De beproeving en zegepraal van het geloof

door Dr. Samuel Rutherford

Uit het Engels vertaald

Voorwoord

Opdracht

Leerrede 1

Leerrede 2

Leerrede 3

Leerrede 4

Leerrede 5

Leerrede 6

Leerrede 7

Leerrede 8

Leerrede 9

Leerrede 10

Leerrede 11

Leerrede 12

Leerrede 13

Leerrede 14

Leerrede 15

Leerrede 16

Leerrede 17

Leerrede 18

Leerrede 19

Leerrede 20

Leerrede 21

Leerrede 22

Leerrede 23

Leerrede 24

Leerrede 25

Leerrede 26

Leerrede 27

 

Voorwoord

Er is in ons vaderland nog gedurig een vraag naar oude schrijvers. Velen onder ons volk hebben in dit opzicht nog een begeerte naar "oude wijn." Welnu, dit boek, hoewel niet op eigen bodem ontstaan, is herkomstig uit een onverdachte bron: Dr. SAM. RUTHERFORD, bekend door zijn "Brieven", die tintelen van liefde voor Christus, in zijn hart uitgestort door de Heilige Geest. Als zodanig is geen aanbeveling nodig ook voor dit boek. Het beveelt zichzelf aan bij iedere lezer, die een vriend is der "vrije genade".

De kernachtige beeldspraak, de heilige kunst der fijne onderscheiding op het gebied der heilige godgeleerdheid - bovenal - de kennis van de eeuwig gezegende Christus in Zijn oneindige waardij boven al het geschapene, tekenen hem als een man, die niet alleen door God met grote wetenschappelijke gaven is gezegend geweest, maar een getrouw discipel van de hoogste Profeet, de Meester der verzamelingen, die Zijn nagels diep slaat in de harten der Zijnen. Onwrikbaar staande op de bodem van het Woord Gods, hanteert hij het zwaard des Geestes kloek en richt menige treffenden aanval op de Antinomianen, als mensen, die de leer der vrije genade krachteloos maken en de genade verkeren in ontuchtigheid.

Het is een boek voor deze tijd, nu vele rijken met elkaar in oorlog Zijn gewikkeld, de ontzaglijke oordelen Gods, die aan de wederkomst van Christus de Heere der heerlijkheid zullen voorafgaan, op aarde zijn.

Ook uit dit oogpunt bevat dit werk rijke lering, behartigenswaardige wenken. Dit boek lezende, zegt men, het is ook voor deze tijd geschreven. Welke dwalingen in de leer, welk een afwijking van God! Wat dient zich veel aan als Gereformeerde leer, dat toch in strijd is met de waarheid! Zo komt ook dit boek met de roepstem van de God van onze vaderen tot ons volk, zo rijk gezegend in de eeuwen van ons bestaan. "Keert terug tot de oude beproefde paden der waarheid." Niet minder echter met de liefderijke vermaning: "vernedert u onder de krachtige hand Gods, opdat Hij u verhoge te Zijner tijd."

Mag God naar Zijn vrijmachtig welbehagen Zijn onmisbare zegen leggen op dit werk van de met Gods Geest zo rijk gezalfden hoogleraar, die liggend op zijn sterfbed, uitriep in onuitsprekelijke blijdschap: o hoe schoon, hoe schoon is Immanuëls land! Doe Hij het tot verheerlijking van Zijn heiligen Naam ook onder ons volk gedijen, door het als een middel te gebruiken tot ontdekking, besturing, vertroosting, ja, tot een beschamende en zielverkwikkende zegen.

Wat de vertaling betreft, deze is niet door één maar twee handen geschied. Een der vertalers, die aan dit werk eerst begonnen was, nam het eerste gedeelte tot aan Leerrede XIX voor zijn rekening. Doch beiden hebben elkaars werk nagezien en verbeterd. En - zij mogen verklaren, dat het hun een ere en een genoegen was, deze arbeid te verrichten, waar zij zelf daaruit lering ontvingen en er genotvolle uren mee hebben doorgebracht, die hun eigen nietigheid, zondigheid, verlorenheid herinnerde, doch hen ook in verwondering bracht en vernieuwde aanbidding van de Heere der heerlijkheid. Ook al ware dit boek niet in druk verschenen, zou het hun niet berouwd hebben, deze arbeid te hebben ondernomen. Doch, naarmate zij bezig waren met dit werk, werd de begeerte aangewakkerd, dat die woorden onder ons volk verspreid werden, en de driemaal heilige Naam des Heeren hierdoor verheerlijkt mocht worden. En het mag zijn in deze zekerheid: het welbehagen des Heeren zal door Zijn hand gelukkig voortgaan."

de Vertalers:

IJ. DOORNVELD, pred. te Vuursche.

C. B. VAN WOERDEN.

 

Opdracht

Aan de Hoog Edele Vrouw Mevrouw JANE CAMPBELL Markgravin van Kenmure, zuster van de Hoog Edelen en Machtigen Marquis VAN ARGIJLE,

GENADE EN VREDE.

Mevrouw.

Ik zou klagen, dat er in deze tijden te veel getwist en geschreven wordt, indien men mij niet even schuldig hierin oordeelde, als zij zijn, die ik beschuldig. Doch, in der waarheid, het is een wonder, zo wij geen talentpond goedheid en Christelijke liefde verliezen, terwijl wij trachten een greintje waarheid te winnen. Ik ben ook verzekerd, dat hoewel zoveel kennis en licht strekken kunnen om veilig te wandelen, doordat de zekere grenzen der goddelijke waarheden duidelijker onderscheiden worden van elke valse weg, (ja, veronderstel, dat het naspeuren van de vragen des tijd slechts een nuttig en noodzakelijk kwaad is,) nochtans de achteruitgaande gesteldheid van de ergste tijd der wereld, de ouderdom van de tijd, nu de eeuwigheid zo snell nadert, nodiger en beter dingen van onze handen vereist. Het is te betreuren, als de nachtwacht bij het eerste krieken van de dageraad vast in slaap valt, wanneer hij de gehele vacht gewaakt heeft. Het aanbreken van de morgen der opstanding is nu zeer nabij. O, hoe gelukzalig zijn wij, indien wij zorg dragen voor het een nodige!

Het is onze overdenking wel waardig, dat een (naar mijn gedachten, ongeschapen) Engel, staande op zijn eigen land, "met zijn rechtervoet op de zee, en zijn linkervoet op de aarde," een geschil, dat door spotters opgeworpen is, met enen eed beslecht heeft, (2 Petr. 111; 3.) ja, dat Hij, "met zijn hand opgeheven naar de hemel gezworen heeft bij Dien, die leeft in alle eeuwigheid, die de hemel geschapen heeft en hetgeen daarin is, en de aarde en hetgeen daarin is, en de zee en hetgeen daarin is, dat daar geen tijd meer zijn zal." Openb. 10: 5, 6. Indien nu zestienhonderd (1900) jaar geleden, door de eed Gods, rechterlijk vastgesteld is, dat de eeuwigheid nabij, voor de deur is, dan is het hoog tijd, dat wij er aan denken, wat wij doen zullen, wanneer het lemen huis van deze tabernakels, dat ons zomerhuis maar is, waarin wij maar een vierde van een jaar kunnen doorbrengen, zal afgebroken worden. De tijd is maar een korte doorgang; wij worden er snel doorheen gevoerd. Onze roos verwelkt, eer zij tot haar volle luister komt. Ons deel van deze kortademige schaduw, de duimbreedte, de halve voorarmlengte, de arme spanbreedte van de tijd, vliegt zo snel weg als een weversspoel, (Job 7: 6) die in een ogenblik tussen duizend draden door vliegt. Hoeveel honderden uren springt onze hijgende, lemen post in een zomer over, wegvliedende als jachtschepen, en gelijk de arend naar het aas toevliegt." Job. 9: 25, 26.) Indien de dood zo ver af was van onze kennis als graven en doodkisten (die aan onze ogen de dood prediken) nabij zijn aan onze zintuigen, die de reuk des doods tot onze adem overbrengen, zodat wij wel moeten erkennen, dat het verderf ons zeer nabij is; wij zouden profeten noch apostelen geloven, als zij zeggen: "Alle vlees is gras," en "het is de mens gezet eenmaal te sterven."' Eeuwigheid is een groot woord, maar de zaak zelf is groter. De dood, het einde van onze korte loopbaan, onderwijst ons, wat wij zijn, en wat wil zijn zullen.

Indien Christus, de staat van zaken, waarin wij nu zijn en de uitnemendheid der vrije genade, in al hun luister en schoonheid te zien waren, dan zouden wij er veel wijsheid door kunnen op doen. Christus heeft weinig voorspoed in het overwinnen van liefhebbers. Omdat wij niet "te eniger lijd zijn gedaante gezien hebben, zien wij niet op Christus, maar op de toevallen, die naast Christus zijn, en daarom achten weinigen Christus als een groten schat, die zo goedkoop te bekomen is. Er is geen roos buiten de hemel, waaraan geen gebrek is en geen doorn groeit, dan alleen die een roos van Saron, welke heerlijkheid uitbloesemt. Ieder blad van die Roos is een hemel, en dient "tot genezing der volkeren"; alle wit en rood, dat er in is, is onvergelijkelijke heerlijkheid; elke daad, waardoor zij haren geur van zich geeft is van eeuwigheid tot eeuwigheid, vlekkeloze en onvermengde zaligheid. Christus is het begin, de allervoortreffelijkste Bloem, de ongeschapen Bloemenkrans van de hemel, de liefde en blijdschap van mensen en engelen. Doch de fonteinliefde, de fonteinverlustiging, de fonteinvreugde van mensen en engelen is meer, want daaruit vloeien al de zeeën, bronnen, rivieren en vloeden van liefde, verlustiging en vreugde. Denk u in, dat alle regen en dauw, zeeën, fonteinen en vloeden, van de schepping af, in een wolk besloten waren, en die vermenigvuldigd in éénheden, tot een getal van vele miljoenen maal miljoenen, en dan in druppelen van stortregens verdeeld tot een aantal ver boven de bevatting, van mensen en engelen; - dit zou een geschapen bui zijn, welke na zeker tijdsverloop zou ophouden; deze zeer grote wolk van zoveel rivieren en druppelen zou uitregenen en opdrogen. Maar zo kunnen wij ons Christus niet voorstellen, want indien wij ons miljoenen mensen en engelen denken met een medeeeuwig, afhankelijk bestaan van Christus, die eeuwig "genade voor genade ontvangen uit zijn volheid;" de vloed en uitstroming der genade zou eeuwig zijn als Christus. Christus toch kan van eeuwigheid noch moe noch mat worden Christus te zijn, en daarom moet Hij, ja Hij kan niet anders dan een oneindige en eeuwig vloeiende zee zijn, die stromen en vloeden van grenzeloze genade uitlaat en uitgiet. Stel, dat de roos eeuwig is, dan moeten ook de aangename geur en de lieflijkheid van frisheid en kleur eeuwig zijn.

O, wat is het een gelukzaligheid voor een ziel haar voortreffelijkheid te verliezen in zijn alles overtreffende heerlijkheid! Wat een zaligheid voor het schepsel, om zijn klein al te werpen in de weergaloze algenoegzaamheid van Christus! Konden alle stromen zich weer terugtrekken in de fontein en oorsprong, zij zouden in de school hunner eerste oorzaak meer liefelijk en hecht in het bezit blijven van hetgeen zij zijn, dan in hun geleende kanalen, waarin zij zich nu bewegen. Ons nabijzijn bij, ons zich terugtrekken met onze geleende goedheid in Jezus Christus, om tot in alle eeuwigheid in de Fonteinzaligheid ie wonen, is het hechte en vaste vruchtgebruik, waaruit wij eeuwig zalig zullen zijn. Christus is de kring, de oorsprong, het element, in wie de geleende druppelen en stukjes geschapen genade natuurlijk verenigd zijn. De roos is het veiligst in haar bestaan en schoonheid, op haren eigen stengel en wortel. Wanneer leven en sap eeuwig in stengel en wortel zijn, en de roos wordt niet van de wortel afgescheiden, zal zit nooit verwelken, nooit haar frisse schoonheid verliezen, of haren bloesem afwerpen. Het doet een begenadigde ziel geweld aan, los te zijn van haren stengel en wortel. Het leven en de zaligheid zijn in vereniging gelegen, daarom is het laatste gebed der Kerk in de Heilige Schrift om vereniging (Openb. 22: 20).

"Amen. Ja, kom Heere Jezus." Het zal niet wel zijn voordat de Vader en Christus, de eerste Erfgenaam, en al de wenende kinderen, in het koninklijk paleis, onder één dak zijn. Het is een soort van mystieke verminking, dat het Hoofd een arm of vinger mist, en het is voor arm en vinger een geweldaandoende en gedwongen toestand, van het Hoofd, gescheiden te zijn. De gelovigen zijn kleine deeltjes van het mystieke lichaam van Christus, krank van liefde uit begeerte naar vereniging. De vrouw der jeugd, die haren man enige jaren mist en verwacht, dat hij van overzeese landen tot haar zal wederkomen, staat dikwijls aan het strand. Elk schip, dat de kust nadert, wekt haar blijdschap opnieuw op; haar hart heeft de wind lief, welke hem thuis zal brengen. Zij vraagt elke passagier om tijding: "O! hebt gij mijn man ook gezien? Wat doet hij? Wanneer zal hij komen? Is hij al op de terugreis?" Elk schip, dat haar man niet meebrengt, doet haar hart breken. Hoe verlangend zien de Geest en de Bruid er naar uit, om te horen, dat de Man Christus tot de krachtige engelen zal zeggen: maakt u gereed voor de reis, laat ons neerdalen en de hemelen vaneenscheiden, en de hemel buigen; Ik wil mijn gevangenen van hoop tot Mij vergaderen; Ik kan mijn Rachel en haar wenende kinderen niet langer missen. Ziet Ik kom haastelijk om de volkeren te oordelen." De Bruid, de vrouw des Lams, zegent de voeten der boodschappers, die zulke tijdingen prediken: "Verblijd u, o Zion, doe uw sierlijke klederen aan; uw Koning komt". ja, zij heeft dat gedeelte van de lucht lief, dat vaneen gescheurd en gescheiden, zal wijken voor haren Man, als Hij er zijn heerlijke hand door zal steken, om haar, terwijl Hij op de regenboog en de wolken zit, tot Hem op te nemen.

De toestand, waarin het volk van God in de drie koninkrijken verkeert, vereist, dat wij nu wijselijk overwegen, wat de Heere doet. Er is een spraak van des Heeren, "vuur in Zion" en van zijn oven in Jeruzalem", welke wij zouden horen, indien wij de stem van de roepende roede maar verstaan konden. Gods pijlen vliegen over ons en nevens ons, maar wij zien er weinig van God in; wij zeilen, maar wij zien geen kust, wij strijden, maar wij overwinnen niet.

De uitwerking van de tweede oorzaken is al de last, die wij hebben van hetgeen er geschiedt, en deze last leggen wij op de schepselen hoewel het boven hun kracht gaat die te dragen, en niet op de Heere. God roept een verlamming uit over de schepselen en de menigte, opdat de uitnemendheid van zijn werk te beter zal gezien worden.

2. Velen zijn vrienden van het succes der reformatie, niet van de reformatie zelf. Het geloof der mensen gaat met de beloften mee, zolang, tot het hun toeschijnt, dat de Voorzienigheid de belofte tot leugen maakt. Velen zien God in deze verwarringen in de drie koninkrijken bij het licht, dat door een sleutelgat valt, doch zij vallen af, omdat zij zich met de zaak van God verenigden, uit een gedwongen vriendelijkheid jegens Christus.,. Het is geen vriendenbezoek, wanneer men naar het huis van een vriend gedreven wordt, om te schuilen voor een stortbui, en dan bij die gelegenheid een bezoek af te leggen bij vrouw en kinderen. Christus heeft maar al te veel gelegenheidsvrienden; doch dit is de grond van alles: "Ik heb Jezus Christus lief, maar ik heb de gave niet, om mij levend te laten verbranden voor Christus. O hoe veilig zou het geloof ons doen landen, buiten schot van de overmogende kracht van een zwarte ure van duisternis, het geloof kan ons in staat stellen, gewillig voor Christus een deel van de helse pijn te doorstaan. Heere, laat niet toe, dat de wijsheid der wereld ons verdwaast!

3. Wanneer de verzoeking slaapt is de dwaze wijs, en de hoer kuis, maar wanneer het vat wordt opengestoken, dan komt er uit, wat er in is, hetzij wijn of water. Wanneer wij aandachtig luisterden naar de huichelaars, wij zouden horen, dat de snaren hunner luit ellendig vals klinken, want huichelarij doet zich als zodanig kennen en wordt spoedig ontdekt.

