Christus stervende en

zondaren tot Zich trekkende

– of –

een beschouwing van onze Zaligmaker in Zijn zielelijden, Zijn liefelijkheid in Zijn dood en wat die hebben teweeggebracht,
waarin sommige gevallen van zielsonrust in zwakgelovigen en gronden van onderwerping onder de afwezigheid van Christus, met de ebben en vloeden van vrije genade, zijn opengelegd. Verhandeld in leerredenen over het Evangelie van Johannes, hoofdstuk 12:27-33. Hier zijn ook enige noodzakelijke afwijkingen tussengevoegd, overeenkomstig de gelegenheid van de tijd, nopens verschillende dwalingen van de Antinomianen en een korte verdediging van de leer van de Protestanten tegen de algemene bewering van de Arminianen, dat Christus voor allen en een ieder van de mensenkinderen gestorven is; de moraal en het voorstaan van de wederstandelijke bekering van zondaren, en welk geloof van allen in de zichtbare kerk vereist wordt, om het gemis waarvan velen veroordeeld zijn.

– door –

Samuel Rutherford,

Evangeliedienaar en Professor in de Godgeleerdheid aan de Universiteit te St. Andrews in Schotland.

 

Spr. 30:4. Hoe is Zijn Naam, en hoe is de Naam Zijns Zoons, zo gij het weet?

Jesaja 53:8. Hij is uit den angst en uit het gericht weggenomen; en wie zal Zijn leeftijd uitspreken?

eerste deel

 

Inhoud

Voorwoord van de vertaler *

Aan de verstandige en godvruchtige lezer *

Johannes 12 *

Opening van de woorden *

Het is goed, dat wij ons lijden overwegen, eer het komt *

De delen van de tekst *

Vijf bijzonderheden in de zielsontroering van Christus *

De volmaaktheid van de aandoeningen van Christus *

Hoe zuiver en hemels de aandoeningen van Christus zijn *

Onze aandoeningen zijn bemodderd *

Welke vrede Christus had in Zijn zielsontroering *

Een ontroerde ziel bestaanbaar met de personele vereniging. Hoe dit zijn moet en hoe dit zijn kan *

God vorderde de voldoening voor de zonde niet krachtens noodzakelijkheid van Zijn natuur *

Hoe beminnelijk de weg van de genade is *

Christus in zielsontroering, en nochtans de vereniging van de twee naturen niet ontbonden *

De Familisten leren, dat Christus vlees geworden is in de gelovigen *

Christus leed in Zijn ziel een zuiver zielelijden, en niet alleen door de vereniging van de ziel met het lichaam *

De dierbare ziel van Christus was aan lijden onderhevig *

Wij moeten de dood in lijdzaamheid verdragen, ziende, dat ook Christus gestorven is *

Het is geen wonder, dat alle dingen aan verandering onderhevig zijn, als zelfs Christus’ ziel ontroerd was *

Wat een liefde het in Christus was Zich in onze plaats te stellen *

Christus overrekende de kosten en zag, wat Hij in Zijn lijden voor ons moest uitgeven en zou ontvangen *

De weg van de liefde, om mensen zalig te maken *

Onze weekheid en eigenwijsheid onder het lijden *

Ons verkeerd beoordelen van God, onder het kruis *

De koelheid van onze liefde tot Christus *

Evangelische liefde overtreft wettische liefde *

Zonden tegen liefde begaan zijn wondend *

Wat een wegens de zonde ontroerde ziel is *

Dat Christus onder een wolk was, maakte Zijn zielsontroering ongeëvenaard groot *

Christus moest Zijn bloed storten voor de zonde, als zonde *

Zo vol als Christus was van de tegenwoordigheid van de Godheid zo krachtig was Zijn liefde *

Antinomiaanse dwalingen betreffende de natuur van de zonde *

Antinomiaanse dwalingen aangaande twijfelingen, droefheid over de zonde, belijdenis van zonde, enz. *

Het Libertinisme van Dr. Crispe, dat Paulus in Rom. 7 de persoon van een bezwaard mens voorstelt, om over de zonde bedroefd te zijn, die te vrezen en te belijden. Dezelfde dwaling bij Mr. Archer *

Ontroering wegens de zonde, uit ongeloof, is zondig *

Enige vlagen van de kwaal van de geest van de dienstbaarheid kunnen zich herhalen en een gelovige ontroeren *

Liefde- jaloersheden en twijfelingen wijzen er op, dat er geloof is *

Twijfelen kan met geloof bestaan *

Gevaarlijke en onrechtzinnige stellingen van de Vrijgeesten betreffende ontroering over de zonde in de gerechtvaardigden *

Twijfelingen zijn geen bewijs, dat een ziel onder het verbond der werken is *

De onder het Oude Testament gerechtvaardigde Joden konden evenzeer zielsontroering wegens de zonde onderhevig zijn als wij. Zij en wij zijn door dezelfde genade gerechtvaardigd *

Ontroering over de zonde is en behoort ook te zijn in hen die van de verplichting tot eeuwige toorn verlost zijn *

Van nature ontroert de wet ons niet *

Hoe de heiligen na de zonde meer behoefte aan blijdschap hebben, dan na verdrukkingen *

De zonde wordt op andere wijze vergeven dan door de wegneming van de verplichting tot eeuwige toorn *

De dubbelhartigheid van de Antinomiaanse predikanten in, in het openbaar, de zonden te belijden, welke een belijdenis is, alleen in betrekking tot ongelovigen, die onder de gelovigen vermengd zijn *

Tweeërlei vergeving van zonde. 1e Een wegneming van eeuwige, en 2e van tijdelijke toorn *

Zonde wordt soms genomen in plaats van tijdelijke straf, en het wegnemen van tijdelijke straf is in de zin van de Schrift vergeving van zonde *

Zielsontroeringen moeten in duivelen en mensen hooggaande zijn *

Het geweten is de hevigste vijandin van de mens. De verschrikkingen van een kwaad geweten *

Onderscheid tussen de zielskwelling van de verdoemden en van de heiligen, in drie merktekenen verklaard *

God straft soms de zonden Zijner kinderen met geestelijke straffen *

Christus’ zielsontroering verschilt van de onze *

De oorzaken van ziels-verlatingen. Ziels-verlatingen verscherpt door gevoel *

Verlatingen na duidelijke en volle openbaringen van God *

Verlatingen in drieërlei opzicht overwogen *

Lijdzaamheid, een vereiste onder zielsontroering *

Wij zijn, gerechtvaardigd zijnde, niet zo van de zonde vrij gemaakt, dat er geen grond van afstand meer is tussen de Heere en ons *

Wij hebben van nature verkeerde gedachten van Christus *

De zonde is niet altijd de oorzaak van verlating *

Uitwendige, zware oordelen en ziels-verlatingen zijn niet opvoedkundig, maar zij zijn aan alle heiligen onder het Nieuwe Testament gemeenschappelijk *

Werkelijke verlating is niet onze zonde, maar een beproeving van de Heere *

Verlatingen komen meer voor bij de heiligen, dan bij de onwedergeborenen *

De verlating van Christus is van een andere natuur dan de onze *

Verlating is geen zwaarmoedigheid *

De onderscheiden bedeling van God met de zielen, die Hij ten hemel leidt *

Verschillende oorzaken van verlating *

Herhaalde openbaringen van Christus noodzakelijk *

Verschillende redenen, waarom wij niet moeten morren over de goddelijke bedeling in verlating *

Gods openbaringen zijn van Zichzelf en ten hoogste vrij *

Onderwerping en een zacht oordeel omtrent Gods bedelingen vereist *

In verlating hebben wij de krachtigste en verschrikkelijkste bevattingen, wegens de duisterheid van het gemoed *

Satan kan onze bevattingen doen oprijzen tot gezwollen gedachten van Gods bedeling, als te zwaar voor ons, om te dragen *

Onze liefde wordt geslingerd door jaloersheid en wantrouwen. De goddelijke bedeling is onze regel niet *

Het ongeloof is ontevreden. In verlating wordt veel aan de staat getwijfeld, doch noch meer aan Christus *

In verlating beoordelen wij onze daden dikwijls verkeerd *

Antinomiaanse misvatting omtrent angst wegens de zonde *

Wij mogen naar de afwezige Christus verlangen, maar Hem niet verkeerd beoordelen *

Verscheidene aanmerkelijke redenen voor de afwezigheid van Christus *

Verkeerde beoordeling is een bewijs van een weke natuur en een zwak oordeel *

De heiligen moeten een verzwaring van het kruis verwachten *

Een zwaarder wordend kruis vereist versterking van het geloof *

Beangstheid in Christus. Een onzondig vergeten in Christus *

Hoe de gevoelige aandoeningen van Christus onder een wet waren. Welk groot verlies Christus leed *

De personele vereniging verhinderde de werkingen niet van de onzondige, menselijke zwakheden *

De beangstheid van Christus was onzondig *

De verlating, waaronder Christus’ ziel was, moet niet misvat worden. De verlating van Christus was wezenlijk *

Het verspillen van onze aandoeningen, een rechterlijke bedeling van God *

Hoe Christus verlaten was *

De zondaar staat onbeholpen onder het oordeel *

Niemand zal huichelen in de hel en in het laatste oordeel *

Een ontwaakt geweten maakt sprakeloos *

Drie eisen van de rechtvaardigheid tegen Christus ingebracht *

In benauwdheid is de hulp dichterbij dan wij vermoeden *

Christus maakte in benauwdheid, in ons belang, gebruik van het geloof. De doodsgreep van Christus *

Twijfelingen wegens het gemis van vereisten, en hoe dit te genezen *

Twee verkeerde wegen ter genezing van de twijfeling, of de ziel wel in Christus is *

Te willen bewijzen, dat er geen geloof is, wegens de zwakke verrichting van de plichten, is geen rechte redenering *

In hoeverre een zondige wandel bewijs is van geen geloof *

Antinomiaanse twijfelingen, betreffende de geestelijke staat van de ziel, onderzocht en weerlegd *

De onveranderlijkheid van Gods liefde is niet zo’n grond, dat niet menigten mogen betwijfelen of zij wel in Christus zijn *

Saltmarsh over dit punt onderzocht *

Een noodzakelijkheid van inwendige bewijzen en kenmerken voor twijfelende zielen *

Hoe God Zijn Zoon, Christus, en gelovigen met dezelfde liefde liefheeft *

In hoeverre heiligmaking een blijk kan zijn, dat een ziel in Christus is *

Wij mogen besluiten, dat waar geen heiligmaking is, ook geen rechtvaardigmaking is *

De Protestanten stellen, dat doding en bekering iets anders zijn dan geloof *

Wedergeboorte en rechtvaardigmaking zijn niet hetzelfde. De Antinomiaanse doding is een begoocheling *

Waaruit zich in ons openbaart, dat wij vergeving ontvangen hebben *

De Antinomianen ontkennen alle innerlijke heiligheid *

Waaruit wij kunnen zien, dat wij genade in ons hebben *

In zichzelf niets te zijn en niets te hebben verhoogt de waarde van Christus *

Hoe leraars moeten handelen met bekommerde zielen *

Wij moeten meer Christus verkiezen dan Zijn vertroostingen *

Onder zielsontroeringen moeten wij niet ophouden met doen, meer wij moeten er niet op vertrouwen *

Liefde-jaloersheden onder verlating *

Verlatingen hebben hun tijd *

Christus vergoedt Zijn afwezigheid met dubbele liefdebewijzen *

Werken van heiligmaking, al zijn zij nog zo bezoedeld, kunnen een grondslag zijn voor verzekering *

Wij weten niet altijd, dat wij geloven *

Wij hebben behoefte aan dadelijke invloed van genade, om door de weeromstuitende daad onze geestelijke staat te kennen *

Het getuigenis van de heiligmaking is soms duister *

Plichten, welke in het geloof verricht worden, zijn niet strijdig met genade *

Het is moeilijk, in verlating vertroost te worden *

Het gevoel van Christus’ afwezigheid is niet weg te redeneren *

Niemand, die in de heerlijkheid is, kan beantwoorden aan hetgeen hij schuldig is *

Wij moeten onder verlating niet met God twisten *

Wij kunnen in dit leven de volheid van de heerlijkheid niet dragen *

Het verlangen neer Christus is het krachtigst, als Hij afwezig is *

De verlangende ziel moet Christus terug bidden *

Christus’ liefde is niet heerszuchtig *

De wederkomst des Heeren na een droevige verlating is verblijdend *

Hoe nabij Christus is in verlating *

Christus vergeeft liefde-dwalingen en straft die zelden *

Het is een leugen, wat Saltmarsh zegt, dat niemand zijn geloof in twijfel moet trekken *

Wij moeten geloven volgens Christus’ patroon, niet volgens het onze *

De heiligen kunnen twijfelen, of zij wel geloven *

Het twijfelen van gelovigen bewijst niet, dat zij onder de wet zijn *

Heiligmaking is op zichzelf een onfeilbaar bewijs van rechtvaardigmaking, doch het is dat niet altijd voor ons *

Hoe de daden van heiligmaking bewijzen, dat wij geloven. De verzekering kan uit andere kenmerken voortvloeien, dan uit het onmiddellijk getuigenis van de Geest *

Het inwendig getuigenis van de Geest. De Heilige Geest spreekt door kenmerken *

Hoe de Antinomianen de klaarblijkelijkheid uit de kenmerken en uit het geloof met elkaar vergelijken *

Trappen van de vrijheid van de genade *

De Antinomiaanse ontkenning van een voorbereiding moet Pelagiaans zijn *

Het groot-zegel van de Geest sluit niet alle twijfeling uit *

Twijfel aan de waarheid van ons geloof is niet dat ongeloof, dat ons van de hemelse rust uitsluit *

Dat wij de rechtvaardigmaking uit de heiligmaking kunnen weten, bewezen *

Werken, die in het geloof gedaan zijn, zijn geen twijfelachtige blijken van de rechtvaardigmaking *

De werken kunnen het geloof bewijzen, en het geloof, dat de werken in Christus gedaan zijn *

Hoe heiligmaking de rechtvaardigmaking bewijst *

Hoeveel de vrede uit de rechtvaardigmaking van die uit de heiligmaking verschilt. Verzekerd te zijn van rechtvaardigheid en te weten, dat wij in die staat zijn, zijn twee onderscheiden zaken *

