid, schrik, duisternis, schaamte en vreze, en wonden van het geweten in ons veroorzaakt werden door de zonde. 2 Kor. 1:12; Ps. 119; 165; 19:10,11; Jes. 32:17; Rom. 8:6; Spr. 3:17; 15:15; Ps. 51:10. Ps. 38.

    Deze zeven grote beweegredenen tegen ‘t zondigen, wilde ik, dat gestadig in ons oog waren. Ik bid u, gedenk er aan. Ik moet afbreken, blijvende die ben,

     

    Uw wettige en zeer genegen Leraar, Jacobus Koelman

    Amsterdam, 4 november 1679

  3. Brieven, deel 2
  4.  

    1. Aan meester Johannes Fergushill
    2. Eerwaarde en welbeminde in de Heere!

      Ik werd verkwikt door uw brief; ‘t smart mij vanwege die kwijnende en langdurige bezoeking, die op uw vrouw is, maar ik weet, dat u het neemt voor een merkteken van een wettig geboren kind, en niet van een bastaard te zijn onder de Vader Zijn roede; totdat u in de hemel bent, zal het maar vuil weer zijn, en een stortregen op de ander; de dorpelstenen, en pilaren van ‘t nieuwe Jeruzalem lijden meer slagen van Gods hamer en houwijzer, dan de gewone stenen van de zijmuur; en indien twintig kruisen voor u in Gods boek geschreven zijn, zo zullen zij komen tot negentien, en dan ten laatste tot een, en daarna tot niets anders, dan dat uw hoofd voor eeuwig op Christus’ borst zal zijn, en dat Zijn zachte hand uw aangezicht zal afdrogen, en uw tranen afwissen. Belangende het openbare lijden voor zijn waarheid, uw Meester zal daar ook voor zorgen; laat ons Hem in Zijn Eigen ambt stellen, om te troosten en te verlossen; het aanzien van Christus’ kruis is erger dan het kruis zelf Ik kan het niet inhouden, wat Hij aan mijn ziel gedaan heeft. Mijn lieve broeder, zal ik geen hulp van u krijgen, om Christus te roemen, en omhoog te verheffen? Hij heeft mij met Zijn liefde pijn aangedaan, en heeft een liefdepijl in mijn hart gelaten, die een wond heeft gemaakt, en mij heeft doen zwellen van begeerte, zodat ik te ontfermen ben, vanwege dat ik dadelijke bezitting mis. De liefde wilde ‘t gezelschap hebben van de Persoon Die geliefd is; en mijn grootste smart is het missen van Hem; niet van Zijn vreugde en vertroostingen, maar van een nauwe vereniging en gemeenschap. Ik ben ten volle verzekerd, dat dit Zijn waarheid is, waarvoor ik nu lijd; want Christus heeft op Zich genomen, daarvan Getuige te zijn, door Zijn zoete vertroostingen aan mijn ziel; en zou ik denken, dat Hij een valse getuige is, of dat Hij wit papier zou onderschrijven? Ik dank Zijn hoge en vreselijke Naam, voor ‘t geen Hij gegeven heeft, ik hoop Zijn zegel en Zijn pand te bewaren, totdat Hij komt en het lost. Ik tart de hel, dat zij mij daarvan afzet. Hij is Christus, en heeft Zijn gevangenen bejegend, en ik heb de werktuigen van Hemzelf genomen, van dat Hij het was, en geen ander voor Hem. Wanneer de duivel een bastaardhof opricht op mijns Heeren grond, en mij verdichte beschuldigingen geeft, zo zal het mijn schande zijn, na zo’n schoon breed zegel nog ongelovig te zijn, en nochtans komt de satan en mijn besef soms Christus te beliegen, alsof Hij mij haatte. Maar ik durf geen kwaad van Christus geloven. Indien Hij mijn liefdekoorts aan Zichzelf wilde verkoelen door dadelijke tegenwoordigheid, ik zou rijk zijn; maar ik durf niet kwalijk gemanierd zijn, en zoeken meer van die slag, hoewel het geen schande is, te bedelen aan Christus’ deur. Ik ontferm mij over mijn tegenpartijders; ik murmureer niet, dat mijn Heere hen houdt aan hun eigen hart, en dat Hij mij een geleend bed en geleend hart gegeven heeft. Laat de huiswaard een hond een been voorwerpen, waarom zou ik mij daaraan stoten? Ik verblijd mij, dat de gebroken schuit te land zal komen, en dat Christus de zeezieke reiziger aan de oever verwelkomen zal. Wij hebben een groot kapitaal nodig, tegen die dag van de beproeving, die te komen staat; er is noch kaf noch koren in Schotland, of het zal door Gods wan doorgaan. Roem, roem, en bid voor mij; want ik kan u niet vergeten. Ik weet, u zult vriendelijk handelen jegens mijn verdrukte broeder, die nu in dezelfde zaak met mij gescheept is. Last mij uw raad en vertroosting hebben. Boodschap mijn liefde in Christus aan uw vrouw; haar gezondheid staat te komen, en haar heil slaapt niet. Gij hebt de gebeden en zegen van een gevangene van Christus. Zaai veel, en geef uw brood overvloedig uit; de deur van de spijskast zal, naar het schijnt, eerlang voor de kinderen gesloten worden. Genade, genade zij met u.

      De uwe in zijn zoete Heere Jezus, Samuel Rutherford

      Aberdeen, 7 Maart 1637

       

    3. Aan zijn eerwaarde en lieve broeder Mr. Robbert Douglas.
    4. Mijn zeer eerwaarde en lieve broeder!

      Genade, barmhartigheid en vrede zij u. Ik verlang u te zien in ‘t papier. Ik kan niet nalaten u te schrijven, dat ‘t geen, waarvoor ik nu lijd, Christus’ waarheid is; omdat het Hem geliefd heeft mijn lijden te verzegelen met onuitsprekelijke en heerlijke blijdschap. Ik weet, Hij zal Zijn zegel aan geen wit papier stellen; Christus heeft geen stomme zegelen. Ook zal Hij geen Getuige zijn voor een leugen. Ik bid u, mijn lieve broeder, help mij Christus prijzen en opheffen op Zijn troon boven de schilden der aarde. Ik ben verbaasd en beschaamd over de grootheid van Zijn vriendelijkheid aan zo’n zondaar. Ik weet, Christus en ik zullen nooit gelijk zijn. Ik zal in Zijn schuld sterven; Hij heeft een pijl in mijn hart gelaten, die mij pijnigt over het missen van dadelijke bezitting; en de hel kan deze door God ontvonkte kool niet uitblussen. Ik wens, dat niemand om mijnentwil van Christus of Zijn kruis kwaad spreekt; want ik heb veel reden, om veel goeds van Hem te spreken. Hij heeft mij tot een punt en trap van gemeenschap met Zichzelf gebracht, die ik tevoren niet kende. Het aanzien en de gedaante van onze Heere Zijn kruis is vreselijker en moeilijker, dan het kruis zelf. Hij neemt de kinderen in Zijn armen, als zij komen tot een diep water, immers als zij grond verliezen, en aan het zwemmen gesteld worden, dan is Zijn hand onder hun kin. Laat mij door uw gebeden geholpen worden, en doe mijn hartelijke groeten aan uw vriendelijke vrouw. Genade zij met u.

