De brieven

van

Samuel Rutherford

in leven professor en predikant aan de academie en kerk van St. Andrew’s in Schotland

In het Nederlands vertaald door

Jakobus Koelman

bedienaar van het Heilig Evangelie te Sluis in Vlaanderen

Hieraan zijn toegevoegd twee voorredenen, de ene aan de gemeente van Sluis; de andere aan de gevluchte Fransen, vervolgd en verdrukt, wegens hun vast aankleven aan Christus’ waarheid

362 Brieven in drie delen

Deel 3, brieven 201-362

Inhoud

Brief van toeëigening aan de gemeente van Sluis in Vlaanderen *

Aanspraak aan de verdrukte en vervolgde vluchtelingen uit Frankrijk zowel leraars als ledematen *

De laatste brieven van Mr. Samuel Rutherford *

201e brief. Aan zijn eerwaarde en lieve broeder Mr. Johannes Nevay *

202e brief. Aan mevrouw Boyd *

203e brief. Aan Mr. Alexander Colvill van Blair *

204e brief. Aan Mr. Johannes Row *

205e brief. Aan de vrouw Culross *

206e brief. Aan Alexander Gordon van Knockgray *

207e brief. Aan de heer van Carletoun *

208e brief. Aan Robbert Gordon van Knockbrex *

209e brief. Aan mijnheer Craighall *

210e brief. Aan de Heer Craighall *

211e brief. Aan mevrouw Culross *

212e brief. Aan Alexander Gordon, van Earlestoun *

213e brief. Aan Robbert Gordon van Knockbrex *

214e brief. Aan mijnheer Lowdoun *

215e brief. Aan een godzalige vrouw N. N. *

216e brief. Aan de Gravinne van Kenmure *

217e brief. Aan de gemeente van Kilmacolme *

218e brief. Aan een Godzalige vrouw N. N. *

219e brief. Aan de uitverkorene en edele vrouw, mevrouw Kenmure *

220e brief. Aan mevrouw Kenmur *

221e brief. Aan Johannes Kennedy *

222e brief. Aan mevrouw Kenmur *

223e brief. Aan mevrouw Kenmur *

224e brief. Aan mevrouw Kenmur *

225e brief. Aan mevrouw Kenmure *

226e brief. Aan mevrouw Kenmure *

227e brief. Aan mevrouw Kenmur *

228e brief. Aan mevrouw Kenmur *

229e brief. Aan mevrouw Kenmur *

230e brief. Aan mevrouw Kenmure *

231e brief. Aan mevrouw Kenmur *

232e brief. Aan mevrouw Kenmur *

233e brief. Aan mevrouw Kenmur *

234e brief. Aan mevrouw Kenmur *

235e brief. Aan mevrouw Kenmur *

236e brief. Aan mevrouw Kenmure *

237e brief. Aan mevrouw Kenmur *

238e brief. Aan mevrouw Kenmur *

239e brief. Aan mevrouw Kenmur *

240e brief. Aan Earlestown, de oude *

241e brief. Aan Maria Mac-Knaught *

242e brief. Aan Maria Mac-Knaught *

243e brief. Aan Maria Mac-Knaught *

244e brief. Aan Maria Mac-Knaught *

245e brief. Aan Maria Mac-Knaught *

246e brief. Aan Maria Mac-Knaught *

247e brief. Aan Maria Mac-Knaught *

248e brief. Aan Maria Mac-Knaught *

249e brief. Aan Maria Mac-Knaught *

250e brief. Aan Maria Mac-Knaught *

251e brief. Aan Maria Mac-Knaught *

252e brief. Aan Maria Mac Knaught *

253e brief. Aan Maria Mac-Knaught *

254e brief. Aan Maria Mac-Knaught *

255e brief. Aan Maria Mac-Knaught *

256e brief. Aan Maria Mac-Knaught *

257e brief. Aan Maria Mac-Knaught *

258e brief. Aan Maria Mac-Knaught *

259e brief. Aan Maria Mac-Knaught *

260e brief. Aan Maria Mac-Knaught *

261e brief. Aan Maria Mac-Knaught *

262e brief. Aan Maria Mac-Knaught *

263e brief. Aan Maria Mac-Knaught *

264e brief. Aan Maria Mac-Knaught *

265e brief. Aan Maria Mac-Knaught *

266e brief. Aan Maria Mac-Knaught *

267e brief. Aan Maria Mac-Knaught *

268e brief. Aan Maria Mac-Knaught *

269e brief. Aan Maria Mac-Knaught *

270e brief. Aan Maria Mac-Knaught *

271e brief. Aan Maria Mac-Knaught *

272e brief. Aan Maria Mac-Knaught *

273e brief. Aan Maria Mac-Knaught *

274e brief. Aan Maria Mac-Knaught *

275e brief. Aan Maria Mac-Knaught *

276e brief. Aan Maria Mac-Knaught *

277e brief. Aan Maria Mac-Knaught *

278e brief. Aan Maria Mac-Knaught *

279e brief. Aan Maria Mac-Knaught *

280e brief. Aan Maria Mac-Knaught *

281e brief. Aan Maria Mac-Knaught *

282e brief. Aan Maria Mac-Knaught *

283e brief. Aan Maria Mac-Knaught *

284e brief. Aan een edele vrouw *

285e brief. Aan Willem Fullertown, opperschout te Kirkcudbright *

286e brief. Aan de recht eerwaarde vrouw, de Markgravin van Kenmur *

287e brief. Aan de recht eerwaarde hoogedele vrouw, de Markgravin van Kenmur *

288e brief. Aan Johannes Henderson in Rusco *

289e brief. Aan de Markgravin van Kenmur *

290e brief. Aan de vervolgde Kerk in Ierland *

291e brief. Aan zijn eerwaarde en veelgeëerde broeder Dr. Alexander Lighton, Christus’ gevangene in de banden te Londen *

292e brief. Aan Mr. Hendrik Stuart, en aan zijn vrouw, en aan zijn twee dochters, zijnde allen gevangenen in Christus te Dublin *

293e brief. Aan juffrouw Pont, gevangene te Dublin *

294e brief. Aan Mr. Jacobus Wilson *

295e brief. Aan mevrouw Boyd *

296e brief. Aan zijn zeer lieve vriend Johannes Fennick *

297e brief. Aan de zeergeëerde Petrus Sterling *

298e brief. Aan mevrouw Fingask *

299e brief. Aan zijn eerwaarde en lieve broeder Mr. David Dickson *

300e brief. Aan mevrouw Boyd *

301e brief. Aan Agnes Mac-Math *

302e brief. Aan Mr. Mattheüs Mowat *

303e brief. Aan de huisvrouw van Jacobus Murray *

304e brief. Aan mevrouw Kenmure *

305e brief. Aan de recht eerwaarde vrouw, mevrouw Boyd *

306e brief. Een brief van Samuel Rutherford, staande voor zijn predikatie over Dan. 6:26 te Londen op een vastendag, de 31e januari 1644 *

307e brief. Aan de recht eerwaarde vrouw de markgravin van Kenmur *

308e brief. Aan de recht eerwaarde vrouw, mevrouw Boyd *

309e brief. Aan juffrouw Taylor *

310e brief. Een brief van Samuel Rutherford, staande voor zijn predikatie over Luk. 8:22 enz. te Londen op een vastendag, de 26e juni 1645 *

311e brief. Aan Barbara Hamilton *

312e brief. Aan de HoogEdele en zeer machtige heer Archbald, Markies van Argyl *

313e brief. Aan de lezer *

314e brief. Aan juffrouw Hum *

315e brief. Aan de markgravin van Kenmur *

316e brief. Aan Barbara Hamilton *

317e brief. Aan de rechteerwaarde vrouwe, mevrouw Johanna Cambel, markgravin van Kenmur, zuster van de recht edele en machtige markies van Argyl *

318e brief. Aan een Christenvriend, op de dood van zijn vrouw *

319e brief. Aan een Christelijke broeder *

320e brief. Aan een christelijke vrouw *

321e brief. Aan mevrouw Kenmur *

322e brief. Aan Mr. J. G. *

323e brief. Aan Mevrouw Kenmur *

324e brief. Aan mevrouw Ardross *

325e brief. Aan de rechteerwaarde en Hoog-Edele heer, de graaf van Loudon, kanselier van Schotland, en van de academie van St. Andries *

326e brief. Aan M. O. *

327e brief. Aan Earlestoun, de Oude *

328e brief. Een brief van Mr. Samuel Rutherford, staande voor zijn boek, genaamd: "Christus stervende en trekkende zondaars tot Zichzelf;" over de tekst Joh. 12:27—33 *

329e brief. Aan de rechteerwaarde vrouw, mevrouw Kenmur *

330e brief. Aan zijn eerwaarde en waarde broeder Mr. Georgus Gillespie *

331e brief. Aan juffrouw Gillespie *

332e brief. Aan de waarde en zeer geleerde kolonel Gilbert Ker *

333e brief. Aan de waarde en zeer geëerde kolonel Gilbert Ker *

334e brief. Aan de waarde en zeer geëerde kolonel Gilbert Ker *

335e brief. *

1. Latijn: Adolescentibus S. Theologiae Candidatis, allisque Christianis lectoribus, Gratia et pax *

2. Nederlands: Aan de Jongelingen, Studenten van de H. Theologie, en aan andere Christenlezers *

336e brief. Aan Mr. Wilhelmus Guthry *

337e brief. Aan de zeer geëerde, en waarlijk waarde kolonel Gilbert Ker *

338e brief. Aan de zeer geëerde en waarlijk waarde kolonel Gilbert Ker *

339e brief. Aan de waarde en zeergeëerde kolonel, Gilbert Ker *

340e brief. Aan Mevrouw Kenmur *

341e brief. Aan de rechteerwaarde en christelijke vrouw Mevrouw Kenmur *

342e brief. Aan Grissal Fullertown *

343e brief. Aan Mevrouw Kenmur. *

344e brief. Aan de geëerde en recht waarde kolonel Gilbert Ker *

345e brief. Aan mevrouw Kenmur *

346e brief. Aan Mr. Johannes Scot, te Oxnam *

347e brief. Aan Mevrouw Kenmur *

348e brief. Aan mevrouw Kenmur *

349e brief. Aan Mr. Johannes Scot te Oxnam *

350e brief. Aan Mr. Johannes Durham, dienaar des Evangelies te Glasgow, enige weinige dagen voor zijn dood *

351e brief. Aan Mr. Johannes Scot te Oxnam *

352e brief. Aan Mr. Johannes Scot te Oxnam *

353e brief. Aan de gemeente te Aberdeen *

354e brief. Aan mevrouw van Kenmur *

355e brief. Aan mevrouw Kenmur *

356e brief. Aan de rechteerwaarde vrouw, mevrouw de markgravin van Kenmur *

357e brief. Aan juffrouw Craig *

358e brief. Aan enige broeders predikanten *

359e brief. Aan zijn eerwaarde, en lieve broeders Mr. Jac. Guthrie, Mr. Trail, en de rest van haar broeders, gevangen gesteld in ‘t Kasteel van Edinburgh *

360e brief. Rutherfords oordeel over een ruw concept of minute van een verzoekschrift van Mr. Guthry en anderen *

361e brief. Aan mijn eerwaarde broeder, Christus’ krijgsknecht in de banden, Mr. Jacobus Guthry, dienaar van het Evangelie te Stirling *

362e brief. Aan Mr. Robert Campell *

Brief van de synode van Londen, aan de predikanten van Nederland *

1. Reverendi admodum Viri, et Fratres in Christo dilectissimi *

2. Zeer eerwaarde mannen, en zeer geliefde broeders in Christus *

Een brief geschreven door de vermaarde en getrouwe dienstknecht van Christus, Mr. Johannes Livingstoun, aan zijn gemeente te Ancram in Schotland *

Register van de namen van degenen, aan welke al de voorgaande brieven geschreven zijn *

Register van de verschillende stoffen van al de 362 voorgaande brieven van Rutherford *

 

 

 

  1. Brief van toeëigening aan de gemeente van Sluis in Vlaanderen
  2. Mijn waarde vrienden, geliefde broeders en zusters!

    Ziet, de Heere geeft mij een nieuwe goede gelegenheid, om ulieden in het publiek aan te spreken, en ik verblijd mij, als ik die ontvang; omdat ik nu wederom mijn hartsgenegenheid omtrent ulieden kan verklaren en uitstorten, en tegelijk enige besturing en verwakkering geven tot welstand van uw zielen. De Heere weet, dat gijlieden zo eng niet bent in mijn ingewanden, of ik heb meermalen pijnigende begeerten en verlangens, om tot uw behoudenis en opbouwing iets toe te brengen. Doch door mijn afstand van ulieden, en het durende geweld en inbinding op mij gelegd door de machtigen van het land, heb ik weinig of geen toegang, om verder dan door enig publiek geschrift tot ulieder opwerking te spreken: want geheime brieven kunnen zeer weinigen raken; ook heb ik lange tijd herwaarts van zeer weinigen enig schrijven ontvangen, zodat ik de particuliere gestalten of ongestalten van de zielen, niet recht ken; hoewel ik niet geheel onbewust ben, hoe het onder ulieden in ‘t algemeen toegaat; en dat kost mij meermalen nare zuchtingen en bezwarende gedachten; omdat het alleszins openbaar, en door velen uitgeroepen wordt, dat die wijnstok te Sluis nu vrij verbasterd is, en geenszins gelijkt, naar hetgeen zij voor twaalf jaren was; de liefde is zeer verkoud, de ongerechtigheid is vermenigvuldigd, ‘s Heeren dag (weleer, zo u weet, zo nauwkeurig door de menigte gevierd) wordt nu door velen openlijk geschonden, de ergernissen zijn vele, en weinig wordt de tucht gebruikt: want ook worden nu sommigen tot opzieners gesteld, die van het slechtste slag in de gemeente zijn. En wat zal ik meer ophalen? De Heere is zeer merkbaar met zijn Geest geweken, en de heerlijke gangen van de Koning worden nu niet meer bespeurd, gelijk in vorige dagen. Gijlieden die met blijdschap placht op te merken, hoe de Heere de prediking vergezelde met Zijn krachtige bewerking van de zielen, staat nu verbaasd, en beschouwt met droefheid, hoe die hof des Heeren nu veelszins als woest ligt. Mijn openlijk gegeven waarschuwingen en vermaningen zijn van velen niet eens verwaardigd te lezen, en van weinigen zijn ze herkauwd, en op ‘t hart gelegd; evenwel staan ze daar, en zullen er staan tot getuigenissen tegen de ongehoorzamen en afkerigen.

    Och, wat een droefheid is het voor mij, dat ik voor ulieden zo weinig nuttig ben, die u tot een herder gegeven is door de opperste Herder van de schapen, terwijl ik hier en daar, waar de Heere gelegenheid geeft, mijn talent, zo goed als ik kan, zoek aan te leggen; wat de Heere daardoor tot zaligheid en vordering van anderen werkt, kan en behoef ik hier niet te zeggen. Maar mij dunkt, ‘t is een roepende onderdrukking, dat ik verhinderd word ulieden te weiden, en als een tere voedster de onvervalste melk toe te dienen, en zo ulieden naar de zaligheid te leiden. O wat zou het mij een genoegen van de ziel zijn, mocht ik mijn stem weer onder ulieden verheffen, mijn krachten, die nu weinig minder zijn, dan wanneer ik bij u was, in de predikdienst daar verteren, en nieuwe aanzoeking doen uit mijn Heere Jezus Zijn Naam, om veel zielen, die nog omzwerven, tot een onverbrekelijke vereniging met die Bloedbruidegom te brengen! Maar neen; tot nog toe blijkt het niet anders, of de Heere wil mij onder ulieden niet laten komen; of het ooit veranderen zal, en of de ijzeren deuren, die voor mij gesloten zijn, eens zullen opengebroken worden, weet Hij die alles werkt naar de raad van Zijns wil. En het betaamt mij en ulieden allen, in Zijn welbehagen te berusten, en met vertrouwen stil te zijn, en dat zal onze sterkte zijn. Tot op deze dag nemen de kerkelijken (die het de Heere afeist) het ongelijk en de verdrukking, mij door de hoge machten aangedaan, niet ter harte, niettegenstaande, dat ze immers nu al wel weten, of weten kunnen, dat hun voorgaande verdenkingen of jaloersheden, dat ik scheuring of afscheiding van de kerk mocht zoeken aan te richten, geheel ongegrond en liefdeloos zijn geweest; omdat ik in deze twaalfjarige verstoting zoveel blijken van het tegendeel heb gegeven, dat zo wie door geen vooroordelen of hartstochten geheel verblind is, zal moeten bekennen, dat de synoden en kerkeraden zonder reden hun besluiten tegen mij genomen hebben, alsof er schade voor de kerk door mij te verwachten was. Desniettegenstaande houdt men zich stil, alsof ik er niet was, en alsof de Heere Jezus een van Zijn dienaren, als een overtollige, boven ‘t nodige getal gesteld, en last tot werken gegeven had; waarom zijn mededienstknechten hem geen bijzonder werk willen in handen geven; of zo hij evenwel gaat arbeiden in de oogst, omdat hem van zijn Heere en Meester de nood is opgelegd, zij hem met de schouderen stoten, met hem twisten, en hem bij de overheden aanklagen, als komende zijn sikkel in een andermans oogst slaan. Doch hoe zij dit voor de Heere des oogstes, Die alle arbeiders uitstoot, en last geeft om te werken, zullen verantwoorden, kan ik niet bevatten. Hij Zelf brenge het eens op hun hart; het zal hen niet alleszins verschonen, dat zij zouden menen in te brengen, dat de Heren Staten de hindering gelegd hebben: want zij, ja zij bijzonder moesten weten, en tonen te weten, dat er geen Heere in de kerk is, dan onze Heere Jezus Christus, de Vorst van de koningen van de aarde, Die de Vader tot Koning gezalfd heeft over Zijn heilige berg; en dat geen heer of koning op aarde, hoe hoog of mogend hij ook is, in Zijn huis een tegenbevel geven kan of mag, tegen Zijn volstrekt opperbevel, aan iemand van Zijn dienaren gegeven. Zij zouden dan voor ‘t recht en de onweersprekelijke oppermacht van Koning Jezus hun klachten en tegenbetogen inbrengen bij die heren, om de plaag, die Jezus’ hand en ijzeren scepter of roede hen dreigt, af te keren of te voorkomen. Doch dat doen zij niet.