Mr. Cornwell bewijst; wat geen punt in kwestie is *

Vele zaken zijn de onze, zowel krachtens belofte-schuld als uit genade *

Voorwaardelijke Evangelie-beloften bewijzen vrije genade en niet schuld *

Evangelie-beloften gedaan op daden van heiligmaking *

De Antinomianen ontkennen alle voorwaardelijke beloften *

Welk soort geloof in Christus was. Hoe er geloof van afhankelijkheid in Christus was *

Het niet aanschouwen van God kan met persoonlijke vereniging bestaan *

Een wonderlijke voorzienigheid, waartoe Christus gebracht werd: "o God, verlos Mij" *

Wij moeten niet tegen God woeden, als Hij niet terstond verhoort. Redenen, waarom onze gebeden niet altijd dadelijk verhoord worden *

Wij zijn gereder, te bidden, dan te loven *

Christus grondde Zijn gebed op de liefelijke betrekking van een Vader en een Zoon *

Alleen die kinderen zijn kunnen bidden *

De kracht van het gebed *

Christus’ lijden van een ure *

Christus’ lijden was gelijkwaardig aan wat wij hadden moeten lijden *

Waaraan het lijden van Christus zijn waardigheid ontleent. *

Christus’ verlies is groot wegens Zijn voortreffelijkheid *

Hoe Christus’ lijden beperkt was en toch oneindig *

Onze liefdeschuld aan Christus duurt eeuwig *

Ons lijden duurt maar kort *

Wij moeten niet klagen, dat ons lijden zolang duurt *

Dat Christus’ dood bitter en somber was voor Hem en Zijn natuur en waarom *

Christus was even gevoelig voor pijn en voor de dood als enig mens *

Gods toorn tegen Christus ontbrand *

De personele vereniging in het lijden niet ontbonden *

Christus droeg het gehele kruis, wij dragen er maar stukjes van *

Een ziel heeft grote waarde bij God, doch wij kennen haar waarde niet *

De sterkte van de liefde van Christus *

Onze dood is door Christus zijn bitterheid ontnomen *

Christus’ wil is ondergeschikt aan Gods wil. Tegenwerpingen opgelost *

Gods geopenbaarde wil, niet Zijn besluit, is onze regel *

Een voorwaardelijke begeerte, al is die niet overeenkomstig een stellige wet, is geen zonde *

Regels betreffen de onze onderwerping aan Gods wil *

Negen belangrijke tegenwerpingen troostelijk beantwoord *

Dertien belangrijke regelen aangaande de onderwerping aan de voorzienigheid *

De wijsheid van God in het formeren van het goede en het kwade *

De verdrukkingen evenredig gemaakt met het vermogen van een ieder *

Het koninklijk voorrecht van God in de beschikking van Zijn voorzienigheid *

Gods voorzienigheid kan niet afgewend worden *

Wij zijn te veel verzot op de uitlatingen van Christus’ liefde en hebben Hem Zelf te weinig lief *

Onderwerping aan de afwezigheid van God *

Christus’ terugkeer kan niet verdiend worden *

Het werk van de verlossing is redelijk en vol oorzaken en redenen *

Verdrukkingen moeten overwogen worden. (1) Wie ons verdrukt. (2) Waarom wij verdrukt worden, en (3) hoe God verdrukt *

Blinde en stomme kruisen *

Christus gewillig om te lijden *

Christus Zijn werk doende in Zijn lijden *

Hij had Zijn bruid op het oog *

Wij moeten werkzaam tot God en onderworpen aan God zijn *

De kenmerken van een recht voornemen, om God te dienen *

Christus’ liefde trok sterkte uit moeilijkheden *

Hoe wij des Heeren eer moeten zoeken. Zes dwalingen, die zich daarin opdoen, overwogen *

Christus wordt altijd gehoord *

Onze gebreken in onze verwachting van verhoord te worden, in vijf overwegingen *

Al het goede voor Christus en ook het onze komt uit de hemel *

Het is gemakkelijk handel drijven met de hemel *

God klaart een goede zaak op, al is zij nog zo verduisterd *

De ergernis van het kruis weggenomen *

Hoe de Heere in Christus verheerlijkt werd *

De almacht maakt van alles heerlijkheid *

De heerlijkheid van de mens is ijdelheid *

Het Evangelie is voor ons duister *

Ons verstand, onze genegenheden en ons hart zijn ketters ten opzichte van Gods wil, Woord en werken *

De waarheid is één; de zonde en dwalingen zijn zeer vruchtbaar *

De engelen behielden hun geboorterecht *

Zeven stellingen betreffende de overtuiging *

Ketterij in de wil *

Christus is een publiek Persoon, evenals alle voortreffelijke zaken en personen publiek zijn *

Christus’ ambt geeft ons volmacht, Hem toe te passen *

De heiligen zijn een verborgenheid voor elkaar *

De hoop profeteert iets goeds *

Vijf kenmerken van de wereld *

Deze wereld onderscheiden van de toekomende *

Christus oordeelt deze wereld op drieërlei wijze *

Wat een overste de duivel niet is; in drie punten *

Wat een overste de duivel is; in vier punten, en wat een goedheid hij zich aanmatigt *

Twee oordelen over de Satan *

De macht van de satan. (1) Natuurlijk. (2) Verkregen. (3) Zondig *

De kwade engelen wisten niet van de vleeswording, voordat zij vielen *

Satan heeft geen heerschappij, om de gedachten van het hart te kennen, of over de vrije wil te gebieden *

Satans wettige macht. Om te verzoeken *

Wat verzoeking is *

Satans uitwendige macht over de mensen *

Hoe alleen God het hart kent, en niet de engelen, en waarom *

Satans macht over de schepselen, over de zintuigen en de ziel *

Hoe Satan nog altijd zondigt. Zijn straf *

Satans kennis gekrenkt, en hoe. Zijn droefheid, zijn geloof, zijn wanhoop, en zijn verstoktheid *

Christus is zijn Rechter, en hoe. Vijf opmerkelijke aanmerkingen over deze zaak *

Staatsmanswijsheid, tegen Christus gebruikt, is de grootste dwaasheid *

Dwaze gedachten van de Familisten over de duivel en de zonde *

Zonde tegen licht is duivels *

Verharding *

Tien beweegredenen om de goede strijd te strijden *

Zes punten aangaande het trekken: (1) Het trekken zelf.(2) De Trekker. (3) De personen die getrokken worden. (4) Tot Wie. (5) De voorwaarde. (6) De wijze en manier. Het trekken zelf in vier punten verdeeld. (1) De uitdrukking. (2) Redenen, welke Christus bewegen. (3) De wijze. (4) De kracht *

Geen gewelddadige trekking *

Onze ongestalte, om getrokken te worden *

Wij haten van nature Christus *

In de wil, niet in de zwakheid, is de reden gelegen, waarom wij niet getrokken worden *

De kracht, grootheid en vrijheid van de genade; in zes stellingen *

Ezech. 16:8, 9 enz. geopend in 12 artikelen van vrije liefde *

Christus is genadig en vraagt niet naar loon *

Vierderlei aanmerkingen over de voorbereidingen welke de bekering voorafgaan *

Hoe er wel, en hoe er geen voorbereidingen voor de bekering zijn *

Hoe een begeerte, om te bidden en te geloven, gebed en geloof is, en hoe niet *

Gods koninklijk, soeverein recht in de bekering *

Antinomiaanse tegenwerpingen, ten gunste van een onmiddellijk geloven zonder enige voorbereidingen of zielsverbrijzeling, opgelost *

De bevinding van Saltmarsh, wat het stelsel van bekering betreft, beproefd en te licht bevonden *

Het Antinomiaans geloof is vermetelheid *

Vijftien stellingen ter opening van onze leer van de voor bereidingen *

Antinomiaanse belijdenis van zonden weerlegd *

Hoe de Evangeliebeloften aan zondaren, als zondaren, worden voorgesteld *

De voorbereidingen maken niet, dat wij minder zondaren zijn dan wanneer wij die niet hebben *

Gestalten, welke de hernieuwde trekkingen van bekeerde zielen voorafgaan, en de kenmerken daarvan *

De verdenking aangaande de voorwaardelijke Evangeliebeloften tegen de Antinomianen onderzocht. In vijf stellingen. Welke voorwaarden wij verwerpen, en welke wij in het Evangelie erkennen *

Hoe het gebod van gehoorzaamheid in wet en Evangelie hetzelfde, en hoe het verschillend is *

Hoe verkiezing, rechtvaardigmaking en zaligheid uit genade zijn, hoewel verschillend *

Het besluit van God en de vrijheid van de mens zijn niet met elkaar in strijd *

Genade is inhangend in de heiligen *

Onechte voorbereidingen *

Gods wijze van werken in verlossingen *

De Antinomianen stellen ten onrechte, dat rechtvaardigmaking en wedergeboorte één zijn *

Hoe wet en liefde werken in zondaren te trekken *

De bijzondere wijze van trekken is ons niet bekend *

Het trekken geschiedt zedelijk, fysiek en wezenlijk *

Ingevingen buiten de Schrift verworpen *

Christus’ welsprekendheid in het trekken is krachtdadig *

Zijn liefde in het trekken is geweldig, met haast, vurig, wezenlijk, beminnelijk en krachtig *

Door liefde trekken is liefelijker en zuiverder dan door de wet *

Wijze, waarop de liefde werkt *

Bindende beminnelijkheid in Christus *

De trekkende kracht van Christus’ koninkrijk, in vele bijzonderheden *

De schoonheid van Christus, een trekkende overredingsgrond. Welke schoonheid *

Gewin, een trekkende beweegreden *

Eer is een trekkende zaak in Christus *

Een overzicht van Christus *

De Libertijnen zijn vijanden van genade *

Grote dingen worden getuigd van de wegen van God *

Tegenwerpingen opgelost *

De Heere trekt met evenredigheid; door lokking; door neerbuiging; door inwendige toepassing *

De Heere trekt door de kracht van Zijn invloed te paren met Zijn Woord en Zijn voorzienigheid; door ten opzichte van middelen, tijd, gesteldheid, het voornemen van de zondaar vooruit te lopen, en gepaste woorden *

De Jezuïtische overeenstemmende roeping verworpen *

De Arminiaanse roeping weerlegd *

De Protestantse bekering bewezen *

De midden-wetenschap, een inbeelding *

Bewijsgronden voor onafwijsbare onwederstandelijke bekering aangedrongen *

De "Vaga" en de verwarde noodzakelijkheid van Did. Ruiz.weerlegd *

Hoe loom wij zijn, om tot Christus getrokken te worden *

De Antinomianen verwerpen de heiligmaking *

Zij stellen, dat wij in dit leven volkomen zalig worden, en schijnen met de Familisten het toekomende leven en de opstanding te loochenen *

De vrije wil wordt niet gedwongen. De Arminiaanse indifferentie van de wil weerlegd. Hun verwarde, losse besluiten van gebeurlijke dingen *

God bepaalt de vrije wil *

De gebruiken van de leer *

Hoe te handelen met zulken, die bekommerd zijn, of zij wel getrokken zijn *

Genadige trekking sluit rijkdom en overvloeiende genade in *

 

 

 

Voorwoord van de vertaler

Toen ik ongeveer 20 jaar geleden, in de weg Gods voorzienigheid, onder zeer bijzondere omstandigheden, op een van de Clijde-steamers kennis maakte met Rev. Alex. Macrae, destijds predikant te Tighnabruaich Kijles of Bute, was een van de gevolgen van onze ontmoeting, (behalve dat ik daardoor in kennis kwam met velen van Gods volk, niet alleen in Schotland meer ook in Engeland) dat in de loop van ons gesprek, behalve de vele ook in ons land onder Gods volk bekende en beminde oude Schotse leraars als Hugo Binning, Durham, de Erskines, Guthrie en anderen, ook Samuel Rutherford, die hier voornamelijk door zijn door Jac. Koelman vertaalde brieven bekend was, ter sprake kwam. Niet lang daarna ontving ik een exemplaar van Rutherfords Trial and Triumph of Faith —Beproeving en zegepraal des geloofs – van hem ter gedachtenis. Ik vatte toen het voornemen op dat werk in onze taal over te zetten, doch door verschillende omstandigheden kwam hiervan in de eerste jaren niet veel en vorderde de vertaling slechts langzaam.

Het is al jaren geleden, dat ik in de trein, op reis zijnde, kennis naakte met Ds. IJ. Doornveld, met wie ik ook over mijn nieuwe kennissen en vrienden in Schotland sprak, in de loop van welk gesprek ook het bewuste boek van Rutherford door me genoemd werd. Deze bijzonderheid zou door mij vergeten zon, had ik niet in 1908 van Z. WelEerw. een schrijven ontvangen aangaande dat boek, waarin hij me te kennen gaf, dat er iemand was, die lust had het in het Nederlands te vertalen. Aangezien ik met de vertaling toen reeds was begonnen, werkte de hierover gevoerde correspondentie uit, dat Z.WelEerw de tweede helft, te beginnen met leerrede 19, voor zijn rekening zou nemen. Dit werk zag dan ook in de loop van 1916 bij de firma Buurman & de Kler te Leiden het licht.

Toen ik bij een later bezoek aan mijn vrienden in Schotland over de begonnen vertaling van dat werk van Rutherford sprak, werd mij ten sterkste aangeraden mijn krachten te beproeven aan het standaardwerk van Sam. Rutherford: Christ dying and drawing sinners to Himself, als zijnde dat ZEerw.’s beste werk, en kunnende die arbeid nog voor de kerk in Nederland ten zegen strekken. Hoewel dit werk zeer zeldzaam is, gelukte het me hiervan 2 exemplaren, een van 1641 en een van 1803 in handen te krijgen.

De goede ontvangst, welke De beproeving en zegepraal des geloofs is te beurt gevallen, deed mij besluiten, daar het mij ook niet meer aan tijd ontbrak, de vertaling onder handen te nemen, welke ik met veel lust mocht voortzetten en nu door ‘s Heeren goedheid ook ten einde gebracht heb. De vele moeilijkheden, welke hieraan verbonden waren door de slordige druk van de Engelse uitgaven, hoop ik met ‘s Heeren hulp voldoende te boven gekomen te zijn, waarbij mij het vergeleken van de twee uitgaven zeer tot hulp is geweest.

