zondaren tot Zich trekkende
– of –
een beschouwing van onze Zaligmaker in Zijn zielelijden, Zijn liefelijkheid in Zijn dood en wat die hebben teweeggebracht,
– door –
Samuel Rutherford,
Evangeliedienaar en Professor in de Godgeleerdheid aan de Universiteit te St. Andrews in Schotland.
Spr. 30:4. Hoe is Zijn Naam, en hoe is de Naam Zijns Zoons, zo gij het weet?
Jesaja 53:8. Hij is uit den angst en uit het gericht weggenomen; en wie zal Zijn leeftijd uitspreken?
eerste deel
Inhoud
Voorwoord van de vertaler
*Aan de verstandige en godvruchtige lezer
*Johannes 12
*Opening van de woorden
*Het is goed, dat wij ons lijden overwegen, eer het komt
*De delen van de tekst
*Vijf bijzonderheden in de zielsontroering van Christus
*De volmaaktheid van de aandoeningen van Christus
*Hoe zuiver en hemels de aandoeningen van Christus zijn
*Onze aandoeningen zijn bemodderd
*Welke vrede Christus had in Zijn zielsontroering
*Een ontroerde ziel bestaanbaar met de personele vereniging. Hoe dit zijn moet en hoe dit zijn kan
*God vorderde de voldoening voor de zonde niet krachtens noodzakelijkheid van Zijn natuur
*Hoe beminnelijk de weg van de genade is
*Christus in zielsontroering, en nochtans de vereniging van de twee naturen niet ontbonden
*De Familisten leren, dat Christus vlees geworden is in de gelovigen
*Christus leed in Zijn ziel een zuiver zielelijden, en niet alleen door de vereniging van de ziel met het lichaam
*De dierbare ziel van Christus was aan lijden onderhevig
*Wij moeten de dood in lijdzaamheid verdragen, ziende, dat ook Christus gestorven is
*Het is geen wonder, dat alle dingen aan verandering onderhevig zijn, als zelfs Christus’ ziel ontroerd was
*Wat een liefde het in Christus was Zich in onze plaats te stellen
*Christus overrekende de kosten en zag, wat Hij in Zijn lijden voor ons moest uitgeven en zou ontvangen
*De weg van de liefde, om mensen zalig te maken
*Onze weekheid en eigenwijsheid onder het lijden
*Ons verkeerd beoordelen van God, onder het kruis
*De koelheid van onze liefde tot Christus
*Evangelische liefde overtreft wettische liefde
*Zonden tegen liefde begaan zijn wondend
*Wat een wegens de zonde ontroerde ziel is
*Dat Christus onder een wolk was, maakte Zijn zielsontroering ongeëvenaard groot
*Christus moest Zijn bloed storten voor de zonde, als zonde
*Zo vol als Christus was van de tegenwoordigheid van de Godheid zo krachtig was Zijn liefde
*Antinomiaanse dwalingen betreffende de natuur van de zonde
*Antinomiaanse dwalingen aangaande twijfelingen, droefheid over de zonde, belijdenis van zonde, enz.
*Het Libertinisme van Dr. Crispe, dat Paulus in Rom. 7 de persoon van een bezwaard mens voorstelt, om over de zonde bedroefd te zijn, die te vrezen en te belijden. Dezelfde dwaling bij Mr. Archer
*Ontroering wegens de zonde, uit ongeloof, is zondig
*Enige vlagen van de kwaal van de geest van de dienstbaarheid kunnen zich herhalen en een gelovige ontroeren
*Liefde- jaloersheden en twijfelingen wijzen er op, dat er geloof is
*Twijfelen kan met geloof bestaan
*Gevaarlijke en onrechtzinnige stellingen van de Vrijgeesten betreffende ontroering over de zonde in de gerechtvaardigden
*Twijfelingen zijn geen bewijs, dat een ziel onder het verbond der werken is
*De onder het Oude Testament gerechtvaardigde Joden konden evenzeer zielsontroering wegens de zonde onderhevig zijn als wij. Zij en wij zijn door dezelfde genade gerechtvaardigd
*Ontroering over de zonde is en behoort ook te zijn in hen die van de verplichting tot eeuwige toorn verlost zijn
*Van nature ontroert de wet ons niet
*Hoe de heiligen na de zonde meer behoefte aan blijdschap hebben, dan na verdrukkingen
*De zonde wordt op andere wijze vergeven dan door de wegneming van de verplichting tot eeuwige toorn
*De dubbelhartigheid van de Antinomiaanse predikanten in, in het openbaar, de zonden te belijden, welke een belijdenis is, alleen in betrekking tot ongelovigen, die onder de gelovigen vermengd zijn
*Tweeërlei vergeving van zonde. 1e Een wegneming van eeuwige, en 2e van tijdelijke toorn
*Zonde wordt soms genomen in plaats van tijdelijke straf, en het wegnemen van tijdelijke straf is in de zin van de Schrift vergeving van zonde
*Zielsontroeringen moeten in duivelen en mensen hooggaande zijn
*Het geweten is de hevigste vijandin van de mens. De verschrikkingen van een kwaad geweten
*Onderscheid tussen de zielskwelling van de verdoemden en van de heiligen, in drie merktekenen verklaard
*God straft soms de zonden Zijner kinderen met geestelijke straffen
*Christus’ zielsontroering verschilt van de onze
*De oorzaken van ziels-verlatingen. Ziels-verlatingen verscherpt door gevoel
*Verlatingen na duidelijke en volle openbaringen van God
*Verlatingen in drieërlei opzicht overwogen
*Lijdzaamheid, een vereiste onder zielsontroering
*Wij zijn, gerechtvaardigd zijnde, niet zo van de zonde vrij gemaakt, dat er geen grond van afstand meer is tussen de Heere en ons
*Wij hebben van nature verkeerde gedachten van Christus
*De zonde is niet altijd de oorzaak van verlating
*Uitwendige, zware oordelen en ziels-verlatingen zijn niet opvoedkundig, maar zij zijn aan alle heiligen onder het Nieuwe Testament gemeenschappelijk
*Werkelijke verlating is niet onze zonde, maar een beproeving van de Heere
*Verlatingen komen meer voor bij de heiligen, dan bij de onwedergeborenen
*De verlating van Christus is van een andere natuur dan de onze
*Verlating is geen zwaarmoedigheid
*De onderscheiden bedeling van God met de zielen, die Hij ten hemel leidt
*Verschillende oorzaken van verlating
*Herhaalde openbaringen van Christus noodzakelijk
*Verschillende redenen, waarom wij niet moeten morren over de goddelijke bedeling in verlating
*Gods openbaringen zijn van Zichzelf en ten hoogste vrij
*Onderwerping en een zacht oordeel omtrent Gods bedelingen vereist
*In verlating hebben wij de krachtigste en verschrikkelijkste bevattingen, wegens de duisterheid van het gemoed
*Satan kan onze bevattingen doen oprijzen tot gezwollen gedachten van Gods bedeling, als te zwaar voor ons, om te dragen
*Onze liefde wordt geslingerd door jaloersheid en wantrouwen. De goddelijke bedeling is onze regel niet
*Het ongeloof is ontevreden. In verlating wordt veel aan de staat getwijfeld, doch noch meer aan Christus
*In verlating beoordelen wij onze daden dikwijls verkeerd
*Antinomiaanse misvatting omtrent angst wegens de zonde
*Wij mogen naar de afwezige Christus verlangen, maar Hem niet verkeerd beoordelen
*Verscheidene aanmerkelijke redenen voor de afwezigheid van Christus
*Verkeerde beoordeling is een bewijs van een weke natuur en een zwak oordeel
*De heiligen moeten een verzwaring van het kruis verwachten
*Een zwaarder wordend kruis vereist versterking van het geloof
*Beangstheid in Christus. Een onzondig vergeten in Christus
*Hoe de gevoelige aandoeningen van Christus onder een wet waren. Welk groot verlies Christus leed
*De personele vereniging verhinderde de werkingen niet van de onzondige, menselijke zwakheden
*De beangstheid van Christus was onzondig
*De verlating, waaronder Christus’ ziel was, moet niet misvat worden. De verlating van Christus was wezenlijk
*Het verspillen van onze aandoeningen, een rechterlijke bedeling van God
*Hoe Christus verlaten was
*De zondaar staat onbeholpen onder het oordeel
*Niemand zal huichelen in de hel en in het laatste oordeel
*Een ontwaakt geweten maakt sprakeloos
*Drie eisen van de rechtvaardigheid tegen Christus ingebracht
*In benauwdheid is de hulp dichterbij dan wij vermoeden
*Christus maakte in benauwdheid, in ons belang, gebruik van het geloof. De doodsgreep van Christus
*Twijfelingen wegens het gemis van vereisten, en hoe dit te genezen
*Twee verkeerde wegen ter genezing van de twijfeling, of de ziel wel in Christus is
*Te willen bewijzen, dat er geen geloof is, wegens de zwakke verrichting van de plichten, is geen rechte redenering
*In hoeverre een zondige wandel bewijs is van geen geloof
*Antinomiaanse twijfelingen, betreffende de geestelijke staat van de ziel, onderzocht en weerlegd
*De onveranderlijkheid van Gods liefde is niet zo’n grond, dat niet menigten mogen betwijfelen of zij wel in Christus zijn
*Saltmarsh over dit punt onderzocht
*Een noodzakelijkheid van inwendige bewijzen en kenmerken voor twijfelende zielen
*Hoe God Zijn Zoon, Christus, en gelovigen met dezelfde liefde liefheeft
*In hoeverre heiligmaking een blijk kan zijn, dat een ziel in Christus is
*Wij mogen besluiten, dat waar geen heiligmaking is, ook geen rechtvaardigmaking is
*De Protestanten stellen, dat doding en bekering iets anders zijn dan geloof
*Wedergeboorte en rechtvaardigmaking zijn niet hetzelfde. De Antinomiaanse doding is een begoocheling
*Waaruit zich in ons openbaart, dat wij vergeving ontvangen hebben
*De Antinomianen ontkennen alle innerlijke heiligheid
*Waaruit wij kunnen zien, dat wij genade in ons hebben
*In zichzelf niets te zijn en niets te hebben verhoogt de waarde van Christus
*Hoe leraars moeten handelen met bekommerde zielen
*Wij moeten meer Christus verkiezen dan Zijn vertroostingen
*Onder zielsontroeringen moeten wij niet ophouden met doen, meer wij moeten er niet op vertrouwen
*Liefde-jaloersheden onder verlating
*Verlatingen hebben hun tijd
*Christus vergoedt Zijn afwezigheid met dubbele liefdebewijzen
*Werken van heiligmaking, al zijn zij nog zo bezoedeld, kunnen een grondslag zijn voor verzekering
*Wij weten niet altijd, dat wij geloven
*Wij hebben behoefte aan dadelijke invloed van genade, om door de weeromstuitende daad onze geestelijke staat te kennen
*Het getuigenis van de heiligmaking is soms duister
*Plichten, welke in het geloof verricht worden, zijn niet strijdig met genade
*Het is moeilijk, in verlating vertroost te worden
*Het gevoel van Christus’ afwezigheid is niet weg te redeneren
*Niemand, die in de heerlijkheid is, kan beantwoorden aan hetgeen hij schuldig is
*Wij moeten onder verlating niet met God twisten
*Wij kunnen in dit leven de volheid van de heerlijkheid niet dragen
*Het verlangen neer Christus is het krachtigst, als Hij afwezig is
*De verlangende ziel moet Christus terug bidden
*Christus’ liefde is niet heerszuchtig
*De wederkomst des Heeren na een droevige verlating is verblijdend
*Hoe nabij Christus is in verlating
*Christus vergeeft liefde-dwalingen en straft die zelden
*Het is een leugen, wat Saltmarsh zegt, dat niemand zijn geloof in twijfel moet trekken
*Wij moeten geloven volgens Christus’ patroon, niet volgens het onze
*De heiligen kunnen twijfelen, of zij wel geloven
*Het twijfelen van gelovigen bewijst niet, dat zij onder de wet zijn
*Heiligmaking is op zichzelf een onfeilbaar bewijs van rechtvaardigmaking, doch het is dat niet altijd voor ons
*Hoe de daden van heiligmaking bewijzen, dat wij geloven. De verzekering kan uit andere kenmerken voortvloeien, dan uit het onmiddellijk getuigenis van de Geest
*Het inwendig getuigenis van de Geest. De Heilige Geest spreekt door kenmerken
*Hoe de Antinomianen de klaarblijkelijkheid uit de kenmerken en uit het geloof met elkaar vergelijken
*Trappen van de vrijheid van de genade
*De Antinomiaanse ontkenning van een voorbereiding moet Pelagiaans zijn
*Het groot-zegel van de Geest sluit niet alle twijfeling uit
*Twijfel aan de waarheid van ons geloof is niet dat ongeloof, dat ons van de hemelse rust uitsluit
*Dat wij de rechtvaardigmaking uit de heiligmaking kunnen weten, bewezen
*Werken, die in het geloof gedaan zijn, zijn geen twijfelachtige blijken van de rechtvaardigmaking
*De werken kunnen het geloof bewijzen, en het geloof, dat de werken in Christus gedaan zijn
*Hoe heiligmaking de rechtvaardigmaking bewijst
*Hoeveel de vrede uit de rechtvaardigmaking van die uit de heiligmaking verschilt. Verzekerd te zijn van rechtvaardigheid en te weten, dat wij in die staat zijn, zijn twee onderscheiden zaken
*Mr. Cornwell bewijst; wat geen punt in kwestie is
*Vele zaken zijn de onze, zowel krachtens belofte-schuld als uit genade
*Voorwaardelijke Evangelie-beloften bewijzen vrije genade en niet schuld
*Evangelie-beloften gedaan op daden van heiligmaking
*De Antinomianen ontkennen alle voorwaardelijke beloften
*Welk soort geloof in Christus was. Hoe er geloof van afhankelijkheid in Christus was
*Het niet aanschouwen van God kan met persoonlijke vereniging bestaan
*Een wonderlijke voorzienigheid, waartoe Christus gebracht werd: "o God, verlos Mij"
*Wij moeten niet tegen God woeden, als Hij niet terstond verhoort. Redenen, waarom onze gebeden niet altijd dadelijk verhoord worden
*Wij zijn gereder, te bidden, dan te loven
*Christus grondde Zijn gebed op de liefelijke betrekking van een Vader en een Zoon
*Alleen die kinderen zijn kunnen bidden
*De kracht van het gebed
*Christus’ lijden van een ure
*Christus’ lijden was gelijkwaardig aan wat wij hadden moeten lijden
*Waaraan het lijden van Christus zijn waardigheid ontleent.
*Christus’ verlies is groot wegens Zijn voortreffelijkheid
*Hoe Christus’ lijden beperkt was en toch oneindig
*Onze liefdeschuld aan Christus duurt eeuwig
*Ons lijden duurt maar kort
*Wij moeten niet klagen, dat ons lijden zolang duurt
*Dat Christus’ dood bitter en somber was voor Hem en Zijn natuur en waarom
*Christus was even gevoelig voor pijn en voor de dood als enig mens
*Gods toorn tegen Christus ontbrand
*De personele vereniging in het lijden niet ontbonden
*Christus droeg het gehele kruis, wij dragen er maar stukjes van
*Een ziel heeft grote waarde bij God, doch wij kennen haar waarde niet
*De sterkte van de liefde van Christus
*Onze dood is door Christus zijn bitterheid ontnomen
*Christus’ wil is ondergeschikt aan Gods wil. Tegenwerpingen opgelost
*Gods geopenbaarde wil, niet Zijn besluit, is onze regel
*Een voorwaardelijke begeerte, al is die niet overeenkomstig een stellige wet, is geen zonde
*Regels betreffen de onze onderwerping aan Gods wil
*Negen belangrijke tegenwerpingen troostelijk beantwoord
*Dertien belangrijke regelen aangaande de onderwerping aan de voorzienigheid
*De wijsheid van God in het formeren van het goede en het kwade
*De verdrukkingen evenredig gemaakt met het vermogen van een ieder
*Het koninklijk voorrecht van God in de beschikking van Zijn voorzienigheid
*Gods voorzienigheid kan niet afgewend worden
*Wij zijn te veel verzot op de uitlatingen van Christus’ liefde en hebben Hem Zelf te weinig lief
*Onderwerping aan de afwezigheid van God
*Christus’ terugkeer kan niet verdiend worden
*Het werk van de verlossing is redelijk en vol oorzaken en redenen
*Verdrukkingen moeten overwogen worden. (1) Wie ons verdrukt. (2) Waarom wij verdrukt worden, en (3) hoe God verdrukt
*Blinde en stomme kruisen
*Christus gewillig om te lijden
*Christus Zijn werk doende in Zijn lijden
*Hij had Zijn bruid op het oog
*Wij moeten werkzaam tot God en onderworpen aan God zijn
*De kenmerken van een recht voornemen, om God te dienen
*Christus’ liefde trok sterkte uit moeilijkheden
*Hoe wij des Heeren eer moeten zoeken. Zes dwalingen, die zich daarin opdoen, overwogen
*Christus wordt altijd gehoord
*Onze gebreken in onze verwachting van verhoord te worden, in vijf overwegingen
*Al het goede voor Christus en ook het onze komt uit de hemel
*Het is gemakkelijk handel drijven met de hemel
*God klaart een goede zaak op, al is zij nog zo verduisterd
*De ergernis van het kruis weggenomen
*Hoe de Heere in Christus verheerlijkt werd
*De almacht maakt van alles heerlijkheid
*De heerlijkheid van de mens is ijdelheid
*Het Evangelie is voor ons duister
*Ons verstand, onze genegenheden en ons hart zijn ketters ten opzichte van Gods wil, Woord en werken
*De waarheid is één; de zonde en dwalingen zijn zeer vruchtbaar
*De engelen behielden hun geboorterecht
*Zeven stellingen betreffende de overtuiging
*Ketterij in de wil
*Christus is een publiek Persoon, evenals alle voortreffelijke zaken en personen publiek zijn
*Christus’ ambt geeft ons volmacht, Hem toe te passen
*De heiligen zijn een verborgenheid voor elkaar
*De hoop profeteert iets goeds
*Vijf kenmerken van de wereld
*Deze wereld onderscheiden van de toekomende
*Christus oordeelt deze wereld op drieërlei wijze
*Wat een overste de duivel niet is; in drie punten
*Wat een overste de duivel is; in vier punten, en wat een goedheid hij zich aanmatigt
*Twee oordelen over de Satan
*De macht van de satan. (1) Natuurlijk. (2) Verkregen. (3) Zondig
*De kwade engelen wisten niet van de vleeswording, voordat zij vielen
*Satan heeft geen heerschappij, om de gedachten van het hart te kennen, of over de vrije wil te gebieden
*Satans wettige macht. Om te verzoeken
*Wat verzoeking is
*Satans uitwendige macht over de mensen
*Hoe alleen God het hart kent, en niet de engelen, en waarom
*Satans macht over de schepselen, over de zintuigen en de ziel
*Hoe Satan nog altijd zondigt. Zijn straf
*Satans kennis gekrenkt, en hoe. Zijn droefheid, zijn geloof, zijn wanhoop, en zijn verstoktheid
*Christus is zijn Rechter, en hoe. Vijf opmerkelijke aanmerkingen over deze zaak
*Staatsmanswijsheid, tegen Christus gebruikt, is de grootste dwaasheid
*Dwaze gedachten van de Familisten over de duivel en de zonde
*Zonde tegen licht is duivels
*Verharding
*Tien beweegredenen om de goede strijd te strijden
*Zes punten aangaande het trekken: (1) Het trekken zelf.(2) De Trekker. (3) De personen die getrokken worden. (4) Tot Wie. (5) De voorwaarde. (6) De wijze en manier. Het trekken zelf in vier punten verdeeld. (1) De uitdrukking. (2) Redenen, welke Christus bewegen. (3) De wijze. (4) De kracht
*Geen gewelddadige trekking
*Onze ongestalte, om getrokken te worden
*Wij haten van nature Christus
*In de wil, niet in de zwakheid, is de reden gelegen, waarom wij niet getrokken worden
*De kracht, grootheid en vrijheid van de genade; in zes stellingen
*Ezech. 16:8, 9 enz. geopend in 12 artikelen van vrije liefde
*Christus is genadig en vraagt niet naar loon
*Vierderlei aanmerkingen over de voorbereidingen welke de bekering voorafgaan
*Hoe er wel, en hoe er geen voorbereidingen voor de bekering zijn
*Hoe een begeerte, om te bidden en te geloven, gebed en geloof is, en hoe niet
*Gods koninklijk, soeverein recht in de bekering
*Antinomiaanse tegenwerpingen, ten gunste van een onmiddellijk geloven zonder enige voorbereidingen of zielsverbrijzeling, opgelost
*De bevinding van Saltmarsh, wat het stelsel van bekering betreft, beproefd en te licht bevonden
*Het Antinomiaans geloof is vermetelheid
*Vijftien stellingen ter opening van onze leer van de voor bereidingen
*Antinomiaanse belijdenis van zonden weerlegd
*Hoe de Evangeliebeloften aan zondaren, als zondaren, worden voorgesteld
*De voorbereidingen maken niet, dat wij minder zondaren zijn dan wanneer wij die niet hebben
*Gestalten, welke de hernieuwde trekkingen van bekeerde zielen voorafgaan, en de kenmerken daarvan
*De verdenking aangaande de voorwaardelijke Evangeliebeloften tegen de Antinomianen onderzocht. In vijf stellingen. Welke voorwaarden wij verwerpen, en welke wij in het Evangelie erkennen
*Hoe het gebod van gehoorzaamheid in wet en Evangelie hetzelfde, en hoe het verschillend is
*Hoe verkiezing, rechtvaardigmaking en zaligheid uit genade zijn, hoewel verschillend
*Het besluit van God en de vrijheid van de mens zijn niet met elkaar in strijd
*Genade is inhangend in de heiligen
*Onechte voorbereidingen
*Gods wijze van werken in verlossingen
*De Antinomianen stellen ten onrechte, dat rechtvaardigmaking en wedergeboorte één zijn
*Hoe wet en liefde werken in zondaren te trekken
*De bijzondere wijze van trekken is ons niet bekend
*Het trekken geschiedt zedelijk, fysiek en wezenlijk
*Ingevingen buiten de Schrift verworpen
*Christus’ welsprekendheid in het trekken is krachtdadig
*Zijn liefde in het trekken is geweldig, met haast, vurig, wezenlijk, beminnelijk en krachtig
*Door liefde trekken is liefelijker en zuiverder dan door de wet
*Wijze, waarop de liefde werkt
*Bindende beminnelijkheid in Christus
*De trekkende kracht van Christus’ koninkrijk, in vele bijzonderheden
*De schoonheid van Christus, een trekkende overredingsgrond. Welke schoonheid
*Gewin, een trekkende beweegreden
*Eer is een trekkende zaak in Christus
*Een overzicht van Christus
*De Libertijnen zijn vijanden van genade
*Grote dingen worden getuigd van de wegen van God
*Tegenwerpingen opgelost
*De Heere trekt met evenredigheid; door lokking; door neerbuiging; door inwendige toepassing
*De Heere trekt door de kracht van Zijn invloed te paren met Zijn Woord en Zijn voorzienigheid; door ten opzichte van middelen, tijd, gesteldheid, het voornemen van de zondaar vooruit te lopen, en gepaste woorden
*De Jezuïtische overeenstemmende roeping verworpen
*De Arminiaanse roeping weerlegd
*De Protestantse bekering bewezen
*De midden-wetenschap, een inbeelding
*Bewijsgronden voor onafwijsbare onwederstandelijke bekering aangedrongen
*De "Vaga" en de verwarde noodzakelijkheid van Did. Ruiz.weerlegd
*Hoe loom wij zijn, om tot Christus getrokken te worden
*De Antinomianen verwerpen de heiligmaking
*Zij stellen, dat wij in dit leven volkomen zalig worden, en schijnen met de Familisten het toekomende leven en de opstanding te loochenen
*De vrije wil wordt niet gedwongen. De Arminiaanse indifferentie van de wil weerlegd. Hun verwarde, losse besluiten van gebeurlijke dingen
*God bepaalt de vrije wil
*De gebruiken van de leer
*Hoe te handelen met zulken, die bekommerd zijn, of zij wel getrokken zijn
*Genadige trekking sluit rijkdom en overvloeiende genade in
*
Toen ik ongeveer 20 jaar geleden, in de weg Gods voorzienigheid, onder zeer bijzondere omstandigheden, op een van de Clijde-steamers kennis maakte met Rev. Alex. Macrae, destijds predikant te Tighnabruaich Kijles of Bute, was een van de gevolgen van onze ontmoeting, (behalve dat ik daardoor in kennis kwam met velen van Gods volk, niet alleen in Schotland meer ook in Engeland) dat in de loop van ons gesprek, behalve de vele ook in ons land onder Gods volk bekende en beminde oude Schotse leraars als Hugo Binning, Durham, de Erskines, Guthrie en anderen, ook Samuel Rutherford, die hier voornamelijk door zijn door Jac. Koelman vertaalde brieven bekend was, ter sprake kwam. Niet lang daarna ontving ik een exemplaar van Rutherfords Trial and Triumph of Faith —Beproeving en zegepraal des geloofs – van hem ter gedachtenis. Ik vatte toen het voornemen op dat werk in onze taal over te zetten, doch door verschillende omstandigheden kwam hiervan in de eerste jaren niet veel en vorderde de vertaling slechts langzaam.
Het is al jaren geleden, dat ik in de trein, op reis zijnde, kennis naakte met Ds. IJ. Doornveld, met wie ik ook over mijn nieuwe kennissen en vrienden in Schotland sprak, in de loop van welk gesprek ook het bewuste boek van Rutherford door me genoemd werd. Deze bijzonderheid zou door mij vergeten zon, had ik niet in 1908 van Z. WelEerw. een schrijven ontvangen aangaande dat boek, waarin hij me te kennen gaf, dat er iemand was, die lust had het in het Nederlands te vertalen. Aangezien ik met de vertaling toen reeds was begonnen, werkte de hierover gevoerde correspondentie uit, dat Z.WelEerw de tweede helft, te beginnen met leerrede 19, voor zijn rekening zou nemen. Dit werk zag dan ook in de loop van 1916 bij de firma Buurman & de Kler te Leiden het licht.
Toen ik bij een later bezoek aan mijn vrienden in Schotland over de begonnen vertaling van dat werk van Rutherford sprak, werd mij ten sterkste aangeraden mijn krachten te beproeven aan het standaardwerk van Sam. Rutherford: Christ dying and drawing sinners to Himself, als zijnde dat ZEerw.’s beste werk, en kunnende die arbeid nog voor de kerk in Nederland ten zegen strekken. Hoewel dit werk zeer zeldzaam is, gelukte het me hiervan 2 exemplaren, een van 1641 en een van 1803 in handen te krijgen.
De goede ontvangst, welke De beproeving en zegepraal des geloofs is te beurt gevallen, deed mij besluiten, daar het mij ook niet meer aan tijd ontbrak, de vertaling onder handen te nemen, welke ik met veel lust mocht voortzetten en nu door ‘s Heeren goedheid ook ten einde gebracht heb. De vele moeilijkheden, welke hieraan verbonden waren door de slordige druk van de Engelse uitgaven, hoop ik met ‘s Heeren hulp voldoende te boven gekomen te zijn, waarbij mij het vergeleken van de twee uitgaven zeer tot hulp is geweest.
Mij dunkt, dat ik tot aanprijzing niets behoef te zeggen, aangezien de reeds verschenen werken een genoegzaam getuigenis geven dat Sam. Rutherford van God begenadigd en begaafd was, om de heerlijkheid van Christus en van Immanuelsland zo dierbaar en aanlokkelijk voor te stellen, dat niet velen, indien iemand, hem hierin evenaren, terwijl hij zich overal een leraar betoont te zijn, machtig, om te vermanen door de gezonde leer, waarvan hij de kracht bij eigen ervaring en door de onderwijzing van de Heilige Geest kende, en om de tegensprekers te weerleggen. De inhoud van dit boek is de stof van een reeks predikatiën door hem voor zijn gemeente te Anwoth gepredikt over een gedeelte van Joh. 12. Als een andere Jozua door de Middelaar des Nieuwen Verbonds, Jezus, uitgezonden, om het beloofde land te verspieden, brengt hij een goed gerucht van de heerlijkheid van dat land en van zijn rijke vrucht, en toont hij de druiven van Eskol, welke wegens hun gewicht, niet door één persoon kunnen worden gedragen Hij toont ook geen vreemdeling te zijn van de grootte, en sterkte, en menigte van de vijanden, die de vervulling van de belofte in de weg schijnen te staan, maar zijn stem klinkt nog door dit ganse boek, evenals toen de stem van Kaleb: Laat ons vrijmoediglijk optrekken, en dat erfelijk bezitten, want wij zullen dat voorzekerlijk overweldigen. Hij geloofde, en wist, en predikte, dat voor Gods arme volk waar is, in betrekking tot een eeuwige zaligheid, wat de Psalmist in de 44e Psalm getuigt van het volk Israël: want zij hebben het land niet geërfd door hun zwaard, en hun arm heeft hun geen heil gegeven, maar Uw rechterhand, en het licht Uws aangezichts, omdat Gij een welbehagen in hen had.
De vraag werd mij gedaan, en ik heb die ook zelf overdacht, of niet misschien een gedeelte, namelijk dat wat de verdediging van de zuivere waarheid tegen de Antinomianen betreft, evengoed kon worden weggelaten, als minder dienstig voor de tegenwoordige tijd. Ik heb gemeend die vraag ontkennend te moeten beantwoorden, en niets te moeten uitschakelen. Er is toch, ook nu nog, in de leer van de zuivere waarheid die naar de godzaligheid is, een afweken, zowel ter rechter- als ter linkerhand. Wie kan, ook in dit opzicht zeggen: Ik heb mijn hart gezuiverd, ik ben rein van mijn zonde? De beste van Gods kinderen blijven vatbaar voor dwaling en kunnen daarom, onder de grote Leraar, Jezus Christus, hun leraars niet missen die hun toeroepen: Dit is de weg, wandelt in dezelve. Gods volle ligt onder gezegende beloften, dat ze van de Heere zullen geleerd worden. Welke beloften ze verstaan hun nodig te zijn, wegens hun onverstand. En hoewel de Zoon Gods hun bij aanvang het verstand gegeven heeft, de Waarachtige te kennen, in Wie ze ook zijn, zal juist die kennis hun bij voortduring meer openbaren hoe onverstandig, hoe dwalend van geest zij zijn, en hoe zij de bediening van des Heeren Woord en Geest en genade niet kunnen missen tegen de invloeden van de poorten der hel, die hen wel niet zeilen overweldigen, maar die nochtans niet zullen ophouden, of pogingen in het werk te stellen hen te verleiden. Het kan dan ook Gods kinderen niet anders dan aangenaam zijn, dat zij door zuiver evangelisch onderwijs meer licht ontvangen, om de geesten te beproeven, of ze uit God zijn. Als zij dan ook onder dit onderweg mochten zien, dat zij die besmettingen van de geest uit de afgrond nog niet geheel ontkomen zijn, zou de ontdekking daarvan, door het geloof in de belofte, dat die dwalenden van geest zijn tot het verstand zullen komen, een middel kunnen zijn, om het gebed te verlevendigen: Leid mij in Uw waarheid en leer mij, want Gij zijt de God mijns heils. Als dan iemand van Gods kinderen door het aandachtig lezen, ook van dit zo onderwijzend gedeelte, tot zuiverder kennis en daaruit tot zuiverder geloofswerkzaamheden mocht komen, zou het werk van de vertaler, ook van dit gedeelte, dat wel het zwaarste van zijn arbeid geweest is, zijn rente reeds hebben opgebracht.
Zonder dan ook, zoals eerst zijn voornemen was, nader op dit punt in te geen, begeert hij het aan de voorzienigheid en de liefde van God in Christus over Zijn erfdeel over te geven, of het Hem believen mag, dit werk nog in deze dagen van donkerheid, en diepe beproeving, en rechtvaardige verberging van Gods aangezicht, en inhouding van Zijn Geest, om Zijns ontfermingswil met Zijn onmisbare zegen te kronen, en tot opbouwing in het allerheiligst geloof, en tot stichting voor Zijn Kerk in dit land te gebruiken.
De Heere legge in het hart van Zijn volk de bede van Asaf: o God der heirscharen, keer toch weder, aanschouw uit de hemel, en zie, en bezoek deze wijnstok, en de stam, die Uw rechterhand beplant heeft, en dat om de Zoon, Die Gij U gesterkt hebt. En Hij verwaardige Zijn volk, onder de bediening van de Geest, door het geloof, Gods antwoord uit de hemel te mogen horen: Ik, de Heere, behoede die, alle ogenblik zal Ik hem bevochtigen; opdat de vijand hem niet bezoeke, zal Ik hem bewaren nacht en dag.
Uw toegenegen C. B. van Woerden
Akkrum, 7 april 1917
Aan de verstandige en godvruchtige lezer
Indien iemand in deze weelderige en wellustige eeuw van trots. en dartele vernuften over deze stof zou schreven en in gebreke blijven om die Plant van Naam, de Bloem van Jesse, Jezus Christus, en de dauw Zijner jeugd, de vrije genade van God te verhogen; laat dan zijn hart zijn pen veroordelen, en Hij, Die meerder is dan het hart van de mens, hem ter verantwoording roepen. Het zwakke en geringe pogen van een zondaar, die over een Zaligmaker, en wel zo’n Zaligmaker schrijven wil, behoort te zijn, geloof en gevoel met zijn pen te doen samengaan; doch wie moet niet belijden, hoever de meeste mensen tekort schieten in het bereiken van dat doel.
Het kan het gemoed enigermate gerust stellen, wanneer het overweegt, dat, hoewel in de verhevenste termen over Christus te spreken, voor arme mensen, die zo ver beneden en zo onberekend voor zo’n verheven Onderwerp zijn, eerder een ontluisteren van Zijn waardigheid en een vleien van Christus, dan een wezenlijk prijzen van Hem of een verklaren van al Zijne deugden en beminnelijkheid is, in zover, als de vuile adem van een zondaar de schoonheid van zo’n alles overtreffende en onvergelijkelijke Bloem alleen verdonkeren kan, ik zeg, dat zelfs Jesaja, een groot, uitmuntend en evangelisch profeet, teneinde raad, in grote verlegenheid, als niet wetende hoe zich uit te drukken, de zaak met een verheven vraag opgeeft, als hij vraagt: "Wie zal Zijn leeftijd uitspreken?" (Eng. "Wie zal Zijn generatie verklaren?") En een ander, als hij zegt: "Hoe is Zijn Naam en hoe is de Naam Zijns Zoons? zo gij het weet." Allen, die ooit over Hem schreven, liggen neer onder deze last en hoewel heden ten dage velen voorgeven, dat zij verchristusd en verslonden zijn in Zijn liefde, zo zou ik het al zaligheid achten, indien ik Christus’ Naam maar wist en zo hooggeleerd was, dat ik wist hoe Hij heet. Waarlijk ten opzichte van onze bevattende kennis, spreken en schrijven we meer wat we gissen, wat we van ver en bij ons schemerlicht van Hem bevatten, en wat betreft ons komen tot het heldere gezicht van het licht van een Evangelie-middag, zoals onze plicht is, werpen we er maar neer, evenals een blinde zijn stok werpt, en wij spelen maar, evenals kinderen met het verguldsel en de zijden banden van een Arabische Bijbel spelen, die zij niet kunnen lezen, aan de grenzen en aan de buitenkant van de kennis van Christus. O, hoe onbekookt schrijven de scherpzinnige schoolgeleerden van Christus! O, hoe spitsvondig en scherp ziende als een arend schenen zij te zijn in bespiegelingen! Zo diep als het graf, of liever, zo diep als de hel vorsen zij na, wat van Zijn grafdoeken geworden is, toen Hij uit de doden opstond, en beschreven ze de kastanjebruine kleur van Zijn haar en het hout van Zijn kruis en de drie nagelen, waarmee Hij aan het hout geklonken was, en ze stellen tot een voorwerp van aanbidding alles, wat Zijn lichaam heeft aangeraakt, hetzij hout of ijzer of de nagelen van het heilige graf. En hoe ver zijn ze af van hetgeen in Hoogl. 8:6 staat: "Zet mij als een zegel op Uw hart, als een zegel op Uw arm."
Er zijn boekdelen geschreven over Christus; leerrede op leerrede, en niet alleen regel op regel, meer boek op boek en deel op deel. En ach, wij zijn maar aan de eerste zijde van de enkele Catechismus van Christus, en bezig met het spellen van Zijn eerste beginselen; ja, Salomo was nog niet verder dan: "Hoe is Zijn Naam?" Ik vrees, dat maar al te velen onder ons noch de naam, noch de zaak kennen. Ja in deze eeuw van geleerdheid, waarin de Antinomianen boek na boek over Christus schreven, zou ik tegenover al hun roepen van: "O, de Evangeliegeest, de Evangelietrant van prediking, de verborgenheid van vrije genade!" (welke weinigen van hen kennen) willen zeggen, dat een ons, een greintje geestelijke en praktische kennis van Christus meer waarde heeft dan talentponden, ja dan scheepsladingen of bergen van kennis van stomme schoolgeleerdheid.
Zij zeggen, dat de heiligen volmaakt zijn en dat hun werken volmaakt zijn. Ik laster hen niet; lees Mr. Towne, Baton en Saltmarsh. Doch hoe onkundig zijn zij van het Evangelie; hoe slecht belezen en hoe onbedreven in de kennis van Christus. Ja, als Luther zeide: Neem de zonde weg, en u neemt Christus, de Zaligmaker van zondaren weg. Hoe weinig bekend met, hoe grote vreemdelingen van hun hart zijn zij, wanneer zij zo schrijven. Ik beken, er is een volheid, en een al-volheid, en een al-volheid Gods (Efez. 3:l9), doch ik betwijfel, dat deze volmaakte al-volheid Gods aan deze zijde van de eeuwigheid is. Dit is zeker, dat het niet bestaan kan met ons halve-stuiverskaarslicht, ja het kan niet zijn, dat het middaglicht van de heerlijkheid, Theologia Meridiana visionis geheten, in onze ziel zou schijnen, terwijl de duisternis van een inwonend lichaam van de zonde onderworpen zijn.
Het is waar, dat Paulus opgetrokken is geweest tot in de derde hemel; dat Johannes in de geest zijnde, de hemelen geopend zag, en de troon aanschouwde, en Hem, Die daarop zat, alsook de in het wit gekleeds, hemelse schare, die uit grote verdrukking kwam, bewijst duidelijk, dat de heiligen in dit leven in de voorstad van de hemel kunnen komen, doch de voorstad is de stad niet. God kan een venster in het nieuwe Jeruzalem openen, gelijk Hij wel eens doet, om door die opening de nieuwe morgenstralen van het daglicht van de Heerlijkheid, en een deel van de Troon, en iets van het aangezicht van Hem, Die op de Troon zit, en de heerlijke onbevlekten, die voor de troon staan, te doen zien; maar deze volheid maakt het vat niet boordevol toe vol, het kan vele liters meer bevatten van de nieuwe wijn van de heerlijkheid, die dat nieuwe Land van eensgezindheid oplevert. Nu schrijven de Antinomianen onze volmaaktheid toe aan de rechtvaardigmaking en de vergeving van zonden. Doch de vergeving van zonden is, behalve in het gevoel, dat een trapsgewijze bijkomende omstandigheid van de vergeving en niet de vergeving zelf is, niet als de nieuwe maan, die hoe langer hoe helderder wordt, totdat hij geheel vol is. De vergeving toch is op het eerste ogenblik van onze rechtvaardigmaking een zo volmaakte en volkomen vrijstelling van de wet-schuld en van de toekomende toorn, als zij ooit zal zijn; ze schrijven onze volmaaktheid in dit leven niet toe aan de heiligmaking, dat ze nochtans moesten doen, indien de zonde in haar natuur en in haar wezen niet in ons woont.
Wat onze schuld bij Jezus Christus betreft, aangaande de prijs en het rantsoen, welke Hij voor ons betaald heeft, hebben wij niets te zeggen dan onze Schuldeiser Christus lof toe te brengen, of liever, die op te schorten, totdat wij voor de Troon zijn, met de miljoenen bankroetiers, de aan Christus verschuldigde heiligen, om daar eeuwig onze schulden uit te zingen in een eeuwige Psalm. Want hier kunnen we die slechts uitzuchten. Het boek van onze schulden bij Christus is volgeschreven, bladzijde en kant, van binnen en van buiten, het is een zeer groot boek, bestaande uit vele delen, en de miljoenen engelen, die Christus tot hun Hoofd hebben, (Kol. 2:10); zijn schuldenaren voor hun bevrijding van de mogelijkheid, om te zondigen en om met ketenen van eeuwige toorn gebonden te worden, daar hun gevallen mede-engelen daadwerkelijk onder liggen. O, wat een ontzaglijke sommen zijn alle inwoners van de hemel toch schuldig aan Christus!
En wat kunnen engelen en mensen anders zeggen, dan: Christus is het Hoofd van alle overheid en macht; (Kol. 2:10), ja, het Hoofd boven alle dingen, voor de gemeente, welke Zijn lichaam is, en de vervulling Desgenen, Die alles in allen vervult; (Efeze 1:22,23) het Opperhoofd over tien duizend, ja, over al de miljoenen en heirscharen des Heeren in de hemel en op aarde. (Hoogl. 5:10). Wanneer al de geschapen uitdrukkingen en heerlijke bloemen, die bestaan, als: hemelen, zon, maan, sterren, zeeën, vogels, vissen, bomen, bloemen, kruiden die in de natuur zijn, of uit Christus voortgekomen zijn, een aanzijn ontvangen hebben, dan zijn er nog oneindig meer mogelijkheden van nog voortreffelijker wezens in Hem, aangezien uit Christus zulke rivieren van volkomen genade voor engelen en mensen en alle schepselen nevens hen stromen, welke in hun soort, door mededeling met hen delen in de bedruipingen en bedauwingen van vrije genade. Het is een gevolg van vriendelijkheid en van de vrijheid van de genade door een Middelaar, dat het stelsel en het geheel van de schepping, dat wegens onze zonde tot ondergang veroordeeld is, nog voortduurt en blijft bestaan in zijn wezen en schoonheid. Wat blijft er echter in Hem nog veel, ja oneindig veel meer van de gehele en volkomen Christus, dat nooit gezien is, en door geschapen vatbaarheid niet te begrijpen is. Wanneer niet alleen in het gebied van de genade, meer ook in die hoogste kring, in de gewesten van de heerlijkheid, zulke heiren en talrijke scharen van verheerlijkte stukken werk, verloste heiligen en uitverkoren engelen, die bij voorbaat vrijgesteld zijn van de mogelijkheid, om in de zonde en onder eeuwige toorn te vallen, nevens Hem staan als geschapen uitspruitsels en takjes, die uit Christus voortgesproten zijn, dan is er een onzichtbare en onbegrijpelijke oneindigheid in Hem. Wanneer al die deeltjes, geschapen overblijfsels, bloesempjes, dochters en vruchten van goedheid en genade uit Hem voortgevloeid zijn, dan is Hij nog dezelfde oneindige Godheid, en zou Hij, gelijk Hij ook doet, mensen en engelen en alles wat geschapen zou kunnen worden, afmatten en vermoeien, enkel in het bewonderen en naspeuren van zo’n veelomvattende en grenzeloze Christus. Hier is, tot in alle eeuwigheid, evangelisch werk voor verheerlijkte arbeiders, engelen en vrijgekochte mensen, om in deze Goudmijn te graven, om deze zielsverlustigende en kostbare Steen rondom te bezien, om Zijn uitnemendheid te aanschouwen, te onderzoeken en na te vorsen. En dit is de verzadiging, het toppunt en het voornaamste van de heerlijkheid en gelukzaligheid van de hemel, de deugden van Hem, die op de Troon zit, te zien en nooit verzadigd te zijn van zien; te bewonderen en nooit genoeg te kunnen bewonderen, vervuld te worden met Christus en nooit van Hem verzadigd te worden. Moet dit dan niet onze zonde zijn, dat wij zo ver van Christus afstaan. Gewisselijk, indien wij het deel niet liefhadden boven het geheel en de droesem van dat deel, nl. de weerstrevige wil, meer dan onze ziel, wij zouden Christus niet zo weinig smeken en navolgen.
Indien de Antinomianen zich ergeren, of zulken, die door onwetendheid verleid zijn, mij haten, omdat ik Christus verhoog, niet in een Evangelie-losbandigheid, zoals zij doen, meer in een strenge en nauwgezette wandel, in welke te bevelen, beide wet en Evangelie vriendschappelijk overeenkomen, en waarin zij nooit onenig of met elkaar in strijd geweest zijn of kunnen zijn, zo dreig ik hen, in hetgeen ik schrijf, met vergelding, bestaande in een gunning, dat zij zalig mogen worden, en in een zwakke poging, enigermate begerende, hun zo’n begrip van het Evangelie te geven en zo’n vernieuwd aanbod van Christus te doen, als de profeten en apostelen verkondigd hebben in het Woord van het koninkrijk van Hem, Die de verborgenheden van de Vader aan de mensenkinderen openbaart.
En wat de Arminianen betreft, die nu in Engeland opgestaan zijn, en hen, die zowel Arminianen als Antinomianen zijn, zoals Mr. Den en anderen, ik kan hen niet anders bekijken, dan als vijanden van de genade Gods. Waar Antinomianen en Anabaptisten tegenwoordig hand aan hand gaan met Pelagianen, Jezuïeten en Arminianen, moet ik mij verbazen, weer Arminianen, Serinianen en Antichristische misbruikers van de vrije genade, en vereerders van de vrije wil, nu meer verdedigd en beschermd moeten worden als de godvruchtige partij, dan toen ter tijd, toen de godzaligen zozeer tegen hen waarschuwden en de onreine profeet uit het land uitbaden. Een witte en een zwarte duivel moeten ongetwijfeld van hetzelfde soort zijn. Genade is altijd genade, nooit losbandigheid.
Nooit kunnen wij de vloeden, de rijke volheid en de diepe, levendige fonteinen van de zee, van die volheid van genade, die in Christus is, genoeg prijzen en bewonderen. Komt en put; de put is diep. De bedruppeling of bedauwing van engelen of mensen, zijn meer kleine deeltjes van die zeer grote en onmetelijke volheid van genade, die in Christus is. Een lelie is niets, in vergelijking van een grenzeloos groot veld leliën. Christus is de Berg van rozen. O, hoe hoog, hoe veelomvattend, hoe vol, hoe schoon, hoe fris! Konden wij Hem ruiken, Die onder de leliën weidt, totdat de dag aanbreekt, en de schaduwen vlieden; konden wij induiken in de goudaderen van de onnaspeurlijke rijkdom van Christus; konden wij dronken worden van Zijn wijn; wij zouden zeggen: "Het is goed, dat wij hier zijn"; en wij zouden de kruimeltjes vergaderen, die Christus laat vallen. Zijn kroon glinstert van diamanten en paarlen van geslacht tot geslacht. Immanuels land is een voortreffelijk land. O, Zijn hemel ligt goed, warm en aangenaam, en dicht bij de Zon, de Zon der gerechtigheid; de vrucht van het land is uitnemend, heerlijkheid groeit daar, tot op zijn uiterste velden! O, hoe worden die eeuwig opspringende bergen en hoven van specerijen eeuwiglijk bedauwd met zuivere en onvermengde blijdschap! En wat doen wij hier? Waarom zwoegen wij, om rijs voor ons nest te vergaderen, dat wij morgen weer moeten verlaten? Het zou onze volkomen zaligheid zijn indien de volgende overwegingen ons van onszelf zoo moe maakten, dat zij ons uit onszelf uitdreven tot Hem.
1. Onder de vele gezanten, die God tot ons gezonden heeft, is niemand Christus gelijk. Hij is God, het edele, zelfstandige Beeld Gods; God evengelijk, de zendende God en de gezondene God, de Man, die Gods Metgezel is; God, niet een andere God, maar een Zoon, een andere Zelfstandigheid en Persoon.
2. Van afkomst en geboorte is Hij een gegenereerde Zoon, die nooit begon een Zoon te zijn of een Vader te hebben; Hij is uit het alleroudste Huis van God, een Spruite van de Koning der eeuwen, Die nooit jong was. En in betrekking tot ons is Hij de Eerstgeborene onder vele broederen.
3. Niemand had een ambt als Hij, om vrede te maken tussen God en de mens door het bloed van een eeuwig verbond. Hij was geheel en al een Scheidsman voor God, God in natuur, zin, wil, macht, heiligheid en oneindige volmaaktheid, een Scheidsman voor zichzelf, een Scheidsman geheel en al voor ons, aan onze zijde, door geboorte en bloed en welbehagen in ons; Hij was voor ons, met ons, en ons, in natuur.
4. Wat een onvermoeidheid van liefde in ons over te halen met Hem te ondertrouwen! Wat een welwillendheid in Christus, om Zijn Geest in ons uit te storten, om Zijn liefde, Zijne ziel, Zijn leven, ja zichzelf aan ons te geven! Had Christus meer voor ons te geven dan Zijn edel en voortreffelijk Zelf?
5. Wat zoekt Hij lang, tot Zijn hoofd vervuld is met dauw, Zijn haarlokken met nachtdruppen! Een ganse, lange nacht staat Hij aan de deur van de kerk te kloppen. (Hoogl. 5:2; Openb. 3:20.) Vele uren zijn er in deze nacht; van de tijd af, dat Hij in het paradijs gepredikt word, tot op deze dag toe staat Hij daar. Hoe gaarne zou Hij inkomen, en hoe aangenaam zou het Hem zijn, bij ons te blijven. De arm, die al bijna zes duizend jaren geklopt heeft, doet nog geen pijn; ziet, Hij staat en klopt, en Hij zal niet ophouden, voordat allen de Zijne zijn, en voor de stammen bij één en tweeën over de Jordaan en bij Hem in dat goede land zijn; Hij wil er niet één missen, nog geen halve, ja, geen stukje van een heilige. (Joh. 6: 39)
6. De zondaren op aarde en de verheerlijkten in de hemel zijn van één bloed. Eens hadden zij op aarde zulke vuile aangezichten en zulke schuldige zielen als u en ik; nu echter, zijn zij schoon gemaakt, en staan voor de Troon, gewassen en zonder vlek. Genade en heerlijkheid heeft hen zo veranderd, dat u hen niet meer zoudt kennen, doch zij zijn van geboorte uw broederen; alle zeeën en fonteinen op aarde kunnen die bloedsbetrekking, die er tussen u en hen is niet wegwassen. In dat vermaarde land is op niemand het merkteken, een indruk, een schaduw, een schijn van smet van zonde; Christus wast hen nu nog zo schoon als ooit, u kunt niet zo zwart of verbrand van de zon zijn, of Hij wil u wit maken, als alle andere kinderen van het huis, zodat u zichzelf niet meer kennen zult, wegens de schoonheid van uw heerlijkheid, u bent op het ergst een zondaar; slechts een zondaar, en het is niets voor Christus, een zondaar wit te maken.
7. Vrije genade zal in het land van de heerlijkheid te pas komen. Elke nieuwe dag en maand van de heerlijkheid (laat ons, omwille van onze zwakheid, het zo bevatten, alsof er delen van de eindeloze eeuwigheid zijn), zal een nieuwe schuld van vrije genade meebrengen, omdat Christus nooit onze Schuldenaar is, en dat nooit zijn zal; schepselverdienste kan in der eeuwigheid in de hemel niet binnenkomen, het blijven in de heerlijkheid zal eindeloze, vrije genade zijn. Hieruit volgt, dat de betrekking tussen Christus als Schuldeiser en ons als schuldenaars steeds moet toenemen en altijd groener worden in een eeuwige hoop; het zal eeuwig lente zijn en nooit tot de hoogte en bloei van de herfst komen, en wij zullen altijd lofzingen, en altijd al verder en dieper waden in de zee van vrije liefde en in de vermeerdering van de telkens weer opnieuw gemaakte schulden van eeuwige genade. Hoe langer die witte Compagnieën en Regimenten, die het Lam volgen, daar verblijven, hoe onbekwamer zij worden, om hun schuld te betalen, zodat Christus Zijn kroon van genade nooit kan terzijde leggen, noch wil. Onze diadeem van heerlijkheid, die wij nog houden alleen door het besluit en de eeuwigdurende acte van vrije genade, die altijd weer verdaagd wordt en dagelijks (om dat woord aan de tijd te ontlenen voor de plaats, weer geen tijd meer is) uitgesponnen tot een draad, zo lang als de eeuwigheid, en zolang als God leeft. O, de onmetelijke en eindeloze gedachten en diepte van onnaspeurlijke genade!
8. Het is duizendmaal beter te leven onder het bestuur en de voogdij van Christus, dan van uzelf te zijn en naar eigen wil te leven. Leeft in Christus, dan bent u in de voorstad van de hemel, dan is er maar een dunne wand tussen u en het land van lof, in minder dan een uur zeilt u naar het strand van het nieuwe Kanaän. Wanneer de dood een gaatje in de wand graaft en de zeilen neerhaalt, hebt u anders niet te doen, dan uw voet te zetten in het schoonste van de geschapen Paradijzen.
9. Het is onmogelijk, dat Christus in de hemel kan zijn en dat stokjes en deeltjes van Christus’ verborgen lichaam in de hel, of nog lang op aarde zouden zijn. Christus zal Zijn been en leden op aarde tot Zich trekken en dichter bij het Hoofd brengen; Christus en u moeten onder één dak zijn. Wat? Woningen zijn niets, vele woningen zijn weinig, ja, vele woningen in het huis van Christus’ Vader, zijn geschapen deeltjes van zaligheid en op het nauwst verwant aan "niets". Zij zijn geschapen, meer ach, wij moeten Hem Zelf hebben, en ik zou de hemel weigeren, wanneer Christus er niet was. Neem Christus uit de hemel en het is maar een armzalige, droevige, donkere, woeste woning. De hemel, zonder Christus, zou er uitzien als het ijzingwekkende land des doods. Och, zegt Christus, "uw blijdschap moet vervuld worden (Joh. 14:3). Ik kom weder en zal u tot Mij nemen, opdat gij ook zijn mag, daar Ik ben." Ik moet bekennen, dat woningen zonder Christus maar als plaatsen zijn, weer doornen en distelen groeien; daarom wil ik de hemel hebben om Christus en niet Christus om de hemel.
10. Vormelijke gelukzaligheid is geschapen, meer voorwerpelijke zaligheid is een ongeschapen Godheid. Laten de wateren en stromen zich terugtrekken in de boezem van deze diepe Fontein en Bron van oneindigheid; daar kunnen zij niet bederven, verzuren noch versterven meer daar blijven zij eeuwig vers. Komt en groeit met deze stam, de eeuwig groene en altijd uitspruitende Boom des Levens, en u zult eeuwig leven van de vetheid, het sap en de zoetheid van deze Plant van naam van het Paradijs.
11. Het leven in Christus en op Christus in daden van liefhebben zien, zich verheugen, omhelzen en in Hem rusten is die middaghoogtegodgeleerdheid en theologie van het zaligmakend aanschouwen. Er is een algemene vergadering van onmiddellijk verlichte godgeleerden rondom de troon, die dag en nacht Christus bestuderen, verhandelen prediken en loven. O, wat stralen, wat uitstralingen en uitgietingen van het genot van verstandsgebruik van aanschouwen, genieten, en Hem leren en vurig liefhebben, komen voort van dat aangezicht, van dat Godsaangezicht van de Heere, de Almachtige God, en van het Lam, dat in het midden van hen is, en de aanschouwers van binnen en van buiten overdekt, gewichtig en overvol maakt, en dan moeten er weeromstuitingen en uitgangen zijn van verstandsbeschouwing, omhelzen, liefhebben en verwonderen, die tot Hem terugkeren in een cirkel van heerlijkheid. Wat is te vergelijken bij dat eeuwig ondertrouwen, trouwen en bruiloft vieren van die Bruidegom en die Bruid, de vrouw des Lams: wat, bij Christus en Zijn volgelingen; wie, bij die Alles in allen; die Ik ben, die Vorst der eeuwen?
12. Zo verheven is de wijsheid en de diepte van de onnaspeurlijke rijkdommen van de genade van Christus, dat, hoewel God geen zonde nodig heeft en de zonde in strijd is met Zijn heilige en allerrechtvaardigste wil, nochtans het voornemen, het hemelse, liefelijke allerheiligste staatsontwerp van de inkomst van de zonde in de wereld, door de velden van vrije genade heengeleid, de verhevenheid en de nooit genoeg bewonderde en aangebeden kunst en diepe wijsheid Gods bekend maakt. Al was er nooit zonde geweest, de heerlijke tweede Persoon van de gezegende Drie-eenheid en de eeuwige Geest moeten toch altijd zijn en zouden ook altijd geweest zijn, dezelfde Ene, eeuwig gezegende God met de Vader. Want de heerlijke ene Godheid in drie wonderbare zelfstandigheden komt onder geen daden van de vrije wil en de soevereine raadslagen Gods, aangezien de Godheid allervolstrektst en wezenlijk noodzakelijk is. Doch wij zouden de verborgenheid van Immanuel, de Geliefde, Die blank en rood is, Die de banier draagt boven tienduizend, de Godmens, de Zaligmaker van zondaren, tot in alle eeuwigheid gemist hebben. Waren er geen kranke zondaren, dan was er ook geen zaligmakende Ziel-heelmeester van zondaren; geen gevangenen, geen Verlosser, geen slaven van de hel, geen liefelijke Rantsoenbetaler uit de hemel. 2. Er zou ook geen Evangelie zijn, geen dadelijke verlossing op aarde, geen Evangelielied van vrijgekochten in de hemel: "het Lam is waardig," enz. Was er geen zonde geweest, nooit zou er een stem noch gefluister in de hemel geweest zijn van een Lam, dat geofferd en voor zondaren geslacht is; er zou geen Evangeliemelodie zijn van het lied van vrije genade, dat nu eeuwig in de hemel gehoord wordt; geen Psalmen waren dan ooft gezongen in die gezegende vergadering van de eerstgeborenen, maar een muziek overeenkomstig de wet, van eeuwig leven, door het gehoorzamen van een wet, zonder iets verschuldigd te zijn aan de genade van een Middelaar. 3. Genade, vrije genade, zou zich dan nooit naar buiten vertoond hebben, om gezien te worden door mensen en engelen. 4. Indien de zonde niet in de wereld was gekomen, die gasten van vrije genade, die eens vuile en afzichtelijke zondaren op aarde waren en die nu voor de Troon zijn, zouden daar niet geweest zijn. Maria Magdalena, die van zeven duivelen bezeten was; Paulus, wiens handen eens warm en rokend waren van het bloed van de heiligen en wiens hart ziek was van boosaardigheid tegen en lastering van Christus en Zijn volgelingen, en alle anderen van die reine schare, van welken de klederen wit gewassen zijn in het bloed des Lams, en al die talrijke miljoenen, die niemand tellen kan, van welken de hoofden nu in dat beste van alle landen om niet gekroond zijn, en die een stuk vrije genade zijn, zouden in het geheel niet in de hemel geweest zijn, om daar vrije bewoners en gebruikers te zijn van het goed van de verhoogde Verlosser, de Mens Jezus Christus; er zou niemand in de hemel het vruchtgebruik van vergevende ontferming genieten. O, wat een diepte van onnaspeurlijke wijsheid vertoont zich in het bedenken van dat liefelijk plan van vrije genade en daarin, dat die rivier en zee van grenzeloze liefde door en binnen de oevers van zo’n modderig, zwart en besmet kanaal zou lopen, als de overtredingen en de zonde van de kinderen Adams! En dat langs de oevers van die diepe rivier tot in alle eeuwigheid zulke rozen en Paradijsleliën zouden groeien, uitbotten en bloeien, om een geur van de hemel van zich te geven, voor mensen en engelen, van vergevende ontferming over zondaren, van vrije en rijke genade aan verraders van de Kroon van de hemel, de Godsliefde van Christus Jezus tot de mens. Komt verwarmt uw harten, als met verstandelijke vermogens begiftigd, aan dit vuur! O komt, al gij geschapen vermogens, en ruikt de kostbare oliën van Christus, o komt, zit neer onder Zijn schaduw, proeft en eet de appelen des levens! O, dat engelen en geslachten van mensen kwamen, om zich te verwonderen, te bewonderen, te aanbidden en neer te vallen voor de ondoorgrondelijke wijsheid van deze Evangeliekunst van de onnaspeurlijke rijkdommen van Christus.
13. Indien dan de liefde, zulke diepe evangelische liefde veracht wordt, doordat bankroetiers huwelijksliefde en de liefde van een Borg versmaden, en zij sterven onder de schuld, dat zij verbondsliefde, liefde, welke met bloed bezegeld is, met voeten vertreden hebben, dan zullen zij gearresteerd worden onder de droevigste beschuldiging van de wraak van het Evangelie. Wanneer uit de mond van Christus gehoord wordt: "Ik heb u willen zaligmaken, maar gij hebt niet gewild", dan zal dit het zegel zetten op al de vloeken van de wet, welke de wraak van het eeuwige vuur te boven gaan. In deze droevige tijden wil men, òf de genade van Christus achten als een nul in ‘t cijfer, die nochtans alle dingen doet, hetwelk de wulpse losbandigheid van de Antinomianen is, òf, men wil, dat de vrije wil alles doet en de genade niets, en dat de natuur de scheidsrechter en de opperste macht zal zijn, en genade de dienstknecht en onderdaan; hetwelk de hoogmoed van de Arminianen is; uit vrees, dat zij Jezus Christus te veel verplicht zullen zijn, en dat het bezit van de hemel op een acte van al te vrije genade berust. Gewis, het Evangelie bewandelt hier een middelweg. Het verschil tussen witte en zwarte duivels moet ons niet misleiden, want zij zijn beiden zwart, en gaan de kant uit van de donkerheid van de duisternis; zij scheiden de ziel van Christus, en liggen een nieuwe Noordwesten weg aan naar dan hemel, opdat niet de Overste Leidsman van onze zaligheid, Die vele kinderen tot heerlijkheid leidt, onze Gids naar de hemel zijn zou, maar, òf, losbandigheid zonder wet, òf heerszuchtige hoogmoed zonder de genade van het Evangelie. Nu, de God des vredes Zelf bevestige u in Zijn waarheid, en moge Hij ons, in zo’n een doornig woud van valse christussen en valse leraars, de Morgenster geven, opdat wij tot de heerlijkheid geleid mogen worden, door Hem, Die de weg kent, en die de Weg, de Waarheid en het Leven is.
De uwe in de Heere Jezus,
S. R.
Vers 27. Nu is Mijn ziel ontroerd; en wat zal Ik zeggen? Vader, verlos Mij uit deze ure! Maar hierom ben Ik in deze ure gekomen.