      Uw broeder en Christus gevangene, Samuel Rutherford

      Aberdeen, 7 maart 1637

       

    5. Aan zijn liefhebbende vriend Johannes Henderson
    6. Liefhebbende vriend!

      Volhard in de liefde van Christus, en in de leer, die ik u getrouw en arbeidzaam naar mijn mate geleerd heb. Ik ben vrij van uw bloed; vrees de vreselijke Naam van God. Houd in uw hart de onderzoekingen, die ik u leerde, en bemin de waarheid Gods. De dood drijft u zo snel, als de tijd vliegt, uit dit leven. Het kan wel wezen, dat u uw rekening zult doen bij uw Richter, eer ik u zie. Laat de zaligheid nacht en dag uw zorg zijn, en zonder uren en tijden van de dag af voor het gebed. Ik verblijd mij te horen, dat er in uw huis gebeden wordt; zie toe, dat uw dienstknechten des Heeren dag onderhouden. Deze drek, en lemen god, ik versta de ijdele wereld, is niet waardig gezocht te worden. Een huurling staat bij u als een herder ingedrongen te worden, in de plaats waartoe ik Christus’ woord en recht heb; sta op uw vrijheden; want het Woord Gods verleent u een stem in uw herder te kiezen. Hetgeen ik aan u schrijf, dat schrijf ik aan uw vrouw; doe mijn hartelijke groeten aan haar. De genade Gods zij met u.

      Uw liefhebbende vriend en herder, Samuel Rutherford

      Aberdeen, 14 maart 1637

       

    7. Aan meester Hugh Henderson
    8. Mijn eerwaarde en lieve broeder!

      Ik hoor dat u de merktekenen van Christus’ sterven met u omdraagt, en dat uw broederen u uitgeworpen hebben, uws Meesters wil. Laat ons wachten tot de avond, en totdat onze rekening komt in zwart en wit voor onze Meester. Broeder, nademaal wij een duivel hebben moeten om ons te kwellen, zo houd ik meest van een woedenden duivel; onze Heere weet, wat soort van duivel wij nodig hebben: ‘t is best, dat de satan is in zijn eigen vel, en dat hij er uit ziet, gelijk hij is: Christus wenende ziet er ook uit, gelijk Hij is, met Welke schriftgeleerden en farizeeën in een scherpe tegenspraak en twist waren. Gij hebt de lijdzaamheid van Job gehoord, als hij in de as lag, zo was God bezig met zijn zweren te verzachten, en te genezen, en zijn zweren uit te drukken, en zijn ziel te troosten, en eindelijk nam Hij hem op. Die God is nog niet dood. Hij zal bukken, en de gevallen kinderen opnemen; menige gebroken benen heeft Hij sinds Adams dagen gespalkt, en menigte vermoeide harten heeft Hij verkwikt, loof Hem voor de troost: want toch niemand komt dor van Davids Bornput, laat ons onder de anderen gaan, en werpen onze ledige emmers in de oceaan van Christus, en zuigen vertroostingen uit Hem. Wij zijn zo zwaar niet geslagen, of wij kunnen nog Christus zaal met schreien vervullen. Wij hebben ons antwoord nog niet gekregen van Hem. Laat ons onze gebroken pleitredenen ten volle openleggen, en houden die tot de dag van Christus komst. Wij en deze wereld zullen niet effen zijn, voor dat die dag komt, zij wilden ons kleed van ons aftrekken, maar laat ons vasthouden, en laat haar trekken. Broeder, dit is een geheel vreemde wereld, nooit zag ik dergelijk. Zal de plaag haar niet aangrijpen vanwege deze verachting de Zoon van God aangedaan? Wij moeten doen, gelijk degenen die de bloedige neusdoek van de baljuw voorhouden, en laten hem bloed zien; wij moeten ons ongelijk aan onze Richter voorhouden, en laten Hem onze mishandelde en vuile aangezichten zien, de gevangenen van hoop moeten tot Christus lopen met de voren, welke de tranen op onze kaken hebben gemaakt. Broeder, mij belangende, ik ben tegenwoordig Christus’ troetelkind en ik leef op het zoetste en liefelijkste, dat te krijgen is, Hij heeft voor mij fonteinen geopend in de woestijn, ga, en zie op mijn Heere Jezus; Zijn liefde tot mij is zodanig, dat ik de wereld oproep, om peil of grond daarin te bevinden. Genade zij met u.

      Uw broeder in zijn zoete Heere Jezus, Samuel Rutherford

      Aberdeen, 13 maart 1637

       

