zondaren tot Zich trekkende
– of –
een beschouwing van onze Zaligmaker in Zijn zielelijden, Zijn liefelijkheid in Zijn dood en wat die hebben teweeggebracht,
– door –
Samuel Rutherford,
Evangeliedienaar en Professor in de Godgeleerdheid aan de Universiteit te St. Andrews in Schotland.
Spr. 30:4. Hoe is Zijn Naam, en hoe is de Naam Zijns Zoons, zo gij het weet?
Jesaja 53:8. Hij is uit den angst en uit het gericht weggenomen; en wie zal Zijn leeftijd uitspreken?
tweede deel
Inhoud
Punt II
*Punt III
*Punt 4
*Artikel V
*Artikel V
*Mr. Town’ s verdediging van de genade tegen Mr. Taylor
*
Joh. 12:32. En Ik, zo wanneer Ik van de aarde zal verhoogd zijn, zal hen allen tot Mij trekken.
Wat wij nu te overwegen hebben is "de Persoon, Die trekt." "Ik," zegt Christus,"zal ze allen tot Mij trekken."
Er is een bijzondere geschiktheid in Jezus Christus, om zondaren tot Zich te trekken.
1. Wat Zijn Persoon betreft is Hij geschikt, want noch de Vader, noch de Heilige Geest is persoonlijk de Verlosser, maar Christus. Gelijk de diepte van Gods wijsheid de Zoon het geschiktst achtte, ons tot zonen te maken (Gal. 4:4) en Erfgenaam te zijn, om het recht van erven aan de naaste bloedverwanten, aan Zijn broederen mee te delen, teneinde hen mede-erfgenamen met Hem te maken, zo ook is Christus een geschikt Persoon, als de Heere, de Zaligmaker, om gevangenen te bevrijden, en hen te trekken tot de staat van het kindschap; waarmee ik, zo sprekende, de twee andere Personen niet uitsluit, want (Joh. 6:44) de Vader trekt tot de Zoon, en de Geest van de genade werkt bijzonder in het werk van de bekering, doch Christus is persoonlijk aangemerkt gesteld, om zondaren te trekken. God werkt en voert al de staatsbesluiten van de hemel uit door Christus. (Hebr. 2:10) Hij brengt of leidt vele kinderen tot de heerlijkheid.
2. Christus is krachtens Zijn ambt een verzamelend en verenigend Middelaar. (Kol. 1:29) Hij maakt hemel en aarde één. Hij is onze Vrede, Die deze beide één gemaakt heeft (Ef. 2:14); de Herder, Die de kinderen Gods tot één vergadert (Joh. 11:52). Hij maakt door de verdienste van Zijn bloed zondaren wettelijk één met God. Hij is Immanuël, God met ons, geschikt, om ons te trekken, zodat wij in een wettelijke vereniging met God komen. Wij waren uit het Paradijs verbannen; de Zoon werd krachtens Zijn ambt gezonden om de wettelijk verbannen kinderen weer terug te brengen.