Vers 28. Vader, verheerlijk Uw Naam. Er kwam dan een stem uit den hemel, zeggende: En Ik heb Hem verheerlijkt, en Ik zal Hem wederom verheerlijken.
Men is het er niet over eens, of deze woorden, welke onze Zaligmaker in de ontroering van Zijn ziel uitsprak, dezelfde woorden en hetzelfde gebed zijn, welke in Matth. 26 en in Lucas 22 worden opgetekend, nl.: "Mijn Vader, indien het mogelijk is, laat deze drinkbeker van Mij voorbijgaan", toen Hij in de hof zeer beangst en Zijn ziel geheel bedroefd was. Sommigen denken, dat het dezelfde zijn, anderen weer niet. Het is duidelijk, dat het woorden zijn, die dezelfde zaak behelzen. 1e Was Christus, toen Hij deze woorden uitsprak, Zijn lijden nabij en op de oever van die afgrijselijke en donkere zee van Zijn allerhoogste smart, toen Hij optrok tegen de hel, en de legermachten van de duisternis, zoals de geschiedenis aantoont. Dat echter de Heere deze woorden in de hof, en niet eerder, uitsprak, is niet waarschijnlijk, omdat op dit gebed volgt: "er kwam dan een stem uit de hemel, enz." Een stem sprak tot Hem uit de hemel. Nu is het niet waarschijnlijk, dat bij de gelegenheid, welke in Matth. 26 en Luk. 22 verhaald wordt, een stem van de hemel kwam, want toen Hij in Zijn angst bad, was er niemand bij Hem, zoals hier. Hier was een schare tegenwoordig, want "sommigen zeiden, dat er een donderslag geschied was; anderen zeiden: Een engel heeft tot Hem gesproken". Toen Christus in de hof bad: "Mijn Vader, enz.", was niemand met Hem behalve Petrus, Jacobus en Johannes, de drie vermaarde getuigen van Zijn ontzaglijk lijden, en van Zijn jonge hemel, Zijn verheerlijking op de berg, toen Hij, als het ware, het voorspel speelde, en hun het beeld en een voorstelling van de hemel liet zien, zoals klaar blijkt uit Matth. 26:37, want toen was Hij van hen weggegaan (Matth. 26:39; Luk. 22:41), en zij waren in slaap gevallen, terwijl Hij in beangstheid was (Matth. 26:40, 43, 45). Maar hier is een wakende schare met Christus, die Zijn stem hoort. Ik ontken echter niet, dat het, wat de zin betreft, dezelfde bede is. Veronderstelt bijvoorbeeld, dat aan een godzalig mens geopenbaard is, dat hij een uiterst gewelddadige en pijnlijke dood zal sterven, en dat hij bovendien onder een vreselijke zielsverlating zal komen, als een beeld van de tweede dood; wat zal het hem met schrik vervullen, als hij hieraan denkt, en hij zal wel bidden, dat de Heere hem van die droevige ure wil verlossen, of hem genade geven, die met geloof en moed in de Heere te kunnen verdragen. Zo is het ook hier. Christus, God en mens, wetende, dat Hij de verschrikkingen van de eerste en tweede dood zal moeten doorstaan, overweegt van tevoren (de tijd nabij zijnde) de droefheid en de angst van het hart, welke Hij in Zijn uiterste lijden zal moeten ondergaan.
Het is goed, dat wij ons lijden overwegen, eer het komt
Het zal ons ook nuttig zijn, het kruis te overdenken, eer het komt, en als bij wijze van proef het kruis van Christus eens op te lichten, voor de tijd om het te dragen daar is, en als om te beproeven, hoe gewillig wij rug en schouders zullen zetten onder het kruis van Christus. Ik wil hiermee niet zeggen, dat wij die martelaar moeten navolgen, die de nacht voor zijn lijden zijn hand in het vuur stak, om te beproeven of hij het zou kunnen doorstaan, levend verbrand te worden; maar dat wij tevoren eens zullen overwegen, hoe het gaan zal, wanneer het zo ver komt (evenals Christus, wetende, dat Zijn lijden weldra komen zal, vooraf de droefheid en zielsontroering overweegt, en van tevoren bidt), en ons het zwaarste voorstellen; het kruis als vervroegen en met ons hart zeggen: Laat het ergste maar komen., of dat wij onze vrees maar laten profeteren, evenals Job in hfdst. 3:25, en zeggen: "Veronderstelt, dat het allerergste mij overkomt; ik weet wat ik doen zal." Evenals de onrechtvaardige rentmeester van tevoren de weg vaststelt, hoe hij al zijn zwarigheden zal doorkomen (Luk. 16:4). De Heere stelt Zich het gericht voor, en wat zij, die nu van alle bidden en godsdienst spuwen, in de tijd van hun uiterste nood bidden zullen, zij ook op hun manier godsdienstig zullen zijn, en uitschreeuwen zullen: "Bergen en steenrotsen valt op ons, en verbergt ons van het aangezicht van Degene, Die op de troon zit, en van de toorn des Lams!" (Openb. 6:16). U kunt niet geloven, dat een Lam de koningen van de aarde, de groten en de rijken, alle dienstbaren en alle vrijen drijven zal, zodat zij zich zullen verbergen in de holen van de bergen en in de kloven van de steenrotsen. Maar de Heere werkt toorn en gericht voor uw ogen. De mensen willen niet eens de mogelijkheid overdenken, dat de geschiedenis van de hel waar is. Spreekt slechts bij uzelf: "O, zal ik wenen, en mijn tong kauwen van pijn in een poel van vuur en sulfer?" Beeldt u eens in, bid ik u, hoe u te moede zult zijn, welke gedachten u zult hebben, wat u zult doen, wanneer u (2 Thess. 1:9) zult tot straf lijden, het eeuwig verderf van het aangezicht des Heeren, en van de heerlijkheid Zijner sterkte. 1. Voorgeziene smarten maken niet zo’n diepe indruk op de geest. 2. Genade is een goed doordacht en vastbesloten iets, en zegt, met het oog op de voorzienigheid, in alles, wat haar zou kunnen overkomen: "Hoe zal het gaan, wanneer mijn karmozijn de drek omhelst, en de Voorzienigheid het blad omkeert?" 3. Het is de wijsheid eigen (genade is wijs, om van ver te zien) vooraf gelovig werkzaam te zijn, en het besluit te nemen, stil onder Gods voeten te liggen en zich nederig aan God over te geven, als in 2 Sam. 15:25,26.
In de klacht zullen wij letten; 1. op het onderwerp van de klacht: De ontroerde ziel des Heeren. 2. Op de tijd: Nu is Mijn ziel ontroerd. 3. Op de angst, die Christus aangreep door deze ontroering: "Wat zal Ik zeggen?" Of zoals de zin is: "Wat zal Ik doen?" 4. Daarop, dat in de storm een kust, in de woedende zee een rots, als dichtbij zijnde, gezien wordt. Wat zult Gij zeggen, Heere Jezus; wat zult Gij doen? Bidden, en Hij bidt: "Vader, verlos Mij uit deze ure." 5. Daarop, dat er iets als een bestraffing, of liever een inbinding is: Maar hierom ben Ik in deze ure gekomen." De Heere, Zijn smart vergetende, omhelst deze boze ure. 6. Daarop, dat Hij, vastbesloten deze droevige ure niet te ontwijken, bidt: "Vader, verheerlijk Uw Naam."
Vijf bijzonderheden in de zielsontroering van Christus
1. In de behandeling van het eerste punt, de zielsontroering des Heeren, zullen wij overwegen: 1. Hoe die met vrede bestaan kan. 2. Hoe met de personele vereniging. 3. Welke reden er was. 4. Welke liefde en ontferming in Jezus was, om zo voor ons ontroerd te zijn. 5 Welk gebruik wij hiervan moeten maken.
De volmaaktheid van de aandoeningen van Christus
1e Stelling. Deze heilige, dus ontroerde ziel was als de aarde voor de val, waaruit, voordat zij vervloekt was, rozen ontsproten, zonder doornen en waaruit geen distelen voortkwamen. De toorn van Christus en Zijn droefheid, waren bloemen, die naar de hemel roken, en niet naar de zonde.
Hoe zuiver en hemels de aandoeningen van Christus zijn
Al Zijn aandoeningen van vrees, droefheid, treurigheid, hoop, blijdschap, liefde en verlangen waren als een fontein van vloeibaar en gesmolten zilver, welker boorden en hoofdbron allen zo vrij van droesem zijn, als zuiver kristal; zo’n Fontein kan geen klei, modder of vuil opwerpen. Toen Zijn aandoeningen hoger rezen en toenamen in haar werkingen, was elke druppel uit de fontein zondeloos, versierd met, en welriekend door genade. Hoe meer een bron van rozenwater, of welke andere kostbare vloeistof ook, in beweging gebracht of geroerd wordt, hoe liefelijker geur zij van zich geeft. Wanneer een zomerkoelte over een veld liefelijke rozen waait, wordt de lucht bezwangerd met een aangename en heerlijke geur.
Onze aandoeningen zijn bemodderd
Bij ons is zoveel modder en droesem op de bodem en aan de wanden van onze aandoeningen, dat, wanneer onze toorn, droefheid, treurigheid of vrees in werking komt, onze fontein zonde opwerpt. Wij kunnen niet liefhebben, of wij begeren; niet vrezen, of wij wanhopen; ons niet verheugen, of wij zijn wulps, ijdel en pronkziek; niet geloven, of wij zijn vermetel. Wij ademen zonde uit; wij geven een reuk van de hel van ons af, wanneer de wind over ons veld van onkruid en distelen gaat. Onze ziel brengt slechts wild graan voort; het gedichtsel van de gedachten van onze harten is alleen boos van onze jeugd af. O, dat het Christus beliefde, enige van Zijn bloemen in onze ziel te planten en de grond te zegenen, opdat zij daar voorspoedig mochten groeien, verwarmd en gevoed door zijn. Wanneer van binnen genade is, openbaart zij zich onder zware verdrukkingen naar buiten. Een heilige is een heilige, ook in verdrukking, evenals een huichelaar een huichelaar, en een ieder zichzelf is; en wanneer hij in de smeltkroes is, geeft hij een geur van zich af, zoals hij is. De ontroerde Christus bidt; de verzochte Job gelooft; (Job 19:25) de gegeselde apostelen zijn verblijd; (Hand. 5:41). Jona in de buik van de vis ziet op naar de tempel van Gods heiligheid. (Jona 2:4).
2e Stelling. De aandoeningen van Christus zijn redelijk; de rede ontstelt door vrees; rede en aandoening ontlopen elkaar niet. Joh. 11:33). Als Christus Zijn vrienden ziet wenen, weent Hij met hen. Wat in onze tekst uitgedrukt is, in de lijdenden vorm: "Mijn ziel is ontroerd", is daar uitgedrukt in de bedrijvende vorm: Hij ontroerde zichzelf; Hij riep Zijn aandoeningen op en genade en licht waren heer en meester over Zijn aandoeningen. Er zijn in Christus drie dingen, die niet in ons zijn. Ten eerste: de Godheid persoonlijk verenigd met een Mens, en de ziel van een Mens had een onmiddellijke invloed op Zijn aandoeningen. Dit was het persoonlijk voorrecht van Christus, en, dat wij dit missen is onze zonde niet; het te hebben, was Christus’ eer. Hoe nader iemand bij God is, hoe hemelser zijn aandoeningen zijn. Toen God de menselijke natuur en de menselijke ziel van Christus formeerde, schiep Hij een edeler en wonderlijker voortbrengsel dan de eerste Adam was. Het is waar, Hij was ons in alle dingen gelijk, uitgenomen de zonde, en wezenlijk een mens, maar in de voortbrenging van Christus was een groter openbaring van de kunst van de hemel dan in het formeren van Adam, of van het menselijk geslacht; ook al had de mens nooit gezondigd. Nooit werd een mens geboren, zoals Hij, volgens Luk. 1:35, "de kracht des Allerhoogste zal u overschaduwen." Vergunt mij daarom, dat ik van gedachte ben, dat er meer van God in de menselijke natuur van Christus is, omdat die natuur een vat is, afkomstig uit het huis van de Pottenbakker, dan ooit in Adam, of enig levend mens was, ook al had de mens nooit gezondigd. Ik bedoel, dat Hij een menselijke ziel van edeler bouw en maaksel had, waarin de Heilige Geest, in de daad van heiligmaking, een hogere hand had, dan toen Adam naar het beeld Gods geschapen werd, hoewel Hij een mens was, die in alle dingen ons gelijk was, uitgenomen de zonde.
3e Stelling. Onloochenbaar ging genade zodanig samen met de natuur, dat Hij niet meer kon vrezen dan de zaak vereiste. Indien al de sterkte van mensen en engelen in één persoon was samengevat, dan zou deze in hoger mate ontroerd zijn geworden dan Christus. Zoveel ontroering als er in de aandoeningen van Christus was, zoveel rede was er ook, en die was welriekende gemaakt door, en versierd met genade. Hij was niet als een mens, die in zijn verstandelijke vermogens wijs is, of begeert te zijn, boven hetgeen hij behoort te zijn, zoals Adam en Eva, en alle mensen nu behept zijn met de kwaal van nieuwsgierigheid. Zijn aandoeningen gingen ook niet buiten hun oevers. Hij zag de zwartste en donkerste ure, die ooit over iemand gekomen is. Veronderstelt, dat al het lieden van de verdoemden, de eeuwigheid door, hun in een gezicht werd voorgesteld, of ineens over hen kwam; het zou allen, die nu in de hel zijn of komen zullen, vernietigen. Christus zag, of voorzag zulk zwaar lijden, en toch geloofde, bad en hoopte Hij; Hij was er bemoedigd onder en leed het tot het uiterste, met alle lijdzaamheid; Hij verheugde zich in hoop. (Ps. 16:9). Onze aandoeningen verheffen zich en rijzen op voor de rede; zij ontstaan dikwijls door inbeelding en zitten al te paard en zijn in de wapenen als zich maar een strootje verroert; zij missen die helderheid en klaarheid van genade, die Christus had door hebbelijke genade, welke in Hem de natuur volgde van de baarmoeder af; wij kunnen onze aandoeningen opwekken, doch die niet tot bedaren brengen, evenals sommige tovenaars de duivel kunnen opwekken, maar hem niet kunnen bezweren of bevelen; of zoals sommigen oorlog kunnen maken, doch geen vrede kunnen scheppen. Het is laster, wat de Papisten zeggen, dat Calvijn leerde, dat er wanhoop of enige ongesteldheid van de rede in Christus was, daar hij integendeel zegt: Hij geloofde nog met volle verzekerdheid. Dit hoogtepunt van zielsontroering was allerredelijkst, omdat zij voortvloeide uit de onfeilbare bevatting van de allersterkste oorzaak van zielsontroering, welke ooit in enig levend mens was.
Welke vrede Christus had in Zijn zielsontroering
4e Stelling. Christus had toen, en ten allen tijde, zedelijke vrede of de genade van de vrede, zoals vrede staat tegenover het beschuldigend woeden van het geweten. Ten eerste: Hem kon nooit geloof ontbreken, dat een klaarheid, gerustheid en stilheid van de ziel is, en een verzekering van de liefde Gods. Ten tweede: Hij was niet vatbaar voor twijfeling, of voor zondige onrust van het gemoed, omdat Hij geen geweten van schuld kon hebben, waardoor de liefde en de teerste gunst Zijns Vaders tot Hem bewolkt konden worden. Maar zoals vrede staat tegenover smart en een gevoel van toorn en straf, wegens de schuld van onze zonde, zo miste Hij fysieke vrede, en was Hij nu onder strafschuldige verwarring en onrust van de ziel. Zo zien wij sommigen, die vrede hebben, maar geen vergeving, zoals die geruste zondaren, waarvan wij lezen in 1 Thess. 5:3. Ten tweede: sommigen hebben vergeving, maar geen vrede, zoals David (Ps. 38:4), die geen vrede in zijn beenderen had, en die (vs. 9) klaagt: "ik ben verzwakt, en uitermate zeer verbrijzeld; ik brul van het geruis mijns harten.". Zo ook de ontroerde Kerk in Ps. 77:2–5. Sommigen hebben zowel vrede als vergeving, zoals Stefanus, die zo nabij de kroon was, dat hij het aanklagend geweten te boven was. Het is alsof de Satan dezulken, die zo na aan het eind van hun loopbaan gekomen zijn, opgeeft, en over hen wanhoopt, wetende, dat die niet meer te overvallen zijn. Wanneer de zon pas opkomt, vergulden haar stralen de toppen van de groene bergen, die naar het oosten zien, en de ganse wereld kan niet verhinderen, dat de zon opgaat; zo zijn sommigen de hemel zo nabij, dat de eeuwige Zon een begin gemaakt heeft, een eeuwige dag van de heerlijkheid over hen te doen aanbreken; het licht, dat afstraalt van het aangezicht van Hem, Die op de troon zit, zet de ziel in zulk een gouden glans, dat er geen mogelijkheid is, dat de vrede in die ziel bewolkt, of dat het daglicht verhinderd wordt. Sommigen hebben noch vrede, noch vergeving; zoals zij in welken hun ziel de hel ontstoken is. Christus had nooit behoefte aan vergeving, Hij kon alles betalen, wat Hij schuldig was; Hij had de genade van de vergeving niet nodig, noch genade om gespaard te worden. God spaarde Hem niet. God kon niet minder bloed van Hem afvorderen dan Hij vergoot; Hij ontving een vrijspraak van rechtvaardiging, nooit vergeving uit genade (1 Tim. 3:16). Hij is gerechtvaardigd in de Geest.
Een ontroerde ziel bestaanbaar met de personele vereniging. Hoe dit zijn moet en hoe dit zijn kan
Het tweede punt is, hoe een ontroerde ziel bestaan kan met een personele vereniging. Kan God, kan de ziel Gods ontroerd worden? Ik zal aantonen: Ten eerste, hoe dit zijn moet. Ten tweede, hoe dit zijn kan. Ten eerste: Het moet zo zijn, omdat het verlies van de hemel het grootste verlies is. Een koning vrij te kopen, vereist meer miljoenen, dan er stuivers nodig zijn om slaven vrij te kopen. Toen wij alles verbeterd hadden, en weggeworpen werden, werden meer dan honderd vier en veertig duizend koningen (in Gods besluit waren zij koningen) uit de hemel geworpen. Waar was op aarde het goud te vinden om de hemel en zoveel koningen te kopen? En toch, de rechtvaardigheid moet voldaan worden; een God-ontroerde Zaligmaker, en een zielontroerde God was niet te veel. "O, zegt Liefde tot oneindige Rechtvaardigheid, wat wilt Gij voor Mij geven; wilt Gij Mij kopen en Mijn geliefde kinderen, de erfgenamen van eeuwige genade?" Van een prijs beneden de waarde van zoveel kortingen kon Rechtvaardigheid niet horen; hij moet gelijkmatig zijn of hoger.
Ten tweede. De wet kan zich niet gerust te slapen leggen met de voldoening van de zielsontroering van een mens, want evenals de zonde de ziel van een oneindige God ontroert, zover tenminste onze pijlen tegen de Zon kunnen opvliegen, zo ook moet de ontroering van de ziel van Hem, Die God is, de zonde boeten.
Ten derde. De hemel is niet alleen een zeer voortreffelijk juweel, kostbaar in zichzelf, maar onze Vader wilde opstandelingen met het kindschap en een koninkrijk begiftigen tot een prijs, die, zelfs naar onze wettische schatting, hoog is. Waarop komt mijn kroon God te staan? Wel, zij kon nooit duurder betaald worden. De ziel Gods werd er voor opgewogen, opdat niet alleen de vrijheid van de gift, maar ook de hoogste prijs, die ooit betaald is, zondaren de liefde van Christus boven alle hemelen zou doen prijzen en verheffen.
Ten vierde. Indien mijn ziel of uw ziel, o, gij verlosten des Heeren, elk afzonderlijk geschat kon worden op een waarde van tien duizend miljoen zielen, en even zoveel hemelen, dan kon zij de ziel Gods niet in waarde te boven gaan; de ziel, die op een heerlijke wijze, door inwoning met God, verenigd is. Het verlies van de hemel, al was het maar voor een tijd, was voor de ontroerde ziel van deze Edele en Hoge en Verhevene meer en oneindig groter, dan dat ik en al de heiligen de hemel voor eeuwig verloren.
God vorderde de voldoening voor de zonde niet krachtens noodzakelijkheid van Zijn natuur
Ten vijfde. Ik wil hier niet redetwisten, maar God kon, indien wij over Zijn volstrekte macht spreken, zonder opzicht op Zijn vrijmachtig besluit, de zonde zonder rantsoen vergeven hebben, en alle mensenkinderen en gevallen engelen met de hemel begiftigd hebben, zonder enige voldoening, of van de zondaar, of van zijn Borg. God straft de zonde niet, noch biedt de hemel aan mensen of engelen aan, krachtens noodzaak van Zijn natuur, evenals het vuur warmte uitstraalt en de zon licht, maar vrijwillig. Alleen op de veronderstelling van dat samenstel van de voorzienigheid, en dit besluiten, om zondaren te stralen en te verlossen, dat nu is, kon de Heere niet anders dan onveranderlijk zijn in Zijn besluiten; dit is slechts een voorwaardelijke noodzakelijkheid, doch slechts in de tweede plaats. Maar zo staat de zaak: God heeft, in de diepte van Zijn eeuwige wijsheid, het voornemen en plan, om verloren mensen zalig te maken, zo gevormd en gemaakt, dat de zaligheid door geen ander kanaal zal lopen, dan een zodanige, van welke de oever de meest vrije en de teerste liefde zal zijn, die in het hart van mensen en engelen kan opkomen, want Hij trok de lijnen van onze hemel, de gehele weg langs, door genade.
Ten tweede. Genade kan moeilijk anders werken dan door keuze en vrije beslissing; keuze en verkiezing zijn gepast voor genade. Daarom werpt genade het lot over mensen, niet over gevallen engelen, en het eeuwig lot van zeer voortreffelijke ontferming wordt in de schoot van Jacob en enige anderen geworpen, en het valt niet op Ezau en anderen. Onze Heere bedacht deze schone weg, om ons Zijn genade te betonen.
Hoe beminnelijk de weg van de genade is
Ten derde. Hij wilde niet, dat liefde eeuwig in Zijn ingewanden zou besloten blijven, maar Hij wilde een weg beramen, om grenzeloze ontferming op de Beurs, of bij de Bank te brengen, om langs die weg handel te drijven in liefde en ontferming, zonder er Zelf iets bij te winnen. Daarom stelde onze Heere Zich vrijwillig Borg, en onder een liefelijke noodzakelijkheid, Zichzelf te dwingen liefde uit te laten, in het geven van Zijn enige Zoon, (Hij had geen anderen) om voor mensen te sterven. Hij formeerde een bovennatuurlijke voorzienigheid van de rijkste genade en liefde, om het uitvaagsel van de schepselen, goddeloze zondaren, te kopen, door in een ongeëvenaard voorbeeld van tere liefde, Hem, Die van Koninklijke bloede van de hemel was, de eeuwige Spruite van de Prinselijke en Koninklijke Godheid, tot een rantsoen te geven aan de Gerechtigheid. U zondigt, zegt de Liefde der liefden, en Ik lijd; u doet kwaad, Ik maak het goed; u zondigt en zingt in uw vleselijk vreugde, Ik zucht; Ik ween, om uw blijdschap. Het schoonste aangezicht, dat ooit was, was bemodderd van wenen over uw zondige vreugde Het was betamelijk, dat vrije liefde, in de ingewanden van Christus, de weg naar de hemel door vrije liefde beramen zou. Nooit zouden wij met zoveel gevoel en verwondering onze kronen in de hemel neerwerpen aan de voeten van Hem, Die op de troon zit, indien wij de kroon moesten verkrijgen door doen naar de wet, en niet door evangelisch vertrouwen op een rijke Rantsoenbetaler. O, dat eeuwig onthaal op de honingraat van de liefdeschuld aan het Lam, dat ons om niet verloste. Al de schouders in de hemel zijn eeuwiglijk bezig, om de vrije liefde van Christus te verheffen en te verhogen, Die hen met zo’n vrije verlossing verlost heeft; doch zij zijn niet in staat, hoewel de engelen hen helpen, om Hem hoog genoeg te verheffen; het is zo’n zware kroon, waarmee de Prinsverlosser gekroond is, dat zij er, in zekere zin, moe van worden, omdat zij haar nooit genoeg verhogen kunnen.
Christus in zielsontroering, en nochtans de vereniging van de twee naturen niet ontbonden
Nu, dit moet een verborgenheid zijn; want, hoewel het wezen Gods, en meer van God, dan in enig schepsel zijn kan, in Christus was; en wel op de alleredelste wijze van vereniging, namelijk personeel; en dat, evenals onze ziel, die met een stoffelijk lichaam verenigd is, dat groeit, slaapt, eet en drinkt, nochtans niet groeit, slaapt of eet; en evenals het vuur vermengd of verenigd is met een gloeiend ijzer, waarin dichtheid en zwaarte is, terwijl er nochtans geen dichtheid of zwaarte in het vuur is; zo ook hier, hoewel de Godheid, in haar volheid, op de allernauwste wijze verenigd is met een ontroerde en overstelpte ziel, en met de lijdende natuur van een Mens, nochtans de Godheid vrij is van lijden, of enige strafschuldige zwakheid van de ziel. De sterkte en kleur van een schone roos kunnen lijden door de felle hitte van de zon, zonder dat de geur er door lijdt, ja, die kan door uitwaseming zelfs vermeerderd zijn. Toch gaan deze vergelijkingen nog in grote mate mank, omdat, hoewel de ziel niet ziek kan zijn, door de ongesteldheid van het lichaam, (aangezien er niets van de natuur, waarin het lichaam bestaat, noch enige matiging van de lichamelijke neigingen van het lichaam in de ziel is, omdat die van een verhevener en zuiverder samenstel is), er nochtans zo’n nauw verband en algeheel samenleven tussen ziel en lichaam is, dat de ziel door bijkomst en medegevoel ook lijdt. Evenals hij, die in het huis woont, er de meeste last van heeft, dat het doorregent en doorlekt, zo ook heeft de ziel last van het roken en het doorlekken van droefheid, doordat zij gebonden is aan een woning van ziek leem, en zo komt zij er toe, te wensen, dat er maar een gat in de wand was, of, dat zij door een deur of een venster kon ontsnappen. Onze geesten kunnen dikwijls zo bevangen zijn met een tegenzin in het leven, vanwege de bittere omstandigheden, die het vergezellen, dat zij de winst van het leven niet zo hoog schatten, dat die de onkosten kan goed maken. Maar de gezegende Godheid, verenigd met de mensheid, kan vanwege dat gezelschap niet ziek zijn, smart hebben, of lijden; ook kan de Godheid de vereniging met een ontroerde ziel niet moe zijn. Wij zijn van gedachte, dat in het graf en de dood die heerlijke gemeenschap nooit verbroken is.
Ten tweede. Vele zaken kunnen lijden door krachtige aanvallen. Wanneer men een pijl tegen een koperen muur schiet, kan er een indruk van in de muur achterblijven, als een bewijs van het geweld, dat er op uitgeoefend is. Zo lezen wij: "zij zullen tegen u strijden, maar tegen u niet vermogen". De gezegende Godheid in Christus is niet vatbaar voor een pijl, of voor terugkaatsing; tegen God is niets te beginnen. Hij heeft hier niets van een kust, oever of verschansing; Hij is niet vatbaar om door een spetter of een druppel van een golf geraakt te worden. Alleen de Mens Christus, de Roos van de hemel, had in Zijn schoot, bij Zijn wortel, een fontein, o, zo diep en verkwikkelijk, welke de Bloem fris hield in de dood en het graf! Toen zij afgeplukt was, was zij schoon, krachtig, fris voor de zon; aldus afgeplukt en boven de aarde, bloeide Hij schoon.
Ten derde. Het waren niet alleen de invloed en de uitwerkingen van de heerlijke Godheid, welke deze Bloem bevochtigden en de sterkte in Christus staande hielden, (naar mijn mening, kan God een verdoemd mens, in verdubbelde pijnigingen van eeuwige toorn, door sterkte van genade, moed, geloof en de liefde van Christus, tot in eeuwigheid, bewaren, zodat hel en duivelen hem niet kunnen overwinnen), maar ook de personele volheid van de Godheid ondersteunde onmiddellijk de Mens Christus. Het was geen vertroosting bij volmacht, geen gezonden hulp, geen boodschap van geschapen liefde, niet een geleend vloeien van een zee van liefelijkheid van vertroosting, maar God in Eigen Persoon, oneindige zelfstandigheid. De persoonlijkheid van de Zoon van God droeg al Zijn lijden; de mensheid was versterkt en van alles voorzien in de zelfstandigheid van de Boom des levens. Het is waar, God is voor Zijn heiligen krachtiglijk bevonden een Hulp in benauwdheid, doch dat helpen bestaat in hetgeen Hij doet en werkt, niet in een personele vereniging met de ziel.
De Familisten leren, dat Christus vlees geworden is in de gelovigen
Het is gruwelijk, wat sommige Familisten leren, dat, gelijk Christus eens vlees geworden is, Hij zo eerst vlees in ons geworden is, eer wij tot volmaaktheid gebracht worden. Immers, geen heilige op aarde kan zo persoonlijk met God verenigd zijn, als de Zoon des mensen, want Hij, Die is geworden uit een vrouw, uit het zaad van David, de Zoon des mensen, Hij, en niemand dan Hij, is de eeuwige Zoon van God, de eeuwig volzalige God. Het Kind, dat ons geboren is, is de sterke God, de Vader der eeuwigheid, de Vredevorst. (Jes. 9:6; Rom. 9:5; Gal. 4:4). Er is een groot onderscheid tussen Hem, de tweede Adam, en alle mensen, zelfs de eerste Adam in zijn volmaaktheid. (1 Kor. 15:47). Indien Christus leed zonder verbreking van de vereniging, terwijl God de lemen hut bewaarde, en die in een personele vereniging met Zich naar de hemel voerde, dan kan God ook in de diepste verlating in de heiligen wonen. Wij klagen in onze zielsontroering, dat Christus van ons vertrokken is, maar Hij is niet weggegaan; ons gevoel is onze Bijbel niet, noch een goede regel; dit kompas wijst niet zuiver.
Christus leed in Zijn ziel een zuiver zielelijden, en niet alleen door de vereniging van de ziel met het lichaam
De derde bijzonderheid in ons eerste punt was de oorzaak, of: Welke reden er was. De Papisten zeggen, dat er geen andere reden was voor het zielelijden van Christus, dan medegevoel met het lichaam. Wij geloven, dat toen Christus voor ons Borg werd, niet alleen Zijn lichaam, maar ook Zijn ziel onder die noodzakelijkheid kwam, dat Zijn ziel in de plaats van onze ziel kwam. Het betaamde onze Borg van de rechtvaardigheid hetzelfde te lijden, wat onze zielen eeuwiglijk schuldig waren. (Jes. 53:10). Hij stelde Zijne ziel tot een schuldoffer. Gewis om onze zonden. Wij moeten de ziel ook niet bepalen tot het lichaam en het tijdelijk leven, ziende, hoe Hij het met Zijn eigen woorden uitdrukt: "Nu is Mijn ziel ontroerd."
Ten tweede: Er was geen reden voor lichamelijk lijden van Christus, toen Hij in de hof bloed voor ons zweette; niemand had op dat tijdstip de handen aan Hem geslagen, en al die angst, welke over Hem kwam, was niets andere dan zielsangst.
De dierbare ziel van Christus was aan lijden onderhevig
Ten derde: Het kan ook niet meer onbestaanbaar zijn met Zijn gezegende Persoon, Die God en mens, en de Zoon van God was, dat Hij in Zijn ziel de toorn van God voor onze zonden droeg, dan, dat Zijne ziel ontroerd, geheel bedroefd ter dood toe, en zeer beangst was, en dat Hij klaagde: "Mijn God, Mijn God, waarom hebt Gij Mij verlaten!" Zijn ziel was ontroerd voor zondaren; het was het lijden als Borg. Het heerlijkste en meest grootse werkstuk van Gods schepping en voor God het dierbaarste, volgende op de Godmens, was de vorstelijke ziel van Christus; het was de ziel van een Koning. Nochtans kwam zij, vanwege de zonde, onder de dood, en dat onder geen gewone dood, maar onder die, welke het merg van de dood is, de eerstgeboren en de sterkste dood, de toorn Gods, de zuivere pijn of smart van de hel, vrij van wanhoop en van de haat van God. Als ik een hel moest hebben, dan zou ik zo’n zuivere hel verkiezen, zoals die van Christus. Het is beter, duizendmaal kwaad te lijden dan te zondigen. Het is beter, het lijden te verkiezen dan de zonde. Het was smart, en niets dan smart. Verdoemde mensen en verworpen engelen zijn niet vatbaar voor een zuivere hel in de vrees Gods. Zij kunnen het lijden van de hel niet verkiezen, zonder te spuwen op de schone en vlekkeloze rechtvaardigheid. Omdat het bloed van Christus de zonde zou wegwassen, kon Hij niet beide de schuld volkomen betalen en die ook op Zich nemen. Indien het echter zo is, dat de dood zo’n kostbare Borg vindende, als de vorstelijke ziel van Christus was, Hem de wet van het land deed gehoorzamen, eer Hij uit dat land ontkwam; is het dan een wonder, dat wij sterven, die in het land van de dood geboren zijn? Geen schepsel, dat niet in barensnood is met de dood in zijn boezem, of met een neiging tot die moeder-niets, waaruit het voortkwam; God alleen staat tussen de machtigste engel in de hemel en niets.
Wij moeten de dood in lijdzaamheid verdragen, ziende, dat ook Christus gestorven is
Al het ondermaanse moet aan de ijdelheid en de dood onderworpen zijn, als de Erfgenaam van alle dingen, onder sterfelijke schepselen inkomende, overeenkomstig het Godsbestel, naar de wet, moet sterven. Indien de ziel des Heeren, de ziel van zo’n Heere sterven en toorn ondergaan moet, laat dan het schone aangezicht van de wereld, laten dan de hemelen betrekken als het aangezicht van een bevende oud man met grijze haren en diepe rimpels. (Ps. 102:27). Laat dan de mens zich spoeden naar zijn eeuwig huis; laat dan de tijd oud en grijs worden. Waarom zou ik verlangen hier te blijven, wanneer Christus hier niet blijven kon?
Het is geen wonder, dat alle dingen aan verandering onderhevig zijn, als zelfs Christus’ ziel ontroerd was
Indien deze vlekkeloze ziel, die nooit zondigde, ontroerd was, is het dan wonder, dat veel ontroeringen het deel van de zondaar zijn? Onze Zaligmaker, Die zielerust aan anderen belooft, kon Zelf geen rust van de ziel hebben. Zijn ziel werd hevig heen en weer geslingerd, en alle schepselen worden geslingerd en zijn in beweging. Er is, sinds Adam zondigde, geen schepsel, dat rustig slaapt. Moeheid en beweging is het deel van zon en maan en alle schepselen onder de zon. Zeeën ebben en vloeien; dat is onrust. Winden waaien, rivieren stromen, de hemelen en sterren hebben nu bijna zesduizend jaar, eenmaal uitgezonderd, nooit vijf minuten rust gehad; levende schepselen gaan snel de dood tegemoet; koninkrijken en steden wemelen op en neer op het rad van veranderingen; mensenkinderen lopen, en lichaams- en zielsontroering onderworpen zijnde, zijn zij rusteloos en gaan te voet, terwijl het bed koningen geen rust geeft. De zesdaagse schepping is in barensnood en schreeuwt uit in haar weeën, en nog is het kind niet geboren; (Rom. 8:22) deze arme vrouw is zuchtende onder de dienstbaarheid van de ijdelheid en zal niet te bed gebracht worden, voor Jezus voor de tweede maal komt, om Vroedvrouw te zijn bij de geboorte. Het grote al van hemel en aarde heeft van de tijd af, dat God de eerste steen legde van dit groot gebouw, gezucht en geweend, uitziende naar de vrijheid van de kinderen Gods. (Rom. 8:21). De gedaante van de voorbijgaande wereld, 1 Kor. 7:31, is als het aangezicht van een oud man, vol rimpels en bemodderd van wenen; wij zijn in afwachting, dat Jezus van de hemel zal geopenbaard worden, om het aangezicht van de oude man te komen afwissen. Elk schepsel is hier gaande; het is hier het land van de rust niet. De ziel van Christus is nu alle moeite en ontroering te boven, en rust liefelijk in de schoot van God. Ontroerde zielen, verblijdt u in hoop. Tere en kinderlijke heiligen nemen het niet goed op, dat zij niet elke dag op Christus’ liefde onthaald worden; dat zij niet de ganse nacht tussen de borsten van de Verlosser liggen en op Zijn knieën getroeteld worden. Doch, wanneer het edelste deel van de Mens Jezus, Zijn kostbare ziel, zo ziek was van ontroering, en die edele en vermaarde eerste Erfgenaam van alles tot zulk diep zuchten geperst werd, dat het door lucht en hemelen drong, en de rotsen deed scheuren, zullen zondaren dan niet onderworpen zijn, wanneer het Christus behaagt, Zijn kinderen neer te zetten, om te voet te gaan, en Zich voor hen te verbergen? Maar zij vergeten het verschil tussen de lemen herberg en het huis van de heerlijkheid. Onze velden worden hier met tranen bezaaid; droefheid groeit in elke voor van dit benedenland. Eenmaal zult u ziel en hoofd neerleggen in de schoot en tussen de borsten van Jezus Christus; dat bed moet zacht en heerlijk zijn, want het is welriekend gemaakt met ongeschapen heerlijkheid. De gedachten van al uw zielsontroeringen, die u nu onderhevig bent, zullen als schaduwen zijn, die tien duizend jaar geleden al weggevaagd zien, wanneer Christus Zijn heerlijke armen om uw hals zal slaan en u zult rusten in een oneindige ruimte van alles te boven gaande heerlijkheid; wanneer heerlijkheid of rijpe genade binnen u en buiten u, boven en beneden u zal zijn; wanneer voeten van leem wandelen zullen op zuivere onovertreffelijke heerlijkheid. "De straat van de stad was zuiver goud," doch daar is geen goud, maar enkel heerlijkheid; goud is maar een afschaduwing van alles, wat daar is.
Wat een liefde het in Christus was Zich in onze plaats te stellen
Het zal mogelijk niet minder stichtelijk zijn een weinig over het vierde punt te spreken: wat een liefde en goedertierenheid het in Christus was, om voor ons zo ontroerd van ziel te zijn.
1e Stelling. Zelf is dierbaar, wanneer het vrij is van zonde, en bovendien zelf-zalig. Christus was zowel vrij van zonde, als in zichzelf zalig. Wat kon Hem dan bewegen Zijn voeten buiten zo’n uitnemend land, als de hemel is, te zetten, en onder de smart van een ontroerde ziel te komen; wat anders dan vrije, sterke en vurige liefde, welke als een grondeloze rivier was, die vurig verlangde, buiten haar oevers te treden? Oneindige goedheid maakt, dat de Liefde uit zichzelf uitgaat (Joh. 15:13). Goedheid wordt sterk opgewekt door rechtvaardigheid en onschuld, doch onze zaak stond slecht, omdat wij zondaren waren. Doch goedheid (want een ieder, van wie de zaak goed is, is nog geen goed mens), wordt opgewekt door goedheid, maar wij waren noch rechtvaardig, noch goed. Toch wilde Christus, hoewel er geen rechtvaardigheid of goedheid in ons was, op Zich nemen, voor ons te sterven. (Rom. 5:7,8). Goedheid en genade (welke goedheid is, waar zij niet verdiend wordt) zijn vrijmoedig, stoutmoedig en onverschrokken. Liefde, welke niet binnen haar oevers kon blijven vloeien, wilde, opdat Christus’ liefde een liefde boven mate en uitermate levende zijn zou, de goddeloosheid in de mens te boven gaan.
Christus overrekende de kosten en zag, wat Hij in Zijn lijden voor ons moest uitgeven en zou ontvangen
2e Stelling. Had Christus, toen Hij Zijn ziel ging verbinden, om de smarten van de tweede dood te ondergaan, gezien, dat de onkosten groot, en de inkomsten klein zouden zijn, en niet meer, dan Hij tevoren reeds had, wij behoorden dan Zijn liefde des te meer te waarderen. Maar Christus had van eeuwigheid gelegenheid en wijsheid genoeg, de kosten te overrekenen, en Hij wist, wat Hij moest uitgeven en wat Hij zou ontvangen. Wanneer het Hem had berouwd, had Hij van de koop kunnen afzien. Hij wist, dat Zijn bloed en Zijn enige, edele ziel, welke in een personele vereniging met God stond, onvergelijkelijk meer waard waren, dan al Zijn verlosten samen. Hij zou maar weinig ontvangen; slechts verloren zondaren zou Hij winnen; Hij zou, in zekere zin, een schone Godheid ontledigen, en de Heere der heerlijkheid doden, en een zwarte Bruid inhalen. Er is geen gebrek in de liefde; de liefde van Christus is niet terughoudend, niet knechtelijk. Christus, de Koper, prees de waar, eer Hij die kocht (Hoogl. 4:7). "Geheel zijt gij schoon, Mijn vriendin, en er is geen gebrek aan u". Christus oordeelde, dat Hij een edele prijs verkregen en dat Hij een hemelse koop gedaan had, toen Hij Zijn vrouw, voor wie Hij diende, in Zijn armen ontving (Jes. 53:11). Hij zag de arbeid Zijner ziel, en werd verzadigd. Hij werd met vrolijkheid vervuld, als iemand, die volop feest houdt. Zou de losprijs, die Hij gaf, klein geweest zijn, Hij zou meer gegeven hebben.
De weg van de liefde, om mensen zalig te maken
3e Stelling. Het is van belang, dat niets buiten Christus Hem bewoog, deze verbintenis aan te gaan. Er was een droevige, bloedige oorlog uitgebroken tussen de goddelijke gerechtigheid en zondaren. Liefde, liefde perste Christus, de oorlog aan te gaan; te komen en de grote Koning en de staat van het verloren menselijk geslacht te dienen, en Hij deed het vrijwillig. Dit maakt het tot twee gunsten. Het is hart innemend, te denken, dat de hemel van zondaren eerst van eeuwigheid in het hart van Christus is opgekomen, en dat liefde, de meest vrije liefde, de bloesem en het zaad en de enige beramer van onze eeuwige heerlijkheid was; dat vrije genade van de beginne, van dat God was, van eeuwigheid, het plan tot zaligmaking en het voornemen tot verlossing van zondaren voortzette. Deze onschuldige en zielsverblijdende staatkunde van Christus, om niet de engelen, maar het zaad Abrahams aan te nemen en ten opzichte van Zijn lijden, zonder pas, in de gedaante van een dienstknecht af te komen tot het land van Zijn vijanden, spreekt van de diepe wijsheid van oneindige Liefde, en roept die uit. Was niet dit het vernuft van vrije genade, zo’n verborgen en diepe bedeling uit te vinden, dat God en mens persoonlijk zou doen en lijden, zo, dat Rechtvaardigheid niets zou tekort komen, Goedertierenheid voldaan zijn, en Vrede Gerechtigheid kussen zou, en de oorlog in rechtvaardigheid zou gevoerd worden tegen een zondeloze Verlosser? De engelen, zich neerbuigende, begerig tot op de bodem in deze diepte in te zien, kunnen de volkomen zin van de oneindige wendingen en keringen van deze geheimzinnige verborgen liefde niet naspeuren. O, Liefde van de hemel, Schoonste van alle liefsten, Bloem van de engelen, waarom kwam U zo laag neer, dat de vlekkeloze liefde aller liefden zou bevlekt en onderschat worden, door zo dicht bij zwarte zondaren te komen? Wie had ooit kunnen geloven, dat klompen hel en zonde vatbaar zouden zijn voor de verwarmingen en vonken van zo’n hoge en vorstelijke liefde, of dat er in het hart van de Hoge en Verhevene plaats zou zijn voor verloren en schuldig leem? Het is goed, dat wij weten in Wiens hart dit opkwam. Dit is zeker; niemand dan de eeuwige Liefde en Lust des Vaders kon zoveel liefde uiten; had een ander het gedaan, het wonder zou groter zijn geweest. Doch hierover elders meer.
Onze weekheid en eigenwijsheid onder het lijden
Daarom is onze weke natuur te berispen; de ziel van de Heere Jezus was ontroerd om onzentwil; wij ontstellen al over een bezwaard lichaam, of over een schrammetje in ons vel, zo groot als een stuivertje.
Ten eerste. Er is in onze natuur een stille onlijdzaamheid, als wij niet in een wagen van de liefde, in Christus’ schoot, naar de hemel gevoerd worden; wanneer wij niet op scharlaken of purper kunnen wandelen, dan deinzen wij al terug, en wij murmureren.
Ten tweede. Wij zouden graag een zijden, zacht, geurig kruis hebben, gesuikerd en gehonigd met de vertroostingen van Christus, anders bezwijken wij; de Voorzienigheid moet ons een beker alsem en gal brouwen, in de bereiding vermengd met blijdschap en vrolijke gezangen, of wij kunnen geen discipelen van Christus zijn. Doch Christus’ kruis lachte Hem niet toe; Zijn kruis was een kruis, Zijn schip voer in bloed en Zijn gezegende ziel was zeeziek en bezwaard tot de dood toe.
Ten derde. Wij houden er van, in zoet water te zeilen, vlak bij de wal; wij nemen niet in aanmerking, dat, hoewel onze Heere niet van harte plaagt en bedroeft, Hij toch niet uit liefhebberij bedroeft. Zonde te straffen is voor God een ernstig, gewichtig en wezenlijk werk. Er is geen reden, waarom het kruis spel zou zijn; geen Stoïcijnen noch Christenen behoeven er om te lachen; het kruis werpt een sombere schaduw op Christus.
Ons verkeerd beoordelen van God, onder het kruis
Ten vierde. Wij vergeten, dat bloedige en droevige ontfermingen goed voor ons zijn. De vrede, die de Heere voortbrengt uit de baarmoeder van oorlog, is beter, dan de verrotte vrede, welke wij hadden in de dagen van bijgeloof van de prelaten. Welk een aangenaam leven, welk een hemel, welk een zaligheid is het, die wij in Christus hebben! En wij weten, dat de dood, het graf en de zielsontroering van de Heere Jezus in barensnood waren, om die voor ons voort te brengen. De hemel is temeer hemel, omdat Christus er een prijs van bloed voor betaalde. Het kruis moet voor al de heiligen een bloedige, scherpe kant en leeuwetanden hebben; het was voor Christus wat het is, bitter en zuur, en zo moet het ook voor ons zijn. Wij kunnen geen papieren kruis hebben, of wij moeten op ons kunnen nemen een gouden voorzienigheid te maken, of aan de schepping een nieuw voorkomen te geven, en de wereld te nemen, om die als een groot stuk lood in het vuur te smelten en in een nieuwe vorm te gieten.
Ten vijfde. Hoe meer van God in het kruis, hoe zachter het is. Evenals vrije genade uitbot uit de zwarte roede van God, zo ook drupt het kruis van Christus voor de ziel, die niet ziet, en nochtans gelooft en liefheeft, honing en de zoetste vertroostingen. Wij zuchten onder slagen, en wij geloven. De eerste Adam doodde ons en begroef ons in twee doden, en verzegelde ons graf, binnen de tijd van een uur; hij besloot allen onder de toorn. Hoeveel van Christus is hierin? Almacht, oneindige wijsheid, vrije genade, grenzeloze liefde, diepste en rijkste barmhartigheid in Jezus Christus opende onze graven en wekte de doden op, toen de engelen ons verlieten en, als in hun liefde tot ons veranderd zijnde, bij onze ellende van ver stonden. Christus stierf en stond weer op en bracht al Zijn begraven broederen uit de doden terug.
Ten zesde. Wij kunnen met de Almachtige worstelen, alsof wij onszelf beter kunnen besturen en regeren dan God het doen kan. Murmurering rijst op tegen een bedeling van oneindige wijsheid, omdat het Gods bedeling, niet de onze is, alsof God verkeerd handelt, en de murmurerende mens alleen in staat is, de misslagen van oneindige Wijsheid te verbeteren en te herstellen. "Hoe ben ik dus, Heere?" zegt de worstelaar. Waarom beoordeelt u Christus verkeerd? Wie een fout vindt in wat de Schepper doet, laat die, hij zij mens of engel, het ongedaan maken, en het beter doen, en het met zich voeren.
Ten zevende. Wij beoordelen God naar ons gevoel, naar de luimen van de rede, niet naar rede. Wij zeggen, dat de riem, waarmee God Zijn schip roeit, gebroken is, omdat het einde van de riem onder water is. De Voorzienigheid gaat mank, zeggen wij, maar hoe, indien gevoel en luim zeggen, dat een rechte lijn een cirkel is? De wereld hield God in Persoon voor een Samaritaan, voor iemand, die de duivel had; indien wij Zijn Persoon verkeerd beoordelen, kunnen wij het ook Zijn voorzienigheid en wegen doen. Schort uw oordeel over Gods wegen op, wanneer u ziet, dat de einden daarvan nog onder de grond zijn, en bewondert en aanbidt ze liever, dan dat u ze beoordeelt, of gelooft onvoorwaardelijk, dat de weg van God effen is, of doet beide; onderwerpt u, en zwijgt stil.
De koelheid van onze liefde tot Christus
Ten tweede. Toen Christus Zijn ziel voor ons gaf, had Hij niets, dat beter was: de Vader had geen edeler en dierbaarder gift dan Zijn eniggeboren Zoon: de Zoon had niets dierbaarder dan zichzelf: de Mens Christus had niets, dat in waarde bij Zijn ziel te vergelijken was, en die moest in de waagschaal gesteld worden voor mensen. De Vader, de Zoon, de Mens Christus, gaven het uitnemendste, dat zij hadden, voor ons. Wij zijn daarom verplicht, in deze wereld van geven en nemen, het beste en uitgezochtste, dat wij hebben, voor Christus te geven. Dit zou nog duidelijker blijken, wanneer wij een register opmaakten van de daden van liefde en vrije genade van Christus over ons, en van onze zonden, en de daden van onze ondankbaarheid jegens Hem. Harts-tweespraken, harts-redeneringen tegen God, welke oprijzen, als rook in de schoorsteen opstijgt, zijn een dagvaarden van onze hoogste Landheer, in betrekking tot Zijn Eigen huis en land.
Zo was er 1e voor de tijd een eeuwige kool van brandende liefde tot de zondaar in de boezem van Christus; dit vuur van de hemel is eeuwig, en de vlammen zijn nog heden zo heet als ooit. Onze kool van liefde tot Hem in de tijd, heeft nauwelijks enig vuur of warmte. Alle vuur is heet, meer ach, wij kunnen Christus met onze liefde niet verwarmen, doch Zijn liefde tot ons is sterker dan de dood; zij is als vlammen Gods. Wij waren vijanden in het verstand, door de boze werken (Kol. 1:21), van nature erfgenamen des toorns. Christus begon met ons lief te hebben; wij beginnen met Hem te haten.
2e De Vader gaf Zijn eniggeboren Zoon voor ons. Hoeveel vaders en Eli’s willen, om ‘s Heeren wil, al de zonen en dochters, die zij hebben, nog geen hard woord toespreken; God spaarde Zijn Zoon niet, maar gaf Hem voor ons allen ter dood over. Aardse vaders sparen, wanneer zij hun zonen, dienstknechten en vrienden slaan; overheden en vleiende herders sparen hun volk, wanneer het de Heere lastert.
3e Christus gaf Zijn ziel aan ontroering, en aan de verschrikkingen van de tweede dood voor u over; raadpleegt uw hart, of u een begeerlijkheid om Hem hebt verlaten. Christus scheidde om u van Zijn hemel, van Zijn ganse hemel; om u, van al Zijn heerlijkheid en van Zijns Vaders huis. Bent u gewillig, een roede grond, of een huis, of een erfenis voor Hem over te geven?
Evangelische liefde overtreft wettische liefde
4e Hij riep ons, uit de staat van de zonde, tot genade en heerlijkheid; ach, ik moet deze droevige rekening, die ik bij Christus heb, opmaken: o, Christus wendt Zijn glimlachend aangezicht tot mij, en Hij roept, nodigt, smeekt en bidt, dat ik mij met God zal laten verzoenen; ik keer Hem de rug toe; Hij opent Zijn boezem en Zijn hart voor ons, zeggende: Vriendinnen, duiven, komt en woont in de kloven van deze Steenrots, en wij slaan tegen Hem achteruit. O, wat een schuld is dit; Christus’ borst te krabben, terwijl Hij ons nodigt te komen, en hoofd en hart aan Zijn borst te leggen. Deze onvriendelijkheid aan de ontroerde ziel van Christus is meer dan zonde. De zonde is maar een overtreding tegen de wet; ik stem echter toe, het is een oneindig maar. Dit is echter een overtreding van wet en liefde beide, tegen de warme ingewanden van liefde achteruit te slaan; op genade, op teerheid van oneindige liefde te spuwen. Hij, Die blank en rood is, de Schoonste van de hemel, biedt aan, zwarte Moren op aarde te kussen, en zij willen niet tot Hem komen. Het is een hart, zo hard als een keisteen en diamant, dat op Evangelische liefde spuwt. Wettische liefde is liefde; Evangelische liefde is meer dan liefde; die is het goud, de bloem van Christus’ tarwe, en van Zijn uitgezochtste liefde (Hoogl. 5:6). "Ik deed mijn Liefste open, maar mijn Liefste was geweken; Hij was doorgegaan: mijn ziel ging uit vanwege Zijn spreken."
Zonden tegen liefde begaan zijn wondend
Twee woorden zijn hier zeer opmerkelijk, om te bewijzen, hoe wondend zonden tegen de liefde van Christus zijn. 1e "Mijn Liefste was geweken." De grondtekst heeft eigenlijk: "en mijn Liefste had Zich omgekeerd." Ari. Mont. circumjerat, Pagnim. In de kanttekening: verteras se. De oude overzetting, declinaverat. Christus was onwillig, weg te gaan, geheel weg te gaan; Hij keerde Zich alleen om, evenals in Jer. 31:32: "Hoelang zult gij u onttrekken, gij afkerige dochter?? Dit geeft zoveel te kennen, dat Christus niet zo dadelijk klaar is, om weg te gaan, en Zijn kinderen te verlaten; Hij gaat alleen een weinig van de deur van de ziel af staan, om te kennen te geven, dat Hij zielsblijde is, als Hij mag inkomen. Nu, wat een ondankbaarheid is dat, Hem met geweld buiten te sluiten. 2. "Mijn ziel ging uit", de oude overzetting heeft: "Mijn ziel smolt weg, vanwege Zijn spreken"; mijn ziel ging over, of ging weg; de herdenking van Zijn verrukkende woorden verbrak mijn leven en deed mij sterven (zo wordt het woord elders gebruikt), ik herdacht een wereld van liefde in Hem, toen Hij klopte, zeggende: "Doe Mij open, Mijn zuster, Mijn vriendin, Mijn duive". Tegen zo’n sterke band, als de genade, te zondigen, moet de zonde van de zonden zijn, en onder de grootste zonden gerekend worden, zoals duidelijk blijkt in hen, die tegen de Heilige Geest zondigen; dan moet het onmogelijk zijn Genade iets toe te brengen; wij betalen slechts, wat wij aan genade schuldig zijn; wij kunnen de schuld van de genade aan Genade niet voluit betalen.
Dan kan het niet wezenlijk en in zichzelf zonde zijn, dat men ontroerd in de ziel is, wanneer de ziel van Christus ontroerd was, wegens Hem toegerekende zonden.
Laat mij daarom een weinig bij deze twee zaken stilstaan. Ten eerste: wat een ontroerd geweten is, en ten tweede: welke weg de ontroerden van ziel, in navolging van Christus, moeten inslaan.
Wat een wegens de zonde ontroerde ziel is
Een wegens de zonde ontroerde ziel, moet òf bevreesd zijn voor, òf overstelpt zijn wegens het strafvorderend ongenoegen, de toorn en de gramschap van God, òf de eeuwige straf van de zonde, zoals die onder de bevatting van het kwaad van de straf komen; òf, wegens de zonde, zoals die een gebrek is tegenover de liefde Gods; òf wegens beide. In geen van deze drie opzichten is het zonde, vanwege de zonde ontroerd van ziel te zijn, onder deze voorwaarden:
1e Dat de ziel vrij is van ongelovig twijfelen aan Gods liefde. Christus was daar vrij van; het kon niet anders of Hij had een vast, volkomen en nooit verbroken vertrouwen op de eeuwige liefde van Zijn Vader. Indien er enige zonde is in onze zielsontroering over de zonde dan vloeit die uit het ongeloof voort, niet uit de ontroering van de ziel; indien er modder en klei in de stromen is, dan is die van de oevers, niet uit de fontein.
Dat Christus onder een wolk was, maakte Zijn zielsontroering ongeëvenaard groot
2e Indien de ziel het kwaad van de straf als het grootste kwaad vreest, en als een groter kwaad dan dat van de zonde, dan is er meer hartstocht dan gezond licht in de vrees, hetgeen bij Christus niet zo kon zijn. De afkeer van de Heere van de partij in wie zonde is, of door wezenlijke inwoning, of door vrije toerekening, alsmede de intrekking van de stralen van verlichting door, en uitlatingen van de goddelijke liefde is een groot kwaad voor een ziel, die iets van de natuur van een zoon in zich heeft. Nu was er in Christus zoveel van een zoon, als de natuur van een mens bevatten kan, en naarmate er meer van God in Christus, als de volheid, was, overstroomde de grenzeloos oneindige zee van de Godheid Christus aan al Zijn oevers, zodat, onder een wolk te zijn, ten opzichte van de uitlatingen van eeuwige liefde, in zekere zin, Christus groot geweld aandeed. Het was, alsof Hij van Zichzelf afgescheurd werd, en daarom moest het noodzakelijk een uiterst hevige ontroering van de ziel zijn, Christus, in zekere mate, van zichzelf en van het enig wezenlijk vermaak en van het Paradijs van Zijn ziel beroofd zijnde. Dit kon geen zonde zijn, maar het was een daad van genadige zielesmart, dat de zonde en de hel tussen de Maan en de Zon, tussen de ziel van Christus en haar Heere, in kwamen te staan. Hoe meer van de hemel en van God in de ziel is, hoe groter hel het gemis van God en de hemel is. Veronderstelt eens, dat al het licht in de zon geheel was uitgedoofd, en dat de zon veranderd was in een lichaam, zo donker als de buitenkant van een ijzeren pot; dat verlies zou groter zijn, dan wanneer een halvestuivers-kaars van licht beroofd was. Christus had meer te verliezen, dan een wereld van miljoenen engelen. Denkt u een schepsel in van zoveel engelendraagkracht als tienduizend maal tienduizenden van engelen, allen tot één samengevoegd: indien deze engel, overeenkomstig zijn bekwaamheid, vervuld was met de hoogste, zuiverste en uitgezochtste heerlijkheid van de hemel, en weer onmiddellijk naakt uitgestroopt werd van deze heerlijkheid, en dan geworpen in de diepte en in het hart van de hel, ja, in een poel, welke de gewone natuur van de hel van vuur en sulfer ver overtrof: of, stelt u voor, dat God miljoenen graden van zuiverder en onvermengder toorn en vloeken er aan zou toevoegen; wij kunnen gemakkelijk begrijpen, dat de ziel van deze engel dan ook meer ontroerd zon zijn. Toch is dit slechts een vergelijking, die beneden de zaak blijft. Doch, waar de Heere Jezus, in Wiens Persoon de hemel in de hoogste mate vertegenwoordigd was, als Hij van de top van zo’n hoge heerlijkheid, in zo’n toestand neergeworpen werd, in zo’n angst en zo’n bloedzweten, (God weet de oorzaak) dat sterke roepingen en tranen wegens deze lage toestand, de droevigste klacht uithaalde: "Mijn God, Mijn God, waarom hebt Gij Mij verlaten?" dan moet Zijn verlies onvergelijkelijk groter zijn dan alles, wat wij er in deze schaduwen van kunnen zeggen,
Dit toont de reden aan, waarom er onder alle verlegenheden niets zo smartelijk is, als het gemis van de tegenwoordigheid van God, voor een ziel, die gedurig onthaald werd op het merg, en vet gemaakt met de vettigheid van het Huis des Heeren. U leest van geen klachten, zo bitter en aandoenlijk, en welke zo diep gevoeld worden, als die, welke voortkomen uit het gemis van het gevoel van de liefde van Christus. David spreekt van verbrijzelde beenderen en een uitgedroogd lichaam; Hiskia van een bitterlijk schreeuwen en wenen, als het piepen van een kraan. Dat gevoeld gemis is erger dan verworging, en brengt Job er toe, te bidden, dat de baarmoeder zijn graf mocht geweest zijn, of dat hij nooit geboren, of zijn moeder altijd zwanger van hem mocht geweest zijn. De Bruid noemt het een bezwijken en een uitgaan van de ziel uit het lichaam; het is haar krankheid en haar dood. (Hoogl. 5:6,8.) Heman is doodbrakende en twijfelmoedig, (Ps. 88:16) en het doet Jeremia de man vloeken, die zijn vader boodschapte, dat hem een jonge zoon geboren was, wensende, dat hij nooit aanzijn of leven gehad had. Het is voor hem, die liefheeft, de dood, van de geliefde gescheiden te zijn, en hoe sterker de liefde is, hoe meer de dood een dood is.
Christus moest Zijn bloed storten voor de zonde, als zonde
In alles, wat wij tot nu toe gezegd hebben, bestond de grootste ontroering van de ziel van Christus als een Zoon (want, dat was Hij wezenlijk) daarin, dat Zijn heilige ziel zo beangst, en geheel bedroefd tot de dood toe was over de zonde als zonde en als strijdig tegen de liefde van Zijn Vader. De uitverkorenen zondigden tegen de Heere, zonder Hem aan te merken als hun Heere, of Vader, maar Christus betaalde voluit voor de zonde, terwijl Hij het oog op God gericht hield als Heere en als Vader. Wij letten, wanneer wij zondigen, niet op de Heere, op de wet of op liefde, doch Christus zag op al die drie, toen Hij voor de zonde voldeed. Christus deed meer dan onze schulden betalen; de som, die Hij voor ons gaf, ging de prijs te boven. Het is zeer de vraag, of alle mensen, waren zij verlost, wel de waarde nabijkomen van de prijs, die voor ons betaald is, ja het is boven allen twijfel verheven, dat het niet zo is.