    Mij aangaande, gelijk ik meermaal u gezegd heb, Ik ben in deze enigszins als een gespeend kind geworden. Gelieft mij de Heere niet wederom te doen slaan, en te doen weiden de kudde; ja gelieft het Hem, Die de soevereine Heere is, mij tot mijn dood toe, zoals Jozef, afgescheiden van mijn broederen te laten zijn, daar niemand ervan meer naar vraagt, of over bekommerd is, ik ben tevreden, en buig mij onder Zijn vrijstelling; Hij is de Heere, hier ben ik, Hij doe met mij, zoals goed is in zijn ogen; al Zijn wegen zijn heilig, zij zijn enkel goedertierenheid en waarheid dengenen, Die Zijn verbond bewaren; Hij make mij maar als Jozef een vruchtbare tak aan een fontein, Hij doe mijn boog in stijfheid blijven, en sterke mijn armen door Zijn handen. Ja, geloofd zij zijn Naam eeuwiglijk, dat Hij mij wel uit mijn plaats en bijzondere gemeente, maar niet uit mijn werk als leraar en bedienaar des Evangelies in zijn algemene kerk (niettegenstaande al het tegenspreken en tegenwerken van velen) laat verstoten zijn, tot op deze dag. En daar sommigen wel denken, ja bestaan te zeggen, dat ik bezwaard en leeddragende mocht zijn, dat ik zozeer op die twee, in hun ogen zo klein en gering, punten, van de verwerpelijkheid van de Formulierdienst en Feestdagen, gestaan heb, waardoor mij dan dit lijden eerst is overkomen; zo mag en moet ik verklaren, niet alleen voor ulieden maar ook voor de kerk in heel Nederland, ja ook voor de buitenkerken, die op deze zo ongewone verstoting, met de genomen oorzaken van die, gelet hebbende, zich ook soms daaromtrent bezondigd hebben, dat ik, op veel studiën en overpeinzingen, en gebeden zulk een volle en brede verzekerdheid heb, dat die, punten met recht, en Gode behagelijk door mij (hoewel in veel zwakheid) zijn staande en vastgehouden, als ik heb over enige waarheden van de belijdenis. En hoe gering zelfs vrome leraars die punten nu achten, zo zijn ze toch in mijn ogen zo gewichtig en van zo’n groot belang, dat ze niet alleen dit mijn geringe, ras voorbijgaand lijden waardig zijn, maar indien daarbij mijn eeuwige zaligheid in de weegschaal gelegd werd, ze oneindig te licht daarbij zou bevonden worden; omdat de eer van de Koning der koningen hierin, gelijk in andere punten van Zijn waarheid, oppermacht en soevereine heerschappij in Zijn kerk, verbonden is. De Heere heeft deze waarheden zozeer op mijn hart verzegeld (zo ik iets weet van de verzegeling van enige waarheid door Zijn Geest op mijn hart) dat ik zowel voor deze als voor enige andere Goddelijke waarheid willig en volvaardig zou zijn, op de Heere Zijn roeping, mijn bloed te storten, en mijn leven te geven. En ‘t heeft mij niet weinig verkwikt en versterkt, dat vele beproefde vromen, en getrouwe mannen Gods in Engeland en Schotland, waaronder ook is de schrijver van deze brieven, die waarheden met hun lijden verzegeld hebben, nadat ze die door des Heeren Geest op hun harten verzegeld hadden gekregen.

    Gijlieden, mijn waarde vrienden, weet, of kunt gedenken, en nog nalezen, dat ik in de tijd, als ik nog onder ulieden was, tot u gezegd heb in mijn Toeëigeningsbrief van de eerste honderd vertaalde brieven, in het jaar 1673, dat het vertalen ervan mij zonderling had vervrolijkt, en tot ondersteuning gediend, wanneer ik op diezelfde tijd veel bittere tegenkanting van velerlei mensen verdroeg, ter oorzake van mijn eerste nalaten en ter zijde leggen van de Formulierdienst. En nu moet ik ulieden wederom zeggen, dat het vertalen van de laatste honderd tweeënzestig brieven mij tot zonderling genoegen en troostelijke verwakkering gestrekt heeft, omdat ik daarin zag, hoe God deze zijn uitgelezenen en uitmuntend getrouwe dienstknecht door Zijn allerbijzonderste vertroostingen en liefdeontdekkingen, krachtdadig vergewist en verzegeld heeft, dat hij Hem welbehaaglijk was, in het lijden van die onrechtvaardige uitstoting uit zijn bediening, wegens dat hij weigerde, zich onder menselijke instellingen en vonden op het stuk van godsdienst en kerkregering te buigen, zodat ik, behalve de menigerlei andere blijken van Gods goedkeuring van mijn onbeweeglijkheid in de formulierdienst en feestdaghouding, en de overweldiging en aanmatiging van de kerkelijke macht, ja van Christus’ koninklijke oppermacht, door de hoge overheden, te verwerpen, en als Godtergend te verfoeien, ook de verzegelde ondervindingen van deze heilige man, mij heb mogen en kunnen toepassen als Goddelijke getuigschriften, en als hemelse betuigingen aan mijn ziel, van dat de Heere Jezus ook de verongelijkingen en onderdrukkingen, door politieken en kerkelijken mij toegebracht, met medelijden en goedkeuring ter harte neemt, en erkent, als mij enkel wegens zijn Naam en waarheid aangedaan. Zodat het mij weinig of niet beweegt, dat de leraars in ‘t algemeen mijn lijden kwaad keuren en verachten, alsof het van de God des hemels niet was of werd aangenomen, als voor Hem ondergaan: omdat zij zelfs deze brieven lezende zullen zien, wat een achting de Heere voor dergelijk lijden heeft. Want, om deze ene reden een weinig aan te dringen, bijzonder op vrome leraars, die enige eerbied hebben voor Gods verzegelingen, en enige ondervinding van de Heere Zijn troostelijke en krachtdadige overreding: want de anderen zijn toch blind, en verachten op een godloochenende wijze die geheime verzekeringen en getuigenissen van de Geest, een van drieën, of zij zullen moeten verloochenen, dat die vertroostingen en zielsverrukkende openbaringen van Christus, waarvan Rutherford hier zo overvloedig en in volle verzekerdheid spreekt, waarlijk goddelijk of hemels waren; of zij zullen moeten geloven, dat God zulke hoge vertroostingen en allerlieflijkste ontmoetingen zonder bijzondere reden of gelegenheid geeft, en ze als een zegel stelt op een wit papier daar niets op geschreven staat, en daarom niets uit te besluiten is, waardoor zij dan de Heere ongerijmdheid zullen schijnen toe te schrijven. Doch geen van beide kan ik van teerhartige beproefde leraars verwachten. Of eindelijk, zullen zij moeten erkennen, dat de Heere Christus daardoor dit brede getuigenis van de hemel neergezonden en gegeven heeft, dat het Hem een zeer aangename dienst was, wanneer deze heilige, ook tot uitstoting toe, beschermde en vasthield, dat geen mens, ‘t zij kerkelijk of burgerlijk, mocht erkend of opgevolgd worden, wanneer hij op het stuk van zijn dienst en kerkregering, iets anders beval, oplegde en opdrong (bijzonder nog onder een onrechtmatige titel) dan ‘t geen van Hem Zelf, de enige Heere in Zijn huis, goedgevonden en opgelegd was; en zo zullen zij dan mijn lijden op dezelfde of dergelijke gronden moeten goedkeuren. Doch hoe dan zulke leraars zullen kunnen blijven in het stil gebruik van die menselijke inzettingen en vonden, zijnde zo geheel buiten, ja genoegzaam tegen Gods geboden en inzettingen, en zwijgen omtrent die openbare inbezitneming van Jezus’ macht en kroon, tegen mij gepleegd door de hoge overheden, zonder te vrezen, dat hun dat op enige dag, (bijzonder als zij zullen moeten opkomen, om rekenschap van hun bediening voor de Heere Jezus te geven) tot een aanstoot zal zijn, dat laat ik hun in hun bedaardste gedachten zelf overwegen.

    Het is mij nu genoeg, dat ik in dit voorbeeld zo klaar zie, dat Christus op de allerzoetste wijze voor zo’n lijden om dergelijke oorzaken, Zijn goedkeurend getuigenis geeft; al mocht het met mij die uitslag niet hebben, gelijk het waarschijnlijk niet hebben zal, die het met Rutherford gehad heeft, als die na twee jaren gebannen, en te Aberdeen bepaald geweest te zijn, hersteld werd in zijn gemeente te Anwoth, en daarna in een groter gemeente verplaatst werd, alwaar hij nog over de twintig jaren in de Heere Zijn wijngaard gearbeid heeft. Doch ik heb nu minder hoop op herstel, omdat, (nadat in het jaar 1685 op de rekesten van magistraat en kerkeraad te Sluis, bij hun Hoog-Mog. in beraad was genomen, of ik zou mogen hersteld worden, en hun Gedeputeerden daarover ettelijke malen waren samengekomen, zonder iets tot bevordering van mijn recht tot stand te brengen, of te besluiten, gelijk ik dat in mijn Aanspraak tot de Gereformeerde Kerken van het Verenigde Nederland, staande voor mijn boek van de Sabbat, breed verhaald heb) het hun Hoog-Mog. geliefd heeft, in het einde van dat jaar 1685, de 18e december, op de aanklacht van ene Christoffel del Corne, Baljuw van ‘t Sas van Gent (wegens dat ik zestien maanden tevoren eens daar was gekomen, en in een burgerhuis ‘s avonds een heilige oefening had gedaan voor enige begerige zielen, waarover mij, en in mij aan de Heere Jezus, de hoogste smaad en belediging was geschied door die Baljuw, gelijk hun Hoog-Mog. niet onbekend was, nochtans daarom, zonder enige andere reden) tegen mij te besluiten, onder anderen, dat mij zou gelast worden, op straffe van een boete van duizend gulden, niet te komen (niet alleen niet te Sluis) maar ook niet in het direct van de Generaliteit daaromtrent, en was getekend, A. Gerlacius. Ik weet niet, of enig jezuïet of priester, die pesten van de Staat, komende tegen de plakkaten van de landen in onze provinciën, op hoger boete staan dan zeshonderd gulden; maar dit weet ik, dat papen, monniken en jezuïeten met menigte in ons land komen, geduld en toegelaten worden, zelfs hun afgodische diensten te doen, en hun zielverderfelijke leringen te zaaien, zonder dat enige boete van hen geëist wordt. Doch mijn lot is dit alles te lijden van mijn overheden, dat ik ook gewillig, en, omdat ‘t wegens Christus’ zaak is, blijmoedig doe, buigende in deze onder Zijn wil, en mij ondertussen houdende aan mijn formele en uitdrukkelijke protestatie, die in het jaar 1683 gedrukt en uitgegeven is, alsmede aan die van mijn andere protestaties in het jaar 1685, staande voor ‘t gemelde boek van de Sabbat. Doch hiervan genoeg, indien niet te veel.

    Gijlieden verwacht nu, dat ik tot bevordering van uw vrede, heiligheid en zaligheid iets toepasselijke schrijven zou, dat ik graag wil doen; doch ik moet dit vooruit zeggen, dat ik vertrouw, dat u vrij meer voordeel zult ontvangen door ‘t lezen van Rutherfords brieven, dan van enige van de mijne; derhalve gebruikt deze mijn arbeid, in ‘t vertalen besteed; leest ze tot uw verwakkering, doch leest er maar een of twee gelijk, en overdenkt hetgeen u leest; bijzonder verzoek ik, dat u leest de brieven, die Rutherford en Livingstone schreven aan elk van hun gemeente; namelijk, de tweede, de veertiende, de honderd negenenveertigste, en honderd een en negentigste, en de laatste; en maakt er enige toepassing en gebruik van, alsof ik aan ulieden schreef. Voorts kunt u door ‘t register bestuurd worden, om te lezen van wat stof u wilt. Nu is mijn voornemen een enige zaak te doen. namelijk, ulieden enig behulp toe te dienen, tot kennis van uw staat voor God. Het is gewis een zaak van het grootste gewicht, recht te weten, of u genadeloos, of begenadigd bent; vermits hiervan afhangt uw ziel, uw al, uw eeuwigheid; want hierin mis te vatten, en in te beelden, dat het met uw ziel wel is daar het kwalijk is, is de gebaande weg ter verdoemenis: want zolang u zo misvat, zult u Christus niet recht zoeken; want die niet ziek is, en zijn wond niet ziet noch voelt, zoekt geen medicijnmeester, en hij gebruikt geen pleister; en dat is de oorzaak van de gewone onbekommerdheid, en zorgeloze gerustheid onder de belijders; een grote menigte van hen is bedrogen omtrent hun zielestaat. En waarlijk, ‘t is zeer licht, in dit stuk mis te vatten, vanwege de bedrieglijkheid van de mensen hun hart, en de natuurlijke blindheid en onverstand omtrent het wezen en de werkingen van de ware genade; vele dingen gaan onder de naam van genade en bekering, en van bewijzen van die, die het niet zijn; er is veel schijn genade, en schijn-godzaligheid, die aan de toets gebracht zijnde, bevonden wordt zover van de zaligmakende genade en ware godzaligheid te verschillen, als dood en leven, duisternis en licht. Wie niet alleen in een staat van de genade is, maar zelfs ook weet, dat hij genade heeft, dezelve is uitnemend gelukkig boven al die vromen, die daaromtrent duister en twijfelende zijn: want hij heeft uit kracht en ingevolge daarvan een zeer dierbare vrede, troost en blijdschap, ja een kleine hemel op aarde; zijn liefde tot God wordt zeer verwakkerd door de aanmerking, en verzekering, dat Gods liefde hem voorgekomen is, en dat de hemelse erfenis voor hem bereid is en bewaard wordt. Zijn geloof gaat zeer vrijmoedig en werkzaam uit, omdat hij al de beloften van ‘t Genadeverbond als zijn eigen aan ziet; zijn dank- en lofzeggingen tot de Heere zijn menigvuldig, en zeer hartelijk, omdat hij durft zeggen, God is mijne, en al de zegeningen, door Christus’ bloed verworven, zijn mijne. Verdrukkingen vallen hem daarom lichter te dragen; de dood is hem niet verschrikkelijk, en iedere weldaad heeft dubbele zoetheid, omdat hij op goede grond vertrouwt, en zeker is, dat het Gods liefde en genade is, die ‘t een en ander hem toezend. Daarom behoort een ieder christen zijn best te doen, om zekerheid en klaarheid te hebben omtrent zijn staat; elk moet de nauwkeurigste proeven nemen, om zichzelf onfeilbaar te kennen; niemand moet zijn hart, als het hem van vrede spreekt, verder geloven, dan het bewijs kan brengen, en dadelijk brengt, uit Gods Woord; want gelijk Salomo zegt: die op zijn hart vertrouwt is een dwaas; overweegt de navolgende teksten: Spr. 28:26; Gal. 6:4,5; Openb. 3:1,16,18; Spr. 30:12; Matth. 25:1—10; Luk. 13:25,26; Matth. 7:22,23; Job 15:31; Jes. 48:1,2; 58:2,3; Jer. 7:1,8—11; 2 Tim. 3:5; Rom. 2:28,29; 1 Kor. 10:12. Het is een kwaad en droevig teken, indien wij onwillig zijn, moeite aan te wenden, om op zekere gronden te weten, hoe onze zaken voor God staan, en of wij geestelijk levendig of dood zijn; gelijk het integendeel een bewijs is, zo men hartelijk, willig en volvaardig is, geen arbeid te ontzien, om door ‘t werk van onderzoek (recht naar Gods voorschrift betracht) vastheid van zijn genadestaat te krijgen. Nu ik kan ulieden hiervan verzekeren; daar is een weg, om tot gewisse kennis van uw geestelijke staat te komen, hetzij die goed of kwaad is. De oprechten kunnen hun welstand te weten komen: want God heeft niet alleen in Zijn Woord merktekenen gesteld, opdat zij die geloven in de Zoon van God, zouden weten, dat ze het eeuwige leven hebben, en opdat ze alzo vrijmoediger en verzekerder zouden geloven in Zijn Naam, gelijk Johannes zegt, 1 Joh. 5:13. Maar Hij heeft ook Zijn Geest tot dat doeleinde aan de Zijnen gegeven, opdat ze zouden weten de dingen, die hun van God geschonken zijn, en opdat die Geest hen troostelijk zou verzegelen en medegetuigen hun kindschap en verlossing, 1 Kor. 2:12; Rom. 8:16; Ef. 1:13,14; Joh. 16:13,14; Ef. 4:30; Joh. 14:16,17,26. Ook heeft de Heere ons belast, Hem te dienen in volle verzekerdheid des geloofs, en van de hoop, en tot dat einde alle naarstigheid aan te wenden, om onze roeping en verkiezing vast te maken, en om te weten, dat Christus Jezus in ons is, en dat wij in het geloof zijn; gelijk ook degene, die in de Zoon Gods gelooft, het getuigenis in zichzelf heeft. Hebr. 6:11,12; 10:22; 2 Petr. 1:10; 2 Kor. 13:5; 1 Joh. 5:10. Aan de andere zijde de onoprechten en genadelozen kunnen weten, zo zij ‘t willen weten, dat zij alsnog zonder ware levendige genade zijn; ‘t Woord des Heeren geeft hun de blijken van hun staat; ja zo zij maar hun hart en leven willen leggen bij de tekenen van begenadigden, zij zullen kunnen en moeten besluiten, dat ze alsnog buiten de staat van Gods kinderen zijn.