    9. Aan de vrouw Robertland.
    10. Juffrouw

      Genade, barmhartigheid, en vrede zij u. Ik zal blij zijn, te horen, dat uw ziel welvaart, en dat er vrucht op u groeit, nadat de Heere arbeid en moeite heeft aangewend door Zijn roede, die van uw jeugd aan niet vreemd van u geweest is. Het is de Heere Zijn vriendelijkheid, dat Hij in het vuur ‘t schuim van ons wil nemen: wie weet; hoe nodig ons het wannen is, en wat schuim wij missen moeten, eer wij in het koninkrijk Gods gaan? De ingang naar de hemel is zo eng, dat onze bulten, onze kwabben en lompen van hoogmoed, en eigenliefde, en afgodsliefde, en wereldsliefde van ons afgeklopt moeten worden, opdat wij mogen indringen, laag bukkende, en kruipende door die nauwe en doornige ingang. En nu wat mij belangt, ik bevind het te zijn ‘t zoetste en meest hemelse leven, mijn woning en logement te nemen bij Christus’ hart, en mijn tent neer te zetten op Christus, die Grondsteen, die zekere en getrouwe grond is, en hard onder de voeten. Och dat ik daartoe kon geraken, dat ik mijzelf kon uitroepen niet meer de wereld zijn schuldenaar, noch een liefhebber daaraan verplicht; en dat ik niet langer de liefde van deze wereld meende te huren of te kopen; maar dat ik licht kon zetten de liefelijkheid en vriendschap van Gods hele schepsel, hoedanig het ook zij, inzonderheid de lage kelder, en ‘t lemen deel van Gods schepselen, deze ijdele aarde; want wat heb ik van zijn wereld? Een geleend logement, en enige jaren huisvesting, brood, water, vuur, bed en licht, enz. zijn alle een deel van ‘t pensioen van mijn koning en Heere, Die ik dank schuldig ben, en niet aan het schepsel. Ik dank God, dat God is God, en Christus is Christus, en de aarde de aarde, en de duivel de duivel, en de wereld de wereld, en dat zonde is zonde, en dat ieder ding is, ‘t geen het is. Omdat hij mij in mijn woestijn geleerd heeft, mijn Heere Jezus niet te mengen, noch onder te steken bij de schepselen hun ijdelheden, noch Christus of Zijn zoete liefde in een web of draad met de wereld en de dingen van de wereld te spinnen of te twijnen. Och, dat ik Christus geheel alleen kon houden en bewaren, en Hem met niets mengen? Och, dat ik de prijs en ‘t gewicht van mijn vervloekte zelf kon laag brengen, en verhogen de prijs van Christus, en maken Zijn prijs en waardij dubbel, en driedubbel en vermeerderd en verhoogd tot miljoenen! Ik word, indien ik zo durfde spreken, en wettig mocht klagen, bij Christus Jezus mijn milddadigen Heere zo hongerig onthaald, dat Zijn liefelijke liefde, welke mijn ziel graag in haar handen had, als van mij vliedt; en toch ik word opgekweekt, om Hem te beminnen, en te begeren, en te verlangen, en te sterven voor de liefde van Hem, Die ik niet kan zien. Het is geen wonder, dat men verkwijnt van liefde tot een bedekte en verborgen Liefhebber, en dat men van Zijn liefde verhongerd wordt, zodat een arme ziel haar bekomst niet kan krijgen van honger naar Christus. Het is hard, dat men uitgehongerd wordt door gebrek van honger, waarvan zulke overvloed is naar andere dingen in de wereld; maar gewis, indien wij verzorgers, uitdelers, en meesters en heren voorsnijders waren van Christus’ liefde, wij zouden magerder en erger gevoed worden dan wij nu worden. Onze spijs doet ons temeer goed, omdat Christus de sleutelen draagt; en omdat de wind en de lucht van Christus’ zoete adem, en van de invloed van Zijn Geest besloten is in de handen van ‘t goede welbehagen van Hem, Die blaast waar ‘t Hem gelieft. Ik zie, daar wordt een soort van ongeduld vereist, in het missen van Christus in opzicht van Zijn openbaringen, en in ‘t wachten op Hem. Zij groeien wel die op Zijn liefde en op haar aanblazen, en op ‘t wenden van Zijn genadige wind wachten; en zij groeien wel, die in dat opwachten haasten, en veel gebaar en drukte maken wegens hun verloren en verborgen Heere Jezus. Hoe het ook zij. God voede mij met Hem, op wat wijze het Hem gelieft. Indien Hij maar wil inkomen, ik zal niet gaan bespreken, waar Hij een ingang gekregen heeft, en hoe Hij het slot geopend heeft. Ik zou tevreden zijn, dat Christus en ik zouden elkander ontmoeten. Neem dat u ging staan aan de andere zijde van de helse poel, en mij toeriep, of zet er uw voet in en komt er door, of anders zult ge mij geheel niet hebben. Maar wat voor dwazen zijn wil, als wij Hem en Zijn handeling gaan begrijpen! Hij heeft een deur van Zijn Eigen, boven de mensen hun gedachten, zodat geen voet Hem weet na te volgen, maar wij zijn steeds kwade discipelen, en willen door de poort des hemels gaan, missende de helft van onze les, en zullen voorts kinderen blijven, zolang wij nog onder de handen van de tijd zijn, totdat de eeuwigheid een zon doet opgaan in onze zielen, die ons verstand zal geven. Wij kunnen zien, hoe wij onze schone hemel en onze zaligheid als verspillen en verderven, en hoe Christus iedere dag het een of het ander been in deze onze gevallen zielen weer in de rechte plaats stelt, en dat wij aan deze zijde van ‘t nieuwe Jeruzalem steeds vergeving en genezende genade zullen nodig hebben. Ik bevind, dat kruisen zijn Christus graveersel, dat Hij voor ons uittekent, en dat Hij ons door de kruisen vormt en fatsoeneert naar Zijn Eigen beeld, wegsnijdende stukken van ons kwaad; en verdorvenheid. Heere snijd, Heere kerf, Heere wond, Heere doe al wat uw ‘s Vaders beeld in ons kan voltrekken, en maak ons bekwaam tot de heerlijkheid. Bid voor mij, ik vergeet u niet, dat het onze Heere mocht gelieven, mij ruimte en plaats te verlenen, om zijn gerechtigheid te prediken, en te zeggen, wat ik van Hem gehoord en gezien heb. Vergeet Zion niet die nu is in Christus’ oven, en in Zijn smidse. God brenge haar uit als een nieuw werk. Genade zij met u.

      De uwe in zijn zoete Heere Jezus, Samuel Rutherford

      Aberdeen, de 4e januari 1638

       

    11. Aan de Graaf van Cassils
    12. Recht eerwaarde en mijn zeer goede heer!

      Genade, barmhartigheid en vrede zij uw hoogEd. Ik hoop dat uw hoogEd. mijn vrijmoedigheid zal gelieven te vergeven, dat ik, op het rapport van uw vurig en volvaardig gemoed, dat ik hoor, dat onze Heere u in deze Zijn eerwaarde zaak gegeven heeft, wanneer Christus en Zijn Evangelie zo schandelijk verongelijkt worden, tot uw hoogEdelheid in papier spreek, biddende uw hoogEd. om voort te gaan in de kracht des Heeren tegen een storm van en antichristelijke wind, die deze uw arme moederkerk van Christus’ lelie onder de doornen in het aangezicht waait. Het is uw hoogEdelheids heerlijkheid en zaligheid, als ge een slag ziet komen op Christus, uw arm op te heffen, om die te voorkomen. Ook is het geen zaak, die schaamrood behoeft te worden voor de zon, of te vlieden het vonnis of de censuur van onpartijdige beschouwers; nademaal de kwestie inderdaad, indien zij recht voorgesteld wordt, is over het koninklijke voorrecht van onze prinselijke en koninklijke Wetgever onze Heere Jezus, Wiens oude paalstenen, en landpalen onze bastaardheren, het aardse geslacht van de onderdrukkende bisschoppen stout en schandelijk verzet hebben; en die maar een half oog heeft, kan zien, dat het is de vurige begeerte van onze tijddienende Demassen, en de jeukende schurft van eerzuchtige en opklimmende Diotrefessen, die het geitenleven liefhebben, om op te klimmen totdat zij geen weg kunnen vinden, om hun voetzolen weer op de grond te zetteen, die zo’n wijde bres in de wallen van ons schone Zion gemaakt heeft; en deze zijn de lieden, die geen loon zoeken voor het kruisigen van Christus, dan Zijn rol: Och hoe verloren en troosteloos is de bruid van Christus gemaakt, voor allen die voorbijgaan! Wie ziet niet, dat Christus in dit land als begraven is, Zijn profeten in holen verborgen, stilzwijgen opgelegd, gebannen, en in de gevangenis gesteld, de waarheid wenende in zak en as voor de rechters, ‘t parlement, en de heersers van het land? Maar hun verzoekschrift is door hen verworpen en de heiligheid verbergt zich, vrezende de straten, wegens de smaad en vervolging van de mensen; het recht is bezweken in de poort, en de lange schaduwen van de avond zijn over ons uitgestrekt. Wee, wee ons; want onze dag vliegt heen; wat is er over, dan dat de antichrist zijn tent in ‘t midden van ons neerzet; tenzij uw HoogEd. en anderen met u Christus’ verzoekschrift lezen, en Hem datgene geven, dat de snoodste en ergerlijkste in dit land voor een rechter kunnen hebben, namelijk ‘t geen de arme man toekomt, wet en recht om Godswil. Derhalve: och mijn edele en lieve Heer, gelijk gij begonnen bent, zo ga voort in de machtige kracht en sterkte des Heeren, om onze Heere in Zijn evangelie en verdrukte leden te doen vrolijk zijn, en om de christenkerken welker ogen nu allen op u zijn, te doen zingen van vreugde, wanneer Schotlands maan zal schijnen als ‘t licht van de zon, en de zon gelijk het licht van zeven dagen; u kunt niet minder doen, dan lopen, en opbeuren het hoofd van uw stervende en bezwijkende moederkerk, en pleiten om de voortbrenging van haar oude voorrechts-brieven. Zij houden en drijven uit, en houden en brengen in Gods huis mensen naar hun welgevallen; zij hebben de sleutelen van Christus en Zijn kerk ontstolen, en zijn ingekomen gelijk de dief en moordenaar, niet door de deur van Christus, en nu is hun gezang: macht, macht, gehoorzaamheid aan kerkregeerders! Als zulke bastaarden en onwettige voorgewende stiefmoeders, gelijk onze bisschoppen zijn, razende geworden zijn, zo is het ulieder plaats en plicht, die edelen bent, op te staan en hen te binden; immers, de wet diende zulke wilde stieren, gelijk zij zijn, te knevelen, die daar stoten allen, die zich tegen hun heerschappij verzetten. Helaas! wat hebben wij verloren, sinds de prelaten zijn geworden Meesters-munters, om ons goud in koper te veranderen, en de Heere Zijn wijn met hun water te mengen? Gezegend zult u wezen van de Heere voor eeuwig, indien u Christus helpt tegen de machtigen, en indien u de kudde Gods, verstrooid op de bergen, in een donkere en bewolkte dag, zult redden uit de hand van deze nietige herders. Vrees geen mens, die zullen worden uitgeteerd leem, hetwelk in een kist opgerold, en in de aarde gemeten zal worden. Laat de Heilige Israëls uw vreze zijn, en wees kloekmoedig voor de Heere en voor zijn waarheid. Gedenk dat de dag van uw rekening met vleugelen naar u toekomt, zo ras als de tijd voorbij snelt. Gedenk wat de vrede met God in Christus, en de tegenwoordigheid van de Zoon Gods, de ontdekte en gevoelde zoetheid van Zijn liefde, voor u wezen zal, als de eeuwigheid de tijd zal buitensluiten, en u goede nacht zult zeggen aan de tijd, en aan deze kleine herders lemen hutten, deze herberg van een geleende aarde. Ik hoop, dat uw hoogEdelheid uw gedachten nu en dan uitzendt, om te beschouwen de verachtelijkheid en ijdelheid van deze wereld en de gehoopte heerlijkheid van de toekomende heerlijkheid; en dat gij besluit, dat Christus uzelf, en al ‘t uwe voor Zich, voor Zijn eer en evangelie ten diepste zal hebben. Aldus, vertrouwende dat uw hoogEdelheid mijn stoutheid zal vergeven, bid ik, dat de alleenwijze God, de God des vredes, u teneinde toe beware, versterke en bevestige.

