Christus stervende en

zondaren tot Zich trekkende

– of –

een beschouwing van onze Zaligmaker in Zijn zielelijden, Zijn liefelijkheid in Zijn dood en wat die hebben teweeggebracht,
waarin sommige gevallen van zielsonrust in zwakgelovigen en gronden van onderwerping onder de afwezigheid van Christus, met de ebben en vloeden van vrije genade, zijn opengelegd. Verhandeld in leerredenen over het Evangelie van Johannes, hoofdstuk 12:27-33. Hier zijn ook enige noodzakelijke afwijkingen tussengevoegd, overeenkomstig de gelegenheid van de tijd, nopens verschillende dwalingen van de Antinomianen en een korte verdediging van de leer van de Protestanten tegen de algemene bewering van de Arminianen, dat Christus voor allen en een ieder van de mensenkinderen gestorven is; de moraal en het voorstaan van de wederstandelijke bekering van zondaren, en welk geloof van allen in de zichtbare kerk vereist wordt, om het gemis waarvan velen veroordeeld zijn.

– door –

Samuel Rutherford,

Evangeliedienaar en Professor in de Godgeleerdheid aan de Universiteit te St. Andrews in Schotland.

 

 

Spr. 30:4. Hoe is Zijn Naam, en hoe is de Naam Zijns Zoons, zo gij het weet?

Jesaja 53:8. Hij is uit den angst en uit het gericht weggenomen; en wie zal Zijn leeftijd uitspreken?

tweede deel

 

 

Inhoud

Punt II *

Punt III *

Punt 4 *

Artikel V *

Artikel V *

Mr. Town’ s verdediging van de genade tegen Mr. Taylor *

 

 

Joh. 12:32. En Ik, zo wanneer Ik van de aarde zal verhoogd zijn, zal hen allen tot Mij trekken.

 

Punt II

Wat wij nu te overwegen hebben is "de Persoon, Die trekt." "Ik," zegt Christus,"zal ze allen tot Mij trekken."

Er is een bijzondere geschiktheid in Jezus Christus, om zondaren tot Zich te trekken.

1. Wat Zijn Persoon betreft is Hij geschikt, want noch de Vader, noch de Heilige Geest is persoonlijk de Verlosser, maar Christus. Gelijk de diepte van Gods wijsheid de Zoon het geschiktst achtte, ons tot zonen te maken (Gal. 4:4) en Erfgenaam te zijn, om het recht van erven aan de naaste bloedverwanten, aan Zijn broederen mee te delen, teneinde hen mede-erfgenamen met Hem te maken, zo ook is Christus een geschikt Persoon, als de Heere, de Zaligmaker, om gevangenen te bevrijden, en hen te trekken tot de staat van het kindschap; waarmee ik, zo sprekende, de twee andere Personen niet uitsluit, want (Joh. 6:44) de Vader trekt tot de Zoon, en de Geest van de genade werkt bijzonder in het werk van de bekering, doch Christus is persoonlijk aangemerkt gesteld, om zondaren te trekken. God werkt en voert al de staatsbesluiten van de hemel uit door Christus. (Hebr. 2:10) Hij brengt of leidt vele kinderen tot de heerlijkheid.

2. Christus is krachtens Zijn ambt een verzamelend en verenigend Middelaar. (Kol. 1:29) Hij maakt hemel en aarde één. Hij is onze Vrede, Die deze beide één gemaakt heeft (Ef. 2:14); de Herder, Die de kinderen Gods tot één vergadert (Joh. 11:52). Hij maakt door de verdienste van Zijn bloed zondaren wettelijk één met God. Hij is Immanuël, God met ons, geschikt, om ons te trekken, zodat wij in een wettelijke vereniging met God komen. Wij waren uit het Paradijs verbannen; de Zoon werd krachtens Zijn ambt gezonden om de wettelijk verbannen kinderen weer terug te brengen.

3. God gaf, in zekere zin, in Christus Zijn medelijden, ontferming en vriendelijkheid aan zondaren, en Christus heeft in Zijn natuur en krachtens Zijn ambt de oneindige toorn gestild en de rechtvaardigheid voldaan. God is, om zo te zeggen, nergens zo barmhartig, genadig, vriendelijk en mededogend, en zo’n Zee van liefde voor zondaren, als in de Heere Jezus. O, Hij is zo’n allerbeminnelijkst, begeerlijk, medelijdend God in Christus. De zondaar vindt alles, wat God in Zich kan hebben of doen tot de zaligheid, in de Middelaar Christus. Niets kan de zondaar uit God ontvangen dan door Christus. Er is geen gouden pijp of kanaal buiten Hem Al wat God is, de gehele God is in Christus, en in Hem mededeelbaar aan het schepsel. Werd God gezien in Zijn beminnelijkheid, Zijn schoonheid zou als sterke koorden en ketenen zijn, machtig, om de hel in de hemel op te trekken. Liefde, genade, ontferming, zijn verbindende en verenigende eigenschappen in God. Hoewel nu deze zelfde wezenlijke eigenschappen, die in één Persoon zijn, in alle drie de Personen zijn, toch is de bemiddelings-openbaring van liefde, genade en vrije ontferming alleen in de Zoon, zodat Christus het Schathuis, de Stapelplaats, het Magazijn van de vrije goedheid en ontferming van de Godheid is. Evenals de zee een verzameling van wateren is, zo is Christus een samenvloeiing van deze beminnelijke en trekkende eigenschappen, die in de Godheid zijn. Christus is het Aangezicht van God. (2 Kor. 4:6) De schoonheid en beminnelijkheid van de persoon, veel van de majesteit en heerlijkheid van de mens ligt in het aangezicht. Nu, de schoonheid en de majesteit en de heerlijkheid Gods is in Christus geopenbaard. (Hebr. 1:3) Christus is het afschijnsel Zijner heerlijkheid. De Vader is, als het ware, geheel Zon, geheel Parel; de Zoon, Christus, is het zelfstandig Licht, de Glans, de eeuwige en wezenlijke uitstraling van deze Zon van de heerlijkheid. De heerlijkheid van de Zon is aan de wereld geopenbaard in het licht en de stralen, welke zij uitzendt in de wereld. Indien de zon haar stralen en haar licht in zich besloten hield, zouden wij niets van haar schoonheid en heerlijkheid zien. Mens noch engel zou iets van God kunnen zien, indien God niet door een eeuwige generatie een mede-zelfstandige Zoon uit Zich had doen geboren worden. Christus is de uitstraling, de luister en de glans, doch de medezelfstandige glans van de oneindige Parel, en Hij is het Beeld van God, evenals het gezegelde van het zegel en als de vleesgeworden God openbaart Hij de uitnemendheid, heerlijkheid en schoonheid van God. De parel is een trekkend en aanlokkelijk schepsel, wegens haar glanzende schoonheid en zo is Christus de trekkende beminnelijkheid Gods. Men kan de schoonheid van de schepselen of van het aangezicht van de mens niet zien, zonder het schepsel en de mens te zien. Zo zegt Christus tot Filippus: (Joh. 14:9) "Die Mij gezien heeft, heeft de Vader gezien;" Ik ben de Vader zo gelijk, als God Zichzelf gelijkt; er is een volmaakte, onzichtbare, wezenlijke eenheid tussen de Vader en Mij. Ik en de Vader zijn één, één en dezelfde God; Hij is "Die-geboren-heeft". Ik ben "de Geborene". Zo heeft God al Zijn schoonheid, beminnelijkheid en trekkende kracht in Christus, de Zeilsteen van de hemel opgelegd en verpand. Hij is de zelfstandige Roos, Die van eeuwigheid uit de Vader ontspruit. De wijsheid van de mens verlicht zijn aangezicht. Wijsheid is een aangename, beminnelijke en aanlokkelijke schoonheid. Christus nu is de wezenlijke Wijsheid Gods. Waren uw ogen maar eens geboeid aan die liefelijke, beminnelijke Christus, die ongeschapen gouden Ark, die eeuwige oneindige Bloem, die Lelie, die ontsproten is uit het wezen en de schone natuur van God, met Zijn eeuwige oneindige frisheid, schoonheid, geur en sterkte, en Zijn onvergankelijk leven, die wezenlijke Wijsheid en dat zelfstandige Woord, Die met het hoogste verstand begiftigd, geboren is uit het oneindige verstand van God; ik zeg, indien uw ogen maar eens op Hem gevestigd waren in een gezicht van heerlijkheid, het zou onmogelijk zijn, uw ogen weer van Hem af te wenden; er zouden zulke trekkende stralen en zichtbare lijnen van beminnelijke schoonheid en heerlijkheid, zulke pijlen en liefdeschichten, van Zijn aangezicht tot uw oog komen en door die geschapen vensters in het verstand, het hart en de genegenheden schieten, dat u tot in alle eeuwigheid een gevangene van de heerlijkheid zoudt zijn. (Ps. 16:11.) Verzadiging der vreugden is bij Uw aangezicht. (Openb. 22:4.) Zij zullen Zijn aangezicht zien, — het is een Koningsaangezicht en een koninklijke eer, het te zien, — (vs. 5) en zij zullen als koningen heersen in alle eeuwigheid.

4. Zijn hart klopt ook zo teer, met zo’n vurige liefde en zo’n volheid van vrije genade; het is zo ruim, zo teer, Hij heeft zulke uitgebreide ingewanden van ontferming en mededogen over zondaren, dat Hij Zijn ontferming wilde betonen in een gestalte van leem aan te nemen, om op een gepaste wijze krachtig op zondaren te kunnen werken en hen, een grote, ruime handvol, ja armen vol zondaren te trekken. Hij wilde om onzentwil een mens worden, om alle organen deelachtig te worden, geschikt om zondaren liefelijk tot Zich te trekken: een mensenhart, om mensenliefde hebben; menseningewanden, om over mensen bewogen te zijn; mensenhanden, om het onreine vel van melaatsen aan te raken; een mensenmond en -tong, om voor mensen te bidden en in onze natuur het eeuwig Evangelie te verkondigen; mensenbenen, om de goede Herder te zijn, Die over bergen en door woestijnen gaat, om verloren schapen te zoeken en zalig te maken; een mensenziel, om voor mensen te zuchten en te kermen; mensenogen, om over zondaren te wenen en een menselijke natuur, om Zijn leven af te leggen voor Zijn arme vrienden. Hij wilde een geschapen lemen hut van vrije genade zijn, een magazijn en werkplaats van mededogen met ons; Hij wilde gebruik maken van de baarmoeder van een zondares, om geboren te worden; de borsten zuigen van een vrouw, die een Zaligmaker nodig had, en eten en drinken met zondaren en tollenaars. Hij kwam, om verloren zondaren te zoeken en zalig te maken; werd met zondaren gerekend; stierf tussen twee zondaren; Zijn graf werd bij de goddelozen gesteld; (Jes. 53:9) Hij liet Zich in het graf van een zondaar begraven. En nu, nu Hij in de hemel is, verbreekt Hij de oude betrekking met zondaren niet, de eer heeft Hem niet veranderd, zodat Hij Zijn oude vrienden zou vergeten hebben. (Hebr. 4:15.) Want wij hebben geen Hogepriester, Die niet kan medelijden hebben met onze zwakheden, maar Die, in alle dingen, gelijk als wij, is verzocht geweest, doch zonder zonde. Christus kan nu niet zuchten, maar Hij kan gevoelen, wat zuchten is; Hij kan nu niet wenen, maar Hij heeft een mensenhart, om medelijden te hebben met ons wenen, op zo’n wijze als gepast is in Zijn verheerlijkte staat. Het Hoofd is in de hemel, maar Hij heeft Zijn hart aan de zondaren op aarde niet onttrokken. Niets kan Christus dierbaarder zijn dan de Heilige Geest en Hij heeft die Trooster, de Geest gezonden, om bij ons te blijven.

1e Gebruik. O, dat mensen wilden komen, om ia deze Ark te zien, en dat Christus het gordijn beliefde weg te schuiven! Hoort, hoe Hij roept tot de steden van Juda; (Jes. 40:9) Ziet, hier is uw God, (Jes. 65:1) en tot het volk, dat naar Mijn Naam niet geroemd was: Ziet hier ben Ik, ziet hier ben Ik. De verdubbeling van het woord geeft te kennen, dat Christus Zijn schoonheid begeert te ontdekken; zal uw huis en uw vijf juk ossen u van Hem afhouden? De mensen willen niet tot Hem getrokken worden, om voldoening te vinden voor hun liefde.

2e Gebruik. Is Christus een trekkende en een verenigende Geest, dan moesten allen, die in Christus zijn, verenigd zijn. Zeker de verdeeldheden, die nu in ons land zijn, kunnen niet van God zijn. De wolf en de goede Herder, staan in dit punt recht tegenover elkaar. De goede Herder begeert, Zijn kudde bijeen te vergaderen en haar zalig te maken, opdat zij weide vindt, en de kudde behouden wordt; de wolf verstrooit de kudde, of indien hij wil, dat de kudde bijeenvergaderd wordt, dan is het, opdat zij vernield zou kunnen worden. Het moest overwogen worden, of een bloedig voornemen van twee Protestante koninkrijken, om krijg te voeren tot vleselijk doeleinden, en op onnatuurlijke en ongegronde naijver, wel uit een verenigende Geest voortvloeit, en niet eerder uit hem is, die een moordenaar is van de beginne.

3e Gebruik. Joden en Turken en beschaafde mensen, die maar zedelijke heidenen zijn, zijn niet in Christus, en kunnen geen gemeenschap met God hebben, noch tot Christus getrokken worden, omdat niemand in een betrekking van liefde tot God kan staan, die God niet ziet als aan de ziel ontdekt en beminnelijk gemaakt in Christus. Zedelijke beschaving en farizeese heiligheid is een van de meest de-hemel-gelijkende en schoonschijnende wegen naar de hel, die de Satan kan uitdenken. Vele zedelijke mensen gaan door diefstal naar de hel. Satan drijft met openlijk geweld de profane en openbaar goddeloze mensen ten verderve, maar hij steelt miljoenen beschaafde heiligen naar de hel, brave gehuwde mensen, die een ruim bestaan in de wereld hebben, van welken de klederen zo wit zijn, alsof zij heiligen waren, omdat zij beschaafd en zedelijk rein zijn, overeenkomstig de letter van de tweede tafel van de wet, doch, die niet wedergeboren zijn en daarom het koninkrijk Gods niet kunnen zien. De meeste mensen bedriegen zich met zich te houden aan de religie en de zeden van het land, waarin zij wonen, die maar beschaafde, brave Antichristen zijn, loochenende, dat er enigerlei noodzakelijkheid is, dat Christus in het vlees zou komen, om voor zondaren te sterven, want zij leven braaf voor zondaren, en redden zichzelf, en zien niet op naar Christus, om de hemel, doding van zonde of geloof.

Joh. 12:32. En Ik, zo wanneer Ik van de aarde zal verhoogd zijn, zal ze allen tot Mij trekken.

Dit trekken van zondaren tot Christus is gegrond op de dood van Christus aan het kruis, en Zijn sterven aan het kruis is een daad van uiterste en hoogste liefde. (Joh. 3:16; Joh. 15:13; 1 Joh. 4:9, 10.) Laat ons daarom nog wat verder overwegen, welke trekkende en lokkende macht in de liefde Gods is, en hoe wij tot de zoete vrucht van het krachtigst trekken van Christus zullen komen. Hiertoe zullen wij overwegen:

1e De openbaring van de trekkende beminnelijkheid van Christus’ sterven.

2e De volheid van deze beminnelijkheid.

Wat het eerste betreft: Christus openbaart Zich aan ons, wij kunnen Hem niet eerst ontdekken. Dit bestaat in twee handelingen.

Christus opent het verstand (Luk. 24:45) en het hart (Hand. 16:14); Hij neemt het deksel weg, dat op het hart ligt (2 Kor. 3:15, 16) en maakt de middenstof, de lucht als het ware, dun, helder en doorzichtig, evenals wanneer de zon de nachtschaduwen en de dikke wolken verdrijft, zodat de Sleutel Davids, Die opent en niemand sluit (Openb. 3:7), de deur opent en het zegel wegneemt, dat de zonde van de eerste Adam op het hart gebracht heeft. (Joh. 14:21) Die Mij liefheeft, zal van Mijn Vader geliefd worden, en Ik zal Hem liefhebben, en Ik zal Mijzelf aan hem openbaren. Christus kan de Vader tonen. De Heere Jezus komt, als het ware, op uit de diepte en de Oceaan van de heerlijkheid, en de elpenbenen kamer, en de Zoon van God openbaart de Zoon van God, gelijk blijkt uit Gal. 1:12 verg. met vs. 15 en 16. Hij zou niet zeggen: "Ziet hier ben Ik, ziet hier ben Ik," (Jes. 65:1) als Hij Zich met een dikke wolk wilde bedekken en Zich verbergen, en Hij niet voornemens was, Zijn heerlijkheid te openbaren en Zichzelf, de Koning in Zijn schoonheid (Jes. 33:17), al Zijn beminnelijkheid, de verborgenheden van Zijn liefde, de blos, het blank en rood, de bevalligheid van Zijn aangezicht te tonen (Hoogl. 5:10). Ook zou de bruid dan niet bidden om een middaggezicht van Christus (Hoogl. 1:7), indien Hij Zich niet in de beminnelijkheid van Zijn schoonheid kon doen zien. Christus maakt dus de reuk van Zijn kennis openbaar door de bediening van het Evangelie (2 Kor. 2:14), wanneer Hij voor de ziel de geur van de mirre, van de aloë en van al de liefelijke oliën van Zijn dood en van Zijn wonden van Zich doet uitgaan, zodat de ziel de appelen der liefde ziet, ruikt en proeft, in het geloof van ontferming, vrije genade, voldaan zijnde gerechtigheid, met rechtvaardigheid verzoend zijnde vrede en verworven verlossing in Zijn bloed; en Hij staat achter de muur van ons vlees, daarom "onze muur" genaamd. (Hoogl. 2:9) Ziet, Hij staat achter onze muur, of, ziet, dat Hij achter onze muur staat, kijkende uit de vensters, blinkende uit de tralies, of, (Eng. Vert.) Hij ziet uit het venster, Zich vertonende, [Hebr. mezijz] Zich ontdekkende door de tralies. Dit is echter geen volmaakt gezicht van God, dat, zoals de schrijver van de Bright Star of "Heldere Ster" droomt, in dit leven bereikbaar is. Ik kan een mens veel duidelijker in het veld en in het volle licht zien, dan wanneer hij door het traliewerk van een venster ziet, en dan nog wel een venster achter een muur, want zo alleen kunnen wij in dit leven Christus zien.

