Er is in ons vaderland nog gedurig een vraag naar oude schrijvers. Velen onder ons volk hebben in dit opzicht nog een begeerte naar "oude wijn." Welnu, dit boek, hoewel niet op eigen bodem ontstaan, is herkomstig uit een onverdachte bron: Dr. SAM. RUTHERFORD, bekend door zijn "Brieven", die tintelen van liefde voor Christus, in zijn hart uitgestort door de Heilige Geest. Als zodanig is geen aanbeveling nodig ook voor dit boek. Het beveelt zichzelf aan bij iedere lezer, die een vriend is der "vrije genade".
De kernachtige beeldspraak, de heilige kunst der fijne onderscheiding op het gebied der heilige godgeleerdheid - bovenal - de kennis van de eeuwig gezegende Christus in Zijn oneindige waardij boven al het geschapene, tekenen hem als een man, die niet alleen door God met grote wetenschappelijke gaven is gezegend geweest, maar een getrouw discipel van de hoogste Profeet, de Meester der verzamelingen, die Zijn nagels diep slaat in de harten der Zijnen. Onwrikbaar staande op de bodem van het Woord Gods, hanteert hij het zwaard des Geestes kloek en richt menige treffenden aanval op de Antinomianen, als mensen, die de leer der vrije genade krachteloos maken en de genade verkeren in ontuchtigheid.
Het is een boek voor deze tijd, nu vele rijken met elkaar in oorlog Zijn gewikkeld, de ontzaglijke oordelen Gods, die aan de wederkomst van Christus de Heere der heerlijkheid zullen voorafgaan, op aarde zijn.
Ook uit dit oogpunt bevat dit werk rijke lering, behartigenswaardige wenken. Dit boek lezende, zegt men, het is ook voor deze tijd geschreven. Welke dwalingen in de leer, welk een afwijking van God! Wat dient zich veel aan als Gereformeerde leer, dat toch in strijd is met de waarheid! Zo komt ook dit boek met de roepstem van de God van onze vaderen tot ons volk, zo rijk gezegend in de eeuwen van ons bestaan. "Keert terug tot de oude beproefde paden der waarheid." Niet minder echter met de liefderijke vermaning: "vernedert u onder de krachtige hand Gods, opdat Hij u verhoge te Zijner tijd."
Mag God naar Zijn vrijmachtig welbehagen Zijn onmisbare zegen leggen op dit werk van de met Gods Geest zo rijk gezalfden hoogleraar, die liggend op zijn sterfbed, uitriep in onuitsprekelijke blijdschap: o hoe schoon, hoe schoon is Immanuëls land! Doe Hij het tot verheerlijking van Zijn heiligen Naam ook onder ons volk gedijen, door het als een middel te gebruiken tot ontdekking, besturing, vertroosting, ja, tot een beschamende en zielverkwikkende zegen.
Wat de vertaling betreft, deze is niet door één maar twee handen geschied. Een der vertalers, die aan dit werk eerst begonnen was, nam het eerste gedeelte tot aan Leerrede XIX voor zijn rekening. Doch beiden hebben elkaars werk nagezien en verbeterd. En - zij mogen verklaren, dat het hun een ere en een genoegen was, deze arbeid te verrichten, waar zij zelf daaruit lering ontvingen en er genotvolle uren mee hebben doorgebracht, die hun eigen nietigheid, zondigheid, verlorenheid herinnerde, doch hen ook in verwondering bracht en vernieuwde aanbidding van de Heere der heerlijkheid. Ook al ware dit boek niet in druk verschenen, zou het hun niet berouwd hebben, deze arbeid te hebben ondernomen. Doch, naarmate zij bezig waren met dit werk, werd de begeerte aangewakkerd, dat die woorden onder ons volk verspreid werden, en de driemaal heilige Naam des Heeren hierdoor verheerlijkt mocht worden. En het mag zijn in deze zekerheid: het welbehagen des Heeren zal door Zijn hand gelukkig voortgaan."
de Vertalers:
IJ. DOORNVELD, pred. te Vuursche.
C. B. VAN WOERDEN.
Aan de Hoog Edele Vrouw Mevrouw JANE CAMPBELL Markgravin van Kenmure, zuster van de Hoog Edelen en Machtigen Marquis VAN ARGIJLE,
GENADE EN VREDE.
Mevrouw.
Ik zou klagen, dat er in deze tijden te veel getwist en geschreven wordt, indien men mij niet even schuldig hierin oordeelde, als zij zijn, die ik beschuldig. Doch, in der waarheid, het is een wonder, zo wij geen talentpond goedheid en Christelijke liefde verliezen, terwijl wij trachten een greintje waarheid te winnen. Ik ben ook verzekerd, dat hoewel zoveel kennis en licht strekken kunnen om veilig te wandelen, doordat de zekere grenzen der goddelijke waarheden duidelijker onderscheiden worden van elke valse weg, (ja, veronderstel, dat het naspeuren van de vragen des tijd slechts een nuttig en noodzakelijk kwaad is,) nochtans de achteruitgaande gesteldheid van de ergste tijd der wereld, de ouderdom van de tijd, nu de eeuwigheid zo snell nadert, nodiger en beter dingen van onze handen vereist. Het is te betreuren, als de nachtwacht bij het eerste krieken van de dageraad vast in slaap valt, wanneer hij de gehele vacht gewaakt heeft. Het aanbreken van de morgen der opstanding is nu zeer nabij. O, hoe gelukzalig zijn wij, indien wij zorg dragen voor het een nodige!
Het is onze overdenking wel waardig, dat een (naar mijn gedachten, ongeschapen) Engel, staande op zijn eigen land, "met zijn rechtervoet op de zee, en zijn linkervoet op de aarde," een geschil, dat door spotters opgeworpen is, met enen eed beslecht heeft, (2 Petr. 111; 3.) ja, dat Hij, "met zijn hand opgeheven naar de hemel gezworen heeft bij Dien, die leeft in alle eeuwigheid, die de hemel geschapen heeft en hetgeen daarin is, en de aarde en hetgeen daarin is, en de zee en hetgeen daarin is, dat daar geen tijd meer zijn zal." Openb. 10: 5, 6. Indien nu zestienhonderd (1900) jaar geleden, door de eed Gods, rechterlijk vastgesteld is, dat de eeuwigheid nabij, voor de deur is, dan is het hoog tijd, dat wij er aan denken, wat wij doen zullen, wanneer het lemen huis van deze tabernakels, dat ons zomerhuis maar is, waarin wij maar een vierde van een jaar kunnen doorbrengen, zal afgebroken worden. De tijd is maar een korte doorgang; wij worden er snel doorheen gevoerd. Onze roos verwelkt, eer zij tot haar volle luister komt. Ons deel van deze kortademige schaduw, de duimbreedte, de halve voorarmlengte, de arme spanbreedte van de tijd, vliegt zo snel weg als een weversspoel, (Job 7: 6) die in een ogenblik tussen duizend draden door vliegt. Hoeveel honderden uren springt onze hijgende, lemen post in een zomer over, wegvliedende als jachtschepen, en gelijk de arend naar het aas toevliegt." Job. 9: 25, 26.) Indien de dood zo ver af was van onze kennis als graven en doodkisten (die aan onze ogen de dood prediken) nabij zijn aan onze zintuigen, die de reuk des doods tot onze adem overbrengen, zodat wij wel moeten erkennen, dat het verderf ons zeer nabij is; wij zouden profeten noch apostelen geloven, als zij zeggen: "Alle vlees is gras," en "het is de mens gezet eenmaal te sterven."' Eeuwigheid is een groot woord, maar de zaak zelf is groter. De dood, het einde van onze korte loopbaan, onderwijst ons, wat wij zijn, en wat wil zijn zullen.
Indien Christus, de staat van zaken, waarin wij nu zijn en de uitnemendheid der vrije genade, in al hun luister en schoonheid te zien waren, dan zouden wij er veel wijsheid door kunnen op doen. Christus heeft weinig voorspoed in het overwinnen van liefhebbers. Omdat wij niet "te eniger lijd zijn gedaante gezien hebben, zien wij niet op Christus, maar op de toevallen, die naast Christus zijn, en daarom achten weinigen Christus als een groten schat, die zo goedkoop te bekomen is. Er is geen roos buiten de hemel, waaraan geen gebrek is en geen doorn groeit, dan alleen die een roos van Saron, welke heerlijkheid uitbloesemt. Ieder blad van die Roos is een hemel, en dient "tot genezing der volkeren"; alle wit en rood, dat er in is, is onvergelijkelijke heerlijkheid; elke daad, waardoor zij haren geur van zich geeft is van eeuwigheid tot eeuwigheid, vlekkeloze en onvermengde zaligheid. Christus is het begin, de allervoortreffelijkste Bloem, de ongeschapen Bloemenkrans van de hemel, de liefde en blijdschap van mensen en engelen. Doch de fonteinliefde, de fonteinverlustiging, de fonteinvreugde van mensen en engelen is meer, want daaruit vloeien al de zeeën, bronnen, rivieren en vloeden van liefde, verlustiging en vreugde. Denk u in, dat alle regen en dauw, zeeën, fonteinen en vloeden, van de schepping af, in een wolk besloten waren, en die vermenigvuldigd in éénheden, tot een getal van vele miljoenen maal miljoenen, en dan in druppelen van stortregens verdeeld tot een aantal ver boven de bevatting, van mensen en engelen; - dit zou een geschapen bui zijn, welke na zeker tijdsverloop zou ophouden; deze zeer grote wolk van zoveel rivieren en druppelen zou uitregenen en opdrogen. Maar zo kunnen wij ons Christus niet voorstellen, want indien wij ons miljoenen mensen en engelen denken met een medeeeuwig, afhankelijk bestaan van Christus, die eeuwig "genade voor genade ontvangen uit zijn volheid;" de vloed en uitstroming der genade zou eeuwig zijn als Christus. Christus toch kan van eeuwigheid noch moe noch mat worden Christus te zijn, en daarom moet Hij, ja Hij kan niet anders dan een oneindige en eeuwig vloeiende zee zijn, die stromen en vloeden van grenzeloze genade uitlaat en uitgiet. Stel, dat de roos eeuwig is, dan moeten ook de aangename geur en de lieflijkheid van frisheid en kleur eeuwig zijn.
O, wat is het een gelukzaligheid voor een ziel haar voortreffelijkheid te verliezen in zijn alles overtreffende heerlijkheid! Wat een zaligheid voor het schepsel, om zijn klein al te werpen in de weergaloze algenoegzaamheid van Christus! Konden alle stromen zich weer terugtrekken in de fontein en oorsprong, zij zouden in de school hunner eerste oorzaak meer liefelijk en hecht in het bezit blijven van hetgeen zij zijn, dan in hun geleende kanalen, waarin zij zich nu bewegen. Ons nabijzijn bij, ons zich terugtrekken met onze geleende goedheid in Jezus Christus, om tot in alle eeuwigheid in de Fonteinzaligheid ie wonen, is het hechte en vaste vruchtgebruik, waaruit wij eeuwig zalig zullen zijn. Christus is de kring, de oorsprong, het element, in wie de geleende druppelen en stukjes geschapen genade natuurlijk verenigd zijn. De roos is het veiligst in haar bestaan en schoonheid, op haren eigen stengel en wortel. Wanneer leven en sap eeuwig in stengel en wortel zijn, en de roos wordt niet van de wortel afgescheiden, zal zit nooit verwelken, nooit haar frisse schoonheid verliezen, of haren bloesem afwerpen. Het doet een begenadigde ziel geweld aan, los te zijn van haren stengel en wortel. Het leven en de zaligheid zijn in vereniging gelegen, daarom is het laatste gebed der Kerk in de Heilige Schrift om vereniging (Openb. 22: 20).
"Amen. Ja, kom Heere Jezus." Het zal niet wel zijn voordat de Vader en Christus, de eerste Erfgenaam, en al de wenende kinderen, in het koninklijk paleis, onder één dak zijn. Het is een soort van mystieke verminking, dat het Hoofd een arm of vinger mist, en het is voor arm en vinger een geweldaandoende en gedwongen toestand, van het Hoofd, gescheiden te zijn. De gelovigen zijn kleine deeltjes van het mystieke lichaam van Christus, krank van liefde uit begeerte naar vereniging. De vrouw der jeugd, die haren man enige jaren mist en verwacht, dat hij van overzeese landen tot haar zal wederkomen, staat dikwijls aan het strand. Elk schip, dat de kust nadert, wekt haar blijdschap opnieuw op; haar hart heeft de wind lief, welke hem thuis zal brengen. Zij vraagt elke passagier om tijding: "O! hebt gij mijn man ook gezien? Wat doet hij? Wanneer zal hij komen? Is hij al op de terugreis?" Elk schip, dat haar man niet meebrengt, doet haar hart breken. Hoe verlangend zien de Geest en de Bruid er naar uit, om te horen, dat de Man Christus tot de krachtige engelen zal zeggen: maakt u gereed voor de reis, laat ons neerdalen en de hemelen vaneenscheiden, en de hemel buigen; Ik wil mijn gevangenen van hoop tot Mij vergaderen; Ik kan mijn Rachel en haar wenende kinderen niet langer missen. Ziet Ik kom haastelijk om de volkeren te oordelen." De Bruid, de vrouw des Lams, zegent de voeten der boodschappers, die zulke tijdingen prediken: "Verblijd u, o Zion, doe uw sierlijke klederen aan; uw Koning komt". ja, zij heeft dat gedeelte van de lucht lief, dat vaneen gescheurd en gescheiden, zal wijken voor haren Man, als Hij er zijn heerlijke hand door zal steken, om haar, terwijl Hij op de regenboog en de wolken zit, tot Hem op te nemen.
De toestand, waarin het volk van God in de drie koninkrijken verkeert, vereist, dat wij nu wijselijk overwegen, wat de Heere doet. Er is een spraak van des Heeren, "vuur in Zion" en van zijn oven in Jeruzalem", welke wij zouden horen, indien wij de stem van de roepende roede maar verstaan konden. Gods pijlen vliegen over ons en nevens ons, maar wij zien er weinig van God in; wij zeilen, maar wij zien geen kust, wij strijden, maar wij overwinnen niet.
De uitwerking van de tweede oorzaken is al de last, die wij hebben van hetgeen er geschiedt, en deze last leggen wij op de schepselen hoewel het boven hun kracht gaat die te dragen, en niet op de Heere. God roept een verlamming uit over de schepselen en de menigte, opdat de uitnemendheid van zijn werk te beter zal gezien worden.
2. Velen zijn vrienden van het succes der reformatie, niet van de reformatie zelf. Het geloof der mensen gaat met de beloften mee, zolang, tot het hun toeschijnt, dat de Voorzienigheid de belofte tot leugen maakt. Velen zien God in deze verwarringen in de drie koninkrijken bij het licht, dat door een sleutelgat valt, doch zij vallen af, omdat zij zich met de zaak van God verenigden, uit een gedwongen vriendelijkheid jegens Christus.,. Het is geen vriendenbezoek, wanneer men naar het huis van een vriend gedreven wordt, om te schuilen voor een stortbui, en dan bij die gelegenheid een bezoek af te leggen bij vrouw en kinderen. Christus heeft maar al te veel gelegenheidsvrienden; doch dit is de grond van alles: "Ik heb Jezus Christus lief, maar ik heb de gave niet, om mij levend te laten verbranden voor Christus. O hoe veilig zou het geloof ons doen landen, buiten schot van de overmogende kracht van een zwarte ure van duisternis, het geloof kan ons in staat stellen, gewillig voor Christus een deel van de helse pijn te doorstaan. Heere, laat niet toe, dat de wijsheid der wereld ons verdwaast!
3. Wanneer de verzoeking slaapt is de dwaze wijs, en de hoer kuis, maar wanneer het vat wordt opengestoken, dan komt er uit, wat er in is, hetzij wijn of water. Wanneer wij aandachtig luisterden naar de huichelaars, wij zouden horen, dat de snaren hunner luit ellendig vals klinken, want huichelarij doet zich als zodanig kennen en wordt spoedig ontdekt.
Wilden de Parlementen met Christus beginnen, wij behoefden niet bang te zijn voor hetgeen wij nu met reden moeten vrezen: "het een wee is weggegaan, een ander wee komt". De profeten in de drie koninkrijken hebben zich niet bekeerd van bijgeloof, eigenwillige godsdienst, afgoderij, vervolging, goddeloosheid en vormdienst, welke hen verachtelijk maakten voor het volk, en de rechters en vorsten, die het recht in gal en alsem verkeerden, hebben zich niet vernederd, daarover, dat zij een strik zijn geweest te Mizpa, en een uitgespannen net op Thabor". Niemand heeft berouw, en keert zich van zijn boze weg", niemand "klopt op zijn heup, zeggende: "Wat heb ik gedaan?" Het is niets anders dan zwarte Paperij (de naam is wel veranderd, doch de zaak niet) te denken, dat de verleden zonden van het land voorbij zijn, en een soort van reformatie voor de toekomst voldoende is bij God door het gewrochte werk. (Ex opere operato. Rutherford.) Ja, de verdeeldheden in de Kerk zijn een zwaardere plaag dan het woedende zwaard. Deze zelfde zonden tegen de eerste en tweede Tafel; ons verzoenen met Babel, hoogmoed, omkoping, afpersing, ongestrafte onreinheid en onmatigheid, bloedschuld rakende aan bloedschuld, zonder dat dezelve gewroken is, ijdelheid in de kleding, een door allerlei soorten van religie beleden weg van zaligheid, worden nu op een ander toneel vertoond, door andere personen, doch het zijn dezelfde zonden. Indien die Opperhoofdigheid, welke vleiende prelaten Jezus Christus ontnomen en de koning gegeven hebben, nog van Christus afgenomen en aan mensen gegeven wordt; indien de kroon Christus van het hoofd gerukt wordt, het doet er niet toe, wiens hoofd zij verwarmt, op beide wijzen wordt zij Christus ontnomen. Ik zal bidden, dat de vettigheid van Jacobs vlees hierom niet mager worde" (Jes. 17: 4) en dat de strijd van Brittannië vervuld worde. Indien de getrouwe vechters weten, welk uur van de nacht het nu is, dan is het niet zeer waarschijnlijk, dat de dageraad van Brittannië's verlossing nabij is, of dat onze hemel spoedig zal opklaren. Gave God, dat het Jaar 1643 zwanger ware, om het heil van Brittannië voort te brengen! Het was eens even ongelooflijk, dat de vijand zou ingegaan zijn "binnen de poorten van Jeruzalem" (Klaagl. 4: 12), als het nu is, dat zij kunnen inkomen in de havens van Londen, Edinburgh of Dublin. Ik zeg dat niet, om de Cavaliers te bemoedigen, want gewis, God waakt over hen ter wrake, maar laten wij niet voortgaan te breken mei Christus.
De zwakheid van nieuwe verstanden, welke nieuwe godsdiensten verzinnen en de goden vermenigvuldigen (want twee verschillende en tegenstrijdige godsdiensten voeren uitlegkundig het bewijs, dat er twee verschillende goden zijn), naar het getal van onze steden", moet haar oorzaak hebben in de verrotheid van onze harten. O, dat wij onderwezen wierden, "eer het besluit", dat zwanger is van plagen over de zondaars, te Zion een knechtje bare, en eer de lange schaduwen van de avond over ons worden uitgestrekt!
Doch niet meer over dit onderwerp. Genade is de stof van deze volgende verhandeling. Wanneer genade, of verkeerd word in geschilderde, doch verrotte natuur, zoals de Arminianen doen, of in ontuchtigheid, gelijk anderen doen, dan stijgt die dwaling in mijn ogen tot een geheel andere en verderfelijker hoogte, dan de meningen over kerkregering. De dwalingen der Antinomianen stijf aan te kleven, met een halsstarrige volharding tot het einde, zowel ten opzichte van het geloof in, als van een gepaste beoefening ervan dezelve, kan, naar mijn gedachte, aan geen wedergeborene worden toegeschreven; want het is een gevoelen, dat niet voorkomt op de kant en de randen, maar op de bladzijde, het is de inhoud van het boek; het komt te na aan middelpunt en de levensdelen van het Evangelie. Indien iemand geërgerd is, ik begeer hem alleen te vertoornen met een gunning van genade. Ik begeer mij niet anders te wreken dan door liefde tot en medelijden met hun zielen.
Indien Uw Hoog Edele sommige van deze leerredenen weleer gehoord hebt, en zij u nu, het kan zijn, in zuiverder Engels onder de ogen komen, terwijl ik misschien wel wat uitgesteld heb, tot de laatste druiven rijper waren, toch hoop ik, dat gij het mij zult vergeven, dat ik vrij ben van uw naam gebruik te maken, wat ik waarlijk niet zou gedaan hebben, indien ik niet bekend geweest ware met uw beoefenende kennis van dit edele en uitnemende onderwerp, de Vrije genade Gods. Ik kon hier meer aan toevoegen, maar ik prijs liever genade dan begenadigde personen. Ik weet, dat Jezus Christus, die de hemel met zijn koninklijke tegenwoordigheid als tot een welbekende bloemhof maakt, en de hemel der hemelen tot zijn uiterste grenzen met heerlijkheid bestrooit, de lof ontvangen heeft, dat Hij vol genade is, een vat tot aan het boord toe vol. (Ps. 45: 2, Joh. 1: 16.) De genade heeft zowel onze persoon als onze dienst gekocht, (1 Petr. 2:24, 25) evenals hij, die een gevangene koopt, geld uitgeeft, niet alleen voor zijn persoon, maar ook voor elke beweging, inspanning en arbeid van zijn lichaam, benen en armen. Verlossende genade is zo volkomen, dat de Satan, laat hij misschien macht hebben een bod te doen, nooit een van de verlosten kan kopen, evenmin als een koopman de gekochte goederen van een ander, zonder diens toestemming, kopen kan. Al ons geluk, dat hier aan de gevers van de tijd groeit, is zo dun gezaaid, als de aardbeien aan het zeestrand. De goede gaven der natuur, die wij zonder genade hebben, zijn als een schone lelie, doch er is een worm in haar wortel, zij verwelkt van de wortel uit, tot de top. Gaven zonder genade verdorren ras; gaven verbreken of vernederen niet; genade kan beide doen. Genade is zoveel kostelijker en liefelijker, omdat zij, al is zij het gevolg van de zonde, daarin, dat door haar de door de zonde veroorzaakte verlamming vergeven en genezen wordt, geen andere bron heeft dan de ingewanden Gods, welke in Hem geroerd rommelende zijn, alleen door vlekkeloze en heilige goedheid. Genade is alleen van de hemel, van het huis des afkomstig. De stof, het onderwerp, of de persoon, in wie zij woont, bracht niets toe aan de schepping van deze, zo edele tak. Voornamelijk om deze oorzaak verliet Christus de schoot Gods, kwam Hij in het vlees en nam Hij onze natuur aan, opdat Hij een lichaam, een zee, een grenzeloze rivier van zichtbare, levende en ademende genade zijn zou, die oprijst tot de hoogste oevers, niet alleen van de bewoonbare wereld, maar ook tot de zijden van de hemel der hemelen, om mensen en engelen te overstromen. Zodat Christus was, als het ware, genade sprekende, (Ps. 45: 3; Luk. 4: 22) genade zuchtende, wenende, roepende uit de vrees, stervende, verdorrende voor zondaars, weer opstaande, (Hebr. 11: 9; Joh. 3: 16; Rom. 8:33 en 34) en is nu verheerlijkte genade, neerdruppelende, ja, vloeden van genade regenend op zijn leden. (Efeze 4: 11-16; Joh. 14: 13, 16, 17). Christus nu voor ons biddende aan de rechterhand Gods, is deze zestienhonderd (1900) jaren de grote Appelboom, die zijn levensappelen laat vallen, want er is altijd oogst geweest van de hemelvaart van Christus af en de druiven van de hemel zijn rijp. Alles wat van de boom valt, bladeren, appelen, schaduw, geur, bloesem, zijn maar deeltjes genade, van Hem neervallende, die de volheid van alles is, en alle dingen vervult. Wij zullen nooit volkomen zalig zijn, voordat wij allen in een onmiddellijke vereniging onder de Appelboom zitten. Dit is een zeldzaam stuk, bij wijze van mededeling van de goddelijke natuur. Christus passeerde een onvergelijkelijke acte van rijke genade aan het kruis, en nu is Hij in de hemel werkzaam en pleit Hij om genade, en om de toepassing van de genade der verzoening; (1 Joh. 11: 1, 2) en door een akte van genade heeft Hij al de uitverkorenen en vrijgekochten als een zege op zijn hart gegraveerd; en daar Christus Gods metgezel is, de Man, die vlak voor Hem staat, zo is de eerste oogopslag van God bepaald tot de borst van Christus en het graveersel van vrije genade. Al de heerlijkheid van de verheerlijkten bestaat hierin, dat zij, zowel in het Lager- als in het Hogerhuis, ja, zoals zij de staatsheren en de adel van de hemel zijn, het eeuwig vruchtgebruik hebben van het vrijgoed der genade. Zodat een ziel geen schoner erfenis begeren kan, dan de Vaderlijke nalatenschap, het lot en het erfdeel van vrije genade.
Nu, aan deze genade uw geest bevelende, als een erfgename der genade, blijf ik met alle verschuldigde hoogachting, in de genade Gods,
Uw Hoog Ed.
S. R.
En van daar opstaande, ging Hij weg naar de landpalen van Tyrus en Sidon; en in een huis gegaan zijnde, wilde Hij niet, dat het iemand wist, en Hij kon nochtans niet verborgen zijn. Mark 7:24.
En Jezus van daar gaande, vertrok naar de delen van Tyrus en Sidon. En ziet, een Kananese vrouw, uit die landpalen komende, riep tot Hem, zeggende: Heere! Gij Zone Davids, ontferm U mijner! mijn dochter is deerlijk van den duivel bezeten. Matth. 15:21, 22.
Want een vrouw, welker dochtertje een onreinen geest had, van Hem gehoord hebbende, kwam en viel neder aan Zijn voeten. Deze nu was een Griekse vrouw, van geboorte uit Syro-fenicie; en zij bad Hem, dat Hij den duivel uitwierp uit haar dochter. Mark 7:25, 26.
Deze tekst, die zwanger is van vrije genade, vertoont ons een aanmerkelijk wonder: en omdat Christus hier op een verheven wijze werkzaam is, en hier ook veel is van Christus' nieuwe schepping, een bloem geplant en bevochtigd door Christus' eigen hand, een sterk geloof in een beproefde vrouw, vereist het een tot oplettendheid gebogen hart: want deze tekst roept tot een ieder, die Jezus Christus zoekt, "Kom en zie. Het doel van de woorden is om biddende gelovigen op te wekken (wanneer zij niet dadelijk een antwoord ontvangen) tot een vast besluit aan Christus' deur te blijven liggen en te sterven, het in de gebed te volharden tot de Koning uitkomt en open doet, en de begeerte van de hongerige en arme beantwoordt.
2. Wat het onderwerp betreft, het is een geschiedenis van een zeldzaam wonder, door Christus gewrocht, in het uitwerpen van een duivel uit de dochter van een Kananese vrouw: en dit uitwerpen van de duivel uit Kananese was voor Christus als het ontplooien voor de naties van de witte banier van Christus' liefde, en als het planten van de standaard van koning om de heidenen onder zijn kleuren te vergaderen.
De delen van het wonder zijn:
1. De plaats, waar het gewrocht is. (Matth. 15: 21).
II. De partijen aan wie; de moeder en de bezetene dochter: zij wordt beschreven bij haar natie.
III. De aandrijvende oorzaak: zij, horende, kwam en aanbad Jezus voor haar dochtertje: waarin een samenspraak voorkomt tussen Christus en de vrouw en deze bevat: Ten eerste: Hoe Christus haar beproeft, 1e; met niet te antwoorden; 2e. met een weigering; 3e. met het verwijt dat zij een hond is. Ten tweede: De aandrang van haar geloof, 1e. in haar roepen, totdat de discipelen tussenbeiden kwamen; 2e. haar voortaan in het aanbidden. 3e. het bidden; 4e. het redetwisten door het geloof met Christus, dat zij enig belang in Christus had, al behoorde zij onder de honden; dit echter (wijl genade geen boos oog heeft) niet benijdende, dat de ochtendmarkt van Christus en de volle tafel het recht der Joden, als de kinderen van de koning, was; zo mocht zij onder de honden zijn, om de kruimeltjes te eten onder de tafel van Christus, wetende, dat zelfs een weigering van Christus uitnemender is dan tien werelden.
IV. Het wonder zelf, gewrocht door het geloof der vrouw, waarin voorkomt: 1e Christus' verheffing van haar geloof; 2e. Het toestaan van haar verlangen; 3e. De mate van Christus' milddadigheid, "gelijk gij wilt"; 4e. De genezing van haar dochter.
Marcus zegt, dat de vrouw tot Christus in een huis kwam. Mattheüs schijnt te zeggen, dat zij op de weg tot Hem kwam, gelijk die woorden uitdrukken: laat ze van U, want zij roept ons na. Augustinus is van gedachten, dat de vrouw eerst tot Christus kwam, terwijl Hij in het huis was, en begeerde verborgen te blijven, of omdat Hij (om de ergernis der Joden) zich niet openlijk aan de heidenen aanbood, zijn discipelen verboden hebbende tot de Samaritanen te gaan; of omdat Hij zijn heerlijkheid voor een tijd verborgen wilde houden; of wel, dat Hij zich met opzet voor de vrouw verborg, opdat haar geloof Hem mocht ontdekken, en dan, waar de vrouw in het huis een antwoord geweigerd wordt, volgt zij Hem op de weg en roept Hem na, gelijk Mattheüs zegt. Want 1e Christus' liefde is mild, maar moet met smekingen gezocht worden, en hoewel Christus zijn liefde niet verkoopt voor het bagatel van onze arbeid en moeite, toch moeten wij diep graven om zulk een goudmijn als Christus is; 2e. Christus' liefde is wijs. Hij houdt ons aan het kloppen, tot onze begeerte krank van liefde naar Hem is, en Hij weet, dat uitstel de prijs en de waarde van Christus verhoogt en vermeerdert. Wij onderschatten alles, wat wij maar voor het grijpen hebben. Indien Christus zich aan onze boezem en in onze schoot wierp, terwijl wij in een morgenslaap zijn, dan zou Hij het merg en de bloem van onze achting niet hebben. Het is goed, dat ons vuur met wat water besprengd wordt, terwijl wij Christus zoeken. 3e. Zijn liefde moet het hart niet alleen leiden, maar ook trekken. Heftigheid in de liefde is zeer innemend, en uitstel van genieting van een zo beminnelijk iets als Christus, verwekt heftigheid in onze genegenheden; opschorting van de tegenwoordigheid smeert de raderen van liefde, verlangen en blijdschap: het gemis van Christus is een vleugel voor de ziel.
Uitleggers vragen, wat voor een vrouw zij was. Mattheüs zegt: een Kananese, niet van edele afkomst; een Syrophenicische; want Syrophenicië lag op de grenzen van Palestina en Syrië, en werd toen bewoond door de overblijfselen der Kanaänieten; een Griekse, niet door geboorte, maar om haar Griekse tongval en de ritus daarheen overgebracht door Alexander en de opvolgende koningen van Syrië. In de taal der Schriften gaan al de heidenen onder de naam van Grieken, als in Rom. 1: 14; Gal. 3: 28; 1. Kor. 1: 22, 24; niet omdat zij allen Grieken zijn door nationaliteit en afkomst, maar, omdat verovering, taal en gewoonten, de plaats innemen van afkomst en geboorte. Hoewel, het wordt in Christus' rekenboek als geen blaam aangemerkt, of uw vader een Amoriet of een Hethiet was, zo gij tot Hem komt: Hij vraagt niet van wie gij afstamt, indien gij de zijne bent; noch wie uw vader is, als u maar een broeder wilt zijn, en van zijn huis bent.
"En van daar opstaande, ging Hij weg naar de landpalen van Tyrus en Sidon," Mark. 7: 24. Christus, Judea moe zijnde, was bedroefd in de geest wegens de huichelarij der Farizeeën en de terging van dat hardnekkig volk. Hij was verjaagd tot de onreine Heidenen. De verharding der Joden, opent een weg, om Christus' eerste en jonge liefde tot de heidenen te betonen. Christus trekt maar een baan van het gordijn der afscheiding op zij, en ziet er door op een gelovige heidin. De Koning opent een klein venster, en vertoont zijn aangezicht in een oogwenk aan de Kananese vrouw. Zo zijn de werken van Christus' hoge voorzienigheid, vrije genade en zuivere rechtvaardigheid dooreen geweven tot een weefsel. Hij vertrekt van de Joden en vestigt zijn oog en hart op de heidenen,
Aanschouwt hier de kunst der Voorzienigheid.
1e De duivel knipt soms het patroon en onze wijze Heere naait het aaneen. Babel doodt, God maakt levend zonde, hel en dood, worden tot een wagen gemaakt ten dienste van des Heeren uitnemend werk. 2e. De voorzienigheid Gods heeft twee kanten; de een zwart en droevig, de andere wit en vrolijk. Ketterij wordt sterk, en is fris voor de zon, Gods duidelijk maken van noodzakelijke en gepaste waarheden, is een schone kant van diezelfde voorzienigheid. In Adams eerste zonde, groeven de duivel en de hel een gat door het liefelijke en schone samenstel van de schepping Gods; en dat is de donkere kant der voorzienigheid: maar de bloem van Jesse opschietende, om de zonde weg te nemen, en om mensen en engelen de heerlijkheid van een hemel, en een nieuwe wereld van vrije genade uit te schilderen, dat is een heldere kant van de voorzienigheid. Christus gegeseld; Christus in een geval, dat Hij geen beker water kan bevelen; Christus stervende, te schande gemaakt en verlaten, is zwart - maar Christus in datzelfde werk de gevangenen der hel verlossende, het verbeurde paradijs voor zondaren ontsluitende, dat is schoon en wit. Jozef onschuldig in de gevangenis wenend is schandelijk en treurig; maar Jozef daar uitgebracht om als onderkoning te regeren, teneinde de Kerk van God in grote hongersnood in het leven te behouden is verblijdend en heerlijk. De apostelen gegeseld, in de kerker geworpen, de gehele dag gedood, zijn treurig en bezwaard: maar hiermee verbonden, dat God hen altijd doet triomferen, en de reuk der kennis van Christus openbaar maakt; en Paulus triumferende in zijn ijzeren boeien en Christus verhogende in het Evangelie, door middel van het hof van de bloedige Nero, - geeft een schoon en liefelijk samenweefsel van de goddelijke voorzienigheid. 3e. God nu heeft in al zijn werken, wanneer Hij van de hemel een droevige stortbui van bloed op de drie koninkrijken laat regenen, Zijn een voet op de gerechtigheid, opdat toorn de beker der boosdoeners, prelaten en papisten tot de rand mag vullen; en zijn anderen voet op de barmhartigheid, om af te wassen de drek der dochteren Zions en om de bloedschulden Jeruzalems te verdrijven uit het midden ervan door de Geest des oordeels en door de Geest der uitbranding.'' En dit is Gods weg en gewone pad (Psalm 25: 10.). En in een en dezelfde beweging, kan God wandelen zowel naar het oosten en naar het westen, als naar het noorden en naar het zuiden.
Gebruik. Het is onze schuld, dat wij Gods wegen en werken bij stukken en brokken bezien, en zo zien wij dikwijls niets dan de zwarten kant en het donkere gedeelte van de maan. Wij verstaan alles verkeerd, wanneer wij de werken der mensen bij gedeelten bezien; een in aanbouw zijnd huis, in honderd stukken liggende; hier timmerhout, daar een balk, hier een spar, daar een steen; op de een plaats een half venster, op een andere plaats het kozijn van een deur: er is geen schoonheid of aanzien van een huis in. Hebt echter een weinig geduld, en ziet hoe zij alle kunstig elk op zijn plaats samen gevoegd worden, en gij zult een schoon gebouw zien. Wanneer een schilder de helft van een mens schildert, de ene kant van zijn hoofd, een oog, de linkerarm, schouder en been, en hij heeft de andere kant niet getekend, noch al de leden, delen en ledematen in hun juiste verhouding met kleuren aangevuld, dan heeft het niets van een mens. Zo zien wij op Gods werken bij stukken en brokken; en wij zien hoe Hij zijn volk ten bloede toe laat vervolgen; parlementen verstrooiende, edelen en prelaten verjagende, omdat Hij niet wil, dat zij een vinger zouden uitsteken om een steen aan zijn huis te leggen; maar wij zien niet, dat in deze bedeling de andere helft van Gods werk het tot een schoon stuk maakt. God wast het bloed en de drek van zijn kerk weg, en verwijdert van het werk degenen die het zouden tegenstaan. Wij zien, dat boosaardige soldaten, in bloedige oorlogen, zwangere vrouwen opensnijden, verwoesten, roven, doden; en toch zuiveren zij maar Zions tin, koper en lood, en zulk verworpen metaal als zij zelf zijn. Jezuïeten en valse leraars zijn maar Gods snuiters, om de lampen des tabernakels daardoor te verhelderen en te snuiten, en de waarheid meer naakt en duidelijk te voorschijn te doen komen.
En in een huis gegaan zijnde wilde hij niet, dat het iemand wist.
Deze wil, volgens welke gezegd wordt: "Hij wilde niet, dat het iemand wist," was zijn menselijke wil, en te deze opzichte was de Heere Jezus een mens gelijk als wij, uitgenomen de zonde; welke wil niet altijd vervuld werd. Want zijn goddelijke wil, die door almacht ondersteund wordt, kan nimmer weerstaan worden; Hij overwint alles en kan door niemand worden weerstaan.
Overweegt welk een Christus wij hebben; een, die als God, een vaststaande wil heeft, die niet veranderen kan. (Jes. 14:24). "Hij zal al zijn welbehagen doen." Zijn welbehagen en zijn werk zijn gelijkmatig (Jes. 46: 10, 11; Ps. 135: 6; Ps. 115:3). Echter boog deze Heere zich zo laag neer, dat Hij de menselijke wil aannam, om die aan God en de wet te onderwerpen. En ziet hoe Christus, tot ons onderwijs, tevreden is, dat God zijn wil zou breken, om onder de voorzienigheid te buigen, (Matth. 26: 39). O! Jezus Christus is zo klein en nederig als Hij groot is! Alles komt hierop neer, "O mijn Vader, laat deze drinkbeker van Mij voorbij gaan: doch niet gelijk Ik wil, maar gelijk Gij wilt." Christus en zijn Vader hebben onderling maar één wil: ik zoek niet mijn wil, maar de wil des Vaders, die Mij gezonden heeft (Joh. 5: 30). want ook Christus heeft zichzelf niet behaagd." (Rom. 15: 3). Het is een teken van gelijkvormigheid met Christus, wanneer onze wil zo gedood is, dat hij vlak ligt met Gods voorzienigheid. Aärons zonen worden gedood, en dat onmiddellijk door God van de hemel met vuur, een oordeel dat veel van de hel heeft; (Lev. 10: 3) en Aäron zweeg stil. Een wil, die onder Gods voet in het stof ligt, zóó, dat ik kan zeggen: "Laat de wil van Hem, wiens ik ben, mij in de hel werpen, ik ben, er mee verenigd," gelijkt zeer op de regelmaat van alle geheiligde willen, zelfs op Christus' buigzame wil. Er is geen ijzeren zenuw in Christus' wil, hij werd gemakkelijk verbroken; de top van Gods vinger, verbrak door één aanraking de wil van Christus: zie, ik kom om uw wil te doen, o God." (Hebr. 10: 9).
Maar o, er is een harde steen in onze wil: het stenen hart is de stenen wil; de hel kan de rotsen, het diamant en de vuursteen in onze wil niet verbreken: (1 Sam. 8: 19) neen, maar daar zal een koning over ons zijn, of God het wil of niet. Gods wil staat het volk in de weg, en beveelt hun terug te keren. Zij antwoorden: het is buiten hoop, maar wij zullen naar onze gedachten wandelen" (Jer. 18: 12). De hel, de wraak, de almacht, overdwarsten Farao's wil, maar hij wilde niet buigen noch breken. doch de Heere verhardde Farao's hart, en hij wilde ze niet laten trekken." (Exod. 10: 27).
Er zijn twee dingen in onze wil. 1. Zijn natuurlijke samenstel en gesteldheid. 2. Zijn goedheid. De wil der engelen en van de zondeloze Adam is niet wezenlijk goed, want dan konden de engelen nooit in duivels veranderd zijn; daarom heeft de gesteldheid van de wil bijkomende goedheid en bevestigende genade nodig, zelfs, wanneer hij op zijn best is. Genade, genade nu, is de enige olie voor onze raderen; Christus heeft de sterkte ingenomen, zowel binnenwerks als buitenwerks, wanneer hij de wil heeft ingenomen, dien meest trotse vijand, die Christus buiten de hel heeft. Wanneer Saul zijn wil overgeeft, geeft hij zijn wapen over. Dit is doding, wanneer Christus met uw wil wegloopt; evenals Christus als een mens was, die geen 's mensen wil had. Zo ook Paulus, (Hand. 9: 6), bevende en verbaasd zijnde, zei: Heere, wat wilt Gij, dat ik doen zal?" Het is goed, wanneer de Heere over de schoonheid van Ephraims hals overgaat. (Hosea 10: 11).
Er is nu geen goedheid in onze wil, dan die hij door genade heeft; en de wil om te wenden van kwaad tot goed is evenmin het werk der natuur, als dat wij de wind kunnen omwenden van het oosten naar het westen. Wanneer de raderen van de klok gebroken en verroest zijn, kan zij niet gaan. Wanneer de vleugel van de vogel gebroken is, kan hij niet vliegen. Wanneer er een steen binnen in het slot zit, kan de sleutel de deur niet openen. Christus moet de raderen van de uit orde zijnde wil smeren, en ze herstellen, en de steen wegnemen, en genade meedelen (hetwelk als vleugelen voor de vogel is): indien dit niet geschiedt, zijn de bewegingen van de wil naar de hel toe.
"En Hij kon nochtans niet verborgen zijn, want een vrouw", enz. Christus wil soms verborgen zijn, omdat zijn geest verheven is boven de winderige lucht van het volk, en hun hosanna. Dat is maar een geest van stro, een ondeugende en lage geest, die verteerd wordt door hetgeen Themistocles verhinderde te slapen. "Eert mij voor het volk", was een koude troost voor Saul, toen de profeet hem bekend maakte, dat God hem verworpen had. Doch Christus begeerde niet verborgen te blijven voor deze vrouw; Hij zocht haar en toch ontvluchtte Hij haar. Christus is hierin zulk een vluchteling, die graag een vervolger wenst te hebben.
2. Het geloof ontdekt Christus, wanneer Hij verborgen is. Voorwaar, Gij zijt een God, die zich verborgen houdt. (Jes. 45: 15) Maar het geloof ziet God onder zijn masker, en door de wolk; daarom voegt het geloof er aan toe, de God Israëls, de Heiland"! Gij houdt U verborgen, o God, voor Israël, maar Israël vindt U, (vers 17) "Israël wordt verlost door de Heere, met een eeuwige verlossing, God verbergt zich in een wolk van gramschap, Hij maakt duisternis tot zijn tent, en wil niet uitzien, doch Job ziet God en ontdekt Hem op honderden mijlen afstand. (Job 19: 26). ik zal uit mijn vlees God aanschouwen."
3. De rede, het verstand, ja, de engelen mogen, wanneer zij Christus tussen twee moordenaars zien sterven, en Hem doodbloedende, naakt, verlaten van vriend en liefhebber uit deze wereld zien heengaan, zich verwonderen en zeggen, "O, Heere, wat doet Gij hier?" Doch het geloof van de moordenaar vond Hem daar, als een Koning, die de sleutelen van het Paradijs heeft, en hij zei in het geloof: "Heere, gedenk van mijn, als Gij in uw koninkrijk zult gekomen zijn," (Luk. 23: 42).
4. Het geloof ziet Hem als een getuige in de hemel en een getuige in de hoogte, evenals Job, (16: 19, 20) zelfs als God zijn nieren doorsplijt en zijn gal op aarde uitgiet (vs. 13). Gelooft dan, dat Christus bedroeft, opdat Hij mag kussen; dat Hij wondt, om te helen - dat Hij het graf van de levende gelovige voor zijn ogen graaft, en er niet over denkt om hem levend te begraven. Hij blaast de rook en de hitte van de oven der hel op de ziel, wanneer vrede, genade en de hemel in zijn hart zijn. Hij verwringt het gewricht van Jakobs heup, zodat hij al zijne dagen moet hinken, en het is zijn doel hem te zegenen. Terwijl wij door het geloof moesten wandelen, wandelen wij veel, zelfs in ons geestelijk wandelen, door gevoel. Wij hebben deze dwalingen in ons geloof, dat wij niet het woord der belofte, maar slechts Gods bedeling de regei van ons geloof maken.
Nu is Gods bedeling vlekkeloos, onschuldig en blank, maar zij is voor mij niet uit de Schrift, en ook niet alles, wat de bedeling en de voorzienigheid schijnen te spreken, het Woord van God. In een gewone voorzienigheid spreken ramshoornen niet van het innemen van steden, zoals een speer en schild en een heir van strijders dat doen. De "gehele dag gedood en geacht als schapen der slachting", spreekt tot mij niet, dat Gods kinderen "meer dan overwinnaars zijn, door Hem die ons heeft liefgehad" (Rom. 8: 36, 37).
Met betrekking tot de bedeling heeft ons geloof twee dingen te doen: 1e. In het algemeen te geloven, dat, hoewel de bedeling ruw, stormachtig en zwart is, Christus nochtans schoon, lieflijk en genadig is; en, dat de hel en de dood voor Gods kinderen dienstknechten zijn van Gods bedeling. Abraham moest Izak slachten; en toch zijn in Izak, als in het beloofde zaad, al de volkeren der aarde gezegend. Israël wordt geslagen en valt voor de mannen van Ai; toch zal Israël door de Heere verlost worden. Juda zal in de gevangenis gaan, maar de dorre beenderen zullen weer leven. Leest de belofte in het algemeen, die gegraveerd is op de bedeling Gods. De klederen zijn in bloed gedoopt in Schotland en Engeland. In deze reformatie gaan de wielen van Christus' wagen langzaam, de vorst is van vrede, vele waardige mannen zijn gedood, een vreemde natie komt tegen ons op; toch werkt alles ten beste, dengenen, die God liefhebben. 2e. De hoop gebiedt ons af te wachten, wat de Heere doet. Wij zien het werk Gods, het komt tot onze zinnen, maar wat God er door uitwerkt, ligt nog in het duister. De bedeling is als een vrouw, die in arbeid is, en die uitschreeuwt in haar weeën; maar zij zal van twee knechtjes verlost worden. Barmhartigheid voor het volk Gods, gerechtigheid voor Babel. Wacht tot de vrouw baart, al ziet gij de kinderen niet.
2. Wij vertrouwen meer op het bezit onzerzijds dan op de wet en de getrouwheid der belofte aan de zijde Gods. Het gevoelen heeft bij ons meer vertrouwen dan het geloof; gevoel is ons zekerder dan het woord van het geloof. Vele zwakken geloven het eeuwige leven niet, omdat zij het niet gevoelen: de hemel is een van de dingen, die niet gezien worden, en zo vinden zij geen troost en verkwikking en zijn in onrust. Indien wij wisten, dat geloven een onderhandelen over de koop en een kopen is, dan zouden wij veler zwakheid zien. Indien iemand een uitgestrekt stuk land zou kopen, en weigeren het geld neer te tellen, tenzij de verkoper hem al de hoogten, landerijen, weiden en bergen op de schouders legde, opdat hij ze kon meenemen naar zijn huis, hij zou ongelooflijk onrechtvaardig zijn. Indien iemand een schip kocht, en het als niet gekocht zou beschouwen, tenzij hij het schip op zijn rug kon meenemen, zou dat hem niet tot een belachelijke koopman maken? Gods wet van het geloof, Christus' teweeggebrachte verzoening, is beter en zekerder dan uw gevoel. Al wat het gevoel en de troost zeggen is geen canonieke Schrift; het is overspel om een teken te zoeken, omdat wij niet kunnen rusten in het woord van onze man.
Vraag: Maar kan Christus niet verborgen zijn?
Antw.: Niet wat Hemzelf betreft. Het is moeilijk een groot vuur te verbergen, of welriekende geuren zo te bedekken, dat zij niet rieken. Christus' naam is een liefelijke olie, die uitgestort is. Hij is een berg van specerijen en Hij is een sterke geur van de hemel en van het hoogste paradijs. De mens kunt gij verbergen, dat hij de zon niet ziet, maar gij kunt geen kleed over de zon werpen en het daglicht wegnemen.
Hieruit blikt, dat Christus niet verborgen kan zijn.
1. In zijn zaak en waarheid. Het evangelie wordt gegeseld en in de kerker geworpen, wanneer de apostelen zo worden behandeld; maar toch komt het tot het licht, en vervult Jeruzalem, en vervult de gehele wereld. Wat werd er gedaan om Christus te verbergen! Als Hij en zijn evangelie onder een grote steen worden begraven, verspreidt toch zijn faam zich allerwegen. De dood is geen bedekking voor Christus. De papisten verbranden alle boeken der Protestanten; zij doden en vermoorden de getuigen. Antiochus en de keizers der vervolging werpen al de Bijbels in het vuur, maar deze waarheid kan niet verborgen worden; zij triomfeert. Niet vóórdat zij Jezus van zijn koninklijke zetel ter rechterhand Gods kunnen trekken, kunnen Babylon, de prelaten, de papisten en de boosdoeners in deze drie koninkrijken het volk en de waarheid van Christus vernietigen.
2. De gelovigen kunnen een goede of kwade zielstoestand niet verbergen of veinzen; de liefste is weg, en de kerk kan niet op bed blijven liggen; al de wachters van alle straten, al de dochteren van Jeruzalem, ja, de hemel en Christus moeten er van horen. (Hooglied 3: 1-3 en 6-8). Maria Magdalena's bed, een morgenslaap en het gezelschap van engelen en apostelen kunnen de tranen van haar wangen niet drogen. "Vrouw, wat scheelt u?" zegt de engel. "Ach", weent zij, "ach, wat mij scheelt? Zij hebben mijn Heer weggenomen, en ik weet niet waar zij Hem gelegd hebben." O apostelen, waar is Hij? Heere, engel, zeg mij of gij Hem gezien hebt? O graf! O dood! Laat mij zien of mijn Heere bij u is? De liefde van Christus is geen huichelaar. Ik stem toe, dat sommigen voor een tijd een schoon gelaat kunnen tonen, als Christus afwezig is; doch de meeste heiligen kijken als een vogel, die de raaf ontsnapt is - als een lam, dat de muil des leeuws ontvallen is, als iemand, die te vroeg in de morgen is opgestaan. O, ik ben krank van liefde! O, wijst mij Hem! Ik bezweer u, wachters, dochters van Jeruzalem, zegt Hem, dat ik krank ben van liefde. De liefde is een pijnigende, koortsachtige, kwellende ziekte: de genade kan geen lachend masker voordoen, wanneer de lieve Jezus verborgen is; de liefde verstaat de kunst niet om de droefheid te verbergen. David ziet er vervallen uit (Ps. 42: 5), de dood ligt op zijn gelaat, wanneer God het licht zijns aangezichts niet is
3. De vreugde zijner tegenwoordigheid kan niet verborgen blijven: zij moeten maar zeggen en uitroepen: O, schone, o heerlijke dag! Hij is teruggekomen! Toen ik een weinigje van hen weggegaan was, vond ik Hem, dien mijn ziel lief heeft." (Hooglied 3: 4). Zij telde alle mijlen, die zij afgelegd had, terwijl haar Heere afwezig was; de blijdschap zal spreken, zij is niet stom. Uw gehemelte is als goede wijn, die recht tot mijn beminde gaat, doende lippen der slapenden spreken." (Hoogl. 7: 9). Kunnen ook de bruiloftskinderen treuren, zolang de bruidegom bij hen is? (Matth. 9: 15) dat is, zij kunnen niet anders dan zich verheugen.
4. De genade in een oprechte belijder en Christen kunnen niet verborgen blijven. Er kwam een aangename bries, met een vlaag van de lieflijke westenwind van de hemel, op Jozef van Arimathea: het was een kwade tijding, Christus was dood; hij kon niet langer veinzen. (Mar. 15: 43). Met grote vrijmoedigheid en stoutmoedigheid ging hij tot Pilatus met de bede: Ik bid u, heer Landvoogd, geef mij toch het dode lichaam van deze Jezus" Er was enig hemels vuur in deze stoutmoedige belijdenis. Wat zou men hiervan denken, als men zag, dat zo'n edel en achtbaar raadsheer, het dode en gekruisigde lichaam van een man in de armen had? Maar het geloof weet van geen beschaamdheid; de genade kan niet beschaamd worden. Het was de apostelen scherp geboden: spreekt niet meer in de naam van Jezus". (Hand. 4: 18). Petrus en Johannes zeiden stoutmoedig: wij kunnen niet laten te spreken, hetgeen wij gezien en gehoord hebben. Legt zoveel gewicht op de oprechtheid van het geloof in de martelaren, dat gij ze doodt, levend verbrandt, of in stukken zaagt, het moet bergopwaarts. Davids genade werd ingehouden, gelijk als men de mond der beesten met een breidel sluit (Ps. 39). Zij was als kolen vuur in zijn hart, en hij moest zelfs voor de goddeloze spreken. "Ik heb geloofd, daarom sprak ik", (Ps. 116: 10).
5. Wanneer Jeremia zich onwettige banden aanlegt, om niet meer in de naam des Heeren te spreken, is er een geest van profetie op hem; hij is geen meester zelf te kiezen, maar het werd in mijn hart als een brandend vuur, besloten in mijn beenderen, en ik bemoeide mij om te verdragen, maar kon niet, (Jer. 20: 9). Er ligt een majesteit van genade op het kind Gods, welke in heilige plichten moet doorbreken: hoewel de verzoeking Christus zou verbergen in zijn genade, wordt de verzochte Jozef hiermee in ontzag gehouden, "Hoe zou ik dan dit een zo groot kwaad doen, en zondigen tegen God?" (Gen. 39: 9). Deze ontzaglijke majesteit van de genade der vrees Gods doet Jozef zien, dat hoererij, slechts loutere, onvermengde schuld is voor God. Het is een overweldigende bevatting van Christus' liefde, (2 Kor. 5: 14) welke Paulus dringt de liefde van Christus te erkennen in zijn overgave tot de dienst van het evangelie. Al zou Paulus niet hebben willen prediken, toch had hij een som te betalen: "Beiden Grieken en Barbaren, beiden wijzen en onwijzen ben ik een schuldenaar." (Rom. 1: 14). Genade boezemde hem ontzag in, evenals een schuld een oprecht gemoed aan boeien legt; hij kon niet anders doen dan zijn vrij en eerlijk gemoed vrijmaken, met te betalen, wat hij schuldig was.
6. De verlating Gods kan Christus zo niet verbergen en in wolken hullen, of het kind Gods moet tegen het gevoel in geloven; ja, ook in geloof bidden: mijn God, mijn God, waarom hebt Gij mij verlaten? Mijn God, ik roep des daags." (Ps. 22: 2, 3). Hoewel de zonde Christus met wolken bedekt, en David in echtbreuk en doodslag valt, er is een zaad van Christus, dat bloesem voortbrengen moet; hij kan niet anders dan berouw hebben en bedroefd zijn. Gods besluit der genade mag in zijn uitvoering, door de een of andere grote zonde in een schalm breken, maar Christus kan niet anders dan de keten solderen, en de gevallen zondaar oprichten.
Het zal dan nuttig zijn voor de heiligen, wanneer de Geest komt in zijn beroerende en aandrijvende werkingen, om met Hem mee te werken, en zijn geblaas des winds te beantwoorden. Het is goed om de zeilen bij te zetten en uit te varen, wanneer een gunstige wind en hoogtij roepen, Soms maakt de genade het hart als een heet ijzer, het is goed het dan te smeden. Wanneer uw geest handelbaar is, en er komt een zachte koelte van Christus' lieflijke westenwind, welke naar binnen gaat met een verwarming van het hart, zodat men zich in een hoekje afzondert tot het gebed en de ziel uit zich voor de Heere; gelijk wij Christus op zijn woord moeten vatten, zo moeten wij Christus' Geest op zijn werk vatten. Hij klopt; klopt gij met Hem. Zijn vingers roeren de handhaven des slots aan en druipen van vloeiende mirre; laat uw hart ook met zijn vingers geroerd worden. Ik stem toe, de wind doet zeilen, en alle machten op aarde kunnen geen wind maken; maar, wanneer God de wind geeft, dan zetten de zeelieden de zeilen bij en steken in zee. God is in al deze dingen de eerste. De Geest slaat vuur uit onze vuursteen, wij leggen er een lont bij en ontvangen. Strekt het hart uit, onder de opwekkingen der vrije genade; gehoorzaamt de beschikkingen der genade, als God zelf. Wanneer de zon opgaat, mogen de vogels zingen, maar hun zingen is geen oorzaak van het opgaan der zon.
Het is geen waarheid Gods, welke sommigen leren, dat de gerechtvaardigden in Christus, in een weg vanplicht altijd verbonden zijn tot een en dezelfde standvastige daad van verheuging, zonder enige vermenging van treurigheid en droefheid, want dan kunnen zij niet: 1. De verschillende indrukken gehoorzamen en opvolgen van des Heeren afwezigheid en tegenwoordigheid, van Christus' ebben en vloeien, van zijn bestralen en toelachen, en zijn verbergen en fronsen. 2. Het geloof van een gerechtvaardigde staat, ontwortelt alle genegenheden niet; ja, niet de liefde, het geloof, het verlangen en de vreugde; indien er zonde overblijft in de gerechtvaardigde, dan is er plaats voor treurigheid, vrees, droefheid, want het schuim der genegenheden is door Christus weggenomen; de genegenheden zelf niet. 3. Christus bedekt zich dikwijls met een wolk, soms alleen ter beproeving, op andere tijden om de zonde, en het is een vervloekte vreugde, welke zich op de been kan houden, wanneer de Heere zijn aangezicht verbergt. De liefde Van Christus moet ziek en treurig zijn; ik bedoel de liefhebber, wanneer de geliefde onder een wolk is. Het is hier niet de nieuwe aarde met de wedergeboren mens; noch een land, waar het altijd zomer, altijd zonneschijn is, zonder nacht of wolken, zonder regen of stormen; dat is de staat van het tweede Paradijs, van de betere Adam. 4. Het is een rechtvaardige en onschuldige droefheid, om bedroefd te zijn over hetgeen de Heilige Geest bedroeft; en wanneer de leeuw brult zijn al de dieren des velds bevreesd. Genade maakt Job niet tot een hout, noch Christus tot een mens, die niet wenen kan.
"En ziet, een Kananese vrouw" en "Een vrouw." (Matth. 15, Mark. 7). Van de vrouw: 1. Slechts één persoon van gans Tyrus en Sidon kwam tot Hem. 2. Zij was, wat de natie betreft een Syrophenicische. 3. Haar toestand. Zij had een dochter, die van de duivel bezeten was. 4. Van een onreine duivel. 5. De naaste gelegenheid, zij hoorde van Hem. 6. Zij aanbad. 7. Zij bad: en dit opent de weg tot de onderhandeling tussen Christus en haar; en tot de beproeving en het wonder.
Een vrouw. Het was er maar één uit gans Tyrus en Sidon, die tot Christus kwam. 1. Het betaamt de barmhartigheid van de goede Herder, de negen en negentig schapen in de woestijn te verlaten en het ene na te gaan, dat verloren is." (Lukas 15: 4). En wanneer alles volbracht is, dan heeft Hij helaas maar één uit een geheel honderdtal. Christus heeft niet de tienden van het menselijk geslacht. Hij maakt een reis door Samaria, totdat Hij vermoeid en dorstig is; ja hij ontbeert zijn middagmaal, om een vrouw met die trek van zijn net te vangen en acht dit een middagmaal als van een koning, ja, meer dan dat, indien Hij er één zaligt. (Joh. 4: 33, 34). O, lieflijk woord van de Man! "Ik heb u getrouwd, en Ik zal u aannemen, één uit een stad, en twee uit een geslacht, en zal u brengen te Zion." (Jer. 3: 14). Christus neemt de zondaars, niet bij dozijnen, niet bij duizenden, (wij lezen maar eens in het gehele Woord (Hand. 2), dat er drie duizend tegelijk bekeerd zijn) maar bij enen en tweetallen. Al ware het getal der kinderen Israëls gelijk het zand der zee, zo zal 't overblijfsel behouden worden" (Rom. 9: 27; Jes. 10: 22) het overschot en het uitvaagsel zal alleen behouden worden. 2. Algemene liefde is niet te vergelijken bij genade, omdat genade afzonderend is en één uitkiest uit de velen; alle begenadigde mensen zijn bevoorrechte personen; de hemel is een huis van uitverkorenen en bevoorrechten: er zijn geen gewone stenen in het Nieuwe Jeruzalem, maar het zijn alle kostbare stenen, saffieren fondamenten, kristallen glasvensters, poorten van robijnstenen, en de gehele landpale van aangename stenen. (Jes. 54: 11, 12).
3. Christus' weg ligt zo, dat van twee, die in de molen malen, van twee, die in het veld zijn, van twee, die op een bed zijn, Christus er maar één wil hebben. Christus wil dikwijls niet beiden, man en vrouw, vader en zoon hebben; maar de ene broeder Jakob, maar Ezau niet. Christus komt tot des duivels haard, en uit een geheel huis kiest Hij er een en trekt die er uit, en laat de hele familie in het bezit van de duivel.
4. Christus kent ze goed, die Hij verkiest; genade is een zeldzaam stuk van de keur en de bloem der liefde van de hemel: er zijn veel gewone stenen, niet veel parels, niet veel diamanten en saffieren. De grote hoop zijn allen Arminianen van de baarmoeder af; elke ketterij is een stuk van het dartel vernuft van de oude Adam; duizenden varen naar de hel, zwarte ketters en onrechtzinnig, wat betreft hun eigen leer; ieder mens heeft genade als gij hem geloven wilt - elk mens meent, dat de hemel zijn huis en erfenis is; honden denken te rusten aan Christus' boezem. De mensen geloven natuurlijk, hoewel zij niet standvastig zijn met Christus; echter verdraagt Christus ze goedwillig, om genade en eer te geven.
1e Tegenwerping. Gods liefde is niet oneindig, indien het tot enkelen bepaald is.
Antwoord. Dit zou vaststellen, dat er een oneindig aantal mensen en engelen is, op wie Gods liefde ter zaligheid in toegenegenheid gezet is: maar zijn liefde is oneindig in haar daad, niet in haar voorwerp: de wijze waarop Hij zijn liefde betoont is oneindig.
2e Tegenwerping. Gods niet lief hebben van de mensen toe te schrijven aan Gods gesteldheid, hart, wil en vermaak, en niet aan onze gebreken, is godslastering.
Antwoord. De Heere schrijft zijn barmhartig zijn, en zijn verharden aan zijn eigen vrije wil toe (Rom. 9: 18, Exod. 33: 19), en zijn liefde is zo vrij als zijn barmhartigheid; ook zou zodoende Gods eerste liefde tot ons opgewekt worden door onze liefde, als de zijne vóórkomende, in strijd met zijn eigen woord (Deut. 7: 7; Ef. 2: 4, 5; Tit. 3: 3; 2 Tim. 1: 9), en de mens zou de eerste liefhebber zijn van de twee. Het schepsel maakt dan de Heere tot zijn schuldenaar, en geeft eerst aan God, en God kan niet anders dan belonen. (Jes. 40: 13, 14; Rom. 40: 34, 35). Nu, het is geen schande voor ons om te leven en te sterven als bij Christus in de schuld staande; de hemel van engelen en mensen is een huis van Christus' schuldenaars, die eeuwig aan Hem verbonden zijn, en tot in alle eeuwigheid in zijn schuldboek zullen staan.
3e Tegenwerping. Oneindige goedheid kan even gauw ophouden te zijn, als dat zij niet aan allen goed zou zijn, of barmhartigheid aan iemand zou onthouden.
Antwoord. Dat verworpen mensen en duivelen nog bestaan is een vrucht van Gods goedheid, maar van vrije goedheid; anders zou God ophouden te zijn, indien Hij zijn schepselen tot niets deed worden; want Hij zou ophouden goed te zijn aan dingen buiten Hemzelf, indien deze allen tot hun arm niet-bestaan werden teruggebracht. 2. De barmhartigheid vloeit niet wezenlijk uit God voort, in het bijzonder de barmhartigheid der bekering, der vergeving van zonden, en van het eeuwige leven, maar uit loutere genade, want dan kon God geen God zijn en deze gunsten aan verworpenen onthouden. De vrijheid der barmhartigheid en der zaligheid is even oneindig liefelijk en bewonderenswaardig in God, als de barmhartigheid en de zaligheid zelf.
4e Tegenwerping. Maar God is even wezenlijk goed aan allen, als dat Hij zijn goedheid overeenkomstig zijn rechtvaardigheid moet meedelen op een vrijwillige gehoorzaamheid; en dat is het eeuwige leven voor hen die vrijwillig geloven en gehoorzamen.
Antwoord. Maar de grote vijand van de genade, Arminius, leert ons, dat al het vrije der genade (Rom. 9) besloten is in het vrije welbehagen Gods, waaruit hij voornam het geloof en niet de werken der wet, om niet en zonder loon, te vergelden met het eeuwige leven, terwijl het Hem vrijstond een andere orde te houden, indien het Hem goed dacht, en hierdoor is God vrijwillig en door een daad van zuivere genade, niet wezenlijk goed aan allen, zelfs in het meedelen van zijn goedheid overeenkomstig zijn rechtvaardigheid, want wat God doet uit de noodzakelijkheid van zijn natuur en wezen, dat kan niet anders, of Hij moet dat doen. Maar dit is zeker, dat de Heere niet uit noodzakelijkheid van zijn natuur de werken, het geloof, of enige gehoorzaamheid in ons, met de kroon van het eeuwige leven beloont. Hij mag de hemel om niet geven zonder iemands gehoorzaamheid, gelijk Hij de eerste genade vrij geeft (Ezech. 16: 6-8; Rom. 5: 10; Ef. 2: 3, 4). Maar nog zekerder is dit, hoe minder er genade hebben, des te meer is de genade genade, en aan zichzelf gelijk en vrij.
5e Tegenwerping. Maar ik heb een goed hart tot God.
Antwoord. Een stil hart, dat slaapt in een valse vrede, is een slecht hart; de meeste zondaren geven hun zielen diefachtig aan de duivel, zij menen onder zeil te zijn naar de hemel, en weten niets tot zij slapend aanlanden, in het land des doods. (Matth. 7: 21-23; Luk. 16: 27, 28).
6e Tegenwerping. Wel, maar God heeft mij zoveel gunsten en rijkdommen in deze wereld gegeven.
Antwoord. Gods genade is niet in goud gegraveerd. Het zou maar de redeneerkunde van een beest zijn, indien de slachtos zou zeggen: "De meester heeft meer met mij op dan met enige os in de stal; ik ben vrij van het juk, dat op de nek van andere is, en mijn weide is vetter dan de hunne."
7e Tegenwerping. De heiligen hebben mij lief.
Antwoord. De heiligen kunnen hun liefde misplaatsen, en liefhebben, waar God niet lief heeft.
8e Tegenwerping. De gehele wereld heeft mij lief.
Antwoord. Des te meer waarschijnlijkheid, dat gij een stiefkind bent van Jeruzalem en van de hemel, want, "de wereld heeft het hare lief". (Joh. 15: 19). Het zou beter zijn dat de wereld uw stiefmoeder was, dan dat u in zo'n baarmoeder ligt en zulke borsten zuigt.
9e Tegenwerping. Ik geloof aan het eeuwige leven.
Antwoord. Dat geloof is zwanger van de hemel; maar ziet toe dat het geen misgeboorte is. Weinigen of genen worden mondig, en geen worden in witte klederen gekleed en gekroond, die hun geloof niet eens verdachten, en bevreesd werden voor hun eigen wegen. Natuurlijke mensen staan ver van hel en toorn.
Deze nu was een Griekse vrouw, van geboorte uit Syrophenicië.
Door de profeten is veel wee uitgeroepen tegen Tyrus en Sidon; doch de zoete Jezus schuift het gordijn opzij, en opent een venster van de afscheiding, en verlost deze vrouw. Ziet, hier zet Christus in de woestijn de rederboom, de sittimboom, de myrteboom en de olieachtige boom, Jes. 41: 19) en hier wordt Jesaja 55: 13 vervuld: voor een doorn zal een dennenboom opgaan; (wat waren de Sidoniërs beter dan doornen?) voor een distel zal een myrteboom opgaan; (geen eer aan de grond, maar aan de goede Landman) en het zal de Heere wezen tot een naam, tot een eeuwig teken, dat niet uitgeroeid zal worden." Christus kan een schone hemel maken en vormen uit een lelijke hel, en uit het meest knoestige hout kan hij vaten der barmhartigheid maken, tot de dienst in het hoge paleis der heerlijkheid.
1. Wat zijn zij allen, die nu verheerlijkt zijn? Het schoonste aangezicht der verlosten, dat nu voor de troon staat was eens zwart als inkt van de zonde. Gij zoudt Paulus nu niet kennen met een koningskroon op zijn hoofd; hij ziet er nu niet uit als een godslasteraar, en een vervolger, en een verdrukker. De vrouw, die eens zeven duivels in haar had is een Maria Magdalena, die geheel veranderd is, en genade veroorzaakte de verandering. 2. Genade is een nieuwe wereld (Heb. 2: 5). Het land der genade heeft twee zomers in een jaar. En geen inwoner zal zeggen: "Ik ben ziek, want het volk dat daarin woont, zal vergeving van ongerechtigheid hebben." Jes. 33: 24) Een iegelijk, die leeft en in Mij gelooft, zal niet sterven in der eeuwigheid (Joh. 40: 26). Het zijn geen sterfelijke mensen, die in de genade zijn; daar is geen ziekte noch dood in dat land. 3. Wij zeggen van zulk een heelmeester: "Hij heeft ziekten genezen, die niemand genezen kon, Hij genas de sterke dood; dan kunt gij Hem uw lichaam toevertrouwen; Hij is een beproefd heelmeester. Christus heeft van de apostel Paulus een zeldzaam voorbeeld, een zonderling toonbeeld van barmhartigheid gemaakt; want in hem heeft Hij alle "lankmoedigheid betoond, tot een voorbeeld van degenen, die in Hem geloven zullen tot het eeuwige leven, (1 Tim. 1: 16). De hemel is een huis vol wonderen - ja, van vertoningen en beelden van vrije genade. Gij kunt gerust uw ziel, met al haar kwalen, aan Christus toevertrouwen; Hij heeft vele zeldzame bewijzen gegeven van zijn beproefde kunst der genade; Hij heeft vele zwarte leden van de hel tot schone heiligen in de hemel gemaakt; zulk een man, zulk een kunstenaar, wierp een oude kerker van leem terneer, en deed die weer verrijzen als een schoon paleis van goud.
Tegenwerping. Maar wat ben ik, een klomp verstokte schuld en zonde, en kan die gemaakt worden tot zo'n vat der barmhartigheid, als de heilige Paulus en de boetvaardige Maria Magdalena?