Mij dunkt, dat ik tot aanprijzing niets behoef te zeggen, aangezien de reeds verschenen werken een genoegzaam getuigenis geven dat Sam. Rutherford van God begenadigd en begaafd was, om de heerlijkheid van Christus en van Immanuelsland zo dierbaar en aanlokkelijk voor te stellen, dat niet velen, indien iemand, hem hierin evenaren, terwijl hij zich overal een leraar betoont te zijn, machtig, om te vermanen door de gezonde leer, waarvan hij de kracht bij eigen ervaring en door de onderwijzing van de Heilige Geest kende, en om de tegensprekers te weerleggen. De inhoud van dit boek is de stof van een reeks predikatiën door hem voor zijn gemeente te Anwoth gepredikt over een gedeelte van Joh. 12. Als een andere Jozua door de Middelaar des Nieuwen Verbonds, Jezus, uitgezonden, om het beloofde land te verspieden, brengt hij een goed gerucht van de heerlijkheid van dat land en van zijn rijke vrucht, en toont hij de druiven van Eskol, welke wegens hun gewicht, niet door één persoon kunnen worden gedragen Hij toont ook geen vreemdeling te zijn van de grootte, en sterkte, en menigte van de vijanden, die de vervulling van de belofte in de weg schijnen te staan, maar zijn stem klinkt nog door dit ganse boek, evenals toen de stem van Kaleb: Laat ons vrijmoediglijk optrekken, en dat erfelijk bezitten, want wij zullen dat voorzekerlijk overweldigen. Hij geloofde, en wist, en predikte, dat voor Gods arme volk waar is, in betrekking tot een eeuwige zaligheid, wat de Psalmist in de 44e Psalm getuigt van het volk Israël: want zij hebben het land niet geërfd door hun zwaard, en hun arm heeft hun geen heil gegeven, maar Uw rechterhand, en het licht Uws aangezichts, omdat Gij een welbehagen in hen had.

De vraag werd mij gedaan, en ik heb die ook zelf overdacht, of niet misschien een gedeelte, namelijk dat wat de verdediging van de zuivere waarheid tegen de Antinomianen betreft, evengoed kon worden weggelaten, als minder dienstig voor de tegenwoordige tijd. Ik heb gemeend die vraag ontkennend te moeten beantwoorden, en niets te moeten uitschakelen. Er is toch, ook nu nog, in de leer van de zuivere waarheid die naar de godzaligheid is, een afweken, zowel ter rechter- als ter linkerhand. Wie kan, ook in dit opzicht zeggen: Ik heb mijn hart gezuiverd, ik ben rein van mijn zonde? De beste van Gods kinderen blijven vatbaar voor dwaling en kunnen daarom, onder de grote Leraar, Jezus Christus, hun leraars niet missen die hun toeroepen: Dit is de weg, wandelt in dezelve. Gods volle ligt onder gezegende beloften, dat ze van de Heere zullen geleerd worden. Welke beloften ze verstaan hun nodig te zijn, wegens hun onverstand. En hoewel de Zoon Gods hun bij aanvang het verstand gegeven heeft, de Waarachtige te kennen, in Wie ze ook zijn, zal juist die kennis hun bij voortduring meer openbaren hoe onverstandig, hoe dwalend van geest zij zijn, en hoe zij de bediening van des Heeren Woord en Geest en genade niet kunnen missen tegen de invloeden van de poorten der hel, die hen wel niet zeilen overweldigen, maar die nochtans niet zullen ophouden, of pogingen in het werk te stellen hen te verleiden. Het kan dan ook Gods kinderen niet anders dan aangenaam zijn, dat zij door zuiver evangelisch onderwijs meer licht ontvangen, om de geesten te beproeven, of ze uit God zijn. Als zij dan ook onder dit onderweg mochten zien, dat zij die besmettingen van de geest uit de afgrond nog niet geheel ontkomen zijn, zou de ontdekking daarvan, door het geloof in de belofte, dat die dwalenden van geest zijn tot het verstand zullen komen, een middel kunnen zijn, om het gebed te verlevendigen: Leid mij in Uw waarheid en leer mij, want Gij zijt de God mijns heils. Als dan iemand van Gods kinderen door het aandachtig lezen, ook van dit zo onderwijzend gedeelte, tot zuiverder kennis en daaruit tot zuiverder geloofswerkzaamheden mocht komen, zou het werk van de vertaler, ook van dit gedeelte, dat wel het zwaarste van zijn arbeid geweest is, zijn rente reeds hebben opgebracht.

Zonder dan ook, zoals eerst zijn voornemen was, nader op dit punt in te geen, begeert hij het aan de voorzienigheid en de liefde van God in Christus over Zijn erfdeel over te geven, of het Hem believen mag, dit werk nog in deze dagen van donkerheid, en diepe beproeving, en rechtvaardige verberging van Gods aangezicht, en inhouding van Zijn Geest, om Zijns ontfermingswil met Zijn onmisbare zegen te kronen, en tot opbouwing in het allerheiligst geloof, en tot stichting voor Zijn Kerk in dit land te gebruiken.

De Heere legge in het hart van Zijn volk de bede van Asaf: o God der heirscharen, keer toch weder, aanschouw uit de hemel, en zie, en bezoek deze wijnstok, en de stam, die Uw rechterhand beplant heeft, en dat om de Zoon, Die Gij U gesterkt hebt. En Hij verwaardige Zijn volk, onder de bediening van de Geest, door het geloof, Gods antwoord uit de hemel te mogen horen: Ik, de Heere, behoede die, alle ogenblik zal Ik hem bevochtigen; opdat de vijand hem niet bezoeke, zal Ik hem bewaren nacht en dag.

Uw toegenegen C. B. van Woerden

Akkrum, 7 april 1917

 

Aan de verstandige en godvruchtige lezer

Indien iemand in deze weelderige en wellustige eeuw van trots. en dartele vernuften over deze stof zou schreven en in gebreke blijven om die Plant van Naam, de Bloem van Jesse, Jezus Christus, en de dauw Zijner jeugd, de vrije genade van God te verhogen; laat dan zijn hart zijn pen veroordelen, en Hij, Die meerder is dan het hart van de mens, hem ter verantwoording roepen. Het zwakke en geringe pogen van een zondaar, die over een Zaligmaker, en wel zo’n Zaligmaker schrijven wil, behoort te zijn, geloof en gevoel met zijn pen te doen samengaan; doch wie moet niet belijden, hoever de meeste mensen tekort schieten in het bereiken van dat doel.

Het kan het gemoed enigermate gerust stellen, wanneer het overweegt, dat, hoewel in de verhevenste termen over Christus te spreken, voor arme mensen, die zo ver beneden en zo onberekend voor zo’n verheven Onderwerp zijn, eerder een ontluisteren van Zijn waardigheid en een vleien van Christus, dan een wezenlijk prijzen van Hem of een verklaren van al Zijne deugden en beminnelijkheid is, in zover, als de vuile adem van een zondaar de schoonheid van zo’n alles overtreffende en onvergelijkelijke Bloem alleen verdonkeren kan, ik zeg, dat zelfs Jesaja, een groot, uitmuntend en evangelisch profeet, teneinde raad, in grote verlegenheid, als niet wetende hoe zich uit te drukken, de zaak met een verheven vraag opgeeft, als hij vraagt: "Wie zal Zijn leeftijd uitspreken?" (Eng. "Wie zal Zijn generatie verklaren?") En een ander, als hij zegt: "Hoe is Zijn Naam en hoe is de Naam Zijns Zoons? zo gij het weet." Allen, die ooit over Hem schreven, liggen neer onder deze last en hoewel heden ten dage velen voorgeven, dat zij verchristusd en verslonden zijn in Zijn liefde, zo zou ik het al zaligheid achten, indien ik Christus’ Naam maar wist en zo hooggeleerd was, dat ik wist hoe Hij heet. Waarlijk ten opzichte van onze bevattende kennis, spreken en schrijven we meer wat we gissen, wat we van ver en bij ons schemerlicht van Hem bevatten, en wat betreft ons komen tot het heldere gezicht van het licht van een Evangelie-middag, zoals onze plicht is, werpen we er maar neer, evenals een blinde zijn stok werpt, en wij spelen maar, evenals kinderen met het verguldsel en de zijden banden van een Arabische Bijbel spelen, die zij niet kunnen lezen, aan de grenzen en aan de buitenkant van de kennis van Christus. O, hoe onbekookt schrijven de scherpzinnige schoolgeleerden van Christus! O, hoe spitsvondig en scherp ziende als een arend schenen zij te zijn in bespiegelingen! Zo diep als het graf, of liever, zo diep als de hel vorsen zij na, wat van Zijn grafdoeken geworden is, toen Hij uit de doden opstond, en beschreven ze de kastanjebruine kleur van Zijn haar en het hout van Zijn kruis en de drie nagelen, waarmee Hij aan het hout geklonken was, en ze stellen tot een voorwerp van aanbidding alles, wat Zijn lichaam heeft aangeraakt, hetzij hout of ijzer of de nagelen van het heilige graf. En hoe ver zijn ze af van hetgeen in Hoogl. 8:6 staat: "Zet mij als een zegel op Uw hart, als een zegel op Uw arm."

Er zijn boekdelen geschreven over Christus; leerrede op leerrede, en niet alleen regel op regel, meer boek op boek en deel op deel. En ach, wij zijn maar aan de eerste zijde van de enkele Catechismus van Christus, en bezig met het spellen van Zijn eerste beginselen; ja, Salomo was nog niet verder dan: "Hoe is Zijn Naam?" Ik vrees, dat maar al te velen onder ons noch de naam, noch de zaak kennen. Ja in deze eeuw van geleerdheid, waarin de Antinomianen boek na boek over Christus schreven, zou ik tegenover al hun roepen van: "O, de Evangeliegeest, de Evangelietrant van prediking, de verborgenheid van vrije genade!" (welke weinigen van hen kennen) willen zeggen, dat een ons, een greintje geestelijke en praktische kennis van Christus meer waarde heeft dan talentponden, ja dan scheepsladingen of bergen van kennis van stomme schoolgeleerdheid.

Zij zeggen, dat de heiligen volmaakt zijn en dat hun werken volmaakt zijn. Ik laster hen niet; lees Mr. Towne, Baton en Saltmarsh. Doch hoe onkundig zijn zij van het Evangelie; hoe slecht belezen en hoe onbedreven in de kennis van Christus. Ja, als Luther zeide: Neem de zonde weg, en u neemt Christus, de Zaligmaker van zondaren weg. Hoe weinig bekend met, hoe grote vreemdelingen van hun hart zijn zij, wanneer zij zo schrijven. Ik beken, er is een volheid, en een al-volheid, en een al-volheid Gods (Efez. 3:l9), doch ik betwijfel, dat deze volmaakte al-volheid Gods aan deze zijde van de eeuwigheid is. Dit is zeker, dat het niet bestaan kan met ons halve-stuiverskaarslicht, ja het kan niet zijn, dat het middaglicht van de heerlijkheid, Theologia Meridiana visionis geheten, in onze ziel zou schijnen, terwijl de duisternis van een inwonend lichaam van de zonde onderworpen zijn.

Het is waar, dat Paulus opgetrokken is geweest tot in de derde hemel; dat Johannes in de geest zijnde, de hemelen geopend zag, en de troon aanschouwde, en Hem, Die daarop zat, alsook de in het wit gekleeds, hemelse schare, die uit grote verdrukking kwam, bewijst duidelijk, dat de heiligen in dit leven in de voorstad van de hemel kunnen komen, doch de voorstad is de stad niet. God kan een venster in het nieuwe Jeruzalem openen, gelijk Hij wel eens doet, om door die opening de nieuwe morgenstralen van het daglicht van de Heerlijkheid, en een deel van de Troon, en iets van het aangezicht van Hem, Die op de Troon zit, en de heerlijke onbevlekten, die voor de troon staan, te doen zien; maar deze volheid maakt het vat niet boordevol toe vol, het kan vele liters meer bevatten van de nieuwe wijn van de heerlijkheid, die dat nieuwe Land van eensgezindheid oplevert. Nu schrijven de Antinomianen onze volmaaktheid toe aan de rechtvaardigmaking en de vergeving van zonden. Doch de vergeving van zonden is, behalve in het gevoel, dat een trapsgewijze bijkomende omstandigheid van de vergeving en niet de vergeving zelf is, niet als de nieuwe maan, die hoe langer hoe helderder wordt, totdat hij geheel vol is. De vergeving toch is op het eerste ogenblik van onze rechtvaardigmaking een zo volmaakte en volkomen vrijstelling van de wet-schuld en van de toekomende toorn, als zij ooit zal zijn; ze schrijven onze volmaaktheid in dit leven niet toe aan de heiligmaking, dat ze nochtans moesten doen, indien de zonde in haar natuur en in haar wezen niet in ons woont.

Wat onze schuld bij Jezus Christus betreft, aangaande de prijs en het rantsoen, welke Hij voor ons betaald heeft, hebben wij niets te zeggen dan onze Schuldeiser Christus lof toe te brengen, of liever, die op te schorten, totdat wij voor de Troon zijn, met de miljoenen bankroetiers, de aan Christus verschuldigde heiligen, om daar eeuwig onze schulden uit te zingen in een eeuwige Psalm. Want hier kunnen we die slechts uitzuchten. Het boek van onze schulden bij Christus is volgeschreven, bladzijde en kant, van binnen en van buiten, het is een zeer groot boek, bestaande uit vele delen, en de miljoenen engelen, die Christus tot hun Hoofd hebben, (Kol. 2:10); zijn schuldenaren voor hun bevrijding van de mogelijkheid, om te zondigen en om met ketenen van eeuwige toorn gebonden te worden, daar hun gevallen mede-engelen daadwerkelijk onder liggen. O, wat een ontzaglijke sommen zijn alle inwoners van de hemel toch schuldig aan Christus!