Wilden de Parlementen met Christus beginnen, wij behoefden niet bang te zijn voor hetgeen wij nu met reden moeten vrezen: "het een wee is weggegaan, een ander wee komt". De profeten in de drie koninkrijken hebben zich niet bekeerd van bijgeloof, eigenwillige godsdienst, afgoderij, vervolging, goddeloosheid en vormdienst, welke hen verachtelijk maakten voor het volk, en de rechters en vorsten, die het recht in gal en alsem verkeerden, hebben zich niet vernederd, daarover, dat zij een strik zijn geweest te Mizpa, en een uitgespannen net op Thabor". Niemand heeft berouw, en keert zich van zijn boze weg", niemand "klopt op zijn heup, zeggende: "Wat heb ik gedaan?" Het is niets anders dan zwarte Paperij (de naam is wel veranderd, doch de zaak niet) te denken, dat de verleden zonden van het land voorbij zijn, en een soort van reformatie voor de toekomst voldoende is bij God door het gewrochte werk. (Ex opere operato. Rutherford.) Ja, de verdeeldheden in de Kerk zijn een zwaardere plaag dan het woedende zwaard. Deze zelfde zonden tegen de eerste en tweede Tafel; ons verzoenen met Babel, hoogmoed, omkoping, afpersing, ongestrafte onreinheid en onmatigheid, bloedschuld rakende aan bloedschuld, zonder dat dezelve gewroken is, ijdelheid in de kleding, een door allerlei soorten van religie beleden weg van zaligheid, worden nu op een ander toneel vertoond, door andere personen, doch het zijn dezelfde zonden. Indien die Opperhoofdigheid, welke vleiende prelaten Jezus Christus ontnomen en de koning gegeven hebben, nog van Christus afgenomen en aan mensen gegeven wordt; indien de kroon Christus van het hoofd gerukt wordt, het doet er niet toe, wiens hoofd zij verwarmt, op beide wijzen wordt zij Christus ontnomen. Ik zal bidden, dat de vettigheid van Jacobs vlees hierom niet mager worde" (Jes. 17: 4) en dat de strijd van Brittannië vervuld worde. Indien de getrouwe vechters weten, welk uur van de nacht het nu is, dan is het niet zeer waarschijnlijk, dat de dageraad van Brittannië's verlossing nabij is, of dat onze hemel spoedig zal opklaren. Gave God, dat het Jaar 1643 zwanger ware, om het heil van Brittannië voort te brengen! Het was eens even ongelooflijk, dat de vijand zou ingegaan zijn "binnen de poorten van Jeruzalem" (Klaagl. 4: 12), als het nu is, dat zij kunnen inkomen in de havens van Londen, Edinburgh of Dublin. Ik zeg dat niet, om de Cavaliers te bemoedigen, want gewis, God waakt over hen ter wrake, maar laten wij niet voortgaan te breken mei Christus.

De zwakheid van nieuwe verstanden, welke nieuwe godsdiensten verzinnen en de goden vermenigvuldigen (want twee verschillende en tegenstrijdige godsdiensten voeren uitlegkundig het bewijs, dat er twee verschillende goden zijn), naar het getal van onze steden", moet haar oorzaak hebben in de verrotheid van onze harten. O, dat wij onderwezen wierden, "eer het besluit", dat zwanger is van plagen over de zondaars, te Zion een knechtje bare, en eer de lange schaduwen van de avond over ons worden uitgestrekt!

Doch niet meer over dit onderwerp. Genade is de stof van deze volgende verhandeling. Wanneer genade, of verkeerd word in geschilderde, doch verrotte natuur, zoals de Arminianen doen, of in ontuchtigheid, gelijk anderen doen, dan stijgt die dwaling in mijn ogen tot een geheel andere en verderfelijker hoogte, dan de meningen over kerkregering. De dwalingen der Antinomianen stijf aan te kleven, met een halsstarrige volharding tot het einde, zowel ten opzichte van het geloof in, als van een gepaste beoefening ervan dezelve, kan, naar mijn gedachte, aan geen wedergeborene worden toegeschreven; want het is een gevoelen, dat niet voorkomt op de kant en de randen, maar op de bladzijde, het is de inhoud van het boek; het komt te na aan middelpunt en de levensdelen van het Evangelie. Indien iemand geërgerd is, ik begeer hem alleen te vertoornen met een gunning van genade. Ik begeer mij niet anders te wreken dan door liefde tot en medelijden met hun zielen.

Indien Uw Hoog Edele sommige van deze leerredenen weleer gehoord hebt, en zij u nu, het kan zijn, in zuiverder Engels onder de ogen komen, terwijl ik misschien wel wat uitgesteld heb, tot de laatste druiven rijper waren, toch hoop ik, dat gij het mij zult vergeven, dat ik vrij ben van uw naam gebruik te maken, wat ik waarlijk niet zou gedaan hebben, indien ik niet bekend geweest ware met uw beoefenende kennis van dit edele en uitnemende onderwerp, de Vrije genade Gods. Ik kon hier meer aan toevoegen, maar ik prijs liever genade dan begenadigde personen. Ik weet, dat Jezus Christus, die de hemel met zijn koninklijke tegenwoordigheid als tot een welbekende bloemhof maakt, en de hemel der hemelen tot zijn uiterste grenzen met heerlijkheid bestrooit, de lof ontvangen heeft, dat Hij vol genade is, een vat tot aan het boord toe vol. (Ps. 45: 2, Joh. 1: 16.) De genade heeft zowel onze persoon als onze dienst gekocht, (1 Petr. 2:24, 25) evenals hij, die een gevangene koopt, geld uitgeeft, niet alleen voor zijn persoon, maar ook voor elke beweging, inspanning en arbeid van zijn lichaam, benen en armen. Verlossende genade is zo volkomen, dat de Satan, laat hij misschien macht hebben een bod te doen, nooit een van de verlosten kan kopen, evenmin als een koopman de gekochte goederen van een ander, zonder diens toestemming, kopen kan. Al ons geluk, dat hier aan de gevers van de tijd groeit, is zo dun gezaaid, als de aardbeien aan het zeestrand. De goede gaven der natuur, die wij zonder genade hebben, zijn als een schone lelie, doch er is een worm in haar wortel, zij verwelkt van de wortel uit, tot de top. Gaven zonder genade verdorren ras; gaven verbreken of vernederen niet; genade kan beide doen. Genade is zoveel kostelijker en liefelijker, omdat zij, al is zij het gevolg van de zonde, daarin, dat door haar de door de zonde veroorzaakte verlamming vergeven en genezen wordt, geen andere bron heeft dan de ingewanden Gods, welke in Hem geroerd rommelende zijn, alleen door vlekkeloze en heilige goedheid. Genade is alleen van de hemel, van het huis des afkomstig. De stof, het onderwerp, of de persoon, in wie zij woont, bracht niets toe aan de schepping van deze, zo edele tak. Voornamelijk om deze oorzaak verliet Christus de schoot Gods, kwam Hij in het vlees en nam Hij onze natuur aan, opdat Hij een lichaam, een zee, een grenzeloze rivier van zichtbare, levende en ademende genade zijn zou, die oprijst tot de hoogste oevers, niet alleen van de bewoonbare wereld, maar ook tot de zijden van de hemel der hemelen, om mensen en engelen te overstromen. Zodat Christus was, als het ware, genade sprekende, (Ps. 45: 3; Luk. 4: 22) genade zuchtende, wenende, roepende uit de vrees, stervende, verdorrende voor zondaars, weer opstaande, (Hebr. 11: 9; Joh. 3: 16; Rom. 8:33 en 34) en is nu verheerlijkte genade, neerdruppelende, ja, vloeden van genade regenend op zijn leden. (Efeze 4: 11-16; Joh. 14: 13, 16, 17). Christus nu voor ons biddende aan de rechterhand Gods, is deze zestienhonderd (1900) jaren de grote Appelboom, die zijn levensappelen laat vallen, want er is altijd oogst geweest van de hemelvaart van Christus af en de druiven van de hemel zijn rijp. Alles wat van de boom valt, bladeren, appelen, schaduw, geur, bloesem, zijn maar deeltjes genade, van Hem neervallende, die de volheid van alles is, en alle dingen vervult. Wij zullen nooit volkomen zalig zijn, voordat wij allen in een onmiddellijke vereniging onder de Appelboom zitten. Dit is een zeldzaam stuk, bij wijze van mededeling van de goddelijke natuur. Christus passeerde een onvergelijkelijke acte van rijke genade aan het kruis, en nu is Hij in de hemel werkzaam en pleit Hij om genade, en om de toepassing van de genade der verzoening; (1 Joh. 11: 1, 2) en door een akte van genade heeft Hij al de uitverkorenen en vrijgekochten als een zege op zijn hart gegraveerd; en daar Christus Gods metgezel is, de Man, die vlak voor Hem staat, zo is de eerste oogopslag van God bepaald tot de borst van Christus en het graveersel van vrije genade. Al de heerlijkheid van de verheerlijkten bestaat hierin, dat zij, zowel in het Lager- als in het Hogerhuis, ja, zoals zij de staatsheren en de adel van de hemel zijn, het eeuwig vruchtgebruik hebben van het vrijgoed der genade. Zodat een ziel geen schoner erfenis begeren kan, dan de Vaderlijke nalatenschap, het lot en het erfdeel van vrije genade.

Nu, aan deze genade uw geest bevelende, als een erfgename der genade, blijf ik met alle verschuldigde hoogachting, in de genade Gods,

Uw Hoog Ed.

S. R.

 

Leerrede 1

En van daar opstaande, ging Hij weg naar de landpalen van Tyrus en Sidon; en in een huis gegaan zijnde, wilde Hij niet, dat het iemand wist, en Hij kon nochtans niet verborgen zijn. Mark 7:24.

En Jezus van daar gaande, vertrok naar de delen van Tyrus en Sidon. En ziet, een Kananese vrouw, uit die landpalen komende, riep tot Hem, zeggende: Heere! Gij Zone Davids, ontferm U mijner! mijn dochter is deerlijk van den duivel bezeten. Matth. 15:21, 22.

Want een vrouw, welker dochtertje een onreinen geest had, van Hem gehoord hebbende, kwam en viel neder aan Zijn voeten. Deze nu was een Griekse vrouw, van geboorte uit Syro-fenicie; en zij bad Hem, dat Hij den duivel uitwierp uit haar dochter. Mark 7:25, 26.

 

Deze tekst, die zwanger is van vrije genade, vertoont ons een aanmerkelijk wonder: en omdat Christus hier op een verheven wijze werkzaam is, en hier ook veel is van Christus' nieuwe schepping, een bloem geplant en bevochtigd door Christus' eigen hand, een sterk geloof in een beproefde vrouw, vereist het een tot oplettendheid gebogen hart: want deze tekst roept tot een ieder, die Jezus Christus zoekt, "Kom en zie. Het doel van de woorden is om biddende gelovigen op te wekken (wanneer zij niet dadelijk een antwoord ontvangen) tot een vast besluit aan Christus' deur te blijven liggen en te sterven, het in de gebed te volharden tot de Koning uitkomt en open doet, en de begeerte van de hongerige en arme beantwoordt.

2. Wat het onderwerp betreft, het is een geschiedenis van een zeldzaam wonder, door Christus gewrocht, in het uitwerpen van een duivel uit de dochter van een Kananese vrouw: en dit uitwerpen van de duivel uit Kananese was voor Christus als het ontplooien voor de naties van de witte banier van Christus' liefde, en als het planten van de standaard van koning om de heidenen onder zijn kleuren te vergaderen.

De delen van het wonder zijn:

1. De plaats, waar het gewrocht is. (Matth. 15: 21).

II. De partijen aan wie; de moeder en de bezetene dochter: zij wordt beschreven bij haar natie.

III. De aandrijvende oorzaak: zij, horende, kwam en aanbad Jezus voor haar dochtertje: waarin een samenspraak voorkomt tussen Christus en de vrouw en deze bevat: Ten eerste: Hoe Christus haar beproeft, 1e; met niet te antwoorden; 2e. met een weigering; 3e. met het verwijt dat zij een hond is. Ten tweede: De aandrang van haar geloof, 1e. in haar roepen, totdat de discipelen tussenbeiden kwamen; 2e. haar voortaan in het aanbidden. 3e. het bidden; 4e. het redetwisten door het geloof met Christus, dat zij enig belang in Christus had, al behoorde zij onder de honden; dit echter (wijl genade geen boos oog heeft) niet benijdende, dat de ochtendmarkt van Christus en de volle tafel het recht der Joden, als de kinderen van de koning, was; zo mocht zij onder de honden zijn, om de kruimeltjes te eten onder de tafel van Christus, wetende, dat zelfs een weigering van Christus uitnemender is dan tien werelden.

IV. Het wonder zelf, gewrocht door het geloof der vrouw, waarin voorkomt: 1e Christus' verheffing van haar geloof; 2e. Het toestaan van haar verlangen; 3e. De mate van Christus' milddadigheid, "gelijk gij wilt"; 4e. De genezing van haar dochter.

Marcus zegt, dat de vrouw tot Christus in een huis kwam. Mattheüs schijnt te zeggen, dat zij op de weg tot Hem kwam, gelijk die woorden uitdrukken: laat ze van U, want zij roept ons na. Augustinus is van gedachten, dat de vrouw eerst tot Christus kwam, terwijl Hij in het huis was, en begeerde verborgen te blijven, of omdat Hij (om de ergernis der Joden) zich niet openlijk aan de heidenen aanbood, zijn discipelen verboden hebbende tot de Samaritanen te gaan; of omdat Hij zijn heerlijkheid voor een tijd verborgen wilde houden; of wel, dat Hij zich met opzet voor de vrouw verborg, opdat haar geloof Hem mocht ontdekken, en dan, waar de vrouw in het huis een antwoord geweigerd wordt, volgt zij Hem op de weg en roept Hem na, gelijk Mattheüs zegt. Want 1e Christus' liefde is mild, maar moet met smekingen gezocht worden, en hoewel Christus zijn liefde niet verkoopt voor het bagatel van onze arbeid en moeite, toch moeten wij diep graven om zulk een goudmijn als Christus is; 2e. Christus' liefde is wijs. Hij houdt ons aan het kloppen, tot onze begeerte krank van liefde naar Hem is, en Hij weet, dat uitstel de prijs en de waarde van Christus verhoogt en vermeerdert. Wij onderschatten alles, wat wij maar voor het grijpen hebben. Indien Christus zich aan onze boezem en in onze schoot wierp, terwijl wij in een morgenslaap zijn, dan zou Hij het merg en de bloem van onze achting niet hebben. Het is goed, dat ons vuur met wat water besprengd wordt, terwijl wij Christus zoeken. 3e. Zijn liefde moet het hart niet alleen leiden, maar ook trekken. Heftigheid in de liefde is zeer innemend, en uitstel van genieting van een zo beminnelijk iets als Christus, verwekt heftigheid in onze genegenheden; opschorting van de tegenwoordigheid smeert de raderen van liefde, verlangen en blijdschap: het gemis van Christus is een vleugel voor de ziel.

Uitleggers vragen, wat voor een vrouw zij was. Mattheüs zegt: een Kananese, niet van edele afkomst; een Syrophenicische; want Syrophenicië lag op de grenzen van Palestina en Syrië, en werd toen bewoond door de overblijfselen der Kanaänieten; een Griekse, niet door geboorte, maar om haar Griekse tongval en de ritus daarheen overgebracht door Alexander en de opvolgende koningen van Syrië. In de taal der Schriften gaan al de heidenen onder de naam van Grieken, als in Rom. 1: 14; Gal. 3: 28; 1. Kor. 1: 22, 24; niet omdat zij allen Grieken zijn door nationaliteit en afkomst, maar, omdat verovering, taal en gewoonten, de plaats innemen van afkomst en geboorte. Hoewel, het wordt in Christus' rekenboek als geen blaam aangemerkt, of uw vader een Amoriet of een Hethiet was, zo gij tot Hem komt: Hij vraagt niet van wie gij afstamt, indien gij de zijne bent; noch wie uw vader is, als u maar een broeder wilt zijn, en van zijn huis bent.

"En van daar opstaande, ging Hij weg naar de landpalen van Tyrus en Sidon," Mark. 7: 24. Christus, Judea moe zijnde, was bedroefd in de geest wegens de huichelarij der Farizeeën en de terging van dat hardnekkig volk. Hij was verjaagd tot de onreine Heidenen. De verharding der Joden, opent een weg, om Christus' eerste en jonge liefde tot de heidenen te betonen. Christus trekt maar een baan van het gordijn der afscheiding op zij, en ziet er door op een gelovige heidin. De Koning opent een klein venster, en vertoont zijn aangezicht in een oogwenk aan de Kananese vrouw. Zo zijn de werken van Christus' hoge voorzienigheid, vrije genade en zuivere rechtvaardigheid dooreen geweven tot een weefsel. Hij vertrekt van de Joden en vestigt zijn oog en hart op de heidenen,

Aanschouwt hier de kunst der Voorzienigheid.

1e De duivel knipt soms het patroon en onze wijze Heere naait het aaneen. Babel doodt, God maakt levend zonde, hel en dood, worden tot een wagen gemaakt ten dienste van des Heeren uitnemend werk. 2e. De voorzienigheid Gods heeft twee kanten; de een zwart en droevig, de andere wit en vrolijk. Ketterij wordt sterk, en is fris voor de zon, Gods duidelijk maken van noodzakelijke en gepaste waarheden, is een schone kant van diezelfde voorzienigheid. In Adams eerste zonde, groeven de duivel en de hel een gat door het liefelijke en schone samenstel van de schepping Gods; en dat is de donkere kant der voorzienigheid: maar de bloem van Jesse opschietende, om de zonde weg te nemen, en om mensen en engelen de heerlijkheid van een hemel, en een nieuwe wereld van vrije genade uit te schilderen, dat is een heldere kant van de voorzienigheid. Christus gegeseld; Christus in een geval, dat Hij geen beker water kan bevelen; Christus stervende, te schande gemaakt en verlaten, is zwart - maar Christus in datzelfde werk de gevangenen der hel verlossende, het verbeurde paradijs voor zondaren ontsluitende, dat is schoon en wit. Jozef onschuldig in de gevangenis wenend is schandelijk en treurig; maar Jozef daar uitgebracht om als onderkoning te regeren, teneinde de Kerk van God in grote hongersnood in het leven te behouden is verblijdend en heerlijk. De apostelen gegeseld, in de kerker geworpen, de gehele dag gedood, zijn treurig en bezwaard: maar hiermee verbonden, dat God hen altijd doet triomferen, en de reuk der kennis van Christus openbaar maakt; en Paulus triumferende in zijn ijzeren boeien en Christus verhogende in het Evangelie, door middel van het hof van de bloedige Nero, - geeft een schoon en liefelijk samenweefsel van de goddelijke voorzienigheid. 3e. God nu heeft in al zijn werken, wanneer Hij van de hemel een droevige stortbui van bloed op de drie koninkrijken laat regenen, Zijn een voet op de gerechtigheid, opdat toorn de beker der boosdoeners, prelaten en papisten tot de rand mag vullen; en zijn anderen voet op de barmhartigheid, om af te wassen de drek der dochteren Zions en om de bloedschulden Jeruzalems te verdrijven uit het midden ervan door de Geest des oordeels en door de Geest der uitbranding.'' En dit is Gods weg en gewone pad (Psalm 25: 10.). En in een en dezelfde beweging, kan God wandelen zowel naar het oosten en naar het westen, als naar het noorden en naar het zuiden.