Zo vol als Christus was van de tegenwoordigheid van de Godheid zo krachtig was Zijn liefde
Overeenkomstig het gevoel van enigerlei gelukzaligheid, moet ook de zielsontroering wegens het verlies van die gelukzaligheid, daarmee recht evenredig zijn. Ten eerste: naarmate wij liefhebben is ook de droefheid over het verlies van hetgeen wij beminnen. Jakob zou zo niet geklaagd hebben over het verlies van een dienstknecht, als over zijn zoon Jozef. Niemand kon in het genieten van God een levendiger en krachtiger gevoel hebben van de genoten Godheid, dan Christus; daarom moet ook de bevatting, welke, en het gezicht, dat Hij van God had, krachtig en helder geweest zijn. Ten tweede: omdat de vereniging met de Godheid en gemeenschap aan de volheid van genade, van de baarmoeder af, aan Zijn natuurlijke vermogens een bijzondere fijngevoeligheid moest toevoegen; Zijn ziel en haar vermogens waren nooit verstompt door de zonde, en hoe groter het vat is, hoe groter ook de volheid zijn moet. Wie, of welke van de hoogste serafijnen, of heerschappijen, of overheden onder de engelen, had zo’n ruime en uitgebreide geest als Christus, in staat, de volheid van de Godheid te bevatten? Wanneer Salomo’s hart wijd van begrip was, gelijk zand, dat aan de oever van de zee is, terwijl hij maar een afschaduwing was van zo’n ziel, waarin persoonlijk de volheid van de Godheid lichamelijk wonen zou, o, hoe ruim en wijd van begrip moet dan het hart van de ware Salomo wel zijn! Dat hart moet vele zeeën, en rivieren van wijsheid, liefde, blijdschap, goedheid en ontferming bevatten; de miljoenen zandjes van miljoenen zee-oevers te boven gaande. Welke ingewanden van medelijden en liefde, van zachtmoedigheid, van adel, en van vrije genade moeten toch in Hem zijn, sedert alle duizenden uitverkoren zielen in die ingewanden besloten waren, en in Zijn hart lagen, om met Hem te sterven en te leven, en bovendien, sinds de liefde van God in de hoogste hemelen in Zijn hart was! De liefde moet een sterke indruk maken in het hart van Christus, en hoe sterker, zuiverder en krachtiger de verstandelijke vermogens van Christus zijn, hoe dieper ook Zijn heilige gedachten en zuivere bevattingen zijn, en hoe meer gestaald met de volheid van genade. Zijn genieting, Zijn gevoel van God, Zijn blijdschap in, en Zijn liefde tot God moeten des te verder verheven zijn boven die mate, waarvoor engelen en mensen vatbaar zijn. Hieruit moet volgen, dat Christus in een vreemde en nieuwe wereld van alleruiterste droefheid, tot de dood toe werd ingedompeld, toen deze sterke liefde verduisterd werd. Denkt u in, dat, gedurende een lente- en zomertijd, al het licht, de warmte, beweging, kracht en invloed op het leven, zich in de zon zouden terugtrekken en daar blijven, wat een duisternis, dood en verwelking daardoor zouden komen over bloemen, gras, bomen, bergen, valleien, dieren, vogels, en al, wat op aarde leeft en zich beweegt. Is het dan wonder, dat de ziel van Christus zo hevig ontroerd was? Zijn gezegende zon was nu onder; Zijn lente en Zijn zomer waren voorbij; Zijn Vader, een verlatende God, was voor Hem als een nieuwe wereld, en ik zal nooit geloven, dat Zijn klacht ontsproot uit enigerlei dwaling in het oordeel, of uit misvattingen, of ongegronde jaloersheden over de liefde Gods. Evenals het onmogelijk was, dat Zijn Vader Hem te eniger tijd haten kon, zo ook kon Hij op deze tijd de zoete vruchten van Zijn liefde niet uitlaten; de reden voor het eerste is de natuur van God, terwijl de grond voor het laatste een bedeling is, die door de rede van mensen of engelen niet bevat kan worden. Wij mogen dan besluiten, dat gelijk de zielsontroering van Jezus Christus redelijk en strafdragend was, zij zo ook zondeloos en onschuldig was. Wij hebben slechts zelden onzondige zielsontroering, of het moet toevalligerwijze zijn, want onze hartstochten kunnen moeilijk tot hun hoogte oprijzen, zonder over de streep te geen, tenzij God alleen hun Voorwerp is: toch is ontroering van de ziel in zijn natuur geen zonde.
Antinomiaanse dwalingen betreffende de natuur van de zonde
Ontroerd te zijn, vanwege de zonde, al is de persoon ten volle overtuigd, dat ze vergeven is, is dan ook geen zonde en niet onbestaanbaar met de staat van een gerechtvaardigde persoon. Het is ook geen daad van ongeloof, zoals de Antinomianen verkeerd veronderstellen, want:
(1) Ontroerd te zijn over de zonde, waarvan hij, die ontroerd is, zeker weet, dat zij hem niet verdoemen kan, was in Jezus Christus, in Wie geen smet van de zonde was. De Antinomianen zeggen, dat de zonde, omdat zij wezenlijk zonde blijft, een veroordelende kracht hebben moet, zodat het onmogelijk is, de veroordelende kracht van de wet van de gezaghebbende en bevelende kracht van de wet te scheiden.
(2) Het is geestelijke gehoorzaamheid, van de zonde af te laten, meer, omdat zij een belediging van de liefde Gods is, welke ontferming betoont, dan omdat de wet van God, wegens de zonde, toorn over ons brengt; daarom is de ontroering van de ziel van een gerechtvaardigde, omdat hij tegen zoveel liefelijke banden van vrije liefde en genade zondigt, een geheiligde en genade-bewijzende droefheid en zielsontroering.
Antinomiaanse dwalingen aangaande twijfelingen, droefheid over de zonde, belijdenis van zonde, enz.
(3) Ontroerd te zijn over de zonde, omdat zij een overtreding is tegen onze hemelse Vader, en tegen de liefelijkheid van vrije genade en tere liefde, sluit niet in, dat er een daad van ongeloof is, of, dat de gerechtvaardigde zondaar, die dus ontroerd is, geen vergeving deelachtig is, of, dat hij de eenvoudige toorn vreest, (zoals de Antinomianen zich inbeelden), evenmin als de zielesmart van een zoon, wegens een belediging zijn teerhartige vader aangedaan, insluit, dat deze smart deze zoon in een toestand brengt, dat hij aan de staat van zijn zoonschap of kindschap zal twijfelen, of, dat hij zal vrezen daarom onterfd te worden. Wij mogen zowel de Heere en Zijn goedheid vrezen, (Hos. 3:5) als Zijn eeuwig ongenoegen.
(4) Geheiligde ontroering van de ziel is de beroering en beangstheid van de geest van een zoon, omdat hij tere liefde met voeten vertreden en tegen de liefelijke warmte van de uitvloeiingen van het bloed van de verzoening achteruitgeslagen heeft; zij ontstaat uit zelfverwijt en liefde-ontsteltenissen of liefdekoortsen, omdat het vorstelijk hoofd van Christus nat is van dauwdruppen, doordat zij Hem buiten Zijn Eigen huis gesloten heeft, zodat Hij op de straten moest vernachten, en uit vrees, dat de Liefste Zich zal onttrekken, om elders Zijn intrek te nemen, zoals in Hoogl. 5:4,5; en, dat de Heere Zich met een wolk zal bedekken, en tot Zijn plaats terugkeren, en de invloed van de uitgangen en stralen van de liefde inhouden; deze dingen zijn liefelijke uitdrukkingen van kinderlijke ingewanden en een tere liefde tot Christus.
Het Libertinisme van Dr. Crispe, dat Paulus in Rom. 7 de persoon van een bezwaard mens voorstelt, om over de zonde bedroefd te zijn, die te vrezen en te belijden. Dezelfde dwaling bij Mr. Archer
De Vrijgeesten beelden zich in, dat wanneer de kans van, en de vrees voor de hel maar weggenomen zijn, er ook geen plaats meer is voor vrees, zielsontroering of schuldbelijdenis; daarom stellen zij: (1) Dat er geen ware en rechte verzekering is, wanneer zij niet vrij is van vrees en twijfel; (2) dat wanneer iemand na het begaan van de een of andere snode zonde, als moord, bloedschande, enz., in twijfel trekt, of God zijn lieve Vader is, dit bewijst, dat zo iemand nog onder het werkverbond is; (3) dat iemand er zo ver vanaf moet zijn, wegens de zonde ontroerd te zijn, dat hij noch zijn zonde noch zijn berouw moet aanmerken. Ja, Dr. Crispe zegt, dat er geen reden was, waarom Paulus (Rom. 7I) de zonde, of een lichaam des doods zou vrezen, omdat, zegt hij, Paulus in die plaats iemand van een bezwaarde geest laat spreken, en dat hij, aldus sprekende, niet zijn eigen toestand op het oog heeft, zoals die toen ter tijd was, maar hij spreekt daar in de persoon van een ander, hoewel ook een gelovige. "En, zegt hij, daar heb ik deze reden voor, dat Paulus met betrekking tot zijn eigen persoon wist, waar zijn zonden gebleven waren; het was voor hem reeds een opgeloste zaak, dat er (Rom. 8:1) geen verdoemenis was, enz.; hij wist, dat zijn zonden vergeven waren, en dat zij hem niet meer konden schaden."
Antwoord. Merkt op, dat Arminius, evenals vroeger Pelagius, Rom. 7 verklaart als handelende over een half vernieuwd mens in wie het gevoel, dat tot dagelijkse zonden geneigd is, strijdt met de rede; dit stellen zij, om daardoor de schijn te vermeerderen, dat de volkomen en volmaakte, vernieuwde mens in staat is, de wet te houden, en vrij is van alle doodzonde. Crispe stelt hier duidelijk de gerechtvaardigde voor als vrij van alle zonden. Waarom? Omdat die vergeven zijn. Dan is er ook op de Antinomiaanse weg naar de hemel in de gerechtvaardigde geen strijd tussen vlees en geest, omdat er, aan de zijde van het vlees, dat tegen de Geest begeert, niets is, dat de naam verdient van zonde of van een overtreding van de wet. Dan staat het zo, dat, evenals de oude Vrijgeesten in de tijd van Calvijn zeiden, het vlees de zonde doet, de mens niet, want die mens is niet onder de wet, en kan daarom niet zondigen. Doch, dat Paulus in Rom. 7 in de persoon van een bezwaard en ontroerd geweten spreekt, en dat dit niet de toestand voorstelt, die aan alle wedergeborenen, in wie de zonde woont, gemeen is, is een schandelijke en vleselijk onwaarheid. (1) Ten dele vleselijk te zijn (als in vs. 14); niet toe te staan, wat wij doen; niet te doen, wat wij willen, en te doen, wat wij heten, is gemeen aan alle heiligen, en niet bijzonder een ontroerd geweten eigen (Gal. 5:17). (2) Paulus spreekt hier niet van geloven, zoals hij doen moest, wanneer hij alleen een bezwaard en ontroerd geweten bedoelde, maar hij spreekt over werken, doen, willen, niet. slechts over geloven of twijfelen. Nu is het niet waarschijnlijk, dat de apostel in de persoon van een bezwaarde ziel spreekt, wanneer hij zo iets niet te kennen geeft. (3) Een persoon met een bezwaard en ontroerd geweten zal, zolang hij in die toestand is, nooit toegeven, dat hij enig goed doet of dat hij God toebehoort. Dit blijkt duidelijk uit Ps. 88; Ps. 77:1—4 enz., doch Paulus staat in dit geval toe, dat hij het goede doet, het kwade haat, een vermaak heeft in de wet Gods naar de inwendige mens, een begeerte heeft, om het goede te doen, en een wet in zijn leden, die de werkingen van het vlees tegenstaat. (4) De apostel heeft dan geen reden, het lichaam van de zonde te vrezen of te oordelen, dat hij een ellendig mens is; dit is dan zijn ongeloof en er is geen grond voor zijn vrees, want hij heeft vergeving van zonde; hij weet, dat er voor hem geen verdoemenis is. Dan is het Paulus’ zonde, en het is de zondige twijfelmoedigheid van de ongelovigen, wanneer men eenmaal gerechtvaardigd is, te zeggen: "De zonde woont in mij, en er is een wet in mijn leden, welke strijdt tegen de wet mijns gemoeds en mij gevangen neemt onder de wet der zonde; en ik ben vleselijk, verkocht onder de zonde; en het kwaad, dat ik niet wil, dat doe ik." Dan toch zijn dit alle leugens en uitspraken van het ongeloof, want de gerechtvaardigde zondigt niet, zijn hart is rein; hij doet niets tegen de wet. Ik herinner mij zeer goed, dat onze godgeleerden, en in het bijzonder Chemnitius, Calvijn en Beza, tegen de Papisten bewijzen, dat de begeerlijkheid, ook na de doop, zonde is, zelfs in de wedergeborene, en dat die elf of twaalf malen met de naam van zonde benoemd wordt in Rom. 6, 7 en 8. Wij kunnen al deze bewijsgronden tegen de Vrijgeesten gebruiken, om te bewijzen, dat wij gerechtvaardigd zijnde, nog kunnen zondigen, en dat wij de wet overtreden; dat wij daarom deze zonden behoren te belijden; dat ons geweten er ontroerd over zijn moet; dat wij er over moeten klagen en zuchten in onze banden, al weten wij, dat wij gerechtvaardigd en van de schuld van de zonde en de verbintenis tot eeuwige toorn vrijgemaakt zijn. Doch de zonde is een zaak, en de verbintenis tot eeuwige toorn is een andere zaak. De Antinomianen warren die dooreen, en zodoende misvatten zij ten zeerste de natuur van de zonde, de wet en de rechtvaardigmaking. Sommigen gaan zeer onvoorzichtig zo ver, dat zij leren, dat de gelovigen om niets, dat hun overkomt, hetzij van zonde of van verdrukking, ontroerd van hart moeten zijn. Wanneer zij bedoelden, dat zij niet twijfelmoedig en door ongeloof, hun eens verzegelde rechtvaardigmaking in twijfel moeten trekken, wij zouden ons tegen zo’n stelling niet verzetten, maar in hun redeneringen komen zij tot de slotsom, dat wij in ons gemoed niet meer geschud moeten worden over de zonde, dan over verdrukkingen en de straf van de zonde, en, dat wij, niettegenstaande de hoogste tergingen, waaraan wij schuldig staan, ons altijd verblijden en de vertroostingen van Christus genieten moeten. Ten eerste, zeggen zij: "omdat ontroering vanwege de zonde uit onwetendheid of ongeloof ontstaat, doordat de gelovigen het werk Gods voor hen, in de drie Personen, niet verstaan; namelijk het eeuwig besluit van de Vader over hen; de vereniging van de Zoon met hen, dat Hij hun Hoofd is, en dat zij deel hebben aan Zijn verdiensten en voorbidding; de inwoning van de Heilige Geest in hen, en Zijn ambt over hen, om al hun werken voor hen te werken, totdat Hij hen opneemt in de heerlijkheid. Ten tweede: omdat zulke ontroering Gods hart verdriet aandoet, evenals de droefheid van een vriend, een vriend bedroeft; doch in het bijzonder, omdat de gerechtvaardigde nooit weer onder de geest van de dienstbaarheid komt." (Rom. 8:15). Doch vergunt mij, ons leerstuk van de zielsontroering over de zonde in de gerechtvaardigde verder te verklaren.
Ontroering wegens de zonde, uit ongeloof, is zondig
I. Geen twijfel, ontsteltenis of ongeloof behoort rechtens de ziel, die eens gerechtvaardigd is en vergeving ontvangen heeft, in verlegenheid te brengen. Omdat de schenking en het bevelschrift van een onveranderlijk voornemen, om de uitverkorenen zalig te maken, vast staan, en omdat het beschreven en vastgestelde in de Akte van verzoening en vrije verlossing in Christus, eenmaal door het geloof aangenomen zijnde, niet doorgehaald is doch vaststaat; daarom behoort de gerechtvaardigde ziel niet zo ontroerd te zijn wegens de zonde, dat zij, wat de Heere eenmaal gedaan heeft, in een werk van zaligmakende genade, verkeerd zou beoordelen. 1e Omdat de gelovige, eens gerechtvaardigd zijnde, de vergeving van de zonde en een betaald rantsoen geloven moet. Indien hij toch zou moeten geloven, dat het eenmaal getekende bevelschrift weer doorgehaald was, dan zou hij verplicht zijn tegenstrijdige dingen te geloven. 2e Om dat te geloven, dat de Heere veranderd is en heen en weer gaat in Zijn vrije liefde en in Zijn eeuwig voornemen, een verachtelijk lasteren van de Almachtige is. 3. Omdat de Kerk, in Ps. 77 bekent, dat zulk verkeerd beoordelen van God uit zwakheid voortkomt. (vs. 11. Eng. Vert.) "Ik zeide: dit is mijn zwakheid."
Enige vlagen van de kwaal van de geest van de dienstbaarheid kunnen zich herhalen en een gelovige ontroeren
II. Nochtans werd David, een man naar Gods hart (1 Sam. 12:12,13) inderdaad overvallen door een oude koorts, door een vlaag van de kwaal van de geest van de dienstbaarheid. (Ps. 32:3)."Toen ik zweeg, werden mijn beenderen verouderd in mijn brullen de ganse dag. (vs. 4). Want Uw hand was dag en nacht zwaar op mij. Mijn sap werd veranderd in zomerdroogte." Zo ging het ook de Kerk in Asafs woorden, in Ps. 77:3. "Mijn hand was ‘s nachts uitgestrekt, en liet niet af." Het kan ook overgezet worden, dat zijn hand ‘s nachts vochtig was van de tranen; of, een zweem van ongeloof brak in de nacht door, en hield niet op. (vs. 8). "Zal dan de Heere in eeuwigheden verstoten? En voortaan niet meer goedgunstig zijn?" Hieruit blijkt, dat geloof en twijfel beide even goed met het leven Gods in de ziel bestaanbaar zijn als gezondheid en ziekte, op onderscheiden tijden, in één lichaam. Daarom is het twijfelen in het geheel geen bewijs, dat er geen geestelijke verzekering is, of, dat iemand nog onder de wet of het verbond der werken is; ziekte bewijst juist, dat er leven is, een dode is niet vatbaar voor ziekte of blindheid. Er zijn zwakheden, die het leven vergezellen, zo ook is het twijfelen, dat met droefheid gepaard gaat, omdat de arme ziel in die nood niet geloven kan, verwant aan het leven Gods. Het leven van Jezus had zwakheden, welke er aan verwant waren, evenals sommige kwalen in een familie erfelijk zijn.
Liefde- jaloersheden en twijfelingen wijzen er op, dat er geloof is
2e De hebbelijkheid of staat van het ongeloof is een zaak, en twijfelingen en liefde-jaloersheden zijn een andere zaak. Onze liefde tot Christus is ziekelijk, zwak, vol jaloersheid en achterdocht. Verzoekingen verspreiden valse geruchten van Christus, en wij geloven die licht. Jaloersheid wijst op liefde, de sterkste van de liefden, ja huwelijksliefde.
Twijfelen kan met geloof bestaan
3e Hierdoor zouden alle daden van ongeloof in zielen, die gerechtvaardigd en geheiligd zijn, onmogelijk zijn. Dan hadden ook de discipelen des Heeren geen geloof, toen Christus tot hen zeide: "Wat zijt gij vreesachtig, gij kleingelovigen?’ Het zou kunnen zijn, dat mij geantwoord werd, dat de discipelen in Matth. 8 niet aan hun kindschap twijfelden, maar aan des Heeren bijzondere zorg, om hen in een grote storm veilig aan wal te brengen. Hierop antwoord ik, dat het zeker waar is, dat zij toen lichamelijke, en niet rechtstreeks ziel-schipbreuk vreesden; maar, het was toch een zondig twijfelen aan de zorg van Christus over hen, als zij zeiden: "Meester, bekommert het U niet, dat wij vergaan?" En het beslecht ons punt, dat uit het twijfelen aan Christus’ zorg en liefde niet de gevolgtrekking af te leiden is, dat een ziel, die in een twijfelende toestand is, geheel van geloof zou verstoken zijn. 4e De morgenschemering is licht; het eerste opspringen van het kind in de buik is een levensbeweging; de minste verwarming door Christus’ adem is de warmte van het leven. Wanneer de pols van Christus’ nieuwgeboren kindje slechts zeer langzaam slaat, dan is de nieuwe geboorte toch niet dood, en de bezwijmingen door het gemis van de liefde van Christus kunnen niet voorkomen bij een mens, die begraven is. 5e Wanneer Christus kleingeloof en twijfeling bestraft, veronderstelt Hij geloof. Hij, die zinkende is en tot Christus roept, is nog niet verdronken. 6e Het gebed van de discipelen: "Heere, vermeerder ons het geloof"; de bede van Christus, dat het geloof van de heiligen, wanneer zij gezift worden, niet moge ophouden; de vermaning, om krachtig te worden in de Heere en in de sterkte Zijner macht, bewijzen, dat het geloof van de heiligen soms geen raad weet, en dat het kan wankelen en uitglijden. 7e De onderscheiden toestanden van de heiligen: nu eens volle maan en dan weer in het geheel geen maanlicht, maar een verduistering, bewijzen deze waarheid. De gelovige heeft invloeiingen van sterke geloofsdaden, blijdschap en liefde; bovennatuurlijke werkingen van de genade, die op de ene tijd tot een hoge vloed oprijzen, buiten de oevers, ver boven de gewone stand, en op andere tijden weer laag af ebben. De verschillende standen van ebben en vloeden, van rijke openbaringen en goddelijke genietingen van een andere wereld, wanneer de wind rechtuit van de hemel blaast en van de adem van Christus’ mond, zowel als van droevig afwezen, lopen min of meer door het Hooglied van Salomo, het boek van de Psalmen, en het boek Job, als de draden door een zijden weefsel, en als de aderen, welke de strengen en buizen zijn, die het bloed door het gehele lichaam heenvoeren.
III. De gerechtvaardigde ziel, van wie de zonden eenmaal vergeven zijn, komt nooit weer onder de geest der dienstbaarheid wederom tot vrees, (Rom. 8:15) onder eeuwige toorn; dat is, deze geest keert in de kracht van de hebbelijkheid, zoals die in de eerste bekering was, toen er nog geen greintje geloof was, nooit weer terug, en is niet bestaanbaar met de geest der aanneming. Toch mag de vraag gesteld worden, of niet een bekeerde, die met veel liefelijkheid en kalmte van geest toegebracht is, wanneer hij in enige snode zonde zou vallen, als het overspel en de doodslag van David, groter kwelling van de geest zal ondergaan dan bij zijn eerste bekering, hoewel nu meer bovennatuurlijk.
Gevaarlijke en onrechtzinnige stellingen van de Vrijgeesten betreffende ontroering over de zonde in de gerechtvaardigden
Toch moet dit als een verdoemelijke dwaling worden vastgesteld, wat de Vrijgeesten stellen: "dat gedurigheid of voortgang in heilige plichten, en ontroering van het geweten wegens verzuim van de plichten, beide tekenen zijn, dat men onder een werkverbond is." Alsook wat een ander van die richting zegt in een voorschrift, dat een gevaarlijk geneesmiddel is voor verwonde zielen: "Waar geen wet is, (en er is er geen in de gerechtvaardigde ziel, ook is zij er niet onder) daar is geen overtreding, en waar geen overtreding is, daar is geen ontroering wegens de zonde. Alle ontroering ontstaat uit de eis van de wet, welke voldoening eist van de ziel, die haar verbreekt, en wel zo’n voldoening, waarvan de ziel weet, dat zij die niet kan geven. Daarom houdt deze verplichting, om te voldoen, de ziel in onrust, als een schuldenaar, die niets heeft om te betalen. Zo is dit ook het werk van de wet, waaronder de ziel van nature is, dat, zoals de apostel zegt, het geweten haar beschuldigt of ontschuldigt. Het is geen wonder, dat zulke zielen ontroerd en onbevredigd zijn vanwege de zonde, waar de wet reeds zo’n partij en verbintenis binnen in hen heeft. Het geweten, in overeenstemming handelende met de wet, die in letters in stenen tafelen ingedrukt is, moet noodzakelijk krachtig werken op de geesten van hen, die slechts weinig en zwakjes verlicht zijn, en niet voldoende van het Evangelie zijn voorzien, om de beschuldigingen, de overtuigingen, de verschrikkingen en de vloeken te beantwoorden, waarmee de wet tot hen komt." Nog een ander zegt: "Inderdaad, Gods volk heeft meer behoefte aan blijdschap na de zonden, dan na verdrukkingen, omdat Gods kinderen er meer door terneergeslagen zijn; daarom gebruikt God de zonden als middelen, waardoor Hij hen in deze wereld, en ook in de toekomende, in Zijn vreugde doet ingaan; hun zonden verschaffen hun grote vreugde. Inderdaad, in sommige opzichten, zullen zij zich op de laatste dag het meest verblijden, die het minst gezondigd hebben, doch in andere opzichten hebben zij de meeste blijdschap, die het meest gezondigd hebben; (want of zij veel of weinig zondigen, zij zullen allen tenslotte ingaan in de vreugde), enz."
Twijfelingen zijn geen bewijs, dat een ziel onder het verbond der werken is
Nu is dit alles niets dan een verkeren van het geloof in losbandigheid, terwijl daarentegen het geloof, van alle genaden, het laagste zeil voert, want het geloof is geen verheven en zich-op-de-voorgrond-plaatsende, maar een stille en nederige genade.
De onder het Oude Testament gerechtvaardigde Joden konden evenzeer zielsontroering wegens de zonde onderhevig zijn als wij. Zij en wij zijn door dezelfde genade gerechtvaardigd
Dat David aangedaan was en dat zijn hart hem sloeg, toen hij een stuk van Sauls mantel afsneed, zou hem dan onder het werkverbond plaatsen, en hij zou geen man naar Gods hart zijn, want een slaand hart is hetzelfde als een ontroerde ziel. David, Abraham (Rom. 4) en al de vaderen onder de wet zijn, zowel als wij, gerechtvaardigd door de toegerekende gerechtigheid van Christus, welke zij door het geloof hebben aangegrepen, (Rom. 4:23). Nu is het niet alleen om Abrahams wil geschreven, dat het hem toegerekend is, (vs. 24) maar ook om onzentwil, enz. David moest dan niet zo ontroerd van ziel geweest zijn over zijn zonde, want zijn zonden waren reeds vergeven; de Geest des Heeren kon dan de hart-week-makende ontroering van Josia, op het horen lezen van de wet niet zozeer geprezen hebben; Christus had dan de tranen en de zielsontroering van die vrouw, welke uit geen andere bron voortkwamen dan veel liefde tot Christus, omdat haar vele zonden vergeven waren, niet kunnen erkennen, indien die ontroering van de ziel over de zonde bewezen had, dat zij onder de wet waren, en niet in Christus. In de zin, zoals wij het nu behandelen, kan ook niet gezegd worden, dat de heiligen vanouds meer onder de wet waren, dan wij nu onder het Evangelie zijn: dat is, dat wij minder over de zonde ontroerd moeten zijn, dan zij, omdat onze rechtvaardigmaking volmaakter is, en omdat het bloed van Christus, voor het gestort was, minder kracht had, om het geweten te reinigen en aan de eisen van de wet te voldoen, dan nu, nu het gestort is; of, dat er van nature meer van de wet in de harten van David, Josia en de oude heiligen was, en dat er daarom natuurlijk meer ongeloof in hen moest zijn, dan in ons, die onder de openbaringen van het Evangelie van Christus leven. Zeker, de wet was toen, ten opzichte van de uitwendige bedeling van de ceremoniën en wettische nauwgezetheid, een gestrenger tuchtmeester, om de heiligen vrees in te boezemen, omdat zij de mensen, als kwaaddoeners, in strenge gevangenschap hield, totdat Christus zou komen. Doch de toerekening van de gerechtigheid van Christus, en de welgelukzaligheid van hen, van wie de zonden vergeven waren, en die dus vrijgemaakt waren van de ontroering van de ziel in betrekking tot de eeuwige toorn en tot de eisen van de wet in het geweten, om te betalen, hetgeen niemand betalen kon, dan alleen de Borg, waren een en hetzelfde voor hen en voor ons. Ziet Ps. 32:1, 2, vergeleken met Rom. 4:1—6, en Ps. 14 met Rom. 3:9–14,19,20, en Gen. 17:9 en 22:18, Deut. 27:26 met Gal. 3:10—14 en Hebr. 6:13—20. Wie zou durven zeggen, dat de gelovige Joden onder de vloek van de wet gestorven zijn? (Deut. 27:26). Want dan zouden zij eeuwig verloren zijn gegaan. (Gal. 3:10). "Want zovelen als er uit de werken der wet zijn, die zijn onder de vloek." Dan is er niemand onder het Oude Testament verlost, noch iemand gerechtvaardigd, in strijd met uitdrukkelijke Schriftuurplaatsen. Ps. 32:1,2; Rom. 4:1—6; Gal. 3:14; Hand. 15:11; Hand. 11:16,17; Rom. 10:1—3. Nu zegt de Schrift in Hand. 15:11, "Maar wij geloven door de genade des Heeren Jezus Christus zalig te worden, op zulke wijze als ook zij." En gelijk zij daarin zalig waren, dat hun overtreding vergeven en hun zonde bedekt was, en dat de Heere hun de ongerechtigheid niet toerekende (Ps. 32:1,2), evenzo is ook onze welgelukzaligheid dezelfde. (Rom. 4:6—8). Gelijk Christus voor hen een vloek gemaakt is, zo is Hij dat ook voor ons,. opdat (Gal. 3:14) de zegening Abrahams tot de heidenen komen zou in Christus Jezus, en opdat wij de belofte des Geestes verkrijgen zouden door het geloof. God heeft Zijn Zoon uitgezonden, geworden uit een vrouw, geworden onder de wet, (want de Joden, die als erfgenamen onder voogden stonden, waren evenals wij van nature onder de zedelijke wet) opdat wij door Hem zouden verlost worden; opdat wij, die onder de wet waren, de aanneming tot kinderen verkrijgen zouden. (Gal. 4:1—4) God heeft evengelijke gaven aan de heidenen gegeven, als Hij aan de Joden gaf, ja, ook bekering ten leven. (Hand. 11:16,17) De wet had dan ook op hen geen krachtiger eis dan op ons, en zij werden niet meer door de werken gerechtvaardigd dan wij; ja, zij zochten de rechtvaardigheid, maar verkregen die niet, omdat zij die niet uit het geloof zochten, maar als uit de werken van de wet; want zij hebben zich gestoten aan de Steen des aanstoots, die in Zion gelegd was. (Rom. 9:31—33) Want alzo zij de rechtvaardigheid Gods niet kenden, en hun eigen gerechtigheid zochten op te richten, onderwierpen zij zich niet aan de rechtvaardigheid Gods, (Rom. 10:1—3) waardoor zij de rechtvaardigmaking uit genade moesten derven, evenals wij.
Ontroering over de zonde is en behoort ook te zijn in hen die van de verplichting tot eeuwige toorn verlost zijn
Indien er dan voor de Joden geen wet, geen overtreding, en dus ook geen ontroering vanwege de zonde was, omdat alle ontroering van het geweten ontstaat uit verbintenis aan de wet; want "dat moet zo zijn, omdat zij vrijgemaakt waren van de vloek van de wet en gerechtvaardigd in Jezus Christus, door Zijn genade, evenals wij nu, dan volgt hieruit, dat zij toen, evenmin als wij nu, kloppingen van het hart of verwondingen van het geweten onderhevig waren", hetgeen duidelijk gelogenstraft wordt in het geval van David, Josia en vele andere heiligen in het Oude Testament. Wat dan ook in hen zondige en ongelovige zielsontroering over de zonde was, moet in ons eveneens een zondige ontroering van de ziel zijn. De wet dreef de Joden harder aan dan ons. 1e Ten opzichte van de Mozaïsche last van ceremoniën en bloedige offeranden, welke hun schuld aanwezen, tenzij zij tot Christus de toevlucht namen. 2e Ten opzichte van Gods bedeling, dat de overtreding van de wet zoveel strenger gestraft werd, en wel met tijdelijke straffen, en dat gehoorzaamheid beloond werd met uitwendige voorspoed. 3e Daarin, dat deze leer krachtiger op het volk werd aangedrongen, opdat zij niet op de letter van de wet zouden rusten, maar de beloofde Messias zouden zoeken, in Wie alleen hun gerechtigheid was; evenals jonge erfgenamen en minderjarigen onder voogden gehouden worden, zolang zij minderjarig zijn. Wie zou nu durven zeggen, dat de heiligen onder het Oude Testament, die leefden en stierven in een staat van vergeving van zonde, van zaligheid en van vrede met God, Gen. 49:18; Ps. 37:37; Ps. 73:26; Spr. 14:32; Jes. 57:1,2; Hebr. 11:13; Ps. 32:1,2; Micha 7:18,19; Jes. 43:25; Jer. 50:20; Ps. 31:6; en die ongetwijfeld zalig waren in Christus, evenals wij nu zijn, Ps. 119:1,2; Ps. 65:5; Ps. 1:1—3; Ps. 144:14,15; Ps. 146:5; Job 5:17; Ps. 84:5,6; en, die niet stierven onder de vloek van God, of vatbaar waren, om na dit leven van de toekomende toorn en van de vloek van de wet door Christus verlost te worden; ik zeg: wie zou nu durven zeggen, dat zij, meer de wij, op de verdienste van hun eigen werken moesten vertrouwen, of gerechtigheid in zichzelf moesten zoeken; of, dat zij niet geloofden, of, dat hun geloof hun niet tot rechtvaardigheid gerekend werd, zoals het ons wordt? Gen. 15:5,6; Rom. 4:3—8; Ps. 32:1,2. Ja, zij waren, doordat zij geloofden in de Messias, Die komen zou, niet meer onder de wet, en onder de heerschappij van de zonde, dan wij nu, Rom. 6:6—9; Rom. 7:1—7; Rom. 8:1,2; Micha 7:18,19; Jes. 43:25; Jer. 50:20; Ps. 32:1,2; maar zij waren onder de genade, en zij hadden vergeving van zonde, en waren zalig gemaakt door het geloof, evenals wij. Hebr. 11:1—13; Gal. 3:10,13; Hand. 11:16,17; Rom. 9:31—33. Ja. de wet was hun niet minder een letter der verdoemenis dan ons. Rom. 8:3; Rom. 10:3; Deut. 27:26; Gal. 3:10, 13; 2 Kor. 3:7,8,13—15. Zij dronken uit dezelfde geestelijke Steenrots als wij, en de Steenrots was Christus, 1 Kor. 10:1—4; Hebr. 13:8; en zij werden door genade zalig, gelijk ook wij. Hand. 15:11.
2. Zo waarachtig het is, dat Josia’s weekheid van hart, het slaan van Davids hart, het wenen van de vrouw, zodat zij Christus’ voeten met haar tranen nat maakte, en het bitterlijk wenen van Petrus, wegens de verloochening van zijn Heere, verwondingen, en evangelische aandoeningen en bewegingen van de liefde waren, die uitgingen van de Geest der aanneming, van de liefde en van de genade, en die niets anders waren dan de liefdedroefheid van de tortelduif; zo’n valse voorstelling is het, dat ze geen zielsontroeringen waren, vanwege de zonde, aangezien die personen vrijgemaakt waren van de gehele wet Gods, en die bewegingen niet voortkwamen uit enigerlei gevoel van de vloek van de wet, of van enigerlei eisen van de wet, om te betalen, wat de gerechtigheid van de zelfveroordeelde zondaar eist. Nochtans waren het daden van zielsontroering over de zonde, als zonde. Het zal nooit volgen, dat de personen onder geen overtreding en onder geen wet waren, omdat zij niet onder een verbintenis tot eeuwige toorn waren. Zo’n verbintenis tot eeuwige toorn toch is geen keten, waarmee de zonen van de aanneming, die gewassen en gerechtvaardigd en van wie de zonden vergeven zijn, gebonden kunnen worden. Indien echter de gerechtvaardigden, zij, van wie de zonden vergeven zijn, zeggen, dat zij geen zonde hebben, dus dat zij ook geen reden hebben onder die banden te klagen, en als gevangen in de kerker te zuchten, zoals Paulus doet in Rom. 7:24, alsook, dat er geen oorzaak is voor klacht over de inwonende zonde; dan zijn zij leugenaars en vreemdelingen van hun eigen hart en zij slapen in diepe gerustheid. Alsof de zonde zo geheel zou weggenomen zijn, zowel in schuld als in smet, en alsof tranen, over de zonde als zonde, bewijzen zouden, dat zij, die de zonde bewenen, in de staat zijn van hen, die in de hel wenen, of, dat zij niet verplicht zouden zijn te wenen, ja, dat zij in plaats van zo aangedaan te zijn, zich maar zouden moeten verblijden, en vertroosten, en voortdurend vrolijk en verheugd zijn; juist, alsof Christus aan de dorpel van de heerlijkheid reeds alle tranen met Zijn Eigen hand van hun ogen had afgewist.
Van nature ontroert de wet ons niet
3. Ik zie ook niet één reden, waarom iemand zou vaststellen, dat de wet natuurlijk als een partij in de ziel is, zowel van de wedergeborene en gerechtvaardigde, als van hen, die buiten Christus zijn.
(1) Omdat het inwonen van de wet, als een aandrijvende partij, in te beschuldigen en te veroordelen, niet krachtens natuur in een van Adams nakomelingen is. Van nature toch is er een slapend, stom en zwijgend geweten in de ziel; en is er dan in het geweten van de heidenen iets, dat hen ter verantwoording roept en beschuldigt, (Rom. 11) dan is, aangezien een beroerd geweten het tegenovergestelde is van een zwijgend en stom geweten, het beschuldigen van de wet niet natuurlijk in de ziel. Ik zeg niet de Geest van de wedergeboorte, maar een bovennatuurlijke geest moet met de wet werken, anders liggen zowel de wet als de zonde dood in de ziel; de wet van de natuur ligt als een dode letter, en roert zich niet, tenzij de een of andere wind min of meer in de ziel blaast. (Rom. 7:8,9).
(2) Het is een ontferming, welke niemand aan zichzelf of aan de natuur kan toeschrijven, als de wet enige zondaar wakker maakt, en de dronken en verstandeloze zondaar doet zien, dat hij de rivier wordt afgevoerd naar de binnenkameren van de dood, opdat hij, zijn gevaar inziende, oorzaak zou vinden, naar de oever te zien, naar Jezus Christus, met de begeerte in Christus te landen.
(3) Alle gevoel van een zondige staat, waartoe het ook dienstig is, is een bovennatuurlijk werk, hoewel het niet altijd een vrucht van wedergeboorte is.
(4) Het is waar, dat Christus de ziel van een mens door de verlichting van het Evangelie onderwijst, alle beschuldigingen van de wet te beantwoorden, op die grond, dat Christus, de Verlosser, de wet de mond heeft gestopt met bloed, want anders heeft de mens maar een armelijke en zwakke pleitgrond; doch die grond kan niet in het geweten gelegd worden zonder enige ontroering van de ziel over de zonde.
Hoe de heiligen na de zonde meer behoefte aan blijdschap hebben, dan na verdrukkingen
(5) Het is een vreemde stelling, dat Gods kinderen na de zonden meer behoefte aan blijdschap hebben, dan na verdrukkingen, en dat zij, in zeker opzicht, de meeste blijdschap hebben, die het meest hebben gezondigd. Zeker, de vergeving van de zonde brengt dit mee, maar deze blijdschap gaat niet over de zonde, doch het is een blijdschap over veel lief te hebben, omdat veel vergeven is. De vergeving is een daad van vrije genade; de zonde is geen genadewerk. De zonde doet het hart Gods smart aan, gelijk de droefheid van een vriend, een vriend bedroeft. De gelovige is een vriend van God gemaakt, (Joh. 15:15) en het moet een vervloekte blijdschap zijn, die in de baarmoeder ligt van hetgeen het meest het hart van Christus tegen is, en dat is toch alle zonde. Ja, meer ontroerd van ziel te zijn over de zonden dan over verdrukkingen maakt het hart week van de ziel, die in overeenstemming blijft met het hart en de ingewanden van Christus, Die meer weende over Jeruzalems zonden dat over Zijn Eigen verdrukkingen en Zijn kruis. Gelijk enige onsen eeuwige toorn in de wet, en een talentpond vrije Evangelie-ontferming elkaar zullen matigen, tot genezing van de zondaar; zo is er geen redelijke weg om de prijs en de waardij van de Zielsverlosser van zondaren, en het gewicht van oneindige liefde zozeer te verheffen en te verhogen, als door de zondaar te doen weten in welke diepe hel hij gedompeld is, wanneer zijn beenderen verbrijzeld zijn; want, dat de Evangelietong van de Heelmeester Christus het bedorven bloed van de wonden van de ziel aflikt, spreekt meer dan alle bevatting van vrije liefde. Wij zeggen ook niet, dat Evangelie-droefheid gewerkt wordt door de bedreigingen van de wet, want dan was het maar een slaafse droefheid; zij wordt gewerkt door de leer van de wet, welke de snoodheid en zondigheid van de zonde ontdekt, en door de leer van het Evangelie, wanneer de Geest van het Evangelie die beide verlicht. Anders kunnen de klanken, beademingen en letters van wet of Evangelie, wanneer de beademing van de hemel ze verlicht en bezielt, geen nut doen.
De zonde wordt op andere wijze vergeven dan door de wegneming van de verplichting tot eeuwige toorn
IV. Zonden van de jeugd, die reeds vergeven zijn, wat betreft de verbintenis tot eeuwige toon, kunnen zodanig tegen het kind van God oprijzen, dat hij nodig heeft om vergeving voor die zonden te bidden, tot wegneming van tegenwoordige toorn, uit een gevoel van het gemis van Gods tegenwoordigheid en van de invloed van Zijn liefde, en uit een gevoel van de wolk van treurigheid en dodigheid, welke veroorzaakt worden door het gemis van de blijdschap van de Heilige Geest, en de vroegere vertroostingen van de dagen van ouds, (Ps. 90:7). "Want wij vergaan door Uw toorn, en door Uw grimmigheid worden wij verschrikt." (vs. 8) "Gij stelt onze ongerechtigheden voor U, onze heimelijke zonden in het licht Uws aanschijns." Dit was geen beweging van het vlees in Mozes, de man Gods. Antinomianen mogen dat dromen, doch de Geest van God zegt, dat de grimmigheid des Heeren ontstak tegen Zijn volk. Deze hun bevatting is ook niet goed te maken met te zeggen, dat Mozes in de tekst spreekt met betrekking tot het verworpen deel van het volk, want Mozes bidt door onmiddellijke ingeving niet, dat de heerlijkheid en de liefelijkheid des Heeren, in het gevoelen Zijner liefde, zouden geopenbaard worden aan de verworpenen.
De dubbelhartigheid van de Antinomiaanse predikanten in, in het openbaar, de zonden te belijden, welke een belijdenis is, alleen in betrekking tot ongelovigen, die onder de gelovigen vermengd zijn
De Antinomiaanse predikanten van onze tijd belijden de zonden in het openbaar, doch dat zijn de zonden van de verworpen en vleselijke menigte, die in de gemeenschap onder de godzaligen vermengd zijn; zij houden het voor een werk van het vlees, hun eigen zonden te belijden. Dit is, het Woord des Heeren van Zijn volk te stelen. David spreekt in Ps. 25:7; "Gedenk niet de zonden van mijn jonkheid, noch mijn overtredingen." De zonden van zijn jonkheid, wat betreft de verbintenis tot eeuwige toorn, waren vergeven, dat is niet te betwijfelen, doch ten opzichte hiervan, dat God zich in de uitlatingen van Zijn liefde van hem afgewend had, en dat zijn zonden in een bundeltje verzegeld waren, als zoveel kwaden, tot zonder getal toe, die op hem lagen, bidt hij in vs. 16: "Wend U tot mij." Het gevoel van Gods gunst was van hem geweken. In vs. 18 zegt hij: "Aanzie mijn ellende en mijn moeite, en neem weg al mijn zonden." Zijn zonden waren wel vergeven, maar dat vrijwaarde David niet voor de pijn en smart naar lichaam en ziel, waaraan hij toen onderhevig was. (Ps. 38:5) "Want mijn ongerechtigheden gaan over mijn hoofd, als een zware last zijn zij mij te zwaar geworden." Er is geen reden voor, te geloven, dat David meende, dat hij reeds een verdoemde in de hel was. Toch kunnen enige sprankels van het vuur van de hel, van helse toorn op Gods kinderen vallen; al voldoen zij op generlei wijze aan de goddelijke gerechtigheid, en al zijn zij geen vrucht van Gods haat en vijandschap, toch zijn zij geen ingebeelde, maar wezenlijke toorn. God was wezenlijk toornig aan de twistwateren van Meriba.
Tweeërlei vergeving van zonde. 1e Een wegneming van eeuwige, en 2e van tijdelijke toorn
Wat David deed in de zaak van Uria mishaagde de Heere; het was niet alleen zo in Davids bevatting. Hoewel de hel-voor-een-tijd in de ziel van Gods volk, en de hel van de verworpenen, in wezen en natuur verschillen, omdat de hel van de verworpenen een voldoende smart is, en uit de haat van God voortvloeit, terwijl dit niet zo is met de hel van Gods kinderen; nochtans zijn zij hierin stoffelijk van dezelfde zwaarte, omdat zij beide kolen en vlammen zijn uit dezelfde oven, en geen van beide ingebeeld. De zonden van de jeugd, die reeds lang vergeven zijn, zijn, hoewel zij soms hartelijk bemind werden als de geest van een geliefde vriend, die reeds enkele jaren dood en begraven, zich weer vertoont, evenals de gestorven Samuel aan Saul. Zo lief en dierbaar zij elkaar waren in het leven, zo verschrikkelijk en vreselijk zijn zij, wanneer zij zich levend, uit het land van de dood, aan ons vertonen. Zo is het ook met de zonden van de jonkheid, die reeds lang geleden in Christus vergeven zijn, wanneer zij zich, als uit de doden opgestaan, weer aan David, en Job, en de heiligen vertonen, met de sluier en het masker of in de gedaante van de hel, en verzegeld met tijdelijke toorn. (Ps. 99:8) "Gij zijt hun geweest een vergevend God, hoewel wraak doende over hun daden." Hetzelfde woord wordt gebruikt, wanneer aan God wordt toegeschreven, dat Hij Zich wreekt over Zijn vijanden, in Num. 31:2, en Jes. 1:24, "Ik zal Mij wreken van Mijn vijanden; en in 2 Kon. 9:7, "dat Ik het bloed Mijner knechten, van de Profeten wreke." Zo wordt het zelfde woord "wraak" ook gebezigd in Deut. 32:43, "Hij zal de wraak op Zijn tegenpartijen doen terugkeren." Indien er in een en hetzelfde tijdelijk oordeel over de moordenaars, die met Christus gekruisigd werden, zoveel verschil is, dat op dezelfde dood, voor de ene barmhartigheid en voor de ander toorn gestempeld is; dan mogen wij wel zeggen, dat er een tijdelijke toom is, welke in dit leven zowel heiligen als verworpenen overkomt. Het verschil in beide ligt in het hart, en in het voornemen Gods.
Zonde wordt soms genomen in plaats van tijdelijke straf, en het wegnemen van tijdelijke straf is in de zin van de Schrift vergeving van zonde
Dat God de zonde vergeeft, wanneer Hij de tijdelijke toorn wegneemt, zien wij in Sam. 12:13; En Nathan zeide tot David: "De Heere heeft ook uw zonde weggenomen; u zult niet sterven." Dit ziet bijzonder op de tijdelijke dood, zoals duidelijk blijkt uit het onderling verband met vs. 10, "Het zal van uw huls niet wijken," en vs. 14, "Nochtans. zal ook de zoon, die u geboren is, de dood sterven." Dat de Heere Davids zonde wegnam, bestond dus daarin, dat hij in zijn eigen persoon, niet in zijn huis en kinderen, van het zwaard bevrijd werd; want volgens de regel van de goddelijke rechtvaardigheid, wordt het zwaard met het zwaard gestraft, hoewel getemperd door barmhartigheid. Ik sluit geen verlichting van eeuwige straf uit, maar ik betoog, dat vergeving dikwijls genomen wordt in de zin van verlichting van straf. Gelijk er twee soorten straf zijn, de een tijdelijk, en de andere de eeuwige toorn, zo zijn er ook volgens de Schrift twee soorten vergeving, de een van de tijdelijke, en de andere van de eeuwige straf. Daarom wordt "zonde" gesteld in plaats van "straf" in Gen. 4:13; "Mijn misdaad is groter, dan dat zij vergeven worde;" of "Mijn straf is meer dan ik kan dragen." Lev. 24:15; "Een ieder als hij zijn God gevloekt zal hebben, zo zal hij zijn zonde dragen." Ezech. 23:49; "En gij zult de zonden van u drekgoden dragen." Num. 9:13: "De man, die rein is, – en nalaat het Pasen te houden, – diezelve man zal zijn zonden dragen." Zo wordt van God gezegd, wanneer Hij de zondaar in staat van beschuldiging stelt, dat Hij hem een last oplegt; (2 Kon. 9:25). en deze last weg te nemen, is, de zonde te vergeven. 2 Kron. 7:14: "Zoo Mijn volk zich verootmoedigen zal, zo zal Ik uit de hemel horen, en hun zonden vergeven, en hun land genezen;" namelijk, door de sprinkhanen en de pest weg te nemen. Hier ziet u, dat vergeving van de zonde verklaard wordt te zijn het wegnemen van de sprinkhanen en van de pest. Zo is de zonde in gedachtenis te brengen, de zonde te straffen. De Sunamietische zegt, in 1 Kon. 17:18: "Zijt gij bij mij ingekomen, om mijn ongerechtigheid in gedachtenis te brengen, en om mijn zoon te doden?" Job klaagt in hfdst. 13:26: "Gij doet mij beërven de misdaden van mijn jonkheid." Nu, hoewel het kan zijn, dat hij door ongeloof vreesde, dat hij door God verworpen was, dat zijn zonden nooit waren vergeven, en dat hij nooit verlost was van de toekomende toorn, en dat, zodoende, deze wettische gedachten Job, naar zijn eigen zondig begrip, van God verwijderd hielden; toch zal het nooit kunnen bewezen worden, dat Job onder al die klachten, niets dan een zuivere wettische gedachte van Gods bedeling had, en dat God niet, op al die verdrukkingen, nu de Heere achter de muur stond, het stempel zette van tijdelijke toorn, van de smart over een zich verbergend en zich met wolken bedekkend God, en van de inhouding van het gevoel van goddelijke liefdesuitlatingen. Nu weten wij, dat, waar dit dikwijls beproevingen zijn van het geloof van de heiligen, het slechts de zure vruchten zijn van ons vleselijk toegeven aan onze vleselijk lusten, en van ons niet opendoen voor onze Liefste, wanneer Hij klopt (Hoogl. 5:2—6). Al is het, dat de godzaligen standvastig geloven, dat hun zaligheid in een Sterkte ligt, waar zij nooit kan verloren worden; toch is het redelijk, dat de zonde, waar zij de beenderen verbrijzelt, een nare wolk verwekt, de bron van de liefde van Christus, die in het hart uitgestort is, opstopt, en een tijdelijke hel in de ziel brengt, ook betreurd, gehaat, beweend en beleden wordt. Toch is er in dit alles geen noodzaak, dat dit door een wettische geest van de dienstbaarheid gewerkt wordt; ook wordt het geloof daardoor op generlei wijze verminderd, maar wel meer geoefend. De zonden van de heiligen onder het Nieuwe Testament hebben dezelfde droevige vruchtgevolgen, zoals duidelijk blijkt uit Openb. 2:5,16 en 22; Openb. 3:3,17 en 18; 2 Kor. 1:8—10; 2 Kor. 2:7; 2 Kor. 7:5—7; Openb. 3:20; Joh. 14:1. Wij kunnen toch niet denken, dat de strengheid van de wet hun, die onder de wet waren, toestond om in het minst niet ontroerd van ziel te zijn over de zonde, die toch de invloed en de uitlatingen van de goddelijke liefde met wolken bedekte; ook al veronderstelt men, dat zij verzekerd waren, vrijgemaakt te zijn van de toekomende toorn, zoals blijkt uit de Bruid, in Hoogl. 5:1—6; 2:16,17 en 4:7. Het is ook niet waar, dat Evangeliegenade en Evangelievrijheid de heiligen zo’n losbandigheids-vrede deelachtig maken, dat zij ten volle verzekerd zijn van hun verlossing van de vloek van de wet, nooit weer ontroerd worden over de zonde, die in de staat van de rechtvaardigmaking begaan worden; dat zij nooit weer moeten klagen of kermen onder de gevangenschap van de zonde, noch de zonde belijden, omdat het bloed van Christus de ziel gewassen en alle tranen van ogen en aangezicht heeft afgewist; en dat de zaligheid van de heiligen in dit leven niet alleen in hoop is, als tarwe in de halm, maar daadwerkelijk als in het toekomende leven; en dat daarom een heilige wandel en goede werken niet meer de weg of middelen tot het koninkrijk kunnen zijn (zoals Mr. Towne en andere Antinomianen zeggen), dan een wandeling in de stad een weg naar de stad kan zijn, omdat die mens al in de stad is, voor hij gaat wandelen.
Zielsontroeringen moeten in duivelen en mensen hooggaande zijn
V. Indien de ziel van Jezus Christus ontroerd was, omdat de goddelijke toorn, om onze zonde, op Hem was, en Hij bloed zweette, toen God Hem levend verbrandde in een oven van goddelijke gerechtigheid; hoewel elke zweetdruppel in de hof een zee van vrije genade was, toen niet alleen Zijn ogen vochtig waren, maar Zijn aangezicht en lichaam de vrije liefde van Zijn ziel uitzweetten (Luk. 22:44; Hebr. 5:7); wat moet dan wel de zielsontroering in een brandend geweten zijn? Het is geen wonder, dat goddeloze mensen, die met eeuwige wraak worstelen, die niet kunnen verdragen. Daar de hoofdzonde van de duivel godslasterlijke wanhoop is, verzoekt hij het meest tot zijn eigen hoofdzonde; de toeleg en het einddoel van al zijn verzoekingen is, om tot wanhoop te brengen. Omdat de duivelen onder het gebied en in het element van de rechtvaardigheid leven en zich bewegen, kunnen zij het niet uithouden, en maken zij het tot hun gewone zaak, dat Christus hen pijnigt, als zij tot Hem roepen: "Zijt Gij hier gekomen, om ons te pijnigen voor de tijd?" (Matth. 8:29; Spr. 18:14). "De geest eens mans zal zijn krankheid ondersteunen, maar een verslagen geest, wie zal die opheffen?" De geest is het edelste bestanddeel van de mens. Alles is te dragen; doch verbreek de ziel van een mens, en verbreek het alleredelste deel van de ziel, het geweten; wie kan dan bestaan?
Het geweten is de hevigste vijandin van de mens. De verschrikkingen van een kwaad geweten
Gelijk het geweten de liefste boezemvriendin van de mens is, zo is zij ook zijn hevigste vijandin. David wordt door zijn vorst vervolgd en hij draagt dat; Jeremia wordt door de overheden, priesters en profeten in de kerker geworpen en hij doorstaat het; Job wordt door zijn vrienden vervolgd en hij bezwijkt niet; Christus wordt door Zijn Eigen dienaren en bloedverwanten verraden en gedood en Hij verdraagt dit; de apostelen worden door de Joden gegeseld, in de kerker geworpen en gedood, en zij verblijden zich, doch Judas wordt maar eens door een boze geest uit de hel in zijn binnenste gedreven en hij springt overboord in een zee van oneindige toorn; Kaïn, Saul, Achitofel, zij kunnen het niet doorstaan; Spira bromt als een beer en hoewel we het goede mogen hopen van zijn eeuwige staat, schreeuwt hij uit: "O, dat ik boven God was!" Toen Nero na al zijn bloedstortingen ook zijn moeder Agrippina gedood had, kon hij niet slapen, maar hij sprong dikwijls het bed uit, verschrikt als hij werd door visioenen van de hel. De eeuwigheid, de opstanding en het toekomend oordeel zijn krachtig, wanneer zij op het geweten gebonden worden.
Wat is vrees? Een kwellende hartstocht. Denkt u een levend mens, die aan een gerafeld touw over een rivier van onvermengde, zuivere wraak hangt en dat dit touw zichtbaar die last niet lang zal kunnen dragen; onder welke verschrikking en tastbare duisternis zal die ziel zijn.
Wat een droefheid en treurigheid is dat, wanneer er geen schaduw van vertroosting is; wanneer er wanhoop, wrok en bittere vijandschap tegen de heilige Majesteit Gods is; wanneer de ziel verlangt en sterft van brandende begeerte, om boven en buiten het bereik van het vlekkeloos wezen van de oneindige Majesteit Gods te zijn en zij eeuwig branden zal in een vuur van woede en gramschap, zelfs tegen het bestaan van God, en zij de Heilige Israëls tot in eeuwigheid zal lasteren. Job zegt er in dit leven van, in hfdst. 27:20, "Verschrikkingen zullen hem als wateren aangrijpen; des nachts zal hem een wervelwind wegvagen."
Overweegt ook, wat het voor de heiligen is. Job klaagt: (hfdst. 14:16) "Gij bewaart mij niet om mijner zonden wil. (vs. 17) Mijn overtreding is in een bundeltje verzegeld en Gij pakt mijn ongerechtigheid opeen." Laat er nu verkeerd oordelend ongeloof in de heiligen zijn; dit is echter zeker, dat God strafoefenende verlatingen over de zielen van Zijn kinderen doet komen als wezenlijke deeltjes hel, hetzij tot beproeving, zoals over Job, hetzij als straf, zoals over David, wiens beenderen verbrijzeld werden om zijn moord en zijn overspel, (Ps. 51:10) en wiens sap veranderde in zomerdroogte, wegens de toorn Gods in zijn ziel, totdat de Heere hem tot belijdenis van zijn zonden bracht en die vergaf, (Ps. 32:3—6).
Onderscheid tussen de zielskwelling van de verdoemden en van de heiligen, in drie merktekenen verklaard
Sommigen zullen echter zeggen: "Kan de Heere geestelijke straf opleggen of iets van de hel of de minste kool vuur uit die zwarte oven in de ziel van Zijn kinderen doen komen?" Waarop ik antwoord, dat het maar nieuwsgierigheid is, er over te twisten of de smarten van de hel en de vlammen en sprankels van wezenlijke toorn, waarvan ik bewijzen kan, dat de zielen van de heiligen er in dit leven wezenlijk door bevangen zijn, geestelijke straffen zijn, welke in natuur verschillen van die van de verdoemden. Het is zeker, dat er drie merktekenen gestempeld en gegraveerd zijn op de smarten van de verdoemden, welke niet gevonden worden op de wezenlijke zielsstraffen van goddelijke toorn in de zielen van de heiligen.
1e Welke stukjes hel of brokjes toorn ook gebracht worden in de zielen van de verlaten heiligen, zij zijn gehonigd en ingedoopt in de hemel, en gesuikerd met eeuwige liefde. Gods hart is nog op Efraïm gezet, als op Zijn dierbare zoon, en Zijn ingewand rommelt over hem, vanwege zijn ellende, ook als Hij tegen hem spreekt. (Jer. 31:20,21). Doch de kolen vuur uit de oven, die op de verworpenen geworpen worden, zijn ingedoopt in de vloek van God, ja zodanig, dat er in een kleine verdrukking, zelfs in het verkeerd uitvallen van een baksel brood en in het verlies van een magere os, een grote wetsvloek en onverdraaglijke wraak is; (Deut. 27:26; Deut. 28:17, 31) terwijl er wederom in het inbreken van een zee en een vloed van de hel in de ziel van een kind Gods een rijke hemel van goddelijke tegenwoordigheid is. (Ps. 22:2,9,10; Ps. 18:5—7).
2e De helse pijnen van de verworpenen zijn wetseisen van voldoenende wraak om aan zuivere rechtvaardigheid te betalen; doch vuurstralen of vlammen van de hel in de verlaten heiligen zijn genezende of onderzoekende tuchtigingen, hoewel zij in betrekking staan tot rechtvaardigheid en tot het straffen van de zonde; nochtans is die rechtvaardigheid vermengd met ontferming en zij eist geen betaling volgens de wet in die verdrukkingen.
3e Wanhoop en godslasterlijk beschuldigen van, en twisten met de goddelijke rechtvaardigheid zijn onafscheidelijk verbonden aan de vlammen en zweepslagen van de toorn in de verworpenen; in de godzaligen echter is er niet minder een billijken van de goddelijke rechtvaardigheid, een onderwerping aan God en een stille Psalm tot lof van de heerlijkheid van deze rechtvaardigheid in deze tijdelijke hel, dan dat er in de eeuwige heerlijkheid een nieuw gezang tot lof van vrije genade is van de heiligen, die volmaakt zijn met het Lam.
God straft soms de zonden Zijner kinderen met geestelijke straffen
Het moet ons niet vreemd voorkomen, dat God de zonden van Zijn kinderen straft met zulke geestelijke plagen van ongeloof en verdenkingen en leugenachtige, verkeerde beoordelingen van God in hun droevige verlatingen; niet vreemder, dan dat de Heere het trotse hart van Hiskia strafte met hem zo te verlaten, dat hij in zijn volle zwaarte kwam te vallen; en dat Hij Davids luiheid en zekerheid strafte met hem te doen vallen in overspel; en dat Hij Petrus’ zelfvertrouwen strafte met een snood verloochenen van zijn Heere. Het is een droevige bedeling, wanneer God een heilige klooft met een wig van zijn eigen hout en wanneer Hij in deze koorts van zielsverlating de ene verkeerde beoordeling van God aan de andere verbindt; en wanneer de rechtvaardigheid in een toelatende voorzienigheid de ene zonde aan de andere vastmaakt, om zodoende de keten te verlengen. Wat zou er van worden, indien niet vrije genade, een gouden schakel, het tijdstip bepaald had, hoelang dat zo zal voortgaan. Wij moeten dit niet als een gewone ramp beschouwen. De uitdrukkingen van Job zijn zeer volledig (hfdst. 6:4): "Want de pijlen des Almachtigen zijn in mij, welker vurig venijn mijn geest uitdrinkt; de verschrikkingen Gods rusten zich tegen mij". Een pijl is een dodelijk wapen, wanneer hij door een mens of engel geschoten wordt, maar toch nog zacht als olie in vergelijking met de pijl des Almachtigen.
1. Het is de pijl des Almachtigen. De Almachtige heeft die in de hemel gevormd, gegoten en scherp gemaakt.
2. De pijl is in vergif ingedoopt en heeft de kracht van de hel en van de goddelijke rechtvaardigheid. Een duivel is sterker dan een leger mensen. Legioenen duivelen zijn machtig sterk, wanneer zulke boogschutters van de hel gezonden worden, om pijlen te schieten, die vergiftigd zijn met de vloek en de bloedige grimmigheid van de hemel.