De volmaaktheid van de beminnelijkheid bestaat hierin, (1) dat er geen vlek in de gekruiste Christus is, wanneer Hij geestelijk gezien wordt; Hij is onbestraffelijk, onbevlekt, zonder gebrek, om een eeuwige, oneindige verlossing en een volstrekte gerechtigheid teweeg te brengen, en meer kan, zelfs niet door God, vereist worden. (2) In Hem is niets waaraan het begerend vermogen en de eetlust zich kan stoten. Paulus’ eindbesluit, zijn laatst beslissend oordeel en zijn weldoordacht besluit en voornemen was, niets te weten dan Jezus Christus en Die gekruisigd (1 Kor. 2:2). De schoonheid van Christus kan alle hoeken en de holligheid van de uitgebreide begeerten van de ziel vervullen. (3) In Efeze 3 wordt over een dadelijke volheid Gods gesproken, Paulus, biddende, dat de Efeziërs de grote liefde Gods mochten begrijpen, zegt: (vs. 19) Opdat gij moogt (be)kennen de liefde van Christus, die de kennis te boven gaat, opdat u vervuld wordt tot al de volheid Gods. Dit is een verzadigende volheid en het is een wonderlijke uitdrukking. Vervuld te worden met God moet een zielsverlustigende vervulling zijn, maar vervuld te worden met de volheid Gods is meer, want in God is een onuitsprekelijke volheid, doch het wordt nog krachtiger uitgedrukt: opdat gij vervuld wordt tot (Eng. met) al de volheid Gods.

Over deze volheid, 1e een woord over de mate ervan; 2e over de middelen daartoe en 3e over de algenoegzaamheid van die volheid in soort en natuur.

Randall zegt in de brief voor zijn verhandeling, "De Heldere Ster" getiteld: "Daarom heb ik gelet op de altijd te bejammeren onbedrevenheid van vele vernuftige geesten, die, door het beleid van anderen en door hun eigen zedigheid en roekeloosheid, zichzelf buiten de weg gesloten hebben, om de top en het hoogste punt van rust en volmaaktheid te bereiken, door dat als onbereikbaar voor te stellen, en de mogelijkheid af te snijden met een, "non datur ultra", en zo zijn zij zulken geworden, die "altijd leren en nimmermeer tot kennis der waarheid kunnen komen." Doch wat de mate betreft, die is waarlijk niet, zoals Antinomianen en Familisten dromen, in dit leven volmaakt en volkomen.

1. Omdat de liefde en volmaaktheid van de gelovigen in overeenstemming is met de wijze en de mate van de openbaring en van de kennis van Christus. Deze waarheid is op zichzelf niet te loochenen, en wordt ook door de schrijver van de "Bright Star" toegestaan, hfdst. 5 pag. 52. De ziel toch neemt in liefde de uitnemendheid en trekkende schoonheid van Christus op, door de poort en het oog van de kennis. Wij kennen echter slechts ten dele (1 Kor. 13:9) en wij profeteren ten dele.

2. Paulus verwerpt de mogelijkheid van volmaaktheid, zeggende, dat wij eerst op weg en op reis zijn, om er toe te komen. (Filip. 3:12) "Niet, dat ik het reeds gekregen heb, of reeds volmaakt ben, maar ik jaag daar naar, of ik het ook grijpen mocht, waartoe ik van Christus Jezus ook gegrepen ben. Deze volmaaktheid, waarvan Paulus belijdt, dat hij die mist, is ook in strijd met zijn jagen naar het wit tot de prijs van de roeping Gods, die van boven is in Christus Jezus. (Hebr. 11:40)

3. Volmaaktheid zoals wij die in de hemel verwachten, is niet vatbaar voor enigerlei toevoeging van genade of vermeerdering van heerlijkheid. Daar wordt men ook niet, zoals hier op onze weg naar dat Land uitdrukkelijk geschiedt, vermaand, op te wassen in de genade en kennis van onze Heeren en Zaligmakers, Jezus Christus; (2 Petr. 3:18) en onze loopbaan tot de einde toe te lopen, (Hebr. 12:1) en tot de volmaaktheid voort te varen (Hebr. 6:1). Weliswaar worden onze goede werken gewassen in de Fontein, Die geopend is voor het huis Davids, waarin onze personen gewassen zijn, doch dat wassen neemt wel de zondeschuld en de verbintenis aan de wet weg, maar niet de inklevende smet en de zondige onvolmaaktheid van onze werken, zodat die er volmaakt door worden. Dan toch zouden wij uit onze goede werken gerechtvaardigd worden, indien het bloed van Christus uitwerkte, dat zij niet langer zonden waren; doch dat bloed verhindert alleen, dat zij ons toegerekend worden, maar het neemt niet, zoals de Antinomianen stellen, hun zondige onvolmaaktheden weg, zodat wij daardoor in dit leven volmaakt worden. Ook verleent dat broed niet, gelijk de Roomsen stellen, een verdienende waardigheid en kracht aan onze werken, zodat wij gerechtvaardigd worden uit de werken, die vlekkeloos en verdienstelijk gemaakt zijn door het bloed en de verdiensten van Christus. God heeft de weg naar de hemel zo uitgedrukt en omschreven, dat al de meest bovennatuurlijke daden, zelfs die, welke onmiddellijk aan het gezicht van de heerlijkheid grenzen, een pas van vergevende genade nodig hebben. Te geloven, dat Christus’ genade in ons zal werken, dat wij werken doen, die vrij zijn van zonde, is geen geloof. Dan zouden wij moeten geloven in de vergeving van de zonden, die zulke werken aankleven, eer die werken gedaan worden, en niet in heiligmakende genade, om die zonden te schuwen. Het komt mij voor als een ongelovig murmureren, dat men terneergebogen zou zijn over deze zonden, wanneer men zich inbeeldt, die wel te kunnen vlieden, of omdat ons heiligende genade ontbreekt, om ze te laten, aangezien toch onzondige daden geen genade nodig hebben. Ook sluit het opwassen in de genade, waartoe wij door plicht of gebod geroepen zijn, de weg niet toe om de reis voort te zetten naar de volmaaktheid en naar de hemel, noch snijdt het onze voortgang naar de hemel af, omdat de hemel onbereikbaar is in dit leven, maar integendeel, indien volmaaktheid in dit leven bereikbaar was, dan kon de mens, die tot die hoogte komt, daar gaan neerzitten, en uitrusten, en geen stap verder zetten, want waar toch zou hij heengaan, of hij moest verder gaan dan de kroon en de hemel, en Christus aan de rechterhand Gods voorbijtrekken? En zij "die altijd leren, en nimmermeer tot kennis van de waarheid kunnen komen" zijn (2 Tim. 3:5) meer liefhebbers der wellusten dan liefhebbers Gods, van wie wij een afkeer moeten hebben, want zij hebben een gedaante van godzaligheid, maar hebben de kracht ervan verloochend, en worden door menigerlei begeerlijkheden gedreven, en zij hebben geen voetstap gezet op de weg van de zaligmakende kennis van de waarheid, waarvan Paulus spreekt, en zij zijn niet de waarlijk wedergeborenen, die met Paulus en de Schrift getuigen, dat onze hoogste volmaaktheid is, te jagen en te streven naar het hoogste toppunt van volmaaktheid, ja naar die volmaaktheid, welke aan de andere zijde van de tijd is.

4. Zij, die volmaakt zijn, gelijk wij dat in de hemel hopen te zijn, weiden niet met de liefste onder de leliën, totdat die dag aankomt, en de schaduwen vlieden, maar de volmaakte, de bruid van Christus, weidt zo in de instellingen van de Kerk (Hoogl. 2:17). De volmaakten hebben de volle hoogte van de Middagzon van de heerlijkheid; nooit zal het voor hen namiddag, of avond of schemer zijn; nooit zal enigerlei nachtschaduw noch wolk hun Zon verdonkeren.

5. In het koninkrijk van de volmaaktheid zal geen inwoning van een lichaam der zonde, geen zonde, geen onreinheid van hart, geen afkeren van de liefde en lust van de ziel van God zijn, doch in dit leven zondigen de volmaaktsten, en dragen een inwonend lichaam van de zonde met zich om (Spr. 20:9; Hoogl. 7:20) Job zegt, (hfdst. 14:4) dat de volmaakste, die kinderen gewinnen, onrein zijn. (Rom. 7:17—23; 1 Joh. 1:8—10 1 Joh. 2:1) Allen, die een Hogepriester aan de rechterhand van God nodig hebben, om voor hen tussen te treden, hebben zonde, en zijn in zoverre onvolmaakt, gelijk alle heiligen zijn. (Hebr. 7:25; 4:15; 1:17, 18; 8:1—3 en 9:23—26; 1 Kor. 13:8.) De liefde vergaat nimmermeer. Daar drinkt de ziel overvloediglijk en is tot verzadiging toe vol, zodat het vat niet meer van God kan bevatten, en veranderd zijnde in de zee van alles te boven gaand licht en van de hoogste liefde, verliest zij zich, als het ware, in de diepe Fontein van enkel licht en onmetelijke liefde. De ziel en de liefde van het schepsel zetelen, ademen en rusten daar in de boezem, in het hart, in de ingewanden van Hem, Die een oneindige samenvatting van liefde is; zij is omwonden met de zoete stromen, honingbeken, en overvloeiende golven en rivieren van zuivere en onvermengde blijdschap; zij slaapt en verkwikt zich in de zuivere omhelzingen van de heerlijkheid, die tot in alle eeuwigheid glanst, schittert en fonkelt uit Christus, die uitermate verhoogd is boven alle hemelen, overheden en machten. Daar zijn de zielen veraangenaamd, meer dan veraangenaamd, oververkwikt door het middaglicht van de heerlijkheid van de Bruidegom, dat de liefelijkste volmaaktheden van de Morgenzon in zich bevat. Zij vliegen met duivenvleugelen in schoonheid, het Lam na; nooit missen zij de dadelijke beademingen van de Geest van de heerlijkheid; nooit kunnen zij genoeg hebben van de kuise genieting van de heerlijke Vorst Immanuël, en nooit missen zij Zijn volle innigste tegenwoordigheid. Zij zuigen de honing, de stromen van de melk van eeuwige vertroostingen, en alle holle begeerten zijn gevuld, en alsof de ziel geen bodem had, zuigen zij altijd weer opnieuw, de gehele eeuwigheid door. Zo iets is hier in dit leven niet. De gekruiste Christus draagt echter aan het kruis de belofte en de volkomen verwerving van dit leven in Zijn boezem, en stelt die zondaren voor, om hen te trekken.

6. Wij zijn nog niet gekomen tot de opstanding van onze lichamen, maar dragen nog zulke klompen dood met ons om, welke tot spijze van de wormen zullen worden en er is een zaad van allerlei krankheden in onze lemen tabernakels. In de staat van volmaaktheid, wanneer het lichaam meer van nature met onsterfelijkheid bekleed zal zijn, zijn wij daarvoor even onvatbaar, als de meest frisse en de heerlijkste rozen of bloemen, waarvan wij ons kunnen indenken, dat zij altijd vers en fris en schoon bloeien in zo’n vruchtbare grond als die velden zijn, welke aan de oevers liggen van de Rivier des Levens, waaruit zij haar sappen trekken.

7. Wij zijn hier de inbreuk, of ten minste de verzoekingen van duivelen en mensen geen meester.

8. Volmaaktheid behoort tot de algemene vergadering van alle kinderen Sions; op aarde is het hemels geslacht nooit samenvergaderd, maar in plaats, land en staat gescheiden. Sommigen zijn geboren, anderen nog niet geboren; sommigen waken en anderen slapen in het stof; sommigen zijn in hun Land en anderen nog op reis daarheen.

9. In dat land van volmaaktheid is geen tempel, noch ook zijn daar kerkelijke instellingen. (Openb. 21:22; 1 Kor.13:8.)

10. Hier is geen engelen-leven zonder eten en drinken, huwen en het gewinnen van kinderen (Luk. 22:29, 30; Mark. 12:25). Leem kan, daar het aards blijft, zich niet opheffen, om boven de wolken en de zichtbare hemelen te leven, zolang niet dit verderfelijke de onverderfelijkheid zal hebben aangedaan. (1 Kor. 15.)