3. God gaf, in zekere zin, in Christus Zijn medelijden, ontferming en vriendelijkheid aan zondaren, en Christus heeft in Zijn natuur en krachtens Zijn ambt de oneindige toorn gestild en de rechtvaardigheid voldaan. God is, om zo te zeggen, nergens zo barmhartig, genadig, vriendelijk en mededogend, en zo’n Zee van liefde voor zondaren, als in de Heere Jezus. O, Hij is zo’n allerbeminnelijkst, begeerlijk, medelijdend God in Christus. De zondaar vindt alles, wat God in Zich kan hebben of doen tot de zaligheid, in de Middelaar Christus. Niets kan de zondaar uit God ontvangen dan door Christus. Er is geen gouden pijp of kanaal buiten Hem Al wat God is, de gehele God is in Christus, en in Hem mededeelbaar aan het schepsel. Werd God gezien in Zijn beminnelijkheid, Zijn schoonheid zou als sterke koorden en ketenen zijn, machtig, om de hel in de hemel op te trekken. Liefde, genade, ontferming, zijn verbindende en verenigende eigenschappen in God. Hoewel nu deze zelfde wezenlijke eigenschappen, die in één Persoon zijn, in alle drie de Personen zijn, toch is de bemiddelings-openbaring van liefde, genade en vrije ontferming alleen in de Zoon, zodat Christus het Schathuis, de Stapelplaats, het Magazijn van de vrije goedheid en ontferming van de Godheid is. Evenals de zee een verzameling van wateren is, zo is Christus een samenvloeiing van deze beminnelijke en trekkende eigenschappen, die in de Godheid zijn. Christus is het Aangezicht van God. (2 Kor. 4:6) De schoonheid en beminnelijkheid van de persoon, veel van de majesteit en heerlijkheid van de mens ligt in het aangezicht. Nu, de schoonheid en de majesteit en de heerlijkheid Gods is in Christus geopenbaard. (Hebr. 1:3) Christus is het afschijnsel Zijner heerlijkheid. De Vader is, als het ware, geheel Zon, geheel Parel; de Zoon, Christus, is het zelfstandig Licht, de Glans, de eeuwige en wezenlijke uitstraling van deze Zon van de heerlijkheid. De heerlijkheid van de Zon is aan de wereld geopenbaard in het licht en de stralen, welke zij uitzendt in de wereld. Indien de zon haar stralen en haar licht in zich besloten hield, zouden wij niets van haar schoonheid en heerlijkheid zien. Mens noch engel zou iets van God kunnen zien, indien God niet door een eeuwige generatie een mede-zelfstandige Zoon uit Zich had doen geboren worden. Christus is de uitstraling, de luister en de glans, doch de medezelfstandige glans van de oneindige Parel, en Hij is het Beeld van God, evenals het gezegelde van het zegel en als de vleesgeworden God openbaart Hij de uitnemendheid, heerlijkheid en schoonheid van God. De parel is een trekkend en aanlokkelijk schepsel, wegens haar glanzende schoonheid en zo is Christus de trekkende beminnelijkheid Gods. Men kan de schoonheid van de schepselen of van het aangezicht van de mens niet zien, zonder het schepsel en de mens te zien. Zo zegt Christus tot Filippus: (Joh. 14:9) "Die Mij gezien heeft, heeft de Vader gezien;" Ik ben de Vader zo gelijk, als God Zichzelf gelijkt; er is een volmaakte, onzichtbare, wezenlijke eenheid tussen de Vader en Mij. Ik en de Vader zijn één, één en dezelfde God; Hij is "Die-geboren-heeft". Ik ben "de Geborene". Zo heeft God al Zijn schoonheid, beminnelijkheid en trekkende kracht in Christus, de Zeilsteen van de hemel opgelegd en verpand. Hij is de zelfstandige Roos, Die van eeuwigheid uit de Vader ontspruit. De wijsheid van de mens verlicht zijn aangezicht. Wijsheid is een aangename, beminnelijke en aanlokkelijke schoonheid. Christus nu is de wezenlijke Wijsheid Gods. Waren uw ogen maar eens geboeid aan die liefelijke, beminnelijke Christus, die ongeschapen gouden Ark, die eeuwige oneindige Bloem, die Lelie, die ontsproten is uit het wezen en de schone natuur van God, met Zijn eeuwige oneindige frisheid, schoonheid, geur en sterkte, en Zijn onvergankelijk leven, die wezenlijke Wijsheid en dat zelfstandige Woord, Die met het hoogste verstand begiftigd, geboren is uit het oneindige verstand van God; ik zeg, indien uw ogen maar eens op Hem gevestigd waren in een gezicht van heerlijkheid, het zou onmogelijk zijn, uw ogen weer van Hem af te wenden; er zouden zulke trekkende stralen en zichtbare lijnen van beminnelijke schoonheid en heerlijkheid, zulke pijlen en liefdeschichten, van Zijn aangezicht tot uw oog komen en door die geschapen vensters in het verstand, het hart en de genegenheden schieten, dat u tot in alle eeuwigheid een gevangene van de heerlijkheid zoudt zijn. (Ps. 16:11.) Verzadiging der vreugden is bij Uw aangezicht. (Openb. 22:4.) Zij zullen Zijn aangezicht zien, — het is een Koningsaangezicht en een koninklijke eer, het te zien, — (vs. 5) en zij zullen als koningen heersen in alle eeuwigheid.