Gebruik. Het is onze schuld, dat wij Gods wegen en werken bij stukken en brokken bezien, en zo zien wij dikwijls niets dan de zwarten kant en het donkere gedeelte van de maan. Wij verstaan alles verkeerd, wanneer wij de werken der mensen bij gedeelten bezien; een in aanbouw zijnd huis, in honderd stukken liggende; hier timmerhout, daar een balk, hier een spar, daar een steen; op de een plaats een half venster, op een andere plaats het kozijn van een deur: er is geen schoonheid of aanzien van een huis in. Hebt echter een weinig geduld, en ziet hoe zij alle kunstig elk op zijn plaats samen gevoegd worden, en gij zult een schoon gebouw zien. Wanneer een schilder de helft van een mens schildert, de ene kant van zijn hoofd, een oog, de linkerarm, schouder en been, en hij heeft de andere kant niet getekend, noch al de leden, delen en ledematen in hun juiste verhouding met kleuren aangevuld, dan heeft het niets van een mens. Zo zien wij op Gods werken bij stukken en brokken; en wij zien hoe Hij zijn volk ten bloede toe laat vervolgen; parlementen verstrooiende, edelen en prelaten verjagende, omdat Hij niet wil, dat zij een vinger zouden uitsteken om een steen aan zijn huis te leggen; maar wij zien niet, dat in deze bedeling de andere helft van Gods werk het tot een schoon stuk maakt. God wast het bloed en de drek van zijn kerk weg, en verwijdert van het werk degenen die het zouden tegenstaan. Wij zien, dat boosaardige soldaten, in bloedige oorlogen, zwangere vrouwen opensnijden, verwoesten, roven, doden; en toch zuiveren zij maar Zions tin, koper en lood, en zulk verworpen metaal als zij zelf zijn. Jezuïeten en valse leraars zijn maar Gods snuiters, om de lampen des tabernakels daardoor te verhelderen en te snuiten, en de waarheid meer naakt en duidelijk te voorschijn te doen komen.

Leerrede 2

En in een huis gegaan zijnde wilde hij niet, dat het iemand wist.

Deze wil, volgens welke gezegd wordt: "Hij wilde niet, dat het iemand wist," was zijn menselijke wil, en te deze opzichte was de Heere Jezus een mens gelijk als wij, uitgenomen de zonde; welke wil niet altijd vervuld werd. Want zijn goddelijke wil, die door almacht ondersteund wordt, kan nimmer weerstaan worden; Hij overwint alles en kan door niemand worden weerstaan.

Overweegt welk een Christus wij hebben; een, die als God, een vaststaande wil heeft, die niet veranderen kan. (Jes. 14:24). "Hij zal al zijn welbehagen doen." Zijn welbehagen en zijn werk zijn gelijkmatig (Jes. 46: 10, 11; Ps. 135: 6; Ps. 115:3). Echter boog deze Heere zich zo laag neer, dat Hij de menselijke wil aannam, om die aan God en de wet te onderwerpen. En ziet hoe Christus, tot ons onderwijs, tevreden is, dat God zijn wil zou breken, om onder de voorzienigheid te buigen, (Matth. 26: 39). O! Jezus Christus is zo klein en nederig als Hij groot is! Alles komt hierop neer, "O mijn Vader, laat deze drinkbeker van Mij voorbij gaan: doch niet gelijk Ik wil, maar gelijk Gij wilt." Christus en zijn Vader hebben onderling maar één wil: ik zoek niet mijn wil, maar de wil des Vaders, die Mij gezonden heeft (Joh. 5: 30). want ook Christus heeft zichzelf niet behaagd." (Rom. 15: 3). Het is een teken van gelijkvormigheid met Christus, wanneer onze wil zo gedood is, dat hij vlak ligt met Gods voorzienigheid. Aärons zonen worden gedood, en dat onmiddellijk door God van de hemel met vuur, een oordeel dat veel van de hel heeft; (Lev. 10: 3) en Aäron zweeg stil. Een wil, die onder Gods voet in het stof ligt, zóó, dat ik kan zeggen: "Laat de wil van Hem, wiens ik ben, mij in de hel werpen, ik ben, er mee verenigd," gelijkt zeer op de regelmaat van alle geheiligde willen, zelfs op Christus' buigzame wil. Er is geen ijzeren zenuw in Christus' wil, hij werd gemakkelijk verbroken; de top van Gods vinger, verbrak door één aanraking de wil van Christus: zie, ik kom om uw wil te doen, o God." (Hebr. 10: 9).

Maar o, er is een harde steen in onze wil: het stenen hart is de stenen wil; de hel kan de rotsen, het diamant en de vuursteen in onze wil niet verbreken: (1 Sam. 8: 19) neen, maar daar zal een koning over ons zijn, of God het wil of niet. Gods wil staat het volk in de weg, en beveelt hun terug te keren. Zij antwoorden: het is buiten hoop, maar wij zullen naar onze gedachten wandelen" (Jer. 18: 12). De hel, de wraak, de almacht, overdwarsten Farao's wil, maar hij wilde niet buigen noch breken. doch de Heere verhardde Farao's hart, en hij wilde ze niet laten trekken." (Exod. 10: 27).

Er zijn twee dingen in onze wil. 1. Zijn natuurlijke samenstel en gesteldheid. 2. Zijn goedheid. De wil der engelen en van de zondeloze Adam is niet wezenlijk goed, want dan konden de engelen nooit in duivels veranderd zijn; daarom heeft de gesteldheid van de wil bijkomende goedheid en bevestigende genade nodig, zelfs, wanneer hij op zijn best is. Genade, genade nu, is de enige olie voor onze raderen; Christus heeft de sterkte ingenomen, zowel binnenwerks als buitenwerks, wanneer hij de wil heeft ingenomen, dien meest trotse vijand, die Christus buiten de hel heeft. Wanneer Saul zijn wil overgeeft, geeft hij zijn wapen over. Dit is doding, wanneer Christus met uw wil wegloopt; evenals Christus als een mens was, die geen 's mensen wil had. Zo ook Paulus, (Hand. 9: 6), bevende en verbaasd zijnde, zei: Heere, wat wilt Gij, dat ik doen zal?" Het is goed, wanneer de Heere over de schoonheid van Ephraims hals overgaat. (Hosea 10: 11).

Er is nu geen goedheid in onze wil, dan die hij door genade heeft; en de wil om te wenden van kwaad tot goed is evenmin het werk der natuur, als dat wij de wind kunnen omwenden van het oosten naar het westen. Wanneer de raderen van de klok gebroken en verroest zijn, kan zij niet gaan. Wanneer de vleugel van de vogel gebroken is, kan hij niet vliegen. Wanneer er een steen binnen in het slot zit, kan de sleutel de deur niet openen. Christus moet de raderen van de uit orde zijnde wil smeren, en ze herstellen, en de steen wegnemen, en genade meedelen (hetwelk als vleugelen voor de vogel is): indien dit niet geschiedt, zijn de bewegingen van de wil naar de hel toe.

"En Hij kon nochtans niet verborgen zijn, want een vrouw", enz. Christus wil soms verborgen zijn, omdat zijn geest verheven is boven de winderige lucht van het volk, en hun hosanna. Dat is maar een geest van stro, een ondeugende en lage geest, die verteerd wordt door hetgeen Themistocles verhinderde te slapen. "Eert mij voor het volk", was een koude troost voor Saul, toen de profeet hem bekend maakte, dat God hem verworpen had. Doch Christus begeerde niet verborgen te blijven voor deze vrouw; Hij zocht haar en toch ontvluchtte Hij haar. Christus is hierin zulk een vluchteling, die graag een vervolger wenst te hebben.

2. Het geloof ontdekt Christus, wanneer Hij verborgen is. Voorwaar, Gij zijt een God, die zich verborgen houdt. (Jes. 45: 15) Maar het geloof ziet God onder zijn masker, en door de wolk; daarom voegt het geloof er aan toe, de God Israëls, de Heiland"! Gij houdt U verborgen, o God, voor Israël, maar Israël vindt U, (vers 17) "Israël wordt verlost door de Heere, met een eeuwige verlossing, God verbergt zich in een wolk van gramschap, Hij maakt duisternis tot zijn tent, en wil niet uitzien, doch Job ziet God en ontdekt Hem op honderden mijlen afstand. (Job 19: 26). ik zal uit mijn vlees God aanschouwen."

3. De rede, het verstand, ja, de engelen mogen, wanneer zij Christus tussen twee moordenaars zien sterven, en Hem doodbloedende, naakt, verlaten van vriend en liefhebber uit deze wereld zien heengaan, zich verwonderen en zeggen, "O, Heere, wat doet Gij hier?" Doch het geloof van de moordenaar vond Hem daar, als een Koning, die de sleutelen van het Paradijs heeft, en hij zei in het geloof: "Heere, gedenk van mijn, als Gij in uw koninkrijk zult gekomen zijn," (Luk. 23: 42).

4. Het geloof ziet Hem als een getuige in de hemel en een getuige in de hoogte, evenals Job, (16: 19, 20) zelfs als God zijn nieren doorsplijt en zijn gal op aarde uitgiet (vs. 13). Gelooft dan, dat Christus bedroeft, opdat Hij mag kussen; dat Hij wondt, om te helen - dat Hij het graf van de levende gelovige voor zijn ogen graaft, en er niet over denkt om hem levend te begraven. Hij blaast de rook en de hitte van de oven der hel op de ziel, wanneer vrede, genade en de hemel in zijn hart zijn. Hij verwringt het gewricht van Jakobs heup, zodat hij al zijne dagen moet hinken, en het is zijn doel hem te zegenen. Terwijl wij door het geloof moesten wandelen, wandelen wij veel, zelfs in ons geestelijk wandelen, door gevoel. Wij hebben deze dwalingen in ons geloof, dat wij niet het woord der belofte, maar slechts Gods bedeling de regei van ons geloof maken.

Nu is Gods bedeling vlekkeloos, onschuldig en blank, maar zij is voor mij niet uit de Schrift, en ook niet alles, wat de bedeling en de voorzienigheid schijnen te spreken, het Woord van God. In een gewone voorzienigheid spreken ramshoornen niet van het innemen van steden, zoals een speer en schild en een heir van strijders dat doen. De "gehele dag gedood en geacht als schapen der slachting", spreekt tot mij niet, dat Gods kinderen "meer dan overwinnaars zijn, door Hem die ons heeft liefgehad" (Rom. 8: 36, 37).

Met betrekking tot de bedeling heeft ons geloof twee dingen te doen: 1e. In het algemeen te geloven, dat, hoewel de bedeling ruw, stormachtig en zwart is, Christus nochtans schoon, lieflijk en genadig is; en, dat de hel en de dood voor Gods kinderen dienstknechten zijn van Gods bedeling. Abraham moest Izak slachten; en toch zijn in Izak, als in het beloofde zaad, al de volkeren der aarde gezegend. Israël wordt geslagen en valt voor de mannen van Ai; toch zal Israël door de Heere verlost worden. Juda zal in de gevangenis gaan, maar de dorre beenderen zullen weer leven. Leest de belofte in het algemeen, die gegraveerd is op de bedeling Gods. De klederen zijn in bloed gedoopt in Schotland en Engeland. In deze reformatie gaan de wielen van Christus' wagen langzaam, de vorst is van vrede, vele waardige mannen zijn gedood, een vreemde natie komt tegen ons op; toch werkt alles ten beste, dengenen, die God liefhebben. 2e. De hoop gebiedt ons af te wachten, wat de Heere doet. Wij zien het werk Gods, het komt tot onze zinnen, maar wat God er door uitwerkt, ligt nog in het duister. De bedeling is als een vrouw, die in arbeid is, en die uitschreeuwt in haar weeën; maar zij zal van twee knechtjes verlost worden. Barmhartigheid voor het volk Gods, gerechtigheid voor Babel. Wacht tot de vrouw baart, al ziet gij de kinderen niet.

2. Wij vertrouwen meer op het bezit onzerzijds dan op de wet en de getrouwheid der belofte aan de zijde Gods. Het gevoelen heeft bij ons meer vertrouwen dan het geloof; gevoel is ons zekerder dan het woord van het geloof. Vele zwakken geloven het eeuwige leven niet, omdat zij het niet gevoelen: de hemel is een van de dingen, die niet gezien worden, en zo vinden zij geen troost en verkwikking en zijn in onrust. Indien wij wisten, dat geloven een onderhandelen over de koop en een kopen is, dan zouden wij veler zwakheid zien. Indien iemand een uitgestrekt stuk land zou kopen, en weigeren het geld neer te tellen, tenzij de verkoper hem al de hoogten, landerijen, weiden en bergen op de schouders legde, opdat hij ze kon meenemen naar zijn huis, hij zou ongelooflijk onrechtvaardig zijn. Indien iemand een schip kocht, en het als niet gekocht zou beschouwen, tenzij hij het schip op zijn rug kon meenemen, zou dat hem niet tot een belachelijke koopman maken? Gods wet van het geloof, Christus' teweeggebrachte verzoening, is beter en zekerder dan uw gevoel. Al wat het gevoel en de troost zeggen is geen canonieke Schrift; het is overspel om een teken te zoeken, omdat wij niet kunnen rusten in het woord van onze man.

Leerrede 3

Vraag: Maar kan Christus niet verborgen zijn?

Antw.: Niet wat Hemzelf betreft. Het is moeilijk een groot vuur te verbergen, of welriekende geuren zo te bedekken, dat zij niet rieken. Christus' naam is een liefelijke olie, die uitgestort is. Hij is een berg van specerijen en Hij is een sterke geur van de hemel en van het hoogste paradijs. De mens kunt gij verbergen, dat hij de zon niet ziet, maar gij kunt geen kleed over de zon werpen en het daglicht wegnemen.

Hieruit blikt, dat Christus niet verborgen kan zijn.

1. In zijn zaak en waarheid. Het evangelie wordt gegeseld en in de kerker geworpen, wanneer de apostelen zo worden behandeld; maar toch komt het tot het licht, en vervult Jeruzalem, en vervult de gehele wereld. Wat werd er gedaan om Christus te verbergen! Als Hij en zijn evangelie onder een grote steen worden begraven, verspreidt toch zijn faam zich allerwegen. De dood is geen bedekking voor Christus. De papisten verbranden alle boeken der Protestanten; zij doden en vermoorden de getuigen. Antiochus en de keizers der vervolging werpen al de Bijbels in het vuur, maar deze waarheid kan niet verborgen worden; zij triomfeert. Niet vóórdat zij Jezus van zijn koninklijke zetel ter rechterhand Gods kunnen trekken, kunnen Babylon, de prelaten, de papisten en de boosdoeners in deze drie koninkrijken het volk en de waarheid van Christus vernietigen.

2. De gelovigen kunnen een goede of kwade zielstoestand niet verbergen of veinzen; de liefste is weg, en de kerk kan niet op bed blijven liggen; al de wachters van alle straten, al de dochteren van Jeruzalem, ja, de hemel en Christus moeten er van horen. (Hooglied 3: 1-3 en 6-8). Maria Magdalena's bed, een morgenslaap en het gezelschap van engelen en apostelen kunnen de tranen van haar wangen niet drogen. "Vrouw, wat scheelt u?" zegt de engel. "Ach", weent zij, "ach, wat mij scheelt? Zij hebben mijn Heer weggenomen, en ik weet niet waar zij Hem gelegd hebben." O apostelen, waar is Hij? Heere, engel, zeg mij of gij Hem gezien hebt? O graf! O dood! Laat mij zien of mijn Heere bij u is? De liefde van Christus is geen huichelaar. Ik stem toe, dat sommigen voor een tijd een schoon gelaat kunnen tonen, als Christus afwezig is; doch de meeste heiligen kijken als een vogel, die de raaf ontsnapt is - als een lam, dat de muil des leeuws ontvallen is, als iemand, die te vroeg in de morgen is opgestaan. O, ik ben krank van liefde! O, wijst mij Hem! Ik bezweer u, wachters, dochters van Jeruzalem, zegt Hem, dat ik krank ben van liefde. De liefde is een pijnigende, koortsachtige, kwellende ziekte: de genade kan geen lachend masker voordoen, wanneer de lieve Jezus verborgen is; de liefde verstaat de kunst niet om de droefheid te verbergen. David ziet er vervallen uit (Ps. 42: 5), de dood ligt op zijn gelaat, wanneer God het licht zijns aangezichts niet is

3. De vreugde zijner tegenwoordigheid kan niet verborgen blijven: zij moeten maar zeggen en uitroepen: O, schone, o heerlijke dag! Hij is teruggekomen! Toen ik een weinigje van hen weggegaan was, vond ik Hem, dien mijn ziel lief heeft." (Hooglied 3: 4). Zij telde alle mijlen, die zij afgelegd had, terwijl haar Heere afwezig was; de blijdschap zal spreken, zij is niet stom. Uw gehemelte is als goede wijn, die recht tot mijn beminde gaat, doende lippen der slapenden spreken." (Hoogl. 7: 9). Kunnen ook de bruiloftskinderen treuren, zolang de bruidegom bij hen is? (Matth. 9: 15) dat is, zij kunnen niet anders dan zich verheugen.