Wat nu de middelen betreft, om tot deze volheid te geraken, zijn ons in dit leven geen andere bekend en geopenbaard dan de Schrift en het geloof; het ene van buiten en uitwendig, het andere van binnen. Hieronder begrijp ik alle goddelijke, kerkelijke instellingen. De Familisten, met verwerping van de Schrift, welke zij een menselijke vinding, die uit inkt en letters bestaat, noemen, roepen hun volmaakten af van alle werkzaamheid, bidden en horen van het Woord, ja van het kennen, bevatten en willen, tot een zuiver, lijdelijk rusten in God, wijl God, als hun Vorm en Geest hen onmiddellijk bewerkt. De "Bright Star" zegt: (hfdst. 11 pag. 106) "De dadelijke vernietiging is een ophouden van alle werken, een verdwijnen van afbeeldsels, een nietsdoen en een rusten van alle beweging of van het doen van de uiterlijke wil van God, die in de wet en het Evangelie in de letter is uitgedrukt. (Pag. 107) Lijdelijke vernietiging is, dat de mens zelf en alle andere dingen, als mediteren, kennen, verlangen naar God, bidden en de beoefening van een heilig leven gedood en tot niet geworden zijn. Dadelijke vernietiging is, dat de mens zelf en alle andere dingen, niet alleen lijdende als in de lijdelijke, maar doende vernietigd zijn; ik meen door licht in het verstand, zowel natuurlijk als bovennatuurlijk, in welk licht hij ziet en onfeilbaar weet, dat alle dingen niets zijn en in deze kennis rust hij, het gevoel ten spijt. (Pag. 140) Het is niet best, dat men de lijdelijke vernietiging verzaakt en zich op de genietende liefde (het liefhebben van God als ons laatst genoten doel) verlaat, om zich zo door daden te begeven tot de beoefening van de dadelijke vernietiging; mits zij door de enkele herinnering haar aandeel vasthoudt. Want daar is het, (Pag. 141) dat de ziel zo verrukt, verwijd, verlicht en met God verenigd wordt. Daar smaakt zij de kuise omhelzingen, de zoete omgang en de goddelijke kussingen; daar ziet zij zich verheven, geadeld en verheerlijkt met de engelen aan de hemelse tafel; daar geniet zij de vruchten van haar doding, de schatten van haar bekering en de vertroostingen van al haar zelfverloocheningen". (Pag. 144, 145) "Wanneer de mensen zo’n bevindelijke vereniging met God verlaten en weer tot zichzelf terugkeren en zich weer tot hun eigen daden begeven, weigerende de ledigheid en armoede van de Geest, deze wil van God en alle geestelijken omgang, boven hemelse of wezenlijke verlichting te dulden, hoewel het inderdaad de waarachtige en goddelijke Wijsheid en het echte zien van God is, doen zij door hun terugkeren en hun wederkeren tot zichzelf", (dat een verlaten is van het beschouwend leven van de monniken en een terugkeren tot een werkdadig wandelen met God) "niets anders dan zich van alle zuivere en op bevinding gegronde kennis en van alle vereniging met en gedaantewisseling in God vervreemden, en zo blijven zij altijd nauw in zichzelf en in hun ingewanden, en in de banden van de oude mens." Vraagt u nu, wat dat is, de oude mens af te leggen, dan zegt u de Theologia Germanica Hfdst. 5, pag. 9 en 10:"Uzelf zijn, werking, kennis noch goedheid toe te schrijven, doch alleen aan God, de eeuwige Wijsheid, — en aldus verdwijnt de mens in het schepsel, — en dus behoort de mens ontledigd te worden van alle dingen, dat is, die zichzelf niet toe te schrijven, en hoe minder kennis het schepsel zichzelf toeschrijft, hoe volmaakter het wordt. Zo moeten wij ons ook de liefde, de wil, de begeerte en al zulke dingen voorstellen, want hoe minder de mens zich die dingen aanmatigt, hoe edeler, uitnemender en goddelijker hij wordt en hoe meer hij zich die dingen toeeigent, boe dommer, verachtelijker en onvolmaakter hij wordt. " Hfdst. 14, pag. 32 leest men: "dat een mens aan zichzelf sterft is hetzelfde, als dat men zeggen zou, dat hijzelf of zijn ik-heid zou sterven. De heilige Paulus zegt, dat men zou afleggen de oude mens met zijn werken." Pag. 34. "Indien het kon gebeuren, dat iemand zich geheel en volstrekt van zichzelf kon ontdoen, zodat hij, in ware gehoorzaamheid, buiten alle dingen leefde, zoals Christus naar Zijn mensheid, dan zou hij van zichzelf ontledigd en één met Christus zijn, en hij zou hetzelfde zijn door genade, wat Christus van nature was." Pag. 35. Dit stoet ook geschreven, dat hoe meer zelfbedoelingen en zelfzucht er zijn, hoe meer zonde en ongerechtigheid, en hoe minder er van het ene is, hoe minder ook van het andere. Dit staat ook geschreven, dat hoe meer mijn ik, dat is mijn ik-heid of zelfheid, afneemt, hoe meer God in mij afneemt. — Daarom, God is een Geest, Die alles in allen werkt, en het is gehoorzaamheid in de mensen, het goede aan God en het kwade aan zichzelf toe te schrijven, en zichzelf te zijn, of iets goeds aan te matigen is zonde." Zo neemt de Theologia Germanica de vleeswording van Christus aldus weg: (Hfdst. 22, pag. 52 en 53) "Toch zijn er wegen, om, zoals wij reeds gezegd hebben, tot het leven van Christus te geraken, wanneer en waarin God en de mens samen verenigd zijn, zodat naar waarheid gezegd kan worden en de Waarheid zelf het erkennen zal, dat de waarachtige en volmaakte God en de waarachtige en volmaakte mens één zijn, en de mens zich zodanig onderwerpt aan en plaats maakt voor God, dat de mens daar is, waar God Zelf is, en dat God daar ook tegenwoordig is, en alleen werkt en doet en iets ongedaan laat, zonder enig ik, of aan mij, of van mij, of iets dergelijks. Waar die dingen zijn en bestaan, daar is de ware Christus en nergens anders. Het is een eigenschap van God te bestaan en te zijn zonder dit of dat, zonder zelfzoeking, zelfzucht of dergelijke, doch het is een eigenschap van het schepsel, in alle dingen, welke het doet of ongedaan laat, zichzelf te zoeken en te bedoelen, alsmede die dingen, welke zijn eigen zijn, hetzij dit of dat en hier of daar." In hfdst. 39, pag. 109 en 110 staat: "Hij, die verlicht is met de eeuwige en goddelijke liefde, is een goddelijk en vergoddelijkt mens;" en in luidst. 28, pag. 71: "Zij, die door de Geest Gods geleid worden, zijn kinderen Gods en de wet niet onderworpen, welke woorden betekenen, dat hun niet geleerd moet worden, wat zij moeten doen of laten, aangezien de Geest Gods, die hun Leermeester is, hen genoegzaam zal onderwijzen. Ook moet hun niets bevolen of vermaand worden,—want Hij, die hen leert, gebiedt hen, — en zij hebben geen wet nodig, om daaruit voordeel te trekken, want zij hebben alles reeds verkregen," zo ook op pag. 70, "had Christus geen wet nodig, Hij was boven de wet en neemt de kerkelijke instellingen weg, enz." (Hfdst. 11, pag. 23.) "De ziel van Christus moest naar de hel neerdalen, voor zij naar de hemel kon varen, en hetzelfde moet ook de ziel van de mens overkomen, en dit geschiedt, wanneer hij zichzelf zo boos weet te zijn, en aanschouwt en bevindt, dat hij het rechtvaardig veronderstelt te zijn, alles te moeten lijden, ja voor eeuwig verdoemd te worden, en dat hij geen verlossing of troost wil noch kan begeren, maar de verdoemenis verdraagt, en dat niet met tegenzin en onwillig, maar dat hij de verdoemenis en de pijn liefheeft, omdat het rechtvaardig is en God het zo wil. En (pag. 25) wanneer de mens in deze hel niets begeert dan het eeuwig goed, en dat het eeuwig goed bovenmate goed is, is dit zijn vrede, zijn blijdschap, rust en volle verzadiging; — dit goed wordt van de mens, en zo is de mens in het koninkrijk der hemelen, — deze hel heeft een einde, doch deze hemel zal nimmer eindigen. — De mens, die in deze hel is, kan niet denken, dat hij ooit weer vertroost of verlost zal worden, en wanneer hij in deze hemel is, kan niets hem schaden, — ook kan hij niet geloven, dat hem leed of droefheid kan overkomen, en toch is hij na deze hel vertroost en verlost, en na deze hemel benauwd en van vertroosting verstoken. — De mens kan door zich eigen toedoen niets doen of laten, om deze hemel deelachtig te worden, of deze hel te ontgaan, —want de wind blaast waarheen hij wil, enz. en wanneer de mens in een van deze twee is, dan is het goed met hem en kan hij even veilig in de hel als in de hemel zijn; zolang de mens in dit leven is, kan hij dikwijls van de ene in de andere overgaan.

Overweegt, tot weerlegging van deze goddeloze dwaasheden en tot verdere opheldering van de waarheden, die tevoren voorgesteld zijn, de volgende stellingen tot ontvouwing van de trekkende beminnelijkheid van Christus.

I. Al de Schrift is van God ingegeven, geschikt, om de mens Gods volmaakt te maken, tot alle goed werk volmaakt toegerust (2 Tim. 3:16, 17); het enige middel, om Christus te vinden, want zij getuigt van Hem, (Joh. 5:39) en is geschreven, opdat gij geloven moogt, en opdat giij, gelovende, het leven hebt in Zijn Naam (Joh. 20:31). Al wat Christus Jezus van Zijn Vader hoorde, maakte Hij Zijn apostelen bekend (Joh. 15:15). Een van die apostelen, (Paulus) die ook het Evangelie ontvangen had, niet van vlees en bloed, maar door de openbaring van Jezus Christus (Gal. 1:12; 2 Petr. 3:15, 16; Hand. 9:1, 2 enz.), verklaarde de Efeziërs al de raad Gods (Hand. 20:27), en geloofde en predikte nochtans geen andere dingen dan deze, die in de wet of in Mozes en de profeten geschreven zijn (Hand. 24:14 en 26:22). En de majesteit, goddelijkheid, kracht, overeenstemming en leer, die boven het bereik van vlees en bloed liggen, van welke de doeleinde niet aan deze zijde maar aan de overzijde van de tijd en de dood ligt, gelijk de plaatsen in de kanttekening getuigen, tonen duidelijk aan, dat het een Boek van het Oude en het Nieuwe Testament, niemand anders kan toegeschreven worden dan God alleen.

II. De Schrift en alle kerkelijke instellingen zijn maar geschapen dingen, en niet het uiterste voorwerp van ons geloof en onze hoogste en volkomenste liefde, welke bewaard worden voor God in Jezus Christus. Ja, de volmaakste, waarvan wij lezen, Paulus, een uitverkoren vat, had behoefte aan vertroosting door Titus (2 Kor. 7:5,6). De heiligen te Rome (Rom. 1:11,12) en Petrus (Gal. 2) hadden een bestraffing nodig, en de geliefde apostel Johannes verblijdt zich en wordt getroost, als hij hoort, dat zijn kinderen in de waarheid wandelen (3 Joh.: 14). Er is behoefte aan een gebod van de wet, dat afgoderij en aanbidding van engelen verbiedt (Openb. 19:10 en Openb. 22:8, 9) en aan een Evangelisch voorschrift, te geloven en niet te vrezen (Openb. 1:17). Het uitnemendste en volmaakste lid van het Lichaam heeft raad en vermaningen nodig van het geringste lid (Rom. 12:3—8; Gal. 6:2; 1 Kor. 12:14 enz.), en alle heiligen aan wie Paulus, Petrus, Jakobus en Johannes schreven, onder wie er waren, die de zalving hadden, welke hun alle dingen leerde, moeten vele vermaningen, voorschriften en geboden uit de wet, welke zij in de Evangeliebediening ontvingen, horen en gehoorzamen. Hieruit volgt, dat de volmaakste niet, zoals de Familisten zeggen, de wet en het Evangelie en de kerkelijke instellingen te boven zijn, want anders zouden het Nieuwe Testament en al de Canonieke Zendbrieven voor alle heiligen tevergeefs geschreven zijn.

Om dit te beter te verstaan moeten wij bedenken, dat er (1) tweeërlei zaligheid van de heiligen is: de ene vormelijk, en de andere voorwerpelijk; (2) dat er een middellijk zien van God is, door instellingen en middelen, en ook een onmiddellijk; (3) dat er tweeërlei wil van God is; één, die in de Schrift geopenbaard is, of de wet van de natuur, en dat eerder het zedelijk goed is, dat God goedkeurt en dat Hij ons beveelt, dan wel de wil van God. Dit noemen de Familisten de uiterlijke of toevallige wil van God, omdat Gods wil, Zijn wezen zijnde, volkomen en zelfgenoegzaam zou geweest zijn, ook al had God nooit zodanige wil de mensen of engelen geopenbaard, ja, al had Hij nooit de wereld, of mensen, of engelen geschapen. Er is een andere wil, wezenlijk in God, welke wil niet de gewilde zaak is, doch het wezenlijk vermogen in God, om te begeren of te willen. Om nu ons punt naderbij te komen: de vormelijke zaligheid van de heiligen ligt in de daden van zien, kennen, liefhebben en genieten van God, welke aan onze zijde geschapen dingen en als zodanig een leeg niets zijn, en zo zijn zij niet wezenlijk de zaligheid van de mens, maar middelen, waardoor wij God, onze Zaligheid, genieten, en evenzo is het gebruik van alle middelen en instellingen onze zaligheid niet. Weliswaar, zegt onze Zaligmaker in Joh. 17, dat dit het eeuwige leven is, God en Zijn Zoon Jezus Christus te kennen, doch Hij bedoelt daarmee, dat dit de weg en het noodzakelijk middel tot de zaligheid en het eeuwige leven is. God in Christus en het inkomen in de uitvloeiingen van de Geest van de heerlijkheid of de volzalige ene God in drie Personen is het Voorwerp en de zaligheid van de heiligen, en daarom moeten wij Christus Zelf de voorkeur geven boven alle kussingen, gezichten en uitvloeisels van de heerlijkheid, en boven al ons zien, liefhebben en genieten van God. Wij mogen de goddelijke instellingen liefhebben en het zien van God ten hoogste waarderen, doch God Zelf en Jezus Christus moeten wij niet alleen waarderen, maar wij moeten bovenmate met Hem ingenomen zijn, aangezien de Bruidegom zoveel uitnemender is dan Zijn armringen, kostbare ketenen en ringen. In deze zin, zou ik alle instellingen, ja alle honingraten, alle appelen, alle geschapen rozen, die uit Christus ontspruiten, alle liefelijke gevolgen en uitvloeisels van de heerlijkheid, ja de gehele geschapen hemel, wel uit mijn hart en achting willen wegdoen om Christus. Christus, God Zelf, het geheel, de stof, de stam van de Boom des levens, is oneindig te waarderen boven een appel; ja boven alle geschapen appelen en bloesems en zielverlustigende bloemen, die aan de Boom groeien. Hier op aarde nu, zijn wij zalig als erfgenamen, niet als heren en bezitters en in vereniging met de uiterlijke en geopenbaarde wil van God, in geloven, vrezen en dienen van God, in Christus, in een daadwerkelijke vereniging met God, doch dit alles is slechts de weg tot de Bron, niet de Bron zelf en de vereniging met of het zien van God is middellijk, van ver, door een voorbeeld door de afbeelding, de vorm, merktekenen, en elementen, of de spiegel van Woord, sacramenten, bediening en de instellingen van horen, bidden en loven. In de hemel echter zullen wij God zien van aangezicht tot aangezicht, dat is zonder middelen of de tussenkomst van boodschappers of instellingen. Ik kan niet bepalen of ons verstand, wanneer wij de Heere in een onmiddellijk gezicht van heerlijkheid zullen zien en kennen, geschapen vormen, verstandsvoorstellingen, beelden en tekenen van het beminnelijk Wezen, van het blank en rood, aangenaam en beminnelijk gelaat van die begeerlijker Vorst, de Heere Jezus, zal opnemen; dit zo fijntjes uit te pluizen zou niet tot onze stichting zijn, doch dit is zeker, dat Christus in elk vat van de heerlijkheid zoveel van Zichzelf, Zijn tegenwoordigheid, beminnelijkheid, beeld en schoonheid zal inprenten en instorten, dat de ziel van boven tot beneden vol zal zijn. En wie weet, wat het eeuwig uithalen en het eeuwig zuigen van het verstand aan die borsten, door de verheerlijkten, is, waardoor zij uit de Honingraat van ongeschapen heerlijkheid en uit de diepe, diepe Fontein en Rivier van eindeloos leven, de stromen van blijdschap, vertroosting, liefde en genieting van Jehovah inzuigen en drinken, terwijl de ziel het kanaal is, van welke de oevers eeuwig zullen groenen met heerlijkheid? Wie weet, wat de zaligheid is, die uit het reine wezen en van het schitterend aangezicht van Hem, Die op de troon zit, voortkomt en uitvloeit, en wat dat opkomen, dat eeuwig vloeien van het tij van die Zee van onovertreffelijke zaligheid is? Ja, wie weet het! "Komt en ziet", kan hier het best beslissen. Komt en drinkt, wordt dronken en bezwijmt en wordt verzadigd van heerlijkheid, en onderzoekt niet nieuwsgierig naar de genieting van God. Christus zal, wanneer u daar komt, al die twijfelingen, tot geruststelling van uw gemoed, oplossen. Het is dan ook niet nodig, te zeggen, dat er "in dit leven een gezicht van God is, dat de hemel is, ja al de hemel, die wij ooit zullen hebben, en dat dit een zien is, zonder enig beeld of vorm of uitgedrukt merkteken van God, omdat het zuiver geestelijk en van alle werkingen van de verbeelding afgescheiden is; en dat wij daarin zuiver lijdelijk en niet werkend zijn, aangezien God de onmiddellijke glans van Zijn wezen in ons doet vloeien". Waarlijk, dit is wijs te zijn, boven hetgeen geschreven is, en vergunt mij, te betwijfelen, dat de Familisten die beelden en begripsvoorstellingen door de Geest Gods hebben. Die Geest toch is een Geest van gematigdheid, en in de geestelijkste en verrukkelijkste gezichten, welke de profeten, de mannen Gods, ontvingen, waren, naar het mij voorkomt, gezichten van vormen, afbeeldingen en zichtbare tekens, als een troon, engelen met zes vleugelen, rook, een vrouw bekleed met de Zon, enz., een pot, die tegen het noorden was, een grote wolk en een vuur daarin vervangen, — iets, als de verf van Hasmal uit het midden van het vuur, enz.; doch van een onmiddellijk gezicht, in dit leven, van God, en dat gewoon, zonder vormen en afbeeldingen, zonder Woord, Sacramenten of instellingen, weet ik niet af en ik versta dat ook niet.

III. De monnikachtige bevatting van de uitnemendheid van een peinzend leven, afgescheiden van alle verplichting tot plichten van de tweede Tafel, als uitstekend boven het beoefenend leven, is het eerste zaad geweest van het goddeloze Familisme. De schrijvers van die beide boeken, de "Theologia Germanica" en de "Bright Star", zijn openlijk verklaarde Roomsen, hoewel Mr. Randall beide aanprijst als stukken van zeldzame waarde, en als een leer bevattende, die alleen voor de volmaakten geschikt is, (alsof de Schrift niet zo’n stuk is) terwijl in de Bright Star, op pag. 19, openlijke, grove afgoderij en het aanbidden van het hout van het kruises voorkomt, en in beide boeken verschillende andere paapse grondbeginselen.