      Uw HoogEdelheids dienst bereide en gehoorzame in Christus, Samuel Rutherford

      Aberdeen, 1637

       

    13. Aan de vrouw Rowaland
    14. Mevrouw!

      Hoewel ik geen bijzondere kennis aan u heb, zo heb ik toch vrijmoedigheid in Christus, om tot uw edelheid op papier te spreken. Ik ben blij in onze Heere Jezus uwenthalve, dat het Hem behaagd heeft (Wiens liefde tot u zo oud is, als Hij Zelf is) de reuk van Zijn liefde in Jezus Christus aan uw ziel te openbaren, in de ontdekking van Zijn wil en zin aan u, en dat nu wanneer zovelen in ongeloof opgesloten zijn. O de zoete verwisseling, die u gemaakt hebt, om ‘t zwarte koninkrijk van de wereld en van de zonde te verlaten, en tot het nieuwe koninkrijk van onze Bruidegoms over te komen, om te kennen, en ingenomen te worden met de liefde van de schone Zoon Gods! Mevrouw, ik bid u in de Heere, maak nu zeker werk, zie toe dat het oude huis neergeworpen en tot de grond toe gelijk gemaakt wordt; en dat het nieuwe gebouw van uw ziel door Christus Zelf gelegd en gemaakt wordt; want dan zal noch wind noch storm het losmaken, of vaneen schudden. Velen nemen nu Christus bij gissing; wees verzekerd, dat Hij het is, en Hij alleen, die u ontmoet hebt; Zijn zoete geur, Zijn liefelijke stem, Zijn schoon aangezicht, Zijn zoete werking in de ziel zal niet liegen; maar ras zeggen, of het Christus in der waarheid is (en ik meen, dat uw liefde tot de heiligen zegt, dat Hij het is) en daarom zeg ik: verzeker u, dat ge Christus Zelf neemt, en neem Hem met Zijns Vaders zegen; Zijn Vader vergunt Hem veel u ten goede; uw snoeren zijn wel gevallen, het kon niet beter noch zo wel met u geweest zijn, indien zij in deze plaatsen niet gevallen waren; in de hemel of buiten de hemel is er niets beter, niets zo zoet en voortreffelijk, als de zaak, waarop u gevallen bent; en daarom houdt u bij Christus. Vreugde, veel vreugde kunt u van Hem hebben; maar neem ook met Hem blijmoedig Zijn kruis op. Christus en Zijn kruis zijn in dit leven niet te scheiden; hoewel Christus en zijn kruis aan de deur van de hemel zullen scheiden; want er is geen huisvesting voor kruisen in de hemel, niet één traan, niet één zucht, niet één bedroefd hart, niet één vrees, niet één verlies of gedachten van kwelling kan daar verblijf vinden, die zijn maar de merktekens van onze Heere Jezus, hier omlaag in deze wijde herberg, en in dit stormig land, aan deze zijde van de dood. Droefheid en de heiligen zijn niet samen getrouwd, of neem, het was zo, de hemel zal een echtscheiding maken. Ik bevind, dat Zijn zoete tegenwoordigheid de bitterheid van de droefheid en ‘t lijden verteert. Ik acht het een zoete zaak, dat Christus van mijn kruis zegt, ‘t is half Mijn, en dat Hij dit lijden met mij deelt, en ‘t breedste deel voor Zichzelf neemt, ja dat ik en mijn gehele kruis geheel van Christus ben. O wat is Christus een deel! O dat de heiligen dieper groeven in de schatten van Zijn wijsheid en voortreffelijkheid! Aldus u bevelende mevrouw aan de goedwilligheid en barmhartigheid van onze Heere, zo blijf ik, mevrouw,

      De uwe in zijn zoete Heere Jezus, Samuel Rutherford

      Aberdeen, 7 september 1637

       