    Om dan nu de een en de ander enigszins te helpen, zal Ik hier enige klare en kortbondige vragen voorstellen, die het wezen en de kracht van de godzaligheid bevatten en uitdrukken; welke, zo u de Heere met ja kunt beantwoorden, dan mag ik ulieden uit des Heeren Naam, Woord en last verzekeren, dat gijlieden genade gevonden hebt in des Heeren ogen, dat uw zonden vergeven zijn, en dat u erfgenamen bent van de kroon des levens. Ik weet wel, dat ettelijke oprechte zielen wegens hun zwakheid van de genade, duisternis en kleinwetendheid, en kracht van de verdorvenheid, hier meermalen zullen stilstaan, en niet durven antwoorden, dat het zo met hun is; doch omdat de wortel van de zaak, het zaad, en de grond van alles bij hun gevonden wordt, en zij verlangen en pogen, om ‘t geen zij niet hebben, of maar zeer gebrekkelijk vinden, door Christus vervuld te krijgen; zo mogen zij daardoor niet in twijfeling over hun staat gehouden worden, voornamelijk, omdat veel andere wezenlijke dingen, hier genoemd, in waarheid bij hen gevonden worden. Dit nu zijn de vragen, waarop u moet antwoorden.

    Vraag 1. Hebt u een geestelijk en zielaandoend gezicht van de verdorvenheid van uw natuur, van de wortel en oorsprong van al uw dadelijke zonden, van dat boze en onreine hart, van die hebbelijke en natuurlijke kwaadaardigheid en zondigheid? En ziet u meer hatelijkheid en gruwelijkheid in uw hart, dan in uw leven? Rom. 7:24; Ps. 51:7; Matth. 15:18,19.

    Vraag 2. Kunt u in geestelijke zonden, zo grote, of ook wel groter zondigheid zien, dan in uitwendige of vleselijk zonden, namelijk in geestelijke hoogmoed, geveinsdheid, ongeloof, zelfzoeking, gierigheid, aardsheid, ijdele eerzucht, werkingen van inwendige godloochening en afgoderij, verhardheid, Godvergeting, haat tegen vromen, en tegen kracht van godzaligheid? Joh. 15:22; Hebr. 3:12; Joh. 3:19—21; Matth. 23:24.

    Vraag 3. Hebt ge uw ellende en zondigheid zodanig aan u ontdekt gekregen, dat ge daardoor bewogen bent, om uw zaligheid boven alle dingen in de wereld ter harte te nemen, en alle vertrouwen op uzelf, ook op uw beste dingen te verwerpen, en Christus de Verlosser zeer dierbaar te achten, en voor de zonde in ‘t vervolg van uw dagen te vrezen, en tevreden te zijn, dat de Heere u maar zalig maakt op Zijn wijze? Hand. 2:37; 16:30; Rom. 7:4; Filip. 3:3; Matth. 9:12; 11:28,29

    Vraag 4. Hebt ge u voor Jezus wijd geopend, met een hartelijke inwilliging, consent en toestemming, de Middelaar aannemende, zoals Hij u in het Evangelie wordt voorgesteld, en Hem omhelzende op Zijn Eigen voorwaarde, dat is, geheel en al, om niet, en tot alle einden en gebruiken, waartoe u Hem nodig hebt, om tot de zaligheid gebracht te worden? Openb. 3:20; Ps. 24:7—10; Joh. 1:12; Kol. 2:6; 1 Kor. 1:30.

    Vraag 5. Is uw oog van de ziel zo op Christus gevestigd, en uitziende, als algenoegzaam, en machtig, en willig, om in allerlei noden te helpen, dat u ook dadelijk al uw lasten op Hem werpt, en tot Hem loopt met uw twijfelingen, zorgen, zwakheden, beschuldigingen, gevallen, feilen en plichten, en met al wat u te doen hebt? Hebr. 7:25; 6:18; Matth. 11:28; Jes. 45:22,24.

    Vraag 6. Hebt ge een klaar en blijvend gezicht gekregen van de ijdelheid, levendigheid en nietigheid van de schepselen en schepseltroost, zodat u nu niet meer oordeelt, gelijk te voren, dat in rijkdom, eer, of plezieren te bezitten en te genieten, een groot geluk en kostelijk deel bestaat, maar dat u ze in vergelijking van Christus, en de genade en gunst Gods, de vergeving van de zonden, en de troost en vrede van een goed geweten, zeer laag stelt, als verzekerd en klaar beseffende, dat er een zielsvoldoende en geruststellende volheid in Jezus is, welke u als uw vergenoegend deel omhelst en verkiest? 2 Kor. 4:17,18; Pred. 1:2; Hebr. 11:25,26; Filip. 3:8,19,20; Luk. 16:25; Ps. 16:5,6,11; 73:25,26.

    Vraag 7. Zijn de zonden en verdorvenheden u zware en drukkende lasten, bijzonder ook deze inwendige geestelijke hartzonden. 1. Ongelovigheid; 2. liefdeloosheid; 3. dodigheid; 4. aardsheid; 5. lust tot vleselijkheid; 6. zorgeloosheid; 7. Iauwheid in godsdienst; 8. afzwervendheid in heilige plichten; 9. ijdelheid van de gedachten, begeerten en wensingen; 10. afwijking met het hart van de Heere. 11. afkerigheid, onwilligheid, traagheid en vadse loomheid tot uw plicht; 12. nijdigheid en droefheid, als het anderen in verscheidene opzichten beter gaat; 13. wraaklust en kwaadwensendheid, aan die u verongelijkt hebben; 14. hardheid en ongevoeligheid van het hart; 15. harteloosheid, onblijmoedigheid en onsmakelijkheid in ‘t betrachten van uw plicht? Ps. 19:13; Jes. 63:l7; Ps. 119:113; Rom. 7:15,24.

    Vraag 8. Is dit uw bijzonder werk en zorg, te waken en op de wacht te staan tegen uw geestelijke vijanden, te waken over uw hart, over al wat er in en uitgaat, uzelf te bewaren, dat de boze u niet vat, te waken tot, en in het gebed, te waken tot uw plichten, om die op de rechte tijd waar te nemen? 1 Joh. 5:18; Spr. 4:23; 1 Petr. 5:7, 8; Mark. 13:33,34,37; Luk. 21:34,36; Kol. 4:2.

    Vraag 9. Bent u vlijtig, ernstig en oprecht bezig, in ten onder te brengen, en te doden de ongedode en werkzame begeerlijkheden, driften en hartstochten, die u in uw hart vindt woelen, en in uw hart te reinigen, en te verbeteren, en in te arbeiden, dat uw hart mocht zijn nederig, hemels, geestelijk, ijverig, ernstig en levend in het goede? Gal. 5:24; 1 Joh. 3:3; Kol. 3:5; 2 Kor. 7:1; Spreuk. 4:23; Jak. 4:8; Jer. 4:14; Ps. 51:12; 86:11, 119:10,11,36,80.

    Vraag 10 Is het uw gestadige oefening, zorg en poging, God naar Zijn wil en instelling te dienen, namelijk in de Geest, oprecht, geestelijk, hartelijk, in de waarheid, en met een waarachtig hart, om Hem zo te behagen, en de eer van Zijn Naams te geven? Filip. 3;3; Joh. 4:23,24; Hebr. 10:22; 2 Kor. 5:9; Ps. 29:1,2; 1 Thess. 4:1.

    Vraag 11. Maakt u het tot uw dagelijks werk, uw ongerechtigheden na te vorsen, en de bedriegerijen van uw hart en wegen uit te vinden, teneinde u over uw zondigheid meer vernederd mag zijn, en berouw en boetvaardigheid oefenen? Is dat uw ernstige begeerte en vlijtige bezigheid, in al uw plichtoefeningen, in alle staten, gevallen en beproevingen, meer kennis te zoeken van uw zondigheid zelf, en van de plagen, dwalingen en snoodheden, die in uw hart en handelingen zijn, teneinde u voorzichtiger en ootmoediger met God mag wandelen, en het kwade door Zijn kracht verbeteren? Zef. 2:1. Ps. 77:6; Job 34 22; Micha 6:8; Ef. 5:15.

    Vraag 12. Kunt u met waarheid en verzekerdheid zeggen, dat u geestelijke en hemelse begeerten en verlangens hebt, en gestadige wensingen naar de navolgende dingen. 1. Dat u heiliger mocht zijn in al uw wandel, vruchtbaarder in ieder goed werk, wandelende waardiger voor God in alle behaaglijkheid, en schikkende uw hart en leven meer naar de wil van God. 2. Dat u een innige, levendige en gestadige gemeenschap met Christus mag houden, en Hem meer door ondervinding kennen in de kracht van Zijn dood, opstanding en voorbidding. 3. Dat uw oude mens met zijn bewegingen meer gedood, en uw hart meer van zonden gereinigd wordt. 4. Dat u God meer mag vrezen, liefhebben, vertrouwen, behagen, dienen en verheerlijken. 5. Dat Christus alleen in uw hart heerst, en al Zijn en uw vijanden daar neerwerpt en uitwerpt. 6. Dat het Evangelie zijn loop heeft, en verheerlijkt wordt in de bekering van velen. 7. Dat Christus’ koninkrijk uitgebreid en bevestigd wordt. Joden en Heidenen toegebracht worden, en het rijk van de duivel en de antichrist verbroken wordt. 8. Dat er in de belijders van Christus’ waarheid veel Evangelische heiligheid, liefde, geloof, nederigheid, hemelsgezindheid en ijver gevonden wordt? Jes. 26:8,9; Ps. 38:10; Matth. 5:6; Openb. 22:17; Neh. 1:11; Spr. 11:23; Ps. 10:17; 63:1,2; Jes. 2:2,3; Kol. 1:10; 2 Kron. 15:15.

    Vraag 13. Kunt u uw geloof en rust op God vestigen, in de beloften niet alleen van de vergeving van de menigvuldige zonden aan de goddeloosten? Jes. 55:7—9; Ex. 34:6,7; Jer. 33:8,9. Maar ook in deze navolgende zonderlinge beloften? 1. Dat Hij u bekering en vergeving zal geven, wanneer u die nodig hebt, Hand. 5:31. 2. Dat Hij uw afkeringen zal genezen, en vrijwillige liefde tonen. Hos. 14:5. 3. Dat Hij de Geest zal uitgieten en meer genade geven, Joël 2:28; Hand. 2:17; Jes. 44:3; Zach. 12:10; Joh. 7:38; 10:10; Jak. 4:6. 4. Dat Hij de hardheid en weerspannigheid van uw hart zal wegnemen, meer en meer, en geven een buigzaam en week hart, Ezech. 11:19—30; 36:26. 5. Dat Hij Zijn vrees in uw hart zal geven en houden, en wijken van u niet af, en verhinderen dat u niet geheel van Hem afwijkt, 32:39,40. 6. Dat Hij u Zelf zal leren, Jes. 54:13; Joh. 6:45; Jer. 31:33,34; Hebr. 8:10—12; 1 Joh. 2:27. 7. Dat Hij u genade en heerlijkheid zal geven, en geen goed zal laten ontbreken, maar al uw gebrek vervullen naar Zijn rijkdom in heerlijkheid, I’s. 84:12; Filip. 4:19; I Tim. 4:8; 2 Kor. 8:9. 8. Dat Hij u nooit zal verlaten of begeven, of ‘t zal maar een ogenblik zijn, Hebr. 13:5,6; Jes. 49:14—16; 54:7,8. 9. Dat Hij u zal doen wandelen in Zijn wegen, en maken het krachtdadig, dat u gehoorzaam zult zijn, Ezech. 11:20; Ps. 119:35—37. 10. Dat alles u ten goede zal strekken en medewerken, ook de scherpste kastijdingen, Rom. 8:28; Ps. 119:67,71,75; Hebr. 12:6,10; Jes. 27:9; 1 Kor. 11:32. 11. Dat Hij uw verdorvenheden zal dempen, verbreken en ten onder brengen en uw hart en leven daarvan reinigen, Ezech. 36:25,26; Micha 7:18,19; Jer. 33:8,9. 12. Dat Hij uw zwakheden zal te hulp komen, en u bekrachtigen, nadat u nodig hebt, Rom. 8:26; 1 Kor. 10:13; Kol. 1:11; Ef. 3:16; Jes. 45:24. 13. Dat Hij uw gebeden zal verhoren, Ps. 50:15; 1 Joh. 5:14,15; Joh. 14:13,14; Jes. 58:9; 65:24. Zijn deze beloften, zowel als die van vergeving uw vermaak en troost, uw grond, rust en hoop?

    Vraag 14. Hebt u een evangelische droefheid over uw zonden, een droefheid naar God, en drukt u dat uit in de navolgende dingen? 1. Is uw droefheid niet alleen over die, dat de zonde uitbreekt, en gezien wordt, maar bijzonder omdat de zonde in uw hart is, en woont, en u er niet van kunt ontslagen worden? 2. Is uw droefheid niet alleen, niet zozeer wegens de straf, die op de zonde volgt, of volgen mocht, maar wegens ‘t kwaad dat in de natuur van de zonde is, en dat in de uitwerking of vruchten van de zonde is, als namelijk: wegens dat God een heilig en groot God, daardoor vertoornd, mishaagd, klein geacht, en onteerd is; wegens dat Christus daardoor gekruist is; wegens dat de Geest daardoor bedroefd is, het evangelie daardoor ontsierd is, uw ziel daardoor bevlekt en verzwakt is, uw naaste daardoor ontsticht is? 3. Is uw droefheid over alle zonden, die u weet dat uw zonden zijn, niet allen over grove, maar ook over minder zonden, niet alleen over uitwendige uitbrekende en bekende zonden, maar ook over inwendige en geestelijke en geheime zonden, ook over de onreinheden van uw godsdienst? 4. Is uw droefheid niet bij vlagen, nu en dan op roerende predikatie, of smartend kruis, maar dagelijks, gelijk de zonde dagelijks is, en vernieuwd wordt? 5. Is uw droefheid temeer, en niettemin, als u geloof oefent omtrent Christus, de genade, en de beloften, en het evangelie Gods? Is uw droefheid teer en smartelijker, als u in geloof kunt aanmerken, en vasthouden, dat er genade voor u is, vrije, grote, onveranderlijke en eeuwige genade, dat Christus voor u gestorven, en gekruist is, dat uw zonden vergeven zijn, dat God u liefgehad heeft, dat Hij u weleer van Zijn gunst verzekerd heeft, en nu verzekert? 6. Verwekt die droefheid over uw zonden in u drie dingen: 1. toorn en wraak tegen uzelf; 2. omzichtige bekommering en zorg, om die zonde te verlaten, en te vermijden; 3. kinderlijke vrees, van in het toekomende God zo te vertoornen, en op die wijze weer te zondigen? 2 Kor. 7:9—11; Zach. 12:10—12; 13:1. Rom. 7:19,23,24; Ps. 51:5,6; 2 Sam. 24:10; Jer. 31:18; Matth. 5:4; Ps. 6:6; Luk. 7:38,47; Matth. 26:75; Micha 7:9.