IV. Er is tweeërlei volheid van beminnelijkheid in Christus, één welke in dit leven bereikbaar is, en een andere, voor het toekomende leven weggelegd. Ik denk, dat die volle hoogte, dat hoogste toppunt van de trekkende beminnelijkheid van Christus, alle kerkelijke instellingen, de Schrift, de sacramenten en de middelen, welke wij nu gebruiken, uitsluit. Omdat monniken vanouds en de Familisten van de laatste tijd geen hemel stellen, dan alleen in dit leven, (alsof een monnikskap de eigenlijke kroon van eeuwige heerlijkheid is) en, evenals hun vaders Hymeneus en Filetus zeiden, zeggen, dat de opstanding reeds geschied is, en de onsterfelijkheid van de ziel betwijfelen, daarom moeten zij, om hun beginselen getrouw te zijn, zeggen, dat er een aantal volmaakte mensen is, die boven wet, plichten, onderwijs van mensen en bediening verheven zijn, omdat die alleen voor onvolmaakten en onwedergeborenen zijn, waartoe natuurlijk geen monniken of Familisten behoren, want die genieten God al met de genieting van de heerlijkheid. De Schrift zegt echter, dat middelen en instellingen voor dit leven zijn, en niet voor het toekomende leven. (1 Kor. 13:8) "De liefde vergaat nimmermeer: Maar hetzij profetieën, zij zullen tenietgedaan worden, hetzij talen, zij zullen ophouden, hetzij kennis, zij zal tenietgedaan worden. (vs. 9) Want wij kennen ten dele, en wij profeteren ten dele: (vs. 10) Maar wanneer het volmaakte zal gekomen zijn, dan zal hetgeen, dat ten dele is tenietgedaan worden. (vs. 12) Want nu, (in dit leven) zien wij door een spiegel in een duistere rede, maar alsdan (in het toekomende leven) [zullen wij zien] aangezicht tot aangezicht: Nu ken ik ten dele, maar alsdan zal ik kennen, gelijk ik ook gekend ben." Dat dit een tegenstelling is tussen dit en het toekomende leven, blijkt duidelijk uit 1 Joh. 3:2: "Geliefden, nu zijn wij kinderen Gods, en het is nog niet geopenbaard, wat wij zijn zullen. Maar wij weten, dat als Hij zal geopenbaard zijn, wij Hem zullen gelijk wezen, want wij zullen Hem zien, gelijk Hij is. In Openb. 21:22 wordt ons het toekomende leven ook voorgesteld als zonder instellingen. "En ik zag geen tempel in dezelve", zegt Johannes, toen hij het Nieuwe Jeruzalem zag, "want de Heere, de Almachtige God, is haar Tempel, en het Lam. Daar is ook geen onwetendheid. (Openb. 22:5) En daar zal geen nacht zijn, en zij zullen geen kaars noch licht van de zon nodig hebben, want de Heere God verlicht ze, en zij zullen als koningen heersen in alle eeuwigheid. Wat ook sommigen van een persoonlijke regering van Christus op aarde zeggen, deze woorden bewijzen, dat zolang dat leven nog in de toekomst ligt, alle wedergeborenen hier een tempel en kerkelijke instellingen nodig hebben, zolang er nacht en duisternis, en plaats voor zon en maan is. Zo wordt de duur van de kerkelijke instellingen ook aangewezen in Hoogl. 2:16 en 17. Mijn Liefste is mijn, en ik ben Zijne, Die weidt onder de leliën. Totdat die dag aankomt, en de schaduwen vlieden. Dan is er ook een nacht voor de Kerk, en een behoefte aan het maanlicht van de kerkelijke instellingen, zolang Christus door Zijn bediening verblijf houdt in de woningen van de herderen, om Zijn kudde te weiden in de sterkte des Heeren, en Zijn tegenwoordigheid te betonen aan Zijn gerechtvaardigden, die vlekkeloos en schoon als leliën zijn, door de toegerekende gerechtigheid van Christus, totdat die schoonste en allerbegeerlijkste dag van die luisterrijke en heerlijke verschijning van Christus aanbreekt. Paulus verklaart die woorden duidelijk in Efeze 4, waarin hij de duur van Christus’ regering in Zijn heiligen door de bediening van het Evangelie aantoont, en dat de heiligen, het lichaam van Christus, nog maar op weg zijn, om volmaakt en opgebouwd te worden door herders en leraars, (vs. 13) totdat wij allen zullen komen tot de enigheid des geloofs en der kennis des Zoons Gods tot een volkomen man, tot de mate van de grootte van de volheid van Christus. Dus zijn de heiligen vóór die dag niet volmaakt.

Het Lichaam van Christus is van een geringe grootte, bekwaam om te groeien; het haar van de bruid groeit, zij is niet van een volmaakte, volwassen grootte, maar als een jong meisje, nog niet geschikt voor het huwelijk met het Lam, voordat wij allen samenkomen in de enigheid des Geestes. Ik weet daarom van geen dadelijke vernietiging of verdwijning en ophouden van alle doen van de wil van God, die in wet en Evangelie geopenbaard is, namelijk van bidden, horen, overdenken, liefhebben, begeren en verlangen naar Christus, totdat die dag aankomt en de schaduwen vlieden. Ik moet bekennen, dat ik dan geen gelegenheid zal hebben, om het Boek van Oude en Nieuwe Testament te lezen, of de prediking, de sacramenten of andere instellingen bij te wonen, omdat ik geen spiegel of beeld van Christus, geen boodschap van predikanten zal nodig hebben, wanneer ik Hemzelf zal zien en genieten.

Allen, die God tot hun Vader hebben, en behoefte hebben aan dagelijks brood, en een lichaam van leem omdragen, hebben te bidden om vergeving van zonde, om niet in verzoeking geleid te worden, en tegen een zondig nalaten van plichten; allen voor wie het bloed van Jezus gestort is, moeten de dood des Heeren verkondigen, totdat Hij komt. Welk aflaten is dat dan van de plichten van de wet, van liefde, van de Geest en van Christus? Waar is die geheiligde vernietiging, waarvan men droomt? De Schrift kent die niet.

V. Er is een volheid van beminnelijkheid in Christus, die, door recht en bezit, in dit leven in ons begonnen is, doch die nooit volmaakt zal zijn voor het toekomende leven, waarin de volgende dingen gevonden worden: vereniging, genieting; rust; voldoening; gevoel; leven en werkzaamheid in Christus; en een liefhebben van en een getroost zijn van de ziel in Christus, van welke dingen wij iets zullen zeggen, om de trekking van Christus nader voor te stellen.

VI. Christus’ nodiging, om tot Hem te komen, en wel voordat wij Hem kunnen nodigen, spreekt van vereniging.

Het is zo’n vereniging als het geloof kan teweegbrengen, welke niet opklimt tot de hoogte van gezicht en onmiddellijke genieting, want het is een vereniging van zulken, die, ten opzichte van een volkomen tegenwoordigheid, van elkaar verwijderd zijn. (2 Kor. 5:6) Wij weten, dat wij inwonende in het lichaam, uitwonen van de Heere. (Joh. 16:7) Doch Ik zeg u de waarheid, het is u nut, dat ik weg ga. (Luk. 19:12) Hij zeide dan: "Een zeker welgeboren man reisde in een ver gelegen land, om voor zichzelf een koninkrijk te ontvangen en dan weder te keren. Nochtans is het de vereniging van zulken, die zo dicht bij elkaar zijn als het huis en gast, of als twee vrienden, die samen aan één tafel zitten. (Ef. 3:17; Joh. 14: 23; Openb. 3:21.)

Het is een vereniging van genieting, want Christus wordt in dit leven in zekere mate genoten, echter zo, dat de genieting ten dele en niet volkomen, niet in haar volle mate is, zoals dat in het toekomende leven zijn zal. Daarom is het een genieting zowel van rust als van beweging: van rust ten opzichte van de tegenwoordige genieting; van beweging ten opzichte van de voortgang in de weg tot een volkomen genieting; evenals iemand, die op reis is, werkdadig liefheeft, en thuis zijnde in een liefde van vereniging en genieting deelt. Zo is de ziel met brood verzadigd, zodat zij niet meer hongert, (Jes. 55:2) maar zich in vettigheid verlustigt, en niet meer dorst, uit een tegenwoordig gevoel van voldoening en voldaanheid in het water des levens (Joh. 4:14), en tegelijk is de ziel in zoverre niet verzadigd en haar dorst niet gelest, maar zij hongert en dorst naar een meer volkomen vereniging en naar onmiddellijke genieting, in welk opzicht de ziel zowel uit is, op weg en zich bewegende, om meer van Christus te hebben, als thuis en rustende, aangezien zij uitsluitenderwijze, niet insluitenderwijze, ten volle verzadigd is, want deze verzadiging sluit uit en doet teniet alle keus van een andere liefhebber dan Christus, en weigert elke overlegging, Christus met enige andere liefhebber te vergelijken, aangezien zij Hem acht te zijn en waardeert als Die de banier draagt boven tienduizend, en vast besloten is, nooit haar begeerten te doen uitgaan naar een andere man of liefste dan Christus. (Hoogl. 3:4) Toen ik maar een weinigje van de wachters weggegaan was, vond ik Hem, Die mijn ziel lief heeft; ik hield Hem vast en liet Hem niet gaan, totdat ik Hem in mijns moeders huis gebracht had en in de binnenste kamer van degene, die mij gebaard heeft. Dat men Jezus vindt en vasthoudt geeft te kennen, dat er verzadiging en rust in het genieten van Hem gelegen is; doch het doel van de bruid, hand aan hand met Hem te reizen naar het Jeruzalem, dat boven is, welk is onzer aller moeder, (dat naar mijn bevatting, het zij met bescheidenheid gezegd, door de bruid, met haar moeders huis bedoeld wordt) bewijst klaar, dat zij niet volmaakt, doch nog voortgaande is, en niet aan het einde van haar reis, voordat zij met Christus in het paleis van de Prinsendochter, de bruid, de vrouw van het Lam, is aangekomen (Openb. 21:10—12). Hieruit kunnen wij zien, hoe waar het is, dat de begeerten verzwolgen zijn in de boezem van de oneindige Jezus Christus, evenals een beekje verzwolgen wordt, wanneer het in de oceaan uitloopt, en hoe toch de begeerten blijven. Zij zijn in Christus verslonden, want de ziel is nu thuis, tot rust gekomen en volmaakt in Christus; de begeerten zijn niet langer rusteloos en door smart bevangen. Waar deze hemel op aarde begonnen is, is David rustig in zijn gemoed en breekt hij uit in lofzeggingen, dat de Heere hem raad gegeven heeft, God Zelf tot zijn deel te kiezen (Ps. 16:5—7); zo liefelijk en schoon is die erfenis. Nu is de begeerte van de ziel niet meer uitgaande naar een afwezige Christus, maar de dorst is in Christus gelest; de ziel dorst niet meer (Joh. 4:14). Toch blijft de begeerte zich, zowel in de aangename voldoening als in de lust van de heiligen, verlustigen in het tegenwoordig genot en ook in verlangen naar het hoogste toppunt en de hoogste mate van vereniging. Evenals iemand, die drinkt, wiens dorst half gelest is in de begonnen voldoening en wiens dorst toch nog aanwezig is in een lust en een verder verlangen, om ter volkomen afkoeling en verfrissing, tot verzadiging toe te drinken.

VII. Toch kan men niet anders zeggen, dan, dat het hier een begonnen verzadiging is. (Joh. 4:14) De genieting van Christus is een dronk van het om niet gegeven water des levens. (Openb. 22:17) Die dorst heeft, kome, en die wil, neme het water des levens om niet. (Joh. 7:37) En op de laatste dag, ziende de grote dag van het feest, stond Jezus en riep, zeggende: "Zo iemand dorst, die kome tot Mij en drinke".

Niet alleen een dronk wordt aangeboden, maar een bron, een fontein; (Ps. 36:10) want bij U is de fontein des levens. Een fontein is meer dan een dronk, omdat het geheel meer is dan een deel.

Elke dorstige kan geen fontein binnen in zich hebben, maar toch hier is het zo: (Joh. 4:14) maar het water, dat Ik hem zal geven, zal in hem worden een fontein van water, springende tot in het eeuwige leven.

De Schrift stijgt nog hoger, ja tot een rivier en een overvloed van vettigheid. (Ps. 36:9) Zij zullen dronken worden van [Eng. overvloediglijk verzadigd worden met] de vettigheid van Uw huis, [Hebr. jirvin] zij zullen dronken worden van de vettigheid van Uw huis. Het is een rivier van zuivere olie en vettigheid, welke de ziel doet overlopen van blijdschap; Gij drenkt ze uit de beek [Eng. rivier] Uwer wellusten. Een rivier, waarvan elke druppel blijdschap is en een bron van enkel wellusten, moet een zee van verlustiging zijn. Genade echter moet de ziel tot een bekwaam vat bereiden, wanneer niet alleen een fontein, maar een gehele rivier, ja rivieren des levens in de ziel zullen zijn. Zo spreekt Christus: (Joh, 7:38). "Die in Mij gelooft, gelijkerwijs de Schrift zegt, stromen [Eng. rivieren] des levenden waters zullen uit zijn buik vloeien."

En opdat er niets aan de uitdrukking zou ontbreken: "De vrede en de gerechtigheid van de gelovigen zijn als de golven van de zee" (Jes. 48:18) De zee is meer dan een rivier, zij is de plaats, waarin alle fonteinen en rivieren uitlopen en vergaderd worden.

VIII. Er moet, in de genieting van Christus, veel gevoel van God zijn, omdat het geloven in Hem, hoewel Hij niet gezien wordt, (zoals wij Hem hopen te zien) een onuitsprekelijke en heerlijke vreugde veroorzaakt (1 Petr. 1:8). Zo komt een vloed, een stroom van blijdschap en heerlijkheid, een rijk deel van een aanstaande hemel, reeds vooruit over de erfgenamen van de hemel. (Ps. 63:6) Mijn ziel zou als met smeer en vettigheid verzadigd worden; een overvloedig feestmaal van vet vol merg geeft een groot feest en een rijk voorziene en heerlijk toegerichte tafel te kennen, zoals die toegericht is op de bruiloft van een grote Koningszoon.

IX. Dit is geen ophouden van alle werkzaamheden van de ziel, omdat er een werkzaam leven in Christus is. (2 Kor. 3:18) En wij allen met ongedekt aangezicht de heerlijkheid des Heeren als in een spiegel aanschouwende, worden naar hetzelfde beeld in gedaante veranderd, van heerlijkheid tot heerlijkheid, als door des Heeren Geest."

Het deksel, dat door de bediening van de wet is, welke wel verdonkeren maar niet verlichten kan, is in het Evangelie weggenomen en in de glans van de Evangeliedag zien wij met ongedekt aangezicht God geopenbaard in Christus.

Wij zien, aanschouwen en genieten heerlijkheid; de hemel schiet de glansrijke stralen van God in Christus in de ziel.

Dit is een veranderde heerlijkheid. Edelgesteenten stralen licht uit in de nachtelijke duisternis, maar breng ze in de zon, en de stralen en het licht van de zon zullen ze zodanig veranderen, dat zij met veel heerlijker luister en stralenpracht schitteren. Wij, de onuitsprekelijke luister en de hemelse glans van goddelijke majesteit in de Middelaar, Christus, ziende, worden naar de schoonheid van heiligheid, die in de Heere Jezus is, veranderd. Het Evangelie-licht maakt ons heilig, gelijk Hij heilig is. Er is schoonheid in de vederen van een duif, maar wanneer de zon erop schijnt en ze verlicht, glanzen zij, als waren het zilveren en gouden vederen, doch het is alleen in schijn; rode en witte rozen zijn van zichzelf uitnemend schoon, maar zet ze tussen u en de zon, en zij zijn nog veel schoner; de oostenhemel is van zichzelf meer een donkere, ijle, vormloze lucht, die nauwelijks te zien is, doch wanneer de zon opgaat en op die hemel schijnt, ontstaat en vormt zich het schoonst en heerlijkst rood en azuur, dat denkbaar is, want geen belichaamd schepsel verspreidt schoner en lieflijker luister, en heeft schoner kleur dan het morgenrood en het purper van de hemels. Zo nu schept de heerlijke Zon der gerechtigheid, Christus, wanneer Hij in het ochtend-daglicht van het Evangelie op de heiligen schijnt, het beeld van de heerlijkheid Gods in de ziel en verandert hen, voor het oog van Christus, in een luister en een schoonheid, die schoner is, dan de zon of de rode rnorgenhemel. De zon kan, door op enig schepsel neer te zien, dat schepsel niet in een andere zon veranderen, maar als Christus Zijn bruid aanschouwt, en zij Hem, in de stralen en de glans van het Evangelie-licht, met het oog van de kennis en van het geloof aanschouwt, wordt zij veranderd naar het heerlijk beeld van Christus. (Hoogl. 6:10). Wie is zij, die daar uitziet als de dageraad, als Aurora, de eerstgeborene van de nieuwe dag, wanneer de zon haar gouden stralen schiet, schoon gelijk de maan, zuiver als de zon.

Wij leven en bewegen ons in Christus, en worden veranderd van heerlijkheid tot heerlijkheid; het is maar een doorgaande verandering bij trappen. Noch het koninkrijk van de hemel en van de heerlijkheid, noch de hel, zijn dan ook in dit leven, zoals die dromers zeggen. De toestand van zaligheid, waarin Lazarus overgaat, en die van ellende, welke, na hun dood en begrafenis, het deel wordt van de rijke man, (Luk. 16:22—25) leren ons juist het tegenovergestelde.

Er is zo’n kloof tussen de hemel en de hel, dat er geen overbrugging, noch enigerlei gemeenschap tussen beide mogelijk is, (Luk. 16:26) zoals de Familisten zich inbeelden.

Dat de heiligen zouden moeten geloven, dat zij nooit verlost kunnen worden van, noch vertroost worden in de hel, waarmee zij in dit leven gepijnigd worden, niettegenstaande God hen in hun meest benauwde nachten verlossing en vertroosting beloofd heeft, is in strijd met het geloof en de levendige hoop van de heiligen, en is zondig ongeloof. En de mens, die in de zonde is, kan in een hel van zonde niet even veilig zijn als in de hemel.

De hel is een staat van tegen God te zondigen en Hem te lasteren, doch niets te begeren dan het eeuwig goed, en te begrijpen, dat het eeuwig goed bovenmate goed is, is geen staat van zondigen, maar van zaligheid en heiligheid, en kan daarom geen hel zijn.

Deze twee staten, het eeuwige vuur, dat voor de duivel en zijn engelen bereid is en het eeuwige leven, dat voor de gezegenden van de Vader bereid is, kunnen niet samengaan (Matth. 25).