En wat kunnen engelen en mensen anders zeggen, dan: Christus is het Hoofd van alle overheid en macht; (Kol. 2:10), ja, het Hoofd boven alle dingen, voor de gemeente, welke Zijn lichaam is, en de vervulling Desgenen, Die alles in allen vervult; (Efeze 1:22,23) het Opperhoofd over tien duizend, ja, over al de miljoenen en heirscharen des Heeren in de hemel en op aarde. (Hoogl. 5:10). Wanneer al de geschapen uitdrukkingen en heerlijke bloemen, die bestaan, als: hemelen, zon, maan, sterren, zeeën, vogels, vissen, bomen, bloemen, kruiden die in de natuur zijn, of uit Christus voortgekomen zijn, een aanzijn ontvangen hebben, dan zijn er nog oneindig meer mogelijkheden van nog voortreffelijker wezens in Hem, aangezien uit Christus zulke rivieren van volkomen genade voor engelen en mensen en alle schepselen nevens hen stromen, welke in hun soort, door mededeling met hen delen in de bedruipingen en bedauwingen van vrije genade. Het is een gevolg van vriendelijkheid en van de vrijheid van de genade door een Middelaar, dat het stelsel en het geheel van de schepping, dat wegens onze zonde tot ondergang veroordeeld is, nog voortduurt en blijft bestaan in zijn wezen en schoonheid. Wat blijft er echter in Hem nog veel, ja oneindig veel meer van de gehele en volkomen Christus, dat nooit gezien is, en door geschapen vatbaarheid niet te begrijpen is. Wanneer niet alleen in het gebied van de genade, meer ook in die hoogste kring, in de gewesten van de heerlijkheid, zulke heiren en talrijke scharen van verheerlijkte stukken werk, verloste heiligen en uitverkoren engelen, die bij voorbaat vrijgesteld zijn van de mogelijkheid, om in de zonde en onder eeuwige toorn te vallen, nevens Hem staan als geschapen uitspruitsels en takjes, die uit Christus voortgesproten zijn, dan is er een onzichtbare en onbegrijpelijke oneindigheid in Hem. Wanneer al die deeltjes, geschapen overblijfsels, bloesempjes, dochters en vruchten van goedheid en genade uit Hem voortgevloeid zijn, dan is Hij nog dezelfde oneindige Godheid, en zou Hij, gelijk Hij ook doet, mensen en engelen en alles wat geschapen zou kunnen worden, afmatten en vermoeien, enkel in het bewonderen en naspeuren van zo’n veelomvattende en grenzeloze Christus. Hier is, tot in alle eeuwigheid, evangelisch werk voor verheerlijkte arbeiders, engelen en vrijgekochte mensen, om in deze Goudmijn te graven, om deze zielsverlustigende en kostbare Steen rondom te bezien, om Zijn uitnemendheid te aanschouwen, te onderzoeken en na te vorsen. En dit is de verzadiging, het toppunt en het voornaamste van de heerlijkheid en gelukzaligheid van de hemel, de deugden van Hem, die op de Troon zit, te zien en nooit verzadigd te zijn van zien; te bewonderen en nooit genoeg te kunnen bewonderen, vervuld te worden met Christus en nooit van Hem verzadigd te worden. Moet dit dan niet onze zonde zijn, dat wij zo ver van Christus afstaan. Gewisselijk, indien wij het deel niet liefhadden boven het geheel en de droesem van dat deel, nl. de weerstrevige wil, meer dan onze ziel, wij zouden Christus niet zo weinig smeken en navolgen.

Indien de Antinomianen zich ergeren, of zulken, die door onwetendheid verleid zijn, mij haten, omdat ik Christus verhoog, niet in een Evangelie-losbandigheid, zoals zij doen, meer in een strenge en nauwgezette wandel, in welke te bevelen, beide wet en Evangelie vriendschappelijk overeenkomen, en waarin zij nooit onenig of met elkaar in strijd geweest zijn of kunnen zijn, zo dreig ik hen, in hetgeen ik schrijf, met vergelding, bestaande in een gunning, dat zij zalig mogen worden, en in een zwakke poging, enigermate begerende, hun zo’n begrip van het Evangelie te geven en zo’n vernieuwd aanbod van Christus te doen, als de profeten en apostelen verkondigd hebben in het Woord van het koninkrijk van Hem, Die de verborgenheden van de Vader aan de mensenkinderen openbaart.

En wat de Arminianen betreft, die nu in Engeland opgestaan zijn, en hen, die zowel Arminianen als Antinomianen zijn, zoals Mr. Den en anderen, ik kan hen niet anders bekijken, dan als vijanden van de genade Gods. Waar Antinomianen en Anabaptisten tegenwoordig hand aan hand gaan met Pelagianen, Jezuïeten en Arminianen, moet ik mij verbazen, weer Arminianen, Serinianen en Antichristische misbruikers van de vrije genade, en vereerders van de vrije wil, nu meer verdedigd en beschermd moeten worden als de godvruchtige partij, dan toen ter tijd, toen de godzaligen zozeer tegen hen waarschuwden en de onreine profeet uit het land uitbaden. Een witte en een zwarte duivel moeten ongetwijfeld van hetzelfde soort zijn. Genade is altijd genade, nooit losbandigheid.

Nooit kunnen wij de vloeden, de rijke volheid en de diepe, levendige fonteinen van de zee, van die volheid van genade, die in Christus is, genoeg prijzen en bewonderen. Komt en put; de put is diep. De bedruppeling of bedauwing van engelen of mensen, zijn meer kleine deeltjes van die zeer grote en onmetelijke volheid van genade, die in Christus is. Een lelie is niets, in vergelijking van een grenzeloos groot veld leliën. Christus is de Berg van rozen. O, hoe hoog, hoe veelomvattend, hoe vol, hoe schoon, hoe fris! Konden wij Hem ruiken, Die onder de leliën weidt, totdat de dag aanbreekt, en de schaduwen vlieden; konden wij induiken in de goudaderen van de onnaspeurlijke rijkdom van Christus; konden wij dronken worden van Zijn wijn; wij zouden zeggen: "Het is goed, dat wij hier zijn"; en wij zouden de kruimeltjes vergaderen, die Christus laat vallen. Zijn kroon glinstert van diamanten en paarlen van geslacht tot geslacht. Immanuels land is een voortreffelijk land. O, Zijn hemel ligt goed, warm en aangenaam, en dicht bij de Zon, de Zon der gerechtigheid; de vrucht van het land is uitnemend, heerlijkheid groeit daar, tot op zijn uiterste velden! O, hoe worden die eeuwig opspringende bergen en hoven van specerijen eeuwiglijk bedauwd met zuivere en onvermengde blijdschap! En wat doen wij hier? Waarom zwoegen wij, om rijs voor ons nest te vergaderen, dat wij morgen weer moeten verlaten? Het zou onze volkomen zaligheid zijn indien de volgende overwegingen ons van onszelf zoo moe maakten, dat zij ons uit onszelf uitdreven tot Hem.

1. Onder de vele gezanten, die God tot ons gezonden heeft, is niemand Christus gelijk. Hij is God, het edele, zelfstandige Beeld Gods; God evengelijk, de zendende God en de gezondene God, de Man, die Gods Metgezel is; God, niet een andere God, maar een Zoon, een andere Zelfstandigheid en Persoon.

2. Van afkomst en geboorte is Hij een gegenereerde Zoon, die nooit begon een Zoon te zijn of een Vader te hebben; Hij is uit het alleroudste Huis van God, een Spruite van de Koning der eeuwen, Die nooit jong was. En in betrekking tot ons is Hij de Eerstgeborene onder vele broederen.

3. Niemand had een ambt als Hij, om vrede te maken tussen God en de mens door het bloed van een eeuwig verbond. Hij was geheel en al een Scheidsman voor God, God in natuur, zin, wil, macht, heiligheid en oneindige volmaaktheid, een Scheidsman voor zichzelf, een Scheidsman geheel en al voor ons, aan onze zijde, door geboorte en bloed en welbehagen in ons; Hij was voor ons, met ons, en ons, in natuur.

4. Wat een onvermoeidheid van liefde in ons over te halen met Hem te ondertrouwen! Wat een welwillendheid in Christus, om Zijn Geest in ons uit te storten, om Zijn liefde, Zijne ziel, Zijn leven, ja zichzelf aan ons te geven! Had Christus meer voor ons te geven dan Zijn edel en voortreffelijk Zelf?

5. Wat zoekt Hij lang, tot Zijn hoofd vervuld is met dauw, Zijn haarlokken met nachtdruppen! Een ganse, lange nacht staat Hij aan de deur van de kerk te kloppen. (Hoogl. 5:2; Openb. 3:20.) Vele uren zijn er in deze nacht; van de tijd af, dat Hij in het paradijs gepredikt word, tot op deze dag toe staat Hij daar. Hoe gaarne zou Hij inkomen, en hoe aangenaam zou het Hem zijn, bij ons te blijven. De arm, die al bijna zes duizend jaren geklopt heeft, doet nog geen pijn; ziet, Hij staat en klopt, en Hij zal niet ophouden, voordat allen de Zijne zijn, en voor de stammen bij één en tweeën over de Jordaan en bij Hem in dat goede land zijn; Hij wil er niet één missen, nog geen halve, ja, geen stukje van een heilige. (Joh. 6: 39)

6. De zondaren op aarde en de verheerlijkten in de hemel zijn van één bloed. Eens hadden zij op aarde zulke vuile aangezichten en zulke schuldige zielen als u en ik; nu echter, zijn zij schoon gemaakt, en staan voor de Troon, gewassen en zonder vlek. Genade en heerlijkheid heeft hen zo veranderd, dat u hen niet meer zoudt kennen, doch zij zijn van geboorte uw broederen; alle zeeën en fonteinen op aarde kunnen die bloedsbetrekking, die er tussen u en hen is niet wegwassen. In dat vermaarde land is op niemand het merkteken, een indruk, een schaduw, een schijn van smet van zonde; Christus wast hen nu nog zo schoon als ooit, u kunt niet zo zwart of verbrand van de zon zijn, of Hij wil u wit maken, als alle andere kinderen van het huis, zodat u zichzelf niet meer kennen zult, wegens de schoonheid van uw heerlijkheid, u bent op het ergst een zondaar; slechts een zondaar, en het is niets voor Christus, een zondaar wit te maken.

7. Vrije genade zal in het land van de heerlijkheid te pas komen. Elke nieuwe dag en maand van de heerlijkheid (laat ons, omwille van onze zwakheid, het zo bevatten, alsof er delen van de eindeloze eeuwigheid zijn), zal een nieuwe schuld van vrije genade meebrengen, omdat Christus nooit onze Schuldenaar is, en dat nooit zijn zal; schepselverdienste kan in der eeuwigheid in de hemel niet binnenkomen, het blijven in de heerlijkheid zal eindeloze, vrije genade zijn. Hieruit volgt, dat de betrekking tussen Christus als Schuldeiser en ons als schuldenaars steeds moet toenemen en altijd groener worden in een eeuwige hoop; het zal eeuwig lente zijn en nooit tot de hoogte en bloei van de herfst komen, en wij zullen altijd lofzingen, en altijd al verder en dieper waden in de zee van vrije liefde en in de vermeerdering van de telkens weer opnieuw gemaakte schulden van eeuwige genade. Hoe langer die witte Compagnieën en Regimenten, die het Lam volgen, daar verblijven, hoe onbekwamer zij worden, om hun schuld te betalen, zodat Christus Zijn kroon van genade nooit kan terzijde leggen, noch wil. Onze diadeem van heerlijkheid, die wij nog houden alleen door het besluit en de eeuwigdurende acte van vrije genade, die altijd weer verdaagd wordt en dagelijks (om dat woord aan de tijd te ontlenen voor de plaats, weer geen tijd meer is) uitgesponnen tot een draad, zo lang als de eeuwigheid, en zolang als God leeft. O, de onmetelijke en eindeloze gedachten en diepte van onnaspeurlijke genade!

8. Het is duizendmaal beter te leven onder het bestuur en de voogdij van Christus, dan van uzelf te zijn en naar eigen wil te leven. Leeft in Christus, dan bent u in de voorstad van de hemel, dan is er maar een dunne wand tussen u en het land van lof, in minder dan een uur zeilt u naar het strand van het nieuwe Kanaän. Wanneer de dood een gaatje in de wand graaft en de zeilen neerhaalt, hebt u anders niet te doen, dan uw voet te zetten in het schoonste van de geschapen Paradijzen.

9. Het is onmogelijk, dat Christus in de hemel kan zijn en dat stokjes en deeltjes van Christus’ verborgen lichaam in de hel, of nog lang op aarde zouden zijn. Christus zal Zijn been en leden op aarde tot Zich trekken en dichter bij het Hoofd brengen; Christus en u moeten onder één dak zijn. Wat? Woningen zijn niets, vele woningen zijn weinig, ja, vele woningen in het huis van Christus’ Vader, zijn geschapen deeltjes van zaligheid en op het nauwst verwant aan "niets". Zij zijn geschapen, meer ach, wij moeten Hem Zelf hebben, en ik zou de hemel weigeren, wanneer Christus er niet was. Neem Christus uit de hemel en het is maar een armzalige, droevige, donkere, woeste woning. De hemel, zonder Christus, zou er uitzien als het ijzingwekkende land des doods. Och, zegt Christus, "uw blijdschap moet vervuld worden (Joh. 14:3). Ik kom weder en zal u tot Mij nemen, opdat gij ook zijn mag, daar Ik ben." Ik moet bekennen, dat woningen zonder Christus maar als plaatsen zijn, weer doornen en distelen groeien; daarom wil ik de hemel hebben om Christus en niet Christus om de hemel.

10. Vormelijke gelukzaligheid is geschapen, meer voorwerpelijke zaligheid is een ongeschapen Godheid. Laten de wateren en stromen zich terugtrekken in de boezem van deze diepe Fontein en Bron van oneindigheid; daar kunnen zij niet bederven, verzuren noch versterven meer daar blijven zij eeuwig vers. Komt en groeit met deze stam, de eeuwig groene en altijd uitspruitende Boom des Levens, en u zult eeuwig leven van de vetheid, het sap en de zoetheid van deze Plant van naam van het Paradijs.

11. Het leven in Christus en op Christus in daden van liefhebben zien, zich verheugen, omhelzen en in Hem rusten is die middaghoogtegodgeleerdheid en theologie van het zaligmakend aanschouwen. Er is een algemene vergadering van onmiddellijk verlichte godgeleerden rondom de troon, die dag en nacht Christus bestuderen, verhandelen prediken en loven. O, wat stralen, wat uitstralingen en uitgietingen van het genot van verstandsgebruik van aanschouwen, genieten, en Hem leren en vurig liefhebben, komen voort van dat aangezicht, van dat Godsaangezicht van de Heere, de Almachtige God, en van het Lam, dat in het midden van hen is, en de aanschouwers van binnen en van buiten overdekt, gewichtig en overvol maakt, en dan moeten er weeromstuitingen en uitgangen zijn van verstandsbeschouwing, omhelzen, liefhebben en verwonderen, die tot Hem terugkeren in een cirkel van heerlijkheid. Wat is te vergelijken bij dat eeuwig ondertrouwen, trouwen en bruiloft vieren van die Bruidegom en die Bruid, de vrouw des Lams: wat, bij Christus en Zijn volgelingen; wie, bij die Alles in allen; die Ik ben, die Vorst der eeuwen?