    Vraag 15. Zijn deze navolgende acht dingen u tot een last? 1. Dat u zo’n bedrieglijk en afleidend, en verraderlijk hart hebt. 2. Dat u zich in uw plichten en heilige oefeningen zo dikwijls verstrooid, en afgetrokken vindt. 3. Dat u zo weinig hemelsgezindheid en verlustiging in God en zijn dienst gevoelt. 4. Dat u zo’n onrein en ijdel hart hebt. 5. Dat u zo weinig voordeel doet met de middelen van de genade. 6. Dat u zo weinig nuttig bent in de wereld. 7. Dat God zo weinig door u verheerlijkt wordt. 8. Dat uw verdorvenheden nog zo sterk en woelende zijn? Zijn deze dingen alle als zware bergen op uw hart, waarvan u ernstig en hartelijk wenst en verlangt ontslagen te zijn, als die u ‘t leven bitter maken? Jer. 17:9; Jes. 44:20; Hebr. 3:13; Ps. 86:11; Hebr. 5:11,12.

    Vraag 16. Leeft u door geloof op Christus, hangende steeds van Hem af om levendige invloeden, kracht, en genade, en dat in alle bezigheden, niet alleen als u godsdiensten betracht van bidden, ‘t Woord horen, enz.; maar ook als u natuurlijke, zedelijke en burgerlijke daden betracht, in uw beroep, in uw eten, drinken, slapen, waken, kopen, en onderhandelen met mensen, om zo alleszins voor Hem en voor Zijn eer te zijn? En kwelt het u als u daarin nalatig bent geweest? Hebr. 10:38; Rom. 1:17; 2 Kor. 5:7; Gal. 2:20; Spr. 3:5,6; 1 Petr. 5:7; Ps. 37:3,5; Spr. 18:10; Ps. 62:8; Jes. 55:24; Zach. 14:20,21; Jes. 23:18; 1 Kor. 10:31; Jer. 10:23.

    Vraag 17. Zijn de zonden van anderen u tot hartelijke droefheid en smart, de gewone gruwelen en goddeloosheden van het land, en de zonden van de belijders, niet alleen van uw nabestaanden, maar ook anderen, en dat om deze redenen, omdat ze God onteren en tergen, omdat ze de zielen ten verderve zijn, omdat ze de heilige leer doen lasteren, en velen doen struikelen, en omdat ze plagen over land en kerk brengen? Ps. 119:53,136,151; Jer. 13:17; 9:1; 2 Petr. 2:7,8; 1 Kor. 5:2; Ezech. 9:4,6; Ps. 107:33,34; Hand. 8:23.

    Vraag. 18. Is het u bijzonder tot een wond in uw ziel, en tot benauwdheid en kwelling des geestes, als u ziet of hoort de verkeerde gedragingen, merkbare buitensporigheden, van degenen die vroom zijn, en voor godzaligen gerekend worden; bijzonder ook van leraren, ouderlingen, diakenen en overheden van het volk, die voorbeelden in heilige wandel moesten zijn? Niet alleen wanneer die in grove godslasteringen uitbreken, maar ook als enige van de navolgende zonden in hen gevonden worden; als gelijkvormigheid aan de wereld, liefdeloosheid, losheid, ontederheid en ruimheid in gevallen van geweten, zwijgen van het goede, nalating van bestraffing, gezetheid op overdadig eten en drinken, zorgeloosheid en verzuim in de zaken Gods, en van Zijn dienst, twist, achterklap, en laster omtrent de goede, gierigheid en baatzucht, onbarmhartigheid, hardheid, bitterheid, onderdrukking, lichtvaardig veroordelen, hoogmoed, sabbatsontheiliging, slapheid en slaperigheid in de Heere Zijn werk? En dat, omdat hun zonden meer dan van anderen, zijn tot smaad en kleinachting van ‘t evangelie, tot beschaming van de vromen, tot stuiting van de ijver van anderen, en tot oneer van de Heere Jezus? 2 Kor. 11:29; Phil. 3:18,19; Ef. 5:11; 1 Kor. 5:1—3; Tit. 2:2—5,7—10.

    Vraag 19. Valt het u lastig en droevig op ‘t hart. dat u ziet of hoort, dat vrome lieden worden verdrukt, en verongelijkt, dat belijders van de waarheid om Christus’ wil worden gesmaad, vervolgd, beroofd, geplunderd, gepijnigd, en in gevangenissen geworpen, verdreven, verbannen, en verjaagd, en dat publieke en bijzondere vergaderingen tot godsdienst en stichting worden verhinderd? En verwekt dat zo’n medegevoeligheid, smart en kwelling, alsof die dingen aan u geschieden? Hebr. 13:3; 2 Kor. 11:29; Rom. 12:15,16; 1 Kor. 12:25—27; Zef. 3:18.

    Vraag 20. Wandelt u elke dag in kinderlijke vrees en beving? Zodat u de Heere dient met eerbied en vrees, niet alleen wegens Zijn hoogheid, majesteit, heiligheid, en rechtvaardigheid, maar ook bijzonder wegens zijn goedheid, genade en liefde; ook niet alleen wegens Zijn woord van de bedreiging, maar ook wegens Zijn woord van het gebod en van de belofte? En maakt die vrees, dat u schrikt voor zonden, en verzoekingen tot zonden, en dat u een afkeer hebt van de schijn van zonde, en naaste gelegenheid tot zonde; en dat u over uzelf jaloers en omzichtig bent, als die weet, dat u gedurig in gevaar van zonde bent, wegens de kracht van uw inklevende verdorvenheid, de bedrieglijkheid en verleiding van uw hart, en de strikken van de wereld? Spr. 23:17; 28:14; Ps. 2:11; Hebr. 12:28,29; Job 31:14,23; Jes. 66:1,2; Hos. 2:5; Jer. 32:39,40, 1 Thess. 5:22; Jud. 1:23.

    Vraag 21. Hebt ge een liefde tot alle mensen, ook tot uw vijanden, om des Heeren wil, zodat u aan allen wenst, en zoekt goed te doen door alle goede middelen; zowel en voornamelijk naar hun ziel, als naar hun lichaam, trachtende hen te onderrichten, te overtuigen, en te bewegen en te winnen tot geloof en bekering; Hand. 26:29; 1 Thess. 1:5—8; 5:14,15; 2 Petr. 1:7; Matth. 5:43—48; Rom. 12:14,15,17—21; 13:8—10; Luk. 10:34,35.

    Vraag 22. Hebt ge de vromen lief, en toont u dat op deze wijze, zoals geen onbekeerd mens de vromen liefheeft? 1. Hebt ge hen lief vroomheidshalve, omdat ze Gods beeld dragen, omdat ze Uw geestelijke broederen zijn, en ware genade hebben, zoveel u zien of horen kunt? 1 Thess. 4:9,10; 1 Joh. 3:14; 2:10; 1 Petr. 2:17; Joh. 13:25; 1 Joh. 5:1,2. 2. Hebt ge alle broederen lief, die u zodanig bekend zijn? Kol. 1:4; Filem. vs. 5; Ef. 1:15; Filip. 4:21. 3. Hebt u hen lief, boven alle anderen, hoe nabestaand, schoon, rijk, geleerd, hoe verhoogd zij ook mochten zijn in de wereld? Ps. 15:4; 16:3; Spr. 12:26; 28:6; Matth. 12:47-50; Mark. 3:31-35. 4. Hebt ge de vromen lief in meerdere of mindere trap, naar evenredigheid, van dat Gods beeld meer of min hebben en vertonen? Rom. 16:5, 7—10, 12, 13; Dan. 9:23; Joh. 13:1,23; 21:20. 5. Hebt ge de vromen zo hartelijk en vurig lief, dat ge dadelijk met liefdewerken naar ziel en lichaam dat zoekt te bewijzen? 1 Petr. 1:22; 4:8, Rom. 12:10, 1 Joh. 3:16—18; Hand. 4:32. 6. Hebt ge de vromen lief, zodat ge ook hun gezelschap meest zoekt, en meest genoegen daarin vindt? Ps. 119:63,79; 16:3; 26:3,4; Filem. vs. 12,13. 7. Hebt ge de vromen gestadig lief, en niet maar bij vlagen? Hebr. 13:1; Spr. 17:17; 1 Kor. 13:8; 1 Joh. 4:15. 8. Hebt ge de vromen lief in alle staten, niet alleen van eer en voorspoed, maar in tegenspoed, verachting, vervolging, krankheid, armoede, dienstbaarheid, gevangenis, of vreemdelingschap? 1 Thess. 4:10; 3. Joh. vs. 5; Rom. 15:26; 2 Kor. 8:1—5; Ps. 101:6,7; Matth. 25:36,37,40. 9. Hebt ge de vromen lief, niettegenstaande enige van deze navolgende dingen? 1. Dat ze u vinnig en hard bejegenen, of scherp bestraffen? 2. Dat ze kleine en zwakke genade, en sterke verdorvenheden hebben en vertonen? 3. Dat ze in enige dwalingen zijn vervallen, en dezelve voorstaan? 4. Dat ze u ten onrechte beschuldigd, of verongelijkt hebben in uw naam, of goed, of anderszins? 5. Dat ze uw staat veroordelen, uw vroomheid niet erkennen, of zeer in twijfel trekken? 6. Dat ze zeer onaangename en lastige humeuren, of naturen hebben? 7. Dat ze u geen, of zeer weinig liefde tonen? 8. Dat ze u niet nuttig of behulpzaam zijn naar ziel of lichaam, of ook niet kunnen zijn? 9. Dat zij uw gezelschap niet zoeken, maar anderen boven u stellen, en liefde en achting geven? 10. Dat ze mismaaktheden en afzichtelijkheden van het lichaam hebben, of met ongewone ziekten en ongestalten bezocht worden? Ps. 141:5; Spr. 27:5,6; Gal. 6:1; 2:11—14; 2 Petr. 3:15; Rom. 14:1—5; 2 Tim. 4:16; Filip. 4:2; 1 Kor. 3:1—4; 2 Kor. 6:12,13; 12:11—16; Hoogl. 8:7.

    Vraag 23. Is uw hoogste en gestadige blijdschap in God, in Christus, in Zijn genade, en liefde, in de Evangelische leidingen, in ‘t verbond der genade, in het doen van Gods wil, en wandelen op de heilige weg? En maakt die blijdschap u sterk, kloekmoedig, en verruimt van hart, om te lopen op de weg van Gods geboden? Ps. 37:4; Filip. 3:1,3; 4:4; Ps. 43:4; Rom. 7:22; Ps. 40:8,9; Jes. 64; 5; Spr. 3:17; Hand. 8:39; 2 Sam. 23:5; Jes. 40:31; Ps. 119:32; Neh. 8:10.

    Vraag 24. Hebt ge Gods Woord recht lief, en toont u dat zo? 1. Hebt ge het hele Woord lief, Wet en Evangelie, niet alleen ‘t woord van de vertroosting en van de beloften, maar ook ‘t woord van de bedreiging, van het gebod en van de besturing, als een regel van uw leven, wat u te geloven en te doen hebt? Ps. 119:6; 92, 97, 128, 140; Jes. 39:8. 2. Hebt u het Woord zo lief, dat u het vlijtig leest, onderzoekt en overdenkt? Joh. 5:39; Hand. 17:11; Kol. 3:16; Hand. 18:24; Ps. 119:97. 3. Hebt ge het Woord liever dan al wat kostelijk is in de wereld, boven spijs en drank, boven rijkdom en eer? Ps. 119:14,72,111,127; 19:11; Job 23:12; Spr. 8:11; 3:14, 15. 4. Hebt ge het Woord zodanig lief, dat het u meest verblijd, en zoeter is dan iets ter wereld? Jer. 15:16; Ps. 19:8; 119:26,47,103,50,92,111. 5. Hebt ge het Woord alzo lief in tegenspoed en ellende als in voorspoed? Ps. 119:50,54,92. 6. Hebt ge het Woord lief, omdat het is ‘t middel tot heiligheid, en het wapen tegen de zonde en beproevingen? Ps. 119:11,55,56,104,140,167; Ef. 6:17. 7. Hebt ge het Woord zo lief, dat ge daar graag van spreekt, en u dus niet schaamt? Ps. 119:172; Jer. 6:10; Mark. 8:38.

    Vraag 25. Durft u zichzelf niet toegeven in enige bekende zonde? Ps. 66:18; 119:1,3; 139:24; Spr. 16:17, 1. Zelfs niet al is ‘t maar een inwendige hartzonde? 2 Kor. 7:1; Jer. 4:14. 2. Al is ‘t een heimelijke zonde? Gen. 39:9; Ezech. 8:12. 3. Al is ‘t een zonde, daar uw voordeel of bevordering van afhangt? Matth. 4:9. 4. Al is ‘t maar een zonde van nalating van een plicht? Matth. 25:42,43. 5. Al is ‘t een kleine of mindere zonde? 6. Al is ‘t uw natuurzonde? Ps. 18:24; Matth. 5:28,29.

    Vraag 26. Tracht u God te geven een oprechte en algemene gehoorzaamheid, zodat het is uw wil en begeerte, uw voornemen, neiging en poging, de Heere in alles te gehoorzamen? Ps. 119:5,6,59,112,173; Hand. 24:16; Hand. 13:22; Hebr. 13:18; Luk. 1:5,6. Rom. 7:12,16,18. En bij gevolg. 1 Tracht u ook zulke geboden te gehoorzamen, die u kostelijk zullen vallen, als zullende misschien daardoor profijt, eer of gunst, of gezondheid verliezen? Matth. 19:20—25,27. 2. Tracht u ook die geboden plichten na te komen, die u binnenshuis, in uw beroep, als man of vrouw, als vader of moeder, heer of knecht, vrouw of dienstmaagd, moet betrachten? Ef. 5 en 6; Kol. 3:3. Tracht u bevestigende geboden zowel als ontkennende te gehoorzamen? Matth. 25:24—31. 4. Poogt u God zowel in ‘t geestelijke, en in de rechte wijze, en omstandigheden van ‘t gelood te gehoorzamen, als in de letter en stof van de geboden? Matth. 5:21,22,27,28; Rom. 7:9; 2 Kor. 1:12; 1 Thess. 2:10; Ps. 110:3; Jes. 1:11,15.

    Vraag 27. Hebt u een oprechte haat tegen de zonde, in u en in anderen? En derhalve, 1, is uw haat tegen alle zonde? 2, ook bijzonder tegen uw boezemzonde, de zonde van uw humeur, natuur en gemoedstoestand, de zonde, die u naast bij ligt, waartoe u meest uzelf genegen vindt, waartoe u meest verzocht wordt, waar u meest en licht in valt, en minst kracht tegen voelt, om die te voorkomen? 3. Is uw haat vast en geworteld, onverzoenlijk, en doende u gedurig tegen de zonde strijden en worstelen? 4. Haat u zo, dat u van de zonde walgt, en die verfoeit, Ja uzelf verfoeit wegens de zonde? 5. Haat u de zonde daarom, omdat ze is tegen de wet Gods, en tegen de eer Gods, en omdat ze uw ziel verontreinigt, en u onbekwaam maakt tot uw wandel met God en tot stichting van uw naasten? Rom. 7:15; Ps. 119:104,113,128; Amos 5:15; Spr. 8:13, Ps. 18:24; Ps. 97:10; Rom. 12:9; Matth. 5:28,29; Hebr. 12:1; 2 Kor. 7:1; Jes. 59:1,2.