3. Wat een droevig ingaan van de pijl moet dat zijn, wanneer de arm van de Almachtige de boog spant.
Gods arm kan de bergen aanraken, zodat zij beven; Hij kan de grondvesten van de aarde en de bol van hemel en aarde veel gemakkelijker uit hun plaats zetten, dan dat een mens een slingersteen kan wegwerpen. Wanneer Hij de sterkte van de Almacht tegen het schepsel in werking stelt, wat kan dan de mens doen?
4. Elke pijl is geen uitdrinkende pijl, maar de pijlen van goddelijke toorn drinken bloed. Veronderstelt, dat duizend grote bloedzuigers op een arme, naakte mens gezet worden, om bloed te zuigen uit elk deeltje van zijn lichaam en dat zij genegen waren en macht hadden, om het merg, de vettigheid en de levenssappen uit beenderen en gewrichten te zuigen; denkt u in, dat een mens een kleine zee van bloed in zijn aderen had en dat zij een buitengewone dorst hadden en macht, om het lichaam van die levende mens uit te drinken, tot het zo droog was als stro of vlas; wat zou dat een pijn zijn, ja, dat zou onverdraaglijk zijn.
5. Pijlen kunnen slechts bloed uitdrinken; pijlen worden tegen het lichaam afgeschoten; het ergste, wat zij kunnen doen is, dat zij het leven uit hart en lever uitdrinken en de sterkste beenderen verbrijzelen; doch de pijlen des Almachtigen worden tegen de geesten en de zielen afgeschoten. De ziel is een edel, teer en onsterfelijk iets (Jes. 31:3). "De paarden van Egypte zijn vlees en geen geest." De geest is van een natuur, die meer met de natuur van God overeenkomt dan wat ook, dat God geschapen heeft. De pijlen des Almachtigen doden geesten en zielen. Er is een pijl, die vlees, gewrichten, lever, hart en beenderen, ja, die ook de ziel doorboort. Geen boogschutter kan een pijl op de ziel schieten, maar de Almachtige kan dit doen. Uw pijl kan de mens doden, doch de ziel is gevrijwaard.
6. Velen hebben hun leven niet lief tot de dood, zoals de getuigen van Jezus. De dood is de dood, als bekleed zijnde met bevattingen van verschrikking. Niemand is (actu secundo) ellendig, van binnen en van buiten, dan hij, die gelooft, dat hij ellendig is; hier zijn verschrikkingen, zelfverschrikkingen. Jeremia kon niets vreselijkers profeteren tegen Pashur: "de Heere, zeide hij, noemt uw naam niet Pashur, maar Magor-missabib." (Jer. 20:3). U zult zichzelf een schrik zijn. Vergelijkt dit met andere smarten. Job verkoos eerder de verworging of het donkere graf. Het graf is voor de natuur een droevige, duistere en verschrikkelijke woning, maar een gelovige kan het graf nog te boven komen. Welke vrees hebben de verheerlijkte geesten nu voor een graf? Of zijn zij bevreesd voor een doodkist, een lijkwade of een woning bij de wormen en het verderf? Of is levend verbrand te worden voor hen een verschrikking? Neen, niet een van deze kan hen achtervolgen of overvallen en, dat weten zij. Maar zelfverschrikkingen zien een hel, welke iemand in zijn boezem omdraagt; men kan die niet ontlopen. O, hij legt zich neer en de hel gaat met hem te bed; hij slaapt en de hel verschrikt hem in zijn dromen; hij staat op en de hel vergezelt hem naar het veld; hij gaat naar zijn hof en ook daar is de hel. Het is opmerkelijk, dat een hof een soort van paradijs is en dat Christus even diep in de angst en in de worstelingen van de hel voor onze zonden was in een hof, een vermakelijke plaats, als aan het kruis, een plaats van pijniging. De mens gaat aan tafel zitten, o, hij durft niet eten, hij heeft geen recht op het schepsel; eten is zonde, eten is de hel; en zo is de hel in elke maaltijd. Te leven is zonde; hij zou de verworging wel kiezen boven het leven; elke ademhaling is zonde en hel. Hij gaat naar de kerk en hij ziet een hond, die in zijn ogen zo groot is als een berg. Ook hier zijn verschrikkingen. Maar ach, een of twee verschrikkingen zijn niet veel, hoewel te veel voor een ziel, die van alle vertroosting verstoken is.
7. God is altijd in deze droevige bezoeking; het is: "de verschrikkingen Gods rusten zich tegen mij; en, Zijn schutters hebben mij omringd, of, Zijn boogschutters, of, Zijn grote, (zoals het overgezet kan worden,) hebben mij belegerd"; omdat er velen zijn of omdat de groten van ver te zien zijn. Zo staat er in 2 Kron. 17:9, en 1 Sam. 7:16: ".Samuel ging rondom naar Bethel, en Gilgal, en Mizpa," en in Jozua 6:3: "Gij zult rondom Jericho gaan." De toorn Gods en een leger van verschrikkingen belegerden de arme Job en bestormden hem. In deze toestand ligt de ziel onder de volgende hevige onderdrukkingen. (1) De arme mens kan niet uitzien naar enigerlei vertroosting of hulp van het schepsel. Wanneer een engel uit de hemel hem kon bijstaan of een goed geweten voor hem kon pleiten, dat zou hem vertroosten, doch de mens heeft nergens uitzicht op en hij kan ook niet opzien, (Ps. 40:13). De vijandschap Gods is een droevig iets. (2) Een slagorde wordt niet opgesteld door één man, maar door vele vijanden. Stelt, dat de mens één ziel heeft, dan zal die zijn vijand zijn, en als hij honderd zielen heeft, dan zal hij honderd vijanden hebben; nu, zoveel miljoenen gedachten als hem in zijn vermoeiende nachten doorkruisen, zo veel vijanden heeft hij, ja, zoveel schepselen, zoveel stenen van het veld, zoveel dieren er zijn, zoveel vijanden heeft hij. (Job 5:23; Hos. 2:8.) De Vader doet in Christus voorstellen van vrede, maar voor de arme ziel, die onder het gevoel van toorn ligt, hebben zij geen waarde. De vrees van de hel is een stukje wezenlijke hel voor de mens, die niets weet dan, dat hij niet met God verzoend is. De schepselen achter hem en voor hem, de hemel boven en de aarde beneden en de schepselen aan alle zijden, van binnen en van buiten, staan met de wapenen van de hemel en van een toornige God tegenover hem. Vrienden, vrouw, dienstknechten en bekenden hebben iets over zich, dat hem van toorn en hel spreekt; hij is, naar zijn gedachten, bij hen een vogelvrijverklaarde, en de Overste van al die boogschutters is God. God, God is de voornaamste Partij. (Job 19:12—17.) Zo ziet u, hoe broederen, bekenden, bloedverwanten, knechten, dienstmaagden, vrouw, kindertjes, been, huid en vlees allen voor Job zijn als vurige kolen uit de hel. (Jes. 8:21,22.) In deze toestand zullen de mensen hun koning en hun God vloeken.
Christus’ zielsontroering verschilt van de onze
VI. Aangezien de zielsontroeringen van de verlaten en verzochte heiligen en van geplaagde en vervloekte verworpenen stoffelijk dezelfde zijn, doch naar de vorm en wezenlijk verschillen in betrekking tot het hart Gods en Zijn bedeling en Zijn voornemen, Zijn barmhartigheid en rechtvaardigheid, welke die regelen, zal ik 1e over het verschil spreken, dat er is tussen de ontroering van de ziel van Christus en van de heiligen; en 2e over sommige wegen van de bedeling van God in de zielsontroering van de heiligen.
Wat het eerste betreft, er was in de ontroering van de ziel van Christus (1e) geen verkeerd beoordelen van God, maar een sterk geloof, zodat Hij God nog Zijn Vader en Zijn God noemde. (2e) Toen deze ontroering haar hoogtepunt bereikte, door meerdere toevoeging van brandstof aan het vuur van de goddelijke toorn, bad Hij met meerdere uitstrekking van lichaam en geest; (Luk. 22:44). Hij strekte zich uit in vurigheid van gebed; (Hebr. 5:7) Hij offerde gebeden en nederige smekingen, als de armen en verdrukten, die zich wenden tot iemand, die hen kan helpen; Hij diende als een overstelpt Man een nederig smeekschrift bij God in en Hij trok een wissel op zijn Vader, welke Hij aanbood met sterke roepingen en tranen. (Openb. 14:18) De Engel riep met een groot geroep. In Joh. 18:40 wordt dit werkwoord gebruikt voor roepen met een grote en verheven stem, of met luid geroep, als wanneer mensen roepen en hun klederen wegwerpen en stof in de hoogte werpen. (3) Zijn zielsontroering en Zijn dood waren een voldoening aan de goddelijke rechtvaardigheid voor onze zonden, terwijl Hijzelf vrij van zonde was; waaruit men zou kunnen opmaken, dat de heiligste heilige op aarde aan geen zielsontroering behoeft onderworpen te zijn. Doch in betrekking tot het tweede punt, zullen de volgende stellingen enigermate ophelderen, wat de zielsontroering van de heiligen is.
De oorzaken van ziels-verlatingen. Ziels-verlatingen verscherpt door gevoel
1. Het geweten bestaat in kennis; wanneer er maar olie is, om licht te ontsteken, dan is hier kennis te vinden. Het geweten blijkt het meeste te zijn, wat zij is, wanneer zij getuigenis geeft van ons goed of kwaad doen. Wij zijn meer bezig met zondigen dan in God te gehoorzamen, en vanwege de verdorvenheid van de natuur zijn slechts weinig natuurlijke gewetens ontwaakt, zodat zij de zonde zien. Wanneer het vernieuwde geweten werkzaam is in het gevoelen en onderscheiden van de schuld, is zij het beste gesteld; hoe meer leven, hoe meer gevoel. Zieken, die bewusteloos liggen of stervende personen, die niet meer horen, zien of spreken, zijn halverwege onder de doden. Het geweten, dat ziek is van overgevoeligheid en dus overgevoelig over de zonde, is in die zin in een koorts. Koorts ontstaat dikwijls uit overspanning, door te veel bloed en uit de weligheid van de vochten, doordat de vaten te vol zijn; zij is als een rivier, die genoodzaakt is bulten haar oevers te treden, omdat het kanaal, waardoor zij vloeit, te nauw is, om alles te bevatten.
Verlatingen na duidelijke en volle openbaringen van God
2. Wanneer wij de werkende oorzaak van verlating beschouwen, blijkt het, dat de tijd van buitengewone verlating dikwijls daarop volgt, dat Christus de ziel bezocht heeft met een volle, hoge springvloed van goddelijke openbaringen van zichzelf, dat een wijze bedeling Gods is. Wanneer Paulus opgetrokken was tot in de derde hemel, onder buitengewoon hoge openbaringen, dacht het God goed hem te oefenen door een engel van de satan, waarbij, wat ook die engel was, door de zwakheid en geestelijke ongesteldheid, waarin hij verkeerde, een mindere of meerdere verlating niet gemist werd. Het schijnt, dat het vleselijke begeerlijkheid was naar een geestelijk gezicht. Paulus was geneigd, te denken, dat hij een engel was en geen vlees en bloed, daarom zegt hij tweemaal in een vers: (2 Kor. 12:7) Dit geschiedde mij, "opdat ik mij niet zou verheffen"; opdat ik mij niet boven de gewone kometen zou rekenen onder de sterren. Doch indien wij de stoffelijke oorzaak beschouwen, dan zouden die buitengewone uitlatingen van de liefde van Christus onze zwakke en enge vaten kunnen doen breken. In Hoogl. 5:1 hebben wij een rijk en heerlijk gastmaal van Christus: "Ik ben in Mijnen hof gekomen. O Mijn zuster, o Bruid; Ik heb Mijn mirre geplukt, met Mijn specerijen, Ik heb Mijn honingraten met Mijnen honing gegeten; Ik heb Mijnen wijn mitsgaders Mijn melk gedronken: Eet vrienden, drink en word dronken, o liefste." Toch spreekt de Geest Gods in de volgende verzen van een droevige verlating: "Ik sliep, maar mijn hart waakte; de stem mijns Liefsten, die klopte, was, —enz." Het is niet alleen goddeloosheid, maar ook gebrek aan menslievendheid, dat de Kerk eerder zou toelaten, dat de vermoeide Jezus Christus, in een regenachtige en sneeuwige nacht, waarin Zijn haarlokken vervuld waren van nachtdruppen, op de straten zou neervallen en sterven, dan dat Hij tot haar zou inkomen om bij haar te vernachten. Laat ons niet menen, dat de draad, die door de Schrift loopt en de samenhang en het verband, waarin het ene vers op het andere volgt, zoals de Geest van God die gerangschikt heeft, een bloot toeval of iets van menselijke vinding is. Wanneer de Bruid op de hoogten van Jacob rijdt en zegt: "Juicht, gij hemelen, en verheug u, gij aarde, en gij bergen, maakt gedreun met gejuich, want de Heere heeft Zijn volk vertroost en Hij zal Zich over Zijn ellendigen ontfermen.; (Jes. 49:13) dan was dit niets in de ogen van die ellendigen; doch, zo luidt vs. 14, Sion zegt: "De Heere heeft mij verlaten en de Heere heeft mij vergeten." Wanneer de discipelen des Heeren, bij de verheerlijking van Christus op de berg, toen zij Zijn heerlijkheid zagen, het heerlijkste gezicht hadden, dat hun ooit te beurt viel, en Petrus zeide: (Matth. 17:4) "Heere, het is goed, dat wij hier zijn," dan, ja juist dan, moet het blijken welke zwakke mensen zij zijn; en Christus moet hun ongelovige vrees verbieden en bestraffen; (vs. 6), zij vielen op hun aangezicht en werden zeer bevreesd. Ik laat aan de godvruchtiger over, overeenkomstig hun ondervinding te oordelen of niet de omstandigheid, dat Jeremia in het ene vers de Heere looft en prijst (Jer. 20:13) en in het volgende (vs. 14) zijn geboortedag vervloekt, daar toch ook de orde van de Schrift van goddelijke ingeving is, spreekt, dat het Gods bedeling in deze is, de liefelijkheid van de vertroosting door een onthaal op Gods verheven openbaringen tegen te gaan en te matigen door een droevige verlating. Zo ging het ook Johannes in zijn heerlijke, zielsverrukkende vertroostingen, toen hij de zeven gouden kandelaren zag en de Zoon des mensen in zoveel heerlijkheid en majesteit aanschouwde. (Openb. 1:12—15). Toch schijnt hij onder een verlating te zijn, wanneer Christus hem gebiedt niet te vrezen, toen hij als dood aan Zijn voeten neerviel en Christus Zijn rechterhand op hem legde (vs. 17,18). En toen Jesaja dat heerlijk gezicht zag, (hfdst. 6) waarvan hij zegt: "Ik zag de Heere, zittende op een hoge en verheven troon, en Zijn zomen vervullende de Tempel"; (het moet een troon zijn, die hoger is dan de hemel der hemelen, waar Hij op zit), overviel hem dadelijk een verlating (vs. 5). Toen zeide ik: "Wee, mij, want ik verga, dewijl ik een man van onreine lippen ben, en ik woon in het midden eens volks, dat onrein van lippen is; want mijn ogen hebben de Koning, de Heere der heirscharen gezien." En toch was hij van tevoren een man, wiens zonden vergeven waren. Zo is het toch met ons gesteld, dat wij, oude lederzakken zijnde, zolang de zonde in ons woont, geen nieuwe wijn kunnen houden, omdat de volheid Gods onze broze vaten van zondig vlees en bloed zou doen barsten; evenals een hoge vloed de weg bereidt voor een lage eb, en volle bloedvaten voor een koorts. Indien Christus met de volheid van de stralen van Zijn heerlijkheid in ons wilde schijnen, dat zou onze lichaamsorganen doen breken en de vermogens van onze zielen verbrijzelen, zodat onze zielen er aan alle kanten zouden uitzien als lemen beddingen of als verbroken muren en heggen, die door de overstroming van een rivier neergeworpen en meegevoerd zijn. Vlees en bloed kunnen geen overgrote blijdschap verdragen; zij kunnen maar weinig van de hemel bevatten, niet meer, dan dat de aarde een zo heerlijk hemellichaam als de zon zou kunnen dragen. Onze vaten moeten meer draagkracht ontvangen en wijder en sterker zijn, voor wij de heerlijkheid kunnen bevatten; wij ontvangen genade in lekke en leeglopende vaten. Openbaringen en stralen van goddelijke liefde zijn een wijn, die in het hogere Kanaän groeit, en die te krachtig is voor onze zwakke hoofden.
Verlatingen in drieërlei opzicht overwogen
Wij zullen de verlating overwegen:
(1) Zoals zij een kruis en een straf van de zonde is. (2) Als een beproeving door vrije, goddelijke bedeling en (3) Zoals zij aan onze zijde zonde is, vol zondige, verkeerde voorstellingen van Christus.
Lijdzaamheid, een vereiste onder zielsontroering
In betrekking tot het eerste punt moeten wij ons onderwerpen, wanneer Christus, tot onze straf, Zich met wolken bedekt.
(1) Omdat het oog niet kan schreien, wanneer het ziet op een kruis, dat Christus oplegt, waaraan een geloofsgezicht voorafgaat, dat doet zeggen: "Ais ik in de duisternis zal gezeten zijn, zal ik een licht zien."
(2) Er wordt een soort van lijdzaamheid vereist onder de zonde, zoals zij òf een straf òf een andere zonde is; evenals David onderworpen was onder de zondige beschimping door Simeï en het goddeloos verraad en het schenden van zijn bijwijven door Absalom; of zoals de zonde in ons woont en in de goddelijke bedeling zowel ons kruis als onze zonde moet zijn. Wij moeten bedroefd zijn over onze zonden, omdat zij Gods heiligen wil overdwarsen, doch daarin, dat zij ons kruis zijn en, dat zij onze begeerten dwarsbomen en nu door ons begaan worden of in ons wonen, moeten wij niet naar de goddelijke voorzienigheid bijten of die beschuldigen, omdat zij deze zonden kon voorkomen en krachtdadig verhinderd hebben en ze nochtans niet verhinderd heeft.
Wij zijn, gerechtvaardigd zijnde, niet zo van de zonde vrij gemaakt, dat er geen grond van afstand meer is tussen de Heere en ons
(3) Deze bedeling, dat gebroken zielen niet geheel genezen worden, voordat zij in de hemel zijn, moet geëerbiedigd worden als een deel van de goddelijke wijsheid. De zonde is een losmaking van God. Jezus verbindt de ziel niet zo volkomen aan God, dat er in de zoom geen openingen of gapingen blijven vanwege de inwonende zonde. (Rom. 7:17—19,22,23). Zolang de Vrijgeesten de rechtvaardigmaking willen verwarren met de wedergeboorte, zullen wij zeggen, dat de rechtvaardigmaking, waar zij van spreken, nooit volmaakt is in dit leven. Omdat we zonde, als zonde, die in ons vlees overblijft, een scheiding maken moet tussen God en de ziel, kan er zo’n volmaakte vrede niet zijn, die alle zielsontroering uitsluit. Het blauwe litteken van de wond blijft nog en de droesem van die inwendige kwaal, die wij uit ons eerste huis, Adam, meegebracht hebben, zit zo vast in ons, dat, evenals sommige ongemakken en zeker soort hoofdpijn terugkeren, telkens wanneer er een oostenwind waait, zo ook de kwaal, welke wij in ons hoofd, de eerste Adam, hebben, ons aankleeft, zolang wij leven; en wanneer de winden van verzoekingen waaien, bevinden wij, dat de overblijfselen van onze kwaal beginnen te werken en haar droesem uitschuimen en wij ruiken haar achtergebleven geur. Het is nodig, dat Christus onze stank welriekend maakt met Zijn verdiensten, want onze begonnen heiligmaking is zo onvolmaakt, dat ons water nog riekt naar het bedorven vat, het vlees, en zo kan het niet anders of wij hebben nog onze kwade uren en onze zieke dagen en alles, wat ons geschikt maakt voor zondige verlatingen.
Wij hebben van nature verkeerde gedachten van Christus
Het ongeloof, waarmee het lichaam van de zonde van nature bezet is, is luimig en Christus slecht gezind. Er is een leugenaar in ons huis, een lasteraar van Christus, die bij de minste gelegenheid een slecht gerucht van Christus kan verbreiden; dat Hij een hard mens is, die vergadert, waar Hij niet gestrooid heeft; dat Hij preuts en kieskeurig is in de mededeling van Zijn liefde; dat Hij te hoog, te verheven, te groots is, om Zich neer te buigen, om mij lief te hebben. Houdt dit voor het grondbeginsel van alle zondige verlatingen, dat wij zowel de liefde van Christus, als Zijn zoete neiging, om ons lief te hebben, beschuldigen. "Ik wist, dat Gij een hard mens zijt." Het is gevaarlijk, boze gedachten te voeden van de natuur, de gesteldheid van Christus, want het gevolg zal zijn, dat wij Zijn wegen, Zijn wijze van zaligmaken en vergaderen afkeuren. Ik houd het er voor, dat hieruit de tegenwerping van de oude Pelagianen en van Arminius is ontstaan: O, Hij moet wel vergaderen, waar Hij niet gestrooid heeft, wanneer Hij allen op straf van verdoemenis beveelt te geloven, en nochtans alle vermogen om te geloven, in Adam, rechterlijk heeft weggenomen; zodoende steekt Hij de ogen van de arme mens uit; Hij hakt zijn beide benen af, en beveelt hem dan, op straf van verdoemenis, te zien zonder ogen en te lopen zonder benen. De mensen geloven niet, dat zij Christus van nature haten; de haat ziet in Christus niets dan zwartheid, zoals duidelijk blijkt uit de Farizeeën, die in de schoonste werken van Christus, zelfs daarin, dat Hij duivelen uitwierp, niets dan een werk van de duivel zagen.
De zonde is niet altijd de oorzaak van verlating
4. Verlatingen zijn aan de zijde van de Heere dikwijls zuivere beproevingen, zodat wij niet moeten menen, dat zij, die het meest verlaten zijn, de grootste zondaren zijn. Verlating riekt meer naar de hemel en naar Christus, zoals Hij om onze zonden verlaten was, dan naar iets anders. Het is de kwaal, waarmee zij, die van het Koninklijk zaad en van Koninklijke bloede zijn, behept zijn; de meest hemelse geesten zijn haar onderhevig: een Mozes, David, Heman, Asaf, Hiskia, Job, Jeremia en de Kerk; (Ps. 102; Klaagl. 1, 2, 3 en 4) zij is het erts, dat aan het fijnste goud kleeft. "Maar hoe is dat, vragen sommigen, dat men zo weinig leest van zielsverlating van de apostelen en van de gelovigen onder het Nieuwe Testament en zoveel van zielsverlating onder het Oude Testament?" Is het niet, omdat zij tot de wet en het verbond der werken en tot de geest van het Oude Testament behoort en niets met het Evangelie van de genade te maken heeft? De Antinomianen dromen dat wel, doch ik antwoord, dat wij inderdaad onder de wet van zwaarder en heviger, uitwendige verdrukkingen lezen, om de mensen tot Christus te drijven, dan onder het Evangelie, omdat het Evangelie meer in het voorbijgaan van vloeken en oordelen spreekt, en de wet gedurig en meer als met haar aard overeenstemmend, uit kracht van onze ongehoorzaamheid en vanwege de toebereiding voor Christus van een jonge Kerk, die nog minderjarig was. Al spreekt het Evangelie minder van Gods gestrengheid in uitwendige oordelen, als het doden van zoveel duizenden, omdat zij in de Ark zagen en om afgoderij, toch zegt de apostel, dat deze dingen niet zuiver opvoedkundig en Joods waren, zodat, al schrijft het Nieuw Testament niet over dergelijke dingen, daaruit nog niet volgt, dat zij niet voor ons zijn, want, zo zegt hij in 1 Kor. 10:6: "deze dingen zijn geschied ons tot voorbeelden," en in vs. 11, "en deze dingen alle zijn hun overkomen tot voorbeelden en zijn beschreven tot waarschuwing van ons, op wie de einden der eeuwen gekomen zijn." Dus kan ons, die onder het Evangelie leven, om dergelijke zonden hetzelfde overkomen en overkomt ons ook. Bovendien, nooit kwamen groter plagen, dan die door Christus’ mond gedreigd zijn; nooit kwam zo’n grote toorn, in zo’n mate over iemand, als op de stad Jeruzalem en op het Joodse volk, voor hun doden van de Heere der heerlijkheid. En, worden door de apostelen zulke verlatingen niet beschreven als van Job, die niet eens een Jood was, en nochtans onder dieper verlating was dan David, Heman of een van de profeten, Hiskia of de Kerk in Klaagl. 2 en 3, toch kunnen wij daaruit niet besluiten, dat dergelijke verlatingen onder het Nieuwe Testament nooit voorkomen.
Uitwendige, zware oordelen en ziels-verlatingen zijn niet opvoedkundig, maar zij zijn aan alle heiligen onder het Nieuwe Testament gemeenschappelijk
Uitwendige oordelen zijn, zowel als inwendige zielsbeproevingen, gemeen aan de heiligen, zowel onder het Oude, als onder het Nieuwe Testament, zoals duidelijk is in Paulus, (2 Kor. 1:8,9; 2 Kor. 5:11; 2 Kor. 7:4—6:1 Petr. 1:6,7) en gelijk beide onder het Oude Testament dikwijls voorkwamen, zo zijn zij ook tot onze lering beschreven. Indien het voor de Joden zuiver opvoedkundig was, dat hen van buiten verschrikkingen aangrepen, dat van binnen vrees hen beving en, dat zij uitnemend zeer door verdrukking bezwaard werden; indien het een werk van de wet was, dat hun zielen aan benauwdheden onderhevig waren, vanwege de zonde, dan is benauwdheid van het geweten een ontkenning, dat Christus in het vlees gekomen is en onwettig, terwijl daarentegen het afwezen van de Heere een straf voor de Kerk is, omdat zij Christus niet open doet, (Hoogl. 5:4—6) en de daad Gods van het onttrekken van Zijn liefelijke tegenwoordigheid niet onze zonde, maar een daad van zuiver vrije bedeling in God is.
Werkelijke verlating is niet onze zonde, maar een beproeving van de Heere
Dit toch moet goed overwogen worden, dat de dadelijke onttrekking van de Heere, in niet met ons mee te werken, wanneer wij verzocht worden, of 2e, Zijn niet roepen of de inhouding van Zijn dadelijk kloppen aan de deur van onze ziel, of, 3e, Zijn niet geven van een dadelijk troostelijk antwoord, of, 4e, de onttrekking van Zijn heldere openbaringen, van Zijn vertroostingen en van het gevoel van de tegenwoordigheid van Jezus Christus, naar de vorm onze zonden niet kunnen zijn, doch, dat ons ongeloof, ons zondigen, dat het gevolg is van het inhouden van de medewerking van de Heere, wanneer wij verzocht worden; ons verkeerd beoordelen van Christus, alsof er iets op Hem aan te merken is, wanneer Hij achter de muur staat; welke dingen in onze verlatingen lijdelijk zijn, waarlijk onze zonden zijn.
Verlatingen komen meer voor bij de heiligen, dan bij de onwedergeborenen
(5) De droevigste verlatingen komen meer voor bij de godzalige dan bij goddeloze en natuurlijke mensen, evenals in het beste timmerhout enig bederf veelvuldig voorkomt en een worm meer voorkomt in een schone roos dan in een doorn of een distel. Hoewel ongeloof, vrees en twijfelingen natuurlijke mensen meer eigen zijn dan de heiligen, toch is het zeker, dat onwedergeborenen niet vatbaar zijn voor zondige verdenkingen van de liefde van Christus, noch voor dit ongeloof, dat voorkomt in de verlating, welke wij nu behandelen, evenals huwelijksjaloersheid niet voorkomt in het hart van een hoer, maar bij een wettige echtgenoot. Naar de mate en de natuur van de liefde is, zijn ook de jaloersheid en de hartsverdenkingen, onder het gemis van de liefde, waardoor de jaloersheid veroorzaakt is. De ziel, die nooit de liefde van Christus gevoelde, kan nooit ontroerd, noch door jaloersheid ontstemd worden, wegens het gemis van die liefde.
De verlating van Christus is van een andere natuur dan de onze
Omdat Christus de liefde Gods in een andere mate deelachtig was dan enig sterveling, en die misschien ook van een andere natuur was, moet Zijn zielsontroering, wegens het gemis van het gevoel en de werkende invloed van die liefde, meerder en hoger en misschien ook van een andere natuur geweest zijn, dan wij met onze gedachten bevatten kunnen. Nooit kan enig mens, behalve de mens Christus, zich indenken, wat het gewicht is van de last van de zielsontroering van Christus. De lichtste hoek, het kleinste stukje van het voldoenend kruis van Christus zou te zwaar zijn voor de schouders van engelen en mensen. U kunt dan nagaan, hoe gemakkelijk het voor velen, die aan het strand staan, is, David te veroordelen, terwijl hij op zee is; doch wat een oven, welk een heet vuur moet dat zijn, dat zijn sap verandert in zomerdroogte. De engelen hebben alleen een theoretische kennis en het horen zeggen van een omstander, wanneer zij zeggen: "Vrouw, wat weent gij?" Zij had die nacht weinig geslapen en was bij het eerste krieken van de dageraad opgestaan, om met vele tranen en een bezwaard hart haar Zaligmaker te zoeken; en zij vond niets dan een leeg graf: "Zij hebben mijn Heere weggenomen en ik weet niet, waar zij Hem gelegd hebben." De dochteren Jeruzalems stonden maar aan de bedsponde van de kranke bruid en de nog als van ver, wanneer zij klagende uitroept: "Ik ben krank van liefde!" Iemand zeide eens tot een persoon, wiens dartel verstand loochende, dat het vuur heet is: Steek uw vingers in het vuur en beproef of het heet is.
Verlating is geen zwaarmoedigheid
Zo zeggen sommigen: "Al die zielsontroering is maar zwaarmoedigheid en inbeelding." Wanneer u de proef eens moest doorstaan van een gezond en krachtig mens wiens lichaam door zielesmart uitgedroogd als kaf of als een verwelkte half verbrande stok geworden is, dan zoudt u weten of het slechts een koud vuur of inbeelding is; en wanneer u ondervonden had, welke genezende kracht, voor zo’n ziel, uitgaat van een van de kleinste straaltjes van het lichten van Christus’ vriendelijk aangezicht, u zoudt zo niet spreken.
De onderscheiden bedeling van God met de zielen, die Hij ten hemel leidt
(6) Het behoort tot de diepten van heilige vrijmacht, waarom sommige heiligen, die hier het grootste gedeelte van de weg onthaald zijn op liefelijke openbaringen, gedragen worden in de schoot van Abraham en naar de hemel gevoerd, om met Christus aan te zitten, terwijl anderen meestal in de hel van zielsontroering hun dagen verslijten.
(1) Sommigen worden met honing gevoed en in de armen van Christus naar de hemel gedragen, en anderen bezwijken en worden ondergedompeld in de vloeden van toorn, zodat hun eerste lach van blijdschap gezien wordt, wanneer zij reeds met één voet op het strand staan en de eerste stralen van de opgaande Zon der eeuwigheid, in het venster van de ziel schijnende, de dageraad aankondigen. Sommigen zingen en leven bij gevoel de ganse weg langs; anderen zuchten en gaan wenende de poorten van de hemel in en de eerste kus van de heerlijkheid door Christus hun gegeven wist de tranen van hun aangezicht.
(2) Christus bewandelt een pad van onnaspeurlijke vrijheid, daarin, dat sommigen, voordat zij in de tremel zijn, zich in de voorsteden van de hemel vergasten op de geur van de lekkernijen van het Hogerhuis van de Koning, terwijl anderen, kinderen van dezelfde Vader, die met hen dezelfde reis afleggen, de hel, duisternis van vrezen en doornen van twijfelingen doorwaden en zeer weinig liefdeblijken ontvangen, voordat de huwelijksdag daar is.
(3) Er zijn geen twee onderscheiden wegen naar de hemel, doch er zijn, zonder twijfel, naar de ruimte van de goddelijke vrijmacht, honderden onderscheiden bedelingen in dezelfde weg. Jeruzalem is een grote stad, met twaalf poorten en velerlei hoeken en zijden, om er in te gaan, doch Christus is de ene, enige Weg. Hij brengt allen in haar en houdt hen daarin; Hij bewaart de engelen, zodat ze er nooit uitvallen en Zijn vele kinderen doet Hij in de heerlijkheid ingaan. Doch sommigen gaan naar de hemel, die voor de twaalfde uur niets van zonde, dood, God, Christus, hemel en hel afweten. Genade sneed het kort af en hield een korte weg met de berouwhebbende moordenaar. Christus kan niet alleen een korte weg houden, maar Hij doet sommigen in enkele uren te post naar de hemel vliegen. Genade heeft voor sommigen arendsvleugelen en anderen worstelen met de hel, vechten met wilde beesten, voeren krijg met begeerlijkheden en worden, evenals roeiriemen in de rivier, van hun jeugd af, tijden lang, in vloeden van toorn op en neer bewogen. De reis van Kaleb en Jozua naar Kanaän duurde twee geslachten; vele duizenden, die nog niet geboren waren, toen zij de reis aanvaardden, ja, nieuwe geslachten, die na hen opstonden en met hen dat goede land ingingen, waren er even spoedig als zij.
Verschillende oorzaken van verlating
VII. De verlatingen hebben verscheiden en verschillende oorzaken, naar gelang men die aanmerkt, zoals zij dadelijk van God komen, zoals zij lijdelijk in ons ontvangen worden en zoals zij gevolglijk door een verkeerde gevolgtrekking onze zonden zijn.
Herhaalde openbaringen van Christus noodzakelijk
1. Droefheid over de onttrekking van het gevoel en de invloed van de liefde van Christus, zoals dat naar de vorm een verlating is, waarin wij lijdelijk zijn, is niet zondig, tenzij de droefheid, welke een weelderig opschietende hartstocht is, wanneer men er zich te veel aan overgeef, de maat te boven gaat. Het is toch een kenmerk van een ziel, die leeft en zeer gesteld is op Christus’ liefde. Indien nu de liefde het leven van sommigen is, dan moet het, min of meer, in gevoel of in de een of andere vrucht, welke uit de liefde voortvloeit, voortgezet worden. Gelijk nu de uitstraling in de lucht van de stralen en het licht van de zon, van gisteren of van het vorige jaar, heden de lucht en de aarde niet kan verlichten en gelijk de spijze, welke ik een jaar geleden at, mij nu niet kan voeden, en de slaap, welke ik een vorige maand sliep, mij nu niet kan verkwikken, maar er opnieuw gegeten en geslapen moet worden, zo ook moet de uitlating van de geopenbaarde liefde van Christus in vorige dagen ons bijblijven. Wel kunnen de vroegere ondervindingen van Gods gunst ons geloof op de been helpen, wanneer het gevallen is, doch de ziel, die uit de vrucht van de goddelijke liefde leeft, moet een voortdurende invloed van die liefde hebben; op de goddelijke liefde te leven, kan op zichzelf geen zonde zijn. O, het is een leven, dat aan veel bewolkingen, aan verduisteringen door droefheid en jaloersheid onderhevig is, hetwelk leeft op de openbaringen van de liefde van Christus; het is een zoet en troostelijk leven, maar de zwaarste beproevingen zijn er aan verbonden; zulken kunnen zich niet gemoedigd tot de plichten begeven, zonder eerst, als het ware, loon vooruit te ontvangen, en wanneer Christus’ liefdebrief uit de hemel verkeerd bezorgd of onderweg opgehouden wordt, bezwijkt de ziel. Het is zekerder, door het geloof te leven.
Verschillende redenen, waarom wij niet moeten morren over de goddelijke bedeling in verlating
2. Te murmureren en in onlijdzaamheid zo te treuren, alsof God vergeten heeft barmhartig te zijn, is zondige droefheid.
(1) Omdat haar voorwerp, wat de stof betreft, godslasterlijk is, "ook liegt Hij, Die de Overwinning Israëls is, niet en het berouwt Hem niet: want Hij is geen mens, dat Hem iets berouwen zou", ook kan geen verandering of schaduw van verandering bij Hem voorkomen.
Gods openbaringen zijn van Zichzelf en ten hoogste vrij
(2) Het is ten hoogste onrecht over Hem te klagen en met Hem te twisten, die wettig recht en ongebonden vrijheid heeft met het Zijne te doen, wat Hij wil. Nu, de hemelse uitlatingen van Christus’ liefde en de invloed van Zijn vrije genade zijn alle het Zijne en ten hoogste vrij. Gelijk de zeeman geen rechtvaardige reden heeft met God te twisten, dat de wind uit het oosten waait, wanneer hij naar een westenwind uitziet en de landman geen reden heeft, God te beschuldigen, dat Hij verkeerd regeert, omdat Hij, in sterke droogte, de wolken opbindt en de baarmoeder van de hemel toesluit, terwijl hij om regen en dauw roept over zijn uitgedroogde aarde en zijn verwelkte weiden en valleien, zo ook kan de Heere niet met recht beschuldigd worden, (een onzondige begeerte is geheel iets anders) omdat Hij de ingewanden van Christus weerhoudt in de uitlatingen van Zijn liefde, of, omdat Hij het geblaas van de wind des Geestes inhoudt.
(3) Wij mogen begeren, dat de wind des Heeren waait, omdat het een daad van vrije genade in Hem is, dat te geven; doch met de Heere te twisten, omdat Hij niet naar onze lust vrije genade in werking stelt, is te klagen, dat genade genade is. Indien toch genade in al haar zoete werkingen en bewegingen aan onze wil of aan onze begeerten onderworpen was, dan zou zij geen genade zijn, maar een uitwerksel van onze arbeid en onze inspanning.
(4) Dit treuren beschuldigt de vrije, heilige en zuivere liefde van Christus, alsof die trots, kieskeurig, luimig, hoog en oplopend is, terwijl integendeel oneindige vrijheid, oneindige majesteit en liefelijkheid en zachtmoedigheid van de teerste liefde alle in Jezus Christus wonderlijk overeenstemmen. Liefde kan niet verdiend worden. (Hoogl. 8:7). "Al gaf iemand al het goed van zijn huis voor deze liefde, men zou hem ten enenmale verachten." Dezelfde plaats bewijst ook de sterkte van teerheid van deze liefde "Vele wateren zouden deze liefde niet kunnen uitblussen, ja, de rivieren zouden ze niet verdrinken"; en Paulus bevestigt in Efeze 3:18 haar breedte, lengte, diepte en hoogte.
Onderwerping en een zacht oordeel omtrent Gods bedelingen vereist
(5) Onder zo’n goddelijke bedeling moeten wij ons onderwerpen, anders berispen wij de genade en willen goddeloos zijn, omdat God (actu secundo) niet zo genadig wil zijn in Zijn invloed, als wij luimig zijn in onze ziekelijke begeerten.
(6) Indien wij de zin van de goddelijke bedeling konden verstaan, dan zouden wij zien, dat de Heere dikwijls genade bedoelt, wanneer Hij genade inhoudt. Zijn verlatingen zijn met meer onzichtbare liefde en vrije genade omwonden dan wij bewust zijn; en waarom zouden wij niet in geloof vertrouwen, dat Zijn wijze van bedeling enkel ontferming is?
VIII. Soms zijn Gods onmiddellijke geselingen van de ziel de middellijke oorzaak van ons zondig verkeerd beoordelen van God. Ps. 38:3, "Uw pijlen zijn in mij gedaald en Uw hand is op mij nedergedaald." Dat geeft een droevige rekening, (vs. 5) "want mijn ongerechtigheden gaan over mijn hoofd; als een zware last zijn zij mij te zwaar geworden". En in Ps. 77:5, "Gij hield mijn ogen wakende; ik was verslagen en sprak niet"; en wat volgt hierop? Een zeer verkeerde beoordeling van God. (vs. 8) "Zal dan de Heere in eeuwigheden verstoten en voortaan niet meer goedgunstig zijn? (vs. 9) Houdt Zijn goedertierenheid in eeuwigheid op? Heeft de toezegging een einde van geslacht tot geslacht? (vs. 10) Heeft God vergeten genadig te zijn?" Het is maar een armelijke grond, om daaruit de gevolgtrekking te maken, dat God vergeten heeft genadig te zijn en dat Christus veranderd is, omdat het nacht en winter in uw ziel is. Is de God van de natuur veranderd, omdat het niet altijd zomer en niet altijd dag is? Omdat een roos verwelkt en een bloem haar blaadjes afwerpt en de zon door wolken bedekt is, heeft daarom God Zichzelf vergeten? Gods bedelingen zijn geen regels van zijn welbehagen, maar Zijn welbehagen regelt al Zijn bedelingen. Indien de krijgsknechten van Christus niet in de voorsteden van de hemel, maar in de dorre wildernis legeren, hun Aanvoerder is wijs.
In verlating hebben wij de krachtigste en verschrikkelijkste bevattingen, wegens de duisterheid van het gemoed
3. Duisternis en nacht zijn blinde beoordelaars van kleuren. In verlating is het nacht in de ziel en inbeeldingen zijn in de duisternis het sterkst en krachtigst. De voorstelling in de slaap van verschrikkelijke dingen ploegen diepe voren van sterke indrukken op de verbeelding; wanneer de mens in duisternis wandelt en geen licht heeft van gezond oordeel of van zielsvertroosting, dan is het nacht in de ziel en een kreupelbosje, dat door de wind bewogen wordt, is een gewapend man; elke overtuiging van het geweten predikt verdoemenis (2 Kor. 1:8). "Wij zijn uitermate zeer bezwaard geweest boven onze macht, alzo, dat wij zeer in twijfel waren ook van het leven; (vs. 9), ja, wij hadden al zelf in onszelf het vonnis des doods"; er waren lasten en gewichten op ons gelegd, die onze kracht te boven gingen. In het duister verkerende zielen beelden zich sterk in, dat Christus vol van toorn en zwart van grimmigheid is; zij veranderen Hem, in hun bevattingen, in een andere Christus.
Satan kan onze bevattingen doen oprijzen tot gezwollen gedachten van Gods bedeling, als te zwaar voor ons, om te dragen
4. Satan kan in éen teug een bedroefde en treurende geest uitdrinken. (2 Kor. 2:7.) Hij heeft toegang tot de verbeelding en de buitenwerken van de ziel van het kind Gods, en zo kan hij de zaken veel zwaarder voorstellen dan zij werkelijk zijn. Let eens op, of niet de taal van Heman wat gezwollen is tot meer dan gewone welsprekendheid. (Ps. 88:5) "Ik ben gerekend met degenen, die in de kuil neerdalen; ik ben geworden als een man, die krachteloos is; (vs. 6) afgezonderd onder de doden, gelijk de verslagenen, die in het graf liggen, die Gij niet meer gedenkt, en zij zijn afgesneden van Uw hand. (vs. 8) Uw grimmigheid ligt op mij; Gij hebt mij nedergedrukt met al Uw baren " Indien God hem vergat als iemand, die in het graf lag en er niet één baar van Gods toorn was, die niet over zijn ziel gegaan was, wat kon God hem dan aandoen, dat dit te boven ging? De woorden van Job gaan ook wel wat boven de streep. (Job 13:24) "Waarom verbergt Gij Uw aangezicht, en houdt mij voor Uw vijand?" Woorden rijzen op tot bergen. Job werd niet door God voor een vijand gehouden. De Satan kan elke nagel in het kruis tot een hel maken en Gods handeling een nieuwe zin toedichten, een andere, dan Hij ooit heeft bedoeld. Wanneer Christus een ader opent, om een geweten wat bloed af te nemen, zal de Satan, als het hem vergund wordt, er zijn leeuwetanden in zetten, om de ader open te rijten en de wond zo groot te maken, dat hart en leven uitgaan; daarom verwekt hij verkeerde bevattingen en hij zaait twist en gebruikt pleitredenen tegen Christus en zo bevochtigt hij zijn eigen zaaisel. "Kan liefde u doden? Als Christus dit alles deed, zou Hij dan niet eens aan de bedsponde van Zijn ziek kind komen? Kan de liefde van Christus een arme vriend in de hel werpen en hem daar laten liggen? Hij heeft u vergeten." Satan kan uit de goddelijke bedeling en de beproevingen een mens overreden, dat zijn staat niet goed is. Het is een valse redeneerkunde: u hebt dit te lijden, dus, u bent niet in de staat van de aanneming. Het is niet goed, dat een verlaten ziel het oor leent aan zo’n rover als de Satan is; hij komt de ziel praatjes opdissen van Christus, om scheiding te maken tussen vrienden. Gelooft nooit kwaad van Christus; de liefde denkt geen kwaad. Indien u Christus liefhebt, dan zal zelfs het water van twee hellen, op uw liefdevuur geworpen, het niet kunnen uitblussen. Christus zal geen kwaad van u geloven, laat Satan praten, wat hij wil.
Onze liefde wordt geslingerd door jaloersheid en wantrouwen. De goddelijke bedeling is onze regel niet
5. De liefde van een heilige tot Christus is onder een zware bedeling krank van jaloersheid en in barensnood van ingebeelde verdenkingen van Christus’ liefde. Onze liefde wordt geslingerd door wantrouwen; zij is vol zorgen, vrezen en twijfelingen, omdat zij niet altijd gescherpt is met hemelse wijsheid. Zij trekt leven uit gevoel en gevoelde omhelzingen, uit tegenwoordigheid en wederkering van warmte door de ingewanden van Christus; en wanneer het aangezicht niet beantwoordt aan het aangezicht, en Christus’ liefde geen echo en geen weerklank geeft van onze liefde, dan bezwijkt zij. Wij meten maar al te dikwijls de liefde van Christus naar de maat van onze voet; wij berekenen de liefde van Christus naar onze bevatting, niet naar de Zijne; en wij zouden willen, dat niet Christus de tijd vaststelde voor Zijn verborgen bedeling. Onze genegenheden en liefde moeten niet varen op het kompas van de volle maan of de middagzon van Christus’ liefde. Christus niet te zien en niet te gevoelen (1 Petr. 1:8) en Hem nochtans lief te hebben en in Hem te geloven, dat is de geestelijkste en meest zuivere liefde. Hoe meer ongegronde verdenking, hoe minder liefde tot Christus, ten minste, hoe minder hechte standvastigheid in de liefde.
Het ongeloof is ontevreden. In verlating wordt veel aan de staat getwijfeld, doch noch meer aan Christus
6. Ongeloof is in het bijzonder een oorzaak van zielsontroering.
(1) In lichamelijke ongemakken komt pijn niet vanzelf, doch zondige lijdelijke, verlating schept zichzelf. Hoewel alle dingen door Christus geschapen zijn, nochtans kan Christus het ongeloof niet erkennen, alsof het binnen de omtrek van Zijn schepping zou liggen. Het ongeloof, dat nieuwe lasteringen van Christus voortbrengt, giet olie in het vuur en maakt de verlating duizend talentponden zwaarder, dan zij zijn zou. Dit blijkt duidelijk uit al de klachten van de heiligen, waarin Christus meer ten laste gelegd wordt dan waar is. Het ongeloof is een klagend, ontevreden iets. (Jes. 49:14) "Doch Sion zegt: De Heere heeft mij verlaten, en de Heere heeft mij vergeten". Dit is een onwaarheid, welke in de volgende verzen weerlegd wordt. Maria Magdalena meende, dat zij haar Heere weggenomen hadden, en Hij was zo dicht bij haar, dat zij zich maar had om te keren, om Hem te zien en met Hem te spreken van aangezicht tot aangezicht. Wanneer het ongeloof zulke gedachten doet oprijzen, dat Christus vergeten heeft genadig te zijn; dat Hij veranderd is, en niet tot het einde toe liefheeft; welke een smart moet dan wel op de bodem van die ziel zijn, waar reeds aan de oppervlakte zo’n verkeerde beoordeling van Christus en Zijn liefde gevonden wordt; en toch ligt er een kool van de liefde van Christus op de bodem van de ziel te roken. Een liefhebbende gedachte van Christus wordt niet licht uitgedreven. In het bijzonder moest een kwaad gerucht van Christus geen misverstand aangaande Christus bij mij veroorzaken. Ik hoorde van tevoren nooit kwaad van Christus maar veel van Zijn uitnemendheid en liefelijkheid, waarom zou ik dan toegeven aan een onbeproefde indruk, dat de Zon, die allen verlicht, duister is; dat Christus, die eens een Vriend was, nu een Vijand is? Dat vuur koud is, heeft toch geen schijn van waarheid in zich? Hadden wij een voorraadschuur en een zeer krachtige hebbelijkheid van eervolle, verheven en hoge gedachten van Jezus Christus, Zijn hoogheid, Zijn zeldzame dierbaarheid en verhevenheid, wij zouden des te minder gehoor verlenen aan de leugens, die ons ongelovig hart van Hem opgeeft.
(2) Een andere twijfeling, welke het ongeloof verwekt, betreft het geloof in onze staat. (Ps. 31:23) "Ik zeide in mijn haasten: Ik ben afgesneden van voor Uw ogen." "Ik behoor Christus niet toe", is een maar al te veel voorkomende vergissing, welke dikwijls voorafgegaan wordt door "Hij is veranderd en de mijn niet". Dikwijls, indien niet altijd, hebben wij eerst iets op Hem aan te merken en beschuldigen wij Christus, voordat wij onze eigen tergingen zien. Vandaar dat de klachten van Job (hfdst. 6; 13, 16; 19), van Jeremia (hfdst. 20; 15), van Hiskia (Jes. 38), van Asaf (Ps. 77), van Heman (Ps. 88) en van de Kerk (Jes. 49:14, 15; Jes. 63 en 64; Ps. 102; 6; 42; 31), zich meer bewegen in de lijn van over God en Zijn onvriendelijke bedeling te klagen, dan over hun menigvuldige zonden en tergingen. Waar de lezer, die onder verlating is, een fout bij zichzelf vindt, zal hij er tien vinden bij Christus en wanneer de verlaten ziel haar eigen staat verkeerd beoordeelt, is de oorzaak hier te zoeken, dat zij zich verkeerde bevattingen vormt van Christus.
In verlating beoordelen wij onze daden dikwijls verkeerd
(3) Uit het ongeloof ontstaat ook het verkeerd oordeel en over onze daden; ik doe geen goed, of indien ik het doe, dan is het goed, dat ik doe, niet goed, want de beweegredenen waarom, en het doel waartoe, deugen niet. Het voorafgaande is waar, maar de gevolgtrekking niet. Er is een wolk voor onze helderste zon en modder in ons water. Omdat de goede werken onze Zaligmakers niet zijn, is het toch geen goede grond, daarom te zeggen, dat zij geen invloed hebben op de weg van onze verlossing en dat zij geen merktekenen zijn op onze reis, omdat zij geen deel zijn van de losprijs, waarmee de hemel gekocht is. Wij hebben een hoge dunk van onze eigen gerechtigheid en wanneer wij die missen, denken wij, dat wij Christus Zelf missen, hetgeen een grote dwaling is, die een geloof in onszelf bewijst en niet, dat wij in Christus geloven. Zielsontroering ontstaat dikwijls uit gebreken, verzuimen en zonden in ons. Wanneer smart over de zonde oprijst, enkel, omdat zij de liefde beledigt, dat is een goede zielsontroering, maar die zielsontroering, welke de grondslag van het geloof doet wankelen en de ziel van Christus afwendt, om gerechtigheid in zichzelf te zoeken, is verdoemelijk. Gelijk het voor een onwedergeborene bijna onmogelijk is, de zonde in haar verschrikkelijkste kleuren te zien en niet te wanhopen, zo ook valt het een wedergeborene zwaar, de zonde als zonde te zien en niet in ongeloof en in een twijfelen sen de liefde van Christus te vallen.
Antinomiaanse misvatting omtrent angst wegens de zonde
De Antinomianen menen, dat angst, vanwege de zonde, die de dadelijke blijdschap in Christus verdrijft, alsmede ons afkeren van Christus en het slaan van ons geweten, een bewijs van onder de geest van de dienstbaarheid te zijn, en een werk van de wet is, doch dit is in strijd met de waarheid en het gebod van Jacobus, om te treuren en te wenen en met het zeggen van Christus: "Zalig zijn zij, die treuren, want zij zullen vertroost worden", en met hetgeen Petrus zegt, dat het nodig zijn kan, dat de heiligen een weinig tijd bedroefd zijn.
Het vereist veel wijsheid; 1. Te weten in hoeverre onze geestelijke wandel een bron van vertroosting kan zijn, daar wij gemakkelijk aan de ene of andere kant kunnen dwalen. 2. Ons redeneren moet nederig zijn: "Heere, ik ben niet verheven," dus: ik ben in U getroost. Paulus zegt terecht: "Ik ben mijzelf van geen ding bewust, (Eng. ik weet niets uit mijzelf) doch ik ben daardoor niet gerechtvaardigd;" wij moeten geen toren bouwen op een molshoop. 3. Wij mogen uit onze zondige wandel gronden afleiden voor goddelijke droefheid, doch geen gronden voor ongeloof. Geloof en goddelijke droefheid zijn met elkaar bestaanbaar. 4. Het is niet veilig, uit de gebreken, welke onze oprechte verrichtingen aankleven, op te maken, dat wij niet in Christus zijn. In onszelf te belasteren, zouden wij de Geest van God kunnen belasteren. 5. Wij hebben geen volmacht, uit de mate van onze gehoorzaamheid te bewijzen, dat wij niet in Christus zijn, evenmin als gemis een volmacht is, om ver van Christus af te blijven staan. Het is geen goede redeneerkunde, dat men van het vuur moet vlieden, omdat men koud is, of dat men tegen goud moet zijn, omdat men nooddruftig en arm is. Armoede mag u doen besluiten een laag zeil te voeren en nederig te zijn, maar niet tot ongeloof leiden; dat u alle dingen mist, moet u niet doen denken, dat de rijkdom van Jezus Christus uitgeledigd is.
Wij mogen naar de afwezige Christus verlangen, maar Hem niet verkeerd beoordelen
7. Een verkeerde bevatting, door ongeloof, van de afwezigheid van Christus, veroorzaakt zielsontroering. Zoals reeds eerder gezegd is, is daarin iets, dat een duidelijk bewijs is van zaligmakende genade in de ontroerde ziel.
1. Het gemis van het geliefde voorwerp kan hier niet anders zijn dan een pijniging, welke een bewijs is, dat zij, die liefheeft, genade bezit. De Bruid is krank en stervende, wanneer zij Hem mist, Die haar ziel liefheeft. (Hoogl. 2:5; 1:6,8.) David drukt zich zo uit in Ps. 84:3: "Mijn ziel is begerig en bezwijkt ook van verlangen naar de voorhoven des Heeren: mijn hart en mijn vlees roepen uit naar de levende God." Het grondwoord betekent begeren of verteerd te worden of een einde aan iets te maken. Davids begeerte, God te genieten was zodanig, dat het de dood voor hem was, God te missen. Pagnine merkt aan, dat het kan betekenen, dat Davids ziel, of uitermate naar de Heere verlangde, of als stierf vanwege het afwezen van God. Doch het is een zondige zielsontroering, wanneer men op een ongelovige wijze angstig ontroerd is. Waarom twijfelt de ziel meer in Christus’ winter, dan in Zijn zomer? Afwezigheid en tegenwoordigheid, Zijn komen en gaan zijn beide Zijn eigen werken. God is vrij, zowel in het één als in het andere. Het is toch Gods vrijmacht, mooi weer of storm, een heldere of een bewolkte dag te geven; David tot koning en zijn broeders herders en gewone soldaten te maken, en zo is Hij ook geheel vrij in de werkingen van Zijn Geest en in het blazen van Zijn wind en of Hij Zijn aangezicht wil bedekken met een gordijn en Zich verbergen. Noch in deze, noch in enigerlei weg van Zijn vrijmacht, kunnen wij de Heere wraken of met Hem twisten. Menen wij goed te doen, wanneer onze toorn ontstoken is tot de dood toe, over de bewegingen en werkingen van de vrije liefde van Christus, dan geven wij daarmede te kennen, dat wij, naar ons goedvinden, Christus zouden mogen noodzaken, vriendelijk tegen ons te zijn en ons te bezoeken. Wie u ook bent, Christus is Heere over Zijn Eigen tegenwoordigheid en bezoeken en het is goed, dat het iets bijzonders blijft, toegelaten te worden tot de ontvangkamer van de Koning en dat de wijn van Christus niet zo algemeen is als water. Wij kunnen Hem geen vriendelijkheid of hemelse openbaringen afdwingen; Hij houdt Zich verborgen; Hij handelt redelijk en wijs in Zijn komen en in zijn gaan.
(2) Wij moeten niet menen, dat wij de kussen en omhelzingen van Christus beter kunnen besturen en regelen, dan Hijzelf, en dat wij recht hebben te twisten, omdat het de Heere niet goedgedacht heeft, ons, die nog minderjarige erfgenamen zijn, gedurende onze minderjarigheid aan te stellen tot heren en meesters over onze jonge hemel; dat zou geen goede wereld voor ons zijn. "De liefde van Christus is beter dan wijn" (Hoogl. 1). Dat zou ons hoofd noch ons hart kunnen verdragen, naar onze eigen zin en wil van de nieuwe wijn van het hoge koninkrijk te drinken. Het is beter voor ons, dat Christus de sleutel bewaart van de Fontein des levens, dan dat kinderen die in handen zouden hebben. Indien de heerschappij over het hoger en lager huisgezin op de schouders van Christus is, dan is het ook goed, dat de zorg, om deze of die bijzondere persoon naar de hemel te leiden, aan Christus wordt overgelaten.
Verscheidene aanmerkelijke redenen voor de afwezigheid van Christus
(3) Overweegt, dat Christus Zich niet achter de bergen begeeft of zich verbergt door bloot toeval, maar om deze gewichtige redenen, dat de liefde zou opgescherpt worden door afwezigheid; dat het huis versierd zou worden met nieuwe behangsels; dat de bedstede van Christus zou groenen; dat zorg zou gedragen worden, wanneer Hij rust in Zijn liefde, de Liefste niet op te wekken, noch wakker te maken, totdat het Hem lust, dat de hoogtijden van en het rijk onthaal op Christus’ liefde, na droevige en zware verlatingen, de waarde van en de achting voor Christus zouden verhogen; dat geloof en liefde, na lang zoeken, met meer hemels geweld Christus zouden aangrijpen en Hem niet zo gemakkelijk weer loslaten (Hoogl. 3:1—4); dat wij zouden weten, hoe zwak, onder verlating, onze eigen lemen benen zijn en hoe wij op Christus’ benen hebben te gaan, welke zijn als marmerpilaren, gegrond op voeten van het dichtste goud; dat afwezigheid en tegenwoordigheid, het fronsen en glimlachen van Christus, voor de heiligen kleine beelden van de hel en van de hemel zouden zijn en dat bankroetiers met betraande ogen en met lofzangen hun schulden zouden lezen in Christus’ rekeningen-boek van vrije genade; dat onze liefde krachtig en wij krank van liefde zouden zijn, wegens het afwezen van Christus, en op geen zwarigheden ziende, Hem met inspanning zouden zoeken; dat wij zouden leren minder bij gevoel en meer door het geloof te leven, met een vast besluit, in het geloof te sterven; dat wij stil zouden zijn onder Christus’ afwezen en Zijn sluier kussen, wanneer wij Hem niet kunnen zien; dat wij op onze wachttoren zouden staan en weten, wat er van de nacht is en gemeenschap van de ziel met God zouden oefenen, wat de geest van de wereld niet kan doen.
Verkeerde beoordeling is een bewijs van een weke natuur en een zwak oordeel
(4) Niets doet duidelijker de weekheid en geringheid van onze natuur uitkomen dan onze onlijdzaamheid onder smartelijke bedelingen, terwijl het stellig voor ons vaststaat, dat God ons liefheeft. Welk bewijs toch voor de zwakheid van ons geloof en hoe licht het geschud wordt, dat een wolkje, dat voor onze zon komt en een weinigje gal aan onze blijdschap toegevoegd, de gedachte in ons doet huisvesten, dat Christus in een andere God is veranderd en dat Zijn liefde zich tegen ons gekeerd heeft en Hij ons verderf beraamt. Het getuigt van zwakke liefde tot Christus, dat een schram door een speld haar aan de wortel kan losmaken; Hij verbergt Zich en u zegt: "O, het is Christus niet, maar iemand Hem gelijk, want Christus zou zo niet komen en gaan." Krachtig gewortelde vriendschap zal nauwelijks dulden, dat men zoiets van een broeder of makker gelooft. Wanneer u Christus zo verkeerd beoordeelt, kan dit er toe leiden, te denken dat Hij u, evenals de verdoemden, in de klederen van de wraak zal verschijnen en het is te vrezen, dat die gedachte al uw geloof en al uw liefde zou opdrinken, wanneer niet Christus meer genadig was, dan wij standvastig zijn. "Heere, leid ons niet in verzoeking!"
(5) Ik wil niet ontkennen, dat schijnbare toorn en het ophouden door Christus van de boden van de liefde en ontvlamming van de woede van de hel in de ziel, als verschrikkende kometen zijn, welke een bevend geweten niets goeds voorspellen; alsook, dat het moeilijk is, rechtzinnig en gezond in ‘t geloof te blijven en dierbare gedachten van Christus te blijven koesteren, wanneer de Christen zichzelf niet is. Wanneer een kind, nadat het snel in het rond gedraaid heeft, het omringende ziende draaien, daarom zou vaststellen, dat de aarde draaide, is dit een teken van een klein begrip; of wanneer iemand zou denken, dat de oever of de rots van het schip afvaart, dat hem draagt, terwijl toch het schip zich beweegt en de oever stil staat, is dat een bewijs, dat hij een onbevaren schipper is; zo ook bewijst het een onrijpe kennis, onervarenheid en onstandvastigheid in het geloof, wanneer men, diep ontroerd zijnde over de smartelijke afwezigheid van Christus, daaruit vaststelt, dat Christus’ liefde zich in het rond beweegt en dat u stil op een rots staat, doch dat de verandering in Christus is. Het strand van de zee kan niet gemakkelijker een liter water opslorpen dan dat de verzoeking het geloof van de arme, zo bezwijkende mens zou verzwelgen, wanneer niet de onzichtbare sterkte van de Voorspraak, die voor de heiligen bidt, hem ondersteunde.