4. De genade in een oprechte belijder en Christen kunnen niet verborgen blijven. Er kwam een aangename bries, met een vlaag van de lieflijke westenwind van de hemel, op Jozef van Arimathea: het was een kwade tijding, Christus was dood; hij kon niet langer veinzen. (Mar. 15: 43). Met grote vrijmoedigheid en stoutmoedigheid ging hij tot Pilatus met de bede: Ik bid u, heer Landvoogd, geef mij toch het dode lichaam van deze Jezus" Er was enig hemels vuur in deze stoutmoedige belijdenis. Wat zou men hiervan denken, als men zag, dat zo'n edel en achtbaar raadsheer, het dode en gekruisigde lichaam van een man in de armen had? Maar het geloof weet van geen beschaamdheid; de genade kan niet beschaamd worden. Het was de apostelen scherp geboden: spreekt niet meer in de naam van Jezus". (Hand. 4: 18). Petrus en Johannes zeiden stoutmoedig: wij kunnen niet laten te spreken, hetgeen wij gezien en gehoord hebben. Legt zoveel gewicht op de oprechtheid van het geloof in de martelaren, dat gij ze doodt, levend verbrandt, of in stukken zaagt, het moet bergopwaarts. Davids genade werd ingehouden, gelijk als men de mond der beesten met een breidel sluit (Ps. 39). Zij was als kolen vuur in zijn hart, en hij moest zelfs voor de goddeloze spreken. "Ik heb geloofd, daarom sprak ik", (Ps. 116: 10).

5. Wanneer Jeremia zich onwettige banden aanlegt, om niet meer in de naam des Heeren te spreken, is er een geest van profetie op hem; hij is geen meester zelf te kiezen, maar het werd in mijn hart als een brandend vuur, besloten in mijn beenderen, en ik bemoeide mij om te verdragen, maar kon niet, (Jer. 20: 9). Er ligt een majesteit van genade op het kind Gods, welke in heilige plichten moet doorbreken: hoewel de verzoeking Christus zou verbergen in zijn genade, wordt de verzochte Jozef hiermee in ontzag gehouden, "Hoe zou ik dan dit een zo groot kwaad doen, en zondigen tegen God?" (Gen. 39: 9). Deze ontzaglijke majesteit van de genade der vrees Gods doet Jozef zien, dat hoererij, slechts loutere, onvermengde schuld is voor God. Het is een overweldigende bevatting van Christus' liefde, (2 Kor. 5: 14) welke Paulus dringt de liefde van Christus te erkennen in zijn overgave tot de dienst van het evangelie. Al zou Paulus niet hebben willen prediken, toch had hij een som te betalen: "Beiden Grieken en Barbaren, beiden wijzen en onwijzen ben ik een schuldenaar." (Rom. 1: 14). Genade boezemde hem ontzag in, evenals een schuld een oprecht gemoed aan boeien legt; hij kon niet anders doen dan zijn vrij en eerlijk gemoed vrijmaken, met te betalen, wat hij schuldig was.

6. De verlating Gods kan Christus zo niet verbergen en in wolken hullen, of het kind Gods moet tegen het gevoel in geloven; ja, ook in geloof bidden: mijn God, mijn God, waarom hebt Gij mij verlaten? Mijn God, ik roep des daags." (Ps. 22: 2, 3). Hoewel de zonde Christus met wolken bedekt, en David in echtbreuk en doodslag valt, er is een zaad van Christus, dat bloesem voortbrengen moet; hij kan niet anders dan berouw hebben en bedroefd zijn. Gods besluit der genade mag in zijn uitvoering, door de een of andere grote zonde in een schalm breken, maar Christus kan niet anders dan de keten solderen, en de gevallen zondaar oprichten.

Het zal dan nuttig zijn voor de heiligen, wanneer de Geest komt in zijn beroerende en aandrijvende werkingen, om met Hem mee te werken, en zijn geblaas des winds te beantwoorden. Het is goed om de zeilen bij te zetten en uit te varen, wanneer een gunstige wind en hoogtij roepen, Soms maakt de genade het hart als een heet ijzer, het is goed het dan te smeden. Wanneer uw geest handelbaar is, en er komt een zachte koelte van Christus' lieflijke westenwind, welke naar binnen gaat met een verwarming van het hart, zodat men zich in een hoekje afzondert tot het gebed en de ziel uit zich voor de Heere; gelijk wij Christus op zijn woord moeten vatten, zo moeten wij Christus' Geest op zijn werk vatten. Hij klopt; klopt gij met Hem. Zijn vingers roeren de handhaven des slots aan en druipen van vloeiende mirre; laat uw hart ook met zijn vingers geroerd worden. Ik stem toe, de wind doet zeilen, en alle machten op aarde kunnen geen wind maken; maar, wanneer God de wind geeft, dan zetten de zeelieden de zeilen bij en steken in zee. God is in al deze dingen de eerste. De Geest slaat vuur uit onze vuursteen, wij leggen er een lont bij en ontvangen. Strekt het hart uit, onder de opwekkingen der vrije genade; gehoorzaamt de beschikkingen der genade, als God zelf. Wanneer de zon opgaat, mogen de vogels zingen, maar hun zingen is geen oorzaak van het opgaan der zon.

Het is geen waarheid Gods, welke sommigen leren, dat de gerechtvaardigden in Christus, in een weg vanplicht altijd verbonden zijn tot een en dezelfde standvastige daad van verheuging, zonder enige vermenging van treurigheid en droefheid, want dan kunnen zij niet: 1. De verschillende indrukken gehoorzamen en opvolgen van des Heeren afwezigheid en tegenwoordigheid, van Christus' ebben en vloeien, van zijn bestralen en toelachen, en zijn verbergen en fronsen. 2. Het geloof van een gerechtvaardigde staat, ontwortelt alle genegenheden niet; ja, niet de liefde, het geloof, het verlangen en de vreugde; indien er zonde overblijft in de gerechtvaardigde, dan is er plaats voor treurigheid, vrees, droefheid, want het schuim der genegenheden is door Christus weggenomen; de genegenheden zelf niet. 3. Christus bedekt zich dikwijls met een wolk, soms alleen ter beproeving, op andere tijden om de zonde, en het is een vervloekte vreugde, welke zich op de been kan houden, wanneer de Heere zijn aangezicht verbergt. De liefde Van Christus moet ziek en treurig zijn; ik bedoel de liefhebber, wanneer de geliefde onder een wolk is. Het is hier niet de nieuwe aarde met de wedergeboren mens; noch een land, waar het altijd zomer, altijd zonneschijn is, zonder nacht of wolken, zonder regen of stormen; dat is de staat van het tweede Paradijs, van de betere Adam. 4. Het is een rechtvaardige en onschuldige droefheid, om bedroefd te zijn over hetgeen de Heilige Geest bedroeft; en wanneer de leeuw brult zijn al de dieren des velds bevreesd. Genade maakt Job niet tot een hout, noch Christus tot een mens, die niet wenen kan.

"En ziet, een Kananese vrouw" en "Een vrouw." (Matth. 15, Mark. 7). Van de vrouw: 1. Slechts één persoon van gans Tyrus en Sidon kwam tot Hem. 2. Zij was, wat de natie betreft een Syrophenicische. 3. Haar toestand. Zij had een dochter, die van de duivel bezeten was. 4. Van een onreine duivel. 5. De naaste gelegenheid, zij hoorde van Hem. 6. Zij aanbad. 7. Zij bad: en dit opent de weg tot de onderhandeling tussen Christus en haar; en tot de beproeving en het wonder.

Een vrouw. Het was er maar één uit gans Tyrus en Sidon, die tot Christus kwam. 1. Het betaamt de barmhartigheid van de goede Herder, de negen en negentig schapen in de woestijn te verlaten en het ene na te gaan, dat verloren is." (Lukas 15: 4). En wanneer alles volbracht is, dan heeft Hij helaas maar één uit een geheel honderdtal. Christus heeft niet de tienden van het menselijk geslacht. Hij maakt een reis door Samaria, totdat Hij vermoeid en dorstig is; ja hij ontbeert zijn middagmaal, om een vrouw met die trek van zijn net te vangen en acht dit een middagmaal als van een koning, ja, meer dan dat, indien Hij er één zaligt. (Joh. 4: 33, 34). O, lieflijk woord van de Man! "Ik heb u getrouwd, en Ik zal u aannemen, één uit een stad, en twee uit een geslacht, en zal u brengen te Zion." (Jer. 3: 14). Christus neemt de zondaars, niet bij dozijnen, niet bij duizenden, (wij lezen maar eens in het gehele Woord (Hand. 2), dat er drie duizend tegelijk bekeerd zijn) maar bij enen en tweetallen. Al ware het getal der kinderen Israëls gelijk het zand der zee, zo zal 't overblijfsel behouden worden" (Rom. 9: 27; Jes. 10: 22) het overschot en het uitvaagsel zal alleen behouden worden. 2. Algemene liefde is niet te vergelijken bij genade, omdat genade afzonderend is en één uitkiest uit de velen; alle begenadigde mensen zijn bevoorrechte personen; de hemel is een huis van uitverkorenen en bevoorrechten: er zijn geen gewone stenen in het Nieuwe Jeruzalem, maar het zijn alle kostbare stenen, saffieren fondamenten, kristallen glasvensters, poorten van robijnstenen, en de gehele landpale van aangename stenen. (Jes. 54: 11, 12).

3. Christus' weg ligt zo, dat van twee, die in de molen malen, van twee, die in het veld zijn, van twee, die op een bed zijn, Christus er maar één wil hebben. Christus wil dikwijls niet beiden, man en vrouw, vader en zoon hebben; maar de ene broeder Jakob, maar Ezau niet. Christus komt tot des duivels haard, en uit een geheel huis kiest Hij er een en trekt die er uit, en laat de hele familie in het bezit van de duivel.

4. Christus kent ze goed, die Hij verkiest; genade is een zeldzaam stuk van de keur en de bloem der liefde van de hemel: er zijn veel gewone stenen, niet veel parels, niet veel diamanten en saffieren. De grote hoop zijn allen Arminianen van de baarmoeder af; elke ketterij is een stuk van het dartel vernuft van de oude Adam; duizenden varen naar de hel, zwarte ketters en onrechtzinnig, wat betreft hun eigen leer; ieder mens heeft genade als gij hem geloven wilt - elk mens meent, dat de hemel zijn huis en erfenis is; honden denken te rusten aan Christus' boezem. De mensen geloven natuurlijk, hoewel zij niet standvastig zijn met Christus; echter verdraagt Christus ze goedwillig, om genade en eer te geven.

1e Tegenwerping. Gods liefde is niet oneindig, indien het tot enkelen bepaald is.

Antwoord. Dit zou vaststellen, dat er een oneindig aantal mensen en engelen is, op wie Gods liefde ter zaligheid in toegenegenheid gezet is: maar zijn liefde is oneindig in haar daad, niet in haar voorwerp: de wijze waarop Hij zijn liefde betoont is oneindig.

2e Tegenwerping. Gods niet lief hebben van de mensen toe te schrijven aan Gods gesteldheid, hart, wil en vermaak, en niet aan onze gebreken, is godslastering.

Antwoord. De Heere schrijft zijn barmhartig zijn, en zijn verharden aan zijn eigen vrije wil toe (Rom. 9: 18, Exod. 33: 19), en zijn liefde is zo vrij als zijn barmhartigheid; ook zou zodoende Gods eerste liefde tot ons opgewekt worden door onze liefde, als de zijne vóórkomende, in strijd met zijn eigen woord (Deut. 7: 7; Ef. 2: 4, 5; Tit. 3: 3; 2 Tim. 1: 9), en de mens zou de eerste liefhebber zijn van de twee. Het schepsel maakt dan de Heere tot zijn schuldenaar, en geeft eerst aan God, en God kan niet anders dan belonen. (Jes. 40: 13, 14; Rom. 40: 34, 35). Nu, het is geen schande voor ons om te leven en te sterven als bij Christus in de schuld staande; de hemel van engelen en mensen is een huis van Christus' schuldenaars, die eeuwig aan Hem verbonden zijn, en tot in alle eeuwigheid in zijn schuldboek zullen staan.

3e Tegenwerping. Oneindige goedheid kan even gauw ophouden te zijn, als dat zij niet aan allen goed zou zijn, of barmhartigheid aan iemand zou onthouden.

Antwoord. Dat verworpen mensen en duivelen nog bestaan is een vrucht van Gods goedheid, maar van vrije goedheid; anders zou God ophouden te zijn, indien Hij zijn schepselen tot niets deed worden; want Hij zou ophouden goed te zijn aan dingen buiten Hemzelf, indien deze allen tot hun arm niet-bestaan werden teruggebracht. 2. De barmhartigheid vloeit niet wezenlijk uit God voort, in het bijzonder de barmhartigheid der bekering, der vergeving van zonden, en van het eeuwige leven, maar uit loutere genade, want dan kon God geen God zijn en deze gunsten aan verworpenen onthouden. De vrijheid der barmhartigheid en der zaligheid is even oneindig liefelijk en bewonderenswaardig in God, als de barmhartigheid en de zaligheid zelf.

4e Tegenwerping. Maar God is even wezenlijk goed aan allen, als dat Hij zijn goedheid overeenkomstig zijn rechtvaardigheid moet meedelen op een vrijwillige gehoorzaamheid; en dat is het eeuwige leven voor hen die vrijwillig geloven en gehoorzamen.

Antwoord. Maar de grote vijand van de genade, Arminius, leert ons, dat al het vrije der genade (Rom. 9) besloten is in het vrije welbehagen Gods, waaruit hij voornam het geloof en niet de werken der wet, om niet en zonder loon, te vergelden met het eeuwige leven, terwijl het Hem vrijstond een andere orde te houden, indien het Hem goed dacht, en hierdoor is God vrijwillig en door een daad van zuivere genade, niet wezenlijk goed aan allen, zelfs in het meedelen van zijn goedheid overeenkomstig zijn rechtvaardigheid, want wat God doet uit de noodzakelijkheid van zijn natuur en wezen, dat kan niet anders, of Hij moet dat doen. Maar dit is zeker, dat de Heere niet uit noodzakelijkheid van zijn natuur de werken, het geloof, of enige gehoorzaamheid in ons, met de kroon van het eeuwige leven beloont. Hij mag de hemel om niet geven zonder iemands gehoorzaamheid, gelijk Hij de eerste genade vrij geeft (Ezech. 16: 6-8; Rom. 5: 10; Ef. 2: 3, 4). Maar nog zekerder is dit, hoe minder er genade hebben, des te meer is de genade genade, en aan zichzelf gelijk en vrij.

5e Tegenwerping. Maar ik heb een goed hart tot God.

Antwoord. Een stil hart, dat slaapt in een valse vrede, is een slecht hart; de meeste zondaren geven hun zielen diefachtig aan de duivel, zij menen onder zeil te zijn naar de hemel, en weten niets tot zij slapend aanlanden, in het land des doods. (Matth. 7: 21-23; Luk. 16: 27, 28).

6e Tegenwerping. Wel, maar God heeft mij zoveel gunsten en rijkdommen in deze wereld gegeven.

Antwoord. Gods genade is niet in goud gegraveerd. Het zou maar de redeneerkunde van een beest zijn, indien de slachtos zou zeggen: "De meester heeft meer met mij op dan met enige os in de stal; ik ben vrij van het juk, dat op de nek van andere is, en mijn weide is vetter dan de hunne."

7e Tegenwerping. De heiligen hebben mij lief.

Antwoord. De heiligen kunnen hun liefde misplaatsen, en liefhebben, waar God niet lief heeft.

8e Tegenwerping. De gehele wereld heeft mij lief.

Antwoord. Des te meer waarschijnlijkheid, dat gij een stiefkind bent van Jeruzalem en van de hemel, want, "de wereld heeft het hare lief". (Joh. 15: 19). Het zou beter zijn dat de wereld uw stiefmoeder was, dan dat u in zo'n baarmoeder ligt en zulke borsten zuigt.

9e Tegenwerping. Ik geloof aan het eeuwige leven.

Antwoord. Dat geloof is zwanger van de hemel; maar ziet toe dat het geen misgeboorte is. Weinigen of genen worden mondig, en geen worden in witte klederen gekleed en gekroond, die hun geloof niet eens verdachten, en bevreesd werden voor hun eigen wegen. Natuurlijke mensen staan ver van hel en toorn.

Leerrede 4

 

Deze nu was een Griekse vrouw, van geboorte uit Syrophenicië.

Door de profeten is veel wee uitgeroepen tegen Tyrus en Sidon; doch de zoete Jezus schuift het gordijn opzij, en opent een venster van de afscheiding, en verlost deze vrouw. Ziet, hier zet Christus in de woestijn de rederboom, de sittimboom, de myrteboom en de olieachtige boom, Jes. 41: 19) en hier wordt Jesaja 55: 13 vervuld: voor een doorn zal een dennenboom opgaan; (wat waren de Sidoniërs beter dan doornen?) voor een distel zal een myrteboom opgaan; (geen eer aan de grond, maar aan de goede Landman) en het zal de Heere wezen tot een naam, tot een eeuwig teken, dat niet uitgeroeid zal worden." Christus kan een schone hemel maken en vormen uit een lelijke hel, en uit het meest knoestige hout kan hij vaten der barmhartigheid maken, tot de dienst in het hoge paleis der heerlijkheid.