    15. Aan Robbert Gordon, van Knobbrex
    16. Mijn zeer waarde en lieve vriend!

      Genade, barmhartigheid, en vrede zij u. Al had geheel Halloway mij vergeten, zoo wilde ik toch al vroeger een brief verwacht hebben, maar ik zal ‘t niet uitleggen dat het is vergetelheid omtrent mij. Ik bevind dat mijn Heere zevenmaal op een dag gaat en komt, Zijn bezoeken zijn kort, maar zijn dikwijls en zoet, ik durf mijn leven niet denken, van mijn Heere te beschuldigen; ik hoor kwaad gerucht en naspraak van Christus, door de verzoeker en door mijn vlees, maar de liefde gelooft geen kwaad; ik mag zweren, dat zij leugenaars zijn, en dat de beseffingen leugens versieren van Christus’ oprechte onveranderlijke liefde tot mij. Ik durf niet zeggen, dat ik ben een dorre boom, of dat ik geheel geen plaats heb in de wijngaard, maar toch ik denk dikwijls, dat de musjes gelukkig zijn, die tot het huis Gods in Anwoth mogen toegang hebben, waarvan ik gebannen ben. Verzoekingen, die ik meende dat doodgeslagen waren, en terneer lagen, staan weer op, en worden in mij levendig. Ja ik zie, dat zolang ik leef, de verzoekingen niet zullen sterven. De duivel schijnt zozeer te trotseren en te pochen, alsof hij meer toegang tot Christus had, dan ik heb, en alsof hij mijn predikdienst had onnut gemaakt, en doen verwelken, zodat ik in ‘t openbaar niet meer goed zou doen, maar zijn wind doet het koren niet schudden. Ik wil niet geloven, dat Christus zulke indruk zou gemaakt hebben, om mij te hebben voor Zichzelf, en dat Hij zoveel moeite aan mij zou genomen hebben, gelijk Hij gedaan heeft, en dat Hij dan de bezitting zo licht zou laten varen, en verliezen de heerlijkheid, van ‘t geen Hij gedaan had; ja sinds ik te Aberdeen kwam, ben ik opgenomen geweest, om te zien het nieuwe land, het schone paleis van het Lam. En zal Christus mij de hemel laten zien, om mij ‘t hart te breken, en het mij nooit geven? Ik zal niet denken, dat mijn Heere een stom onderpand geeft, of Zijn zegel stelt aan wit papier, of dat Hij voor heeft mij met schone en valse beloften af te zetten. Ik zie nu, ‘t geen ik nooit tevoren goed zag. 1. Ik zie, dat de noodzakelijkheid van het geloof in een schone dag nooit te recht gekend wordt, maar nu mis ik niets zozeer als geloof. De honger, die in mij is, gaat uit naar schone en zoete beloften, maar als ik kom, zo ben ik gelijk een hongerige, die geen tanden heeft, of gelijk een zwakke maag, die wel een scherpe eetlust heeft, doch verzadigd is zelfs van ‘t gezicht van de spijze, of gelijk een die van kou onder water verstijfd is, die graag te land zou komen, maar niets kan grijpen, dat hem toegeworpen wordt; ik kan mij laten grijpen van Christus, maar ik kan Hem niet grijpen; ik wil graag gekust worden en zitten aan Christus knieën, maar ik kan mijn voeten op de grond niet zetten, want verdrukkingen brengen de kramp op mijn geloof. Alles wat ik doe, is, dat ik een gering geloof tot Christus uithoud, gelijk een bedelaar een stomp in plaats van een arm of been uithoudt, en ik roep, Heere Jezus, werk een wonder. O, wat zou ik niet willen geven, om handen en armen te hebben, om sterk te grijpen, en om Christus’ hals hartelijk te omhelzen, en om mijn recht door dadelijke bezitting goed gemaakt te krijgen! Mij dunkt, mijn liefde tot Christus heeft voeten genoeg, en loopt snel naar Hem toe, maar hun ontbreken handen en vingeren, om Hem aan te vatten. Ik denk, ik wilde Christus wel alle morgen komen loven, om zoveel geloof te hebben, als ik liefde en honger heb, immers ik mis meer geloof, dan liefde en honger. 2. Ik zie wel, dat doding, en gekruist te zijn aan de wereld van ons niet zo hoog wordt geacht, gelijk ‘t zou. O wat een hemelse zaak is het dood, stom en doof te zijn voor de zoete muziek van deze wereld! Ik beken, ‘t heeft zijn Majesteit geliefd, mij te doen lachen over de kinderen, die deze wereld aanzoeken om te trouwen. Ik zie, dat de mensen omtrent de wereld hengelen, gelijk de edelen omtrent de koning zijn hof, en ik ben verwonderd, wat zij daar doen. Nadat ik voor tegenwoordig ben, zo zou ‘t mij te gering zijn, zo een nietige en geringe prinses op te passen, of de vriendelijkheid van deze wereld te kopen met het buigen van mijn knie. Ik hoor of zie nu nauwelijks, wat het is, dat deze wereld mij aanbiedt. Ik weet, ‘t is weinig, dat ze mij kan afnemen, en zo weinig kan zij mij ook geven. Ik beveel u de tuchtiging aan boven alle dingen, want helaas wij lopen maar naar veren, die in de lucht vliegen, en wij vermoeien onze geest om het schuim en het vergulde leem van een stervend leven; een gezicht van ‘t geen mijn Heere mij binnen deze korte tijd heeft laten zien, is een wereld der werelden waardig 3. Ik dacht dat kloekmoedigheid in de tijd van zwarigheid wegens Christus een ding was, daar ik zeer licht toe geraken kon; ik meende, dat de gedachtenis zelfs van de goedheid van de zaak genoeg zou zijn, maar ik was een dwaas om zo te denken. Ik heb nu veel te doen, om een toelaching te gewinnen, maar ik zie, de blijdschap groeit naar de hemel op, en zij is boven onze korte arm. Christus zal Zelf rentmeester en uitdeler zijn, en niemand anders dan Hij. Daarom acht ik nu een aasje geestelijke vreugde veel, een vriendelijk toelachen van Christus aangezicht is nu voor mij als een koninkrijk, en nochtans is Hij niet karig, om mij troost te geven. Waarlijk ik heb geen reden, om te zeggen, dat ik door ‘t gebrek verkwijn, of dat de vertroostingen van Christus opgedroogd zijn, want Hij heeft tot mijn verwondering rivieren uitgestort op een dorre woestijn, gelijk ik ben, en zelfs in mijn bezwijmingen houdt Hij mijn hoofd op, en ondersteunt mij met de wijnflessen, en verkwikt mij met de appelen. Wijnhuis en bed zijn bestrooid met kussen van liefde. Roemt, roemt met mij. Och, of u en ik tussen ons tweeën, Christus op Zijn troon konden hebben; al zou geheel Schotland Hem te gronde werpen! Mijn broeder zijn gelegenheid raakt mij zeer, ik hoop, u zult hem vriendelijk zijn, en geven hem uw beste raad. Doe mijn groet aan uw broeder en aan uw vrouw, en de G. M. eist van hem, dat hij getrouw zij, en zich bekeert van zijn geveinsdheid, en zeg, dat ik het u geschreven heb. Ik wens hem dat hem zalig is. Schrijf mij uw gevoelen nopende T. E. en T. D. en haar vrouwen, J. G. of enige anderen in mijn gemeente. Ik vrees, dat ik onder hen vergeten ben, maar ik kan hen niet vergeten. De gebeden en zegening van de gevangene: dat ze op u komen! Genade, genade zij met u.