De heiligen moeten een verzwaring van het kruis verwachten
Nu is Mijn ziel ontroerd
2. De tweede omstandigheid in de tekst is de tijd: Nu is Mijn ziel ontroerd. Er ligt een nadruk in dit "nu". Christus’ ziel was tevoren ontroerd en gevoelig voor benauwdheden, maar nu zag Hij meer in dit kruis dan in alle verdrukkingen; Hij zag, dat de vloek van de wet en de toorn Gods op dit kruis gestempeld waren. Christus had, voor of na, nooit een nu of enig tijdsgewricht, dat met dit nu te vergelijken was. Merkt op, dat Christus en Zijn volgelingen toenemende en zwaarder wordende kruisen hebben te wachten. (Matth. 26:37.) Jezus begon droevig en zeer beangst te worden. (Jes. 53.) Hij had Zijn ganse leven door droefheid; (vs. 3). Hij was een Man van smart, alsof elk deeltje van Christus smart was en kennis had aan droefheid. Het grondwoord betekent eigenlijk, dat Hij bekend was wegens, en bij een ieder kenbaar door Zijn droefheden of smarten, meer nu doorwaadt Hij diepere wateren, welke Hem ontroeren. Laten al de volgelingen van Christus een toenemend kruis en een al droeviger wordend nu verwachten. (Ps. 3:2) "O, Heere, hoe zijn mijn tegenpartijders vermenigvuldigd!" (Ps. 25:17) "De afgrond roept tot den afgrond bij het gedruis Uwer watergoten; al Uw baren en Uw golven zijn over mij heengegaan." Het ene kruis roept tot een andere. God regent ze neer, evenals de een golf van de zee de andere opvolgt. Zo namen Jobs verdrukkingen voortdurend toe. David zegt in Ps. 69:3: "Ik ben gezonken in grondeloze modder, daar men niet kan staan;" ik waad al dieper en dieper, tot ik geen grond of bodem meer voel; "ik ben gekomen in de diepten van de wateren en de vloed overstroomt mij.
(2) Het lijden van Christus wordt een drinkbeker genoemd; hij moest tot de rand gevuld worden, en Christus weegt een bepaald gewicht aan gal af, dat Hij in de drinkbeker doet en voegt er nog iets aan toe en als dat nog geen genezing werkt, doet Hij er nog een weinig bij.
Een zwaarder wordend kruis vereist versterking van het geloof
(3) Christus kan ons klederen toewijzen, naardat wij koud zijn en een last opleggen in overeenstemming met de beenderen en de sterkte van onze rug. Het was twijfelachtig of Davids geloof zo ver zou reiken, dat hij zich goed zou gedragen, wanneer een ander zijn goddeloze zoon Absalom tot een offerande aan Gods rechtvaardigheid zou doen vallen. O, hoe weeklaagde David, toen hij gedood was! Toch diende de Heere Abraham een beker toe, die met nog meer gal vermengd was, wanneer Hij hem gebood, zijn enige zoon, een gelovige zoon, de erfgenaam van de belofte, te doden.
(4) Wat, indien twaalf jaren bloed vloeien niet te lang is, om uit te werken, dat een vrouw de noodzakelijkheid zal inzien, Christus te zoeken, terwijl een andere vrouw achttien jaren gebogen moet gaan en een zeker mens acht en dertig jaren krank moet neerliggen. Onze Heelmeester kent ons goed. Laat ons uitzien naar een toenemend geloof voor een zwaarder wordend kruis, opdat wij er tegen gewapend mogen zijn, wanneer een kruis op ons gelegd wordt, zo breed en groot als ons ganse land, of wanneer het zwaard gezonden wordt tot drie koninkrijken, ja tot al de grenzen van het Christendom, zodat er geen vrede is voor hem, die uitgaat, noch voor hem, die inkomt. Het is ook niet genoegzaam, dat men, als de pestilentie en het zwaard voorbij zijn, gaat neerzitten, zeggende: "Ik zal in mijn nest de geest geven en ik zal de dagen vermenigvuldigen als het zand", maar wacht, want alleen in de hemel zijn geen weduwen, noch gedode echtgenoten, geen bedelaars, noch geplunderde huizen; verstaat de zin van het recht van de voorzienigheid: "Gij hebt nog ten bloede toe niet tegengestaan"; wij hebben nog door zeeën en vloeden van bloed te zwemmen, voordat wij aan de oever komen. Een persoonlijk kruis is een pleister, die te klein is voor onze open wond; zelfs een algemeen kruis, zo groot als geheel Schotland, als uw geboorteland, ja als de kerk, waar u toe behoort, zal nog klein genoeg zijn; het moet nog groter worden, en wij moeten nog meer bloed verliezen.
Beangstheid in Christus. Een onzondig vergeten in Christus
En wat zal Ik zeggen?
3. De derde omstandigheid in de zielsontroering van Christus is Zijn gemoedsangst: "Wat zal Ik zeggen?" of, "Wat zal Ik doen?" Doch wat betekent deze angst van Christus? Het lijkt zeer op een betwijfelen van de zaak, maar er ligt noch twijfel noch wanhoop in opgesloten. Er is vrees, uitermate grote bezwaardheid en droefheid in opgesloten. Evenals een beangst mens door de hevigheid van het lijden, dat hij ondergaat, niet meer weet, wat te doen en teneinde raad is en zegt: "Ik weet niet, wat ik zal doen of zeggen", zo ook had Christus een onzondige beangstheid. Verstandige godgeleerden erkennen, dat er een onschuldig, zondeloos vergeten was in het gevoelig geheugen, in zover het alleen op de buitengewone angst zag en niet verplicht was altijd zich elke plicht te herinneren. Stellige voorschriften leggen geen verplichting op onder alle omstandigheden en in elk tijdsgewricht.
(2) Het geloof is ook niet altijd, zonder uitzondering, werkzaam in te geloven. Het is mogelijk, dat geloof en buitengewone vrees in dezelfde daad, krachtens hun natuur, onbestaanbaar zijn.
Hoe de gevoelige aandoeningen van Christus onder een wet waren. Welk groot verlies Christus leed
(3) De gevoelige aandoeningen van Christus werden in haar fysieke en natuurlijke werkingen niet zodanig beteugeld en in ontzag gehouden door een goddelijke wet, dat zij zich niet tot de alleruiterste en hoogste mate van spanning konden ontwikkelen, wanneer het licht van de rede het voorwerp in de overtreffende trap van hevigheid voorstelde. Nooit konden rede en licht enig lijdend mens, op een tijdstip, zulk een grote dood van het kwaad van verlies en van het stellige kwaad van gevoel vertonen, als zich op dit tijdstip aan Christus vertoonde. Verstoken te zijn van een onmiddellijk, vol, volmaakt, persoonlijk, aanschouwelijk genot en gezicht van God is een grotere verduistering, dan dat tien duizend zonnen veranderden in stokken van een haren kleed, zodat hun licht totaal werd uitgedoofd, of, dan dat al de engelen en al de verheerlijkte heiligen, die in de hemel zijn of zullen zijn, geheel uitgesloten werden van het troostelijk zien van het aangezicht Gods. Het is niet in te denken, welk een droevige opschorting dit was van het daadwerkelijk lichten van de onmiddellijke genieting van de majesteit van God en welk een stellige vloek en toorn Christus werd opgelegd, zodat Zijne beangstheid niet hoger klimmen kon.
De personele vereniging verhinderde de werkingen niet van de onzondige, menselijke zwakheden
(4) Christus moest in Zijn natuurlijke aandoeningen van vreugde, droefheid, vertrouwen, vrees en liefde lijden, doch zonder zonde. Al kan ik niet aantonen, hoe deze angst en het geloof met elkaar konden bestaan, toch is het niet te ontkennen, dat het zo is, want genade doet de natuur niet te niet, noch kon het gezicht op de personele vereniging, in de staat van Zijn vernedering, de oefening van alle menselijke aandoeningen en zwakheden verhinderen, evenmin als klederen van goud de pijn in het hoofd en de maag kunnen stillen. Genade is een kleed van goud en de personele vereniging is de volmaaktheid van de genade; toch verhinderde zij niet, dat Christus in uitermate grote verschrikking en angst gedompeld werd.
De beangstheid van Christus was onzondig
(5) Er waren op die tijd enige werkingen van onschuldige en onzondige duisternis in de gevoelige ziel van Christus, zodat Hij, in Zijn gedachten werkzaam met de zwartheid en met het vreselijk gezicht van de tweede dood, nu als iemand was, die teneinde raad is. Doch dit was zuiver strafschuldig en door goddelijke bedeling, want de zielesmart van Christus is een uitnemend scherm en een schaduw of een bedekking tussen de ontroerde gelovige en de hel, — en de beangstheid van Christus en Zijn "wat zal Ik zeggen?" is een oever en een zeer hoge kust, tussen een benauwd geweten, welke gekomen is tot een "wat zal ik doen? waar zal ik mij heenwenden? vanwaar zal ik ondersteuning en hulp verwachten?" en de vreselijkheid van zijn verloren staat.
De angst van Christus was niet strijdig met enig geloofslicht of enige zedelijke heiligheid; evenals het blote gemis van licht geen nacht is, en een zonsverduistering geen licht wegneemt, ja aan de zon niet één lichtstraal ontneemt; alles is verlicht, wat aan de andere zijde van het scherm is, dat het licht alleen onttrekt aan ons, die aan deze zijde staan van de tussenkomende bedekking, welke de verduistering veroorzaakt. Deze angst stond alleen de dadelijke zaligheid en de natuurlijke genieting van God tegen, welke Hij in de persoonlijke vereniging genoot, doch niet enig licht van een zedelijke plicht, die in Jezus Christus vereist werd.
De verlating, waaronder Christus’ ziel was, moet niet misvat worden. De verlating van Christus was wezenlijk
Wij moeten niet menen, dat de angst, vrees en droefheid van Christus slechts denkbeeldig waren en verondersteld door een misvatting, welke geen grondslag had in de zaak zelf, evenals Jakob treurde, en niet getroost wilde worden op de veronderstelde dood van zijn zoon Jozef, denkende, dat hij door een wild dier verscheurd was, terwijl het kind leefde en veilig was, of, evenals de gelovige bedroefd is, dat God hem verlaten heeft en vergeten heeft, hem genadig te zijn en dat Hij van een vriend in een vijand verkeerd is, terwijl het werkelijk niet zo, maar alleen een grote misvatting is, want God heeft niet vergeten genadig te zijn, Hij, Die de overwinning Israëls is, liegt niet, noch het berouwt Hem niet. De duisternis van Christus, in deze toestand, ontstond door onttrekking, en was krachtens natuur negatief, want Hij zag geheel en al op wezenlijke droefheid, dood, toorn en de vloek van de wet, doch die duisternis was niet berovend, of zedelijk en wegens schuld berovend, want Christus had nooit een verkeerde gedachte van God; nooit geloofde Hij, dat God veranderd was. Christus verviel ook niet in een verkeerd beoordelen van God, zodat Hij meende, dat God Hem verlaten had, terwijl dit niet het geval was, alsof Christus Zich in Zijn geestelijk gevoel vergiste en Hij God of Zijn bedeling misvatte. Daarom betekent die klacht "waarom hebt Gij Mij verlaten?" niet, wat zij in vele plaatsen van de Schrift betekent: "er is geen reden, waarom Gij mij verlaten hebt," want er waren rechtvaardige redenen, waarom de Heere op die tijd Zijn Zoon, Christus, verliet. Daarom was de verlating van Christus wezenlijk, omdat zij haar grond had in rechtvaardigheid. De uitverkorenen hadden God verlaten; Christus stond in hun plaats, om hun ongerechtigheden te dragen. (Jes. 53), dat is, om de straf te dragen, die de uitverkorenen eeuwig in de hel hadden moeten ondergaan om hun ongerechtigheden. God verliet Zijn Zoon, Christus, in rechtvaardigheid, niet alleen in gevoel en bevatting, maar wezenlijk.
Het verspillen van onze aandoeningen, een rechterlijke bedeling van God
De Satan benevelt en misleidt de zwakgelovigen zodanig, dat zij, onnodig en zondig, droefheid verspillen, omdat zij niet willen treuren, noch zich vernederen over wezenlijke voorwerpen, over zonden, ongeloof, verwaarlozen van de tijd, welke wezenlijke oorzaken zijn van treuren en klagen, terwijl zij door onwetendheid menen, dat de rechtvaardige bedeling Gods hun overkomt om valse en veronderstelde redenen; om zulke dingen, die geen zonde zijn, doch die zij verkeerd als zonde aanmerken, — of wel, dat zij, door misvatting, zich inbeelden, dat de Heere veranderd en hun in een vijand verkeerd is, terwijl het toch onmogelijk is, dat Hij hen vergeet; (Jes. 49:14,15) of wel, dat zij, door een verkeerd oordeel te vellen over hun staat, in de mening verkeren, dat zij verworpenen zijn, zonder dat er reden is, zoiets te duchten. Daarom is het recht bij God, dat onze arbeid vergeefs is en dat wij onze aandoeningen verspillen en dat zij, als zaad, dat in een doornbos gezaaid wordt, om niets verloren gaan, omdat wij onze genegenheden niet op de rechte plaats en tijd en op het rechte voorwerp willen vestigen; omdat onze droefheid geen droefheid naar Christus is, en zo moeten wij zaaien, zonder ooit te oogsten.
Doch Christus kon zo Zijn vrees, droefheid en treurigheid niet verspillen. Ik weet, dat er bij God een verlaten is, dat met haat gepaard gaat, doch zodanig verliet God Christus niet, en Christus klaagde niet over zo’n verlating. God verliet Hem, ten opzichte van een dadelijk zien; van dadelijke blijdschap en vertroosting uit kracht van vereniging en in het strafschuldig opleggen van vloek, toorn, droefheid, smart, slagen en dood, op de mens Christus.
De zondaar staat onbeholpen onder het oordeel
Gebruik. Indien Christus gebracht werd tot een: "wat zal Ik zeggen? wat zal Ik doen?" wat zijn zondaren dan in een droevige en verloren toestand; wat zijn zij dan van alle hulpmiddelen ontbloot! (Jes. 10:3). Wat zullen zij antwoorden, wanneer God hun vraagt: "Wat zult gij doen ten dage van de bezoeking en van de verwoesting, die van ver komen zal? Tot wie zult gij vlieden om hulp en waar zult gij uw heerlijkheid laten?" (Jer. 5:31.) Wat zult u teneinde van die maken? Schuld maakt iemand hulpeloos en verloren. Stelt, dat iemand met het steen gepijnigd en gekweld is; hij kan niet op deze zijde liggen, daarom draait hij zich om op de andere zijde, doch hij kan niet liggen, zijn legerstede kan hem geen verlichting geven; hij werpt zich van het bed op de vloer, doch kan ook daar geen rust vinden; geen plaats, geen Paradijs, kan een mens, die zo gekweld wordt, al werd hij opgevoerd naar de hemel, voor de troon, de plaats van de heerlijkheid, op zichzelf beschouwd, verlichting geven. Welk een wanhopige weg slaan de verdoemden in, dat zij de holen en rotsen van de aarde zoeken, om er zich in te verbergen. Kunt u een schuilplaats vinden onder het dak van het schepsel, wanneer u de Schepper, met rode en vurige toorn gewapend, vervolgt? En wanneer zij daarin falen en zij tot God niet durven bidden, dan smeken zij, dat bergen en heuvelen hen bedekken willen, om zulke klompen toorn levend te begraven. (Openb. 6.)
Niemand zal huichelen in de hel en in het laatste oordeel
(2) Ik daag iedereen uit, hoe listig hij ook is, te huichelen of met bedriegerij om te gaan, wanneer hij in de hel, voor het laatste oordeel of in de uur van de dood is, of wanneer zijn geweten ontwaakt is. Een rover spot niet meer met wet en gerechtigheid, wanneer hij op de galeien is, wat hij ook deed toen hij in bossen en op bergen rondzwierf. Wanneer het geweten toorn verkondigt, dan schreeuwen en wenen de mensen, en zij belijden rechtuit hun zonden, met droeve ernst, dan denken zij er niet aan, zich te bedekken met vijgebladeren, dan zien zij af van bewimpelingen, sluiers, maskers en verontschuldigingen.
(3) Het geweten is een stukje van de eeuwigheid, een splinter, die van een Godheid is afgekomen, de dichtstbijzijnde schaduw van God, die eindigt, zoals zij begint. Oorspronkelijk, zelfs door haar natuurlijke gesteldheid, voert het geweten krijg tegen de begeerlijkheid, en terwijl zij heet is en niet doodskoud, doet zij Adam droevig, vrijuit spreken: "Ik hoorde Uw stem, en ik vreesde, daarom verbergde ik mij", en dit is haar werk (Rom. 1:19 en 2:15). Terwijl de begeerlijkheden met het geweten onderhandelen en haar omkopen, om haar werk niet te doen, werkt zij samen met de zonde en wordt tenslotte dood, doch wanneer God het geweten met een eeuwige roede aanroert, dan wordt haar bloed weer even warm als in de dagen van Adam, dan staat zij op uit de doden, en zij spreekt plechtig en vreselijk, zonder omwegen. O, hoe drukkend en zwaar, hoe ver van draaierij, bemanteling en uitvluchten zijn de woorden, die stervende godloochenaars uiten, over de bedrieglijkheid van de zonde, de ijdelheid van de wereld en de verschrikkingen Gods! Was niet Judas in droeve ernst? Gebruikt Saul listige woorden, wanneer hij weent voor de tovenares, zeggende: "Ik ben zeer beangst?" Veinsde en schertste Spira, wanneer hij als een beer bromde tegen de goddelijke toorn?
Een ontwaakt geweten maakt sprakeloos
Wat zal Ik zeggen?
Dit wil zeggen, dat Christus, als Hij voor onze zonden verantwoording deed, niets te zeggen had. Hij, die voldoenende smarten lijdt, heeft niets ter verdediging van de zonde in te brengen. De mond van die vriend, die in de buitenste duisternis moest geworpen worden, omdat hij zonder bruiloftskleed tot het Avondmaal van de grote Koning kwam, was gemuilband als de bek van een dolle hond; hij stond sprakeloos, en kon niet bassen, toen God sprak in Zijn goddelijke rechtvaardigheid. Het antwoord van Job in hfdst. 39:37 is: "Zie, ik ben te gering, wat zou ik U antwoorden? Ik leg mijn hand op mijn mond." Wanneer de Kerk bevindt, dat gerechtigheid tegen haar het pleit voert, luidt het: (Ezech. 16:63) "Opdat gij het gedachtig zijt en u schaamt, en niet meer uw mond opent vanwege uw schande, wanneer Ik voor u verzoening doen zal over al hetgeen, dat u gedaan hebt, spreekt de Heere HEERE." Ik weet wel, dat voldoenende gerechtigheid hier de mensen niet tot zwijgen brengt, doch het bewijst, hoe weinig wij de zonde kunnen verantwoorden. Wanneer David gedenkt, hoe Simeï en andere werktuigen hem naar verdienste verdrukt hebben, zegt hij, in betrekking tot de goddelijke rechtvaardigheid: (Ps. 39:10) "Ik ben verstomd, ik zal mijn mond niet open doen, want Gij hebt het gedaan".
Drie eisen van de rechtvaardigheid tegen Christus ingebracht
Er waren drie eisen van de gerechtigheid tegen Christus ingediend, welke Hij alle beantwoordde. De gerechtigheid paste ze Christus toe.
1e Alle uitverkorenen hebben gezondigd, en zijn daarom volgens de wet aan de eeuwige toorn onderworpen. Tegen deze uitspraak kan onze Advocaat en Borg niets inbrengen. Hij antwoordt: "Het is waar, Heere". Christus voldoet de wet, maar spreekt haar niet tegen. Het woord van het Evangelie zelf beantwoordt alles. In dit opzicht is het zwijgen van Christus een antwoord en op deze uitspraak zegt Christus: "Wat zal Ik zeggen?" Ik heb niets te zeggen.
2e U bent naar de wet de zondaar. Hierop antwoordde Christus: "Gij hebt Mij een lichaam gegeven. De Zoon des mensen is niet gekomen om gediend te worden, maar om te dienen en Zijn ziel te geven tot een rantsoen voor velen" (Matth. 20:28). Het gehele Evangelie zegt: "Christus, Die geen zonde gekend heeft, is zonde voor ons gemaakt."
3e U moet voor zondaren sterven. Dit was de derde eis en Christus beantwoordde die met: (Ps. 40; Hebr. 10). "Gij hebt Mij een lichaam toebereid; zie, Ik kom om Uw wil te doen." Al deze drie eisen beantwoordde Christus met stilzwijgen en hoewel er van Zijn lijdzaamheid met betrekking tot mensen geschreven staat: (Jes. 53:7) "Als een lam werd Hij ter slachting geleid, en als een schaap, dat stom is voor het aangezicht zijns scheerders, alzo deed Hij Zijn mond niet open," toch was het ook ten hoogste waar, met betrekking tot de goddelijke gerechtigheid, en de Geest Gods heeft meer het stilzwijgen van Christus voor de balie van de goddelijke gerechtigheid op het oog, waarover Pilatus zich zo verwonderde. O, dat wij door het geloof konden zien, hoe God met een zwarte en droevige eis komt en een schuldacte voorlegt, beschreven van binnen en van buiten, welke al de zonden bevat van alle uitverkorenen, van Adam af tot de laatste mens toe, en hoe Christus met betraande ogen de eis aanneemt, zeggende: "Heere, het is rechtvaardige schuld, eis van Mij, wat zal Ik zeggen, wat zal Ik er tegen inbrengen?" Wij moesten vrijmoediger zijn niet alleen, om onze zonden op te noemen en die aan God te vertellen, maar om die te belijden en meer uitzien naar hetgeen de vraag is van een goed geweten, en door het geloof gebruik maken van een Voorspraak, om de eisen van de gerechtigheid, wegens onze zonden, te beantwoorden. Indien de mensen geloofden, dat Christus, toen Hij als Borg voor hun zonden voldeed, niets had in te brengen, maar alles toestemde, dan zouden zij geen verontschuldigingen en uitvluchten zoeken, om met de overspelige vrouw hun mond te wissen en te zeggen: "Ik heb geen ongerechtigheid gewrocht, noch al hun scherpzinnigheid gebruiken, om onderscheidingen, uitvluchten en verontschuldigingen te bedenken, om hun zonden te bedekken, te bewimpelen en te verzachten.
In benauwdheid is de hulp dichterbij dan wij vermoeden
Vader, verlos Mij uit deze ure
Het vierde gedeelte van deze klacht is het antwoord, dat het geloof geeft, op de vraag van Christus: "Wat al Ik zeggen? wat zal Ik doen?" "Spreek biddende met wijsheid", zegt het geloof. "Vader, verlos Mij uit deze ure".
Eerst een enkel woord over het verband, dan over de woorden zelf. Wij dromen dikwijls, dat in onze benauwdheid hulp van over zee, van ver moet komen; zover als de hemel van de aarde is. Wanneer hulp binnen ons bereik is, indien de Geest van de aanneming van binnen is, heeft de gevangene de sleutel van zijn gevangenis binnen in zich, in zijn eigen Hand. God was binnen in Christus, wanneer Hij op deze onstuimige zee was, en het licht van het geloof zegt: "Zie, het strand is nabij." De dood ontneemt de mens de kracht, om te gaan en zich te bewegen, doch het geloof veronderstelt (Ps. 23:4), dat David in het graf, in een dal van de schaduwen des doods zal ademhalen, leven en wandelen. Het is het werk van het geloof, om levenswarmte in het bloed te houden, zelfs onder de aardkluiten, wanneer men als begraven is. Deze benauwde toestand, waarin Christus verkeerde, is, evenals andere engten voor de heiligen zijn, een enge en nauwe doorgang; er was geen hulp voor Hem, noch ter rechter noch ter linkerhand; noch voor, noch achter, noch beneden Hem. Het ging Christus evenals Zijn voorbeeld, David, (Ps. 142:5) Hij zag uit ter rechterhand, doch daar was geen ontvlieden voor Hem: niemand zorgde voor Zijn ziel. Er was echter een weg van ontkoming boven Hem, de schone en gemakkelijke weg naar de hemel. De Kerk was in groot gevaar en ontroerd door oorlog en verwoesting, als zij in Ps. 46, omdat haar geloof Hem zeer nabij zag, tot God sprak: "God is ons een Toevlucht en Sterkte". "Het is waar, zegt het gevoel, Hij kan zaligmaken, maar dat is een vogel, die in het bos vliegt, veraf". "Neen, zegt het geloof, Hij is niet ver af; Hij is een nabijzijnde Hulp; Hij is krachtiglijk bevonden een hulp in benauwdheid". Zo ook in Ps. 44:10: "Gij hebt ons verstoten en te schande gemaakt". Kon het volk wel dieper wegzinken? (vs. 20) Wij zijn in de gevangenis, in een plaats van de draken; wij liggen in het koude graf bij de wormen en het verderf; Gij hebt ons met een doodsschaduw bedekt; voorzeker een koud bed. Ziet echter, wat dan het geloof spreekt: (vs. 20) "Wij hebben de Naam onzes Gods niet vergeten." Onze God; dat geeft een groot geloof te kennen.
Christus maakte in benauwdheid, in ons belang, gebruik van het geloof. De doodsgreep van Christus
Om tot Christus terug te keren: — Zijn ziel was ontroerd; het was nu bij Hem gekomen tot een: "Wat zal Ik zeggen?" Hij was zeer overstelpt. Doch Hij had een sterk geloof, zowel in betrekking tot Zijn Vader, als tot Zijn eigen toestand. Hij geloofde, dat God Zijn Vader was, en Hij noemde Hem Vader. Ja, in deze hel maakte Hij een toepassing van die vaderlijke betrekking, (Matth. 26:39) zeggende: "Mijn Vader". Dit is de teerste liefdegedachte van God, ja, toen de vertroosting het laagst was, was Zijn vertrouwen in het verbond het sterkst: "Mijn God, Mijn God, enz." Het zet onze Heere veel heerlijkheid bij, dat het geloof heet is en fonkelt van vuur, wanneer de vertroosting koud en ver is. O, wat een eer voor God, dat de verslagene, koud als de dood, nochtans krachtig gelooft in de zaligheid Gods. Christus doodt de armen men en diens geloof valt Christus om de hals en kust Hem, en zegt: "Wanneer ik moet sterven, laat dan Uw schoot mijn sterfbed zijn." Indien God Zijn Vader was, dan moest Hij, volgens goede redeneerkunde, geloven, dat Hij de Zoon van God was, en indien God Zijn God was, dan moest de Erfgenaam van alles aanspraak maken op de voorrechten van al de zonen van het huis, die in het verbond zijn opgenomen. God, mag ik wel zeggen, was meer dan de God van Christus, en Christus had meer dan een verbondsbetrekking op God; gelijk Hij meer de een dienstknecht was, zo ook was Hij meer dan een zoon, dan een gewone zoon. Het geloof van Christus is zo redelijk en zo bindend door kracht van rede, dat Hij geen ander wapen wil gebruiken, dan ook wij gebruiken mogen, namelijk het licht van het geloof, en wanneer Hij zegt: "Mijn God, Mijn God." dan wil Hij slechts aanspraak maken op de weldaad, die al de zonen in het verbond gemeenschappelijk is. Wat ook de Papisten beweren, dit is zeker, dat indien Christus ooit in de hel was, dan was het toen; doch ziet, de hemel is bij Hem in de hel. Indien in de hel God door het geloof kon aangegrepen worden als een Verbondsgod, dan zou voor die gelovige ziel de hel de hemel worden. Christus nam God, Zijn God en Zijn Vader, evenals Jona, die Hem afschaduwde, mee in de ingewanden van de hel, en gelijk wij bij sommige mensen zien, dat zij stervende iets stoffelijks aangrijpen, en dat in hun hand houdende sterven, wat wij de doodsgreep noemen, zo ook stierf Christus, terwijl Hij door het geloof Zijn Vader en door liefde, die sterker is dan de dood, Zijn bruid in Zijn armen hield, dit was Christus’ doodsomhelzing, Zijn doodskus. Jobs belijdenis stemt hiermee overeen. Lager kon het niet met hem gaan, dan zijn klacht (hfdst. 19) uitdrukt, en wel in alle opzichten; naar het lichaam, dat was een klomp vel over been; hoe droevig was hij gesteld ten opzichte van vrouw, dienstknechten, vrienden en de hand Gods over zijn ziel, en nochtans zegt hij in vs. 25: "Ik weet, dat mijn Goël, mijn nabestaande, mijn Verlosser leeft en Hij zal de laatste over het stof opstaan.
Dit onderwijst ons, in onze verlorenheid, de voetstappen van Christus te volgen, zowel onder het kwaad van de zonde als van de straf. Het volk in zijn gevangenschap in Babel (Ezech. 37) was een schare doodsbeenderen, en wat meer is, die waren zeer dor. De Kerken in Duitsland gaan in Schotland door voor dorre beenderen, die in hun graven liggen; de Kerken in Engeland en Schotland zijn, wat betreft de zondige verdeeldheid en de godslasterlijke gevoelens in de dienst Gods, in erger gevangenschap en minder dan dorre beenderen, en onze weeën zijn niet ten einde. Nochtans ziet het geloof van velen, dat er bevrijding en vereniging moet zijn; dat onze graven moeten geopend worden en dat de Geest van de Heere moet blazen in deze dorre beenderen, opdat zij levend worden. Eertijds heeft God onze graven geopend, toen vreemde heren over ons heersten; ik wenste wel, dat wij ook nu van hen verlost waren, maar ons juk is zwaarder dan het was, doch God zal Zijn volk verlossen van hen, die het onderdrukken.
Nog eens, u ziet, dat Christus zeer overstelpt zijnde geloofde, dat God Zijn Vader was en dat Hijzelf een Zoon was; zo ook moeten wij, onder terneerdrukkingen van het geweten en onder twijfelingen vanwege de zonde, dierbare, hoge en uitnemende liefdegedachten van Jezus Christus bewaren.
Twijfelingen wegens het gemis van vereisten, en hoe dit te genezen
Tegenwerping 1. Maar hoe, indien een ziel er toe gebracht is, aan zijn bekering te twijfelen, omdat hij bevindt, dat hij geen goed doet of doen kan, daar toch het ware geloof een werkend geloof is?
Twee verkeerde wegen ter genezing van de twijfeling, of de ziel wel in Christus is
Antwoord. Sommigen, ik meen de Antinomianen, genezen deze tegenwerping op zo’n wijze, dat zij daarmee bewijzen heelmeesters te zijn, die van geen waarde zijn voor arme zielen. Zij toch zeggen: "Dit is de kwaal, dat u aan uw geloof twijfelende, omdat u die en die vereisten niet in u bevindt, daarom een gerechtigheid in uzelf zoekt en niet in Christus" Ik zal licht toestemmen, dat iemands inhangende gerechtigheid, naar zijn vleselijk bevatting, eigenlijk zijn Christus en Verlosser is; doch ondertussen zijn er twee vleselijke uitersten, waar het geloof zich midden in beweegt. Het is namelijk vleselijk, te zeggen, dat ik, omdat ik bevind, dat de zonde in mij heerst en dat ik met Kaïn mijn broeder vermoord of met Judas de Heere der heerlijkheid verraden heb, daarom (zoals een vrijgeest zegt) in twijfel zou trekken, of ik geloof of niet, want dit brengt vleselijke en goddeloze mensen tot de valse mening: "Bekommert u niet, wat u bent, weest niet bevreesd. omdat u de zonden en allerlei begeerlijkheden dient, maar gelooft en twijfelt nooit of uw geloof een dood of een levend geloof is, al wandelt u ook naar het vlees; gelooft toch, en twijfelt niet of u wel gelooft."
Het andere uiterste is, dat sommige zwakke Christenen, omdat zij bevinden, dat in hen, dat is in hun vlees, geen goed woont, dat zij dagelijks zondigen en veel weerspannigheid en tegenstand onderworpen zijn onder hun heilige plichten, daarom zeggen: "Ik heb geen geloof; ik behoor Christus niet toe." Dit is een verkeerde gevolgtrekking uit iets waars, dat voorafgegaan is, welke ontspringt uit een wortel van zelfzoeking en gerechtigheid, welke wij van nature in onszelf zoeken. Ik moet toch, eens gerechtvaardigd zijnde, mijn rechtvaardigmaking niet uit mijn heiligmaking opmaken, maar niet gerechtvaardigd zijnde, moet ik wel uit mijn niet-gerechtvaardigd zijn opmaken, dat ik niet geheiligd ben. Aangezien de vrijgeesten zeggen, dat dit de misslag van velen is, terwijl het alleen de fout is van enkele zwakke, verkeerd oordelende zielen, zo ontnemen zij de heiligen alle onrust en zielesmart, wegens verzuim van geestelijke plichten, alsof alle goddelijke droefheid en misnoegen wegens onze zondige verzuimen anders niet is, dan een wettische droefheid over gemis van eigengerechtigheid en een zondig ongeloof. Dit is echter wezenlijk niet zo, maar het is wettig en noodzakelijk, opdat de zondaar een laag zeil voert en Christus des te hoger acht, en het is alleen zondig, wanneer het misbruikt wordt tot zo’n wettische gevolgtrekking: "ik verzuim dit en dat, ik zondig hierin en daarin, dus, God is mijn Vader niet en ik ben Zijn kind niet.
Te willen bewijzen, dat er geen geloof is, wegens de zwakke verrichting van de plichten, is geen rechte redenering
Mijn stelling, welke klaarblijkelijk uit de tekst kan afgeleid worden is deze, dat in de hardste en bloedigste Godsbedeling van de heiligen, noch zielsontroering, noch gemoedsangst voor iemand een voldoende grond kan zijn, om niet te geloven, of zijn kindschap en betrekking op God als Zijn Vader in twijfel te trekken. Het is duidelijk, dat Christus in Zijn droevigste toestand geloofde en vasthield, dat God Zijn Vader was.
In hoeverre een zondige wandel bewijs is van geen geloof
De enige kwestie is deze: "of een zondige en vleselijke wandel een goede volmacht is, om te geloven, dat God uw Vader is", waarop ik antwoord, dat iemand, die een dienstknecht van de zonde is, die naar het vlees wandelt en overgegeven is in een verkeerde zin om alle zonden gieriglijk te bedrijven, een goede volmacht heeft om te geloven, dat God zijn Vader niet is, en dat hij niet in Christus is, omdat (2 Kor. 5:17) "indien iemand in Christus is, die is een nieuw schepsel." Indien iemand met Christus is opgewekt, die zoekt de dingen, die boven zijn, daar Christus is zittende aan de rechterhand Gods; die is gestorven en zijn leven is met Christus verborgen in God en hij doodt zijn leden, die op de aarde zijn; (Kol. 3:1—4) die is getrokken uit deze tegenwoordige boze wereld; (Gal. 1:4) die is de zonde afgestorven en leeft voor de gerechtigheid; (1 Petr. 2:24) die is verlost uit zijn ijdele wandeling, (1 Petr. 1:18) hij is een tempel van de Heilige Geest, hij is zijns zelfs niet, maar duur gekocht, en gewassen zijnde in het bloed van Christus, is hij een koning over zijn begeerlijkheden, een priester om zichzelf te stellen tot een levende, heilige en Gode welbehaaglijke offerande. (1 Kor. 6:19,20; Openb. 1:5, 6; Rom. 12:1). Doch hij, die naar het vlees wandelt en een dienstknecht van de zonde is en overgegeven is in een verkeerde zin, enz. is zo iemand niet; dus, zo iemand heeft geen recht op God als zijn Vader, en hij mag, ja, moet op goede gronden in twijfel trekken, dat hij in Christus is. Laat alleen deze waarschuwingen worden in acht genomen.
(1) Het is niet veilig iets te willen bewijzen uit de mate van een heilige wandel, want veel gezonde gelovigen kunnen bevinden, dat zij weerspannig zijn in goed te doen, die toch daarom zichzelf niet moeten wegwerpen.
Een rokend vlaswiekje wordt door Christus niet uitgeblust, omdat het weinig warmte of weinig licht geeft, en daarom moeten wij het ook niet doen.
(2) Laat ons oppassen, dat wij niet te veel steunen op de mate van onze heilige wandel, zodat wij uit, "ik vast tweemaal per week, ik geef tienden van alles, wat ik bezit", een gevolgtrekking zouden maken, welke ons doet zeggen: "o God, ik dank U, ik ben geen huichelaar, zoals de tollenaar en de goddeloze". Oprechtheid is een fijngevoelige, sprekende genade; zij is zelden in de ziel zonder een getuigenis. Petrus zegt: "Heere, Gij weet, dat ik U liefheb"; hij kon aan de oprechtheid beantwoorden, doch niet aan de mate; hij durfde Christus niet te antwoorden, dat Hij wist, dat Hij Hem meer lief had dan de andere discipelen. Oprechtheid is nederig en blijft bij de werkelijkheid: "Heere, ik heb U lief", doch durf het niet wagen de vergelijking te maken: "Heere, ik heb U meer lief dan de anderen."
(3) Er zijn zekere tijden, waarin de gelovige geen krachtige besluiten kan trekken, om daaruit op te maken: "ik ben heilig, dus ik ben gerechtvaardigd"; omdat wij in duisternis geen wit van zwart kunnen onderscheiden, en God ons Zijn licht onthoudt, opdat wij zouden vernederd worden en geloven.
(4) Te geloven is zekerder, dan dat wij al te dikwijls warmte ontlenen aan onze eigen warme huid.
Antinomiaanse twijfelingen, betreffende de geestelijke staat van de ziel, onderzocht en weerlegd
Saltmarsh en andere Vrijgeesten behandelen drie twijfelingen, die de mensen opwerpen als genoegzame gronden, om in twijfel te trekken, dat zij in Christus zijn. 1e Afkering. 2e Dat iemand niet vindt, dat hij geheel veranderd is. 3e Ongeloof. Vergunt mij daarom, dat ik, deze leer nauwkeurig onderzoekende, er met alle zachtmoedigheid mijn gedachten over uitspreek.
"Dit is dan", zegt hij, "uw eerste twijfeling, dat u daarom niet van God bemind of in Christus bent, omdat u weer in de zonde gevallen bent. Veronderstel echter, dat ik u bewijs, dat geen zonde kan maken, dat u minder van God bemind of minder in Christus bent."
Antwoord. "Dan zal ik vaststellen, dat de zonde de liefde Gods tot mijn ziel niet kan verhinderen."
"Nu dit bewijs ik zo: 1e De ontfermingen Gods zijn gewisse ontfermingen; zij zijn Zijn liefde, zijn eeuwig verbond. Paulus was overtuigd, dat noch leven, noch dood, enz. hem kon scheiden van de liefde Gods. De Heere verandert niet in Zijn liefde tot zondaren. 2e Die de Heere liefheeft, heeft Hij lief in Zijn Zoon, die rekent Hij als Zijn Zoon, want Hij is ons geworden tot rechtvaardigheid, heiligmaking en verlossing. God nu, heeft Zijn Zoon altijd even lief, want Hij is Dezelfde, gisteren en heden en tot in eeuwigheid, dus, niets kan maken, dat God ons minder liefheeft, omdat Hij ons niet om onszelf. of om iets in ons liefheeft, enz. 3e God is geen man, noch eens mensen kind. Wie zal beschuldiging inbrengen tegen de uitverkorenen van God? Het fondament Gods staat vast. Gods liefde is, evenals Hijzelf, altijd dezelfde."
De onveranderlijkheid van Gods liefde is niet zo’n grond, dat niet menigten mogen betwijfelen of zij wel in Christus zijn
Antwoord. Het punt in kwestie, dat opgelost moet worden aangaande de zondaar, dat hij van eeuwigheid door God bemind is, als een, die tot heerlijkheid is uitverkoren, is daarmede niet bewezen, dat geen zonde veroorzaken kan, dat iemand daarom minder van eeuwigheid bemind is, en dat de zonde de liefde Gods niet kan verhinderen, (non concluditur negatum). Wel is waar, dat de zonde de uitgangen en de uitvloeiingen van de verkiezende liefde niet kan verhinderen, omdat deze eeuwig is; anders had God nooit iemand van het menselijk geslacht met een eeuwige liefde kunnen liefhebben, omdat Hij hen allen als schuldige zondaren ziet, doch de gevolgtrekking is niet waar, dat afkerigen van hart en dienstknechten van de zonde geen grond hebben, in twijfel te trekken of zij met de liefde van de eeuwige verkiezing bemind worden of niet.
Saltmarsh over dit punt onderzocht
Deze medicijnmeester laat het aan het geweten van de mens over, de gevolgtrekking op te lossen van het punt in kwestie, dat bewezen moet worden, opdat hij genezen wordt. Het punt, dat de zieke bewezen moet worden, is, dat, al was hij een Judas met een ontwaakt geweten, niettegenstaande zijn verraden van Christus, God hem liefheeft met een eeuwige liefde, en dat hij in Christus is. Nu geneest hij Judas aldus: Gods liefde is eeuwig, Zijn verbond is eeuwig, geen zonde kan God verhinderen Judas lief te hebben of een verrader van Christus scheiden van de liefde van Christus. Scheiding veronderstelt vereniging; minder liefhebben veronderstelt liefhebben. Zo wordt de man door hem genezen. Geen kwaal kan de kunde van een zo vernuftige medicijnmeester te boven gaan of in de weg staan om een stervend mens te genezen. Doch hoe, indien deze vernuftige medicijnmeester niet op zich wil nemen, de man te genezen of goede raad te geven, of zelfs een vinger uit te steken, om zijn pols te voelen. Dus, de man moet nog genezen worden, want indien hij een afkerige van hart en een dienstknecht van de zonde is, heeft Christus nog nooit zijn pols aangeraakt en hij heeft nog zekere gronden, om te betwijfelen, dat God hem liefheeft, of, dat hij in Christus is. Tenzij u toch bewijzen kunt, dat God hem liefheeft met een eeuwige liefde, hebt u niets bewezen. Uw bewijs zal de vrede van die mens niet vaststellen, zolang u hem niet kunt bewijzen, dat God hem uitverkoren heeft, want dat is juist de zaak, die hij in twijfel trekt. Kunt u echter vaststellen, dat God hem van eeuwigheid liefheeft, en dat hij in Christus is door het geloof, dan zal het u makkelijk te bewijzen zijn, dat zijn zonden eeuwige liefde niet kunnen veranderen of veroorzaken, dat God hem minder liefheeft, of hem van de liefde Gods niet zullen kunnen scheiden.
Een noodzakelijkheid van inwendige bewijzen en kenmerken voor twijfelende zielen
Men moet dus de twijfelingen van die mens wegnemen uit tekenen, die in hem zijn, (en indien hij een afkerige van hart is, kunt u evengoed vuur en water van de maan halen, als hem genezen) of u moet, om hem te overtuigen, bewijzen bijbrengen uit het hart, uit de eeuwige raadslagen van liefde en vrije genade in God, want daar ligt de gehele kwestie tussen die arme mens en u. Nu kan men iemand niet bewijzen, dat God hem van eeuwigheid heeft liefgehad, met te zeggen, dat Hij hem van eeuwigheid liefgehad heeft. Indien de vrijgeesten op deze bewijsgrond trachten te bewijzen, dat een uitverkorene, tot Christus bekeerde, geen grond heeft, in twijfel te trekken of God hem liefheeft en hij in Christus is, dat heeft niets te maken met de stelling, die alle Antinomianen stellen, dat zondaren, als zondaren, Gods eeuwige liefde in Christus tot hen geloven moeten en dat dus alle zondaren, uitverkorenen of verworpenen, hetzelfde moeten geloven. Het heeft ook niets te maken met het algemeen gebod, dat elk en een ieder in de zichtbare kerk, hetzij vermoeid en belast wegens de zonde of niet, onmiddellijk tot Christus moet komen en in Hem rusten, als hun van God geworden tot rechtvaardigheid, heiligmaking en verlossing, zonder naar enige inwendige geschiktheid om te zien. Het heeft ook niets met het punt te maken, dat men allen, die verplicht zijn te geloven, hetzij zij uitverkorenen of verworpenen zijn, vrijheid belooft, en dat men hun daartoe een gouden brug bouwt, om ze te verlossen van twijfel, of zij in Christus zijn of niet, dat zij vrij tot Christus mogen komen en Zijn eeuwige liefde en verlossing in Hem geloven, en dat wel onmiddellijk, al zijn zij in een geheel bittere gal en samenknoping van ongerechtigheid. Dit gouden Paradijs tot de hemel en Christus beloven de Antinomianen mild aan zondaren als zondaren. Ik kan niet geloven, dat het een zo gemakkelijke stap is, om in Christus te komen.
Hoe God Zijn Zoon, Christus, en gelovigen met dezelfde liefde liefheeft
Wat het tweede punt betreft: het is een droombeeld, dat God zondaren in elk opzicht met dezelfde liefde liefheeft, waarmee Hij Zijn Eigen Zoon Christus liefheeft. Waarom? Omdat God ons alleen om Zijns Zoons wil liefheeft en niet om iets, dat in ons is. Dus, hieruit moet noodzakelijk volgen, dat het een geheel andere, een hogere, een fonteinliefde is, waarmee de Vader Zijn eigen, eeuwige, mede zelfstandige Zoon, de Middelaar van God en van de mensen liefheeft, dan die afgeleide liefde, waarmee Hij ons zondaren liefheeft. Gelijk de eerste natuurlijk is, is de laatste vrij. De liefde van de Vader tot de Zoon, als Zijn mede zelfstandige Zoon, zover als die wezenlijk ingesloten is in Zijn liefde tot Jezus Christus, de Middelaar, is geen liefde, die haar grond heeft in genade en vrije ontferming, welke niet noodzakelijk is in God; omdat, krachtens bestaanswijze, de Vader Zijn Zoon Christus, als Zijn Zoon, liefhebben moet en nu Hij de Middelaar is, kan Hij daarom Zijn natuurlijke liefde tot Hem niet afleggen, welke de grondoorzaak is, waarom Hij ons om Christus Zijn Zoon, als Middelaar, liefheeft, doch de liefde, waarmee de Vader ons om Christus Zijns Zoons wil liefheeft, is gegrond op vrije genade en ontferming en niet noodzakelijk in God. Gelijk Hij toch Zijn Zoon moest genereren, zo ook moest Hij Hem liefhebben; beide zijn overeenkomstig Zijn natuur en geen vrucht van verkiezing, doch het was Zijn vrije wil, de mens te scheppen of hem niet te scheppen. Hij moet Zijn Zoon Christus liefhebben, maar God behoefde geen mensen of engelen lief te hebben en die te verkiezen tot zaligheid; ook kon Hij andere mensen en engelen uitverkoren hebben dan die, welke Hij uitverkoren heeft; die vrijheid in lief te hebben heeft God echter niet ten opzichte van Zijn eigen mede zelfstandige Zoon. Het is een onwaarheid, dat God Zijn uitverkorenen liefheeft, zoals Hij Zijn Zoon liefheeft, namelijk, met dezelfde trap van liefde, waarmee Hij Zijn Zoon liefheeft. Mij dunkt, dat dit zeggen veel heeft van grove onwetendheid of van godslastering. Het is mogelijk, dat het naar evenredigheid dezelfde liefde is, waarmee de Vader de Middelaar of Verlosser en allen, die door Hem gezaligd en vrijgekocht zijn, bewaart; doch ten opzichte van Zijn goedgunstigheid tot het geliefde schepsel heeft Hij Zijn verlosten niet lief met dezelfde liefde, waarmee Hij Zijn Zoon liefheeft, of wij zouden Godslasterlijk moeten zeggen, dat God de verlosten even hoog verheven heeft als Zijn eigen Zoon en hun een naam gegeven heeft, welke boven allen Naam is. Ook heeft Hij al Zijn uitverkorenen niet zodanig lief, dat Hij allen evenveel genade geeft en op allen dezelfde heerlijkheid legt, alsof in de hoogste hemelen de ene ster niet in heerlijkheid van de andere ster zou verschillen. Onze goede werken kunnen niet veroorzaken, dat onze Heere ons meer of minder liefheeft met de liefde van eeuwige verkiezing, doch zij kunnen uitwerken, dat God ons meer liefheeft met de liefde van voldaanheid en dat wij liefelijker openbaringen van God ontvangen, als vruchten en genadige uitwerkingen van Zijn liefde. In die betrekking zeide Jezus: (Joh. 14:23) "Zo iemand Mij liefheeft, die zal Mijn woord bewaren, en Mijn Vader zal hem liefhebben, en Wij zullen tot hem komen, en zullen woning bij hem maken."
De derde reden is dezelfde als de eerste en bewijst niets dan een hoofdstelling, welke niet ontkend wordt door de ontruste zondaren, namelijk dit: "Ieder die gerechtvaardigd en uitverkoren is kan niet veroordeeld worden; die de Heere eens ter zaligheid liefheeft, moet Hij altijd ter zaligheid liefhebben, want Zijn liefde is Hem gelijk en verandert niet." En nu is de ontruste zondaar uitverkoren en ter zaligheid bemind. Doch deze onderstelling is juist het punt in kwestie, en nu kan de waarheid van een hoofdstelling, nooit de rechtmatigheid van de onderstelling bewijzen.
Saltmarsh, in zijn "Vrije genade" zegt:
"Omdat u niet gevoelt, dat u geheiligd bent, vreest u, dat u niet gerechtvaardigd bent. Indien u meent, dat God enig deel van uw geloof, bekering, nieuwe gehoorzaamheid of heiligmaking als een grond aanneemt, waarop Hij u rechtvaardigt of vergeving schenkt, dan gaat u recht tegen het Woord in; want indien het uit de werken is, dan is het niet uit genade. 2. Dan moet dit het enige kenmerk zijn, waar u naar uitziet en u begeert heiligmaking om uw verzekering of rechtvaardigmaking te hulp te komen: doch u moet het overeenkomstig de Schrift nemen."
"1. De Schrift openbaart Christus als onze heiligmaking. Christus is ons geworden tot rechtvaardigmaking en heiligmaking. Ik leef, doch niet ik, maar Christus leeft in mij. U bent van Christus, maar u bent geheiligd, maar u bent gerechtvaardigd in de Naam van de Heere Jezus. Hij heeft ons mede levend gemaakt met Christus. Wij zijn Zijn maaksel, geschapen in Christus Jezus tot goede werken. Jezus Christus is de uiterste Hoeksteen. Opdat Christus door het geloof in uw harten wone; die nieuwe mens, die naar God geschapen is in ware rechtvaardigheid en heiligheid. Wij zijn leden van Zijn lichaam, van Zijn vlees en van Zijn benen. En in Hem gevonden worde, niet hebbende mijn rechtvaardigheid. Ik vermag alle dingen door Christus, die mij kracht geeft. Maar Christus is alles en in allen. Uw leven is met Christus verborgen in God. (Hebr. 13:20,21.) Al deze plaatsen stellen Christus voor als onze heiligmaking, de volheid van de Zijnen, de Alles en in allen. Christus heeft volmaakt voor ons geloofd; Hij was volmaakt bedroefd over de zonde; Hij heeft volmaakt gehoorzaamd; Hij is de zonde volmaakt gestorven; en alles is van ons, en wij zijn van Christus en Christus is Gods."
"2. Het tweede punt is het geloof van onze heiligmaking; wij moeten geloven, dat er meer waarheid is in onze genaden, dan wij kunnen zien of gevoelen. De Heere heeft het in Zijn bedeling zo beschikt, dat hier ons leven met Christus in God verborgen zou zijn, dat wij zouden wandelen door geloof, niet door aanschouwen. Zo moeten wij geloven, dat ons berouw waar is in Hem, die voor ons berouw gehad heeft; dat ons sterven aan de zonde waar is in Hem, door Wien wij meer dan overwinnaars zijn; dat onze nieuwe gehoorzaamheid waar is in Hem, Die voor ons gehoorzaamd heeft en Die het einde der wet is, voor een ieder, die gelooft; dat de verandering van onze gehele mens waar is in Hem, Die ware gerechtigheid en heiligheid is. En dus is het zonder geloof onmogelijk Gode te behagen. Dit is Schriftuurlijke verzekering, dat een ieder zich aanmerkt als niets hebbende in zichzelf en als alles hebbende in Christus. Het geloof is de vaste grond der dingen, die men hoopt en het bewijs der zaken, die men niet ziet. Alle andere verzekeringen zijn verrotte gevolgtrekkingen uit het Woord, uitgevonden door wettische leraars, die de verborgenheid van het koninkrijk van Christus niet verstaan. De Schrift beveelt u niets te zien in uzelf en alles als niets aan te merken. Deze leraars bevelen u iets in uzelf te zien, zodat het uitsluiten van Christus in de heiligmaking, de grondslag is van alle twijfelingen, vrezen en verwarringen. Hij, die op zijn berouw, op zijn liefde, nederigheid of gehoorzaamheid ziet en niet op de indoping in het bloed van Christus, moet natuurlijk zwak en troosteloos geloven."
In hoeverre heiligmaking een blijk kan zijn, dat een ziel in Christus is
Antwoord. Indien een dienstknecht van de zonde, een Kaïn, die ontwaakt is door de verschrikkingen Gods, zijn zonde ziet, de hel in zijn ziel gevoelt en geen tedere liefdegedachten, of tenminste geen zweem van vertrouwen op Christus heeft, maar van Christus af vliedt en tot de vijanden van Christus gaat om troost, evenals Judas, dan mag hij als zeker vaststellen: ik gevoel, dat ik niet geheiligd ben; ik haat de Heelmeester, Christus, en loop van Hem af; dus, ik ben niet gerechtvaardigd.
Wij mogen besluiten, dat waar geen heiligmaking is, ook geen rechtvaardigmaking is
Uit een waarachtig, wezenlijk niet-gevoelen van heiligmaking moet deze gevolgtrekking worden afgeleid, dat er geen rechtvaardigmaking is, doch uit een verkeerde bevatting van genade en heiligmaking in mij, mag ik niet vaststellen, dat ik niet gerechtvaardigd ben. Wij weten, dat de Papisten, wat betreft het punt van de zekerheid van de zaligheid, aldus redeneren: "Vele misleide huichelaars geloven of beelden zich in, dat zij olie in hun lampen hebben, terwijl zij zich nochtans bedriegen, daarom kunnen de heiligen, volgens hen, geen zekerheid hebben, dat zij in Christus, zijn" Dit komt juist overeen met het antwoord, dat wij nu behandelen. Een verkeerd beoordelen van de heiligmaking kan geen bewijs zijn, dat men niet gerechtvaardigd is: een waarachtig en wezenlijk oordeel, van niet geheiligd te zijn, dat de huichelaren en slaven van de zonde hebben, kan niet bewijzen, dat de personen, die aldus redeneren, gerechtvaardigd zijn. Het is evenals of ik zo zou redeneren: Een krankzinnig of een slapend mens kan niet weten, dat hij krankzinnig of slapend is, dus kan ook een nuchter en wakend mens niet weten, dat hij nuchter en wakend is. Een kind van God toch, dat onder verlating is, en dat een verkeerde bevatting heeft van Christus in zich en van de heiligmaking, omdat het enigermate geestelijk krankzinnig en slapende is, maakt daaruit dikwijls op valse gronden het bewijs op, dat hij niet in Christus is. Doch een ontwaakt geweten in Kaïn en Judas stelt voor zeker vast: "Ik ben geen nieuw schepsel, maar een dienstknecht van de zonde, dus, ik ben niet gerechtvaardigd en niet in Christus;" en Kaïn is in deze gevolgtrekking nuchter en niet slapende.
De Protestanten stellen, dat doding en bekering iets anders zijn dan geloof
2. Niet één van de Protestantse Godgeleerden, die de schrijver wettische leraars belieft te noemen, die onwetend zijn van de verborgenheid van het Evangelie, heeft ooit geleerd, dat geloof, nieuwe gehoorzaamheid en berouw gronden zijn, waarop God een zondaar rechtvaardigt. De Antinomianen, die berouw en doding op één lijn stellen met het geloof, welke, zoals Mr. Den zegt, maar een verandering van het gemoed zijn, om gerechtigheid en doding in Christus en niet in onszelf te zoeken, moeten dan ook zeggen, indien, zoals zij zeggen, berouw niets dan geloof is, dat wij, die door het geloof gerechtvaardigd zijn, dan ook gerechtvaardigd zijn door berouw en doding.
3. Wij zoeken het kenmerk van rechtvaardigmaking in onze heilige wandel, overeenkomstig de Schrift (1 Petr. 1:24; Gal. 1:4; 1 Petr. 1:18; 1 Joh. 3:14). Ontelbare plaatsen zeggen, dat het noodzakelijk volgt, dat zij, die voor Christus leven en nieuwe schepselen zijn, ook gerechtvaardigd en in Christus zijn (2 Kor. 5:17; 1 Kor. 6:9—12; Gal. 2:20; Kol. 3:1—4). Dan kan ook de bewijsvoering uit het gevolg tot de oorzaak geen verrotte gevolgtrekking zijn of het moest bij toeval zijn, in een ziel, die onder verlating en door zwakheid ontsteld is.
Wedergeboorte en rechtvaardigmaking zijn niet hetzelfde. De Antinomiaanse doding is een begoocheling
4. Deze plaatsen, welke stellen, dat Christus ons tot heiligmaking geworden is; dat Christus in ons leeft en dat gelovigen Jezus’ maaksel zijn, in Hem geschapen tot goede werken, enz., stellen deze niet als daden van Christus, waardoor Hij stellig volmaakt in ons berouw heeft, bedroefd is over de zonde en de zonde volmaakt in ons doodt, zodat wij daarin geheel lijdelijk zijn en alleen verplicht berouw te hebben, bedroefd te zijn, de zonde te doden, wanneer de Geest ons aanblaast en anders niet, zoals de vrijgeesten het verklaren. Doch dit hoop ik later te weerleggen. Ook maken deze plaatsen rechtvaardigmaking en wedergeboorte niet tot een en dezelfde zaak, zoals Mr. Towne en andere Antinomianen dat doen: Wij worden toch niet wedergeboren door het geloof, maar opdat wij zouden geloven; doch wij worden gerechtvaardigd door het geloof. De wedergeboorte maakt ons een nieuwe geboorte, het beeld van de tweede Adam, deelachtig; de rechtvaardigmaking is uitdrukkelijk door de toegerekende gerechtigheid van Christus, welke in Christus is, en niet in ons. Nu komt het mij voor, dat zij rechtvaardigmaking en heiligmaking als een en dezelfde zaak stellen, want de schrijver toch zegt, dat Christus niet alleen in ons berouw heeft, maar voor ons; dat Christus voor ons gehoorzaamt en het einde der wet is, een iegelijk, die gelooft. Nu, welke verborgen zin hier zijn kan, kan ik niet dromen; dit is zeker, dat het geen Evangelieverborgenheid is. Indien, met het voor-ons-berouw-hebben en gehoorzamen van Christus, bedoeld wordt, dat Christus, door Zijn genade, berouw, nieuwe gehoorzaamheid, doding en verandering van de gehele mens in ons werkt, dan heeft het een goede en gezonde zin; maar hoe zijn dan alle verzekeringen uit berouw en nieuwe gehoorzaamheid verrotte gevolgtrekkingen van wettische leraars? Te zien, dat deze alle door Christus gewerkt worden, als de werkende en verdiepende Oorzaak; ze aan de Geest van Jezus toe te schrijven, en daaruit te besluiten, dat wij gerechtvaardigd zijn, wat alle Protestante Godgeleerden leren, is geen verrotte gevolgtrekking van wettische leraars. Zeker, indien wij ze aan de natuur, aan de vrije wil of aan ons zelf toeschrijven en erop vertrouwen als delen van onze gerechtigheid, en er, onder die aanmerking, de verzekering van onze rechtvaardigmaking uit afleiden, evenals de Arminianen en Papisten doen en evenals de heiligen uit vleselijk vermetelheid kunnen doen, dan is dit geen leerstuk van de Protestanten. Is de zon mij iets verplicht, omdat ik gebruik maak van haar licht? Zijn de vloeden en rivieren iets aan de mensen verplicht, omdat zij er uit drinken? De nieuwe mens is een schepsel van Christus’ vinding; vervloekt zij, die aan de vrije wil offert, want die is een vreemde god. Het koninkrijk van de genade is een hospitaal voor kranke mensen; alles, wat wij doen, de minste goede gedachte of genadige beweging in de ziel is een bloem en een roos van Christus’ planting; een appel, die aan de Boom des levens groeide; de zondaar is de stam, doch vrije genade is het sap. Christus’ Vader is de Landman. Het leven en de groei zijn door Jezus de Wijnstok; wij zijn maar arme takjes, die vrucht dragen door hun blijven in Christus. Ik vrees echter, dat de zin hiervan, dat Christus voor ons berouw heeft en voor ons gehoorzaamt en voor een ieder, die gelooft, het einde der wet is, bij Saltmarsh iets geheel anders moet te kennen geven, namelijk, dat Christus’ gehoorzaamheid aan de wet en dat Hij het einde der wet is, alsmede Zijn lijdelijke gehoorzaamheid, de onze zijn. Indien dit bedoeld wordt, dan is al onze heiligmaking niets dan de heiligmaking en de heilige, dadelijke gehoorzaamheid van Christus. Ik geef toe, dat dit een brede, schone en gemakkelijke weg naar de hemel is; Christus doet alles voor ons, Christus weende om mijn zonden; dat is al het berouw, dat in mij geëist wordt; indien ik maar geloof, dat Christus voor mij gedood en van de wereld gestorven is, dat is mijn doding; indien ik geloof dat de verandering van de gehele mens waarlijk in Christus is, dat is mijn ware heiligheid; dan kon mijn wandel in heiligheid niet beloond worden met het eeuwige leven, noch enige invloed uitoefenen als een weg, die tot het koninkrijk leidt. De dadelijke gehoorzaamheid van Christus, aan de zondaar toegerekend, kan geen blijk van de rechtvaardigmaking zijn, omdat die in Christus is en niet in mij. Een blijk of kenmerk van de rechtvaardigmaking moet in de gelovige zijn, niet in Christus. Een en dezelfde zaak kan geen kenmerk en teken van zichzelf zijn. Nu, de dadelijke gehoorzaamheid van Christus, de zondaar toegerekend, wordt gesteld een deel van de rechtvaardigmaking te zijn.