1. Wat zijn zij allen, die nu verheerlijkt zijn? Het schoonste aangezicht der verlosten, dat nu voor de troon staat was eens zwart als inkt van de zonde. Gij zoudt Paulus nu niet kennen met een koningskroon op zijn hoofd; hij ziet er nu niet uit als een godslasteraar, en een vervolger, en een verdrukker. De vrouw, die eens zeven duivels in haar had is een Maria Magdalena, die geheel veranderd is, en genade veroorzaakte de verandering. 2. Genade is een nieuwe wereld (Heb. 2: 5). Het land der genade heeft twee zomers in een jaar. En geen inwoner zal zeggen: "Ik ben ziek, want het volk dat daarin woont, zal vergeving van ongerechtigheid hebben." Jes. 33: 24) Een iegelijk, die leeft en in Mij gelooft, zal niet sterven in der eeuwigheid (Joh. 40: 26). Het zijn geen sterfelijke mensen, die in de genade zijn; daar is geen ziekte noch dood in dat land. 3. Wij zeggen van zulk een heelmeester: "Hij heeft ziekten genezen, die niemand genezen kon, Hij genas de sterke dood; dan kunt gij Hem uw lichaam toevertrouwen; Hij is een beproefd heelmeester. Christus heeft van de apostel Paulus een zeldzaam voorbeeld, een zonderling toonbeeld van barmhartigheid gemaakt; want in hem heeft Hij alle "lankmoedigheid betoond, tot een voorbeeld van degenen, die in Hem geloven zullen tot het eeuwige leven, (1 Tim. 1: 16). De hemel is een huis vol wonderen - ja, van vertoningen en beelden van vrije genade. Gij kunt gerust uw ziel, met al haar kwalen, aan Christus toevertrouwen; Hij heeft vele zeldzame bewijzen gegeven van zijn beproefde kunst der genade; Hij heeft vele zwarte leden van de hel tot schone heiligen in de hemel gemaakt; zulk een man, zulk een kunstenaar, wierp een oude kerker van leem terneer, en deed die weer verrijzen als een schoon paleis van goud.

Tegenwerping. Maar wat ben ik, een klomp verstokte schuld en zonde, en kan die gemaakt worden tot zo'n vat der barmhartigheid, als de heilige Paulus en de boetvaardige Maria Magdalena?

Antwoord. Genade, zoals zij in God is en geschiktheid om genade in ons te ontvangen, is voor allen even gelijk. Er was niet meer reden, waarom Paulus barmhartigheid zou verkrijgen, dan waarom u, of enig ander zondaar, barmhartigheid verkrijgen zou. Er is dezelfde reden voor mij om edele en ruime gedachten van de genade van Christus te hebben, als voor Abraham, Mozes, David, en al de profeten en apostelen om te geloven. Er is geen groter rantsoen door Christus opgebracht om geloof en vrije genade te kopen voor Noach, Job en Daniël, voor Mozes en Samuël, dan voor mij, arm en zondig schepsel; het is één oorzaak, één rantsoen, één vrije liefde. Indien er een edeler en waardiger verlosser voor Mozes en Paulus gestorven was, dan voor u en mij: en er een andere hemel en een meer vrije genade voor hen gekocht was, dan voor mij, dan zou ik ontmoedigd geweest zijn; genade is genade, voor u zowel als voor de zachtmoedige Mozes; Christus is Christus voor u, zowel als voor de gelovige Abraham. Voorts, dezelfde genade, die hier is, is in de hemel. 1. Evenals het geloof, dat ons om niet geschonken is, de verovering is van de nieuwe erfgenaam, Jezus Christus (Joh. 6: 44; Filip. 1: 29; Ef. 1: 3); zo zijn al de snoeren van Christus om onze hals in de hemel, zowel als de krans der heerlijkheid, de vrije genade Gods. Het is hetzelfde daglicht, wanneer de zon zich een weg baant uit het oosten, als op de middag, wanneer zij in de hoogste meridiaan staat. Al veranderen wij van plaats, wanneer wij sterven, wij verwisselen niet van man. 2. Wij staan hier door vrije genade (Rom. 5: 2). Bekering en vergeving der zonden worden hier aan Israël om niet gegeven, door de verhoogde Vorst, Christus Jezus (Hand. 5: 31). Onze tranen zijn met dat een rantsoen, waaraan allen deel hebben, gekocht; ook zijn die hoge woningen van het koninklijke hof van de hemel een vrij en open huis, waar de inwoners niets in rekening wordt gebracht; geen boete, geen accijnzen, geen belasting en geen schattingen, en geen vorderingen; alles is daar voor de koninklijke rekening van de Vorst van de koningen der aarde. Er is daar niet meer beloning, verdienste, loon of onkosten dan hier; de inkomsten van de heerlijkheid tot in eeuwigheid, en de lijfrente van eeuwen van zaligheid, zijn het welbehagen van Hem, die op de troon zit. Elke appel van de boom des levens is genade, elk teugje, elke droppel van de zee en de rivier des levens is gekocht door het bloed van het Lam, dat in het midden van hen is. 3. Zij zijn daar zo arm zonder Christus, als wij hier. De heerlijkheid is genade, en hun afhankelijkheid, de eeuwen door, is, dat het Lam, dat in het midden des troons is, ze zal weiden, en hun een leidsman zal zijn tot levende wateren; en God zal alle tranen van hun ogen afwissen (Openb. 7: 17). Dan kunnen zij daar ook niet alleen wandelen, maar zoals het Lam ze leidt; en indien Christus daar niet was, of indien Hij genade, heerlijkheid, en al zijn eigen juwelen en versierselen van Mozes en Henoch zou wegnemen, zou er niets meer overblijven dan de arme natuur. Gelijk de goede engelen niet vallen, omdat zij in Christus het Hoofd der engelen bevestigd zijn, (en indien zij deze bevestigende genade misten, dan konden zij nog vallen, en duivels worden), evenzo staan daarom de verheerlijkten in de hemel en zijn zij bevestigd in de erfenis, daar niet meer door de vrije wil dan hier; maar door onmiddellijk afhangen van de genade van het Lam, dat zij volgen, waar het ook heen gaat. Genade dan, wat de soort betreft, is zo goed als de hemel. Ere, ere, zij onze grote Rantsoenbetaler!

3. Haar dochtertje was deerlijk van de duivel bezeten. Merkt hier op, dat de algemene straffen der zonde en droevige verdrukkingen, de gerechtvaardigde personen even goed volgen als de goddeloze; want het was een droevige last voor de moeder, dat de duivel zo'n heerschappij voerde over haar dochter; ook maakt de tekst duidelijk, dat zij een gerechtvaardigd mens was, dat klaar blijkt uit haar dringend gebed, haar aanbidding en groot geloof, onder zware beproevingen, zodat zij Christus overmocht. Wij zullen de redenen zien, welke de Schrift aanhaalt. 1. Opdat het goud van het dierbaar geloof, en het echte metaal daarin mogen gezien worden. Verdrukkingen zijn de dienstknechten en volgelingen van de beschuldigende wet, uitgezonden om ons door het geloof een gemaakte vrede en een gekochte vergeving in Christus te doen aangrijpen. De hete oven is het werkhuis van Christus, in dat vuur neemt Hij het schuim, de droesem en het waardeloze van het echte metaal weg, opdat het geloof mag bevonden worden te zijn tot lof en ere en heerlijkheid bij de verschijning van Jezus Christus. 2. Verdrukkingen drijven ons uit om God te zoeken, want zij zijn Gods stokers; en zijn gehuurde arbeiders uitgezonden om de kluiten stuk te slaan, en om Christus' land te ploegen, opdat Hij de hemel daar mag zaaien, maar Christus moet nieuwe aarde in de grond brengen. In voorspoed komen wij maar in een gewone weg tot God, evenals die deftige man, die naar de schouwburg ging, alleen om er weer uit te kunnen gaan. Maar in droefheid, dan komen de heiligen niet slechts, maar zij maken een vriendschappelijk bezoek, wanneer zij komen. Zo zijn de gebeden, der heiligen in voorspoed maar zomergebeden, langzaam, vadsig, en helaas! te vormelijk. In droefheid storten zij hun gebeden uit als een regen, of zij storten ze uit met een natuurlijke aandrang, evenals een fontein de wateren uitwerpt. Deze beide worden door de profeet goed uitgedrukt in Jes. 26: 16: Heere in benauwdheid hebben zij U bezocht; zij hebben hun stil gebed uitgestort, als Uw tuchtiging over hen was. 3. Wij moeten Christus gelijk gemaakt worden in het kruis en de kroon (2 Tim. 2: 12), en Hem gelijkvormig worden (Rom. 8: 29. Christus, de hoeksteen, hoewel er geen zonde in Hem was, was toch door de dood als met een hamer bewerkt voor Hij tot een hoofd des hoeks geworden is. (Hand. 4: 10-12). Veel meer moeten de slagen en houwen van het kruis al de overtollige ondeugendheid, en elke hoogte terneer werpen, tot het kind van God door hakken en houwen tot een steen gemaakt is, in breedte, lengte, evenredigheid en zachtheid enigermate gelijkvormig aan het eerste exemplaar, en aan Jezus, de modelsteen. Er is een 4e reden, maar het is er een, die betwist wordt: Een gerechtvaardigd persoon kan verdrukt worden om de zonde. Sommigen leren, dat dit paperij is, wanneer wij vaststellen, dat de gerechtvaardigden om hun zonden gestraft worden, wijl Christus alleen om onze overtredingen verwond is, en in zijn eigen lichaam onze zonden op het hout gedragen heeft - daarom (zeggen zij) schijnt zij betrekking te hebben (zoals er een spreekt) op de zonde niet in de eerste plaats, maar in de tweede plaats en als aanleidende oorzaak; niet zoals zij God beledigt, die door die een offerande voor eeuwig bevredigd is (Hebr. 10: 14; Matth. 3), maar zoals zij de gemoederen der gelovigen aanstoot geeft en verontrust; niet, dat de verdrukkingen eenvoudig, eigenlijk. en onmiddellijk het geweten gerust stellen, stillen en genezen (want haar natuurlijke uitwerking is om terneer te slaan en te verschrikken, als aanhangsels van de wet), maar opdat zij onze loomheid wakker maken en opwekken zou tot een levendige bevatting van Christus' gerechtigheid. En zo heeft de zonde, terwijl God als een vader tuchtigt om de zonde, niet eigenlijk bij God de natuur der zonde, welke een belediging is van de Goddelijke gerechtigheid, maar zij wordt aangemerkt als een ziekte, welke zijn kind kwelt, waarvan Hij haar op de voornoemde wijze liefderijk en ontfermend, en niet in toorn en ongenoegen zoekt te bevrijden.

Het is waar, de Papisten stellen, dat God, wanneer Hij de zonde in David vergeeft, de straf niet vergeeft; want David is om diezelfde zonde gestraft met het zwaard over zijn huis, maar het is bekend, dat deze leer een pilaar is om die verblijfsplaats in de hel, die zij het vagevuur noemen, te onderstutten en hun mening is, dat de straf, welke een gerechtvaardigd persoon wordt opgelegd, een straf is die voldoening geeft aan de rechtvaardigheid Gods, opdat zij de verdienste van het lijden der heiligen zouden kunnen opvoeren tot een medewerkend deelhebber met het verheven en edele bloed van het geslachte Lam van God, dat alleen door voldoening de zonde der wereld wegneemt. Dit ontkennen wij;- maar aan de anderen kant stellen wij, dat er een andere rechtvaardigheid in God is, dan die wettische en zondewrekende gerechtigheid, welke het lijden van Christus verzoend en ten volle voldaan heeft, zowel ten opzichte van Gods aanneming, als van de innerlijke waarde van de dood van Hem, die God, de Vorst des levens was. En deze andere gerechtigheid is ook de rechtvaardigheid van een beledigd Vader, die de zonden der heiligen als zonden, schoon in barmhartigheid, tuchtigt, (en zo is het een gemengde gerechtigheid)

1. Omdat de zonden der heiligen niet alleen een beledigen van de goddelijke, wrekende gerechtigheid zijn, maar ook een ongelijk deze gemengde gerechtigheid, en de barmhartigheid en goedertierenheid Gods aangedaan. (2 Sam. 12: 7-9; Exod. 20: 1, 2; Ps. 81:6, 7, 10, 11; Ps. 78: 11-13, 42, 53-56; Deut. 32: 11-18; Amos 3: 2). En daarom straft God in de zijnen, de zonden als zonden.

2. Om deze oorzaak zijn zij, die met de wereld niet zullen omkomen (omdat zij onwaardig eten en drinken) krank, en met de dood gestraft. (1 Kor. 11: 30, 32, 33). Het is duidelijk in strijd met de tekst, wat Mr. Towne zegt, n.l. dat een gerechtvaardigde, die de minste mate van geloof heeft, niet onwaardig eten en drinken kan; het kleinste geloof maakt hem waardig; en zo speelden zij, die in de tekst onwaardig aten maar met het evangelie, en deden nimmer wezenlijk Christus aan. Maar het geloof verhindert een gerechtvaardigde niet meer het Avondmaal des Heeren onwaardig te ontvangen, dan het hem belet, om hoererij te begaan, of bloedschande, of een doodslag; en wie onder deze zonde liggende, tot des Heeren tafel zou komen zonder bekering, zou onwaardig eten en drinken, en zulk een zonde kan een gelovige naar Gods hart (zoals David was) begaan. Er is een groot verschil tussen onwaardig zijn, en onwaardig eten. Alle gelovigen zijn van zichzelf Christus en de zaligheid onwaardig, maar in Christus zijnde door het geloof, worden zij waardig gerekend; en toch kunnen zij onwaardig eten en drinken. Maar het gevoelen van Mr. Towne schijnt hierop neer te komen, dat een gerechtvaardigde niet kan zondigen, noch onwaardig eten en drinken, omdat het geloof hem waardig maakt; en als dat zo is, dan is de weg der genade een wulpse, plezierige weg; de gerechtvaardigden zijn dan bevrijd van de wet en van enig gevaar, om te zondigen.

3. Niets is klaarder, dan dat David gestraft werd volgens de regel van die gemengde en vaderlijke gerechtigheid, die een noodwendige verhouding tussen zonde en straf in acht neemt. Zijn zonde was, dat hij Uria's huis uit Israël afsneed; God zond het zwaard tot zijn huis, al zijn dagen. Hij nam heimelijk de huisvrouw van een andere man, en bedreef overspel met haar, de Heere nam zijn vrouwen voor de zon en gaf ze aan Absalom, die, zijn bed bevlekte. (2 Sam. 12). Hier is gerechtigheid, hoewel, dit stem ik toe, vermengd met barmhartigheid; zwaard om zwaard, bed om bed. Eli eerde zijn zonen meer dan God, en duldde dat zij het priesterambt en de offeranden ontheiligden; gerechtigheid zette zijn zonen buiten het priesterschap en de offerande. Hiskia toonde uit hoogmoed al zijn schatten en al wat in zijn huis was aan de gezanten van de Koning van Babel; en gerechtigheid mat hem met dezelfde maat: al wat in zijn huis was, en al zijn schatten werden als een roof naar Babel weggevoerd.

4. "Doodt ouden en jongen - begint van mijn heiligdom", (Ezech. 9: 6). "En zie gij zult zwijgen en niet kunnen spreken - omdat gij mijn woorden niet geloofd hebt," (Luk. 1: 20). De kerk van God zegt hetzelfde: de Heere is rechtvaardig, want ik ben zijn mond weerspannig geweest." (Klaagl. 1: 18). Het juk van mijn overtredingen is aangebonden door zijn hand, zij zijn samen gevlochten, zij zijn op mijn hals geklommen (vs. 14). wat klaagt dan een levend mens, een mens om de straf zijner zonde?" (Klaagl. 3: 39, Eng. Vert.) laat ons onze wegen onderzoeken en doorzoeken, en laat ons terugkeren tot de Heere" (vs. 40). Wie heeft Jakob tot een plundering overgegeven, en Israël de rovers? Is 't niet de Heere? Hij, tegen wie wij gezondigd hebben?" (Jes. 42: 24). Ik zal des Heeren gramschap dragen; want ik heb tegen Hem gezondigd;" (Micha. 7: 9). "Want het geschiedde om de toorn des Heeren tegen Jeruzalem, en tegen Juda, dat Hij haar van zijn aangezicht weggeworpen had; en Zedekia rebelleerde tegen de Koning van Babel." (2 Kon. 24: 20). Het is van geen gewicht, wat ingebracht wordt, om de kracht weg te nemen van deze duidelijke schriftuurplaatsen. De kerk, (zo zeggen zij) bestaande uit gemengde personen, goede en kwade, uitverkorene en verworpene, wordt, wat het goddeloze deel betreft, in gerechtigheid gestraft, maar niet de gelovigen. Hierop antwoord ik, dat gans Juda, goede en kwaden, Jeremia, Daniël en al het heilige zaad met de weerstrevige en hardnekkige afgodendienaard ingewikkeld waren in dezelfde gemeenschappelijke ramp van een droevige gevangenschap. Het waren niet de kwade vijgen en de halsstarrige afgodendienaars, die des Heeren rechtvaardigheid en hun eigen weerspannigheid tegen de Heere beleden; ook kwam het goddeloze deel niet tot een onderzoeken van hun wegen, en tot een erkennen, dat de onwedergeborene alleen lijdt om zijn zonden; noch verdroeg iemand van die zijde, des Heeren gramschap met lijdzaamheid, hoop en stilheld: het was de ware kerk, Gods Jakob, het waren de zachtmoedigen der aarde, die zich zo vernederden onder Gods tuchtigingen, en toch werden juist dezen gestraft om hun zonden, gelijk zij bekennen. (Klaagl. 1: 18; Micha. 7: 9).