12. Zo verheven is de wijsheid en de diepte van de onnaspeurlijke rijkdommen van de genade van Christus, dat, hoewel God geen zonde nodig heeft en de zonde in strijd is met Zijn heilige en allerrechtvaardigste wil, nochtans het voornemen, het hemelse, liefelijke allerheiligste staatsontwerp van de inkomst van de zonde in de wereld, door de velden van vrije genade heengeleid, de verhevenheid en de nooit genoeg bewonderde en aangebeden kunst en diepe wijsheid Gods bekend maakt. Al was er nooit zonde geweest, de heerlijke tweede Persoon van de gezegende Drie-eenheid en de eeuwige Geest moeten toch altijd zijn en zouden ook altijd geweest zijn, dezelfde Ene, eeuwig gezegende God met de Vader. Want de heerlijke ene Godheid in drie wonderbare zelfstandigheden komt onder geen daden van de vrije wil en de soevereine raadslagen Gods, aangezien de Godheid allervolstrektst en wezenlijk noodzakelijk is. Doch wij zouden de verborgenheid van Immanuel, de Geliefde, Die blank en rood is, Die de banier draagt boven tienduizend, de Godmens, de Zaligmaker van zondaren, tot in alle eeuwigheid gemist hebben. Waren er geen kranke zondaren, dan was er ook geen zaligmakende Ziel-heelmeester van zondaren; geen gevangenen, geen Verlosser, geen slaven van de hel, geen liefelijke Rantsoenbetaler uit de hemel. 2. Er zou ook geen Evangelie zijn, geen dadelijke verlossing op aarde, geen Evangelielied van vrijgekochten in de hemel: "het Lam is waardig," enz. Was er geen zonde geweest, nooit zou er een stem noch gefluister in de hemel geweest zijn van een Lam, dat geofferd en voor zondaren geslacht is; er zou geen Evangeliemelodie zijn van het lied van vrije genade, dat nu eeuwig in de hemel gehoord wordt; geen Psalmen waren dan ooft gezongen in die gezegende vergadering van de eerstgeborenen, maar een muziek overeenkomstig de wet, van eeuwig leven, door het gehoorzamen van een wet, zonder iets verschuldigd te zijn aan de genade van een Middelaar. 3. Genade, vrije genade, zou zich dan nooit naar buiten vertoond hebben, om gezien te worden door mensen en engelen. 4. Indien de zonde niet in de wereld was gekomen, die gasten van vrije genade, die eens vuile en afzichtelijke zondaren op aarde waren en die nu voor de Troon zijn, zouden daar niet geweest zijn. Maria Magdalena, die van zeven duivelen bezeten was; Paulus, wiens handen eens warm en rokend waren van het bloed van de heiligen en wiens hart ziek was van boosaardigheid tegen en lastering van Christus en Zijn volgelingen, en alle anderen van die reine schare, van welken de klederen wit gewassen zijn in het bloed des Lams, en al die talrijke miljoenen, die niemand tellen kan, van welken de hoofden nu in dat beste van alle landen om niet gekroond zijn, en die een stuk vrije genade zijn, zouden in het geheel niet in de hemel geweest zijn, om daar vrije bewoners en gebruikers te zijn van het goed van de verhoogde Verlosser, de Mens Jezus Christus; er zou niemand in de hemel het vruchtgebruik van vergevende ontferming genieten. O, wat een diepte van onnaspeurlijke wijsheid vertoont zich in het bedenken van dat liefelijk plan van vrije genade en daarin, dat die rivier en zee van grenzeloze liefde door en binnen de oevers van zo’n modderig, zwart en besmet kanaal zou lopen, als de overtredingen en de zonde van de kinderen Adams! En dat langs de oevers van die diepe rivier tot in alle eeuwigheid zulke rozen en Paradijsleliën zouden groeien, uitbotten en bloeien, om een geur van de hemel van zich te geven, voor mensen en engelen, van vergevende ontferming over zondaren, van vrije en rijke genade aan verraders van de Kroon van de hemel, de Godsliefde van Christus Jezus tot de mens. Komt verwarmt uw harten, als met verstandelijke vermogens begiftigd, aan dit vuur! O komt, al gij geschapen vermogens, en ruikt de kostbare oliën van Christus, o komt, zit neer onder Zijn schaduw, proeft en eet de appelen des levens! O, dat engelen en geslachten van mensen kwamen, om zich te verwonderen, te bewonderen, te aanbidden en neer te vallen voor de ondoorgrondelijke wijsheid van deze Evangeliekunst van de onnaspeurlijke rijkdommen van Christus.

13. Indien dan de liefde, zulke diepe evangelische liefde veracht wordt, doordat bankroetiers huwelijksliefde en de liefde van een Borg versmaden, en zij sterven onder de schuld, dat zij verbondsliefde, liefde, welke met bloed bezegeld is, met voeten vertreden hebben, dan zullen zij gearresteerd worden onder de droevigste beschuldiging van de wraak van het Evangelie. Wanneer uit de mond van Christus gehoord wordt: "Ik heb u willen zaligmaken, maar gij hebt niet gewild", dan zal dit het zegel zetten op al de vloeken van de wet, welke de wraak van het eeuwige vuur te boven gaan. In deze droevige tijden wil men, òf de genade van Christus achten als een nul in ‘t cijfer, die nochtans alle dingen doet, hetwelk de wulpse losbandigheid van de Antinomianen is, òf, men wil, dat de vrije wil alles doet en de genade niets, en dat de natuur de scheidsrechter en de opperste macht zal zijn, en genade de dienstknecht en onderdaan; hetwelk de hoogmoed van de Arminianen is; uit vrees, dat zij Jezus Christus te veel verplicht zullen zijn, en dat het bezit van de hemel op een acte van al te vrije genade berust. Gewis, het Evangelie bewandelt hier een middelweg. Het verschil tussen witte en zwarte duivels moet ons niet misleiden, want zij zijn beiden zwart, en gaan de kant uit van de donkerheid van de duisternis; zij scheiden de ziel van Christus, en liggen een nieuwe Noordwesten weg aan naar dan hemel, opdat niet de Overste Leidsman van onze zaligheid, Die vele kinderen tot heerlijkheid leidt, onze Gids naar de hemel zijn zou, maar, òf, losbandigheid zonder wet, òf heerszuchtige hoogmoed zonder de genade van het Evangelie. Nu, de God des vredes Zelf bevestige u in Zijn waarheid, en moge Hij ons, in zo’n een doornig woud van valse christussen en valse leraars, de Morgenster geven, opdat wij tot de heerlijkheid geleid mogen worden, door Hem, Die de weg kent, en die de Weg, de Waarheid en het Leven is.

De uwe in de Heere Jezus,

S. R.

Johannes 12

Vers 27. Nu is Mijn ziel ontroerd; en wat zal Ik zeggen? Vader, verlos Mij uit deze ure! Maar hierom ben Ik in deze ure gekomen.

Vers 28. Vader, verheerlijk Uw Naam. Er kwam dan een stem uit den hemel, zeggende: En Ik heb Hem verheerlijkt, en Ik zal Hem wederom verheerlijken.

Opening van de woorden

Men is het er niet over eens, of deze woorden, welke onze Zaligmaker in de ontroering van Zijn ziel uitsprak, dezelfde woorden en hetzelfde gebed zijn, welke in Matth. 26 en in Lucas 22 worden opgetekend, nl.: "Mijn Vader, indien het mogelijk is, laat deze drinkbeker van Mij voorbijgaan", toen Hij in de hof zeer beangst en Zijn ziel geheel bedroefd was. Sommigen denken, dat het dezelfde zijn, anderen weer niet. Het is duidelijk, dat het woorden zijn, die dezelfde zaak behelzen. 1e Was Christus, toen Hij deze woorden uitsprak, Zijn lijden nabij en op de oever van die afgrijselijke en donkere zee van Zijn allerhoogste smart, toen Hij optrok tegen de hel, en de legermachten van de duisternis, zoals de geschiedenis aantoont. Dat echter de Heere deze woorden in de hof, en niet eerder, uitsprak, is niet waarschijnlijk, omdat op dit gebed volgt: "er kwam dan een stem uit de hemel, enz." Een stem sprak tot Hem uit de hemel. Nu is het niet waarschijnlijk, dat bij de gelegenheid, welke in Matth. 26 en Luk. 22 verhaald wordt, een stem van de hemel kwam, want toen Hij in Zijn angst bad, was er niemand bij Hem, zoals hier. Hier was een schare tegenwoordig, want "sommigen zeiden, dat er een donderslag geschied was; anderen zeiden: Een engel heeft tot Hem gesproken". Toen Christus in de hof bad: "Mijn Vader, enz.", was niemand met Hem behalve Petrus, Jacobus en Johannes, de drie vermaarde getuigen van Zijn ontzaglijk lijden, en van Zijn jonge hemel, Zijn verheerlijking op de berg, toen Hij, als het ware, het voorspel speelde, en hun het beeld en een voorstelling van de hemel liet zien, zoals klaar blijkt uit Matth. 26:37, want toen was Hij van hen weggegaan (Matth. 26:39; Luk. 22:41), en zij waren in slaap gevallen, terwijl Hij in beangstheid was (Matth. 26:40, 43, 45). Maar hier is een wakende schare met Christus, die Zijn stem hoort. Ik ontken echter niet, dat het, wat de zin betreft, dezelfde bede is. Veronderstelt bijvoorbeeld, dat aan een godzalig mens geopenbaard is, dat hij een uiterst gewelddadige en pijnlijke dood zal sterven, en dat hij bovendien onder een vreselijke zielsverlating zal komen, als een beeld van de tweede dood; wat zal het hem met schrik vervullen, als hij hieraan denkt, en hij zal wel bidden, dat de Heere hem van die droevige ure wil verlossen, of hem genade geven, die met geloof en moed in de Heere te kunnen verdragen. Zo is het ook hier. Christus, God en mens, wetende, dat Hij de verschrikkingen van de eerste en tweede dood zal moeten doorstaan, overweegt van tevoren (de tijd nabij zijnde) de droefheid en de angst van het hart, welke Hij in Zijn uiterste lijden zal moeten ondergaan.

 

Het is goed, dat wij ons lijden overwegen, eer het komt

Het zal ons ook nuttig zijn, het kruis te overdenken, eer het komt, en als bij wijze van proef het kruis van Christus eens op te lichten, voor de tijd om het te dragen daar is, en als om te beproeven, hoe gewillig wij rug en schouders zullen zetten onder het kruis van Christus. Ik wil hiermee niet zeggen, dat wij die martelaar moeten navolgen, die de nacht voor zijn lijden zijn hand in het vuur stak, om te beproeven of hij het zou kunnen doorstaan, levend verbrand te worden; maar dat wij tevoren eens zullen overwegen, hoe het gaan zal, wanneer het zo ver komt (evenals Christus, wetende, dat Zijn lijden weldra komen zal, vooraf de droefheid en zielsontroering overweegt, en van tevoren bidt), en ons het zwaarste voorstellen; het kruis als vervroegen en met ons hart zeggen: Laat het ergste maar komen., of dat wij onze vrees maar laten profeteren, evenals Job in hfdst. 3:25, en zeggen: "Veronderstelt, dat het allerergste mij overkomt; ik weet wat ik doen zal." Evenals de onrechtvaardige rentmeester van tevoren de weg vaststelt, hoe hij al zijn zwarigheden zal doorkomen (Luk. 16:4). De Heere stelt Zich het gericht voor, en wat zij, die nu van alle bidden en godsdienst spuwen, in de tijd van hun uiterste nood bidden zullen, zij ook op hun manier godsdienstig zullen zijn, en uitschreeuwen zullen: "Bergen en steenrotsen valt op ons, en verbergt ons van het aangezicht van Degene, Die op de troon zit, en van de toorn des Lams!" (Openb. 6:16). U kunt niet geloven, dat een Lam de koningen van de aarde, de groten en de rijken, alle dienstbaren en alle vrijen drijven zal, zodat zij zich zullen verbergen in de holen van de bergen en in de kloven van de steenrotsen. Maar de Heere werkt toorn en gericht voor uw ogen. De mensen willen niet eens de mogelijkheid overdenken, dat de geschiedenis van de hel waar is. Spreekt slechts bij uzelf: "O, zal ik wenen, en mijn tong kauwen van pijn in een poel van vuur en sulfer?" Beeldt u eens in, bid ik u, hoe u te moede zult zijn, welke gedachten u zult hebben, wat u zult doen, wanneer u (2 Thess. 1:9) zult tot straf lijden, het eeuwig verderf van het aangezicht des Heeren, en van de heerlijkheid Zijner sterkte. 1. Voorgeziene smarten maken niet zo’n diepe indruk op de geest. 2. Genade is een goed doordacht en vastbesloten iets, en zegt, met het oog op de voorzienigheid, in alles, wat haar zou kunnen overkomen: "Hoe zal het gaan, wanneer mijn karmozijn de drek omhelst, en de Voorzienigheid het blad omkeert?" 3. Het is de wijsheid eigen (genade is wijs, om van ver te zien) vooraf gelovig werkzaam te zijn, en het besluit te nemen, stil onder Gods voeten te liggen en zich nederig aan God over te geven, als in 2 Sam. 15:25,26.

De delen van de tekst

In de klacht zullen wij letten; 1. op het onderwerp van de klacht: De ontroerde ziel des Heeren. 2. Op de tijd: Nu is Mijn ziel ontroerd. 3. Op de angst, die Christus aangreep door deze ontroering: "Wat zal Ik zeggen?" Of zoals de zin is: "Wat zal Ik doen?" 4. Daarop, dat in de storm een kust, in de woedende zee een rots, als dichtbij zijnde, gezien wordt. Wat zult Gij zeggen, Heere Jezus; wat zult Gij doen? Bidden, en Hij bidt: "Vader, verlos Mij uit deze ure." 5. Daarop, dat er iets als een bestraffing, of liever een inbinding is: Maar hierom ben Ik in deze ure gekomen." De Heere, Zijn smart vergetende, omhelst deze boze ure. 6. Daarop, dat Hij, vastbesloten deze droevige ure niet te ontwijken, bidt: "Vader, verheerlijk Uw Naam."