4. Zijn hart klopt ook zo teer, met zo’n vurige liefde en zo’n volheid van vrije genade; het is zo ruim, zo teer, Hij heeft zulke uitgebreide ingewanden van ontferming en mededogen over zondaren, dat Hij Zijn ontferming wilde betonen in een gestalte van leem aan te nemen, om op een gepaste wijze krachtig op zondaren te kunnen werken en hen, een grote, ruime handvol, ja armen vol zondaren te trekken. Hij wilde om onzentwil een mens worden, om alle organen deelachtig te worden, geschikt om zondaren liefelijk tot Zich te trekken: een mensenhart, om mensenliefde hebben; menseningewanden, om over mensen bewogen te zijn; mensenhanden, om het onreine vel van melaatsen aan te raken; een mensenmond en -tong, om voor mensen te bidden en in onze natuur het eeuwig Evangelie te verkondigen; mensenbenen, om de goede Herder te zijn, Die over bergen en door woestijnen gaat, om verloren schapen te zoeken en zalig te maken; een mensenziel, om voor mensen te zuchten en te kermen; mensenogen, om over zondaren te wenen en een menselijke natuur, om Zijn leven af te leggen voor Zijn arme vrienden. Hij wilde een geschapen lemen hut van vrije genade zijn, een magazijn en werkplaats van mededogen met ons; Hij wilde gebruik maken van de baarmoeder van een zondares, om geboren te worden; de borsten zuigen van een vrouw, die een Zaligmaker nodig had, en eten en drinken met zondaren en tollenaars. Hij kwam, om verloren zondaren te zoeken en zalig te maken; werd met zondaren gerekend; stierf tussen twee zondaren; Zijn graf werd bij de goddelozen gesteld; (Jes. 53:9) Hij liet Zich in het graf van een zondaar begraven. En nu, nu Hij in de hemel is, verbreekt Hij de oude betrekking met zondaren niet, de eer heeft Hem niet veranderd, zodat Hij Zijn oude vrienden zou vergeten hebben. (Hebr. 4:15.) Want wij hebben geen Hogepriester, Die niet kan medelijden hebben met onze zwakheden, maar Die, in alle dingen, gelijk als wij, is verzocht geweest, doch zonder zonde. Christus kan nu niet zuchten, maar Hij kan gevoelen, wat zuchten is; Hij kan nu niet wenen, maar Hij heeft een mensenhart, om medelijden te hebben met ons wenen, op zo’n wijze als gepast is in Zijn verheerlijkte staat. Het Hoofd is in de hemel, maar Hij heeft Zijn hart aan de zondaren op aarde niet onttrokken. Niets kan Christus dierbaarder zijn dan de Heilige Geest en Hij heeft die Trooster, de Geest gezonden, om bij ons te blijven.
1e Gebruik. O, dat mensen wilden komen, om ia deze Ark te zien, en dat Christus het gordijn beliefde weg te schuiven! Hoort, hoe Hij roept tot de steden van Juda; (Jes. 40:9) Ziet, hier is uw God, (Jes. 65:1) en tot het volk, dat naar Mijn Naam niet geroemd was: Ziet hier ben Ik, ziet hier ben Ik. De verdubbeling van het woord geeft te kennen, dat Christus Zijn schoonheid begeert te ontdekken; zal uw huis en uw vijf juk ossen u van Hem afhouden? De mensen willen niet tot Hem getrokken worden, om voldoening te vinden voor hun liefde.