Antwoord. Genade, zoals zij in God is en geschiktheid om genade in ons te ontvangen, is voor allen even gelijk. Er was niet meer reden, waarom Paulus barmhartigheid zou verkrijgen, dan waarom u, of enig ander zondaar, barmhartigheid verkrijgen zou. Er is dezelfde reden voor mij om edele en ruime gedachten van de genade van Christus te hebben, als voor Abraham, Mozes, David, en al de profeten en apostelen om te geloven. Er is geen groter rantsoen door Christus opgebracht om geloof en vrije genade te kopen voor Noach, Job en Daniël, voor Mozes en Samuël, dan voor mij, arm en zondig schepsel; het is één oorzaak, één rantsoen, één vrije liefde. Indien er een edeler en waardiger verlosser voor Mozes en Paulus gestorven was, dan voor u en mij: en er een andere hemel en een meer vrije genade voor hen gekocht was, dan voor mij, dan zou ik ontmoedigd geweest zijn; genade is genade, voor u zowel als voor de zachtmoedige Mozes; Christus is Christus voor u, zowel als voor de gelovige Abraham. Voorts, dezelfde genade, die hier is, is in de hemel. 1. Evenals het geloof, dat ons om niet geschonken is, de verovering is van de nieuwe erfgenaam, Jezus Christus (Joh. 6: 44; Filip. 1: 29; Ef. 1: 3); zo zijn al de snoeren van Christus om onze hals in de hemel, zowel als de krans der heerlijkheid, de vrije genade Gods. Het is hetzelfde daglicht, wanneer de zon zich een weg baant uit het oosten, als op de middag, wanneer zij in de hoogste meridiaan staat. Al veranderen wij van plaats, wanneer wij sterven, wij verwisselen niet van man. 2. Wij staan hier door vrije genade (Rom. 5: 2). Bekering en vergeving der zonden worden hier aan Israël om niet gegeven, door de verhoogde Vorst, Christus Jezus (Hand. 5: 31). Onze tranen zijn met dat een rantsoen, waaraan allen deel hebben, gekocht; ook zijn die hoge woningen van het koninklijke hof van de hemel een vrij en open huis, waar de inwoners niets in rekening wordt gebracht; geen boete, geen accijnzen, geen belasting en geen schattingen, en geen vorderingen; alles is daar voor de koninklijke rekening van de Vorst van de koningen der aarde. Er is daar niet meer beloning, verdienste, loon of onkosten dan hier; de inkomsten van de heerlijkheid tot in eeuwigheid, en de lijfrente van eeuwen van zaligheid, zijn het welbehagen van Hem, die op de troon zit. Elke appel van de boom des levens is genade, elk teugje, elke droppel van de zee en de rivier des levens is gekocht door het bloed van het Lam, dat in het midden van hen is. 3. Zij zijn daar zo arm zonder Christus, als wij hier. De heerlijkheid is genade, en hun afhankelijkheid, de eeuwen door, is, dat het Lam, dat in het midden des troons is, ze zal weiden, en hun een leidsman zal zijn tot levende wateren; en God zal alle tranen van hun ogen afwissen (Openb. 7: 17). Dan kunnen zij daar ook niet alleen wandelen, maar zoals het Lam ze leidt; en indien Christus daar niet was, of indien Hij genade, heerlijkheid, en al zijn eigen juwelen en versierselen van Mozes en Henoch zou wegnemen, zou er niets meer overblijven dan de arme natuur. Gelijk de goede engelen niet vallen, omdat zij in Christus het Hoofd der engelen bevestigd zijn, (en indien zij deze bevestigende genade misten, dan konden zij nog vallen, en duivels worden), evenzo staan daarom de verheerlijkten in de hemel en zijn zij bevestigd in de erfenis, daar niet meer door de vrije wil dan hier; maar door onmiddellijk afhangen van de genade van het Lam, dat zij volgen, waar het ook heen gaat. Genade dan, wat de soort betreft, is zo goed als de hemel. Ere, ere, zij onze grote Rantsoenbetaler!
3. Haar dochtertje was deerlijk van de duivel bezeten. Merkt hier op, dat de algemene straffen der zonde en droevige verdrukkingen, de gerechtvaardigde personen even goed volgen als de goddeloze; want het was een droevige last voor de moeder, dat de duivel zo'n heerschappij voerde over haar dochter; ook maakt de tekst duidelijk, dat zij een gerechtvaardigd mens was, dat klaar blijkt uit haar dringend gebed, haar aanbidding en groot geloof, onder zware beproevingen, zodat zij Christus overmocht. Wij zullen de redenen zien, welke de Schrift aanhaalt. 1. Opdat het goud van het dierbaar geloof, en het echte metaal daarin mogen gezien worden. Verdrukkingen zijn de dienstknechten en volgelingen van de beschuldigende wet, uitgezonden om ons door het geloof een gemaakte vrede en een gekochte vergeving in Christus te doen aangrijpen. De hete oven is het werkhuis van Christus, in dat vuur neemt Hij het schuim, de droesem en het waardeloze van het echte metaal weg, opdat het geloof mag bevonden worden te zijn tot lof en ere en heerlijkheid bij de verschijning van Jezus Christus. 2. Verdrukkingen drijven ons uit om God te zoeken, want zij zijn Gods stokers; en zijn gehuurde arbeiders uitgezonden om de kluiten stuk te slaan, en om Christus' land te ploegen, opdat Hij de hemel daar mag zaaien, maar Christus moet nieuwe aarde in de grond brengen. In voorspoed komen wij maar in een gewone weg tot God, evenals die deftige man, die naar de schouwburg ging, alleen om er weer uit te kunnen gaan. Maar in droefheid, dan komen de heiligen niet slechts, maar zij maken een vriendschappelijk bezoek, wanneer zij komen. Zo zijn de gebeden, der heiligen in voorspoed maar zomergebeden, langzaam, vadsig, en helaas! te vormelijk. In droefheid storten zij hun gebeden uit als een regen, of zij storten ze uit met een natuurlijke aandrang, evenals een fontein de wateren uitwerpt. Deze beide worden door de profeet goed uitgedrukt in Jes. 26: 16: Heere in benauwdheid hebben zij U bezocht; zij hebben hun stil gebed uitgestort, als Uw tuchtiging over hen was. 3. Wij moeten Christus gelijk gemaakt worden in het kruis en de kroon (2 Tim. 2: 12), en Hem gelijkvormig worden (Rom. 8: 29. Christus, de hoeksteen, hoewel er geen zonde in Hem was, was toch door de dood als met een hamer bewerkt voor Hij tot een hoofd des hoeks geworden is. (Hand. 4: 10-12). Veel meer moeten de slagen en houwen van het kruis al de overtollige ondeugendheid, en elke hoogte terneer werpen, tot het kind van God door hakken en houwen tot een steen gemaakt is, in breedte, lengte, evenredigheid en zachtheid enigermate gelijkvormig aan het eerste exemplaar, en aan Jezus, de modelsteen. Er is een 4e reden, maar het is er een, die betwist wordt: Een gerechtvaardigd persoon kan verdrukt worden om de zonde. Sommigen leren, dat dit paperij is, wanneer wij vaststellen, dat de gerechtvaardigden om hun zonden gestraft worden, wijl Christus alleen om onze overtredingen verwond is, en in zijn eigen lichaam onze zonden op het hout gedragen heeft - daarom (zeggen zij) schijnt zij betrekking te hebben (zoals er een spreekt) op de zonde niet in de eerste plaats, maar in de tweede plaats en als aanleidende oorzaak; niet zoals zij God beledigt, die door die een offerande voor eeuwig bevredigd is (Hebr. 10: 14; Matth. 3), maar zoals zij de gemoederen der gelovigen aanstoot geeft en verontrust; niet, dat de verdrukkingen eenvoudig, eigenlijk. en onmiddellijk het geweten gerust stellen, stillen en genezen (want haar natuurlijke uitwerking is om terneer te slaan en te verschrikken, als aanhangsels van de wet), maar opdat zij onze loomheid wakker maken en opwekken zou tot een levendige bevatting van Christus' gerechtigheid. En zo heeft de zonde, terwijl God als een vader tuchtigt om de zonde, niet eigenlijk bij God de natuur der zonde, welke een belediging is van de Goddelijke gerechtigheid, maar zij wordt aangemerkt als een ziekte, welke zijn kind kwelt, waarvan Hij haar op de voornoemde wijze liefderijk en ontfermend, en niet in toorn en ongenoegen zoekt te bevrijden.
Het is waar, de Papisten stellen, dat God, wanneer Hij de zonde in David vergeeft, de straf niet vergeeft; want David is om diezelfde zonde gestraft met het zwaard over zijn huis, maar het is bekend, dat deze leer een pilaar is om die verblijfsplaats in de hel, die zij het vagevuur noemen, te onderstutten en hun mening is, dat de straf, welke een gerechtvaardigd persoon wordt opgelegd, een straf is die voldoening geeft aan de rechtvaardigheid Gods, opdat zij de verdienste van het lijden der heiligen zouden kunnen opvoeren tot een medewerkend deelhebber met het verheven en edele bloed van het geslachte Lam van God, dat alleen door voldoening de zonde der wereld wegneemt. Dit ontkennen wij;- maar aan de anderen kant stellen wij, dat er een andere rechtvaardigheid in God is, dan die wettische en zondewrekende gerechtigheid, welke het lijden van Christus verzoend en ten volle voldaan heeft, zowel ten opzichte van Gods aanneming, als van de innerlijke waarde van de dood van Hem, die God, de Vorst des levens was. En deze andere gerechtigheid is ook de rechtvaardigheid van een beledigd Vader, die de zonden der heiligen als zonden, schoon in barmhartigheid, tuchtigt, (en zo is het een gemengde gerechtigheid)
1. Omdat de zonden der heiligen niet alleen een beledigen van de goddelijke, wrekende gerechtigheid zijn, maar ook een ongelijk deze gemengde gerechtigheid, en de barmhartigheid en goedertierenheid Gods aangedaan. (2 Sam. 12: 7-9; Exod. 20: 1, 2; Ps. 81:6, 7, 10, 11; Ps. 78: 11-13, 42, 53-56; Deut. 32: 11-18; Amos 3: 2). En daarom straft God in de zijnen, de zonden als zonden.
2. Om deze oorzaak zijn zij, die met de wereld niet zullen omkomen (omdat zij onwaardig eten en drinken) krank, en met de dood gestraft. (1 Kor. 11: 30, 32, 33). Het is duidelijk in strijd met de tekst, wat Mr. Towne zegt, n.l. dat een gerechtvaardigde, die de minste mate van geloof heeft, niet onwaardig eten en drinken kan; het kleinste geloof maakt hem waardig; en zo speelden zij, die in de tekst onwaardig aten maar met het evangelie, en deden nimmer wezenlijk Christus aan. Maar het geloof verhindert een gerechtvaardigde niet meer het Avondmaal des Heeren onwaardig te ontvangen, dan het hem belet, om hoererij te begaan, of bloedschande, of een doodslag; en wie onder deze zonde liggende, tot des Heeren tafel zou komen zonder bekering, zou onwaardig eten en drinken, en zulk een zonde kan een gelovige naar Gods hart (zoals David was) begaan. Er is een groot verschil tussen onwaardig zijn, en onwaardig eten. Alle gelovigen zijn van zichzelf Christus en de zaligheid onwaardig, maar in Christus zijnde door het geloof, worden zij waardig gerekend; en toch kunnen zij onwaardig eten en drinken. Maar het gevoelen van Mr. Towne schijnt hierop neer te komen, dat een gerechtvaardigde niet kan zondigen, noch onwaardig eten en drinken, omdat het geloof hem waardig maakt; en als dat zo is, dan is de weg der genade een wulpse, plezierige weg; de gerechtvaardigden zijn dan bevrijd van de wet en van enig gevaar, om te zondigen.
3. Niets is klaarder, dan dat David gestraft werd volgens de regel van die gemengde en vaderlijke gerechtigheid, die een noodwendige verhouding tussen zonde en straf in acht neemt. Zijn zonde was, dat hij Uria's huis uit Israël afsneed; God zond het zwaard tot zijn huis, al zijn dagen. Hij nam heimelijk de huisvrouw van een andere man, en bedreef overspel met haar, de Heere nam zijn vrouwen voor de zon en gaf ze aan Absalom, die, zijn bed bevlekte. (2 Sam. 12). Hier is gerechtigheid, hoewel, dit stem ik toe, vermengd met barmhartigheid; zwaard om zwaard, bed om bed. Eli eerde zijn zonen meer dan God, en duldde dat zij het priesterambt en de offeranden ontheiligden; gerechtigheid zette zijn zonen buiten het priesterschap en de offerande. Hiskia toonde uit hoogmoed al zijn schatten en al wat in zijn huis was aan de gezanten van de Koning van Babel; en gerechtigheid mat hem met dezelfde maat: al wat in zijn huis was, en al zijn schatten werden als een roof naar Babel weggevoerd.
4. "Doodt ouden en jongen - begint van mijn heiligdom", (Ezech. 9: 6). "En zie gij zult zwijgen en niet kunnen spreken - omdat gij mijn woorden niet geloofd hebt," (Luk. 1: 20). De kerk van God zegt hetzelfde: de Heere is rechtvaardig, want ik ben zijn mond weerspannig geweest." (Klaagl. 1: 18). Het juk van mijn overtredingen is aangebonden door zijn hand, zij zijn samen gevlochten, zij zijn op mijn hals geklommen (vs. 14). wat klaagt dan een levend mens, een mens om de straf zijner zonde?" (Klaagl. 3: 39, Eng. Vert.) laat ons onze wegen onderzoeken en doorzoeken, en laat ons terugkeren tot de Heere" (vs. 40). Wie heeft Jakob tot een plundering overgegeven, en Israël de rovers? Is 't niet de Heere? Hij, tegen wie wij gezondigd hebben?" (Jes. 42: 24). Ik zal des Heeren gramschap dragen; want ik heb tegen Hem gezondigd;" (Micha. 7: 9). "Want het geschiedde om de toorn des Heeren tegen Jeruzalem, en tegen Juda, dat Hij haar van zijn aangezicht weggeworpen had; en Zedekia rebelleerde tegen de Koning van Babel." (2 Kon. 24: 20). Het is van geen gewicht, wat ingebracht wordt, om de kracht weg te nemen van deze duidelijke schriftuurplaatsen. De kerk, (zo zeggen zij) bestaande uit gemengde personen, goede en kwade, uitverkorene en verworpene, wordt, wat het goddeloze deel betreft, in gerechtigheid gestraft, maar niet de gelovigen. Hierop antwoord ik, dat gans Juda, goede en kwaden, Jeremia, Daniël en al het heilige zaad met de weerstrevige en hardnekkige afgodendienaard ingewikkeld waren in dezelfde gemeenschappelijke ramp van een droevige gevangenschap. Het waren niet de kwade vijgen en de halsstarrige afgodendienaars, die des Heeren rechtvaardigheid en hun eigen weerspannigheid tegen de Heere beleden; ook kwam het goddeloze deel niet tot een onderzoeken van hun wegen, en tot een erkennen, dat de onwedergeborene alleen lijdt om zijn zonden; noch verdroeg iemand van die zijde, des Heeren gramschap met lijdzaamheid, hoop en stilheld: het was de ware kerk, Gods Jakob, het waren de zachtmoedigen der aarde, die zich zo vernederden onder Gods tuchtigingen, en toch werden juist dezen gestraft om hun zonden, gelijk zij bekennen. (Klaagl. 1: 18; Micha. 7: 9).
5. Dit is ook tegen het verbond, en deszelfs bedreigingen: "En zo gij met mij in tegenheid wandelen zult, en Mij niet zult willen horen, zo zal ik over u naar uw zonden zevenvoudig slagen toedoen, enz. (Lev. 26: 21-40). "Zo dan (in hun zware verdrukkingen) hun onbesneden hart gebogen wordt - en zij dan aan de straf van hun ongerechtigheid een welgevallen hebben,"(vs. 41). dan zal Ik gedenken aan mijn verbond met Jakob." (vs. 42). indien zijn kinderen mijn wet verlaten, en in mijn rechten niet wandelen," (Ps. 89: 31). zo zal Ik haar overtreding met de roede bezoeken: en haar ongerechtigheid met plagen." (vs. 33). maar mijn goedertierenheid zal Ik van Hem niet wegnemen," enz. (vs. 34). Niets is duidelijker, dan dat degenen, die in het verbond der genade zijn, van wie God de gewisse weldadigheden Davids niet kan wegnemen, om hun ongerechtigheden bezocht worden met tijdelijke roeden.
6. Het is in strijd met Gods toorn en ongenoegen over de zonden zijner kinderen, want God is werkelijk. toornig over de zonden van zijn kinderen; en waarom zou Hij ze dan niet straffen om hun zonden? "De toorn des Heeren ontstak over Mozes." (Exod. 4: 14). "Ook vertoornde zich de Heere op mij om uwentwil. (Deut. 1: 37). En de geschiedenis toont, dat God, omdat Mozes de Heere niet heiligde aan de wateren van Meriba, niet wilde toelaten, dat Hij zijn voet zette in het heilige land. "De Heere vertoornde zich tegen Salomo." (1 Kon. 11:9). "Ook vertoornde de Heere zich zeer tegen Aäron", (Deut. 9:20). De profeet Jehu zei tot Josafat, die goede koning, "Nu is daarom over u van het aangezicht des Heeren grote toornigheid" (2 Kron. 19: 2). "Want in mijn verbolgenheid heb Ik u geslagen, maar in mijn welbehagen heb Ik mij over u ontfermd." (Jes. 60: 10).
7. De tegenovergestelde dwaling is gegrond op weer andere dwalingen. Dat alle verdrukkingen ondergeschikte dienaars en ambtenaars der wet zijn; en zo zijn ze tekenen van Gods toorn, evenals de wet toornt: en zoals de gelovigen verlost zijn van de heersende macht van de wet, zo ook van de roede. Maar dit is niet waar, want Gods roede, op zichzelf aangemerkt, is niet een van wrekende gerechtigheid, en niet van vrije ontferming, maar zij ontleent haar natuur en onderscheiden bediening aan het voornemen, en aan het hart Gods; in al deze uitwendige zaken wedervaart enerlei de uitverkorenen en de verworpenen. De berouw hebbende moordenaar, en de godslasterende moordenaar zijn onder dezelfde roede van God; beiden sterven een gewelddadige dood. De goddeloze Achab en de goede Josia worden beiden gedood in de krijg. De zweren en plagen, die in de wet gedreigd worden, (Deut. 28:60) zijn op Job (Job 2:7). Wat doet dezelfde roede in de verworpeling een werk van gerechtigheid zijn, en in de gerechtvaardigde van gerechtigheid vermengd met en gematigd door barmhartigheid en vaderlijke goedertierenheid? Voorzeker, Gods welbehagen en wijs voornemen, tot verschillende doeleinden straffende, wijzigt de natuur der roeden; zo doet bijvoorbeeld een voornemen om zich in een weg van voldoening op de verworpene te wreken, Hem zijn roede daartoe bijzonder aanwenden, en die op hem zijn tot een straf van zwarten toorn, van zoute en onvermengde gerechtigheid. En dit voornemen is een wezenlijk bestanddeel in de voldoenende straf. God schrijft en graveert op de tandpijn van een verworpeling een stukje van de hel; en Hij stempelt op het levend verbranden, pijnigen en folteren de afdruk van de hemel, der barmhartigheid en der goedertierenheid, in de gelovige. Bastaardkruisen en wettig verkregen verdrukkingen hebben dezelfde vader, maar niet dezelfde moeder. 2. Indien de voorstanders van deze dwaling Gods roede zo willekeurig konden maken, als, naar hun verbeelding, de plichten van de onderwijzende en regerende wet van God zijn, dan zouden zij alle kruis verbieden en alle gerechtvaardigde personen naar de hemel zenden met een pas, welke hen beveiligde voor alle droefheid op de weg naar de hemel, en dan zou Christus zijn vele kinderen tot de heerlijkheid brengen, heelhuids en met droge aangezichten, terwijl Christus zelf naar de hemel ging met betraande ogen en een verbrijzelde ziel. De andere dwaling is, dat Christus een volle verzoening voor de zonde heeft teweeggebracht, en de gerechtigheid ten volle voldaan heeft voor allen, die gerechtvaardigd zijn in zijn bloed; en zij daarom niet zelf om de zonde gestraft kunnen worden. Maar 1e Er is meer in de gevolgtrekking dan in de voorafgaande stelling; ergo, de gerechtvaardigde kan noch geheel, noch gedeeltelijk voldoenende straf lijden voor de zonde. Dit is zeer waar; nooit Werden iemands klederen met een droppel rode wraak ter voldoening voor de zonde geverfd; Christus heeft alleen deze wijnpers getreden, en van al de volkeren was er niemand met Hem. Maar daaruit volgt nog geenszins is, dat de wedergeborenen geen straffen lijden om de zonde, overeenkomstig de regel van een andere gemengde en gematigde gerechtigheid. 2e. Indien dit argument van Christus' lijden van kracht is, dan volgt er uit, dat de uitverkorenen voor zij gerechtvaardigd zijn, nooit om de zonde meer gestraft worden, dan de gelovige heiligen; ja, dat God geen mishagen had in Abrahams afgoderij voor zijn bekering, noch in Manasse's bloed, noch in Saulus' vervolging, omdat Christus de gerechtigheid betaald heeft voor de zonden der uitverkorenen, zowel die begaan zijn voor als na hun rechtvaardigmaking.
1e Gebruik. Wij kunnen uit de verdrukking geen gevolgtrekking maken van een slechte toestand. Het is een deel van de teerheid van consciëntie in de wedergeboren, om de wet en de toorn te spoedig toe te passen: ik word meer dan alle anderen verdrukt, daarom is God toornig op mij, en ik ben van God verworpen, is een slechte gevolgtrekking. Er moeten enkele regels in acht genomen worden in de verdrukking. 1. Wij moeten er niet te veel noch te weinig uit willen bewijzen, bezwijken, noch dezelve klein achten. (Hebr. 12) Het geweten ziet te vlug na de verlichting, en te langzaam voor dezelve. De redenen waarom wij uit de verdrukkingen het besluit trekken, dat God ons haat, zijn: 1. Er is een consciëntie van een consciëntie in de gelovige; dat is, zelfs in een verlichte consciëntie is er enige kwaad geweten om kwaad van God te denken. "Ik zei in mijn haasten: Ik ben afgesneden van voor uw ogen" (Ps. 31: 22). Dit is een haastige consciëntie; evenals wij zeggen: dat is een haastig mens, die zit ook gauw te paard, en die wordt licht toornig." Dit is een consciëntie, die spoedig tot toorn verwekt wordt. 2. Wij hebben die liefde niet tot God, die wij tot deze of genen vriend hebben. Wij hebben een geliefde vriend zo lief, dat al zijn zwart wit is; zijn ogenschijnlijke beledigingen maken ons niet boos. Wij zeggen: ik kan van zo iemand geen kwaad geloven, en wij praten onszelf voorbij in een overdrijving en overlading van liefde, welke voortkomt uit een overmaat en overheersing van liefde tot een schepsel. Wij zijn in het andere uiterste tegenover God en Jezus Christus. Gevoel van verdrukking verkoelt onze liefde, en wij kunnen de liefde niet zover tot onze Heere uitbreiden, als wij zien, dat Hij hard met ons handelt, dat wij het andere oor zonder vooroordeel sluiten voor het bericht, hetwelk de verdrukking en het gevoel der verdrukking geven. 3. Het vlees spant met de verdrukking samen tegen God; de verdrukking fluistert van toorn, gerechtigheid, zonde, en het vlees zegt: dat is zeer waar", want het vlees haat God en moet daarom zijn bedeling belasteren. Achab kon niet anders dan Micha belasteren: hij profeteert (zegt hij) over mij niets goeds." Is Gods waarheid niet goed? Gewis, elk woord der profetie is als goud, dat zevenmaal beproefd is. Hij geeft zelf de reden aan van zijn laster - ik haat hem. Het andere uiterste is, dat wij in verdrukking te weinig rede verstaan, als, 1e wij zeggen: "het is de Heere niet." De Filistijnen twijfelden of God de spenen op hen had doen komen, omdat zij de ark genomen hadden, of dat het bij toeval was. Het is genade te weten, wie het kruis oplegt. 2e. Wij zien zelden geestelijk op het kruis; en vleselijk oog op een kruis is een ramp. "Gods toorn heeft hem rondom in vlam gezet, doch hij bemerkt het niet, en Hij heeft hem in brand gestoken, doch hij neemt het niet ter harte (Jes. 42: 25). Het is vreemd, dat Gods vuur iemand in brand steekt, en dat hij nochtans geen vuur ziet of voelt. Waarom? Er is iets van God kruis, dat het vleselijk oog niet kan zien, omdat, zoals Zofar zegt, "Een vuur, dat niet opgeblazen is, hem zal verteren (Job 20: 26). Sommigen nemen het, (en niet zonder reden) voor een vuur, dat het geblaas van de blaasbalg of van de wind mist om het vuur te doen vatten en te doen opvlammen. Sommigen zijn in brand gestoken en zij horen noch zien het. Er is een wit buskruit, dat brandt en geen leven of geluid maakt. Een stomme roede is een dubbele roede. Wij zien nauwelijks wat God doet in deze oorlog; wij zijn door God met blindheid geslagen. En zo komen goddeloze mensen nooit wettig uit de verdrukking; zij zien God niet, noch de zonde; en daarom komen zij niet uit de gevangenis met de sleutel van de koning, maar zij breken uit de gevangenis en springen uit een venster; de natie zal al de omstandigheden van deze bloedige oorlog in deze drie koninkrijken zien.
Gebruik. Wij moeten onderscheid maken tussen Gods verdrukken van een mens, en van een gehele kerk. Nu, God heeft zijn vuur in ons Zion, en wij verwonderen ons, dat Duitsland zesentwintig jaar in oorlog is geweest, en nu verscheidene jaren in deze koninkrijken het zwaard over ons geweest is. 1. Er moeten vele vaten gesmolten worden; een vuur gedurende een namiddag, of een oorlog van een morgen of een dag, kan dit niet doen. Zeven dagen ziekte van een stervend kind, doen David langzaam gaan en in een zak neerliggen. Jaren zijn kort genoeg om het trotse Schotland en Engeland te vernederen. God vernederde Israël ruim vierhonderd jaren in Egypte en hield ze veertig jaren in de woestijn, en Juda moest zeventig jaren rokende in de oven neerliggen. 2. Over een tempel werd zesenveertig jaar gebouwd. God heeft tachtig jaar genomen om Engeland te hervormen, en vele jaren om Schotland te hervormen, en nog is de tempel niet gebouwd: geeft onze Heere tijd; hoopt en wacht. 3. Babel is een grote ceder, die niet met de eerste slag kan vallen. Het is geen werk van een dag of een jaar om die prinses, de jonkvrouw der koninkrijken van haren troon der heerlijkheid af te brengen en in het stof te doen zitten, om de molen te nemen en meel te malen.
"Van de duivel bezeten"; zij is ten volle bezeten van een duivel. De boosheid des duivels werkt overeenkomstig zijn natuur, en hij werkt, zoveel in zijn vermogen is, met een bepaald doel en in een bepaalde richting. Evenals het vuur al zijn kracht ontwikkelt in het branden, de zon zo sterk verhit en verlicht als zij kan, en een molensteen, die van de maan neervalt op de aarde geen gematigdheid of vermindering van kracht gebruikt in zijn beweging, zo werkt de boosheid der hel wanneer zij losgelaten is van nature kwaad, niet door de wil.
Het bezit van de Satan is volkomen. Petrus zegt tot Ananias: waarom heeft de Satan uw hart vervuld, dat gij de Heilige Geest liegen zoudt?" (Hand. 5: 3). Evenals er een volheid Gods is (Ef. 3: 19) zo is er een volheid des duivels, vervuld zijnde met alle ongerechtigheid" (Rom. 1: 29). Het is geen wonder, dat ruiterbenden en boosdoeners evenzo werken als hun vader de natuur van de vader is in de zoon; de wijze van werken is overeenkomstig de natuur van de werker; de hel werkt als de hel. "Ziet, gij spreekt en doet die boosheden en neemt de overhand" (Jer. 3: 5). Zij trokken de zonde en de ongerechtigheid niet met een bies of een draad, maar met koorden der ijdelheid en met dikke wagenzelen" (Jes. 5: 18). "Zij doen met beide handen dapper kwaad" (Mich. 7: 3). Alles wat boosaardigheid en de hel voor wreeds doen konden aan jong en oud, aan vrouwen en zuigelingen is gedaan in Ierland en Engeland: de duivel in zijn element is tweemaal een duivel; hij is in zijn element, wanneer hij bloedige instrumenten bereidt en te werk stelt, en zich uitbreidt in zijn eigen gebied. van de satan boosaardigheid is van zichzelf groot en de toorn van een zondaar is zwaarder dan stenen en zand, maar wie kan (daar verenigde kracht sterker is) voor hen bestaan wanneer zij samengevoegd zijn? Van de schepping af zijn Christus' lammeren temidden van duivels en mensen onder de wolven bewaard, niet door menselijke kracht en sterkte.
Merkt op, dat allen die tot Christus kwamen, gedwongen zijn geworden dooi de een of andere noodzakelijkheid, hetzij een melaats lichaam, blinde ogen, een verlamming, een bloedvloeiing, een verdorde arm, of een stervende zoon, en dat sommigen tot Christus gebracht zijn, ten minste, dat hun ouders of vrienden tot Christus zijn gekomen vanwege een lichamelijk bezeten zijn van de duivel; maar wij lezen van niemand, die of uit zichzelf of door anderen kwam, omdat hij geestelijk van de duivel bezeten was. Er is veel vlees en veel natuur in ons, en zo veel gevoel en weinig geest, en weinig van God: een blind oog zal ons uitdrijven tot Christus, maar niet een ziel, die onder de macht van de vorst der duisternis ligt. 2. Wij zijn geheel lichaam en leven en tijd; maar wij zijn niet geheel ziel. en geest en eeuwigheid; het is er ver vandaan, dat de hemel het hoofdbestanddeel in ons is. Er is veel misplaatste liefde. Gij bent uit de vader de duivel", zegt Christus tot de Joden (Joh. 8: 44). Ieder kind heeft zijn vader lief. Wat? En de mensen hebben de duivel niet lief; heeft niet iedere ellendeling door een natuurlijk instinct een afkeer van de duivel? Is dit niet de moeder godsvrucht van elke ellendeling die van de baarmoeder af niets van God weet? God beware mij voor de duivel en al zijn werken; ik heb niets te doen met die onreine geest. Het is waar, er is een natuurlijke haat tegen de duivel waar te nemen, zoals hij een geest, een engel en een wapenkoning van de goddelijke gerechtigheid is, die natuurlijk aan alle mensen het kwaad der straf oplegt; maar er is in alle mensen een aangeboren, zedelijke liefde tot de duivel, zoals hij een gevallen geest is, die tot zonde verzoekt - hier bemint elk gevangene deze cipier; gelijk bemint gelijk; geruïneerde mensen en bankroetiers vlieden samen naar bossen en bergen. Iemand, die vogelvrij verklaard is, bemint een vogelvrijverklaarde; soort zoekt soort. De duivel en zondige mensen zijn beiden bankroetiers, vogelvrij verklaarden van de hemel, en van één geboorte; goddeloze mensen zijn de kinderen des duivels (1 Joh. 3: 10), zij hebben die natuurlijke betrekking van vader en zoon; er is in de zondaren van het zaad des duivels. Er is een geestelijke wellust in de duivels om hun lust te koelen aan Gods beeld en heerlijkheid, en de Satan vindt zijn eigen zaad in ons van nature: te weten wellust, een stam, een spruit, een kind van het huis der hel. Het ware te wensen, dat wij onze eigen ellende kenden. De mens besluit, dat een gevangene, die zijn ketenen liefheeft, omdat zij van goud gemaakt zijn, en ze niet haat, omdat het ketenen zijn, een aangenaam leven heeft. Hij begint de muren van zijn kerker te beschilderen, allerlei versierselen in zijn gevangenis op te hangen, en hij tracht zijn ijzeren boeien met goud te vergulden. O! zijn wij niet verliefd op onze zondekerker? Dragen wij onze vader, de duivel, niet een hartelijke liefde toe? Wij leggen voorraad op voor het vlees, en voeden de oude mens, die zo oud is als de eerste zonde van Adam. Helaas! wij zagen onze vader nooit in het aangezicht; wij hebben de duivel lief als de in de zonde gevallen duivel; maar wij zien hem niet als een duivel, maar zoals hij zich vertoont onder het borduursel van gouden en zijden verzoekingen: wij zaaien in het vlees, wij dragen onze oogst op aan de duivel, maar wij kennen onze landheer niet, en omdat onze zin en het vlees ons nader zijn dan God, begeren wij meer de vrijheden van staat, vrijhandel, en vrede met de koning dan de vrijheden van Christus, de kracht en zuiverheid van het evangelie, handel te drijven op de hemel, en vrede met God te hebben.
"Onreine geest." - Dit is de hoedanigheid van deze duivel: een onreine duivel. Nu, ik moet mijn onwetendheid bekennen, of hij zo genoemd wordt, omdat hij het meisje tot de een of andere verschrikkelijke daad van onreinheid verzocht, of omdat hij in het algemeen tot onreinheid van zonden verzoekt, zoals onreinheid maar een algemene toenaam voor alle duivels is. Hoe dit ook zij, alle duivels hebben deze algemene naam, "onreine geesten", vanwege hun geestelijke onreinheid. Het is zeker, de duivels zijn: 1e zwart, nu zij in een rokende hel gevallen zijn, en bewaard worden onder de macht en ketenen der duisternis, zij zijn maar een massa zwarte hel en duisternis, terwijl zij als schone engelen geschapen werden. De waarheid is de schoonste zaak, die er bestaat; gehoorzaamheid aan God is de waarheid (Joh. 3: 21). De zonde is het lelijkste en wanstaltigste ding in de wereld, en daarom kunnen zondaars geen gemeenschap met God hebben, tenzij zij gewassen zijn. 2e. De duivels waren eens zuivere en reine geesten - hun verstand was verhelderd, om God en zijn schoonheid te zien; nu, deze schone engelen zijn verduisterd, want hun medeengelen, die niet gezondigd hebben, zijn nog serafim en lichtende lampen, en deze engelen (zegt Christus) zien altijd het aangezicht mijns Vaders, die in de hemelen is." (Matth. 18: 10).
Dan, hoe meer genade van Christus, hoe meer helderheid van zaligmakende kennis en gezond oordeel; genade geeft degelijker wijsheid dan kunst of geleerdheid; hierdoor overtrof David al zijn leraars en de ouden. In Satans dwazen is het rechte beginsel der wijsheid uitgeblust. De profeet zei dit van staatslieden of liever van staatsdwazen: ziet, zij hebben des Heeren woord verworpen, wat wijsheid zouden zij dan hebben?" (Jer. 8: 9). Gelijk er besmettingen des vleses zijn, zo zijn er ook besmettingen des verstands en des geestes (2 Tim. 3: 8). Mensen, verdorven zijnde van verstand, zijn mensen van een verrot verstand; verkeerde begrippen van God zijn verrotting in het verstand. de geest van een gezond verstand" (Eng. Vert. van 2 Tim. 1: 7). Houdt het voorbeeld der gezonde woorden (vs. 13). Er zijn sommige woorden, die uit een ziek verstand voortkomen, als in Tit. 1: 13. De Apostel stelt, dat er sommigen ziek zijn in het geloof, evenals er sommigen gezond zijn in het geloof (Spr. 2: 7. Eng. Vert.). De Heere geeft gezonde wijsheid haar bestaan en wezen. De wijsheid en de wet Gods zijn een blijvend en levend iets, dat de eeuwigheid verduurt, terwijl menselijke wijsheid en valse begrippen van God dingen zijn, die voorbijgaan; de leugen leeft niet lang. De wijsheid is een boom des levens. "Laat mijn hart oprecht (Eng. gezond) zijn tot (in) uw getuigenissen" (Ps. 119: 80), volmaakt, zonder gebrek. Een dwaas mist het beste deel van zijn hart. Staatswijsheid, welke niet waterpas ligt met Christus' einden, maar evenredig is aan vleselijke ontwerpen, is maar dwaasheid.
"Van Hem gehoord hebbende". - Wat had zij gehoord? 1. Dat Jezus de Zoon van God was, de Messias van Israël, die haar dochter kon en wilde genezen. Hier zijn twee dingen opmerkelijk: 1e. Het horen van Christus trok haar tot Christus. 2e. Het is goed aan de grenzen van Christus te zijn en dicht bij Hem te zijn. Het is noodzakelijk, dat wij van Christus horen, voor wij tot Hem komen. Dit is Gods weg: het geloof is uit het gehoor." (Rom. 10). Christus is niet in ons van de baarmoeder af; het geloof is geen bloem die op zulk een zure en koude grond groeit als de natuur is; het is een stam en een geboorte van de hemel.
II. Niemand kan tot Christus komen, tenzij hij een goed gerucht van Hem hoort. Hoe zullen zij in Hem geloven, van wie zij niet gehoord hebben? Zij die rechtuit tot Christus komen, moeten edele, hoge, lange, diepe en brede gedachten van Jezus hebben, en het evangelie kennen. Nu wat is het evangelie? Niets dan een goede tijding van Christus. Gij moet een evangeliebericht van Christus horen, eer gij tot Hem komt; verkeerde bevattingen van Christus houden er velen van Hem af. "Vreemden zullen horen van uw grote naam en uw sterke hand" (1 Kon. 8: 42). Christus zou gehoord worden door de dove heidenen; "En te dien dage zullen de doven horen de woorden des boeks" (Jes. 29: 18). Wij horen, en wij horen niet, omdat de Heere alle morgen de oren niet wekt, dat wij horen, gelijk die geleerd worden. Velen horen, maar zij hebben geen oor der geleerden, noch het oor van zulken, die het van de Vader gehoord en geleerd hebben. Velen horen van Christus een stem, en niet meer dan een stem: zij weten die profetie niet, "uw oren zullen horen het woord (van degene, die) achter u is, zeggende: dit is de weg, wandelt in dezelve" (Jes. 30: 21). Er is een andere stem in ons horen; de mensen horen niet, om te horen. hoort gij doven, en schouwt aan gij blinden om te zien (Jes. 42: 18), dat is, hoort om te horen, en ziet om te zien. De Heere geeft genade om genade te kunnen geven, en wij moeten genade ontvangen, om genade te kunnen ontvangen; genade is het enige loon van genade.
III. Wij horen en wij horen niet, wij zien, maar wij hebben geen terugslaande handeling op ons zien. Velen openen hun oren tot Christus; maar horen niet; zij missen een geestelijk vermogen om op te merken. gij ziet wel vele dingen, maar gij bewaart ze niet, ofschoon hij de oren open doet, zo hoort hij toch niet" Jes. 42: 20).
IV. Velen zetten Christus in een oor zonder bodem of in een oor met een gat in zijn bodem. Wij horen van Christus, (Hebr. 2) maar wij zijn als lekke en leeglopende vaten. "Wie onder ulieden neemt zulks ter oren; wie merkt op, en hoort wat hierna zijn zal? (Jes. 42: 23) De geneesheren geven drie oorzaken van doofheid op. 1. Wanneer er vlees op het trommelvlies groeit. Dit is uitwendig: de wereld en haar zorgvuldigheid is een andere liefhebber, en dat verhindert het horen. 2. Wanneer het gehoororgaan gekwetst en verstoord is, evenals een lamme hand, die niet grijpen kan; nu, wanneer er valse verbeeldingen en beginselen, in strijd met het evangelie, in het hart zijn, dan kan het oor niet horen. 3. Wanneer er te veel vocht in de hersenen is, dat verwekt een geruis en geraas in het trommelvlies, en verhindert, dat het geluid gehoord wordt. Wanneer hoogmoed, en beginsels van zinnelijkheid en ijdel genot een geraas van binnen maken, zodat noch het kloppen van Christus, noch zijn stem van buiten kan gehoord worden, dan zijn de mensen doof.
Maar waarom horen en zien wij Christus niet, zoals Hij zich openbaart in zijn wegen en werken? De rede zou zeugen, dat wij toch zouden horen en tot Christus komen, indien de hel en het oordeel ons voor ogen gesteld worden. Veronderstelt, dat wij twintig of dertig jaren aaneen, met onze ogen een grote brandende oven zagen, zo groot als de gehele aarde, en wij zagen daar Kaïn, Judas, Achitofel, Saul, en al de verdoemden, als klompen rood vuur, en hen kokende en springende van pijn in een kerker van eeuwige zwavel, en de zwarte en verschrikkelijke duivels met lang en scherpgetande zwepen van schorpioenen hen met geselslagen striemende, en wij zagen daar onze buren, broeders, zusters, ja, onze lieve kinderen, vrouwen, vaders en moeders, zwemmende en zinkende in die zwarte poel, en wij hoorden het gillen, roepen en schreeuwen van onze kinderen en vaders, lasterende de vlekkeloze rechtvaardigheid Gods: - indien wij dit zagen, terwijl wij hier op aarde leven, dan zouden wij de majesteit van God niet durven beledigen, maar wij zouden horen, tot Christus komen en geloven en gezaligd worden. Doch de waarheid is, indien wij Mozes en de profeten niet geloven, wij zouden ook hierom niet geloven; immers wij zien dagelijks, zelfs terwijl wij in dit leven zijn, stukjes en brokjes van de hel met onze ogen en horen ze met onze oren; wij zien toch en horen dagelijks van sommigen, wentelende in hun bloed, duizenden van onze broeders, kinderen, vaders neergeveld, kwaaddoeners opgehangen en gevierendeeld, de dood in ieder huis. Dit, ja dit zijn kleine hellen, en kooltjes en vonkjes van het grote vuur der hel, en zekere bewijzen voor ons, dat er een hel is; toch horen wij niet, noch komen wij tot Christus. Ja, veronderstelt, dat een prediker uit de hel, tot de vijf broeders van de rijke gulzigaard kwam (Luk. 16) en, dat hij al de striemen en merktekenen van de zweepslagen van Satans schorpioenen, op rug en zijde, op dijen, armen en een meebracht, ja, al bracht hij tienduizend verdoemden uit de hel tot ons, en hij bracht met zich de rode kolen van de grimmigheid Gods, elke kool zo groot als een berg, en hij vertoonde ze alle aan onze ogen, oren en zinnen - - zo groot is de kracht van onze doofheid en blindheid, dat wij niet zouden geloven, want wanneer zoveel kleine hellen op de lange duur zo weinig uitwerken, dan zou deze een grote hel er ons nooit toe brengen om te horen en tot Christus te komen. Ziet hoe weinig wij aangedaan zijn over het bloed van zovele duizenden van ons eigen vlees in de drie koninkrijken! Helaas! onze zinnen zijn binnen de tijd beperkt.
De andere opmerkenswaardige zaak is, dat het goed is nabij de plaats te zijn, waar Christus is. Het was een voordeel, dat de vrouw aan de grenzen woonde van het land, waar Christus was. Het is goed voor de arme om een rijke tot buur te hebben, en voor de dorstige zijn huis op te slaan en te wonen bij de fontein, en voor de zieke, de geneesheer dicht bij te hebben. 0! hebt de grond lief, waarop Christus wandelt. In Sion geboren te zijn is een eer, omdat de Heere daar woont". (Ps. 87: 6). Het is een zegen om Christus te horen en te zien (Matth. 13: 16). Wij overwegen niet en waarderen niet recht welk een gunst het is, dat Christus wandelt in het midden van de gouden kandelaren; dat de stem van de tortelduif gehoord wordt in ons land. Het is aan ons Hem een paleis van zilver te bouwen. Wat het zesde artikel betreft, namelijk, haar aanbidden van Christus, dat zal op een andere plaats behandeld worden. Ik haast mij daarom tot haar gebed.
In haar gebed, zoals het bij Mattheüs uitgedrukt staat, merken wij op: 1e De wijze waarop zij bad: "zij riep". 2e. De naam, waarmee zij Hem aansprak, of de partij tot wie zij bad: Heere gij Zoon Davids". 3e. De smeekbede: "ontferm u mijner". 4e. De reden - "mijn dochter is deerlijk van de duivel bezeten".
"Zij riep," De arme vrouw bad (gelijk wij zeggen) met toegenegenheid, met sterke aandoening. Waarom pleegt men te roepen in het gebed? Was het niet bescheidener geweest, tot deze zielverlossende Zaligmaker, die dikwijls hoort eer wij bidden, te spreken, dan te roepen en te schreeuwen? - want de discipelen klagen er later over, dat zij Hem naroept". Was Christus zo moeilijk over te halen? De redenen van het roepen zijn: 1e Nood kan zich niet schamen. De nijpende nood der heiligen is niet gebonden aan de wet der bescheidenheid. De honger kan niet beschaamd zijn. "Ik bedrijf misbaar in mijn klacht, en maak getier" zegt David, (Ps. 55: 3) en Hiskia, gelijk een kraan of zwaluw alzo piepte ik; ik kirde als een duif" (Jes. 38: 14). ik ga zwart daar heen, niet van de zon - opstaande schreeuw ik in de gemeente" (Job. 30: 28). 2e. Hoewel God het gebed alleen hoort. zoals het in Christus aangenaam is, niet, omdat het zeer vurig is; zo is toch de vurigheid een hemels bestanddeel in het gebed. Een pijl, die met volle kracht afgetrokken wordt, bereikt sneller zijn doel; daarom worden de gebeden der heiligen in de Schrift door roepen uitgedrukt, mijn God, ik roep des daags, maar Gij antwoordt niet, (Ps. 22: 3). 's Avonds, en 's morgens en des middags zal ik klagen en getier maken (Ps. 55: 18). Als mij bang was, aanriep ik de Heere" (Ps. 18: 7). maar ik, Heere, roep tot U (Ps. 88: 14). Uit de diepten roep ik tot U, o Heere!" (Ps. 130:1). Uit de buik des grafs, schreide ik" (Jona 2:2). Tot U roep ik, Heere! mijn rotssteen (Ps. 28:1). Ja, het gaat iets hoger dan roepen; ziet, ik roep geweld, doch word niet verhoord" (Job. 19: 7). "Ook wanneer ik roep en schreeuw, sluit Hij de oren voor mijn gebed" (Klaagl. 3: 8). Hij die ons allen moet leren bidden, de zoete Jezus, heeft in de dagen zijns vleses gebeden en smekingen met sterke roeping en tranen geofferd" (Hebr. 5: 7). Hij bad met oorlogskreten.
3e. Deze gebeden zijn zo overmogend, dat God ze beantwoordt: deze ellendige riep, en de Heere hoorde, en Hij verloste hem uit al zijn benauwdheden." (Ps. 34: 7) Mijn geroep, voor zijn aangezicht, kwam in zijn oren. (Ps. 18: 7). Het geroep geeft het gebed vleugelen, evenals een snelle bode, die naar het hof gezonden wordt, met een boodschap, waar leven of dood vanaf hangt: "Tot U hebben onze vaders geroepen, en zijn uitgered." (Ps. 22: 6). De rechtvaardigen roepen, en de, Heere hoort." (Ps. 34: 18). Wij kennen allen de gelijkenis van de arme weduwe, en de onrechtvaardige rechter: indien de verdrukte niet bevrijd wordt, dan zullen Christus en zijn Vader en de hemel er op letten. Hierom, 4e aandrang in het gebed. Ik zal U niet laten gaan, tenzij, dat Gij mij zegent," zei Jakob tot zijn Heere. Jakobus noemt het (Hfdst. 5: 16) een "krachtig gebed"; een gebed gestaald met vurigheid van geest; - - zo vurig, dat David als de bode is, die driemaal van paard verwisselen moet, omdat het buiten adem is; zijn hart, zijn keel zijn ogen. Ik ben vermoeid van mijn roepen, mijn keel is ontstoken, mijn ogen zijn bezweken: daar ik ben hopende op mijn God." (Ps. 69: 4). 5e Er wordt geweld op God gedaan in een vurig gebed. (Exod. 32: 10). Mozes, wanneer hij met God in de gebed worstelt, krijgt ten antwoord: "En nu, laat Mij toe, dat mijn toorn tegen haar ontsteke, en haar vertere." "Laat Mij toe," of laat Mij niet rust" (volgens de Eng. vertaling) is een woord van iemand, die geweld aangedaan wordt. Er zijn beenderen en zenuwen in zulke gebeden; daardoor wordt de Koning als gebonden op de galerijen (Hoogl. 7: 5).
Tegenwerping 1. Maar indien de zaak zo staat, dat de gebeden zo vurig moeten zijn, en ik met luider stem moet roepen en schreeuwen, dan kan ik niet bidden, want ik ben dikwijls zo verhard, dat ik geen woord kan spreken.
Antwoord. In zulk een toestand was die knecht Gods ook, in een geestelijk gebed, als hij zich in Ps. 77: 5 aldus uitlaat. gij hield mijn ogen wakende; ik was verslagen en sprak niet." ja, zuchten gaat bij God voor bidden door: dat de Heere uit de hemel op de aarde geschouwd zal hebben, om het zuchten der gevangenen te horen." (Ps. 102: 20, 2l). de Geest bidt voor ons met onuitsprekelijke zuchtingen.", (Rom. 8: 26). Het geloof zucht gebeden naar de hemel. Christus ontvangt zuchtingen in zijn wierookvat, als een gebed. Woorden zijn maar het lichaam, het kleed, de buitenkant van het gebed; zuchten zijn dichter bij het hartenwerk. Een stomme bedelaar krijgt een aalmoes aan Christus' poorten door het maken van gebaren, omdat zijn tong niet voor hem pleiten kan, en te eerder, omdat hij stom is.
Tegenwerping 2. Ik heb zelfs niet zoveel als een stem om mij voor God uit te drukken, en Christus zegt: doet Mij uw stem horen." (Hoogl. 2: 14).
Antwoord. Ja, maar er is buiten de tong nog iets anders, dat een stem heeft: de Heere heeft de stem mijns geweens gehoord." (Ps. 6: 9) Tranen hebben een tong en spraakkunst en taal, welke onze Vader kent. Zuigelingen kunnen niet bidden om de borst, maar zij wenen, en de moeder kan aan hun schreien horen, dat zij honger hebben.
Tegenwerping 3. Maar ik ben dikwijls zo, dat ik niet wenen kan; het wenen is een mens zo eigen als het lachen, en geestelijk wenen is de vernieuwde mens eigen.
Antwoord. Hevige aandoening beweegt ons dikwijls tot wenen, zonder, dat het iets uitwerkt: vandaar, dat Hizkia maar kan "piepen als een kraan, of zwaluw, en kirren als een duif" (Jes. 38: 14). De droefheid houdt niet altijd de grote weg; het wenen is maar de schede van de droefheid, en er is dikwijls meer droefheid, waar weinig of geen geween is; het meeste vuur is daar, waar de minste rook is.
Tegenwerping 4. Maar bij mij is in het geheel geen wenen, noch gewoon, noch verborgen.
Antwoord. Het opzien naar de hemel, het opheffen der ogen, staat in Gods boek ook als bidden aangetekend. "Ik zal mij tot u schikken en wachthouden." (Ps. 5: 4). [Eng. Vert. Ik zal mijn gebed tot U richten en opzien]. "Mijn ogen zijn bezweken van het opzien", (Ps. 69: 4) De redenen daarvan zijn: 1ste. Het gebed is een uitgieten der ziel voor God, en het geloof zal zich aan het oog vertonen, in plaats van aan een andere deur: de aandoeningen banen zich dikwijls een weg door het venster, wanneer de deur gesloten is, evenals de rook een uitweg vindt door het raam, wanneer de schoorsteen niet trekt. Stefanus hield de ogen naar de hemel. (Hand. 7: 55.) Hij zond uit het venster, langs de kortste weg, een bode, een begerige, medelijdende en hongerige blik op tot Christus, om te vertellen, dat een arme vriend tot Hem kwam. 2e. Wanneer ik in de hel was, zou ik niets meer verlangen, dan een lange blik op te zenden naar de hemel. Er zijn vele liefdeblikken der heiligen opgelegd voor de troon, in de boezem van Christus. Het fonkelen van Uw ogen onder het bidden, is niet verloren bij Christus; anders zouden Stefanus' blik en Davids opzien niet zoveel honderden jaren aangetekend staan in het geschreven Testament van Christus.
Tegenwerping 5. Helaas! ik heb geen ogen om op te zien. De tollenaar (Luk. 18) sloeg zijn ogen ter aarde. En welke geestelijke zinnen heb ik om Christus achterna te zenden?
Antw. Er is leven, dat uw neusgaten in en uitgaat. Ademen is bidden, en wordt uit onze hand aangenomen, alsof het een biddend roepen was. gij hebt mijn stem gehoord: Verberg uw oor niet voor mijn zuchten [Eng. Vert. ademen], voor mijn roepen" (Klaagl. 3:56).
Tegenwerping 6. Ik heb maar een hard hart om God in liet gebed aan te bieden, en wat kan ik dan zeggen, daar ik alle geschiktheid om te bidden mis?
Antw. 1e Bid daarom, dat gij mag bidden. 2e. Zelfs het voorkomen en de blote tegenwoordigheid van een dodige geest, wanneer er weinig hoorbaar bidden is, is Gode aangenaam, of, indien een overstelpt hart weigert te komen, is het het beste, dit Christus te gaan vertellen, en Hem te verzoeken, het hart zelf te komen halen. 3e. Er komt weinig daglicht voor de zon; de beste helft er van is onder de grond. "Wij ook zelf zuchten in onszelf, (Rom. 8: 23). Alles wordt hier binnen de wanden van ons eigen hart verhandeld. De ziel roept, "O! wanneer zal mijn vader komen en zijn kinderen halen. Wanneer zal de bruid in de schoot van haren man liggen? 4e. Als Christus een hard hart maar aanziet, dan zal het smelten. 5e. Ik toon hier het kleinste gebed aan, waarin het leven en het wezen van het gebed kan ademhalen en leven. Omdat nu het gebed een uitstorten van de ziel voor God is, zo komen er met het gebed ook vele aandoeningen van liefde, begeerte, verlangen, blijdschap, geloof, droefheid, vrees en vrijmoedigheid mee voor God, en het hart wordt in Christus' schoot gelegd. Ook is het niet boven noch beneden het wezen van het oprecht bidden, hetzij de ziel zich uit in woorden, in kermingen, of in uitzien, of in zuchtingen, of in het druipen van het oog tot God (Job 16: 20) of in het ademen.
Tegenwerping 7. Maar hoe zullen het half-bidden en de woorden zonder zin ontvangen worden?
Antw. Dit is het geval van de Kananese vrouw. Piscator merkt een weglating van woorden op, in het ontbreken van het rededeeltje (gar), of omdat, of want: "Ontferm u mijner - mijn dochter is bezeten"; zij moest gezegd hebben, "omdat mijn dochter bezeten is; maar het gemoed is haastig, zodat zij woorden weglaat. Zo worden gebroken gebeden in de Schrift als gebeden opgetekend. ik heb lief, want de Heere hoort mijn stem" (Ps. 116:1). Er staat in het Hebreeuws maar één woord (Ahabti), ik heb lief; maar hij zegt niet, wie hij liefheeft. Het is een gebroken woord, omdat hij, zoals Ambrosius zegt, het allerbegeerlijkste liefhad. Ik heb liefde, (wil hij zeggen) maar haar middelpunt en bed is God alleen. "Mijn ziel is zeer verschrikt, en gij, Heere, hoe lang? (Ps. 6:4). Dat is ook een afgebroken rede, voor mijn liefde staan zij mij tegen maar ik was [steeds in] het gebed." (Ps. 109: 4). De redenen van afgebroken gebeden zijn dikwijls, 1e De haastigheid der genegenheden; niet altijd de haastigheid van het ongeloof, (Jes. 28: 16) maar dikwijls van het geloof. (2 Petr. 3: 10). Liefde en verlangen naar Christus hebben arendsvleugelen, en de liefde vliegt, wanneer de woorden maar kruipen als een slak. 2e. Het komt door een verzwakking in de genegenheden, (zij zijn gebroken als een te sterk gespannen boog) dat er een verflauwing en verzwakking in woorden is. Elk deel van een smeekbede aan een vorst, is geen smeekbede; een arm mens kan uit vrees onzin spreken, en gebroken woorden uitbrengen, welke de vorst niet kan verstaan; maar onzin in het gebed, wanneer droefheid, donkerheid en een duistere, overstelpte geest woorden voor zegt, is wel verstaanbaar en heeft een goede zin bij God. Daarom, om het u duidelijk te maken, omdat het gebed Gods vuur is, zoals elk deeltje vuur vuur is; zo is ook hier elk afgebroken deeltje van het gebed gebed. Zo vergat de verloren zoon de helft van zijn gebeden; hij nam voor te zeggen: "maak mij als een van uw huurlingen," (Luk. 15: 19) maar (vers 21) hij bad zo iets niet, en toch viel hem zijn vader om zijn hals, en kuste hem. "Een plant is een boom in haar vermogen; een kind is een mens; zaden van zaligmakende genade zijn zaligmakende genade; het gebed is dikwijls in de ingewanden en de baarmoeder van een zucht; al komt het er niet uit, nochtans hoort God het als een gebed. en die de harten doorzoekt weet welke de mening des Geestes zij, omdat Hij naar God voor de heiligen bidt." (Rom. 8: 27). Heere, Gij hebt de wens der zachtmoedigen gehoord." (Ps. 10: 17). Wensen of begeerten hebben geen klank bij de mensen, om het oor te bereiken, maar bij God klinken zij als gebeden. Dan wanneer anderen niet kunnen weten, wat een gekreun betekent, weet God wel, wat zich onder het kleed van een zucht bevindt, omdat zijn Geest de zucht gemaakt heeft: Hij maakte eerst het gebed als een voorbidder, en dan hoort Hij het, als God; Hij is van binnen biddende, en van buiten horende.
Tegenwerping 8. Maar, zijn al mijn roepingen in het gebed werken des Geestes?
Antw. Het vlees kan er zich in mengen en zich bij het gebed aansluiten, en sommige dingen kunnen in haast gezegd worden en niet in geloof, zoals in dat gebed - heeft God vergeten genadig te zijn!" (Ps. 77: 10). Ook zal dat van Jeremia niet in Christus' gouden wierookvat gelegd worden, om de Vader voorgesteld te worden: "zoudt gij mij ganselijk zijn als een leugenachtige? Als wateren, die niet bestendig zijn?" Jer. 15: 18). Noch dat van Job (Job 13: 24) "Waarom houdt gij mij voor uw vijand?" Christus wast zondaren in zijn bloed, maar Hij wast de zonde niet; Hij pleit voor de bidder, opdat hij aangenomen worde, maar niet voor de werkingen en opwellingen der verdorvenheid en des vleses, welke met ons gebed vermengd zijn, dat die wit mogen worden. Christus verwerpt die dingen in het gebed, die wezenlijk kwaad zijn, maar Hij wast het gebed, en maakt, dat de Vader het aanneemt. Er zijn zoveel andere dingen, welke een uitgieten der ziel in het gebed zijn; als kermen, zuchten, opzien naar de hemel, hijgen, wenen, dat het niet uit te drukken is, hoeverre gedrukte en gelezen gebeden ten achterstaan bij een vurig gebed, want men kan geen zuchtingen, kermingen, tranen, hijgingen en dergelijke hartsboodschappen in een gedrukt boek terneerstellen; ook kunnen papier en inkt uw hart in al zijn zoete aandoeningen niet openleggen voor God. Het gebedenboek moet dan ook tandeloze en geesteloze praat zijn.
Zoon Davids; Heere, gij Zoon Davids!" Overweegt, waarom Christus in deze wijze van aanspreken de Zoon Davids, en nooit de zoon van Adam of de zoon van Abraham genoemd wordt. Weliswaar wordt Hij dikwijls de Zoon des mensen genoemd, maar nooit, wanneer iemand tot Hem bidt, en Hij staat in zijn geslachtsregister aangetekend als Davids zoon, Abrahams zoon, de zoon van Adam; maar de zoon Davids was zijn gewone betiteling, wanneer Hij aangebeden werd in de dagen zijns vleses. De redenen zijn: Ie. Christus stond in een bijzondere betrekking tot Abraham, als zijn zaad, maar meer bijzonder tot David, omdat het verbond op een bijzondere wijze opgericht was met David, als een koning, en de eerste koning, in wiens hand de Kerk, en haar te weiden als Gods kudde, als Gods pand was overgegeven. De Heere richtte het verbond der genade op met David en zijn zoon Salomo, die Hem een huis zou bouwen, en beloofde hem een eeuwig koninkrijk, en genade, en volharding in de genade, en dat door een vast verbond", de gewisse weldadigheden Davids" Jes. 55: 3; 2 Sam. 8: 8-16; 1 Kron. 22: 9, 10; 2 Sam. 23: 5). nochtans heeft Hij mij een eeuwig verbond gesteld, dat in alles wel geordineerd en bewaard is: voorzeker is daarin al mijn heil en al mijn lust". "Ik heb een verbond gemaakt met mijn uitverkorene; Ik heb mijn knecht David gezworen (Ps. 89: 4, 5). ik zal uw zaad tot in eeuwigheid bevestigen, en uw troon opbouwen van geslachte tot geslachte (vs. 21-38). Gabriël spreekt hetzelfde tot Zacharias (Luk. 1: 32, 33 en 68, 69; Hand. 13: 34-37; en 2: 30). Nu, het was nodig, dat Christus, de Messias regelrecht van een koning zou afstammen. Abraham was geen koning; Adam was niet formeel een koning door verbond, gelijk David was. 2e. Christus verwisselt met David van naam, zoals Hij nooit met enig mens deed. Christus wordt nooit Abraham genaamd, maar mijn knecht David zal vorst zijn in het midden van haar (Ezech. 34: 23, 24). Zij zullen de Heere hun God zoeken, en David haren Koning, (Hos. 111: 5). 3e. David beklom een voorbeeldige troon tegen de zin van Joden en Heidenen (Ps. 11: 1, 2), hetwelk Christus ook deed (Hand. 4: 25, 26), en hij weidde het volk Gods temidden van vele vijanden (Ps. 110: 1, 2), en dit deed Christus ook. (Hand. 2: 34, 36). Niet alzo Abraham; werd als een vriend behandeld in een vreemd land.
Waar ik op doel is dit: Naar de godgeleerdheid, die Joden en Heidenen, die God kenden, ontvingen, was Christus een koning door het verbond der genade, en de, bijzondere partij van het nieuwe verbond, evenals David. Dit zal tot meerdere klaarheid gebracht worden, wanneer wij het verbond nader onderzoeken: 1. Wat het is. 2. Wie. de partijen zijn. 3. Welke de beloften. 4. Welke de voorwaarden. 5. Welke de eigenschappen. 6. Enige gebruiken, met inachtneming van alle kortheid. Het verbond is hier een gemeenschappelijke en wederzijdse overeenkomst tussen twee partijen, volgens welke zij elkaar vrijwillig deze en die dingen beloven; hiervandaan sloten God en de mens, een plechtige overeenkomst in Christus. 2. Zij stemmen beiden toe. Christus dwong zijn bruid niet, om Hem tegen haren wil te huwen, ook was God niet gedwongen een verbond te maken. Het was liefde en genade, welke Christus de pen ter hand deed nemen, om het verbond met zijn bloed te ondertekenen. 3. Evenals een groep sterren een sterrenbeeld, en een verzameling takken een boom maken, zo komen een massa beloften samen in dit verbond. Overal, waar Christus is, groeien trossen goddelijke beloften uit Hem, evenals de stralen en lichtbundels uit de zon, en een familie ('als het ware), en vereniging van takken uit een boom. 4. Er is hier een geven en ontvangen. Christus biedt aan en geeft deze en die gunsten; wij ontvangen alles door te geloven, behalve de genade van het geloof, welke niet kan ontvangen worden door het geloof, maar uit vrije gunst en genade, buiten ons, in God. Onze gehele zaligheid is genade, van het begin tot het einde. Indien er geen Zaligmaker geweest ware, die (om die uitdrukking eens te gebruiken) geheel van genade gemaakt is, de genade zelf, dan konden wij nooit gemeenschap met God gehad hebben.
2. De partijen van het verbond zijn God en de mens. O, hoe liefelijk! dat zulk een Pottenbakker, en zulk een formeerder van alle dingen, in onderhandeling wil komen met zulke klei, die zo schuldig is voor Hem! Nu, de partijen hier, zijn aan de ene zijde God, en aan de andere zijde, de Middelaar, Christus, en de kinderen, die de Heere Hem gegeven heeft. Merkt op, 1. In het verbond der natuur en der werken, waren God en zijn vriend Adam de partijen, die een verdrag sloten, en in het tweede verbond zijn God en zijn metgezel Christus, en al de zijn, de partijen. Een verbond des vredes kan niet tussen een vijand en een vijand, als zodanig, zijn zij, die vijanden waren, moeten de toorn afleggen, voor zij een verbond kunnen sluiten. Tegenstrijdigheden kunnen als tegenstrijdigheden niet verenigd worden. God, die de enige Auteur is in, dit verbond, heeft eerst de vijandschap afgelegd. De liefde moet eerst liefde doen uitgaan, evenals het vuur de hitte moet uitstralen. Het is waar; dit verbond is gemaakt met zondaren, (evenals God het verbond der natuur met Adam maakte, echter rechtvaardig) maar een verbondsgewijze vereniging kon nooit tot stand zijn gekomen, tenzij God enigerwijze tot ons neergebogen ware, tot een bewijs, dat genade uitermate genadig is.
Christus is hier de partij, en zo heeft Christus een zevenvoudige betrekking. 1. Zoals Hij meer is dan een schepsel, is Hij het Verbond zelf. 2. Zoals Hij tussen de partijen staat, is Hij de Bode van het verbond. 3. Zoals Hij alles zag en hoorde en getuigde, is Hij de Getuige van het verbond. 4. Zoals Hij borg blijft voor de in geschil zijnde partijen, is Hij de Borg van het verbond. 5. Zoals Hij staat tussen de tegenover elkaar staande partijen is Hij de Middelaar van het verbond. 6. Zoals Hij het verbond ondertekent, en alle artikelen vastmaakt, is Hij de Testamentmaker van het verbond. 7. Zoals Hij een zijde, of de helft van het verbond is, is Hij de contracterende Partij in het verbond.
Wat de eerste betreft: ik zal U geven tot een verbond van het volk, tot een licht der heidenen." (Jes. 42: 6). ik zal U bewaren, en Ik zal U geven tot een verbond, van het volk." Jes. 49: 8). Christus, God en mens, is het gehele verbond: 1e Omdat Hij gegeven is, om het verbond aan beide zijden te vervullen. -9e. Hij is het verbond in het afgetrokkene; Hij is de vrede en de verzoening zelf. "En deze zal vrede zijn, wanneer Assur in ons land zal komen," (Micha. 5: 4). Gelijk het vuur heet is van zichzelf, en alle dingen heet zijn, die er deel in hebben, zo bent gij in zoverre met Christus in verbond, als gij iets van Christus hebt. Mist Christus, en gij mist de vrede en het verbond.
2. "Snel zal tot zijn tempel komen die Heere, dien gijlieden zoekt, te weten de Bode of de Engel des verbonds, aan dewelke gij lust hebt." (Mal. 3: 1) Christus reist met tijdingen tussen de partijen. 1 Hij brengt ons een boodschap van God. dat het de wil zijns Vaders is, dat wij zalig worden." (Joh. 6: 39). 2e. Christus brengt een tijding van zichzelf, want het doet Christus een makelaar zijn voor Christus, en het doet de Wijsheid 111 de straten uitroepen . "Wie wil Mij hebben?" (Spr. 1: 2022; en 9: 1-5). Het betaamde de Heere Jezus zichzelf te prijzen. "Ik ben het Brood des levens"; "Ik ben het Licht der wereld." (Joh. 6: 48; en 8: 12). "Ik ben de Deur." (X: 9) "Ik ben de goede Herder." (vs. 11). 3e Hij prijst zijn Vader. "Mi n Vader is de goede Landman." (Joh. 15: l). 4. Hij vraagt ons ten huwelijk, en prijst zijn Vader, en onze Schoonvader. Gij huwt Mij, geliefde zielen; 0, maar mijn Vader is een groot Persoon: in het huis mijns Vaders zijn vele woningen." (Joh. 14: 2). Hij prijst ons bij de Vader: een bode, die komt, om vrede te maken, zal dit alles doen. zij hebben uw woord ontvangen, en zij hebben waarlijk bekend, dat Ik van U uitgegaan ben, en hebben geloofd, dat Gij Mij gezonden hebt." (Joh. 17: 8). "Rechtvaardige Vader, de wereld heeft U niet gekend; maar Ik heb U gekend, en deze hebben bekend, dat Gij Mij gezonden hebt" (vs. 25). Predikanten kunnen niet van Christus en zijn Vader spreken, zoals Hij dat zelf doen kan. 0, komt! hoort Christus van Christus, en van zijn Vader, en van de hemel spreken, want Hij heeft die allen gezien. O lieve gelovigen! Christus geeft een goed bericht van u in de hemel: de Vader en de Zoon spreken over u achter uw rug. Een goed bericht in de hemel is veel waard; Christus sprak meer goed van u, dan gij waard bent. Hij vertelt Ephraïms gebeden weer over, achter zijn rug." (Jer. 31: 18). 0, wee u! Christus brengt zwarte tijdingen van u in de hemel: Zulk een wil in Mij niet geloven; hij haat Mij en mijn zaak en mijn volk. Christus kan niet van iemand liegen.
3. Christus is een ooggetuige van het verbond, die alles hoorde en zag. Het gehele verbond was een bloedige daad, zijn persoon aangedaan. ziet, Ik heb Hem tot een getuige der volken gegeven" (Jes. 55: 4), "de getrouwe Getuige" (Openb. 1: 5), "de Amen, de trouwe en waarachtige Getuige" (111: 14). Het verbond zegt: 1. de Zoon des Mensen is gekomen, om te zoeken en zalig te maken, dat verloren was (Luk. 19: 10). "Amen, zegt Christus, Ik kan getuigen, dat het waarachtig is." 2. Christus is gestorven en weer opgestaan voor zondaren. Amen, zegt de Getuige, ik ben dood geweest; en ziet, Ik ben levend in alle eeuwigheid. Amen. (Openb. 1: 18). Christus verzegelt dat: dit is een getrouw woord, en aller aanneming waardig, dat Christus Jezus in de wereld gekomen is, om voor zondaren te sterven. Ik kan zweren, dat het waarachtig is, zegt Christus. 3. "De wereld zal voorbijgaan, zegt het verbond, en daar zal geen tijd meer zijn." "Bij dien, die leeft in alle eeuwigheid, die de hemel geschapen heeft en de aarde, zegt deze Engelgetuige (Openb. 6), dat het waarachtig is, dat daar geen tijd meer zijn zal". Het is een punt van geschil in de wereld, of er een eeuwigheid ophanden is. Christus beëindigt dit geschil met een eed. 4. Christus zal de wereld oordelen, en alles zal voor Hem buigen. Deze Amen Gods zegt, dat het waarachtig is, want daar is geschreven, Ik leef, zegt de Heere, voor Mij zal alle knie buigen, (Rom. 14: 11). Het verbond der werken had een belofte: maar omdat het 1e. voorwaardelijk was, en 2e. verbroken en teniet gedaan zou worden, had het geen eed van God, evenals dit. O, twijfelende ziel! gij zegt, dat uw zaligheid niet zeker is. Waarom? En het is een bezworen artikel van het verbond
Christus heeft het met een grote eed bevestigd. Helaas. God heeft mij niet lief. Hebt gij de Zoon? Dan hebt gij een waarachtig Getuige, dat het zo niet is, en "een waarachtig getuige zal niet liegen" (Spr. 14: 5). Christus heeft reden te gedenken, dat gij gezaligd bent; Hij draagt er de merktekenen van in zijn lichaam. Atheïst! gij zegt: wie weet of er een hemel en een hel is?, Wel, de Getuige van het verbond zegt: Ik was in beide en Ik heb ze beide gezien.