Doch om tot ons punt terug te keren: indien het leven de hoogste volmaaktheid van ons zijn is, dan moet de gelovige in Christus, een verstandsleven in Christus bezitten en voor God leven, Hem zien, kennen en genieten. Hoewel nu het genieten van Christus de hoogste mate van zelfverloochening is, en die mens zichzelf, dat is, zijn zondig en vleselijk ik, zijn zelfzucht en zelfheid, in Christus verliest, toch verliest hij niet, maar hij vindt zijn onzondig geschapen zelf, zichzelf volmaakt, met dat hoog en bovennatuurlijk sieraad van "Christus in hem levende," in Christus terug. Het is dan ook zeker waar, dat het zelf, evenals alle geschapen dingen zijn, geheel afhankelijk van God is, evenals de stralen van de zon, die maar uitvloeiingen, gevolgen en uitgangen van de zon zijn, geen wezen hebben dan in de zon. Weliswaar hangen de schepselen in hun bestaan en werken meer van God af, dan voorvallen van hun onderwerp afhangen, doch het is niets minder dan godslastering, tegen alle rede en gezond verstand indruisende en een omkeren van Gods Schrift, te zeggen, dat God wezenlijk alle dingen is; dat God mens is; dat God de Geest en de Vorm is, Die in alles werkt; dat een heilig mens "God in het vlees", in Christus de Godmens is; dat Christus, de Middelaar, niets is dan God vermenselijkt en de mens vergoddelijkt; en dat Christus door het geloof in een gelovige wonende en de inwoning van de Heilige Geest, niets is dan God geopenbaard in het vlees van ieder mens. Dit werpt vele geloofsartikelen omver, doch de Familisten bekommeren er zich niet over of zij brutaalweg de gehele Schrift omkeren. Dan toch is Christus geen waarachtig Mens, geboren uit het zaad van David en God te prijzen tot in eeuwigheid, in één Persoon.

Van alle schepselen en geschapen wezens kan, wanneer zij bij God, het eerste zelfbestaand Wezen, de oneindige God vergeleken worden, vergelijkenderwijze gezegd worden dat zij geen wezens zijn. Zo is onze geschapen ikheid niets, namelijk, niets in waardigheid en uitnemendheid naast God, of niets op de manier van een wezen, dat uit zichzelf wezenlijk bestaat, zoals God is in genere entis per essentiam, en toch is de mens in bestaanswijze een wezen, krachtens deelgenootschap, in genere entis per participationem. De mens is, bij God vergeleken, een gering, waardeloos, armzalig nietje, een wegdruipende, wegsmeltende, verdwijnende nul. Ja de liefelijkste instellingen zijn, omdat haar liefelijkheid maar een geschapene is, nauw verwant aan niets, en, bij God vergeleken, blote schaduwen die de onsterfelijke ziel niet kunnen dragen, en zij zijn niets, aan de ijdelheid onderworpen, welke alle schepselen gemeen hebben. Zo zegt de Schrift, dat ieder mens, in zijn beste staat, enkel ijdelheid is. (Ps. 39:6) Ziet, Gij hebt mijn dagen een handbreed gesteld, en mijn leeftijd is als niets voor U; immers is een ieder mens, hoe vast hij staat, enkel ijdelheid. (Jes. 40:17) Alle volkeren zijn als niets voor Hem, en worden bij Hem geacht minder dan niet en ijdelheid. Toch kan een heiden zeggen en denken en door de rede bewijzen, dat de ikheid en de mens en de gehele wereld, in vergelijking met de oneindige God, minder zijn dan niets, vergeleken bij alle dingen, dan een druppel water, vergeleken bij de zee, of de schaduw bij het lichaam, of een stuivers-fakkel bij het licht van een zon als tien duizend miljoen zonnen en toch even ver van zelfverloochening en van het afleggen van de oude mens en het doden van de begeerlijkheden van het vlees af zijn, als het licht van de duisternis. Het is een ongegrond beweren, dat het de eigenschap van het schepsel is, zichzelf, en het zijn, en dit of dat, en hier en daar te zoeken en te willen, evenals het de eigenschap van God is, zonder dit of dat, zonder zelfzoeking, zelfzucht of iets dergelijks te zijn. Elk geschapen iets toch, zelfs wormen, kikvorsen, bomen, zulke schepselen, die schepselen gewinnen, zoals zij zelf zijn, hebben zo’n gepast en natuurlijk belang in te bestaan, dat zij, zonder zonde van of afwijking van wet of regel, of enig leidend of besturend natuurbeginsel, zichzelf, hun eigen bestaan begeren. En aangezien zij in zichzelf niet kunnen blijven voortbestaan, begeren zij het bestaan, hun soort in stand te houden door voortplanting, en zullen zolang zij kunnen de strijd volhouden tegen alle tegenstanders en vijanden, om hun zijn te bewaren, hoewel het slechts van God ontleend is, en ik kan niet inzien, dat zij, in zo te handelen, zondigen; ook was de voorwaardelijke begeerte van Christus, te leven en de dood te ontgaan, in het minst niet in strijd met zuivere zelfverloochening.

De Heere zoekt Zichzelf en Zijn Eigen eer, en Hij heeft alles gewrocht om Zijns Zelfs wil, ja ook de goddeloze tot de dag des kwaads (Spr. 16:4). Dat is een zeer heilige en reine handeling, welke God aan Zichzelf toeschrijft: (Jes. 43:21) Dit volk heb Ik Mij geformeerd, zij zullen Mijn lof vertellen.

In alle inzijn in Christus is een voortdurende levenswerkzaamheid door geloven, zich verheugen en rusten in God. Zo zegt Filippus: (Joh. 14:8) Heere, toon ons de Vader en het is ons genoeg. Hier zoekt het leven een zielverzadigende vereniging met het Leven, want alleen het leven is een genoegzaam voorwerp voor het leven. Levende dingen zoeken geen dode dingen als zodanig, om hen gelukkig te maken, indien de rede hen recht doet handelen. In God, zoals Hij geopenbaard is in Jezus Christus, vinden de heilige een zielsvoldoening voor zichzelf, en het zien van God in Christus, hetzij in dit, of in het toekomend leven, is een levensdaad, want de ziel leeft in de oceaan, in de zee en in de boezem van een schone, eeuwige waarheid. Maar is zij daar werkzaam? Ja, en de Schrift drukt haar werkzaamheid uit door God zien en uit de Fontein des levens drinken. De ziel, die zo in Christus is, drinkt liefde in en zuigt de borsten van de zielverheugende uitlatingen van Christus, en Christus haalt wederkerig daden van bewondering en verwondering uit, en geniet die, doordat Hij het aangezicht van de ziel beademt met de liefelijkheid van Zijn uitnemendheid. (Hoogl. 2:8.) Dat is de stem mijns Liefsten, ziet Hem, Hij komt, springende op de bergen, huppelende op de heuvelen. Ziet, is een woord, dat verwondering uitdrukt. (1 Joh. 3:1.) Ziet hoe grote liefde ons de Vader gegeven heeft. Niet alleen de liefde, maar de aard van de liefde van de Vader in Christus en de wijze, waarop Hij die betoont, is een wonder van de wereld. (2 Thess. 1:10.) Christus zal, wanneer Hij zal gekomen zijn, wonderbaar worden in allen, die geloven.

Wanneer wij de trekkende beminnelijkheid van Christus zien en genieten, stort Hij, als de Fontein en Bron des levens, goddelijk licht en overvloed van liefde, vers uit de Bron van hemelse liefde, in onze verstandsliefde en in de flikkeringen en uitstralingen van ons verstand, en de ziel doet haar mond wijd open en drinkt de stromen van Christus’ nectar, de honing en de melk, Zijn vertroostingen en liefdesuitlatingen in. In Zijn licht het licht ziende en in Zijn liefde liefde gevoelende, maakt Hij ons licht en onze liefde, als het ware, mede-eeuwig door ontleende eeuwigheid, en wij gaan voort te blinken door geleend licht en te vlammen door geleende kolen van de liefde, van de uitstralingen van Christus’ glansrijk aangezicht. Gelijk van Christus geschreven staat, dat Hij Zijn kudde onder de leliën weidt, in die hof van Christus, Zijn gemeente, welke de gewone weide is voor de lammeren van de kudde, zo ook weidt en voedt Hij de zielen van de heiligen, die Hem genieten, met het merg, de vettigheid en de lekkernijen van het licht en de liefde, die uit Zijn aangezicht stralen, evenals de olie de vlam van de lamp voedt, doch met dit onderscheid, dat de olie in de lamp door het branden verbruikt wordt, maar dat de lekkernijen van Christus, waarop Hij ons onthaalt, door ons eten niet verminderen.

X. Er is in dit genieten van Christus een leven en getroost zijn in Christus, tot verzadiging toe.

De liefde maakt de benen van de ziel sterk en haar vleugelen snel in het jagen naar vereniging met Christus. De liefde legt haar hand aan de diepste grond van de begeerte en trekt de liefhebber met sterke koorden tot zich. Wij hebben gehoord van. de nodiging van Christus: "Komt tot Mij;" doch veronderstelt, dat Christus nooit Zijn liefde, in zo’n liefdes uitdrukking —"komt tot Mij" — ontdekt had. Christus Zelf is een zo trekkend voorwerp, dat Zijn schoonheid, de reuk van Zijn klederen, Zijn mirreberg en wierookheuvel, de zee en de rivieren des heils en die uitgestrekte, wijde hemel van de verlossing, innerlijk en uit zichzelf roepende, trekkende en bekorende voorwerpen zien; hoewel goud stom is en niet kan spreker, toch roept zijn schoonheid en het voordeel, dat er in gelegen is, het te bezitten, uit: "Komt tot mij, u armen, en wordt rijk."

De vleugelen van de liefde bewegen zich liefelijk. "Doe Mij open, Mijn zuster enz. Mijn hoofd is vervuld met dauw en Mijn haarlokken met nachtdruppen". Geen stom en zwijgend geweld is zo krachtig, zo doordringend als de liefde van Christus.

Wanneer de ziel enigermate deze liefde van Christus begrijpt, wordt de ziel vervuld tot al de volheid Gods (Ef. 3:19). Daaruit moet volgen, dat alle geschapen voorwerpen, wegens hun kleinheid en geringheid en wegens de uitgestrekte en wijde ruimte van de ziel, die, met God en de volheid van Christus vervuld zijnde, tot haar wijdste ruimte en omtrek uitgebreid is, niet meer bij die ziel in aanmerking komen. Het is daarmee als met een man, die boven in een kasteel is, van welke de top zich hoger dan de derde hemelstreek of tot nabij de sfeer van de maan verheft, en vandaar neerziet op de schoonste en liefelijkste weiden of op een hof vol rozen en bloemen van alle zachte kleuren en heerlijke geuren; hij zou in die alle geen liefelijkheid zien, ja de aangenaamheid, de kleur en de geur van die alle zou nooit zijn zintuigen kunnen bereiken, omdat hij er zover boven staat. Zo is ook de ziel, die met de liefde van Christus vervuld is, hoog boven alle geschapen liefhebbers, en zij zijn zover beneden het oog van de ziel, dat hun beminnelijkheid niet kan opklimmen binnen het bereik van de hoge en wijde ruimte van een vergeestelijkte ziel. Het licht van een stuiver kaars, die in een donkere nacht wordt neergezet in een huis, dat enige mijlen lang en breed en hoog is, zal niet in staat zijn dat gehele huis te verlichten en de daarin aanwezige lucht licht en doorzichtig te maken, zoals het licht van de zon dat doet.

De heerlijkheid van Christus’ schoonheid verandert de ziel, die haar ziet en liefheeft, in een stuk goddelijke heerlijkheid, als door des Heeren Geest (2 Kor. 3:18). Daarom ziet de ziel Christus zo van nabij in Zijn liefdesomhelzingen, als Hij teder Zijn linkerhand onder haar hoofd legt en haar met Zijn rechterhand omhelst, dat zij noch zichzelf, noch een andere liefhebber kan zien. Zij ziet niets dan Christus’ schoonheid; hoort niets dan de stem des Liefsten; smaakt niets dan Zijn liedeappelen en Zijn flessen wijn; ruikt niets dan Zijn nardus en kostbare oliën, zodat de ziel bekleed is met Christus en Zijn liefde, en het niet kan laten, wederkerig Hem haar liefde te betonen. Christus laat Zich zodanig uit in Zijn liefelijkheid en voortreffelijkheid, dat de ziel door Christus Jezus met geweld gegrepen en toch liefelijk en krachtig in het wijnhuis van de Koning getrokken en gevoerd wordt (Hoogl. 2:4), zo krank van en overwonnen door liefde (Hoogl. 2:5 en 5:8); zo door liefde geketend en gedrongen (2 Kor. 5:14); zo gewond door pijlen van liefde, dat dood, graf, hel, engelen, tegenwoordige of toekomende dingen, die wonden niet kunnen verzachten, wegnemen, verbinden of genezen (Ps. 45:6; Openb. 6:1, 2; Hoogl. 8:6, 7; Rom. 8:38, 39). Ja de ziel moet zich, als een bruid onder de macht van haar man, overgeven en haars vaders huis verlaten en zichzelf verliezen in een zo diepe oceaan van liefdesverlustigingen, sterker dan wijn (Ps. 45:11; Hoogl. 5:1 en 1:2), dat zij als versmolten en ontbonden in Christus bezwijmt (Hoogl. 5:6), en in die bezwijming nodig heeft, ondersteund te worden met de flessen wijn en versterkt te worden met de appelen van Zijn vertroostingen (Hoogl. 2:4, 5).

Jezus Christus kan niet anders dan teer, liefderijk en ontfermend handelen met Zijn liefste. Christus moet de Zijnen trekken (Joh. 6:44); liefelijk lokken (Hos. 2:18; Jes. 40:1); bij de armen nemen (Eng. Vert.), en hun leren gaan, evenals een moeder haar kindje, dat nog niet alleen lopen kan; ja Hij draagt hen in Zijn armen en troetelt hen op Zijn knieën (Jes. 46:3, 4; Ex. 19:4). Zij worden op Christus verwarmende vleugelen gedragen, evenals de jonge arenden op de vlerken van hun moeder (Deut. 32:11; Hij neemt hen in Zijn schoot en kweekt hen op met de warmte en levenshitte van Zijn eigen hart, (Jes. 40:11); die goede Herder draagt hen op Zijn schouderen (Luk. 15:5) en toch zijn zij nader aan Christus als een armband aan Christus’ armen is. Zo draagt Christus Zijn Kerk, als een lint, een liefdeteken Jer. 22:24; Hoogl. 8:6), met letters van bloed in Zijn vlees ingedrukt, gezegeld en in Zijn handpalmen gegraveerd. (Jes. 49:16). Ja, zij zijn Hem nog nader dan een zegel, op Zijn hart gezet; zij zijn Hem zo dierbaar, dat zij een plaats ontvangen in Zijn ingewanden en in Zijn hart (Hoogl. 8:6); zij blijven in Christus (1 Joh. 4:13), en blijven in God, en God is liefde, en zo blijven zij in de liefde van Christus (1 Joh. 4:16), en worden gekust met de kussen van Christus’ mond (Hoogl. 1:2) en liggen tussen Christus’ rechter- en linkerarm (Hoogl. 2:6). Doch dit trekt de ziel niet van de plichten af, maar het vuurt haar aan tot de plichten, om Christus wil, die zij zo vurig liefheeft. Deze genietingen zijn ook niet onbestaanbaar met zondige zwakheden.

Gelijk de liefde zich snel tot de ziel begeeft, als een ree of een welp van de herten, want dat is Christus’ tred, wanneer Hij tot Zijn gemeente komt (Hoogl. 2), zo ook bewerkt de liefde de ziel natuurlijk, om de waardigheid en voortreffelijkheid van Christus, de Liefste, te begrijpen, omdat zij daar zelf prijs op stelt. De liefde is niet onredelijk als iemand, die woedend of krankzinnig is, maar zij is zichzelf meester. Daarom moeten de verborgenheid van Christus, de diepten en verborgenheden van de schatten van Zijn liefde en wijsheid voor de ziel worden opengelegd. De ziel ziet nieuwe goudmijnen, nieuw ontdekte juwelen, waarvan zij niet wist, dat zij bestonden, in Christus ontsloten en ontvouwd. Hier is de inkomst van de stralen van ontoegankelijk licht, de aderen van de onnaspeurlijke rijkdommen van Christus, evenals of men elk ogenblik een nieuwe hemel, een nieuwe schat van liefde zag, de diepe grondeloze bodem van een oceaan van verlustigingen en rivieren van wellusten. Het hart van Christus wordt ontsloten, nieuwe uitlatingen en ingevingen van de liefde, die de kennis te boven gaat worden geopenbaard. Geen oog heeft gezien, geen oor heeft gehoord, en het is in het hart van de mens niet opgekomen, wat God bereid heeft dien, die Hem liefhebben (1 Kor. 2:9), en toch wordt het in dit leven enigermate geopenbaard.