5. Dit is ook tegen het verbond, en deszelfs bedreigingen: "En zo gij met mij in tegenheid wandelen zult, en Mij niet zult willen horen, zo zal ik over u naar uw zonden zevenvoudig slagen toedoen, enz. (Lev. 26: 21-40). "Zo dan (in hun zware verdrukkingen) hun onbesneden hart gebogen wordt - en zij dan aan de straf van hun ongerechtigheid een welgevallen hebben,"(vs. 41). dan zal Ik gedenken aan mijn verbond met Jakob." (vs. 42). indien zijn kinderen mijn wet verlaten, en in mijn rechten niet wandelen," (Ps. 89: 31). zo zal Ik haar overtreding met de roede bezoeken: en haar ongerechtigheid met plagen." (vs. 33). maar mijn goedertierenheid zal Ik van Hem niet wegnemen," enz. (vs. 34). Niets is duidelijker, dan dat degenen, die in het verbond der genade zijn, van wie God de gewisse weldadigheden Davids niet kan wegnemen, om hun ongerechtigheden bezocht worden met tijdelijke roeden.

6. Het is in strijd met Gods toorn en ongenoegen over de zonden zijner kinderen, want God is werkelijk. toornig over de zonden van zijn kinderen; en waarom zou Hij ze dan niet straffen om hun zonden? "De toorn des Heeren ontstak over Mozes." (Exod. 4: 14). "Ook vertoornde zich de Heere op mij om uwentwil. (Deut. 1: 37). En de geschiedenis toont, dat God, omdat Mozes de Heere niet heiligde aan de wateren van Meriba, niet wilde toelaten, dat Hij zijn voet zette in het heilige land. "De Heere vertoornde zich tegen Salomo." (1 Kon. 11:9). "Ook vertoornde de Heere zich zeer tegen Aäron", (Deut. 9:20). De profeet Jehu zei tot Josafat, die goede koning, "Nu is daarom over u van het aangezicht des Heeren grote toornigheid" (2 Kron. 19: 2). "Want in mijn verbolgenheid heb Ik u geslagen, maar in mijn welbehagen heb Ik mij over u ontfermd." (Jes. 60: 10).

7. De tegenovergestelde dwaling is gegrond op weer andere dwalingen. Dat alle verdrukkingen ondergeschikte dienaars en ambtenaars der wet zijn; en zo zijn ze tekenen van Gods toorn, evenals de wet toornt: en zoals de gelovigen verlost zijn van de heersende macht van de wet, zo ook van de roede. Maar dit is niet waar, want Gods roede, op zichzelf aangemerkt, is niet een van wrekende gerechtigheid, en niet van vrije ontferming, maar zij ontleent haar natuur en onderscheiden bediening aan het voornemen, en aan het hart Gods; in al deze uitwendige zaken wedervaart enerlei de uitverkorenen en de verworpenen. De berouw hebbende moordenaar, en de godslasterende moordenaar zijn onder dezelfde roede van God; beiden sterven een gewelddadige dood. De goddeloze Achab en de goede Josia worden beiden gedood in de krijg. De zweren en plagen, die in de wet gedreigd worden, (Deut. 28:60) zijn op Job (Job 2:7). Wat doet dezelfde roede in de verworpeling een werk van gerechtigheid zijn, en in de gerechtvaardigde van gerechtigheid vermengd met en gematigd door barmhartigheid en vaderlijke goedertierenheid? Voorzeker, Gods welbehagen en wijs voornemen, tot verschillende doeleinden straffende, wijzigt de natuur der roeden; zo doet bijvoorbeeld een voornemen om zich in een weg van voldoening op de verworpene te wreken, Hem zijn roede daartoe bijzonder aanwenden, en die op hem zijn tot een straf van zwarten toorn, van zoute en onvermengde gerechtigheid. En dit voornemen is een wezenlijk bestanddeel in de voldoenende straf. God schrijft en graveert op de tandpijn van een verworpeling een stukje van de hel; en Hij stempelt op het levend verbranden, pijnigen en folteren de afdruk van de hemel, der barmhartigheid en der goedertierenheid, in de gelovige. Bastaardkruisen en wettig verkregen verdrukkingen hebben dezelfde vader, maar niet dezelfde moeder. 2. Indien de voorstanders van deze dwaling Gods roede zo willekeurig konden maken, als, naar hun verbeelding, de plichten van de onderwijzende en regerende wet van God zijn, dan zouden zij alle kruis verbieden en alle gerechtvaardigde personen naar de hemel zenden met een pas, welke hen beveiligde voor alle droefheid op de weg naar de hemel, en dan zou Christus zijn vele kinderen tot de heerlijkheid brengen, heelhuids en met droge aangezichten, terwijl Christus zelf naar de hemel ging met betraande ogen en een verbrijzelde ziel. De andere dwaling is, dat Christus een volle verzoening voor de zonde heeft teweeggebracht, en de gerechtigheid ten volle voldaan heeft voor allen, die gerechtvaardigd zijn in zijn bloed; en zij daarom niet zelf om de zonde gestraft kunnen worden. Maar 1e Er is meer in de gevolgtrekking dan in de voorafgaande stelling; ergo, de gerechtvaardigde kan noch geheel, noch gedeeltelijk voldoenende straf lijden voor de zonde. Dit is zeer waar; nooit Werden iemands klederen met een droppel rode wraak ter voldoening voor de zonde geverfd; Christus heeft alleen deze wijnpers getreden, en van al de volkeren was er niemand met Hem. Maar daaruit volgt nog geenszins is, dat de wedergeborenen geen straffen lijden om de zonde, overeenkomstig de regel van een andere gemengde en gematigde gerechtigheid. 2e. Indien dit argument van Christus' lijden van kracht is, dan volgt er uit, dat de uitverkorenen voor zij gerechtvaardigd zijn, nooit om de zonde meer gestraft worden, dan de gelovige heiligen; ja, dat God geen mishagen had in Abrahams afgoderij voor zijn bekering, noch in Manasse's bloed, noch in Saulus' vervolging, omdat Christus de gerechtigheid betaald heeft voor de zonden der uitverkorenen, zowel die begaan zijn voor als na hun rechtvaardigmaking.

1e Gebruik. Wij kunnen uit de verdrukking geen gevolgtrekking maken van een slechte toestand. Het is een deel van de teerheid van consciëntie in de wedergeboren, om de wet en de toorn te spoedig toe te passen: ik word meer dan alle anderen verdrukt, daarom is God toornig op mij, en ik ben van God verworpen, is een slechte gevolgtrekking. Er moeten enkele regels in acht genomen worden in de verdrukking. 1. Wij moeten er niet te veel noch te weinig uit willen bewijzen, bezwijken, noch dezelve klein achten. (Hebr. 12) Het geweten ziet te vlug na de verlichting, en te langzaam voor dezelve. De redenen waarom wij uit de verdrukkingen het besluit trekken, dat God ons haat, zijn: 1. Er is een consciëntie van een consciëntie in de gelovige; dat is, zelfs in een verlichte consciëntie is er enige kwaad geweten om kwaad van God te denken. "Ik zei in mijn haasten: Ik ben afgesneden van voor uw ogen" (Ps. 31: 22). Dit is een haastige consciëntie; evenals wij zeggen: dat is een haastig mens, die zit ook gauw te paard, en die wordt licht toornig." Dit is een consciëntie, die spoedig tot toorn verwekt wordt. 2. Wij hebben die liefde niet tot God, die wij tot deze of genen vriend hebben. Wij hebben een geliefde vriend zo lief, dat al zijn zwart wit is; zijn ogenschijnlijke beledigingen maken ons niet boos. Wij zeggen: ik kan van zo iemand geen kwaad geloven, en wij praten onszelf voorbij in een overdrijving en overlading van liefde, welke voortkomt uit een overmaat en overheersing van liefde tot een schepsel. Wij zijn in het andere uiterste tegenover God en Jezus Christus. Gevoel van verdrukking verkoelt onze liefde, en wij kunnen de liefde niet zover tot onze Heere uitbreiden, als wij zien, dat Hij hard met ons handelt, dat wij het andere oor zonder vooroordeel sluiten voor het bericht, hetwelk de verdrukking en het gevoel der verdrukking geven. 3. Het vlees spant met de verdrukking samen tegen God; de verdrukking fluistert van toorn, gerechtigheid, zonde, en het vlees zegt: dat is zeer waar", want het vlees haat God en moet daarom zijn bedeling belasteren. Achab kon niet anders dan Micha belasteren: hij profeteert (zegt hij) over mij niets goeds." Is Gods waarheid niet goed? Gewis, elk woord der profetie is als goud, dat zevenmaal beproefd is. Hij geeft zelf de reden aan van zijn laster - ik haat hem. Het andere uiterste is, dat wij in verdrukking te weinig rede verstaan, als, 1e wij zeggen: "het is de Heere niet." De Filistijnen twijfelden of God de spenen op hen had doen komen, omdat zij de ark genomen hadden, of dat het bij toeval was. Het is genade te weten, wie het kruis oplegt. 2e. Wij zien zelden geestelijk op het kruis; en vleselijk oog op een kruis is een ramp. "Gods toorn heeft hem rondom in vlam gezet, doch hij bemerkt het niet, en Hij heeft hem in brand gestoken, doch hij neemt het niet ter harte (Jes. 42: 25). Het is vreemd, dat Gods vuur iemand in brand steekt, en dat hij nochtans geen vuur ziet of voelt. Waarom? Er is iets van God kruis, dat het vleselijk oog niet kan zien, omdat, zoals Zofar zegt, "Een vuur, dat niet opgeblazen is, hem zal verteren (Job 20: 26). Sommigen nemen het, (en niet zonder reden) voor een vuur, dat het geblaas van de blaasbalg of van de wind mist om het vuur te doen vatten en te doen opvlammen. Sommigen zijn in brand gestoken en zij horen noch zien het. Er is een wit buskruit, dat brandt en geen leven of geluid maakt. Een stomme roede is een dubbele roede. Wij zien nauwelijks wat God doet in deze oorlog; wij zijn door God met blindheid geslagen. En zo komen goddeloze mensen nooit wettig uit de verdrukking; zij zien God niet, noch de zonde; en daarom komen zij niet uit de gevangenis met de sleutel van de koning, maar zij breken uit de gevangenis en springen uit een venster; de natie zal al de omstandigheden van deze bloedige oorlog in deze drie koninkrijken zien.

Gebruik. Wij moeten onderscheid maken tussen Gods verdrukken van een mens, en van een gehele kerk. Nu, God heeft zijn vuur in ons Zion, en wij verwonderen ons, dat Duitsland zesentwintig jaar in oorlog is geweest, en nu verscheidene jaren in deze koninkrijken het zwaard over ons geweest is. 1. Er moeten vele vaten gesmolten worden; een vuur gedurende een namiddag, of een oorlog van een morgen of een dag, kan dit niet doen. Zeven dagen ziekte van een stervend kind, doen David langzaam gaan en in een zak neerliggen. Jaren zijn kort genoeg om het trotse Schotland en Engeland te vernederen. God vernederde Israël ruim vierhonderd jaren in Egypte en hield ze veertig jaren in de woestijn, en Juda moest zeventig jaren rokende in de oven neerliggen. 2. Over een tempel werd zesenveertig jaar gebouwd. God heeft tachtig jaar genomen om Engeland te hervormen, en vele jaren om Schotland te hervormen, en nog is de tempel niet gebouwd: geeft onze Heere tijd; hoopt en wacht. 3. Babel is een grote ceder, die niet met de eerste slag kan vallen. Het is geen werk van een dag of een jaar om die prinses, de jonkvrouw der koninkrijken van haren troon der heerlijkheid af te brengen en in het stof te doen zitten, om de molen te nemen en meel te malen.

Leerrede 5

"Van de duivel bezeten"; zij is ten volle bezeten van een duivel. De boosheid des duivels werkt overeenkomstig zijn natuur, en hij werkt, zoveel in zijn vermogen is, met een bepaald doel en in een bepaalde richting. Evenals het vuur al zijn kracht ontwikkelt in het branden, de zon zo sterk verhit en verlicht als zij kan, en een molensteen, die van de maan neervalt op de aarde geen gematigdheid of vermindering van kracht gebruikt in zijn beweging, zo werkt de boosheid der hel wanneer zij losgelaten is van nature kwaad, niet door de wil.

Het bezit van de Satan is volkomen. Petrus zegt tot Ananias: waarom heeft de Satan uw hart vervuld, dat gij de Heilige Geest liegen zoudt?" (Hand. 5: 3). Evenals er een volheid Gods is (Ef. 3: 19) zo is er een volheid des duivels, vervuld zijnde met alle ongerechtigheid" (Rom. 1: 29). Het is geen wonder, dat ruiterbenden en boosdoeners evenzo werken als hun vader de natuur van de vader is in de zoon; de wijze van werken is overeenkomstig de natuur van de werker; de hel werkt als de hel. "Ziet, gij spreekt en doet die boosheden en neemt de overhand" (Jer. 3: 5). Zij trokken de zonde en de ongerechtigheid niet met een bies of een draad, maar met koorden der ijdelheid en met dikke wagenzelen" (Jes. 5: 18). "Zij doen met beide handen dapper kwaad" (Mich. 7: 3). Alles wat boosaardigheid en de hel voor wreeds doen konden aan jong en oud, aan vrouwen en zuigelingen is gedaan in Ierland en Engeland: de duivel in zijn element is tweemaal een duivel; hij is in zijn element, wanneer hij bloedige instrumenten bereidt en te werk stelt, en zich uitbreidt in zijn eigen gebied. van de satan boosaardigheid is van zichzelf groot en de toorn van een zondaar is zwaarder dan stenen en zand, maar wie kan (daar verenigde kracht sterker is) voor hen bestaan wanneer zij samengevoegd zijn? Van de schepping af zijn Christus' lammeren temidden van duivels en mensen onder de wolven bewaard, niet door menselijke kracht en sterkte.

Merkt op, dat allen die tot Christus kwamen, gedwongen zijn geworden dooi de een of andere noodzakelijkheid, hetzij een melaats lichaam, blinde ogen, een verlamming, een bloedvloeiing, een verdorde arm, of een stervende zoon, en dat sommigen tot Christus gebracht zijn, ten minste, dat hun ouders of vrienden tot Christus zijn gekomen vanwege een lichamelijk bezeten zijn van de duivel; maar wij lezen van niemand, die of uit zichzelf of door anderen kwam, omdat hij geestelijk van de duivel bezeten was. Er is veel vlees en veel natuur in ons, en zo veel gevoel en weinig geest, en weinig van God: een blind oog zal ons uitdrijven tot Christus, maar niet een ziel, die onder de macht van de vorst der duisternis ligt. 2. Wij zijn geheel lichaam en leven en tijd; maar wij zijn niet geheel ziel. en geest en eeuwigheid; het is er ver vandaan, dat de hemel het hoofdbestanddeel in ons is. Er is veel misplaatste liefde. Gij bent uit de vader de duivel", zegt Christus tot de Joden (Joh. 8: 44). Ieder kind heeft zijn vader lief. Wat? En de mensen hebben de duivel niet lief; heeft niet iedere ellendeling door een natuurlijk instinct een afkeer van de duivel? Is dit niet de moeder godsvrucht van elke ellendeling die van de baarmoeder af niets van God weet? God beware mij voor de duivel en al zijn werken; ik heb niets te doen met die onreine geest. Het is waar, er is een natuurlijke haat tegen de duivel waar te nemen, zoals hij een geest, een engel en een wapenkoning van de goddelijke gerechtigheid is, die natuurlijk aan alle mensen het kwaad der straf oplegt; maar er is in alle mensen een aangeboren, zedelijke liefde tot de duivel, zoals hij een gevallen geest is, die tot zonde verzoekt - hier bemint elk gevangene deze cipier; gelijk bemint gelijk; geruïneerde mensen en bankroetiers vlieden samen naar bossen en bergen. Iemand, die vogelvrij verklaard is, bemint een vogelvrijverklaarde; soort zoekt soort. De duivel en zondige mensen zijn beiden bankroetiers, vogelvrij verklaarden van de hemel, en van één geboorte; goddeloze mensen zijn de kinderen des duivels (1 Joh. 3: 10), zij hebben die natuurlijke betrekking van vader en zoon; er is in de zondaren van het zaad des duivels. Er is een geestelijke wellust in de duivels om hun lust te koelen aan Gods beeld en heerlijkheid, en de Satan vindt zijn eigen zaad in ons van nature: te weten wellust, een stam, een spruit, een kind van het huis der hel. Het ware te wensen, dat wij onze eigen ellende kenden. De mens besluit, dat een gevangene, die zijn ketenen liefheeft, omdat zij van goud gemaakt zijn, en ze niet haat, omdat het ketenen zijn, een aangenaam leven heeft. Hij begint de muren van zijn kerker te beschilderen, allerlei versierselen in zijn gevangenis op te hangen, en hij tracht zijn ijzeren boeien met goud te vergulden. O! zijn wij niet verliefd op onze zondekerker? Dragen wij onze vader, de duivel, niet een hartelijke liefde toe? Wij leggen voorraad op voor het vlees, en voeden de oude mens, die zo oud is als de eerste zonde van Adam. Helaas! wij zagen onze vader nooit in het aangezicht; wij hebben de duivel lief als de in de zonde gevallen duivel; maar wij zien hem niet als een duivel, maar zoals hij zich vertoont onder het borduursel van gouden en zijden verzoekingen: wij zaaien in het vlees, wij dragen onze oogst op aan de duivel, maar wij kennen onze landheer niet, en omdat onze zin en het vlees ons nader zijn dan God, begeren wij meer de vrijheden van staat, vrijhandel, en vrede met de koning dan de vrijheden van Christus, de kracht en zuiverheid van het evangelie, handel te drijven op de hemel, en vrede met God te hebben.