Waaruit zich in ons openbaart, dat wij vergeving ontvangen hebben
5. De Schrift beveelt u inderdaad niet naar iets in uzelf om te zien, waarmee u de gerechtigheid van Christus kunt kopen of dat als loon of verdienste tot losprijs zal dienen, om de plaats in te nemen van toegerekende gerechtigheid. Wettische leraars, geen Protestantse Godgeleerden, gebieden u, naar iets, naar iets zeer verdienstelijks, naar eigengerechtigheid in u, om te zien. De Antinomianen zeggen, dat met het nieuwe schepsel of de nieuwe mens, in het Evangelie vermeld, niet de genade, maar Christus bedoeld wordt. De Schrift echter wijst Christus en de rechtvaardigmaking als de oorzaak, en de heiligmaking en het nieuwe schepsel als het gevolg aan (2 Kor. 5:17): "Zo dan iemand in Christus is, die is een nieuw schepsel". Deze verklaring van de Antinomianen maakt de heiligmaking, zoals die wezenlijk van Christus en de rechtvaardigmaking onderscheiden is, tot niets. Zo zeggen de Antinomianen, dat er in de wedergeborenen en in de heiligen geen inhangende gerechtigheid, geen genade is, noch dat er genaden in de zielen van de gelovigen zijn, maar alleen in Christus. Mr. Saltmarsh zegt ook, dat onze droefheid, berouw, doding en de verandering van de gehele mens geen dingen zijn, die in ons zijn, maar dat zij in Christus zijn en dat zij, als onzienlijke dingen, door het geloof moeten worden aangegrepen; terwijl volgens 2 Petr. 1:4, de goddelijke natuur in de heiligen is, en het geloof in ons woont (2 Tim. 1:5). De nieuwe schepping en het beeld van Christus zijn in het gemoed (Ef. 4:23). Het zaad Gods blijft in ons (1 Joh. 3:9). De zalving, die u leert van alle dingen, blijft in u (1 Joh. 2:27; Ezech. 36:26). Ik zal u een vlezen hart geven, en Ik zal Mijn Geest geven in het binnenste van u.
De Antinomianen ontkennen alle innerlijke heiligheid
De Antinomianen leren dat ware armoede van de geest het gezicht van de genaden doodt en wegneemt; dat het er zo ver vanaf is, dat de heiligmaking een bewijs van een goede staat is, dat zij die veeleer verdonkert; dat een mens Christus klaarder zien kan, wanneer hij geen heiligmaking ziet, dan wanneer hij die wel ziet; dat hoe duisterder mijn heiligmaking, hoe helderder mijn rechtvaardigmaking is. Zo zegt Saltmarsh: "De Schrift beveelt u niets in uzelf te zien of alles als niets aan te merken, doch deze leraars bevelen u iets in uzelf te zien. Het is een wandelen door geloof en niet door aanschouwen en een leven met Christus, verborgen in God, meer waarheid in onze genaden te geloven, dan wij zien of gevoelen."
Waaruit wij kunnen zien, dat wij genade in ons hebben
Nu is het waar, dat de heiligen uit zwakheid de werking van de Geest in zich onderschatten en terwijl zij die te laag schatten hechten zij niet genoeg waarde aan de nieuwe schepping, die in hen is en zo berispen en belasteren zij stilzwijgend de genade van Christus en zij verkleinen de hemelse schat, omdat hij in een aarden vat is; doch armoede van geest en genade zijn en zullen zijn, namelijk uit de vrucht, dat genade binnen in hen is. (Hoogl. 1:5) "Ik ben zwart, doch lieflijk (gij dochteren Jeruzalems), gelijk de tenten Kedars (vs. 12). Terwijl de Koning aan Zijn ronde tafel is, geeft mijn nardus haar reuk." Gelijk de heiligen een oordeel hebben over Christus en Zijn schoonheid, zo hebben zij ook een oordeel over zichzelf: "Mijn hart waakte; ik ben krank van liefde". (Ps. 116:16) "Och Heere, zekerlijk ik ben Uw knecht". (Ps. 63:2) "Mijn ziel dorst naar U, mijn vlees verlangt naar U". (Ps. 73:25) "Wien heb ik nevens U in de hemel? Nevens U lust mij ook niets op aarde". (Ps. 130:6) "Mijn ziel wacht op de Heere, meer dan de wachters op de morgen". Zo ook Hiskia, in Jes. 38:3; Paulus, 2 Kor. 1:12; 2 Tim. 4:7,8; 1 Kor. 15:9,10. Anderen hebben het beeld van Christus in zich, in al zijn kleuren beschreven, doch niet als Christus buiten sluitende, om verdienste binnen te halen. Ook verduistert of verkleint het besef van heiligmaking de rechtvaardigmaking niet, tenzij wij de heiligmaking misbruiken om ze verdienstelijk te stellen of er op te vertrouwen, zoals Petrus deed, die in het stuk van zelfvertrouwen had moeten vergeten, hetgeen achter was.
Ja, te zeggen, dat wij de rechtvaardigmaking des te duidelijker zien, wanneer wij geen heiligmaking zien, is het water en de Geest (1 Joh. 5:8) tot stomme of valse getuigen te maken, die of niets spreken, of leugens vertellen.
In zichzelf niets te zijn en niets te hebben verhoogt de waarde van Christus
Het is tegen het ambt van de Geest, dat is, ons te doen weten de dingen, die ons van God geschonken zijn, zoals geloof, berouw, liefde, doding, enz. (Hand. 5:3; 2 Tim. 2:25; Filip. 1:29; Efeze 2:8; Rom. 5:5; Gal. 2:20). Ik stem toe, dat het bij toeval, wanneer de zonde een heilige bovenmate zondig voorkomt en hij ziet, hoe weinig goed hij heeft, hoe blind, naakt en arm hij is, hoe hij zonder geld en zonder prijs is en dat hij, als een ellendig mens, verkocht is onder een lichaam van de zonde; ik zeg, dat het dan bij toeval de uitnemendheid en de waardij verhoogt van het rantsoen en het bloed, dat in de rechtvaardigmaking wordt voorgesteld. Zuivere, witte gerechtigheid toch, vrij en heerlijk, naast zwarte schuld geplaatst en dan geen heiligmaking, die als prijs of loon in de schaal kan geworpen worden, maakt Christus dierbaarder dan goud of robijnen. Ja, wanneer ik geen heiligmaking kan zien, om Christus te kopen, dan maakt dat de rechtvaardigmaking liefelijker, zoeter voor het oog, innemender en zielsverrukkender, want, hoe meer licht, hoe meer de duisternis ontdekt wordt en hoe meer zonde, hoe hoger Christus geschat wordt.
En nu, zouden de heiligen, die hun oprechtheid en heilige wandel voor God belijden, door dit alles, de verborgenheid van het Evangelie niet verstaan; en met hun wettische leraars ellendig dwalen; en de vrije rechtvaardigmaking uit genade verdonkeren; en de ene genade van God zou de andere genade verduisteren en verwoesten? De heiligmaking te zien, te gevoelen en te belijden is toch een daad van bovennatuurlijk gevoel en van genade; hoe kan dan de heiligmaking het geloof van de vergeving van de zonde in Christus verduisteren?
Hoe leraars moeten handelen met bekommerde zielen
Men zou kunnen vragen: Wanneer de heiligen, wegens zonde, ongeloof en dadelijke dodigheid, niet verzekerd kunnen zijn, dat God hun Vader is, welke redenen zoudt u dan gebruiken, om hun geesten op te wekken tot de verzekering van hun deel aan en hun betrekking tot God, als hun Vader?
Antw. Er is geen middel, om de heiligen uit hun ongeloof te redeneren, tenzij hij, die arbeidt, om hen te versterken, een uitlegger, één uit duizend is, die een mens zijn rechtvaardigheid kan aantonen, die zo bekend is met de toestand van de verdrukte ziel, dat hij in hem de een of andere bevoegdheid kan zien, tot een bewijs voor de heelmeester, dat er iets, min of meer, van Christus in de ziel van die mens is. Kent hij hem als iemand, die geheel van Christus verstoken is, dan moet hij zeker met zo iemand, als onder de wet zijnde, op een meer wettische en strenge wijze handelen dan met iemand, van wie hij overtuigd is, dat hij onder het Evangelie is, omdat één en hetzelfde geneesmiddel niet kan dienen voor tegenovergestelde gesteldheden. De schrijver belijdt, dat hij met zondaren als zondaren handelt en wel met alle zondaren, alsof een geneesmiddel voor de spijsverteringsorganen ook geschikt zou zijn voor het steen in de blaas. Ik heb het zover niet gebracht, maar spreek tot een zwak kind, dat God tot zijn Vader heeft, doch dat in zielsverlegenheid twijfelt of God zijn Vader is of niet.
Indien hij tot grond neerlegt, dat hij nooit in Christus was, omdat hij die en die zonden nog heeft, dan moet u, die voornemens bent hem te genezen, dat niet toegeven en op een valse veronderstelling met hem gaan handelen, alsof hij niet in Christus zou zijn, maar u moet arbeiden, om hem te bewijzen, dat hij in Christus is. Nu is het nergens nuttig voor, dat u, evenals Saltmarsh en andere vrijgeesten, schone algemeenheden bewijst; want in te bewijzen, dat Gods liefde eeuwig is, en dat Zijn verbond en het besluit van de verkiezing voor Zijn uitverkorenen zo vast en onveranderlijk zijn, dat geen zonde de uitgangen van eeuwige liefde kunnen in de weg staan, bent u slechts doende als iemand, die zand omploegt of in de lucht slaat, zolang u voor hem niet vastmaakt, dat God hem met een eeuwige liefde liefheeft.
Daarom laat ik de volgende overwegingen volgen, ter opbeuring van het bedrukte geweten van een zwak kind van God.
Wij moeten meer Christus verkiezen dan Zijn vertroostingen
I. De ziel, die zwoegt onder twijfelingen, of God zijn Vader wel is, moet deze twee klippen vermijden; dat hij op plichten zou rusten en vertrouwen, of dat hij de plichten zou verzuimen. In het eerste geval maakt hij van de plichten een Christus, alsof Christus Zelf niet veel beminnelijker en begeerlijker is dan de aangename, bijkomende omstandigheden van blijdschap, vertroosting en vrede in het doen van de plichten. Ja, neem het wezenlijk zien van God, in een onmiddellijke genieting in de hemel als een plicht en zoals het onder die aanmerking geheel onderscheiden is van het voorwerpelijk zien van Christus, dan is het genieten en liefhebben van en het rusten in Christus oneindig hoger dan de plichten van zien, van zaligmakende liefde en van eeuwig rusten in Hem, ja, dan toegerekende gerechtigheid, verzekering van vergeving, en verzoening met God; evenals de Koning meer is dan Zijn gouden armversierselen, mirre, nardus, specerijen, zalf en kussen en evenals de boom begeerlijker is dan zijn appelen, waarmee hij slechts gedurende een deel van het jaar beladen is.
Het moet zonde zijn, wanneer men de dienaren en hovelingen van de Koning hoger acht of meer liefde bewijst dan Zichzelf of dat men van de plichten een Christus maakt en zodoende Christus tot een Dienaar en Middelaar maakt van de plichten, om gevoel, vertroosting, verzekering of dergelijke te verkrijgen.
De jongen van de berin worden haar ontnomen door er snel mee weg te rijden, en dan één van hen te laten vallen, om zo de oude tijd te doen verliezen en intussen de andere jongen in veiligheid te brengen, terwijl zij zoveel mijlen terug moet, om dat ene naar haar hol te brengen Zo zegt men, dat de liefelijke geur van sommige velden de honden zo inneemt, dat zij hun prooi vergeten en die niet meer vervolgen. Zoveel met de geur van de plichten op te hebben en zo krank en krachteloos te zijn, doordat men die zo liefheeft en er in rust, dat men onderweg blijft liggen en Christus niet meer zoekt, is ongetwijfeld een veronachtzamen van Christus.
Tot dusverre geeft onze leer volstrekt geen te hoge plaats aan de heiligmaking, noch onttroont zij enige daden, plichten of vereisten door ze aan te merken als getuigenissen of door ze te maken tot scheppers van vrede of verzoening. Hoe onze harten er een verkeerd gebruik van kunnen maken is een andere zaak.
Onder zielsontroeringen moeten wij niet ophouden met doen, meer wij moeten er niet op vertrouwen
II. Wat dan, raadt u dan een ziel, die onder verlating is, met het doen van plichten voort te gaan en gerechtigheid in zichzelf te zoeken? In generlei wijze. Gerechtigheid in zichzelf te zoeken is de meest verregaande hoogmoed, maar noemt u het ook hoogmoed in een mens, die van gebrek omkomt, dat hij gaat bedelen? Is het zelfverloochening voor iemand geheel stom te zijn en niemand in zijn verhongerende toestand om voedsel te smeken? Zocht de bruid zichzelf in deze plicht: (Hoogl. 3). "Wachter, hebt gij Die gezien, Die mijn ziel liefheeft?" Was dit een besluit, dat uit hoogmoed voortsproot: (Hfdst. 3:2) "Ik zal nu opstaan en in de stad omgaan, in de wijken en in de straten; ik zal Hem zoeken, Die mijn ziel liefheeft"? Is dat eigengerechtigheid in de bruid, dat zij hartelijk haar dienstwilligheid aan Christus betuigt, wanneer zij geen woord, noch glimlach van Hem kan loskrijgen? (Hoogl. 5:8) "Zegt mijn Liefste, dat ik krank ben van liefde" Ook geloof ik niet, dat Maria Magdalena aan Farizeese gerechtigheid leed, wanneer zij opstond en de morgenschemering voorkwam en wenende tot het graf komende vroeg: "O, engelen, hebt u de Heere gezien; hovenier, waar hebt u Hem gelegd?" Mag ik deze plichten niet volbrengen, wanneer ik Hem mis? Mag ik ‘s nachts niet waken? Mag ik niet goed doen, in een liefdekoorts aan te wakkeren, wegens gemis van Hem? Mag ik niet zowel bidden als zeggen: "Dochters van Jeruzalem, bidt voor mij? Mag ik niet door alle straten en wijken getier maken en allen wachters en herders moeite aandoen en hun smeken: Kunt u mij tot Zijn tent brengen en mij zeggen, waar Hij neerligt? Ja maar, dit moet alles in geloof gedaan worden. Dat is zo, maar zijn het ook geen plichten van liefdekrankte, welke ik Christus verschuldigd ben? Ik weet, dat zij mij geen eeuwige gerechtigheid kunnen aanbrengen; doch zijn zoeken en kloppen geen trappen, die tot vinden en opendoen voeren?
Liefde-jaloersheden onder verlating
III. Een andere raad is: dwingt geen rechtsgeding af; zoekt onder geen voorwaarden tegen Christus te pleiten. Het geweten, dat zo teer is onder jaloersheden, zegt: " O, Hij bemint mij niet; Christus heeft mij vergeten:. Kiest in zo’n twist niet de zijde van het geweten. Voedt geen gedachten, dat Christus’ liefde voor u koel en gering is; al is Hij buiten uw gezicht, daarom is Zijn liefde tot u niet verflauwd.
IV. Het ongeloof is een tovenares, die het aangezicht van Christus voorstelt, als bedekt met een sluier van haat, toorn en ongenoegen. Onderzoekt welke redelijke gronden u hebt, Christus niet te geloven of met Hem te breken. Veronderstelt, dat Hij met u gebroken heeft, verdenkt Hem toch niet, omdat u het niet weten kunt. Zorgt, dat u zo’n Vriend als Christus is niet verliest; als u nooit meer iets van Hem krijgt, dan mag u, als Hij zo met u handelt, zweren en onder ede beloven, dat u de panden en liefdetekens, die u eens ontvangen hebt, mee zult nemen naar de hel, om getuigen te zijn hoe Christus is, om als overblijfseltjes en zaadjes te getuigen van de liefde, die u Hem eens hebt toegedragen.
V. Christus moet een tijd hebben, om te komen en te gaan en daarop moet gewacht worden. Wij keuren goed, dat de zee haar uren van ebben en vloeien heeft; dat de maan haar dagen van afnemen en wassen heeft; dat de winterzon en de zomerzon maanden gebruikt in ons te verlaten en weer terug te keren; of wij het willen of niet, God en de natuur gebruiken hun tijd en vragen ons geen vrij. Waarom heeft God ons inwendig en uitwendig ogen gegeven, dan opdat David zijn ogen, wanneer zij op het punt waren van bezwijken, zou vermoeien met op te zien, daar hij was hopende op zijn God. (Ps. 69).
Christus vergoedt Zijn afwezigheid met dubbele liefdebewijzen
VI. Al was u in de hel en Hij in de hemel, dan is Hij waardig, dat u op Hem wacht; de eerste verwarmende glimlach bij een nieuwe terugkomst is voldoende om alle smart te vergoeden, welke u in Zijn afwezig zijn geleden hebt, om niet eens te spreken van eeuwige liefkozingen en omhelzingen.
Werken van heiligmaking, al zijn zij nog zo bezoedeld, kunnen een grondslag zijn voor verzekering
VII. Het is ook niet goed, wanneer men met Saltmarsh aldus redeneert: "Ik vind zonde in al mijn werken van heiligmaking, ja, dat zij verrot zijn en de vloek verdiepen, waarom zou ik ze dan tot enigerlei grond van verzekering stellen, maar ik moet Christus in dit opzicht tot heiligmaking aannemen." Indien toch de werken van dit soort niet in het geloof gedaan zijn en hij, die ze doet, dit weet, kunnen zij niets anders getuigen, dan dat zij een vals getuigenis van Christus geven; ook hebben wij nooit geleerd, dat Christus van onze werken van heiligmaking moet losgemaakt worden, doch, dat zelfs het geloof, dat een grond van vrede voor de Antinomianen is, om deze reden niet geteld moet worden. Aangezien toch de liefde tot Christus, onze gebeden en onze nederigheid, niet wezenlijk klei en modder zijn, maar alleen door vermenging kleiachtig en modderig, zo is het ook bijkomend, dat ons geloof zondig is. Omdat het geloof zo zwak en onvolkomen en met zonde vermengd is, verdient het, zowel als de werken van heiligmaking, de vloek; toch grijpt het Christus en Zijn gerechtigheid aan en zo stelt het onze verzekering vast. Indien met aangrijpen bedoeld wordt, tot enige kennis en verzekering komen, dat Christus mijn rechtvaardigheid geworden is, dan neemt u voor waar aan, wat nog bewezen moet worden, indien u dit ontkent ten opzichte van de werken van heiligmaking. Want wat zegt de Schrift? (1 Joh. 2:3.) "Hieraan kennen wij, dat wij Hem gekend hebben, dat wij Zijn geboden bewaren. (vs. 5.) Wie Zijn woord bewaart, in die is waarlijk de liefde Gods volmaakt geworden". Hieraan, dat is, dat wij Zijn Woord bewaren, hetgeen tevoren tweemaal genoemd wordt, vs. 3, 4, "het houden van Zijn geboden", en vs. 6, "wandelen, gelijk Hij gewandeld heeft" "Hieraan, zegt hij, weten wij, dat wij in Hem zijn"; in Christus, onze verzoening en gerechtigheid, en zo worden wij gerechtvaardigd door het bewaren van de geboden Gods, omdat wij hierdoor bevatten en weten, dat wij gerechtvaardigd zijn.
Wij weten niet altijd, dat wij geloven
Doch dat allen, die gerechtvaardigd zijn, ten volle overreed moeten zijn van hun rechtvaardigmaking, en dat het geloof wezenlijk een overreding en verzekering is van de liefde Gods in Christus tot mij; dat dit de natuur van het geloof is, is meer dan ik ooit geleerd heb; ik geloof, dat het er een afscheidbaar gevolg van is. Indien met Christus en Zijn gerechtigheid aangrijpen bedoeld wordt, een zich verlaten op, een rusten in en een leunen op Christus ter zaligheid, dan moet toegestemd, dat, in die zin, het geloof een grondslag is tot onze verzekering, dat wij in Christus zijn, doch, dat het altijd, in een terugwerkende kennis, de verzekering voortbrengt, dat een gelovige in Christus is, is niet waar. Het kan zijn, dat ik geloof en gerechtvaardigd ben en het niet weet, ja, stellig betwijfel, dat ik geloof en gerechtvaardigd ben, gelijk er duizenden zijn, die vergeving deelachtig zijn, zonder dat zij er van verzekerd zijn, of er vrede door hebben; die in Christus en Zijn vrije liefde geloven en het gevoel er van missen. "Want wij geloven, zegt Saltmarsh, meer waarheid van onze genaden, (en dus van ons geloof en de verzekering van de vergeving van onze zonden,) dan wij kunnen zien of gevoelen, overeenkomstig Gods bedeling, dat ons leven met Christus verborgen is in God", dus, het leven van het geloof, waardoor de rechtvaardige leeft, is verborgen en ten allen tijde buiten het bereik van het gevoel.
Wij hebben behoefte aan dadelijke invloed van genade, om door de weeromstuitende daad onze geestelijke staat te kennen
Gelijk het geloof, dat de rechtstreekse daad is van Christus te kennen en zich op Hem te verlaten om vergeving, een werk van de Geest is, dat boven het bereik van de rede ligt, zo ook is de weeromstuitende daad van mijn kennen en gevoelen, dat ik geloof en in Christus ben, dat soms voortkomt uit het geloof en het onmiddellijk getuigenis van de Geest en soms uit mijn wandel in Christus, (1 Joh. 2, 3, 4; 1 Joh. 3:14), een bovennatuurlijk werk, dat boven de kring en het bereik van onze vrije wil ligt en dat toegediend wordt door de geestelijke roeringen en werkingen van de vrije genade van God. Gelijk het bewaren van Zijn geboden, actu primo en uit zichzelf, getuigenis geeft, dat de ziel in Christus en gerechtvaardigd is, evenals de daad van geloven uit zichzelf hetzelfde doet, nochtans is het niet noodzakelijk, behalve alleen, wanneer de wind van de dadelijke beweging en invloeiing van de Geest met deze middelen medewerkt; op dezelfde wijze als de beloften van het Evangelie in zichzelf levendig en krachtig zijn, maar alleen dan, actu secundo, de dorre zielen levendig maken en bezielen, wanneer het de Heere behaagt Zijn invloed mee te delen in de verlichting door Zijn Geest. Anders zou het kunnen zijn, dat ik in duisternis wandel, ja, geloof, bid, liefheb, en bezwijk van liefdesmart en geen licht van weeromstuitende kennis en geen gevoel heb, dat ik in Christus ben. (Jes. 50:10.) Het kan zijn, dat ik krank ben van liefde, dat ik roep, klop, bid en met de wachters en de dochteren Jeruzalems beraadslaag en dat het in mijn gevoel laag met mij is afgelopen; ja, dat de Liefste, ten opzichte van mijn gevoel en dadelijke verzekering, geweken is (Hoogl. 3:1—5; 5:5—8) en dat al mijn inwendige kenmerken mij niet tot een enigszins draaglijke verzekering kunnen verlevendigen.
Het getuigenis van de heiligmaking is soms duister
Het is waar, de heiligmaking en ook het geloof kunnen verduisterd worden, zodat er niets is, dat hem bewaart, voor het ophouden van zijn geloof en een geheel sterven, (omdat al het leven van een heilige zich niet terugtrekt in zijn bezwijkend hart, maar in zijn sterk Hoofd,) dan dit: "Ik heb voor u gebeden, dat uw geloof niet ophoude." De donkere avond van Davids geloof en heiligmaking en die van Petrus, toen hij zijn Heere verloochende en toen hij de heidenen noodzaakte naar Joodse wijze te leven, (Gal. 2), toen hij en anderen tussen wet en genade hinkten en draaiden, evenals het volk deed tussen Jehovah en Baäl, met een hoge belijdenis van Jehovah en Christus en een lage praktijk, en een teveel aankleven van Baäl en van zaligheid door de wet, (want hinken is een gaan met een lang en een kort been, waarbij het lichaam dan naar de ene en dan naar de andere zijde van de weg overbuigt;) ik zeg, deze donkerheid was in de tweede werkingen van geloof en heiligmaking, doch het leven en sap waren in de wortel van de eik, als hij gesnoeid en behakt en door winterstormen van de pracht van zijn bladeren beroofd was. Wij zeggen niet, dat de heiligmaking altijd een gevoelig en overtuigend getuigenis geeft, dat de ziel in Christus gerechtvaardigd is; zowel geloof als heiligmaking hebben hun trappen, stilstand en zieke dagen. Doch wij zeggen, dat, gelijk er van de schepping af altijd rozen en bloemen geweest zijn en er tot het einde van de wereld zijn zullen, daar zij in beginsel zo oud zijn als de aarde, hoewel zij in de winter verdwijnen, zo ook het geloof en het frisse bloeien van de heiligmaking er altijd zijn zullen, al hebben zij een tijd, waarin zij hun bladeren en schoonheid verliezen.
Plichten, welke in het geloof verricht worden, zijn niet strijdig met genade
VIII. De plichten uit een geloofsbeginsel aan te dringen, is Christus aan te dringen. Het zien van de stralen en van het licht in de lucht kan nooit een ontkennen zijn, dat de zon aan het uitspansel staat; en wanneer men druiven aan de wijnstok ziet groeien, is het niet te loochenen, dat er leven en sap in de stam zijn; zo ook kan het gezicht en gevoel, dat wij vruchten van de gerechtigheid voortbrengen, tenzij wij ontkennen, dat de genade van Christus ze gewerkt heeft, geen verdonkeren van Christus en de vrije genade zijn. (1 Kor. 15:9,10).
Het is moeilijk, in verlating vertroost te worden
IX. Het is uiterst moeilijk, ja onmogelijk, de werking van vrije genade te gebieden, wanneer de Heere Zich verbergt en Zich achter de bergen terugtrekt.
1e Omdat verlating geen verlating zou zijn, wanneer zij onder het gebied van de vrije wil stond. Het kan de vrije wil niet zijn van hem, die gestraft wordt, dat hij met verlating gestraft wordt om de zonde; elke straf als zodanig is strijdig met de wil van de gestrafte; verlating als een daad van vrije bedeling ter beproeving, moet een werk zijn van almachtige heerschappij.
2e Het is hiermee, als met de werken van de natuur en van de kunst; God is er in te zien. Al zwoegen, ploegen en zaaien de mensen nog zo, en al genieten het koren en de weiden van zon en zomer, van wolken, dauw en regen, toch kan God tussen de mond van de landman en zijn velden gaan staan en alles verwoesten, of de Heere neemt de stok en de staf van het brood en het gras weg, of er is brood genoeg en toch hongersnood en een omkomen van honger. Zijn er niet, die vroeg opstaan en laat opblijven en eten brood der smart, die nochtans door die gewapende krijgsknecht van God, door uiterste armoede, worden overvallen? Zijn er geen wachters, die de ganse nacht werken, die toch verrast worden, zodat de stad in de morgenstond wordt ingenomen, omdat de Heere de stad niet bewaart? De Heere doet al deze dingen, om te tonen, dat Hij de opperste en volstrekte Heere is van alle tweede oorzaken. Zo betoont Hij ook Zijn verheven en onafhankelijke heerschappij in Zijn vrijmachtig komen en gaan met de uitlatingen van Zijn liefde. Heeft niet de Koning van de heiligen een kamer, waarin Hij Zich terugtrekt, een plaats, waar Hij Zich verbergt? Heeft Hij niet de vrije beschikking over Zijn tegenwoordigheid en Zijn openbaringen? De ziel, die onder verlating is, bidt, roept en weent; de herder spreekt met een tong der geleerden; de Christenvriend tracht met redenen en vermaningen te ondersteunen; bevinding en de dagen vanouds worden overdacht; beloften overtuigen en spreken tot de ziel; de arme mens gedenkt aan God en maakt misbaar; de Kerk en vele kerken bidden; Christenen wenen en bidden met hem; nochtans blijft Christus van ver; al deze dingen kunnen hem zelfs geen schijn van een glimlach van het aangezicht van Christus toebrengen; het gezicht spreekt niet één woord van blijdschap. Al deze dingen hebben niet meer macht om een woedende zee en stormwinden te stillen en kalmte in de ziel te scheppen, dan dat een kind machtig is de derde hemel rond te wentelen in een richting, recht tegenovergesteld aan zijn natuurlijke beweging. Almacht is in deze onttrekking werkzaam. God Zelf is in deze bedeling; het is met de volstrekte vrijheid van een afhankelijke heerschappij, dat de Heere Zich met een wolk bedekt en dat Hij de deur van Zijn woning met een ijzeren grendel toesluit; en kunt u die wegnemen door de Almacht te beroeren? Meent u, dat uw bidden God kan bekoren en Zijn onafhankelijke heerschappij verbreken, wanneer Hij werkzaam is in te betonen, dat Hij heerschappij voert?
Het gevoel van Christus’ afwezigheid is niet weg te redeneren
3. Een gevoel van de liefde van Christus, dat in verlating gemist wordt, kan niet door overreding opgedrongen worden, evenmin als een dove door woorden kan overreed worden, te horen. Welsprekendheid is ongenoegzaam, om de smaak de zoetheid van de honig te doen proeven. Er is een licht, dat van de hemel komt, boven het licht van zon en maan, ja, boven het licht van het Evangelie, dat niet uitgehaald of afgeleid is uit het vermogen van de ziel, noch uit de kracht van het Evangelie, dat licht, dat de witte keursteen en de nieuwe naam in werkelijkheid voortbrengt. Evenals de natuur en het instinct krachtens natuur hun natuurlijke plichten verrichten, zonder enige welsprekende overreding, zo ook kan geen overreding het vuur doen branden, noch de zon doen schijnen, noch de vogel zijn nest doen bouwen, noch het lam zijn moeder doen kennen; de natuur doet al deze dingen. Evenmin doet de overredingskracht van Paulus in de prediking van het Evangelie (Hand. 26:18 en 16:14) dezelfde zaak en in elk opzicht hetzelfde werk, dat de Heere doet, als Hij Jafet overtuigt, dat hij in Sems tenten zal wonen (Gen. 9:27). Ik zou gemakkelijk kunnen toestaan, dat wij lijdelijk zijn, als wij het vooraf bepaalde werkzaam door de Heilige Geest ontvangen, hetzij in het geloven of in dadelijke verlichting en in het dadelijk getuigenis gevend licht, waarbij Christus in het hart schijnt en waardoor Hij een dadelijke verzekering werkt; hoewel wij op hetzelfde ogenblik en in dezelfde tijdsorde, doch niet krachtens natuur, ook werkzaam zijn.
X. Hoewel de middelen, als het bidden, het staan op de wachttoren, uitziende naar vernieuwde verzekering, niet verzuimd mogen worden, nochtans moet, wat de tijd, de wijze, de weg en de mate van het spreken van het gezicht betreft, Gods volstrekte heerschappij meer geëerbiedigd worden, dan al de roeringen en bewegingen van de benedenraderen van gebed, prediking en bespreking.
Niemand, die in de heerlijkheid is, kan beantwoorden aan hetgeen hij schuldig is
XI. Men moest zo met de ziel redeneren, om haar te overtuigen: Wel, zoudt u niet onder voogdij van Christus willen staan en Hem toevertrouwen u naar de hemel te brengen? Hij heeft een wereld van heiligen over dezelfde zeeën gevoerd, daar u nu op bent. Christus heeft Zelf de vrachtprijs betaald en niet één van hen is dood aan het strand gevonden. Zij waren allen even zwart en door de zon verbrand als u, maar nu zijn zij een schoon en liefelijk gezelschap, dat voor de troon is, zonder vlek en met witte klederen gekleed; nu zijn zij aan de zonzijde van de rivier, in dat goede land, waar heerlijkheid groeit, ver boven alle zuchten en jaloersheid verheven. U staat schuldig aan de verbreking van het voorrecht van Christus; Hij is een vrij Vorst en Zijn koninklijk voorrecht is, dat Hij, in het uitdelen van werk of loon, van genade of heerlijkheid, niets kan doen, dat niet overeenkomstig de grondwetten van de rechtvaardigheid is. (Matth. 20:13) "Vriend, Ik doe u geen onrecht". Al het Mijne is het Mijne.
1e Tegenwerping. O, maar Hij is zuinig met Zijn genade. Zijn liefdebezoeken zijn dun gezaaid, als aardbeien tussen de rotsen.
Antwoord. Ik antwoord voor Hem: "De hoeveelheid genade te bepalen is een deel van Zijn vrijheid. Waarom klaagt u niet liever over het slechte gebruik, dat u maakt van de twee talenten, dan dat u Hem beschuldigt, dat Hij karig is in er u maar één te geven. Hij kan niet zondigen tegen Zijn vrijheid in de uitdeling van de genade; u kunt niet anders dan zondigen in het ontvangen. Nooit durfde enig mens, van de schepping af, behalve de mens Christus, de heiligste niet uitgezonderd, Gode een rekening voor te leggen, om daarvoor een evangelische kwitantie te eisen: Mozes, David, Jesaja, Jeremia, Job, Petrus, Johannes, Paulus en alle heiligen zijn tot op deze dag toe de schuldenaars van Christus, in de mededeling van genade; zij waren genade onwaardig en Christus was genoodzaakt onderaan hun rekeningen met een pen van genade, ingedoopt in de inkt van Zijn bloed, te schrijven: "Vriend, u bent Mij dit schuldig, maar Ik scheld het u kwijt" Zij gingen naar de hemel met miljoenen meer aan achterstallige schulden, dan zij ooit poogden te vergoeden; zij zijn in de staat van iemand, die bij zijn dood duizenden schuldig is en van wie zijn rijke schuldeiser zegt: "Deze arme man was mij duizenden schuldig en nu is hij als mijn schuldenaar gestorven; ik scheld het hem kwijt; zijn graf is zijn kwitantie, ik zie er niet meer naar om. Christus verwijt u geen oude schulden meer; dat zou u de moed doen verliezen; waarom gooit u dan Zijn vrije giften voor Zijn voeten? Acht het voor ontferming, dat Hij u niet maakte tot een stuk graniet, maar tot een gelovige heilige; er is geen vergelijking te bedenken tussen Zijn vrije giften en het kwaad, dat u verdiend hebt.
Wij moeten onder verlating niet met God twisten
2. U moet niet twisten over Zijn komen en gaan. De Heere bewandelt hierin een weg van vrije bedeling; er is geen land, waarin altijd de zomerzon schijnt. Het was de dagelijkse gestalte van Paulus niet, toen hij zeide: (Rom. 8:38) "want ik ben verzekerd, dat noch dood, noch leven, enz. mij zal kunnen scheiden van de liefde Gods in Christus" Het is een hoogtijd, een groot feest, als Christus tot Zijn kerk zegt: (Hoogl. 5:1)."Ik ben in Mijn hof gekomen, o Mijn zuster, o bruid, Ik heb Mijn mirre geplukt met Mijn specerijen, Ik heb. Mijn honingraten met Mijn honing gegeten: Eet, vrienden, drinkt en wordt dronken, o liefste" Het is waar, Hij is altijd in Zijn Kerk, Zijn hof, om Zijn leliën in te zamelen, doch sneeuwstormen woeden dikwijls over Zijn hof.
Wij kunnen in dit leven de volheid van de heerlijkheid niet dragen
3. Indien de verzekering altijd vol was, evenals het geloof van Christus in Zijn benauwdste zielsontroering altijd als een boordevolle zee en als de volle maan was, en was onze blijdschap altijd vol, dan zouden de hemel van de heiligen op aarde en hun hemel boven de zichtbare hemelen alleen verschillen in de plaats en, ten opzichte van de zaligheid, in een lagere trap van heerlijkheid; doch hierin is een wijsheid Gods, die geëerbiedigd moet worden. De heiligen zijn in dit leven enge vaten en zulke oude lederzakken kunnen de nieuwe wijn niet houden, welke Christus met de Zijnen drinkt in het koninkrijk van Zijn Vader. Wanneer de discipelen de heerlijkheid van Christus op de berg zien, zegt Petrus: (Matth. 17:4) "Heere, het is goed, dat wij hier zijn", maar wanneer die heerlijkheid dichter bij hen komt en een wolk hen overschaduwt (Luk. 9:34) en zij de stem Gods uit de wolk hoven spreken, (Mark. 9:7) vallen zij op hun aangezicht (Matth. 17:6) en worden zeer bevreesd. Waarom bevreesd? Wel, wegens de uitnemend grote heerlijkheid, waarvan zij getuigden, dat zij goed was, doch zij wisten niet, wat zij zeiden. Wij weten niet, dat deze vreugde onuitsprekelijk is. Wij verheugen ons met een blijdschap, die niemand kan uitspreken; hoe zou dan enig mens die kunnen bevatten? Ik kan duizend miljoenen dingen uitnemender en heerlijker bespreken dan gevoelen. Wilde God in dit leven zoveel van Christus in ons uitstorten, als wij in onze eigen wijsheid of liever dwaasheid begeren, de lederzak zou barsten en de wijn uitgestort worden. Wij moeten soms uitroepen: "Heere, houd Uw hand terug". Wij zijn in dit leven even onbekwaam, de vreugde van de hemel, als de smarten van de hel te verdragen. Elke drop van Christus’ honingraat is een talentpond zwaar en de volheid ervan moet bewaard worden, tot wij verwijde vaten zijn, bekwaam voor de heerlijkheid.
Het verlangen neer Christus is het krachtigst, als Hij afwezig is
XII. Wij overwegen niet, dat de afwezigheid van Christus sterker tot liefde aandrijft dan Zijn tegenwoordigheid in gevoel en in volle verzekerdheid. Dit blijkt duidelijk uit dat grote loflied op Christus, dat de Kerk uitsprak, (Hoogl. 5) toen Hij zich onttrokken had (vs. 6) en zij krank was van liefde tot Hem (vs. 9—16). Er is een soort hemelse werking, die door tegenstand krachtiger wordt, een begeerte, welke Hij doet ontbranden door Zich te onttrekken; evenals wij het vurigst zijn in het zoeken van kostbare dingen, wanneer zij niet tegenwoordig zijn en ver buiten het bereik om ze te genieten. Afwezigheid doet onze liefde vlam vatten. De indruk van Zijn kussen, omhelzen, lieflijk en geduldig kloppen, als Hij zegt: "Doe Mij open, Mijn zuster, Mijn vriendin, Mijn duive, Mijn volmaakte"; de afdruk van Zijn voetstappen, de overblijfselen van de geur van Zijn kostbare oliën, Zijn schaduw, wanneer Hij de deur uitgaat, zijn kolen, die de ziel doen ontbranden. (Ps. 63:7) "Als ik Uwer gedenk op mijn legerstede, zo peins ik aan U in de nachtwaken." (Ps. 87:4) "Dacht ik aan God, zo maakte ik misbaar", of liever; dacht ik aan God, zo verheugde ik mij. Maar de herinnering aan vroegere liefde en aan afwezige en onttrokken vertroostingen breken het hart. Hoe wenen sommigen en hoe werpen zij hun harpen terzijde, wanneer zij gedenken aan de omhelzingen van Christus van zeven jaar terug, aan Christus maagdelijke liefde en aan de liefelijke liederen Sions uit de dagen van hun jeugd! (Hoogl. 5) Toen de Kerk, doch te laat, opstond om Christus open te doen, toen Hij geweken en doorgegaan was, zeide zij: "Mijn handen drupten van mirre en mijn vingers van vloeiende mirre op de handhaven des slots". Toen was haar liefde tot Christus het sterkst; toen werd haar ingewand ontroerd en was de geur van Zijn liefde, als vloeiende mirre, machtig sterk en doordringende.
De verlangende ziel moet Christus terug bidden
XIII. Wanneer de raderen in beweging zijn en het verlangen naar Christus ontwaakt en gaande is, moeten wij Christus weer terug bidden, Hem door liefde bewegen, tot Zijn Eigen woning terug te keren en Hem van Zijn plaats, achter bergen vandaan zuchten, om weer in de ziel te komen, evenals de bruid deed. (Hoogl. 3:1—5) Zal Hij ooit gevonden worden, wanneer Hij gezocht wordt, dan zal het nu zijn, hoewel tijd en wijze van Zijn wederkeren geheel van Hem afhangen.
Christus’ liefde is niet heerszuchtig
XIV. Wij moeten niet geloven, dat Christus’ liefde preuts en luimig is, wanneer Hij Zich verborgen houdt of, dat Hij te heerszuchtig, trots, hardvochtig en onverbiddelijk is, om het gevoel van Zijn liefde uit te laten, verzekering te schenken of Zijn tegenwoordigheid te genieten te geven. Wij hebben onder onttrekking van Christus wel duizend misvattingen van Hem en wij overwegen niet, dat gerustheid in en toegevendheid aan onze begeerlijkheden ons Christus doen verliezen en dat het rechtvaardig is, dat wij in doornen moeten treuren, wanneer wij in rozen zondigen.
XV. Is het Zich verborgen houden van de Heere niet vormelijk een daad van genade, toch is het dat, wat het oogmerk aan de zijde Gods betreft wel, daarin, dat Hij bij Zijn terugkeer twee hemelen meebrengt; ook is de gouden ketting, die, gesoldeerd is, het sterkste in die schalm, die gebroken was. Ook is het resultaat van de terugkeer van Christus tot Zijn hof (Hoogl. 5:1) een feestmaal van honing, melk en wijnen, die gezuiverd zijn en wanneer Hij teruggekeerd is, dan verspreiden Zijn nardus, Zijn wierook, Zijn mirre, aloë en cessie hun reuk tot in de hemel, dat in het vallen van de heiligen gezien wordt. Wanneer David na zijn val hoort, dat er ontferming is en gevoelt, dat zijn verbrijzelde beenderen genezen zijn, is er meer van Gods lof in hem, dan hij kan uiten en hij bidt, of God het vat wil openen, opdat de nieuwe wijn mag uitkomen: (vs. 17) "Heere open mijn lippen, zo zal mijn mond Uw lof verkondigen." Ziet ook, hoe gevoelvol, na de ontmoeting van de Heere en de verloren zoon, de arme zoon zich uitdrukt en hoeveel gevoel en blijdschap er in de Vader is.
De wederkomst des Heeren na een droevige verlating is verblijdend
Het is maar een gelijkenis, die nochtans veel van God zegt. (Luk. 15:39). "En als hij nog ver van Hem was, zag hem zijn Vader." Christus, de Vader der eeuwigheid, (Jes. 9:5) kent een vriend van ver en Zijn hart wordt warm en ontbrandt in Hem, wanneer Hij hem ziet. Al is hij duizenden en miljoenen mijlen van God af, als hij er over denkt te komen, ziet Hij hem en wordt met innerlijke ontferming bewogen; Hij ziet hem met ontroerde ingewanden, en zo snel is de liefde van Christus, dat Hij toelopende, hem om zijn hals valt en kust. O, wat een uitdrukking van teerheid! En dan wordt bij dit alles nog een nieuw kleed en een ring tot versiering toegevoegd en een feestmaal wordt aangericht, het gemeste kalf wordt geslacht en de Heere eet en is vrolijk. Dat Petrus Christus verloochende, bracht hem tot wenen en kermen, dat voortvloeide uit de uitstorting van de Geest van de genade over het huis Davids. (Zach. 12:10.) Het vermeerderde de genade van Petrus, dat hij, voor een tijd, genade kwijtraakte, evenals na een aftappen van bloed en na een aderlating meer bloed in de plaats komt, en na een afneming van krachten de natuur zich te overvloediger herstelt. Wij klagen dikwijls in onze benauwdheden over God, waarover Hij Zijn volk bestraft: (Jes. 40:27.) "Waarom zegt gij dan, o Jakob en spreekt, o Israël: Mijn weg is voor de Heere verborgen en mijn recht gaat van mijn God voorbij?" Dat is, de Heere slaat geen acht op mijn verdrukking en Hij vergeet mij recht te doen, alsof ik van voor Zijn aangezicht verborgen was. En David spreekt: (Ps. 31:23.) "Ik zeide in mijn haasten: Ik ben afgesneden van voor Uw ogen." Het lijkt veel op wat Kaïn sprak: (Gen. 4:14.) "Ik zal voor Uw aangezicht verborgen zijn," doch die was in een geheel andere gemoedsgesteldheid; maar dit is een oordelen, dat God moe en mat is, alsof Hij niets meer doen kan en op het punt is van te bezwijken. (Jes. 40:28.) Eerder zal Hij moe en mat worden, dan dat Hij de Zijnen zal vergeten. Onze duisternis kan de Heere niet van licht en oneindig verstand beroven; Hij kan Zijn ambt als Verlosser niet vergeten. God is niet als de struisvogel, die zijn eieren in het zand laat liggen en er niet aan denkt, dat zij vertrapt en vertreden kunnen worden. Wanneer Christus weggaat, laat Hij Zijn hart en Zijn liefde in de ziel achter, tot Hij Zelf weer terugkeert; indien de nieuwe schepping in de ziel is, dan moet Hij tot Zijn nest terugkeren, om de tere nieuwgeborene onder Zijne vleugelen te verwarmen.
Hoe nabij Christus is in verlating
XVI. Nooit is Christus op enige tijd zo ver geweken, of men kan de ziel nog kennen, waar Hij in geweest is; ja, Hij staat bij het ziekbed, wenende om Zijn in smarten neerliggend kind, het zuchten van welke Zijn ingewand ontroert. (Jer. 31:20) "Want sinds, dat Ik tegen hem gesproken heb, zegt de Heere, denk Ik nog ernstig aan hem". Al gelooft de zwakke mens, dat Hij voorgoed weggegaan is, daarom is het niet minder waar, dat het hoofd van een in zwijm liggende zoon, aan de borst en in beide armen van Christus ligt.
Christus vergeeft liefde-dwalingen en straft die zelden
XVII. Ook wil Christus evenmin op een wettische wijze, rekening houden met de struikelingen, verkeerde oordeelvellingen en de liefde-ontrouw van een geestelijke ongesteldheid, als een vader zijn kind met een roede zal slaan, omdat het in een hoge koorts zijn vader miskent en woorden van dwaasheid spreekt. Christus moet de inbeelding en zonden van liefde-krankheid vergeven; de verkeerdheden van de liefde tot Christus zijn bijna onschuldige misdaden, hoewel het ongeloof liefdeleugens van Jezus Christus verzint. Er is zekere te hoog gaande liefde, welke, als het ware, onbezonnen en haastige jaloersheden van Christus uitschuimt, wanneer werkingen van vurige en vlammende begeerten de werkingen van het geloof te boven gaan. Gelijk de honger geen rede verstaat, zo ook gaan de overstromingen en verheffingen van de liefde van Christus buiten haar oevers, wanneer wij zo sterk begeren, dat de Heere mag terugkeren, dat wij geloven, dat Hij nooit weerkeren zal.
XVIII. Hoewel voor het gevoel verborgen juwelen geen juwelen zijn en een verloren Christus geen Christus is, toch is er een onzichtbaar en een onopgemerkt hemels instinct, dat de ziel verhindert, Christus los te laten.
Het is een leugen, wat Saltmarsh zegt, dat niemand zijn geloof in twijfel moet trekken
Zullen wij nu, dit alles overwogen hebbende, al deze geestelijke overwegingen tot alle mensen uitstrekken, hetzij zij in Christus zijn of niet? Saltmarsh leert ons dit, als de grote Evangelieverborgenheid aangaande het geloof, "dat niemand in twijfel moet trekken of hij wel gelooft, dat God zijn Vader en dat Christus zijn Verlosser is, of niet, maar dat men geloven moet, totdat men overtuigd is, dat men gelooft en meer en meer de waarheid van zijn geloof of geloven gevoelt, omdat de rechtvaardigheid geopenbaard wordt uit geloof tot geloof. De grond hiervoor is het gebod van Christus, om te geloven en dat geboden van deze natuur gehoorzaamd en niet betwist moeten worden".
Doch dit is er zo ver van af, een Evangelie-verborgenheid te zijn, dat het niet eens een Evangeliewaarheid is en arme zielen gelast, honing te zoeken in een wespennest, dat de weg tot vermetelheid is. Hoewel het waar is, dat zij, die waarlijk geloven, niet aan hun geloof behoren te twijfelen, nochtans behoren zij, die wel lampen van het geloof, doch geen olie hebben, te onderzoeken of er olie in hun lampen is of niet, en of er waar geloof bij hun belijdenis is, anders toch waren de dwaze maagden niet zo ver mis, die nooit hun geloof betwijfelden, totdat de tijd om olie te kopen voorbij was. Dat nu deze maagden, die geen olie hadden, moesten geloven, dat zij olie in hun lampen hadden, totdat zij overtuigd waren, dat ledige lampen volle lampen zijn en dat vals geloof waar geloof is, is hetzelfde, alsof men iemand wilde verplichten van de oostenwind te leven, totdat hij in staat zou zijn in zijn verbeelding te geloven, dat het Oosten het Westen is.
Alle Schriftuurplaatsen, welke ons gelasten, onszelf te beproeven, (1 Kor. 11:28) onszelf te onderzoeken of wij in het geloof zijn en onszelf te kennen, dat Jezus Christus in ons is, tenzij wij enigszins verwerpelijk zijn (2 Kor. 13:5) en te weten de dingen, die ons van God geschonken zijn en zo te weten, dat wij geloven, bewijzen duidelijk, dat wij onszelf moeten beproeven en in zoverre onszelven de vraag stellen of wij geloven of niet. Zo liggen er duizenden onder de verplichting, te erkennen, dat hun geloof slechte inbeelding is, en dat er iets is, dat op geloof gelijkt, doch, dat het niet is. Nu, wij moeten onszelf niet bedriegen met een ijdele vermetelheid, welke er als geloof uitziet en geen geloof is. Velen, die geloven, dat er een God is (Jak. 2) en zich inbeelden, dat zij geloof hebben, doch, die verstoken zijn van goede werken en van liefde, waarin het leven en de kracht van het geloof voornamelijk gezien worden, hebben niet meer geloof dan de duivelen. (vs. 18—20.)
Wij moeten geloven volgens Christus’ patroon, niet volgens het onze
Het is waar, dat wij in de Naam van Zijn Zoon, Jezus Christus, hebben te geloven, zonder in het minste de billijkheid van het gebod, om te geloven of onze verplichting, om te geloven te betwisten, want beide zijn ten hoogste rechtvaardig. De heilige en rechtvaardige wil van God te betwisten is de wijsheid van God met onze vleselijke rede tegen te staan, doch wij moeten, omdat wij het heilig gebod Gods niet kunnen betwisten, onze plicht niet wegredeneren, om te onderzoeken of hetgeen wij als een plicht aangemerkt doen, een valse bevatting of een ware en echte plicht is; ook moet ik, omdat ik het gebod om te geloven, dat Jezus Christus gegeven heeft, niet mag wegredeneren, daarom nog niet geheel naar mijn verkiezing geloven en tot Christus komen, hetzij ik vermoeid en belast ben of niet. Christus gebiedt mij te geloven, dus, al blijf ik in mijn goddeloosheid, al zie ik met mijn hart naar ongerechtigheid om, ik moet, zonder aan mijn zaligheid te wanhopen, toch geloven; dit is een gevolgtrekking, welke ik ontken. Het is geheel hetzelfde, alsof de Antinomianen aldus zouden redeneren: "Allen binnen de zichtbare Kerk zijn verplicht te geloven en op Christus ter zaligheid te vertrouwen, hetzij zij uitverkoren of verworpen zijn, hetzij hun hoerachtig hart door gevoel van de zonde verbroken of nog onverbroken is.; dus, zij zijn verplicht vermetel te zijn of op Christus als hun gerechtigheid te bebouwen, hetzij zij nog op hun eigen gerechtigheid vertrouwen of niet.
De heiligen kunnen twijfelen, of zij wel geloven
2e Tegenwerping. Saltmarsh zegt: "Wij vinden niet, dat iemand, gedurende de gehele loop van de prediking van Christus of van de discipelen, de vraag stelde of hij wel geloofde of dat zijn geloof wel het ware geloof was. Het zou een kleinering van de gastheer zijn, onder het feestmaal te vragen of de lekkernijen echt zijn of slechts bedrieglijke voorstellingen. — Het middel, om zeker te zijn van de waarheid van goede dingen, is proeven en ondervinden: Eet, vrienden, drinkt, en word dronken, o Liefste."
Antwoord. Deze redenering sluit de gevolgtrekking in, dat geen heilige op aarde die zonde kan doen, van in twijfel te trekken of hij wel gelooft, omdat wij er niets van lezen, dat een van de hoorders van Christus of de apostelen het deed. Dit is een slechte gevolgtrekking, tenzij u zegt, dat al de verscheidene toestanden van ontroerde gewetens, in bijzondere voorbeelden, in het Nieuwe Testament opgetekend zijn, dat in strijd is met de ervaring van de heiligen.
Het is één zaak, te twijfelen aan de waarheid van de beloften, en een andere zaak, te twijfelen of mijn bevatting van de beloften waar of vals is. Het laatste is niet altijd zonde, want het zou kunnen zijn, dat ik een verkeerde bevatting heb van de waarheid, die in de belofte vervat is en dan wantrouw ik Christus’ lekkernijen niet, hetwelk ongeloof zou zijn, maar mijn eigen bedrogen inbeelding, dat zou kunnen blijken geloof te zijn en het ook waarlijk is; het eerste is ongeloof, het laatste niet.
Het is waar, dat proeven verzekering geeft van de waarheid van de goede dingen van de Heere, die in de beloften zijn ingesloten, doch dan kan een onbekeerde zondaar, die alle geestelijke zintuigen mist, onmogelijk de liefste of de vriend zijn, die Christus hier toespreekt. (Hoogl. 5:1.) Wij zeggen niet, dat een gelovige behoort te betwijfelen, dat hij het ware geloof heeft, maar omdat het bevel om te geloven voor de onbekeerde zowel als voor de bekeerde verplichtend is, zal de natuurlijke mens als een vriend en liefste eten, terwijl hij in de natuurstaat en onbekeerd blijft, en die natuurlijke mens zou dan niet moeten betwijfelen of zijn inbeelding geloof is, doch hij zou verplicht zijn te geloven, dat is, zich in beelden, dat zijn inbeelding geloof is?
Ik zie niet in, waarom de heiligen, wanneer hun geloof, evenals goud in het vuur, beproefd wordt, niet door de kracht van de verzoeking in hun geloof zouden kunnen geschud worden, zoals het Petrus overkwam, toen hij zijn Zaligmaker verloochende en Paulus, die (2 Kor. 1:8.) uitnemend zeer bezwaard was boven zijn macht, alzo, dat hij in twijfel was ook van het leven en het vonnis des doods in zich had, en die (2 Kor. 7:5.) in alles verdrukt was; van buiten was strijd en van binnen vrees, en die kinderen Gods, die met vrees bevangen kunnen worden, dat zij de Geest der dienstbaarheid wederom tot vrees, ontvangen hebben in plaats van de Geest der aanneming tot kinderen (Rom. 8:15) en dat zij zullen bezwijken in hun verdrukkingen en door vrees zullen overvallen worden, welke pijn heeft en buiten gedreven moet worden; (1 Joh. 4:18) die op het punt zijn van te bezwijken en te sterven (Openb. 3:2.) en lauw te worden; die ellendig, jammerlijk, arm, blind en naakt zijn en toch het tegenovergestelde van zichzelf geloven. (Openb. 3:16,17). Deze allen kunnen komen en komen ook dikwijls na de rechtvaardigmaking tot die lage geestelijke stand, dat zij denken en zeggen, dat alle mensen leugenaars zijn, dat hun geloof geen geloof is, dat zij zich van God verlaten en van Zijn aangezicht verworpen gevoelen en betwijfelen of zij wel ooit geloofd hebben. En waarom zou de apostel zeggen, dat de lijdzaamheid bevinding werkt en de bevinding hoop en dat de hoop niet beschaamt, (Rom. 5:4.) indien de bevinding, dat God mij ooit liefhad en dat ik ooit geloofde, in mijn dadelijk gevoel, niet kan weggenomen worden?
Het twijfelen van gelovigen bewijst niet, dat zij onder de wet zijn
Dit toch is de leer van de Famulisten, die leren, dat "noch duivel, noch zonde de ziel, na de openbaring van de Geest, weer kan doen twijfelen," en dat "in twijfel te trekken of God mijn lieve Vader is, na, of onder het begaan van enigerlei snode zonde, zoals bloedschande, moord, enz. bewijst, dat een mens nog onder het werkverbond is." Leiden zij ons niet, door hun leer, in een weg, die tot wanhoop voert, die met Saltmarsh zeggen, dat "wij niet vinden, dat iemand, gedurende de gehele loop van de prediking van Christus of van de discipelen, de vraag stelde of hij geloofde of niet, of dat zijn geloof het ware geloof was of niet?" Wat zullen dan duizenden rokende vlaswiekjes en gekrookte rietjes doen, die dikwijls deze vraag stellen en denken en zeggen: "Ach, ik heb geen geloof; mijn geloof is maar namaaksel!" En dan behoren, volgens deze wanhoopsleer, gelovigen vast te stellen: "ik ben niet onder de genade, maar onder de wet en onder het werkverbond en dus niet in Christus; ja, welke glans vroeger ook in mij geweest is, ik ben niet in de toestand van iemand, van wie wij in het Nieuwe Testament lezen, die onder het gehoor was van Christus en de apostelen"; want de vrijgeesten zeggen, dat ware gelovigen nooit twijfelen of hun geloof waar is of niet.
3e Tegenwerping. Saltmarsh zegt: "Wanneer iemand betwijfelt of hij gelooft of niet, dan trekt hij in twijfel of Christus, die de overste Leidsman en Voleinder des geloofs is, alleen voldoen kan." Wie is meer geschikt iemand aan te tonen, dat hij ziet, dan het Licht, dat hem verlicht?
Antwoord. Christus lost geen geschilpunt op, dat nooit iemand stelde. Saltmarsh denkt, dat gelovigen nooit twijfelen of hun geloof wel het ware geloof is. Dit is ene sterke wijze van geloven en die niet twijfelen, moeten zo sterk in het geloof zijn, dat zij alle verzoekingen te boven zijn. Doch dit zal blijken in te gaan tegen de bevinding van alle gelovigen. Het is zeker waar, dat niemand geloof kan werken dan de enige Schepper en Leidsman van het geloof. Maar mag de schrijver hieruit het besluit trekken, dat niemand, zelfs de goddelooste niet, noch iemand, die ooit Christus of Zijn apostelen hoorde prediken, aan zijn geloof twijfelde?
De zon kan, met al haar licht, geen blinde overreden, dat hij ziet. De gelovigen denken dikwijls, dat zij zien, wanneer zij niet zien en dat zij blind zijn, wanneer zij zien, dat de bevinding en de Schrift ons leren, (Openb. 3:16,17; Joh. 9:38,39).
4e Tegenwerping. Saltmarsh zegt: "Het geloof is waarlijk en eenvoudig dit, dat men meer of minder overreed is van de liefde van Christus. Daarom wordt het een geloven met het hart genoemd. Nu, welk onfeilbaar teken is er, om iemand te overreden, dat hij overreed is, wanneer hij de waarheid van zijn overreding in twijfel trekt? God alleen zal Jafet overreden. Wie kan de bruid grondiger en overtuigender overreden van de goedwilligheid van Hem, die zij liefheeft dan Hij zelf? Kunnen al de liefdetekens of de als getuigenis gebrachte ringen en armbanden het doen? Zij kunnen medewerken en behulpzaam zijn tot de openbaring, maar het is de stem van de Liefste, die de omwending werkt. De Bruid zegt: Mijn Liefste antwoordde en zeide tot mij: Sta op Mijn vriendin, Mijn schone, en kom."
Antwoord. Het mag waar zijn, dat het geloof in zekere zin een overreding is, doch dat het een overreding is, dat mijn geloof of mijn overreding waarheid is en geen schijn en dus wezenlijk, ontken ik ten sterkste. Hoe velen geloven in Christus en hebben Hem van harte lief, die daarvan niet overreed zijn, ja, die veelal twijfelen of zij met het hart geloven en die, als dat mogelijk was, een wereld zouden willen geven, om te weten, dat zij God in waarheid liefhebben. Geen godgeleerde, die weet, dat er een rechtstreekse geloofsdaad en een geloven is, waarin geen weeromstuitende daad is, kan dit ontkennen.
Heiligmaking is op zichzelf een onfeilbaar bewijs van rechtvaardigmaking, doch het is dat niet altijd voor ons
Nauwkeurig gesproken, worden argumenten of tekenen, actu secundo, niet onfeilbaar genoemd. Het Woord Gods is in zichzelf onfeilbaar, actu primo, doch voor Aristoteles is dit, dat er staat: "In het begin schiep God de hemel en de aarde," actu secundo, niet onfeilbaar; ook zijn de beloften: "Die gelooft zal zalig worden; klopt en u zal opengedaan worden; die overwint zal alles beërven", niet onfeilbaar, actu secundo, voor een gelovige, die erdoor geestelijke ongesteldheid aan twijfelt. Zo zijn de liefde tot de broederen, (1 Joh. 3:14) het bewaren van de geboden en het woord van Jezus, in zichzelf onfeilbare bewijzen, dat ik Christus zaligmakend ken en dat Hij in mij woont, (1 Joh. 2:3,5) doch dat zij dit, actu secundo onfeilbaar voor mij bewijzen, is niet zeker, tenzij er een zacht windje van de hemel waait en de Geest in mij werkt. Zo ook zijn de liefdetekenen en de getuigenisgevende ringen en armbanden van de Man, mijn liefde tot de heiligen, mijn bewaren van Zijn Woord, mijn heilige wandel in Christus, als de werken van Zijn Geest, die in Jezus Christus woont, in zichzelf, actu primo, onfeilbare tekenen van de liefde van de Bruidegom tot mij, zowel als het woord van de Liefste, Die antwoordde en zeide: "Sta op, Mijn liefste." Indien de leven gevende werken van de Geest niet gepaard gaan met de stem en de banden van de liefde, dan zijn zij evenmin krachtdadig om de ziel te overreden; aangezien toch Christus niet meer nagebootst is in Zijn liefdetekens dan in Zijn Woord, wanneer Hij als de Man spreekt. Ik zie niet in; waarom de werken van heiligmaking, meer dan de stem van de Liefste, hulpmiddelen van een lagere rang tot de openbaring moeten genoemd worden, daar toch beide zonder de Geest even krachteloos zijn, terwijl beide, wanneer de Geest medewerkt, en actu primo en secundo, krachtdadig zijn en onfeilbaar overreden. Het is maar een zwak argument: "Niemand dan God kan Jafet overreden," dus, alleen het woord van de Bruidegom kan onfeilbaar overreden, of, daarom kunnen liefde-tekenen niet onfeilbaar overreden. Het Woord op zichzelf toch kan zonder de levendmakende werking van de Geest van Jezus niet onfeilbaar overreden en de Heere Zijn overreden van Jafet is het werk van de Heere in Jafet te bekeren, niet Zijn verlichten van Jafet, waardoor hij weet, dat zijn geloof het ware geloof is. Daarom zeg ik, aangaande wat ons onfeilbaar overreedt, dat:
1. Tenzij de Geest met de daad van geloven meewerkt tot dadelijke verlichting en overreding, zal onze daad van geloven van zichzelf niet meer overreden, dat wij geloven, dan enige andere daad, zoals bijv. van Christus of Zijn heiligen lief te hebben, of een algemeen voornemen of een oprechtheid van het hart, om te gehoorzamen, ons bewijzen zal, dat wij geloven. Velen toch, die geloven, weten het niet, ja twijfelen, of zij wel geloven, omdat de Heilige Geest het licht van het geloof niet krachtdadig maakt tot overreding, dat zij waarlijk geloven.