Het is zeer opmerkelijk, hoe de ziel in het liefhebben van Christus van Zichzelf niet is, en hoe Christus in betrekking tot Zijn liefhebben ook van Zichzelf niet is, doch hoe elk zichzelf aan de andere overgeeft, en hoe aan beide zijden het recht van eigendom en aandeel aan zichzelf, als het ware, ophoudt. (Hos. 3:3) En ik zeide tot haar: Gij zult vele dagen na (Eng. voor) mij blijven zitten, gij zult niet hoereren, noch een andere man geworden, en ik ook na u (Eng. zo zal ik ook voor u zijn). Zo spreekt ook het huwelijks-genade-verbond: Ik zal Uw God zijn, en u zult Mijn volk zijn.; en de bruid zegt: "Mijn Liefste is mijn, en ik ben Zijne." (Hoogl. 2:16). Weliswaar houdt Christus niet op Zijns zelfs, of een vrij God te zijn, wanneer Hij de onze wordt, maar Hij gedraagt zich zo alsof Hij niet van Zichzelf was, door met ons in nauwe betrekking te komen en ambten op Zich te nemen, die Hem verbinden. Zo is Hij voor ons een Zaligmaker; een Gezalfde, een Verlosser, een Koning, een priester, een Profeet, een Herder, een Man, een Losser, een Vriend, een Hoofd, een Leidsman, en een Hoofd van het volk. De ziel, die Christus geniet, bezit Christus en niet zichzelf; zij bemint Christus, niet zichzelf; zij leeft in Christus, niet in zichzelf; zij geniet Christus, niet zichzelf; zij troost zich in Christus, niet in zichzelf; zij aanschouwt Christus en Zijn schoonheid, niet zichzelf, noch haar eigen schoonheid, zodat verstand, wil, liefde, verlangen, hoop, blijdschap, gezicht, verwondering, verlustiging, alle voor Christus zijn en niet voor zichzelf. Dit alles bevestigt verder het punt, dat wij behandelen, dat Christus en die gekruisigd, door het geloof aangegrepen, een begeerlijke en trekkende Liefhebber is.

 

Punt III

"Allen" (Eng. Vert. "alle mensen.) – Ik zal ze allen tot Mij trekken

Het derde artikel in de leer van Christus’ trekking is: de partijen, die tot Christus getrokken worden, welke hier genoemd worden, [Gr. pantes] alle mensen.

Er bestaat een belangrijk geschil tussen ons en hen, die algemene verzoening en algemene genade voorstaan, evenals nu vele Anabaptisten in Engeland, wat met "alle mensen" bedoeld wordt, waarin wij moeten aanmerken:

1. De stand van het geschil.

2. Het gevoelen van de tegenpartij.

3. Ons gevoelen.

4. Het vereffenen van de door de tegenpartij bijgebrachte plaatsen.

5. De beantwoording van het voornaamste geschilpunt, welk geloof vereist wordt van allen, die binnen de zichtbare kerk zijn.

6. De gebruiken van de leer.

Over elk punt slechts een kort woord.

1. De stand van het geschil.

Het geschil gaat over, (1) Gods voornemen, mensen zalig te maken. (2) Het verkiezen van sommigen tot de zaligheid, en niet anderen. (3) Gods voornemen in het zenden van Christus, om voor sommigen te sterven en niet voor anderen.

Het eerste punt wordt algemene genade genoemd, het tweede punt voorwaardelijke genade of, wat mij geheel hetzelfde is, algemene verkiezing tot heerlijkheid, en dus, geen verkiezing. Het derde punt is het geschil over de algemeenheid van Christus’ dood of een ingebeelde algemene verzoening, welke door Christus voor alle mensen gedaan is. Ik. kan die drie punten niet alle in bijzonderheden verhandelen.

(1) God maakt alle mensen tot Christus’ schuldenaars, in zo ver, dat het ontferming is, dat zij leven, of gelegenheid hebben God te zoeken, wat ook de natuurlijke of bovennatuurlijke middelen daartoe zijn. Aangezien God, wegens de zonde van Adam, door een gelijke rechtvaardigheid, de wereld en alle mensen kon verdelgd hebben, zijn alle dienstknechten, wegens hoogverraad van het hoofd tegen de Koning van de hemel en van de aarde, aan de ijdelheid onderworpen, doch in Christus zijn er twee verzachtingen. De ene is, dat de dienstknechten niet verdelgd worden om de zonde van het hoofd. De andere, dat evenals de Heere voldoening heeft ontvangen voor de breuk, door de zonde veroorzaakt, zo ook de kranke dienstknechten, die onder de ijdelheid zuchten, verlost zullen worden van die dienstbaarheid, aan welke zij onderworpen zijn wegens de zonde van de mens (Rom. 8:20—22). Dit is de reden, dat wij nu, hoewel wij van nature alle recht verbeurd hebben, door een genadedaad van de Middelaar, het Hoofd als inwoner kunnen ontvangen, omdat Christus de wet en akte van verbeurdverklaring heeft weggenomen.

Er leeft niemand op aarde of hij is Christus, hoewel velen Hem niet kennen, alles verschuldigd voor de algemene bijstand van de voorzienigheid, en de ervaringen leren door de natuur iets meer van God kennen.

Het geluid van Christus, door God geopenbaard in het Evangelie, is in de bediening van de apostelen bekend gemaakt en tot de einden van de wereld en tot de volkeren uitgegaan (Ps. 19:4; Rom. 10:18). Sommigen zeggen echter dat die woorden: "Hebben zij het niet gehoord," betrekking hebben op (vs. 14) het horen van het Evangelie of het bekendmaken van de blijde boodschap van het Evangelie aan elk en een ieder mens, en op dat horen doelen. Ik antwoord: De tegenpartij zegt, dat het betrekking heeft op het horen van God, zoals Hij Zich in de middelen ter zaligheid openbaart, doch dan is de vraag nog, of die middelen de prediking van het Evangelie zijn of de prediking van diezelfde God Die in het Evangelie geopenbaard is en de zaligheid door Hem, zoals Hij Zich als Schepper openbaart en door zon maan en sterren gepredikt wordt. Indien nu de zon, de sterren en de hemelen vertellen, in deze zin, Gods eer, en verkondigen Zijn lof en de zaligheid door Christus aan elk en een ieder volk, en aan elk persoon zonder uitzondering, niet alleen, toen Paulus dit aan de Romeinen schreef, maar ook toen David de 19e Psalm maakte; welk verschil is er dan tussen de Joden, aan wie God Zijn getuigenissen bekend maakte, en de heidenen wie God zo’n openbaring niet deed? (Ps. 147: 19, 20; Deut. 4:33, 34; Deut. 5:25, 26; Ps 78:1, 2 enz.; Ps. 81:4, 5). Als dit geluid het Evangelie is, dat gepredikt wordt aan zovelen als de zon aanschouwen, en altijd, wanneer zij de zon zien, dan moeten op die tijd zon en maan gezonden apostelen en predikanten geweest zijn, en dat nog zijn, door de woorden en bediening van welken elk en een ieder mens, die de zon ziet, zowel toen als nu en tot de tweede komst van Christus toe, verplicht zijn, God in Christus te aanbidden, en te geloven, want het geloof is uit het gehoor, en zon, sterren, nacht en dag prediken dan Christus. Met het horen van het Evangelie toch, in vs. 18 moet dan het zelfde horen verstaan worden, waarvan in vs. 14 en 15 gesproken wordt, want met het ene wordt een horen van het Evangelie, door de dienst van de apostelen bedoeld, hetwelk geloof en zaligheid werkt, en met het andere een horen van zon en sterren, sprekende in het boek van de schepping. Doch dit laatste werkt geen geloof en zaligheid, zoals ook de tegenpartij moet toegeven.

De apostel zou dan zijn eigen tegenwerping, in vs. 18, niet beantwoorden met: "Indien allen, zowel Joden als heidenen, het Evangelie niet gehoord hebben, is het onmogelijk, dat zij kunnen geloven, want het geloof is uit het gehoor van het Evangelie, uit de mond van hen die van God gezonden zijn, en indien zij niet horen, is het in hen te verontschuldigen, dat zij niet geloven in Christus van Wie zij nooit gehoord hebben." De apostel zou dan moeten antwoorden: "Ja, doch zij hebben het Evangelie gehoord." Waarom? Wel! Zij hebben tot aan de einden van de aarde, door zon en sterren, Christus en de zaligheid door Hem horen prediken, want dit is zeker, dat David in de letterlijke en oorspronkelijke zin van de 19e Psalm over zulke stomme predikers spreekt. Zo’n antwoord echter is geen antwoord, want zon en sterren zijn niet door God gezonden, om de zaligheid door Christus te prediken.

Het geloof is niet uit het gehoor van de prediking van Christus door de redeloze schepselen.

Niet van de stomme en levenloze schepselen, maar van de profeten en de apostelen staat geschreven, dat op de bergen liefelijk zijn de voeten van degenen, die vrede verkondigen, zoals ook de verzen 14, 15 en 16 behelzen, die aangehaald zijn uit Jes. 52:7 en Nah. 1:15. De oorspronkelijke zin van de woorden in vs. 18 is echter slechte een blote zinspeling in Schriftstijl op de woorden van David in Ps. 19. Het is geen aanhaling nog verklaring van die woorden, doch een gebruik maken van de taal van de Schrift, in de vergelijking van het Evangelie bij de zon en het geluid van de prediking van het Evangelie bij het geluid van de heerlijkheid van de Schepper zoals die verkondigd wordt in de werken van hemel en aarde, om daardoor aan te tonen hoe ruim de prediking van het Evangelie onder het Nieuwe Testament is, namelijk, dat het niet, als vanouds, alleen aan het Joodse volk gepredikt wordt, maar aan alle naties, aan de Joden en aan een onverstandig volk, door welk de Heere de Joden tot jaloersheid zou verwekken, zoals duidelijk blijkt uit vs. 19 en 20.

Die stem, bedoeld in de woorden: [Gr. ho phohongos auton] "hun geluid is over de gehele aarde uitgegaan," is de stem van de twaalf apostelen van het Lams, die het Evangelie aan allerlei volkeren, aan Joden en heidenen predikten, en zij is niet de stem van de schepselen, van hemel en aarde, maar het is alleen een zinspeling op die stem uit Ps. 19. Anders toch hebben de woorden geen zin, want de apostel betoogt, dat het Evangelie gepredikt, de belofte van zaligheid verkondigd is aan allen, die de Naam des Heeren aanroepen, vs. 12. Of het Joden of Grieken, dat is heidenen zijn, zij moeten geloven, anders kunnen zij niet bidden, en zij moeten noodzakelijk horen, anders kunnen zij niet geloven, en zij kunnen niet horen, tenzij God hen zendt, die hun prediken. God nu heeft beiden, Joden en heidenen, zoals de profeten Jesaja en Nahum voorzegd hebben, predikers, van welken de voeten liefelijk zijn, gezonden (vs. 13, 14 en 15), meer zij hebben niet allen gehoorzaamd (vs. 16, 17 en 18). Doch men mocht zeggen: "Zij hebben niet allen het Evangelie horen prediken, dan moet dit toch zeker de heidenen verontschuldigen, dat zij niet geloven, want hoe kunnen zij geloven (vs. 14) wanneer zij nooit van Christus gehoord hebben." Het is een redelijke verontschuldiging, als de heiden zegt: "Ik kan niet zondigen in het Evangelie niet te geloven", ja ook Christus spreekt hen vrij van de zonde van ongeloof, in Joh. 15:22, zeggende: "Indien Ik niet gekomen ware en tot hen gesproken had", en zij dus geen Boodschapper van de hemel gehad hadden, "zij hadden geen zonde", dat is, zij zouden vrij geweest zijn van de Evangelie-zonde van ongeloof, "maar nu hebben zij geen voorwendsel voor hun zonde." Nu kunnen zij niet zeggen: "Heere, wij kunnen geen Evangelie geloven, dat nooit tot ons gesproken, noch ooit door ons gehoord is." Doch het is zeker, dat de Joden die schepselen en werken Gods gehoord hebben, welke Zijn eer vertellen (Ps. 19). Indien zij Christus voorwerpelijk prediken, zoals Amyraldus en andere Arminianen zich inbeelden, dan zou het niet horen en niet gehoorzamen van het dus gepredikte Evangelie hun zonde geweest zijn, al hadden Christus of Zijn apostelen nooit het Evangelie verkondigd, dat in strijd is met het woord van Christus (Joh. 15:22) en met dat van Paulus: "Hoe zullen zij in Hem geloven, van welke zij niet gehoord hebben", door de prediking van een gezonden dienaar, die voorwerpelijk en met een hoorbare stem het Evangelie moet prediken. Doch laat ons tot de stand van het geschil terugkeren.

Zoveel is aan allen, zelfs aan hen, die nooit van Christus hoorden, van God geopenbaard, dat alle verontschuldiging uitgesloten is, omdat zij weten, dat zij willens en wetens God, als God, niet verheerlijken. (Rom. 1:19—21) Allen, die in de zichtbare Kerk zijn, hebben middelen, die in hun soort genoegzaam zijn, in genere mediorum externorum, om hen zalig te maken.

Evenals niemand door het licht van de natuur kan worden zaliggemaakt, en nooit iemand het daartoe gebruikt heeft of heeft kunnen gebruiken, om het aan te leggen tot genoegzame voorbereiding, om de boodschap van het Evangelie aan te nemen, dat hun door daartoe gezonden mensen of engelen gepredikt of door enigerlei ingeving, welke de zin van het Evangelie, of dingen, die in het Evangelie bekend gemaakt worden, tot hun kennis wordt gebracht, zo ook kunnen zij niet zaliggemaakt worden door een andere naam onder de hemel, dan de Naam van Christus; dat is door Christus, Die in het Evangelie genoemd, gepredikt en geopenbaard wordt. (Hand. 4: 10—12; Joh. 14:6; Hebr. 11:6; Joh. 5:40; 1 Joh. 5:12) Die de Zoon heeft, die heeft het leven. die de Zoon niet heeft, die heeft het leven niet.

Het geschil loopt hierover: (1) of God in zoverre wel of niet wil, begeert en voorneemt, dat elk en een ieder binnen en buiten de zichtbare Kerk, Tartaren en Indianen, die nooit, zelfs bij geruchte, van Christus gehoord hebben, niet uitgezonderd, zullen zalig worden, dat Hij hun genoegzame middelen en bijstand van een gewone en algemene genade geeft, welke de Heere, indien zij die goed willen gebruiken, zal belonen, bevorderen en vermeerderen, hetzij uit welvoeglijkheid of een overeenstemmende gesteldheid van goedheid, of uit billijkheid, of volgens een vrije belofte of enigerlei verplichting, zodat Hij hun het Evangelie zendt en een grotere mate van zaligmakende en innerlijke genade verleent, waardoor zij, indien zij dat willen, zullen bekeerd worden tot het geloof in Christus en zalig worden. Dit stellen de Arminianen en wij ontkennen het.

(2) Of de Heere van eeuwigheid (latere Arminianen stellen een verkiezing in de tijd) volstrekt, zonder enige voorziening, of voorwetenschap, of voorkennis van goede werken, geloof, volharding in geloof en goede werken, of van staat, reden, oorzaak, verdienste, geschiktheid in sommige bepaalde personen, die personen en niet andere, heeft voorverordineerd en uitverkoren tot heerlijkheid en het eeuwige leven; alsmede al de middelen tot dat einde leidende, en dat uit louter vrije genade, omdat Hij het wil; met andere woorden, of niet de Heere een bepaald, volkomen, afdoend en onherroepelijk besluit genomen heeft, om sommige bepaalde personen zalig te maken, omdat Hij voorziet, dat zij de geest geven en sterven in geloof en een heilige wandel.

De Arminianen stellen, dat des Heeren besluit van de verkiezing van mensen tot heerlijkheid algemeen, voorwaardelijk, onvolkomen en veranderlijk is, omdat Hij voorziet dat zij hun loop in het geloof voleindigd hebben, en dat Hij dan beslissend en onherroepelijk een vast besluit doet uitgaan, om die en geen anderen zalig te maken. Wij ontkennen zulke losse besluiten in de Almachtige, en geloven, dat Hij, uit vrije genade, sommigen volstrekt, zonder enige vereiste in hen, of zonder enig opzicht op enigerlei voorgezien goed in hen, meer dan in anderen, verkiest, omdat Hij zich ontfermt, diens Hij wil, en verhardt die Hij wil (Rom. 9:17, 18).

Ook loopt het geschil hierover, of, naar dit algemeen, onbepaald, herroepelijk en voorwaardelijk welbehagen en voornemen Gods, om allen en een ieder zalig te maken, de Vader Zijn Zoon geeft, en de Zoon voor allen en een ieder sterft of niet; of Hij volstrekt voorneemt voor elk en een ieder mens de weg te openen, om door smeking vergeving van zonden te verkrijgen, en in het bijzonder verzoening teweeg te brengen voor de erfzonde en alle zonden tegen het verbond der werken; en de zaligheid en de ontsluiting van de poorten van de hemel te verwerven voor allen, zowel die in als die buiten de zichtbare Kerk zijn, zodat God Zijn toorn over al die zonden heeft afgelegd, en allen kunnen zalig gemaakt en met God verzoend worden, alsmede, dat niettegenstaande het pleit van de goddelijke rechtvaardigheid tegen de mensen, elk en een ieder, overeenkomstig het voornemen Gods, in Zijn bloed kan gezaligd worden, zo zij maar in Christus geloven, gelijk zij dat mogen en kunnen. Dit ontkennen wij en de Arminianen stellen dit vast.

2. Het gevoelen van de Arminianen. De Arminianen stellen zes algemeenheden.

(1) Zij zeggen, dat God elk en een ieder mens, van welke geaardheid ook, evengelijk en algemeen welwillend gezind is, ja Ezau, Farao en Judas, zowel als Jakob, Mozes en Petrus, om hen allen zalig te maken, zodat deze liefde niet nauwgezet en volstrekt beperkt is tot zekere bepaalde personen, die Hij liefheeft en tot de zaligheid heeft uitverkoren.