"Onreine geest." - Dit is de hoedanigheid van deze duivel: een onreine duivel. Nu, ik moet mijn onwetendheid bekennen, of hij zo genoemd wordt, omdat hij het meisje tot de een of andere verschrikkelijke daad van onreinheid verzocht, of omdat hij in het algemeen tot onreinheid van zonden verzoekt, zoals onreinheid maar een algemene toenaam voor alle duivels is. Hoe dit ook zij, alle duivels hebben deze algemene naam, "onreine geesten", vanwege hun geestelijke onreinheid. Het is zeker, de duivels zijn: 1e zwart, nu zij in een rokende hel gevallen zijn, en bewaard worden onder de macht en ketenen der duisternis, zij zijn maar een massa zwarte hel en duisternis, terwijl zij als schone engelen geschapen werden. De waarheid is de schoonste zaak, die er bestaat; gehoorzaamheid aan God is de waarheid (Joh. 3: 21). De zonde is het lelijkste en wanstaltigste ding in de wereld, en daarom kunnen zondaars geen gemeenschap met God hebben, tenzij zij gewassen zijn. 2e. De duivels waren eens zuivere en reine geesten - hun verstand was verhelderd, om God en zijn schoonheid te zien; nu, deze schone engelen zijn verduisterd, want hun medeengelen, die niet gezondigd hebben, zijn nog serafim en lichtende lampen, en deze engelen (zegt Christus) zien altijd het aangezicht mijns Vaders, die in de hemelen is." (Matth. 18: 10).

Dan, hoe meer genade van Christus, hoe meer helderheid van zaligmakende kennis en gezond oordeel; genade geeft degelijker wijsheid dan kunst of geleerdheid; hierdoor overtrof David al zijn leraars en de ouden. In Satans dwazen is het rechte beginsel der wijsheid uitgeblust. De profeet zei dit van staatslieden of liever van staatsdwazen: ziet, zij hebben des Heeren woord verworpen, wat wijsheid zouden zij dan hebben?" (Jer. 8: 9). Gelijk er besmettingen des vleses zijn, zo zijn er ook besmettingen des verstands en des geestes (2 Tim. 3: 8). Mensen, verdorven zijnde van verstand, zijn mensen van een verrot verstand; verkeerde begrippen van God zijn verrotting in het verstand. de geest van een gezond verstand" (Eng. Vert. van 2 Tim. 1: 7). Houdt het voorbeeld der gezonde woorden (vs. 13). Er zijn sommige woorden, die uit een ziek verstand voortkomen, als in Tit. 1: 13. De Apostel stelt, dat er sommigen ziek zijn in het geloof, evenals er sommigen gezond zijn in het geloof (Spr. 2: 7. Eng. Vert.). De Heere geeft gezonde wijsheid haar bestaan en wezen. De wijsheid en de wet Gods zijn een blijvend en levend iets, dat de eeuwigheid verduurt, terwijl menselijke wijsheid en valse begrippen van God dingen zijn, die voorbijgaan; de leugen leeft niet lang. De wijsheid is een boom des levens. "Laat mijn hart oprecht (Eng. gezond) zijn tot (in) uw getuigenissen" (Ps. 119: 80), volmaakt, zonder gebrek. Een dwaas mist het beste deel van zijn hart. Staatswijsheid, welke niet waterpas ligt met Christus' einden, maar evenredig is aan vleselijke ontwerpen, is maar dwaasheid.

"Van Hem gehoord hebbende". - Wat had zij gehoord? 1. Dat Jezus de Zoon van God was, de Messias van Israël, die haar dochter kon en wilde genezen. Hier zijn twee dingen opmerkelijk: 1e. Het horen van Christus trok haar tot Christus. 2e. Het is goed aan de grenzen van Christus te zijn en dicht bij Hem te zijn. Het is noodzakelijk, dat wij van Christus horen, voor wij tot Hem komen. Dit is Gods weg: het geloof is uit het gehoor." (Rom. 10). Christus is niet in ons van de baarmoeder af; het geloof is geen bloem die op zulk een zure en koude grond groeit als de natuur is; het is een stam en een geboorte van de hemel.

II. Niemand kan tot Christus komen, tenzij hij een goed gerucht van Hem hoort. Hoe zullen zij in Hem geloven, van wie zij niet gehoord hebben? Zij die rechtuit tot Christus komen, moeten edele, hoge, lange, diepe en brede gedachten van Jezus hebben, en het evangelie kennen. Nu wat is het evangelie? Niets dan een goede tijding van Christus. Gij moet een evangeliebericht van Christus horen, eer gij tot Hem komt; verkeerde bevattingen van Christus houden er velen van Hem af. "Vreemden zullen horen van uw grote naam en uw sterke hand" (1 Kon. 8: 42). Christus zou gehoord worden door de dove heidenen; "En te dien dage zullen de doven horen de woorden des boeks" (Jes. 29: 18). Wij horen, en wij horen niet, omdat de Heere alle morgen de oren niet wekt, dat wij horen, gelijk die geleerd worden. Velen horen, maar zij hebben geen oor der geleerden, noch het oor van zulken, die het van de Vader gehoord en geleerd hebben. Velen horen van Christus een stem, en niet meer dan een stem: zij weten die profetie niet, "uw oren zullen horen het woord (van degene, die) achter u is, zeggende: dit is de weg, wandelt in dezelve" (Jes. 30: 21). Er is een andere stem in ons horen; de mensen horen niet, om te horen. hoort gij doven, en schouwt aan gij blinden om te zien (Jes. 42: 18), dat is, hoort om te horen, en ziet om te zien. De Heere geeft genade om genade te kunnen geven, en wij moeten genade ontvangen, om genade te kunnen ontvangen; genade is het enige loon van genade.

III. Wij horen en wij horen niet, wij zien, maar wij hebben geen terugslaande handeling op ons zien. Velen openen hun oren tot Christus; maar horen niet; zij missen een geestelijk vermogen om op te merken. gij ziet wel vele dingen, maar gij bewaart ze niet, ofschoon hij de oren open doet, zo hoort hij toch niet" Jes. 42: 20).

IV. Velen zetten Christus in een oor zonder bodem of in een oor met een gat in zijn bodem. Wij horen van Christus, (Hebr. 2) maar wij zijn als lekke en leeglopende vaten. "Wie onder ulieden neemt zulks ter oren; wie merkt op, en hoort wat hierna zijn zal? (Jes. 42: 23) De geneesheren geven drie oorzaken van doofheid op. 1. Wanneer er vlees op het trommelvlies groeit. Dit is uitwendig: de wereld en haar zorgvuldigheid is een andere liefhebber, en dat verhindert het horen. 2. Wanneer het gehoororgaan gekwetst en verstoord is, evenals een lamme hand, die niet grijpen kan; nu, wanneer er valse verbeeldingen en beginselen, in strijd met het evangelie, in het hart zijn, dan kan het oor niet horen. 3. Wanneer er te veel vocht in de hersenen is, dat verwekt een geruis en geraas in het trommelvlies, en verhindert, dat het geluid gehoord wordt. Wanneer hoogmoed, en beginsels van zinnelijkheid en ijdel genot een geraas van binnen maken, zodat noch het kloppen van Christus, noch zijn stem van buiten kan gehoord worden, dan zijn de mensen doof.

Maar waarom horen en zien wij Christus niet, zoals Hij zich openbaart in zijn wegen en werken? De rede zou zeugen, dat wij toch zouden horen en tot Christus komen, indien de hel en het oordeel ons voor ogen gesteld worden. Veronderstelt, dat wij twintig of dertig jaren aaneen, met onze ogen een grote brandende oven zagen, zo groot als de gehele aarde, en wij zagen daar Kaïn, Judas, Achitofel, Saul, en al de verdoemden, als klompen rood vuur, en hen kokende en springende van pijn in een kerker van eeuwige zwavel, en de zwarte en verschrikkelijke duivels met lang en scherpgetande zwepen van schorpioenen hen met geselslagen striemende, en wij zagen daar onze buren, broeders, zusters, ja, onze lieve kinderen, vrouwen, vaders en moeders, zwemmende en zinkende in die zwarte poel, en wij hoorden het gillen, roepen en schreeuwen van onze kinderen en vaders, lasterende de vlekkeloze rechtvaardigheid Gods: - indien wij dit zagen, terwijl wij hier op aarde leven, dan zouden wij de majesteit van God niet durven beledigen, maar wij zouden horen, tot Christus komen en geloven en gezaligd worden. Doch de waarheid is, indien wij Mozes en de profeten niet geloven, wij zouden ook hierom niet geloven; immers wij zien dagelijks, zelfs terwijl wij in dit leven zijn, stukjes en brokjes van de hel met onze ogen en horen ze met onze oren; wij zien toch en horen dagelijks van sommigen, wentelende in hun bloed, duizenden van onze broeders, kinderen, vaders neergeveld, kwaaddoeners opgehangen en gevierendeeld, de dood in ieder huis. Dit, ja dit zijn kleine hellen, en kooltjes en vonkjes van het grote vuur der hel, en zekere bewijzen voor ons, dat er een hel is; toch horen wij niet, noch komen wij tot Christus. Ja, veronderstelt, dat een prediker uit de hel, tot de vijf broeders van de rijke gulzigaard kwam (Luk. 16) en, dat hij al de striemen en merktekenen van de zweepslagen van Satans schorpioenen, op rug en zijde, op dijen, armen en een meebracht, ja, al bracht hij tienduizend verdoemden uit de hel tot ons, en hij bracht met zich de rode kolen van de grimmigheid Gods, elke kool zo groot als een berg, en hij vertoonde ze alle aan onze ogen, oren en zinnen - - zo groot is de kracht van onze doofheid en blindheid, dat wij niet zouden geloven, want wanneer zoveel kleine hellen op de lange duur zo weinig uitwerken, dan zou deze een grote hel er ons nooit toe brengen om te horen en tot Christus te komen. Ziet hoe weinig wij aangedaan zijn over het bloed van zovele duizenden van ons eigen vlees in de drie koninkrijken! Helaas! onze zinnen zijn binnen de tijd beperkt.

De andere opmerkenswaardige zaak is, dat het goed is nabij de plaats te zijn, waar Christus is. Het was een voordeel, dat de vrouw aan de grenzen woonde van het land, waar Christus was. Het is goed voor de arme om een rijke tot buur te hebben, en voor de dorstige zijn huis op te slaan en te wonen bij de fontein, en voor de zieke, de geneesheer dicht bij te hebben. 0! hebt de grond lief, waarop Christus wandelt. In Sion geboren te zijn is een eer, omdat de Heere daar woont". (Ps. 87: 6). Het is een zegen om Christus te horen en te zien (Matth. 13: 16). Wij overwegen niet en waarderen niet recht welk een gunst het is, dat Christus wandelt in het midden van de gouden kandelaren; dat de stem van de tortelduif gehoord wordt in ons land. Het is aan ons Hem een paleis van zilver te bouwen. Wat het zesde artikel betreft, namelijk, haar aanbidden van Christus, dat zal op een andere plaats behandeld worden. Ik haast mij daarom tot haar gebed.

Leerrede 6

In haar gebed, zoals het bij Mattheüs uitgedrukt staat, merken wij op: 1e De wijze waarop zij bad: "zij riep". 2e. De naam, waarmee zij Hem aansprak, of de partij tot wie zij bad: Heere gij Zoon Davids". 3e. De smeekbede: "ontferm u mijner". 4e. De reden - "mijn dochter is deerlijk van de duivel bezeten".

"Zij riep," De arme vrouw bad (gelijk wij zeggen) met toegenegenheid, met sterke aandoening. Waarom pleegt men te roepen in het gebed? Was het niet bescheidener geweest, tot deze zielverlossende Zaligmaker, die dikwijls hoort eer wij bidden, te spreken, dan te roepen en te schreeuwen? - want de discipelen klagen er later over, dat zij Hem naroept". Was Christus zo moeilijk over te halen? De redenen van het roepen zijn: 1e Nood kan zich niet schamen. De nijpende nood der heiligen is niet gebonden aan de wet der bescheidenheid. De honger kan niet beschaamd zijn. "Ik bedrijf misbaar in mijn klacht, en maak getier" zegt David, (Ps. 55: 3) en Hiskia, gelijk een kraan of zwaluw alzo piepte ik; ik kirde als een duif" (Jes. 38: 14). ik ga zwart daar heen, niet van de zon - opstaande schreeuw ik in de gemeente" (Job. 30: 28). 2e. Hoewel God het gebed alleen hoort. zoals het in Christus aangenaam is, niet, omdat het zeer vurig is; zo is toch de vurigheid een hemels bestanddeel in het gebed. Een pijl, die met volle kracht afgetrokken wordt, bereikt sneller zijn doel; daarom worden de gebeden der heiligen in de Schrift door roepen uitgedrukt, mijn God, ik roep des daags, maar Gij antwoordt niet, (Ps. 22: 3). 's Avonds, en 's morgens en des middags zal ik klagen en getier maken (Ps. 55: 18). Als mij bang was, aanriep ik de Heere" (Ps. 18: 7). maar ik, Heere, roep tot U (Ps. 88: 14). Uit de diepten roep ik tot U, o Heere!" (Ps. 130:1). Uit de buik des grafs, schreide ik" (Jona 2:2). Tot U roep ik, Heere! mijn rotssteen (Ps. 28:1). Ja, het gaat iets hoger dan roepen; ziet, ik roep geweld, doch word niet verhoord" (Job. 19: 7). "Ook wanneer ik roep en schreeuw, sluit Hij de oren voor mijn gebed" (Klaagl. 3: 8). Hij die ons allen moet leren bidden, de zoete Jezus, heeft in de dagen zijns vleses gebeden en smekingen met sterke roeping en tranen geofferd" (Hebr. 5: 7). Hij bad met oorlogskreten.

3e. Deze gebeden zijn zo overmogend, dat God ze beantwoordt: deze ellendige riep, en de Heere hoorde, en Hij verloste hem uit al zijn benauwdheden." (Ps. 34: 7) Mijn geroep, voor zijn aangezicht, kwam in zijn oren. (Ps. 18: 7). Het geroep geeft het gebed vleugelen, evenals een snelle bode, die naar het hof gezonden wordt, met een boodschap, waar leven of dood vanaf hangt: "Tot U hebben onze vaders geroepen, en zijn uitgered." (Ps. 22: 6). De rechtvaardigen roepen, en de, Heere hoort." (Ps. 34: 18). Wij kennen allen de gelijkenis van de arme weduwe, en de onrechtvaardige rechter: indien de verdrukte niet bevrijd wordt, dan zullen Christus en zijn Vader en de hemel er op letten. Hierom, 4e aandrang in het gebed. Ik zal U niet laten gaan, tenzij, dat Gij mij zegent," zei Jakob tot zijn Heere. Jakobus noemt het (Hfdst. 5: 16) een "krachtig gebed"; een gebed gestaald met vurigheid van geest; - - zo vurig, dat David als de bode is, die driemaal van paard verwisselen moet, omdat het buiten adem is; zijn hart, zijn keel zijn ogen. Ik ben vermoeid van mijn roepen, mijn keel is ontstoken, mijn ogen zijn bezweken: daar ik ben hopende op mijn God." (Ps. 69: 4). 5e Er wordt geweld op God gedaan in een vurig gebed. (Exod. 32: 10). Mozes, wanneer hij met God in de gebed worstelt, krijgt ten antwoord: "En nu, laat Mij toe, dat mijn toorn tegen haar ontsteke, en haar vertere." "Laat Mij toe," of laat Mij niet rust" (volgens de Eng. vertaling) is een woord van iemand, die geweld aangedaan wordt. Er zijn beenderen en zenuwen in zulke gebeden; daardoor wordt de Koning als gebonden op de galerijen (Hoogl. 7: 5).

Tegenwerping 1. Maar indien de zaak zo staat, dat de gebeden zo vurig moeten zijn, en ik met luider stem moet roepen en schreeuwen, dan kan ik niet bidden, want ik ben dikwijls zo verhard, dat ik geen woord kan spreken.

Antwoord. In zulk een toestand was die knecht Gods ook, in een geestelijk gebed, als hij zich in Ps. 77: 5 aldus uitlaat. gij hield mijn ogen wakende; ik was verslagen en sprak niet." ja, zuchten gaat bij God voor bidden door: dat de Heere uit de hemel op de aarde geschouwd zal hebben, om het zuchten der gevangenen te horen." (Ps. 102: 20, 2l). de Geest bidt voor ons met onuitsprekelijke zuchtingen.", (Rom. 8: 26). Het geloof zucht gebeden naar de hemel. Christus ontvangt zuchtingen in zijn wierookvat, als een gebed. Woorden zijn maar het lichaam, het kleed, de buitenkant van het gebed; zuchten zijn dichter bij het hartenwerk. Een stomme bedelaar krijgt een aalmoes aan Christus' poorten door het maken van gebaren, omdat zijn tong niet voor hem pleiten kan, en te eerder, omdat hij stom is.

Tegenwerping 2. Ik heb zelfs niet zoveel als een stem om mij voor God uit te drukken, en Christus zegt: doet Mij uw stem horen." (Hoogl. 2: 14).

Antwoord. Ja, maar er is buiten de tong nog iets anders, dat een stem heeft: de Heere heeft de stem mijns geweens gehoord." (Ps. 6: 9) Tranen hebben een tong en spraakkunst en taal, welke onze Vader kent. Zuigelingen kunnen niet bidden om de borst, maar zij wenen, en de moeder kan aan hun schreien horen, dat zij honger hebben.

Tegenwerping 3. Maar ik ben dikwijls zo, dat ik niet wenen kan; het wenen is een mens zo eigen als het lachen, en geestelijk wenen is de vernieuwde mens eigen.