2e Gebruik. Is Christus een trekkende en een verenigende Geest, dan moesten allen, die in Christus zijn, verenigd zijn. Zeker de verdeeldheden, die nu in ons land zijn, kunnen niet van God zijn. De wolf en de goede Herder, staan in dit punt recht tegenover elkaar. De goede Herder begeert, Zijn kudde bijeen te vergaderen en haar zalig te maken, opdat zij weide vindt, en de kudde behouden wordt; de wolf verstrooit de kudde, of indien hij wil, dat de kudde bijeenvergaderd wordt, dan is het, opdat zij vernield zou kunnen worden. Het moest overwogen worden, of een bloedig voornemen van twee Protestante koninkrijken, om krijg te voeren tot vleselijk doeleinden, en op onnatuurlijke en ongegronde naijver, wel uit een verenigende Geest voortvloeit, en niet eerder uit hem is, die een moordenaar is van de beginne.
3e Gebruik. Joden en Turken en beschaafde mensen, die maar zedelijke heidenen zijn, zijn niet in Christus, en kunnen geen gemeenschap met God hebben, noch tot Christus getrokken worden, omdat niemand in een betrekking van liefde tot God kan staan, die God niet ziet als aan de ziel ontdekt en beminnelijk gemaakt in Christus. Zedelijke beschaving en farizeese heiligheid is een van de meest de-hemel-gelijkende en schoonschijnende wegen naar de hel, die de Satan kan uitdenken. Vele zedelijke mensen gaan door diefstal naar de hel. Satan drijft met openlijk geweld de profane en openbaar goddeloze mensen ten verderve, maar hij steelt miljoenen beschaafde heiligen naar de hel, brave gehuwde mensen, die een ruim bestaan in de wereld hebben, van welken de klederen zo wit zijn, alsof zij heiligen waren, omdat zij beschaafd en zedelijk rein zijn, overeenkomstig de letter van de tweede tafel van de wet, doch, die niet wedergeboren zijn en daarom het koninkrijk Gods niet kunnen zien. De meeste mensen bedriegen zich met zich te houden aan de religie en de zeden van het land, waarin zij wonen, die maar beschaafde, brave Antichristen zijn, loochenende, dat er enigerlei noodzakelijkheid is, dat Christus in het vlees zou komen, om voor zondaren te sterven, want zij leven braaf voor zondaren, en redden zichzelf, en zien niet op naar Christus, om de hemel, doding van zonde of geloof.
Joh. 12:32. En Ik, zo wanneer Ik van de aarde zal verhoogd zijn, zal ze allen tot Mij trekken.
Dit trekken van zondaren tot Christus is gegrond op de dood van Christus aan het kruis, en Zijn sterven aan het kruis is een daad van uiterste en hoogste liefde. (Joh. 3:16; Joh. 15:13; 1 Joh. 4:9, 10.) Laat ons daarom nog wat verder overwegen, welke trekkende en lokkende macht in de liefde Gods is, en hoe wij tot de zoete vrucht van het krachtigst trekken van Christus zullen komen. Hiertoe zullen wij overwegen:
1e De openbaring van de trekkende beminnelijkheid van Christus’ sterven.
2e De volheid van deze beminnelijkheid.
Wat het eerste betreft: Christus openbaart Zich aan ons, wij kunnen Hem niet eerst ontdekken. Dit bestaat in twee handelingen.