 

Vijf bijzonderheden in de zielsontroering van Christus

1. In de behandeling van het eerste punt, de zielsontroering des Heeren, zullen wij overwegen: 1. Hoe die met vrede bestaan kan. 2. Hoe met de personele vereniging. 3. Welke reden er was. 4. Welke liefde en ontferming in Jezus was, om zo voor ons ontroerd te zijn. 5 Welk gebruik wij hiervan moeten maken.

 

De volmaaktheid van de aandoeningen van Christus

1e Stelling. Deze heilige, dus ontroerde ziel was als de aarde voor de val, waaruit, voordat zij vervloekt was, rozen ontsproten, zonder doornen en waaruit geen distelen voortkwamen. De toorn van Christus en Zijn droefheid, waren bloemen, die naar de hemel roken, en niet naar de zonde.

 

Hoe zuiver en hemels de aandoeningen van Christus zijn

Al Zijn aandoeningen van vrees, droefheid, treurigheid, hoop, blijdschap, liefde en verlangen waren als een fontein van vloeibaar en gesmolten zilver, welker boorden en hoofdbron allen zo vrij van droesem zijn, als zuiver kristal; zo’n Fontein kan geen klei, modder of vuil opwerpen. Toen Zijn aandoeningen hoger rezen en toenamen in haar werkingen, was elke druppel uit de fontein zondeloos, versierd met, en welriekend door genade. Hoe meer een bron van rozenwater, of welke andere kostbare vloeistof ook, in beweging gebracht of geroerd wordt, hoe liefelijker geur zij van zich geeft. Wanneer een zomerkoelte over een veld liefelijke rozen waait, wordt de lucht bezwangerd met een aangename en heerlijke geur.

 

Onze aandoeningen zijn bemodderd

Bij ons is zoveel modder en droesem op de bodem en aan de wanden van onze aandoeningen, dat, wanneer onze toorn, droefheid, treurigheid of vrees in werking komt, onze fontein zonde opwerpt. Wij kunnen niet liefhebben, of wij begeren; niet vrezen, of wij wanhopen; ons niet verheugen, of wij zijn wulps, ijdel en pronkziek; niet geloven, of wij zijn vermetel. Wij ademen zonde uit; wij geven een reuk van de hel van ons af, wanneer de wind over ons veld van onkruid en distelen gaat. Onze ziel brengt slechts wild graan voort; het gedichtsel van de gedachten van onze harten is alleen boos van onze jeugd af. O, dat het Christus beliefde, enige van Zijn bloemen in onze ziel te planten en de grond te zegenen, opdat zij daar voorspoedig mochten groeien, verwarmd en gevoed door zijn. Wanneer van binnen genade is, openbaart zij zich onder zware verdrukkingen naar buiten. Een heilige is een heilige, ook in verdrukking, evenals een huichelaar een huichelaar, en een ieder zichzelf is; en wanneer hij in de smeltkroes is, geeft hij een geur van zich af, zoals hij is. De ontroerde Christus bidt; de verzochte Job gelooft; (Job 19:25) de gegeselde apostelen zijn verblijd; (Hand. 5:41). Jona in de buik van de vis ziet op naar de tempel van Gods heiligheid. (Jona 2:4).

2e Stelling. De aandoeningen van Christus zijn redelijk; de rede ontstelt door vrees; rede en aandoening ontlopen elkaar niet. Joh. 11:33). Als Christus Zijn vrienden ziet wenen, weent Hij met hen. Wat in onze tekst uitgedrukt is, in de lijdenden vorm: "Mijn ziel is ontroerd", is daar uitgedrukt in de bedrijvende vorm: Hij ontroerde zichzelf; Hij riep Zijn aandoeningen op en genade en licht waren heer en meester over Zijn aandoeningen. Er zijn in Christus drie dingen, die niet in ons zijn. Ten eerste: de Godheid persoonlijk verenigd met een Mens, en de ziel van een Mens had een onmiddellijke invloed op Zijn aandoeningen. Dit was het persoonlijk voorrecht van Christus, en, dat wij dit missen is onze zonde niet; het te hebben, was Christus’ eer. Hoe nader iemand bij God is, hoe hemelser zijn aandoeningen zijn. Toen God de menselijke natuur en de menselijke ziel van Christus formeerde, schiep Hij een edeler en wonderlijker voortbrengsel dan de eerste Adam was. Het is waar, Hij was ons in alle dingen gelijk, uitgenomen de zonde, en wezenlijk een mens, maar in de voortbrenging van Christus was een groter openbaring van de kunst van de hemel dan in het formeren van Adam, of van het menselijk geslacht; ook al had de mens nooit gezondigd. Nooit werd een mens geboren, zoals Hij, volgens Luk. 1:35, "de kracht des Allerhoogste zal u overschaduwen." Vergunt mij daarom, dat ik van gedachte ben, dat er meer van God in de menselijke natuur van Christus is, omdat die natuur een vat is, afkomstig uit het huis van de Pottenbakker, dan ooit in Adam, of enig levend mens was, ook al had de mens nooit gezondigd. Ik bedoel, dat Hij een menselijke ziel van edeler bouw en maaksel had, waarin de Heilige Geest, in de daad van heiligmaking, een hogere hand had, dan toen Adam naar het beeld Gods geschapen werd, hoewel Hij een mens was, die in alle dingen ons gelijk was, uitgenomen de zonde.

3e Stelling. Onloochenbaar ging genade zodanig samen met de natuur, dat Hij niet meer kon vrezen dan de zaak vereiste. Indien al de sterkte van mensen en engelen in één persoon was samengevat, dan zou deze in hoger mate ontroerd zijn geworden dan Christus. Zoveel ontroering als er in de aandoeningen van Christus was, zoveel rede was er ook, en die was welriekende gemaakt door, en versierd met genade. Hij was niet als een mens, die in zijn verstandelijke vermogens wijs is, of begeert te zijn, boven hetgeen hij behoort te zijn, zoals Adam en Eva, en alle mensen nu behept zijn met de kwaal van nieuwsgierigheid. Zijn aandoeningen gingen ook niet buiten hun oevers. Hij zag de zwartste en donkerste ure, die ooit over iemand gekomen is. Veronderstelt, dat al het lieden van de verdoemden, de eeuwigheid door, hun in een gezicht werd voorgesteld, of ineens over hen kwam; het zou allen, die nu in de hel zijn of komen zullen, vernietigen. Christus zag, of voorzag zulk zwaar lijden, en toch geloofde, bad en hoopte Hij; Hij was er bemoedigd onder en leed het tot het uiterste, met alle lijdzaamheid; Hij verheugde zich in hoop. (Ps. 16:9). Onze aandoeningen verheffen zich en rijzen op voor de rede; zij ontstaan dikwijls door inbeelding en zitten al te paard en zijn in de wapenen als zich maar een strootje verroert; zij missen die helderheid en klaarheid van genade, die Christus had door hebbelijke genade, welke in Hem de natuur volgde van de baarmoeder af; wij kunnen onze aandoeningen opwekken, doch die niet tot bedaren brengen, evenals sommige tovenaars de duivel kunnen opwekken, maar hem niet kunnen bezweren of bevelen; of zoals sommigen oorlog kunnen maken, doch geen vrede kunnen scheppen. Het is laster, wat de Papisten zeggen, dat Calvijn leerde, dat er wanhoop of enige ongesteldheid van de rede in Christus was, daar hij integendeel zegt: Hij geloofde nog met volle verzekerdheid. Dit hoogtepunt van zielsontroering was allerredelijkst, omdat zij voortvloeide uit de onfeilbare bevatting van de allersterkste oorzaak van zielsontroering, welke ooit in enig levend mens was.

 

Welke vrede Christus had in Zijn zielsontroering

4e Stelling. Christus had toen, en ten allen tijde, zedelijke vrede of de genade van de vrede, zoals vrede staat tegenover het beschuldigend woeden van het geweten. Ten eerste: Hem kon nooit geloof ontbreken, dat een klaarheid, gerustheid en stilheid van de ziel is, en een verzekering van de liefde Gods. Ten tweede: Hij was niet vatbaar voor twijfeling, of voor zondige onrust van het gemoed, omdat Hij geen geweten van schuld kon hebben, waardoor de liefde en de teerste gunst Zijns Vaders tot Hem bewolkt konden worden. Maar zoals vrede staat tegenover smart en een gevoel van toorn en straf, wegens de schuld van onze zonde, zo miste Hij fysieke vrede, en was Hij nu onder strafschuldige verwarring en onrust van de ziel. Zo zien wij sommigen, die vrede hebben, maar geen vergeving, zoals die geruste zondaren, waarvan wij lezen in 1 Thess. 5:3. Ten tweede: sommigen hebben vergeving, maar geen vrede, zoals David (Ps. 38:4), die geen vrede in zijn beenderen had, en die (vs. 9) klaagt: "ik ben verzwakt, en uitermate zeer verbrijzeld; ik brul van het geruis mijns harten.". Zo ook de ontroerde Kerk in Ps. 77:2–5. Sommigen hebben zowel vrede als vergeving, zoals Stefanus, die zo nabij de kroon was, dat hij het aanklagend geweten te boven was. Het is alsof de Satan dezulken, die zo na aan het eind van hun loopbaan gekomen zijn, opgeeft, en over hen wanhoopt, wetende, dat die niet meer te overvallen zijn. Wanneer de zon pas opkomt, vergulden haar stralen de toppen van de groene bergen, die naar het oosten zien, en de ganse wereld kan niet verhinderen, dat de zon opgaat; zo zijn sommigen de hemel zo nabij, dat de eeuwige Zon een begin gemaakt heeft, een eeuwige dag van de heerlijkheid over hen te doen aanbreken; het licht, dat afstraalt van het aangezicht van Hem, Die op de troon zit, zet de ziel in zulk een gouden glans, dat er geen mogelijkheid is, dat de vrede in die ziel bewolkt, of dat het daglicht verhinderd wordt. Sommigen hebben noch vrede, noch vergeving; zoals zij in welken hun ziel de hel ontstoken is. Christus had nooit behoefte aan vergeving, Hij kon alles betalen, wat Hij schuldig was; Hij had de genade van de vergeving niet nodig, noch genade om gespaard te worden. God spaarde Hem niet. God kon niet minder bloed van Hem afvorderen dan Hij vergoot; Hij ontving een vrijspraak van rechtvaardiging, nooit vergeving uit genade (1 Tim. 3:16). Hij is gerechtvaardigd in de Geest.

Een ontroerde ziel bestaanbaar met de personele vereniging. Hoe dit zijn moet en hoe dit zijn kan

Het tweede punt is, hoe een ontroerde ziel bestaan kan met een personele vereniging. Kan God, kan de ziel Gods ontroerd worden? Ik zal aantonen: Ten eerste, hoe dit zijn moet. Ten tweede, hoe dit zijn kan. Ten eerste: Het moet zo zijn, omdat het verlies van de hemel het grootste verlies is. Een koning vrij te kopen, vereist meer miljoenen, dan er stuivers nodig zijn om slaven vrij te kopen. Toen wij alles verbeterd hadden, en weggeworpen werden, werden meer dan honderd vier en veertig duizend koningen (in Gods besluit waren zij koningen) uit de hemel geworpen. Waar was op aarde het goud te vinden om de hemel en zoveel koningen te kopen? En toch, de rechtvaardigheid moet voldaan worden; een God-ontroerde Zaligmaker, en een zielontroerde God was niet te veel. "O, zegt Liefde tot oneindige Rechtvaardigheid, wat wilt Gij voor Mij geven; wilt Gij Mij kopen en Mijn geliefde kinderen, de erfgenamen van eeuwige genade?" Van een prijs beneden de waarde van zoveel kortingen kon Rechtvaardigheid niet horen; hij moet gelijkmatig zijn of hoger.

Ten tweede. De wet kan zich niet gerust te slapen leggen met de voldoening van de zielsontroering van een mens, want evenals de zonde de ziel van een oneindige God ontroert, zover tenminste onze pijlen tegen de Zon kunnen opvliegen, zo ook moet de ontroering van de ziel van Hem, Die God is, de zonde boeten.

Ten derde. De hemel is niet alleen een zeer voortreffelijk juweel, kostbaar in zichzelf, maar onze Vader wilde opstandelingen met het kindschap en een koninkrijk begiftigen tot een prijs, die, zelfs naar onze wettische schatting, hoog is. Waarop komt mijn kroon God te staan? Wel, zij kon nooit duurder betaald worden. De ziel Gods werd er voor opgewogen, opdat niet alleen de vrijheid van de gift, maar ook de hoogste prijs, die ooit betaald is, zondaren de liefde van Christus boven alle hemelen zou doen prijzen en verheffen.

Ten vierde. Indien mijn ziel of uw ziel, o, gij verlosten des Heeren, elk afzonderlijk geschat kon worden op een waarde van tien duizend miljoen zielen, en even zoveel hemelen, dan kon zij de ziel Gods niet in waarde te boven gaan; de ziel, die op een heerlijke wijze, door inwoning met God, verenigd is. Het verlies van de hemel, al was het maar voor een tijd, was voor de ontroerde ziel van deze Edele en Hoge en Verhevene meer en oneindig groter, dan dat ik en al de heiligen de hemel voor eeuwig verloren.

 

God vorderde de voldoening voor de zonde niet krachtens noodzakelijkheid van Zijn natuur

Ten vijfde. Ik wil hier niet redetwisten, maar God kon, indien wij over Zijn volstrekte macht spreken, zonder opzicht op Zijn vrijmachtig besluit, de zonde zonder rantsoen vergeven hebben, en alle mensenkinderen en gevallen engelen met de hemel begiftigd hebben, zonder enige voldoening, of van de zondaar, of van zijn Borg. God straft de zonde niet, noch biedt de hemel aan mensen of engelen aan, krachtens noodzaak van Zijn natuur, evenals het vuur warmte uitstraalt en de zon licht, maar vrijwillig. Alleen op de veronderstelling van dat samenstel van de voorzienigheid, en dit besluiten, om zondaren te stralen en te verlossen, dat nu is, kon de Heere niet anders dan onveranderlijk zijn in Zijn besluiten; dit is slechts een voorwaardelijke noodzakelijkheid, doch slechts in de tweede plaats. Maar zo staat de zaak: God heeft, in de diepte van Zijn eeuwige wijsheid, het voornemen en plan, om verloren mensen zalig te maken, zo gevormd en gemaakt, dat de zaligheid door geen ander kanaal zal lopen, dan een zodanige, van welke de oever de meest vrije en de teerste liefde zal zijn, die in het hart van mensen en engelen kan opkomen, want Hij trok de lijnen van onze hemel, de gehele weg langs, door genade.