Hoe de daden van heiligmaking bewijzen, dat wij geloven. De verzekering kan uit andere kenmerken voortvloeien, dan uit het onmiddellijk getuigenis van de Geest
2. Het getuigenis van de Heilige Geest is de krachtige en dadelijke verlichting en uitstraling van de Zon der gerechtigheid en van Zijn Geest, ons verzekerende, dat wij kinderen Gods zijn. Dit licht ontstaat uit inwendige werkingen van genade in ons; (1 Joh. 2:3-5 en 3:14) uit het getuigenis en de verheuging, welke uit een goed geweten voortkomen; (2 Kor. 1:12; 2 Tim. 4:6—8; 1 Tim. 6:17,18; Hebr. 13:18) uit de bevinding, welke zij hebben van de handelingen van de Heere met hun zielen en van de liefde van God, die in het hart uitgestort is door de Heilige Geest; (Rom. 5:3—5) uit een oprechte lust in, en eerbied voor al de geboden Gods; (Ps. 119:6, Hand. 24:16; 1 Joh. 3:20,21; 1 Thess. 5:23; Filip. 4:12; Openb. 22:14,15) uit de stellige merktekenen, welke Christus op Zijn kinderen zet, als kenmerken, dat zij welgelukzalig zijn; (Matth. 5:3—11; Ps. 119:1,2; Ps. 32:1,2) alsmede uit het oordeel, dat de heiligen over zichzelf en over hun begonnen gemeenschap met God hebben; (Ps. 73:25; Ps. 18:22—24; Ps. 26:3,4,8; Ps. 40:10,11; Job 31; Job 29; Jes. 38:3; Ps. 42:2,3; Ps. 63:2—5,9; Ps. 84:3—6; Ps. 119:30, 31, 40, 46, 50, 57, 60, 62, 63, 81, 82, 97, 98, 99, 101, 102, 111, 112, 125, 127, 128, 136, 139, 145, 148, 162, 164; Hoogl. 1:5; 11:4—6, 16; 3:1—5; 5:6—12). Al deze uitspraken waren maar een ijdele vertoning, indien zij er noch vrede, noch vertroosting, noch verzekering door ontvingen, zoals zij kenmerken en tekenen zijn, welke, onder de levendmakende, verlichtende en bestralende werking van de Heilige Geest, onfeilbaar overtuigen, dat zij, die deze eigenschappen in zich hebben, in een zaligmakende staat zijn. En eindelijk ontstaat dit licht uit een heilige wandel, waardoor de heiligen hun roeping en verkiezing vastmaken, niet voor God, maar voor zichzelf. (2 Petr. 1:10—12 en 5—7.)
Het inwendig getuigenis van de Geest. De Heilige Geest spreekt door kenmerken
3. Gelijk er in het oog lumen innatum, een zeker ingeschapen licht is, waardoor het oog licht en kleur van buiten ziet, en in het oor aer internus, een geluid en lucht van binnen is, waardoor het de geluiden van buiten kan onderscheiden, zo is er een genade, een nieuwe natuur, een hebbelijk instinct van de hemel in de begenadigde, om het onmiddellijk getuigenis van de Geest des Heeren te onderscheiden, dat hij een kind van God is. (Rom. 8:16; 1 Kor. 1:12) Genade van binnen kent het spreken van Christus, de stem van de Liefste, van buiten. Zo kent het lam, door een inwendig instinct, zijn moeder; doch om het instinct op te wekken en levendig te maken, om dit te bevatten, is het nodig, dat het oog geopend en de moeder binnen het bereik van het gezicht is, of dat een opmerkzaam oor het blaten van de moeder hoort, want in de slaap kan het instinct niet werken. Indien de Geest spreekt en de stem, die achter is, gehoord wordt, weet de ziel welk geluid zij hoort, doch anders niet. Het is maar muggenzifterij, de klaarblijkelijkheid door kenmerken en tekenen van heiligmaking te vergelijken bij die klaarblijkelijkheid, welke uit de onmiddellijke stem of het getuigenis van de Geest ontstaat, alsof de eerste minder zeker, feilbaar en slechts gissend zou zijn, en de laatste onfeilbaar, zeker en krachtdadig overtuigende. Beide klaarblijkelijkheden zijn bovennatuurlijk, zeker, goddelijk en krachtig overtuigend; indien er enige misvatting uit voortvloeit, is het wegens de botheid van onze bevatting, of van onze verbeelding, welke zich inbeeldt, dat wij zien, wat wij niet zien, of van ons ongeloof, dat niet wil overtuigd worden. De Heilige Geest spreekt hetzelfde door Zijne genadewerkingen in een heilige wandel, wat Hij spreekt door het gepredikte Woord, of door het Woord, waardoor de stem van de Geest onmiddellijk getuigt met onze geest; er is hetzelfde gezag in de openbaring aan ons van iets, dat verborgen is, en in dezelfde zaak, zoals die geopenbaard is. Het kan zijn, dat er een onderscheid in trappen is van het licht en de goddelijke uitlating, of dat de één een diepere indruk van God in de ziel geeft dan de andere, ook kan de uitstraling van licht in het onderwerp in de ene krachtiger zijn dan in de andere, maar in zichzelf zijn beide onfeilbaar, bovennatuurlijk en overtuigend.
Hoe de Antinomianen de klaarblijkelijkheid uit de kenmerken en uit het geloof met elkaar vergelijken
Het is twijfelachtig, welke van deze twee klaarblijkelijkheden het meest vrij is en het meeste heeft van de natuur van genade. De Antinomianen stellen, dat een klaarblijkelijkheid door de kenmerken in ons, meer zelfzoekend en minder vrij is, en meer heeft van een zoeken van verzekering in onszelf, dan die klaarblijkelijkheid, welke het gevolg is van het onmiddellijk getuigenis van de Geest. Doch de grond, waarop zij bouwen is verkeerd, dus is de bovenbouw minder vast. Wanneer het een zaak was van geven en ontvangen, of van loon en werk, dan was het nog iets, maar het is een zaak van blote kennis, dat God ons onze toestand in de ene weg openbaart, en niet in een andere. Het kan zijn, dat een zaak vrijer is, naarmate zij meer uiterlijk, meer onmiddellijk, en verder van een voorwaarde, zelfs van genade af is; evenals de verkiezing tot heerlijkheid, het betalen van het rantsoen van Christus’ bloed, of de daad van verzoening ten hoogste vrij zijn, want zij vereisen zelfs niet de voorwaarde van het geloof, welke de vrije genade van God werkt; doch rechtvaardigmaking, zeggen onze Godgeleerden, vereist geloof als een voorwaarde.
Trappen van de vrijheid van de genade
God is hier vrij in het stellen van enigerlei verbintenis of verplichting tot een voorwaarde, en het heeft de schijn wel, alsof het onmiddellijk getuigenis van de Geest vrijer is dan de klaarblijkelijkheid uit inwendige kentekenen; zo schijnt de wind vrijer te zijn in zijn beweging, omdat hij in het ene uur niet meer door vastgestelde oorzaken beperkt wordt dan in het andere uur. De zee echter in haar ebben en vloeien en de zon in haar op- en ondergaan zijn meer aan gezette tijden en aan een voorwaarde van natuurlijke oorzaken gebonden, doch deze alle nemen niets weg van de vrijheid van God, de Schepper, in Zijn medewerking met deze oorzaken, terwijl ook die voorwaarden, welke onwederstandelijk door de genade van God in ons gewerkt worden, die onafhankelijke, soevereine en hoge vrijheid van de genade niet binden, waardoor wij niet minder om niet gerechtvaardigd en gezaligd worden, dan wij er met dezelfde vrijheid door uitverkoren zijn tot heerlijkheid, en er zonder prijs en zonder geld door verlost worden.
De Antinomiaanse ontkenning van een voorbereiding moet Pelagiaans zijn
Ik wil dit slechts aan de vrijgeesten herinneren, die ontkennen, dat de rechtvaardigmaking en het verbond der genade en der zaligheid, enigerlei door genade gewerkte voorwaarden in ons vereisen, omdat die, volgens hun zeggen, de vrijheid van de genade zou verdonkeren, en dat allen, die in de zichtbare Kerk zijn, zonder enigerlei voorbereidingen, de zaligheid en de vergeving van de zonden aan hen in het bijzonder onmiddellijk moeten geloven. Doch ik hoop, dat het geloof een werk van vrije genade is, dat bekering en een nieuw hart als een wezenlijke voorwaarde moet vooronderstellen, anders moeten zij met de Pelagianen zeggen, dat allen uit de beginselen van de natuur moeten geloven; hetwelk veel meer de vrijheid van de genade Gods, welke het geloof in ons werkt, verdonkert, dan alle voorwaarden uit genade, welke wij beschouwen als ondergeschikt te zijn aan, en niet in strijd met de vrijheid van de genade.
5e Tegenwerping. Verder zegt Saltmarsh: "Wij behoren te geloven, totdat wij overreed zijn, dat wij geloven. (Ef. 1:13) "In welke gij ook, nadat gij geloofd hebt, zijt verzegeld geworden". Willen wij warm worden, dan moeten wij niet alleen om vuur vragen, of onderzoeken of er vuur is of niet, of onze handen een weinigje naar het vuur uitstrekken en dan weglopen met de begeerte naar een groter vuur, maar wij moeten dicht bij het vuur gaan staan, om warm te worden."
Het groot-zegel van de Geest sluit niet alle twijfeling uit
Antwoord. Dat het geloof een overredende kracht heeft, daaraan twijfel ik niet, maar het verzegelt niet zodanig, gelijk de Antinomianen leren, met het groot en breed zegel van de hemel, dat alle twijfel uitgesloten is; trouwens dit bewijst de bijgebrachte plaats ook niet. Zij, die zulke sterke vleugelen hebben, dat zij zich daarmee boven alle twijfelingen kunnen verheffen, hebben Christus’ voorbidding niet nodig, dat hun geloof niet ophoude; dat zijn zij te boven, en zij zijn boven de sfeer, waarin zij alles aan genade verschuldigd zijn. Zij behoeven niet te bidden: "Leid ons niet in verzoeking". Zij behoeven de zwakken, die overvallen zijn, die onverhoeds een mispas doen en struikelen, niet met de geest van de zachtmoedigheid te dragen, ziende op zichzelf, opdat ook zij niet verzocht worden. Het geloof van de sterkste is niet als de volle maan of onvatbaar om te wassen. Zij behoeven genade de eer niet te geven voor de, door een geloof dat alle twijfelingen te boven is, behaalde overwinning. Ook behoeven zij Christus niet te bidden om vermeerdering van hun geloof. Oordeelt dan zelf over de vrijgeesten, die over een breed zegel van volmaakte verzekering praten en zeggen, dat er geen ware en rechte verzekering is, tenzij die zonder vrees en twijfel is.
Zich bij een geschilderd vuur te warmen, want dat is de onmiddellijke openbaring van Christus aan een onbekeerde zondaar, die nooit vernederd was of aan zichzelf wanhoopte, hetwelk het dode geloof van de vrijgeesten is, is niet de weg om warm te worden. Wij moeten niet in Christus geloven dan in Zijn eigen weg en overeenkomstig Zijne eigen orde, daarom is het veilig in twijfel te trekken, of zo’n geschilderd vuur vuur is, ook moeten wij niet met dit geloven voortgaan, totdat wij overreed zijn, dat wij geloven. Waarlijk, dit is geen Evangelie-verborgenheid.
Wanneer de vrijgeesten zeggen, dat het onmogelijk is te geloven, wanneer wij niet aan onszelf wanhopen, dan antwoord ik: "Dat geloof ik ook", doch dan moet daaruit volgen, dat de vrijgeesten bedriegen en bedrogen zijn, wanneer zij leren, dat zondaren als zondaren geloven moeten, omdat het getal van de zondaren, die aan de zaligheid bij zichzelf wanhopen, kleiner is dan van hen, die zondaren als zondaren zijn. Zondaren als zondaren omvat Farizeeën en alle zekere en boze slaven van de hel, maar bij zondaren, die bij zichzelf wanhopen, zijn zulken niet ingesloten, veel minder zijn alle zondaren daaronder begrepen, want het zijn alleen zulke zondaren, die half ziek zijn, die van ver met een half oog op Jezus Christus zien, die Jezus Christus niet volkomen durven toe-eigenen. De trotse Farizeeën wanhopen niet aan de zaligheid door zichzelf, dan toch zouden zij in zoverre geen trotse Farizeeën zijn. Nu leren ons de vrijgeesten, dat Farizeeën, terwijl zij Farizeeën blijven, zonder enige voorafgaande voorbereidingen onmiddellijk in Christus moeten geloven, waar zij zeggen: "Wanhoop aan zichzelf is een wezenlijk deel van het geloof, niet een voorafgaande voorbereiding tot het geloof." Hierin dwalen zij. Judas en Kaïn wanhopen aan de zaligheid zowel door zichzelf als door Christus, en toch hebben zij in het minst geen deel aan het zaligmakend geloof; ook kunnen zij geen wezenlijk zaligmakend geloof deelachtig zijn, noch tot Christus komen en in Hem geloven, die niet eerst door de wet tot kennis van de zonde zijn gebracht, zodat hun mond gestopt is en zij weten, dat de wet hen niet kan rechtvaardigen noch zalig maken. (Rom. 3:19—21). Dit stemmen Mr. Eaton en de Antinomianen, die geen blote Famulisten zijn, en die geen geestdrijvers zijn, welke de gehele Schrift verwerpen, ook toe. Nu, dan is het onmogelijk, dat iemand geloven kan, zonder dat er enige voorbereidingen zijn voorafgegaan. Aangezien nu alle zondaren als zondaren zo’n voorbereiding niet hebben, moeten ook alle zondaren als zondaren niet zo maar in Christus, de Heelmeester van de zielen, geloven, maar alleen de zodanigen, die eerst volgens Christus’ orde zijn beploegd, voordat Christus Zijn zaad in hen werpt, en die zichzelf veroordelen, voordat zij in Christus geloven.
6e Tegenwerping. Saltmarsch zegt: "Wij behoren niet meer te twijfelen aan ons geloof dan aan Christus, het Fondament van ons geloof, want de zaligheid van de ziel in het bijzonder wordt door ongeloof vernietigd; ‘zij konden niet ingaan, vanwege hun ongeloof; het Woord deed hun geen nut, omdat het met het geloof niet gemengd was.’"
Antwoord. Wij kunnen niet meer aan Christus twijfelen dan wij kunnen betwijfelen of God God is, doch wij kunnen met de Bereeën de leer van Paulus onderzoeken; wij mogen ons geloof beproeven of het goed is. Indien sommigen hun vals geld wilden schoonmaken en het laten toetsen, dan zou het blijken van verkeerde grondstof gemaakt te zijn.
Twijfel aan de waarheid van ons geloof is niet dat ongeloof, dat ons van de hemelse rust uitsluit
Het ongeloof, dat in de zwakgelovigen is, die aan hun geloof twijfelen, vernietigt hun zaligheid niet en sluit hen niet buiten het Heilige Land. Zij zijn wreed over gekrookte rietjes, die hen buiten de hemel sluiten, omdat zij in hun ongestalten, waarin zij verkeerd oordelen, zichzelf buiten sluiten. Wanneer Christus even wreed was over een zwakgelovige, die krank is van mistrouwen, als die over zichzelf is, wie zou dan zalig worden? Doch een gelovige, die, verkeerd onderricht zijnde, zonder grond twijfelt, mag zich beroepen op de zachtmoedige Jezus, Die goed onderricht zijnde, terecht oordeelt, dat een gekrookt rietje een riet en dat een zieke gelovige een gelovige en dat een bezwijkend geloof een geloof is, dat de ziel naar de hemel zal voeren. Een zwak rijpaard zal, als het meer vurig is, een grote reis ten einde kunnen brengen.
7e Tegenwerping. Saltmarsch zegt: "De Satan zet ons hier geheel achteruit; wij trachten ons geloof te bewijzen uit onze werken, terwijl alleen uit ons geloof te bewijzen is, dat onze werken wezenlijk goed zijn; want zonder geloof is het onmogelijk Gode te behagen. Wij weten, dat het beeld en het opschrift een geldstuk zijn waarde geeft; wanneer de keizer er niet op staat, is het geen geld, al is het zilver, dan is het niet gangbaar; zo is ook niet de minste heiligmaking gangbaar en van wezenlijk praktisch nut en tot vertroosting van een gelovige, indien Christus er niet opstaat." Crispe zegt: "Heiligmaking en goede werken zijn betwistbare gronden van ons geloof " Dit grenst aan wat de vrijgeesten zeggen, dat "het een fundamentele en ziel-verdoemende dwaling is, heiligmaking tot een kenmerk van rechtvaardigmaking te stellen; en, dat de genadewerken van Christus niet meer een huichelaar van een heilige onderscheiden dan de regen, die van de hemel valt, onderscheid maakt tussen de rechtvaardige en de onrechtvaardige; en, dat de Geest zo’n volledig bewijs geeft, dat mijn geestelijke staat goed is, dat het niet nodig is zich aan de vruchten van heiligmaking te beproeven; dit zou zijn, een kaars aansteken, om de zon te verlichten.
Dat wij de rechtvaardigmaking uit de heiligmaking kunnen weten, bewezen
Antwoord. Wat de Geest Gods een zaligmakende kennis noemt, (1 Joh. 3:14; 1 Joh. 2:3—5) dat noemen de vrijgeesten een list van de Satan, welke ons weer terugvoert, en een zielverdoemende dwaling, (1 Joh. 3:10). "Hierin zijn de kinderen Gods en de kinderen van de duivel openbaar. Een ieder, die de rechtvaardigheid niet doet, die is niet uit God en die zijn broeder niet liefheeft." Dit is een ander onderscheid dan de regen kan maken tussen de rechtvaardige en de onrechtvaardige. (1 Joh. 5:8). "En drie zijn er, die getuigen op de aarde, de Geest en het water en het bloed; en die drie zijn tot één." En dat wij kunnen weten, dat de Geest in ons is, blijkt uit 1 Joh. 4:12,13 "Niemand heeft ooit God aanschouwd. Indien wij elkaar liefhebben, zo blijft God in ons, en Zijn liefde is in ons volmaakt. Hieraan kennen wij, dat wij in Hem blijven en Hij in ons, omdat Hij ons van Zijn Geest gegeven heeft." Nu, (1 Joh. 3:3) een ieder, die deze hoop op Hem heeft, die reinigt zichzelf, gelijk Hij rein is. (Rom. 8:1). Zo is er dan nu geen verdoemenis voor degenen, die in Christus Jezus zijn, die niet naar het vlees wandelen, maar naar de Geest. (2 Kor. 7:1). "Omdat wij dan deze beloften hebben, geliefden, laat ons onszelf reinigen van alle besmetting des vleses en des geestes, voleindigende de heiligmaking in de vrees Gods" Daaruit redeneren wij aldus: "Wie naar de Geest wandelt, moet zijn Gids kennen, die de kinderen Gods leidt, en wie zichzelf reinigt en zijn broeder liefheeft en de heiligmaking voleindigt in de vreze Gods, die moet weten, dat hij dat doet; die nu zo wandelt weet, dat hij in Christus is, dat hij bevrijd is van de verdoemenis en dat God in hem blijft, want de Schrift zegt uitdrukkelijk, dat hij, die heilig is, weten kan, dat hij daartoe uitverkoren is, opdat hij heilig zijn zou. (Ef. 1:4). Nu, wie zal beschuldiging inbrengen tegen de uitverkorenen van God? God is het, Die rechtvaardig maakt. (Rom. 8:33). Hij, die het beeld van Zijn Zoon gelijkvormig is en die geroepen is, kan weten, dat hij daartoe verordineerd is en verheerlijkt zal worden. (Rom. 8:29, 30). Nu tracht Crispe te bewijzen, dat de zaken, die gewoonlijk voor kenmerken en onfeilbare tekenen van de rechtvaardigmaking en een deelhebben aan Christus doorgaan, zoals algemene gehoorzaamheid, oprechtheid en liefde tot de broederen, of in haar volkomenheid in niemand gevonden worden, of aan goede en kwaden, aan huichelaars en heiligen gemeenschappelijk, en dus geen onfeilbare kenmerken zijn; juist, zoals het vallen van de regen en het schijnen van de zon geen onderscheid maken tussen rechtvaardigen en onrechtvaardigen, omdat beiden evenveel de regen en de zon deelachtig zijn. Wat nu de eerste reden betreft: het geloof en het licht ervan zijn onvolmaakt, vatbaar voor vermeerdering en als zodanig met zonde bevlekt; maar is nu deze reden van kracht, dan kan het geloof geen verzekering geven, dat niet volgens de stelling van de vrijgeesten is. De andere reden is het zeggen van de Papisten, die ons leren aan onze zaligheid te twijfelen, omdat het hart van de mensen zo bedrieglijk, arglistig, verdraaid en vol schuilhoeken is, dat hij, met enige goddelijke zekerheid, geen onfeilbaar oordeel over zichzelf of zijn geestelijke staat kan vellen.
Werken, die in het geloof gedaan zijn, zijn geen twijfelachtige blijken van de rechtvaardigmaking
Doch is er niet zoveel duisterheid, blindheid en nacht in ons hart, dat wij, in het erkennen van het licht van het inwendig getuigenis van de Geest, dat zij het grootzegel van de hemel noemen, ons daarin evengoed kunnen bedriegen, als in het licht, dat het gevolg is van de kenmerken van onze heiligmaking? Er is evenveel duisternis en niet minder zinsbegoocheling in de witte geesten, de daglicht-geesten en engelen van geestdrijverij, en van de stomme Schriftloze ingevingen als in de zwarte geesten. Meent niet, dat wij de wegen van heiligmaking slapende bewandelen, of dat de Geest de heiligmaking in de heiligen voleindigt als in een droom en, dat wij als krankzinnigen door inbeelding geleid worden. Zullen de heiligen, wanneer zij voor de Heere getuigenis afleggen van hun oprechte begeerten en ongeveinsde voornemens, al zijn zij met grote zwakheid vermengd, hun oprechtheid en de blijdschap van een goed geweten aan de Heere voorleggen, evenals Paulus, de apostelen, Petrus, Johannes en Jakobus, met een: "Heere, Gij weet, dat ik U liefheb"; zullen David, die begeerde, dat God hem wilde beproeven, en Job, Hiskia, Jeremia, Daniël en anderen, hun gissingen, inbeeldingen en zulke door de mot verteerde en verrotte kenmerken van hun rechtvaardigmaking aan God voorstellen, die, volgens Crispe en anderen, ook in Farizeeën, Papisten, huichelaars, bloedige verdrukkers, vleselijk Joden, die de gerechtigheid van de wet najagen, tollenaars, heidenen, hoeren en allerlei goddeloze sekten waren? Want dat zegt Crispe: "Deze allen hebben uw kenmerken van heiligmaking, zoals: algemene gehoorzaamheid, oprechtheid, ijver voor God en liefde tot de broederen." Zacharias en Elizabeth waren rechtvaardig voor God, wandelende in alle geboden en rechten des Heeren, onberispelijk. (Luk. 1:6) Was dit nu zo’n rechtvaardigheid, waarvan de Heilige Geest getuigenis geeft, als in Paulus, de vervolger, in de heidenen, in de Farizeeën en in de vleselijke Joden was? Ik stem toe, dat het niet de rechtvaardigheid Gods door het geloof was, nochtans was het een vrucht en een onfeilbaar teken van die rechtvaardigheid, welke hun een bewijs was, dat zij in Christus waren. Alle daden van heiligmaking zijn voor mijn ziel geen daden, geen onfeilbare kenmerken van rechtvaardigmaking, tenzij zij in het geloof gedaan zijn, want zonder geloof zijn zij zonde. (Rom. 14:23) Bevind ik echter, dat zij in het geloof gedaan zijn, dan verhogen zij de trap van klaarblijkelijkheid en zekerheid, als bewijzen, dat ik zaligmakend in Christus geloof en deel aan Hem heb, als de Heere, mijn gerechtigheid, (Jer. 23:6) want dat is Zijn Naam. Deze reden stelt dus vast, dat het onwettig is enigerlei grond van verzekering in de heiligmaking te zoeken, of wij zouden met de Papisten aldus in een cirkel moeten redeneren: "Hoe weet u, dat uw werken tekenen van de rechtvaardigmaking zijn? Omdat zij het stempel van het geloof dragen. En hoe weet u, dat uw rechtvaardigmaking en uw geloof niet nagemaakt zijn? Uit mijn werken."
De werken kunnen het geloof bewijzen, en het geloof, dat de werken in Christus gedaan zijn
Doch ik loop niet met de Papisten in een cirkel, als ik stel, dat, naar mijn gevoelen en geestelijk oordeel, de werken klaarblijkelijkheid en licht aan het geloof kunnen toevoegen en dat ook doen, en dat het geloof klaarblijkelijkheid en licht aan de werken toevoegt, aangezien ik de oorzaak uit het gevolg en het gevolg uit de oorzaak bewijs, in het bijzonder onder verlating, zonder in de fout te vervallen van in het rond te redeneren; doch de Papisten geloven, dat de Schrift het Woord Gods is, omdat de Kerk het zegt, anders zou het hun niet meer Gods Woord zijn dan de Turkse Alkoran, en zij geloven, dat de Kerk zegt, dat de Schrift Gods Woord is, omdat de Schrift zegt, dat de Kerk het zegt.
Dit is in het geheel geen bewijs en een ijdele gevolgtrekking, te zeggen, dat het zonder geloof onmogelijk is Gode te behagen en dat zonder geloof van geen werk kan bewezen worden, dat het een werk Gods is, dus, dat daaruit volgt, dat wij uit de goede werken niet kunnen bewijzen, dat het geloof echt is. Saltmarsh kan hieruit niet logisch redeneren; uit dit voorgaande volgt niets dan: "dus, wij kunnen uit huichelachtige werken, die zonder geloof gedaan zijn, niet bewijzen, dat ons geloof het ware geloof is’, valeat totum, de gevolgtrekking is niet tegen ons. Wij erkennen, dat goede werken, die het stempel en het beeld van het geloof niet dragen, geen goede werken zijn; doch indien zij dit stempel dragen, gelijk wij in dit geschil vooronderstellen, dan volgt daaruit zeer wel, dat wij, omdat de werken voor ons duidelijker waarneembaar zijn dan het geloof, uit onze werken ons geloof kunnen weten. Het kan zijn, dat een gelovige, die werken doet in het geloof en uit een tere liefde tot Christus en in een oprecht gevoel van zijn schuld, onwetend is, dat hij die in het geloof doet; doch een vurige kool van liefde tot Christus, welke in de ziel smeult en een oprecht gevoel van de schuld van de liefde, welke hem aandrijft, zodat hij door de hel zou willen waden om Christus te behagen, zijn gewoonlijk beter waar te nemen dan het geloof en doen ons weten, dat, waar die zijn, ook geloof is.
Ook zijn onze, uit twistziekte voortvloeiende en betwistbare kenmerken, behalve wanneer onze duisternis geschillen opwerpt, niet meer betwistbaar dan het Evangelie zelf, want mensen, van welken de zinnen verdorven zijn, verwekken twijfelingen aan het Evangelie en zwakgelovigen redeneren soms zichzelf buiten het geloof, buiten Christus, buiten toegerekende gerechtigheid, verkiezing van de genade en krachtdadige roeping, welke toch geen betwistbare punten zijn, terwijl zij zeggen, dat het getuigenis van de Geest zowel als het getuigenis van het Evangelie, in zichzelf, zo licht en klaar zijn als het licht van de zon. Nochtans hebben wij, als bewijzen voor ons geloof en tot onze vrede, naar zulke kenmerken te zoeken, die de Heilige Geest tot merktekenen van de weg naar de hemel gesteld heeft, als 1 Joh. 3:14 e.a., doch wij merken deze kenmerken aan als ondersteunende pilaren en behulpsels, welke een goddelijke en bovennatuurlijke zekerheid verschaffen, hoewel zij ons zonder de invloed van de Geest geen helder licht geven; maar ons geloof rust op het getuigenis van de Geest, Die met onze geest getuigt. Dit nu is niet een kaars bijbrengen om de zon te verlichten, maar dit is het licht van bovennatuurlijke gewaarwording toe te voegen aan het licht van het geloof. Anders konden zij evengoed zeggen, dat het bevestigend getuigenis, dat door de Sacramenten tot ons bewustzijn komt, iets toevoegt aan het Woord, dat een licht, ja, een zonlicht voor onze ogen is; maar het zou farizees zijn, indien wij er op vertrouwden als oorzaken van onze rechtvaardigmaking. Goddelijke beweegredenen en ondersteunende gronden kunnen, al zijn zij in zichzelf met zondige onvolmaaktheden vermengd, door goddelijke instelling, als bevestigende gronden en tot hulp van ons geloof en onze blijdschap dienen, wat de Schrift bevestigt, zoals uit onze aanhalingen blijkt.
De vraag, "of een mens zijn rechtvaardigmaking uit zijn heiligmaking mag bewijzen," die F. Cornewell stelt, zal ik niet aanmerken, als afkomstig van die geleerde en godvruchtige godgeleerde, Mr. Cotton. Dan toch had hij er aan moeten toevoegen, of iemand voor zichzelf en voor zijn eigen geweten zijn rechtvaardigmaking uit zijn heiligmaking kan bewijzen, want dat men dit gissend ten opzichte van anderen doen mag, betwijfelt niemand.
Hoe heiligmaking de rechtvaardigmaking bewijst
De vraag is verkeerd gesteld, alsof heiligmaking formeel de rechtvaardigmaking zou kunnen bewijzen, evenals de rechtvaardigmaking in het afgetrokkene en het geloof in zijn dadelijke werking. Het is tegenover de Antinomianen voldoende, indien de heiligmaking voor de persoon een bewijs is, dat hij in de staat van de rechtvaardigmaking is en dat hij geloof heeft om Christus’ gerechtigheid aan te grijpen, wanneer hij heerlijkheid ziet in de heiligen en in hen al zijn lust is. Heiligmaking bewijst de rechtvaardigmaking niet, gelijk de vrijgeesten het willen voorstellen, op dezelfde wijze als het geloof, met eenzelfde soort klaarheid als waarmee het licht de kleuren doet zien, die het dadelijk zichtbaar maakt; ook is het licht geen teken of klaar bewijs van de kleuren. Liefde en werken van heiligmaking bewijzen niet zodanig de rechtvaardigmaking, alsof de rechtvaardigmaking het voorwerp van de goede werken zou zijn. In die zin bewijst het geloof de rechtvaardigmaking, doch de heiligmaking is een bewijs, dat de ziel in wie heiligmaking is, gerechtvaardigd is, al maakt zij de rechtvaardigmaking niet daadwerkelijk zichtbaar voor de ziel, gelijk het licht de kleuren dadelijk zichtbaar maakt, of gelijk het geloof, bij Geesteslicht, de rechtvaardigmaking zichtbaar maakt. Evenals rook bewijst dat daar, waar rook is, ook vuur is, al maakt de rook het vuur niet zichtbaar; en het slaan van de pols bewijst, dat er leven is, hoewel de persoon in zwijm ligt en geen andere bewijzen van leven zichtbaar zijn; en de morgenster in het oosten, wanneer het nog duister is, een bewijs is, dat de zon spoedig zal opgaan, al maakt zij die niet zichtbaar; en de beken bewijzen, dat er een bron is, waaruit die beken ontstaan, hoewel zij niet aantonen in welk gedeelte van de aarde de oorsprong van de bron is, zodat zij die zou zichtbaar maken; zo ook alleen bewijst heiligmaking rechtvaardigmaking, gelijk de kenmerken, tekenen en door genade gewerkte gevolgen de oorzaak bewijzen. Wanneer ik bevind, dat er liefde tot God in mij is en een bekommering, om God in alles te behagen, en ik mag door het weeromstuitend licht van de Geest weten, dat dit zo is, dan weet ik daaruit, dat er geloof in mij is en dat ik deel heb aan de rechtvaardigmaking. Al gevoel ik op dezelfde tijd de werking van het geloof niet, dan is nochtans het gevoel en het kenmerk een getuigenis van de oorzaak. Evenals de levensverrichtingen, eten, drinken en wandelen mij de verzekering geven, dat ik het natuurlijke leven bezit, zo ook bewijzen de levenswerkingen van het geloofsleven uit de kenmerken en gevolgen, dat de oorzaak en de fontein aanwezig zijn. Het is echter noodzakelijk, dat ik de oorzaak ken bij hetzelfde licht, waardoor ik het gevolg ken, omdat dit maar een licht van overreding en van hemelse redeneerkunde is, waardoor wij, bij het licht van de overreding van de Geestes, weten, dat wij door het licht van het geloof God kennen, omdat wij Zijn geboden bewaren, en zo weten wij, overredenderwijze, door goddelijke redeneerkunde, dat wij uit de dood in het leven zijn overgegaan, omdat wij de broederen liefhebben. Wij weten inderdaad van horen zeggen, bij gerucht en door gevolgtrekking, dat de persoon, in wie deze genadeblijken zijn, gerechtvaardigd moet zijn en zo kennen of zien wij de rechtvaardigmaking in het afgetrokkene, of het geloof zelf; doch het licht van het geloof, het getuigenis van de Geest, zal ons, door de werking van vrije genade, de rechtvaardigmaking en het geloof, niet bij gerucht, maar, als het ware, met onze ogen doen zien, evenals wij het zonlicht aanschouwen.
Nog een derde zaak is in het punt van geschil verkeerd gesteld, welke nooit een Protestants godgeleerde, waaronder ik de Arminianen en Socianen niet reken, stelde, "dat de heiligmaking een oorzaak van de rechtvaardigmaking is", daar zij een gevolg is, en "dat algemene heiligmaking, welke de rechtvaardigmaking en de vereniging met Christus voorafgaat en waarin alle gevoel van onze behoefte aan Christus gemist wordt, een duidelijk kenmerk van de rechtvaardigmaking is" Indien Mr. Cornewell droomt, dat wij de voorbereidingen voor de bekering zodanig verheffen, als hij schijnt te doen, blijkens zijn redeneringen tegen de genadige voorwaarden in de ziel voor het geloof, kent hij ons gevoelen niet, en weerlegt hij, evenals andere Antinomianen, hij weet zelf niet wat.
Wij hadden nooit een geschil met de Antinomianen over de eerste verzekering van de rechtvaardigmaking, zoals die aan het licht van het geloof eigen is. Hij kon al zijn argumenten gespaard hebben, waarmee hij bewijst, dat wij eerst van onze rechtvaardigmaking verzekerd zijn door het geloof en niet door onze goede werken, want wij stemmen de bewijsgronden van een soort verzekering, welke aan het geloof eigen is, toe; doch die bewijzen niets tegen een andere soort verzekering uit de kenmerken en gevolgen, welke ook goddelijk is.
Hoeveel de vrede uit de rechtvaardigmaking van die uit de heiligmaking verschilt. Verzekerd te zijn van rechtvaardigheid en te weten, dat wij in die staat zijn, zijn twee onderscheiden zaken
Voor de Antinomianen zijn door het geloof gerechtvaardigd te worden; "tot het bewustzijn en de kennis van onze rechtvaardigmaking te komen, (welke, of, zoals sommigen zeggen, van eeuwigheid is, of, zoals anderen zeggen, van dat Christus aan het kruis stierf, of, zoals een derde soort droomt, van dat wij het leven in de baarmoeder ontvingen) en van onze rechtvaardigmaking verzekerd te zijn alle één zaak." Zo zou "uit het geloof gerechtvaardigd te zijn," eigenlijk zijn, "uit de werken gerechtvaardigd te zijn, waarvan zij zeer goed weten, dat niemand er verder vanaf zijn kan, dat te stellen, dan wij." Doch zij moesten in het oog houden, dat de vrede en vertroosting, welke de heiligen uit hun heilige wandel deelachtig zijn, een geheel andere vrede is dan die, welke het natuurlijk gevolg van de rechtvaardigmaking is, waarvan Paulus in Rom. 5:1 zegt: "Wij dan gerechtvaardigd zijnde uit het geloof hebben vrede bij God door onze Heere Jezus Christus;" tenminste, indien het al dezelfde vrede is, komt hij niet langs één en dezelfde weg. De vrede toch, die de vrucht van de rechtvaardigmaking is, is een vrede in het hof van God, evenals de vrede, die een bankroetier ia het gerechtshof heeft, wanneer hij weet, dat zijn borg zijn schulden betaald heeft; hij durft de gerechtigheid zonder vrees in het aangezicht zien, verzekerd zijnde, dat zij niet meer tegen hem is, dat de staat van vijandschap tegen God opgeheven is en dat alle zonden om niet vergeven zijn. Doch de vrede, die uit onze heilige wandel voortvloeit, is een vrede in het hof van het geweten, door bewustzijn van oprechtheid en van een eerlijke wandel; hij is op een heilige wandel, als op een hulpmiddel, gegrond en indien er niet enig vertrouwen was, dat de zondigheid van deze werken om niet vergeven is, zou er maar weinig vrede zijn. De eerstgenoemde vrede ontstaat onmiddellijk uit de vergeving, want dat is de ware oorzaak van vrede, de laatstgenoemde uit de kenmerken, welke met de vergeving gepaard gaan en deze is alleen vrede, omdat hij een noodzakelijke betrekking op de vergeving heeft en in de een of andere belofte Gods besloten ligt, en niet zoals hij een werk van ons is. Zo is het hongeren naar Christus, aangezien het geen grond van de vergeving is, niet de grond van de vrede, die uit de vergeving ontstaat; nochtans is het de grond van een troostelijk woord van belofte: "Zalig zijn zij, die hongeren en dorsten naar de gerechtigheid, want zij zullen verzadigd worden." Hetzelfde zeg ik van de verzekering, vertroosting en blijdschap, welke uit een heilige wandel en uit het rechtvaardigmakend geloof ontstaan; nooit zetten wij de goede werken op zo’n verheven plaats, dat wij daaraan dezelfde gevolgen toeschrijven als aan het geloof in Christus.
Mr. Cornwell bewijst; wat geen punt in kwestie is
Dan doet Mr. Cornwell vergeefse arbeid met te bewijzen, "dat God ons niet eerst rechtvaardig verklaart op het gezicht en de blijken van onze heiligmaking, welke een gerechtigheid van onszelf is"; want ons rechtvaardig te verklaren is ons te rechtvaardigen. Kan nu Mr. Cornewell één Protestantse godgeleerde noemen, die leert, dat God ons, eerst of laatst, rechtvaardigt om onze inhangende heiligmaking?
Mr. Cornewell verwart de blijken en de verzekering van rechtvaardigmaking met elkaar, alsof die één en hetzelfde zijn. Vele heiligen hebben verzekering van hun rechtvaardigmaking, in zoverre als zij met verzekering gerechtvaardigd zijn, die toch veel aan hun staat twijfelen, wegens gemis van blijken; evenals er velen zijn, die geloven en toch veeltijds twijfelen of zij geloven. Daarom kan uit de bewijsgrond, waarmee men bewijst, dat Abraham verzekerd was van zijn rechtvaardigmaking, (Rom. 4) nog niet vastgesteld worden, dat Abraham geen goddelijke blijken en verzekering had, dat hij gerechtvaardigd was, welke hij ontleende aan zijn heilige wandel, als de kenmerken en vruchten van zijn geloof. De verzekering van Christus’ gerechtigheid is een rechtstreekse geloofsdaad, waardoor toegerekende gerechtigheid wordt aangegrepen; het blijk van de rechtvaardigmaking, dat wij nu behandelen, is door weeromstuitend licht, niet waardoor wij gerechtvaardigd zijn, maar waarbij wij weten, dat wij gerechtvaardigd zijn. De bewijsgrond, die het ene bewijst, kan het andere niet bewijzen.
8e Tegenwerping. Cornewell zegt: "Indien de belofte door God vast gemaakt is uit het geloof, opdat zij naar genade zij, dan is zij niet eerst vastgemaakt aan het geloof uit de werken."
"Maar de belofte is door God vastgemaakt aan het geloof, uit genade, (Rom. 4:5) voor degene, die niet werkt, maar gelooft. De tegenstelling tussen genade en werken, (Rom. 11:6; Rom. 4:4) is niet alleen tussen genade en de verdienste van de werken, maar tussen genade en de schuld, welke aan de werken verschuldigd is. Nu, degene die werkt wordt bet loon niet toegerekend naar genade, maar naar schuld. (Rom. 4:4). Het recht van de belofte maakt, dat een werk naar schuld en niet naar genade is. "
Antwoord. De belofte van rechtvaardigheid en vrije rechtvaardigmaking is geschied door de genade van Christus; door de belofte, dat is, door het beloofde zaad. (Rom. 4). Deze plaatsen spreken echter geen woord van het weeromstuitend bewijs, dat iemand in zijn eigen ziel heeft, waaruit hij bij zichzelf weet, dat hij gerechtvaardigd is. Deze redetwister weet niet, wat hij zegt. Hij bewijst, dat wij geen belofte hebben van door de werken gerechtvaardigd te worden, noch van enigerlei verzekering uit de werken. Doch, dit is nu het punt van geschil niet; hij moest bewijzen, dat wij, wanneer wij vruchten van het geloof voortbrengen, daaruit niet kunnen weten en voor onszelf het bewijs trekken, dat wij zeker gerechtvaardigd zijn en geloven. Er is een oorzaak, waarom er leven in deze boom is, en een andere oorzaak, waardoor allen die voorbijgaan en de boom zelf, indien wij veronderstellen, dat hij redelijk is, gelijk de mens is, weten, dat hij leven en levenssappen heeft; het laatste is de boom en anderen daaruit bekend, dat hij goede vruchten voortbrengt. Alsof er geen onderscheiden oorzaken konden zijn, dat iets bestaat, en dat wij weten, dat iets bestaat. Het voortbrengen van vruchten is de oorzaak niet, dat de boom leeft; goede werken zijn de oorzaak niet van onze rechtvaardigmaking; doch wij weten wel, dat de boom leeft, wanneer wij zien, dat hij vrucht draagt en zo ook weten wij, dat wij gerechtvaardigd en in Christus zijn, wanneer wij naar de Geest wandelen en niet naar het vlees. De gehele bewijsgrond gaat over één rechtstreekse verzekering, certitudo entis geheten, of over het voorwerp, terwijl het punt van geschil loopt over de weeromstuitende verzekerdheid, hoe iemand in zijn eigen geweten zeker zijn kan, certitudo mentis, geheten; zodoende wordt het punt van geschil niet beslist.
Vele zaken zijn de onze, zowel krachtens belofte-schuld als uit genade
De Antinomiaanse leer maakt een tegenstelling tussen de Evangeliebelofte en de schuld van de belofte. De schuld van de werken (Rom. 4 en 11) is een aan de werker verschuldigde wetschuld, zoals een arbeider zijn loon waardig is, omdat hij het werk volmaakt gedaan heeft, overeenkomstig het verbond tussen hem en zijn meester; in welk geval niemand zal zeggen, dat het loon van de arbeider een vrije gift is. Doch indien, wat de Heere ons in het Evangelie belooft, God tot een Schuldenaar maakt en de beloofde zaak het verschuldigde is, laat dan de Antinomianen zich uitspreken, want zij zeggen, "dat de gehele letter van de Schrift, (dus ook alle Evangeliebeloften) een werkverbond voorstelt," in strijd met Gal. 4, waar van twee verbonden wordt gesproken, een werkverbond en een genadeverbond, en ook in strijd met de beloften van genade, welke het Evangelie bevat. (Joh. 3:16; Hebr. 8:10—12; Matth. 11:28; 1 Tim. 1:15).
Voorwaardelijke Evangelie-beloften bewijzen vrije genade en niet schuld
"Al de beloften van het Evangelie, zeggen de Antinomianen, moeten de zaligheid tot een schuld maken." Maar was Christus dan in de profeten niet aan een verloren wereld beloofd? (Rom. 1:2). De erfenis is niet uit de wet, maar uit de belofte. (Gal. 3:17,18; Rom. 9:8, 9; Luk. 1:45, 54, 55, 68, 69, 70). Is Christus gekomen, om zondaren zalig te maken wegens schuld of door genade? Is de zaligheid verschuldigd? Zij is immers beloofd? Is niet de rechtvaardigheid beloofd aan hem, die gelooft? (Rom. 4:5). Nu, dan moet de rechtvaardigheid een schuld zijn en dus niet uit genade; tenminste zo spreekt Cornewell, als hij zegt: "Het recht, dat iemand heeft op iets, dat op een werk beloofd is, maakt, dat de verzekering door de belofte hem verschuldigd is en dan is de belofte hem niet vast uit genade". Dan zijn al de beloften, dat het koninkrijk aan David en zijn zaad zou bevestigd worden, indien zij Gods geboden zouden bewaren; al de zegeningen en de zaligheid, welke in Oude en Nieuwe Testament beloofd zijn, zo zij de vruchten van een levend geloof zouden voortbrengen, barmhartigheden naar schuld en niet uit vrije genade. Ik herinner mij zeer goed, dat de Famulisten zeggen: "Het is gevaarlijk Christus in de belofte te omhelzen" en "er kan geen ware vereniging met Christus zijn in een belofte, welke een uitgedrukte vereiste of voorwaarde bevat." Ik voor mij geloof de Heilige Geest liever, die zegt: "O, alle gij dorstigen, komt tot de wateren, en gij die geen geld hebt, komt, koopt en eet, ja komt, koopt zonder geld en zonder prijs wijn en melk. (Jes. 55:1). Zo iemand dorst, die kome tot Mij en drinke, (Joh. 7:37) en die wil, neme het water des levens om niet. (Openb. 22:17; Mark. 1:15). Indien Cornewell het willen, dorsten en verlangen kan losmaken van het werken is hij een knap godgeleerde. Toch kunnen het water des levens en de zaligheid, welke aan zulken beloofd worden, geen schuld zijn, maar zij zijn vrije genade, want zij worden hun om niet beloofd en zonder geld geschonken. Een volgende bewijsvoering van Cornewell heeft dezelfde strekking.
9e Tegenwerping. "Wanneer de heiligmaking niet klaarblijkelijk is, kan zij geen blijk zijn van de rechtvaardigmaking".
"Wanneer de rechtvaardigmaking verborgen en twijfelachtig is, is de heiligmaking niet klaarblijkelijk."
"Daarom kan de heiligmaking het eerste blijk van onze rechtvaardigmaking niet zijn."
"De tweede stelling in de sluitrede is bewezen, daarin, dat de heiligmaking, wanneer het geloof verborgen en twijfelachtig is, niet klaarblijkelijk is; wanneer de rechtvaardigmaking verborgen en twijfelachtig is, is ook het geloof verborgen en twijfelachtig; daarom is de heiligmaking niet klaarblijkelijk, wanneer de rechtvaardigmaking verborgen en twijfelachtig is."
"Het bewijs van de eerste stelling is: (1) Het geloof is het bewijs der zaken, die men niet ziet en maakt dus alle dingen duidelijk; wat kan dan duidelijk zijn, wanneer het geloof verborgen is? (2) Omdat geen heiligmaking zuiver en oprecht zijn kan, dan die in het geloof gewrocht is, daarom kan zij niet klaarblijkelijk zijn, dan wanneer het duidelijk blijkt, dat zij in het geloof gewrocht is."
Antwoord. In strijd met elke wetenschappelijke regel, bevat de conclusie of gevolgtrekking het eerste blijk van rechtvaardigmaking, dat in de stellingen niet voorkomt. De stelling: "Wanneer de heiligmaking niet klaarblijkelijk is, kan zij geen blijk zijn van de rechtvaardigmaking, is zwak en wordt gebrekkig bewezen, want er is tweeërlei bewijs, een uit bewustzijn en het geestelijk gevoel en een ander door het geloof. Wanneer de heiligmaking het bewijs, dat door het geloof is, mist, zodat ik uit mijn Christelijke wandel mijn zaligheid niet kan geloven, dan kan de ziel toch een bewijs hebben uit het gevoel en bewustzijn, wanneer zij vertrouwt een goed geweten te hebben, als die in alles eerlijk wil wandelen (Hebr. 13:18) en kan zeggen: "Heere, ik heb lust, Uw wil te doen en verlang naar U, o Heere, als de wachters naar de morgen. Wien heb ik nevens U in de hemel, enz., en zij getuigen kan, dat al haar lust in de heerlijken is, (Ps. 16:3; Ps. 119:62; 1 Joh. 3:14) zodat het hart verwarmd wordt, wanneer zij de heiligen ziet. In dit geval is de heiligmaking klaarblijkelijk, al kan de vergeving van de zonden met een wolk bedekt zijn. Anders komt men door dit argument, indien het tenminste enigerlei grondslag heeft, tot de gevolgtrekking, dat de heiligmaking ten allen tijde duister is, wanneer de rechtvaardigmaking duister is en dat dus de heiligmaking nooit een blijk van rechtvaardigmaking zijn kan, dan wanneer de rechtvaardigmaking klaarblijkelijk is. Zo wordt de wijsheid Gods beschuldigd, alsof Hij niet zou willen, dat wij zouden weten, dat wij uit de dood overgegaan zijn in het leven, omdat wij de broeders liefhebben, dan alleen wanneer wij zeker weten, dat wij aldus overgegaan zijn, ook al hadden wij geen liefde tot de broederen. Dan heeft de Heere door deze bewijsgrond gezorgd, dat Zijn zwakken een lamp hebben, wanneer het dag is, doch Hij onthoudt hun alle kaarslicht, maan- of sterrenlicht, wanneer het nacht is.
Het bewijs van de eerste stelling is niet goed. Het geloof is niet zodanig een bewijs van alle dingen, dat het alle dingen voor ons geestelijk bewustzijn duidelijk maakt. Cornewell stemt zelf toe, dat het geloof verborgen kan zijn; nu, wanneer het verborgen is, kan het niets bewijzen. Liefde tot de broederen en het bewaren van Zijn geboden leveren gevoelige bewijzen, dat wij gerechtvaardigd zien, zelfs, wanneer het geloof niet klaarblijkelijk is. Hoe velen zijn overtuigd, dat zij ontwijfelbare kenmerken van geloof en rechtvaardigmaking hebben, die nochtans aan hun geloof en hun rechtvaardigmaking twijfelen. En zo is ook de tweede stelling vals en de bewijsvoering daaruit verkeerd. Het is toch een verkeerde voorstelling, dat de heiligmaking niet klaarblijkelijk is, wanneer het geloof verborgen en twijfelachtig is. Dit wordt wel goedkoop verzekerd; doch niet bewezen. Het is hetzelfde, alsof men zou zeggen: "De beekjes kunnen nooit gezien worden, wanneer de bron verborgen is; het is niet duidelijk, dat er appelen, bladeren en bloesems zijn, wanneer de sappen en het leven van de boom niet gezien worden, maar verborgen zijn" Dit is een voor waar aannemen van de conclusie, voordat zij bewezen is, want dan zou een mens nooit, eerst noch laatst, weten, dat hij uit de dood overgegaan is in het leven, omdat hij de broeders liefheeft. Waarom? "Omdat, zo zegt deze schrijver, wanneer de overgang uit de dood in het leven verborgen is, of het geloof en de rechtvaardigmaking verborgen zijn, ook de liefde tot de broederen en alle werken van heiligmaking verborgen zijn".
Het tweede bewijs van de eerste stelling is ook uiterst gebrekkig. Hij zegt: "Heiligmaking is nooit zuiver en oprecht, zonder geloof, dus, zij kan niet klaarblijkelijk zijn, dan wanneer zij in het geloof blijkt gewerkt te zijn." De gevolgtrekking is krachteloos; zij is hetzelfde als: zoete beken kunnen alleen uit een zoete bron voortvloeien; dus het kan mijn smaak niet klaarblijkelijk noch duidelijk zijn, dat de beken zoet zijn, tenzij ik het water uit de bron proef en dat met mijn ogen aanschouw; of, mijn smaak kan de zoetheid van de vrucht niet onderscheiden, wanneer niet mijn zintuigen binnen in de stam van de boom zijn, om het levenssap, waaruit de vrucht ontstaat, te gevoelen, te zien en te proeven. Neen, juist de tegenovergestelde gevolgtrekking is waar: Omdat ik oprechtheid, liefde en zuivere voornemens om God in mijn werken van heiligmaking te behagen, waarneem, daarom weet ik, dat zij uit het geloof voortkomen, want anders zou de Heilige Geest ons misleiden, wanneer Hij zegt: "Wij kennen, wij weten, of, wij geloven in Christus, dewijl wij Zijn geboden bewaren", dus, wij kunnen dit niet weten, tenzij het klaarblijkelijk is. dat ons bewaren van Zijn geboden uit het geloof en uit de kennis van God voortvloeit.
10e Tegenwerping. "Zulk een geloof, als uit een praktische sluitrede kan opgemaakt worden is geen geloof, dat door de almachtige Kracht des Heeren gewerkt is, want de gevolgtrekking wordt getrokken uit de kracht van de redeneringen en niet door de kracht Gods, waardoor alleen de goddelijke dingen gewerkt worden". (Ef. 1:19, 20; Kol. 2:20).
"Nu is het geloof, dat gewerkt wordt door een woord en een werk en het licht van een vernieuwd geweten, zonder het getuigenis van de Geest, zo’n geloof, als men uit een praktische sluitrede kan opmaken."
"Dus, zo’n geloof, dat zo gewerkt is, is niet gewerkt door de almachtige Kracht van de Heere."
"De tweede stelling is daaruit bewezen, dat zowel het Woord als het werk en het licht van het geweten, alle drie, geschapen zegeningen en giften zijn en daarom uit zichzelf geen woord van almachtige kracht kunnen voortbrengen. Het Woord zelf is een dode letter; het werk is nog minder, want het geloof is uit het horen van een woord en niet uit een werk."
Evangelie-beloften gedaan op daden van heiligmaking
Antwoord. Wanneer Mr. Cornewell zegt: "Door de kracht Gods, worden alleen goddelijke dingen (zoals het geloof, dat Christus’ gerechtigheid aangrijpt) gewerkt," Ef. 1:19; Kol. 2:20) dan sluit hij de bediening van het Evangelie en al zijn beloften uit, want die zijn geschapen dingen en dus hebben die dan geen hand noch invloed in het voortbrengen van het geloof. De Antinomianen zouden ons willen doen geloven, dat Paulus in Ef. 1:19, 20, en in Kol. 2:20 veronderstelt, dat geen bediening van het Woord, noch het horen van het gepredikte Woord, het geloof werkt, (dat in strijd is met Rom. 1:16 en 10:17) doch, dat wij alleen door de onmiddellijke kracht van de Geest, zonder het Woord, bekeerd worden. Dit is trouwens in het punt in kwestie niet vastgesteld. Nooit leerde enig Protestants godgeleerde, dat zonder de dadelijke invloed van almachtige genade, het geloof of een geestelijk besef, dat wij gerechtvaardigd zijn, alleen door het Woord, of enig werk, of geschapen licht kan worden voortgebracht. Het koren kan ook niet alleen groeien door de kracht, die in de aarde en in de wolken of in de regen is; noch kan enig schepsel zich bewegen zonder de dadelijke invloed van de almachtige Heere, in Wie wij ons bewegen. Wij kunnen daarom, volgens die redenering, uit het opgaan van de morgenster, niet weten, dat de zon zal opgaan; noch kunnen wij, uit onze heilige wandel, enigerlei bovennatuurlijk oordeel hebben, wat in strijd is met de Schrift. (1 Joh. 2:3; 1 Joh. 3:14.) Hieruit weten wij, dat door de Antinomianen alle geloof toegeschreven wordt aan het onmiddellijk getuigenis en aan de geestverrukkende ingeving van de Geest, want zij zeggen: "Het onderzoeken van de Schrift is geen zekere weg, om Christus na te speuren en te vinden, het is maar een dode letter en stelt in deze letter een werkverbond voor, en daarom willen zij, met de Anabaptisten vanouds, van geen onderwijzing door de Schrift, maar alleen van een onderwijzen door de Geest weten. Wij stellen, dat voorwaardelijke beloften gedaan zijn op de plichten van heiligmaking; daarom kunnen wij er, in onze kwijnende stand, vertroosting en verzekering uit hebben. Cornewell antwoordt: "De beloften zijn ons niet gedaan, als beperkt tot zulke plichten van heiligmaking, want dan zouden zij de onze zijn naar schuld en niet uit genade. (Rom. 4:4). Doch ten opzichte van onze vereniging met Christus, in Wie zij aan ons gedaan en voor ons vervuld zijn, is verzadiging beloofd aan de dorstigen, niet wegens enig recht op de belofte, dat de dorst hun geeft, maar omdat zij naar Christus verwijst, Die de voorwaarde vervult en de ziel verzadigt, en de ziel moet eerst tot Christus gekomen zien en haar eerste verzekering uit het geloof in Christus gekregen hebben, niet uit deze voorwaarden en plichten"
De Antinomianen ontkennen alle voorwaardelijke beloften
Antwoord. Hiermee wordt onze zaak toegegeven. Wij zeggen, dat de beloften van water aan de dorstigen gedaan zijn, niet alsof het recht op de belofte ons volgens de wet, door verdienste en naar schuld zou toekomen, om hetgeen wij gedaan hebben, maar alleen om Jezus Christus. Niet alsof wij, door onze sterkte en de inspanning van de vrije wil, de voorwaarde volbracht en het loon verworven hebben. Nochtans hebben wij vertroosting en verzekering, dat onze getrouwe Heere, Die niet liegen kan, wanneer wij door genade de plicht verrichten, Zijn Eigen beloften zal vervullen. Hij kent niets van het Evangelie, die meent, dat God niet, door Zijn belofte, onder een aangename vrije-genade-schuld komt, om Zijn beloften te vervullen, en dat deze schuld en genade niet met elkaar bestaanbaar zijn. Maar de Antinomianen geven een reuk van vleselijke vrijheid af, want zij zeggen: "Voorwaardelijke beloften zijn wettisch, in strijd met het Evangelie." (Rom. 10:9; Joh. 3:16; Joh. 5:25) Zij zeggen, "dat het niet veilig is Christus in een voorwaardelijke belofte te omhelzen, en dat, als enigerlei besluit opgemaakt zal worden uit water en bloed, het eerder verdoemenis dan zaligheid is; dat het een zandgrond is, uit een genadewerk, dat door Jezus Christus in mij gedaan is, zelfs het geloof, te bewijzen, dat Christus de Mijne is; want dat wij volmaakt met Christus verenigd zijn, zonder dat de Geest geloof gewerkt heeft; dat het onbestaanbaar is met het genadeverbond, er geloof aan te verbinden; dat gerechtvaardigd te zijn uit het geloof is gerechtvaardigd te zijn uit de werken; dat te zeggen, dat er geloof moet zijn aan de zijde van de mens, om het verbond aan te nemen, een ondermijnen van Christus is." Noch Cornewell, noch Saltmarsh weerspreken deze godslasteringen, maar zij verheffen hen, die ze in Nieuw-Engeland voorstaan.
Welk soort geloof in Christus was. Hoe er geloof van afhankelijkheid in Christus was
Vader, verlos Mij uit deze ure
"Vader", dat is een woord van geloof. Maar had Christus dan behoefte aan geloof?
Antw. Niet aan het geloof van vertrouwen in Hem, Die de zondaar rechtvaardigt, hoewel Hij geloof had in de rechtvaardiging van Zijn zaak, dat God hem zou vrijstellen van Zijn Borgschap, wanneer Hij alles betaald had; maar Hij had geloof van betrouwen op God in Zijn moeite, dat God Hem verlossen zou en Hij werd verhoord uit de vrees.
Hoe kon er een geloof van betrouwen of afhankelijkheid in Christus zijn, daar Hij toch dezelfde onafhankelijke God met de Vader is?
Antw. Er waren in Christus twee betrekkingen, één als een Reiziger, op reis naar de heerlijkheid en vele kinderen tot de heerlijkheid leidende; en een andere als, wijd van begrip, God ziende en genietende.
Het niet aanschouwen van God kan met persoonlijke vereniging bestaan
Er was tweeërlei zien in Christus, één door gezicht en een ander van vereniging. Het zien van de vereniging van de twee naturen is de oorzaak van het zien door gezicht. Christus, op reis naar de heerlijkheid zijnde, betrouwde met een geloof van afhankelijkheid op God als Zijn Vader, ziende en wetende, dat de vereniging niet kon worden ontbonden, maar als Een voor Wie niets verborgen en Die aan het einde van Zijn loopbaan was, en hebbelijk God genoot, was er geen noodzakelijkheid, dat Christus altijd, et in omni differentia temporis, dadelijk God zou zien en genieten in een onmiddellijk visioen van de heerlijkheid.
(1) Dit is volstrekt niet in tegenspraak met de personele vereniging, want evenals het hebbelijk zien van God, dat het meest verblijdende gezicht is, dat men zich kan begrijpen, door een natuurlijke noodzakelijkheid, vrolijkheid en blijdschap verwekt, in Christus bestaanbaar was en vlak voor Zijn laatste lijden bestond met zuchtingen en droefheid van de geest, zo ook kon de tijdelijke onderbreking van het dadelijk zien van God bestaan met de persoonlijke gelukzaligheid van Christus, als de Godmens.
Een wonderlijke voorzienigheid, waartoe Christus gebracht werd: "o God, verlos Mij"
Indien wij veronderstellen, dat er rechtvaardige redenen waren, waarom God zou bevelen, dat de engelen en de verheerlijkte geesten voor een tijd God niet dadelijk zouden aanschouwen, dan zou daarin niets zijn, dat hun waarachtige gelukzaligheid tegenstond, indien het hun maar niet om hun zonden overkwam; niets meer dan, dat de zon iets van haar natuur zou verliezen, indien God haar zou bevelen vele dagen stil te staan en met duisternis overdekt te worden, zoals zij, in Jozua’s tijd, enkele uren in het uitspansel stilstond en onder het lijden van Christus voor een tijd met duisternis overdekt was. Welk soort tussenkomende wolk het was, of welk soort scherm de vloed van de stralen en uitstralingen van de Godheid weerhield, van dadelijk de ziel en de vermogens en de krachten van de ziel van de mens Jezus Christus te verlichten, durf ik niet vaststellen. Dit is zeker, God was met de mensheid zo nauw verenigd, dat zij één Persoon uitmaakten, maar er was niet meer dadelijke bestraling van de vermogens van de ziel, niet meer hitte en warmte van blijdschap, dan alsof Zijn Eigen oneindige zee van vertroosting opgedroogd was, zo, dat Hij behoefte had aan een druppel geleende vertroosting van een engel uit de hemel. Of nu deze engel (Luk. 22:43) het bloedzweet van Zijn heilig lichaam afwiste en Hem op die wijze wezenlijk diende, of dat die engel met goede woorden van de Vader gezonden was om Hem te vertroosten en op dergelijke wijze tot Hem te spreken: "O, heerlijke Heere, houd moed; vrede en blijdschap en zaligheid zullen volgen, Uw Vader heeft U niet geheel verlaten," kunnen wij niet weten; wij weten alleen wat Lukas zegt, dat een engel uit de hemel Hem versterkte. Doch het was verwonderlijk, dat de Heere van alle vertroosting behoefte zou hebben aan vertroosting en aan een goed woord van Zijn Eigen schepsel; of dat de grote Heere, de Wetgever, behoefte zou hebben aan de vertroosting van het gebed of van enigerlei goddelijke instelling. O wat een voorzienigheid! Wat een wereld is dit, dat de Godmens, de lieflijke Jezus erdoor op Zijn knieën gebracht wordt om te bidden! Komt, ziet tot wat een engte van zwakheid de Heere des levens afgedaald is, als Hij met tranen en zuchtingen uitroept: "O God, help Mij, o God, verlos Mij!" Dit is meer dan, dat al het licht van de zon uitgedoofd was en dat zij haar licht moest lenen van een kaars op de aarde; of, dat de zeeën en rivieren opgedroogd waren en dat zij enige dauwdruppen van de wolken moesten afsmeken, om hun gebrek te vervullen.