(2) Dat er voor elk en iegelijk een algemene prijs, een algemeen rantsoen door Christus, in Zijn sterven aan het kruis, is opgebracht en een algemene verzoening en verlossing door Christus’ bloed is verworven, waardoor elk en een ieder, Farao, Judas, Kaïn, alle heidenen, Tartaren en wie ook, die nooit van Christus hoorden, zalig gemaakt en verzoend kunnen worden, en waardoor God voor hen vergevensgezind en te verbidden geworden is, zodat zij, hoewel zij in de eerste Adam verloren liggen, weer een nieuwe kans op de hemel hebben; dat de Heere in Christus’ dood een algemeen, voorafgaand en inleidend voornemen heeft, alle mensen, zonder onderscheid, zalig te maken; ja, dat de vrucht van Christus’ dood en het gevolg ervan stand zullen houden, al zouden alle mensenkinderen eeuwig verloren gaan en niet één persoon behouden worden.

(3) Evenals er een algemeen verlies voor allen geweest is, zo is er een tweede verbond van vrije genade met ieder van Adams kinderen gemaakt, met beloften van vrije genade, een nieuw hart, gerechtigheid en het eeuwige leven, op schone voorwaarden, indien de vrije wil, in het stuk van zaligheid en verdoemenis, zijn rol goed speelt. Alsof niet Christus de beste Leermeester van de vrije wil zou zijn!

(4) Elk en een ieder mens wordt in dit verbond opgenomen in de nieuwe staat van verzoening, genade en gunst, en van rechtvaardiging van elke breuk van de wet of het eerste verbond; allen, zowel jong als oud, zijn eenmaal geheel verlost van verdoemenis en toorn; alle heidenen zijn door Christus verzoend en gerechtvaardigd in Zijn bloed, en alle zonden zijn nu zonden tegen het genadeverbond; Christus en alle mensenkinderen beginnen nu met een nieuwe rekening.

Hoewel het schip gebroken en alle mensen in de zee terecht gekomen zijn en daar moeten sterven, toch zijn zij zo buiten boord geraakt, dat Christus, de Borg van een beter verbond, tot het grote Schip gesteld is, waar de schipbreukelingen, indien het heer Vrijewil behaagt, heen mogen zwemmen en zo ten tweede male veilig aan land komen.

Zo zijn er dus twee verlossingen in Christus, twee rechtvaardigmakingen uit genade.

Nochtans worden, noch de tijding van dit nieuwe verbond, dat met alle mensen gemaakt is, noch deze staat van verzoening of rechtvaardigmaking ooit aan het duizendste deel van de mensen geopenbaard, en hoewel iedereen onder deze wet van het geloof en dit verbond der genade is, toch is deze verplichtende en bovennatuurlijke wet nooit bekend gemaakt aan miljoenen mensen, die zij tot gehoorzaamheid verplicht, zover dat zij door goede vlijt en het gebruik maken van de gewone giften van de natuur, of liever, door het loon en de verdienste van mensen buiten Christus, en doordat de vrije wil zijn best doet, over het gepredikte Evangelie en Christus een overwinning behalen.

5. Elk en een ieder van moeders kinderen en van de kinderen van Adam wordt geroepen en genodigd, ja, zo zeggen zij, volgens onze tekst, trekt Christus alle mensen, ook al willen zij niet getrokken worden en de enige oorzaak van verkiezing en verwerping, of zaligheid en verdoemenis ligt in ‘s mensen vrije wil.

6. Elk en een ieder wordt voorzien van alle uitwendige middelen van de zaligheid, van voldoende genade en van een besliste onpartijdigheid en macht in de vrije wil, de trekking van Christus met ja of neen te beantwoorden, en door een vlijtige gebruikmaking en een zorgvuldig beheer van de gewone gaven, of van hetgeen in de natuur is overgebleven en van hun nieuwe voldoende genade (konden zij er ons de naam maar van noemen) een meerdere mate van genade te verwerven, omdat zij de prediking van het Evangelie en de genade van de bekering veroveren. Nochtans zijn zij zo, (al doet Christus nog zo Zijn best) dat zij, indien de vrije wil zijn eigen vrijheid wil gebruiken, allen bekeerd kunnen worden, of dat allen verloren kunnen gaan; dat allen kunnen volharden in de genade en zalig worden, zodat niemand verdoemd wordt, of dat allen geheel en finaal van de genade afvallen, zodat niemand volhardt en zo allen eeuwig verloren zijn en dat, niettegenstaande des Heeren eeuwige besluiten van verkiezing en verwerping, de dood van Christus, de kracht van vrije genade, de voorbidding van Christus ter rechterhand Gods en de onveranderlijke liefde van God, want deze alle kunnen niets doen, om de volstrekte en onafhankelijke, vrije wil van de mens te beletten, die weg uit te geen, welke hij verkiest.

Hier tegenover stellen wij:

I. Verkiezing is het besluit, dat uit vrije genade, zekere, bepaalde mensen afzondert tot heerlijkheid.

1. De uitverkoren en getrokken mensen zijn bij name aangewezen. Jakob en niet Ezau, en dat vóór de kinderen iets goeds of kwaads gedaan hadden, hoewel Ezau de oudste was. Izaäk moet de zoon van de beloften zijn, niet Ismaël. Vader en moeder waren uit vrije genade en dat te meer, waar voor Abraham en Sara de natuurlijke tijd, om een zaad te gewinnen, voorbij was. Het zijn Petrus en Johannes, en niet Judas, de zoon der verderfenis. Abraham, die met zijn huis de afgoden diende aan gene zijde van de rivier, wordt eruit gehaald en geen ander. De Heere heeft lust tot de Joden gehad, omdat Hij hen liefhad (Deut. 7:7), toen hun vader een Amoriet was en hun moeder een Hethitische, en zij vertreden lagen in hun bloed (Ezech. 16:3—7), en niet de overige Kanaänieten. De stam van Juda is de koninklijke stam, en niet een van de andere stammen. De geringe Jefta wordt genomen en niet een van de andere zonen van dat gezin. Geen andere van de zeven zonen dan de verachte herder, de roodachtige jongen, die achter de lammeren loopt te zingen, David, die, niet in tel zijnde, door allen vergeten is.

2. Zij worden als met de vinger aangewezen; met naam en toenaam genoemd. (Ps. 87:5) En van Sion zal gezegd worden, die en die [Hebr. ish ve-ish] (mens en mens) is aldoor geboren. (Jes. 49:1) De Heere heeft mij geroepen van de buik, van mijns moeders ingewand heeft Hij mijn naam gemeld. Gij zijt (of de Profeet van het hoofd, of een lid, of wat ook, sprak, is een en hetzelfde) door de mond van God, van eeuwigheid bij uw naam genoemd, Jan, Anna enz. (Jes. 43:1) O Israël, vrees niet, want Ik heb u verlost, Ik heb u bij uw naam geroepen, u zijt Mijne. Zo wijst de Heere ze als met de vinger aan. (Jes. 49:12) [Hebr. hinnehelleh] Ziet, deze zullen van ver komen; en ziet, die van het noorden (Noorderland-mensen) en van de zee (eilanders) of van het westen (Westerland-mensen), want zo kan het gelezen worden, en genen uit het land Sinim. (Ezech. 36: 20) Deze zijn het volk des Heeren. (Hebr. 40:13) Deze allen [Gr. outoi pantes] zijn in het geloof gestorven; zij zijn hoofdelijk genoemd en vermeld. (Openb. 14: 4) [Gr. outoi] deze komt driemaal in één vers voor. Deze zijn het, die met vrouwen niet bevlekt zijn. —Deze zijn het, die het Lam volgen, waar het ook heengaat. Deze zijn gekocht uit de mensen.

3. Zij worden omschreven bij hun land. (Jes. 19:18) op die dag zullen er vijf steden in Egypteland zijn, sprekende de spraak Kanaäns. (vs. 24) op die dag zal Israël de derde wezen met de Egyptenaren en met de Assyriërs, een zegen in het midden van het land. (vs. 25) Want de Heere der heirscharen zal ze zegenen, zeggende: "Gezegend zij Mijn volk de Egyptenaars, en de Assyriërs, het werk Mijner handen." (Zef. 3:10) Van de zijden der rivieren van de Moren zullen Mijn ernstige aanbidders, met de dochter Mijner verstrooiden, Mijn offerande brengen.

4. Hun namen zijn persoonlijk ingeschreven in het Boek des levens des Lams. (Luk. 10:29; Openb. 13:8 en 20:15.) Evenals burgers van een vermaard lichaam, of senators, die het bestuur over een stad hebben, in het registerboek van de koning of van de stad ingeschreven zijn, zo zijn zij, die in witte klederen gekleed het Lam volgen, in het publiek register van de hemel, in het hart Gods, ingeschreven als leden van de hemelse vergadering.

5. Het was geen koop in het blinde, die Christus sloot, Hij wist, wat Hij gaf, en Hij wist, wat Hij kreeg. Christus telde een bepaalde, afgepaste losprijs neer, evenals een getelde som geld, waarvan elke penning gerekend en neergelegd is, en Hij wist, wie de Zijnen waren en wie en hoe velen, bij name genoemd, Hij kocht; het is geen toeval, dat de ene in plaats van de andere binnenkomt. (Joh. 10:14) Ik ben de goede Herder. Hoe wordt dat bevestigd? Hij draagt bijzondere zorg voor de gehele kudde, doordat Hij weet hoeveel en wie de Zijnen zijn. Het is een bewijs dat Hij een goede Herder is, dat Hij weet wie niet van Zijn schapen is, en het weet als er een ziek, of verloren, of afgedwaald is. Nu, Hij zegt: "Ik ken de Mijnen en wordt van de Mijnen gekend." Ik ken ze en zij kennen Mij. Hierop heeft ook voorzeker betrekking: (2 Tim. 2:19) "Het vaste fondament Gods staat, hebbende deze zegel, de Heere kent degenen, die Zijnen zijn." De schapen voor welke Christus sterft (Joh. 10) zijn gewis de schapen voor welke Hij Zijn leven stelt (vs. 10) en sterft, en die, (1) welke het leven hebben en overvloed hebben (vs. 10). (2) Zij zijn de schapen, die gekend zijn in de eeuwige voorverordinering des Heeren en die Christus kent in de tijd. (3) Het zijn degenen, die Hij voorheeft toe te brengen, opdat het een kudde en een Herder zij. Het zijn Zijn schapen, voor welke Hij heengaat; die Hem volgen en Zijn stem kennen (vs. 4) en die een vreemde geenszins zullen volgen (vs. 5). Het zijn die, welke geen vreemde zullen dulden (vs. 5), maar (vs. 27) de stem van Christus horen en kennen, van Hem gekend zijn en Christus volgen. (6) Het zijn zulke schapen, die begiftigd zijn met het eeuwige leven en die niet zullen verloren gaan en die niet kunnen afvallen, evenmin als er iemand kan zijn, die meerder is dan de Vader, die ze uit de hand van Christus zou kunnen rukken (vs. 28, 29). Dat zij toch zullen blijven staan en niet uit de hand van de Vaders gerukt zullen worden, ligt aan de grootheid en macht van Christus’ Vader. "Niemand zal ze uit Mijn hand rukken," zegt Christus. Waarom niet? Mijn Vader, die ze Mij gegeven heeft, is meerder dan allen. Dan zou hij, die een van de schapen uit Christus’ hand zou rukken, meerder moeten zijn dan de Vader van Christus. En waar is hij, die meerder is dan de Vader? Noch in de hemel, noch in de hel. Nu voor die schapen is Christus gestorven.

6. Hij stierf voor die schapen, die onfeilbaar zullen geloven, want Hij zegt in vs. 26: "Gijlieden gelooft niet." Waarom niet? Want gij zijt niet van Mijn schapen. Dus, zij zouden zeker geloven, indien zij van die schapen waren, waar Christus voor stierf.

Men werpt ons tegen: Ik zal nooit geloven, dat dit antwoord kan bestaan. David toch en Job zeggen: "Gij, Heere, hebt mij in de buik geformeerd;’ en de Kerk zegt: (Jes. 64) "Gij zijt de Pottenbakker en wij het leem," maar daar zal nooit uit volgen, dat God niemand anders geschapen heeft dan David en Job en Zijn uitverkoren Kerk; evenzo gaat ook hier de gevolgtrekking niet door: "Christus stierf voor Zijn schapen, dus Hij stierf voor niemand anders dan voor Zijn schapen".

(1) Ik antwoord, dat het sterven voor zondaren een werk is van zuivere genade, dat alleen sommigen geschonken wordt, gelijk alle teksten, die ooit Roomsen, Jezuïeten of Arminianen bijbrengen, altijd degenen voor wie Christus stierf, beperken tot zekere, bepaalde personen, tot gelovigen, tot de schapen van Christus, tot hen voor wie Christus een Voorspraak is aan de rechterhand Gods, enz. Er is geen tekst in de Schrift, in Oude noch Nieuw Testament, waarin de personen, van wie men beweert, dat hun algemene genade en verlossing in Christus’ bloed geschonken is, niet beperkt moeten worden alleen tot de uitverkorenen en gelovigen. Ik zonder alleen deze plaatsen uit, waarin melding gemaakt wordt van dezulke, die alleen in belijdenis verlost zijn, zoals bewezen kan worden. Daarom is dit antwoord van de Arminianen petito principii en een voor bewezen houden van hetgeen zij niet bewijzen kunnen.

Zij zouden ook op dezelfde grond, omdat de Schrift zegt, dat God de mens op aarde schiep en voor mensen en voor de wereld stierf, het besluit kunnen trekken: daar God niet alleen mensen, maar ook engelen, dieren, vogels, vissen, bomen, zon en maan schiep, zo is Christus niet alleen voor mensen, maar ook voor engelen, duivelen, vogels, vissen en bomen, ja ook voor wormen, voor kruipend gedierte en voor ieder schepsel gestorven. Indien wij toch het vrije besluit Gods aanzien, dan zijn de duivelen even geschikt, om door Christus verlost te worden als de mensen, indien God dat van eeuwigheid voorgenomen had, en ten opzichte van hetzelfde besluit kunnen de verworpenen door eigen kracht, evenmin zichzelf zaligmaken en geloven, als stenen zich in kinderen Abrahams kunnen veranderen, indien niet God hen boven hun natuur opheft en Almacht het uitwerkt.

(2) Er zijn sommige, bepaalde personen verpand, of als pand in Christus’ hand gelegd (2 Tim. 1:12). Nu, allen zijn dat niet, doch alleen zekere, bepaalde personen. (3) Zij, die de Heere ten leven heeft uitverkoren, zijn door de Vader aan Christus gegeven. (Joh. 10:26; Joh. 6:37; Joh. 17:2, 6, 8, 9, 12, 24) en die allen worden ten uiterste dage opgewekt en zalig gemaakt (Joh. 6: 37, 39), en Christus kan er niet één van verliezen. (Joh. 17:9). Ja, Hij kan er niets van verliezen, geen ziel noch lichaam, ja, geen schenkel, noch een stukje van een oor van Zijn schapen, gelijk Hij in Amos 3 spreekt. Zo zegt Christus in Joh. 6:39, ja, ook in 1 Kor. 15:23, 24, dat ieder mens zal opgewekt worden in zijn orde en dat daarna het einde zal zijn, wanneer Hij het koninkrijk aan God en de Vader zal overgegeven hebben. Hij geeft over, die Hij overwonnen heeft, geen jongeling noch de verachtste jonge dochter wordt gemist of is verkeerd geteld. Wij voeden dikwijls ongegronde jaloersheden jegens Christus: "o Hij heeft mij vergeten," doch dat geeft te kennen, dat Christus niet getrouw is in Zijn werk en dat de Vader zoveel duizenden aan Zijn bewaring toevertrouwde en dat Hij de grootste helft verloren heeft. Door de Vader aan Christus gegeven te zijn moet insluiten, dat Christus die gegevenen heeft aangenomen en gestorven is voor hen, die Hem zo van de Vader gegeven zijn. Van een andere wijze van geven dan, of door verkiezing van eeuwigheid, of door hen in de tijd bekwaam te maken, om dadelijk te geloven, weet niemand, doch in elk geval worden alle gegevenen (Joh. 6:39) ten uiterste dage opgewekt, en zo moeten alle verlosten of van eeuwigheid zijn uitverkoren, of wel in de tijd geloven en ten uiterste dage worden opgewekt, en dan kan niemand verlost worden, die niet uitverkoren en zalig gemaakt is.

Dr. Moore spreekt in zijn algemene verzoening, pag. 4 en 5, "over tweeërlei verzoening of verlossing, welke Christus in Zijn lichaam, voor mensen, bij God bewerkte. Dit is volmaakt en volkomen uitgevoerd, zodat de Vader in de Zoon Zijn welbehagen heeft (Matth. 3:17) en dit is door bloedstorting teweeggebracht. Er is, zegt hij, een verzoening, verlossing en zaligheid, welke Christus, door de Geest, in de mensen, bij God teweegbrengt, en dat door wassen en besprengen met bloed." Zijn bewijzen zullen wij later horen.