4. "Christus is de Borg van het betere verbond" (Hebr. 7: 22); en hierin is de Vader borg voor Christus. Indien Hij borg is voor David en Hiskia (Ps. 119: 122; Jes. 38: 14), veel meer voor zijn eigen Zoon. God heeft zijn woord voor Christus gegeven, dat Hij het werk doen zal. ziet, mijn Knecht zal verstandelijk handelen Jes. 52: 13); en ziet, de Heere Heere helpt Mij, Jes. 1: 9) en, wederkerig is de Zoon borg voor de Vader, en Hij staat er voor in, dat God zijn deel van het verbond vervullen zal: dat de Vader zijn kudde een koninkrijk zal geven (Luk 12: 32; Joh. 6: 37-39). 1. Christus, "is Borg voor ons, heeft een rantsoen voor ons betaald. 2 . geeft een nieuw hart aan zijn medebondgenoten; 3, heeft zich verbonden, dat niemand uit hen zal verloren gaan (Joh. 17: 12), maar, dat Hij hen zal opwekken ten uiterste dage, (Joh. 6: 39). Indien wij ons maar daarop konden overgeven, dat Christus het op zich genomen heeft, en eens uit zijn mond mochten horen, dat Hij voor ons instaat bij de Vader, dan was alles wel. Wee die loszinnige mens, die Christus niet onder een akte en contract van borgtocht heeft, dat Hij hem zal bewaren tot de dag Gods! Wij sluiten de koop maar op losse gronden ten behoeve van onze zielen.
5. Zoals Christus tussen de twee partijen staat, is Hij de grote Heere de Middelaar van het nieuwe verbond (Hebr. 12: 24). 1. Wezenlijk, onze tekst noemt Hem Heere, de Zoon Davids. Uit kracht van zijn natuur heeft 1lij iets van God, als zijnde waarachtig God, en iets van de mens als onze natuur deelachtig zijnde. Daardoor komt het, dat Hij Middelaar is uit kracht van zijn ambt, en Hij legt zijn handen op beide partijen, gelijk een scheidsman doet (Job 9: 33). Hierin heeft Hij een drievoudige betrekking: 1. Van beider Vriend, want Hij heeft, Gods hart voor de mens, om genadig te zijn en de barmhartigheid te voldoen, en eens mensen hart voor God om de rechtvaardigheid voldoening te geven. 2. Van een Verzoener, om twee tot een te maken; om God neer te brengen tot een verdrag des vredes; om de mens vrij te maken van de wet en de strenge eisen der wet, welke een personele voldoening van ons vorderden, en om ons in zijn lichaam, door een betaald rantsoen, weer te brengen tot God, en om ons door de gift van het geloof tot zijn Vader te brengen. Zo kan Hij zeggen, zuster en bruid, kom nu op tot mijn Vader en uw Vader; tot mijn God en uw God, en Vader, kom Gij neer tot mijn broederen, mijn maagschap en vlees. Hij is beiden een gemeenschappelijke dienstknecht: Gods dienstknecht, in een dienst zo zwaar als er ooit een was, ziet mijn knecht (Jes. 52: 13; 42: 1) en mijn rechtvaardige knecht - (Jes. 53: 11). Ja, ook onze dienstknecht. "Hij kwam niet, om gediend te worden, maar om te dienen, en zijn ziel te geven tot een rantsoen voor velen (Matth. 20: 28). Helaas, beide partijen sloegen Hem: "Het behaagde de Heere Hem te verbrijzelen (Jes. 53: 10). God heeft ook zijn eigen Zoon niet gespaard" (Rom. 8: 32), en de andere partij, bestaande uit de zijnen, sloeg Hem: deze is de erfgenaam. Komt laat ons Hem doden (zeggen zij), en de erfenis aan ons behouden (Matth. 21: 38). Dit was een koude bemoediging voor de lieven Jezus. Indien het aan ons overgelaten was; uit schaamte konden wij God niet gevraagd hebben, om een lijdende Middelaar voor ons te zijn. Er is meer liefde in Christus, dan het begrip van engelen en mensen kan omvatten.
6. Het verbond is het testament van onze gestorven Vriend Jezus; Hij stierf, om het testament vast te maken (Hebr. 9: 16, 17). Alleen bloed kon het testament niet verzegelen. Het bloed van de stervenden Christus verzegelde het eeuwig verbond (Hebr. 13: 20). Het verzoende de zonden der bondelingen, en bracht ook de grote Herder der schapen uit de dood weer, want, toen Christus maar eenmaal bloed betaald had en gestorven was, kon de Borg vrij uit de gevangenis gaan, omdat Hij de gehele schuld betaald had.
7. De zevende betrekking baant de weg voor de partijen. Hier komt Christus onder een dubbele overweging; een als God; zo is Hij een met de Vader en de Geest, en de Heere en de Auteur van het verbond. 2e. Als Middelaar, en zo is Hij aan onze zijde van het verbond. Nu, dan is het verbond gemaakt met Christus, en al zijn erfgenamen en rechtverkrijgenden; in de eerste plaats met Christus en met Abrahams natuur in Hem; maar persoonlijk met gelovigen. 1. De Schrift spreekt zo. "De beloften zijn tot Abraham en zijn zaad gesproken. "Hij zegt niet: "En de zaden, als van velen, maar als van een: En uw zade, hetwelk is Christus". (Gal. 3: 16). Ik weet wel, Beza, Piscator en anderen nemen voor Christus, Christus' verborgen lichaam; want (zeggen zij) Christus persoonlijk kan niet bedoeld zijn, omdat dat in strijd zou zijn met de voorstelling van Paulus, die bewijst, dat de belofte. van het eeuwige leven aan alle gelovigen gedaan is" - 2. Dan zou volgen, dat het eeuwige leven aan Christus alleen gegeven is. Met uw verlof, dit is niet zeker, want de waarheid is, dat de belofte noch aan Christus' persoon op zichzelf beschouwd, noch aan Christus' verborgen lichaam gedaan is: want 1e De belofte is gedaan aan Christus, op wie het verbond bevestigd is (vers 17); 2e. in wie de naties gezegend zijn (vs. 14); 3e. in wie wij "de belofte des Geestes ontvangen door het geloof" (vs. 14); die een vloek voor ons geworden is" (vs. 13). Nu, niet een van deze zaken kan op Christus' verborgen lichaam worden toegepast. Christus in zijn verborgen lichaam heeft het verbond niet bevestigd, noch de Geest geschonken, noch is een vloek geworden; maar Christus, de Middelaar, is het, wie de beloften gedaan zijn, en in Hem, aan al zijn erfgenamen en nabestaanden, niet zo maar in zijn persoon, maar als een openbaar persoon en Middelaar.
1e Omdat de Schrift zegt, met Abraham, en zijn zaad", dat is Christus, was het verbond gemaakt, er deze woorden van het verbond worden uitgelegd in Ps. 89: 27, "Hij zal Mij noemen, Gij zijt mijn Vader, mijn God. En wederom, "Ik zal Hem tot een Vader zijn, en Hij zal Mij tot een Zoon zijn"; (Hebr. 1: 5) en, "Ga heen tot mijn broederen en zeg hun, Ik vaar op tot mijn Vader en uw Vader, en tot mijn God en uw God, (Joh. 20: 17). Dus, Christus, de Erfgenaam van alle dingen en de tweede erfgenamen onder Hem, zijn allen maar een verbonden gezin. 2e. Het verbond, dat gemaakt is met David en zijn zaad en de vaderen, is vervuld in Christus en zijn zaad. "En dat Hij Hem uit de doden heeft opgewekt, alzo, dat Hij ueen verderving meer zal zien, heeft Hij aldus gezegd: ik zal ulieden de weldadigheden Davids geven, die getrouw zijn" (Hand. 13: 34, 35). 3e. Evenals het verbond der natuur en der werken met Adam en al de zijn was gemaakt, en er geen twee verbonden waren zo ook hier, is het betere verbond, dat in de plaats van het eerste kwam, gemaakt met de tweede Adam en zijn kinderen (Rom. 5: 18, 19; 1 Kor. 15: 20, enz.), 4. Alles wat vereist wordt om een verbond te maken is hier; 1e God eist van zijn Zoon, dat Hij zijn leven zal afleggen, en Hij belooft, dat Hij om de arbeid zijner ziel zaad zal zien, en God Hem vele kinderen zal geven (Jes. 53: 10). 2e. De Zoon stemt toe, om zijn leven af te leggen, en zegt: zie Ik kom, om uw wil te doen gij hebt Mij het lichaam toebereid". Dit is de formaliteit van een verbond, dat Christus zijn toestemming geeft aan de voorwaarden. Nu, dit verbond tussen Vader en Zoon is openbaar gemaakt in de tijd, maar het is gesloten van eeuwigheid. Dit is troostelijk, dat de Vader en Christus van eeuwigheid over u, bij name onderhandelden. Er was een onderhoud tussen de Vader en de Zoon over uw hemel; Vader, wat zal uw rechtvaardigheid gegeven worden tot een rantsoen voor die en die, jan, Anna, Maria, enz.? En Christus verbond zich van eeuwigheid voor zulk een persoon, dat hij in de tijd zal geloven. De verlossing van zondaren is niet een werk van gisteren, of een zaak, die van een misschien afhangt; zij is goed beraadslaagd, en in oneindige wijsheid overwogen: daarom tracht de verbintenis van Christus niet te verijdelen, door uw weigering van het Evangelie. Wanneer gij gelooft, vervult gij Christus' woord, maar die niet gelooft maakt God tot een leugenaar hoewel in een andere zin, terwijl hij weet, dat hij verijdelt, wat Christus op zich genomen heeft in het verbond. De mensen geloven, dat het evangelie een kunstig verdichte fabel is (2 Petr. 1: 16). De Vader en Christus zijn beiden in deze zaak: hemel, hel, rechtvaardigheid, barmhartigheid, zielen en diepe wijsheid, zijn alle in dit zeldzame stuk vervat: en nochtans maken de mensen meer werk van een huis en een os, (Luk. 14: 18, 19) of een stro, in één woord, van de dingen, welke dit ellendig leven aangaan.
3e. Rakende de beloften. 1e Er is niets goeds, of wij ontvangen het uit een vrije belofte, en niet zomaar als een gift. Dit verbond zet hemel en aarde, zee, land, brood, klederen, slaap, de wereld, leven en dood om in vrije genade; ja, het maakt zonden en kruisen bij toeval, tot gouden zonden en kruisen door de daden der bovennatuurlijke voorzienigheid omtrent ons, werkende op en omtrent onze zonden (1 Kor. 111: 21 - Rom. 8: 28). Alle goeds komt nu tot ons, niet onmiddellijk, maar uit de handen van een vrijwillige Verlosser, en hoewel Hij een mens is, die ons verloste, toch is er, omdat Hij God is, meer van God, van de hemel en van vrije liefde in alle goede dingen welke Hij ons schenkt, dan wanneer wij ze onmiddellijk van God ontvingen, gelijk de raven hun voedsel van God hebben, zonder een middelaar, en de duivelen alleen hun aanwezen hebben door schepselsrecht, niet door verbondsrecht.
Nu, wat de beloften aangaat - zij komen uit God tot ons, maar zij worden alle eerst aan Christus gedaan. Zij zijn van twee soorten. 1e Sommige zijn alleen aan Christus gegeven en niet aan ons; zo is de naam, welke boven allen naam is en aangebeden moet worden, en het zitten ter rechterhand Gods, bijzonder aan Christus beloofd. Engelen delen deze stoel met Hem niet (Filip. 11: 9, 10; Hebr. 1: 5, 13). Aan Christus is beloofd, een zaad, een gewillig volk, het einden der aarde tot zijn bezitting" (Jes. 53: 10; Ps. 110: 2; en 11: 8, 9). Christus' haarlokken zijn gekruld en dik (Hoogl. 5: 11). Hij is kaal, noch grijs; maar Hij heeft een zaad als de sterren van de hemel in menigte, die niemand tellen kan; (Openb. 7: 9) maar al die haren groeien uit een hoofd van goud, en het getal zijner kinderen is even ontelbaar als de dauwdroppels van de dageraad, (Ps. 110: 3; Mich. 5: 7) hoewel de haarlokken des duivels nog minder te tellen zijn. Maar het is jammerlijk, dat terwijl Christus en zijn kinderen op de berg Sion staan als een groot leger; zo aangenaam voor het gezicht, dat gij er niet een bent van dat talrijk huis. Allen om u heen zijn door Hem begenadigd, en gij leeft en sterft in het huis, maar gij ligt niet in de baarmoeder des dageraads, en zult in het huis niet blijven met de zonen.
Maar er zijn andere beloften, welke Christus en zijn zaad aangaan; en deze zijn van twee soorten, algemene en bijzondere. Algemeen is de moederbelofte, "ik zal uw God zijn". Deze is zowel aan Christus gedaan, "Hij zal Mij noemen, Gij zijt mijn Vader! mijn God, (Ps. 89: 27) als aan ons, ik zal uw God zijn (Joh. 20: 17; Ps. 22: 2). Hoe liefelijk is het, dat Christus, God tot zijn Vader hebbende door een eeuwig geboorterecht, een nieuw verbondsrecht op God wilde aannemen om onzentwil! 0! wat een ere is het, binnen het verbond te zijn met de eerste Erfgenaam!
Vraag. Maar waarom zijn alle beloften ingesloten in deze één, ik zal uw God zijn?"
Antw. 1e Omdat, evenals Christus een verbondsrecht op de beloften heeft door dit moederrecht, dat God zijn God is door een verbond, zo moeten wij ook eerst God hebben, in de betrekking van een God, die de onze geworden is in een verbond, tot een Vader en Man, en dan is rechtens al het zijn, het onze.
2e Christus uw God is meer dan genade, vergeving, heiligheid - dan geschapen heerlijkheid, gelijk de man uitnemender is dan zijn huwelijkskleed, armbanden en ringen, - en wij hebben onze liefde en ons geloof voornamelijk te vestigen op de Vader en de Zoon, meer dan op alle geschapen genaden. De Bron of Fontein des levens is van meer uitnemendheid dan de beken en de Boom des levens dan zijn appelen. Christus zelf, de voorwerpelijke gelukzaligheid, overtreft zo ver een geschapen en vormelijke gelukzaligheid, welke uit Hem voortvloeit, als het geheel uitnemender is dan het deel, en de oorzaak dan het gevolg.
Bijzondere beloften zijn eerst aan Christus gedaan en dan naar evenredigheid aan ons; en dat zijn deze, le God belooft zijn Zoon te begenadigen boven zijn medegenoten, opdat Hij zou sterven en lijden, en voor ons genade verdienen ter vervulling van hetgeen volgt. "Een nieuw hart, en een nieuwe geest, (Jer. 32: 39; Ezech. 36: 26, 27). want uit zijn volheid, ontvangen wij ook genade voor genade" (Joh. 1: 16).
2e Rechtvaardigmaking is aan Christus beloofd, niet personeel, alsof Hij vergeving van zonde nodig had, maar voor zijn zaak. Er is een borgtochtelijke gerechtigheid, aan de borg toekomende, wanneer hij de schulden van de bankroetier betaald heeft, en vrij naar de wet uit de gevangenis komt; zo kwam Hij uit het graf voor onze gerechtigheid, maar Hij had eerst de gerechtigheid van zijn zaak in zijn eigen persoon. "Hij is nabij, die Mij rechtvaardigt, wie zal met Mij twisten?" zegt Christus Ges. 50: 8). gerechtvaardigd in de Geest (1 Tim. 3: 16). Zo hebben wij de rechtvaardigmaking van onze personen, en de verlossing door zijn bloed, (Efeze 1: 7) en dat krachtens verbond (Jer. 31: 32, 33).
3e Overwinning en heerschappij zijn aan Christus beloofd. (Ps. 110: 1, 2; Ps. 89: 22 enz.). Hij moet als Koning heersen, tot Hij al de vijanden onder zijn voeten zal gelegd hebben (1 Kor. 15: 25); en ons is de overwinning over al onze vijanden beloofd (Joh. 16: 33 en 14: 30; Rom. 6: 14, 15 - Gal. 3: 13; Kol. 2: 14, 15).
4e Het koninkrijk en de heerlijkheid zijn door Christus (Joh. 17: 5) van zijn Vader afgebeden, dus dan moet Hij daarvoor ook een woord der belofte van zijn Vader gehad hebben, (Filip. 2: 9, 10), en dat hebben wij ook (Luk. 12: 32; Joh. 17: 24; Joh. 14: 1, 3).
5e Christus had een woord der belofte, wanneer Hij naar het graf daalde, evenals een gunsteling, die krachtens de wet in de gevangenis gaat, maar die een bewijs van zijn vorst bij zich heeft, dat hem in zoverre gratie verleend is, dat hij binnen drie dagen zal losgelaten worden, om weer alle eer en eerbewijzen te genieten, die hij van tevoren had (Ps. 16: 10, 11), en dat hebben wij ook (Joh. 40: 26 en 6: 38, 39).
De voorwaarde van het verbond is het geloof; heiligheid en heiligmaking zijn de voorwaarden voor de bondelingen. (Gal. 4: 21-24; Rom. 10: 4-7). Doe dat, was de conditie vat) het werkverbond. Geloof dit, is de conditie van dit verbond, omdat het geloof iemand buiten zichzelf zet, en hem van zijn eigen grond afzet, opdat hij in Christus zijn gerechtigheid heb: werken zijn een, meer zelfzuchtige conditie, en geven daarom minder ere aan God. Het geloof stelt God in Christus voor, in de levendigste en liefelijkste eigenschappen van vrije genade, barmhartigheid en alles overtreffende liefde, en daarom kan een gelovige als zodanig, onmogelijk in zichzelf roemen; alles, wat het geloof heeft, heeft het in een weg van aannemen en bedelen ontvangen.
1e. Tegenwerping. Maar sommigen, zoals Dr. Crispe en andere vrijdenkers leren, dat dit verbond in het geheel geen conditie heeft, omdat dit een eeuwig verbond is; de mens is nu niet zo bevestigd in de genade, of hij kan falen in het geloven, en zodra de conditie faalt, faalt het verbond, gelijk wij in het eerste verbond zien.
Antwoord. Ie. Dat wij geen bevestigende genade hebben, ons te versterken tot de dag van Christus, is met sommige Familisten te leren, dat er in gezonde gelovigen geen genade is, welke in soort en natuur verschilt van die genade, welke in vele huichelaars is. Ja maar, de reinen van hart zijn zalig en zullen God zien; dat zijn de huichelaars niet. En wat is dit anders dan van de heirweg van de koning tot de afval der heiligen; te zeggen, dat de gelovigen Christus niet hebben als hun Borg, om hen tot de heerlijkheid te brengen - om voor hen tussen te treden? (Hebr. 2: 10; Luk. 22: 32, 33).
2e. En al is het, dat zij niet geloven in de eerste ure, dan wordt toch dit Evangelieverbond niet verijdeld, zelfs niet al geloven arme zielen pas ter elfder ure. Het eerste verbond laat de zondaren bij de eerste breuk zonder hulpmiddel of hoop des levens, door de inhoud van de wet, dat doet dit verbond niet. Christus klopt, tot zijn haarlokken vervuld zijnde met nachtdruppen.
2e. Tegenwerping. "Ik zal mijn wet in haar binnenste geven," is geen conditie, waaraan door ons voldaan moet worden, maar alleen door God, dus de verbintenis ligt geheel op God: indien God niet doet wat Hij belooft, (Jer. 31) moet dan niet de schuld of het falen aan Hem liggen, die in een verbond verbonden is, om het zijne te doen, en het niet doet? Nu, dit belooft God. (Jer. 31, Hebr. 8: 10 Ezech. 36: 26, 27).
Antwoord. Of God belooft, ons geloof te geven, en maken, dat wij in zijn wegen zullen wandelen, (Ezech. 36: 26, 237) en onze harten te besnijden, om de Heere lief' te hebben, (Deut. XXX 6) hetgeen de Arminianen ontkennen, tegen het heldere daglicht der Schrift in, of, dan is God te beschuldigen, wanneer wij, die onder het genadeverbond zijn, zondigen door het doen van de werken des vleses, en door na te laten, om te geloven, te bidden, te loven, en onze zielen te vernederen, vanwege de zonde, omdat Hij niet door zijn krachtdadige genade het willen en het werken in ons werkt, zoals Hij beloofd heeft; (Filip. 2: 13; Ezech. 36: 26, 27) de wedergeborene kan dan in het geheel niet zondigen, omdat het des Heeren schuld is, (God verhoede godslastering) dat wij zondigen, want wanneer Hij geen nieuw hart geeft, en ons niet krachtdadig beweegt om in zijn wegen te wandelen, waartoe God door het verbond verbonden is (Ezech. 36: 27; Deut. 30: 6), dan kunnen wij niet anders verkiezen dan de zonde. Daarom leren zij, dat wij niet verplicht zijn te bidden, en dat wij ook niet zondigen door niet te geloven, niet te bidden, wanneer de adem van de wind van de Heilige Geest niet blaast, en ons opwekt tot die heilige plichten. Daarom leren zij ook, dat niemand vermaand wordt, om te geloven, dan zij, van wie wij weten, dat zij uitverkorenen van God zijn, of dat zijn Geest krachtdadig in hen werkt.
3e. Tegenwerping. Iets te doen, omdat het geboden is, is onder de wet te zijn en in strijd met het verbond der genade.
Antwoord. De wet der genade of het Evangelie heeft geboden, als dat dan de zonde niet heerse in uw sterfelijk lichaam" (Rom. 6: 12). En dit is ondersteund met een reden, genomen uit de belofte der genade, want de zonde zal over u niet heersen; want gij zijt niet onder de wet, maar onder de genade; (vers 14) zo ook "Werkt", enz. (Filip. 2: 12) want het is God, die in u werkt." (vers 13). Al hebben wij geen natuurlijke heerschappij over de bekwaam makende genade Gods, zodat wij met kracht de wind des Geestes gebieden kunnen te blazen, wanneer wij willen, nochtans hebben wij een zekere zedelijke heerschappij, uit kracht van een evangelische belofte. Evenzo, als het geloof invloed nodig heeft in alle daden van heiligmaking, en moet opzi2n tot de belofte van bijstand, welke Hij, die niet liegen kan, beloofd heeft, al is Hij niet aan onze tijd en wijze van werken gebonden; echter zondigen wij met niet te bidden en niet te geloven, ook wanneer zijn wind niet blaast. Gods vrijheid en de vrijheid der genade, vernietigen de wet der werken, noch die der genade en ontheffen mij niet van mijn plicht.
4e Tegenwerping. Te geloven en de gehoorzaamheid van het geloof zijn maar een gevolg van het verbond, niet iets dat voorafgaat; dus ik moet op andere gronden geloven, maar niet uit kracht van de conditie van het verbond, want volgens deszelfs inhoud, moet ik niets doen.
Antwoord. De Apostel onderscheidt uitdrukkelijk (Rom. 10) de rechtvaardigheid, die uit de wet is, (vers 5) welke het DOEN als een conditie vereist, van de rechtvaardigheid, die uit het geloof is, (vers 6) welke het GELOVEN vereist (vers 10). En "wij verwachten door de Geest uit het geloof de hoop der rechtvaardigheid." (Gal. 5: 5). Ook kan niemand aanspraak maken op het verbond dan zij, die geloven.
5e Tegenwerping. Het verbond is Gods liefde tot de mens, om hem tot zich te brengen, en dat, voordat de kinderen iets goeds of kwaads gedaan hebben; en degene, die werkt, wordt het loon niet toegerekend naar genade, maar naar schuld.
Antwoord. Het verbond is een vrucht en een gevolg van Gods liefde, maar is niet formeel Gods liefde, want, omdat God Israël lief had, daarom trad Hij in een verbond met hen. (Deut. 7: 7, 8; Ezech. 16: 8). De Arminianen leggen dat uit van Jacobs omhelzen van het verbond door het geloof, en van Ezau's verwerpen ervan door ongeloof. Paulus spreekt van Jakob en Ezau, zoals God ze van eeuwigheid aanzag, eer zij geboren waren, of iets goeds of kwaads gedaan hadden. Nu, het verbond der genade, of het Evangelie aan Jakob en Ezau bekend gemaakt, is niet eeuwig, maar het is hun voorgesteld na hun geboorte, toen hun het aanbod van Christus in het Evangelie gedaan is. Hoe kon Ezau voor zijn geboorte het Evangelie verwerpen, tenzij gij zegt, dat hij kwaad deed, voor hij kwaad deed? - hetwelk onzin is.
2e. Paulus zegt duidelijk: "Hem, die gelooft, wordt het werk toegerekend".
6e Tegenwerping. Onze daad van geloven is een werk, en geen werk kan een conditie zijn van het verbond der genade; ja, het is Christus alleen, die rechtvaardigt. Het geloof is Christus niet; er is geen deelgenoot met Hem in het werk; ja, wij zijn gerechtvaardigd voor wij geloven, en het geloof dient alleen ter openbaring van de rechtvaardigmaking in onze consciëntie. Wij geloven geen leugen, wanneer wij geloven, dat wij gerechtvaardigd zijn, maar een waarheid. Dan moet het waar zijn, dat wij gerechtvaardigd zijn voor wij geloven.
Antwoord. 1e Christus alleen rechtvaardigt als de verdienende oorzaak, en zijn toegerekende gerechtigheid als de formele oorzaak, en zo rechtvaardigt Christus alleen, de patriarchen, profeten, apostelen, en alle gelovigen eer zij geboren zijn, doch dit is maar de fontein, die geopend is, om af te wassen. Maar gelooft dit; Christus wast niet, voor wij vuil zijn, Hij kleedt niet, voor wij naakt, Hij geeft geen ogenzalf, voor wij blind, geen goud, voor wij arm zijn, ook is zijn naam onze gerechtigheid niet, voor wij zondaars zijn. 1e. De mens, die nog niet geboren is, kan geen voorwerp zijn van dadelijke rechtvaardigmaking; het ongeboren heeft geen dadelijke toepassing nodig van Christus' ogenzalf, van zijn goud gerechtigheid. Nu, de rechtvaardigmaking is een wezenlijke gunst, die ons in de tijd toegepast wordt, evenals de heiligmaking in de wedergeboorte: "En dit waart gij sommigen: maar gij bent afgewassen, maar gij bent geheiligd, maar gij bent gerechtvaardigd" (1 Kor. 6: 11). Dan was er een tijd, dat zij niet waren afgewassen. 2e. Gevoel van armoede geeft Christus schoonheid en waarde, en stelt Hem op hogen prijs; gevoel van zonde zegt: "0, wat zal ik voor dien kostelijke Jezus Christus geven?" Maar zijn Vader kan Hem niet verkopen.
2e. Toch is het geloof een lamme hand, onder Christus, om Hem aan te nemen (Joh. 1: 11). Het is een evangelische daad, die door genade gemachtigd is, om een aannemer te zijn, en niet maar een hartstocht - een zeker herbergier, om Christus te herbergen; en zo ook, rechtvaardigt Christus ons niet alleen, geheel lijdelijk zijnde. Dit is niet een plaats geven aan het geloof in de stoel en troon met Christus: het geloof geeft Christus de ere, en neemt genade aan als een aalmoes, maar ontneemt Hem geen ere: maar hij is gesterkt geweest in het geloof, gevend God de eer, (Rom. 4: 20). Wij kunnen niet gerechtvaardigd zijn, voor wij geloven. Ie. Wij zijn verdoemd, voor wij geloven: die niet gelooft is reeds veroordeeld" (Joh. 3:18). 2e. die Hij gerechtvaardigd heeft, deze heeft Hij ook verheerlijkt" (Rom. 8: 30) "en zalig gemaakt" (Mark. 16: 16). 3e. Wij zijn door geboorte en van nature kinderen des toorns (Ef. 2: 3). Want ook wij waren eertijds ongehoorzaam enz., maar Hij heeft ons zalig gemaakt, opdat wij gerechtvaardigd zijnde door zijn genade, erfgenamen zouden worden naar de hoop des eeuwige levens. Paulus stelt duidelijk twee verschillende tijden en staten van de heiligen. want toen wij in het vlees waren, de bewegingen der zonde, die door de wet zijn, wrochten in onze leden, om de dood vruchten te dragen, toen was onze eerste man, de wet, levendig, en wij waren onder een vader en een moeder, die de dood kinderen voortbrachten, en zo waren wij ongerechtvaardigd, maar nu zijn wij vrij gemaakt van de wet" (Rom. 7: 5, 6). gij bent niet onder de wet, maar onder de genade" (Rom. 6: 14); wanneer Christus, onze tweede man, de weduwe huwt, vrijgemaakt zijnde van haar eerste man, de wet. Dan zijn wij onder de genade, en gerechtvaardigd; en dan is het: nieuwe Heere, nieuwe wet. 4. Door het geloof alleen worden wij met Christus verenigd; in het bezit gesteld van Hem, en woont Christus in ons (Ef. 3: 17). Wij leven in Hem door het geloof (Joh. 11: 26; Gal. 2: 20); nemen Christus aan; (Joh. 1: 1), hebben Christus (1 Joh. 5: 12); trouwen met Christus (Efeze 5: 32) Door het geloof eten en drinken wij Christus (Joh. 6: 35, 47); komen tot Hem als tot een levenden steen (1 Petr. 11: 4), en blijven in Hem, als takken in de boom (Joh. 15: 4, 5). Nu, indien wij gerechtvaardigd waren voor wij geloven, dan zouden wij een vereniging hebben door de levende daad van het geloof, voor wij gerechtvaardigd zijn, en zo zouden wij leven voor wij leven, en nieuwe schepselen zijn, terwijl wij nog in de staat der zonde en erfgenamen des toorns zijn. 5e. Deze rechtvaardigmaking zonder geloof, maakt het verbond los: ik zal uw God zijn".
Maar hier is een conditie. God is niet gebonden en wij vrij; daarom is dit het andere gedeelte, en gij zult mijn volk zijn,. Nu leren de vrijdenkers, dat er geen vereniging met Christus zijn kan in een belofte, waarin een vereiste of conditie uitgedrukt, is, en dat conditionele beloften wettisch zijn. Het is waar, dat de beloften niet conditioneel zijn, ais het woord "conditie" in een verkeerde zin genomen wordt. Want 1e. de Arminianen beschouwen voldoen aan een conditie als een vrije daad, die wij volstrekt kunnen verrichten of niet verrichten door de vrije wil, niet gewerkt door de vooraf bepaalde genade van Christus; zo gebruiken de rechtsgeleerden het woord, maar dit maakt de mensen tot heren van hemel en hel, en geeft de sleutels van leven en dood over aan een volstrekt toeval. 2e. De condities hebben een Paapse zin, van datgene te doen, hetwelk door enige verdienste God beweegt, de mensen loon op hun werk te geven, en de beloften zijn niet in die zin conditioneel, doch de vrijdenkers ontkennen alle condities. Maar nemen wij conditie voor enigerlei vereiste, in ons gewerkt door de kracht der zaligmakende genade Gods. Christus belooft zielsrust, maar op een conditie, welke ik toesta, dat zijn genade werkt, namelijk, dat de ziel zondekrank is om Christus; en Hij biedt wijn en melk aan (Jes. 55: 1) en de wateren des levens om niet (Openb. 22: 17), op voorwaarde, dat gij zonder geld koopt geen beurs geldt op de genademarkt van Christus; geen werkloon of gevoel van ellende is een loon voor Christus; De waarheid is, dat het een oneigenlijke conditie is, wanneer een vader land belooft aan een zoon, indien hij hem duizend kronen voor dat land betalen wil: en indien de vader hem alleen uit vrije genade de duizend kronen kan geven en ook geeft: dan is de betaling alleroneigenlijkst een loon of een conditie, en wij mogen wel zeggen, dat de gehele koop zuivere genade is, want beide, loon en werk, zijn vrije genade. Maar de grond der vrijgeesten is vleselijke traagheid, en te zondigen, opdat de genade te meerder worde, want zij zetten het in druk, dat alle werkzaamheid van een gelovige zonde is. Zo moet het geloven zonde zijn; de weg van Gods geboden te lopen met een hart, dat door genade verwijd is, moet dan geen daad der genade, maar een daad des vleses zijn.
6e. Paulus, in zijn brief aan de Romeinen, en aan de Galaten, houdt het voor toegestaan, dat de rechtvaardigmaking een werk van voorbijgaande aard is, dat in de tijd plaats grijpt, niet een inwonende en eeuwige daad, of in God van eeuwigheid blijvende, of door Christus aan het kruis verricht, voor wij geloven; en zo neemt hij nooit op zich te bewijzen, dat wij gerechtvaardigd zijn, voor wij de werken der wet doen, of in Jezus Christus geloven, maar dat wij gerechtvaardigd zijn uit het geloof, hetwelk zeker een daad is, door een wedergeboren persoon verricht, want alleen een nieuw schepsel kan de werken van het nieuwe schepsel verrichten, en het geloof is niet de blote openbaring van onze rechtvaardigmaking, zoals wij gerechtvaardigd waren, voor wij geloof hadden. Door Christus is inderdaad aan het kruis voor al onze zonden voldoening aan de rechtvaardigheid gegeven, voor wij geloven, en voor enig gerechtvaardigd persoon die na die tijd leefde, geboren was; maar, helaas! dat is niet de rechtvaardigmaking, maar alleen de verdienende oorzaak er van. Het is juist hetzelfde, alsof iemand zou zeggen: deze muur is wit van de schepping der wereld af, hoewel hij vandaag pas gewit is, omdat er witheid in de wereld was van de schepping af. De rechtvaardigmaking is een gerechtelijk vonnis in de tijd uitgesproken in het Evangelie, en nu aan mij toegepast, en nooit voor ditzelfde ogenblik, waarop ik geloof. Zij is niet vormelijk een daad van het verstand, om een waarheid betreffende mijzelf te weten, maar zij is een hartaankleving van de genegenheden aan Christus, als de Zaligmaker van zondaren, op welk ogenblik, een vonnis van vrije kwijtschelding uitgesproken wordt. Veronderstelt, dat de vorst in zijn hart heeft twintig boosdoeners vergiffenis te schenken; dan is zijn genade de oorzaak, waarom zij vergeving ontvangen, maar zij hebben voor de wet nog geen vergeving, zodat zij in rechten geen vrijheid kunnen bepleiten., zolang zij de verzegelde pardonbrief van hun vorst niet kunnen vertonen.
5e. De eigenschappen van het verbond noem ik: Ie. Deszelfs vrijheid in de keuze der personen. 2e. Oorzaken. 3e. Tijd. 4e. Wijze van bedeling. 1. Mensen, en niet de veroordeelde engelen zijn geschikt voor dit verbond. 2. Onder de mensen, sommige naties, en andere niet. (Ps. 147: 19, 20). 3. juist zovelen, en niet meer. 4. De vader - . niet de zoon; de arme, niet altijd koningen; de dwaze, niet de wijze; de man, niet de vrouw; niet zij, die tot het avondmaal genodigd waren, maar bedelaars, kreupelen, verdorden, en lammen. 2e. Oorzaken in het eerste verbond: daar was genade, geen verdienste, en daarom, wanneer nu de wet wordt voorgesteld, is zij een onderheraut van de genade, en de dienaar van het Evangelie, om achter Christus en de gelovige te staan, als een bediende. 2. Ja, barmhartigheid aan duizenden van degenen, die maar een evangelische liefde tot Christus hebben, komt in de wet voor, omdat Christus in zekere zin de twee verbonden getrouwd heeft. 3. Ik ben de Heere uw God, (Exod. 20) is genade, staande aan de ingang der deur, voor hen, die onder de wet zijn, om ze uit te laten; maar in het Evangelie is alles onvermengde genade: Mijn persoonlijke gehoorzaamheid verwerft de hemel niet, maar ik sta stil, en een ander doet alles, wat de heerlijkheid verdienen kan. Christus zegt: staat gij maar stil; aanschouwt Mij, en ziet, mijn vrienden, hoe mijn klederen in bloed gedoopt zijn: Ik verbind Mij voor u, geeft alleen uw toestemming; schrijft het met uw hand, maar Ik neem het alleen op Mij, om het voor u uit te strijden. - 3e. Voor de tijd: De eerste breuk van de wet werkt toorn, en er is volgens de wet geen plaats voor berouw, maar hier komt tot Christus, die wil, en wanneer hij wil; komt dan, zelfs al hebt gij met vele boeleerders geboeleerd. Brengt de hel, en zonden, rood als scharlaken en karmozijn - komt en wordt gewassen: komt ter elfder uur, en bent welkom; valt en staat weer op in Christus; loopt weg, en keert weer, en hebt berouw en bekeert u. 4e. De wijze is, 1 . dat zoveel als voldoende was, om tienduizend werelden van mensen en duivels te kopen, gegeven is voor juist zovelen; een oneindig surplus, of overwaarde van liefde, zoals Christus ons (ik mag wel zeggen) meer dan liefgehad heeft. Egypte en Morenland werden niet gegeven tot ons rantsoen. 2. Eer. zeker en eeuwig verbond, gegrond op oneindige liefde. Waarom kan de schalm niet gebroken, en kunnen de schapen niet uit zijn hand gerukt worden. Wel; de Vader, die ze Mij gegeven heeft is meerder dan allen." Waar woont Hij? In welke hemel? Wie is sterker dan de Vader? Het verbond van dag en nacht is natuurlijk, en kan niet ophouden; vaststellende genade in de tweede Adam is nog nauwer verwant. 3. Wel verordineerd: Christus, de Vader, het geloof, de zondaar, elk houdt zijn eigen plaats.
1e Gebruik. Allen, die buiten dit verbond zijn, zijn ellendig; Christus is geen borg voor hen: de Heere handelt met hen overeenkomstig de wet: lees Deut. 28, Lev. 26, Job 20, en 18: 27. Zij hebben brood, maar het is niet zeker; zo is het niet met de gelovige: zijn brood wordt hem gegeven, zijn wateren zijn gewis, (Jes. 33: 16). De gelovige heeft alles door de vrije werking der genade; zijn brood uit het verbond; zijn slaap uit de belofte; uit het verbond heeft hij bewaring voor het zwaard, zodat hij zal te slapen liggen en er niemand zij die hem verschrikt en zijn land zal bebouwd worden uit het verbond der genade. (Ezech. 33: 34). De mens, die niet in dit verbond is, heeft alles volgens de inhoud var, de verdoemende wet; het wapen van staal zal hem beenderen en lever doorsteken, uit kracht van de vloeken der wet.
2e. Gebruik. De mensen beproeven nooit waar zij staan, of zij onder de eerste man, de wet, zijn, of dat zij aan de beteren man, Christus, getrouwd, en onder de genade zijn. Wat is uw standplaats, o zondaar - in Christus of niet? Zij leven op een misschien, en een toeval, die niet weten, dat de twee verbonden invloed hebben op de eeuwigheid: een mens wordt geoordeeld naar zijn staat, wel zoveel als naar zijn daden.
3e. Gebruik. Geen staat zo vast en zeker als het verbond der genade. Christus is borg voor de gelovige, dat hij niet zal afvallen. Christus' ere is er aan verbonden; Hij zal niet te schande worden in zijn voogdijschap: ik weet, zegt Christus, dat Ik niet zal beschaamd worden", (Jes. 1: 7). Het is zijn eer mij op te richten, wanneer ik val.
4e. Gebruik. Wij mogen geloofsbewijsgronden gebruiken, om van God te eisen: "Bekeer mij, zo zal ik bekeerd zijn." (Jer. 31: 18). En waarom? want Gij zijt de Heere mijn God." Het verbond is de Magna Charta of de grondwet van het geloof; het is de grote moederbelofte; alle gebeden moeten hierop gegrond zijn, "Versmaad ons niet." (Jer. 14: 21) Waarom? zijt gij die niet, o Heere onze God?" (vs. 22.) "Gedenk niet eeuwig der ongerechtigheid; zie, aanschouw toch, (Jes. 64:9). Waarom? "wij allen zijn uw volk" Een ieder neemt het op voor de zijnen; de vorst voor zijn volk; de vader voor zijn kinderen; ja, de moer voor haar jongen; de herder voor zijn schapen, en God voor de zijn, die met Hem in het verbond zijn. De gelovige en alles, wat hem dient, komen in een offensief en defensief verbond van vrede en oorlog: zijn verbond is met de stenen des velds, (Job 5: 23) en met het paard, dat hij berijdt, dat het hem niet afwerpt en verpletterd; in verbond met het zwaard, kanon en geweer, met de speer en de boog; ja, met de dood, als een boot, om hem over het water te brengen naar zijns Vaders land. Zo luidt het verbond: ik zal zegenen, die u zegenen, en vervloeken die u vloekt; Ik heb de verderver geschapen, om te vernielen," (Jes. 54: 16). Schepping is een werk van almacht; geen schepsel kan het doen. Dan kan het vuur de heiligen niet verteren, en zij zullen in het water niet verdrinken, dan door een beschikking des Heeren.
5e. Gebruik. Christus is niet vastgemaakt in het verbond als een losse nagel, of als een gebroken of verrotte wig. Hij is daar als een nagel in een vaste plaats. (Zach. 10: 4; Jes. 22: 23). Hang al de vaten van des Vaders huis aan Christus; Hij kan niet breken. O lieflijkheid! Wij zijn aan de Borg van het verbond gegeven. (Joh. 17: 3). Zoon, sta voor hem in; uw leven voor zijn leven; uw eer voor zijn ere; en geef rekenschap van hem, wanneer het koninkrijk zal worden overgegeven aan de Vader. Adam was borg in het eerste verbond, en daarom kon het niet bestaan. De vrije wil schat allen veilig in Arminiaanse verbond.
6e. Gebruik. In verlating, op het verbond te drijven, behoedt voor verdrinken; zo deed Christus in zijn somber en zwart uur: "Mijn God, mijn God, waarom hebt Gij Mij verlaten?"
"0 Heere, Gij Zoon Davids." Het ene woord, "o Heere", predikt ons de Godheid van Christus; het andere, "zoon Davids," zijn mensheid. Hierin is de volmaaktheid van onze Middelaar, dat Hij is het zelfstandige, wezenlijke Verbond, en Immanuël, God met ons, of God ons, in een persoonlijke vereniging; het wezenlijk huwelijk en bondgenootschap tussen het huis van de hemel en dat der aarde; God en leem. 2. Hij schaamt zich niet, hen broeders te noemen. (Hebr. 2: 11). En waarom, anders wilde Hij des vleses en bloeds deelachtig worden, dan, omdat Hij een kind van ons huis wilde zijn? (vs. 14). 3. Hij wilde van onze bloede zijn: niet alleen om de zieke te bezoeken, en tot onze bedsponde te komen, maar Hij wilde neerliggen en krank zijn, krank leem op zich nemende, en in die staat van leem, een worm en geen man zijn, om onze schulden te betalen; Hij wilde een mensenhart en ingewanden aannemen, om voor ons te zuchten; mensenogen om voor ons te wenen, het lichaam, de een en armen van zijn vrouw, om voor ons doorboord te worden; onze aarde, onze adem, ons leven en onze ziel, om zijn leven voor ons te geven; een mensentong en ziel, om voor ons te bidden: en evenwel wilde Hij God blijven, om de gehoorzaamheid van een Hogepriester met de .hemel te bewieroken, en der gerechtigheid bloed op te brengen, dat stroomde door de aderen en het lichaam van Hem, in wie God een persoonlijke woning had.
1e Gebruik. 0, welk een liefde! Christus wilde onze .verlossing niet aan engelen, aan miljoenen van engelen, toevertrouwen, maar Hij wilde zelf komen en in eigen .persoon lijden; Hij wilde geen lagen en geringen prijs geven voor ons leem; Hij wilde ons kopen voor een grote losprijs, zodat Hij ons boven de waarde kocht, en niemand op zijn markt een hoger bod voor zielen doen kon. Al waren er miljoenen meer gelovigen geweest en vele hemelen, zijn bloed zou ze allen zonder een nieuwe koop gekocht hebben, en al die vele hemelen zouden de reuk gehad hebben van die Roos des levens; Christus zou in die alle, een en dezelfde Boom des levens geweest zijn. O, wij bieden te weinig voor, wij onderschatten die Vorst der liefde, die ons te hoog schatte; wij willen alles niet verkopen, wat wij hebben om Hem te kopen; Hij verkocht alles, wat Hij had, ja zichzelf, om ons te kopen.
2e Gebruik. Wat een onvergelijkelijk iets moet de Middelaar Godmens zijn! Er is geen schoon, geen uitnemend schepsel, of er is een stuk niets en schepselgeringheid en schepselijdelheid in. zelfs een mens of dier bevat iets in zien van het niets, waaruit God het schiep. Er is geen roos, of er groeit een doorn aan, behalve aan de Roos van Saron, die Bloem des velds, niet met handen geplant; de Zoon zonder een vader. en wie zal zijn leeftijd uitspreken?" (Eng. "en wie zal zijn generatie verklaren.") Een welriekende roos die haar geur een mijl, of tien mijlen in het rond zou verspreiden, zou vele aanschouwers tot zich kunnen trekken, maar indien zij haar geur over de halve aarde verspreidde, zou het nog verwonderlijker zijn. De Bloem, die ontsproot uit de wortel Isaï, verspreidt haar schoonheid, en de geuren van haar mirre door hemel en aarde. Kon de duisternis der hel standhouden en het gelaat der zon aanschouwen, de zwartheid der duisternis zou beter gezien worden. Maar roep al de kleine stukjes der schepping samen; dagvaard voor Christus de schone engelen, al de scharen der onzondige verheerlijkte geesten, het uitgebreide uitspansel, de schone hemelen, de lichtende sterren; al de heerlijke rozen, bloemen, tuinen, velden, bossen, zeeën, bergen, vogels; al de uitnemende zonen Adams, zoals zij geweest zouden zijn in de wereld van onschuld, en laten ze staan in hun hoogste uitnemendheid voor Jezus Christus, de weergaloze en alles overtreffende heerlijkheid van die groten ALLES zou de hele wereld in een zuiver niet veranderen. Wat wonder dan, dat deze zelfde Heere Jezus het vermaak en de hemel is van alles wat er in is? Het Lam is in het midden des troons (Openb. 7: 17). "En zij zullen zijn aangezicht zien (Openb. 22: 4). Zij doen niets anders, eeuwen lang, dan zijn aangezicht aanstaren en aanschouwen, en worden nooit verzadigd van zien. Veronderstelt, dat zij hun ogen in de kassen verslijten konden in het aanschouwen van God, zij zouden nog begeren meer te zien. Hem te zien van aangezicht tot aangezicht, houdt veel meer in dan uit te drukken is, woorden zijn te korte klederen voor de zaak zelf. Uw nu zondig aangezicht zijn heilig aangezicht; uw aangezicht, dat maar een stuk leem is, zijn ongeschapen, zielverlustigend aangezicht aanschouwende, is verwonderlijk. Wij prijzen Christus niet en verkondigen zijn deugden niet aan engelen en mensen. De schepselen, zoals de hemel, de zon en de maan, zijn Gods schuldenaren en zij zijn Hem heerlijkheid schuldig, maar mensen, die verstand en tongen hebben, zijn Gods agenten en kamerdienaars, om de pacht van lof en ere aan God in te zamelen. De hemelen vertellen inderdaad Gods ere (Ps. 19: l), doch zij zijn maar stomme muzikanten - zij zijn de harp, die uit zichzelf geen muziek kan maken; de schepselen lenen des mensen mond en tong, om uit te spreken, wat zij deze vijf duizend jaren van God en zijn uitnemendheid gedacht hebben. Nu, al de heerlijkheid Gods en de heerlijkheid der schepselen zijn nieuw gemaakt door Christus, (Openb. 21: 5) en vrienden gemaakt met God, (Kol. 1: 20) en zijn op een bijzondere wijze in de Middelaar Christus; Hij is het afschijnsel zijner heerlijkheid en het uitgedrukte beeld zijner zelfstandigheid" (Hebr. 1: 3). Door de zonde van Adam verloren alle schepselen hun gouden glans, en zijn nu ijdelheid, gelijk een vrouw, die in barensnood is (Rom. 8: 22). Door de zonde verheerlijken alle schepselen God minder voorwerpelijk, dan zij zouden gedaan hebben, indien de zonde nooit in de wereld geweest was, en zo waren zij enigermate in onenigheid en verdeeldheid met God. "En het behaagde de Vader in Christus, vriendschap te maken tussen God en alle dingen" (Kol. 1: 20) dat is, de engelen te bevestigen, de mens te verzoenen, de schepselen te herstellen, om meer luisterrijke voorwerpen van zijn heerlijkheid te zijn. Nu, de inkomsten van de renten der heerlijkheid zijn aan Christus verschuldigd, en de schuld is te groter, omdat Christus alle dingen nieuw gemaakt heeft, en waarom zouden wij niet in de naam van zon, maan, aarde en hemel, welke alle door Christus van het beslag der ijdelheid zijn bevrijd, en in de naam van engelen en verloste heiligen, de lof en de ere van God in Christus uitspreken? Betaalt, betaalt, wat gij Christus schuldig bent, o, alle schepselen! maar in het bijzonder gij verlosten.
3e Gebruik. Is Christus, de Middelaar, zulk een uitnemend persoon, dan hebben wij ons leven te zoeken langs de evangelieweg in Christus. Wij ontvangen dikwijls wettische of wetgedachten van Christus, wanneer wij ons de Vader voorstellen als rechtvaardig, gestreng, en Christus, zijn Zoon, als meer zachtmoedig en barmhartig; maar de tekst noemt Hem Heere, en zo diezelfden God met de Vader. Christus heeft niet meer van de wet door zijn sterven, om de wet te voldoen; ook is Hij niet meer barmhartig dan de Vader, omdat Hij en de Vader een zijn. Er zijn niet twee oneindige willen, twee oneindige barmhartigheden, een in de Vader en een andere in de Zoon, maar één wil, één barmhartigheid in beiden. Wij zijn gelijke liefde en ere aan beiden verschuldigd, hoewel er een orde is in God lief te hebben, en Hem door Christus te dienen.
4e Gebruik. Oneindige liefde en oneindige majesteit komen in Christus samen. Liefde en majesteit zijn in mensen dikwijls tegenstrijdig, en de een vermindert de andere; in Christus ontdekt zich de liefde des oneindige Gods levendig in ons vlees. 1. Indien wij maar weinig van Christus zien, dan kennen wij de evangeliegeest niet goed. Wij rusten veel op plichten, om als burgerlijke heiligen naar de hemel te gaan, maar de waarheid is, dat er geen zedelijke en burgerlijke mensen in de hemel zijn; die daar zijn zijn allen verborgen in Christus. Wij zijn dan vreemdelingen van Christus en het geloven. 2. De geest van een verloste kan bezwaarlijk een verloste haten, of bitter tegen hem zijn. Christus in de een heilige kan niet gereed zijn tegen Christus in een anderen heilige. 3. Christus kan zijn liefde niet verliezen of wegwerpen; de liefde van Christus is zeer geschikt, om harten te overwinnen; zijn wagen is bevloerd en bespreid met liefde." Plichten, die gegrond zijn op de liefde van Christus zijn geestelijk. Daar de Vader geen plichten aanneemt dan in Christus, zo Kunnen wij ze niet recht verrichten, wanneer niet de voorname en fonteinoorzaak de liefde van Christus is (Joh. 21: 15).
5e Gebruik. De Oude van Dagen, de Vader der Eeuwen, neemt een benaming aan, ontleend aan zijn nieuw huis. 1. De Zoon des Mensen: Hij heeft een oud huis, vanwaar Hij de Zoon van God genaamd is. Hij moet ons toegenegen zijn en zijn vermaking moet in de kinderen der mensen zijn, dat Hij een naam van ons aanneemt; wij moesten Hem lief hebben, en gemeenschap met Hem zoeken, en er naar staan, om Christus' nieuwe naam deelachtig te worden, daar Hij onze nieuwe naam aanneemt, de Zoon des Mensen, de Zoon Davids. "Zone Davids, ontferm U mijner" Het tweede lid van haar gebed is begrepen onder de naam van ontferming of genade. Waarom? Gods barmhartigheid is een geestelijke gunst: verlossing van haar dochter is maar een tijdelijk gunstbewijs, dat ook een verworpeling kan te beurt vallen. De duivel zou uitgeworpen kunnen worden uit het lichaam van de dochter en niet uit de ziel der moeder. ja, maar voor de gelovige zijn alle tijdelijke gunsten vergeestelijkt en bevochtigd met barmhartigheid.
1. De tijdelijke weldaad wordt gegeven als gedoopt in Christus' ingewanden en barmhartigheid. Jezus genas de melaatse (Mark. 1: 41). Maar hoe? "Jezus met barmhartigheid innerlijk bewogen zijnde, strekte de hand uit en raakte hem aan." Zo is het gebouw van de tempel gegeven, maar geolied met ontfermingen. daarom zegt de Heere alzo: ik ben tot Jeruzalem wedergekeerd met ontfermingen. Mijn huis zal daarin gebouwd worden" (Zach. 1: 16). Epaphroditus werd genezen, doch er werd ook iets van Gods hart en ingewanden ontdekt; "en hij is ook krank geweest tot nabij de dood, maar God heeft zich zijner ontfermd " (Filip. 11: 27)
2e. De grond er van is Gods barmhartigheid. De blinden zetten dit in hun rekening; zij roepen "Ontferm U onzer, Heere, Gij Zoon Davids" (Matth. 20: 30). Zij willen geen ziende ogen hebben, dan onder het begrip van barmhartigheid. David met een pijnlijke ziekte gekweld, gelijk sommigen menen, of onder enige andere roede van God, begeert op deze grond genezen te worden: bent mij genadig. Heere, want ik ben verzwakt. (Ps. 6: 3).
3e. Het geloof ziet op tijdelijke weldaden met een geestelijk oog, zoals zij betrekking hebben op Christus en zijn verdiensten. "Door het geloof heeft Jozef stervende gemeld van de uitgang der kinderen Israëls, (Hebr. 40: 22). door het geloof heeft Mozes, nu groot geworden zijnde, geweigerd een zoon van Farao's dochter genaamd te worden" (vs. 24). Waarom? Omdat het maar een burgerlijke ere was: Mozes' geloof zag er op, op een geestelijke wijze.
4e Diezelfde grond, welke God beweegt, om Christus te geven, is genoeg, om te bewegen alle andere dingen met Christus te geven. Op grond van welk recht? Van het recht als zoon. Een vader geeft de erfenis aan zijn zoon - op dezelfde grond geeft hij hem voedsel, kleding, bescherming en geneeskundige behandeling. Hier zijn geen twee rechten, maar twee uitvloeisels uit een en hetzelfde verbond. De Heere geeft zijn volk vergeving van zonde, (Ezech, 36: 25, 26), en Hij vermenigvuldigt de vrucht van het geboomte, en neemt de honger weg" (vs. 30). In deze geestelijke hoedanigheid van zonen bidden wij, dat onze Vader ons onze zonden wil vergeven en ons ons dagelijks brood geven. Krijgt eerst deel aan Christus, het grote schip, dan volgen alle andere dingen: De kleine sloep vaart achter het schip aan, met dezelfde gang en door dezelfde wind; het zijn geen twee getijen en twee winden, welke schip en sloep voortstuwen. Christus door het geloof genoten, sleept dood, leven, de wereld, tegenwoordige en toekomende dingen achter zich aan. Indien God u Christus geeft, dan zijn volgens dezelfde oorkonde alle dingen uw, omdat gij Van Christus bent en Christus is Gods (1 Kor. 3: 23). Christus bevochtigt met zijn zegen alle dingen. Indien alles, wat een heilige heeft, gezegend is, en alles (om zo te zeggen) begenadigd en gechristend is, zelfs zijn korf en zijn baktrog (Deut. 28: 5), dan moet ook zijn erfenis gezegend zijn. Wat veel meer is, dan moet de gehele erfenis van Christus gezegend zijn, omdat Hij het zaad, de bron en het uittreksel van alle zegeningen is. Nu, Christus is gesteld tot een erfgenaam van alles (Hebr. 1: 2). Dan is Hij ook de erfgenaam van een dronk waters, van roggebrood, van een strooien bed op de aarde en van een harden steen tot een hoofdkussen. Voor de heiligen, voor de kinderen Gods, is (om zo te zeggen) de hel verhemeld, de droefheid vervreugd, de armoede verrijkt, de dood verlevendigd, het stof en het graf bezield en levend gemaakt door het leven en de opstanding. God beware mij voor een dronk waters buiten Christus! Vrede en bevrijding van het zwaard, buiten Christus en het evangelie, zijn verbonden en geketend aan de vloek van God. Helaas! wanneer de mensen niets dan het schepsel hebben, zijn de andere dingen voor hen van geen waarde. Als wij maar vrede hebben, zeggen zij. Gij mag de aarde, vrede en het schepsel hebben, en de duivel om ze te zouten met de vloek Gods. Judas had de beurs aan zijn gordel, maar tevens de duivel in zijn hart. Een mens buiten Christus, is als een mens zonder leven en bloed.
2e. Alle ontferming - dat is genadige ontferming, moet gezocht worden in Jezus Christus. Elke barmhartigheid is barmhartigheid, omdat zij uit Christus is; elke beek is water, omdat zij van het element water is. Elk ding is in zijn eigen element en natuur het overvloedigst. Water is nergens zo overvloedig als in de zee; zo ook is er in Christus, de groten schat van de hemel, een volheid (Joh. 1: 16). Maar (Kol. 1: 19) er is een volheid in Christus. Maar 2e. Een volheid, die volheid, die al-volheid. En 3e. Die al-volheid is niet in Christus als een vreemdeling in een herberg, die inkomt en uitgaat, maar het behaagde de Vader, dat zij in Hem wonen en blijven zou. De genade en ontferming, die in Christus zijn, moeten gezocht worden en geen andere, en dat op deze gronden: 1e Het is een bijzondere uitgelezen ontferming, welke in Christus is. Want 1e, omdat niemand zo volmaakt was als Christus, kon ook niemand Gods einden in zulk een weg dienen als Hij. God vond uit de diepte zijner wijsheid zulk een Middelaar uit, en die zo vol van genade was. Izak zou ongehoorzaam geweest zijn, indien hij een vrouw van zijns vaders keuze geweigerd had, want hij koos haar zowel uit liefde als uit wijsheid. Nu, wanneer God uit oneindige liefde en diepe wijsheid ons een man, een hoofd verkoren heeft, zulk een hoofd, zulk een overste, en leidsman, in wie zulk een volheid is, zullen wij Hem dan weigeren en zullen wij niet de beste dingen in Hem zoeken? Nu, Christus is een Man van Gods keuze. ziet mijn uitverkorene in de welke mijn ziel een welbehagen heeft." (Jes. 42: 1). 2. Wij ontvangen de barmhartigheid nu niet onmiddellijk uit God, maar uit Christus, God in de Middelaar. Hoewel genade en barmhartigheid in ieder opzicht vrij zijn nu echter barmhartigheid een bloem is, die in ons land groeit, in Hem, die onze bloedvriend is, zo hebben wij nu de barmhartigheid uit onze natuur, zowel als uit het welbehagen. Wij moeten haar hebben door een daad des wils van de mens Christus; en waar nu onze akten verouderd zijn, waarom zouden wij dan niet zoeken, hetgeen God voor ons heeft opgelegd? De genade is ons nu meer verwant, daarin, dat zij in de boezem van onze Broeder is, en de onze door afleiding. 3e. Er is onderscheid tussen barmhartigheid en gekochte barmhartigheid; het is ontferming, waarvoor betaald is, die wij ontvangen, en alzo uitnemender dan engelenbarmhartigheid. Gelijk sommige wateren, welke door metaalrijke gronden lopen, een uitnemender kracht hebben dan die, welke uit zuivere aarde ontspringen, zo is ontferming des te begeerlijker, omdat zij een rivier is, welke afloopt door die meer dan gouden en dierbare Verlosser - en zo is zij ons tweemaal ontferming, terwijl zij de engelen maar eens ontferming is. Evenals de bij zoetigheid verzamelt uit verscheidene en verschillende bloemen, echter is zij zo samengesteld, dat de honing welke er uitgetrokken wordt niet bijzonder smaakt naar de verscheidene bloemen: het viooltje, de anjelier, de roos, de kamperfoelie, de klaver, maar hij smaakt alleen naar honing; zo ook alle dingen, die wij hebben: vrouw, kinderen, huizen, landerijen, ere, samenkomende in Christus, hebben voor de heiligen niet hun eigen natuurlijke smaak, maar bovendien is er in hen een geestelijk uitvloeisel van hemelse samenstelling van Christus' zoetheid, en zij zijn zo besprenkeld met, en gedoopt in genade en barmhartigheid, dat, evenals verse rivieren een nieuwe smaak ontlenen aan de zee, wanneer zij in haren boezem vloeien, zo ook alle aardse gunstbewijzen een nieuwe geur en smaak ontlenen aan de fontein Christus. Wat zeggen zij dan, die leren, dat een mens alle genade kan hebben, ja, ook geestelijke armoede, en nochtans Christus missen: alsof die konden gescheiden worden? Een ieder, die gelooft, heeft de Zoon. Genade en Christus kunnen niet gescheiden worden. (Efeze 1: 2; Gal. 1: 3; Joh. 1: 16). Deze bijwegen scheuren de zielen en het fundament Christus vaneen.
"Mijn dochter is deerlijk van de duivel bezeten."
Kinderen zijn, in het bijzonder voor de moeders, wier genegenheden meer zwak en zacht zijn, hartedieven, voornamelijk, omdat zij delen en wezenlijke schaduwen van ons zijn; echter vier dingen in betrekking tot hen verdienen onze opmerking. 1e. Hen zo te bezitten, dat wij gewillig zijn hen over te geven; hen lief te hebben alleen als schepselen - het kind is dikwijls moeders dochter en moeders God. 2e. Wij moeten streven, om ze verlost te krijgen van onder de macht des duivels, zoals deze vrouw doet; want zij komen in de wereld als brandhout voor de hel. Ouders zijn hun leven lang meer bezig om hun kinderen goud, dan om hun genade na te laten. 3e. Ziet op hen als op Meibloemen, geboren om voor een poosje in het element des doods te verschijnen; zo spelen zij, zij lachen, lopen, eten, drinken, en flonkeren als kometen in de lucht, of als vliegende meteoren in de sfeer der wolken, en dalen dikwijls naar het graf voor hun ouders. 4e. Neemt u in acht voor zelfzucht, want kinderen zijn een deel van onszelf, en hun zonden komen ons als wit en onschuldig voor. Eli eerde zijn zonen meer dan God, en God zette een teken van toorn op zijn huis,
"Mijn dochter." - Merkt op het ontstaan van dit voorval der voorzienigheid. 1. Christus, Judea moe zijnde, kwam tot de landpalen van Tyrus en Sidon. 2. Hij ging in een huis, om zich voor haar te verbergen. 3. Zij hoorde van Christus. 4. De moeilijke toestand, waarin haar dochter verkeerde, van de duivel bezeten zijnde. Hierop drijft God haar tot Christus. 5. Christus wordt hierdoor verklaard als de Zaligmaker der heidenen. 6. Er wordt een luisterrijk wonder gewrocht. Ziet welk een wijze vereniging van vele daden der voorzienigheid, als een reeks voorvallen door wijze almacht kunstig gewrocht, evenals vele grasjes en verschillende soorten bloemen een aangename, welriekende weide uitmaken, en vele rozen, leliën en dergelijke, een lieflijk riekenden hof. Waarin deze practikale beschouwingen ter overdenking liggen opgesloten als regels:
Regel 1. Loopt God en de voorzienigheid niet vooruit, maar volgt Hem. Deze en die middelen aan God voor te schrijven en geen andere, is de almacht te beperken en de Heilige Israëls palen te zetten. De ware God aan een verboden beeld verbonden, om ere te ontvangen, wordt tot een afgod verlaagd; zo ook God aan dit middel te binden, alsof Hij niet vrij was, om door andere middelen te werken, is afgodisch.
2e. Het boek der voorzienigheid is vol; er is zelfs geen witte kant opengelaten. God heeft er verscheidene nieuwe uitgaven aan toegevoegd; en evenals kinderen zijn wij verzot op het verguldsel, de linten, de bandversiering, en de titelplaat, maar verstaan weinig van hetgeen ons de voorzienigheid te zeggen heeft. Wie wijs is en deze dingen aannemen wil, die zullen de, goedertierenheid des Heere verstaan. (Eng. Vert. van Ps. 107:43) Ik zeide, (zei Elihu), laat de dagen dingen der voorzienigheid, en de veelheid der jaren wijsheid te, kennen geven, (Job 32: 7) God is waardig in de kronieken opgetekend te worden.
3. God heeft zijn godheid en almacht niet verpand aan de macht der middelen, zodat God middelen gebruikt, omdat zij krachtdadig zijn, maar zij zijn krachtdadig, omdat Hij die gebruikt. Een ramshoorn is in Gods hand even geschikt om de muren van Jericho te doen vallen als oorlogswerktuigen; een stro is voor de almacht een speer.
4. Zijn wegen zijn dikwijls met ons oordeel in strijd; wij liggen in afwachting van God te zien komen op de toppen der bergen, maar wij vergissen ons - Hij komt de lage weg door de valleien. Wij dachten, dat almacht het hart van de koning moest veranderen, zouden zulke braamstruiken als de prelaten over de heg geworpen worden; maar onze koning is niet veranderd, en de Almacht neemt een andere weg. De discipelen dachten, dat Christus ben tot koningen maken, en het koninkrijk weer oprichten zou. - Christus is gestorven en begraven, en Hij gaat een anderen, lagen weg door de buik des doods, om hen Gode priesters en koningen te maken. Christus gaat weg; alle pogingen worden aangewend al roepende door straten, steden en wallen: "O straten, hebt gij Hem gezien; o wijken, hebt gij Hem gezien, die mijn ziel liefheeft? O geliefde wachters, waar is Hij? Maar zij zijn allen stom; Christus slaat een anderen weg in! toen ik een weinigje van hen weggegaan was, vond ik Hem, dien mijn ziel lief heeft." (Hoogl. 3: 4).
5. Belastert Gods wegen der voorzienigheid niet met de smaad van verwarring en wanorde; al Gods werken zijn goed, zeer goed, evenals de werken der schepping waren. Er is een lang keten en aaneenschakeling van Gods wegen, raadslagen, besluiten, daden, gebeurtenissen, oordelen, ontfermingen; en er is wit en zwart, goed en kwaad, krom en recht in dit weefsel dooreengeweven; en de schalmen - van deze keten zijn gedeeltelijk goud, gedeeltelijk koper, gedeeltelijk ijzer en gedeeltelijk leem; en de draden van zijn bedeling gaan voort door de dagen der patriarchen Adam, Henoch, Noach, Abraham, Izak, en zijn gesponnen door de eeuwen van Mozes, en de kerk in Egypte, en de woestijn, en lopen door de tijden der koningen van Israël en Juda en de ballingschappen der kerk, en dalen af door de geslachten van de profeten, Christus, de apostelen, vervolgende keizers en het martelaarschap van de getuigen van Jezus, die gedood zijn door de vrouw, die dronken is van het bloed der heiligen, tot het einde van de draad en de laatste schalm van de ketting vastgebonden worden aan de dag van de bruiloft des Lams. Nu in dit lang samenweefsel van goddelijke voorzienigheid ziet gij. 1e Niet een gebroken draad. mijn Vader werkt tot nu toe, en Ik werk ook," (zegt Christus). De voorzienigheid heeft geen leemte; maar oorzaken, voorvallen, daden en wegen, zijn al de een aan de ander vastgehecht door de wijsheid der voorzienigheid, zodat schalm aan schalm gesmeed en geklonken is, niet door toeval of bij geval. 2e. Al is dit weefsel geweven van draden van verschillende kleuren, zwarte en witte, aangename en droevige voorvallen van Gods voorzienigheid, toch heeft alles een schone orde in deze lange weg. Jakob weent om zijn dood kind Jozef; Jozef verblijdt zich, dat hij uit de gevangenis komt, om te regeren; David danst uit alle macht voor de ark; David weent bitter om de ellendige dood van Absalom, zijn zoon; Job wast zijn gangen in boter en de lamp des Almachtigen schijnt over zijn hoofd, en Job doet zijn hoorn in het stof, en zit neer in het midden der as en treurt. Alles is schoonheid en orde bij God.
6. Zet de gesteldheid des geestes in evenwicht in een bedaarde, bezadigde, onpartijdige kalmte des gemoeds, ziende naar de beide zijden, de zwarten en de witten kant van Gods voorzienigheid. Dit deed de heiligen David zijn kruis te boven zijn. Maar indien ik genade zal vinden in des Heeren ogen, zo zal Hij mij wederhalen, en zal ze mij laten zien, mitsgaders zijn woning. Maar indien Hij alzo zal zeggen: "Ik heb geen lust tot u, zie hier ben ik, Hij doe mij, zoals het in zijn ogen goed is." (2 Sam. 15: 2,5, 26). Hij geeft zijn ziel over op Gods twee indiens. indien Hij mij verlost, het is goed; indien Hij mij ombrengt, het is goed." Maakt dit voornaamste punt vast: Christus is de mijn voor dit anker, in deze havenmoet mijn schip liggen. Welke wind ook waait in uitwendige dingen, Christus is voor mij gestorven. Indien ik leef, het is in Christus indien ik sterf, het is tot Christus; indien ik met vorsten te paard rijd, het is goed; indien ik met de knechten te voet ga, het is goed. Indien Christus zijn aangezicht verbergt en fronst, het is Christus, het is goed; indien het volle maan is en Hij overschaduwt de ziel met glans en stralen van liefde en licht, het is ook Christus, liet is ook goed.
7. Looft Christus in alle dingen. Wees nederig in uw begeerten. En zoudt gij u grote dingen zoeken? "Zoek ze niet," (Jer. 45: 5) zei Jeremia tot Baruch. Het is gemakkelijker tot begeerten toe te doen dan er vanaf te doen; beter om het hart te doen opklimmen van een gerecht van groenmoes tot wijnen, dan uw geest te noodzaken af te dalen en te wenen.
8. De overwegingen des geloofs van de ergste en zwaarste dingen, om daaruit een besluit op te maken, zijn zoet. Job stelt een geloofsgevolgtrekking vast op zwarte stellingen. Veronderstelt, dat de duivel en de hel de grondstelling formeren, dan kan nog het geloof een gevolgtrekking maken van goud en de hemel. Wat, indien God mij zou doden? Wat, al ware het zo? Nochtans zal ik op God hopen (Job 13: 15). Wat, indien Hij mij in de hel wierp? Dan zou het een goed besluit zijn: ik zal uit de put der duivelen roepen: "Halleluja, looft de Heere in zijn rechtvaardigheid". Wat, indien de vijand in de oorlog mij overmocht? Wat, indien ik in karmozijn opgetrokken zijnde, de drek moest omhelzen? Het geloof kan het model maken van hetgeen mogelijk de voorzienigheid nooit zal naaien. Wat, indien ik tot het rad gebracht zal worden, of tot de pijnbank, of levend verbrand zal worden?
9. Er is een verborgenheid der voorzienigheid, welke wij niet zien; wij weten niet, wat God met ons gaat doen, wanneer Hij ons bindt; evenals het schaap zich geen begrip van de dood vormt, zelfs, wanneer het mes op zijn keel is. Zo is het ook met ons.