      Uw broeder in de Heere Jezus, Samuel Rutherford

      Aberdeen, 9 februari 1637

       

    17. Aan mijnheer Balmerinoch
    18. Mijn zeer edele en waarlijk eerwaarde heer!

      Ik neem de vrijmoedigheid, om aan uw edelheid een nieuwe tijding te schrijven uit mijn gevangenis, hoewel uw edelheid meer bevinding heeft, dan ik kan hebben. Als ik hier eerst kwam, was ik niet weinig neerslachtig, wegens beschuldigingen over oude onbekende zonden, en de satan en mij zelf belogen Christus, dat Hij een dorre verwelkte boom over de heining van de wijngaard gesmeten had, maar ‘t was mijn dwaasheid; gezegend zij Zijn grote Naam, het vuur kan de dorre boom niet verbranden. Het gelieft Hem nu Zijn gebannen gevangene met Zijn liefelijke tegenwoordigheid te onthalen, want het past Christus wel, vriendelijk te zijn, en Hij houdt middag- en avondmaal met zulk een zondaar gelijk ik ben; ik ben hier onder Christus’ voogdijschap, Hij heeft mij tevreden gemaakt met een geleende haardstee, en zij geeft zoveel hitte als mijn eigen; mij ontbreekt dan dadelijke bezitting van Christus, en Hij heeft mij daar ook een pand van gegeven, ‘t welk ik hoop te bewaren, totdat Hij het pand Zelf komt lossen. Ik kan geen hulp krijgen, om Zijn hoge Naam te prijzen: Hij heeft mij een koning gemaakt over mijn verlies, gevangenis, verbanning; en mijn stomme sabbatten alleen maken mij tot de keel toe bang. Maar ik vergeef Christus’ wijsheid in deze. Ik durf niet een woord zeggen, Hij heeft het gedaan, en ik zal mijn hand op mijn mond leggen; indien het iemand anders gedaan had, ik zou het niet hebben kunnen dragen. Nu mijnheer, ik moet uw edelheid zeggen, dat ik niet één dronk koud water gaf voor deze lemen afgod, deze gepleisterde wereld. Ik betuig het, en zet er mijn hand onder, dat Christus allerwaardigst is, dat men er voor lijdt. Ons vadsig vlees, dat wel wilde, dat Christus de kruisen met een openbare uitroep afkeurde, heeft niet anders dan een kwaad gerucht over Christus’ kruis gebracht. Mijnheer, ik hoop, u zult niet vergeten, wat Hij voor uw ziel gedaan heeft; ik oordeel dat u in Christus’ rekenboek staat, als een verbonden schuldenaar. Genade, genade zij met uw geest.

      Uw edelheids verplichte dienaar, Samuel Rutherford

      Aberdeen, 13 maart, 1637

       

    19. Aan Alexander Gordon van Knokgray
    20. Lieve broeder!

      Genade, barmhartigheid en vrede zij u. Ik verlang te horen hoe uw ziel vordert; ik verwachtte voorlang brieven van u. Mij belangende, ik ben hier in een goede staat, wel onthaald wordende door een groot Koning. Als ik hier eerst kwam, was ik zo stout, dat ik een jaloersheid vatte van Christus’ liefde; ik zeide dat ik over de heining van des Heeren wijngaard geworpen was, als een dorre tronk; maar ik zie wel, indien ik een verwelkte rank was geweest, ‘t vuur zou mij al voorlang verbrand hebben. Geloofd zij Zijn hoge Naam, die nog sap in de dorre boom gehouden heeft en nu heeft Christus het weer goed gemaakt, alsof Hij het ongelijk gedaan had, en heeft mijn revelingen overzien, (want een mens onder ‘t water kan zijn verstand niet wel gebieden, veel minder zijn geloof en liefde,) omdat het een koorts was; mijn Heere Jezus vergaf mij dat ook onder anderen. Hij weet wel, wij kunnen in onze verdrukkingen een vlek vinden in ‘t schoonste aangezicht dat er ooit was, zelfs in Christus’ aangezicht. Ik zou niet geloofd hebben, dat een donker aanschouwen gemaakt zou hebben, dat ik mijn oude Meester niet kende; maar wij moeten soms ziek zijn; ziekte is recht natuurlijk voor geloof en liefde. Maar o, hoe uitnemend is een arme getroetelde gevangene verbonden aan de zoete Jezus! Mijn tranen zijn mij zoeter dan het lachen is voor de veertien bisschoppen; het beste van Christus, zelfs Zijn kaf, is beter dan het koren van de wereld. Lieve broeder, ik bid u, ik gelast u in de Naam en het gezag van de Zoon van God, help mij Zijn Hoogheid prijzen; en ik bezweer u ook, dat u het aan al uw bekenden zegt, opdat mijn Meester veel dank mocht ontvangen. Och, of al mijn haren, al mijn leden en al mijn beenderen welgestemde tongen waren, om de hoge lof van mijn grote en heerlijke Koning te zingen! Help mij Christus op Zijn troon heffen, om Hem te verhogen boven al de tronen van de lemen koningen, de stervende sceptervoerders van de wereld. De zegen van een gevangene, de zegen van hem, die van zijn broederen afgescheiden is, zij over hen allen, die mij dit werk willen opheffen. Toont dit aan ‘t volk dat bij u is, tot wie ik soms preekte. Broeder, mijn Heere heeft mij daartoe gebracht, dat ik de wereld om geen dronk water zou willen vleien. Ik ben geen schuldenaar aan het leem, Christus heeft mij daaraan gedood. Ik ben nu verwonderd, dat ik nog zo lang zo’n kind ben geweest, dat ik bij zulke bedelaars ben gaan bedelen. Foei ons, dat wij met zo’n zwarte hoer vrijen, daar wij zo’n schoon huwelijk in de hemel kunnen krijgen. Och, dat ik deze lemen afgod kon opgeven, deze opgesmukte, geschilderde, vergulde draak, welke de zonen van Adam aanbidden! Wij maken een afgod van onze wil, zoveel lusten in ons, zoveel goden; wij zijn allen godenmakers; het is te duchten, dat wij Christus, de ware God verliezen in de drang van deze nieuwe en valse goden. Schotland heeft haar kroon van haar hoofd geworpen; de jonge dochter heeft haar erekroon verloren; wee, wee, onze hoererende moeder! Onze dag komt, een tijd wanneer de vrouwen zullen wensen, dat ze kinderloos geweest waren, en de vaders zullen zegenen de misdragende baarmoeders en droge borsten, vele huizen, grote en schone huizen zullen woest worden. Deze kerk zal als de nacht op aarde zitten en de tranen zullen langs haar kaken lopen, de zon is ondergegaan over haar profeten. Gezegend zijn de gevangenen van hoop, die tot hun sterkte kunnen inlopen en zich voor een wijle tijd verbergen, totdat de verbolgenheid over is. Mijn groeten aan uw vrouw en dochters, uw schoonzoon en A. T. Schrijf mij over de gelegenheid van uw kerk. Genade zij met u. Ik ben zeer aangedaan over mijn broeder. Ik bid u, wees voor hem vriendelijk en geef hem raad.