De Belgische Arminianen verklaren de zaak aldus, volgens Remonst. Script. Sinod. ar. 2. Zij zeggen: "De voorafgaande verlossing en verzoening is de bevrediging van de beledigde partij, of zo’n daad of lijden, waardoor de beledigde partij in zoverre voldoening ontvangen heeft, dat Hij gewillig is in gunst en genade tot de belediger terug te keren, en dat het gevolg van deze verzoening is, dat de gunst van God weer verkregen is, dat is, dat de mens in zo’n staat hersteld is, waarin God, zonder krenking van Zijn wraakvorderende rechtvaardigheid en overeenkomstig de genegenheid van Zijn barmhartigheid, Zijn weldaden opnieuw kan en wil bewijzen, en met mensen handelen over Zijn zaligheid, en de voorwaarden, waarop Hij die geven wil, volgens de weg of de wijze welke God goeddunkt, hetzij door een werkverbond; of door een genadeverbond; of door geloof in God of geloof in een engel te gebieden; juist zoals het Hem goeddunkt. En de genegenheid om mensen zalig te maken, welke in God is uit een natuurlijke aandrift, om barmhartig te zijn, breekt als het ware, nu het beletsel is weggenomen, door de voldoening welke Zijn rechtvaardigheid ontvangen heeft, volgens Zijn wet uit, in een volkomen en volledig voornemen van Gods wil, om zalig te maken." Wanneer nu Christus de voorafgaande verlossing volledig uitgewerkt en deze door Zijn dood verkregen heeft, dan kan het echter, zeggen zij, nog zo uitvallen, dat niet één mens zalig wordt.

Wij ontkennen niet deze onderscheiding van een verworven zaligheid, of de verworven verlossing en de toegepaste verlossing, want ook onze Godgeleerden erkennen, dat Christus een Zaligmaker is van verdienste en toepassing, zodat de delen van de onderscheiding verschillend zijn, maar wij ontkennen, dat zij gescheiden zijn; ja, wij ontkennen de onderscheiding, in de Arminiaanse zin:

Omdat Christus, als Verlosser, een betrekkelijk Persoon is, is er een volkomen verlossing in Christus, doch niet voor Christus, maar opdat Hij die verlossing aan Zijn arme broederen zou schenken. Er is een verworven zaligheid in Christus, niet om die als een schat van zilver bij Zichzelf weg te leggen en door het niet gebruiken te laten roesten, maar Christus heeft zoveel hemels en zaligheden, zoveel genade en genadige verlossingen weg te geven, als Hij verworven heeft, en Hij heeft die alle uitgedeeld; Hij is geen schatmeester, die het pensioen van genade en heerlijkheid, dat de Vader en Koning van de Kerk aan Zijn volk heeft toegekend, aan de zondaren onthield. Wat Christus met Zijn bloed kocht, dat deelde Hij uit, en zo bewijzen de plaatsen door Mr. Moor, de Arminiaan, bijgebracht, juist het tegendeel van wat hij beweert, (Joh. 4:42). Hij is de Zaligmaker niet van Zichzelf, om God zalig te maken, en de gerechtigheid en de wet te verlossen, maar de Zaligmaker van de wereld, van arme zondaren, niet alleen van de Joden, maar ook van de Samaritanen en de heidenen. (Jes. 49:6) Ik heb U ook gegeven tot een licht der heidenen, om Mijn heil te zijn tot aan het einde der aarde. Dit is de verborgenheid, die van alle eeuwen is verborgen geweest, dat Christus onder de heidenen zou verkondigd worden (Ef. 3:8, 9) Dit nu is geen magazijn met een schat van verlossing, die besloten moet blijven binnen het hart en de ingewanden van Christus, maar het is de verborgenheid van het Nieuwe Verbond, welke bekend gemaakt zal worden aan de wereld van heidenen, als erfgenamen van dezelfde belofte. Christus verwierf deze erfenis niet om die voor Zichzelf te houden, of zoals Mr. Moor wil, dat Christus (1 Joh. 2) een verzoening is voor de zonden van de gehele wereld, door verzoening van God voor de mensen te verwerven. Hierin is hij ver mis, want die plaats spreekt duidelijk van verzoening voor deze gehele wereld, de Nieuwtestamentische wereld, als ik het zo mag uitdrukken, of van Christus’ nieuwe verovering van de wereld van de heidenen. Zo is Christus de Zaligmaker en de Verlosser van de wereld van de heidenen, in tegenstelling met Mozes en de richters, die heilanden en verlossers van het volk Israëls waren, dat maar een plekje en een gering stukje van de wereld was, in vergelijking van de grote wereld van Christus. God verloste door Mozes Israël, maar nooit de wereld. Zo is Christus ook een verzoening voor de zonden van de gehele wereld, in tegenstelling van de verzoenende offeranden van Aäron en de Levitische priesters, (want daarop zinspeelt hij) die alleen verzoeningen waren voor de zonden van een deeltje van de wereld. Evenals toch de Levitische offeranden alleen in geloof aan de ware God van Israël geofferd werden en anders niet beter waren, dan dat men in een offerande een hond de hals brak, dat een gruwel was, zo waren zij voorbeelden van die Offerande, Die voor de uitverkoren wereld zou geofferd worden, dat is voor een gehele wereld van Joden en heidenen, in vergelijking van het kleine Judea. En volgens welke Schrift is een verzoening voor de zonden van de wereld, welke anders niet is, dan dat Christus een nieuwe macht verkrijgt, om met mensen te onderhandelen, op welke voorwaarden, langs deze of die weg, om geloof, of om goede werken, het Hem het best dunkt de zonden te vergeven, een verlossing van de mensen? Of hoe is het een wegnemen van de zonden van de wereld, een eeuwige verlossing, een lijden van alles, wat de mensen hadden moeten lijden, een dragen van onze zonden op het hout en als een Borg voldoen van de schulden van bankroetiers?

Tegenwerping. Indien Christus de zaligheid niet voor mij verworven heeft, hoe kan ik dan daarin zondigen, dat ik niet op Christus steun om iets, dat een schaduw is, want een zaligheid, die niet voor mij verworven is, is in het geheel geen zaligheid, maar een zuiver niets.

Antwoord. (1) Deze tegenwerping zou krachtig zijn, indien u ten eerste moest geloven, dat voor u, bij name, een zaligheid verworven is, doch zoiets hebt u niet ten eerste en onmiddellijk te geloven, maar alleen, dat Christus machtig is, volkomen zalig te maken allen die tot Hem komen, dat is, allen die geloven, en u, indien u gelooft.

(2) Een zaligheid, door Christus verworven, zonder een krachtig voornemen Gods, die aan elk en een ieder toe te passen, is niet minder een schaduw en een zuiver niets, dan dat de zaligheid voor elk en een ieder verworven is; en dit is evenzeer in het nadeel van de Arminianen als van ons. De zaligheid nu is zeker verworven met een krachtig voornemen in God, die alleen toe te passen aan hen die zalig zullen worden, dat is aan het kleinste deel van de mensen.

(3) Dit zou mij noodzaken, ten eerste het verborgen en krachtdadig welbehagen van God, om mij, bij name, zalig te maken, te geloven, reeds voor ik het Evangelie geloof, dat Jezus Christus gekomen is, om alle gelovigen zalig te maken, dat niet volgens de Evangelie-orde van te geloven is. Dit verwekt in mijn gemoed jaloersheden tegen Christus, of Hij wel uit liefde tot mij stierf en geeft mij voedsel, om te twijfelen of Hij Zijn dood wel aan mij wil toepassen, wanneer ik niet eerst begin met Hem lief te hebben en Christus vrijwillig toe te passen. Zo zou Christus mij slechts onrijpe verlangens te kennen geven, dat Hij mij wil zaligmaken, doch ik zou, omtrent Hem, Zijn verlangens en halve liefde tot mij, door het geloof moeten toepassen, en zo zou de wezenlijkste goedgunstigheid niet aan de zijde van Christus, maar aan mijn zijde beginnen.

Doch zegt mij, volgens welke Schrift een blote macht, om te rechtvaardigen, de zonde te vergeven en zondaren te wassen en te besprengen, en welke bestaan kan met het eeuwig verloren gaan van alle mensen, zoals Moor met de Arminianen op pag. 5 zegt, een eeuwige, volmaakte verlossing, een volmaakte voldoening aan de rechtvaardigheid en aan de wet van God is? Zijn dan niet de zonden van de wereld weggenomen, terwijl zij toch blijven? Heeft Christus niet de zonden van de gehele wereld gedragen, terwijl het toch zo kan uitvallen, dat de gehele wereld haar eigen zonden moet dragen en niemand zalig wordt, ja dat, gelijk het zo is, het grootste deel van de mensen zijn eigen ongerechtigheden draagt, in diezelfde zonden sterft, die Christus werden toegerekend, en de vloeken van de wet ondergaat, welke Christus voor hen ondergaan heeft?

Ja, Mr. Moor zegt, dat dit, dat God de wereld met Zichzelf verzoend heeft, hun zonden hun niet toerekenende, de verzoening bij God is, in het lichaam van Christus, van alle kinderen Adams, hoewel Paulus en David beiden zeggen, dat zij welgelukzalig zijn, aan wie de Heere de zonde niet toerekent. Moor zegt, dat een gehele wereld, aan welke God de zonde niet toerekent, onder de vloek van de tweede dood kan blijven liggen. Het verzoenen van de wereld met God, waarvan Paulus spreekt in 2 Kor. 5, te houden voor de verzoening van Christus, in Zijn lichaam, met God, zoals Mr. Moor doet, is een wonderlijke godgeleerdheid, want het is een verzoenen van God met de mens, in plaat van een verzoenen van de mens met God, en kan niet bedoeld zijn als enkel een verzoening van God in het lichaam van Christus, of als een enkel verkrijgen van verlossing zonder toepassing:

(1) Omdat het bloed van Christus vergeleken wordt bij het bloed van stieren en bokken, dat geofferd werd, om de mensen met God en niet, om God met de mensen te verzoenen.

(2) Omdat van dat bloed gezegd wordt, dat het het geweten heiligt en van dode werken reinigt, om de levende God te dienen, dat niet van God kan gezegd worden, maar duidelijk vaststelt, dat Christus, zichzelf aan God door de eeuwige Geest onstraffelijk opgeofferd hebbende, hen, voor wie Hij Zich opofferde, niet eeuwig kan laten verloren gaan, zoals Moor op pag. 5 zegt, maar dat hun gewetens door dit bloed gereinigd worden van dode werken, om de levende God te dienen.

1 Petr. 2:24 bewijst ook niet, dat Christus, op het hout, de zonden droeg van velen, die niet werkelijk door Zijn dood worden zaliggemaakt. Deze plaats zegt juist het tegendeel en niets dat er op lijkt, dat te Heere de ongerechtigheden van elk mens op Christus gelegd heeft.

Petrus beperkt het tot de gelovigen, uitverkoren naar de voorkennis van God de Vader, in de heiligmaking des Geestes, — wedergeboren tot een levende hoop — die in de kracht Gods bewaard worden, door het geloof, tot de zaligheid (1 Petr. 1:2—5). Het heeft er geen zweem van, dat Christus van alle kinderen van Adam of van al de heidenen spreekt, als hij zegt, dat Christus onze zonden gedragen heeft. Welke toch zijn die? De zonden van hen, die geroepen zijn, geduldig te verdragen als zij weldoen, aan wie een voorbeeld van geduldig lijden is nagelaten, opdat zij Christus zouden navolgen, Die, wanneer Hij gescholden werd, niet weder schold. Nu dan, is dit het geduldig verdragen van Indianen en Tartaren, naar het voorbeeld van Christus, aan wie zelfs de Naam van Christus nooit op enigerlei wijze ter oren kwam, zodat zij een gedachte van Hem zouden kunnen vormen?

Zij, welken hun zonden Christus in Zijn lichaam op het hout gedragen heeft, zijn degenen, die door Christus’ striemen genezen zijn, die bekeerd zijn tot de Herder en Opziener van hun zielen, die van de zonden afgestorven zijn door de dood van Christus, Die hun zonden gedragen heeft, opdat zij der gerechtigheid leven zouden (vs. 24, 25). Deze zijn de allen, waarvan Jesaja spreekt, als hij zegt: (Jes. 53:6) "De Heere heeft onzer aller ongerechtigheid op Hem doen aanlopen", dat is, als wij de Arminianen geloven mogen, van geheel Moab, Ammon, Egypte, al de Filistijnen, Chaldeeën, Moren, ja van alle kinderen Adams, die nooit van Christus hoorden. Het duizendste deel toch van Adams kinderen heeft nooit van Christus gehoord, en dan zijn zij niet verplicht in Hem te geloven, van Wie zij nooit gehoord hebben, ook is het hun zonde niet, dat zij niet in Hem geloven (Rom. 10:14; Joh. 15:22); dan zijn zij ook niet verplicht, omdat zij door Christus’ dood aan de zonden afgestorven zijn, voor de gerechtigheid te leven, want zij hebben nooit van de dood van Christus gehoord. Nog veel minder zijn alle kinderen van Adam door Christus’ striemen genezen, en bekeerd tot de Herder en Opziener van de zielen, noch was de kastijding van al de heidenen, vrede door Christus.

Jesaja verklaart wie die allen [Hebr. kol) zijn, van welken de ongerechtigheden op Christus gelegd zijn (vs. 18), "om de overtreding Mijns volks is de plaag op Hem geweest en (vs. 123 Hij veler zonden gedragen heeft". Zo ook Matth. 20:28 en 26:28, "Het bloed, dat voor velen vergoten wordt, en Hij heeft voor zondaren gebeden." Wat? Wordt Hij geslagen voor alle heidenen? Is Hij voor alle kinderen Adams als Hogepriester ingegaan in het Heilige van de Heilige, om te bidden en een Voorspraak te zijn voor zulken als Cicero, Regulus, Scipio, Cato, Farao, Kaïn, Judas en Juliaan? Indien Hij hun ongerechtigheden gedragen heeft, dan moet Hij ook hun afval en hun volharden in het ongeloof gedragen hebben. Of is Hij een Voorbidder voor een ieder van de mensenkinderen? (1 Joh. 1:2 vergeleken met 1 Joh. 1:6—10 en Hebr. 9). Hij verschijnt voor ons, (vs. 24) voor degenen, die besprengd zijn (vs. 13—17) en die Hem ten andere male verwachten (vs. 28). Hij bidt voor degenen, die door Hem tot God komen (Hebr. 7:25), en die een grote Priester over het Huis Gods hebben (Hebr. 10:20—22). Al deze en vele andere plaatsen tonen duidelijk het tegendeel. De verlossing, die in Jezus Christus is (Rom. 3:24) is geen verlossing, die in Christus opgesloten had kunnen blijven, om God met Hem te verzoenen, en die bestaan kon met het tenslotte geheel en volkomen verloren gaan van alle mensen.

Wij zijn door deze verlossing gerechtvaardigd en niet door de werken van de wet.

(vs. 25) God stelt deze Verlosser, Christus, voor tot een verzoening door het geloof in Zijn bloed.

Opdat Christus zou blijken de Rechtvaardiger van de goddeloze te zijn; (vs. 26, 27) alle roem zou worden uitgesloten door de wet van het geloof, en God zou blijken de God beiden van Joden en heidenen te zijn (vs. 30, 31). Het was dus nooit Gods voornemen, een verzoening op te sluiten binnen de Vader en de Zoon, en onze hemel aan zo’n dood en koud toeval over te laten, als het beleid van de onpartijdige vrije wil is, zodat het, als het de mens behaagde, zo kon uitvallen, dat de Borg, Christus, gestorven is en nochtans al Zijn arme bankroete vrienden eeuwig zouden moeten sterven en ook de tweede dood ondergaan.

De Arminianen verdraaien het Evangelie in de treurigste en bloedigste koop, die ooit gesloten is, en nochtans maken de nieuwe, Engelse Arminianen het nog erger dan hun vaderen, want zij zeggen, dat die noch het Evangelie van de genade, noch Christus prediken, die hun algemene verzoening niet nog grover prediken dan ooit de Arminianen deden, want die durfden nooit zeggen, dat Christus plaatsvervangend & loco omnium & singulorem, sed tantum in bonum eorum stierf; Hij stierf, zeiden zij, niet voor de persoon en in de plaats van het gehele menselijk geslacht, maar alleen hun ten goede, zoals Socinus hun onderwees. Mr. Moor zegt echter rechtuit, pag. 3, dat, hoewel de Arminianen niet durfden zeggen, dat Christus voor allen en niet alleen voor de gelovigen stierf en opstond, en als Hogepriester en Voorspraak pleit, Hij wel degelijk voor allen uit de doden opstond, en ons van al onze zonden vrijspreekt (pag. 4).

2 Kor. 5:14, 15 bewijst ook geen verzoening van allen in God, zoals Mr. Moor droomt.

De allen voor wie Christus gestorven is, bedoeld in die woorden: "Indien één voor allen gestorven is, zij dan allen gestorven zijn", moeten om generlei reden in aantal gelijk zijn aan allen, die in de eerste Adam gestorven zijn. De tekst geeft ook niet de minste reden, om "allen", die werkelijk in Christus levend gemaakt zijn en niet meer voor zichzelf zouden leven, maar voor Christus, in aantal gelijk te stellen met allen, die in Adam gestorven zijn.

God toch gaf Christus niet, om voor de heidenen te sterven, die nooit van Christus zouden horen, opdat zij voor Christus zouden leven.

Deze woorden: &qu