Christus opent het verstand (Luk. 24:45) en het hart (Hand. 16:14); Hij neemt het deksel weg, dat op het hart ligt (2 Kor. 3:15, 16) en maakt de middenstof, de lucht als het ware, dun, helder en doorzichtig, evenals wanneer de zon de nachtschaduwen en de dikke wolken verdrijft, zodat de Sleutel Davids, Die opent en niemand sluit (Openb. 3:7), de deur opent en het zegel wegneemt, dat de zonde van de eerste Adam op het hart gebracht heeft. (Joh. 14:21) Die Mij liefheeft, zal van Mijn Vader geliefd worden, en Ik zal Hem liefhebben, en Ik zal Mijzelf aan hem openbaren. Christus kan de Vader tonen. De Heere Jezus komt, als het ware, op uit de diepte en de Oceaan van de heerlijkheid, en de elpenbenen kamer, en de Zoon van God openbaart de Zoon van God, gelijk blijkt uit Gal. 1:12 verg. met vs. 15 en 16. Hij zou niet zeggen: "Ziet hier ben Ik, ziet hier ben Ik," (Jes. 65:1) als Hij Zich met een dikke wolk wilde bedekken en Zich verbergen, en Hij niet voornemens was, Zijn heerlijkheid te openbaren en Zichzelf, de Koning in Zijn schoonheid (Jes. 33:17), al Zijn beminnelijkheid, de verborgenheden van Zijn liefde, de blos, het blank en rood, de bevalligheid van Zijn aangezicht te tonen (Hoogl. 5:10). Ook zou de bruid dan niet bidden om een middaggezicht van Christus (Hoogl. 1:7), indien Hij Zich niet in de beminnelijkheid van Zijn schoonheid kon doen zien. Christus maakt dus de reuk van Zijn kennis openbaar door de bediening van het Evangelie (2 Kor. 2:14), wanneer Hij voor de ziel de geur van de mirre, van de aloë en van al de liefelijke oliën van Zijn dood en van Zijn wonden van Zich doet uitgaan, zodat de ziel de appelen der liefde ziet, ruikt en proeft, in het geloof van ontferming, vrije genade, voldaan zijnde gerechtigheid, met rechtvaardigheid verzoend zijnde vrede en verworven verlossing in Zijn bloed; en Hij staat achter de muur van ons vlees, daarom "onze muur" genaamd. (Hoogl. 2:9) Ziet, Hij staat achter onze muur, of, ziet, dat Hij achter onze muur staat, kijkende uit de vensters, blinkende uit de tralies, of, (Eng. Vert.) Hij ziet uit het venster, Zich vertonende, [Hebr. mezijz] Zich ontdekkende door de tralies. Dit is echter geen volmaakt gezicht van God, dat, zoals de schrijver van de Bright Star of "Heldere Ster" droomt, in dit leven bereikbaar is. Ik kan een mens veel duidelijker in het veld en in het volle licht zien, dan wanneer hij door het traliewerk van een venster ziet, en dan nog wel een venster achter een muur, want zo alleen kunnen wij in dit leven Christus zien.
De volmaaktheid van de beminnelijkheid bestaat hierin, (1) dat er geen vlek in de gekruiste Christus is, wanneer Hij geestelijk gezien wordt; Hij is onbestraffelijk, onbevlekt, zonder gebrek, om een eeuwige, oneindige verlossing en een volstrekte gerechtigheid teweeg te brengen, en meer kan, zelfs niet door God, vereist worden. (2) In Hem is niets waaraan het begerend vermogen en de eetlust zich kan stoten. Paulus’ eindbesluit, zijn laatst beslissend oordeel en zijn weldoordacht besluit en voornemen was, niets te weten dan Jezus Christus en Die gekruisigd (1 Kor. 2:2). De schoonheid van Christus kan alle hoeken en de holligheid van de uitgebreide begeerten van de ziel vervullen. (3) In Efeze 3 wordt over een dadelijke volheid Gods gesproken, Paulus, biddende, dat de Efeziërs de grote liefde Gods mochten begrijpen, zegt: (vs. 19) Opdat gij moogt (be)kennen de liefde van Christus, die de kennis te boven gaat, opdat u vervuld wordt tot al de volheid Gods. Dit is een verzadigende volheid en het is een wonderlijke uitdrukking. Vervuld te worden met God moet een zielsverlustigende vervulling zijn, maar vervuld te worden met de volheid Gods is meer, want in God is een onuitsprekelijke volheid, doch het wordt nog krachtiger uitgedrukt: opdat gij vervuld wordt tot (Eng. met) al de volheid Gods.
Over deze volheid, 1e een woord over de mate ervan; 2e over de middelen daartoe en 3e over de algenoegzaamheid van die volheid in soort en natuur.