Antwoord. Hevige aandoening beweegt ons dikwijls tot wenen, zonder, dat het iets uitwerkt: vandaar, dat Hizkia maar kan "piepen als een kraan, of zwaluw, en kirren als een duif" (Jes. 38: 14). De droefheid houdt niet altijd de grote weg; het wenen is maar de schede van de droefheid, en er is dikwijls meer droefheid, waar weinig of geen geween is; het meeste vuur is daar, waar de minste rook is.

Tegenwerping 4. Maar bij mij is in het geheel geen wenen, noch gewoon, noch verborgen.

Antwoord. Het opzien naar de hemel, het opheffen der ogen, staat in Gods boek ook als bidden aangetekend. "Ik zal mij tot u schikken en wachthouden." (Ps. 5: 4). [Eng. Vert. Ik zal mijn gebed tot U richten en opzien]. "Mijn ogen zijn bezweken van het opzien", (Ps. 69: 4) De redenen daarvan zijn: 1ste. Het gebed is een uitgieten der ziel voor God, en het geloof zal zich aan het oog vertonen, in plaats van aan een andere deur: de aandoeningen banen zich dikwijls een weg door het venster, wanneer de deur gesloten is, evenals de rook een uitweg vindt door het raam, wanneer de schoorsteen niet trekt. Stefanus hield de ogen naar de hemel. (Hand. 7: 55.) Hij zond uit het venster, langs de kortste weg, een bode, een begerige, medelijdende en hongerige blik op tot Christus, om te vertellen, dat een arme vriend tot Hem kwam. 2e. Wanneer ik in de hel was, zou ik niets meer verlangen, dan een lange blik op te zenden naar de hemel. Er zijn vele liefdeblikken der heiligen opgelegd voor de troon, in de boezem van Christus. Het fonkelen van Uw ogen onder het bidden, is niet verloren bij Christus; anders zouden Stefanus' blik en Davids opzien niet zoveel honderden jaren aangetekend staan in het geschreven Testament van Christus.

Tegenwerping 5. Helaas! ik heb geen ogen om op te zien. De tollenaar (Luk. 18) sloeg zijn ogen ter aarde. En welke geestelijke zinnen heb ik om Christus achterna te zenden?

Antw. Er is leven, dat uw neusgaten in en uitgaat. Ademen is bidden, en wordt uit onze hand aangenomen, alsof het een biddend roepen was. gij hebt mijn stem gehoord: Verberg uw oor niet voor mijn zuchten [Eng. Vert. ademen], voor mijn roepen" (Klaagl. 3:56).

Tegenwerping 6. Ik heb maar een hard hart om God in liet gebed aan te bieden, en wat kan ik dan zeggen, daar ik alle geschiktheid om te bidden mis?

Antw. 1e Bid daarom, dat gij mag bidden. 2e. Zelfs het voorkomen en de blote tegenwoordigheid van een dodige geest, wanneer er weinig hoorbaar bidden is, is Gode aangenaam, of, indien een overstelpt hart weigert te komen, is het het beste, dit Christus te gaan vertellen, en Hem te verzoeken, het hart zelf te komen halen. 3e. Er komt weinig daglicht voor de zon; de beste helft er van is onder de grond. "Wij ook zelf zuchten in onszelf, (Rom. 8: 23). Alles wordt hier binnen de wanden van ons eigen hart verhandeld. De ziel roept, "O! wanneer zal mijn vader komen en zijn kinderen halen. Wanneer zal de bruid in de schoot van haren man liggen? 4e. Als Christus een hard hart maar aanziet, dan zal het smelten. 5e. Ik toon hier het kleinste gebed aan, waarin het leven en het wezen van het gebed kan ademhalen en leven. Omdat nu het gebed een uitstorten van de ziel voor God is, zo komen er met het gebed ook vele aandoeningen van liefde, begeerte, verlangen, blijdschap, geloof, droefheid, vrees en vrijmoedigheid mee voor God, en het hart wordt in Christus' schoot gelegd. Ook is het niet boven noch beneden het wezen van het oprecht bidden, hetzij de ziel zich uit in woorden, in kermingen, of in uitzien, of in zuchtingen, of in het druipen van het oog tot God (Job 16: 20) of in het ademen.

Tegenwerping 7. Maar hoe zullen het half-bidden en de woorden zonder zin ontvangen worden?

Antw. Dit is het geval van de Kananese vrouw. Piscator merkt een weglating van woorden op, in het ontbreken van het rededeeltje (gar), of omdat, of want: "Ontferm u mijner - mijn dochter is bezeten"; zij moest gezegd hebben, "omdat mijn dochter bezeten is; maar het gemoed is haastig, zodat zij woorden weglaat. Zo worden gebroken gebeden in de Schrift als gebeden opgetekend. ik heb lief, want de Heere hoort mijn stem" (Ps. 116:1). Er staat in het Hebreeuws maar één woord (Ahabti), ik heb lief; maar hij zegt niet, wie hij liefheeft. Het is een gebroken woord, omdat hij, zoals Ambrosius zegt, het allerbegeerlijkste liefhad. Ik heb liefde, (wil hij zeggen) maar haar middelpunt en bed is God alleen. "Mijn ziel is zeer verschrikt, en gij, Heere, hoe lang? (Ps. 6:4). Dat is ook een afgebroken rede, voor mijn liefde staan zij mij tegen maar ik was [steeds in] het gebed." (Ps. 109: 4). De redenen van afgebroken gebeden zijn dikwijls, 1e De haastigheid der genegenheden; niet altijd de haastigheid van het ongeloof, (Jes. 28: 16) maar dikwijls van het geloof. (2 Petr. 3: 10). Liefde en verlangen naar Christus hebben arendsvleugelen, en de liefde vliegt, wanneer de woorden maar kruipen als een slak. 2e. Het komt door een verzwakking in de genegenheden, (zij zijn gebroken als een te sterk gespannen boog) dat er een verflauwing en verzwakking in woorden is. Elk deel van een smeekbede aan een vorst, is geen smeekbede; een arm mens kan uit vrees onzin spreken, en gebroken woorden uitbrengen, welke de vorst niet kan verstaan; maar onzin in het gebed, wanneer droefheid, donkerheid en een duistere, overstelpte geest woorden voor zegt, is wel verstaanbaar en heeft een goede zin bij God. Daarom, om het u duidelijk te maken, omdat het gebed Gods vuur is, zoals elk deeltje vuur vuur is; zo is ook hier elk afgebroken deeltje van het gebed gebed. Zo vergat de verloren zoon de helft van zijn gebeden; hij nam voor te zeggen: "maak mij als een van uw huurlingen," (Luk. 15: 19) maar (vers 21) hij bad zo iets niet, en toch viel hem zijn vader om zijn hals, en kuste hem. "Een plant is een boom in haar vermogen; een kind is een mens; zaden van zaligmakende genade zijn zaligmakende genade; het gebed is dikwijls in de ingewanden en de baarmoeder van een zucht; al komt het er niet uit, nochtans hoort God het als een gebed. en die de harten doorzoekt weet welke de mening des Geestes zij, omdat Hij naar God voor de heiligen bidt." (Rom. 8: 27). Heere, Gij hebt de wens der zachtmoedigen gehoord." (Ps. 10: 17). Wensen of begeerten hebben geen klank bij de mensen, om het oor te bereiken, maar bij God klinken zij als gebeden. Dan wanneer anderen niet kunnen weten, wat een gekreun betekent, weet God wel, wat zich onder het kleed van een zucht bevindt, omdat zijn Geest de zucht gemaakt heeft: Hij maakte eerst het gebed als een voorbidder, en dan hoort Hij het, als God; Hij is van binnen biddende, en van buiten horende.

Tegenwerping 8. Maar, zijn al mijn roepingen in het gebed werken des Geestes?

Antw. Het vlees kan er zich in mengen en zich bij het gebed aansluiten, en sommige dingen kunnen in haast gezegd worden en niet in geloof, zoals in dat gebed - heeft God vergeten genadig te zijn!" (Ps. 77: 10). Ook zal dat van Jeremia niet in Christus' gouden wierookvat gelegd worden, om de Vader voorgesteld te worden: "zoudt gij mij ganselijk zijn als een leugenachtige? Als wateren, die niet bestendig zijn?" Jer. 15: 18). Noch dat van Job (Job 13: 24) "Waarom houdt gij mij voor uw vijand?" Christus wast zondaren in zijn bloed, maar Hij wast de zonde niet; Hij pleit voor de bidder, opdat hij aangenomen worde, maar niet voor de werkingen en opwellingen der verdorvenheid en des vleses, welke met ons gebed vermengd zijn, dat die wit mogen worden. Christus verwerpt die dingen in het gebed, die wezenlijk kwaad zijn, maar Hij wast het gebed, en maakt, dat de Vader het aanneemt. Er zijn zoveel andere dingen, welke een uitgieten der ziel in het gebed zijn; als kermen, zuchten, opzien naar de hemel, hijgen, wenen, dat het niet uit te drukken is, hoeverre gedrukte en gelezen gebeden ten achterstaan bij een vurig gebed, want men kan geen zuchtingen, kermingen, tranen, hijgingen en dergelijke hartsboodschappen in een gedrukt boek terneerstellen; ook kunnen papier en inkt uw hart in al zijn zoete aandoeningen niet openleggen voor God. Het gebedenboek moet dan ook tandeloze en geesteloze praat zijn.

Leerrede 7

Zoon Davids; Heere, gij Zoon Davids!" Overweegt, waarom Christus in deze wijze van aanspreken de Zoon Davids, en nooit de zoon van Adam of de zoon van Abraham genoemd wordt. Weliswaar wordt Hij dikwijls de Zoon des mensen genoemd, maar nooit, wanneer iemand tot Hem bidt, en Hij staat in zijn geslachtsregister aangetekend als Davids zoon, Abrahams zoon, de zoon van Adam; maar de zoon Davids was zijn gewone betiteling, wanneer Hij aangebeden werd in de dagen zijns vleses. De redenen zijn: Ie. Christus stond in een bijzondere betrekking tot Abraham, als zijn zaad, maar meer bijzonder tot David, omdat het verbond op een bijzondere wijze opgericht was met David, als een koning, en de eerste koning, in wiens hand de Kerk, en haar te weiden als Gods kudde, als Gods pand was overgegeven. De Heere richtte het verbond der genade op met David en zijn zoon Salomo, die Hem een huis zou bouwen, en beloofde hem een eeuwig koninkrijk, en genade, en volharding in de genade, en dat door een vast verbond", de gewisse weldadigheden Davids" Jes. 55: 3; 2 Sam. 8: 8-16; 1 Kron. 22: 9, 10; 2 Sam. 23: 5). nochtans heeft Hij mij een eeuwig verbond gesteld, dat in alles wel geordineerd en bewaard is: voorzeker is daarin al mijn heil en al mijn lust". "Ik heb een verbond gemaakt met mijn uitverkorene; Ik heb mijn knecht David gezworen (Ps. 89: 4, 5). ik zal uw zaad tot in eeuwigheid bevestigen, en uw troon opbouwen van geslachte tot geslachte (vs. 21-38). Gabriël spreekt hetzelfde tot Zacharias (Luk. 1: 32, 33 en 68, 69; Hand. 13: 34-37; en 2: 30). Nu, het was nodig, dat Christus, de Messias regelrecht van een koning zou afstammen. Abraham was geen koning; Adam was niet formeel een koning door verbond, gelijk David was. 2e. Christus verwisselt met David van naam, zoals Hij nooit met enig mens deed. Christus wordt nooit Abraham genaamd, maar mijn knecht David zal vorst zijn in het midden van haar (Ezech. 34: 23, 24). Zij zullen de Heere hun God zoeken, en David haren Koning, (Hos. 111: 5). 3e. David beklom een voorbeeldige troon tegen de zin van Joden en Heidenen (Ps. 11: 1, 2), hetwelk Christus ook deed (Hand. 4: 25, 26), en hij weidde het volk Gods temidden van vele vijanden (Ps. 110: 1, 2), en dit deed Christus ook. (Hand. 2: 34, 36). Niet alzo Abraham; werd als een vriend behandeld in een vreemd land.

Waar ik op doel is dit: Naar de godgeleerdheid, die Joden en Heidenen, die God kenden, ontvingen, was Christus een koning door het verbond der genade, en de, bijzondere partij van het nieuwe verbond, evenals David. Dit zal tot meerdere klaarheid gebracht worden, wanneer wij het verbond nader onderzoeken: 1. Wat het is. 2. Wie. de partijen zijn. 3. Welke de beloften. 4. Welke de voorwaarden. 5. Welke de eigenschappen. 6. Enige gebruiken, met inachtneming van alle kortheid. Het verbond is hier een gemeenschappelijke en wederzijdse overeenkomst tussen twee partijen, volgens welke zij elkaar vrijwillig deze en die dingen beloven; hiervandaan sloten God en de mens, een plechtige overeenkomst in Christus. 2. Zij stemmen beiden toe. Christus dwong zijn bruid niet, om Hem tegen haren wil te huwen, ook was God niet gedwongen een verbond te maken. Het was liefde en genade, welke Christus de pen ter hand deed nemen, om het verbond met zijn bloed te ondertekenen. 3. Evenals een groep sterren een sterrenbeeld, en een verzameling takken een boom maken, zo komen een massa beloften samen in dit verbond. Overal, waar Christus is, groeien trossen goddelijke beloften uit Hem, evenals de stralen en lichtbundels uit de zon, en een familie ('als het ware), en vereniging van takken uit een boom. 4. Er is hier een geven en ontvangen. Christus biedt aan en geeft deze en die gunsten; wij ontvangen alles door te geloven, behalve de genade van het geloof, welke niet kan ontvangen worden door het geloof, maar uit vrije gunst en genade, buiten ons, in God. Onze gehele zaligheid is genade, van het begin tot het einde. Indien er geen Zaligmaker geweest ware, die (om die uitdrukking eens te gebruiken) geheel van genade gemaakt is, de genade zelf, dan konden wij nooit gemeenschap met God gehad hebben.

2. De partijen van het verbond zijn God en de mens. O, hoe liefelijk! dat zulk een Pottenbakker, en zulk een formeerder van alle dingen, in onderhandeling wil komen met zulke klei, die zo schuldig is voor Hem! Nu, de partijen hier, zijn aan de ene zijde God, en aan de andere zijde, de Middelaar, Christus, en de kinderen, die de Heere Hem gegeven heeft. Merkt op, 1. In het verbond der natuur en der werken, waren God en zijn vriend Adam de partijen, die een verdrag sloten, en in het tweede verbond zijn God en zijn metgezel Christus, en al de zijn, de partijen. Een verbond des vredes kan niet tussen een vijand en een vijand, als zodanig, zijn zij, die vijanden waren, moeten de toorn afleggen, voor zij een verbond kunnen sluiten. Tegenstrijdigheden kunnen als tegenstrijdigheden niet verenigd worden. God, die de enige Auteur is in, dit verbond, heeft eerst de vijandschap afgelegd. De liefde moet eerst liefde doen uitgaan, evenals het vuur de hitte moet uitstralen. Het is waar; dit verbond is gemaakt met zondaren, (evenals God het verbond der natuur met Adam maakte, echter rechtvaardig) maar een verbondsgewijze vereniging kon nooit tot stand zijn gekomen, tenzij God enigerwijze tot ons neergebogen ware, tot een bewijs, dat genade uitermate genadig is.

Christus is hier de partij, en zo heeft Christus een zevenvoudige betrekking. 1. Zoals Hij meer is dan een schepsel, is Hij het Verbond zelf. 2. Zoals Hij tussen de partijen staat, is Hij de Bode van het verbond. 3. Zoals Hij alles zag en hoorde en getuigde, is Hij de Getuige van het verbond. 4. Zoals Hij borg blijft voor de in geschil zijnde partijen, is Hij de Borg van het verbond. 5. Zoals Hij staat tussen de tegenover elkaar staande partijen is Hij de Middelaar van het verbond. 6. Zoals Hij het verbond ondertekent, en alle artikelen vastmaakt, is Hij de Testamentmaker van het verbond. 7. Zoals Hij een zijde, of de helft van het verbond is, is Hij de contracterende Partij in het verbond.

Wat de eerste betreft: ik zal U geven tot een verbond van het volk, tot een licht der heidenen." (Jes. 42: 6). ik zal U bewaren, en Ik zal U geven tot een verbond, van het volk." Jes. 49: 8). Christus, God en mens, is het gehele verbond: 1e Omdat Hij gegeven is, om het verbond aan beide zijden te vervullen. -9e. Hij is het verbond in het afgetrokkene; Hij is de vrede en de verzoening zelf. "En deze zal vrede zijn, wanneer Assur in ons land zal komen," (Micha. 5: 4). Gelijk het vuur heet is van zichzelf, en alle dingen heet zijn, die er deel in hebben, zo bent gij in zoverre met Christus in verbond, als gij iets van Christus hebt. Mist Christus, en gij mist de vrede en het verbond.

2. "Snel zal tot zijn tempel komen die Heere, dien gijlieden zoekt, te weten de Bode of de Engel des verbonds, aan dewelke gij lust hebt." (Mal. 3: 1) Christus reist met tijdingen tussen de partijen. 1 Hij brengt ons een boodschap van God. dat het de wil zijns Vaders is, dat wij zalig worden." (Joh. 6: 39). 2e. Christus brengt een tijding van zichzelf, want het doet Christus een makelaar zijn voor Christus, en het doet de Wijsheid 111 de straten uitroepen . "Wie wil Mij hebben?" (Spr. 1: 2022; en 9: 1-5). Het betaamde de Heere Jezus zichzelf te pri