    Vraag 28. Bent u vrolijk en ingenomen met geestelijke bevindingen van de Heere Zijn goedheid en getrouwheid? Namelijk hebbende ontvangen, of nog ontvangende. 1. Bijstand, ondersteuning, invloed en hulp tot uw plichten. 2. Verwakkering en vrolijkheid in geestelijke oefeningen. 3. Tijdige hulp en uitredding uit strikken, verzoekingen en zwarigheden. 4. Vervrolijking en verzegeling van gunst en vrede, in droefheid en bezwaardheden van het geweten wegens schulden. 5. Opklaring en geruststelling. in twijfelingen, duisternissen en vrezen. 6. Weekmaking en smelting in hardheid van het hart. 7. Verwijding en verruiming in engten, dorrigheden en droogten van de ziel. 8. Antwoorden en verhoringen van gebeden en zuchtingen om tijdelijke of geestelijke zaken? Matth. 9:2; Ps. 116:1,3,4,7,8; 138:3; 66:6,17,19; 1 Sam. 17:34,35; 2 Kor. 1:10; Ps. 34:7; 40:2,3,4,6.

    Vraag 29. Als u Gods Woord hoort prediken, tracht u dan God Zelf te horen, en Christus en Zijn Geest Zelf te ontmoeten onder ‘t Woord? En beoogt u in dat horen de navolgende einden? 1. Hoort u, om uw eigen zonden, dwalingen en bedriegerijen meer aan u ontdekt te krijgen? 2. Om Christus en Zijn wil, Zijn genade, weldaden, beloften, en ‘t hele genadeverbond meer en beter te kennen? 3. Om te groeien in genade en in alle werkdadige godzaligheid, 4. Om uzelf beter en betamelijker, en behaaglijker, in alle staten en gelegenheden, omtrent God en de mensen, in het toekomende te dragen. 5. Om meer verwakkerd en gesterkt te worden tot uw plichten. 6. Om door ‘t Woord van de genade meer gereinigd en geheiligd, en uw begeerlijkheden, hartstochten en verdorvenheden meer gedood te krijgen? 7. Om vruchtbaarder te worden in alle goede werken, en ‘t Evangelie van Christus meer te versieren door uw wandel? Hand. 9:6; 1 Sam. 3:2; Jes. 30:20,21; Ezech. 40:4; Exod. 20:4; 1 Thess. 1:5; 2:13; Luk. 8:15; Luk. 10:16; Joh. 15:3; 17:17; Spr. 10:14.

    Vraag 30. Doet u oprechte belijdenis van uw zonden? Te weten: 1 Belijdt u de zonden vrijwillig, en niet afgeperst? 2 Belijdt u alle zonden, zonder enige te verloochenen, of te verzwijgen? 3. Hartelijk, en niet alleen met woorden en lippen? 4. Bijzonder, en niet alleen over ‘t geheel, en verward? 5. Met verzwarende omstandigheden en hoedanigheden? 6. Ootmoedig, droevig, met smart, schaamte, walging en verfoeiing, ook treurende, dat u er niet meer gevoelig en treurig over bent? 7. Met geloof en enig vertrouwen, van bij God in Christus genade te zullen vinden? 8. Met een ernstig voornemen en poging, om de zonde te verlaten, en weg te doen? Ezra 9:9; Dan. 9:5 enz.; 1 Tim. 1:13; Hand. 26:10,11; Richt. 10:10,15,16; Luk. 18:13; Ps. 38:9; Ezra 10:2,3; Spr. 28:13; Job 34:31,32.

    Meer vragen zal ik er niet toedoen. Ik bid ulieden, zet uw hart menigmaal tot overdenking, en onderzoeking, over ‘t geen ik u hier heb voorgehouden. En de Heere geve ulieden licht en verstand in allen deze. Ik blijf, die ben

    Uw heiltoewensende leraar, Jakobus Koelman

    Amsterdam, 28 februari, 1687

  3. Aanspraak aan de verdrukte en vervolgde vluchtelingen uit Frankrijk zowel leraars als ledematen
  4. Waarde, en geliefde broeders in Christus!

    Hebbende de vertaling van deze brieven van Mr. Sam. Rutherford teneinde gebracht, dacht ik hier een goede gelegenheid te hebben, om een tijdig woord tot ulieden te spreken, hopende dat onze taal ulieden niet lang onverstaanbaar zal zijn, nadat gijlieden enige tijd onder ons zult verkeerd hebben. Wij weten, en zijn ten hoogste overtuigd, dat de onderdrukkingen, ulieden door de kinderen van Babel toegebracht, ongemeen zwaar zijn geweest, want ulieder schriften hebben ons daarvan volle onderrichting en opklaring gegeven, inzonderheid het boekje genaamd: Les Plaintes des Protestans, cruellement apprimez, dans le Royaume de France. En daarom, gelijk billijk en christelijk is, wij ontvangen en omhelzen en verwelkomen ulieden onder ons, met veel genegenheid, als onze verdrukte broeders en geloofsgenoten. De werken van liefde omtrent ulieden gepleegd, zijn maar onze schuldige plicht, en wij zijn gehouden, om Christus’ wil, meer aan ulieden te doen, bijzonder om ulieder zielen enig goed toe te brengen. Het is uit die hoofde, en tot die einde, dat ik (terwijl ik niet anders heb) ulieden hier kom aanbieden deze vertaalde brieven van een zeer beproefd en vermaard dienaar van Christus, die boven anderen uit eigen ervaring wist te spreken, wat zoetigheden Christus aan de Zijnen geeft, dewelke houdende een goed geweten, en wandelende voor Hem in oprechtheid, als getrouwe getuigen voor Zijn zaak lijden.

    Mijn wens en verzoek is, dat gijlieden, die nu vers uit de oven van de verdrukking komt, deze brieven mag in handen nemen, en ze niet alleen doorbladeren, maar ook de stof daarvan goed overwegen, herkauwen, en naar uw gelegenheid gebruiken. Want hier zult u op een levendige wijze vinden uitgedrukt en voorgesteld, hoe zoet Christus’ kruis voor een begenadigd, opgeklaard gemoed is; wat verrukkende genietingen van Christus’ liefde en goedkeuring, daaronder ondervonden worden; en hoe Jezus Zich in Zijn uitnemende schoonheid en beminnelijkheid openbaart, en zo de wereld met al wat er in is, zeer gering en verachtelijk maakt, aan degenen, die in ootmoedigheid, met een werkzaam geloof Hem aankleven, en veel verdrukking voor Zijn Naam en waarheid lijden. Hier zult u veel troostelijke zielondersteunende redenen vinden, die een verdrukte in allerlei ongeval zeer te pas komen. Hier zult u Gods vrije onderscheidende genade aan de Zijnen, in hun heerlijkheid beschreven en voorgesteld zien, alsmede vele kostelijke lessen, aan degenen, die met een ongemeen kruis bezwaard gaan. Hier worden u opgelost vele klachten en twijfelingen, die aan een worstelenden gelovige veel nare gedachten over zijn staat kosten; en veel verwakkerende opwekkingen worden er gegeven, om zijn staat goed te beproeven, en in een goede gang kloekmoedig in geloof voort te gaan. De dood, en ‘t oordeel, de hemelse gelukzaligheid, en eeuwige verdoemenis worden hier op ‘t nadrukkelijkst voorgehouden, van een, die op de tijd, als hij de brieven schreef, onder de levendigste beseffens was van de goddelijke waarheden, en in de gevoeligste nabijheid bij de Heere Jezus. Die onherboren is, zal hier uitgelezen woorden, als nagelen diep ingeslagen, zien voorgehouden van een die een wijs bouwmeester en meester van de verzameling was. Hoedanig ook uw staat is, u zult onder ‘t lezen gewaar worden, dat deze heilige ‘t pit van de zaak, en niet enkel de schors aanraakt, en dat hij als een ware Godgeleerde, woorden op zijn pas voortbrengt, en toepast. Doch ik laat af, van meer daartoe te zeggen, willende, dat u maar komt, beproeft en smaakt, wat ulieden hier wordt voorgehouden (hoewel ‘t oogmerk van deze schrijver nooit is geweest, dat deze brieven ‘t licht zouden zien) en u zult meer daarvan zeggen en geloven, dan ik hier kan uitdrukken.

    Maar teneinde ik de weg baan, opdat u met deze brieven voordeel mag doen, zo geeft mij verlof, waarde broeders, dat ik hier eens openhartig en getrouw met ulieden handel; omdat er vele dingen op mijn hart liggen, die ik graag tot uw stichting zou uiten. ‘t Gebeurt ulieden zelden of nooit, van een Nederlandse leraar vrijmoedig gewaarschuwd en aangesproken te worden; nochtans gaan verscheidene vrome leraars in dit land, met droeve bekommernissen over van uw geestelijken staat, zwanger. Want wij kunnen ulieden in ‘t gemeen niet aanzien, als heilige broeders, die van de hemelse roeping deelachtig zijnde, waardig en betamelijk de roeping gewandeld hebt, en Christus’ waarheid door een heilig leven in ‘t midden van het onreine Babel versierd hebt; maar als zulken, die meestendeels uw belijdenis van de heilige leer zodanig door uw gedrag verduisterd en te schande gemaakt hebt, en bijgevolg de heilige waarheid en des Heeren Naam zo hebt doen lasteren onder de vijanden, dat het de Heere eindelijk, na al Zijn verdraagzaamheid en lankmoedigheid over u, nodig gevonden heeft, voor Zijn eer, en tot uw bestwil, u zo bitterlijk door dat slangen en adderengebroedsel te geselen. Dit zal misschien door velen van u voor een liefdeloos oordeel gerekend worden: maar ik mag ulieden verzekeren, dat wij niet uit bitterheid, of enige afkeer, noch uit gebrek aan sympathie over uw verdrukte staat, zo oordelen of spreken: want het tegendeel is niet alleen voor de Heere bekend, maar ook door onze veelvuldige smekingen, tot God voor ulieden opgezonden, ook lang voordat gijlieden herwaarts gekomen bent, voor de gemeenten gebleken. Ook spreken wij niet van allen, als vertrouwende, dat de Heere onder ulieden enig overblijfsel van oprechte teerhartige christenen gehad heeft en nog heeft. Maar ‘t is ons van over dertig of veertig jaren meermalen ter oren gekomen, door ooggetuigen die onder ulieden een tijd lang verkeerd, en uw wandel van nabij gezien hebben, dat de kracht van de godzaligheid in ‘t gemeen onder u zeer vervallen en verloochend was, en dat gijlieden de ijdele wereld zodanig gelijkvormig was geworden, dat u nauwelijks iets meer dan de uiterlijke belijdenis van de waarheid behouden had. Laat mij dan ditmaal toe, dat ik ulieden enige bijzonderheden voorleg en te overwegen geef, die mij en meer anderen, u aangaande, bezwaren, en tot verwondering zijn geweest, en nog zijn.

    Vooreerst, het is mij tot ontzetting en bedroeving geweest, dat gijlieden allen, die leraars van de gemeente was, ten tijde wanneer die verbondbrekende koning ulieden uit het rijk verbande, en binnen zo weinig dagen gelastte te vertrekken, beide ‘t land en de kudden, u toevertrouwd, verlaten hebt, vliedende, en maar voor uw welvaart zorgende, terwijl gijlieden de schapen van Christus in ‘t hoogste zielsgevaar liet. ‘t Is ongetwijfeld, dat het voor een leraar niet ongeoorloofd is te vlieden, bijzonder wanneer de vervolging personeel is, en de kudde daardoor niet in de klauwen van de wolven en leeuwen gelaten wordt. Maar gijlieden wist volkomen, dat het daarop aangelegd was, ulieden de herders tot dat einde weg te zenden, opdat men de gemeenten te gemakkelijker zou verwoesten, en door allerlei verzoekingen en onderdrukkingen tot afval brengen; zodat indien ooit, nu bovenal, ulieder tegenwoordigheid, ondersteunende vertroosting, en voorbeeldige kloekmoedigheid in het midden van hen nodig was. Maar nu kan ik geheel niet zien, hoe gijlieden ‘t vreselijk gewicht van die woorden van onze Heeren Jezus kunt ontgaan, als tot ulieder beschuldiging en veroordeling gesproken; Joh. 10:11-13: Ik ben de goede Herder: de goede herder stelt zijn leven voor de schapen; maar de huurling, en die geen herder is, wien de schapen niet eigen zijn, ziet de wolf komen, en verlaat de schapen, en vliedt; en de wolf grijpt ze, en verstrooit de schapen; en de huurling vliedt, omdat hij een huurling is, en heeft geen zorg voor de schapen. Wanneer David, zijn vaders schapen hoedende, een leeuw en een beer op zijn schapen zag aankomen, stelde hij zijn leven daarvoor in gevaar, en beschermde ze, 1 Sam. 17:34—36. Dit deed hij voor beesten, die tegen het leven en zaligheid van mensen op ‘t duizendste deel niet te waarderen zijn. Doch gijlieden hebt Christus’ schapen verlaten, wanneer zij ulieder bijstand ten hoogste nodig hadden; gijlieden wist, dat na uw vertrek zware wolven zouden inkomen, die de kudde niet zouden sparen; moest gijlieden dan geen beter acht gegeven hebben op uzelf, en op de hele kudde, over die u de Heilige Geest tot opzieners gesteld heeft, om de gemeente Gods te weiden, welke Hij verkregen heeft door Zijn Eigen bloed? Opdat ik Paulus’ nadrukkelijkste woorden hier toepas, Hand. 20:28,29. Zal niet die verwoesting van de kudde enigermate op ulieder rekening komen, als die, uw trouw en plicht omtrent Christus en Zijn gemeente verlatende, uw eigen lichamelijke welvaart boven de behoudenis van de kudde gesteld hebt, latende die verleiden, verstrooien en tot afval drijven, en vliedende op ‘t gebod en bedreiging van een sterfelijk mens, die hooi worden zal, en zijn adem in zijn neus draagt, en dus meer vrezende degenen die het lichaam kunnen doden, dan Hem, Die beide ziel en lichaam kan verderven in de hel? Waartegen Christus zo ernstig en beweeglijk gewaarschuwd heeft; Luk. 12:4, 5. Hebt gijlieden in dit vluchten niet het werk van huurlingen gedaan, die de schapen in opzicht van de genegenheid niet als eigen zijn, maar om loon werkende, ‘t gevaar niet wilden doorstaan, noch zorg dragen voor de schapen? Christus leert ons in die woorden, dat goede en getrouwe herders ‘t goede van de kudde zelfs boven hun eigen leven stellen, en dat gelijk Hij Zijn leven voor Zijn schapen geeft, tot hun rantsoen, ook Zijn dienstknechten uit liefde tot Hem en de schapen, besloten moeten zijn, hun leven niet dierbaar te achten, maar volvaardig het af te leggen, tot verzegeling van de waarheid, tot bevestiging van ‘t geloof van de gemeente, en tot vervulling van haar bediening; gelijk Paulus zichzelf daarvan tot een voorbeeld gesteld heeft. Hand. 20:24; 21:13; Filip. 1:12-14; 2:17; Kol. 1:24; 2 Tim. 2:10. Nu is ‘t gebeurd, dat op deze trouweloze verlating van de kudde, op enige plaatsen, sommigen, die geen roeping noch zending hadden, hebben ondernomen niet alleen te gaan prediken tot een gemeente van ettelijke honderden, maar ook onder dezelve het heilige Avondmaal uit te delen: want aldus verhaalt ons de schrijver van de Pastorale Brieven, 3me lettre. Dieu leur suscita du milieu deux des personnes, qui sans étude, et sans science se mirent a la tête de ces assemblées, pour les edifier; il y eut un particulier à la Parole duquel Dieu donna tant d’efficace, qu’ après quelques assemblées, au peu de gens se trouverent, une nuit il eut la joye, de consoler plusieurs centaines de personnes.... On eut la consolation, d’y entendre deux excellentes prieres, et une predication; après quoi tous ceux, qui avoient en le courage, de resister à la tentation, participerent au sacrament de la Cene du Seigneur; dat is: God verwekte uit het midden van hen enige personen, die zich zonder studie en zonder wetenschap voorstelden aan deze vergaderingen, om dezelve te stichten; daar was een particulier man, aan wiens woord God zoveel krachtdadigheid gaf, dat hij, na enige vergaderingen, waarin maar weinigen gevonden werden, op een nacht de blijdschap had, vele honderden personen te troosten.... Men had de vertroosting, daar twee voortreffelijke gebeden en een predikatie te horen, waarna al degenen, die de moed hadden, om de verzoeking tegen te staan, het sacrament van des Heeren Avondmaal ontvingen. En daarna in de 4e brief, wordt verhaald van een student in de theologie, genaamd Fulcan Rey, dat hij ook door een heilige vuur ging prediken, en dat ‘t volk na de predikatie deze twee dingen deed. 1. Dat ze verscheidene ouderlingen verkozen voor verscheidene kwartieren. 2. Dat zij die student de macht gaven, om de Sacramenten te bedienen. Gewis, het was niet te prijzen, dat een onbeproefde en ongestudeerde zo voor honderden in het openbaar ging prediken, en ‘t Avondmaal bedienen; en dat ‘t volk zo schielijk op een predikatie van een student, hem de macht gaf van bediening van Sacramenten; zij konden hun leraars nog tot zich roepen, en hen aandringen op hun plicht, immers het vluchten van al de leraars heeft gelegenheid gegeven tot deze en dergelijke misslagen van het volks; het schrijven van pastorale brieven, nadat men gevloden is, kan niet voldoen noch de plaats vervullen voor de pastorale zorg en opzicht, en wijding welk alle herders moesten hebben.