10. De Voorzienigheid wandelt lang in onzekerheden; de weg van Hem, die de wereld regeert, is in de wolken. De vrede ligt in het gezicht, echter komt de volle overwinning en verlossing niet nabij, De vijand is bijna onderworpen, en de Heere doet de schaal naar de anderen kant overslaan en brengt ons weer in de diepte. Het leven van Achab is veilig tot binnen het achtste gedeelte van een span; echter bepaalt God zo de tijd en de plaats der wraak, dat de pijl van God juist moet treffen tussen de gespen en tussen het pantsier, en Achab wordt gedood.
11. Wij hebben ons zonder murmureren, met alle stilzwijgen en gerustheid des geestes aan Gods wegen te onderwerpen. Geloven kan verlichting aanbrengen; twisten niet.
12. Het is gemakkelijker te zien, wat ons opgelegd is, dan te zien, wie het ons oplegt. Het kwaad komt, en wij zien niet hoger dan het schepsel, alsof de wereld zich zelf geschapen had. Zo is het, wanneer wij dromen, dat het schepsel zich beweegt en niet bewogen wordt door God.
13. Dit moeten wij opmerken, dat God in zijn gehele weg opklimt, en dat de voorzienigheid nooit bergafwaarts gaat. Wanneer Jozef in de kuil nederdaalt, in de gevangenis gaat, dan gaat God in de loop van zijn voorzienigheid opwaarts, en Hij bevordert het ontwerp van schone voorzienigheid, want Jozefs neerdalen en zijn ondergaan is een stap opwaarts tot Gods verhogen van Jozef en het verlossen van zijn kerk. Juda's wegvoering in ballingschap is niet Gods wegvoering, maar zijn bevordering van het werk, om hun tenslotte goed te doen. Reformatie gaat onder, wanneer belemmeringen en beletselen in de weg komen, maar God werkt door. Tweede oorzaken treden op de achtergrond en mislukken, wanneer almacht het werk van de Heere voortzet.
"Doch Hij antwoordde haar niet een woord. En zijn discipelen tot Hem komende baden Hem, zeggende: laat ze van U, want zij roept ons na. Maar Hij antwoordende zeide: Ik ben niet gezonden dan, tot de verloren schapen des huizes Israëls". En zij kwam en aanbad Hem, zeggende: Heere help mij." Mattheüs- 15:-23-25.
Wij komen nu tot de samenspraak tussen de vrouw en Christus. De eerste beproeving is: De vrouw roept, doch Christus antwoordt haar niet een woord. Ik zal eerst aantonen, waarin de verzoeking bestaat. 2e Welke de redenen daarvan zijn, en in welke gevallen Christus niet antwoordt. 3e De gebruiken.
Wat het eerste betreft: De verzoekingen van God, de Satan en het vlees komen hierin overeen, dat alle verzoekingen van een kleur zijn, namelijk wit en schijnbaar goed. Zelfs, wanneer het aanzien der verzoeking zwart is als de hel, dan is er nog wit in; als "zegen God en sterf" opdat gij in het graf verborgen mag zijn voor ellende. De reden is, dat de verzoeking geen verzoeking zijn zou, indien zij - geen - bekorende kracht had, om op de rede in te werken. Dit is duidelijk in de verzoekingen van de satan - hij weet, dat de mens én een gevallen en geruïneerd schepsel is, evenals hij zelf; dat hij echter nog eenredelijk schepsel is, en dat de rede een schoon voorwerp moet hebben. De eerste zwarte appel moet goed zijn voor het oog. Zo vertoont de duivel zich altijd in het wit, wanneer hij iemand bekoren wil; doch, - al wast men de duivel en zijn leugen zij blijven tot op het gebeente altijd zwart. Nu, deze vrouw ziet datgene, waar zij niet naar uitzag, en de genegenheden moeten daartoe opgewekt worden . Is dat de Heere, de hoorder der gebeden? 2e Is Hij dit, die ons beveelt te bidden en belooft te horen? 3e Is dit het zachtmoedige Lam Gods, van wie gezegd wordt: "Hij zal de lammertjes in zijn armen vergaderen, en het gekrookte riet zal Hij niet verbreken, en de rokende vlaswiek die zal Hij niet uitblussen? Hij antwoordt mij niet een woord - Hij erkent mij niet voor de zijn; daarna is het; Hij smaadt mij, door mij een hond te noemen. De natuur zou zeggen: het spijt mij, dat ik ooit tot Hem kwam; laat mijn dochter last hebben van twintig, honderd, ja, een legioen duivelen; het is tussen Christus en mij gedaan; ik kom niet meer tot Hem." Daarom vooral moest deze behandeling haar hard voorkomen, omdat zij een groot geloof had, en het geloof niet anders dan Christus liefhebben en Hem vriendelijk zijn kan." Wat? mijn hart is bedroefd en gebroken; mijn dochter is van de duivel bezeten, maar o, helaas, mijn Zaligmaker antwoordt niet een woord! De zoete Jezus verwerpt mij; hoe kan ik het uithouden onder zoveel hellen? Hij geneest allen, die tot Hem komen; ik ben de eerste, die de Koning ooit heeft weggezonden met een treurig hart. Hij werpt niemand uit, die komt Hij verwelkomt allen; alleen op mij arme en ellendige wil Hij niet zien. O, wat kan ik nu doen?
Men moet het hart van een moeder voor haar gefolterd kind kennen, en de liefde van een gelovige voor een Zaligmaker; hier is een last boven een last. Waarom toch antwoordt Hij allen zondaars, maar heeft geen woord voor mij?
Antw. 1. Weinigen of geen worden verzocht, of de uitkomst der verzoeking is, dat men zware bevattingen van de verzoeking ontvangt. Nooit was iemand in de toestand, waarin ik ben. Christus antwoordt de duivels, wanneer zij roepen; naar mij wil Hij niet omzien Hij gunt mij geen blik, geen half woord. De verzoeking moet Christus voorstellen als enig in ruwe behandeling, en de verzochte als enig in ellende. Elia moet zeggen, "ik alleen ben overgebleven en zij zoeken mijn ziel" (1 Kron. 19: 10). op U hebben onze vaders vertrouwd, zij hebben vertrouwd, en Gij hebt ze uitgeholpen" (Ps. 22: 5). Maar ik ben geen mens. maar ik ben een worm en geen man" (vs. 7). gij allen, die overweg gaat, schouwt het aan en ziet, of er een smart zij gelijk mijn smart! enz. (Klaagl. 1: 12). Wij zijn tentoongesteld; wij zijn een schouwspel geworden de engelen en de mensen (1 Kor. 4: 9). De verzoeking moet het aangezicht der hel aandoen om dit uit te werken, dat het kind van God zich van de lijst uitdoet en van het gezelschap onttrekt van Gods kinderen. Vandaar dat: "Neen, zolang de wereld bestaat, was er nooit een ziel als ik - ik ben een eenling". Christus moet eens, vroeger of later, voor de verzochte geen Christus, en God geen God zijn. heeft God vergeten genadig te zijn?" (Ps. 77: 10). Een vergetend God, een veranderd God is geen God. Blijft bij dit beginsel; toch is Hij Christus, en mijn Christus ook.
2. Er staat: Hij antwoordde haar niet een woord, maar er staat niet: Hij hoorde niet een woord; die beide verschillen veel. Christus hoort dikwijls, wanneer Hij niet antwoordt; zijn niet antwoorden is een antwoord, dat aldus spreekt: "Blijft bidden, houdt vol met roepen, want de Heere houdt zijn deur stevig gegrendeld, niet om er u buiten te houden, maar opdat gij zoudt kloppen en weer kloppen." Het gebed is Gode, verering - voor ons is het dikwijls maar een dienstknecht, die uit loutere noodzaak voor zaken uitgezonden wordt. De vader zal zijn kind nog eens laten herhalen, wat hij hem al eens heeft horen zeggen, omdat hij er lust in heeft het te horen spreken. Zo hoort God Efraïm, en houdt het antwoord voor zich: ik heb wel gehoord, dat zich Efraïm beklaagt" (Jer. 31: 18), maar Efraïm hoorde niet, wist niet, dat God het gehele gebed van Efraïm achter zijn rug weer oververtelde. 3. Geen antwoord van Christus is een bel voor de gelovige, maar de hel te kussen en te omhelzen, omdat het Christus' hel is, is een zeer aangenaam werk; wanneer gij zegt: ik zal bidden en biddende sterven, al word ik nooit verhoord, omdat bidden mijn plicht en Gods ere is, laat mij daarom sterven in een plicht, welke God verheerlijkt" 4. Worstelen voegt sterkte toe aan armen en lichaam; bidden en weer bidden versterkt het geloof; het vele lopen verlengt de adem - door veel bidden wordt de adem van het geloof verlengd. Jakob is in de morgen, wanneer hij een gehele nacht gebeden heeft, sterker dan de avond tevoren. De engel zei "Laat Mij gaan, want de dageraad is opgegaan", maar hij zei: "Ik zal U niet laten gaan, tenzij, dat Gij mij zegent" (Gen. 32: 26). Toen, bij het aanbreken van de dag bad hij vuriger en gebruikte zijn armen met meer heftigheid dan tevoren; hierdoor werd de honger sterker, het gevoel dringender. Het is hier "eet en word hongerig; bid en begeer vuriger te bidden".
3. Redenen, waarom God het gebed niet hoort, zijn: 1e Bijgelovige en valse aanbidding. "Moab vermoeid geworden op zijn hoogten, gaat in zijn heiligdom om te aanbidden,- maar vermag niet (Jes. 16: 12)."Bengaals vuur kan geen vlees braden. 2e. God hoort de zondaars niet (Joh. 9: 31), "Zijn gebed zij tot zonde" (Ps. 109: 7). Ja, de gebeden van Brittannië worden noch gehoord, noch deszelfs vastendagen aangenomen, "omdat onze ongerechtigheden een scheiding gemaakt hebben tussen God en ons" (Jes. 59: 2). 3e. God hoort niet, "omdat het hart de ijdelheid liefheeft (Ps. 66: 18; Job 35: 13). 4e. God hoort noch de kwaadwilligen, noch ons, omdat velen hartenvijanden van de zaak zijn (Ps. 18: 42). 5. Hij hoort geen mensen, die met bloed bevlekt zijn (Jes. 1.5). Nu, wat de heiligen betreft, de niet-beantwoording leren zij als een barmhartig oordeel te verstaan; het is hiermee als met rijkdommen; hij is rijk, die zichzelf rijk oordeelt en niet meer begeert: zo ook, geen antwoord te ontvangen is een plaag; maar te bevinden, dat men geen antwoord ontvangt, en er bedroefd over te zijn, heeft veel van Christus in zich. De heiligen zijn meer bezwaard daarover, dat God niet antwoordt, dan omdat ontferming geweigerd wordt.
Vraag. Hoe zullen wij weten, dat wij antwoord ontvingen?
Antwoord. Hanna wist het daaruit, dat zij vrede vond op het gebed. 2e. Paulus wist het, doordat hij nieuwe onderstand ontving, om het gemis te dragen van hetgeen hij biddende zocht. Hij ontving antwoord, die meer hemels is, na het gebed. 3. Vrijheid en geloofsvrijmoedigheid zijn tekenen van een beantwoord gebed. De voorspraak, die aan de rechterhand Gods zit, kan zijn eigen werk niet verliezen; zijn Geest zucht in de heiligen. Neemt niet mijn Hoofd aan, hetgeen mijn hart tracht te doen? (Rom. 8: 23, 26, 27, vergeleken met Openb. 8: 3, 4). Wij worden verhoord en beantwoord door God, wanneer wij niet door God verhoord en beantwoord worden. Ik bid om een tijdelijke gunst - de overwinning van Gods volk in deze veldstag; zij verliezen de slag. Toch is mijn gebed verhoord en beantwoord, omdat ik om die overwinning bad, niet onder het begrip van een overwinning, maar als met barmhartigheid verbonden voor de kerk, en om de ere van Christus. Nu, het wezenlijke voorwerp van mijn gebeden was een geestelijke barmhartigheid voor de Kerk, en de ere van Christus. Welnu, de Heere heeft door het verlies van de slag zijn volk barmhartigheid bewezen in hen te vernederen, en Hij verheerlijkt zijn Zoon in het behouden van een verslagen volk. Zo verhoort Hij, wat in mijn gebeden geestelijk is; Hij behoeft de misslagen er van niet te verhoren. Christus legt geen schuim in zijn gouden wierookvat. 5. Wij worden altijd verhoord, wanneer wij in het geloof bidden; maar laat het geloof niet verder reiken dan de wil van God. Wanneer wij Gods wil tot onze regel stellen; Hij zal zijn eigen wil doen. Indien Hij mijn wil niet doet; wij moeten aanmerken, dat de wil van het schepsel, waar die verdeeld is tegen de wil van God in dingen, welke niet noodzakelijk zijn tot zaligheid en tot de ere Gods, geen deel is van Gods wil, en dat het geloof die niet begeert. Daarom is het, dat in de Psalm, en het geloof dikwijls bidt en antwoordt: "Merk op mij en hoor mij" (Ps. 6: 5 vergeleken met vers 10, Ps. 55: 3), God zal horen en zal ze plagen (vs. 19). bent mij genadig, o God", enz. (Ps. 57: 2). "Hij zal van de hemel zenden en mij verlossen, te schande makende degene, die mij zoekt op te slokken (vs. 4 Red mij van mijn vijanden, o mijn God" (Ps. 59: 2). Red mij van de werkers der ongerechtigheid (vs. 3). De God mijner goedertierenheid zal mij voorkomen: God zal mij op mijn verspieders doen zien (vs. 10). "O God, Gij had ons verstoten; Gij had ons gescheurd" enz. (Ps. 60: 3). Maar in het einde: in God zullen wij kloeke daden doen" (vs. 14). Het profeteren van het geloof is niet met de profeten gestorven. Het geloof ziet nog van ver. De dingen te zien, welke God doen zal, of door zichzelf, of door de engelen, is een daad van profetie, en verschilt in haar natuur niets van het profetische licht der profeten. Nu, het licht van het geloof ziet nog hetzelfde, namelijk, dat Christus de doden zal opwekken, en zijn engelen zal zenden, om zijn tarwe in zijn schuur te vergaderen. Voornamelijk de hoop der heerlijkheid is profetisch. 6. Lijdzaamheid, om te wachten tot het gezicht spreekt, is een antwoord, 7. Sommige brieven vereisen geen antwoord, maar zijn blote uitdrukkingen van de begeerte van de vriend. De algemene gebeden der heiligen, of de Heere zijn uitverkorenen wil bijeenvergaderen, of Christus wil komen, om de Bruid te huwen, en het huwelijk te voltrekken, hebben betrekking op een wezenlijk antwoord wanneer onze Man, de Koning, in persoon komen zal bij zijn tweede verschijning.
1e Gebruik. Het valt u zwaar, dat gij niet beantwoord wordt, en dat Christus' deur op uw eerste kloppen niet wordt geopend. David moet kloppen: mijn God, ik roep des daags, maar Gij antwoordt niet, en 's nachts, en ik heb geen stilte (Ps. 22: 3). De Kerk van God: "Ook wanneer ik roep en schreeuw, sluit Hij de oren voor mijn gebed" (Klaagl. 3: 8). De zoete Jezus, de erfgenaam van alles, bad eens met tranen en sterke roepingen, "O mijn Vader", wederom, "O mijn Vader" en ten derde male, "O mijn Vader" voor Hij verhoord werd. Blijft wachten, sterft biddende, bezwijkt niet.
2e Gebruik. Het is goed het hart vol te hebben met liefelijke gevoelens van Christus, wanneer Hij niet dadelijk verhoort. Het is Christus; Hij zal antwoorden. Het is de buitenkant maar van Christus, welke onvriendelijk is.
"En zijn discipelen tot Hem komende, baden Hem, zeggende: Laat ze van U, want zij roept ons na."
Wij zien in de discipelen weinig teerheid; niet meer dan, "Laat ze van U; zij doet ons moeite aan met haar roepen. Waarlijk, zij waren zwaar geslagen, dat hun verwende oren pijnlijk aangedaan werden door het geroep van een arme vrouw! Waarom zeggen zij niet: "Lieve Meester, haar dochtertje is van de duivel bezeten, en Gij, haar Zaligmaker, antwoordt haar niet een woord - dat moet haar 't hart breken; wij bidden U, Meester, genees haar dochtertje?"
Leer. - Natuurlijke mensen, of discipelen van Christus, in zo ver als zij vlees zijn, verstaan niet de verborgenheid der droefheid, en de innigheid der aandoening in de heiligen, wanneer zij tot God roepen in verlating, zonder gehoord te worden. 1. Natuurlijke mensen spotten met Christus' verlating Hij heeft het op de Heere gewenteld, dat Hij hem nu uithelpt, (Ps. 22: 9). Bezwaard was de geest van de wenende Kerk, een gevangen vrouw aan de rivieren van Babel; doch ziet, zij bespotten haar; "Zingt ons een van de liederen Zions". 2. Zelfs de heiligen, zijn, in zoverre zij onvernieuwd zijn, vreemdelingen van de inwendige strijd der zielen, die bidden en niet door God beantwoord worden. De bezwijkende en bezwijmende Kerk is in smart: "0 lieve wachters, hebt gij mijn Man gezien?" (Hoogl. 5: 6, 7). Haar geest was bezwaard, maar wat dan? de wachters, die in de stad omgingen, vonden mij, zij sloegen mij, zij verwondden mij - de wachters op de muren namen mijn sluier van mij." (vs. 7). In plaats van haar wonden te verbinden, begonnen zij haar weer te slaan en trokken haar de haren over de oren. En de dochteren Jeruzalems zeggen tot de Kerk, die moe is van haar zuchten en in smart vanwege het gemis van haar Heere: "Wat is uw liefste meer dan een ander liefste?" enz. (vs. 9). Waar is uw Christus van gemaakt? Van goud, of is uw liefste kostbaarder dan alle liefste in de wereld? De bedroefde Hanna, bezwaard van geest zijnde, is in de ogen van Eli een dronken vrouw De engelen vinden Maria Magdalena wenende en zij verlaten haar wenende, met het geven van een leerstellige vertroosting: "Vrouw, wat weent gij? Hij is hier niet, maar Hij is opgestaan." Indien een snaar in de consciëntie gebroken is, dan kunnen de apostelen, die met Magdalena waren, die niet herstellen door er een knoop in te leggen. Wanneer er een scheur in het hart is, zoals de ziel van deze arme vrouw vaneen gescheurd is, dan blijft zij wenen: O, waarom spreekt gij, o engelen, om mij te vertroosten? Zij hebben mijn Heere weggenomen. Engelen, wat heb ik aan u? En, inderdaad, zij kunnen het gescheurde hart der vrouw niet dichtnaaien. Dit is des Heeren voorrecht. ik schep de vrucht der lippen, vrede (Jes. 57: 19). Ik weet maar van één Schepper, en ik ken maar één Vredeschepper. Vrede van het geweten is genade; genade is gemaakt van zuiver niets; zij is niet gemaakt van de natuur. Herders mogen van vrede spreken, maar God spreekt vrede tot zijn volk (Ps. 85: 9). 2e. Er zijn sommige werkingen der natuur, waarin de mensen geen hand hebben. Om brood en wijn uit de aarde voort te brengen, daarin hebben de mensen een hand, maar in het verwekken van wind, in het geven van regen, heeft geen koning en hebben legerscharen noch parlementsbesluiten enige invloed. Om de raderen en bewegingen van een geschokt geweten tot bedaren te brengen is een werk zo hoog en bovennatuurlijk, dat het Christus betaamde de Geest des Heeren op zich te hebben boven zijn medegenoten, en Hij moet niet een bijzondere last gezonden worden, opdat de zachte handen, de zachte, genadige vingeren van de Middelaar de kunst van de hemel zouden aanwenden, opdat ik, (zegt Hij) als een heelmeester, de gebroken van hart zou verbinden met spalken en windsels, en de treurigen Zions zou vertroosten (Jes. 61: l). Er moet ten 3de enige onmiddellijke werking van de Almacht zijn, inzonderheid, wanneer Hij een heirleger van verschrikkingen tegen de ziel in slagorde stelt, zoals blijkt in Saul, in Job: zijn schutters hebben mij omringd;" (16: 13) dat is, niets minder dan de ziel is als een man, die aan alle kanten door vijanden omringd is, zodat er geen hulp bij het schepsel is, maar hij temidden van hen moet sterven. "De verschrikkingen Gods rusten zich tegen mij" (Job 6: 4). Alleen de Heere der Heirscharen verwekt door een onmiddellijke daad deze krijgslieden, de verschrikkingen Gods, en Hij alleen kan ze doen bedaren.
1e Gebruik. Wat wonder dan, dat leraars, het Woord, vertroostingen, beloften, engelen, profeten, apostelen, een gebroken hart niet kunnen verbinden? Vrienden kunnen het niet; er moet een goed woord van God komen. Het is gemakkelijk voor ons, die aan het strand staan, om tot hen die op zee tussen leven en dood geslingerd worden, te roepen: "Zeil zo en zo." Het is niets, om goede woorden te spreken tot een zieke, doch de engelen hebben hierin geen kennis bij bevinding. De bedroefden van geest zijn evenals de kinderen, die hun ziekte niet kunnen vertellen; zij duchten de hel, en het is voor hen wezenlijk een hel. Vele leraars zijn maar paardendokters in deze ziekte; wijn en muziek zijn ijdele middelen; er is behoefte aan een Schepper van vrede. zij is waanzinnig (zeggen zij) en het is maar een vlaag van een natuurlijke zwaarmoedigheid en verstandsverbijstering."
2e. Gebruik. De discipelen zijn heelmeesters van geen waarde voor een ziel, die roept, en door Christus niet gehoord wordt. O, Mozes is een zachtmoedig man; David, een lieflijk zanger; Job en zijn bevinding profijtelijk; de apostelen zijn Gods instrumenten; de Maagd Maria is vol van genade; de verheerlijkten begeren, dat de Kerk verlost mag worden, maar zij zijn allen niets bij Jezus Christus. Er is (om zo te spreken) meer in een stukje van een hoek van Christus' hart, dan in miljoenen werelden van engelen en geschapen vertroostingen, wanneer het geweten neergeslagen is door de hand des Almachtigen.
Vers 24. "maar Hij antwoordende zei: Ik ben niet gezonden dan tot de verloren schapen des huizes Israëls."
In dit antwoord zijn twee dingen op te merken. 1e Dat de verzoeking van Christus komt, doordat Hij ontkent, dat Hij iets met deze vrouw te maken heeft. 2. De stof van de verzoeking, bevattende van Christus de: 1 Zending, 2 Tot wie, tot het Huis Israëls. 3 Onder welk begrip; de schapen van het Huis Israëls. 4 Welk soort schapen; de verloren schapen. Merkt in de verzoeking aan: 1 Wie het is, die verzoekt. 2 De natuur van de verzoeking. Wat het eerste, aangaat; het is Christus, die verzoekt. Hieruit zijn deze, stellingen af te leiden:
1e Stelling. God verzoekt niemand tot zonde. Niemand als hij verzocht wordt, zeg: Ik word van God verzocht, want God kan niet verzocht worden met het kwade, en Hij zelf verzoekt niemand." (Jak. 1: 13). Maar een ieder wordt verzocht, als hij van zijn eigen begeerlijkheid afgetrokken en verlokt wordt. (vs. 14). God beproeft meer, dan dat Hij verzoekt. 1. God kan de zonde niet bevelen. 2. Hij kan de verdorven vermogens niet tot de zonde aansporen, zoals hij, die een paard dat een verstuikte poot heeft, de sporen geeft, het paard wel aandrijft tot lopen maar niet tot hinken, doch het hinken wordt veroorzaakt door de verstuikte poot. 3. Hij kan geen zondige gewoonten ingieten, welke als gewichten van ijzer en lood zijn, om de ziel tot de zonde te neigen. 4. Hij kan de zonde niet goedkeuren. Satan verzoekt nooit anders dan op de praktische kennis, of, dat de raderen bergafwaarts zullen lopen, gelijk hij Eva verzocht, en gelijk hij op die valse overreding ook Christus verzocht tot zonde of dan, als hij weet, dat de zonde de raderen en genegenheden gesmeerd heeft, en dan werpt hij vuur in, wel wetende, dat er buskruit en brandhout binnen in ons zijn, in onze begeerlijkheid. Hij zou niet aanbieden om een vader van het gebroed der hel te zijn, indien hij niet wist, dat er een zaad en een baarmoeder in ons zijn. Tenzij Christus uit genade water op onze lusten werpt en de oven verkoelt, geraken wij gemakkelijk in brand.
2e Stelling. Noch duivels, noch mensen, noch ons hart, kunnen, zonder te zondigen, het schepsel verzoeken of beproeven, door het aan te zetten om te doen, hetgeen zal blijken zonde te zijn, met het voornemen om te beproeven, of dat schepsel God zal gehoorzamen of niet. Had Abraham aan Izak bevolen om zijn zoon Jacob te doden, teneinde te beproeven of Izak God liefhad of niet, dan zou het een zondig verzoeken van hem geweest zijn. Het is een mens niet geoorloofd zijn medeschepsel op de rand en oever des doods (want dat is toch alle zonde) te zetten, om te beproeven of het schepsel een sterk hoofd heeft, dat niet duizelig kan worden. God mag de plichten beproeven door voorvallen: Hij is de Pottenbakker, wij het leem; maar het leem mag het leem alleen beproeven in voorvallen door plichten, en niet de plichten door voorvallen.
3e Stelling. De dartele en ijdele rede zou zeggen: waarom schiep de wijze Heere die boom der kennis, waarvan het proeven de tweede dood was volgens de wet, en dat onder het oog van Eva. Waarom heeft God het eerste belegerde kasteel, Eva's wil en hart, niet versterkt met genade, zodat de duivel de slag niet had kunnen winnen?" Maar, o ijdel mens, is de pottenbakker gehouden om een aarde vat zo sterk te maken als een vat van ijzer of koper, zodat het niet breken kan, al valt het buiten schuld van de maker? Wij mogen tot hoger leem, ja tot de engelen zeggen: "wie bent gij, die bevel geeft?" En bovendien mogen wij zeggen: wat doet gij, en, waarom doet gij dat, en, wat beveelt gij, een ander Evangelie, of niet? en wij mogen hun wil met voorbehoud aannemen. Maar wij mogen van God weten, wie Hij is; dat Hij is de Jehovah; maar wij mogen niet vragen: Heere, waarom doet Gij dit? of, Heere, wat is dit, dat Gij gebiedt?" De werker waarborgt hier de daad, en al haar beweegredenen. God giet wijsheid en goedheid in al zijn wegen, omdat het zijn wegen zijn. Goedheid is een vreemdeling in alles wat engelen en mensen doen, tenzij er een veiliger wet voor hun doen zij, dan hun persoon. God eist volstrekte gehoorzaamheid, al vraagt Hij geen blinde gehoorzaamheid; des mensen daden moeten gewaarborgd zijn niet alleen door de wijsheid van de dader, maar ook door de natuur van de daad. Al Gods daden hebben een overvloed van goedheid in zich van de Heere Het is mij goed, wat ik lijd, (ik bedoel, het behoort mij goed te zijn) al waren het tien hellen voor een zonde, indien de absolute Formeerder van alle dingen het doet. Wij houden er van God de wet voor te schrijven. Terwijl menselijke geboden te onderzoeken geoorloofd is, nemen wij die op goed geloof aan, en Gods wegen onderzoeken is laatdunkendheid; toch willen wij God oordelen. Wij zien, door het toelaten van de zonde in bloedvergieten, in verwarring, in de val van Adam, meer schoonheid en heerlijkheid in Christus Jezus en zijn nieuwe hemel, dan wij zwartheid van de hel en de zonden, in de duivels en in de zonde zien kunnen. Misschien zou het aan het schepsel en aan de engelen wettelijk geoorloofd geweest zijn, de zonde toe te laten, indien zij daaruit een Evangelie, een hemel van vrije genade konden verwekken.
Wat nu betreft de verzoekingen, die van God komen, hebben wij te overwegen, dat zij geheel recht, wijsheid en goedheid zijn.
1e Stelling. Christus zegt van haar tot de discipelen: (er had enige vertroosting in gelegen, indien Hij haar zelf maar één woord had toegesproken) ik ben niet tot deze vrouw gezonden, noch tot iemand van haar geslacht en maagschap; zij is een Heidense; Ik ben in de eerste plaats tot de Joden gezonden. Hieruit volgt, dat Christus naar de bevatting van zwakken, met woorden zeggen kan: "Ik ben uw Zaligmaker niet; gij bent niet een van mijn verlosten. Het kan zijn, dat Christus een hard antwoord geeft, terwijl Hij goed gezind is. Hij sprak een hard woord tot de hoveling, die tot hem kwam voor zijn stervende zoon: "Tenzij, dat gij (en uw gehele natie) tekenen en wonderen ziet, zo zult gij niet geloven", (Joh. 4: 48). Nooit zag en duchtte iemand harder dingen van God dan Jeremia: zoudt Gij mij ganselijk zijn als een leugenachtige, als wateren, die niet bestendig zijn? (Jer. 15: 18).
2e Stelling. Hoe dikwijls liggen de beloften van het Evangelie ver van ons, en komen vier twijfelingen dienaangaande in ons op. 1. Zij zijn niet voor mij. God handelt in zijn bedelingen anders met mij dan met ieder ander. Zo was het met David: "Op U hebben onze vaders vertrouwd, zij hebben vertrouwd en Gij hebt ze uitgeholpen," (Ps. 22: 5) en waarom zou Hij u ook niet verlossen? Helaas, het is niet zo: Maar ik ben een worm en geen man (vs. 7). Zo ook Jesaja 49: 13, "Juicht gij hemelen, en verheug u gij aarde, en gij bergen maakt gedreun met gejuich." Wat is er te doen, dat de hemelen en de sterren bevolen wordt, psalmen te zingen? Want de Heere heeft zijn volk vertroost, en Hij zal zich over zijn ellendigen ontfermen. Ja, maar voor mij is er geen genade: doch Zion zegt: De Heere heeft mij verlaten, en de Heere heeft mij vergeten (vs. 14). Wie ook ontferming vindt; Gods bedeling zegt, dat ik ze niet zal vinden. 2. Ik ben ongeschikt voor genade, vanwege mijn onwaardigheid en zonde. De verloren zoon durft niet geloven, dat zijn vader hem als zoon in zijn huis zal ontvangen. Waarom? Hij heeft er geen andere reden voor dan deze: vader ik heb gezondigd tegen de hemel en voor u, en ik ben niet meer waardig uw zoon genaamd te worden: Maak mij als een van uw huurlingen (Luk. 15:. 18, 19). Zo was de redenering van Petrus: "Heere, ga uit van mij, want ik ben een zondig mens,. 3. Ik weet niet hoe de beloften aan mij zullen gehouden worden. Jozef had de toezegging, dat de zon, maan en elf sterren hem eer zouden bewijzen, doch hij kon niet zien, hoe dat vervuld kon worden. Het was ver van ere, dat hij als een slaaf verkocht werd; toch moest hij geloven, dat zijn droom zou worden vervuld. Zo hield Abraham zich aan de belofte, wanneer God beval de zoon der belofte te doden, "overleggende, dat God machtig was hem ook uit de dode te verwekken (Hebr. 11: 18). 4. Ik zie de tijd van de vervulling der belofte niet; echter "zo Hij vertoeft, verbeidt Hem, want Hij zal gewis komen; Hij zal niet achterblijven (Hab. 2: 3). Wij moeten in gedachten houden, dat God zijn beloften, naar onze mening, door de hel en de zwarte handen des duivels kan laten lopen (gelijk Hij Christus door de dood, de vloek en de hel leidde), en haar toch vervullen. Wanneer Christus onder een steen ligt en begraven is, schijnt het Evangelie begraven te zijn.
3e Stelling. Christus is aan beide zijden: Hij ondersteunt en werpt terneer in een en dezelfde daad. Hij ontkent, dat de vrouw de zijn is, en geeft haar tegelijk genade, om, te geloven, dat Hij de haar is. God verstoot zijn kind, en Hij begeert dat zijn kind niet van Hem zal verstoten worden. Hij is met Jakob in zijn worsteling, en alsof Hij tegen hem was, zegt Hij: laat Mij gaan. Op dezelfde tijd trekt Christus hier, en weerstaat Hij.
"Ik ben niet gezonden. Hij loochent hier niet het aandeel van de Heidenen aan de Messias maar zijn bedoeling is: Ik ben niet ten eerste en voornamelijk in het vlees gekomen, en persoonlijk als mens tot de Heidenen gezonden, om hun het Evangelie te prediken, en wonderen voor hen te verrichten, maar voornamelijk als de bedienaar der besnijdenis, tot de Joden. Daarom (Matth. 10) verbiedt Hij zijn discipelen tot de Samaritanen te gaan, en Hij gebiedt hun om de huize Israëls te prediken. Eerst dan een woord over Christus' zending, welke deze drie dingen insluit:
1. Bestemming.
2. Bekwaammaking.
3. Bijzondere opdracht.
1. De bestemming was een daad van goddelijke en vrijwillige beschikking, overeenkomstig welke de tweede Persoon van de Drie-eenheid, de Zoon van God, niet de Vader, met de Heilige Geest, werd bestemd en afgezonderd om onze natuur, plaats, en het ambt van Middelaar aan te nemen, om ons te verlossen in zijn eigen persoon. De Zoon was het meest geschikt om het eerste en oorspronkelijke patroon van alle zonen te zijn; de Zoon was door natuurlijke generatie de bekwaamste persoon, om de volmaakte stof en het patroon te zijn van allen, die zonen zijn door aanneming uit genade (Gal. 4: 4, 5). De zelfstandige kracht Gods is in de Heilige Geest, de persoonlijke oorsprong en fontein van al de voortreffelijkheden Gods was in de Vader; en zo, hoewel er geen ongeschiktheid in een van hen was om onze Koning, Priester en Profeet te zijn, echter de liefde, genade, barmhartigheid, rechtvaardigheid Gods en zijn oneindige wijsheid wonen in de Zoon. O, wat een liefdekoop, dat (om dat woord eens te gebruiken) het lot van weergaloze liefde en vrije genade op de Zoon viel! Zoon, mijn eniggeboren Zoon, Gij moet naar beneden gaan, Uzelf ontledigen, en de hemel verlaten, en de gevallen zonen uit de hel gaan ophalen. Het mensdom, zijn beeld vertonende, viel als een kostbare ring der ere van de vinger Gods, en lag verbroken; de Zoon moest neer bukken, hoewel het zijn rug pijn deed, om het gebroken juweel op te rapen en weer te herstellen, en het als een zegel op het hart Gods te zetten. Dit was de opkomst van het verbond van eeuwigheid, dat Christus als de eerste Zoon zijn woord gaf, dat allen, die door Hem tot zonen zouden worden aangenomen, de pen zouden opnemen, om met hand en hart het verbond der genade te tekenen en te onderschrijven. Het contract, de bewijzen en oorkonden van onze zaligheid werden afgesloten, en door de gezegende Drie-eenheid in de hemel van eeuwigheid vastgesteld, ondertekend en gezegeld. Het Evangelie is geen fabel van gisteren; het is een oude raadslag van oneindige wijsheid.
2. De Zoon werd bekwaam gemaakt. 1. Met een lijdelijke geschiktheid (bij wijze van spreken) om een mens te zijn, opdat Hij kon lijden. 2. Hij was begenadigd niet alle dadelijke gaven, om een Middelaar te zijn. 1. De grondslag van alles was de genade van vereniging; dat de Godheid lichamelijk in Hem woonde. 2. De zee van ingestorte genaden boven zijn medegenoten; om niets te zeggen van hetgeen Hij leerde door ondervinding: een Zoon zijnde, die op school gedaan was, leerde Hij zijn les van gehoorzaamheid met vele slagen, hoewel Hij een onnozel Kind was (Hebr. 12: 8). Hierom kwam Hij beladen met genade en zegeningen voor al de vervloekte zonen.
3. Dit alles was niets, tenzij deze Afgezant van de hemel een opdracht voor ons had; maar Hij bracht twee geschriften, twee boeken van de hemel. 1. Hij kwam als een vliegende Engel met het eeuwig Evangelie, om aan de naties te prediken. 2. Ook het Boek des Levens. In het eerste waren drie wetakten; zo is Christus onze Zaligmaker zowel door natuur als door een stellige wet. Christus en genade zijn wet. 1e Vanwege zijn plaats en geboorte, onze Goël en naastbestaande zijnde, was Hij ons meer verwant dan iemand anders, om de verkochte erfenis te lossen. De natuur van Christus in de baarmoeder was genade; voor ons is geboren te worden niets dan natuur, en die is slecht genoeg. De baarmoeder van Christus' moeder was genade; het was genade, dat de Zoon zou ontvangen en geboren worden, en hierdoor had Hij wettig recht op ons. 2. Christus' daad van sterven was een bijzondere wet: dit gebod heb ik van mijn Vader ontvangen, dat Ik mijn leven zou afleggen" (Joh. 10: 18). 3. Door zijn dood en zijn opstanding is Hij een wettig Vorst gemaakt, en heeft Hij wettig recht en gezag om de zonden te vergeven (Hand. 5: 31; Matth. 9: 6), en macht om het eeuwige leven te geven (Joh. 17: 2), en allen volgens een nieuwe wet te regeren in zijn nieuw Koninkrijk (Matth. 28: 8). Onze hemel nu, is de onze volgens de wet en een bijzondere opdracht, maar het Evangelie is een algemene aanbieding: Hij bracht al Gods verborgenheden van de hemel, en in zijn bijzondere opdracht heeft Christus als het ware bijzondere lastgevingen. Maak deze en die personen zalig, geen andere, niet geheel Israël, maar de verloren schapen; niet de bokken. Er is een grote verborgenheid, hoe er geen onoprechtheid in het Evangelie is, en twee tegenovergestelde willen in God.
1e Gebruik. Hij biedt in liet Evangelie allen het leven aan, zo zij geloven; en Gods gedachten zijn, en zijn voornemen is om slechts in enkelen het geloof te werken en aan die het leven te schenken; evenals de zoon eens konings doet, die naar een gevangenis met veroordeelde mensen gaat, met een aanbod van vergeving aan allen, onder voorwaarde, dat zij die aannemen, doch die sommigen uitzondert, welke hij overhaalt om des Vaders genade aan te grijpen, en hen er uithaalt, terwijl hij alle anderen aan de gerechtigheid overlaat. Toch is het geen groter verborgenheid dan dit: "Velen zijn geroepen, maar weinigen uitverkoren. Zo komt Christus' zending met zijn opdracht onder een tweevoudig begrip: het een is in het voornemen van het Evangelie; het andere is in het voornemen van Hem, die het Evangelie aan mensen voorstelt, - ik bedoel het voornemen Gods, om geloof en krachtdadige genade te schenken. Het eerste is niets dan Gods zedelijke aanrading van genade, in de openbaring van de verplichting, die op allen rust om te geloven, zullen zij zalig worden; en het is op hun eigen verantwoordelijkheid, indien zij Christus weigeren. Dit is het hart en zijn de gedachten van Christus over personen, die twee dingen openbaren. 1e Des mensen plicht; 2e Gods genade in het eeuwige leven aan de gelovigen te geven. Maar dit laatste is niet maar een zedelijke wil in God, (om zo te zeggen) een wezenlijke, fysieke wil, overeenkomstig welke Christus krachtdadig, krachtig liefdebanden legt, touwen van zoete, dringende genade, om de ziel te overreden Christus aan te nemen. Christus komt het gemoed voor onder een hogere bevatting; met zijn bedauwd en vochtig haar, kloppende en weer kloppende, om zijn aangezicht in zulk een zielverlossende schoonheid en uitnemendheid te tonen, als waardoor de ziel moet worden gevangen genomen, onderworpen en overwonnen door de liefde van Christus. Als de Bruid zo bewerkt wordt door de schoonheid, genade, rijkdommen, begiftigingen van voortreffelijkheid, woorden van liefde van zulk een. Man, dan is zij gedwongen te zeggen: ik heb geen kracht, noch hart noch hand om U af te wijzen". Nu, het eerste begrip van het Evangelie is genoegzaam om allen onder de verplichting te leggen om te geloven; zodat, al openbaart het Evangelie Gods voornemen der verkiezing niet, (dat wordt alleen en wezenlijk geopenbaard in en door Gods krachtdadige werking van het geloof, de inwendige roeping genaamd,) toch spreekt het tot allen: " Gij moet allen geloven, evenzo, alsof er geen verworpene personen onder u waren." Indien daarom enige wanhopenden als Kaïn, en vele zwakken weigeren te geloven, op deze grond: Waarom zou ik geloven? het Evangelie heeft mij uitgezonderd; het komt mij niet toe, ik ben een verworpene; zulken zijn misleid, want het Evangelie openbaart stellig noch des Heeren besluit der verkiezing, noch dat der verwerping. De omhelzing van het Evangelie, en het eindelijke verwerping van hetzelve, kunnen deze belde bekend maken; maar, dat is noch de stem noch de geest van het Evangelie, wat zulke slechte tijdingen openbaart. Het is waar, de Satan. kan zo spreken, maar Christus komt eens met goede tijdingen tot allen, zowel uitverkorenen als verworpenen. De mensen begeven zich hier in een rechtsgeding tegen Christus en zoeken twist met Hem. De gelovige breekt eerst met Christus, voor Christus ooit met hem zal breken. Slechte tijdingen worden al te spoedig voor waar aangenomen. Ik betwijfel of de verwerping iemand zo ver geopenbaard wordt, zelfs dengenen, die tegen de Heilige Geest zondigen, dat zij de onmogelijkheid, om gezaligd te worden voor zichzelf moeten geloov2n; want al wist een mens, dat hij over de streep en buiten het bereik van elk middel was, dan is hij nog verplicht te geloven in de macht van oneindige barmhartigheid, om hem zalig te maken, en in nederigheid en aankleving aan Christus aan dien draad te hangen.
2e Indien Christus tot het verloren Israël gezonden is, en in het Evangelie zegt: "Wie wil met Mij gaan, en tot u zegt: mijn Vader, de Koning heeft Mij, zijn eigen Zoon gezonden, om u naar zijn huis te voeren, waarom zoudt gij dan niet gaan? Wanneer de oude Jakob de wagens en boodschappen zag, die prins Jozef, zijn eigen zoon, die nog in leven was, gezonden had, om hem te halen, "bezweek hem het hart van vreugde. Ziet gij de wagen van Farao bespreid met liefde? bereid u dan voor de reis. Het huis, dat wij hier hebben, heeft ons hart ingenomen. Wel, maar gij behoort te zeggen: ik kan hier niet blijven; de Koning heeft om mij gezonden."
"Van Israël." Het was dan een bevoorrechtende barmhartigheid, dat Christus tot de Joden gezonden was. 1. De jood is de oudste broeder, en de natuurlijke erfgenaam van Christus. Christus is van hun bloed en huis (Rom. 1, 2, 3, en 9: 3). Zij waren Christus' eerste Bruid. Helaas, zij doodde haar Man. Er is een geboren jood in de hemel, naar ziel en lichaam. Het is zoet enigerlei betrekking op Christus te hebben. 2. Het algemeen genadeverbond, gemaakt met de grote zuster, de Algemene Kerk, was eerst in hun handen te pand gegeven, zij legden eerst hun hand op het contract, toen zij het huwelijkscontract onderschreven (Jer. 2: 3). Israël was de Heere een heiligheid, de eerstelingen zijner inkomst. O zoetheid! het gevallen geslacht der mensheid was Christus' korenveld, en zijn tarwe. De Joden waren de eerste schoof van het veld (Deut. 7: 6). Zij kregen Christus' jonge liefde, en (om zo te spreken) de eerste handgift van vrije genade in een kerkelijke weg. 3. Christus handelde het gehele Evangelie in het Joodse vlees, echter niet met uitsluiting van Ruth, Rachab en andere Heidenen van koninklijke bloede. Een geboren Jood verloste de verloren wereld; offerde Gode een offerande voor zondaren. Een geboren jood is erfgenaam van alle dingen; is verhoogd tot een Vorst, om alles te besturen en te regeren, en zal mensen en engelen oordelen. 4. De Heere Christus in het vlees werd eerst hun aangeboden; zij hadden de eerste Evangelieliefde (Matth. 10: 5, 6; Hand. 13: 46). 5. De woorden Gods waren hun toevertrouwd; (Rom. 3: 1; 9: 4) de geschreven wil van de Testamentmaker Christus was onder hun bewaring. 6. God was hun eerste gekroonde Koning. Hij gaf Morenland, Egypte en Zeba tot hun losgeld in hun plaats, en was hun Wetgever. 7. Elk mannelijk kind onder de Joden droeg iets van Christus in zijn vlees, (Kol. 2: 11) toen de gehele wereld zonder Christus was. 8. Hun land was van Christus door een bijzonder, voorbeeldend recht. God zegt er van: "Het is mijn land". Christus was hun soevereine landheer, en zij hadden het van de grote Koning als een vrij goed. 9. De Heere woonde nooit in een huis met handen gemaakt, in een tempel, als onder hen, dat een bijzonder opzicht had op de ware tempel, Jezus Christus. (Joh. 2: 19)
1e Gebruik. Laat ons bidden, dat onze oudste zuster tot Christus komt. Zij zeiden: wij hebben een kleine zuster, die nog geen borsten heeft; wat zullen wij onze zuster doen in dien dag, als men van haar spreken zal?" (Hoogl. 8). Nu, wij hebben een grote zuster, wat zullen wij, de Heidenen, voor haar doen? Er is een dag, dat, tien mannen uit allerlei tongen der Heidenen de slip grijpen zullen van een joodse man, zeggende: wij zullen met ulieden gaan, want wij hebben gehoord, dat God met ulieden is" (Zach. 8: 23).
2e Gebruik. Het is een voorrecht voor ons land, dat wij een drievoudige betrekking op Christus hebben - ik bedoel deze twee naties - dat wij de Heere erkend hebben door een nationaal getuigenis; en deze naties zijn openbare martelaars en getuigen van Christus, daarin, dat zij tot een veld des bloeds gemaakt zijn, om geen andere twist, dan omdat zij begeren te staan voor de waarheid van Christus tegen de Antichrist. Er is zeker in het voornemen der Papisten, die nu tegen ons in de wapenen zijn, geen oorzaak van oorlog dan alleen deze. 2. Dat wij in een plechtig verbond gezworen hebben, dat de Heere onze God zal zijn. 3. Dat ons de ere is geschonken, om de Tempel des Heeren te bouwen, en de godsdienst te reformeren. O, dat wij onze schuld konden zien en dankbaar zijn!
3e Gebruik. De Joden hadden de ochtendmarkt van Christus, en zij wilden de pacht van de wijngaard aan de Heere van die niet betalen. Wij hebben de namiddag van Christus; en weten wij wel wat een genade het is, dat "onze Liefste onder de leliën weidt, totdat die dag aankomt, en de schaduwen vlieden, en de stem der tortelduif in ons land gehoord wordt"? God heeft om ons misbruik van het Evangelie, de bloedige vervolgers, en uitvoerders van zijn toorn, mensen, ervaren om te verderven, onder ons gezonden. God legt nu in drie koninkrijken beslag op de dode lichamen der mensen. Wij zijn Gode veel verschuldigd; Hij wil nu echtgenoten en zonen, een en armen van gewonde en verslagen mensen van ons hebben, voor die pacht, welke wij aan de Heere des wijngaards verschuldigd zijn, - voor onze verachting van het Evangelie.
"Schapen" - eerst een woord over schapen, dan over "verloren schapen". Ik neem geen andere redenen, waarom de verlosten des Heeren schapen genoemd worden, dan de Schrift duidelijk aangeeft.
1. Schapen zijn lijdelijke schepselen, en kunnen maar weinig voor zichzelf doen; zo is het ook met de gelovigen in het werk hunner zaligheid; als 1e Zij hebben van zichzelf niet meer kennis van de zaligmakende weg dan schapen, en kunnen daarom ook niet wandelen, dan zoals zij geleerd en geleid worden. "Heere, leer mij (Ps. 119: 33). "Leid mij in uw waarheid", (Ps. 25: 5). Evenals een blinde de hand uitstrekt naar zijn gids, zo ook zij: Heere, leid mij in uw gerechtigheid" (Ps. 5: 9). Het is geen gewoon leiden, maar het leiden van kinderen, die vastgehouden worden, om ze te leren gaan. als Israël een kind was, toen heb Ik hem liefgehad (Hosea 11: l). "Ik nochtans leerde Ephraïm gaan; Hij nam ze op zijn armen, maar Efraïm kende, evenals een kind, zijn geleider niet: maar zij wisten niet, (Eng. vert.) zegt de Heere, dat Ik ze genas", (vs. 3) 3e. Leiden kan enige gewilligheid veronderstellen, maar wij moeten getrokken worden: niemand kan tot Mij komen, tenzij de Vader hem trekt (Joh. 6: 44). "Trek mij, wij zullen U nalopen" (Hoogl. 1: 4). 4e. Er is een woord van bijzondere genade, dat meer is dan onderwijzen, leiden, trekken, en dat is: "Leunen," wie is zij, die daar opklimt uit de woestijn, en haar lieflijk leunt op haar Liefste?" (Hoogt. 8: 5) Er is een woord, dat nog meer zegt, er. dat is: "Dragen". Wanneer de goede Herder het verloren schaap gevonden heeft, "legt Hij 't op zijn schouderen, verblijd zijnde (Luk. 15: 5) "Hoor naar Mij, o huis Jacobs, en het ganse overblijfsel des huizes Israëls, die gij (van Mij), gedragen bent van de buik aan, ja tot de grijsheid toe zal Ik ulieden dragen" (Jes. 46: 3). Zo ook "draagt God ze als op arendsvleugelen" (Deut. 32: 11) Genade, genade is een edele gids en voogd,
2e. Het leven van een schaap is het meest afhankelijke leven in de wereld; geen schepsel is zo afhankelijk als een schaap. Al hun geluk bestaat in de goedheid, zorgen, wijsheid van hun herder. Wolven, leeuwen, luipaarden hebben niemand nodig om over hen te waken. Doornen en distelen groeien op zich zelf; de wijnstok, de edele wijnstok is teer en moet ondersteund worden. Christus moet de zwakken en de lammertjes in zijn schoot dragen. (Jes. 40: 11) De schoot en de een van de herder, zijn de pootjes van het zwakke lammetje. Eveneens is de hebbelijkheid der genade een schepsel en niet iets onafhankelijks, en daarom hangt zij in haar schepping en bewaring van Christus af. Genade is als het pas geboren vogeltje, wiens leven afhangt van de verwarming door het lichaam en de vleugelen der moeder. Zij is als een wagen, die hoewel hij vier wielen heeft, zich toch alleen beweegt, wanneer hij getrokken wordt door de sterkte der paarden, die er voor staan. Zij is een ploeg, alleen van hout, zonder ijzer en staal, die de aarde niet omzet. Het nieuwe zaad Gods werkt overeenkomstig de werking Gods; daarom bidt de berouw hebbende Efraïm "bekeer mij, zo zal ik bekeerd zijn." (Jer. 31: 18) David vernieuwd zijnde, bidt dikwijls: "Maak mij levendig, maak mij levendig", en de bezwijkende Kerk zegt: Ondersteun mij met de flessen, versterk mij met de appelen (Hoogl. 11).
3e Schapen zijn gezeglijke schepselen. Mijn schapen horen mijn stem, en Ik ken dezelve, en zij volgen Mij." (Joh. 10: 27.) Er is een geschil met de Papisten, hoe wij weten, dat de Schrift Gods Woord is. Twee dingen zijn hier aanmerkelijk; het een van binnen en het andere van buiten. Hoe kent het lam zijn moeder onder een kudde van duizend? Het natuurlijk instinct leert het. Wie onderwijst of leert de zwaluw om haar kunstig huis en nest van klei te bouwen, en waardoor kent elke bij haar eigen cel en huis van was? Zo kent het instinct der genade de stem haars Liefsten onder vele stemmen. (Hoogl. 2: 8.) En dit onderscheidingsvermogen is in het onderwerp. Er is een ander vermogen in het voorwerp. Onder de vele duizenden miljoenen mensen van de schepping af, is er niet een in gedaante en vorm geheel gelijk aan een ander, er is altijd enig zichtbaar verschil. Onder vele stemmen is geen stem gelijk aan de spraak des mensen; onder miljoenen verschillende menselijke spraken, heeft elke stem haar eigenaardig hoorbaar verschil, waardoor zij van alle andere onderscheiden is. Voor het nieuwe schepsel is er in het woord van Christus zeker kenmerk, een hemels geluid, dat in geen stem in de wereld gevonden wordt, dan alleen in de zijn. Er is in Christus, zoals het oog van het geloof hem aanschouwt een gedaante en een stempel van goddelijke majesteit; niemand kent dat dan de gelovige, en in de hemel of op de aarde is niemand, die Hem gelijk is. Veronderstelt, dat er honderd nagemaakte manen of zonnen aan de hemel stonden; het natuurlijk oog zou de ware maan of de natuurlijke zon van die alle onderscheiden. Het oog weet, dat wit geen zwart of groen is. Christus aan het oog van het geloof voorgesteld, drukt op het geloofsoog kleine beelden van Christus af, waardoor de ziel zich verstout, om er de dood en de hel op in te gaan, dat dit, ja, dit alleen Christus was, en niemand anders dan Hij alleen.
4e Schapen zijn onnozel: Zij volgen veel hun inbeelding, daarom zijn zij dwalende schepselen (Jes. 53: 6; Ps. 119: 176; 1 Pet. 2: 25.) Er is volstrekt geen begrip van de dood of van een ander leven in de verbeeldingskracht van een schaap - een mond vol groen gras voert het naar een afgrond, of in de muil en ten prooi van leeuwen en wolven. Zwakgelovigen laten zich dikwijls meer door verbeelding leiden dan door geloof. Wij bekommeren er ons van nature weinig over, wat hiernamaals van ons worden zal. De verbeeldingskracht en de natuur kunnen de tijd niet wegdenken, noch over noch achter de dood zien. Een schoon schijnende hoop op voordeel is voor ons een hoop op iets wezenlijk goeds. Wij menen twee manen aan een hemel te zien. Er is een weg, die iemand recht schijnt, welke ons bedriegt; welke eindigt in een nacht van zwarte dood. Helaas! wij zijn op reis, en weten ons nachtverblijf niet; wij weten niet, waar wij zullen aanlanden, wanneer de zon zal zijn ondergegaan. Arme ziel, waar zult gij de gehele lange nacht doorbrengen.
1e Zijn de gelovigen zulke afhankelijke schepselen, wat is dan die leer van Vrijgeesten en Antinomianen, - dat de ziel niet nodig heeft, om tot Christus te gaan, om gedurige onderstand, maar dat zij bewerkt wordt door de Geest, die in ons woont en ons bijblijft: alsmede, dat het de wet der wet en niet van het Evangelie is, dat wij handelen in de kracht van Christus. Deze zaken zijn beide in strijd met het Evangelie. 1e Ons, ja zelfs de zonen, die God gelovig aanroepen, wordt bevolen te bidden: "Onze Vader, die in de hemelen zijt, leid ons niet in verzoeking," hetgeen God in geen andere weg verhoort, dan door ons nieuwe toevoer van genade te schenken tot dadelijke ondersteuning. Ook wil Christus, dat wij zullen bidden: Heere, vermeerder ons het geloof." De maagden, die verliefd zijn op Christus, bidden: trek ons." Paulus bidt, dat de God des vredes de Thessalonicensen geheel en al mocht heiligen, 1 Thess. 5: 23) en om die oorzaak boog hij zijn knieën, opdat de gelovige Ephesiërs mochten versterkt worden met kracht, naar de rijkdom zijner heerlijkheid, door de Geest in de inwendige mens, opdat Christus door het geloof in hun harten mocht wonen, en zij met al de heiligen ten volle konden begrijpen de alles overtreffende liefde Gods in Christus." (Ef. 3: 15-19). Ook bad dezelfde schrijver, dat de God des vredes de heiligen mocht volmaken in alle goed werk, opdat zij zijn wil mochten doen, in hen werkende, hetgeen voor Hem welbehaaglijk is. (Hebr. 13: 20, 21). 2e Het strijdt ook tegen de voorbidding van Christus, waardoor het geloof der heiligen niet ophoudt, (Luk. 22: 32) Het is ook Christus, die "ons geloof voleindigt," (Hebr. 12: 2) "ons bevestigt tot het einde toe," (1 Kor. 1:8) onze Voorspraak is, opdat wij nieuwe genade mogen ontvangen, (1 Joh. 2: 1, 2) en voor het aangezicht Gods verschijnt voor ons (Hebr. 9: 24). 3e Het kan ook niet bestaan met de volharding, welke in het verbond der genade beloofd is, (Jer. 32: 40, 41; Jes. 59: 21-24; Ezech. 36: 27; Joh. 6: 39, 40 en Joh. 4: 13, 14), noch 4e met het geloof van de verzekering der volharding (Rom. 8: 38, 39; Judas 24, 25; Ps. 23: 6; 2 Tim. 4: 18) en 5e het moet insluiten, dat de wedergeborene niet zondigt, ja, niet kan zondigen door niet te geloven en niet in het geloof te volharden, en de heiligmaking niet te voleindigen in de vrees Gods; (hetwelk godslastering is) of, dat de heiligen eindelijk van de genade kunnen afvallen; of, dat het gebruik der genade, en het willen en het werken in de heiligen niet afhangen van bevestigende en ondersteunende genade. 6e Deze zaken stellen onze voorraad genade in onze eigen hand, alsof Christus ons letterlijk alleen de weg van de hemel openbaarde, en het verder aan onze eigen, vrije wil overliet, om er een goed of verkeerd gebruik van te maken.
1e Gebruik. Moeten wij dan Christus danken voor het beginnen met de geest, en onszelf, dat wij voortgaan. en groeien in de genade, of dat wij niet met het vlees eindigen? Neen, integendeel, de bedeling door Christus, in wiens genade wij krachtig zijn (Ef. 6: 10) en alle dingen vermogen (Filip. 4: 13) is niet anders dan een voortdurende daad van vrije genade, of een lang koord of een ketting vanafhankelijkheid van Christus: ja, genade is de wagen, die tot de heerlijkheid voert; zij is heerlijkheid In haar beginsel, evenals de tarwe in het uitspruitsel reeds in wording is, en de werking der sappen zich reeds uitstrekt tot de aar en de oogst, terwijl zij voortdurend afhankelijk blijft van de beschijning van de Zomerzon der Gerechtigheid. Het nieuwe schepsel is het ijzer, dat in het vuur van de hemel, onder de hamer en de gereedschappen van Christus bewerkt en gevormd wordt; het is een roos, die begint open te gaan, voor zij haar bloembladen uitspreidt. Hierin hebben wij het volgende te overwegen:
1e Het geloof moet in stilheid opzien tot Christus, hoe Hij zijn werk uit de vorm te voorschijn brengt, en het nieuwe schip als een volmaakt vaartuig van stapel laat lopen. Wij dwalen in onze bevatting, dat het geloof alleen op Christus ziet als vergevende, en dat het noch oog, noch werkzaamheid of invloed heeft op hetgeen wij door genade doen en dat Christus in ons gewerkt heeft. Het geloof is zowel werkzaam als lijdelijk en verenigt zich vrijwillig met Christus tot een dadelijk reinigen van het hart; het gelooft de hemel en het werkt de hemel.
2e. Wij gaan dikwijls onze weg in de verbeelding, dat wij in een weg vanafkering zijn. Zielen onder verlating, die de weeromstuitende daad van het geloven in en het verlangen naar Christus niet vinden, menen, dat zij afvalligen zijn, terwijl zij juist vorderingen maken op hun weg. Bij grote waterwerken, waarin een grote menigte raderen zijn, is het stilstaan van vijf of zes, de bevordering van het werk in twintig of veertig andere raderen. In verlating zijn er enkele raderen, die stilstaan en niet bewegen, want dan is er dikwijls een stilstand in de daden van gevoel, en blijdschap, verlustiging in de dadelijke aanschouwing van Christus, en dan rijst de klacht: ik ben uitgestoten van voor uw. ogen - toch zijn er andere raderen in beweging als 1. Nederige en geringe gedachten van zichzelf. 2. Hoge en uitgebreide gedachten van Christus en zijn genade. 3. Een honger en verlangen naar Christus. 4. Veel zelfmistrouwen. 5. Zorgvuldigheid en krankheid van liefde. hebt gij Hem gezien, dien mijn ziel liefheeft?" Daarin is iets heftigs. 6. Gevoel van zonde, nodig en geestelijke armoede vermeerdert nu. 7. Gevoel van de ellende van de strijd is nu sterker dan tevoren: ik ellendig mens!" 8. Het geloven op hoop, tegen hoop, is nu het sterkst. 9. Er is nu meer teerheid en nederige vrees dan tevoren. 10. Een sterker besluit om Christus vriendelijker te onthalen, wanneer Hij in de volheid van zijn tegenwoordigheid mocht terugkeren. 11. Droefheid bij het herdenken, dat Hij zei: mijn hoofd is vervuld met dauw, mijn haarlokken met nachtdruppen, (Hoogl. 5: 6) en dat de slapende ziel hem nochtans liet buitenstaan.
3. Wij moeten die bedeling aanbidden, welke wil, dat wij geen voet op de weg naar de hemel verzetten dan uit genade en op kosten van genade. Hij kon maken, dat de heiligen als zondeloze engelen waren; maar waartoe die haast? Wij zouden dan, daar wij nog niet met heerlijkheid bekleed of in de hemel bevestigd zijn, maar geringe gedachten van Christus hebben.
2e Gebruik. Indien wij zo afhankelijk zijn van Christus dan hebben wij niet afgedaan met alle wetsvoorschriften: dan is de wet voor ons nog niet afgeschaft; ik meen, wanneer Christus ons en de wet tot vrienden gemaakt heeft, door de vloek weg te nemen, en de gelovige moet zeggen, hoe lief heb ik uw wet!"
Tegenwerping 1. "Kunt gij, zegt M. Towne, de voor schrijvende of gebiedende macht der wet afscheiden van haar verdoemende macht? Kan de wet tot iemand spreken, behalve tot hen, die onder de wet zijn? Is het wel een wet, indien zij niet veroordeelt?"
Antw. Werkelijke veroordeling kan wel van de wet afgescheiden worden, evenals een leeuw, een leeuw is, doch geketend zijnde, niet werkelijk verslinden kan. Het veroordelen kan wel van de wet afgescheiden worden; zij kon Adam niet veroordelen, voor de zonde in de wereld inkwam; zij kan de heilige, uitverkorene, zondeloze engelen niet veroordelen; toch had en heeft zij een gebiedende en verbindende macht, om zowel te bevelen als haar voorschriften te geven; het veroordelen der wet is bijkomstig, evenals de zondestaat des mensen bijkomend is. 2. De wet mag bij wijze van voorschrift tot de gelovige spreken, maar zij kan niet tot hem bij wijze van werkelijke veroordeling spreken, omdat Christus de vloek heeft weggenomen.
Tegenwerping 2. Heiligheid en in de weg van heiligheid te wandelen dragen geen jota tot de zaligheid bij, noch als oorzaken noch als wegen daartoe leidende; Christus heeft dat volmaakt gedaan.
Antw. Ik bid u, overweegt hier drie zaken: 1e De wil van God, om zalig te maken, ja, om de goddeloze te, rechtvaardigen. 2e. Het wettig recht tot gerechtigheid en zaligheid. 3. Dadelijke zaligheid. 1e De verdiensten van Christus zijn noch oorzaak, noch beweegreden, noch voorwaarde, welke Gods wil bewogen om personen tot de heerlijkheid te verkiezen of te verordineren: dit is een daad van eeuwige verkiezing tot heerlijkheid, welke niet uit Christus verdiensten voortvloeit; ook beweegt geen uitwendig werk of voorwaarde, geen goed of kwaad, in Jakob of Ezau, noch iets in de Borg Christus God tot zulk een vrije daad. De vrijgeesten tonen hun onkunde door zo te spreken. Neen, het geloof is geen voorwaarde, oorzaak, of beweegreden tot zulk een wil. 2e. De verdiensten van Christus en niet het geloof, of heiligheid in ons, moeten de oorzaak zijn van ons wettig recht tot gerechtigheid en heerlijkheid; Christus alleen bracht voor ons de prijs der verlossing op; geen klederen werden in bloed gedoopt ter verkrijging van een patent en recht op de hemel, dan de zijn alleen; Hij alleen trad de wijnpers van Gods toorn. In deze twee begrippen komen in het werk geen werken van heiligheid in aanmerking. Maar 3e wat de dadelijke zaligheid betreft, de weg daartoe is heiligmaking, zonder welke niemand God zien zal. Het gebod luidt uitdrukkelijk: "Zijt heilig, want Ik ben heilig" (1 Petr. 1: 19, 20) maar nu van de zonde vrij gemaakt zijnde, en Gode dienstbaar gemaakt zijnde, hebt gij uw vrucht tot heiligmaking, en het einde, het eeuwige leven." (Rom. 6: 22),Want dat doende zult gij nimmermeer struikelen. Want alzo zal u rijkelijk toegevoegd worden de ingang in het eeuwig koninkrijk van onze Heeren en Zaligmakers Jezus Christus. "(2 Pet 1: 10) die overwint, Ik zal hem geven te eten van de boom des levens, die in het midden van het Paradijs Gods is." (Openb. 2: 7). die overwint, Ik zal hem geven met Mij te zitten in mijn troon, gelijk als Ik overwonnen heb en ben gezeten met mijn Vader in zijn troon." (Openb. 3: 21). Zij antwoorden, overwinnen geschiedt door het geloof." Maar ik antwoord: "Het geloof is voor de vrijgeesten maar een geloven, dat Christus in hun persoon en plaats overwonnen heeft; het geloof is hun evenmin een voorwaarde of weg tot de zaligheid dan de goede werken, want zo zeggen zij: het geloof is Christus niet; Christus alleen is de weg naar de hemel." Doch dit zou een ijdele belofte zijn, indien te overwinnen niet ware: 1e Een plicht, die in de tijd van ons geëist wordt, op welke verrichting ons de ingang zal toegevoegd worden in het eeuwige leven. 2e Indien overwinnen niets is dan geloven, en dus alleen een daad van de ziel, dan hebben zij, aan wie de belofte gedaan is, niets anders te doen dan te geloven, dat Christus de vervolgende wereld voor hen overwonnen heeft, en zich te onderwerpen, en in de belijdenis het geloof te verzaken, en de voorwaarden, waarop het leven toegestaan wordt aan te nemen en dus het onderspit te delven, en nochtans aanspraak te maken op de belofte; recht tegen de bedoeling van Christus, die de gemeente van Pergamus prijst, omdat zij het geloof niet verloochend had (Openb. 2: 13). Nu, in dit alles, in het bewandelen van dien weg, kan de prijs niet begrepen zijn, noch het rantsoen, noch de som, die betaald is, om recht te geven op een schoon paleis, omdat in ere en geluk te bewonen; en zo kan ook ons wandelen in de weg, die tot de heerlijkheid leidt, de prijs der heerlijkheid niet zijn.
Tegenwerping 3. Maar wij worden door de verdienste van Christus zalig gemaakt, voor wij enig goed werk kunnen doen; dus kunnen de goede werken niet dienen, om onze zaligheid te volmaken.
Antw. Dat is zo, wij zijn ten opzichte van het recht van koop, zalig gemaakt voor wij geloven; doch dat neemt niet weg, dat het geloof een weg tot de zaligheid is. 2e. Dit sluit in, dat de goede werken geen oorzaak, of weg of middel zijn, om het kooprecht tot verlossing te verkrijgen; dit staan wij toe; maar niet, dat wij dadelijk gezaligd worden zonder te wandelen in de weg, die genaamd wordt, de heilige weg, daar de onreine niet zal doorgaan," (Jes. 35: 8).
Tegenwerping 4. Wij moeten goede werken doen uit het beginsel, dat de liefde van Christus ons dringt, niet omdat de wet het eist of beveelt.
Antw. Daar is niets tegenstrijdigs in: de wedergeborenen hebben uit beide beginselen te wandelen in liefde en heiligheid evenals Christus. De regel der wet is niet opgeheven door de genade of door de liefde van Christus, en toch is dat de gehele redenering van de oude vrijgeesten. Paulus zei: "Maar nu zijn wij vrijgemaakt van de wet." (Rom. 7: 6). "O, zeggen de vrijgeesten, "dan mogen wij zondigen en ons vleselijk wandelen zal niet van tevoren een oordeel vellen over onze zaligheid, of ons verdoemen." "Wat zullen wij dan zeggen? Is de wet zonde? Dat zij verre", (vs. 7); en waar de zonde meerder geworden is, daar is de genade veel meer overvloedig geweest." (Rom. 5: 20) Dan zeggen de vrijgeesten: wat zullen wij dan zeggen? Zullen wij in de zonde blijven, opdat de genade te meerder worde? Dat zij verre." (Rom. 6: 1, 2) Derhalve beveelt de wet ons niet en zij schrijft ons niet voor, te zondigen; Christus en de genade, die vrienden zijn, spreken als uit een mond: dat zij verre, dat wij zouden zondigen. Wij zijn niet vrijgemaakt van de gebiedende macht der wet, als alleen in zoverre wij niet zondigen. Wanneer wij doen, wat met Gods wet in strijd is, dan zijn wij in zo ver onder de wet, die geen zonde toelaat, omdat de regel van de wet weggenomen is; ja, de wet versterkt een mens, totdat hij tot Christus en tot de heerlijkheid komt; en Christus bekrachtigt de wet en zegt: "De wet verbiedt u te zondigen; Ik zeg: Amen. De genade zegt: Zondigt niet; en Christus legt ook nieuwe banden van liefde, en verplichting tot dankbaarheid op ons, om niet te zondigen, doch Hij neemt de oude banden niet weg. Genade en veroordeling staan tegenover elkaar, maar genade en de gebiedende macht van de wet niet.
Tegenwerping 5. De wet is een letter des doods en der dienstbaarheid en kan nooit de ziel bekeren; alleen het Evangelie doet dat, want in het Evangelie wordt genade geschonken om te doen, wat geboden wordt. Daarom leiden uw wetpredikers de mensen van het fundament, Christus af.