      De uwe in zijn zoete Heere Jezus, Samuel Rutherford

      Aberdeen, 23 februari 1638

       

    21. Aan mevrouw Marre de Jongere
    22. Mijne zeer edele en lieve vrouwe!

      Genade, barmhartigheid en vrede zij u. Ik heb UEds brief ontvangen, die mijn ziel vertroost heeft. God geve u genade te vinden in de dag van Christus. Ik ben in zo’n goede staat en onthaal bij Christus, als een uitgebannen onderdrukt gevangene van Christus wezen kan. Ik ben gedurig welkom in Zijn huis; Hij kent mijn geklop en Hij laat een arme vriend in. Onder dit zwarte ruwe hout van Christus’ kruis, heeft Hij mij Zijn liefde verrukt, en mijn hart naar de hemel met Hem genomen; dat Hij het wel en lang gebruikt! Ik wilde Christus niet ruilen voor de vreugde, die een mens of engel kan verzinnen nevens Hem. Wie heeft zo’n oorzaak, om eerwaardig van Christus te spreken, als ik heb? Christus is Koning van alle kruisen en Hij heeft Zijn heiligen gemaakt tot kleine koningen onder Hem, Hij kan rijden en triomferen over zwakkeren dan ik ben (indien iemand zwakker kan zijn) en Zijn paard zal nooit vallen noch struikelen. Mevrouw, gij hebt veel met Christus te doen wegens uw ziel, man, kinderen en huis. Laat Hem veel werk wegens Zijn beroep bij u vinden, want Hij is zo’n Vriend, Die lust heeft met verzoeken en bezigheden beladen te worden; en hoe meer u Hem oplegt, en hoe gemeenzamer u met Hem bent, hoe welkomer u bent. O, de diepte van Christus’ liefde heeft noch grond noch paal. Och, dat deze blinde wereld zijn schoonheid zag! Als ik zijn weldaden aan mij bewezen met Hem reken, zo moet ik stil staan en verwonderd zijn, en weggaan als een arme bankroetier, die niets heeft om te betalen. Vrije vergeving is mijn betaling. Ik wilde dat ik Hem kon verhoogd krijgen; want Zijn liefde heeft mij krank gemaakt en ik sterf, tenzij ik dadelijke bezitting krijg. Genade, genade zij met u.

      Mevrouw, uw gehoorzame dienaar in Christus, Samuel Rutherford

      Aberdeen, 13 maart 1637

       

    23. Aan Jacobus Mac-Adam
    24. Mijn zeer lieve en waarde vriend!

      Genade, barmhartigheid en vrede zij u. Ik verlang te horen van uw wasdom in genade, en van uw vorderen op uw reis naar de hemel. Het zal de vreugde van mijn hart zijn, te horen, dat u uw aangezicht tegen de storm zet, en dat u door de verzoekingen gaat, zonder vrees wat een mens kan doen. Christus zal Zijn vijanden, als Hij komt, terneer maaien en leggen ze, gelijk men spreekt, op stro, en vullen de graven met dode lichamen, Ps. 110:6. Zij zullen liggen gelijk handen vol verdord hooi, als Hij opstaat tot de buit. Zaligheid, zaligheid is het enige wat nodig is; deze lemen afgod, de wereld, moet niet gezocht worden; zij is een liefelijke beet voor u, maar voor de uitgehongerde bastaarden. Strijd om de zaligheid. Uw Meester Christus gewon de hemel met slagen. Het is een belegerd kasteel, ‘t moet met geweld ingenomen worden. Och deze wereld denkt dat de hemel nabij de hand is, en dat de Godzaligheid in een gemakkelijk bed mag slapen, totdat ze naar de hemel komt, maar dat zal ‘t werk niet doen. Mij belangende, ik ben zo wel, als een gevangene van Christus kan zijn; want door Hem ben ik meester en koning van al mijn kruisen, ik ben boven de gevangenis en boven het steken van de mensen hun tongen. Christus triumfeert in mij. Ik ben neerslachtig en bezwaard geweest door vrezen, en gejaagd door beschuldigingen. Ik was zwemmende in de diepe wateren, maar Christus hield al de tijd Zijn hand onder mijn kin, en droeg goede zorg, dat ik mijn adem met zou verliezen. En nu ben ik weer op mijn voeten geraakt, en er zijn liefdefeesten van vreugde en springvloeden van vertroostingen tussen Christus en mij; wij komen goed overeen, ik heb goede toegang tot Hem, ik ben steeds welkom in Zijn huis. O, mijn korte armen kunnen Zijn liefde met omvatten! Ik bid u, ik gelast u, help mij Hem prijzen; u hebt de gebeden van een gevangene voor u, vergeet mij dan niet. Ik verzoek dat Sibilla mijn hartelijke groet doet aan allen die Christus kennen in die gemeente, alsof ik hen genoemd had. Genade, genade zij met u.

      De uwe in zijn zoete Heere Jezus, Samuel Rutherford

      Aberdeen, 13 maart 1637

       

    25. Aan mijn zeer lieve broeder Willem Livingstone
    26. Mijn zeer lieve broeder!

      Ik verheug mij te horen, dat Christus met uw jonge liefde is weggelopen, en dat u zo vroeg in de morgenstond met zo’n Heere getrouwd bent; want een jong mens is dikwijls een opgeschikt huis voor de duivel, om er in te wonen. Wees nederig en dankbaar voor de genade, en weegt het niet zozeer door gewicht, als dat ge die beproeft of zij recht is. Christus zal geen water werpen op uw rokende kool; nog nooit heeft Hij een duistere kaars uitgeblust, die aan de Zon der gerechtigheid was ontstoken. Ik beveel u aan, het bidden en waken tegen de zonden van uw jeugd; want ik weet, er gaan brieven over en weer tussen de duivel en jong bloed. De Satan heeft een vriend aan het hof in ‘t hart van de jonkheid, en daar zijn hoogmoed, wulpsheid, begeerlijkheid, wraak, vergeting van God als zijn gehuurde agenten. Gelukkig is uw ziel, indien Christus ‘t huis gaat bezitten, en Zelf zo de sleutelen neemt en alles gebiedt, gelijk het Hem alleszins ten volle past alles te regeren, waar Hij is. Houd Christus en onthaal Hem goed, koester Zijn genade, blaas uw kool aan, en laat Hem over u beschikken. Nu, wat mij belangt, weet, dat ik het ten volle met mijn Heere eens ben. Christus heeft de Vader en mij in elkaars armen gesteld; menig zoet verbond heeft Hij te voren gemaakt, en Hij heeft dit onder andere gemaakt. Ik heers als koning over mijn kruisen, ik wil geen verzoeking vleien, noch de duivel een goed woord geven; ik tart de ijzeren poorten van de hel uit. God heeft mijn twisten met Hem, op mijn eerste inkomen alhier overgestapt, en nu eet Hij en houdt Hij gastmaal met mij; loof, loof met mij, en laat ons Zijn Naam samen verhogen.