    Ten andere. ‘t Is ons tot ontzetting en bedroeving geweest, dat wanneer de leraars en gewone lidmaten tot ons overkwamen en vluchtten, zij geen merkelijk besef noch diepe indruk hebben vertoond van Gods verbolgenheid tegen alle gereformeerde Franse kerken, noch zelfverfoeiing en benauwdheid van de geest, wegens hun zondig en tergend gedrag in hun land; alsof zij niet geloofden dat de menigerlei zonden, die onder leraars en belijders waren in zwang gekomen, de Heere getergd en verwekt hadden, om die zware verzoeking en vervolging over die kerken te laten komen. Wij hadden billijk verwacht, dat de verdrukte belijders, herwaarts hun toevlucht nemende, door levendige overtuigingen van hun geweten, door de Geest Gods bij gelegenheid van de plagen wakker gemaakt, daartoe zouden gebracht zijn geweest, dat ze door een oprechte belijdenis van hun onvruchtbaarheid, sleurdienst en halve wereldsheid, God de eer van Zijn rechtvaardigheid zouden gegeven hebben, in hen zo bitter te laten mishandelen door dat wrede antichristendom. Deze of dergelijke klachten of erkentenissen zou men denken, dat van hen zouden gekomen zijn. "Helaas, wij hebben de Heere niet gevreesd, maar ten uiterste getergd, en daarom heeft Hij Zijn wijnstok daar laten verbreken en uitroeien; wij hebben de heilige leer niet door ons leven uitgedrukt, noch met goede werken versierd; ja wij hebben nauwelijks iets meer dan een ledige vertoning, en enkele schaduw van de ware belijdenis gehad; en daarom heeft God ons alzo gedaan en niet gespaard. Wij hebben meest de heilige waarheid maar in de mond, en niet op het hart gehad; en onze wandel was die van ‘t vervloekte pausdom in een groot deel gelijk geworden, onze leraars hebben ons niet getrouw gewaarschuwd; en ook namen wij niet ter harte de waarschuwingen en bedreigingen, die nog soms door hen voorgesteld werden. Wij waren Laodicees verwaand en gerust, terwijl wij noch koud, noch heet waren, maar lauw en sleurdienstig, en zo nabij, om van de Heere Jezus uitgespuwd te worden; arm, naakt, blind en jammerlijk waren wij, terwijl wij ons inbeeldden, te zijn ruk en verrijkt geworden, en geen ding gebrek hebbende; op de rustdag gingen wij eens naar de kerk, maar een deel van de dag brachten wij door in wereldse en ijdele gesprekken en betrachtingen, wij behaagden ons met kerkgangen en Avondmaalgangen, en psalmen op de weg te zingen; maar ‘t pit van de predikatiën, en de kracht van ‘t Avondmaal was weinig op ons hart; ja velen van onze brachten een goed deel van ‘s Heeren dag door: in herbergen te bezoeken, te springen en te dansen, te spelen met het lot, en ijdele lichtvaardige liederen te zingen en erger. Wereldse ijdelheden en nieuwe modes werden door allen opgevolgd; leugenachtige complimenten maakten wij heet sieraad van onze redenen; huisgodsdiensten waren bij ons meest buiten gebruik; onze kinderen hebben wij de ijdelheid en hovaardij van de jeugd af ingeplant; en een menigte andere zonden hadden bij ons de overhand, en zulks, niettegenstaande de Heere ons vele jaren lang veelszins verbrak, en krenkte, geheugende, en het zo besturende, dat onze wederpartijders, met alle listigheid, meinedigheid, leugen en bedrog, ons vertraden en uitmergelden, door veel onderdrukkende verordeningen en koninklijke orders, de een na de ander. Doch dit alles bracht geen bekering noch vernieuwing van leven onder ons, totdat de Heere ons eindelijk naakt en bloot het land heeft uitgejaagd, terwijl de andere overgeblevenen tot afval en onderschrijving van de paapse dwalingen met geweld gedreven zijn." Dusdanige belijdenissen en klachten, meenden wij, zouden in hun monden gepast hebben. Maar het is ver vandaar geweest; alleen hoorden wij hen spreken van de ongehoorde wreedheden en barbaarse mishandelingen, gepleegd door middel van de dragonders aan de belijders van de waarheid, alsmede van hun verlies van goederen, en van hun tegenwoordige armoede. Van gelijken dachten wij, dat de vluchtende leraars tot erkentenis gekomen zouden zijn van hun misdragingen, en dat ze ons moesten gesticht hebben door hun diepe verootmoediging en hartgrondige belijdenis van hun nalatigheden, verzuimen en ontrouwheden, van hun ergerlijke gelijkvormigheden met de ijdele wereld, en andere gebreken, waardoor zij niet weinig Gods toorn tegen die kerken hadden verwekt en verhaast. Want ‘t is ons veel gezegd van geloofwaardige vrome lieden, die onder ons gereisd hebben, dat de leraars veelszins waren gelijk ‘t volk, immers geenszins voorbeeldig in heiligheid, dat ze de zwier van de wereld volgden, in kledingen, pruiken, enz. en dat hun huisgezinnen niet christelijk tot een voorbeeld voor anderen geregeerd werden; maar dat hun vrouwen en kinderen, zozeer als iemand, de wereldse ijdelheid en lichtvaardigheid uitdrukten. Dat ze hun predikatiën met woorden van wereldse wijsheid opsmukten, gebruikende veel een welsprekendheid, die zij uit de romans geleerd hadden, vertonende meer hun geleerdheid en geestigheid, in ‘t doen van korte predikatiën, met weinig en zeer algemene toepassingen, dan een liefhebbend hart, brandende van vuur, om zielen tot Christus te brengen; ja zoekende meer met verwondering en toejuiching over hun aardige uitdrukkingen en vloeiende tong en taal, zowel in ‘t bidden als in het preken, gehoord te worden, dan de mensen aan zichzelf bekend te maken, en de kracht en schoonheid van ‘t Evangelie te ontdekken, en op het volkshart te brengen. Dat ze de heilige leer van de genade, en van de toerekening van Adams eerste zonde bestreden hebben, sprekende, schrijvende, en predikende van een algemene genade, en een algemene verlossing en dood van Christus, en erkennende geen andere erfzonde, dan de inklevende verdorvenheid, behalve dat ze ook zover af geweest zijn, van een christelijke sympathie te tonen, ik zal nu niet zeggen met onze Nederlandse kerk, in de tijd als hun verbondbrekende koning, om zijn glorie, in ons land viel met zijn troepen, en ons half verwoestte; maar, met de getrouwe lijdende Presbyterianen in Engeland en Schotland, dat ze veeleer omtrent die vervolgingen en onderdrukkingen olie in ‘t vuur gegoten hebben, veroordelende ten grote dele de teerhartigheid van de Non-conformisten, die voor de zuiverheid in ‘t stuk van godsdienst, en regering van de kerk naar het Woord Gods, en wegens hun tegenstaan en verwerpen van mensenvonden, en inzettingen in de dienst Gods, en van een kerkelijke opperhoofdigheid en heerschappij van de bisschoppen, en van de koning, uitnemend veel leden. Doch zo’n beklag van zonden is in ‘t gemeen uit hun monden niet gehoord.

    Ten derde. Het is ons tot verbazing, en geen kleine aanstoot, dat wij bevonden hebben, dat de vluchtelingen, bijzonder die in hun land niet afgevallen waren, noch getekend hadden, in het algemeen zowel gerust zijn over hun geestelijken staat, zo onbekommerd over hun wedergeboorte, en zowel tevreden en vergenoegd met hun belijdenis, en vasthouding van de waarheid, dat ze zich schijnen in te beelden, dat ze alle zeker kinderen Gods en ware begenadigden zijn, die geen vrees behoeven te hebben van verloren te gaan, als zijnde in een veilige en zalige staat; te weten, dit zou het grote blijk en zeker merkteken zijn, dat ze God behagen, omdat zij niet alleen de ware godsdienst hebben, maar die ook hebben aangekleefd, en niet verzaakt, in de tijd van deze grote verzoeking, verlatende liever land en goed, bloedverwanten, en alle gemak en plezier. Zo zien wij, dat de schrijver van de brieven, genaamd: Lettres des Protestants de France, pag. 78, 83, 153, volmondig zegt, dat zij Gods kinderen zijn, en ijveren voor Zijn eer; dat de vertroostingen van Christus in hun lijden overvloedig zijn; dat ze een vrede des gemoeds genieten, die alle verstand te boven gaat; dat zij Gode zeer lief zijn; en dat het offer, aan God door hen toegebracht, van al wat zij in de wereld hebben, Hem zeer aangenaam is. Maar hoewel wij niet willen, noch kunnen twijfelen, of de Heere heeft onder hen enige geliefde kinderen, en ettelijke hebben waarlijk de vertroostingen van de Geest in hun vreemdelingschap en uitstoting, en de Heere heeft het Zich laten welgevallen, dat zij de beroving, van al wat naar het vlees dierbaar was, hebben verkozen, om hun geweten niet te besmetten met verloochening van de heilige waarheid; en hoewel wij een schrik hebben, en wensen zeer ver te zijn van iemands welgegronde vrede te storen, of smart aan te doen, en degenen te bedroeven, die God niet wil bedroefd hebben; zo zouden wij nochtans graag uit medelijden met zelfbedrogen zielen, en tot wakkermaking van de zielen, die zorgeloos op ongezonde gronden gerust zijn, iets toebrengen tot storing van een vrede, die niet is Gods of Christus’ vrede, maar alleen een ingebeelde welstand, die in eeuwige onrust zou eindigen. Want wij bevinden, dat velen van de gevluchten geheel niet teerhartig en nauwkeurig in hun wandel zijn, maar dat ze zich toegeven in blijkelijke zonden, als namelijk dat ze weinig gewetenszaak maken, van de vreselijke Naam des Heeren ijdellijk te gebruiken, van met kaart of dobbelsteen te spelen, van de wereld in vele ijdelheden gelijkvormig te zijn, van de dag des Heeren te schenden, van onnutte gesprekken te voeren, en andere ergerlijke uitbrekingen. Nu ‘t is niet te bevatten, hoe zo’n gedrag van lieden, die onder de Heere Zijn kastijdingen liggen, met een gereinigd en bevredigd geweten, en met het ware kindschap en verzekerdheid van die kan bestaan. Daarenboven wordt bij de meesten ook ondervonden grote onkunde en vervreemding van het ware werk van de wedergeboorte; zij verstaan de taal niet, aangaande het inwendige genadewerk, de krachtdadige trekking, en vernieuwing van de mens; ‘t is hen als een donker raadsel; zodat het schijnt, dat ze al de godzaligheid stellen, behalve in burgerlijke eerbaarheid, in belijdenis van de waarheid, en in plichtplegingen, van predikatiën te horen, psalmen te zingen, en het Heilig Avondmaal te genieten; dat toch maar is de gedaante en schors, en niet de kracht van de godzaligheid. En wat het bidden aangaat; ‘t schijnt, dat ze meest allen de Geest en genade van het gebed niet kennen, als houdende zich maar gewoon aan formuliergebeden, gelijk zij ook hun leraars meestentijds uit het boek zien bidden. Doch men zou denken, indien er enige ware genade in ‘t hart was, dat de ziel, bijzonder onder zo’n ongemeen lijden, en verdrukking, zich niet meer zou kunnen vasthouden aan zo’n formulierdienst, sleurdienst en formaliteit, of daarmede tevreden zijn: maar dat ze zich op een geheel andere en recht levendige wijze met hartgrondige zuchtingen zou willen uitstorten; gelijk wij dit in anderen, die onder vervolgingen en bitter Jijden zijn geweest, en tot ons overgekomen zijn, namelijk de Engelsen en Schotten, ondervonden hebben; als uit welken hun bidden men merken kon, dat zij uit grote verdrukking kwamen, in welke zij veel met God geworsteld hadden. ‘t Bidden is toch de pols van de ziel. Als die dan niet slaat of zeer kwalijk slaat, kan men wel oordeel vellen, hoe ‘t met de ziel staat. Zodat wij dan oordelen, en geven het in bedenking dat die gevluchte belijders niet dienden te blijven, of gelaten worden in die geruste inbeelding, van dat ze allen zijn gelovigen, kinderen Gods, door Christus verlost, en zo in een staat van zaligheid; waarvan zij zo weinig blijk geven. Want als men niet ziet een algemene haat en bestrijding van zonden, geen oprechte gehoorzaamheid aan al Gods geboden, noch enige bekommering over ‘t inwendige werk van de genade, dan zou men dat niet goed durven of mogen aanzien en houden voor wedergeboren kinderen Gods, al hadden zij nog zoveel verlaten, omwille van de godsdienst. Omdat men ook zonder de liefde Gods te hebben, niet alleen zijn goederen kan verlaten, maar ook zijn lichaam geven, om verbrand te worden, en zijn steeds niet meer, dan een luidende schel, of klinkend metaal, gelijk de apostel dat klaar te kennen geeft, 1 Kor. 13 1,2,3. Het is geen zeker teken van godzaligheid of zaligheid, dat mensen, van de jeugd aan wel onderwezen in de waarheid van de Gereformeerde godsdienst, en van de valsheid, afgodischheid en bijgelovigheid van de paapse godsdienst, bijzonder die ook de gruwelen van de godsdienst zolang in de praktijk gezien hebben, en zo openlijk voor gereformeerden bekend zijn geweest, niet van godsdienst willen veranderen, al zou het al hun goed kosten, en meer, omdat zij met een vol opgeklaard oordeel wel kunnen zien, dat ze die snode paapse godsdienst aanvaardende, zich met opzet en gewillig in de hel, en onder Gods toorn werpen, als wetende het woord van Christus: die Mij verloochent, en zich Mijner of Mijner woorden schaamt, die zal Ik ook verloochenen, en Mij schamen voor Mijn Vader, Matth. 10:32,33; Mark. 8:38; Luk. 9:26; 12:8,9; 2 Tim. 2:12; 1 Joh. 2:23. Daarom dunkt ons, dat het ten hoogste nodig was, dat de Franse leraars de gewone zorgeloosheid en ijdele waan, zowel van belijdende vluchtelingen, als van andere, in hun predikatiën en particuliere aanspraken veelszins in de grond ontdekten, en op de zaken van de innige kracht van de godzaligheid, van ‘t werk van de wedergeboorte, en van ‘t geestelijk bidden, stonden, en drongen, en dat op een zeer gemeenzame, klaar verstaanbare wijze, met nadrukkelijke toepassingen, in plaats van veel opgepronktheid, met een woordenzwier, hoger stijl, wereldse geleerdheid, etc.