Antw. De letter van de wet, zonder de Geest van Christus, kan niemand bekeren; evenmin als de letter van het Evangelie of de Evangeliebedreigingen, zonder de Geest der genade iemand bekeren kan. Beide, wet en Evangelie, afgescheiden van de Geest, staan hierin gelijk; en zo moest, volgens die redenering, noch de wet, noch het Evangelie gepredikt worden. De Antinomianen leren dit rechtuit, want zij zeggen 1e. Dat het behoorlijk onderzoek en de kennis der Schrift geen veilige en zekere weg is, om Christus na te speuren en te vinden. Het Woord zegt het tegenovergestelde (Ps. 19: 8-10; Hand. 10: 43; Rom. 3: 21; Joh. 5: 39; Luk. 1: 70, 71). 2e. Om iets te doen uit kracht van een gebod, is een wettische weg, geen evangeliegehoorzaamheid; dit is in strijd met Ps. 119: 6, 11, 43, 44; en 2 Petr. 1: 19, 20; 2 Tim. 3: 16. 3e. Elk woordelijk verbond en het geschreven woord is maar een werkverbond en trekt de mensen van Christus af; en de gehele letter der Schrift behandelt een werkverbond. Alle openbaringen, leerstellingen en geesten moeten veeleer beproefd worden door Christus, dan door het Woord. Zij, die van de zon afgaan, moeten tenslotte in duisternis wandelen. De Anabaptisten vanouds zeiden, dat het verbond der genade in het binnenste en in het hart geschreven was, en er daarom geen behoefte was aan woord of bediening; maar wanneer de Satan aanklopt, is zijn kloppen stom en klankloos; hij brengt het Woord niet en spreekt niet overeenkomstig de wet en het getuigenis, omdat hij een stomme duivel is; doch Christus brengt het Woord met zich. Op dit alles kunnen wij niet anders zeggen, dan dat zij de Schriften en de prediking van het Woord veroordelen, omdat niets ons ter zaligheid dienstig kan zijn, zonder de Geest. Dit is Ie. de wijsheid van onze Heeren te veroordelen, die vastgesteld heeft, dat het geloof zou zijn uit het gehoor, en dat de dingen, die geschreven zijn, geschreven zijn, opdat wij "gelovende het eeuwige leven hebben zouden (Joh. 20: 31). 2e. Het is een binden van de vrije werking des Geestes, wiens wind blaast, waarheen Hij wil, aan de pr2diking des Woords. 3e. ja, het maakt Christus' dood, opstanding, hemelvaart en voorbidding aan de rechterhand Gods, welke alle het merg van het Evangelie moeten zijn tot bloot wettische dingen, tot dingen, die tot het werkverbond behoren, omdat deze alle, zonder de genade des Geestes, slechts vruchteloos zijn voor vele duizenden.
Tegenwerping 6. Maar bekering is in het Nieuwe Testament niets anders dan de verandering des gemoeds, en van een anderen zin te zijn, dan de gerechtigheid te zoeken door de werken der wet; ja, die alleen in Christus te zoeken; en doding is maar de bevatting, dat de zonde door Christus gedood is, en zo is de bekering een deel van het geloof, hoewel het waar is, dat de bekering onder het Oude Testament een bewenen en verlaten van de zonde was.
Antwoord. Maar dit is met Christus te spotten. Alle doding van en heerschappij over onze lusten, welke strijdt tegen barmhartigheid en gerechtigheid, en de plichten van de tweede Tafel der wet, moet zodoende een geloofsdaad en het nieuwe licht van Christus in het gemoed zijn, waardoor wij geloven, dat onze gerechtigheid in Christus is, en dus een daad van inwendige godsdienst, behorende tot de eerste Tafel. Dan mochten wij wel zeggen, dat wij gerechtvaardigd worden door bekering en doding, al zegt de Schrift, dat de zondaar gerechtvaardigd wordt door het geloof, de gerechtigheid van Christus aangrijpende. 2e. Dat de bekering is een aangrijpen van Christus' gerechtigheid. 3e. Dat evenals alleen te geloven, zonder de werken, rechtvaardigt en zaligt; zo ook alleen het zich bekeren (dat is het gemoed te veranderen en gerechtigheid aan te grijpen, niet in de werken, maar in Christus) zonder alle heiligheid en verlaten der zonde, ons zou zalig maken. Maar dit is, de mensen vrij te stellen van alle plichten van de tweede Tafel, ja ook van de eerste Tafel, van God lief te hebben, te bidden, te loven, te horen, enz., wanneer wij alleen maar geloven. Dit is duidelijk de weg van de oude Gnostieken, die alle heiligheid in een blote kennis en bevatting van Gods wil stelden, zonder liefde of gehoorzaamheid. Bekering is droefheid naar God (1 Kor. 7: 9, 10; Jak. 4: 9) en van het kwade af te wijken en het goede te doen (1 Petr. 3: 11), en te doden de oude mens en deszelfs begeerlijkheden, namelijk hoererij, onreinigheid, schandelijke beweging, kwade begeerlijkheid, gierigheid" (Kol. 3: 5). En dit wordt in het Nieuwe Testament geboden, als zijnde juist de les van de genade Gods. (Tit. 2: 11) Het is waar, onder het Oude Testament was het volk onder voogden en dienstbaarheid; maar dat was ten opzichte van het vleselijk gebod der ceremoniën, overtuigende van de bloedige schuld, welke voorgesteld werd in bloedige offeranden.
2e. In dit opzicht, dat toen minder van Christus en de lieflijkheid van het Evangelie bekend was, en dat de wet de schuldige met meer gestrengheid tot Christus dreef. Maar 1e slaafse gehoorzaamheid, door bevatting van wettische verschrikkingen, werd in de geestelijke wet Gods de Joden nooit meer geboden dan ons. 2e. De Joden werden door de werken der wet evenmin gerechtvaardigd als wij, maar door het geloof in Christus, even goed als wij (Hand. 15: 11; Hand. 10: 42,43; Hebr. 11; 1 Kor. 10: 1-3). ja, wij worden gerechtvaardigd, evenals David en Abraham (Rom. 4: 3-8). Ja, der Joden zoeken van de rechtvaardigheid uit de werken der wet is eenstoten aan de Steen des aanstoots, die in Sion gelegd is (Rom. 9: 31-33). Ja, het is godslasterlijk om te zeggen, dat bekering onder het Oude Testament een droefheid over de zonde was, met een verlaten ervan; alsof wij onder het Nieuwe Testament een vrijbrief hadden om te zondigen en de genade te veranderen in ontuchtigheid.
"Verloren schapen". Verloren, moet, of verstaan worden van de algemene toestand, waarin alle mensen verkeren, en dat, omdat allen erfgenamen des toorns zijn (Efez 2) "allen hebben gezondigd en derven de heerlijkheid Gods," (Rom. 3: 23) en in die zin zijn allen verloren; of zoals de Schrift de mensen benoemt, naar hetgeen zij zichzelf achten te zijn, als: "ik ben niet gekomen, om te roepen rechtvaardigen, maar zondaars tot bekering." (Matth. 9: 13 Dit mag schijnen in te houden, dat sommigen zondaars zijn en sommigen geen zondaars, maar rechtvaardigen, terwijl toch niemand rechtvaardig is, die niet zondigt (Rom. 3: 10); maar God betitelt de mensen, zoals zij het zichzelf doen, en zo beduidt verloren hier, zulken, die verloren zijn in hun eigen schatting. Het voornemen van Christus met in het vlees te komen en te sterven is, om te zoeken en zalig te maken, dat verloren is (Luk. 19: 10). In deze zin (Matth. 9: 13 en 1 Tim. 1: 15) kwam Christus, om zondaren zalig te maken, anders was het gehele huis Israëls verloren. mijn volk waren verloren schapen." (Jer. 50: 6). "En het verlorene zoekt gij niet (Ezech. 34: 4). Ook moet dit niet verstaan worden van de verlorenen, aangemerkt als mensen voor wie verlossing verworven is - onder dit begrip stierf Christus voor zijn vijanden (Rom. 10: 10), de rechtvaardige voor de onrechtvaardige (1 Petr. 3: 18) en dus, voor de verlorenen; maar hier worden wij er op gewezen, dat zij, wier zaligheid Christus bijzonder op het oog heeft en die Hij werkelijk bekeert, eerst zondaars zijn en verloren in hun eigen ogen; zoals duidelijk blijkt uit Matth. 9: 13, 1 Tim. 1: 15, Luk. 19: 10. Het is wat anders, verloren te zijn en een zondaar, en wat anders bij zichzelf verloren te zijn; evenals er velen belast zijn, zonder vermoeid te zijn, terwijl toch niemand vermoeid is dan die belast is. 1. Allen, die door Christus bekeerd worden, zijn ook bij zichzelf zondaars, maar Christus bekeert niet alle zondaars. Daarom roept en zaligt Christus slechts zulken, die op de een of andere wijze zijn voorbereid. Nu is er een voorbereiding van orde en een voorbereiding van verdienste. Ik kan niet zeggen, dat er voorbereidingen in de bekeerde zijn, bij wijze van verdienste. Christus roept geen zondaars, omdat zij zondaars zijn in hun gevoel, want Hij ontfermt zich diens Hij wil. 2. Ook zijn er geen voorbereidingen in de bekeerde, waarop de bekering beloofd is als een vrij genadeloon, welke men zedelijke voorbereidingen zou kunnen noemen; er is in het Woord geen zodanige belofte als deze: allen, die vermoeid en verloren zijn in hun eigen ogen, zullen bekeerd worden." Jer. 3. Het is moeilijk toe te staan, dat allen, die voorbereid zijn met deze voorbereidingen van orde, onfeilbaar bekeerd zijn; het is vrij zeker, dat judas en Kaïn zich hielden voor zondaars, en dat zij enig wetswerk in hun hart hadden, en nochtans werden zij nooit bekeerd. Maal- Gods gewone weg is, mensen tot Christus te brengen, die eerst bij zichzelf verloren en veroordeeld zijn, en dat op die gronden, welke bewijzen, dat Gods wijze van werken die volgorde houdt. 1e Omdat bekering een redelijk werk is en het Evangelie een zedelijk werktuig der bekering, opent Christus hier een ader, voor Hij; een geneesmiddel toedient; eerst wondt en dan geneest Hij - want hoewel op het ogenblik van de vormelijke bekering de mens lijdelijk is, en noch Christus kan verhinderen, noch met Christus medewerken, toch wordt het gehele werk der bekering niet in een ogenblik gedaan, want de mensen worden niet bekeerd evenals de leliën groeien, die niet arbeiden noch spinnen. Er zijn enige weeën in de nieuwe geboorte. De mensen worden niet bekeerd, evenals Simon het kruis van Christus droeg, geheel tegen hun wil: zij horen en lezen het Woord vrijwillig. Ook worden de mensen niet bekeerd, zonder, dat zij het weten, evenals Cajafas profeteerde; terwijl wij niet met de geestdrijvers moeten denken, dat God alles doet met één onmiddellijke verrukking, zoals de zon in haar opgang de lucht verlicht. Het Evangelie werkt zedelijk, evenals de wet. Redenen werken niet in een ogenblik evenals bliksemstralen in de lucht. Christus doet de zielen de koop overwegen, de akker en de parel beschouwen, en dan dezelve kopen. 2e. Het zaligen en roepen van de verlorenen door Christus is zowel een nieuwe generatie als een schepping. Een kind wordt niet in één dag geboren; zaligmakende genade is geen geneesmiddel, dat genezing werkt, terwijl de zieke slaapt. Christus werpt het metaal in het vuur eer Hij het vat der barmhartigheid formeert; Hij moet het oude werk terneer werpen, eer Hij het nieuwe fundament legt. 3e. Bekering is een Evangeliezegen, en moet daarom gewerkt worden in een weg, die overeenkomt met het doel van het Evangelie. Nu, het bijzondere oogmerk van het Evangelie is, om de mensen daar te brengen, dat zij Christus op hoge en dure prijs stellen, en dit is één Evangelie aanbieding: Wat dunkt u van zulk een uitnemende als Christus is? Wat zoudt gij wel voor Hem willen geven? Wat zoudt gij wel willen doen of lijden om Christus? Nu, de mensen kunnen Christus niet op prijs stellen, die de verschrikkingen der wet niet hebben ondervonden. Zo ging het met Paulus; als hij bevond, dat hij de voornaamste der zondaren zijnde, in die toestand gezaligd was, (1 Tim. 1: 15) moest hij Christus aangrijpen en hij berstte los in een Psalm (vs. 17). de Koning nu der eeuwen, de onverderfelijke, de onzienlijke, de alleen wijze God, zij ere en heerlijkheid in alle eeuwigheid, Amen. Een gezicht van de galg of de bijl verwekt in het hart van de veroordeelde hoge gedachten van de genade van een vergevend vorst. Op vrije genade te leven is zulk een liefelijk vrijgoed, dat de bezitter hogen prijs moet stellen op vrije genade. 4e. De lemen organen, en de vermogens der ziel, welke door dezelve werken, kunnen de te grote hevigheid van wettische verschrikkingen niet verdragen, want in het verlevendigen zou de geest, indien Hij al zijn toorn uitliet, overstelpt worden, en de zielen, die Hij gemaakt heeft (Jes. 57: 16). Zij zouden ook niet kunnen verdragen, dat God al de kracht zijner liefde in een ogenblik uitliet. Een ruwe, geweldige behandeling zou kristallen glazen breken, Christus zou de naald breken, indien Hij al zijn kracht zou tewerkstellen, wanneer Hij het hart aan zich vastnaait Een te snelle beweging der raderen zou de molen breken. Christus moet zachtjes aan werken, een gezicht van het vierde deel van het vuur der hel, of een gezicht van één kamer of één venster van de hemel is genoeg op een keer. 1. Het is niet genoeg, geschikt gemaakt te zijn voor het geneesmiddel, en niet voor de geneesheer. De vermoeiden en belasten zijn geschikt, om verlichting te ontvangen, maar zij zijn niet geschikt gemaakt voor Christus, de Heelmeester, tenzij zij tot Hem komen en geloven. Het geloof is een zeer gepast iets voor Christus: "O, alle gij dorstigen, komt tot de wateren, en gij, die geen geld hebt, komt, koopt en eet". (Jes. 55: 1). Het is waar, ten opzichte daarvan, dat alle goed niet verdienen kan, dat God daardoor bewogen zou worden, de een barmhartig te zijn boven de ander. Jeruzalem en alle bekeerden liggen in hun bloed, terwijl geen oog medelijden met hen heeft. (Ezech. 16: 6, 8), en daarom moet niemand de moed verliezen, om te komen, omdat zijn staat zo ellendig is, en zeggen - "Ik kan niet komen; ik heb geen geld", want Christus nodigt juist hen, die geen geld hebben. Hoewel Christus de vrouw van de genade scheen uit te sluiten, nochtans stelt Christus hier, in zijn wijsheid, de belofte voor in die ruimte van vrije genade, omdat Hij, zoals Hij zegt, voor de verloren schapen kwam; dat er plaats is voor de vrouw, en voor alle gelovige heidenen, om in te komen en het verbond aan te grijpen. Gevoel van ellende en ongeloof stelt Christus al te nauw voor, en beperkt en verkort de belofte, alsof er voor u geen plaats was, omdat gij zo en zo zondig bent.
Tegenwerping 1. De koning kondigt een algemene proclamatie af aan al dieven en moordenaars: "O! zegt iemand, misschien bedoelt hij anderen en niet mij". Wel, hij bedoelt dieven en moordenaars in het algemeen, hij zondert niemand uit: waarom zoudt gij zeggen: "Niet mij?" Christus behoort aan zondaars als zondaars; Hij ontvangt zondaars als zondaars, ja, Hij is opgevaren, om gaven te geven aan de wederhorigen. Daarom wordt er geen geschiktheid vereist in mensen, die in Christus geloven; neen, zelfs het ongeloof sluit een mens niet van Christus uit; het sluit hem alleen uit van de bevindelijke kennis, dat Christus de zijne is.
Antwoord 1. Het is waar, het Evangelie zondert geen mens uit van de vergeving, en allen, die het Evangelie horen, moeten vermoeid en belast zijn, en Christus door het geloof aannemen, alsof God voornam hen zalig te maken. Doch de beloften van het Evangelie zijn niet zo maar algemeen, alsof God voorgenomen en besloten had, dat elk en een ieder dadelijk zou verlost en gezaligd worden, zoals de Arminianen leren. God zondert er niet weinigen uit in zijn eigen verborgen besluit, al openbaart Hij in het Evangelie niet, wie zij zijn, nochtans openbaart Hij in het Evangelie in het algemeen, dat velen zijn geroepen, maar weinigen uitverkoren. Ook stem ik toe, dat er voor geen mens reden is om niet te geloven op deze grond, dat sommigen van eeuwigheid verworpen zijn, en het zijn kan, dat hij een van die. is, want het tegendeel is een vaste logica- velen zijn uitverkoren tot het eeuwige leven, en het kan zeker, dat hij er een van is. 2. Het is beslist onwaar, dat Christus aan zondaars als zondaars behoort, want dan zou Christus allen ongelovigen, hoe hardnekkig ook, toebehoren, ja zelfs aan hen, die tegen de Heilige Geest zondigen. Neen, Christus behoort alleen aan zondaars, die tot heerlijkheid uitverkoren zijn, als uitverkoren tot heerlijkheid, uit hoofde van Gods genadig voornemen, en Hij behoort alleen aan zondaars, die geloven, als gelovende uit kracht van dadelijke vereniging met Christus. (Efez. 3: 17; Gal. 2: 20). 3. Het is onwaar, dat zondaars als zondaars Christus aannemen, want dan zouden judas en alle zondaars Christus aangenomen hebben, terwijl de Schrift aanwijst, dat alleen de gelovigen Hem aannemen (Joh. 1: 12; Gal. 2: 20; Ef. 3: 17). 4. Het is een leugen, dat zondaars als zondaars in Christus geloven. Deze weg . der vrijgeesten is een brede weg voor tovenaars, dieven, moordenaars, vadermoorders en afgodendienaars, om te geloven, terwijl zij in dien verdoemelijke staat blijven; terwijl zondaars als zodanig, zondaars zo en zo omschreven, moeten geloven, dat is, nederige, vermoeide, belaste, zelfveroordeelde zondaars alleen moeten geloven en tot Christus komen. Het is waar, dat alle zondaars verplicht zijn te geloven, maar naar de orde van vrije genade; dat is, dat zij eerst zelfverloren en ziek moeten zijn, en dan worden gezaligd door de Heelmeester.
Ik kan er niet van tussen hier enkele verdoemelijke dwalingen der vrijgeesten te melden, die in strijd zijn met deze waarheid van Christus, zoals deze: dat de Geest het meest in de heiligen werkt, wanneer zij het minst hun best doen. 1. Het kan bij toeval zijn, en door misbruik van ons, die op onze pogingen en werken vertrouwen, omdat genade en de Geest het verdienen niet willen vleien, dat ons maar al te natuurlijk is; - dat God een zweetend worstelaar, die nachten in het gebed heeft doorgebracht, en zorgvuldig in alle middelen, en overvloedig in het werk des Heeren is, niet hoort. Ziet en verstaat, dat vrije genade ons naar de hemel leidt; niet onze pogingen. Het is beter, dat ik mijzelf bewust ben, dat ik de schuldenaar van Christus ben, en niet van mijzelf. 2. Dat wij zien, hoe ellendig het zelf is, en dat zelf lust heeft, de ere te delen met vrije genade. 3. Dat Christus het vloeien van zijn getij, en het blazen van zijn wind terughoudt, naar zijn eigen, vrije genade, (Joh. 3: 8) en, dat genade,. die de zeilen doet zwellen, niet in de macht van de zeeman is. Maar deze dwaling is de dochter van een andere die nog verdoemelijker is, namelijk deze: dat de werkzaamheid en krachtdadigheid van de dood van Christus alle werkzaamheid der genaden in zijn leden zal doden, opdat Christus alles in allen zij. Dit houd ik voor het merg van vleselijke vrijgeesterij, dat niet alleen de wedergeborene niet kan zondigen, maar dat hij behoort te zondigen, opdat de genade te meerder worde, en dat Christus daartoe gestorven is, dat wij in de zonde zouden leven. Het tegendeel hiervan wordt gezegd, namelijk, dat de Zoon van God gestorven is, opdat Hij de werken des duivels, dat is de zonde, verbreken zou" (1 Joh. 3: 8). Nu, het niet opwekken der genade van Christus in ons, is een bedroevende zonde. (1 Tim. 4: 14; 1 Kor. 15: 10). ja, Hij heeft onze zonden gedragen op het hout, opdat wij de zonden gestorven zijnde, der gerechtigheid leven zouden (1 Petr. 2: 24). opdat wij in nieuwigheid des levens wandelen zouden (Rom. 6: 4). En Gal. 1: 4, "Christus heeft Zichzelf gegeven voor ons, opdat Hij ons trekken zou uit deze tegenwoordige, boze wereld, naar de wil van onze Gods en Vaders". Zo ook 1 Petr. 1: 18, "Wij zijn niet door vergankelijke dingen verlost, uit onze ijdele wandeling, die ons van de vaderen overgeleverd is." Dit maakt krachteloos, waar tenslotte de gehele Antinomiaanse leer op neerkomt, dat Christus zodanig onze heiligmaking is, dat er geen wet noch Evangelie is, welke van ons eist, dat wij heilig zijn. Vandaar hun vijfde dwaling. "Er wordt veel drukte gemaakt over genaden, en op de harten te letten, maar geef mij Christus; ik zoek geen genaden, noch beloften, noch heiligmaking; spreek mij niet van meditaties en plichten, maar spreek mij van Christus. Zo heeft Christus niet alleen voor ons geleden alles, wat Hij lijden moest, zodat het heiligschennis is, bij Zijn lijden het onze te voegen - maar het is ook heiligschennis als wij heilig zijn, en iets van onze dadelijke heiligheid bij zijn dadelijke gehoorzaamheid voegen. Zo zegt Mr. Towne: al onze gehoorzaamheid, zoals zij het werk des Geestes is, is lijdelijk, en naar waarheid de vrucht des Geestes genoemd, (Gal. 5: 22) en zo is zij een volledig werk en onbevlekt, in alles overeenstemmende met de geest van de werkende ooizaak en de Auteur, welke de wet en regel is, waarnaar Hij werkt. Maar zoals zij dadelijk onze gehoorzaamheid is, is zij zeer onvolmaakt en besmet; ja, op zichzelf aangemerkt, is zij een maanstondig kleed en drek". En hun 36ste dwaling is, "Al de werkzaamheid van een gelovige is, werkzaam te zijn, om te zondigen; dus wij kunnen niets dan zondigen, en wij hebben niets te doen, ja, zijn niet verplicht te bidden, dan wanneer de Geest ons aandrijft, en dat is het werk des Geestes; wij zijn daarin volslagen lijdelijk". Zo zegt hij in de 4e dwaling: "Indien Christus mij wil laten zondigen, laat Hem zelf toezien - het betreft zijn eer". Waarlijk, de eer van Hem is er mee gemoeid, die beloofd heeft, ons onbevlekt te bewaren tot de dag van Christus, en Christus is een Voorspraak, die zich verbonden heeft, om tussen te treden voor de heiligen, wanneer zij zondigen, opdat de verlosten des Heeren niet afvallen, maar zonder vlek de Heere voorgesteld worden, op de dag van Christus. Maar wat heeft dit alles te maken met het vernietigen van 1e: Alle werking der genade, en de mensen op te bouwen in een lui, dood geloof. 2e. Om alle geboden van plichten weg te nemen, welke zo vaak voorkomen in het Woord der genade, hetwelk ons onderwijst "dat wij alle goddeloosheid verzakende, matig, rechtvaardig en godzalig leven zouden in deze tegenwoordige wereld" (Tit. 2: 12). 3e. Een tegenstelling te maken tussen Christus en zijn genade, de fontein en de stroom (Joh. 1:16; Tit. 1: 14; 1 Joh. 3: 8).
Tegenwerping. Indien de daden der genade alle wentelen om deze as van Gods genade en wil, wat kan ik dan doen, wanneer ik onbekwaam ben, om goed te doen?
Antw. Indien dit een redelijke vraag is, dan is niemand veroordeeld, omdat hij niet gelooft in de eniggeboren Zoon van God, in strijd met Joh. 3: 18, 36, want verworpelingen zijn geheel en al onbekwaam, om te geeloven. 2. Ongeschiktheid is onze zonde, waarover wij vernederd moesten zijn. Met inkt kan men geen vuil kleed uitwassen; zonde verontschuldigt de zonde niet.
"En zij kwam en aanbad Hem zeggende. Heere, help mij" (Vers 25)
Christus heeft geweigerd haar voor de zijne te erkennen, maar zij wil niet ontkennen, dat Christus de hare is. Ziet hieruit, hoe een gelovige zich te gedragen heeft onder de verlatingen en het gefronst gelaat van Christus. 1e Christus antwoordde haar niet een woord. 2e. Hij gaf een antwoord, - maar aan de discipelen, niet aan de vrouw. Vreselijke toestand! Christus weigert haar een woord te geven, opdat het staan mocht tussen haar, en de hel en wanhoop. 3e. Het antwoord, dat Hij geeft is droeviger, erger dan geen antwoord - het is zoveel te zeggen als. "Vrouw, Ik heb niets met u te doen; Ik trek Mij van u af". Toch is zij: 1. Lijdzaam. 2. Zij gelooft. 3. Zij wacht op een beter antwoord. 4. Zij houdt aan met bidden. 5. Haar liefde is niet verminderd; zij komt en aanbidt. 6. Erkent haar eigen ellende: Heere, help mij, en geeft Christus de plaats, die Hem toekomt als God, om aangebeden te worden. 7. Zij vat Christus zo het behoort, en ziet, dat de verzoeking een verzoeking is. 8. Zij loopt tot Christus zij komt dichter bij Hem en loopt niet van Hem weg; zij klemt zich vast aan Christus, hoewel Christus haar afgewezen heeft.
1. Lijdzame onderwerping aan God onder verlating is zoet. Wat, al zie ik geen reden, waarom God niet antwoordt, als ik roep en schreeuw? 1e. Zijn vertroostingen en zijn antwoorden zijn zijn eigen vrije genadegiften - Hij mag met het zijne doen, wat Hem belieft; genade is geen schuld. "Hoor, Heere, om uws zelfs wil (Dan. 9: 19). 2e. Oneindige soevereiniteit kan alle harten doen stilzwijgen. De goede Hiskia zegt: wat zal ik spreken? gelijk Hij het mij heeft toegezegd, alzo heeft Hij het gedaan (Jes. 38: 15). Het is een daad van de Hemel; ik draag ze met stilzwijgen.
2. Zij gelooft. Een hoog en edel gebod is de bedroefde van geest opgelegd: "Wie in de duisternis wandelt en geen licht heeft, dat hij betrouwe op de naam des Heeren, en steune op zijn God (Jes. 50: 10). Vult het veld met geloof, verdubbelt of herhaalt de geloofsdaden: "Mijn God, mijn God, waarom hebt Gij mij verlaten?", (Ps. 22: 1). Twee geloven zijn een dubbele borstwering tegen de sterkten der hel. 3. Gelooft in de grootste engten, ja als een David, op de grenzen van de hel: al ging ik ook in een dal der schaduw des doods, ik zou geen kwaad vrezen (Ps. 23: 4). Dat wil zeggen: Ik zal het goede geloven. Het is een koude en een donkere schaduw, om, aan de rechterzijde van de dood te wandelen. zie, zo Hij mij doodde, zou ik niet hopen?" (Job 13: 15). Ziet Stefanus, tegelijkertijd sterven en geloven. Ziet ook Christus' dode lichaam en zijn graf, in zekere zin, gelovende: "Ook zal mijn vlees rusten in hoop" (Eng. Vert. Ps. 16: 9). Hoe zoet is het, de band van het geloof, aan de achterzijde met Gods eigen hand onderschreven, in het graf mee te nemen, zoals Christus deed: "gij zult mijn ziel in de hel niet verlaten (vs. 10). 4e. Het geloof zegt: het gevoel is een leugenaar. Verbeelding, gevoel en het vlees zullen zeggen: zijn schutters hebben mij omringd. Hij heeft mijn nieren doorspleten en niet gespaard; Hij heeft mijn gal op de aarde uitgegoten" (Job 16: 13), maar het geloof zegt: Ik heb een Vriend in de hemel; ook nu, ziet in de hemel is mijn Getuige" (vs. 19). Het gevoel maakt God tot een leugenaar: daartoe heeft Hij zijn toorn tegen mij ontstoken, en mij bij Hem geacht als zijn vijanden (Job 19: 11). Neen Job, gij bent de vriend van God: ziet, hoe, het geloof het hoofd boven water steekt: ik weet, dat mijn Bloedvriend of mijn Verlosser leeft (vs. 25).
3. Zij blijft wachten in hoop; zij houdt zich niet aan het eerste noch aan het tweede antwoord. De hoop heeft een lange adem, en profeteert zelfs te middernacht goed van God. wanneer ik gevallen ben, zal ik weer opstaan (Mich. 7: 8). Ik zei: ik ben uitgestoten van voor Uw ogen; nochtans zal ik de tempel van Uw heiligheid weer aanschouwen" (Jona 2:4). Er is een zaad van de hemel in de hoop. Toen God zijn aangezicht voor Job verborg (Job 13: 24), sprak hij nochtans: "Hij zal mij tot zaligheid zijn (vs. 16). Al is er een ontkennende en bewolkte hoop in de ziel, wanneer alles er even droevig voorstaat, toch durft de gelovige niet zeggen: Christus zal nooit terugkomen"; wanneer hij het zegt, dan is het in drift of in haasten, en hij zal zijn woorden intrekken (Jes. 8: 17).
4. Zij houdt aan met bidden; zij roept: Heere, gij Zoon Davids, ontferm U mijner"; zij krijgt geen antwoord; zij roept wederom, tot zij de discipelen lastig wordt vanwege haar geroep. Zij krijgt een antwoord erger dan geen antwoord, nochtans komt zij en bidt. Wij weten de heilige eigenzinnigheid van Jakob: Ik zal u niet laten gaan, tenzij dat Gij mij zegent" (Gen. 32: 26). Regen doet de storm bedaren; Gods kinderen plegen in een droevige tijd zich in woorden te luchten. Uw grimmigheid ligt op mij. Mijn oog treurt vanwege verdrukking" (Ps. 88: 8, 10). En wat dan? O Heere, ik roep tot U de gehele dag; ik strek mijn handen uit tot U." Christus op de grenzen der hel, bad en bad wederom en stierf biddende (Ps. 22: 2).
5. Zij heeft nog liefde tot Christus, en is niet afgebracht van de plicht van aanbidding. "Dewelke gij niet gezien hebt, en nochtans liefhebt" (1 Petr. 1: 8). De verlaten ziel ziet weinig. Er moet liefde tot Christus zijn: Waar geloof is in de duisternis - het geloof is zwanger van liefde. 2e. Waar de gelovige gewillig is, dat zijn smart en zijn hel stof zij, om God te loven. "Wie is een groot God, gelijk God?" (Ps. 77: 14). Uit de Psalm blijkt duidelijk, dat de Kerk toen in verlating was.
6. Zij zet Christus in zijn koninklijke stoel en aanbidt Hem. De verlaten ziel zegt: ik zij wat ik zij, Hij is Jehovah, de Heere". Belijdenis is goed in de droevigste verlating. "Ik heb gezondigd, (Eng. Vert.) wat zal ik U doen, o Mensenhoeder?" (Job. 7: 20) Het zaad Jacobs is in een moeilijke omstandigheid en ligt onder Gods toorn (Klaagl. 1: 17; vs. 12-14). Nochtans spreekt het: de Heere is rechtvaardig, want ik heb gezondigd." Dit geeft der ziel goedertieren gedachten van God, al is de bedeling nog zo droevig.
7. Zij ziet, dat het een beproeving is, zoals duidelijk blijkt uit haar dringend volgen achter Christus, na zo vele afwijzingen. Het is een grote genade, dat God niet van achter komt, en niet in het donker slaat. En ik zei: dit is mijn zwakheid". (Eng. Vert. Ps. 77: 1 l). Hij vergadert dus zijn verstrooide gedachten en beschuldigt zichzelf in de verzoeking. Het is genade: 1e. Om de verzoeking onder de ogen te zien. Sommigen zijn stom en doof onder een verzoeking, welke al hun vijf zintuigen vereist; Kaïn wordt door de verzoeking in het middernachtelijk donker vermoord, en hij weet het niet. 2e. Op een verzoeking, die onmiddellijk van Gods hand komt, moet meer gezien worden dan op enige andere verzoeking. 3e. Hierdoor is het geweten vreesachtig en zij verkeert haar wegen onder de beproeving. Wanneer iemand, die bij nacht reist, de grond niet vertrouwt, waar hij op wandelt, dan is hij in een droevige toestand - hij verkeert onder twee kwaden, en heeft noch vertroosting noch vertrouwen. die in de duisternis wandelt en geen licht heeft (dan enig stergeflonker, of een maan, die aan het ondergaan is), en de grond niet kent, dien hij bewandelt, dat hij betrouwt op de naam des Heeren (Jes. 50: 10).
8. Zij loopt niet weg van Christus onder de verlating, maar 1e Zij komt tot Hem. Het is geen uitgemaakte zaak, wat onder verlating zijnde zielen in dat geval zullen doen. 2e. Ziet, dat gij niet van Christus afloopt. Het was een verlating, daar Saul onder was, ja, een droevige verlating. Doch hij doet belijdenis van zijn toestand aan de duivel met een droevig woord: ik ben zeer beangst" (1 Sam. 28: 15). Er wordt een zeer bezwarende en beklaaglijke reden bijgevoegd, waarom; "want de Filistijnen krijgen tegen mij". Wel, dat is niet zo erg, want zij beoorlogen altijd het volk van God. Ja, maar hier is het merg en de ziel van alle wraak: "God is van mij geweken" Wel, dwaze man, waar schort het u, dat gij de duivel gaat vertellen, dat God van u geweken is? Judas was onder een algehele verlating; hij ging niet tot Christus, maar tot de moordenaars van Christus, om zijn wond open te leggen. "\Ik heb gezondigd." Dwaas! maak dat aan de Zaligmaker van zondaars bekend. De verlaten Kerk begeeft zich tot Christus en zoekt naarstig naar Hem. "Hebt gij die gezien, die mijn ziel liefheeft?" Het is een slecht teken, wanneer mensen, onder besef, dat zij onder rampen verkeren, hun toevlucht nemen tot leugens en politiek.
Tegenwerping. Maar het is een grotere zonde, tot Christus te gaan, wanneer men in een staat van zonde is. Wat moet ik toch doen; kan ik tot Hem gaan, die ik zozeer beledigd heb?
Antwoord. Van Christus aflopen, onder verlating, is twee doden. 1e Verlating is er een, en indien zij wezenlijk is, buiten de hel de droevigste hel. 2e. Van Christus en het leven te vlieden, is een andere dood. Nu, tot Hem te komen, al zou Hij u doden om uw vermetelheid, is maar één dood, en maar een kleine in vergelijking van de andere; en het is beter een kleine dood te kiezen, dan twee grote doden. 2. Overweegt, wat een levendige dood het is, om gedood te worden in de oefening van een plicht, en wanneer gij op het oog hebt in Christus te vlieden. Het is beter, wanneer het zo zijn moet, door Christus' eigen hand te sterven dan door een andere hand; en het is beter, dood en begraven te liggen aan zijn voeten, dan van Hem weg te lopen in een diepe verlating. Indien de gelovige sterven moet is het beter, dat zijn graf gegraven wordt onder de troon en onder de voeten van Jezus Christus, dan dat hij zou sterven in een staat van verwijdering en vervreemding van Christus, waarin hij niet tot Hem durft naderen. Alle verlatenen, waarvan wij lezen, vloden tot Hem. (Ps. 34; 39; 88; Job 13: 15; Jes. 38.) Het is goed aanspraak op Hem te doen gelden, als uw God, ook al zou Hij u verloochenen, en naar Hem toe te kruipen, al zou Hij u van zijn aangezicht verwerpen. Het is beter, het zwaard te kussen, dat u doodt, en met zijn eigen hand verslagen te worden, dan uw vrijmoedigheid weg te werpen.
"En zij kwam en aanbad Hem." Geen zwaarder verzoeking kan een ziel overkomen, die smacht naar de liefde van Christus, dan tot God te roepen en niet beantwoord te worden, en dat de arme smekeling, die roept, rechtstreeks en rondweg afgewezen wordt. Nochtans drijft dit haar niet van de plicht; zij komt en aanbidt en bidt. Het is een gezegend kenmerk, wanneer een verzoeking de ziel niet van de plicht afdrijft. 1e Wanneer het gevaar en de droevige beproeving gezien worden, is het goed voort te gaan. Christus wist van tevoren, dat Hij zou lijden, nochtans, wanneer zij Hem wilden gevangen nemen, ging Hij naar de hof, om er een gedeelte van de nacht in het gebed door te brengen. Panlus werd door Agabus verwittigd, dat de Joden hem zouden binden en aan de Heidenen overleveren, indien hij naar Jeruzalem opging, maar hij gaf te kennen, dat hij wilde gaan, omdat het zijn plicht was: "Wat doet gij, dat gij weent, en mijn hart week maakt? Want ik ben bereid niet alleen gebonden te worden, maar ook te sterven te Jeruzalem voor de naam des Heeren Jezus." (Hand. 21: 13) Te sterven kon hem niet van een plicht afdrijven. Esther liep gevaar van haar leven, wanneer zij tot de koning inging - doch wetende, dat plicht haar riep, ging zij haar weg in geloof. "Kom ik om, zo kom ik om." 2e. In de daad van lijden. Christus aan het kruis bad, en bekeerde de moordenaar. Paulus, met ijzeren ketenen gebonden, predikte Christus voor Agrippa en zijn vijanden, terwijl het prediken van Christus zijn misdaad was. Paulus en Silas moesten met bebloede schouders psalmen zingen in de stok. 3e. Onbepaald. Na de beproeving en wanneer de verzoeking voorbij is, gaan de heiligen nochtans voort: "dit alles is ons overkomen," (Ps. 44: 18) daar is de verzoeking: de plicht is, nochtans hebben wij Uwer niet vergeten, noch vals gehandeld tegen uw verbond." "Vorsten hebben tegen mij gesproken," daar is een verzoeking; echter is hier een plicht: "uw knecht heeft uw inzettingen betracht." mijn ziel is bezweken van verlangen naar uw heil, op uw woord heb ik gehoopt." (Ps. 119: 81) "De goddelozen hebben mij een strik gelegd; nochtans ben ik niet afgedwaald van uw bevelen." (vs. 110.) Mijn vervolgers en mijn tegenpartijders zijn velen, maar van uw getuigenissen wijk ik niet." (vs. 157.) Zij hebben mij bestreden zonder oorzaak." (Ps. 109:3.) Voor mijn liefde staan zij mij tegen, maar ik was steeds in het gebed." (vs. 4.)
1. Het is een teken van een lieflijke, vernederde dienaar, die een vuistslag kan ontvangen en toch in zijns meesters dienst blijven, en wanneer een ziel door vuur en water kan gaan, om een plicht uit te oefenen, want dan heeft de bewustheid van de plicht meer overmogende kracht tot gehoorzaamheid, dan het zout en de bitterheid der verzoeking kracht hebben, om de geest te onderwerpen en te overwinnen; vrij zeker zal genade de slag winnen en de overhand hebben over de verdorvenheid. 2. Het bewijst, dat de ziel goed de wacht houdt en wel bewaard is tegen de inval van een boezemzonde en aangeboren verdorvenheid, want de verzoeking zet de naastliggende verdorvenheid aan, gelijk het vuur het dichtstbijzijnde kruit en het droge hout aansteekt en zo voortgaat. zij hadden mij bejegend ten dage mijns ongevals," (Ps. 18:19) maar ik was oprecht bij Hem, en ik wachtte mij voor mijn ongerechtigheid." (vs. 24.) De duivel heeft een vriend binnen in ons. Nu zijn er graden van vrienden, sommige nauwer verwant dan weer andere. De zonde, die ons het meest overheerst is de satan een meer geliefde vriend, dan een andere zonde. Indien hoogmoed de hoofdzonde is, dan is zij als zodanig van de satan eerstgeborene. Hij werkt zijn zaken uit door hoogmoed. 3. Het kan tot bewijs dienen, dat de ziel, die met genade gestaald en versterkt is, gelegenheid neemt uit de zondigheid van de verzoeking en haar scherpte, om ijveriger en werkzamer te zijn in de plichten. Toen David door Michal bespot werd, zei hij: ik zal mij nog geringer aanstellen." Zo ook: Allen, die mij zien, bespotten mij; zij steken de lip uit, zij schudden de kop." (Ps. 22: 8). Hij heeft het op de Heere gewenteld" (vs. 9). Ziehier een zware verzoeking; maar zijn geloof graaft dieper, tot de eerste bevinding van Gods goedheid: gij bent het immers, die mij uit de buik hebt uitgetogen," (vs. 10). Wanneer de Kerk bespot wordt met een: "Zingt ons een van de liederen Sions," (Ps. 137) dan rijst Sion meer in achting, omdat Sions liederen beschimpt worden. Laat hen Sion bespotten zoveel hun lust, maar indien ik Sion vergeet, (vs. 5), dan bid ik God, dat mijn tong mag kleven aan mijn gehemelte (vs. 6). Zo ook de moordenaar, horende, hoe Christus gelasterd en bespot wordt door zijn medegenoot, verhoogt hij Hem met temeer stoutmoedigheid als een Koning: Heere gedenk mij, als Gij in uw koninkrijk zult gekomen zijn. Genade vertoont zich heerlijker en werkzamer, naarmate zij tegengestaan wordt. Tegenstrijdige naturen, als vuur en water, stellen haar grootste kracht te werk, wanneer zij dadelijk met elkaar in strijd komen.
1e Gebruik. De Antinomianen veranderen genade in een verzoeking, en werpen dan alle plichten af; zeggende Christus heeft alle zonden vergeven; zijn gerechtigheid is mij toegerekend; wat spreekt gij mij van wetsplichten?" De weg, die plichten en heiligmaking tegenstaat, is de weg van genade niet; genade is een onnozel iets, en zal de mensen niet van de plichten afhouden; genade doet de gehoorzaamheid niet teniet. Christus heeft het geloof bevriend gemaakt met de wet; de dood van Christus vernietigt de werkzaamheid der genade in de plichten niet. Weliswaar, dat het vertrouwen op genade ons zelf wordt, en geen genade blijft; en zelf kan de hemel niet bestormen en Christus met geweld nemen; genade, hoewel nauw verwant aan Christus, is, zoals zij in ons ontvangen wordt, maar een schepsel, en zo kan er een afgod van gemaakt worden, wanneer wij er op vertrouwen, en niet eerst en voor geschapen genade Christus zoeken; doch geloven en doen zijn bloedvrienden (Joh. 11: 26).
2e Gebruik. Hierop moet nauw acht gegeven worden, dat wij in moeilijkheden en engten geen verkeerde wegen inslaan, en dat wij onder verzoeking strijden, om de weg van de Voorloper nabij te komen. Het was Christus bijzonder eigen, om toornig te worden en niet te zondigen; ons gelijk te zijn, in alle dingen verzocht gelijk als wij doch zonder zonde," (Hebr. 4: 15), met dit onderscheid, dat Christus verzocht wordende niet zondigen kon, terwijl de heiligen verzocht wordende niet durven zondigen. De wet Gods, zoet gemaakt met de liefde van Christus, heeft een majesteit en kracht, om voor de zonde te bewaren. Zo ook Christus, voor ons geworden onder de wet, (Jes. 53: 7), "werd verdrukt" (de onderdrukking zou een zondig mens dol maken), maar zij kon Christus niet treffen: "Hij werd verdrukt, doch Hij deed zijn mond niet open: als een lam is Hij ter slachting geleid." Zo deden ook al de volgelingen van Christus: zij zijn verzocht, maar genade bracht een kracht van teerheid over hen. Jozef verzocht wordende, zegt: hoe zou ik dit een zo groot kwaad doen, en zondigen tegen God?" (Gen. 39: 9). David wordt door Simeï gesmaad, maar hij durft zichzelf niet wreken. Hoewel Job zo zwaar verzocht werd als iemand, nochtans staat van hem geschreven: in dit alles zondigde Job niet, en schreef Gode niets ongerijmds toe". (Job 1: 22). Ik wil niet ontkennen, dat de verzoeking, soms een halve toestemming verkrijgt: Nabal verzocht David, zodat hij besloot zich te wreken. 2. Het zal in sommigen voor hun gehele leven een zwarte vlek en smet achterlaten. Petrus zal gedurende zijn gehele leven geweten hebben, dat hij eens zijn Heere onder eden verloochende. Maar dit is vreselijk, wanneer mensen eerst verzoekingen scheppen door een slechte zaak te verdedigen (want heilige mensen kunnen een onheilige zaak voorstaan), en dan geen weg kunnen vinden, om die uit te voeren, dan door bochtige sluwheid en laster. Wij worden nu door boosdoeners vervolgd met een onrechtvaardige oorlog. Om vrede aan te nemen op zulke voorwaarden als onterend zijn voor Christus, is een plicht te verlaten uit vrees voor een verzoeking; aan de andere kant is het weigeren van een aanbod van vrede, omdat vele onschuldige personen gedood zijn, ook een zich in verzoeking begeven; want door oorlog worden nog meer onschuldigen gedood, en het is tegen des Heeren raad: "wij zoekt de vrede" (Ps. 34: 15), dat wil zeggen, moeten niet alleen lijdelijk, maar ook dadelijk de vrede zoeken, zelfs al worden wij verongelijkt. Maar wat dan, wanneer de vrede van mij zal vlieden? Ik moet bekennen, dat dit een verzoeking is; dan zegt de Heere: jaagt doe na", (Hebr. 12: 14) "laat ons najagen 't geen tot de vrede dient" (Rom. 14: 19).
3e Gebruik. Ziet de zoete nuttigheid van het geloof onder een droevige, verzoeking. Het geloof drijft handel met Christus en de hemel in het donker, op goed geloof en vertrouwen, zonder naar borgtocht of pand om te zien: "Zalig zijn ze, die niet zullen gezien hebben en nochtans zullen geloofd hebben (Joh. 20: 29). De reden is deze, dat het geloof als met zenuwen en beenderen van geestelijke moed doorvlochten is, krachtig, om een gesloten stad tegen de hel te bewaren, ja zijn standplaats te behouden onder onmogelijkheden. Hier is een zwakke vrouw, hoewel niet als vrouw, doch als een gelovige, stand houdende tegen Hem, die de Sterke God, de Vader der eeuwigheid, de Vredevorst" is (Jes. 9: 5). Het geloof alleen houdt stand, en overwint het zwaard, de wereld en alle verdrukkingen (1 Joh. 5: 4). Dit is onze overwinning, waardoor één mens de grote en uitgestrekte wereld overwint.
Doch Hij antwoordde en zeide: Het is niet betamelijk het brood der kinderen te nemen, en den hondekens voor te werpen. En zij zeide: Ja, Heere! doch de hondekens eten ook van de brokjes die er vallen van de tafel van hun heren. Toen antwoordde Jezus, en zeide tot haar: O vrouw! groot is uw geloof; u geschiede, gelijk gij wilt. En haar dochter werd gezond van diezelfde ure.
Matth. 15:26-28.
En als zij in haar huis kwam, vond zij, dat de duivel uitgevaren was, en de dochter liggende op het bed.
Markus 7:30.
De woordenwisseling tussen Christus en de vrouw houdt aan. Christus voert een krachtige reden aan (vs. 26), waarom Hij haar dochter niet wilde genezen - namelijk omdat zij en haar gehele natie niet in een verbond met God waren, zoals de Joden, de Kerk van God, en zij daarom maar honden waren, onrein, en Christus onwaardig, die het Brood is, dat voor de kinderen verordineerd is.
Wanneer Christus vernedert, dan kan Hij ons onze afkomst en nationale zonden in herinnering brengen: aanschouwt de rotssteen daar gijlieden uit gehouwen zijt, en de holligheid des bornputs waar gij uit gegraven zijt" (Jes. 51: 1), "Ik riep Abraham, toen hij nog alleen was (Hos. 9: 10). Ik vond Israël als druiven in de woestijn. Zij zouden wilde druiven geweest zijn, rottende in de wildernis, wanneer Hij ze niet in zijn korf gelegd had. mensenkind, maak Jeruzalem haar gruwelen bekend", (Ezech. 16: 2). Hoe? Maak ze hun afkomst bekend en zeg: "Alzo zegt de Heere HEERE, uw handelingen en uw geboorten zijn uit het land der Canaänieten; uw vader was een Amoriet, en uw moeder een Hethitische" (vs. 3). Zo ook, wanneer de Jood de eerstelingen aan de Heere moest offeren; dan zult gij voor het aangezicht des Heeren uws Gods betuigen, en zeggen: Mijn vader was een bedorven Syriër, en hij toog af naar Egypte en verkeerde daar" (Deut. 26: 5). Dus, te vergeten, wat wij van nature zijn, vermeerdert onze schuld. "Ook hebt gij bij al uw gruwelen en uw hoererijen niet gedacht aan de dagen van Uw jonkheid, als gij naakt en bloot was, als gij vertreden was in uw bloed" (Ezech. 16: 22). Zo moest de Efeziërs worden bekend gemaakt, hoe ongeschikt zij van nature voor Christus waren, als zijnde het eigen werkhuis en de winkel des duivels, waarin hij werkte (Ef. 2: 1-3). De schuld en besmetting van de nationale zonden beïnvloeden de gelovigen, 1. wanneer zij er niet over rouwklagen. Gods ongenoegen moest onze droefheid zijn. 2. Wanneer zij niet in de bres staan, om de toorn af te wenden (Ezech. 22: 30). Er waren godzaligen, die van het kwade afweken, maar Gods twist was, dat er geen voorbidder was (Jes. 59: 15, 16). In het vasten kunnen gelovigen, al zijn hun zonden vergeven, gebukt gaan onder de last der zonden van de drie naties, en met haar ingewikkeld zijn in dezelfde toorn. Nationaal berouw wordt van iedereen vereist, niet minder dan persoonlijk berouw. Wie draagt leed over het bloed van boosdoeners en opstandelingen; over hun eden, bespottingen, beschimpingen, en misdiensten? De zonden van het land: afgoderij, bijgeloofdagen, ijdele ceremoniën enz. hebben invloed op het geweten van een gelovige in zijn toenadering tot God. Doch wij hebben hier te overwegen, dat Christus twee grote en tegenstrijdige werken tegelijk doet. 1e. Hij vernedert de gelovige vrouw, als Hij haar smaadt als een onheilige hond, die het brood der kinderen niet waardig is, opdat de wil meer verbroken mag worden, om te geloven; en 2e. beproeft en verzoekt Hij haar, om te zien, of zij door smaadheden van Christus kan afgetrokken worden. Een verbroken wil is een verbroken hart, want de wil is de ijzeren zenuw in het hart. Rekent verdienste en bevatting van enig goed in uzelf slechts als de onreinheid van een hond, en verbreekt de wil, opdat dit trotse ding in twee stukken aan de voeten van Christus valt, en 3e. gelooft, houdt uw punt vast, dat gij, al bent gij een hond, toch een van Christus honden bent, en dan is alles wel. De beste weg om de wil te breken is 1e. Om die de hel en de kolen van het eeuwige vuur voor te houden; ja, om de ziel, wanneer zij vernederd is, nog meer te vernederen. Christus weet, dat deze vrouw in het stof ligt, maar, wanneer Hij haar met zulk een vernederende verzoeking beproeft, wil Hij haar beneden het stof hebben. Velen denken, dat de het beroerde geweten niet verder vernederd worden moet. Zij zeggen: "zulk een ziel heeft niets nodig, dan de honig en de zoetheid der Evangelievertroostingen, neen, maar hetgeen haar beroert is dikwijls sluwe en onzichtbare hoogmoed; zij wil niet geloven vanwege het gemis van enige waardigheid in zichzelf: O! ik durf niet op Christus te rusten, noch de beloften toepassen, vanwege mijn zondige onwaardigheid". Nu, indien dit nederigheid is, dan is het de hoogmoedigste nederigheid van de wereld; want hij, die dus bekommerd is, zegt: ik ben niet goed genoeg, niet rijk genoeg voor Christus en zijn fijn goud". De eigenlijke waarheid is, dat hij nog niet goed genoeg Paap is, om een rantsoen van eigen waarde te geven, voor dat grote rantsoen van bloed, dat niet te koop is. Maar al wilde gij Christus kopen, de Vader wil Hem niet verkopen. Christus wordt de zondaar aangeboden als een vrije gift, niet als een bezoldiging of een loon. Er is verschil tussen neerslachtigheid en een zaligmakende vernedering. Neerslachtigheid kan de maat te boven gaan, in een te grote bevatting van de vloeken der wet, en kan gepaard gaan met veel hoogmoed en eigenliefde; maar rechte, zaligmakende vernedering, die met geloof gemengd is, kan de palen niet te buiten gaan; zij ontstaat dikwijls uit het gevoel van genade, veeleer dan uit de wet. God geeft de nederige genade, en Hij geeft nederigheid aan de begenadigde, onder het gevoel van de rijkdom der genade (1 Tim. 1: 15; Efeze 3: 8; Tit. 3: 3-5; 2 Tim. 1: 9). Niets vernedert ons meer dan een rechte bevatting van de kracht en uitnemendheid der genade. Rechte kennis en bevatting van de waardij der genade, werpen de hoogmoedige natuur ter aarde neer. De genade Van Christus, was voor Paulus het rekeningenboek van Christus: doch door de genade Gods ben ik, dat ik ben, (1 Kor. 15: 9, 10). Een geleend kleed, al is het van zijde, zal een wijs mens nederig maken. Dat vele zonden vergeven waren, verwekte veel liefde tot Christus, en veel nederigheid in de vrouw (Luk. 7: 44) en deed haar haar hoofd en haar, ja, ook haar hart, onder de voetzolen van Christus leggen. Ongetwijfeld dacht zij zeer gering van zichzelf en van haar haar, als zij overdacht, hoe genade deze voeten bewoog tot zulk een droevige en vermoeiende reis, om in de wereld te komen, om het verloren te zoeken, en voor haar met nagelen doorboord te worden. Er is iets in het bezit van vrije genade, als het merg en de bloem van onverdiende liefde, genoegzaam om de hoge gedachten van een zichzelf verdervende zondaar te doden.
Merkt ook op, dat het zeker een verzoeking is, als men niet tot Christus durft komen, geloven en bidden, uit kracht van onwaardigheid, zoals die in de honden is, die buiten de nieuwe stad zijn (Openb. 22: 15). En Christus, aangemerkt als verzoekende en beproevende, houdt de vrouw voor, dat zij te vermetel en te vrij is, zij maar een hond zijnde, waar zij zich verstout om het brood der kinderen te vragen. Daarom hebben wij te overwegen, welke plaats het bewustzijn der zonde behoort in te nemen in ons komen tot Christus. 1. Bewustheid van zonden is om iemand te vernederen, dat is, hem voor Christus in te winnen. "Saul, Saul, wat vervolgt gij Mij?" door Christus gesproken, bracht Paulus af van zijn hoogte, en legde zijn ziel in het stof. "Wij weten nu, dat al wat de wet zegt, zij dat spreekt tot degenen, die onder de wet zijn - opdat alle mond gestopt worde en de gehele wereld voor God verdoemelijk bent (Rom. 111: 19). Het is een spreekwijze, genomen van een kwaaddoener, die beschuldigd en schuldig bevonden zijnde, wordt veroordeeld, om onthoofd te worden. Wanneer de rechter vraagt: wat zegt gij? Dit en dat verraad wordt u ten laste gelegd." Helaas, de arme man staat sprakeloos en verstomd; zijn mond is gestopt. "Opdat gij het gedachtig zijt, en u schaamt, en niet meer uw mond opent, vanwege uw schande" (Ezech. 16: 63). Dan heeft Christus de nek van de zondaar onder zijn bijl. Wat de gerechtigheid en de wet mogen doen, dat mag Christus ook doen. Wie in de oorlog gevangen wordt mag volgens de krijgswetten gedood worden, als hij weigert zich te onderwerpen. 2. Geen zonde is onvergefelijk verraad, dan de zonde tegen de Heilige Geest en onboetvaardigheid tot het einde. Het Evangelie is een vredesverdrag tussen twee oorlogvoerende partijen. Geen zonden zijn uitgezonderd dan deze twee. 3. Maar wat dan, indien een ziel op dit punt komt: "of, ik heb tegen de Heilige Geest gezondigd, of ik ben zeker aan de grens van die zonde, omdat Christus lang geklopt heeft; en ik herinner mij, hoe Christus een jaar geleden, of voor lang, voor het laatst aanklopte, zijn laatste afscheid nam met deze woorden: die vuil is, dat hij nog vuil worde, zeggende, dat Hij nooit weer zou komen. Ik stem toe, dat een kwaad geweten kan profeteren (Exod. 10:28, 29). Zo profeteerde Farao, en ook Kaïn (Gen. 4: 13, 14). Maar 2e, ik kan toestaan, dat er enige vaarwel kloppingen van Christus zijn, waarna Christus nooit weer aan de deur van het hart van die mens gezien of gehoord is. Paulus spreekt zo tot de Joden: "doch nademaal gij het Evangelie verstoot, en uzelf het eeuwige leven niet waardig oordeelt, ziet, wij keren ons tot de heidenen (Hand. 13: 46). Zo ook is de taal van Christus tot hen: "Jezus dan zei wederom tot hen: ik ga heen en gij zult Mij zoeken, en zult in uw zonden sterven; daar Ik heen ga, kunt gijlieden niet komen." (Joh. 8: 21). Ik betwijfel of iemand de zonde tegen de Heilige Geest kan doen, zo, dat alleen die zondaar en niemand anders er over klaagt. Die zonde breekt uit in verbazende daden van goddeloosheid, als bloedvergieten en vervolging. Al is het waar, dat gij aan de rand van de hel bent, toch sluit het Evangelie u niet uit van de plicht, om te geloven en tot Christus te komen, ook al zou het u uitsluiten van dadelijke genade; en hoewel zulken denken en zich inbeelden, dat zij geloven, dat Christus machtig is, om hen zalig te maken en te verlossen, en dat zij alleen aan zijn wil twijfelen; nochtans is de waarheid, dat de twijfel van het ongeloof meer gaat over de kracht der barmhartigheid en oneindige genade in Christus, dan over zijn wil. Mijn reden is deze, dat een ieder, die gelooft, verzegeld heeft, dat God waarachtig is; (Joh. 3: 33) en die God niet gelooft, heeft Hem tot een leugenaar gemaakt, omdat hij niet geloofd heeft het getuigenis, dat God getuigd heeft van zijn Zoon" (1 Joh. 5: 10). Nu, het is niet volgens het getuigenis van God, noch van enige Evangeliewaarheid, dat zij, die, tegen de Heilige Geest zondigen, vergeving ontvangen zullen, ja, het tegenovergestelde wordt gezegd in Matth. 12: 31, 32. Toch zijn zij, die tegen de Heilige Geest zondigen, evenals alle ongelovigen, veroordeeld vanwege het ongeloof (Joh. 3: 18, 36). Dan zouden zij, die in deze zonde vallen, al zeggen zij, dat oneindige barmhartigheid hun vergeven kan, (maar oneindige barmhartigheid wil hun niet vergeven), God niet tot een leugenaar maken, door deze waarheden niet te geloven, want zij zijn Evangeliewaarheden: dan moet het ongeloof van diegenen, die tegen de Heilige Geest zondigen, de een of andere Evangeliewaarheid leugenachtig maken, en dat kan alleen betrekking hebben op de kracht van oneindige barmhartigheid, dus moeten zij zeggen: Christus kan niet zaligmaken, al wilde Hij, want in barmhartigheid is een kracht van Christus, niet minder dan een wil". Indien Franciscus Spira voor een wanhopende verworpeling doorgaat, (wat ik niet durf verzekeren, dat hij was) nochtans moet hij, wanneer hij zei, dat hij geloofde, dat Christus machtig was hem zalig te maken, maar dat hij twijfelde aan zijn gewilligheid, niet zo verstaan worden, alsof het inderdaad zo was. Ongelovigen kennen al de geheimzinnige wendingen niet van het liegend en zelfbedriegend ongeloof. Het ongeloof kan de mensen leugens vertellen van hemzelf, wanneer het niet durft liegen van de waardij van dat zielverlossend rantsoen van het bloed van Christus. Indien hij, die tegen de Heilige Geest zondigt, de macht van oneindige barmhartigheid kon geloven, zou hij ook de wil en de genegenheid van oneindige barmhartigheid geloven, want de macht der barmhartigheid is eigenlijk de macht van een barmhartige wil. Daarom zal ik niet bevreesd zijn, dat die ziel verloren is, die hoge en ruime bevattingen heeft van de waardij, waarde, waardigheid en kracht van dat dierbaar rantsoen en van oneindige barmhartigheid. Het is geloof, deze Evangeliewaarheid te geloven, dat Christus volkomen kan zaligmaken allen die tot Hem komen" (Hebr. 7: 25). Indien ik grondig geloof, wat vrije genade doen kan, dan geloof ik ook grondig, wat vrije genade doen wil. Het is waar, dat Christus velen kan zaligmaken, die Hij nooit zaligmaken wil; maar het geloof, in de macht van barmhartigheid en in zijn wil, om zalig te maken, is iets, dat daar niets mee te maken heeft. Het moet dan de overmacht van een verzoeking zijn, niet tot Christus te durven komen, omdat ik een hond en onwaardig ben. 1e Omdat de zonde niet als portier aangesteld is, om de wacht te houden aan de deur van Christus' huis van vrije genade - barmhartigheid bewaart de sleutels. De zonde mag tegenwerpen, dat ik het kwade verdiend heb, maar zij kan geen tegenwerping maken tegen de rijkdom der verdienste van Christus. 2e. Hetgeen mij onwaardig en lelijk maakt, en ongeschikt, om zalig te worden, kan Christus waardig en aangenaam maken, om mij zalig te maken; mijn zonde kan het voorwerp van Christus' rijke genade zijn. Al maakt de zonde mij Christus onwaardig, nochtans maakt zij mij een geschikt lijdelijk voorwerp voor de Heelmeester Christus ter behandeling, maar zij maakt Christus niet onwaardig, om zalig te maken. Indien ik de zonde gevoel, dan zegt dat: gij bent juist de persoon, die Christus zoekt. Daarom is het gevoel van zonde een vereiste, als een voorwaarde in allen, die tot Christus komen, hetzij voor de bekering, of daarna, wanneer de daden van het geloof worden vernieuwd.
Tegenwerping. - Maar de ondervinding leert ons, dat ware armoede des geestes en gevoel van zondige ellende, alle gezicht van schuld en goddeloosheid in mijzelf doodt en vernietigt. Wanneer ik Christus recht zie, dan zal ik ook niet de minste onwaardigheid in mijzelf zien.
Antwoord. Deze bevinding is niet gegrond op het woord der waarheid. Deze kunnen wel samen bestaan. Ie. Dat gevoel en bevatting van de ellende van een zondaar bestaan kan met een gezicht van de rijkdommen der genade Van Christus, is even duidelijk, als de pijn, die de steek van de vurige schorpioen veroorzaakt, bestaan kan met het zien op de koperen slang, en genezen te worden; ja, als die arme man zei: Heere, ik geloof, kom mijn ongelovigheid te hulp," (Mark. 9: 24), dan was hij zowel van geloof als van ongeloof overtuigd. 2e. Ja, de bekeerde kan wel genade en heiligheid in zichzelf zien, (hoe zou hij anders Christus, de Gever, dankbaar zijn?) en ook Christus zien, en in zijn gerechtigheid geloven. Immers een heilige wandel kan uit drieërlei oogpunt beschouwd worden: 1. Als een plicht. 2. Als een middel, dat God voorbereid heeft, opdat wij in hetzelve zouden wandelen. (Efeze 2: 10). 3. Als een belofte, of een zaak, die in het nieuwe verbond beloofd is. Naar deze drievoudige overweging kunnen wij weten in hoeverre wij onze vrede op enige plichten mogen bouwen, als op blijken van onze genadestaat. 1e Hoewel een heilige wandel, als een plicht, dien wij verrichten, geen grond van waren vrede is, zoeken gelovigen toch dikwijls in zichzelf, wat zij in Christus moesten zoeken; dit is natuurlijke verdienste. Dikwijls ontlenen wij aan de mate der gehoorzaamheid een bewijs, om geheel en al te ontkennen, dat wij genade bezitten. Dit is een verkeerde handeling, in het bijzonder, is het een verkeerde wijze van doen in de redeneerkunde, om negatief te redekavelen uit het gemis van zulk en zulk een mate van gehoorzaamheid, om daaruit te ontkennen, dat wij in Christus zijn. Hoe wij bevestigend moeten redeneren, zullen wij hierna horen. 2e. De plicht is Christus' middel, niet op een strenge wettische wijze gelast, maar op een evangelische wijze, daar het gebod geolied is met een evangelische en geest der liefde. Wet en liefde zijn niet met elkaar in strijd, zoals de Antinomianen zich inbeelden. Christus heeft niet alleen personen verenigd, maar ook genaden en deugden. Zo beschouwd, is de plicht een middel, en een weg, niet tot het recht van de zaligheid, maar tot het dadelijk bezit ervan; en zoals dezelve is, of ons voorgesteld wordt in de letter van het Evangelie, in een zedelijk bevelende, of leerstellige, of voorschrijvende weg, zonder de krachtdadigheid der genade, kan de plicht niets zin dan een leerstellig middel, niets meer dan de plicht, welke de wet voorschrijft; want alle Evangeliebevelen zonder genade, 7ijn ons evenmin dienstig als de wet. Maar in het 3e begrip is een heilige wandel, als verricht door die krachtdadige genade, welke in het verbond der genade beloofd is, een bewijsgrond, waarop wij onze vrede mogen bouwen, niet als een oorzaak, of een verdienste, welke recht geeft op vrede, maar als een genade, die vastgehecht is aan de vrije belofte Gods. Zo hebben de heiligen zich beroepen op hun oprechte wandel, als op een vrucht, die ons in het verbond der genade beloofd is. (Jer. 31: 33; 32: 38). Zo verkondigen de plichten de barmhartigheden, die in het verbond beloofd zijn. "En ik zal hun enerlei hart en enerlei weg geven, om Mij te vrezen al de dagen." (vs. 39.) (Zie Ezech. 36: 27; Jes. 54: 13.) Op deze grond pleitte Hiskia met God, als hij het vonnis des doods vernam: "Och Heere! gedenk toch, dat ik voor uw aangezicht in waarheid en met een volkomen hart gewandeld, en dat goed in uw ogen is gedaan heb" (Jes. 38: 3) en David vestigt hier zijn geloof op, als op een lieflijke vrucht der genade, welke in het genadeverbond beloofd is. Zo pleit David, en dat in 't geloof: "Bewaar mijn ziel," (Ps. 86: 2) hier is een gelovig gebed en op welke grond? want ik ben heilig." (Eng. vertaling.) Nu, dit zou farizees schijnen, en naar verdienste rieken, indien heiligheid geen betrekking had op de vrije belofte van het genadeverbond, waarin God beloofd en zich bij verbond gebonden heeft, om zijn kinderen heilig te maken; ook is het besluit opgemaakt op een voorstel van het verbond der genade. God heeft beloofd te zullen geven, dat zijn bondelingen voor Hem in de waarheid zullen wandelen, zoals Hiskia deed, overeenkomstig Ezech. 36: 27, en Hij heeft beloofd de oprechten van hart zalig te maken en te verlossen, zoals duidelijk blijkt uit Ps. 50: 23; 34: 16; 1 Petr. 3: 12; Ps. 145: 18, 19.
Zo wordt dan al de vrede, die wij tot onze vertroosting kunnen verzamelen uit een heilige wandel, afgeleid uit een belofte van vrije genade; en de plicht, zoals hij verricht wordt door de genade des verbonds, kan ons tot de belofte leiden, ja, doet dat ook, en zo voert hij ons in geen geval van, maar tot Christus. Een heilige wandel is een getrouwe getuige, en een waarachtig getuige kan maken, dat een beschuldigde recht geschiedt overeenkomstig de wet. Heiligheid kan mij tot de belofte leiden, en dat is overeenkomstig het recht der wet. Indien wij volstrekt geen verzekering van onze geestelijke staat kunnen krijgen uit heilige plichten in ons, zoals algemene gehoorzaamheid, oprechtheid in het aankleven van Christus en liefde tot de heiligen, omdat wij ons daarmee kunnen bedriegen, en, die ook in huichelaars kunnen zijn, zoals Dr. Crispe zegt, dan kan het geloof ons eveneens bedriegen, want er zijn zoveel soortenvan vals geloof, als er namaaksels zijn van liefde tot de heiligen. Er is iets van Christus, dat de wedergeborenen bijzonder eigen is in hun liefde, gehoorzaamheid en oprechtheid, en waarvan zij even goed als van het geloof, onderscheiden kunnen, dat het van een zaligmakende aard en een kenmerk van Christus is. 2e. Maar hier ligt de verborgenheid: noch het geloof, noch iets, dat inhangend in ons is, kan ons zekerheid verschaffen, dat wij in Christus zin, of in enige vrede met God, uit hoofde, dat alle genade en alle kenmerken van onzen goede staat buiten ons in Christus zijn: inhangende heiligheid en plichten zijn maar inbeeldingen. Wanneer wij dan de vertroostingen Gods en vrede uit een heilige wandel weigeren te erkennen, zoals zij vastgehecht en verbonden zijn aan de belofte, wijzen wij Christus af. In het bijzonder onder verlating, is het een nodiging aan Christus om van ons af te zien; en er is een halsstarrigheid van ongelovige droefheid, zodat Rachel weigert getroost te worden. Wanneer wij de vertroostingen van Christus afwijzen, dan wijzen wij Hemzelf af. Zij, die weigert een armband of een gouden ring aan te nemen van hem, die haar ten huwelijk vraagt, weigert zowel zijn liefde als hemzelf, daarin dat zij zijn liefdeteken weigert.
Merkt ook op, dat Christus zichzelf in het Evangelie voorstelt als een groot huisvader. In zijn huis zijn verscheidene kinderen, dienstknechten, honden, en het huis is ruim en staat open voor allen, die komen. In het huis van onze Vaders is brood voor allen. Welk brood? Een groot huwelijksavondmaal. Hier is een koningszoon, die trouwt (Matth. 22; Luk. 14) en vele uitnemende lekkernijen, en elke lekkernij is Christus, het merg van het Evangelie dat Brood des levens. "Ik ben het brood des levens" (Joh. 6: 48). Hij is het tarwegraan, dat sterft en verrot in de aarde, en dan levend wordt en vrucht voortbrengt (Joh. 12: 24). Hij is het Tarwegraan, dat de wintervorst en stormen, regen en wind doorstond, tussen de molenstenen van Gods toorn doorging, en "om onze ongerechtigheden verbrijzeld werd. (Jes. 53: 5). Doch het behaagde de Heere, Hem te verbrijzelen (vs. 10). Het grondwoord betekent: vergruizen als in een mortier of molen. Hij ging door de vurige oven van de toorn Gods, voor dat Hij brood kon zijn voor des konings en der kinderen tafel. 2. Alle brood is niet het brood der kinderen. Christus is geen brood, noch een gastmaal voor de man, die geen bruiloftskleed heeft; zulk een vriend was nooit tot de bruiloft genodigd (Matth. 22: 12). Van hen, die van Christus walgen en hun lusten meer beminnen dan Hem, zegt Christus: niemand van die mannen, die genood waren, zullen mijn avondmaal smaken (Luk. 14: 24).
1. De kinderen zijn delen van het huis, en zijn meer dan kinderen, erfgenamen, ja mede-erfgenamen met de oudste Erfgenaam, Christus (Rom. 8: 17), omdat Christus en de jongere erfgenamen de hemel (om zo te spreken) elkaar verdelen. 1e. De Geest, die Christus uit de dode opgewekt heeft, woont in hen (Rom. 8: 11). 2e. Zij hebben een God, en een Vader. Christus en wij zijn kinderen des Vaders: gaat heen tot mijn broederen, en zegt hun: ik vaar op tot mijn Vader, en uw Vader, en tot mijn God, en uw God" (Joh. 20: 17). 3e. Wij moeten samen zijn in een plaats; al de kinderen moeten in een huis samen wonen (Joh. 17: 24). "En zo wanneer Ik heen zal gegaan zijn, en u plaats zal bereid hebben, zo kom Ik weer en zal u tot Mij nemen, opdat gij ook zijn mag, daar Ik ben (Joh. 14: 3). "En daar Ik ben, daar zal ook mijn dienaar zijn (Joh. 12: 26). 4e. Een opstanding: want Ik leef, en gij zult leven (Joh. 14: 19). Elke gelovig is in Christus opgewekt, doch in orde: maar een ieder in zijn orde: de eersteling in Christus", (1 Kor. 15: 23). 5e. Eén hemel, en één koninkrijk, en één troon (Luk. 22: 29; Openb. 3:21).