Randall zegt in de brief voor zijn verhandeling, "De Heldere Ster" getiteld: "Daarom heb ik gelet op de altijd te bejammeren onbedrevenheid van vele vernuftige geesten, die, door het beleid van anderen en door hun eigen zedigheid en roekeloosheid, zichzelf buiten de weg gesloten hebben, om de top en het hoogste punt van rust en volmaaktheid te bereiken, door dat als onbereikbaar voor te stellen, en de mogelijkheid af te snijden met een, "non datur ultra", en zo zijn zij zulken geworden, die "altijd leren en nimmermeer tot kennis der waarheid kunnen komen." Doch wat de mate betreft, die is waarlijk niet, zoals Antinomianen en Familisten dromen, in dit leven volmaakt en volkomen.
1. Omdat de liefde en volmaaktheid van de gelovigen in overeenstemming is met de wijze en de mate van de openbaring en van de kennis van Christus. Deze waarheid is op zichzelf niet te loochenen, en wordt ook door de schrijver van de "Bright Star" toegestaan, hfdst. 5 pag. 52. De ziel toch neemt in liefde de uitnemendheid en trekkende schoonheid van Christus op, door de poort en het oog van de kennis. Wij kennen echter slechts ten dele (1 Kor. 13:9) en wij profeteren ten dele.
2. Paulus verwerpt de mogelijkheid van volmaaktheid, zeggende, dat wij eerst op weg en op reis zijn, om er toe te komen. (Filip. 3:12) "Niet, dat ik het reeds gekregen heb, of reeds volmaakt ben, maar ik jaag daar naar, of ik het ook grijpen mocht, waartoe ik van Christus Jezus ook gegrepen ben. Deze volmaaktheid, waarvan Paulus belijdt, dat hij die mist, is ook in strijd met zijn jagen naar het wit tot de prijs van de roeping Gods, die van boven is in Christus Jezus. (Hebr. 11:40)
3. Volmaaktheid zoals wij die in de hemel verwachten, is niet vatbaar voor enigerlei toevoeging van genade of vermeerdering van heerlijkheid. Daar wordt men ook niet, zoals hier op onze weg naar dat Land uitdrukkelijk geschiedt, vermaand, op te wassen in de genade en kennis van onze Heeren en Zaligmakers, Jezus Christus; (2 Petr. 3:18) en onze loopbaan tot de einde toe te lopen, (Hebr. 12:1) en tot de volmaaktheid voort te varen (Hebr. 6:1). Weliswaar worden onze goede werken gewassen in de Fontein, Die geopend is voor het huis Davids, waarin onze personen gewassen zijn, doch dat wassen neemt wel de zondeschuld en de verbintenis aan de wet weg, maar niet de inklevende smet en de zondige onvolmaaktheid van onze werken, zodat die er volmaakt door worden. Dan toch zouden wij uit onze goede werken gerechtvaardigd worden, indien het bloed van Christus uitwerkte, dat zij niet langer zonden waren; doch dat bloed verhindert alleen, dat zij ons toegerekend worden, maar het neemt niet, zoals de Antinomianen stellen, hun zondige onvolmaaktheden weg, zodat wij daardoor in dit leven volmaakt worden. Ook verleent dat broed niet, gelijk de Roomsen stellen, een verdienende waardigheid en kracht aan onze werken, zodat wij gerechtvaardigd worden uit de werken, die vlekkeloos en verdienstelijk gemaakt zijn door het bloed en de verdiensten van Christus. God heeft de weg naar de hemel zo uitgedrukt en omschreven, dat al de meest bovennatuurlijke daden, zelfs die, welke onmiddellijk aan het gezicht van de heerlijkheid grenzen, een pas van vergevende genade nodig hebben. Te geloven, dat Christus’ genade in ons zal werken, dat wij werken doen, die vrij zijn van zonde, is geen geloof. Dan zouden wij moeten geloven in de vergeving van de zonden, die zulke werken aankleven, eer die werken gedaan worden, en niet in heiligmakende genade, om die zonden te schuwen. Het komt mij voor als een ongelovig murmureren, dat men terneergebogen zou zijn over deze