    Ten vierde. Het heeft sommigen van ons niet alleen vreemd gedacht, maar ook bedroefd en ontsticht, dat niet alleen gewone belijders uit Frankrijk vluchtende, maar ook enige van hun leraars zich en anderen zo opgehouden en getroost hebben, met het verhaal, dat in de nabijheid van de stad Orthez in Bearn en ook elders in het jaar 1685, wijzen en gezangen van psalmen in de lucht, meermalen en door velen, gehoord zijn, dat men wil geloven, dat geschied is door de heilige engelen, van God uitsluitend daartoe gezonden, om hun ‘t nalaten van dat psalmzingen te verwijten, en Gods goedkeuring van zulk zingen aan ‘t pausdom te tonen, en om de gelovigen tot troost als te beloven, dat men weldra weer in Frankrijk de psalmen zal zingen. De schrijver van de pastorale brieven heeft de geloofwaardigheid van dit rapport door verscheiden attestaties breed gezocht te bewijzen, en eindelijk maakt hij dusdanige conclusies daaruit: Lettre 7me. Les unes sont pour nous, et les autres contre nous. Contre nous, car c’est un reproche, que la providence de Dieu nous fait, de ce que vous vous étes si facilement laissé fermer la bouche, et de ce que vous n’ osés plus, et ne voulez plus charter ses Louanges, et ses cantiques, qui vent les symboles de vôtre Reformation. Dieu s’est fait des bouches au milieu des airs, et il fait sortia ses louanges des pierres, et rochers. Et ne doutez pas, que les rochers, et ces bouches invisibles ne se levent en jugement contre ceux, qui craignent les hommes, et ne veulent pas glorifier Dieu hautement, et en presence des persecuteurs. Les autres conclusions sont pour nous, et contre nos persecuteurs. Cet evenement parle, et leur dit, Si ceux-ci se taissent, les pierres parleront. Vous devez rendre graces à Dieu, de ce qu’il approuve vôtre culte, per un signe aussi considerable, et per un temoignage aussi evident. Qu’ on ne vous dise pas, que l’illusion a fait cela: Car toutes les illusions viennent du demon, qui est le Pere de mensonge, et qui a en horreur les louanges de Dieu. Enfin regardez cet evenement comme un heureus presage, que Dieu ne veut pas laisser mourir vos voix, et vos cantiques, que les Anges s’ en vent saisis, et que bien tòt ils vous les rendront, pour les faire vous-memes retentir dans les airs. II vous faut un grand changement devie, pour vous rendre dignes, de recevoir de Dieu cette grace C’est pourquoy vous devez penser à renoncer à ces vanitez mondaines, d’habits, de manieres, de conduite, de paroles, de repas, de maisons, de meubles, de plaisirs, et divertissemens, pour prendre le sac et la cendre, pour vous revetir d’une humulitè et d’une modestie veritablement chretienne. Le temps de votre delivrance est prés, mais il ne viendra pas, que celui de vôtre repentance ne soit venu, et 1’esprit de vie ne reviendra point, que l’esprit de pieté et de devotion ne soit t’entre en vous". Dat is: "enige besluiten zijn voor ons, en andere zijn tegen ons. Tegen ons: want het is een smaad, die Gods voorzienigheid ons doet, daarom dat u uw mond zo licht hebt laten sluiten, en dat gijlieden niet meer durft, en niet meer wilt Zijn lof, en Zijn gezangen zingen, die de tekenen zijn van ulieder hervorming. God heeft zich monden gemaakt in ‘t midden van de lucht, en Hij doet Zijn lof voortkomen van de stenen en rotsen. En twijfelt niet, of de rotsen, en die onzichtbare monden zullen in ‘t oordeel opstaan tegen degenen, die voor mensen vrezen, en God niet willen verheerlijken met luide stem, en in de tegenwoordigheid van de vervolgers. De andere besluiten zijn voor ons, en tegen onze vervolgers. Deze geschiedenis spreekt, en zegt tot hen, indien deze zwijgen, zo zullen de stenen spreken. Gij behoort God te danken, daarover, dat Hij door zo’n opmerkelijk teken, en door zo’n blijkelijk getuigenis uw godsdienst goedkeurt. Dat men u niet zegge, dat enig spook dit gedaan heeft: want alle spoken komen van de duivel, die de vader van de leugens is, en die een schrik heeft van de lof Gods. Eindelijk ziet deze geschiedenis aan, als een gelukkige voorspelling, van dat God uw stemmen en uw gezangen niet wil laten sterven; dat de engelen die nu opgenomen hebben, en dat ze die binnenkort u weer zullen overgeven, opdat ge die zelf doet uitklinken in de lucht. Gijlieden hebt een grote verandering van het levens nodig, om u waardig te maken, om deze genade van God te ontvangen: daarom moet u denken, om te verzaken die wereldse ijdelheden, van kledingen, manieren, omgang, woorden, maaltijden, huizen, meubelen, plezieren en vermaken, om in zak en as te zitten, om u met nederigheid en recht christelijke zedigheid te bekleden. De tijd van uw verlossing is nabij, maar zij zal niet komen, voordat de tijd van uw bekering gekomen is; en de Geest des levens zal niet wederkomen, voordat de Geest van godzaligheid en godsdienstigheid weer in u gekeerd zijn.

    Ik wil niet zeggen, noch denken, dat degenen, die ‘t rapport hiervan eerst gedaan hebben, geen dadelijk gezang gehoord hebben, of dat het enkel maar in hun verbeelding was; maar de vraag is en blijft, door wie dat gezang veroorzaakt is. ‘t Is zeker, dat de engelen eens gehoord zijn, te zingen in de lucht over Christus’ geboorte, en wij durven niet zeggen, dat zoiets nooit meer gebeuren zal, maar ik oordeel, dat zo wie een recht gezicht heeft van Gods rechtvaardige toorn, die zich in de schrikkelijke bezoeking over die kerken vertoont, bezwaarlijk zal kunnen inbeelden, en geloven, dat het waarschijnlijk is, dat de Heere voor dat volk, dat Hem zozeer getergd heeft, juist met het vleselijk zingen van Zijn psalmen en gezangen, zo’n wonder of mirakel zal doen, en dat juist op die tijd, als Zijn grimmigheid op het ijselijkst tegen hen uitgaat, tot uitroeiing en afbreking van Zijn ganse wijnstok, nadat men op menige waarschuwingen door Zijn Woord en roeden gegeven, geen acht genomen heeft. Gewis er is weinig reden, om te denken, dat het psalmzingen van de Fransen, terwijl zij in hun ijdelheid, wereldsgezindheid, losheid, en andere tergende zonden wandelden, en de kracht van de godzaligheid veelszins verloochenende, op de gedaante en op hun uiterlijke oefeningen, waaronder bijzonder hun psalmzingen was, rustten, en bouwden, de Heere zo zou behaagd hebben, dat Hij juist tot dat einde, om Zijn goedkeuring van hun psalmzingen te tonen, en ‘t nalaten van die te verwijten, Zijn engelen zou uitgezonden hebben, om meermalen, ja een maand drie of vier achtereen, gelijk verhaald wordt, onze rijmpsalmen, ook op onze wijzen te zingen, zodat men ook onderscheidenlijk, gelijk de schrijver verhaalt deze woorden van psalm 138 zou gehoord hebben: En ton saint temple adorerai, celebrerai ta renommée, pour l’amour de ta grande bontè, tent estimée, dat onze Dathenus aldus naar zijn wijze rijmde: Ik wil in uw tempel staan, U bidden aan, en eer bewijzen, en U danken om Uw goedheid, en getrouwheid, niet om te volprijzen. Mij dunkt, dat zij veeleer dienden te geloven, dat de Heere ook enigszins van hun psalmzingen gesproken heeft, ‘t geen bij de profeet staat: Doet het getier van uw liederen van Mij weg, Ik mag het niet horen, Ik ben er moe van, Ik verberg Mijn aangezicht daarvan, Amos 5:23; Jes. 1:11—15; 66:3; Jer. 6:20. Immers terwijl het volk nog genoeg gereed is, om op die uiterlijke betrachting te bouwen, terwijl hun leven nog zeer verdorven is, diende men hun geen indruk te geven, dat de Heere met hun psalmzingen ingenomen is.

    Ten vijfde. Dit is ons tot bedroeving en aanstoot, dat deze gevluchte leraars zichzelf en het volk wijs maken, dat de tijd van hun uitwendige verlossing nabij is; en dat hun herstel binnen korte tijd wezen zal; dat Babel nu haast zal vallen, en dat de heerlijke staat van de kerk nu zo op handen is, dat dit geslacht het zien en genieten zal; dit spreken zij met grote verzekering, menende, dat ze nu de rechte sleutel en zin van de profetieën, aangaande de tijd van de vervulling van die grote bedreigingen en beloften, gevonden hebben; te weten dat het nu maar zo weinig maanden of dagen zal aanlopen, en daar zal een heerlijke opstanding van de kerk, met de verbreking van de antichrist, wezen. Dus heeft een van hen, M. Jurieu, tot onze verbazing en aanstoot, aan de tekst Openb. 11:7—13, deze nieuwe verklaring gegeven: Dat door de twee getuigen, aan welke het beest de krijg heeft aangedaan, en dezelve overwonnen en gedood, en die onbegraven gelaten werden op de straat van de grote stad, en in welke na drie en een halve dag een geest des levens zal ingaan, zodat ze zullen staan op hun voeten, en vreze zal vallen op degenen die hen aanschouwen, verstaan worden, de Gereformeerden in Frankrijk, aan wie de antichrist nu onlangs krijg heeft aangedaan, hen aanvallende met de dragonders, en hen zo overwinnende en dodende, dat ze wegens de pijnigingen zijn bezweken en gevallen, verlatende hun belijdenis van de waarheid. Doch dat de Heere na drie en een half jaar, te rekenen van de verbreking van het Edict van Nantes, welke was in ‘t jaar 1685, die afgevallen en als dode Fransen weer op hun voeten zal stellen, met de belijdenis van de waarheid, en dat ze verschrikkelijk zullen zijn aan het pausdom, en dat daarop dan de val van de antichrist zal volgen, en de koninkrijken zullen worden van onze Heere en Zijn Christus. Ja zij menen ook het werktuig, dat de grote hervorming door Gods hulp zal verrichten, al in ‘t oog te hebben, en te kennen. Want zo spreekt één van die vluchtelingen (die zich een advocaat van de protestanten noemt) in de Voorrede van zijn boekje van de Scheuring: je l’espere, la Reformation de l’eglise gallicane, d’un grand Prince, qui a l’example de Salomon, a qui il ressemble en beaucoup de choses, batira en son temps un temple nouveau a J. Christ; que Dieu ne veut pas étre aujourdhuy bati per des mains, qui se sont trop souillées de sang, pour ne rien dire d’avantage. Dat is: ik hoop de hervorming van de Kerk van Frankrijk van een groot Prins, die naar ‘t voorbeeld van Salomo, op wie hij in vele zaken gelijkt, in zijn tijd voor Jezus Christus een nieuwe tempel zal bouwen, die God heden niet wil gebouwd hebben, door de handen, die zich te veel met bloed besmet hebben, om niet meer te zeggen." Doch hetwelk opmerkelijk is, deze zelfde man zegt ons op dezelfde plaats, dat hij lange jaren tegen zijn licht met vele anderen ik de schoot van de Roomse Kerk is blijven zitten, verwachtende dat de hervorming zou komen door de Paapse Clergé, of genaamde geestelijken; maar dat hij, ziende deze laatste vervolging, zich in zijn verwachting had bedrogen gevonden. ‘t Oude spreekwoord is: Sperant omnes quae cupiunt nimis, en het woord van de profeet Vergilius was: credimus, an qui amant ipsi sibi somna signunt? Allen hebben hoop, van ‘t geen zij zeer begeren, en die iets zeer liefhebben, versieren zich dromen; ook was ‘t al ten tijde van Euripides een spreekwoord: hai d’ elpides boskousi fugadas, hoos logos, spes exules alunt, ut habet adagium. Vluchtelingen voeden zich met hoop, zij maken hun berekeningen, en geven de tekst een zin, zoals zij ‘t graag hadden. ‘t Is niet nodig, dat iemand het boek van Mr. Jurieu weerlegt, omdat hij de tijd zo nabij bepaald heeft, dat hij en anderen, die hem geloven, waarschijnlijk nog zijn bedrog en misrekening zullen zien, en beschaamd zijn; het zou goed zijn, eer het hoger gaat (want hoger zal het komen, en Nederland zal van de plagen niet uitgezonderd worden, en veel minder zullen de afvalligen ‘t werk doen) dat deze mannen de tekenen van de tijden beter leerden onderkennen; want deze winterse en geesteloze gestalte van de Kerk toont wel, hoe ver wij nog af zijn van de lieflijke dagen, waarop de Heere Jezus die woorden zonderling tot Zijn Kerk zal gebruiken: Sta op, mijn vriendin, en kom; want zie de winter is voorbij, de plasregen is over, enz. Gewis, ‘t zou veel beter zijn, en recht tijdig, dat de leraars ‘t volk zochten te brengen tot diepe inkeer, tot uitvinding en beklag van hun gebreken, en tot diepe verootmoediging vanwege de schrikkelijke blijken van Gods toorn tegen hen, en tot kermen en roepen om vergeving en genezing, gaande zelfs voorbeeldig voor. Doch omdat zij nu de verlossing zo nabij en zeker in haar dagen stellen, op zulke losse gronden, houden zij ‘t volk op met ijdele woorden, sprekende bijna, gelijk de valse profeten weleer: Ziet, de vaten uit des Heeren huis zullen nu haast, ja in nog twee volle jaren uit Babel teruggebracht worden, en de Heere zal het juk van Nebukadnezar, de koning van Babel, in nog twee volle jaren verbreken van de hals aller volkeren. Doch Jeremia zeide: Hoort niet naar de woorden van uw profeten, die u zo profeteren: want zij profeteren u valsheid, opdat u omkomt, u en de profeten die u profeteren. Jer. 27:15,16; 29:4,8,28; 28:3,9,11. Het is gewis meer tot verderving en verharding in zorgeloosheid, dan tot verhaasting van bekering, dat men tot en van zulke afvalligen (die in hun land zijn gebleven, en de waarheid hebben verloochend, om in hun goed te mogen blijven zitten) zegt: de tijd van uw verlossing is nabij; er is van ulieden geprofeteerd, dat binnen drie en een half jaar de Geest weer in u komen zal, en u zult verschrikkelijk zijn voor de wederpartijders, en dan zal het antichristendom vernield worden.