      Uw broeder in Christus, Samuel Rutherford

      Aberdeen, 13 maart 1637

       

    27. Aan Willem Gordon van White Park
    28. Waarde Heer!

      Genade, barmhartigheid en vrede zij u. Ik verlang van u te horen; ik ben hier de Heere Zijn gevangene en patiënt, zo zacht door mijn Medicijnmeester behandeld, alsof ik een zieke was onder de genezende hand. Ik was met mijn Heere in verschil, en pleitte met Hem, maar ik had het beste. Het is wonder, dat Hij zo één als ik ben heeft verdragen, in de Zoon van zijn liefde Christus een toenaam te geven, en Hem een veranderde Heere te noemen, Die mij verlaten heeft. Maar ongeloof heeft nooit een goed woord van Christus te spreken. Het schuim van mijn kruis vergadert in het vuur een schuim van vreze, twijfeling, ongeduld, ongeloof, beschuldigende de Voorzienigheid als slapende, en mijn droefheid niet aanziende, maar ‘t behaagde mijn goudsmid Christus, het schuim af te nemen en dat in ‘t vuur te verbranden. En gezegend zij mijn Louteraar, Hij heeft de stof beter gemaakt, en heeft nieuwe toebrenging van genade voorzien, om mij wacht te doen houden, en Hij heeft niets verloren, door Zijn knecht in de brand te brengen. Nu geeft Zijn liefde in mijn hart een machtige hitte uit; Hij weet, dat mij de begeerte, die ik heb om bij Hem zelfs te zijn, pijnigt; ik heb zieke nachten en menigte vlagen van liefdekoortsen jegens mijn Beminde; niets pijnigt mij nu dan het missen van tegenwoordigheid, ‘t valt mij zo lang, eer het dag is; ik beschuldig de tijd, dat die zo langzaam voortgaat, die mijn Enige, alleen Schone, mijn Liefste, mijn zeer Beminde van mij houdt. Och, dat wij eens tezamen waren! Ik ben gelijk een oud gescheurd schip, dat vele stormen heeft doorgestaan, en dat graag aan lij was van de oever, en voor nieuwe stormen vreest; ik wilde wel zo naar de haven zijn, dat haar schaduw ‘t geweld van de storm mocht breken, en dat het lekke schip aan land mocht geraken. Mijn Heere Zijn zon zendt een hitte van liefde en een straal van licht op mijn ziel. Mijn zegen is driemaal daags over het zoete kruis van Christus. Ik schaam mij niet over mijn erekrans, de gebannen predikant (dit is de benaming, die ik te Aberdeen draag); liefde, liefde tart uit de smadingen; de liefde van Christus heeft in zich een beproefd schotvrij geweer, de pijlen zullen er geen bloed van aftappen. Wij zijn meer dan overwinnaars door het bloed van Hem, die ons liefgehad heeft, Rom. 8. De duivel en de wereld kunnen de liefde van Christus niet wonden. Ik ben nu verder af van koers van afval op te volgen, dan toen ik kwam; het lijden verstompt de vurige scherpte de liefde niet; werp de liefde in de stromen de hel, zij zal boven zwemmen, zij vraagt niet naar gemaakte en gepleisterde aanbiedingen van de wereld. Het heeft mijn Heere behaagd, mijn hart zo met de liefde van mijn Heere Jezus te vervullen, dat ik (alsof de strijd al reeds gewonnen en ik aan de andere zijde van de tijd was) lachte met de gulden vermaken van de wereld, en met deze drekafgod, welke de kinderen van Adam aanbidden. Deze wormstekige god is het, waar de liefde van mijn ziel is afgetrokken. Mijnheer, u was weleer mijn toehoorder; ik wens nu wel van u en van uw vrouw te horen; mijn groeten en zegenwens aan haar en over uw kinderen. Ik ben blij, dat u zich steeds nog aan Jezus vasthoudt; ga voort op uw reis en neem de stad met geweld in. Houd uw klederen rein; weest reine maagden voor uw Man, het Lam; de wereld zal u volgen tot aan de poort van de hemel, en u zoudt niet wensen, dat zij met u inging. Houd Christus’ liefde vast; bid voor mij, gelijk ik voor u doe. De Heere Jezus zij met uw geest.

      De uwe in zijn zoete Heere Jezus, Samuel Rutherford
      Aberdeen, 13 maart 1637

       

    29. Aan Meester Georgius Gillespie
    30. Eerwaarde en lieve Broeder!

      Ik heb uw brief ontvangen; wat mijn gelegenheid belangt, broeder, ik loof Zijn heerlijke Naam; mijn verlies is mijn winst, mijn gevangenis een paleis, en mijn droefheid vrolijkheid. Als ik hier eerst inkwam, werkten mijn beseffens zo op mijn kruis, dat ik jaloers werd over de liefde van Christus, als zijnde door Hem uit de wijngaard gestoten, en ik was onder grote beschuldigingen (gelijk gewoon gesmolten goud eerst een vuil schuim uitwerpt, en de satan en onze verdorvenheid maken de eerste woorden, die het zware kruis spreekt, en zeggen; God is toornig, Hij heeft u niet lief) maar onze gedachten zijn niet goed; zij brengen leugens voort van Gods en Christus’ liefde; maar sinds mijn geest gevestigd is geweest, en het gruis op de bodem van de put gevallen is, zie ik beter wat Christus doende is. En nu is mijn Heere wedergekeerd met heil onder Zijn vleugelen; nu ontbreekt mij weinig van een halve hemel, en ik vind Christus elke dag zo zoet troostelijk en vriendelijk, dat mij alleen drie dingen kwellen. 1. Ik zie niet hoe ik dankbaar zal zijn, of hoe ik hulp zal krijgen, om die koninklijke Koning te prijzen, Die opricht degenen, die neergebogen zijn. 2. Zijn liefde pijnigt mij, en verwondt mijn ziel, zodat ik in een koorts ben vanwege het missen van de dadelijke tegenwoordigheid. 3. Een overgrote begeerte, om in Gods Naam als met zegel en brief te verzekeren, dat dit Christus en Zijn waarheid is, waardoor ik nu lijd, ja de appel van het oog van Christus’ eer, namelijk de soevereiniteit en koninklijke voorrechten van onze Koning en Wetgever Christus, en daarom laat niemand afgeschrikt worden van Christus’ kruis, of een kwaad gerucht over Hem of over het kruis brengen; want Hij draagt en degene die lijdt, en ‘t kruis zelf. Ik word zeer gekweld met de twistredenen van de grote doctoren (inzonderheid door D. B. in de ceremoniële en arminiaanse geschillen; want ‘t is hier al verdorven) maar ik dank God, het is met geen schade voor de waarheid, of oneer voor mijn belijdenis. Zo zie ik dan, dat Christus kan triomferen over een zwakker mens dan ik, en wie kan zwakker zijn? Maar Zijn genade is mij genoeg. Broeder, gedenk ons oude verbond, en bid voor mij, en schrijf mij uw gesteldheid. De Heere zij met uw geest.

      De uwe in zijn zoete Heere Jezus, Samuel Rutherford

      Aberdeen, 13 maart 1637

       

    31. Aan Johannes Meine
    32. Lieve broeder!

      Genade, barmhartigheid en vrede zij u. Ik ben verwonderd, dat u mij niet een antwoord op mijn laatste brief hebt gezonden; want ik heb het nodig; ik geniet nog steeds enig deel van gemeenzame toegang bij onze grote Koning, Wiens liefde een dood mens zou doen spreken en leven; of mijn goed onthaal aan het hof duren zal, kan ik niet goed zeggen, maar ik heb menigmaal Zijn oor, en (tot Zijn eer alleen zeg ik het) geen gebrek aan liefdekussen van de Zoon Gods. Hij vindt het goed, mij appelen toe te werpen, in mijn gevangenis, om mee te spelen; opdat ik niet verdrietig mocht worden en bezwijken; ik moet al mijn pogingen opgeven, om de diepte van Zijn liefde te peilen; al wat ik kan doen, is maar te staan nevens Zijn grote liefde, en die te beschouwen, en te bewonderen; mijn sc