Ten tweede. Genade kan moeilijk anders werken dan door keuze en vrije beslissing; keuze en verkiezing zijn gepast voor genade. Daarom werpt genade het lot over mensen, niet over gevallen engelen, en het eeuwig lot van zeer voortreffelijke ontferming wordt in de schoot van Jacob en enige anderen geworpen, en het valt niet op Ezau en anderen. Onze Heere bedacht deze schone weg, om ons Zijn genade te betonen.

 

Hoe beminnelijk de weg van de genade is

Ten derde. Hij wilde niet, dat liefde eeuwig in Zijn ingewanden zou besloten blijven, maar Hij wilde een weg beramen, om grenzeloze ontferming op de Beurs, of bij de Bank te brengen, om langs die weg handel te drijven in liefde en ontferming, zonder er Zelf iets bij te winnen. Daarom stelde onze Heere Zich vrijwillig Borg, en onder een liefelijke noodzakelijkheid, Zichzelf te dwingen liefde uit te laten, in het geven van Zijn enige Zoon, (Hij had geen anderen) om voor mensen te sterven. Hij formeerde een bovennatuurlijke voorzienigheid van de rijkste genade en liefde, om het uitvaagsel van de schepselen, goddeloze zondaren, te kopen, door in een ongeëvenaard voorbeeld van tere liefde, Hem, Die van Koninklijke bloede van de hemel was, de eeuwige Spruite van de Prinselijke en Koninklijke Godheid, tot een rantsoen te geven aan de Gerechtigheid. U zondigt, zegt de Liefde der liefden, en Ik lijd; u doet kwaad, Ik maak het goed; u zondigt en zingt in uw vleselijk vreugde, Ik zucht; Ik ween, om uw blijdschap. Het schoonste aangezicht, dat ooit was, was bemodderd van wenen over uw zondige vreugde Het was betamelijk, dat vrije liefde, in de ingewanden van Christus, de weg naar de hemel door vrije liefde beramen zou. Nooit zouden wij met zoveel gevoel en verwondering onze kronen in de hemel neerwerpen aan de voeten van Hem, Die op de troon zit, indien wij de kroon moesten verkrijgen door doen naar de wet, en niet door evangelisch vertrouwen op een rijke Rantsoenbetaler. O, dat eeuwig onthaal op de honingraat van de liefdeschuld aan het Lam, dat ons om niet verloste. Al de schouders in de hemel zijn eeuwiglijk bezig, om de vrije liefde van Christus te verheffen en te verhogen, Die hen met zo’n vrije verlossing verlost heeft; doch zij zijn niet in staat, hoewel de engelen hen helpen, om Hem hoog genoeg te verheffen; het is zo’n zware kroon, waarmee de Prinsverlosser gekroond is, dat zij er, in zekere zin, moe van worden, omdat zij haar nooit genoeg verhogen kunnen.

Christus in zielsontroering, en nochtans de vereniging van de twee naturen niet ontbonden

Nu, dit moet een verborgenheid zijn; want, hoewel het wezen Gods, en meer van God, dan in enig schepsel zijn kan, in Christus was; en wel op de alleredelste wijze van vereniging, namelijk personeel; en dat, evenals onze ziel, die met een stoffelijk lichaam verenigd is, dat groeit, slaapt, eet en drinkt, nochtans niet groeit, slaapt of eet; en evenals het vuur vermengd of verenigd is met een gloeiend ijzer, waarin dichtheid en zwaarte is, terwijl er nochtans geen dichtheid of zwaarte in het vuur is; zo ook hier, hoewel de Godheid, in haar volheid, op de allernauwste wijze verenigd is met een ontroerde en overstelpte ziel, en met de lijdende natuur van een Mens, nochtans de Godheid vrij is van lijden, of enige strafschuldige zwakheid van de ziel. De sterkte en kleur van een schone roos kunnen lijden door de felle hitte van de zon, zonder dat de geur er door lijdt, ja, die kan door uitwaseming zelfs vermeerderd zijn. Toch gaan deze vergelijkingen nog in grote mate mank, omdat, hoewel de ziel niet ziek kan zijn, door de ongesteldheid van het lichaam, (aangezien er niets van de natuur, waarin het lichaam bestaat, noch enige matiging van de lichamelijke neigingen van het lichaam in de ziel is, omdat die van een verhevener en zuiverder samenstel is), er nochtans zo’n nauw verband en algeheel samenleven tussen ziel en lichaam is, dat de ziel door bijkomst en medegevoel ook lijdt. Evenals hij, die in het huis woont, er de meeste last van heeft, dat het doorregent en doorlekt, zo ook heeft de ziel last van het roken en het doorlekken van droefheid, doordat zij gebonden is aan een woning van ziek leem, en zo komt zij er toe, te wensen, dat er maar een gat in de wand was, of, dat zij door een deur of een venster kon ontsnappen. Onze geesten kunnen dikwijls zo bevangen zijn met een tegenzin in het leven, vanwege de bittere omstandigheden, die het vergezellen, dat zij de winst van het leven niet zo hoog schatten, dat die de onkosten kan goed maken. Maar de gezegende Godheid, verenigd met de mensheid, kan vanwege dat gezelschap niet ziek zijn, smart hebben, of lijden; ook kan de Godheid de vereniging met een ontroerde ziel niet moe zijn. Wij zijn van gedachte, dat in het graf en de dood die heerlijke gemeenschap nooit verbroken is.

Ten tweede. Vele zaken kunnen lijden door krachtige aanvallen. Wanneer men een pijl tegen een koperen muur schiet, kan er een indruk van in de muur achterblijven, als een bewijs van het geweld, dat er op uitgeoefend is. Zo lezen wij: "zij zullen tegen u strijden, maar tegen u niet vermogen". De gezegende Godheid in Christus is niet vatbaar voor een pijl, of voor terugkaatsing; tegen God is niets te beginnen. Hij heeft hier niets van een kust, oever of verschansing; Hij is niet vatbaar om door een spetter of een druppel van een golf geraakt te worden. Alleen de Mens Christus, de Roos van de hemel, had in Zijn schoot, bij Zijn wortel, een fontein, o, zo diep en verkwikkelijk, welke de Bloem fris hield in de dood en het graf! Toen zij afgeplukt was, was zij schoon, krachtig, fris voor de zon; aldus afgeplukt en boven de aarde, bloeide Hij schoon.

Ten derde. Het waren niet alleen de invloed en de uitwerkingen van de heerlijke Godheid, welke deze Bloem bevochtigden en de sterkte in Christus staande hielden, (naar mijn mening, kan God een verdoemd mens, in verdubbelde pijnigingen van eeuwige toorn, door sterkte van genade, moed, geloof en de liefde van Christus, tot in eeuwigheid, bewaren, zodat hel en duivelen hem niet kunnen overwinnen), maar ook de personele volheid van de Godheid ondersteunde onmiddellijk de Mens Christus. Het was geen vertroosting bij volmacht, geen gezonden hulp, geen boodschap van geschapen liefde, niet een geleend vloeien van een zee van liefelijkheid van vertroosting, maar God in Eigen Persoon, oneindige zelfstandigheid. De persoonlijkheid van de Zoon van God droeg al Zijn lijden; de mensheid was versterkt en van alles voorzien in de zelfstandigheid van de Boom des levens. Het is waar, God is voor Zijn heiligen krachtiglijk bevonden een Hulp in benauwdheid, doch dat helpen bestaat in hetgeen Hij doet en werkt, niet in een personele vereniging met de ziel.

 

De Familisten leren, dat Christus vlees geworden is in de gelovigen

Het is gruwelijk, wat sommige Familisten leren, dat, gelijk Christus eens vlees geworden is, Hij zo eerst vlees in ons geworden is, eer wij tot volmaaktheid gebracht worden. Immers, geen heilige op aarde kan zo persoonlijk met God verenigd zijn, als de Zoon des mensen, want Hij, Die is geworden uit een vrouw, uit het zaad van David, de Zoon des mensen, Hij, en niemand dan Hij, is de eeuwige Zoon van God, de eeuwig volzalige God. Het Kind, dat ons geboren is, is de sterke God, de Vader der eeuwigheid, de Vredevorst. (Jes. 9:6; Rom. 9:5; Gal. 4:4). Er is een groot onderscheid tussen Hem, de tweede Adam, en alle mensen, zelfs de eerste Adam in zijn volmaaktheid. (1 Kor. 15:47). Indien Christus leed zonder verbreking van de vereniging, terwijl God de lemen hut bewaarde, en die in een personele vereniging met Zich naar de hemel voerde, dan kan God ook in de diepste verlating in de heiligen wonen. Wij klagen in onze zielsontroering, dat Christus van ons vertrokken is, maar Hij is niet weggegaan; ons gevoel is onze Bijbel niet, noch een goede regel; dit kompas wijst niet zuiver.

Christus leed in Zijn ziel een zuiver zielelijden, en niet alleen door de vereniging van de ziel met het lichaam

De derde bijzonderheid in ons eerste punt was de oorzaak, of: Welke reden er was. De Papisten zeggen, dat er geen andere reden was voor het zielelijden van Christus, dan medegevoel met het lichaam. Wij geloven, dat toen Christus voor ons Borg werd, niet alleen Zijn lichaam, maar ook Zijn ziel onder die noodzakelijkheid kwam, dat Zijn ziel in de plaats van onze ziel kwam. Het betaamde onze Borg van de rechtvaardigheid hetzelfde te lijden, wat onze zielen eeuwiglijk schuldig waren. (Jes. 53:10). Hij stelde Zijne ziel tot een schuldoffer. Gewis om onze zonden. Wij moeten de ziel ook niet bepalen tot het lichaam en het tijdelijk leven, ziende, hoe Hij het met Zijn eigen woorden uitdrukt: "Nu is Mijn ziel ontroerd."

Ten tweede: Er was geen reden voor lichamelijk lijden van Christus, toen Hij in de hof bloed voor ons zweette; niemand had op dat tijdstip de handen aan Hem geslagen, en al die angst, welke over Hem kwam, was niets andere dan zielsangst.

 

De dierbare ziel van Christus was aan lijden onderhevig

Ten derde: Het kan ook niet meer onbestaanbaar zijn met Zijn gezegende Persoon, Die God en mens, en de Zoon van God was, dat Hij in Zijn ziel de toorn van God voor onze zonden droeg, dan, dat Zijne ziel ontroerd, geheel bedroefd ter dood toe, en zeer beangst was, en dat Hij klaagde: "Mijn God, Mijn God, waarom hebt Gij Mij verlaten!" Zijn ziel was ontroerd voor zondaren; het was het lijden als Borg. Het heerlijkste en meest grootse werkstuk van Gods schepping en voor God het dierbaarste, volgende op de Godmens, was de vorstelijke ziel van Christus; het was de ziel van een Koning. Nochtans kwam zij, vanwege de zonde, onder de dood, en dat onder geen gewone dood, maar onder die, welke het merg van de dood is, de eerstgeboren en de sterkste dood, de toorn Gods, de zuivere pijn of smart van de hel, vrij van wanhoop en van de haat van God. Als ik een hel moest hebben, dan zou ik zo’n zuivere hel verkiezen, zoals die van Christus. Het is beter, duizendmaal kwaad te lijden dan te zondigen. Het is beter, het lijden te verkiezen dan de zonde. Het was smart, en niets dan smart. Verdoemde mensen en verworpen engelen zijn niet vatbaar voor een zuivere hel in de vrees Gods. Zij kunnen het lijden van de hel niet verkiezen, zonder te spuwen op de schone en vlekkeloze rechtvaardigheid. Omdat het bloed van Christus de zonde zou wegwassen, kon Hij niet beide de schuld volkomen betalen en die ook op Zich nemen. Indien het echter zo is, dat de dood zo’n kostbare Borg vindende, als de vorstelijke ziel van Christus was, Hem de wet van het land deed gehoorzamen, eer Hij uit dat land ontkwam; is het dan een wonder, dat wij sterven, die in het land van de dood geboren zijn? Geen schepsel, dat niet in barensnood is met de dood in zijn boezem, of met een neiging tot die moeder-niets, waaruit het voortkwam; God alleen staat tussen de machtigste engel in de hemel en niets.

 

Wij moeten de dood in lijdzaamheid verdragen, ziende, dat ook Christus gestorven is

Al het ondermaanse moet aan de ijdelheid en de dood onderworpen zijn, als de Erfgenaam van alle dingen, onder sterfelijke schepselen inkomende, overeenkomstig het Godsbestel, naar de wet, moet sterven. Indien de ziel des Heeren, de ziel van zo’n Heere sterven en toorn ondergaan moet, laat dan het schone aangezicht van de wereld, laten dan de hemelen betrekken als het aangezicht van een bevende oud man met grijze haren en diepe rimpels. (Ps. 102:27). Laat dan de mens zich spoeden naar zijn eeuwig huis; laat dan de tijd oud en grijs worden. Waarom zou ik verlangen hier te blijven, wanneer Christus hier niet blijven kon?