    Ten zesde. Dit is ons een merkelijke aanstoot, dat de gevluchte leraars (in plaats van iets tijdigers te doen) aan de ene zijde arbeidzaam zijn, om door hun schrijven de Protestantse koningen, vorsten, en staten op te wekken, om zich tegen het antichristendom te verenigen, en de redenen en twisten van de Luthersen tegen de Gereformeerden weg te nemen, en aan de andere zijde, de vluchtelingen hier, en de afvalligen in Frankrijk brieven of boeken toezenden, of ter hand stellen, om hen met goede antwoorden te voorzien, op de verleidende geschriften en tegenwerpingen en uitvluchten van de partijen. Van het eerste zien wij in de Lettres de Protestans de France Lett. 4me, en in ‘t boek van Monsr. Jurieu, genaamd: Prejuges Legitimes; in zijn Avis aux Protestans De 1’Europe. Het tweede is onder anderen ook het oogmerk van de schrijver van de Lettres Pastorales. Maar wat het eerste betreft: dit is het politiek plan, vloeiende uit die stijve indruk en inbeelding, dat de tijd van de grote verlossing zo nabij is; en dat er een Ligue en Verbintenis moest gemaakt worden tussen Luthersen en Gereformeerden, om ‘t werk te gaan uitvoeren, immers om de uitbreiding van de macht van ‘t pausdom tegen te gaan, en te verhinderen; waartoe men dan vaststelt, en breed bewijst die grondslag en grondregel, dat er geen middel is tot stuiting van de vorderingen van het pausdom, dan de vereniging van de Protestanten. Deze theologanten, wat voor politiek vernuft zij ook mochten vertonen, schijnen niet te spreken noch te schrijven, als rechte zieners en trouwe wachters, die weten, wat er is van de nacht, en die Gods raad recht kunnen doen horen, als niet wel ervaren (met de kinderen Issaschars) in het verstand van de tijden, om te weten, wat Israël doen moet. Omdat er vrij staat eerst een ander werk te doen, indien men hoop zou hebben, dat de Luthersen en Gereformeerden, samen verenigd, gezegende werktuigen zouden zijn in Gods hand, om iets goeds, tot vordering van Christus’ Koninkrijk, en tot afbreuk van dat van de antichrist, uit te voeren. Want wat de Lutherse kerken aangaat, zo wie ze recht kent, zal bekennen, dat zij vol tergende zonden zijn, en dat de kracht van de godzaligheid daar in het algemeen verloochend is, en maar een enkele sleurdienst zonder geest of leven behouden is, zodat de Heere ver van uit het midden van hen geweken is. Ziet men op de Gereformeerden in Europa, die hebben door vele roepende stoute en langdurige zonden de Heere Zijn lankmoedigheid ook zo getergd, dat ze de vreselijke bewijzen van Zijn verbolgenheid te vrezen hebben. Derhalve moesten de Protestanten niet zozeer, noch in de eerste plaats denken, om samen een verbond te maken tegen ‘t pausdom, als wel van politieke en kerkelijke middelen aan te wenden tot wegneming van de tergende gruwelen en verfoeiselen, die onder hen zijn; en dan nog vooral een Nieuw Verbond met de levende God Zelf te maken. Hervorming, hervorming moet er onder de Protestanten komen, of zij hebben niet anders dan de grimmigheid van de Heere tegen zich te verwachten. Dit is ‘t geen alle getrouwe leraars in deze dagen in preken en geschriften zullen aanbevelen. Ik wilde hier gebruiken de woorden van de Heere bij de profeet Jeremia 23:16,19,20,22: en hoort niet naar de woorden van de profeten, die u profeteren, zij maken u ijdel; zij spreken het gezicht huns harten, niet uit des Heeren mond. Ziet een onweder des Heeren, een grimmigheid is uitgegaan, ja een pijnlijk onweder, het zal blijven op des goddelozen hoofd. Des Heeren toorn zal zich niet afwenden, totdat Hij zal hebben gedaan, en totdat Hij zal hebben daargesteld, de gedachten Zijns harten. In het laatste der dagen zult u met verstand volkomen daarop letten. Maar zo die profeten in Mijn raad hadden gestaan, zo zouden zij Mijn volk Mijn woorden hebben doen horen, en zouden hen afgekeerd hebben van hun boze weg, en van de boosheid van hun handelingen. Wat het tweede aangaat, het schrijven van boeken of schriften van twist tegen ‘t pausdom, tot stijving van de vluchtelingen, bijzonder om de half afvalligen in Frankrijk een antwoord in de mond te leggen, tegen hetgeen nu enkele bisschoppen of papen voortbrengen tot overreding ervan, om de paapse godsdienst volkomen en met hun hart te omhelzen. Dat is het voorname middel niet, dat bijzonder in deze tijd zou gebruikt worden, nadat die verschillen zo menigmaal, en zo klaar en zo overtuigend verhandeld zijn, om de wankelenden of half afgevallenen te bewaren, van de dwalingen van het pausdom toe te vallen: want de waarheid van de gereformeerde godsdienst, en de snoodheid en vuilheid van ‘t pausdom, en de ongegrondheid van hun leer, is bij meest al de gewezen protestanten in Frankrijk zo zonneklaar, en aan hun geweten zo openbaar geworden, dat indien het niet was de dwang, en vrees, of hoop van bevordering, niet één van honderd ja van duizend zich in de belijdenis en praktijk van de paapse godsdienst zou willen houden. Het schort de mensen aan hun wereldsheid, vleselijkheid, heiligschennis, en gebrek aan vrees van God, en dat doet hen Gods waarheid tegen beter weten verloochenen; en daarom luisteren en zoeken zij naar enige deksels en voorwendsels voor hun goddeloosheid en afval; en de Heere laat in Zijn rechtvaardig oordeel strikken regenen over degenen, die de liefde der waarheid niet aangenomen hebben, ja die aan al de voorbeelden van Gods oordelen over verloochenaars van de bekende waarheid, als Franciscus Spira en anderen, zich niet hebben willen spiegelen. Heeft het de afvallige predikanten in Frankrijk aan licht ontbroken, of zouden zij door redetwisten, bijzonder ook uit de oudheid, terecht te brengen zijn; was het iets anders dan werelds voordeel en bevordering, dat die advocaat van Montpelliers Monsr. de Brueys heeft aangedreven, om die allerschandelijkste afval en herroeping van de waarheid te doen, nadat hij even tevoren zo gezond en grondig tegen ‘t boekje van Monsr. de Condom geschreven had? Ja hebben niet de papisten zelfs geoordeeld en geweten, dat met het redetwisten in Frankrijk niet meer te doen was omtrent de Gereformeerden, die kennis van de Schrift en van de verschilpunten hebben? En waar hebben de leraars en de gewone belijders meer bekwaamheid, om tegen ‘t pausdom te redetwisten, dan in Frankrijk? Daarom hebben de listige slangen, onderwezen van de rode bloedige draak, de lidmaten van de kerk, beroofd en verlaten van hun leraars, door een andere weg, en met andere verzoekingen willen aankomen, wel wetende, waar zij zwak en onoverwinnelijk waren; wat hen dan zodanig is gelukt, dat zij in een korte tijd, van vijftienhonderd duizend protestanten, gelijk men ons schrijft dat er geweest zijn, ten minste duizendmaal duizend tot volstrekte verveinzing, indien niet tot afval en verloochening van de godsdienst gebracht hebben, onderschrijvende en belovende zonder de minste overtuiging van de valsheid van onze godsdienst, dat ze geen gereformeerde godsdienst meer zullen betrachten. De schrijver van de Pastorale brieven, sprekende (Lettre 12e) van ettelijke belijders in de Provincie van Languedoc, die onlangs zeer bitter zijn mishandeld, zegt: Qui peut douteur, que ce ne soit la un juste chatiment de là lésche action, que ce pays s’éstoit 1aissè extorquer. La crainte avoit oblige un grand nombre de gens a signer, que desormais ils seroient tous les devoirs de bons Catholique Romains, qu’ ils ne se trouveroient plus aux assemblees, qu’ ils decouvriroient leurs parens, et leurs amis qui s’y trouveroient, qu’ ils communieroient, et que s’ ils manquoient a tout cela, ils prioient le Roy, de les chatier severement. Qui doute, qu’ une actionpareillene soit capable d’attirer les plus effroyables jugemens de Dieu? C’est la violence, dirat-on, qui extor que cela. Je n’en doute nullement. Mais quand on a de l’honneur et de la conscience, on a aussi une vie a doneer plutót, que de consentir a ces bassesses, indignes de l’homme d’honneur, aussi bien que de l’homme Chretien. Dat is: wie kan er aan twijfelen, of het is een rechtvaardige kastijding over die lafhartige daad, die ‘t volk van dat land zich hebben laten afpersen. De vrees had een groot aantal mensen doen tekenen, dat ze voortaan al de plichten van goede rooms-katholieken zouden doen, dat ze zich niet meer in de vergaderingen zouden laten vinden, dat ze hun bloedvrienden en hun andere vrienden, die zich daar lieten vinden, zouden aanbrengen, dat ze naar de communie zouden gaan, en indien zij in dit alles in gebreke bleven, zij baden de koning, dat hij hen gestreng zou kastijden. Wat twijfelt er aan of zo’n daad is bekwaam om de allerschrikkelijkste oordelen van God over hen te halen? Men zal zeggen: ‘t is het geweld, dat dit afperst. Ik twijfel er geenszins aan. Maar wanneer men eer en geweten heeft, zo heeft men ook een leven te geven, liever dan zulke lafhartigheden toe te stemmen, die zowel een man van eer als een christenmens onbetamelijk zijn.

    Waaruit klaar genoeg af te nemen is, dat men die ellendige afvalligen niet met twisten, maar met proefondervindelijke stoffen moet terecht brengen of ondersteunen, en tegen ‘t pausdom wapenen. indien dan die leraars willen schrijven, ‘t zij tot nut van hun natie, of van andere volkeren, zij zouden naar mijn oordeel best doen, als zij de oorzaken van Gods toorn tegen hun kerk beschreven, en van de grond af uithaalden.

    Doch ik val licht al te verdrietelijk, met mijn langheid en vrijmoedigheid. Ik zal dan eindigen, waarde broeders, dit alleen daarbij doende, dat er ook waarlijk dingen zijn, waarin wij veel behagen en vreugde geschept hebben, namelijk, dat er zoveel kloekmoedige martelaars, en getrouwe belijders van allerlei slag onlangs in Frankrijk geweest zijn, die hun leven voor de waarheid op spel gezet hebben, of gereed waren hun bloed te storten; alsmede, dat wij ook kennis hebben gekregen, dat enige van de overgekomen leraars vrij een gezicht hebben van de vreselijke tergingen Gods van ‘t gereformeerde volk in Frankrijk, en derhalve ook de mensen tot diepe verootmoediging, nauw onderzoek van ‘t bedrieglijk hart, en tot ware kracht van de godzaligheid roepen; zodat wij hoop hebben, dat de Heere veel uit dat land van de gesneden beelden weggeschikt heeft, en nog wegschikken zal, gelijk Hij weleer deed met verscheidene gevankelijk weggevoerden naar Babel, verbeeld door de goede vijgen, Jer. 24:5—7, namelijk ten goede, zodat Hij Zijn oog op hen zal zetten ten goede, en hun een hart geven om Hem te kennen, en om zich van ganser harte in het land van hun vreemdelingschap tot Hem te bekeren; hoewel wij ook dit vaststellen, wat zij zich ook mochten inbeelden op de wijsmaking van sommigen, dat hun dode lichamen, gelijk de onze, in deze woestijn zullen vallen, en zij zullen niet alleen niet terugkeren naar Egypte, ‘t land waaruit zij komen, maar zij zullen ook de goede en heerlijke dagen niet zien, die de Heere volgens de profetieën zeker zal doen komen, ten tijde, als Hij na Babels verwoesting, Zijn oude volk zal bekeren, en in hun eigen land terugbrengen, dat dan een leven uit de doden voor de wereld zal zijn. O kom Heere Jezus! ja kom haastelijk! Zijn genade zij met u allen. Amen.

     

     

  5. De laatste brieven van Mr. Samuel Rutherford
    1. Aan zijn eerwaarde en lieve broeder Mr. Johannes Nevay
    2. Mijn eerwaarde en lieve broeder!

      Genade, barmhartigheid en vrede zij u. Ik heb aan u uitnemend veel te schrijven; anderszins zou ik wat ruimer zijn in het schrijven; ik verblijd mij dat mijn zoete Meester iemand heeft, om Hem te volgen; o dat mijn koninklijke koningshof zwart, ja zwart van volk zij! O, dat Zijn koninkrijk mag groeien! Het zou mijn vreugde zijn, Zijn huis vol gasten te hebben; behalve dat ik sommige wolkige dagen heb, heb ik de voor het grootste deel een koningsleven met Christus; Hij is geheel welriekend met het poeder des kruideniers; Hij heeft een Konings aangezicht en een Konings geur, Zijn wagen, waarin Hij Zijn arme gevangene invoert, is van ‘t hout van Libanon, zij is bespreid met liefde, is dat niet een zachte grond, om op te wandelen, of te liggen? Ik heb betere gedachten van Christus dan ik ooit had; mijn gedachten van Zijn liefde groeien en zwellen in mij; nooit schrijf ik aan iemand zoveel van Hem, als ik gevoeld heb. Och, of ik een boek van Christus of Zijn liefde kon schrijven! Neem aan dat ik tot witte as gemaakt, en gebrand werd door dezelve waarheid, die de mensen maar achten als biezen knopen, het zou mijn winst zijn, indien mijn as kon uitroepen de waardigheid, voortreffelijkheid en liefde van mijn Heere Jezus; daar is veel aan Christus op te rekenen; ik geef op, om Hem te wegen; de hemel zou niet zijn de boom van de schaal, om Hem te wegen; wat ogen op mij zijn, of wat wind van tongen op mij is, daar vraag ik niet naar; laat mij staan op dit toneel in het kleed van een dwaas, en spelen de rol van een dwaas in ‘t oordeel van deze natie; indien ik maar mijn Welbeminde kan omhoog zetten, en een schoon getuigenis voor Hem geven, ik geef niet een vijg voor haar hosanna; indien ik mij kan inrollen in een slip van Christus’ kleed, ik zal daar liggen en lachen over de gedachten van stervende leemklompen. Broeder, wij hebben reden, om over onze hoermoeder te wenen; haar Man zendt haar naar ‘t bordeel van Rome, dat is de poort, waarin zij goed zin heeft; doch ik verzeker u, daar zal een schoon nagewas voor Christus in Schotland zijn en deze kerk zal de Bruidegom Zijn wederverwelkoming naar Zijn Eigen huis, zingen. De wormen zullen haar eerst eten, eer zij Christus goede nacht zullen doen zeggen aan Schotland; ik word hier besprongen van ‘t musket van de professoren, maar ik dank de Vader van de lichten, zij trekken geen bloed van de waarheid; ik vind geen herberg in ‘t hart van natuurlijke mensen, die koude vrienden van mijn Meester zijn; ik bid u, doe mijn liefdegroet aan die edelman A. E. Mijn hart is aan hem verknocht, omdat hij en ik één Meester hebben; gedenk mijn banden, en bied mijn dienst mijnheer en mevrouw aan; ik wens, dat Christus aan hen liever zij, dan aan velen van hun plaats. Genade zij met u.

      De uwe in zijn zoete Heere Jezus, Samuel Rutherford

      Aberdeen, 5 juli 1637

       

    3. Aan mevrouw Boyd
    4. Mevrouw!

      Genade, barmhartigheid en vrede zij u. Ik geloof, weinigen kennen de pijn en kwellingen van Christus’ toevertrouwde liefde; het borgen van Christus’ tegenwoordigheid is een stof van pijniging. Ik ken een arme ziel, die wel alle riemen in ‘t water wilde leggen om een feest van Christus’ liefde; ik kan niet anders denken, of het moet verrukkend en zoet zijn, te zien de witte en rode zijde van Christus’ schone aangezicht: want Hij is wit en rood, en draagt de banier boven tienduizenden, Hoogl. 5:10. Ik verzeker mij, dat Zijn aangezicht welgemaakt moet zijn; de hemel moet in Zijn gezicht zijn; heerlijkheid, heerlijkheid voor eeuwig moet op dat aangezicht zitten; ik durf het masker en deksel dat op Zijn aangezicht is, niet vloeken, maar o dat er een gat in was! Och of God het masker wilde scheuren; foei, foei ons, dat wij nooit beschaamd waren, dan nu, dat wij ons kwijnen en verlangen niet uitriepen naar Hem. Ik ben verzekerd, nooit sprak een tong van Christus, gelijk Hij is; ik ben steeds van dat oordeel, en zal er altijd van zijn, dat wij die Heilige, Heilige verongelijken, en kleinachten, omdat wij zulke korte en schrale gedachten hebben van Zijn gewicht en waardigheid. Och, dat ik maar verlof kon hebben, om er bij te staan, en te zien hoe de Vader Christus de Zoon weegt, indien het mogelijk was, maar hoe zij Elk Elkaar begrijpen, kunnen wij, die lemen ogen hebben, niet begrijpen: maar is ‘t jammer voor eeuwig en ook meer dan schande, dat zo één als Christus, in de hemel alleen voor ons zou zitten. Zijn werk te maken van daarheen op te gaan alleen om Hem te zien, zou geen kleine heerlijkheid zijn. O, dat Hij de glazen wilde uitslaan, en weg doen deze schone en grote lichten in dit huis, deze neergevallen ziel, en dat hij dan de ziel nabij Christus stelde, opdat de stralen van licht, en de ziel verlustigende aanschouwingen van de schone, schone Godheid mochten door de vensteren inschijnen, en het huis vervullen! Een schoner en nader en dadelijker gezicht van Christus zou plaats maken voor Zijn liefde; want wij zijn maar eng, gedrongen en benauwd in zijn liefde: helaas het was licht, al de liefde die wij tot Christus hebben, te meten met duimbreedten, en te wegen met onsen. Helaas dat wij Hem bij maat en gewicht liefhebben, en dat wij niet veeleer hebben gehele vloeden, en maaltijden van Christus’ liefde! Och, dat Christus wilde terneer breken de oude nauwe vaten van deze enge en ebbende zielen, en ons maken schone, diepe, wijde en brede zielen, om van Christus’ liefde een zee en een vol getij te houden, vloeiende over al zijn banken heen! Och, dat de Almachtige mij mijn verzoek wilde geven! Dat ik Christus weer mocht zien komen tot Zijn tempel, gelijk Hij gereedschap maakt en zo het schijnt meent te doen, en dat het land verootmoedigd was; de gedreigde oordelen, weet ik, zijn met dat voorbehoud, indien wij ons zullen bekeren en berouw hebben. O, wat hemel zou ons ontbreken op aarde, mochten wij Schotland maar zien, gelijk het licht van de zon, en Schotlands zonlicht, zevenvoudig, als het licht van zeven dagen; op de dag als de Heere de breuk van Zijn volks zal verbinden, en de wond, waarmee het geslagen is, genezen, Jes. 30:26. Helaas dat wij Christus niet weer tot Zijn oude tenten willen trekken, om te komen, en te weiden onder de leliën, totdat de dag aanbreekt, en de schaduwen vlieden! O, dat de edelen wilden voortgaan in de kracht en kloekmoedigheid van de Heere, om onze wettige Koning Jezus weer thuis te brengen! Ik ben verzekerd, Hij zal weer in heerlijkheid tot dit land keren; maar gelukzalig waren zij, die Hem konden helpen begeleiden tot Zijn heiligdom, en Hem weer zetten op het verzoendeksel tussen de Cherubijnen. O zon, keer weer tot het verduisterde Brittanië! O Schoonste onder al de kinderen van de mensen! O Allervoortreffelijkste, kom weer thuis, kom thuis, en verkrijg de lof en prijs van de treurigen in Zion, die gevangenen van hoop, die op U wachten! Ik weet, Hij kan ook triomferen in ‘t lijden, Hij kan wenen, en heersen, en sterven, en triomferen, en blijven in het gevangenhuis, en nog Zijn vijanden ten onder brengen. Maar hoe gelukkig zou ik zijn, mocht ik de dag van Christus’ kroning zien, dat Zijn moeder, die Hem gebaard heeft, de kroon weer op Zijn hoofd zet, en roept met gejuich, totdat de aarde daarvan zou klinken: Laat Jezus onze Koning leven en heersen voor eeuwig! Genade, genade zij met uw HoogEd.

      Uw HoogEd. zeer gehoorzame in Christus, Samuel Rutherford

      Aberdeen. 1637

       

    5. Aan Mr. Alexander Colvill van Blair