2. Er zijn grote verschillen tussen de geest of het gemoed van een erfgenaam of zoon, en een dienstknecht. De erfgenaam zal veel overhebben voor het eerstgeboorterecht. Gij kunt hem eerder zijn leven ontnemen, dan zijn erfenis. Ezau's ogen droogden op, hij weende niet meer, toen zijn vader hem zegende met de dauw van de hemel en de vettigheden der aarde. Een dienstknecht zal niet beweren, dat hij een erfgenaam is. 3. de dienstknecht blijft niet eeuwig in het huis; de zoon blijft er eeuwig" (Joh. 8: 35). Het loon van de zoon is in hoop, evenals sommige hovelingen de vorsten alleen op hoop bedienen; de dienstknechten krijgen handgeld en dadelijk loon. Laat elk belijder zijn geesten zijn natuur beproeven: Indien de geest zich buigt tot de erfenis, en naar de hemel, dan is het goed; ziet, wie uitziende is naar het laatste jaar van onmondigheid en minderjarigheid, en geen oog en hart voor de tijd heeft. Er is een heimelijke hoop, in alle bekommeringen, in de zonen; evenals in de erfgenaam van een koning, die in een vergelegen land is, waar men hem niet kent, waar hij niet geëerd wordt als iemand van prinselijke bloede, maar daarentegen veracht, beledigd, ja, waar hij in gebrek en behoeftigheid verkeert; doch wanneer hij zijn oog wendt naar zijn hoop aan de overzijde der zee, dan komt met aangenaamheid de gedachte in hem op: Eenmaal zal ik een koning zijn, in eer en rijkdom. 2e. Ziet, hoe vrij en ongeveinsd. de geest eens zoons tegenover zijn vader is. Er is in de dienstknecht geen natuurlijke, of aangeboren, noch zulk een inwendige betrekking op de heer des huizes, als in de zoon. Bloed en natuur is sterk en overmogend; bloedbanden, natuurbetrekkingen zijn krachtig.
"Maar Jezus zei tot haar: laat eerst de kinderen verzadigd worden." (Mark. 7: 27). Christus ontkende niet, dat de vrouw en de heidenen recht hebben op liet brood van Christus' huis, alleen, genade wordt ordelijk bediend; laat eerst het brood voor de Joden gebroken worden, en laten dan de heidenen de bijtafel, of de tweede tafel, van Christus hebben. Let daarom op, hoe wijs Christus de verzoeking matigt, in deze bijzonderheden: 1e Dat verzoekingen de heiligen bij stukjes en beetjes worden toegemeten. Er is een zaad van vertroosting en hoop in, al ziet Christus donker, en al fronst Hij het gelaat. Hij wilde zeggen: Wanneer eerst de kinderen met brood verzadigd zijn, dan zult ook gij, die honden bent, uw portie hebben van het brood der kinderen. Er is een kus, er zijn ingewanden van ontferming, onder de schoot van dat kleed van toorn, waarmee Hij bedekt is; want in de toorn gedenkt Hij des ontfermens," en Hij matigt de toorn: "Grimmigheid is bij Mij niet." (Jes. 27: 4.) 2e. Evangeliebeproevingen en verzoekingen strekken tot een genadig einde, opdat Paulus niet opgeblazen zou worden, of gelijk hij zegt: opdat ik niet als een meteoor in de lucht bovenmate verheven zou worden." (2 Kor. 12: 7). "Ja wij hadden al in ons zelf het vonnis des doods, (als veroordeelde kwaaddoeners) opdat wij niet op ons zelf vertrouwen zouden." (2 Kor. 1: 9). 3e. God wil niet, dat zij onze krachten te boven gaan, maar de last is in evenredigheid met de rug. (1 Kor. 10: 13). Het is goed, dat wij weten, dat Christus onze beker wijn brouwt of aanmengt; Hij kan de zuren en bitteren wijn met barmhartigheid verzoeten. Wij lezen van geen verlating der heiligen, of er is zoveel van Christus in, als voldoende is, om dezelve enige smaak en geur van de hemel te geven. De hemel is gestempeld op de hel der heiligen; het leven is geschreven op hun lood. Hun graf en hun dood lichaam zijn warm en ademen leven en heerlijkheid uit: hun as en hun stof rieken naar onsterfelijkheid en opstanding ten leven. Zelfs, wanneer Christus van de Kerk weggegaan is, laat Hij een pand of teken achter, krankheid van liefde, vanwege het gemis van Hem. (Hoogl. 3: 5). Wanneer in plaats van Christus niets gevonden wordt dan een leeg graf, en Hij zelf weg is, en men weent dan, omdat men Hem mist; als het niet om engelen of apostelen te doen is, maar, om de Liefste, die weggegaan is, dat is iets van Christus. ja, Hij zendt een bode voor zich uit, om bekend te maken, dat de Koning zelf onderweg is; evenals in een grote zomerdroogte, kleine droppeltjes de stortbui voorafgaan, om de goede tijding te brengen, dat de aarde verkwikt zal worden. 1. Verlangen naar Hem. 2. Wachten op Hem. 3. Christus in u zoekende naar Christus dat zijn boden van de hemel, die vooruit gezonden zijn, om het logies voor de Vorst, die al op reis is, om u te bezoeken, te bereiden en te versieren.
"En zij zeide: Ja Heere, doch de hondekens eten ook van de brokjes, die daar vallen van de tafel hunner heren. (Matth. 15: 27.)
Merkt op. 1. Het gevatte antwoord der vrouw. Door zeer vlugge tegenwerping; door de gevolgtrekking te beamen, en toe te stemmen, dat zij een hond is, ontleent zij de bewijsgrond aan hetgeen Christus zegt, en neemt die over, om haar geschilpunt te bewijzen. Zij redekavelt uit de verzoeking: "Laat mij een hond zijn, dan ben ik een hond onder de voeten van Christus aan zijn tafel." Die bij de Wijsheid naar school gaan zijn geen dwazen. Genade is een schrandere en verstandige geest, rijp en scherp; zo staat van Christus geschreven: "en zijn rieken zal zijn in de vrees des Heeren," enz. (Jes. 40: 3.) Genade is uitnemend scherp van reuk; zo schrijft, in Spr. 1: 4, de Wijsheid Gods de eenvoudigen kloekzinnigheid toe; zij worden gemakkelijk uitgehaald, gevleid en overreed. In jeugdigen slaapt de rede; genegenheid regeert alles; genade voorziet de ziel van levendige, heldere, diepe gedachten, om onderscheidende kennis te hebben van een duivel en een engel, van hemel en hel, en, dat gestolen wateren niet zoet zijn. (Hebr. 5: 14). Hun geestelijke zintuigen zijn als worstelaars geoefend, of, als kundige geleerden aan een hogeschool, op de hoogte van de kennis van goed en kwaad. 2. Het geloof is vindingrijk, om zaligmakende gevolgtrekkingen te maken uit moeilijke grondstellingen, en om daaruit de zin der beloften af te leiden. Christus kwam, om zondaren zalig te maken; dan, zegt Paulus, kwam Hij, om mij zalig te maken, want ik ben de voornaamste van deze zondaren. (1 Tim. 1: 15). En hoewel de taal der verzoeking, de taal is van de hel en het ongeloof, als: gij bent een zondaar, een verloren en veroordeelde, en daarom hebt gij geen deel aan Christus;" het geloof redekavelt met de taal van de hemel en van het evangelie hieruit: ik ben een zondaar, en een verloren; nochtans een van Christus' zondaars, een van Christus' verlorenen, en juist daarom behoor ik Christus toe."
3. Het geloof spreekt hier de verzoeking tegen, en weerlegt Christus met bescheidenheid. Indien Christus zegt: "Gij bent een overtreder van de baarmoeder af", dan is het antwoord: dat beken ik, Heere, maar Christus is voor overtreders gestorven. 2. Zegt Hij "gij bent onder de vloek"; het antwoord is: "Dat is onderscheiden; het is maar al te waar Heere; zo ben ik van nature, maar Christus werd een vloek voor mij gemaakt." 3e. Indien Hij zegt: "gij hebt mij aan de deur laten staan, het is: "ja Heere, dat moet ik bekennen. Doch, indien Christus zegt: "Ik ben voor u niet gekomen; gij bent een hond; Christus, het brood der kinderen, behoort zulken niet toe," dan mag u antwoorden: "O Heere, met alle eerbied voor uw heilige Majesteit, dat is niet zo; ik ben de uwe; Gij zijt voor mij gekomen; het brood behoort mij toe". Al durft een zondaar niet met Christus te redetwisten over zijn daden, hij mag het nochtans doen over zijn staat. De staat van het zoonschap is geen zonde, en daarom moeten wij die vasthouden. Zo deed Christus ook, als Hij verzocht werd. "Indien Gij Gods Zoon zijt". Hij weigerde daaraan gehoor te geven. Al zou dan Christus zelf zeggen: "gij bent een verworpeling", verklaar het als een verzoeking; veel meer dan, moet gij, indien de Satan, het geweten of de wereld het zegt, die niet erkennen voor herauten, die vooruit gezonden zijn, om de verborgenheden Gods bekend te maken. Job wilde zijn vrienden hierin niet geloven. Dan kan het zijn dat verzocht te worden om uw kindschap en uw recht op Christus te verloochenen, uw verzoeking is, en niet uw zonde. Inwerpingen van kolen ter beproeving kunnen onmiddellijk van God komen, zowel als van de Satan. het is goed (zeggen de Antinomianen) om de heiligen onder een werkverbond te brengen, omdat het dit goede uitwerkt, dat het ons van onze bewijzen kan verzekeren, dat Christus de onze is." ja, sommigen verlangen naar een ontwaakte consciëntie, opdat de verschrikkingen Gods hen tot Christus zouden drijven. Doch, 1e dat is een murmureren tegen Gods bedeling. Laat Christus mij leren gelijk het Hem goeddunkt; Hij heeft zeven ogen, ik heb er maar een, en dan nog een duister. 2e. Wij moeten niet bedroeven, dien God niet bedroeft (Ezech 13: 22), noch de genade leugenachtig maken; noch ook 3e. des duivels ambt uitoefenen, om een broeder te beschuldigen, laat staan uzelf.
"Ja Heere! doch de hondekens." - Ziet, waar de nederigheid gezeten is. 1. Christus kan de nederigheid niet lager zetten; zij zit in het stof. Ik ben niet waardig uw zoon genaamd te worden" (Luk. 15: 19). O grote Paulus! Wat is minder dan niets, en minder dan de minste van allen? "Mij de allerminste (de Eng. Vert. heeft: Mij, die minder ben dan de minste.) van alle heiligen is deze genade gegeven;" (Efeze 3: 8). Ik, die tevoren een godslasteraar was, en een vervolger" (1 Tim. 1: 13); ik ben de minste van de Apostelen" (1 Kor. 15: 9). De nederigheid is geen vermetele genade - zij durft nauwelijks zoeken een dorpelwachter in de hemel te zijn; zij zet zichzelf in de hel. 2. Hoewel de nederigheid van hoge geboorte is, en verwant aan de zoete Jezus, die nederig en zachtmoedig is, toch is Christus, en Christus alleen, het vrijgoed, waaruit de nederigheid leeft. De nederige ziel kent geen landheer dan Christus; die ziel alleen is van de genade de nederige pachter; zij heeft er geen dan de Heere Jezus, met zijn rijk rantsoen van bloed (1 Tim. 1: 16y 17). Zo is er veel nederigheid in de hemel. Indien het mogelijk ware, dat er tranen in de hemel konden zijn, dan zouden de nederige heiligen, die daar zijn, Christus geen kroon zien uitreiken, om op hun hoofd te zetten, maar zij zouden wenen en hun hoofd afwenden. Ja, de verheerlijkten zijn beschaamd om een kroon der ere op hun hoofd te dragen, wanneer zij Christus' aangezicht aanschouwen, en daarom kunnen zij niet anders can hun kronen neerwerpen voor de troon (Openb. 4: 10). 3e. Alle heiligen, die waarlijk vernederd zijn, verheffen Christus, en verfoeien zichzelf, en in hun eigen schatting is niemand Christus meer onwaardig dan zij. ik ben niet waardig, dat Gij onder mijn dak zoudt inkomen, maar spreek alleen een woord, en mijn knecht zal genezen worden (Matth. 8: 8, 9). Wij kunnen uit het pleiten van Job afleiden (Job 14), dat nederige heiligen zichzelf niet alleen genade en barmhartigheid onwaardig schatten, maar ook de ere van rechtvaardigheid en toorn. "De mens vlucht als een schaduw, en bestaat niet. Nog doet Gij uw ogen over een zulken open, en Gij betrekt mij in het gericht met U? Wie zal een reine geven uit de onreine? Niet een?" Hij wilde zeggen: ik ben niet alleen broos door mijn natuurlijk bestaan, daar ik een schaduw van leem ben (vs. 1, 2), maar ook door geboorte, zondig en onrein, vanwege de erfzonde. Daarom ben ik een partij, die de toorn Gods niet waardig is, evenals een bedelaar de toorn des keizers niet waardig is, of een worm de verontwaardiging van een engel. 4. In de ogen der nederige ziel is iedereen Gode nader dan zij. "Op U hebben onze vaders vertrouwd" (Ps. 22: 5). Maar ik ben een worm en geen man" (vs. 7). De, reden is, dat de nederigheid een eigenschap is van een geëffende ziel, die waterpas ligt met zichzelf, niet hoger dan God haar gezet heeft. Ik wandel niet in dingen, mij te groot en te wonderlijk" (Ps. 131:1). De hoogmoedige ziel heeft vederen, die breder zijn dan haar nest. 5. De nederige ziel is de naaste buur van genade. Christus is nabij een terneergeslagen treurige in Sion: dat hem gegeven worde sieraad voor as, vreugdeolie voor treurigheid, het gewaad des lofs voor een benauwde geest (Jes. 61: 3). Christus heeft een zweetdoek voor het natte aangezicht van een vernederde zondaar. Christus, de Heelmeester der zielen, heeft een schijf, om het gebroken hart in 't lid te zetten (Jes. 61: 1). In de hemel is de hand van een Zaligmaker, om een zwakgebeende ziel op aarde te verheugen (Ps. 51: 10).
O, wat een vertroosting! Christus zoekt de in zichzelf verloren ziel, en Hij maakt ze zalig (Luk. 19: 10). Het lam, een van de geringste en zachtmoedigste schepselen, heeft een bed naast het hart en in de schoot van Christus. "Hij zal de lammeren in zijn schoot dragen," (Jes. 40: 11) Ja, "Hij zal de nooddruftige redden, die daar roept. mitsgaders de ellendige, en, die geen helper heeft," (Psalm 72: 12). De Heere heeft meerder genade; Hij wederstaat de hovaardige, maar de nederige geeft Hij genade. Genade voor genade is voor de nederige (Jak. 4: 6). 6e. De nederige kan niet klagen over Gods bedeling. De nederige David zegt: Maar indien de Heere alzo zal zeggen: ik heb geen lust tot u, zie, hier ben ik, Hij doe mij, zoals het in zijn ogen goed is" (2 Sam. 15: 26). Dat ik niet vastgeketend ben aan de Vorst der duisternis, ben ik aan genade verschuldigd. Dat gij iets minder bent dan bouwstof en brandhout voor Tofet, stelt dat op rekening van Christus; strijkt het zeil voor Christus, en onderwerpt u aan Hem. 7e. Toch is de hoop van de nederige groen aan de wortel; zij zal niet zijn als een gebroken boom (Psalm 9: 19). 1e Omdat "God de nederige van ogen behouden (Job 22: 29). 2e. en "zijn wens horen (Ps. 10: 17). 3e."zijn geest levendig maken Jes. 57: 15). 4e. "hem met heil versieren "(Ps. 149: 4). 6e. "hem eren" (Spr. 15: 33) 6e. "hem verzadigen (Ps. 22: 27). 7e. "hem in het recht leiden (Ps. 25: 9). 8e. zijn vreugde vermeerderen (Jes. 39: 19). 9e. "hem zegenen (Matth. 5: 51) en hem een zekere erfenis geven zal. Niemand kan genade verheffen als de nederige ziel, niet ik, maar de genade Gods, die met mij is (1 Kor. 15: 10). Ik heb u geschreven, dat gij niet de een om eens anders wil opgeblazen wordt tegen de ander want wie onderscheidt u? en wat hebt gij, dat gij niet hebt ontvangen?" (1 Kor. 4: 6, 7 Al bent gij dan gering in uw ogen, schrap daarom uw naam niet uit de rol der genade, want God schrijft er u in" (1 Kor. 1: 27-29). Genade barmhartigheid, om niet geschonken, en de belofte is gedaan aan de nederige. In het verstandelijk oordeel moet de een de ander uitnemender achten dan zichzelf (Filip. 2: 3). Petrus moet een dieper gevoel hebben van zijn eigen zondige toestand, dan van de zondige toestand van Judas, de verrader. Hoewel Petrus, door God begenadigd, zichzelf meer liefde verschuldigd is dan Judas, zodra Judas als een verrader bekend is. Toch moet de nederigheid niet tot die laagte neerbuigen, dat het geloof zodanig verzwakt wordt, dat het zou zeggen: omdat ik vergiffenis onwaardig ben, daarom is het vermetelheid, de vergeving der zonden te geloven.
1e Gebruik. Wacht u voor hoogmoed. God moet de nek en de knieën breken, die niet kunnen buigen. God kent de verhevene van verre" (Psalm 138: 6). Het woord (Gavoah) is de hoge mens, het schriftwoord in Jak. 4: 6 is hyperephanos. De hoogmoedige is een verschijning, niet een wezenlijk iets, en verscheen hij maar minder. De spreekwijze sluit twee dingen in: 1e. Zij is ontleend aan mensen, die de dingen, die dicht bij zijn eerder zien dan hetgeen ver af is, zodat hun oog meer op het nabij zijnde gevestigd en er dus meer mee ingenomen is. Wij zien de dingen, die ver af zijn, met minder vermaak voor de zinnen, en met onverschilligheid. De nederige ligt nabij het oog van God; de hoogmoedige is verder van zijn oog af en God ziet hem in de verte, en met verachting. 2e. Een mens ziet zijn vijand van ver, en begeert niet dicht bij hem te komen. God heeft een oude vete tegen de hoogmoed, als een van de oudste vijanden, die in de hemel geboren is in het hart van de gevallen engelen, en uit de hemel uitgeworpen zijnde, weer zoekt op te klimmen tot zijn eigen element en geboorteland, evenals hoogmoedige mensen schepselen zijn, die in de hoogte gaan en naar hoge dingen jagen. Maar God weerstaat de hovaardige van ver, en weigert genade, of al wat van de hemel is, aan de trotse Farizeeër. Wanneer God een trots mens ziet, zegt Hij, "zie daar mijn vijand". De nederige is Christus' vriend.
2e. Gebruik. Hoewel de vrouw een hond is in haar eigen ogen, en dus een zondares; zie, o zondaar, de rijke barmhartigheid, dat Christus honden in zijn koninkrijk toelaat. O, wat een genade, dat Christus zijn schone handen (bij wijze van spreken) wil zwart maken door vuile en bezoedelde honden te wassen! Zulke onwaardige zondaren en zulke vuile zondaren, o, dat die onder Christus tafel mogen zijn en hun brood eten in het huis van de koning! Welk een uitlating van vrije barmhartigheid, dat Christus zijn schone, onbevlekte en kuise liefde zou vestigen op zulke zwarte, besmette en hoerachtige zielen. O wat een gunst, dat Christus de luipaard en de moorman wit maakt voor de hemel! Deze twee gaan samen: die ons lief gehad heeft en ons gewassen heeft (Openb. 1: 5). Nederige zondaars hebben hoge gedachten van vrije genade; zij staan niet van ver; komen nader bij; worden gewassen, want vrije genade maakt niet trots, wanneer genade honden niet afwijst. De zaligheid moet een bloem zijn, die zonder handen geplant is en alleen spruit uit het hart van Christus. Neemt nederige gedachten van uzelf, en edele en hoge gedachten van de uitmuntende Jezus met u naar de hemel. Vervloekt zij de trotse verdienste van het schepsel. Indien gij met Christus de prijs delen, en met eeuwige genade een schikking maken wilt, dan maakt gij de ere van de Rantsoenbetaler te schande. Het is geen schande, als Christus' schuldenaar te sterven; al de engelen, de cederen van de hemel, staan onder Christus; engelen en heiligen zullen Christus' schuldenaars zijn tot in alle eeuwigheid, en zolang als God God is, zullen zondaars in het schuldboek der genade staan.
De waarlijk nederige is de dankbaarste ziel, die er is. Ondankbaarheid is een van de zonden der eeuw, waarin wij leven. Zij vloeit voort uit. 1e Het geringschatten, en verachten van de instrumenten Gods: de dapperheid van Jephtah werd door Israël niet als barmhartigheid aangemerkt, omdat de oudsten een bastaard haatten en verachtten. (Richt. 11: 1, 2, 6.) Het werd niet als barmhartigheid beschouwd, dat Naäman van zijn melaatsheid werd genezen; waarom? Omdat het geschieden moest door zich in de Jordaan te wassen, terwijl er betere rivieren waren in zijn eigen land, in Damascus. Niet alleen God, maar ook al zijn werktuigen, waardoor Hij werkt, moeten liefelijk in onze ogen zijn, en God en de almacht moeten op onze voorhoofden gestempeld zijn, zal barmhartigheid ons barmhartigheid zijn. 2e. Barmhartigheden houden op barmhartigheden te zijn, wanneer zij berookt en zwart gemaakt zijn door onze bevattingen. David, (2 Sam. 18, 19) wordt een grote overwinning geschonken; hij wordt op zijn troon bevestigd, die in de laatste tijd zo waggelend en wankel stond, maar er is een droevige omstandigheid in die overwinning, want zijn geliefde zoon Absalom wordt gedood, en de barmhartigheid is in Davids bevatting geen barmhartigheid: "Ach, dat ik voor Absalom gestorven ware. b, Zo kan een klein kruis het gevoel van een grote barmhartigheid uitwissen. Het gemis van een dronk koud water, neemt de dankbare herinnering weg van de wonderen, die God deed ter verlossing van zijn volk uit Egypte, en dat Hij de Rode Zee vaneen scheidde. Wat hadden de godzaligen in Engeland, in deze enkele jaren niet willen geven voor de afschaffing van dat boek, dat inderdaad maar een misboek was, en van de lastige ceremoniën? Maar omdat deze barmhartigheid, naar veler mening, niet gevormd en geregeld is, overeenkomstig zulk een en zodanige hervorming en Kerkregering, als velen graag gehad zouden hebben is er, naar ik vrees, in velen ergernis in plaats van dankzegging, en een haten van hen voor wie zij eertijds baden. Gave God, dat het lijden van het land en dit onnatuurlijk bloed vergieten, spoedig teneinde mocht zijn. Tenzij het land verder vernederd wordt, vrees ik, dat het einde van het kwaad nog niet gekomen is. Dit is een voorschrijven aan de Geest des Heeren, om God te onderwijzen, hoe Hij zijn barmhartigheden over ons moet vormen en doen bloeien. Is het niet betamelijk dat er water in onze wijn, en een doorn aan onze roos is? Zal God de belijning en de verhouding van zijn gunsten naar de maat van mijn voet nemen? Zal de Almachtige voorgeschreven worden, dat Hij zijn wegen van bovennatuurlijke voorzienigheid moet regelen naar het ontwerp van onze bevattingen? O, Hij is een wijze Heere, en wonderlijk van raad! Elke barmhartigheid kan niet opgelegd worden met saffieren en kostbare gesteenten, noch ook moeten al onze verlossingen druppen van liefelijk riekende mirre. God weet, wanneer en hoe al zijn gunstbewijzen effen en zacht te maken, en alle oneffenheden weg te nemen, en die in een liefelijke verhouding te brengen, tot het hoofdzakelijke en voornaamste einddoel, de zaligheid der zijn. Er is iets kroms in onze beste begeerten, en een stelregel kan geen afwijking toelaten, zelfs niet in betrekking tot het schepsel, veel minder tot Hem. die alle dingen werkt naar de raad zijns willens.
"Ja Heere, maar de hondekens" Ziet en aanschouwt deze vrouw, wier geloof, naar het getuigenis van Christus groot is, en die dus gerechtvaardigd is. In haar belijdenis en schatting is zij een hond, dus, een onwaardig en onrein schepsel.
Leer. Een gerechtvaardigd gelovige moet zijn zonden belijden, en er gevoel van, en smart over omdragen, al zijn zij vergeven. Het woord is duidelijk, zowel wat de belijdenis als de droefheid over de zonde betreft, al is het, dat de Antinomianen het als een werk van het vlees aanmerken in de gerechtvaardigde, om de zonde te belijden, of er bedroefd over te zijn, of er vergeving over af te smeken. Ten opzichte van belijdenis is er bevel, beoefening en belofte spreek tot de kinderen Israëls, wanneer een man of een vrouw iets van enige menselijke zonde gedaan zullen hebben, overtreden hebbende door overtreding tegen de Heere, zo is die ziel schuldig, en zij zullen haar zonden, welke zij gedaan hebben, belijden (Num. 5: 6, 7.) Dit is geen plicht alleen voor de onbekeerden, maar het verbindt al de kinderen Israëls, mannen en vrouwen - "belijdt elkaar de misdaden," (Jak. 5: 16). Nu, dit is niet alleen een belijdenis voor de mensen, alsof het alleen zonden tegen de mensen zonden zijn, welke de gerechtvaardigde begaat, en geen zonden in het hof van de hemel voor God, zoals de vrijgeesten leren; daarom is er aan toegevoegd: "Belijdt en bidt voor elkaar, opdat gij gezond wordt. Een krachtig gebed des rechtvaardigen vermag veel." Gerechtvaardigde personen hebben dus te bidden om vergeving van beleden zonden. Ik houd dit voor een voorschrift, dat zovelen als tot God in liet gebed zeggen: "Onze Vader," ook zeggen moeten: "Vergeef ons onze zonden, want ook wij vergeven een ieder, die ons schuldig is." Daarom moet door een gerechtvaardigd persoon en een kind van God vergeving van zonden gevraagd worden, wanneer zij bidden om dagelijks brood, en de komst van het koninkrijk van Christus. "Neemt deze woorden met u, en bekeert u tot de Heere; zegt tot Hem: Neem weg alle ongerechtigheid." (Hosea 14: 3.) Het moet onze belijdenis zijn, dat een volk, dat tot de Heere bekeerd is, nog ongerechtigheden heeft.
Dit is neergesteld als een prijzenswaardige beoefening: "Ezra deed belijdenis en weende." (Ezra 10:1) en het zaad Israëls scheidde zich af van alle vreemden, en zij stonden en deden belijdenis van hun zonden, en hunner vaderen ongerechtigheden (Neh. 9: 2.) "Ik bad dan tot de Heere mijn God, en deed belijdenis", (Dan. 9: 4). Zo ook David: "Ik heb gezondigd tegen de Heere. (2 Sam. 12: 13.) De Kerk belijdt: gij was verbolgen, omdat wij gezondigd hebben. Doch wij allen zijn als een onreine." (Jes. 64: 5, 6.) want onze overtredingen zijn vele voor U, en onze zonden getuigen tegen ons." (Jes. 59: 12.) Ik heb gezondigd, O Mensenhoeder." (Job. 7: 20,) mijn zonden zijn. menigvuldiger dan de haren mijns hoofds. (Ps. 40: 13.) "Onze ongerechtigheden getuigen tegen ons - onze afkeringen zijn menigvuldig." (Jer. 14: 7.) Het is een ijdele uitvlucht om te zeggen: de Kerk bidt en belijdt in naam van de goddelozen, niet in naam van de gerechtvaardigden," want zovelen in droefheid verkeerden beleden hun zonden, om welke de hand Gods op hen was. De hand Gods toch was op hen; Daniël en Jeremia werden gevankelijk weggevoerd, ja, het gehele zaad Jacobs. (Jes. 42: 24, 25; Jes. 64: 5-7.) En Jeremia zegt in naam van de gehele, in gevangenis zijnde Kerk: de Heere is rechtvaardig, want ik heb gezondigd." (Klaagl. 1: 18.) Er is een belofte gegeven aan hen, die belijdenis doen: die zijn zonden bekent en laat, zal barmhartigheid verkrijgen." (Spr. 28: 13.) toen ik zweeg, (en geen belijdenis deed) werden mijn beenderen verouderd. Ik zei: ik zal belijdenis van mijn overtredingen doen voor de Heere, en Gij vergaaft de ongerechtigheid van mijn zonde." (Ps. 32: 3, 5.) Dit is niet alleen de geest van het Oude Testament, want dezelfde belofte luidt: "Indien wij onze zonden belijden, Hij is getrouw en rechtvaardig, dat Hij ons de zonden vergeve." (1 Joh. 1: 9.) "Indien zij hun ongerechtigheid belijden, dan zal Ik gedenken aan mijn verbond met Jacob." (Lev. 26: 40, 42.) Niet te belijden, wordt tot schuld gerekend. "Nog zegt gij: "Zeker! "ik ben onschuldig; zijn toorn is immers van mij afgekeerd." Ziet, Ik zal met u rechten, omdat gij zegt: ik heb niet gezondigd." (Jer. 11: 35.) Het is een teken van onboetvaardigheid. "Er is niemand, die berouw heeft over zijn boosheid, zeggende: wat heb ik gedaan?" (Jer. 8: 6.)
Efraïm, Gods dierbaar kind, wordt voorgesteld als door God geprezen, terwijl de Heere de gebeden van Efraïm en zijn treuren over de zonde vermeldt. Ik heb wel gehoord, dat zich Efraïm beklaagt" (Jer. 31: 18). Wij hebben tot dit einde ook een voorschrift in het Nieuwe Testament: "Draagt u als ellendigen, en treurt en weent: uw lachen worde veranderd in treuren, en uw blijdschap in droefheid. Vernedert u voor de Heere en Hij zal u verhogen (Jak. 4: 9, 10). Nu, zij hadden meer reden, om te treuren over de zonden, omdat die begeerden, krijg voerden, en twistziek waren, dan omdat zij onder verdrukkingen waren. De natuur zal iemand doen roepen, wanneer hij bestraft wordt; doch niet de natuur, maar genade, niet het vlees, maar de Geest doet de mensen treuren over de zonde als zonde "Zo dan haar onbesneden hart gebogen wordt, en zij dan aan de straf hunner ongerechtigheid een welgevallen zullen hebben, dan zal Ik gedenken aan mijn verbond met Jakob" (Lev. 26: 41, 42). 2e. Over de zonde te treuren, is een genade, die onder het Nieuwe Testament beloofd is: "Doch over het huis Davids, en over de inwoners van Jeruzalem zal Ik uitstorten de Geest der genade, en der gebeden, en zij zullen Mij aanschouwen, dien zij doorstoken hebben, en zij zullen over Hem rouwklagen, als met de rouwklacht over een enige zoon" (Zach. 12: 10). 3e. Het zijnde rouwklagers in Sion, voor wie de vertroostingen van Christus bestemd zijn. De vertroostingen van Christus zijn niet voor wettische klagers, of voor hen die vermoeid en belast zijn vanwege de zonde, en die toch nooit tot Christus komen, noch. geloven. Er is geen belofte gedaan aan zulke klagers als Kaïn of judas waren. Kunnen wij zeggen, dat God genade en barmhartigheid belooft op enige daden van liet vlees, of van ongeloof? 4e. Het is een kenmerk van een recht gesteld geweten, wanneer men gevoelig aangedaan is over de geringste zonde, zoals David, in wiens consciëntie iets als van een slag achter bleef, toen hij alleen maar de slip van Sauls mantel afsneed (1 Sam. 24). 5e. Wanneer goddeloze mensen zondigen, is hun consciëntie ongevoelig geworden (Efeze 4: 19), en als met een brandijzer toegeschroeid (1 Tim. 4: 2).
Het is geen bewijsgrond voor het geloof, dat men de zonde aanmerkende als vergeven, niet over de zonde treurt en ze belijdt. Dit is geen goede bewijsgrond, dat wij, gerechtvaardigd zijnde, niet over een zonde kunnen treuren, welke voor God geen zonde is, dan alleen door ongeloof, omdat dezelve (Jer. 50: 20) volkomen vergeven en weggenomen, en in de diepte der zee geworpen is (gelijk de vrijgeesten redeneren). Dan toch, moeten wij, (naar hun zeggen) zowel geloven, dat die zonde blijft, en de gerechtvaardigde de eeuwige toorn onderhevig maakt, en ze dus betreuren als zonde voor God; als dat men geloven moet, dat zij weggenomen is, en de persoon de eeuwige toorn niet onderhevig doet zijn, hetwelk met elkaar in strijd is. Indien dit, zeg ik, een goede bewijsvoering ware, dan hadden wij het kwaad niet te schuwen, en niet afkerig te zijn, om de zonde te doen, voor dat zij begaan is, want volgens de leer der Antinomianen, zijn alle zonden, reeds voor zij bedreven zijn, ja, zeggen sommigen, reeds van eeuwigheid, zo volkomen weggenomen en vergeven, als na dat zij gedaan zijn, en als op het ogenblik, dat wij geloven en ons bekeren. Want indien wij een wil moesten hebben, die van het doen der zonde afkerig is, voor zij begaan is, dan zou het op deze grond moeten zijn, dat dezelve zonde voor God is, en niet door de dood van Christus weggenomen, anders zouden wij ons niet van de zonde als zonde moeten onthouden. Maar dit is volgens de Antinomianen een valse grond, en onbestaanbaar met het voorwerp van het geloof, hetwelk is, deze waarheid te geloven, dat alle zonden, zowel de verleden, als de tegenwoordige en de toekomende, alle gelijkelijk uitgewist, vergeven, ja, in Christus weggenomen zijn, alsof zij er nooit geweest waren. Dus, wanneer bedroefd zijn over begane zonde, hetwelk een daad is van de geheiligde wil, die geen behagen heeft in de zonde, onwettig is, dan mag de gerechtvaardigde er geen mishagen over hebben, eer zij begaan is. Integendeel, indien hij geen leed behoeft te dragen over begane zonde, maar eerder haar uitvoering moet willen; er niet over moet treuren, omdat hij gelooft, dat zij vergeven is en zij hem, in Gods gericht geen zonde is, omdat hij in Christus is; dan is zij, op dezelfde grond, voor het gericht Gods, voor zij begaan is geen zonde, en hij kan er geen mishagen over hebben voor zij bedreven is, maar mag ze ook willen, en tevens geloven, dat zij vergeven is, en hij behoort er voor zij begaan is geen berouw over te hebben, noch een afkeer in het geweten, welke Gods zaakwaarnemer is. Is het dan niet even goed een daad des vleses en ongeloof, om de zonde te vrezen, die begaan zal worden, welke niet vergeven is in Christus, als de reeds begane zonde, die niet vergeven is, te vrezen? Indien het een leugen en een daad van ongeloof is, wanneer een gerechtvaardigd persoon zegt: "Heere, ik heb gezondigd; o God! gij weet van mijn dwaasheid, en mijn schulden zijn voor U niet verborgen, zoals de gerechtvaardigde David zegt, (Ps. 69: 6) omdat al zijn zonden vergeven zijn, en de man in het geloof, recht tegenstrijdig met het gevoel van zijn zwak vlees, te geloven heeft, dat zij alle weggenomen zijn, - dan moet hij op dezelfde beweerde geloofsgrond zeggen:" Heere, ik zal nooit zondigen, hoewel ik overspel zal begaan, en morgen de onschuldige Uria zal vermoorden, nochtans, ziet Gij, o God, noch morgen, noch te eniger tijd, mijn dwaasheid en zonden, - omdat de toekomende zonden, in de vrije, genadige rechtvaardigmaking, evengoed uitgedelgd en weggenomen zijn, als de verleden zonden. Mr. Eaton zegt: - "Te stellen, dat wanneer God zowel ons als onze werken gerechtvaardigd heeft, God ons nochtans ziet in de onvolmaaktheid van onze heiligmaking, is ook een duidelijk kenmerk van een huichelaar, die nog nooit waarlijk vernederd geweest is over de onvolmaaktheid van zijn heiligmaking. Maar deze onvolmaaktheden van onze heiligmaking zijn naar ons oordeel en gevoelen in ons overgelaten, opdat zij zouden geheeld worden in onze rechtvaardigmaking". En hij brengt verschillende redenen bij, om te bewijzen, dat wij niet tegelijk rechtvaardig in het oog van God, en nochtans zondaren in ons zelf zijn. Laat mij antwoorden, dat de Antinomianen hierin samengaan met de, Kerkvergadering van Trente. Ook Andradius zegt, evenals de Antinomianen, dat wij de verdiensten en genade van Christus lasteren, alsof Hij ons niet in een ogenblik volmaakt van alle zonde kon afwassen. En welke bewijsgronden de Papisten op dit punt ook aanvoeren, Eaton en de Antinomianen maken er eveneens gebruik van. Ja, maar de gerechtvaardigde Job zegt: (Hoofdst. 9: 30, 31) indien ik mij was met sneeuwwater, en mijn handen zuiver met zeep, dan zult Gij mij in de gracht induiken, en mijn klederen zullen van mij gruwen. Zie ik ben te gering, (Eng. goddeloos) wat zou ik U antwoorden?" (Hoofdst. 39:37). Zo spreekt Job in zijn lijden, van zijn eigen wegen, nadat hij door Gods pen voor een oprecht mens is verklaard. En David, een gerechtvaardigd mens, zegt: ga niet in het gericht met uw knecht, want niemand, die leeft, zal voor uw aangezicht rechtvaardig zijn" (Ps. 143: 2). Toch waren Job en David geen huichelaars.
Laat ik zo vrij zijn, te zeggen, dat de Antinomianen de rechtvaardigmaking in de vrije genade heel gewoon als hun godgeleerdheid aandienen, alsof zij alleen de gezichten des Almachtigen gezien hadden en niemand anders. Maar zij zijn er ten hoogste onwetend in, want zij verwarren en vermengen, wat het Woord onderscheidt, omdat de rechtvaardigmaking alleen een wegneming van de zonde is overeenkomstig de wet, zodat zij in rechte niet dadelijk veroordelen kan: "Er is geen verdoemenis voor degenen, die in Christus Jezus zijn. (Rom. 8:1). Zodat wettig, elke verplichting tot uitwendige straf, reatus personae geheten, de schuldigheid van de zondaar, weggenomen is, en hij zal nooit om de zonde verdoemd worden, omdat Christus die schuld voor hem gedragen heeft. Daarom zeggen wij, dat het in dit opzicht godslasterlijk is, te zeggen, dat de tranen van zondaren de zonde afwassen; dat droefheid over de zonde en vasten de toorn Gods bevredigen of wegnemen. Wat mij betreft, ik heb nooit in zulke paapse en onsmakelijke termen gesproken. Dat doen de Papisten, en wij moeten onderscheid maken tussen de onvaste redekunst, en de nauwkeurige godgeleerdheid der Vaderen, maar 2e: De rechtvaardigmaking is geen vernietiging der zonde in haar wezenlijk zijn en lichamelijk inwonen. De gerechtvaardigde Paulus zucht en schreeuwt: ik ben vleselijk, verkocht onder de zonde. Want ik weet, dat in mij, dat is in mijn vlees, geen goed woont. Ik ellendig mens! wie zal mij verlossen uit het lichaam dezes doods? (Rom. 7: 14, 18, 24.) Nu, indien het gevoel van het verdorven vlees deze klachten verwekt in Job, David, Paulus, en indien het zondig vlees, in tegenstelling van het geloof, dat juist tegenovergestelde bevattingen heeft van Christus, die de zondaar rechtvaardigt, niet in ons woont, - dan 1e: logen David, Job en Paulus in hun belijdenissen; want te spreken in strijd met de taal van het rechtvaardigmakend geloof, moet een leugen zijn. 2. Dan waren zij niet wezenlijk vleselijk en verkocht onder de zonde, maar alleen volgens het zondig twijfelen en begrip van het vlees. De luide klacht van Paulus over het lichaam der zonde, was dan een onredelijke, vleselijke en huichelachtige klacht. 3e. Wij moeten dan niet groeien in de genade van heiligmaking, en in de onthouding van het toegeven aan de bewegingen des vleses, omdat wij, indien er geen zondige onvolmaaktheden in onze heiligmaking zijn, niet wezenlijk in genade moeten groeien, maar alleen naar de valse en huichelachtige bevatting van het vlees. 4e. Indien God volstrekt geen zonde ziet in de heiligen na hun rechtvaardigmaking, dan kan er na de rechtvaardigmaking geen zonde in hen zijn; en dus kunnen de gerechtvaardigden niet zondigen, tenzij zij mogen zondigen, en toch kan God niet zien, dat zij zondigen, recht in strijd met Ps. 69: 6; 139: 1-4. Nochtans zegt Johannes van zichzelf en van hen, die een Voorspraak in de hemel hebben, (1 Joh. 11: 1) dat, indien wij zeggen, dat wij geen zonde hebben, wij onszelf verleiden, en de waarheid in ons niet is." (1 Joh. 1: 8.) Nu, hij kan niet spreken van mensen, als aangemerkt in de staat der natuur en als ongerechtvaardigd, omdat hij, om een twijfeling van een zwak geweten te beantwoorden, die zei: "O! indien wij zonde hebben, dan zijn wij eeuwig verloren en verdoemd," antwoordt: (1e.) De gerechtvaardigden moeten hun zonde belijden, (vs. 9) en God is getrouw, dat Hij ze vergeve." (2c.)Hij antwoordt: indien wij gezondigd hebben, wij hebben een Voorspraak bij de Vader". (1 Joh. 2: l). 5e. Het moet onvermijdelijk volgen, dat waar Christus diegenen, die een Vader in de hemel hebben, beveelt te bidden: "Vergeef ons onze zonden," Hij hun dan gebiedt, dagelijks te bidden uit een vleselijk twijfelen, en niet uit de geest van het geloof. Ik spreek liever volgens de Schrift, dat al de gerechtvaardigde heiligen hun topzeil moeten strijken, en hinkende naar de hemel gaan, en dat ze hun boeien en ketenen van inwonende zonde door het veld van vrije genade hebben te dragen tot aan de poorten der heerlijkheid, Christus ons dagelijks wassende en opnieuw vergevende, en wij dagelijks onszelf besmettende, opdat genade genade zijn mag.
6. Ja, de Schrift is zeer duidelijk, dat het schoonste aangezicht, dat nu in heerlijkheid blinkt, eens zelfs in het koninkrijk der genade en in de staat der rechtvaardigmaking, zwart en verbrand van de zonde was, ter oorzake van de inwonende zonde: want geen mens is er, die niet zondigt (1 Kon. 8:46). Dit is een zwart merk, dat op het aangezicht van alle mensen gezet is, die de aarde bewonen, waaronder gerechtvaardigde en met vergeving begiftigde personen gerekend moeten worden. "Voorwaar daar is geen mens goed op aarde, die goed doet en niet zondigt." (Pred. 7: 20). Dan is er een doorn aan onze schoonste roos. Davids zon schijnt niet zo helder of er trekt een wolk langs. In het goede, dat elke gerechtvaardigde doet in elke offerande, die hij offert, is enige drek. De zon heeft hem beschenen. Augustinus had hetzelfde geschil, hoewel op een anderen grond, met Julianus, die ook vanouds in de mening verkeerde, dat gerechtvaardigde zielen vrij waren van inhangende zonde, zoals de vrijgeesten nu leren. Maar Augustinus zegt altijd, dat de zonde in de wedergeborene woont, maar niet wordt toegerekend. Daaruit blijkt duidelijk, dat de rechtvaardigmaking niet zulk een vernietiging van de zonde in haren wortel en in haar wezen is, als het in de staat der heerlijkheid zijn zal, wanneer wortel en tak zullen uitgeroeid zijn. De rechtvaardigmaking zal ons niet alleen, gelijk zij in dit leven doet, vrijmaken van alle wetschuld en van datgene, wat ons de toorn onderworpen maakt, hetwelk het Tweede Bedrijf der zonde, de uitwerking en niet het wezen der zonde is; maar ook zal alle inwonende zonde weggenomen zijn, omdat de heiligmaking volmaakt zijn zal. De zonde heeft in de gerechtvaardigde alleen huisvesting, en blijft binnen de muren als een gevangene, een ondergeschikte, een dienstmaagd. Zij heeft de sleutels van het huis niet, om over alles bevel te voeren, noch de scepter, om te regeren: alle sleutels hangen aan de schouder van Christus; veel minder heeft zij een wetmacht om te veroordelen. Daarom zegt Augustinus zo uitnemend: God heelt de zondaar terstond van zijn schuld (het is een wetwoord en een wetgenezing), maar van zijn zondigheid bij trappen, langzamerhand". De heiligste is in dit leven maar als hei, krieken van de morgen. Wij zijn half nacht, half dag. Wie kan zeggen: ik heb mijn hart gezuiverd; ik bet, rein van mijn zonde?, (Spr. 20: 9). Wie kan zeggen: ik heb een rein hart" zonder te liegen? De vrijgeesten kunnen het in een hoger graad zeggen dan de Papisten, die bekennen, dat vergeeflijke, kleine zonden en ziertjes, altijd in dit leven in ons zijn.
Maar het kon zijn, gelijk zij zeggen, dat dit de Oudtestamentische geest is, welke spreekt; doch de Apostel past in Rom. 3 de 14e Psalm toe, welke alle monden der wereld stopt, als zoveel schuldige kwaaddoeners voor het hoog gericht van de hemel; en hij bewijst, dat geen vlees, ook David niet, noch de heiligste op aarde, door werken kan gerechtvaardigd worden, hetzij, dat zij gedaan zijn door de kracht der natuur, of door de bijstand der genade. Nu, indien er geen inwonende zonde in de gerechtvaardigde is, dan beantwoorden wij de Papisten en de Pelagianen niet, wanneer wij zeggen, dat wij gerechtvaardigd zijn uit de werken, die gedaan zijn door de bijstand en de hulp der genade na de wedergeboorte, doch niet door de werken, die wij verrichten door de kracht der natuur"; want indien er geen inwonende zonde in de wedergeborene is, dan moeten al hun goede werken volmaakt en onzondig zijn, en kunnen zij geen besmetting opdoen uit een onrein hart; want indien er geen inwonende zonde en geen onvolmaakte heiligmaking in ons is (gelijk Mr. Eaton zegt, dat het huichelarij is zulks te denken of te zeggen), hoe kan dan een onrein hart deze werken bezoedelen, die door de bijstand der genade gedaan zijn? Want hetgeen niet is, heeft in het geheel geen werkingen. Indien er geen besmettelijke fontein is en geen inwonende zonde, maar wortel en tak in de rechtvaardigmaking uitgeroeid zijn, dan kan zulk een fontein de daden niet bevlekken. wij struikelen allen in vele" (Jak. 3: 2); (ptaiomen apantes), een beeldspraak, ontleend aan reizigers, die op steenachtige of glibberige grond wandelen. ik ellendig mens! wie zal mij verlossen uit het lichaam dezes doods? (Rom. 7: 24). Indien het maar het vlees en het ongeloof zijn, die deze klacht uiten, dan moet de strijd tussen vlees en geest uit het vlees ontstaan. De strijd nu van twee tegenovergestelde partijen, zoals het vlees en de geest, ontstaat niet meer uit de een dan uit de andere, maar uit beide gelijkelijk. De strijd tussen vuur en water ontstaat niet door het vuur alleen, noch door het water alleen, maar door beide, zodra zij met elkaar in aanraking komen. Dat is toch zeker, dat het vlees niet klaagt, en ook niet kan klagen over zijn eigen bewegingen tegen de geest. De zonde kan niet over de zonde klagen; het is het vernieuwde deel, dat klaagt over de roeringen en bewegingen van het onvernieuwde deel. De Satan is niet tegen de Satan verdeeld, noch de zonde tegen de zonde. Het is waar, dat er geschreven staat, dat de zonden van de gerechtvaardigde zullen worden gezocht, maar niet gevonden (Ier. 50: 20), dat onze overtredingen uitgedelgd zijn als een nevel en een wolk, en niet meer gedacht worden (Jes. 43: 25, 44: 22; Ps. 51: 3), alsook, dat zij gedempt en in de diepten der zee zullen geworpen worden (Micha 7: 19), "en wij gewassen (Openb. 1: 5), "en witter gemaakt dan sneeuw" (Ps. 51:9). Ook is de Kerk van Christus zo volmaakt (Eng. Vert. ` onbevlekt") zo schoon, gelijk de maan, zuiver als de zon (Hoogl. 5: 2; 6: 10), dat Christus zelf een getuigenis van haar geeft: geheel bent gij schoon, mijn vriendin, en daar is geen gebrek aan u" (Hoogl. 4: 7). Dit is alles waarin een wetzin, en in wettelijke en zedelijke vrijheid van de zonde; in dit opzicht, dat de zonden van hen, die gerechtvaardigd en in het bloed van Christus gewassen zijn, hun niet meer zullen ten laste gelegd worden tot hun veroordeling, dan wanneer zij nooit enige zonde begaan hadden. Ook zijn hun zonden geen zonden, die tegen hen getuigen zullen in het oordeel, omdat zij bekleed zijn met de witte en vlekkeloze gerechtigheid van Christus; want zij zijn in hun dadelijke schuld, wat betreft de prikkel en kracht der wet, niet als zonden, en schulden aangemerkt, maar in het boek van Gods rekening uitgedaan, en als een uitgedelgde wolk, welke geen wolk is. In dat opzicht moetenzij blank en schoon zijn, die Christus wast.
Ik belijd, dat het liefelijk is ingedompeld te worden in de nieuwe Fontein, welke geopend is voor het huis Davids en voor de inwoners van Jeruzalem, tegen de zonde en tegen de onreinigheid," om daar gewassen te worden door de liefelijke en schone hand des Middelaars: ik weet, dat Hij niet beschaamd zou worden over zijn arbeid, maar schoon en wit werk maken zou. Doch met betrekking tot de worteloorzaak, het bestaan en vormelijk wezen der zonde, zijn de heiligen niet van haar bevrijd en verlost. Want al zijn deze zonden gebroken in haar heerschappij, om als tirannen te bevelen en weggenomen, wat betreft haar schuld en verdienste ten opzichte van de wet, toch blijven en wonen zij in de heiligen, zolang zij hier in dit leven zijn. Deze twee wijzen, waarop de zonde weggenomen wordt, verschillen zeer. De eerste is een wetwegneming der zonde; niet de wegneming van het wezen en bestaan der zonde; de andere is een fysieke wegneming met wortel en tak, en daarom trapsgewijze teweeggebracht, naar de mate van begonnen heiligmaking, en deze zal in dit leven nooit volmaakt worden, voordat die hebbelijkheid van heiligmaking, welke fysiek aangemerkt, het tegenovergestelde is van de zonde, zal ingevoerd worden, en de persoon volmaakt zal zijn in heerlijkheid, terwijl de eerste wegneming zo volmaakt is, als de persoon vlekkeloos en witter dan sneeuw is gemaakt. Deze twee wegnemingen der zonden kunnen door het volgende beeld worden duidelijk gemaakt: Stel, dat iemand besmet is met melaatsheid in zijn lichaam, - dit is een fysieke of lichamelijke besmetting. Dezelfde persoon is ook veroordeeld, om te sterven, wegens hoogverraad tegen de staat en de vorst - dat is een wetsbesmetting. De geneesheer geneest hem van zijn melaatsheid door een fysieke uitdrijving van de kwaal, doch bij trappen en langzamerhand, en maakt tenslotte zijn vel, als het vel van een jong kind. De vorst en de staat zenden hem een vrij pardon van zijn verraad, en hij is tegelijk volkomen ontslagen van zijn schuld. Nu neemt het pardon van de vorst niet fysiek en wezenlijk de schande weg van zijn persoon, noch de inhangende smet en eerloosheid van zijn lage en verraderlijke trouweloosheid tegenover de vorst en de staat, zodat dit pardon hem in een ander wezen zou omzetten en veranderen, door een fysieke verandering in een persoon, die zo onschuldig en onberispelijk is, als een van de trouwste onderdanen van het Koninkrijk. Het pardon geeft hem alleen een wetsverandering en een zedelijke ontheffing en vrijheid van een schandelijke dood. Op gelijke wijze neemt de vergeving van Christus een wetsverplichting tot de eeuwige dood weg, zodat er geen verdoemenis voor de mens is, maar zij neemt niet de inhangende en fysieke smet weg, noch de wezenlijke afwijking tussen zijn snode zonde en de geestelijke wet van God. Ook maakt zij hem niet volmaakt zondeloos en heilig, alsof hij nooit gezondigd had, zoals de Antinomianen dromen. Zo ook is de rechtvaardigmaking der heiligen gelijk aan de vrije kwijtschelding der schuld aan een bankroetier, die duizenden geleend heeft en niet in staat is te betalen. Het doorhalen van zijn rekening maakt hem in rechte vrij van het betalen der schuld, maar maakt hem in geen geval een man, die nooit geld leende; ook maakt het hem niet vrij van die inklevende smet van onrechtvaardigheid, ten opzichte waarvan hij een bankroetier is, die zijns naasten goed heeft doorgebracht. Maar volmaakte heiligmaking drijft de zonde uit in haar wezen, omdat de heiligmaking beide met wortel en tak haar gebied vervult en daar heerschappij voert, zodat de zonde wijken moet. Dit is evenals het verdrijven van de duisternis van de nacht uit elk deeltje van de lucht door de tegenwoordigheid der zon, welke haar stralen en haar licht verspreidt van Oost tot West, en van Noord tot Zuid. Ik weet wel, dat de hebbelijkheid van heiligmaking, zoals zij volmaakt is in de heerlijkheid geen aanleiding geeft tot de valse stelling, dat zulk een vergeving deelachtig zijnde en gewassen zondaar nooit zondigde, want wat gedaan is, kan niet ongedaan gemaakt worden; dat zou een sprekende tegenstrijdigheid zijn; maar zij brengt de mens in die staat, dat hij vrij is van de inwoning van liet lichaam der zonde, en volmaakt heilig, evenals de lucht op de middag vrij is van duisternis en voorzien van inhangend licht. Nu kunnen de Antinomianen (voornamelijk hun hoofdleider Mr. Eaton) niet verdragen, dat wij zeggen, dat de heiligmaking in dit leven onvolmaakt is, of, dat de inwoning der zonde kan bestaan met vrije rechtvaardigmaking en vergeving der zonden in het bloed van Christus. Maar laat ons onze ogen een weinig wenden naar de wijsheid van Gods vrije bedeling, om de redenen te onderzoeken, waarom onze Heere wil, dat de gerechtvaardigde heiligen hinkende naar de hemel gaan.
Hij kan ons, bij onze eerste bekering, verheerlijkte en volmaakte heiligen maken; doch het is zijn wijsheid, om er een tijd voor te nemen, en trapsgewijze zijn heiligen te volmaken. Hij gebruikte ongeveer drie en dertig jaren op aarde voor het werk van onze verlossing, en wilde drie dagen in het graf verblijven, als het ware nabij het verderf, (Eng. Vert.) onze vader, en het gewormte, onze moeder en onze zuster," (Job 17:14) hoewel Hij de verderving niet heeft gezien," (Ps. 16:10.) Hij is nu al zestienhonderd (1900) jaren bezig, om het hoge paleis der heerlijkheid, zijns Vaders huis, te versieren. Indien het Hem belieft, maanden en jaren er voor te nemen, om de verworven verlossing toe te passen, terwijl Hij het in een ogenblik mocht en kon gedaan hebben, zoals Hij met een woord het licht uit de duisternis schiep, dan hebben wij te zwijgen. Zijn wijsheid, in zo te handelen, zij ons genoeg. De tweede hemel en het nieuwe licht in de verloste ziel worden gewerkt door opeenvolgende daden van almacht; de eerste hemel was spoediger gemaakt. Zal dat ons hard voorkomen, dat onze middernacht en onze middaghoogte van genade, niet op een ogenblik beide bestaanbaar zijn? Wij hebben met lijdzaamheid te wachten, en niet te murmureren, dat wij bij onze eerste bekering het inwonende lichaam der zonde niet dadelijk kunnen uitbidden, en de last en de zonde, die ons licht omringen, niet kunnen uitzuchten. (Hebr. 12: 1) God is wijs, wiens wil het is, dat onze dag langzamerhand aanbreekt en daagt, en dat in verloop van tijd onze schaduwen vlieden, en onze zon tot de middaghoogte opgaat. Indien een schepsel, ja de uitnemendste der geschapen engelen maar gedurende acht en veertig uren aan het roer van deze grote wereld zou zitten om alle dingen te besturen en te regeren, dan zou de zon niet op de rechte tijd opgaan; de muren en de bekleding van het grote gebouw der wereld zouden vallen, de bol der wereld en der gehele aarde zou dansen en waggelen als een dronken man; alles zou in de war lopen . Zo ook, indien wij een wereld van genade hadden van ons eigen maaksel, en het aan onze wijze keuze overgelaten was, om van het eerste ogenblik van onze nieuwe geboorte af zonder zonde naar de hemel te gaan, wij zouden van de weg afdwalen, en nieuwe schuld maken, welke opnieuw het kruisigen van de Heere der heerlijkheid zou nodig maken. Wij zouden over onszelf geen betere voogden, bestuurders en heren zijn, dan Adam en de engelen, die, vielen. Het gewicht van de hemel en de hel van een heilige op zijn eigen lemen schouders gelegd, is een hemel, die aan een groot gevaar is blootgesteld, of liever aan een onherstelbaar verlies. Ik wil graag toestemmen, dat het zeker is, dat mijn hemel op de schouders van Christus ligt.
2. Genade werkt overeenkomstig de natuur van hen, in wie zij werkt. Het vat moet worden toebereid door een gedurig gevoel van genade, eerdat Christus er de hebbelijkheid der heerlijkheid in uitstort. Het is goed, dat wij het passen en naaien van elk stuk van het bruiloftskleed zien en gevoelen, als ook het vormen, gieten en pasklaar maken van de kroon der heerlijkheid, voor het hoofd van de burger van de hemel. ja, het herhaald gevoel en de gedurige bevindingen der genade in het op en afgaan van de weg; het vallen en weer opstaan van de reiziger; de omkeringen en veranderingen van de geestelijke stand; de nieuwe maan, de verdonkerde maan, de volle maan in des Geestes ebben en vloeien, verwekken in het hart der heiligen op hun reis naar het vaderland, een sterken geur van die schoonste Roos en Lelie van Saron, Jezus Christus, de verlustiging van mensen en engelen. Zodat, gelijk reizigers bij nacht, spreken over hun moeilijke weg en de betrouwbaarheid van hun gids; en gelijk soldaten na de slag hun wonden tellen, en de dapperheid, schranderheid en moed van hun aanvoerder en kapitein verheffen; zo ook kunnen de verheerlijkte soldaten vrachten bevinding van vrije genade mee naar de hemel voeren, en daar spreken over hun weg en hun land, en over de lof van Hem, die ze gekocht heeft uit alle talen en volken en naties." De bijna verdronken man schudt zijn hoofd, en droogt met blijdschap en welgetroost zijn klederen in de zon op het strand. De indrukken der kussen van het aangezicht van Hem, die op de troon zit, zijn dieper, naarmate de gedurige bevindingen van genade vele geweest zijn. Een zeer modderige en gevaarlijke weg, en het levendig en hartelijk welkom der heerlijkheid, komen goed bij elkaar.
3. Aangezien er veel, ja, een uitnemend gewicht van heerlijkheid in de hemel is, zo is het gepast dat de weg naar de hemel bestrooid en bedekt is met rozen van vernieuwde daden van vrije genade, en met herhaalde verklaringen van nieuwe vergeving van Christus, de een betuiging de andere volgende; dat, sedert de heiligen dagelijks bidden, "vergeef ons onze zonden het de wijsheid Gods zo belieft te schikken, dat gelijk de heerlijkheid in de hemel één voortdurende daad van zaligheid is tot in alle eeuwigheid, zo ook de genade, welke de ouden en zondige mens een nieuw schepsel maakt, één voortdurende daad van genade zijn zou. En, gelijk vele stromen en rivieren één water zijn, en één bron in de oorsprong; en vele lijnen één in het middelpunt; en duizenden geslachten van mensen maar één mens zijn in de eerste vader, Adam; - zo ook, zijn vermenigvuldigde daden van genade in de heiligen van het eerste ogenblik van hun bekering af, tot het tijdstip en het eerste uur van hun verheerlijking, maar één fonteingenade in God, geopenbaard in de Middelaar Christus. Er kan ook geen reden zijn, waarom onze eerste bekering vrije genade zou zijn, en de volharding der heiligen in de genade, en al hun voetstappen op de weg, niet eveneens genade zijn 7ouden. Genade is niet op zichzelf staande in de heiligen, maar genade en vrede moeten in hen vermenigvuldigd worden.
4. De tussentreding en voorbidding van Jezus Christus, die elke dag, uit kracht van nieuwe begane zonde, doorgaat en voortduurt, (1 Joh. 2: 1, 2), en het gouden altaar, dat nu al 1600 (1900) jaren brandende geweest is met de levendige gebeden der heiligen, moeten van dagelijks gebruik zijn, zolang Christus het ambt bekleedt als de grote, waarachtige en verhoogde Hogepriester, die nu in het Heilige der Heiligen ingegaan is. Het is beter, dat Christus telkens weer genade bewijst in de hemel, gelijk wij telkens weer zondigen op aarde, dan, dat de daad van tussentreding van onze Hogepriester alleen bestaan had in één daad aan het kruis. De weg naar de hemel is lang gemaakt en er moeten vallen voorkomen op de weg, opdat ik vele nachten en maanden aan ze weg zou doorbrengen met mijn Leidsman Christus, en opdat mijn uitgaven en onkosten gedurende de reis op rekening van vrije genade zouden komen.
5. Het geloof heeft zijn werk in onze trapsgewijze doding. Wij geloven, dat Christus zal volmaken, wat Hij begonnen heeft. Daarom was het nodig, dat winter en lente en zomermaanden vooraf gaan aan onze herfst, en aan het inoogsten van de vruchten van de boom des levens.
6. Christus werkt in het benedenkoninkrijk zo, dat Hij het hoger koninkrijk de kopie en het patroon maakt van hetgeen Hij werkt. Het is zeer gepast voor bloemen en rozen, die verplant moeten worden, teneinde in de hogen hof naast de boom des levens op te groeien, en tot in alle eeuwigheid bloemen der heerlijkheid voort te brengen, dat zij voor een tijd in het land der genade groeien, om aan de grond te gewennen. De lagere en de hogere hoven van genade en heerlijkheid verschillen niet in natuur. Wat in de een hof groeit, kan ook in de anderen wassen. Zij kunnen niet passen bij de gelukzaligheid van dat land, tenzij zij de heiligheid van voortdurende genade in dit land ondervonden hebben. Christus doet stormen van zonde over zijn jonge erfgenamen woeden gedurende hun winter, terwijl God de wortel in het leven houdt, opdat zij geschikter mogen worden voor een eeuwig groenen, bloeiende zomer van heerlijkheid. Wanneer Christus zichzelf door vele verdrukkingen heiligde, opdat Hij een erfgenaam zou zijn, gepast voor de heerlijkheid, en Hij door vuur en water, heet en koud en vele verwisselingen naar de hemel gebracht zijnde, zo tot de eeuwige gelukzaligheid kwam door een voortgezette heiligheid van vele jaren, dan paste het niet, dat Christus, die erfgenamen maakte naar zijn regel en zijn patroon, hen met een sprong en een stap in de heerlijkheid zou brengen, van een gerechtvaardigden staat tot een verheerlijkte staat, zonder een tussenkomende voortgang in heiligmaking en heiligheid. Christus verstaat goed de grondwet der hogere stad, het nieuwe Jeruzalem. De orde der regering van dat koninkrijk is; dat geen anderen als vrije burgers der heerlijkheid worden aangenomen, dan zulken, die als leerlingen, minderjarigen en kleine kinderen onder voogden gestaan hebben, om te leren wat genade en de weg der heiligheid is. Hij is nog te kort in de staat van een gerechtvaardigde zondaar, om nog maar juist heet en rokende uit zijn lusten gekomen, onmiddellijk de heerlijkheid in te stappen. Zo wordt hier een vreemdeling, komende van de hel, het welkom van de hemel toegeroepen: een kind van de satan, gisteren of een uur geleden nog spelende aan de haard des duivels, die nog heden juist op dit uur, ingeschreven moet worden onder hen, die in witte klederen wandelen met het Lam. Ik moet toestemmen, dat sommige soldaten tot hoofdofficieren bevorderd worden, per saltam, met een sprong, maar dat is voor enige zeldzame dienst, dien zij de vorst of de staat bewezen hebben. Zo is het ook met de berouw hebbende moordenaar, die in een tijdruimte van enige uren, in drie koninkrijken geweest was; in de staat der natuur, het koninkrijk der duisternis, en het koninkrijk der genade, en dien dag met Christus in het Paradijs. Maar dit is, zover ik kan nagaan, iets zeldzaams. Ik mag ook zeggen, dat prinsen bij hun kroning enige buitengewone daden van gratie verrichten als voorrecht van de pas ontvangen kroon, om de nieuwe troon in te wijden met daden van barmhartigheid. Christus verrichtte toen een daad van zuivere, onvermengde genade, dadelijk en vormelijk de verloren wereld op het kruis verlossende, en Hij was op deze dag gekroond door zijn moeder de Kerk, en als Koningverlosser der heiligen in zijn ambt bevestigd, en daarom wilde Hij in het Paradijs een zondaar inbrengen, door een recht van weergaloze genade. Daarvan is maar één voorbeeld in de gehele Schrift.
7. De weg naar de hemel is liefelijker, opdat het hier nulla dies sine linea zijn zou, en elke dag en ieder uur, dat wij zondigen (want wij maken ieder uur nieuwe schuld), de vrije genade van Christus haar dagelijkse loop zou hebben, opdat de "Fontein, geopend voor het huis Davids" dagelijks zou vloeien en vernieuwde vergeving samengaan zou met heden ons dagelijks brood"; vandaar deze edele werkingen der genade. 1e. Elke zonde, het minste verzuim van de wet verdient de hel (Deut. 27: 25; Gal. 3: 10). Twee zonden moeten dus twee hellen verdienen, zeven zonden, zeven hellen; dan moeten vermenigvuldigde zonden, opklimmende tot het getal van de haren van Davids hoofd, (Ps. 40: 13) en niet alleen zonden, maar ontelbaar vele ongerechtigheden de rekening der vrije genade van Christus doen zwellen en opklimmen tot een bevrijding van twee, van zeven, van onnoemelijk vele hellen. O, genade, elke dag, ieder uur! Hoe schoon en liefelijk zijn dan de vermenigvuldigde vergevingen en gedurige bewijzen van genade, welke de opstandeling veertig jaren lang, negen maal daags, twintig maal daags, door de genade van zijn vorst, om zo te zeggen, van onder de bijl hebben weggehaald. Hier zijn menigten van vermenigvuldigde verlossingen; hier is overvloedige verlossing. Ik bederf het ieder uur; Christus wast mij; ik val; genade richt mij op; ik krijg deze dag, deze morgen, met de gerechtigheid te doen, genade vergeeft mij; en dat gaat zo voort, tot genade mij in de hemel zet. Het "Boek des levens des Lams" bevat niet alleen de namen van hen, die verordineerd zijn tot dat gezegende doeleinde, het eeuwige leven, maar ook de middelen, die tot dat einde leiden. Hier zijn ook opgeschreven al de zonden, al de vergevingen uit vrije genade, sedert de eerste Adam zondigde. O, wat moet het Boek des levens een ontzaglijk groot boekdeel zijn! 0, hoe groot en breed en lang moeten de rekeningen der genade van Christus zijn! 2e Wij zijn niet volkomen zalig gemaakt al zijn wij gerechtvaardigd; maar zijn in verwachting van deel te hebben aan het onmiddellijk zien van God, en "Zuchten in ons zelf, verwachtende de aanneming tot kinderen, (namelijk) de verlossing van onze lichaams, en zijn in hoop zalig" (Rom. 8: 23, 24). Wat ons recht of onze aanspraak betreft, zijn wij volkomen zalig gemaakt; doch in een anderen zin, dan zijn wij maar heren en koningen alleen bij titel - wij zijn nog ver van de landen, inkomsten, de kroon, en het huis van onze Vaders, en zo, zijn wij niet volkomen zalig gemaakt, voor onze voet staat in de straten van het Nieuwe Jeruzalem. 3e. Dit overwegend zuchten wij in onze banden en boeien, en de zonde blijft in ons tot onze oefening en vernedering, opdat wij voortdurend verbonden zouden zijn aan Jezus Christus en Zijn genade. Die ziel heeft veel lief, wie veel vergeven is en dat bijzonder, wanneer er gevoelige en gedurige bevindingen zijn van de vergeving van vele en vermenigvuldigde afwijkingen.
Tegenwerping 1. Maar de rechtvaardigmaking is één, ondeelbare genadedaad, waardoor alle zonden, de verleden, tegenwoordige en toekomende, vergeven zijn; zij is niet een opvolgende, voortdurende daad, welke altijd doorgaat, zoals de heiligmaking; want wij worden maar eenmaal gerechtvaardigd." Ik antwoord met de volgende verklaringen-
1e. Er is een tweevoudig begrip van rechtvaardigmaking, zoals Dr. Abbot ons leert. Er is een algemene, en eigenlijk zogenaamde rechtvaardigmaking en er is een gedeeltelijke en oneigenlijk zo genaamde rechtvaardigmaking of, als ik het zo zeggen mag, er is een rechtvaardigmaking van de persoon; dat is een staatsverandering; en een herhaalde rechtvaardigmaking, of liever een gedurig herhaalde vergeving; van welke laatste ik betwijfel, of het een rechtvaardigmaking genaamd wordt. De eerstgenoemde rechtvaardigmaking behelst 1e. De daad van verzoening door Christus aan het kruis teweeggebracht voor alle zonden van al de uitverkorenen van God, de verleden, tegenwoordige en toekomende. Deze daad is niet verbonden met het geloven, noch ook zijn wij eigenlijk gerechtvaardigd in betrekking tot deze daad. Maar, 2e: er is een formele rechtvaardigmaking, waarvan Paulus spreekt (Rom. 3: 4; Gal. 3, 4 en 5), welke voortgaat in orde van oorzaak, tijd, en een vereiste conditie om de gerechtigheid van Christus aan te grijpen. Deze rechtvaardigmaking van de persoon, terwijl hij gelooft, is een daad voor eenmaal, en dat, wanneer de zondaar voor bet eerst Christus aangrijpt, en de toegerekende gerechtigheid in zijn bloed. Er is 3e. een vergiffenis en wegneming der zonde. Nu overeenkomstig deze, hebben wij de wegneming der zonde naar drieërlei begrip te beschouwen; want hoewel de rechtvaardigmaking wezenlijk de wegneming en vergeving der zonde insluit, toch sluit niet elke vergiffenis de eigenlijk zogenaamde rechtvaardigmaking in.