 

Het is geen wonder, dat alle dingen aan verandering onderhevig zijn, als zelfs Christus’ ziel ontroerd was

Indien deze vlekkeloze ziel, die nooit zondigde, ontroerd was, is het dan wonder, dat veel ontroeringen het deel van de zondaar zijn? Onze Zaligmaker, Die zielerust aan anderen belooft, kon Zelf geen rust van de ziel hebben. Zijn ziel werd hevig heen en weer geslingerd, en alle schepselen worden geslingerd en zijn in beweging. Er is, sinds Adam zondigde, geen schepsel, dat rustig slaapt. Moeheid en beweging is het deel van zon en maan en alle schepselen onder de zon. Zeeën ebben en vloeien; dat is onrust. Winden waaien, rivieren stromen, de hemelen en sterren hebben nu bijna zesduizend jaar, eenmaal uitgezonderd, nooit vijf minuten rust gehad; levende schepselen gaan snel de dood tegemoet; koninkrijken en steden wemelen op en neer op het rad van veranderingen; mensenkinderen lopen, en lichaams- en zielsontroering onderworpen zijnde, zijn zij rusteloos en gaan te voet, terwijl het bed koningen geen rust geeft. De zesdaagse schepping is in barensnood en schreeuwt uit in haar weeën, en nog is het kind niet geboren; (Rom. 8:22) deze arme vrouw is zuchtende onder de dienstbaarheid van de ijdelheid en zal niet te bed gebracht worden, voor Jezus voor de tweede maal komt, om Vroedvrouw te zijn bij de geboorte. Het grote al van hemel en aarde heeft van de tijd af, dat God de eerste steen legde van dit groot gebouw, gezucht en geweend, uitziende naar de vrijheid van de kinderen Gods. (Rom. 8:21). De gedaante van de voorbijgaande wereld, 1 Kor. 7:31, is als het aangezicht van een oud man, vol rimpels en bemodderd van wenen; wij zijn in afwachting, dat Jezus van de hemel zal geopenbaard worden, om het aangezicht van de oude man te komen afwissen. Elk schepsel is hier gaande; het is hier het land van de rust niet. De ziel van Christus is nu alle moeite en ontroering te boven, en rust liefelijk in de schoot van God. Ontroerde zielen, verblijdt u in hoop. Tere en kinderlijke heiligen nemen het niet goed op, dat zij niet elke dag op Christus’ liefde onthaald worden; dat zij niet de ganse nacht tussen de borsten van de Verlosser liggen en op Zijn knieën getroeteld worden. Doch, wanneer het edelste deel van de Mens Jezus, Zijn kostbare ziel, zo ziek was van ontroering, en die edele en vermaarde eerste Erfgenaam van alles tot zulk diep zuchten geperst werd, dat het door lucht en hemelen drong, en de rotsen deed scheuren, zullen zondaren dan niet onderworpen zijn, wanneer het Christus behaagt, Zijn kinderen neer te zetten, om te voet te gaan, en Zich voor hen te verbergen? Maar zij vergeten het verschil tussen de lemen herberg en het huis van de heerlijkheid. Onze velden worden hier met tranen bezaaid; droefheid groeit in elke voor van dit benedenland. Eenmaal zult u ziel en hoofd neerleggen in de schoot en tussen de borsten van Jezus Christus; dat bed moet zacht en heerlijk zijn, want het is welriekend gemaakt met ongeschapen heerlijkheid. De gedachten van al uw zielsontroeringen, die u nu onderhevig bent, zullen als schaduwen zijn, die tien duizend jaar geleden al weggevaagd zien, wanneer Christus Zijn heerlijke armen om uw hals zal slaan en u zult rusten in een oneindige ruimte van alles te boven gaande heerlijkheid; wanneer heerlijkheid of rijpe genade binnen u en buiten u, boven en beneden u zal zijn; wanneer voeten van leem wandelen zullen op zuivere onovertreffelijke heerlijkheid. "De straat van de stad was zuiver goud," doch daar is geen goud, maar enkel heerlijkheid; goud is maar een afschaduwing van alles, wat daar is.

 

Wat een liefde het in Christus was Zich in onze plaats te stellen

Het zal mogelijk niet minder stichtelijk zijn een weinig over het vierde punt te spreken: wat een liefde en goedertierenheid het in Christus was, om voor ons zo ontroerd van ziel te zijn.

1e Stelling. Zelf is dierbaar, wanneer het vrij is van zonde, en bovendien zelf-zalig. Christus was zowel vrij van zonde, als in zichzelf zalig. Wat kon Hem dan bewegen Zijn voeten buiten zo’n uitnemend land, als de hemel is, te zetten, en onder de smart van een ontroerde ziel te komen; wat anders dan vrije, sterke en vurige liefde, welke als een grondeloze rivier was, die vurig verlangde, buiten haar oevers te treden? Oneindige goedheid maakt, dat de Liefde uit zichzelf uitgaat (Joh. 15:13). Goedheid wordt sterk opgewekt door rechtvaardigheid en onschuld, doch onze zaak stond slecht, omdat wij zondaren waren. Doch goedheid (want een ieder, van wie de zaak goed is, is nog geen goed mens), wordt opgewekt door goedheid, maar wij waren noch rechtvaardig, noch goed. Toch wilde Christus, hoewel er geen rechtvaardigheid of goedheid in ons was, op Zich nemen, voor ons te sterven. (Rom. 5:7,8). Goedheid en genade (welke goedheid is, waar zij niet verdiend wordt) zijn vrijmoedig, stoutmoedig en onverschrokken. Liefde, welke niet binnen haar oevers kon blijven vloeien, wilde, opdat Christus’ liefde een liefde boven mate en uitermate levende zijn zou, de goddeloosheid in de mens te boven gaan.

 

Christus overrekende de kosten en zag, wat Hij in Zijn lijden voor ons moest uitgeven en zou ontvangen

2e Stelling. Had Christus, toen Hij Zijn ziel ging verbinden, om de smarten van de tweede dood te ondergaan, gezien, dat de onkosten groot, en de inkomsten klein zouden zijn, en niet meer, dan Hij tevoren reeds had, wij behoorden dan Zijn liefde des te meer te waarderen. Maar Christus had van eeuwigheid gelegenheid en wijsheid genoeg, de kosten te overrekenen, en Hij wist, wat Hij moest uitgeven en wat Hij zou ontvangen. Wanneer het Hem had berouwd, had Hij van de koop kunnen afzien. Hij wist, dat Zijn bloed en Zijn enige, edele ziel, welke in een personele vereniging met God stond, onvergelijkelijk meer waard waren, dan al Zijn verlosten samen. Hij zou maar weinig ontvangen; slechts verloren zondaren zou Hij winnen; Hij zou, in zekere zin, een schone Godheid ontledigen, en de Heere der heerlijkheid doden, en een zwarte Bruid inhalen. Er is geen gebrek in de liefde; de liefde van Christus is niet terughoudend, niet knechtelijk. Christus, de Koper, prees de waar, eer Hij die kocht (Hoogl. 4:7). "Geheel zijt gij schoon, Mijn vriendin, en er is geen gebrek aan u". Christus oordeelde, dat Hij een edele prijs verkregen en dat Hij een hemelse koop gedaan had, toen Hij Zijn vrouw, voor wie Hij diende, in Zijn armen ontving (Jes. 53:11). Hij zag de arbeid Zijner ziel, en werd verzadigd. Hij werd met vrolijkheid vervuld, als iemand, die volop feest houdt. Zou de losprijs, die Hij gaf, klein geweest zijn, Hij zou meer gegeven hebben.

 

De weg van de liefde, om mensen zalig te maken

3e Stelling. Het is van belang, dat niets buiten Christus Hem bewoog, deze verbintenis aan te gaan. Er was een droevige, bloedige oorlog uitgebroken tussen de goddelijke gerechtigheid en zondaren. Liefde, liefde perste Christus, de oorlog aan te gaan; te komen en de grote Koning en de staat van het verloren menselijk geslacht te dienen, en Hij deed het vrijwillig. Dit maakt het tot twee gunsten. Het is hart innemend, te denken, dat de hemel van zondaren eerst van eeuwigheid in het hart van Christus is opgekomen, en dat liefde, de meest vrije liefde, de bloesem en het zaad en de enige beramer van onze eeuwige heerlijkheid was; dat vrije genade van de beginne, van dat God was, van eeuwigheid, het plan tot zaligmaking en het voornemen tot verlossing van zondaren voortzette. Deze onschuldige en zielsverblijdende staatkunde van Christus, om niet de engelen, maar het zaad Abrahams aan te nemen en ten opzichte van Zijn lijden, zonder pas, in de gedaante van een dienstknecht af te komen tot het land van Zijn vijanden, spreekt van de diepe wijsheid van oneindige Liefde, en roept die uit. Was niet dit het vernuft van vrije genade, zo’n verborgen en diepe bedeling uit te vinden, dat God en mens persoonlijk zou doen en lijden, zo, dat Rechtvaardigheid niets zou tekort komen, Goedertierenheid voldaan zijn, en Vrede Gerechtigheid kussen zou, en de oorlog in rechtvaardigheid zou gevoerd worden tegen een zondeloze Verlosser? De engelen, zich neerbuigende, begerig tot op de bodem in deze diepte in te zien, kunnen de volkomen zin van de oneindige wendingen en keringen van deze geheimzinnige verborgen liefde niet naspeuren. O, Liefde van de hemel, Schoonste van alle liefsten, Bloem van de engelen, waarom kwam U zo laag neer, dat de vlekkeloze liefde aller liefden zou bevlekt en onderschat worden, door zo dicht bij zwarte zondaren te komen? Wie had ooit kunnen geloven, dat klompen hel en zonde vatbaar zouden zijn voor de verwarmingen en vonken van zo’n hoge en vorstelijke liefde, of dat er in het hart van de Hoge en Verhevene plaats zou zijn voor verloren en schuldig leem? Het is goed, dat wij weten in Wiens hart dit opkwam. Dit is zeker; niemand dan de eeuwige Liefde en Lust des Vaders kon zoveel liefde uiten; had een ander het gedaan, het wonder zou groter zijn geweest. Doch hierover elders meer.

 

Onze weekheid en eigenwijsheid onder het lijden

Daarom is onze weke natuur te berispen; de ziel van de Heere Jezus was ontroerd om onzentwil; wij ontstellen al over een bezwaard lichaam, of over een schrammetje in ons vel, zo groot als een stuivertje.

Ten eerste. Er is in onze natuur een stille onlijdzaamheid, als wij niet in een wagen van de liefde, in Christus’ schoot, naar de hemel gevoerd worden; wanneer wij niet op scharlaken of purper kunnen wandelen, dan deinzen wij al terug, en wij murmureren.

Ten tweede. Wij zouden graag een zijden, zacht, geurig kruis hebben, gesuikerd en gehonigd met de vertroostingen van Christus, anders bezwijken wij; de Voorzienigheid moet ons een beker alsem en gal brouwen, in de bereiding vermengd met blijdschap en vrolijke gezangen, of wij kunnen geen discipelen van Christus zijn. Doch Christus’ kruis lachte Hem niet toe; Zijn kruis was een kruis, Zijn schip voer in bloed en Zijn gezegende ziel was zeeziek en bezwaard tot de dood toe.

Ten derde. Wij houden er van, in zoet water te zeilen, vlak bij de wal; wij nemen niet in aanmerking, dat, hoewel onze Heere niet van harte plaagt en bedroeft, Hij toch niet uit liefhebberij bedroeft. Zonde te straffen is voor God een ernstig, gewichtig en wezenlijk werk. Er is geen reden, waarom het kruis spel zou zijn; geen Stoïcijnen noch Christenen behoeven er om te lachen; het kruis werpt een sombere schaduw op Christus.

 

Ons verkeerd beoordelen van God, onder het kruis

Ten vierde. Wij vergeten, dat bloedige en droevige ontfermingen goed voor ons zijn. De vrede, die de Heere voortbrengt uit de baarmoeder van oorlog, is beter, dan de verrotte vrede, welke wij hadden in de dagen van bijgeloof van de prelaten. Welk een aangenaam leven, welk een hemel, welk een zaligheid is het, die wij in Christus hebben! En wij weten, dat de dood, het graf en de zielsontroering van de Heere Jezus in barensnood waren, om die voor ons voort te brengen. De hemel is temeer hemel, omdat Christus er een prijs van bloed voor betaalde. Het kruis moet voor al de heiligen een bloedige, scherpe kant en leeuwetanden hebben; het was voor Christus wat het is, bitter en zuur, en zo moet het ook voor ons zijn. Wij kunnen geen papieren kruis hebben, of wij moeten op ons kunnen nemen een gouden voorzienigheid te maken, of aan de schepping een nieuw voorkomen te geven, en de wereld te nemen, om die als een groot stuk lood in het vuur te smelten en in een nieuwe vorm te gieten.

Ten vijfde. Hoe meer van God in het kruis, hoe zachter het is. Evenals vrije genade uitbot uit de zwarte roede van God, zo ook drupt het kruis van Christus voor de ziel, die niet ziet, en nochtans gelooft en liefheeft, honing en de zoetste vertroostingen. Wij zuchten onder slagen, en wij geloven. De eerste Adam doodde ons en begroef ons in twee doden, en verzegelde ons graf, binnen de tijd van een uur; hij besloot allen onder de toorn. Hoeveel van Christus is hierin? Almacht, oneindige wijsheid, vrije genade, grenzeloze liefde, diepste en rijkste barmhartigheid in Jezus Christus opende onze graven en wekte de doden op, toen de engelen ons verlieten en, als in hun liefde tot ons veranderd zijnde, bij onze ellende van ver stonden. Christus stierf en stond weer op en bracht al Zijn begraven broederen uit de doden terug.

Ten zesde. Wij kunnen met de Almachtige worstelen, alsof wij onszelf beter kunnen besturen en regeren dan God het doen kan. Murmurering rijst op tegen een bedeling van oneindige wijsheid, omdat het Gods bedeling, niet de onze is, alsof God verkeerd handelt, en de murmurerende mens alleen in staat is, de misslagen van oneindige Wijsheid te verbeteren en te herstellen. "Hoe ben ik dus, Heere?" zegt de worstelaar. Waarom beoordeelt u Christus verkeerd? Wie een fout vindt in wat de Schepper doet, laat die, hij zij mens of engel, het ongedaan maken, en het beter doen, en het met zich voeren.

Ten zevende. Wij beoordelen God naar ons gevoel, naar de luimen van de rede, niet naar rede. Wij zeggen, dat de riem, waarmee God Zijn schip roeit, gebroken is, omdat het einde van de riem onder water is. De Voorzienigheid gaat mank, zeggen wij, maar hoe, indien gevoel en luim zeggen, dat een rechte lijn een cirkel is? De wereld hield God in Persoon voor een Samaritaan, voor iemand, die de duivel had; indien wij Zijn Persoon verkeerd beoordelen, kunnen wij het ook Zijn voorzienigheid en wegen doen. Schort uw oordeel over G