(2) Christus weigerde aan Zichzelf, Zichzelf te vertroosten. Er was een zee van blijdschap in Christus, binnen in Hem, doch geen druppel kon op de vermogens van Zijn ziel uitvloeien; de blijdschap is droevig, de schoonheid zwart, het geloof vreest en beeft; de oneindige Al, ligt onder de drup van een schepsel-ledigheid. De rijkdom staat te bedelen aan de deur van de armoede;. het licht is duister, frisheid verwelkt en de bloesem valt af; het Leven bidt tegen de dood van alle doden, de Heerlijkheid en de Bloem van de hemel staat droevig en beangst voor de kaken en aan de mond van de hel. (Matth. 26.) In deze zin bidt Hij, op Zijn aangezicht ter aarde gevallen, eenmaal: "O, Mijn Vader, laat deze drinkbeker voorbijgaan’, doch Hij ontvangt geen antwoord. Hij klopt voor de tweede maal: "O, Mijn Vader, indien het mogelijk is, laat deze drinkbeker van Mij voorbijgaan" O wat een zware bedeling! De zelfstandige Zoon van God klopt, met Zijn aangezicht op de aarde neerliggende en de deur van de heerlijkheid van Zijn Vader is dichtgegrendeld; de Zoon kan er niet ingaan. Van een dergelijke voorzienigheid leest of hoort u nooit. De natuurlijke Zoon van God roept met sterke roepingen en tranen, met een droevige, beangste en neergebogen geest tot Zijn Vader; Hij kan geen woord van de hemel krijgen, geen halve blik van de heerlijkheid waaraan Hij gewoon was, welke Hem natuurlijk was, waarop Hij als God recht had. O zeldzame en droevige bedeling! Hij moest voor de derde maal roepen: "O Mijn Vader, laat deze drinkbeker van Mij voorbijgaan." Wij woeden, wanneer de Heere de deur niet op ons eerste kloppen opent: o welke harde gedachten hebben sommigen van God, wanneer Hij op het eerste woord geen vloed van liefde van voor Zijn aangezicht uitlaat! Maar de heiligen van de Heere kunnen geen voorzienigheid verwachten, waarin, onder elke waarneming van de goddelijke instelling van bidden en loven, de honingdruppen van de vetste vertroostingen van de hemel hun deel worden. O wat een droevige bedeling: (Ps. 22:3) "Mijn God, ik roep des daags, maar Gij antwoordt niet; en des nachts, en ik heb geen stilte" De Kerk spreekt in droefheid tot God: Wat kan erger zijn dit? (Klaagl. 3:7) "Hij heeft mij toegemuurd, dat ik er niet uitgaan kan; Hij heeft mijn koperen boeien verzwaard". Toch geeft het grote verlichting, wanneer een treurig hart zich kan ontlasten aan de boezem van een vriend, hoeveel temeer bij God; maar hier is een erger toestand: (vs. 8). "Ook wanneer ik roep en schreeuw, sluit Hij de oren voor mijn gebed". (Ps 69:4). "Ik ben vermoeid van mijn roepen, mijn keel is ontstoken, mijn ogen zijn bezweken, daar ik ben hopende op mijn God." Het is genade zich in liefde en geloof te onderwerpen, wanneer de Heere op onze begeerten niet antwoordt. Deze bevindingen mogen ons doen zwijgen.
Wij moeten niet tegen God woeden, als Hij niet terstond verhoort. Redenen, waarom onze gebeden niet altijd dadelijk verhoord worden
Het kan zijn, dat het goed is, dat de Heere antwoordt, doch, dat het niet goed is, dat Hij nu antwoordt. De heiligen zijn dikwijls rijp voor het gebed, wanneer zij nog onrijp zijn voor de ontferming van een wezenlijk antwoord en hulp van God. Twee dingen maken het gebed noodzakelijk: Onze plicht van aanbidding en onze nood en engten. Maar aan onze zijde zijn wij nog niet rijp voor een antwoord, zolang wij niet vernederd zijn, en met flauwe begeerten en weinig vurigheid van geloof bidden.
Het kan zijn, dat het onze plicht is te bidden, daar wij een wezenlijke noodzakelijkheid veronderstellen van hetgeen wij nodig hebben en dat het toch niet goed voor ons is, dat God ons nu zou verhoren. Het is buiten twijfel, dat Abram en Sara, vele jaren, voordat de ene honderd en de andere negen en negentig jaar was. om een zoon baden, doch het was niet goed, dat God hen verhoorde voor het een wonder en een nieuwe weg en een meer dan gewone voorzienigheid was, dat zij beantwoord werden.
God weigert nooit ons te horen, omdat wij gunsten begeren, die niet tot de grondslagen van het eeuwige leven behoren, maar omdat het beter is, dat wij niet verhoord worden dan wel. Het kan zijn, dat Mozes er geen reden voor wist, maar dat het beter voor hem was, dat hij het goede land slechts van ver zag, dat het beter was voor zijn geloof, en tot doding en hemelsgezindheid, (wat hij echter niet zag), dan dat hij, overeenkomstig zijn bidden, met het volk in dat land inging.
Niet één van de heiligen, die niet, wanneer zij overwegen, dat alle dingen moeten medewerken ten goede, voor degenen die God liefhebben, wanneer zij God prijzen, dat Hij hun gebeden verhoord heeft, ook in sommige zaken God moeten prijzen, dat hun gebeden voor een dicht gegrendelde deur liggen en het in andere zaken goed opnemen, dat Hij misnoegd over hen was, zodat zij reden hebben er onder vernederd te zijn, dat God hun begeerte inwilligde. Laat het zijn, dat David om een zoon bad en dat God hem een Absalom gaf; dan is het de vraag of David geen reden had te wensen, dat hij nooit geboren was.
God heeft een overeenstemming en een verband gelegd tussen onze begeerten om verhoord te worden en onze gewilligheid, geloof, onderwerping en lijdzaamheid en onze dienovereenkomstige lofzeggingen, als wij verhoord of niet verhoord zijn. Toch zijn wij, wanneer wij verhoord en onze begeerten vervuld worden, minder werkzaam in dankzegging, dan wij behoorden te zijn en nog minder onderworpen, wanneer wij niet verhoord zijn, dan wij gereed zijn voor verhoring te danken. De reden hiervan is, dat de noodzakelijkheid en de moeilijkheden ons gemakkelijker tot bidden kunnen brengen, en de raderen van onze genegenheden gaande maken, dan dat genade onze geestelijke genegenheden kan gaande houden of onze natuurlijke genegenheden inhouden of beperken, wanneer deze de vleugelen zijn, waarmee onze lofzeggingen opstijgen. David zegt in Ps. 22 en Ps. 69, "Mijn God, ik roep dag en nacht, tot mijn keel opstoken is van het roepen", maar waar zegt hij: "Mijn God, ik loof U dag en nacht tot mijn keel zeer doet van het loven en mijn hart en mijn ogen bezweken zijn onder het onderworpen wachten op U en het loven van U, omdat Gij mij in enkele dingen niet verhoord hebt"?
God is de Zijnen even genadig, als Hij hen niet verhoort en hun begeerten niet inwilligt, als wanneer Hij hun begeerten vervult.
Niemand moest het kwaad opnemen, als Hij niet met de eerste keer beantwoord wordt, wanneer zelfs de eerste Erfgenaam, Christus, aan de deur van Zijn Vader moest blijven kloppen.
De gebeden van het geloof hebben, of zij verhoord of niet verhoord worden, een genadig gevolg, al wordt het schuim ervan weggeworpen.
Wij zijn gereder, te bidden, dan te loven
Evenals lofzeggingen geen gevolg hebben, dan God de eer te geven en niet aan onszelf, zo ook moeten de gebeden in het geloof aan God worden geofferd, al keert niets in onze boezem terug, opdat God verhoogd wordt. Christus wist, dat Hem geen verlossing uit die ure zou vergund worden, en toch bidt Hij.
Er wordt niet minder geloof toe vereist, het goede te geloven, dat de Heere bedoelt met ons niet te verhoren, dan het goede, dat Hij op het oog heeft, wanneer Hij ons verhoort en onze begeerten vervult. Generlei voorzienigheid kan verkeerd uitvallen voor het geloof; dat kan met allerlei vleugelen vliegen, en met elke wind zeilen, zolang Christus leeft.
Christus grondde Zijn gebed op de liefelijke betrekking van een Vader en een Zoon
Vader, verlos Mij uit deze ure
Christus grondt Zijn gebed op de zoetste betrekking van een Vader en een Zoon: "Vader, verlos Mij". Zo ook in Joh. 17: "Vader, verheerlijk Uw Zoon." (vs. 5.) "En nu verheerlijk Mij, Gij Vader. " Zes maal bezigt Hij in dat gebed die stijl. (Matth. 11:25). "Ik dank U, Vader, Heere des hemels en der aarde. (Matth. 26). "Mijn Vader, laat deze drinkbeker van Mij voorbij gaan." Hij achtte Zijn Vader hoog; niemand zo, als Zijn Vader. Het is een sterke pleitgrond voor Christus, om op verhoring en verlossing aan te dringen; en Hij werd verhoord uit de vrees. Hij had, met Zijn komen in de wereld, geen ander doel, dan de wil van Zijn Vader te doen. (Joh. 5:30).
Liefde is een aangenaam bestanddeel in het gebed. De geliefde apostel Johannes, de enige van de evangelisten die dit gebed van de liefde optekent, maakt er meer gebruik van dan een van de andere drie evangelisten.
Alleen die kinderen zijn kunnen bidden
Eigendom, aandeel en verbondsbetrekking zijn een lieflijke grondslag en een vaste grond voor het gebed. Zo leert Christus ons in het gebed zeggen: "Onze Vader, Die in de hemelen zijt"; en in Ps. 5:3. "Merk op de stem mijns geroeps, o mijn Koning en mijn God." (2 Kon. 19:19). "Nu dan, Heere onze God, verlos ons toch uit zijn hand." Ezra grondt zijn gebed hierop: (hfdst. 9:5). "Mijn God, ik ben beschaamd en schaamrood, en Josafat, (2 Kron. 20:12). "O, onze God, zult Gij geen recht tegen hen oefenen?"
Aanmerkt in het bidden, welk recht u op en welk deel u aan God hebt; of u een Zoon bent, en Hij uw Vader is. Bastaarden kunnen niet bidden. Vreemdelingen, die buiten het verbond staan en heidenen, die geen recht hebben op God als hun God en Vader, mogen God smeken, zoals een overwonnen volk zijn overwinnaar doet, of zoals de raven tot God om voedsel roepen, of zoals sommigen huilen op hun legers om koren en most, (Hos. 7:14) doch zij kunnen niet bidden. Om recht tot God te bidden worden niet alleen genadebestanddelen in de handeling vereist, maar ook een nieuwe staat van aanneming en van kindschap. Velen spreken woorden tot God, die niet bidden; velen sommen telkens weer hun zonden op, die geen belijdenis van hun zonden doen voor God; velen spreken goed van God, die God niet loven; velen zuchten en kermen onder het bidden, die geen diep gevoel hebben van God of van hun zondige staat. Bomen, die met elkaar opgroeien, maken nog niet altijd een bos uit. O, God weet het, hoe treurig het er soms met onze gebeden uitziet. Velen roepen Vader tot God, maar zij liegen, want zij zijn geen zonen en hun woorden zijn dubbelzinnig. Duizenden maken er aanspraak op, dat God hun Vader is, terwijl er geen kindschap is; er is geen fundamentum in re, geen grond in de zaak zelf. Een nieuwe natuur is die enige beste grondslag voor het bidden, die maakt, dat het geen ijdel gebruiken van Gods Naam is. Alle schepselen spreken van God en op hun manier ook tot God, doch alleen een kind kan in het gebed God als zijn Vader aanspreken. God aan te roepen, met een uitgieten van de ziel voor Hem in Christus, is alleen het deel van de kinderen.
Vader, verlos Mij uit deze ure
Christus heeft in Zijn benauwdheid, wanneer Hij niet weet, wat te doen, geen veiliger en zekerder middel, om de toevlucht tot te nemen, dan het gebed. Christus had nooit groter werk onderhanden dan nu, waar Hij bezig was met God, de goddelijke gerechtigheid en de wet van God te handelen, in die gewichtige koop, waartoe Hij de losprijs van Zijn allerdierbaarst en kostbaar bloed zou betalen, om een nieuwe weg naar de hemel te ontsluiten. Hij had met duivelen, overheden en machten en met de hel te doen; Hij moest duivelen, de dood en de hel ten onder brengen en Zijn Algemene Kerk van de tweede dood verlossen; Hij moest Zich door de eeuwige Geest aan God opofferen voor de zonden van alle uitverkorenen, en dit grote werk moest Hij biddend verrichten. De grootste werken zijn zo uitgewerkt. Voordat de Rode Zee vaneen gescheiden werd, riep Mozes tot de Heere en het geschiedde. Hiskia kreeg van zijn Huisheer vergunning, om zijn lemen huis nog 15 jaren te blijven bewonen, en hoe? (2 Kon. 20:2) Hij keerde zijn aangezicht om naar de wand en hij bad. Jona verbrak de gevangenis van de hel door het gebed. Velen waren er, die Jeremia tegenstonden (Hfdst. 20:12) en hij zegt tot de Heere: "Ik heb U mijn twistzaak ontdekt." Daniël in zijn ballingschap, Ezra, wanneer de Heere toornig was op het volk, Esther en haar jongedochters, wanneer de ondergang van de Kerk ontworpen was en gesponnen werd, zij maakten door hun gebeden de gevangenisboeien los en zij verbraken de kaken van de dood. Job roept uit de diepte, waarin hij neerligt: "Wat zal ik U doen, o Mensenhoeder?" David ziet terug op zijn gebeden (Ps. 34:7) en wanneer hij overstelpt is, is het: (Ps. 61:3) "Van het einde des lands roep ik tot U, als mijn hart overstelpt is." Voor Elia is het de sleutel, die de hemel ontsluit. Het laatste grote werk, de volmaking van het verborgen lichaam van Christus, het oordeel van de wereld, het kronen van de hoofden van zoveel duizenden koningen, heeft zijn gebed nodig om het te doen geschieden: Ja, kom Heere Jezus. Het zetten van de kroon op het hoofd van Christus en dat zij daarop blijft, is door gebed; Zijn zwaard, kroon en scepter staan en zijn voorspoedig door dit gebed: "Uw koninkrijk kome."
Hoewel Christus alles van Zijn verlossing wist en er zeker van was, toch wilde Hij die niet hebben dan door gebed. Christus had Zijn Zoonsrecht op de hemel, doch Hij wil de hemel als een nieuwe gift ontvangen door gebedsrecht. Christus maakt Zijne nieuwe rechtsaanspraak tot een gebed, (Joh. 17:5) "Vader, verheerlijk Mij met de heerlijkheid, die Ik bij U had, eer de wereld was." Christus wilde, dat Zijn bruid, die de Zijne was door overwinning en volgens de wet van koop en verlossing, ook de Zijne zou worden door een de novo damus, (Ps. 2:8) "Eis van Mij, (bid tot Mij) en Ik zal de heidenen geven tot Uw erfdeel." De pilaar van Zijn koninkrijk is het gebed, (Ps. 72:15) en men zal gedurig voor Hem bidden, dat Zijn troon vast zij en Hij de kroon draagt. Wat, moeten wij voor Christus bidden; Hij bidt toch voor ons? Ja, wij bidden voor het verborgen lichaam van (de Mystieke) Christus en Zijn Kroon. Het is beter landerijen van Christus te krijgen op het gebed, dan door verovering of vlijt, door recht van lossing of erfenis. Zelfs de rijken, die uitgestrekte landerijen hebben, moeten, wanneer het brood, tot gebruik gereed, voor hen op tafel staat, bidden: "Geef ons heden ons dagelijks brood." Hebt u eer, wijsheid, geleerdheid, talenten, welsprekendheid, godzaligheid, genade, een goede naam, kinderen, vrede, rust, genoegen, vrouw, huizen, landerijen, ziet hoe u ze gekregen hebt. Hebt u ze niet op het gebed, dan zijn zij in zo verre onrechtvaardig verkregen; het naast beste is er een nieuwe rechtsaanspraak op te verkrijgen door het gebed. Ik weet wel, dat de bekering niet verkregen wordt door mijn bidden, omdat een onbekeerd mens niet bidden kan, niet meer dan de vrucht zich uit de baarmoeder kan bidden; nochtans wordt zij verkregen door het gebed van Christus. Sommigen bezitten gezondheid na een ziekte, evenals rovers de beurs van de reiziger bezitten, zij hebben haar door roof, niet door Christus of enigerlei gebedsrecht. Men heeft meer genot van overwinningen en tenonder gebrachte steden, wanneer zij door gebed behaald of ingenomen zijn, dan door omkoperij en geld.
Gebruik. Zij weten niet, waartoe het gebed dient, die leren, dat men niet moet bidden tegen hetgeen onvermijdelijk is. Zo toch spreken de Vrijgeesten, wanneer zij zeggen: "Wij moeten niet tegen alle zonde bidden, omdat zij niet te vermijden zijn, want "de oude mens moet in ons zijn, zolang wij leven." De Heere heeft zowel het einde besloten, als dat Hij verordineerd heeft, dat het gebed een noodzakelijke weg zal zijn, om Zijn einde te vervullen. Ja, Paulus bidt in 1 Thess 3:25, dat de God des vredes de Thessalonicensen geheel en al zou heiligen. Wij weten, dat wij in dit leven niet vrij kunnen zijn van verzoekingen; toch bidden wij, niet in verzoeking geleid te worden, hetwelk niet zozeer een bidden is, of het lichaam van de zonde geheel uitgeroeid mag worden en of de inklevende heiligmaking in dit leven volmaakt mag worden, als wel, of wij van schuld en verdoemenis en van de kracht en heerschappij van de zonden mogen verlost worden, en of het gebed ons op mag voeren tot het leggen van de laatste steen van het nieuwe gebouw; ja, hoewel het Petrus geopenbaard was, dat hij Christus zou verloochenen, en al de discipelen, dat zij als schapen zouden verstrooid worden, wanneer het zwaard zou ontwaken tegen de Herder, en dit onvermijdelijk was, ten opzichte van het besluit Gods en de vervulling van de Schrift, (Zach. 13) moesten toch de Discipelen bidden, dat zij in die verzoeking zo mochten bewaard worden, dat zij Christus in Zijn lijden niet zouden verlaten.
Vader, verlos Mij uit deze ure
In hetgeen Christus afbidt zijn twee aanmerkelijke zaken.
1e Dat de tijd, hoelang Zijn lijden zou duren, bepaald was tot een uur.
2e Dat het een droevige ure was; er wordt nadruk op gelegd, deze ure.
(1) Het lijden van Christus was maar een uur lijden; wij moesten eeuwig lijden.
Christus’ lijden was gelijkwaardig aan wat wij hadden moeten lijden
Tegenwerping. Dus dan leed Christus niet dezelfde straf, welke wij zouden hebben moeten lijden, indien Christus niet voor ons gestorven was.
Antwoord. Hij leed niet alles, geheel overeenkomstig elk voorval in elke omstandigheid, wat wij moesten lijden. Het is zo, wij zouden een zondige wanhoop hebben moeten lijden, en in Zijn beker kon geen inmengsel van zonde zijn.
Wij moesten eeuwig geleden hebben; Hij dronk alle smart en de vloek in enkele uren uit. Doch Hij leed alles, wat wij moesten lijden overeenkomstig de verschuldigde gelijkwaardigheid, de waarde en de werkelijkheid van het lijden. Christus betaalde voluit. Een schuldenaar is tien duizend miljoen schuldig aan een prins, in zoveel verschillende termijnen te betalen in zilver. De borg van deze schuldenaar die bankroet gegaan is, betaalt de gehele som in een termijn en in goud, het uitnemendste metaal; het is zuiver dezelfde schuld die betaald en dezelfde obligatie die vereffend wordt, alsof de som door de eigenlijke schuldenaar zelf betaald was. Christus betaalde bij verdrag alles in oumulo, in een termijn, in uitmuntend metaal en gangbare munt, namelijk het dierbaar bloed van God. Een verrader moet sterven, door ophanging of onthoofding, wegens hoogverraad; de zoon van de vorst neemt op zich dezelfde dood voor hem te ondergaan; hij heeft alleen, wegens de uitnemendheid van zijn persoon, bij overeenkomst een voorrecht, dat de eigenlijke schuldige niet heeft. Al wordt hij nu opgehangen aan een gouden ketting en met een kroon op zijn hoofd of onthoofd met een zilveren bijl, het is dezelfde wet en gerechtigheid voldoenende dood, als wanneer de andere evenals hij gestorven was. In de dood van Christus schitterden enige glinsterende robijnen en diamanten, er waren enige stralen in van de Majesteit en de kroon van de hemel, die in ons niet konden geweest zijn, en het was betamelijk, dat het zo zijn zou.
Waaraan het lijden van Christus zijn waardigheid ontleent.
Christus’ tijdelijk lijden is, wegens de waardigheid van Zijn Persoon, meerder dan ons eeuwig lijden. Het is zo, het leven van een arme man is hem lichamelijk even zoet en dierbaar, als het leven een prins is voor de rechtbank van de natuur, in curia natura; beiden wordt hetzelfde ontnomen; maar in curia forensi, indien wij wettelijk, en in betrekking tot velen spreken. David, de koning, is wegens zijn koninklijke rang meerder om vele duizenden te verlossen en te oordelen dan tienduizenden van het volk.
Christus’ verlies is groot wegens Zijn voortreffelijkheid
Een vorst, die te schande gemaakt en onteerd wordt, zal meer eer verliezen dan een eenvoudige, arme en geringe man; de eer van een vrije en rechtvaardige vorst is duizenden malen groter dan het verlies van eer voor een goddeloze en geringe slaaf is. Zondaren hebben weinig te verliezen in vergelijking met de Vorst des levens, Die ons in alle dingen is gelijk geworden, uitgenomen de zonde.
Hoe hoger iemand in zijn leven bevoorrecht is met de onmiddellijke gemeenschap met God, hoe groter verlies het verlies van zijn leven is. De heerlijke engelen verliezen meer, wanneer zij hun gelukzalig leven, in de genieting van God, verliezen, dan wanneer de verdoemde duivelen, die met ketenen van de duisternis gebonden zijn, hun bestaan verliezen. Het is groter verlies voor de geesten van de volmaakt rechtvaardigen, die nu voor de troon zijn, ellendig te worden, het leven, en dat, zo’n leven, de heerlijkheid, en dat, zo’n heerlijkheid te verliezen, dan voor slaven van de hel, die in goddeloosheid leven, met eeuwige schande in de hel terneer geworpen te worden. Het is meer, dat de gehele zee en alle rivieren uitdrogen, dan dat een bron uitdroogt. Christus had meer te verliezen dan alle engelen en mensen, ja, tijdelijk het gezicht van God te verliezen, was meer dan alles, wat engelen en mensen voor eeuwig verliezen konden.
Het is waar, de invloed, die de verdienstelijkheid van de Persoon van Christus op Zijn lijden heeft, is zedelijk geschat niet alleen wezenlijk, maar ook oneindig. Doch vergunt mij mijn mening, dat het geen uitgemaakte zaak is of het van het vrije besluit en het welbehagen van God afhangt, dat de straf van de zonde oneindig van duur is, of dat het van de natuur van de zonde en de goddelijke gerechtigheid afhangt, zodat het wezenlijk noodzakelijk in God is, niet uit enig besluit, want dat is niet eigenlijk noodzakelijk, maar wezenlijk uit die vlekkeloze en heilige gerechtigheid welke wezenlijk in Hem is, om hen, die evengelijk op aarde zondigden, met gelijkmatige pijnigingen in de hel, en allen met eeuwige straf te straffen. Ja, niettegenstaande dit alles, heeft Christus, door Zijn dood, niet alleen de oneindige straf, die wij verdiend hebben, uitgeledigd, evenals oneindige bergen zand, alle oneindige zeeën, rivieren beken en fonteinen van de aarde kunnen leegzuigen, maar Hij verwierf voor ons, door de waardigheid van Zijn verdienste, een oneindig en eeuwig gewicht van heerlijkheid. Daarom moet er in de dood van Christus meer zijn, dan wij zo gemakkelijk bevatten kunnen. Zo is het veel, Israël uit Egypte te leiden en de Rode Zee vaneen te scheiden en er hen levend door te brengen, doch het is meer, wanneer Hij dat doet en hen tevens in het vreedzaam bezit stelt van dat goede land, dat van melk en honing overvloeit. Evenzo is het veel een slaaf van voortdurende armoede, ellende en dienstbaarheid te verlossen, doch het is meer, hem ook werkelijk tot een rijk, aanzienlijk en heerlijk koning te maken. Dit alles heeft Christus voor ons met Zijn bloed gekocht. Daarom is het niet zo gemakkelijk uit te maken of het lijden van Christus alleen een zedelijke, verdienstelijke en wettelijke waardigheid heeft, krachtens de vrije daad van Gods aanneming, of ook een innerlijke waarde en gewicht, welke wezenlijk en innerlijk in overeenstemming met en evenredig aan de pijnen en schande zijn, waarvan Hij ons verloste, en de heerlijkheid welke Hij werkelijk voor ons verworven heeft. Het is veel, de schulden van een arm mens te betalen, maar het is meer, dat te doen en hem rijk te maken.
Hoe Christus’ lijden beperkt was en toch oneindig
Vraag I. Hoe kon Christus oneindige straf lijden, indien Zijn lijden beperkt was tot een tijd en tot uren? Het is toch een tegenstrijdigheid. hetgeen oneindig is te bepalen. En indien een engel gezonden werd, om Hem te vertroosten, schijnt het, dat God Hem genade deed toekomen en geen onvermengde en voldoenende gerechtigheid.
Antwoord. Matiging van het lijden, als, dat een engel Hem vertroostte, dat geen been van Hem gebroken werd, dat Hij geen drie volle dagen in het graf lag, en dat Zijn lichaam geen verderving zag, kan zedelijk en door de waardigheid van Zijn edele en heerlijke Persoon, Die is God boven alle te prijzen in der eeuwigheid, zeer goed met lijden bestaan, dat oneindig is. Het bewijst, dat de nauwgezette rechtvaardigheid, welke de Heere oefende in Christus, om onze zonden, tot de tweede dood toe te vervolgen, niet gelegen was in de grote mate van straf, welke Christus onderging en die niet eigenlijk oneindig was, alsof die oneindig voldoenende zou zijn, wanneer wij geen rekening houden met de straf van de Persoon die leed, die oneindig was, en met de vrije en vrijwillige aanvaarding door God.
Vraag II. Maar dan werd al de oneindigheid van de rechtvaardigheid niet geoefend in het straffen van Christus; dan werd de smart niet oneindig en in de hoogste mate op Hem gelegd, dan bestond het hierin, dat de Persoon oneindig was, doch de smart eindig, zowel wat de tijd betreft als anderszins.
Antwoord. Wij stellen, dat het lijden zo hevig was, dat Hij, en Hij alleen, de oneindige toorn Gods kon dragen; doch of al de oneindigheid van de smart hierin gelegen was, dat de Persoon oneindig was, of dat de smart wezenlijk oneindig was, wensen wij niet al te nieuwsgierig te bepalen. Dit is zeker, dat de oneindigheid van Zijn Persoon een oneindige waardij aan Zijn verdiensten gaf, zodat Hij een gemeente gekocht heeft met het bloed Gods. (Hand. 20:28). De Heere Jezus heeft zich voor Zijn gemeente overgegeven (Efeze 5:25, 26) en Hij heeft Zijn ziel gegeven tot een rantsoen voor velen. (Matth. 20:28; 1 Tim. 2:6.) Ik zie echter geen reden, waarom men het lijden van Christus als eindig zou moeten beschouwen, omdat Hij het in enige weinige dagen leed; dan toch zouden het werk Gods in de schepping van de wereld, het opwekken van doden, het doen van wonderen, eindige daden zijn, omdat zij in weinig tijd geschiedden.
Onze liefdeschuld aan Christus duurt eeuwig
Het is daarom niet te zeggen, wat een verplichting wij aan Jezus Christus hebben; liefde voor liefde is te weinig, omdat onze dauwdrup niet te vergelijken is bij de oneindige en uitgestrekte zee van Zijn tere liefde tot ons. Gelijk Christus Zich, volgens de wet, voor ons overgaf tot een oneindig rantsoen, zo bracht Hij ons onder een oneindige schuld van liefde en onderdanigheid aan Hem. Christus betaalde al onze wetschulden aan de oneindige rechtvaardigheid, maar wij zullen Hem nooit al onze liefde-schuld kunnen betalen. O hoeveel duizenden talenten zijn wij Christus schuldig! Omdat heerlijkheid een schuld van liefde tot Christus op ons legt, zal de schuld aan het Lam, aan Hem, die op de troon zit, hoe langer wij, miljoenen eeuwen door, de heerlijkheid van de hemel genieten, ook hoe langer hoe groter worden en tot in het oneindige vermeerderen. Lofzeggingen tot in eeuwigheid zal niets van de schuld afdoen. Weet, dat u de gezworen, oververschuldigde, geheel als in de schuld verdronken schuldenaars van Jezus bent.
Gebruik. Het lijden van Christus in Zijn verborgen lichaam duurt maar een uur of een avond, maar ‘s morgens is er gejuich; (Ps. 30:6) het duurt slechts een kleine tijd; (Openb. 6:11) drie dagen; (Hos. 6:2) het gezicht zal nog tot een bestemde tijd zijn, (Eng. een korte tijd) en zal niet achterblijven. (Hab. 2:3; Hebr. 10:37.) Het is maar een verdrukking van tien dagen, (Openb. 2:10) en wat korter is dan die alle, zeer haast, (Eng. een ogenblik) (2 Kor. 4:17) en het kortst van alles wordt het uitgedrukt in Jes. 54:7, een klein ogenblik. Al de geslachten van de eerstgeborenen, die in grote verdrukking waren, en in de baarmoeder en in de buik van de Rode Zee, zijn nu behouden overgekomen en goed aangeland; zij zijn nu als overwinnaars met het Lam, in witte klederen, voor de troon. Het uur is voorbij. Sommigen van hun zijn afgelost door levend verbrand te worden, anderen door het zwaard of door de muilen van de leeuwen. Jobs aangezicht is niet meer bemodderd van wenen; Davids ziel druipt niet meer weg van treurigheid. De laatste sporen van tranen van het schone aangezicht van Christus zijn nu al vijftienhonderd (ruim 1900) jaren geleden door de hand van Zijn Vader weggewassen en afgedroogd. Paulus is nu zijn "van buiten strijd en van binnen vrees, en het vonnis des doods" te boven. Alle martelaren zijn nu buiten het bereik van brandstapel, takkenbossen, pijnbank, galg en bijl. Wat zou Johannes de Doper nu nog over onthoofding denken, of Stefanus over dood gestenigd te worden? De striemen en wonden welke de apostelen geslagen zijn, als zij gegeseld werden om de naam van Jezus, zijn niet meer; er is nu in de hemel, geen zucht, geen traan, geen geschrei en geen dood meer, want de eerste dingen zijn weggegaan. Verdrukkingen duren maar kort, slechts een uurtje; het lijden van onze korte levenstijd zal spoedig over zijn; wij zijn dicht bij de kust. Onze korte winter zal spoedig voorbij zijn; wij hebben nog slechts een weinigje van de bittere dood te wachten. Het plechtige van het naderen van de dood, het geruis van zijn voet, van zijn akelige en vreselijke donkerheid, de stoet van kleine afbeeldingen van de dood, het pijn doen van de beenderen, de steken van het hart, de pijn in de zijde en dergelijke zachtjes voorbijgaande voorvallen en de naam van de dood zijn meer dan de dood zelf; en deze alle zullen spoedig voorbij zijn. Wij behoeven geen eeuwen of miljoenen jaren te lijden. Hij, Die een tijd bepaalde voor het lijden van het Hoofd Christus, heeft zoveel zandlopers en zoveel uren voor al ons lijden bestemd. De gal in onze drinkbeker moet ons door Gods Eigen hand worden toegemeten. Geen mens wordt gedood, geen huis verbrand, geen schram in het lichaam, geen wond wordt de arme krijgsknecht van Christus toegebracht, of zij zijn alle geteld; alles gaat bij onsen, logden en gewichtjes, die in de hemel worden toegewogen; er is een zuivere en nauwkeurige weegschaal in de hemel. Kruisig Christus, en doorboor Zijn zijde, maar geen been van Hem kan gebroken worden, hoewel er binnen de afstand van een spanlengte twee met gebroken beenderen naast Hem hangen. Werp Jozef in de kuil, maar hij zal er niet sterven. Werp Mozes, wanneer hij nog een kindje is, in de rivier, om daar te sterven, maar de dochter van Farao moet hem als een prins grootbrengen. Laat Job in zijn lichaam verdrukt worden, maar spaar zijn leven. Zet de apostelen in de gevangenis en gesel hen, maar er is eerst meer voor hen te doen, eer zij gedood worden. Maak van de inwoners van het koninkrijk Juda wenende ballingen in Babel, maar hun dorre beenderen zullen weer leven. Laat David hard gekastijd worden, maar hij kan niet ter dood worden overgegeven. (Ps. 118.) Laat Daniël een gevangene zijn en de leeuwen tot spijze worden voorgeworpen, maar hij moet verlost en geëerd worden. Stel een dag vast voor de vernietiging van de Joden onder Ahasveros, laat de dood worden beraamd en ontworpen, maar zij zullen niet sterven. Liefde, namelijk de liefde van Christus, Wiens zeven Geesten, vol van wijsheid, voor de troon zijn, is een rechte lijn, een zuivere maat, waarnaar de verzochte zielen alles wordt toegemeten, zodat niets hun kracht te boven gaat; geen last, die te zwaar is voor hun rug, geen vergif, niets dodelijks in hun drinkbeker, geen gal, boven hetgeen de maag verdragen kan.
O, verlosten, stelt uw hel in de handen van Christus’ liefde en geeft al uw bekommeringen aan Zijn wil over; ziet of Hij u verderven wil. Laat Christus er over beslissen, hoe uw drinkbeker bereid wordt en laat Vrije Genade Rechter, wat uw portie van Christus’ kruis zal zijn; al zou het kruis uw schouder kneuzen, het zal u niet vermorzelen. Als ik tien eeuwigheden van wel of wee had, dan dorst ik ze aan de ingewanden van Christus’ grenzeloze ontferming en vrije liefde in handen geven. Zou ik de eerste zijn, die Christus’ liefde te hooggeschat had, en zou Hij mij doden en verderven? Christus’ liefde is onfeilbaar en kan zich niet vergissen. Vaderlijke voorzienigheid bepaalt alles zo gelijkmatig, meet alles zo eerlijk toe en matigt alles zo liefelijk, dat de zwarte dood zoet gemaakt is met een witte hemel, en dat het somber graf een koninklijk paleis is voor een levende en overwinnende Koning. Appelen van het leven groeien aan het smartelijkste kruis, dat de heiligen hebben te dragen. De liefde van Christus heeft zachte en zijden vingers en die liefde meet ons de slagen toe. Zou liefde een Zoon van Gods liefde kunnen doden en verderven?
Wij moeten niet klagen, dat ons lijden zolang duurt
Het lijden van Christus en van de heiligen wordt bij uren toegemeten. God is de Schepper van de tijd, en Hij regelt het uurwerk. Mijn tijden zijn in Uw Hand. (Ps. 31.) Hoe lang Efraïm, die een halfgare koek is, in de oven zijn zal, is van eeuwigheid besloten. Doet uw droesem, uw schuim en uw verkeerd bloed weg, des te korter zult u de drank, die Christus u toedient, behoeven in te nemen. U meent, dat het lang duurt, eer de ure van Brittannië of de tien dagen pestilentie en het zwaard van Schotland, de ontvolking van Ierland, de oorlogen, verdeeldheden en nieuwe godslasteringen van Engeland voorbij en over zijn; doch al verliezen wij veel tijd en al hebben wij de dag van gisteren vaarwel gezegd, om die nooit terug te zien, toch gaat bij de Heere van de tijd geen ogenblik verloren. Indien u door kennismaking en gemeenzaamheid met het kruis goede vrienden mag worden en u het geduldig draagt; doet voor Christus wat u voor de tijd doen wilt; het eerste is een daad van genade, waarvoor de Heere u zal dankzeggen, het laatste is het werk van een vleselijk mens, en zal u geen dank doen oogsten. Het leven is u tot een last, wanneer het zo’n bitter en droevig geleide heeft, als zware verdrukkingen zijn; dan tuurt de ziel uit de vensters van de lemen gevangenis en zucht: "O, wanneer zal de cipier met de sleutels komen en deze gevangene in vrijheid stellen?" Doch waarom zoudt u onverenigd zijn met het doen van een Vriend, om de zaak van een vijand? Christus heeft die voor een tijd aan elkaar verbonden; het gezicht zal niet achterblijven. Christus reist u tegemoet; wacht op Hem, laat de lijdzaamheid haar volmaakt werk hebben; het is een bloem, die lang onder de aarde blijft; de tijd valt ons lang, welke verloopt tussen het zaaien van het graan en het zetten van de aar, nochtans heeft het geloof, een goede oogst.
Dat Christus’ dood bitter en somber was voor Hem en Zijn natuur en waarom
Deze ure.
Onder al de uren, die Christus doorleefde, was deze de droevigste.
Christus zag, dat Zijn leven in deze ure van Hem zou genomen worden. Het was betamelijk, dat Christus, Die een Mens was, ons in alles gelijk geworden, uitgenomen de zonde, in Zijn sterven geen stok zou zijn, maar dat Hij werkelijk pijn zou lijden en gevoel zou hebben van het verlies van Zijn leven. Christus had evenzeer natuur als elk mens, hoewel Hij geen verdorvenheid had, en het leven is een liefelijke erfenis en de natuur ervan is een uitnemend vrijgoed, waaruit niemand, vrijwillig en zonder zucht of traan, wil uitgeworpen worden, en de natuur van Christus was niet van koper of ijzer. Droefheid en treurigheid vonden een vriendelijk logies in Hem.
Hij bewoonde een lemen hut van vlees en bloed, evenals de kinderen deelachtig zijn, opdat Hij (Hebr. 2:15) verlossen zou al degenen, die met vrees des doods door al hun leven aan de dienstbaarheid onderworpen waren. Hij moest in onze natuur werkelijke vrees aandoen, om de heiligen van hebbelijke vrees te verlossen. De natuur kan, zonder afkeer en een gefronst voorhoofd, de dood niet vlak in het zwarte aangezicht zien. De martelaren konden de dood kussen, omdat de blijdschap van de hemel bij voorbaat, voor de vastgestelde dag, in hun ziel intrek nam, opdat zij de waarheid Gods zouden bevestigen; maar de dood heeft een zure beet en scherpe tanden, in weerwil van al zijn vriendelijke kussen. Bovendien moest Christus in het aangezicht van de dood miljoenen vloeken lezen, een vloek voor elk afzonderlijk mens, voor elke uitverkorene (Deut. 27:26; Gal. 3:10), meer vloeken dan miljoenen engelen met verschrikking zouden vervuld hebben. O, op het aangezicht van de dood, dat Christus nu werd voorgesteld, was een zwarte en akelige vertoning van de hel en duizendmaal duizenden doden in één afgetekend, en waar een somber, donker en dik gordijn over de hemel van Christus werd neergelaten, moet het wel een bittere kus geweest zijn, toen Hij Zijn heilige mond drukte op het zwarte aangezicht van de dood, zoals dat zich toen aan Hem vertoonde. Christus was in droeve ernst, toen hij zei (Matth. 26:38): "Mijn ziel is geheel bedroefd tot de dood toe."
Christus was even gevoelig voor pijn en voor de dood als enig mens
Christus had zeer bedaarde aandoeningen of genegenheden; Zijn ziel, die niet ontwricht was door de zonde, was in het sterven niet roekeloos of stout-leven-verkwistend, zodat Hij Zijn ziel zou wagen voor een stro, dat het zesde gebod verbiedt, maar Hij zag, dat sombere en bloedige rekeningen ten laste van Hem werden ingeleverd. O hoeveel duizenden zonden werden, door toerekening, al de Zijne gemaakt! Gerechtigheid droeg al de uitverkorenen aan Christus over, om hen allen, door plaatsvervanging, tot verheerlijking van vrije genade, te verlossen, tot geen lagere prijs, dan dat Christus Zijn ziel overgaf aan wat vreselijker was dan tienduizend miljoenen gewone doden. Christus moest de hemel voor al de Zijnen, met de zwaarste kosten, verdienen, met niets minder dan het edele en allesovertreffende leven en bloed van God; zo’n som werd, voor of na, nooit in de hemel neergeteld.
Gods toorn tegen Christus ontbrand
Dit uur was van groot gewicht, in betrekking tot de tegenstand, welke Christus ondervond; drie legers trokken tegen Hem op, de hemel, de hel en de aarde. Geen vijandschap van de mensen, geen wederpartijders kunnen iemand wezenlijk ellendig maken, dan God alleen. Er is een grote scherpte en nadruk in die woorden: "Mijn God, Mijn God, waarom hebt Gij Mij verlaten?" Geen punt, geen letter kan er in gemist worden, zij zijn zo vol en nadrukkelijk.
"Mijn God, Mijn God." Van de engelen verlaten te worden is niets; dat mensen, alle mensen, vrienden, al mijn boezemvrienden mij verlaten is weinig; die doen meer dan verlaten, zij hebben een gruwel aan hun vriend Job; (Job. 19:19) dat vader en moeder en al de kinderen van mijn moeder mij verlaten valt zwaar, doch is te dragen; (Ps. 27:10; Ps. 31:12; Ps. 88:19.) ja, dat mijn hart en mijn vlees mij verlaten is iets, dat allen mensen kan overkomen; (Ps. 73:26) maar dat God een mens verlaat is vreselijk.
Indien Hij een God is, Die met mij in verbond is, beide God en ook mijn God; dat is een teer woord, dat zwanger is van liefde; indien Hij ons verlaat, dat valt zwaar. Wanneer, wat het onze is, ons verlaat, dan kunnen wij het de gehele wereld vergeven, dat zij ons verlaat.
In verlaten ligt iets zeer nadrukkelijks; het wordt wel genomen voor onvriendelijkheid en verandering van hart en liefde, maar dit is met het geloof in strijd, zodat Christus dit zo niet kon opvatten; de Heere kan niet veranderen, Christus kon zo’n godslastering niet geloven en nochtans stelde de uiterste hevigheid van zo’n droeve toestand in zoverre aan het menselijk, onzondig en oprecht verstand van Christus een verandering van bedeling voor.
"Mij", waarom hebt Gij Mij verlaten, de Zoon van Uw liefde, uw eniggeboren Zoon, de Heere der heerlijkheid, die nooit tegen U zondigde. De betrekking, waarin Christus tot God stond was wonderlijk; Hij was als de zondaar, zonde voor ons gemaakt; in deze strijd, is de grimmigheid van een leeuw en een luipaard niets, (Hos. 13:7,8) en het scheuren van het slot van het hart, van het net, dat langs het hart ligt, slechts een zwakke voorstelling van pijn, daarbij vergeleken, dat de Heere als een Reus in toorn en grimmigheid op een mens aanloopt. De hel en alle machten van de duisternis liepen in dit uur op Christus aan. (Kol. 2:14,15). De gehele aarde, en Zijn liefste vrienden stonden van ver in Zijn ellende; er was geen strand op aarde om deze Schipbreukeling op te nemen.
Het was ook een droevig uur, ten opzichte van wat Christus ontnomen werd; dat ik wens, dat u zo zult aanmerken:
Het meest geestelijke leven, dat ooit was, het leven van Hem, Die, in een personele vereniging, God zag en genoot, werd met een sluier bedekt.
Het bezit werd in vele opzichten verminderd, doch in jure, in rechte en in de grondslag niet weggenomen.
Het gevoel en de dadelijke genieting van God, door zien, was met een wolk bedekt, maar het leven in de bron was veilig in de gezegende vereniging.
De vreselijkste uitwerkingen waren hier, daarin, dat de Zoon van God werd verbroken, verbrijzeld en vermalen tussen de molenstenen van goddelijke toorn. Doch de oneindige liefde en het hart van God tot Christus bleven dezelfde zonder enige schaduw van verandering of omkering. Gods hand was tegen Christus; Zijn hart was voor Hem.
Daarom kwam Zijn smartelijkst lijden Hem over door goddelijke bedeling en toediening. God kon de Zoon van Zijn liefde niet haten, maar in een vrije bedeling vervolgde Hij de Borg en had Hij de Zoon van God lief.
De personele vereniging in het lijden niet ontbonden
Het kan niet bepaald worden, wat die muur van afscheiding, dat deksel, die sluier was, welke tussen de twee verenigde naturen doorging, terwijl toch de personele vereniging van de twee naturen bleef; hoe de Godheid Zijn goddelijke en zielverheugende invloed introk, en de Mens Christus, tot een volkomen voldoening van de goddelijke rechtvaardigheid tot op de bodem van de hoogste en diepste smart van het lijden inging. Zo is het gemakkelijk te bevatten, hoe het lichaam in de dood tot stof en kwalijk riekend leem terugkeert en toch de ziel niet straft, maar het is iets anders, te begrijpen, hoe daarin de ziel niet lijdt en geen smart heeft. Hoe een vogel, wanneer een glas van de kooi met groot geraas breekt, niet gedood wordt, maar er uitvliegt en ontkomt en zingt is te begrijpen, doch het is moeilijker te bevatten, hoe de vogel geen letsel zou bekomen of niet hevig verschrikt worden. Het is goed te verstaan, dat schipbreukelingen, wanneer het schip in honderd stukken geslagen wordt, naar land zwemmen en leven, maar dat zij in het minst niet verschrikt zouden zijn en het water niet aanroeren en toch levend aan wal komen, is niet zo gemakkelijk in te denken; ja, dat de ziel, in de dood, met het lichaam verenigd zou blijven; dat het schip zinken zou, en de passagiers in het schip blijven en niet verdrinken, is iets vreemds. De Heere leed en stierf; het schip werd verbroken en zonk, ziel en lichaam scheidden en toch bleef de Godheid in een personele vereniging één met de Mensheid, evenals onze ziel en ons lichaam samenblijven, zolang wij als volkomen personen leven en bestaan.
Christus droeg het gehele kruis, wij dragen er maar stukjes van
1e Gebruik. Christus heeft in deze sombere uren veel voor ons geleden; Hij heeft de hel tot de bodem toe leeggedronken, zodat er geen hel voor ons overblijft. Jezus, de overste Leidsman en Voleinder van het geloof, heeft niet alleen zoveel van het kruis geleden, maar Hij heeft het gehele kruis geleden; Hij heeft het kruis verdragen en de schande veracht. In de grondtaal staan de woorden, zonder dat er een lidwoord in voorkomt. Dat wil zeggen dat Hij geen kruis, geen schande, om door ons geleden te worden, overgelaten heeft. In Filip. 2:8 staat, dat "Hij de Vader gehoorzaam geworden is", en dan verder, "tot de dood, ja tot de dood des kruises". Dit geeft ons te kennen, dat Christus zoveel voor ons geleden heeft, dat Hij het grote kruis met Zich naar de hemel genomen heeft, en dat Hij, als het ware, de grote dood met Zich opgevoerd en niets of maar zeer weinig te lijden overgelaten heeft. Christus heeft ook inderdaad nooit ontkend, maar wel bevestigd, dat het Hem betaamde te sterven; doch van de gelovige ontleent Hij uitdrukkelijk, dat Hij sterven zal, en wel met twee ontkenningen: (Joh. 11:26) "Hij zal niet sterven in der eeuwigheid", of, "hij zal nooit op enigerlei manier sterven"; en ten opzichte van ons lijden noemt Paulus het: (Kol. 1:24) de overblijfselen, wat achterblijft, de droesem, de nadruipingen van het lijden van Christus, de teugjes en dauwdruppelen, die op de bodem van de beker achterbleven, toen Christus de drinkbeker geheel had leeggedronken. Zodanig zijn onze verdrukkingen, en vergeleken met wat Christus leed zijn het maar beetjes, brokstukjes en deeltjes dood, welke wij lijden, want de eerste dood, die de heiligen ondergaan, is maar de helft en verreweg de kleinste helft van de dood, het is maar de mond, het buitenportaal van de dood. De tweede dood, die Christus voor ons onderging, is alleen de dood, doch de macht en de heerschappij van de dood is weggenomen. Waarom murmureert en klaagt u dan, en kwelt u zichzelf onder de verdrukkingen, daar u toch maar kleine wiggen, pennen en spaanders van het kruis te dragen hebt. Uw Heere Jezus droeg voor u het grote en enige kruis; dat kruis, dat dood, schande en het kruis is, en als alles overtreffend zo genoemd wordt. Het is waar, de bruid van Christus heeft van het begin van de wereld en nu al 1600 (ruim 1900) jaren van de tijd van Christus af, uitgeschreeuwd als een vrouw, die in barensnood is van een mannelijke zoon, terwijl de draak haar van nabij vervolgt, en nog is zij niet te bed gebracht. "Heere Jezus, wanneer zal het Kind geboren en uw bruid verlost worden!" Toch is deze kwaal niet dodelijk, want (Jes. 66:8, Eng. Vert.) "zodra als Sion weeën gekregen heeft, heeft zij haar Kind gebaard’. Al haar schaduwen van lijden zullen ras voorbij zijn; de bruid kan niet sterven van barenswee; Christus zal zowel het leven van de Moeder als het Kind behoeden.
Een ziel heeft grote waarde bij God, doch wij kennen haar waarde niet
2e Gebruik. De zonde is een duur iets. In de hemel is het in het rekenboek van de gerechtigheid aangetekend, dat zij met niet minder betaald kan worden dan met het bloed Gods, met de schande van de Heere der heerlijkheid. Gerechtigheid kon er op het smeken van de gehele wereld en op de gebeden van Christus niet het minste afdoen. De ziel van de mens is een duur iets. Ruiling van goederen, van zijde, purper en fijn linnen voor saffieren, diamanten, robijnen en andere edelgesteenten is veel, maar dat men die in ruil ontvangt voor goederen van minder soort is meer; en dat scheepsladingen van het goud van Ofir gegeven worden voor brood en andere dagelijks voorkomende dingen, is een goede ruil; maar de prijs of waarde van de zielen, die, sedert God de mens op aarde gesteld heeft, niet gerezen of gedaald is, is altijd hoger dan een wereld, (Matth. 16:26) "Wat baat een mens alles, zo hij zijn ziel verliest?"
God wil voor de zielen geen zijde, purper, saffieren, robijnen, noch vloten vol fijn goud of welke verderfelijke dingen ook, aannemen (1 Petr. 1:18). De prijs is een en dezelfde; niet meer dan eenmaal werden zielen gekocht, verkocht, verhandeld en vrijgekocht, en de prijs is vastgesteld op de ziel en het bloed van de Heere des levens (Job 27:8). "Wat is de verwachting des huichelaars, als hij zal gierig geweest zijn, wanneer God zijn ziel zal uittrekken?" Laat hem zijn rekening opmaken en zijn kosten berekenen; het zal blijken, dat hij een arm mens is, een mens zonder een ziel.
Wat zijn wij toch dwaze schepselen, dat wij dagelijks onze zielen verkopen tot een prijs, zover beneden die, welke de Heere vastgesteld heeft. Wanneer iemand een heerlijkheid bezat, die hem jaarlijks vele duizenden opbracht en hij bezwaarde die voor een geringe som, voor enige stuivers of voor een nacht slapen in een strobed, onder verbintenis, die niet vrij te maken; wat een doorbrenger zou dat zijn; zou hij niet waard zijn te moeten bedelen? Satan gaat de wereld door en hij geeft enkele stuivers in handen. O wat droevige afrekening zal dat zijn, wanneer de duivel, de bedriegende schuldeiser, bij nacht, zijn tegenrekening komt indienen, met een: "Betaal mij voor uw zoete lusten, welke ik u gegeven heb; voldoe mijn rekening voor uw ijdel zweren, uw leugens, onderdrukkingen, bedriegerijen, uw bondsbreuk, uw onrechtvaardig oordelen, uw laten verhongeren en uw vermoorden van de weduwen en de wezen, uw inhouden van de bezoldiging van de krijgsknecht en uw wegvlieden van Christus en van de reformatie.; en met de prijs beroept hij zich op God, de prijs is bekend. Satan kan niet van de prijs afdoen; hij moet uw ziel hebben en binnen enkele dagen ook het lichaam. Is dit wijsheid, de hel te verdienen en een edele ziel weg te werpen voor een stro?
De sterkte van de liefde van Christus
3e Gebruik. Wat moeten wij voor Christus geven; welke banden van liefde heeft Hij op ons gelegd, die de hemel tot zo’n dure prijs voor ons verworven heeft? Ik wens alleen de volgende aanmerkingen ter overweging te geven.
Gelijk God maar één Zoon had, een eniggeboren Zoon, en Die voor zondaren gaf; zo had Christus tweeërlei liefde, één als God en een andere als Mens, welke Hij beide aan ons heeft bekend gemaakt; ook had Hij tweeërlei heerlijkheid, één als God en één als Mens en Middelaar; de ene was voor ons verdonkerd, Hij ontledigde Zich van een zee van heerlijkheid voor ons, Hij goot die voor ons uit, en wat Zijn andere heerlijkheid betreft, Hij legde die als het ware in de hel neer en onderging oneindige toorn voor ons.
Hij ging in de dood en in het graf, maakte Zijn testament en vermaakte Zijn liefde, genade en vrede aan ons.
"Geen mens heeft groter liefde dan deze", maar Hij zegt niet: "geen God heeft groter liefde dan deze". Dat God zoveel liefde tot mensen uitliet is het wonder van de wereld en van de hemel. Wij mogen in staat zijn, woorden te bedenken, om de schepselen uit te schilderen, zodat de beschrijving de zaak overtreft, maar al zouden de engelen ons komen helpen, woorden te vinden, om de liefde van Christus uit te drukken, dan zouden die altijd ver blijven beneden hetgeen Christus is.
"Ziet de mens", zei een vijand van Christus, doch ziet Hem, Die meer is dan een mens, ziet de Heere in de hof, dikke droppelen en vloeden van liefde, uit Zijn heilig lichaam, uitzwetende, die afdruipen en neervloeien op zondaren van leem. Mensen en engelen, komt, ziet en verwondert u en aanbidt.
Liefde was het koninklijk geschut, waarmee Hij al de sterkten van de hel plat schoot en over overheden en machten triomfeerde. Christus was tegen het oordeel bestand; Hij verdroeg de toorn Gods en werd niet vernietigd; Hij was bestand tegen de hel en het graf, Hij leed en stond weer op, maar Hij was (om die uitdrukking eens te gebruiken) niet tegen liefde bestand, Hij was niet alleen krank van liefde tot Zijn gemeente, maar krank tot de dood toe, en Hij stierf voor Zijn vrienden. (Hoogl. 2:4). Liefde was Zijn banier over Zijn gemeente. Heiligen, schaart u onder ede onder Zijn vlag; leeft en sterft met Christus; neemt Christus in de ene arm en Zijn zaak en Zijn Evangelie in de andere, en stelt uw leven tussen die beide en zegt tot alle vijanden: "Als u er één neemt, neemt dan alles." Het binnenste van Christus’ koets is bespreid met de liefde van de dochteren Jeruzalems. (Hoogl. 3:10). De koninklijke stoel van Christus, waarin Hij, als een Overwinnaar, de wereld rond gedragen wordt, (Openb. 6:1) zowel in het Evangelie als in de zielen van Zijn kinderen, is liefde. Uit het gevoel hiervan zou het ons zaligst leven zijn, met Christus te leven en Hem te lieven, want Hij heeft de liefde, het hart en de schatten van Gods kinderen meegevoerd naar de hemel, zodat al het onze bij Hem is, buiten het bereik van de tijd.
Onze dood is door Christus zijn bitterheid ontnomen
Wij hebben de dood niet uitermate te vrezen en de hel geheel niet. Christus had, ons tot troost, beide te vrezen; Hij heeft het ergste van de dood weggenomen.
Hij heeft de hel en de zonde overwonnen en nu blijft voor ons slechts de buitenkant van de dood over.
De gelovige sterft maar half en ligt in zwijm, of liever: hij slaapt in het graf.
Hij sterft, omdat hij begeert met Christus te zijn, meer krachtens zijn wil, dan krachtens natuur of noodzakelijkheid.
Gelijk sterven en lijden de drinkbeker was, die Christus dronk, zo moeten wij de drinkbeker des te liever hebben, die Christus’ lippen hebben aangeraakt en waarin Hij de geur van de adem van de Heilige Geest achterliet. In gewone herbergen, langs de weg, slapen vorsten en gewone reizigers allen in hetzelfde bed; het beddengoed mag verwisseld worden, maar het bed is hetzelfde. Christus smaakte de dood voor ons, maar in Zijn beker was gal, die niet in de onze is; de alsem, waarmee de drinkbeker van Christus was vermengd, was bitter van toorn; de onze is zoet gemaakt met vertroostingen.
Al de heiligen zijn Christus’ schuldenaren voor oneindige liefde. Wanneer wij de Heilige Geest, Die door Christus verworven is, bedroeven, dan doen wij opnieuw Zijn wonden bloeden en getuigen daarmede, dat het ons spijt, dat Christus zoveel voor ons geleden heeft. De Vader heeft gezworen en het zal Hem niet berouwen, dat Christus Priester is in eeuwigheid en Hij heeft besloten, dat Zijn bloed van eeuwige waarde zijn zal. Waar nu de Vader dit zweert, is Christus dezelfde God met de Vader en zweert Hij, dat naar Zijn mening Zijn bloed goed besteed is en dat Hij het gekochte nooit wil overgeven. Zijn bruid, zo duur gekocht, is Zijn bruid en Zijn voorbidding in de hemel spreekt Zijn hartelijk Amen uit en is in de volkomenste overstemming met Zijn verlossende liefde.
Dit alles werd door Christus om niet gedaan. Genade viel, door loutere genade, op het schepsel. Genade is het enige genadeloos.
Toen de Eeuwige Liefde eerst op zondaren neerzag, heeft de Heere gezien en voorgezien, hoe zwart en lelijk wij waren; maar Christus had ons lief, niet overeenkomstig hetgeen wij waren, maar ziende op hetgeen genade en liefde ons maken zou, namelijk schoon en vlekkeloos. Deze liefde was zo vrij in de verborgenheid van de eeuwige verkiezing, dat zij door de dood en de verdiensten van Christus niet vermeerderd werd, maar de verdiensten, de dood en de vrucht van deze liefde, hadden aanzijn en waarde door Christus’ eeuwige liefde en de liefde van Christus had geen andere bron en oorzaak dan liefde.
De wet van de dankbaarheid verbindt ons, Christus lief te hebben, omdat Hij ons heeft lief gehad. Indien de liefde van Christus in ons is, dan werkt zij niet om verdienste of loon, (zodat de Vrijgeesten de liefde van Christus, uit vrees daarvoor, niet van het doen behoeven los te maken,) maar liefde doet alles ingevolge de schuld van de liefde en verschuldigde uitingen van liefde, welke de wet niet uitsluit, maar het gestrenge vloeken en het heerszuchtig gebieden van de wet buitensluit. De liefde tot Christus is ten zeerste gebiedend, maar geen loondienaar; zij ziet niet op het loon, maar op de om niet te ontvangen kroon.
Christus’ wil is ondergeschikt aan Gods wil. Tegenwerpingen opgelost
Maar hierom ben Ik in deze ure gekomen
Hier is het vijfde gedeelte, dat in dit gebed voorkomt. Het is een soort bestraffing van zichzelf, waarin Christus Zijn wil als mens aan de wil van God onderwerpt, evenals in Matth. 26:39 en Luk. 22:42, "doch niet gelijk Ik wil, maar gelijk Gij wilt"
Hierin komt ons een vraag voor, namelijk, of er in dit gebed enigerlei afkerigheid in de menselijke wil van Christus was van de wil van God. Aangezien toch 1e een bestraffing van de menselijke wil een onverenigheid en strijd schijnt te kennen te geven; 2e hetgeen Christus begeerde het tegendeel was van wat Hij wist, dat van eeuwigheid bij God besloten was, en 3e de wet van God zo geestelijk, recht en heilig is, dat zij niet alleen een gelijkvormigheid met zich vereist in onze wil en in onze daden, woorden en voornemens, maar ook in al onze genegenheden, begeerten, opkomende bewegingen en neigingen van ons hart; dat zij eist, dat geen onvolkomen en half gevormde begeerlijkheden in ons opkomen, zelfs voordat zij de volle toestemming van onze wil verkregen hebben, om de bekende wet en het gebod Gods te dwarsbomen of te overdwarsen en dus in strijd komen met: "Gij zult niet begeren. (Rom. 7) en met de plicht van de hoogste liefde, welke wij God verschuldigd zijn, Hem lief te hebben uit geheel ons hart en uit geheel onze ziel en uit geheel ons verstand en uit geheel onze kracht. (Matth. 22:37; Mark. 12:33; Luk. 10:27.) Sommige Arianen en Arminianen, Joh. Geysteranus in de Synode van Dordrecht hebben godslasterlijk gezegd, dat in de tweede Adam zowel als in de eerste Adam begeerlijkheid was en een wil, die afkerig was van de wil van God. Zij spraken dit tegen de medezelfstandigheid en de godheid van de Zoon van God. Hierop zeggen wij: I. Jezus Christus, "dat heilige" (Luk. 1:35), was een gepaste Hogepriester, heilig, onnozel, onbesmet, afgescheiden van de zondaren. (Hebr. 7:26.) "Wie van u", zegt Jezus Christus tot de Joden, "overtuigt Mij van zonde?" (Joh. 8:46.) Er kon geen gebrek zijn in dit Lam, Dat opgeofferd is voor de zonden van de wereld, geen prikkel aan deze Roos, geen duisterheid in deze schon