Verklaring 2. Deze drieërlei wegneming der zonden leert de Schrift mij duidelijk - 1e. Christus neemt onze zonden weg op het kruis, oorzakelijk en in een weg van verdienste, omdat Hij voor onze zonden aan het kruis leed. "Ziet het Lam Gods, dat de zonde der wereld wegneemt" (Joh. 1. 29). "Hij is zonde voor ons gemaakt" (2 Kor. 5: 21). Christus heeft het handschrift uitgewist, dat te 9 en ons was in inzettingen [bestaande], dat enigerwijze ons tegen was, en heeft datzelve uit het midden weggenomen, hetzelve aan het kruis genageld hebbende" (Kol. 2: 14). die zelf onze zonden in zijn lichaam gedragen heeftop het hout" (1 Petr. 2: 24). "Hij heeft zijn ziel tot een schuldoffer gesteld" (Jes. 53: 10). Deze verzoening door bloed werd afgebeeld in Aäron, die zijn beide handen moest leggen op het hoofd van de levenden bok, en de zonden van het volk belijden, die overbrengende van het volk. "Alzo zal die bok op hem alle haar ongerechtigheden in een afgezonderd land wegdragen" (Lev. 16: 20-22). Nu, dit was de betaling van een rantsoen voor ons, en een wettelijke overplaatsing van de eeuwige straf van onze zonden; maar dit is geen rechtvaardigmaking, ook wordt het nooit rechtvaardigmaking genaamd. Er is hier een soort van toerekening der zonde aan Christus, en een som, die voor mij betaald is, maar met uw verlof, geen formele toerekening, geen gerechtelijke, en geen persoonlijke wetsrekening voor mij, die nog niet geboren, veel minder voor een rechtbank gedagvaard en van zonde vrijgesproken ben. Toen Christus deze som ten volle betaald had, was Christus wettelijk gerechtvaardigd, als een openbaar persoon, en al zijn zaad fundamenteel, verdienstelijk en oorzakelijk, doch niet in hun personen.
Er is een tweede wegneming der zonde, en dat is, wanneer de gelovige gerechtvaardigd is uit het geloof. Paulus verwijst naar David, die (zegt hij) de mens zalig spreekt, wie God de rechtvaardigheid toerekent zonder werken," zeggende: "Zalig zijn ze, welker ongerechtigheden vergeven zijn, en welker zonden bedekt zijn. Zalig is de man, welke de Heere de zonden niet toerekent." (Rom. 4:6-8). Dit is de zaligheid van een geboren, levend, gelovig mens. Nu, wij zeggen oneigenlijk, dat de niet geboren erfgenamen van een Koning gezegend zijn. Zo ook indien de wegneming der zonden door Christus op het kruis de rechtvaardigmaking was, dan zouden al het zaad van Christus, en wij, die gelovigen uit de heidenen zijn, die nog niet geboren waren, toen Christus stierf, al zalig en gerechtvaardigd zijn voor onze geboorte. Nu, in hetgeen formeel de rechtvaardigmaking van de gelovigen zondaar is, wordt de persoon van de gelovige aangenomen, verzoend, gerechtvaardigd, en wezenlijk door een wetverandering uit de een staat in de anderen overgebracht, Ik bedoel niet, dat er een fysieke instorting van een nieuwe hebbelijkheid van heiligmaking, en een uitdrijving van een oude hebbelijkheid is, zoals de Papisten leren, die de wedergeboorte, of heiligmaking met de rechtvaardigmaking verwarren. Maar, daar is een wezenlijke verandering van de staat van de persoon: "En dit waart gij sommigen, maar gij bent afgewassen, maar gij zijt geheiligd, maar gij bent gerechtvaardigd" (1 Kor. 6: 11); dus waren zij te eniger tijd niet gerechtvaardigd.
2e. Er is hier een wezenlijke wegneming van alle zonden en een vergeving en bevrijding van de eeuwige straf van alle zonden, zowel van toekomende en nog niet begane, als van verleden, tegenwoordige, en reeds begane zonden, zodanig, dat de nog niet begane zonden de gelovige niet meer in de straf van de eeuwige toorn zullen inwikkelen, dan verleden of tegenwoordige zonden. Toch zijn 3e de niet begane zonden, hoewel werkelijk vergeven (met straf en onderwerping) niet formeel vergeven. Datgene, wat in het geheel geen zonde is, maar alleen in een blote macht bestaat, om te zondigen, moet alleen onder dat begrip vergeven zijn, dat het een zonde is, en niet dat zij eerst formeel weggenomen en daarna pas begaan wordt. Toch is er voor betaald, en de persoon is bevrijd van elke dadelijke veroordeling om dezelve - maar bovendien, voorwaardelijk en krachtdadig, zo hij in Christus gelooft en zich opnieuw bekeert. Deze genaden zal God hem onfeilbaar geven, omdat de genadegiften en de roeping Gods onberouwelijk zijn. En op deze derde wegneming der zonde ziet die bede, welke Christus gerechtvaardigde personen heeft leren bidden: "Vergeef ons onze zonden, gelijk wij vergeven, die tegen ons zondigen." En Nathan zegt tot David: "De Heere heeft ook uw zonden weggenomen; gij zult niet sterven (2 Sam. 12:13). David was, voor hij die afschuwelijke schuld van moord en overspel beging, een man naar Gods hart," dus was zijn persoon gerechtvaardigd. In deze zin neemt God dagelijks de zonde weg: want de rechtvaardigheid Gods wordt in hetzelve geopenbaard uit geloof tot geloof; gelijk geschreven is "maar de rechtvaardige zal uit het geloof leven (Rom. 1: 17). Nu is het leven van het rechtvaardigmakend geloof niet een enkele daad van het geloof, zoals het bij onze eerste personele, betrekkelijke en algemene vrijspreking is; maar de gelovige leeft door vernieuwde en dikwijls herhaalde geloofsdaden, zodat hij "wandelt uit geloof tot geloof." Het minste geloof rechtvaardigt; maar het Evangelie vereist een groeien in het geloof. In deze zin is de wegneming een voortdurende, en een voortgezette daad van vrije genade, van het eerste ogenblik af, dat wij geloven, tot op de dag, dat ons de kroon op het hoofd gezet wordt.
Mocht iemand tegenwerpen, dat ik met mijzelf in strijd ben, daarin, dat ik soms schreef, dat de rechtvaardigmaking een volkomen vergeving is, in één ondeelbare daad, van alle zonden, zowel verleden als tegenwoordige en toekomende, en dat daarom de zonde niet meer dan eenmaal vergeven worden kan - dan kon ik volstaan met te antwoorden, dat de kennis, die wij hebben, bijzonder in een zo bovennatuurlijke verborgenheid, slechts de schemering is, of het morgenstergeflonker van zondige mensen. Naar mijn oordeel echter heb ik niets gezegd, dat er mee in strijd is.
Verklaring 3. Ik ontken ten sterkste, dat er twee formele rechtvaardigmakingen zijn, waarop de Arminianen niet weinig aandringen; ja, de rechtvaardigmaking van de persoon en zijn aanneming in de gunst van God, is maar één daad. Nooit val ik uit die aanneming, welke eenmaal uit genade vastgesteld is in het hof van de hemel. Ik maak dit aldus duidelijk: er is in een wet van het Parlement een algemeen pardon afgekondigd, waardoor alle verraders gratie ontvangen, zowel voor verleden als voor toekomstig verraad, onder voorwaarde, dat zij zich, wanneer zij zich aan nieuw verraad schuldig maken, aanmelden zullen bij het publieke register van de staat, om hun namen te doen inschrijven in de daarvoor bestemde open plaats, in die gedrukte akte van gratie, welke in bewaring is bij de een of anderen staatsambtenaar. Nu, hoewel iemand bij zijn eerste overtreding ten volle vrijgesproken is, doch telkens en telkens zich weer vergrijpt, en aan de conditie voldoet, die de wet voorschrijft, dan kunnen wij niet zeggen, dat hij twintig, of honderdmaal, of zo dikwijls gratie ontvangen heeft, als hij zich tegen de koning en de staat vergrepen heeft; het is maar één publieke akte van gratie, waarvan hij verscheidene malen gebruik gemaakt heeft. Zo ook hier; in het Evangelie is een geschreven akte van de genade Gods in Jezus Christus, - vergeving aan allen, die door de zonde verraad gepleegd hebben jegens de koninklijke kroon en ere van de Allerhoogste, de opperste Wetgever, waardoor de persoon van de verrader in volle gunst wordt aangenomen, op het ogenblik, dat hij voor het eerst het afschrift of de kopie in zijn consciëntie zal ontvangen; alsook genade en vergeving voor alle volgende overtredingen en zonden tegen de heerlijkheid van de Verlosser, (mits hij niet zondigt tegen de enige bloem van het koninklijk voorrecht, de werking van de Heilige Geest op een bijzondere wijze) onder voorwaarde, dat hij wandelt uit geloof tot geloof, en zich opnieuw wendt tot Christus, de groten Heere der registers, die het boek des levens bewaart. Nu, ik kan hier niet vele vergevingen der genade zien, maar alleen het dubbele uittreksel of de kopie van de eerste akte van vrije genade.
Tegenwerping 2. Maar de zonden, welke de gerechtvaardigden persoon vergeven zijn na de eerste rechtvaardigmaking van zijn persoon, waren van tevoren nooit vergeven, en nu zijn zij vergeven; daarom moeten er twee rechtvaardigmakingen zijn.
Antwoord. Zij waren in werkelijkheid vergeven, en wel zo, dat hij nooit voor enige verleden of toekomende zonde in de verdoemenis zal komen. Die mens staat nu gerechtvaardigd voor het gerecht, terwijl God, voordat hij eerst geloofde, hem aanzag, evenals een rechter een schuldigen persoon aanziet, wiens persoon hij van alle straf ontslaat, omdat zijn borg een rantsoen voor hem heeft opgebracht, en hij dat rantsoen de rechter voorhoudt. Maar die mens is in al zijn volgende misslagen in zoverre nog altijd een zondaar, dat hetgeen hij gedaan heeft, al is hij een gerechtvaardigde David, de Heere mishaagt (2 Sam. 11: 27); en in zoverre is zijn zonde vergeven. Doch nu ziet God op hem, als een vader op een zoon, die tegen hem overtreden heeft. Deze zoon houdt Gode nu geen nieuw rantsoen voor, maar hij maakt alleen opnieuw gebruik van het eerste; het sluit ook geen nieuwe aanneming van zijn persoon in, welke hij vroeger niet had; het schrijft Gode ook geen nieuwe liefde van vrij welbehagen en goedwilligheid toe, maar alleen een nadere openbaring daarvan, en een grotere mate van de liefde van welwillendheid. Het is dezelfde daad van vrije genade, welke God betoont, in zijn zoon, die nu in zonden gevallen is, vergeving te schenken, en waardoor Hij zijn persoon oorspronkelijk heeft aangenomen. 2e. Het is hetzelfde rantsoen der verzoening van Christus door zijn dierbaar bloed, dat zijn geloof nu aangrijpt, als tevoren. 3e. Door de vergeving van deze zonde, door een gerechtvaardigd zoon bedreven, wordt hij niet van de eeuwige straf van deze zonde bevrijd, alsof hij tevoren hierom onder de eeuwige toorn zou geweest zijn. Want, toen hij eerst geloofde, toen zijn persoon werd aangenomen, had hij ten volle en om niet vergeving ontvangen, en was hij vrij gemaakt van elke verplichting tot de eeuwige toorn, waaraan alle of enige van zijn verleden, tegenwoordige, of toekomende zonden hem konden onderwerpen; - maar het is de vernieuwing van de zekerheid der genoegzaamheid van het rantsoen van Christus, zoals het toegepast wordt om die zonde in het bijzonder weg te nemen, en dat door een vernieuwde geloofsdaad. Nu, de vernieuwde aangrijping van de genade Gods in hetzelfde bloedrantsoen tot gerechtigheid in Christus, toegepast voor deze nieuwe schuld, vormt geen nieuwe gerechtelijke of wetsdaad, maar is alleen een toepassing van de eerste genadedaad des Heeren voor deze bijzondere zonde. Ik bedoel ook niet, dat het geloof, tot wegneming van zonden, die begaan zijn, nadat de ziel in de staat van rechtvaardigmaking is, niets anders is dan een blote., terugslaande daad, waardoor wij de eerste aanneming van een zondaar ter rechtvaardigheid bevatten en kennen; want het is een rechtstreekse daad, waardoor de voorgaande genade van een genoegzaam rantsoen wordt aangegrepen als toegepast op deze opnieuw gemaakte schuld; want de zondaar is veroordeeld om het ongeloof, (Joh. 3: 18, 36) en omdat hij niet gelooft is hij aan de toorn Gods onderhevig. Nu is hij niet veroordeeld omdat hij niet naar zijn eigen besef de wegneming der zonden en de voldoening, die in het bloed van Christus voor hem verworven is, kent, gevoelt en toepast, want dan zou hij veroordeeld zijn, omdat hij een leugen niet gelooft; want zodanige wegneming was nooit voor hem verworven. Hij is veroordeeld, niet, omdat hij het bewustzijn en de dadelijke kennis van zodanige vergiffenis mist, maar uit gemis van vertrouwen op Christus, als op Hem, die een genoegzame verzoening heeft teweeggebracht voor allen, die geloven, en zo is het rechtvaardigmakend geloof iets anders, dan het gevoel van de verworven vergeving der zonden.
Tegenwerping 3. Dan mag ik met evenveel vrijmoedigheid de wegneming van die zonden geloven welke ik begaan zal, en zo, stout zondigen, omdat ik overreed ben, dat zij niets kunnen vermogen, om mij voor eeuwig te verdoemen, als ik met vrijmoedigheid de wegneming geloven mag van zonden, die reeds begaan zijn.
Antw. Er is een vrijmoedigheid van het geloof en er is een zondige vrijmoedigheid. Ten opzichte van de vrijmoedigheid van het geloof heb ik de genoegzaamheid van dat onschatbaar rantsoen te geloven, dat het niet meer of minder, noch versterkt of verslapt kan worden, maar dat het oog der Gerechtigheid het beschouwt, en eveneens door God is aangenomen, als genoegzaam, om de eeuwige schuld van alle zonden weg te nemen, zowel de verleden en tegenwoordige, als ook de toekomende. Maar het zou een zondige vrijmoedigheid zijn, zonde te begaan, omdat Christus er voor betaald heeft. Dat is juist een beweegreden tot het tegenovergestelde, om niet onszelf te leven, maar Hem die voor ons gestorven is, omdat Christus onze zonden in zijn lichaam gedragen heeft op het hout (1 Petr. 2: 24; 1 Petr. 1: 18; Gal. 1: 4; Rom. 6: 1-4; 1 Petr. 4:1, 2). Want al ben ik overtuigd, dat ik voor de zonden, die ik begaan zal, geen eeuwige toorn te vrezen heb, omdat mijn geloof gelooft, dat ik daarvan bevrijd ben ten opzichte van alle zonden; toch .zijn er krachtiger beweegredenen om de zonde te schuwen dan vrees voor de, hel, namelijk de vrees om oneindige liefde en barmhartigheid te beledigen. Er is een overmogender en machtiger kracht in een bevatting van liefde om voor de zonde te bewaren (hetwelk zaligmakende genade is), dan in vrees voor de hel, die op zichzelf geen genade is. 2e. Vrees voor straf der zonde als zonde is dienstig om voor de zonde te bewaren, al is het geen vrees voor de eeuwige straf. De eeuwigheid der straf is op generlei wijze iets, dat wezenlijk tot de straf behoort. De vrijgeesten verwerpen uitdrukkelijk deze beweegreden, omdat zij geen zonde willen toestaan, als zonde in Gods gericht, gestraft in de gelovige. Zij wordt niet gestraft ter voldoening aan de gerechtigheid, maar daar volgt niet uit, dat zij niet strafbaar is als zonde.
Tegenwerping. Het is een loondienaar en huurlingen eigen, om de zonde te laten uit vrees voor slagen, of God te dienen, op hoop van beloning.
Antwoord. Om de zonde te laten uit vrees voor straf als het enige en grootste kwaad (terwijl het kwaad der zonde veel groter en dus ook meer te vrezen is) is het werk van een huurling. Wij leren dan ook, dat niemand om die vrees de zonde moet laten. 2e. Om God te dienen op hoop van de hemel, als een voor ons geschapen goed, mits afgescheiden van God zelf en de heiligheid, is aan huurlingen eigen, maar niet, om God eenvoudig om de hemel te dienen. Mozes deed het (Hebr. 11: 25, 26). Zo redeneert Christus ook als Hij zijn discipelen, opwekt om te lijden voor de gerechtigheid, zeggende: want uw loon is groot in de hemelen (Matth. 5: 12). Het is ook niet minder loondienst, wat de vrijgeesten leren, dat wij God moeten dienen om een dadelijk, reeds verworven loon, te weten, om bevrijding van de hel en een verworven verlossing, dan wat wij leren, dat wij God mogen dienen op hoop van een toekomend goed, indien het oogmerk in beide niet gestaald is met genade en vrij van zelfzucht.
Tegenwerping. Het Evangelie echter, naar de wet der liefde, niet de wet zelf, verbiedt de gelovige te zondigen; ook leren wij niet (zo zeggen zij), dat het Evangelie de zonde in haar bestaan opheft, maar slechts dit vruchtgevolg heeft, dat de zonde niet meer mijn zonde is, maar van Christus, en gezet op rekening van Hem, die om mijn overtredingen is verwond en min Borg is, en daarom is Zijn betaling mijn betaling, zo, dat wij geen consciëntie van zonde meer hebben.
Antwoord. Het is waar, het Evangelie zegt geen tegenstrijdigheden, maakt niet de zonde tot geen zonde en stelt niet het overspel van David voor, als ware dit niet een schending van het zevende gebod, inderdaad, het doet Petrus' verloochening van Christus niet op een wettelijke en gerechtelijke wijze een zonde van Petrus zijn, maar het zegt dat Petrus, waar hij in Christus gelooft, die de goddeloze rechtvaardigt, om die zonde niet zal veroordeeld worden, noch om enige andere zonde, en al zijn zonden met deze, op rekening van Christus gezet zijn. Maar de verloochening van Christus, in een andere betrekking, is de zonde van Petrus alleen, n.l. naar haar natuurlijke inwoning, daar ze voortsproot uit de begeerlijkheid van Petrus, en het lichaam der zonde, dat in hem woonde en in geen geval van Christus Jezus, en bovendien is ze tegen het uitdrukkelijk gebod van Christus, die Petrus beval zijn Heere en Meester te belijden. De Antinomianen echter en met name Dr. Crispe leren ons, dat niet slechts de schuld der zonde, maar de zonde zelf, wezenlijk en inklevend op Christus was gelegd, aangezien Christus niet slechts bij wijze van onderstelling of verbeelding als de zondaar werd aangemerkt, maar tot zonde werd gemaakt. En 2e. ten opzichte van deze bewering, dat niet slechts de schuld der zonde, maar de zonde zelf op Christus was gelegd, zegt Dr. Crispe: De schuld der zonde en de zonde zelf zijn een en hetzelfde. Toen de broeders van Jozef beschuldigd werden het land te verspieden, zeiden zij: voorwaar, wij zijn schuldig aan onze broeder, wiens benauwdheid der ziel wij zagen, toen hij ons om genade bad; maar wij hoorden niet" (Gen. 42: 21). Ruben geeft opheldering. "Heb ik het tot u niet gezegd, toen ik zei: zondigt niet aan deze jongeling, maar gij hoorde niet, en daarom ziet, wij zijn schuldig (vs. 22)! Wat is dat? Wij zondigden tegen de jongen. Derhalve, schuldig te zijn zonde te doen is een en hetzelfde, het zijn slechts twee woorden, die dezelfde zaak uitdrukken. Veronderstel: een misdadiger wordt gevraagd: schuldig of niet schuldig? Hij antwoordt: niet schuldig. Wat bedoelt hij daarmee? Hij bedoelt, dat hij niet de daad bedreven heeft, die hem ten laste is gelegd. Zo de rechtbank wordt gevraagd: is hij schuldig of niet schuldig, en de rechtbank zegt: hij is schuldig. Wat bedoelt ze daarmee? Bedoelen de rechters een of ander ten opzichte van de straf? Neen; de rechtbank heeft niets daarmee te maken, maar slechts met de werkelijkheid van het feit d.w.z. of de daad is bedreven, ja dan neen? Het was de grootste onrechtvaardigheid geweest Christus te straffen, zo de zonde niet op Hem was geweest. en Hij in de staat van beschuldiging volmaakt en volstrekt onschuldig was geweest. Het zou hetzelfde zijn, als wanneer een rechter een man zou laten ophangen, bij wie niet het minste bewijs van schuld werd gevonden. De mens is een geruïneerd schuldenaar - een bankroetier, en Christus is een Borg. God is tevreden met de borgtochtelijke verbintenis van Christus, en Hij ziet naar geen andere betaalmeester dan Christus. De is werkelijk op Christus overgebracht anders zou het niet waar zijn, dat de Heere op Hem de ongerechtigheid van ons allen heeft gelegd; ja door deze overdracht Jan de zonde, wordt Christus nu, of werd Hij, toen onze zonden op Hem gelegd werden, even wezenlijk en waarachtig de persoon, die al deze zonden had, als die mensen, die haar bedreven hebben, deze wezenlijk en waarlijk hadden. Zo is Christus zonde gemaakt, en wij zijn gemaakt rechtvaardigheid in Hem dit is geen inbeelding. Doch gelijk wij dadelijke en wezenlijke zondaars in Adam zijn, zo is hier een wezenlijke daad; God brengt werkelijk de zonde op Christus over, terwijl Hij toch dit vasthoudt, dat Christus geen zonde heeft gedaan, zodat ten aanzien van de daad, niet één zonde van de gelovige, van Christus is. Echter ten opzichte van de overdracht ten opzichte van de zonderekening die van het een hoofd op een ander overgaat, ten opzichte daarvan is het werkelijkheid, dat Christus tot zonde gemaakt is. Als een rechter meent, zulk een man is een kwaaddoener, en hij zal op die blote mening, dat hij een kwaaddoener is, deze man laten ophangen is er in zulk een handeling een greintje rechtvaardigheid? Zo God slechts wil veronderstellen, dat Christus de zonde op zich heeft, en weet, dat Hij haar niet heeft, maar anderen de zonden op zich hebben, en op die veronderstelling Christus zou vonnissen, hoe zoudt gij dit noemen?
Hij zal hun ongerechtigheden dragen (Jes. 53). Draagt iemand een zaak bij wijze van veronderstelling? Of, wanneer er spraak is van dragen, is daar niet werkelijk gewicht? Het Lam Gods neemt de zonde der wereld weg (Joh. 1: 29). Kan het in een verstandig mens opkomen, dat een zaak zou weggenomen zi n, en toch achtergebleven zijn? Dat is een lijnrechte tegenstrijdigheid. Wanneer iemand op een bepaalde plaats geld zal ontvangen en hij gaat met dit geld bij zich heen, is dan het geld nog op die plaats, waar hij het opstreek? Hoewel ik de Schrift zo nauwkeurig mogelijk heb onderzocht, zo heb ik bevonden, dat door heel de Schrift heen, niet één schriftuurplaats is, die spreekt van een toerekening van onze zonde aan Christus, maar toch spreekt de Heilige Geest van de zonde, die ons niet wordt toegerekend en van gerechtigheid, die ons wordt toegerekend.
Laat mij antwoorden, dat gij in dit alles zult vinden, de genade veranderd in ontuchtigheid. In al de leerredenen van deze man is niet één woord, dat opwekt tot de plichten van heiligmaking en heiligheid; er is in deze woorden en verscheidene andere passages van zijn twee kleine boekdelen preken, veel, om de heiligheid terneer te drukken en de wandel met God te hekelen. Ik zal daarom een weinig hierover zeggen en de waarheid kort in deze stellingen aantonen:
Stelling 1. De zonde der gelovigen is niet zo op rekening van Christus gezet, dat ze zou ophouden de zonde der gelovigen te zijn ten opzichte van haar natuurlijke en werkelijke inwoning. Het is waar, het is de zonde van Christus door wettoerekening en wettige verplichting om een voldoenende straf daarvoor te dragen, en alleen in dit opzicht op Christus gelegd. Toch is het zodanig de zonde van de gelovige, dat hij hierom moet treuren, dat Christus is doorstoken en gekruisigd om de schuld weg te nemen, en onder de verplichting lag, om de straf daarvoor te ondergaan; (Zacharia 12: 10) "en zij zullen Mij aanschouwen, Dien zij doorstoken hebben, en zij zullen over Hem rouwklagen, als met de rouwklacht over een enige zoon." Ja, het is zelfs als hij gelooft, dat zijn oorspronkelijke verdorvenheid is vergeven, zodanig de zonde van de gelovige, dat zij toch in hem woont en het volkomen wezen en karakter der zonde draagt, zodat, indien hij zou zeggen, dat hij geen zonde heeft, en niets in zich, dat in strijd is met de heilige wet van God, hij zich bedriegen zou, en de waarheid niet in hem zou zijn (1 Joh. 1: 8). Ja, laat hem zijn een Paulus, niet onder de wet, maar der wet gestorven (Rom. 7: 6), voor zoverre ze betreft de werkelijke verplichting tot de eeuwige dood, zo roept hij ten opzichte van het werkelijk zondebestaan en de bijzondere tegenstrijdigheid der zonde met de rechtvaardige wet van God, uit: want wij weten, dat de Wet geestelijk is, maar ik ben vleselijk, verkocht onder de zonde (vrs. 14). Nu ben ik het niet meer (vrs. 17) (de geheiligde ik, die vergeving heb ontvangen) die in Christus der wet gestorven ben (Rom. 8) bevrijd van de verdoemenis, die de zonde doe, maar de zonde, die in mij woont (Rom. 7: 6). Zo er geen zondig ik (bij wijze van spreken) en geen bedorven eigen in Paulus was, dat uitbreekt in zonde, en deze inwonende zonde even werkelijk in haar wezen en bestaan verwijderd en gans en al uit Paulus weggenomen was, als geld, dat werkelijk van enige plaats is weggenomen en zo min op die plaats aanwezig is, als had het er nooit gelegen - zeker - dan waren de gerechtvaardigde heiligen even rein, als zij, die daarboven voor de troon in het wit gekleed zijn. En als Paulus zegt: Ik ben het niet, die de zonde doe, maar de zonde, die in mij woont, bij zou zichzelf tegenspreken en zeggen: Ik doe de zonde niet meer, maar ik doe de zonde. Er zou in de gerechtvaardigden Paulus geen wet in zijn leden zijn, die strijdt tegen de wet Zijns gemoeds - geen lichaam des doods, dat hem gevangen neemt onder de wet der zonde (vrs 23), er zou geen vlees zijn, dat tegen de geest begeert, waardoor de wedergeborene verhinderd wordt, om het goede, dat hij wil, te doen, gelijk Paulus zegt (Gal. 5: 17). Er zouden dan ook geen leden, die op aarde zijn, moeten gekruisigd worden, zoals we lezen (Kol. 3: 5;), de oude mens zou dan niet behoeven te worden afgelegd noch de verdorvenheid en kwade begeerlijkheid te worden gedood (waartoe we geroepen worden vlgs Efeze 4: 22 en 23); geen vleselijke begeerlijkheden, welke krijgvoeren tegen de ziel (1 Petr. 2: 11), geen last, geen zonde, die ons licht omringt, behoeven door de wedergeborenen en gerechtvaardigden te worden afgelegd, waar zij met lijdzaamheid moeten lopen de loopbaan, die hun voorgesteld is- hoe gans en al in strijd met de Geest van God, die het tegendeel zegt in Hebreeën 12: 1 en 2. ja, er zal geen oorspronkelijke zonde in de gerechtvaardigden mens overblijven, die de naam van zonde kan dragen, er zal niets in hem zijn, dat tegen de geest begeert, niets, dat moet gedood, gekruisigd, weerstand geboden worden; niets, dat bij wijze van een veld of akkergrond door de Geest in de weg van het geloof wordt bearbeid; niets, om te brengen tot verootmoediging en te leiden tot vernedering: de zondaar kan naar de hemel gaan, en is niets aan Christus verschuldigd wegens hulp tegen de inwonende zonde, want die geest is dermate weggenomen, als geld, dat op een plek lag, en waarvan elke stuiver werkelijk naar elders is verwijderd. ja, het is een pure tegenstrijdigheid, zo (zeggen de Antinomianen) een gerechtvaardigde ziel te zijn, en toch nog zonde te hebben, die in de ziel woont.
Stelling 2. De zondeschuld en de zonde zelf zijn niet een en dezelfde zaak, maar zaken, die veel van elkaar verschillen. Op dat ik het punt in kwestie mag bewijzen is het nodig, die woorden wel te overwegen. Er zijn twee dingen in de zonde wel op te merken. 1. De smet, de besmetting en de zwartheid der zonde, waardoor naar mijn begrip niets anders verstaan moet worden dan de afwezigheid en beroving van die zedelijke rechtheid, het gemis van die reinheid, onnozelheid en gerechtigheid, die naar de eis van de heilige en reine wet des Heeren, in de handelingen, neigingen en vermogens van de ziel van een redelijk schepsel moeten aanwezig zijn 2. De zondeschuld, is iets, dat uit deze smet en zwartheid der zonde voortvloeit, en waardoor de mens aan de eeuwige straf onderhevig en onderworpen is. Dit is de schuld der zonde, de wettelijke verplichting, om lijdelijk voor de zonde te voldoen: evenals er twee zaken zijn in het begrip "schuld, zo zijn die twee ook in het begrip "zonde". Immers als iemand geld leent en tiet kwistig en spilziek verteert, dan pleegt hij daardoor onrechtvaardigheid jegens zijn broeder met betrekking tot het goed, dat dien naaste toebehoort, en hierin is een overtreding van het achtste gebod. Deze overtreding brengt met betrekking tot het staatsrecht, de overheid en de wet des lands, deze verkwister in een andere verhouding, n.l. die van een werkelijke schuldenaar, weshalve het rechtvaardig is, dat hij, of het geld betaalt of voor die onrechtvaardige wijze van doen straf krijgt en voldoening geeft aan het vijfde gebod d. w. z. dat hij voldoet aan de wet en de overheid, de landsvader, de beschermer van een verongelijkte en verdrukte broeder. Nu, hier zijn twee zaken in de schuld op te merken: 1e een onrechtvaardige zaak, een benadeling van onze broeder in zijn goederen, dit is een smet en een zaak, die bijzonder in strijd is met de gerechtigheid 2e. Een rechtvaardige zaak, een schuld, een rechtmatige schuld, waardoor het alleszins rechtvaardig is, dat de verkwister, of betaalt of straf ontvangt. Nu, deze twee zaken maken, gelijk alle tegenstrijdigheden doen, een getal uit, daar rechtvaardig en onrechtvaardig twee zaken zijn, zaken, die tegenover elkaar staan. Ik weet wel, dat er haarkloverijen en spitsvondigheden van schoolgeleerden zijn met betrekking tot de smet (macula) en de schuld (reatus) der zonde - maar dit is de naakte waarheid, die ik heb aangetoond. Er zijn sommigen die zetten, dat de smet der zonde die onreinheid der zonde is, welke door het bloed van de Heere Jezus is uitgewist, en deze niets anders is dan de werkelijke zondeschuld, die bij de rechtvaardigmaking geheel en al is weggenomen." Ik antwoord echter aanstonds: de smet der zonde heeft verschillende verhoudingen, en deze staan tegenover elkaar. Te weten 1. de smet der zonde in betrekking tot de heilige wet zoals zij een beroving is van de rechtheid en heiligheid, die de geestelijke wet eist, is nadrukkelijk de zonde, en niet de zondeschuld. In verband hiermee dient opgemerkt, dat, wijl niets de blindheid wegneemt, dan ziende ogen, of doofheid, dan horende oren, zo ook niets de zonde werkelijk wegneemt dan de volmaakte hebbelijkheid van voltooide heiligmaking. Daarom wordt de smet der zonde niet in de rechtvaardigmaking formeel weggenomen, maar alleen in de voltooide heiligmaking.
2. De smet der zonde met betrekking tot God, als de gekrenkte en beledigde Partij draagt het karakter van schuld, en als zodanig wordt zij afgewassen in de fontein, die voor het huis van David geopend is en uitdrukkelijk weggenomen in de rechtvaardigmaking; doch in dit geval wordt ze niet formeel beschouwd als zonde, maar met betrekking tot hetgeen in de zonde bijkomstig is namelijk de verplichting tot straf, welke van de zonde kan zijn weggenomen en het inderdaad ook is, daar het echte wezen en de natuur der zonde geheel en volkomen behouden blijft. In dit opzicht kan de zonde van onderscheiden zijden bezien worden. Aangezien de zonde in strijd is met de gerechtigheid en heiligheid der wet, is zij nadrukkelijk zonde en deze wezenlijke vorm der zonde, dit leven der zonde blijft in ons zolang wij leven, al is de zonde reeds stervende, of liever, een lijdensweg doorgaande om gekruisigd te worden, op weg naar haar graf en volkomen vernietiging; wat een voldongen feit zal zijn, als de heerlijkheid uit de stengel der genade zal spruiten en de heiligmaking zal voltooid zijn; immers genade is de knop, heerlijkheid de vrucht - genade de lente en de zomer - heerlijkheid de oogst. Aangezien de zonde een zwartheid is in strijd met de onschuld, die de wet eist, is zij daarenboven, omdat zij de ziel besmet en bezoedelt, een schandvlek, een vuil en wanstaltig ding, dat het schepsel verlaagt, zwart, misvormd, lelijk maakt, als de huid van de Moorman of de vlekken van een luipaard (Jer. 13: 23). 3. Daar de zonde een besmetting is, die het schepsel onrein, vuil, en strijdig met en hatelijk jegens God maakt, daarom is ze een vlek en een onrein ding voor God in tweeërlei weg. 1. Zoals zij strijdig is niet Gods heilige wet is zij uitdrukkelijk zonde, gelijk tevoren gezegd is. 2. Zoals zij God beledigt en onrecht doet, in Zijn eer en heerlijkheid van de hoogste autoriteit, om te bevelen wat rechtvaardig is en heilig, is zij een belediging en terging (Jes. 3: 8; Psalm 78: 17), een mishagen van God (1 Kor. 10: 5, 2 Sam. 40: 27), een bedroeven van Hem en Zijn Geest (Efeze 4: 30. Gen. 6: 6. Ps. 95: 10), een verzoeken van God (Ps. 78: 18. 95: 9. Hand. 15: 10), een vermoeien van de Heere en Hem dienstbaar maken (Jes. 43: 24, Jes. 7: 15), een belasten van de Heere (Jes. 1: 24), een drukken van de Heere, evenals een wagen, die gedrukt wordt onder een zware last van schoven (garven) (Amos 2: 13); zij wordt daarom met een eeuwige straf gestraft. Vandaar is er een tweeërlei schuld, een fundamentele, vermogende, de schuld der zonde als zonde; deze is geheel een met de zonde, daar zij is het wezen zelf, de ziel en het uitdrukkelijk bestaan der zonde, en deze schuld der zonde kunt gij niet van de zonde verwijderen, zodat de zonde zonde blijft; neem deze weg, en gij neemt de zonde zelf weg. Maar deze wordt weggenomen in de heiligmaking, zodra die volmaakt is, niet in de rechtvaardigmaking. Daar al de argumenten van Dr. Crispe, steeds hun kracht ontwikkelen om te bewijzen, dat de schuld der zonde, de oorspronkelijke schuld der zonde en de zonde zelf, op 't zelfde neerkomen, zo zullen we hem alles toegeven, zonder dat hij enige winst behaalt uit de bepleiting van zijn slechte zaak. Immers Jozefs broeders zeggen: voorwaar wij hebben gezondigd, of waren schuldig aan onze broeder. (Gen. 42: 21). Dit zegt niets anders dan: wij vergrepen ons aan onze broeder, hier is niet zozeer spraak van schuld, als van de zonde zelf. En als de boosdoener zegt, dat hij niet schuldig is, dan bedoelt hij de fundamentele schuld of de schuld der zonde, dat hij niet de misdaad, welke hem ten laste wordt gelegd, heeft bedreven. Doch er is een andere schuld in de zonde, namelijk de schuld of strafschuldigheid, de dadelijke schuld of dadelijke strafschuldigheid van de persoon, die gezondigd heeft; en deze schuld is een zaak, welke veel verschilt van de zonde zelf, deze kan worden en wordt ook van de zonde afgescheiden zonder het wezen der zonde te vernietigen, en wordt geheel weggenomen in de rechtvaardigmaking. Dat deze schuld onderscheiden is van de zonde, bewijs ik nu: 1. Omdat hetgeen onze gezegende Borg ten behoeve van ons op zich nam, zonder iets, dat wezenlijk in de zonde is, in zich op te nemen, (bijv. om een zondaar te zijn, gelijk wij, om onrecht te doen, rechtvaardig van zonde beschuldigd te worden,) onderscheiden is van de zonde; Christus nam echter de schuld van onze zonde op zich, dat is: de werkelijke verbintenis, om voor de zonde gestraft te worden, daar Hij onze zonden in zijn lichaam gedragen heeft op het hout (1 Petrus 2: 24). En Hij is om onze overtredingen verwond, om onze ongerechtigheden verwond, om onze ongerechtigheden is Hij verbrijzeld. de straf, die ons de vrede aanbrengt, was op Hem," en hij is gestorven om onze zonden. (Rom. 4: 25; 5: 6). En deze straf kon Christus niet hebben gedragen, wanneer Hij zich niet wettelijk als onze Borg had verbonden, om onze schulden te betalen, (Hebr. 10: 4-8 en 7: 22). Nu, dat Hij in zijn ganse leven en lijden geen geweld oefende, geen zonde bedreef, noch in het minste door de zonde in Zijn persoon besmet was, is duidelijk; Hij was toch heilig, onnozel onbevlekt en afgescheiden van de zondaren (Hebr. 7: 26, 4: 15, Jes. 53: 9). De stelling is onbetwist baar; want indien Christus zodanig zonde is gemaakt en gestraft voor de zonde en verplicht, om voor de zonde te lijden en toch niet enige, zondige of laakbare schuld op zich had; dan is die schuld van de persoon waardoor iemand verbonden is, om voor de zonde gestraft te worden, iets anders dan de zonde en de laakbare schuld, die in de zonde is, omdat zij werkelijk gescheiden zijn, de een was in Christus aanwezig, de andere niet, ja, die kon zelfs niet in Hem zijn.
2. De oorzaak kan niet een en hetzelfde zijn met het gevolg, noch het onderwerp en de grondslag één met het bijvoegsel en datgene, wat uit de grondslag voortkomt. De zonde is echter de oorzaak, grondslag en het onderwerp waaruit de schuld of werkelijke verbintenis tot straf voortvloeit, want daardoor is de zondaar onder een persoonlijke schuld en dadelijke verplichting tot straf, wijl hij heeft gezondigd, en onder de schuld van overtreding is. Gelijk hij daarom naar de wet en de gerechtigheid een schuldenaar is, schuldig, om het kwaad der straf te dragen, omdat hij volgens wet en gerechtigheid een zondaar is, die het kwade verdient, daar zijn doen met beide in strijd is, en zo door een zondeschuld een wet heeft overtreden (want alle kwaad der straf is een dochter, die in de baarmoeder ligt van het kwaad der zonde) en de schuld van het laatste kwaad der straf moet voortvloeien uit het eerste n.l. het kwaad der zonde, zo is het schuldig zijn of onder de verbintenis te liggen van eeuwige straf, een vrucht en uitvloeisel of gevolg van de fundamentele en innerlijke zondeschuld.
3. Een onrechtvaardige en zondige afwijking van de heilige wil van God, geopenbaard in Zijn wet, een afwijking die hatelijk is aan en strafbaar bij God, kan niet een en dezelfde zaak zijn met hetgeen rechtvaardig is en overeenkomend met de rechtvaardige en heilige wil van God; maar de zonde zelf in haar wezenlijk bestaan, is een afwijking van de heilige wil van God geopenbaard in Zijn wet, gelijk ook Johannes de zonde omschrijft als "een overtreding (Eng. Vert. v. 1 Joh. 3: 4) van de wet, welke hatelijk is aan en strafbaar bij de Heere. Maar de zondeschuld, waarvan wij thans spreken is niets dan het laakbare en de werkelijke verplichting tot de eeuwige straf, is geen onrechtvaardige zaak, geen overtreding van Gods wil geopenbaard in Zijn wet, integendeel het laakbare der zonde is een hoogst rechtvaardige zaak, en de werkelijke verplichting tot straf is zo rechtvaardig en heilig mogelijk en overeenkomstig Gods rechtvaardige wil; en de verplichting tot straf kan noch strafbaar, noch hatelijk zijn bij God, ja het is rechtvaardig bij God, dat de zondaar onder de wettige verplichting is, om de vruchten van de boom, die hij zelf geplant heeft, te eten, zijn tanden te hebben stomp gemaakt door de zure druiven, die hij zelf heeft gegeten.
4.. De man, die geld leent, en dit overdadig en kwistig doorbrengt, is daarin een overtreder van het achtste gebod; hij, maakt zich aan een daad van onrecht jegens zijn broeder schuldig. Deze daad van onrecht nu, kan niet uiterlijk of innerlijk de zonde of de zondige schuld zijn van de onschuldige borg. Geen wet van God of mensen kan de slechte en zondige daden, die lichamelijk, onafscheidelijk, innerlijk en werkelijk de onrechtvaardige bedrijven van de dader zijn, de uitdrukkelijke of innerlijke en fundamentele zondige schuld van een ander man maken, die aan dat bedrijf onschuldig is, en niet een lid, een hand of voet van de man in kwestie is, die dat kwaad bedreef. Hoewel Adams zonen wezenlijk in Adam hebben gezondigd, en door de hoogste wil van God een deel van Adam uitmaakten, is nochtans de borg nadrukkelijk een schuldenaar gemaakt en wettelijk verplicht de schuld te betalen. En, dat hij de schuld betaalt, is een daad der gerechtigheid, zijn belofte aan en schuldeiser maakt hem een schuldenaar, maar zijn belofte aan de schuldeiser laadt niet het ongerechtige bedrijf op hem van het kwistig uitgeven van de goederen zijns naasten, want daarin is hij onschuldig, en bij kan zedelijk niet beschuldigd worden als een schuldig en bankroet geslagen man; de vrucht en uitwerking der onrechtvaardigheid van de geruïneerde man ligt slechts ten opzichte van de belofte, die hij op zich nam.
Er zijn drie broeders uit dezelfde ouders geboren, Adam, Johannes en Thomas, Laat ons veronderstellen, dat de stedelijke of rijkswet van dien aard is, dat de ene broeder voor de andere mag sterven. Johannes vermoordt Thomas verraderlijk, trouweloos; naar de wet moet Johannes sterven De oudste broeder Adam, door liefde gedrongen, geeft zich voor hem in handen van de rechter, om in de plaats van zijn jongere broeder te sterven; in dit geval moet Adam naar de wet sterven, en hij wordt volgens de wet voor de moordenaar gehouden en gerekend; maar voorzeker, noch zedelijk noch innerlijk, want hem kan geen daad van verraad in werkelijkheid verweten worden, alsof hij trouweloos zijn broeder had doorstoken, want hij bedreef zulk een daad niet. Indien bij toeval schaamte met de overgave van zijn leven in het openbaar gepaard gaat, het is zedelijk geen smaad, geen wezenlijke smet voor hem; immers, dat Adam voor Johannes de moordenaar sterft, dit geschiedt met zijn eigen vrijwillige toestemming door een daad van buitengewone liefde; met betrekking tot de rechter is het een hoogst rechtvaardige daad, en slechts naar de wet volgens toerekening en wettelijk oordeel, is hij de moordenaar. Hij werkelijk een moordenaar? Maar, arme ziel! hij heeft er nooit aan gedacht, hij smeedde noch bedreef enig verraad of wreedheid tegen zijn broeder.
Stelling 3. Hieruit volgt deze stelling: Christus werd zonde gemaakt, of voor de zondaar gehouden en is voor ons, zondaren, gestorven. De tweede Adam de Eerstgeborene onder vele broederen heeft voor zijn jongere broederen geleden, en dat door vrije inwilliging, om onze Borg te zijn, en voor ons te sterven (Psalm 40: 6-8; Hebr. 10: 5-7. Joh. 10: 17 en 18; 14: 31. Matth. 26: 46; Mark 14: 42. Joh. 18: 7 en 8). Hij werd door wetrekening zonde voor ons gemaakt, om als de zondaar (Joh. 15: 13. 2 Kor. 5: 21) voor ons te sterven, en de Heere heeft ons aller ongerechtigheid op Hem doen aanlopen (Jes. 53: 6. 1 Petr. 2: 24 en 25). Doch ik acht het godslastering, wanneer men zegt: Door deze overdracht der zonden op Christus, wordt of werd Christus, toen onze zonden op Hem werden gelegd even wis en zeker de Persoon, die al deze zonden heeft gedaan, als zij, die deze zonden bedreven, wis en zeker die zonden op zich hadden geladen. Immers de uitverkoren gelovigen waren in Christus wezenlijk, uitdrukkelijk, in merg en been, echtbrekers, moordenaars, ongehoorzaam, menigerlei begeerlijkheden en wellusten dienende (Titus 3: 3); dood door de misdaden en de zonden; van nature kinderen des toorns (Efeze 2: 1); zij bedreven in hun eigen personen al deze daden der goddeloosheid, zodat de zonde hen uitdrukkelijk met de naam van zondaren stempelt, gelijk de witheid in de sneeuw, in de melk, in de muur, deze alle wit doet heten. Maar Christus is en was nooit wezenlijk, uitdrukkelijk, in hart en nieren de echtbreker, een ongehoorzaam persoon; ook is de zonde niet persoonlijk in Christus, zodat Hij even werkelijk en wezenlijk een zondaar zou mogen genoemd worden als David, Jesaja, Petrus, Paulus, voor wie Hij is gestorven, want Hij heeft nooit onrecht gedaan en er is geen bedrog in Zijn mond geweest (Jes. 53: 9). Daar was geen fundamentele schuld noch iets in Hem, dat kwaad verdiende. Hoe was Hij dan een zondaar of zonde voor ons gemaakt? Ik antwoord: door louter toerekening en wetrekening, en niet anders.
De vrijgeest zegt echter: Het zou de grootste onrechtvaardigheid ter wereld geweest zijn, Christus te straffen, als de zonde niet werkelijk op Hem was geweest. Indien Hij bij zijn beschuldiging volkomen en volstrekt onschuldig ware geweest, en slechts in de verbeelding en door een leugenachtige onderstelling, waarin alle werkelijkheid gemist werd, dan zou God Christus ter dood gebracht hebben, om die zonden, waarvan Hij wist, dat Christus vrij was; dit zou hetzelfde zijn, als wanneer de rechter een boosdoener zou laten ophangen, van wie hij in zijn geweten overtuigd was, dat hij vrij was van alle zonde en tegen wie hij niets kon vinden,
Mijn antwoord is echter, de toerekening der wet is een zaak zo werkelijk mogelijk, en geen inbeelding noch een of andere leugenachtige veronderstelling; evenals een man, die borg is voor zijn geruïneerde broeder, die de bezittingen van zijn schuldeiser heeft verkwist; zijn verplichting om voor zijn bankroetgeslagen vriend te betalen is op twee gronden werkelijk en hoogst rechtvaardig, 1ste dat hij zowel door schrift als zegel er voor instond en beloofde, dat, zo zijn vriend in gebreke bleef, hij zou betalen, 2de dat de schuldeiser hem aannam als een werkelijk schuldenaar naar de wet, en betaalmeester in dat geval; toch heeft de borg in zijn persoon nooit het geld ter leen gehad noch het kwistig doorgebracht, en hij heeft in zijn persoon noch bewustheid noch schuld van onrecht tegenover zijn broeder. Nu, ten opzichte van persoonlijke besmetting der zondeschuld was Christus volkomen en volstrekt onschuldig in zijn staat van beschuldiging, als Een, die nooit zonde heeft gedaan, ook kon Hij niet het wezenlijk onderwerp der zonde zijn, in Wie de smet innerlijk en werkelijk inklevend was. Doch met betrekking tot de bereidwilligheid van Christus, om met God een overeenkomst te maken en zijn woord en ziel te verpanden, daarin, dat Hij gewillig met Zijn hand een akte van borgstelling als onze Borg tekende (Psalm 40: 6 - 8. Hebr. 10: 3- 10) en de Heere Hem als Borg aannam en onze zonden op hem heeft gelegd Jes. 66: 6. 2 Kor. 5: 21; Ef. 3: 16, Rom. 5.), werd Hij zonde gemaakt, d.w.z. Hij werd een schuldenaar gemaakt en een wetbetaalmeester, wijl het zo naar zijn eigen en Zijns Vaders wil was vastgesteld. Zo handelde God niet onrechtvaardig, als Hij Christus strafte, noch was Christus naar de wet volstrekt onschuldig, maar misdadig en schuldig, dat wil zeggen ten aanzien van Zijn plaats en toestand naar de wet, was Hij door toerekening verbonden tot, en onderworpen aan een dadelijke genoegdoening en straflijden voor onze zonden; nochtans Hij was een zondaar, een schuldenaar door toerekening, een schuldenaar krachtens wet, plaats en ambt, en maakte zich dienstbaar, om een erfgenaam te zijn van onze zonden en de ellenden, die op de zonden volgden. Nu, Hij werd niet, in de verbeelding of in een valse en leugenachtige veronderstelling, zonde gemaakt; toerekening is niet een leugen, maar zóó waarachtig en zeker een wezenlijke wetdaad, als dat Juda zich voor Benjamin als borg aanbood, en naar de wet en werkelijk Jozef tot slaaf werd; hij kon daarom als een werkelijke slaaf behandeld worden,. daar hij zich in de plaats van Benjamin borg had gesteld. De borg is voorts door de woorden uit zijn eigen mond en door zijn verbond en belofte als een echt en werkelijk schuldenaar aan de wet, waarachtig en wezenlijk gebonden, gelijk een hert werkelijk in de hand van de jager en een vogel in het net van de vogelvanger is. wanneer hij eenmaal gevangen en in zijn handen is (Spreuk 6: 1 - 5), Hij is niet een schijnbaar schuldenaar, hij wordt niet verondersteld te zijn, wat hij inderdaad niet is, krachtens de wet van God en de wet der natuur en alle wetten.
Iemands belofte brengt hem binnen de wetomtrek van een werkelijke schuldenaar. Zo was Christus onder borgstelling en borgtochtelijke verplichting door Zijn eigen daad, het Woord Zijner belofte en krachtens Verbond, Gij hebt mij een lichaam toebereid, Ik heb de schulden en zonden van Mijn arme broeders op Mij genomen; eis van Mij, Heere! als de "enige Betaalmeester". Zie, hier ben Ik, om Uw wil te doen. (Ps. 40: 6-8; Hebr. 10: 4-8; Joh. 10: 18).
Nu, er zijn slechts deze twee zaken in de zonde: 1. De daad, die tegen de Wet van God is begaan, 2. de schuld en verplichting tot straf, die onloochenbaar is; en ofschoon Dr. Crispe ontkent, dat de zonde Christus werd toegerekend, hij kan het ten minste in de gehele Schrift niet zien of lezen, stemt hij toch de zaak zelf toe. Doch ik bewijs beide het een en het andere. Zo dan. 1. Dat Christus geen daad of handeling tegen de wet deed, en misdreef, waarvoor Hij innerlijk en door inkleving de zondaar zou zijn, is duidelijk; daar dat "Heilige," Jezus, Godmens zijnde, niet kon zondigen en nimmer enig onrecht of bedrog deed. (Jes. 53: 9; Hebr. 4: 15; 8: 26.) 2. De inklevende verdorvenheid en zondige smet der zonde, die op. de persoonlijke daad der zonde volgt, zoals ze eens gedaan en bedreven werd door David, Petrus en al de uitverkorenen Gods, kan niet door een wezenlijke overdracht - en een waarachtige en natuurlijke afleiding of wegneming van de ene werker en het ene onderwerp op een ander overgaan, omdat ander onderwerp te benoemen en daarin te wonen. Dezelfde hoeveelheid witheid, die er in melk aanwezig is, kan zich daaruit niet verwijderen en in een ander onderwerp intrek nemen en wonen. Geen wet ter wereld, geen verbond, geen denkbare overbrenging, kan dit bewerken, dat de wezenlijke goddeloosheid, die eens door David bedreven werd, werkelijk en zeker uit hem zou weggaan, en in de mens Christus zou gaan, in Hem intrek nemen, en Hem stempelen tot een goddeloos persoon. Het is een eeuwige tegenstrijdigheid, dat het verraderlijk vermoorden van de onschuldige Uria van uit David zou overgaan in de Zoon Davids, Jezus Christus, en Hem de naam zou geven van de moordenaar van Uria, zodat dezelfde moord kan gezegd worden door David alleen te zijn bedreven, en toch niet door David alleen, maar door de mens Christus. Het moet dan een leugen, een droom, een tastbare onwaarheid zijn, Jezus Christus wezenlijk te maken tot de zondaar en moordenaar.
Oordeel dan of deze leer uit God is, welke Dr. Crispe ronduit voor de wereld in druk heeft bevestigd. Preek 3 deel 2 blz. 84. God heeft Christus een overtreder gemaakt. Er was in de wereld niet zulk een overtreder als Christus was." Blz. 88. Gij zult nooit gemoedsrust hebben ten opzichte van de zonde aleer u dit grondbeginsel hebt aanvaard, dat het de ongerechtigheid zelf is, welke de Heere op Christus heeft gelegd. Nu, als ik met de profeet zeg, het is de ongerechtigheid zelf, welke de Heere op Christus heeft gelegd, bedoel ik evenals de de profeet de misdaad of de overtreding zelf, en om het voluit te zeggen, dat dwalen en zwerven als schapen, dat dwalen zelf en zwerven en overtreden, is van U weggedaan, en is op Christus gelegd. Laat ik het duidelijker zeggen: Bent u een afgodendienaar geweest? Bent u een godslasteraar geweest? Bent u een verachter van Gods Woord geweest en hebt u Hem vertreden? Hebt u Zijn Naam en zijn instellingen ontheiligd? Bent u een moordenaar geweest, een echtbreker, een dief, een leugenaar, een dronkaard? Tel op, wat gij tegen uzelf kunt inbrengen; zo gij deel hebt aan de Heere Christus, worden al die overtredingen van u werkelijk de overtredingen van Christus, en zo houden ze op de uwe te zijn, en gij houdt op een overtreder te zijn van de tijd af, dat zij op Christus waren gelegd, tot het laatste uur van uw leven. Let er wel op, Christus Zelf is niet zo volkomen rechtvaardig, of wij zijn even rechtvaardig als Hij was, noch wij zijn zo volkomen zondig of Christus werd, zonde gemaakt zijnde, even volstrekt zondig als wij. ja, nog meer, wij zijn dezelfde gerechtigheid, die Christus bij de Vader had, want wij zijn rechtvaardigheid Gods gemaakt; Christus is diezelfde zondigheid voor God gemaakt, die wij waren.
Antwoord 1. Geen plaats in de Schrift noemt Christus, de dief, de moordenaar, de echtbreker, de afgodendienaar. Geve God godvruchtigen harten een afkeer van zulke godslasteringen. Hij mag in figuurlijke zin "zonde" genoemd worden, en van Hem wordt gezegd, "dat Hij zonde gemaakt is voor ons", maar dat is door blote toerekening, zoals u zoudt zeggen: de borg is de geruïneerde en losbandige verkwister. Ieder, die verstand heeft, weet, dat dit een figuurlijk en oneigenlijk spraakgebruik is, en daarmee bedoeld wordt, dat hij naar de wet gehouden is de schulden van de geruïneerde doorbrenger te betalen; en de wetschuld en de wetverplichting, die op de geruïneerde man lag, door zijn eigen belofte op hem is overgebracht. Maar geen mens, die goed bij zijn verstand is, kan zeggen dat de geruïneerde man even rechtvaardig is in de wezenlijken zin, even verstandig beheerder van zijn bezittingen, even vrij van alle wezenlijke misslag en zonde van onrechtvaardigheid en schending van het achtste Gebod, als de onschuldige borg. Geen nuchter verstand kan zeggen, dat de onrechtvaardigheid en de krenking door de geruïneerde man zijn broeder aangedaan, en begaan tegen het achtste Gebod: gij zult niet stelen wezenlijk niets anders zijn dan de wezenlijk rechtvaardige en werkelijke schuld, die de borg op zich heeft genomen, en dat de borg aan dezelfde werkelijke misslag en zonde vin verspilling, die de bankroetgeslagen man aankleeft, even schuldig is, als de bankroetier zelf. Even grote lastering is het, te zeggen: Christus is even schuldig, en even berispelijk in Zijn innerlijk wezen, en niet minder overtreder van het zesde en zevende Gebod door het doden van Uria en onteren van Bathseba, dan eens David was, voorts, dat David even vrij van de inklevende fundamentele schuld van deze zonden van eeuwigheid is als Christus zelf, (de libertijnen willen toch beslist onze zonden van eeuwigheid op Christus gelegd zien, en onze personen voor de tijden der eeuwen gerechtvaardigd.). 1. God heeft Christus zonde gemaakt, God heeft David niet gemaakt tot een moordenaar van Uria. Zo moest Christus in de een zin een zondaar zijn, David in een andere zin, de een door toerekening, de andere door werkelijke inkleving. 2. David was wezenlijk een overtreder der wet, Christus niet. 3. David werd gewassen in, en kreeg vergiffenis door het bloed van Christus, Christus niet. Zo is Davids gerechtigheid slechts geleend, en de gerechtigheid van Christus Zijn eigen.
2. Er is een wezenlijke gerechtigheid, die Christus met de Vader heeft, en deze kan noch aan mensen, noch aan engelen meegedeeld worden, zo min als God aan het schepsel enige andere van Zijn wezenlijke eigenschappen kan meedelen, zoals oneindige rechtvaardigheid, oneindige barmhartigheid, oneindige genade, heiligheid. goedheid, almacht, eeuwigheid, onmetelijkheid, Het is alleen de borgtochtelijke gerechtigheid van Christus-God, die de onze is gemaakt, en de bewering, dat wij zo volstrekt rechtvaardig zijn als Christus, is een godgeleerdheid, die niet aan de fontein der Heilige Schrift is ontleend, maar een droom van menselijke oorsprong: want de geruïneerde schuldenaar is nooit zo rechtvaardig als de borg, behalve in dit opzicht, hij is gelijk - maar niet gelijkmatig - hij is rechtvaardig als de borg, die de som voor hem heeft betaald, in zoverre de schuldeiser hem niet meer in rechten voor de som kan aanspreken dan hij dit naar de wet de borg kan doen, die haar volkomen betaald heeft. Zo zijn wij in Christus bevrijd van de schuld des eeuwige toorns, daarin, dat de Heere ons de zonde tot werkelijke veroordeling naar de wet evenmin ten laste kan leggen, als dat Hij Christus weer ter dood kan brengen of een nieuw rantsoen voor ons geven.
Dit is echter slechts vormelijk een gerechtigheid, ten opzichte van de bevrijding der zondestraf. Maar gelijk ik heb gezegd, de borg is in meerdere mate rechtvaardig, (wat eenvoudig is), 1e Aangezien de borg nooit zijn belofte jegens de schuldeiser heeft gebroken, de geruïneerde schuldenaar heeft dat wel gedaan. 2e. De borg heeft de schuldeiser nimmer benadeeld door onrecht te doen aan het achtste gebod, maar de geruïneerde man heeft daarin overtreden. Ik zou echter willen verklaard zien, welke waarheid de volgende teksten behelzen: Wie kan zeggen: Ik heb mijn hart gezuiverd, ik ben rein van mijn zonde? (Spreuk 20: 9). Wie zal een reine geven uit de onreine? niet één (Job 14: 4) Voorwaar, er is geen mens rechtvaardig op aarde, die goed doet en niet zondigt (Pred. 7: 20). Indien wij zeggen, dat wij geen zonden hebben, zo verleiden wij onszelf en de waarheid is in ons niet (1 Joh. 1: 8). Indien wij even volkomen rechtvaardig zijn als Christus, en indien, gelijk Crispe leraart, alle afgoderij, diefstallen, moorden, door verlosten bedreven, werkelijk de overtredingen van Christus worden, en daarmee ophouden de overtredingen van de zondaars te zijn, van de tijd af, dat ze op Christus werden gelegd tot op het uur van hun dood, kan hij dan ook het tijdstip bepalen, wanneer de godslasteringen van de vervolgzieken Saulus en zijn bloedige mishandelingen de heiligen aangedaan, op Christus werden gelegd? Ik begrijp wel, dat hij zal zeggen, van eeuwigheid werden ze op Christus gelegd, eer hij geloofde; voorzeker, dan was dit een onwaarheid "Saulus de Gemeente", zelfs toen hij bezig was de Gemeente te verwoesten en voordat hij geloofde; want zo Saulus in zijn vervolgen en alle onbekeerde uitverkorenen, zolang ze nog ongehoorzaam en ziedende zijn in hun lusten, gedurende hun gehele leven even rechtvaardig zijn als Christus, dan is het de grootste leugen, dat zij ooit dood waren in zonden of soms ongehoorzaam. Indien nu al gezegd wordt: de uitverkorenen in zichzelf en in hun natuur beschouwd, zijn zondaren, maar beschouwd als mensen in Christus zijn ze even rechtvaardig als Christus, het baat niet, want wij moeten van geen beschouwingen, die geen werkelijkheid en waarheid in zich bevatten, doornen of ons die inbeelden; immers naar de leer van de Antinomianen., ben ik overtuigd, dat allen, die nu, sinds onze Heere stierf, geboren zijn, nu of nimmer werkelijke en echte voorwerpen van deze beschouwing kunnen zijn, daar zij toch van die tijd, dat hun zonden op Christus werden gelegd tot het laatste levensuur, even rechtvaardig als Christus zijn, en daarom ook gewassen en gerechtvaardigd. Nu, hun zonden werden op Christus gelegd (gelijk de libertijnen zeggen) van eeuwigheid: volgens anderen van de dag af, dat Hij aan het kruis is gestorven.
En, zonden weggenomen door het bloed van Christus, zegt Dr. Crispe, zijn niet langer de zonden der heiligen; Christus nam ze weg en droeg hun gewicht en niet slechts de schuld, maar ook de misslag en de zonde zelf, en dat van eeuwigheid, en 1 niet bij wijze van veronderstelling of slechts door blote toerekening. Doch wanneer de Antinomianen belijden, dat Christus geen zonde bedreef, zodat ten opzichte van de daad, (de zondige daad tegen de wet Gods moet hier worden verstaan) niet één zonde van de gelovige, van Christus is, dan wordt hier slechts gezien op het wegnemen der schuld van het een hoofd en het overbrengen daarvan op een ander. Dit is de gehele waarheid, waarvoor we hier pleiten, omdat de daad (of iets, dat daaraan beantwoordt) bedreven tegen de geestelijke Wet Gods de zonde zelf is en wezenlijk zonde; indien deze nooit op Christus was, dan was de zonde zelf nooit op Christus. Nu, er is niets anders, dat in de zonde overblijft dan de schuld, de schuld of verdienste der zonde, die op Christus gelegd kan zijn; en de waarheid is, dat de Schrift onder het leggen van onze zonden op Christus niets anders verstaat, dan dat God Christus voor onze zonden straft. (Jes. 53: 4.) De oorzaak en uitdrukkelijke reden, waarom Christus onze krankheden op zich heeft genomen en onze smarten gedragen, is deze: Omdat de Heere van onze aller ongerechtigheid op Hem heeft doen aanlopen (vs. 6), een dergelijke verklaring vinden we in 1 Petrus 2, waar gezegd wordt dat Christus voor ons geleden heeft (vs. 21,) en een tegenwerping wordt weggenomen. (vs. 92.) Waarom moet Hij lijden? Heeft Hij zonde gedaan? De apostel antwoordt door toestemming van het voorafgaande en ontkenning van het gevolg: Die geen zonde gedaan heeft en er is geen bedrog in Zijn mond gevonden". Maar daaruit volgt niet, dat Hij niet wettig en voor anderen de straf, die zij verdienen, moet lijden; want dit is de verklaring van zijn lijden. (vs. 24.) "Die zelf onze zonden in Zijn lichaam gedragen heeft op het hout." Nu, hoe heeft Christus onze zonden gedragen? Op het hout d.w.z. door lijden. En Paulus onderscheidt duidelijk tussen twee soorten van personen, die vervloekt zijn; 1e zondaren, die niet blijven in al hetgeen geschreven is .n het boek der Wet, omdat te doen (vs. 10), deze zijn innerlijk en in hun persoon vervloekt, daar zij in hun persoon zondaren zijn, en daarom de wezenlijke voorwerpen van goddelijke haat, en een vloek, en afschuwelijk voor God.
Voorzeker, doch Christus was ook vervloekt, maar hoe? Niet innerlijk. Nooit wordt van God gezegd, dat Hij Zijn Zoon Christus haat, noch een afkeer van Hem heeft, gelijk dat het geval is met de zonde, welke persoonlijk zetelt in de mens, die de zonde in zijn eigen persoon doet; daarom is de verlating door de Heere van Christus Zijn Zoon niet een wezenlijke verachting of zedelijke verafschuwing van Christus, maar een uiterlijke, straffende rechterlijke inhouding van de lichtglans en de lichtstralen (zoals Cyrillus zegt), of de overdekking van Zijn gunst met een donkere wolk in het troostrijk schijnen op de ziel van Zijn eigen Zoon. En dat Christus vervloekt werd, wordt niet gezegd, maar slechts: Hij is een vloek geworden voor ons (vs. 13) waardoor wordt uitgedrukt, dat de vrucht en uitwerking van Gods vloek, de straf, die zondaren toekwam, ja die voldoenende en rechterlijke vloek en straf, welke de oneindige gerechtigheid vordert, op Christus werd gelegd, toen Hij aan het kruis stierf en de gevolgen van Gods toorn in Zijn ziel voor onze zonden droeg. Zo moet Hij slechts de zondaar zijn door toerekening, al leren de Antinomianen ons, hoe een persoon, die zonde gemaakt is of zondaar gerekend, noch een zondaar is door een inklevend en persoonlijk bedrijven der zonde, noch door wettelijke toerekening. Waarlijk, het is een godgeleerdheid van slecht allooi, die Dr. Crispe doet zeggen: zo zeker wij dadelijke en werkelijke zondaren zijn in Adam, zo zeker brengt God hier de zonde werkelijk over op Christus. Immers wij hebben innerlijk in Adam gezondigd, een deel van hem uitmakende, als zijn leden, als besloten in zijn lendenen, en daarom zijn wij van nature "kinderen des toorns"; maar het is godslastering, wanneer we zeggen, dat onze gezegende Zaligmaker innerlijk in ons zondigde als een deel of lid van de verlosten, of dat Hij is een Zoon van Gods toorn, om deze reden, dat de zonde zowel innerlijk in Hem als in ons woonde.
Vervolgens, het dragen van onze ongerechtigheden door Christus is een duidelijk Hebraïsme, en betekent hetzelfde, als het dragen, niet van de innerlijke en fundamentele schuld der zonde, maar van de uiterlijke schuld en straf der zonde. Dit blijkt uit Exod. 28: 38. een hoed zal zijn op het voorhoofd van Aäron, opdat Aäron draag de ongerechtigheid der heilige dingen." Hebr. (venasa) betekent "dragen of gelijk de zeventigen (Septuaginta) het overzetten "exairei". Aäron zal wegnemen of dragen de straf van de ontheiliging der heilige dingen. Mozes zei tot de zonen Aärons: "God heeft u het zondoffer gegeven, opdat gij de ongerechtigheid der vergadering zoudt dragen. (Lev. 10: 17.) Aäron en zijn zonen droegen de zonden van het volk als typen van Christus, niet door een innerlijke schuld, die op hen gelegd werd, maar door toerekening: "Alzo zal die bok op zich al hun gerechtigheden in een afgezonderd land wegdragen. (Lev. 6: 22.) De priester bad, dat de zonden, dat is de straf van de zonden van het volk op de bok mochten gelegd worden. "Aäron en zijn zonen zullen dragen de ongerechtigheid des heiligdoms (Num. 18: 1) d.w.z. de straf van hun ongerechtigheid, waarmee zij werden gestraft, zo iemand van het heiligdom de heilige dingen Gods bezoedelde - "de getuige die ziet en hoort een stem des vloeks en het niet te kennen geeft, zal zijn ongerechtigheid dragen (Lev. 5: l), d.i. zegt Vatablus en alle uitleggers de straf van zijn ongerechtigheid. Toch zegt u: Waarom? Draagt de zoon niet de ongerechtigheid des vaders? (Ezech. 18: 19.) "De ziel, die zondigt, die zal sterven: de zoon zal niet dragen de ongerechtigheid des vaders" (vs. 20). "Omdat gij Mij vergeten ... zo draagt gij ook uw schandelijkheid en uw hoererijen" (Ezech. 23: 35). In gelijke zin werd Christus éénmaal geofferd, om veler zonden weg te nemen. die zelf onze zonden in Zijn lichaam gedragen heeft op het hout" (1 Petr. 2: 24) "en Hij veler zonden gedragen heeft (Jes. 53: 12). Hij heeft een zware straf, de dood en de toorn van God voor de zonden van velen gedragen: de Heere heeft ons aller ongerechtigheid op Hem doen aanlopen" (vs. 6). Als dezelve geëist werd, toen werd Hij verdrukt, doch Hij deed Zijn mond niet open (vs. 7). Van Hem werd geëist betaling van het onrecht. Christus werd beboet, veroordeeld, om met een boete gestraft te worden, of ook Christus werd vervolgd als betaalmeester en borg voor ons, de Vader hield op Christus' verbintenis aan, dat Hij nu op de bepaalde dag de som zou neertellen, het grote rantsoengeld van zijn leven voor zondaren, die geruïneerde mensen waren. De gerechtigheid bracht een vordering tegen Jezus Christus in, een brede en grote rol, waarop al de zonden der uitverkorenen geschreven waren, en Christus opende zijn mond niet maar was stom als een lam, dat naar de slachtbank geleid wordt, en zijn zwijgen hield zoveel in, "als Heere, Ik aanvaard ze, Ik stel Mij ter beschikking voor al de rekeningen, die deze droevige vordering bevat. Wilt uw schuldigheid niet erkennen, o zondaars in Christus, noch uw muiterijen, moorden, eden of welke zonde ook dragen, maar de Borg Christus werd aangesproken en uw gehele rekening van zonden van Hem gevorderd, en Hij beleed schuld en aanvaardde die geheel, en is met de overtreders, geteld geweest (vrs. 12). Hij was aangemerkt als, en geteld onder de moordenaars. Dit was blote toe rekening. Hij was gewis niet een goddeloos man. Overweeg voorts, hoe Hij wordt genoemd, "veracht en de onwaardigste onder de mensen" (vrs. 3). Christus was in zichzelf en innerlijk de heerlijkheid, de bloem, de Vorst der mensen, zelfs in Zijn diepste vernedering. Hij moest nu vernederd worden tot beneden de gehele mensenwereld, ten opzichte van de toerekening, en die degradatie van Christus, welke Hij als - straf aanvaardde.
Hij was in zichzelf de machtige God, de Vorst des vredes, ver boven mensen en engelen verheven, het Hoofd van het menselijk geslacht, de Schoonste onder de mensenkinderen, zelfs in Zijn diepste vernedering, doch ten opzichte van Zijn lage staat werd Hij gemaakt het uitvaagsel of het schuim of uitschót van alle mensen, alsof Hij geen gedoopt schepsel was.
Als onze godgeleerden zeggen, Christus nam onze plaats in, en zijn toestand is de onze; Christus werd gemaakt, wat wij zijn, en tot zondaar gemaakt, zo is dit slechts waarin een wettelijke zin; gelijk wij zeggen: de advocaat is de cliënt of de schuldige, omdat de advocaat de plaats van zijn naam en persoon inneemt en hetgeen de beschuldigde tot zijn eigen verdediging wettelijk voor de rechter kon inbrengen, de advocaat in zijn plaats zegt. De advocaat zegt: "ik kan om zulke redenen naar de wet niet voor deze misdaad sterven." Zo is de borg naar de wet of door een wettelijke plaatsbekleding, de geruïneerde man. De borg zegt: mijn is de schuld, alle noden, al de armoede, al de schulden en lasten van mijn geruïneerde vriend rusten op mij, en als de rijke borg alles betaald heeft, kan hij zeggen: Ik heb alles betaald, Ik ben vrij voor de wet. Mijn vriend en borg heeft alles in orde gemaakt, en alles voor mij betaald, en dat is even goed voor het gerechtshof, alsof ik in mijn eigen persoon alles had betaald. Dit is toch zeker, er zijn niet twee schulden en twee verbintenissen en twee sommen, noch twee schuldenaars, de geruïneerde man en zijn borg zijn voor de wet slechts één persoon, één partij waaraan de schuld is verbonden - wie van hen betaalt, is precies hetzelfde voor de wet en de gerechtigheid, het is maar één ronde som, die zij schuldig zijn. De gelovige in Christus is gesteld in de plaats, die Christus voor de wet innam en Christus is door de wet in zijn plaats gesteld. Christus, die Borg geworden is, zegt: ik ben de zondaar, o Gerechtigheid! al de noden van mijn geruïneerde vrienden, al hun schulden rusten op Mij: Mijn leven voor hun leven, Mijn ziel voor de zielen Van mijn broederen, Mijn heerlijkheid, Mijn hemel voor de heerlijkheid en de hemel van Mijn nabestaanden. De bloedige verbintenis der wet hield in, de vloek van God op de zondaar, op de schuldenaar: Christus ruilde met ons de verbintenissen en verplichtingen en deed onze naam uit en zette in de bloedige verbintenis Zijn eigen' Naam; en waar de Wet leest "de vloek Gods op de schuldenaar", daar is Christus gemachtigde in deze verbintenis en leest het Evangelie de vloek van God op de rijke Borg" (Gal. 3: 13).
Hoor toch de stoutmoedigheid van het geloof: "Zo is er dan nu geen verdoemenis voor degenen, die in Christus Jezus zijn. "Welke beschuldigingen de satan of het geweten tegen de gelovige kunnen inbrengen (want de gerechtigheid, die door Christus tot zwijgen gebracht is, brengt er geen in), hoor een antwoord: ik werd veroordeeld, ik werd gevonnist, ik werd gekruisigd voor de zonde, toen Mijn Borg Christus werd veroordeeld, gevonnist en gekruisigd voor mijn zonden, en wat zou een mens meer kunnen geven dan zin leven? Het was het leven van een mens en de ziel van een mens, mijn leven, dat mijn Borg aan God voor de zonde opofferde en ik heb alles betaald, omdat mijn Borg alles betaald heeft." Vast staat toch de waarheid, dat er geen twee schulden zijn, een die de gelovige aan de gerechtigheid Gods schuldig is, en een andere, die Christus heeft betaald; maar de schuld, die Christus betaalde, is onze eigen schuld en onze zonden, die Hij in Zijn eigen lichaam op het hout heeft gedragen. (1 Petr. 2: 24). Doch hoewel het waar is in een wettelijke zin, dat de Borg is de geruïneerde man, toch is het alleen waar ten opzichte van de straf der wet of het kwaad der straf, dat op hem is gelegd, want ik haal de woorden van Dr. Crispe uit zijn eigen pen: Veronderstel (zegt hij) een boosdoener wordt gevraagd: schuldig of niet schuldig? en zijn antwoord is: niet schuldig - wat bedoelt bij dan? Hij bedoelt, dat hij de daad, waarvan hij beschuldigd wordt, niet heeft bedreven. Zo staat dan, naar Dr. Crispe, het niet bedrijven van de zondige daad gelijk met - niet schuldig te zijn. Nu, ik houd staande, dat Jezus Christus nooit enige zondige daad heeft bedreven, gelijk hij ook belijdt, zo is dan Christus voor de zonde gestraft en toch was Hij nooit aan zonde schuldig. Dit moet de grootste onrechtvaardigheid in de wereld zijn; een mens te straffen om de zonde, hoewel hij gans en al vrij van de schuld der zonde is. Zolang de Antinomianen niet met ons een onderscheid maken tussen zondige schuld en strafschuld, zullen ze nooit van het dode punt komen.
Ofschoon het nu waar is, dat de schuldenaar en zijn borg, in rechte, beiden een en dezelfde wettelijke persoon zijn, toch zijn ze innerlijk niet dezelfde. De geruïneerde schuldenaar, als zodanig, kan een onrechtvaardig mens, en zijn borg een getrouw en rechtvaardig man zijn, zodat de borg slechts de straf, welke de schuldenaar om zijn onrechtvaardigheid verdiende, als een voldoenende borg wegneemt, maar hij neemt de onrechtvaardigheid zelf niet weg, of het moest zulk een borg zijn als Christus, die beide kan doen, de schuld betalen en zo het kwaad der straf wegnemen, en heiligheid instorten en heiligmaken en het kwaad der zonde wegnemen. Immers neemt Christus in de rechtvaardigmaking, formeel aangemerkt, alleen weg de straf des eeuwige vuurs, en de eeuwige verdoemenis, welke de zonde verdient. Doch Hij neemt de zonde zelf niet weg; de zonde zelf wordt weggenomen in de heiligmaking, en dan bij trappen De rechtvaardigmaking maakt de beet van de slang krachteloos, maar doodt de slang zelf niet; de slang wordt gedood door een andere daad der genade: door de ingestorte en voltooide heiligmaking. De rechtvaardigmaking is een gerechtelijke en wettelijke daad, en bevrijdt van de kracht der wet, welke de zondaar in een vloek wikkelt. Nu, de kracht of de wettige prikkel der zonde is de wet (1 Kor. 15: 56); daaruit kunnen we nu oordelen, hoe vals deze godgeleerdheid is, wanneer Dr. Crispe beweert: Gij zult (zegt hij,) nooit gemoedsrust hebben ten opzichte van de zonde, totdat u dit grondbeginsel in u hebt opgenomen, dat het niet slechts de schuld der ongerechtigheid maar de ongerechtigheid zelf is welke de Heere op Christus heeft gelegd". Nu is het waar, dat de kalmte en vrede van het geloof met God, uit de rechtvaardigmaking voortvloeit (Rom. 5: 1), ook even zeker, dat Christus de zonde heeft vergeven, en de strafschuld, de straf der eeuwige verdoemenis van de zonde heeft weggenomen; dat het geweten echter rustig zou zijn d.w.z. dat het zich niet zou bekommeren ook te geloven, dat Christus gans en al wil heiligmaken en, zijn goed werk in ons volbrengen, is geheel en al mis. Immers, al is een ziel gerechtvaardigd en bevrijd van de schuld der eeuwige straf, zodat de geest niet langer verschrikt en verontrust behoeft te zijn voor de eeuwige toorn en de hel, waarvoor men eigenlijk nooit als het grootste kwaad bang moest geweest zijn, aangezien de zonde als zonde meer gevreesd moet worden dan de hei als hel - toch zijn er twee andere zaken van onrust des gemoeds, zelfs in de heiligen, nadat zij gerechtvaardigd zijn en de schuld der eeuwige straf is weggenomen, en deze dingen zijn prijselijk en aanbevelenswaardig. 1e De gelovige moet een heilige bezorgdheid en zielsbekommering hebben (ik noem het niet een verontrust geweten), om zijn geloof te versterken, door te vertrouwen, dat Christus zal voleindigen, wat Hij heeft begonnen. 2e. Het moet hem een oorzaak van smart zijn, dat de zonde in hem woont, hij heeft te kermen wegens het gevoel van zijn jammerlijke staat, en te roepen als een gevangene, die in ketenen zit, zoals Paulus. (Rom. 7: 23 en 24).
De Antinomianen willen de gerechtvaardigde maar gerust van geest hebben, alsof Christus de zonde met wortel en tak, met knop en stronk had uitgeroeid, terwijl slechts de eeuwige straf en de vrees voor de eeuwige verdoemenis in de rechtvaardigmaking is weggenomen. Doch er is iets ergers, dat daarna in de zonde overblijft, wat meer te duchten is, en een meer wezenlijke en redelijke grond van zielsonrust is, en dat is de fundamentele, innerlijke, zondige schuld der zonde, die Christus nooit op zich heeft genomen, en niet in de rechtvaardigmaking, maar alleen in de trapsgewijze en volgende voltooiing der' heiligmaking wordt weggenomen. Zo mag ik dan, wanneer ik gerechtvaardigd ben, mij veilig achten, en een gezonden vrede en een ware gemoedsrust genieten, bevrijd als ik ben van de eeuwige toorn. Maar toch moet ik verontrust, bedroefd zijn, ja moet het mij smarten, dat zulk een gast als de zonde in mij huisvest en mij overal vergezelt, zoals een ongeveinsd en eerlijk schuldenaar zich verheugt en verblijdt over de goedheid en gunst van zijn genadige borg, die zijn schuld heeft betaald, en nooit in vrees is, dat de wet of de gerechtigheid hem zal vervolgen, arresteren en hem voor de schuld, die geheel en al door zijn borg is betaald, in de gevangenis zetten. Maar zo de borg hem de tegenverplichting stelde, hem liefde te bewijzen, smart en berouw te betonen over zijn onrechtvaardigheden en snood verkwisten van de goederen zijns naasten, waardoor zijn liefhebbende borg in de noodzakelijkheid gebracht werd zich te benadelen, ja een groot verlies leed dan is hij aan zijn borg liefde en bekomnering des gemoeds schuldig, in zoverre de schandvlek zijner verkwisting en de schande zijner losbandige jeugd zijn leven lang op hem rusten. Antinomianen zijn van gedachte, dat er geen bekommering van ziel, geen wroeging, geen kwelling des gemoeds behoort te zijn, behalve die, welke haar ontstaan en oorsprong ontleent aan zonden, die men niet vergeven acht, voorts aan de vrees voor eeuwige straf, die op deze zonden staat. Nu is het waar, dat zulk een verontruste en verslagene ziel, die eens gerechtvaardigd is, slechts het uitvloeisel en de vrucht van ongeloof is, en haar aanzijn krijgt uit het vlees, dat in zodanige droefheid de overhand heeft over de geest. Indien belijdenis van zonde echter ontspringt uit deze bron van knechtelijke en slaafse vrees, zo is ongetwijfeld dit niet een werk van het geloof; bovendien zal een voorwaardelijke vrees voor de eeuwige toorn, wanneer een David tot overspel en verraderlijken moord vervallen is, of een Petrus betrapt op de verloochening van Zijn Zaligmaker voor de mensen, zijn bekering niet vernieuwen; ook is door de volmaking van hun zaligheid en de volharding tot het einde voor al de gerechtvaardigden geloof in Christus een vereiste. Er wordt echter in al de gerechtvaardigden een ander berouw, een andere droefheid ten aanzien van God vereist - en wel deze, dat, hoewel zij niet met een wettische vrees n.l. in een wantrouwen van God en een bang zijn voor de eeuwige toorn, de verdoemenis hebben te vrezen, nochtans degene, die door Christus is vrijgekocht, al kan hij nooit de vrije genade vergelden of een genoegzaam rantsoen voor zulk een grote en rijke liefde betalen, onder een tegenverbintenis of een wederverplichting van liefdedienst en gehoorzaamheid ligt jegens Hem, die hem vrijkocht. En deze wet van liefde en dankbaarheid is niet, zoals de libertijnen en anderen menen, een stellige en eenvoudige bovennatuurlijke evangelische verplichting; immers, zowel de natuurwet als de volkerenwet vorderen beiden, dat de gevangene dankbaar zij jegens de man, die de losprijs betaalde. Ik stem toe, dat de bijzondere geboden stellig en bovennatuurlijk zijn; daarom is de gerechtvaardigde door deze tegenverbintenis en evangelische wederverplichting gehouden, om de zonde, die in hem woont, te belijden, daarover te klagen, te zuchten en bedroefd te zijn van geest over de zonde als zonde, die in zijn leden woont, strijd voert tegen de wet zijns gemoeds en hem in dienstbaarheid houdt; ja zijn leven lang nederig en teer te wandelen, daar de zonde gedurig blijft opborrelen, en alle middelen aan te wenden om Christus waardig te wandelen. Dit is ook in het algemeen de wet der natuur, waarvan Christus in geen enkel opzicht ons heeft ontslagen. (Matth. 7:12; 1 Cor. 2: 14; Efeze 5: 28 en 29).
Nu, wanneer iemand van een hoge top van een rots is gevallen en de dijbeenderen en een heeft gebroken, zal hij, al wordt hij genezen, zodat hij weer in staat is om buiten te wandelen, toch zijn gehele leven kreupel lopen; of ook, wanneer iemand, die van een zeer zware derdedaagse koorts hersteld is, van tijd tot tijd een kleine aanval van de ziekte terugkrijgt, zo twijfelt noch de kreupele noch de kranke aan de getrouwheid en liefde van de heelmeester en geneesheer, die hem inderdaad heeft genezen, voorzover hij gedurende dit leven voor genezing vatbaar is. Daaruit volgt, waar hij voorzichtig en met bedachtzaamheid behoort te wandelen, hij toch dankbaar heeft te zijn jegens hen, die zijn herstelling bewerkten, en tevens zo nu en dan droevig en bezwaard kan zijn, dat hij zijn lichaam door zijn eigen dwaasheid en roekeloosheid heeft geschaad. Zo leggen toch de zonden, welke met betrekking tot hun strafschuldigheid in de rechtvaardigmaking door onze vrijmachtige Heelmeester Christus vergeven zijn, een wet op ons, om in deze stellige geboden van gehoorzaamheid, liefde, droefenis, weekheid van het hart, onze Heelmeester Christus te dienen met een bezorgdheid, om niet meer te zondigen, al moeten we ons leven lang hinken en uitglijden.
Wij moeten echter niet in die zin bedroefd zijn, dat wij de werkelijkheid der vergevende genade in twijfel trekken.
Niet minder dan het evangelie der liefde, hetwelk de wet voor de gelovige vergeestelijkt, maar niet teniet doet, verbiedt ook de wet de zonde krachtens haar gebod van de hoogste trap van liefde, ja van liefde met de gehele ziel, en met al haar kracht (Matth. 22). Het evangelie voegt een nieuw argument van evangelieliefde bij dat der wet, n.l. dit: omdat Christus voor mij is gestorven, wil ik dezelfde wet, waaronder ik tevoren was, houden; alleen, nu vrees ik geen werkelijke veroordeling, welke ten opzichte van de wet maar toevallig is, want Christus en de engelen, die staande gebleven zijn, houden de wet als een regel des levens, doch kennen geen vrees voor werkelijke veroordeling. Ook maakt het evangelie Davids overspel als overtreding van het zevende gebod evenmin tot geen overtreding, als dat het der Israëlieten overtreding tegen het achtste gebod, door de Egyptenaren van hun oorringen en kostbaarheden te beroven, tot geen overtreding zou maken. De genade van Christus stelt de gelovige vrij van veroordeling; die veroordeling is bloot bijkomstig, ze gaat en komt zonder het wezen der wet te krenken, noch haar gebiedende en eeuwige zedelijk besturende macht. De wet zegt: doe dat en gij zult leven, daarop is geen uitzondering - het is de wil van de eeuwige God, gelijk God eeuwig is; in de hemel en voor eeuwig blijven wij aan dien wil gebonden (Openb. 22: 5). Maar dit - indien gij haar niet doet, zult gij sterven, heeft een grote uitzondering; Christus mijn Zoon zal voor u sterven en dit: "zo gij de wet niet houdt, bent gij veroordeeld," is voor de gelovige teniet gedaan. En wanneer gezegd wordt (Rom. VII), dat wij van onze eerste man vrij zijn, gelijk de vrouw door de wet vrij is van haar gestorven man, en zonder te zondigen met een ander kan uw, en wij niet onder de wet zijn, dan wordt het woord "wet" daar alleen genomen, zoals zij de zondaar gegeven is. De wet nu, zou wet geweest zijn, al ware de zonde er nooit geweest, ze is ook wet voor de uitverkoren engelen, die nooit gezondigd hebben, en dat is alleen de wet onder het begrip van die droevige bediening der eeuwige verdoemenis. De wet kon nooit wet geweest zijn, zo zij niet aan hen, die de wet doen, het eeuwige leven beloofd had. Maarzij is en moest ook voor de gelovigen in Jezus Christus en voor de uitverkoren' engelen wet geweest zijn; en toch veroordeelt zij hen niet werkelijk, en zij kan ook niet.
Dat het Evangelie echter overspel geen zonde acht voor gelovigen, is een Godslasterlijke bewering. Gelovige! bedrijf dan maar overspel, pleeg doodslag, hoereer, steel maar, dat zijn voor u toch geen zonden, maar Christus' zonden, niet de uw. 0 verander de genade Gods niet in ontuchtigheid! De gelovige heeft geen geweten van zonden, d.w.z. hij behoeft in zijn geweten niet voor de eeuwige verdoemenis te vrezen, dat is ten volle waar, want Christus heeft hem verlost van dien toekomende toorn. (Rom. 8: 1; Joh. 5: 24) Het geloof van een eeuwig leven door Jezus Christus kan niet samengaan met een vrees voor de eeuwige verdoemenis, immers dan zou een en dezelfde persoon gehouden zijn, met een wettisch en evangelisch geloof dingen te geloven, die vlak tegenover elkaar staan, en toch verplicht ons het een als het ander geloof tot geloven en toestemmen. Dat de gelovige echter geen geweten van zonde heeft, in dien zin, dat hij moet geloven, er is niets in mij, dat zonde is, dat is: een leugen te geloven. (1 Joh. 1: 8 en 9). Dat hij geen zonde moet belijden, over geen zonde moet bedroefd zijn in zijn geweten, over geen zonde moet treuren, dat hij niet vermoeid en belast moet zijn vanwege de zonde als een vergrijp tegen de liefde van Hem, die een rantsoen voor hem opbracht dit is een godslasterlijke ruimheid van geweten, ja van een consciëntie, die verhard is. Geliefden in de Heere het Evangelie verbiedt droefheid, vrees en gewetensangst in een gelovige, waar hij beducht is voor de eeuwige toorn; zulk iemand, die eens in oprechtheid in Christus als de Zaligmaker van zondaren geloofd heeft als zijn Zaligmaker, en nu het tegendeel gelooft, moet geloven, dat zijn Heere werkelijk veranderd is, vergeten heeft genadig te zijn, Zijn verbond, eed en belofte heeft geschonden en veranderd; dit zou zijn: God tot een leugenaar te maken. Het Evangelie verbiedt echter niet, maar gebiedt, dat de gerechtvaardigde mens over de zonde zal treuren; ja het beveelt zorgvuldigheid, teneinde de overtreder, omdat hij in Christus is, verantwoording zou verdragen, met begeerte, om tot Christus de toevlucht te nemen, ja het eist onlust, zichzelf niet te vergeven, vrees, om de liefde en de wet in Christus niet te beledigen, sterk verlangen, om de vrede bevestigd te hebben, een ijver voor God en een wraak over het krenken der ziel. (2 Kor. 7: 10 en 11). In die zin is het een lastering, wanneer men zegt, dat het Evangelie alle consciëntie van de zonde wegneemt. Gelovigen, die vernederd zijn over hun zonde, moeten alle wettische gedachten en vrees voor de eeuwige verdoemenis laten varen benevens al die gedachten, dat droefenis een boetedoening is en een voldoening aan de beledigde gerechtigheid, gelijk wij ook zo gereed zijn zulke bevattingen te maken van onze evangelische blijdschap en heiligste werken. Zij moeten echter smart hebben over beledigde liefde, of over het uitbreken van het lichaam der zonde in hetgeen ergernis geeft. Zo mag ik dan vrede met God hebben, verzekerd zijnde van de opheffing en bevrijding van de eeuwige toorn, en toch mag ik geen vrede hebben met mijn eigen geweten, 1ste wijl ik overtuigd mag zijn, dat God in Christus mij heeft vergeven - doch mijzelf mag ik niet vergeven. 2de. Ik behoor te geloven, dat ik in Christus van de eeuwige toorn verlost ben, en in Christus gerechtvaardigd; doch ik moet er over treuren, dat ik tegen de liefde van Christus heb gezondigd. 3de. Ik mag vrede hebben - een gevoel van vrede en vergiffenis in Christus, en toch moet ik onrustig zijn, bedroefd zijn en wenen, dat ik jegens zulk een beminnelijke Verlosser zo ondankbaar ben geweest. Zo prijst Christus de tranen dier vrouw als een teken van liefde en besef, dat haar vele zonden vergeven waren. "Water hebt gij niet tot Mijn voeten gegeven . . . . maar deze heeft Mijn voeten met tranen natgemaakt (Luk. 7: 44). Omdat haar vele zonden vergeven waren, (vrs. 47). Hieruit volgt, dat ik 1ste, de vergiffenis van die zonde waarover ik bedroefd ben, om de vergiffenis waarvan ik bid, en die ik belijd, mag geloven, Nathan zei tot David: de Heere heeft ook uw zonde weggenomen; toch beleed, treurde en bad de Geest van God daarna in David om vergiffenis. 2de. Wij mogen hen, die over de zonde treuren, vertroosten met de verzekering, dat zij vergeven zijn, en hen toch vermanen, vernederd en bedroefd van geest te zijn, hun zonde te belijden, die te betreuren en om vergiffenis te bidden. Daarom is het voortdurend vreugdebedrijf der Antinomianen na de rechtvaardigmaking, zonder voor het minst, smart, zelfverwijt en neerbuigingen over de zonde te gevoelen slechts vleselijke ontuchtigheid. Het is niet slechts geoorloofd, maar het past mij neergebogen van hart te zijn, geen vrede met mijzelf te hebben, en toch vrede met God te hebben, evenals de zee na een storm, als de winden zijn gaan liggen en het weer bedaard is, nog door de wind, die in haar ingewanden besloten is, vreselijk te keer gaat en ontzettend golft, en evenals na de bedaring van een hevige koorts het lichaamsgestel nog beroerden ontsteld is.
1. Hierdoor wordt ons een leiddraad aan de hand gedaan, om verschillende gewetensgevallen na de rechtvaardigmaking te verklaren. 1ste. Velen durven hun staat van rechtvaardigmaking niet in twijfel te trekken, en dientengevolge blijven zij gevrijwaard voor de stormen van een te duchten toorn, die opsteekt uit de schuld der zonde. Er is nog een andere storm in het hart der zee, die opsteekt uit de inwoning van het schuldig bestaan. De storm voor de rechtvaardigmaking is minder vrij, niet zo oprecht - meer slaafs, omdat die eeuwige toorn dan gezien wordt, zoals zij over de ziel hangt wegens onvergeven zonde; de storm echter, die niet oprijst wegens onvergeven zonde en derzelver straf, maar over de zonde als zonde, als inwonende; niet vanwege de strafschuld en de prikkel der hel in de zonde, maar over de zondige schuld en de verwonding van Christus, is vrijer; het is een vreedzame, genadige en hemelse storm. 2de. Het is onmogelijk, dat deze laatste storm in de ziel kan ervaren worden, eer de uitspraak der rechtvaardigmaking heeft plaats gevonden, gelijk niemand de innerlijke ontroering kan gevoelen, welke een zoon heeft over het ongenoegen van zijn vader, of hij moet eerst een zoon zijn.
2. Een ander geval is dit, dat velen een absolute, losse en slappe vrede hebben en een gerustheid, een groot vertrouwen, dat zij van de eeuwige toorn bevrijd zijn, en dientengevolge maar hun vergiffenis veronderstellen, terwijl blijkt, dat die vrede maar een onecht voorkomen heeft, en niet meer is dan een schildering en verguldsel, daarin hen geen storm is over de zonde als zonde en over de krachtige bewegingen der kokende lusten, zij hebben geen teerheid, om geestelijk te wandelen. De rechtvaardigmaking der Antinomianen, der oude Gnostieken, der natuurlijke mensen, berust op een geloof, dat de bodem en de ingewanden van het geweten, in zake het afwijken van zonde en de wandel met God, verteert: al onze belijders zijn genezen, geen enkele of weinigen zijn geheeld.
3. De volle verzekering, die Paulus ontvangt, dat Christus hem van de verdoemenis heeft verlost, ja een verzekering, zo volkomen en wezenlijk, dat zij zich uit in dankzegging en in een blijdschap over de overwinning in Christus (Rom. 7: 25, 8: 1 en 2), kan vergezeld gaan van, en gaat gepaard met klachten en uitroepen van een ellendigen toestand door de inwoning van het lichaam der zonde (Rom. 7: 14-16, 23, 24). Zo zijn dan de gerechtvaardigden, die gezond, niet ziek, en met geen smarten gekweld zijn, nog in hun zonden, en niet gerechtvaardigd, hoe ook Antinomianen het tegendeel beweren.
4. Het vlees in de gerechtvaardigde kan niet klagen over de inwonende zonde, maar het vlees, vermengd met enig leven van Christus, kan een vals alarm over onvergeven zonden verwekken, terwijl ze toch werkelijk vergeven zijn. Een verkeerde droefheid kan ontstaan uit, en heeft dikwijls haar oorsprong in een valse en ingebeelde grond, gelijk een geheiligde ziel God kan loven naar aanleiding van een leugenachtig bericht aangaande de overwinning der kerk, terwijl er niets van aan is. Een geheiligd kind kan geestelijk treuren over de veronderstelde dood van zijn vader, of dat hij zijn vader naar het vlees, beledigd heeft, terwijl zijn vader noch dood, noch in het minst beledigd is. Zo kunnen genadige genegenheden in hun karakter van genadig, geestelijk werkzaam zijn op veronderstelde en valse gronden, terwijl er geen reden voor is, bijv. dat de ziel haar hemelse Vader bedroefd heeft, en Zijn ongenoegen opgewekt is, terwijl dit in het geheel niet zo is.
5. De inwonende zonde is een groter kwaad dan het geduchte kwaad van tien hellen; daarom is er meer reden om over de zonde bedroefd te zijn, haar te belijden, onrustig van geest te zijn na de rechtvaardigmaking, dan daarvóór; immers de zonde, het enig voorwerp van vrees en zielsonrust, is een gast, die in de ziel inwoont, waarvan de ziel een veel wezenlijker en onderscheidener bevatting heeft als een geestelijk kwaad, nadat het licht van het geloof ons de zondigheid der zonde heeft getoond, dan ze ooit tevoren ons ontdekt was.
6. Ik betwijfel, of gerechtvaardigde zielen in hun klachten en vrezen om de inwonende zonde moeten worden weerlegd, mits zij niet de eeuwige toorn vrezen; deze vrees is toch in strijd met het geloof, en niet daarom zijn ze in vrees en niet hierover treuren zij,, dat God de eens gedane uitspraak heeft veranderd en de wind van zijn liefde heeft doen keren in een tegenwind, en vergeten heeft genadig te zijn.
7. Het geloof dringt ons om te geloven, dat genade tenslotte de zonde geheel zal ten onderbrengen. Evenals de schippers, zelfs wanneer wind, zeilen en getij samenwerken om de vaart te bevorderen, met de roeiriemen werken, om sneller te varen - zo zet het geloof, dat het hart reinigt, de ziel aan het werk om te voleindigen de heiligmaking in de vrees Gods, en gelooft ook, dat God beide, het willen en werken, zal werken.
Het is dus geen goede geneeskunde voor velen, die in hun consciëntie geoefend worden, bijzonder na hun eerste bekering, om alleen de honig en zoetheid van de vertroostingen van het evangelie toe te passen, alsof er generlei behoefte aan vernedering en droefheid over de zonde ware. Niettemin moet goed verstaan worden, dat 1e. droefheid over de zonde geen voldoening voor de zonde is, want de hoogmoed van verdienste is listig, en kan in o zo'n klein gaatje kruipen. Wij menen, er is geen berouw, waar geen tranen zijn, en God houdt met opzet tranen terug, wijl Hij weet, wanneer water uitvloeit - wind binnenkomt. 2e Zij moeten teer verbonden en vertroost worden, in wier binnenste de zonde in een hoge graad oprijst. O, met wat medelijden, en hoe nederig moest hierop gezien worden! Een hel van lichamelijke pijn is toch niets, het folterrad, de pijnbank, geseling, brandmerking, het breken der beenderen, is niets, maar een halve hel in de ziel is een gehele hel. De bovenhel, het graf scheen Hiskia te zullen verslinden, toen hij in de benedenhel als gedompeld lag, en bezet was met bevattingen van de toorn. O zoete Jezus, welk een genade, dat Gij alle hellen voor de gelovigen hebt verzwolgen en de zee der hel hebt stil gemaakt!
Gebruik 1e. Indien de zonden in de rechtvaardigmaking zijn uitgewist, geworpen in de diepten der zee, en zo weggenomen, alsof ze er nooit waren geweest, dan moet de staat der rechtvaardigmaking een toestand zijn van vaste gelukzaligheid. het meest gewenste leven in de wereld, juist zoals David de gelukzaligheid van de mens beschreef, wie God de rechtvaardigheid zonder werken toerekent. Zalig zijn zij, welker ongerechtigheden vergeven zijn, en welker zonden bedekt zijn, (Rom. 4: 6 en 7). Overweeg toch 1e. welk een daad van genade een vorst verricht, wanneer hij een veroordeelde misdadiger van onder de bijl, de pijnbank, het rad laat weghalen, en hem bevrijdt uit een toestand van urenlange foltering, voordat hij zijn ellendig leven eindigt. Of 2e. veronderstel eens, hij was veroordeeld, om langzaam gepijnigd te worden, terwijl zijn leven werd verlengd en opgeschort, zodat zijn beenderen, spieren, longen, gewrichten gedurende twintig of dertig jaar konden gepijnigd worden, elke dag zoveel van zijn vlees weggesneden, hier of daar een been gebroken, en dan weer het been door kunst genezen en het vlees hersteld, zodat hij gedurende een tijdperk van dertig jaren elke dag kon stervende zijn, en toch nooit sterven. Of 3e, Verbeeld u, dat in dit geval een mens onder de foltering in liet leven kon gehouden worden, vijfhonderd of duizend jaar, zonder slaap, gemak, voedsel, kleding, terwijl hij gedurende al die tijd in een grote ketel vol gesmolten lood kookte, en denk daar nu eens bij, dat de ziel in een lichaam kon wonen, dat gelegd was op de pijnbank en het rad, onder zweepslagen, schorpioenmartelingen, en door ijzeren gesel riemen getroffen, zodat hij bloedde, schreeuwde en op het punt was, om van pijn te sterven, en gedurende tienhonderd jaar zijn tong kauwde. Veronderstel nu, dat een machtig vorst deze mens door een daad van vrije genade van al deze pijn en marteling kon en wilde verlossen, en hem wilde schenken een leven van volmaakte welstand in tienhonderd paradijzen van vreugde, genoegen en werelds geluk, gedurende de duizend jaar, dag zonder nacht, gedurende al die tijd zomer zonder wolk, storm of winter; al de eerbewijzen, toejuichingen, liefde en bediening van een mensen- en engelenwereld, voorts, dat hij deze mens met de meest volmaakte geneugten, volkomenheden en deugden van geest en lichaam omgaf, hem tienduizend graden op de top van al denkbaar geluk verhief, boven Salomo op het toppunt van zijn koningschap, of Adam in zijn eerste onschuld, of engelen in hun hoogst verheven heerlijkheid en geluk. Ja, 4e. wij kunnen in onze verbeelding de genoemde ellende en pijn, benevens al dit geluk tot de lengte van tienduizend jaar uitbreiden, dit zou naar onze gedachte de hoogste daad van genade en liefde zijn, welke zonder wederga enig schepsel aan zijn medeschepsel kon betonen, En toch, dit alles zou maar een schaduw van genade zijn, vergeleken met de liefde en rijke genade van God in Christus, in de rechtvaardigmaking van een zondaar.
Merk op, dat wij door de rechtvaardigmaking van de schuld der zonde verlost zijn. Nu, dit is de eeuwige schuld der zonde, die, nadat de zonde bedreven is, overblijft, welke niemand dan Christus kan afwassen. Dat deze blijft, nadat de zonde geschied is, is behandeld. 2e. Dat zij eeuwig blijft. 3e. Dat zij een ellende is, waarvan wij slechts door rechtvaardigmaking worden bevrijd, wordt in de Schrift helder aangetoond. 1e Omdat de zonde een schuld is: nadat het geleende geld verspild en weg is, blijft er wat voor de wet en de gerechtigheid over, en dit is de schuld of verplichting om de schuldeiser te betalen. Zo spreekt toch de Schrift: Want, al wies gij u met salpeter, en nam u veel zeep, zo is toch uw ongerechtigheid voor mijn aangezicht getekend, spreekt de Heere Heere (Jer. 2: 22). Borith is een kruid, dat de vollers gebruiken om te wassen en te reinigen, doch de zonde is zulk een luipaardvlek, dat kunst noch nijverheid van het schepsel die kan wegnemen: de zonde van Juda is geschreven met een ijzeren griffie, met de punt eens diamants; gegraven in de tafel van hun hart, en aan de hoornen van Uw altaren" (Jer. 17: l). Er blijft een schrift, nadat de zonde bedreven is. 2e. Schrift, met een ijzeren griffie en diamant geschreven, om te blijven in der eeuwigheid. 3e. Niet slechts geschreven, maar gegraveerd en ingegrifd in het geweten. Nadat David de slip van Sauls mantel afgesneden had, sloeg hem zijn hart, zodat dit een gat of het merkteken van een snede (1 Sam. 24: 6) achterliet, zoals een brandend ijzer een schandvlek of brandmerk achterlaat, nadat het op het aangezicht van een boosdoener is gedrukt. Dat dit brandmerk eeuwig blijft - dit is het verschrikkelijke, gelijk de profeet bidt: de ongerechtigheid zijner vaderen worde gedacht bij de Heere, en de zonde zijner moeder worde niet uitgedelgd, dat zij gedurig voor de Heere zijn (Psalm 109: 14 en 15). Hoe vreselijk! De zonden der goddeloze mensen zullen in hun ware grootte in de hemel voor de gerechtigheid Gods staan, zolang God leeft, en dat is eeuwig en altoos. Zo heeft de Heere gezworen bij Jacobs heerlijkheid d.i. bij Zichzelf "zo Ik al hun werken in eeuwigheid zal vergeten (Amos 8: 7). Allen, zovelen als er voor Mij zijn gekomen, (allen, die niet door Mij, die de Deur en de Weg ben, zijn ingegaan), zijn dieven en moordenaars (Joh. 10: 8). De valse profeten, al waren velen dood, toch zijn zij, al zijn ze gestorven (zegt Christus) op de dag van heden, ten aanzien van hun schuld, dieven en moordenaars. Na zestienhonderd jaren, zijn de Joden heden schuldige moordenaars, al zijn hun vaders, die de Heere der heerlijkheid doodden, reeds lang gestorven. Op deze dag is Kaïn een moordenaar, Judas een verrader, en zij zullen het zijn, - zolang God leeft en God is. Nu, zonder de bloedstorting van Christus geschiedt er geen vergeving van zonden (Hebr. 9: 22). Het is een hoogst begeerlijk leven, van de eeuwige schuld verlost te zijn, en gerechtigd tot een eeuwig koninkrijk, waardoor de zondaar als de voor eeuwig aan de genade verbonden schuldenaar in de boeken van Christus staat opgeschreven. Jonge erfgenamen, leert uw geluk recht kennen! Zondaren, gij, die onder een eeuwige schuld ligt, gij lacht, vermaakt u, verheugt u, en gij bent vuurbranden des toorns. Gij zingt maar voort, en schudt, en rinkelt uw kluisters en boeien van zwarte en onvermengde wraak. Helaas! hoe kunt gij slapen? Hoe kunt gij lachen en zingen?
"Eten van de kruimkens."
De honden begeren slechts het minste, en (bij wijze van spreken) de afval van Christus. De geringste en slechtste dingen van Christus zijn boven alle dingen te begeren. Alles wat van Christus komt, is begeerlijk, slechts de slip van een Joodse man te grijpen (Zach. 8: 23), omdat Christus met hem is, is aangenaam; ja Zions gruis is een zaak, waaraan de knechten Gods een welgevallen hebben, (Psalm 102: 15). Het gruis en de stenen Zions staan niet op één lijn met de aarde; en de kluiten van het (zoals de papisten dwaas dromen) heilige graf, zijn ook slechts aarde, maar deze zijn begeerlijk, omdat de Heere Christus daar woont (n.l. in Zion). Het volk voerde hun oude harpen mee naar Babel, en Jozefs beenderen moesten uit Egypte naar Kanaän overgebracht worden. Waarom? Kanaän was het land van Christus, Zijn woonstede. Waarom? Omdat wij de grond, die de voeten van Christus betreden, moeten liefhebben. Dit mijn zeggen rust niet hierop, dat ik die grond voor heilige aarde houd - dat is Paaps bijgeloof - maar dat de voortreffelijkheid van Christus zo groot is, dat alles, wat maar de minste betrekking op Hem heeft, voor hem begeerlijk is. 2. een arme vrouw verlangde niet meer van Hem, dan de voeten van Christus te wassen en die te kussen." (Luk. 7). Een andere vrouw zei: indien ik alleen Zijn kleed aanraak, zo zal ik gezond worden." (Matth. 9: 21). Maria Magdalena verlangde slechts Zijn dood lichaam in haar armen te hebben, Zij zegt wenende tot de man, die zij voor de hovenier aanzag: Heere, zo gij Hem weggedragen hebt, zeg mij, waar gij Hem gelegd hebt, en ik zal Hem wegnemen." (Joh. 20: 15). Jozef van Arimathea vond het heerlijk Zijn bloedig lijkkleed en Zijn dood en doorboord en doorstoken lichaam in zijn armen te hebben. Het leem van Christus is zilver, en Zijn koper goud." 3. De scherpste verwijten van Christus zijn zoete olie; de wonden en groeven, die de zoete Middelaar in de ziel aanbrengt, wanneer Hij slaat met de roede Zijns monds, zijn zwanger van vertroostingen.
Hij bestrafte de slang niet, daar Hij niet verlossing voor de Satan bedoelde - maar Hij bestrafte Eva, daar Hij het beloofde zaad voor haar bestemde. O welk een zoetheid der liefde ademt die uitdrukking: "Sinds Ik tegen hem gesproken heb, denk Ik nog ernstig aan hem ... Ik zal Mij zijner zeker ontfermen, spreekt de Heere. (Jer. 31: 20). Zo is de berisping van Efraïm, welke "een spreken tegen hem" genoemd wordt, in barmhartigheid gedoopt. Mijn volk blijft hangen aan de af kering van Mij, dit is een scherpe bestraffing, die wel verdiend is. Doch Hij berispt zo, dat de banden met het volk er door worden aangehaald: "Hoe zou Ik u overgeven, o Efraïm! Mijn hart is in Mij omgekeerd." (Hos. 40: 7 en 8). Hier zijn kussen en liefde gewikkeld in de bestraffing. Zo ook in Jer. 3: 1: Gij nu hebt met vele boeleerders gehoereerd," doch merk op de genade, "keer nochtans weer tot Mij," spreekt de Heere. 4. Zijn zwart en bitter kruis is zoet, en door vertroosting als honig omgeven: Zijn dood lichaam is een bundeltje mirre (Hoogl. 1: 13), wier geur sterk en wel gekend is, en een kostelijke hars van zich geeft, verheuging in verdrukkingen." "Acht het voor grote vreugde, mijn broeders, wanneer gij in velerlei verzoekingen valt." (Jak. 1: 2). De arenden ruiken de hemel en Christus, in het kruis; ja de weigering en het slechtste van Christus' kruis, de schande en de versmaadheid van Christus, zijn zoeter en verkieslijker voor Mozes, dan de schatten, rijkdommen, ja, dan het koninkrijk van Egypte en zijn heerlijkheid. (Hebr. 40: 26 en 27) - Ja, de schaamte en blos op het schone gelaat van Christus tengevolge van Zijn lijden onder het kruis, zijn schoner dan robijnen en goud, en dragen de kleur van de hemel der hemelen. (Hebr. 12: 2). Nebukadnezar lijdt meer pijn en kwelling in het vervolgen, dan de drie jongelingen in het vervolgd worden. (Dan 3: 19). Er is pijn en grimmigheid in dadelijke vervolging: "hij was vol grimmigheid, en de gedaante zijns aangezichts veranderde," doch er is onuitsprekelijke en heerlijke vreugde in lijdelijke vervolging. Het geheiligd kruis van Christus druipt van honig; de duisternissen en droeve verlatingen van Christus, ofschoon zij de gelovige als de dood en de hel zijn, hebben toch veel van de hemel in zich. Bijv. Psalm 30: 8. "Toen Gij Uw aangezicht verbergde, werd ik verschrikt" (bedroefd Eng. vert.) (Niuhal); ik was bedroefd als een verwelkte bloem, die sap en kracht verliest; (evenzo Exod. 15: 15, "dan zullen de vorsten van Edom (Niahalu) verbaasd wezen), doch terzelfder tijd bad en riep David, en werd verhoord (vs. 9-11).
De lieflijkste gemeenschap, welke Christus van ons verlangt op aarde, is het gebed. (Hoogl. 2:14 en Hoogl. 5). Verlating is de dood zelf, en een dood voor de ziel. Ik deed mijn Liefste open, maar mijn Liefste was geweken, hij was doorgegaan." En hoe stond het toen met de Kerk? "Mijn ziel ging uit." De Arab. Vert. mijn ziel ging uit, ik stierf"; zo wordt naar dezelfde spreekwijze de dood beschreven (Gen. 35: 18). Rachels ziel ging uit, want zij stierf. Ook wanneer mensen door een plotselinge schrik worden bevangen, zegt men, dat het hart hun ontzinkt. Zo lezen we Gen. 42: 28: dat het hart van Jozefs broeders hun ontging, d. i. zij werden uitermate verschrikt, toen zij hun geld in hun zakken vonden. Een dergelijke toestand was die der Kerk, toen Christus van haar week; zij stierf van smart, de ziel verliet de ziel, omdat haar Heere en Beminde was heengegaan. Niettemin is zelfs die dood, die zielehel in het gemis van Christus een hemel; het was een zoete en aangename tijd; toen had zij in een zeer hemelse zin met Hem gemeenschap. 1ste. Zij vraagt naar Hem bij de wachters. 2de. Zij bezweert de dochteren van Jeruzalem, haar door gebed aan God te bevelen. 3de. Zij was toen krank van liefde tot Hem. 4de. Toen brak zij uit in die buitengewone liefdevervoering, door Hem in al Zijn deugden op hemelse wijze te prijzen. mijn Liefste is blank en rood; Hij draagt de banier boven tienduizend." Hieruit volgt dus, dat de hel waarin Christus de heiligen in hun verlatingen werpt, hun hemel is.
De geringste en laagste betrekking, die men op Christus heeft, is een eer. Johannes de Doper stelt er een eer in, de riemen Zijner schoenen te ontbinden, en hij acht zich de eer niet waardig, Zijn schoenen Hem na te dragen (Joh. 1: 27). David, een groot profeet, bestemd, om een koningskroon te dragen, slaakt de verzuchting: och, dat ik zo nabij de Heere mocht verkeren, om de plaats van een dorpelwachter in Zijn huis in te nemen (Ps. 84: 11). Hij achtte de mus en de zwaluw gelukkig, die hun nest bij het altaar des Heeren mogen maken. Zo zijn de brokjes en kruimeltjes, die Zijn honden eten, lekkernijen van de hemel, en het water van Christus, hemelse wijn. Nu, indien ietwat, de geringste zaak van Christus, het brokje, dat Zijn honden krijgen, begeerlijk is, hoe zoet moet Hijzelf dan zijn? Zo de korstjes van Zijn brood aangenaam zijn, wat moet dan het grote brood, Christus Zelf wel zijn? Christus Zelf is zulk een veroverend minnaar. Hij heeft een gelaat, dat duivelen in liefde zou ontsteken, indien zij genade hadden, om Zijn schoonheid te zien, Hij kon door de beminnelijkheid van Zijn voorkomen, dat blank en rood is, en liefelijk als de Libanon, alle harten in de hel gevangen nemen, indien zij ogen hadden, om Hem te aanschouwen. O! Hij is een ongekende Liefhebber, er is aan Hem een boord noch bodem, Zijn Evangelie is de onnaspeurlijke rijkdom van Christus. Zijn Evangelie is slechts een schepsel, hoe onnaspeurlijk moet Hijzelf dan niet zijn? De wijze geeft aan de allerwijste mensen op aarde, aan Salomo en wie ook inbegrepen, een raadsel op: Hoe is Zijn Naam? (Spreuk 30: 4). Wij kennen zelfs de Naam niet, ja niets. Wie zal Zijn leeftijd uitspreken? (Jes. 53: 8). 0, welk een barmhartigheid, dat Hij zondaren vergunning geeft, Hem lief te hebben! Of ons . zulk een geweldige eer bewijst, dat wij onze zwarte en bezoedelde liefde op zulk een beminnelijke en schonen Zaligmaker mogen zetten! Het is een wonder, dat zulk een oneindige en begeerlijke liefde als de liefde van Christus intrek zou nemen (om die uitdrukking te bezige) binnen de wanden van uw liefde en hart. Helaas, het is een enge cirkel, die niet in staat is, Hem en Zijn liefde, die de kennis te boven gaat (Efeze 3: 19) te bevatten, zij overschrijdt de enge bevatting van geschapen kennis, hetzij van mensen, hetzij van engelen, en gaat die ver te boven.
Genade te zoeken is begeerlijk; maar veronderstel, dat iemand niets ware dan een massa, samengesteld uit zuivere genade, en toch Christus Zelf miste, hij zou slechts een gebroken verminkt schepsel zijn. Denk u eens een ziel in de hemel, en laat haar door Christus gehaat zijn (als dat mogelijk was), de hemel zou de hel zijn. Verbeeld u, dat duivels met hun zwarte ketenen van duisternis een standplaats kregen zelfs in de hemel der hemelen, met het wee in hun ziel van door Christus gehaat te zijn, en zij konden Hem zien, Die op de. troon zit, en iets van de stralen en uitschittering der volheid Gods, welke in Christus is; toch zouden duivels nog duivels zijn, daar zij Christus, de hemel der engelen en verheerlijkte mensen, zouden missen. Welk een bloem, welk een roos van liefde en licht, moet Christus zijn, die de vier zijden van de hemel der hemelen en zijn heerlijkheid, Oost en West, Zuid en Noord, met geur, licht en schoonheid vervult.
Veronderstel, dat in het uur van ons laatst vaarwel aan de tijd, alle redeloze schepselen, de hemelen, sterren, licht, lucht, aarde, zee, het vasteland, vogels, vissen, beesten, vatbaar waren, om ons lief te hebben, en zij zouden in vereniging met mensen en engelen over ons de volheid, ja de zee van al hun liefde uitgieten (daar het iets zoets is, door velen bemind en begeerd te zijn), zo zou dit toch niets zijn in vergelijking van Hein, aan Wie alles begeerlijk, alles liefde is (Hoogl. 5: 16). Hij is een massa van liefde, en de liefde zelf, beminnelijk in de baarmoeder; de Oude van dagen werd voor mij jong; beminnelijk aan het kruis, zelfs toen Hij veracht werd en met de misdadigers gerekend; beminnelijk in het graf; beminnelijk aan de rechterhand Gods; beminnelijk in Zijn tweede verschijning in heerlijkheid; ja geheel begeerlijk, Zijn gestalte is blank en rood: Zijn hoofd is een gouden hoofd (Hoogl. 5: 10 en 11), Zijn hoogste waardigheid en regering zijn begeerlijk; Zijn haarlokken zijn gekruld en zwart; Zijn raadslagen diep, verscheiden, onnaspeurlijk; Zijn ogen zijn als die der duiven, kuis, zuiver, ze kunnen ook geen ongerechtigheid aanschouwen; Zijn wangen of de twee zijden van Zijn gelaat zijn als een beddeken van specerijen, als welriekende torentjes (zoet geurende bloemen, Eng. Vert.); Zijn gelaat mannelijk, bevallig als de Libanon; Zijn lippen zijn als leliën, druppende van vloeiende mirre; Zijn Evangelie is doorgeurd van de hemel; Zijn handen zijn onbevlekt, Zijn werken heilig, schoon als gouden ringen, gevuld met turkoois; Zijn buik (of borst en ingewanden) is als blinkend elpenbeen, overtogen met saffieren, d.w.z. Zijn borst en buik, die Zijn ingewanden, hart en genegenheden bevatten, zijn als elpenbeen, schitterend en heerlijk, en als elpenbeen overtogen, bedekt en versierd met saffieren, kostbare stenen van een zee- en hemelsblauwe kleur, daar Zijn ingewanden en innerlijke genegenheden vol liefde en tedere barmhartigheid zijn en het medelijden van Zijn hart ten zeerste hemels is; Zijn schenkels zijn als marmeren pilaren, gegrond op voeten van het dichtste goud; Zijn wegen en Zijn regering zijn als marmeren pilaren, recht, blank, zuiver en op goud gezet, hecht, vast, duurzaam, zodat Christus niet kan uitglijden of vallen; Zijn scepter is een scepter van rechtmatigheid, Zijn koninkrijk eeuwig, het kan niet bewogen worden; Zijn gestalte is als de berg Libanon; Zijn persoon voortreffelijk, bevallig. voornaam, verheven, groot, vruchtbaar als de cederen; Zijn mond buitengewoon liefelijk, Zijn woorden en getuigenissen als honig en honigzeem. Voorwaar, alle schepselen zijn zwak en Christus sterk; allen gering, Hij dierbaar; allen leeg, Hij vol; allen zwart, Hij schoon; allen dwaas en ijdel, Hij wijs en de eeuwige Raadgever, ondoorgrondelijk in Zijn raadslagen en wegen. De bijzondere evangelische zonde, waaraan wij schuldig zijn, is het ongeloof (Joh. 16: 9), en deze spruit voort uit onze geringschatting van Christus, en daarom moeten deze overwegingen getoetst worden aan onze schatting van Christus.
1. De wijsheid of dwaasheid eens mensen komt liet meest uit in het waarderingsvermogen, want dit stempelt iemand tot een wijze mens. Er zijn vele voorname rechters en geleerden, zoals de Chaldeeuwse tovenaars en wijsgeren, die kennis hebben van wonderlijke dingen, verborgenheden en derzelver oorzaken, en toch geen wijzen, maar dwazen zijn (Rom. 1: 21), ijdel in hun verbeeldingen, omdat er een groot gebrek is in hun waarderingsvermogen, in de keuze van een God (vs. 22 en 23), Het praktisch verstand is verblind, en zij verkiezen licht voor duisternis, kwaad voor goed, een schepsel in de plaats van hun God. Door het geloof heeft Mozes, nu groot geworden zijnde, geweigerd een zoon van Farao's dochter genoemd te worden - verkiezende liever met het volk van God kwalijk gehandeld te worden, dan voor een tijd de genieting der zonde te hebben (Hebr. 40: 24 en 25). En hoe kwam hij tot dit zijn geloof? En waaruit blijkt, dat hij niet een onervaren onwetende, een dwaas kind was, toen hij de keuze deed, maar een volslagen man, tot mannelijke leeftijd gekomen, en bovendien verstandig naar zijn leeftijd? Het bewijs is geleverd: daar zijn waarderingsvermogen goed was. "Achtende de versmaadheid van Christus meerdere rijkdom te zijn, dan de schatten van Egypte. De man, die een verstandige keuze doet, is een verstandig man, en om die reden wordt Ezau een onheilige genoemd (Hebr. 12: 16); hij had geen wijsheid, om onderscheid te maken tussen de voortreffelijkheid van het geboorterecht en een hapje moes. Een onheilige goddeloze heeft geen verstand, om God en Christus boven het schepsel te achten, maar verwart de een met het andere.
2. Onze waardering van Christus moet zijn: zuiver, kuis, geestelijk, en alzo zuiver zijn in haar uiting; d. w. z. de werkelijke reden, waarom wij Christus achten, moet zijn, omdat Hij Christus is, en niet om het genoegen en voordeel, dat Christus aanbrengt, neen, niet omdat Hij troost, maar omdat Hij God is, de Verlosser en Middelaar. Het is een kuise liefde en een eerbare achting, wanneer de vrouw haren man verkiest lief te hebben, omdat hij haar man is, evenals het oordeel het wit acht wit te zijn, wijl het die kleur vertoont. De werking van elk vermogen is zo zuiver en welwillend mogelijk, wanneer dit naar zijn voorwerp overeenkomstig zijn werkelijke grondoorzaak wordt gebracht, terwijl andere oogmerken buiten spel zijn; vreemde bedoelingen en bijoogmerken zijn meer hoerachtig, minder met deszelfs natuur overeenkomende, niet zo kuis; daar is enige was in onze honig, en hiervoor moeten we ons in acht nemen; het vermogen om te kiezen is een teer deel van de ziel.
3. Achting kweekt liefde, zelfs de liefde van Christus, en de liefde is een voornaam gunsteling, verkeert veel aan het hof, en is bestendig in van de koning gezelschap. Het getuigt van veel liefde, wanneer men bijzonder in het verborgen, laat en vroeg met Christus gemeenschap oefent, en veel tijd wijdt aan de omgang met Christus; want de liefde van Christus is van dezelfde uitgebreidheid en even groot als de genade, genade en liefde houden toch met elkaar gelijken tred.
4. Hij, die Christus behoorlijk waardeert, is een edele bieder, en evenzeer een edel royaal koper. Hij biedt hoger dan Ezau; wat is een kooksel, bij Christus vergeleken? Hij doet een hoger bod dan Judas; wat is zilver in vergelijking van Christus? Voorzeker, alle dingen, dat is de grootste rekening, die kan worden opgemaakt, want ze sluit in alle prijzen en alle sommen, daarin is de hemel begrepen, daar het tot het geschapene behoort. Nu dan, alle dingen, de uitgestrekte en ontzaglijke bol en kring der veelomvattende wereld en alle voortreffelijkheden, die ze in haar schoot of binnenste bergt; naties, alle naties; engelen, alle engelen, goud, alle goud; juwelen, alle juwelen, eer en genoegens, alle eer, alle genoegens, en daarbij al het alle, liggen voor Christus als vederen, drek, schaduwen, een niet. Het is een hoge trap van liefde, en een bewijs van de hoogste achting, om een zondaar te wassen; maar o welk een barmhartigheid, dat Christus Zijn kostbaar, zondeloos, koninklijk en vorstelijk bloed wil bezoedelen, door er zulk een walgelijk, vuil en wanstaltig schepsel als een zondaar is, in te dompelen! (Openb. 1: 5).
"Hondekens eten ook van de brokjes."
Wat personen en zaken in het huis van onze Vader betreft, zo zijn hier trappen, kinderen en honden, doch honden, die de Heere des huizes als de Zijn erkent. Hier is een verheven tafel en brood, en een toespijs of een nagerecht, en brokjes voor de honden. Hier bevinden zich personen van hoog aanzien, koningszonen, die in scharlaken gekleed met de koning aan de maaltijd zitten, wanneer zijn nardus zijn reuk geeft; en hier zijn enige onder de tafel, aan de voeten van Christus, die er op wachten, enkele droppelen uit de grote honigraat van rijke genade, die van Hem neervallen, te ontvangen. Volg Christus, en genade zal van Hem afdruppen; Zijn voetstappen druipen van vettigheid, voornamelijk in Zijn paleis. Daar zijn in het huis van onze Heeren kleine kinderen, zuigelingen, daar zijn ook ervaren oude vaders in (want genade heeft grijze haren vanwege de wijsheid, niet uit oorzaak van zwakheid); daar zijn ook sterke mensen (1 Joh. 2: 12-14). Christus was eens een kleine steen, maar Hij werd tot een groten berg, die de gehele aarde, ja, en de hemel daarbij vervulde; Christus is als een kind in zijn groei. In het benedenuitspansel van Christus zijn sterren van de eerste en tweede grootte, en in Zijn huis vaten van grote en kleine inhoud, bekers en flessen (Jes. 22: 24), die allen vastgehecht zijn aan de gouden nagel Jezus Christus. Allen zijn vruchtbaar, de planten ontwikkelen zich allen, maar de een is een mostaardzaadje, en een roos, die zich nog niet tot een bloem heeft ontplooid, en een ander is een grote boom. Bij de een is het morgenstond en slechts de schemering van de stralen der morgenster, en bij een ander staat de zon hoog, het is volkomen dag, dicht bij het volle middaglicht. De sterke vader Abraham, krachtig in het geloof, was eens een zuigeling aan de borsten, niet bij machte, om te kruipen, of te staan, of te wandelen. De liefde van Christus in haar eerste opkomst is een dauwdroppel, die uit de baarmoeder van de morgen te voorschijn kwam; de moeder bracht in één nacht een heirschaar en ontelbare miljoenen van zulke wichten voort, en bedekte daarmee het gelaat des aardrijks. Maar deze dauwdroppel wordt tot een zee, die boven de hel en het graf opzwelt (Hoogl. 8: 6 en 7); zij is meer dan al de vloeden en zeeën der aarde, en stroomt op tot de hemel der hemelen, en zowel op als ingaande moet zij op Christus gevestigd zijn. Al ziet u Christus niet, toch hebt u Hem lief (1 Petr. 1: 8). De liefde overstroomt Christus, doet geweld op Hem, en neemt Zijn hart. Zij is een sterke keten, die Christus bindt, wanneer graf, zonde, dood, duivels Hem niet konden binden (Hoogl. 4: 9 Hand. 2: 24).
3. De wijze waarop Christus bewind voert, is steeds toenemend, Zijn koninkrijk is niet een stilstaand, zittend of slapend koninkrijk, maar het gaat voort en spoed zich. "Uw koninkrijk kome." Een steeds groter wordend koninkrijk, een altijd toenemende vrede, der grootheid van deze heerschappij en des vredes zal geen einde zijn. (Jes. 9: 6). Wat de duurzaamheid aangaat, zelfs in de hemel zal Zijn koninkrijk nog aangroeien. In de hemel is geen gisteren en morgen en volgend jaar, maar daar is een negatief toenemen; heerlijkheid en vrede zullen bij voortduring stijgen, en nooit een toppunt bereiken, de zon zal nooit dalen; de lang dag van Christus' heerlijkheid en vrede zal nooit een einde hebben. Christus zegt zelfs nu: Vader, Ik moet al mijn kinderen bij Mij boven hebben, opdat, waar Ik ben, zij ook mogen zijn. En daarom trekt het Hoofd nu een vinger tot Zich, dan een teen, nu een arm, dan een been. Gedurende deze zestienhonderd jaren, van Zijn hemelvaart af, is Hij bezig geweest, om hele kerken, de heiligen te Korinthe, te Rome, te Filippi, door de dood naar boven te trekken. De zeven kandelaren en de zeven sterren van Azië zijn sinds vele eeuwen boven de Orion en het Zevengesternte verheven, en schijnen thans daarboven voor de troon. Deze geheiligde Overste Leidsman van onze zaligheid zal niet slapen, totdat het huis Zijns Vaders vol is, totdat al het talrijk nakroost en de geslachten der eerstgeborenen, met hun Vader daar boven onder één dak zijn. De hemel is een steeds groter wordend gezin, de Heere des huizes is vanaf het ogenblik, dat de eerste Abel stierf, en de gelovigen, allen. van het begin tot het einde, daar beneden tot hun vaderen werden verzameld, bezig geweest, zijn kudden in de schone velden van het land des lofs in te zamelen.
Gebruik 1. Dat wij de dag der kleine dingen niet verachten. Het begin van Gods grote werken is klein. Wat kon het betekenen, dat een arme vrouw een bankje wierp naar de man, die in Edinburgh voor het eerst uit het nieuwe kerkboek las? Het werd niet aangemerkt als een verheven voorval der Goddelijke Voorzienigheid, doch het werd een zaak van belang, totdat er legers van mensen op de been kwamen, drie koninkrijken in beroering kwamen, het trompetgeklank, de wapenkreet werd vernomen, de banier des Heeren opgeheven, verwoesting op verwoesting volgde, klederen in bloed gedrenkt werden; en - al groter afmetingen aanneemt, opdat de wraak des Heeren, en de wraak van Zijn tempel het land der gesneden beelden vervolgt, en de koningen der aarde opwekt, om de strijd aan te binden tegen de grote hoer van Babylon, teneinde de Joden tot hun Messias mogen terugkeren, en Israël en Juda de weg naar Zion vragen, hun aangezicht derwaarts gewend, het pad met tranen besproeiend; opdat de krijgsmacht der Heidenen en de koninkrijken der wereld, mogen worden de koninkrijken van God en Zijn Zoon Jezus Christus. Deze daad nu van een verachte vrouw was een van de eerste stappen der Almacht; toen begon God de mond van de fiool Zijns toorns te openen, om daaruit een kleine droppel van wraak op de zetel van het Beest te laten vallen, en sindsdien is de rechterarm des Heeren ontwaakt, doende geweest en in een toenemende strijd tegen allen, die het Beest aanbaden, en Zijn merkteken op hun rechterhand en voorhoofd ontvingen. En wie weet, of Christus in het werk der verovering niet bezig is iets nieuws op aarde te scheppen, en de mensenkinderen aan Zich te onderwerpen? De Almacht kan uit een fontein zo klein als een strohalm, of een ramshoorn, ja door een ezelskinnebakken, een zee, een wereld van edele en heerlijke werken verwekken. God kan het alvermogen in al Zijn bloemen en gouden takken van overweldigende en weergaloze voortreffelijkheden op een bloot niets tentoonspreiden; de wind is een ledige onvast iets, de zee een vloeibaar en zacht en ebbend schepsel toch is de wind Gods wagen, Hij rijdt daarop, en de zee Zijn wandelplaats; Zijn paden zijn in de grote wateren.
Gebruik 2. Een brokje, dat van Christus' tafel valt, heeft de natuur van brood in zich. Enkele zwakke zielen klagen: O, ik heb niet als David het hart van God, noch het sterk geloof van Abraham, om voor Christus mijn zoon ten dode te offeren, noch het brandend vuur van Mozes' ijver, om te wensen, dat mijn naam mag gewist worden uit het boek des levens, opdat de Heere verheerlijkt worde, noch de hoogschatting van Christus, welke Paulus bezat, om als hij, alle dingen schade en drek te achten voor Jezus Christus. Maar hoe - indien Christus het gehele brood de kinderen voorzet? Is het niet goed, zo gij maar onder aan de voeten van Christus ligt en de kruimeltjes van genade krijgt, die door de vingers van Christus heen glijden? De laagste plaats in de hemel, zelfs achter de deur, is de hemel. 1. Daar is de geringste mate of korrel van zaligmakende genade, en deze is zaligmakende genade; een dauwdroppel is water, niet minder dan de grote bol en kringloop van het gehele waterelement, water is; een schemering van het licht van de dageraad, is licht, en van dezelfde natuur als het middaglicht, dat in het grote lichaam der zon is; de beweging van een kind, dat pas in de baarmoeder geformeerd is, is een levensuiting, niet minder dan het wandelen en ademhalen van een man, die dertig jaar oud is, in de bloei en op het toppunt van de kracht van zijn leven; de eerste bewegingen der nieuwe geboorte zijn het werk en de werkingen van de Heilige Geest; en de liefde Gods, die nu reeds in onze harten is uitgestort door de Heilige Geest, zal dezelfde in haar natuur blijven, als wij in de hemel zin (1 Kor. 12: 8-10). 2. Christus strekt Zijn eigendomsrecht op het gekrookte riet en de rookenden vlaswiek zover uit, dat Hij het een niet verbreekt en de andere niet uitblust; Hij kan met tedere zorgvuldigheid van medelijden neerdalen, en met Zijn arm beschermend het lam, dat zich op de kant en rand der hel bevindt, te hulp komen, zodat het bewaard wordt, hals over kop van de steilte des bergs naar beneden te vallen. Hij geneest de gebroken van hart (Psalm 147: 3), en evenals een heelmeester (gelijk Vatablus dit uitlegt) verbindt Hij hun wonden en zet de gebroken beenderen weer op hun oorspronkelijke plaats. En naardien jonge kinderen licht verschrikt worden en door vrees verbijsterd, als plotseling geschreeuw en akelige oorlogskreten hen verrassen, jaagt Christus zwakke gewetens door kreten geen schrik aan, om arme tedere zielen door krijgsgeschrei en helse verschrikkingen in het geweten, van hun stuk te brengen; neen! de zachtmoedige Heere Jezus zal niet schreeuwen noch Zijn stem verheffen, noch Zijn stem op de straat horen laten (Jes. 42: 2). 0 welk een erbarming! welk een. bewogenheid en kokingen en worstelingen van een gepijnigd hart, door smart beroerd, zijn in Christus Jezus! Toen Hij de scharen als schapen, die geen herder hebben, verstrooid zag, gevoelde Hij in Zijn hart medelijden. Hij werd innerlijk met ontferming bewogen over hen (Matth. 9: 36). 0 hoe liefelijk! dat uw zondige zwakheid in de ingewanden en het hart van Jezus Christus droefheid en pijn veroorzaakte, zodat zwakheid uw zonde, en het medelijden en de deernis van Christus zijn. Kan de vader zijn kind zien zweten en zwoegen onder een last boven vermogen, totdat zijn rug bijna gebroken is en het uitroept: ik bezwijk, en zijn ingewanden niet rommelen van medelijden, en zijn handen zich niet uitstrekken, om ter hulp te komen? Zouden de ingewanden en het hart van een moeder niet van een stuk van de onderste molensteen gemaakt zijn; zou zij niet aan de borst van een tijgerin gezoogd zijn, en meer op de welp van een leeuwin gelijken dan op een vrouw; een moeder, die haar kindje onder water zag gaan, daarin spartelend en roepende om "moeder", en zich niet zou verroeren, noch bewogen werd van hart, noch toeijlde, om ter hulp te komen? Dit is slechts een schaduw van het medelijden, dat woont in het hart, hetwelk persoonlijk in één lichaam is verenigd met de gezegende Godheid in Jezus Christus. Wij behoren teer van hart te zijn jegens zwakke zielen, overwegende: 1ste. dat Christus een zoon wegens zwakheid niet kan onterven; 2de. de liefde niet door een strohalm of een klein gebrek wordt verbroken; 3de. al -Ie vaten van Christus' huis niet van enerlei grootte zijn; 4de. de zwakheden van enige mensen als doorschijnend kristal zijn, die aanstonds in het oog vallen; anderen, zwakheden onder hun kleren hebben; 5de. wij velen in de hemel zullen zien, die, terwijl ze bij ons op aarde woonden, naar ons oordeel verworpelingen waren; 6de. Velen met u naar de hemel gaan, terwijl gij het geluid van hun voetstappen op hun reis niet verneemt.
"Toen antwoordde Jezus, en zei tot haar: O vrouw, groot is uw geloof" enz.
Dit is de laatste passage van de tekst, behelzend een lofprijzing. die Christus de vrouw in haar gezicht geeft. 2 Een antwoord overeenkomstig haar wens. 3. De uitwerking van haar dringend bidden, en de persende drang van haar geloofs. De duivel is uit haar dochter geworpen.
Christus erkent hier, dat, dringend bidden in geloof, God en de Satan en de droevigste verzoekingen, die het kind Gods wedervaren, zal overmogen. Merk daaruit op, welk een krachtdadige invloed aanhoudend en ernstig gebed op God uitoefent, en wat het schepsel van leem uitwerkt en vermag op de grote Pottenbakker en Formeerder van alle dingen.
1e Het gebed is een bode, een vlugge gevleugelde postbode, die naar het hof daarboven wordt gezonden. David zond deze bode vroeg in de morgen, met morgenvleugelen af: 's morgens Heere! zult Gij mijn stem horen" (Psalm 5: 4). Hij zelf is de bode naar luid van het woord, Ik zal mij schikken, als in slagorde. "Schik u voor mijn aangezicht, stel u, zegt Elihu tot Job; of ik zal mijn woorden aan u richten (Job, 33: 5). "Nu heeft hij tegen mij geen woorden gericht" (Job 32: 14). De "Zeventigen, vertalen het parastesomai soi; en David zendt zichzelf naar de hemel, niet slechts als een postbode, maar gelijk het woord (Atsappeh) luidt ik zal opzien, of bespieden als een, die wacht houdt en waakt, wachtend op een antwoord van God, zoals wij lezen (Hab. 2: 1 en Psalm 18: 7). "Als mij bang was, riep ik de Heere aan - en mijn geroep voor Zijn aangezicht kwam in Zijn oren."
2e. Het gebed dient een vordering bij God in, ter oorzaak van Zijn verbond en belofte, dat is groter stoutmoedigheid, dan tot God te spreken en op Hem te wachten; "Onze tegenpartijders hebben Uw heiligdom vertreden. Wij zijn geworden als die, over welke Gij vanouds niet hebt geheerst en die naar Uw naam niet zijn genoemd" (Jes. 63: 18 en 19). Zie, Heere! aanschouw toch, aan wie Gij alzo gedaan hebt (Klaagl. 2: 20). Heere! waarom doet Gij ons van Uw wegen dwalen? waarom verstokt Gij ons hart, dat wij U niet vrezen? keer weer, om Van Uw knechten wil, de stammen Uws erfdeels (Jes. 63: 17). Weshalve daar is een heilig twisten met God: mijn God 1 ik roep des daags, maar Gij antwoordt niet; en 's nachts, en ik heb geen stilte (Ps. 22: 3). "Hoe lang, Heere! zult Gij mij steeds vergeten? hoe lang zult Gij Uw aangezicht voor mij verbergen?" (Ps. 13: 2).
3e. Het brengt God in grote engte en lijden, zelfs tot ontroering van Zijn ziel toe (Jer. 31). Als God hoort, dat Efraïm zich beklaagt in het gebed, brengt het God enigszins in moeilijkheid en tot de klacht: is niet Efraïm Mij een dierbare zoon? is hij Mij niet een troetelkind? want sinds Ik tegen hem gesproken heb, denk Ik nog ernstig aan hem; daarom rommelt Mijn ingewand over hem" (vs. 20). Is Izak, een aards vader, ontroerd, en zijn hart verscheurd en vaneen gereten door het misbaar en de tranen van zijn zoon Ezau, zodat hij gedrongen is, hem enige zegening mee te delen, veel meer moeten de ingewanden van onze Vader, oneindig in barmhartigheid, zich in Hem omkeren op het misbaar en de tranen van een biddende en roepende kerk.
4e. Wanneer God schijnt te slapen, aangezien Zijn werk en de raderen van Zijn Voorzienigheid stil staan, doet het gebed God ontwaken en Hem handelend optreden: sta op, Heere! in Uw toorn, verhef U om de verbolgenheden van mijn benauwers, en ontwaak tot mij; Gij hebt het gericht bevolen" (Psalm 7: 7). "Waak op - waarom zoudt Gij slapen, Heere! Ontwaak - verstoot niet in eeuwigheid" (Ps. 44: 24). Beide woorden (Gnurah en Hakitsa') betekenen: uit de slaap opwaken; zo zet het gebed God aan tot ve