zonden, wanneer men zich inbeeldt, die wel te kunnen vlieden, of omdat ons heiligende genade ontbreekt, om ze te laten, aangezien toch onzondige daden geen genade nodig hebben. Ook sluit het opwassen in de genade, waartoe wij door plicht of gebod geroepen zijn, de weg niet toe om de reis voort te zetten naar de volmaaktheid en naar de hemel, noch snijdt het onze voortgang naar de hemel af, omdat de hemel onbereikbaar is in dit leven, maar integendeel, indien volmaaktheid in dit leven bereikbaar was, dan kon de mens, die tot die hoogte komt, daar gaan neerzitten, en uitrusten, en geen stap verder zetten, want waar toch zou hij heengaan, of hij moest verder gaan dan de kroon en de hemel, en Christus aan de rechterhand Gods voorbijtrekken? En zij "die altijd leren, en nimmermeer tot kennis van de waarheid kunnen komen" zijn (2 Tim. 3:5) meer liefhebbers der wellusten dan liefhebbers Gods, van wie wij een afkeer moeten hebben, want zij hebben een gedaante van godzaligheid, maar hebben de kracht ervan verloochend, en worden door menigerlei begeerlijkheden gedreven, en zij hebben geen voetstap gezet op de weg van de zaligmakende kennis van de waarheid, waarvan Paulus spreekt, en zij zijn niet de waarlijk wedergeborenen, die met Paulus en de Schrift getuigen, dat onze hoogste volmaaktheid is, te jagen en te streven naar het hoogste toppunt van volmaaktheid, ja naar die volmaaktheid, welke aan de andere zijde van de tijd is.
4. Zij, die volmaakt zijn, gelijk wij dat in de hemel hopen te zijn, weiden niet met de liefste onder de leliën, totdat die dag aankomt, en de schaduwen vlieden, maar de volmaakte, de bruid van Christus, weidt zo in de instellingen van de Kerk (Hoogl. 2:17). De volmaakten hebben de volle hoogte van de Middagzon van de heerlijkheid; nooit zal het voor hen namiddag, of avond of schemer zijn; nooit zal enigerlei nachtschaduw noch wolk hun Zon verdonkeren.
5. In het koninkrijk van de volmaaktheid zal geen inwoning van een lichaam der zonde, geen zonde, geen onreinheid van hart, geen afkeren van de liefde en lust van de ziel van God zijn, doch in dit leven zondigen de volmaaktsten, en dragen een inwonend lichaam van de zonde met zich om (Spr. 20:9; Hoogl. 7:20) Job zegt, (hfdst. 14:4) dat de volmaakste, die kinderen gewinnen, onrein zijn. (Rom. 7:17—23; 1 Joh. 1:8—10 1 Joh. 2:1) Allen, die een Hogepriester aan de rechterhand van God nodig hebben, om voor hen tussen te treden, hebben zonde, en zijn in zoverre onvolmaakt, gelijk alle heiligen zijn. (Hebr. 7:25; 4:15; 1:17, 18; 8:1—3 en 9:23—26; 1 Kor. 13:8.) De liefde vergaat nimmermeer. Daar drinkt de ziel overvloediglijk en is tot verzadiging toe vol, zodat het vat niet meer van God kan bevatten, en veranderd zijnde in de zee van alles te boven gaand licht en van de hoogste liefde, verliest zij zich, als het ware, in de diepe Fontein van enkel licht en onmetelijke liefde. De ziel en de liefde van het schepsel zetelen, ademen en rusten daar in de boezem, in het hart, in de ingewanden van Hem, Die een oneindige samenvatting van liefde is; zij is omwonden met de zoete stromen, honingbeken, en overvloeiende golven en rivieren van zuivere en onvermengde blijdschap; zij slaapt en verkwikt zich in de zuivere omhelzingen van de heerlijkheid, die tot in alle eeuwigheid glanst, schittert en fonkelt uit Christus, die uitermate verhoogd is boven alle hemelen, overheden en machten. Daar zijn de zielen veraangenaamd, meer dan veraangenaamd, oververkwikt door het middaglicht van de heerlijkheid van de Bruidegom, dat de liefelijkste volmaaktheden van de Morgenzon in zich bevat. Zij vliegen met duivenvleugelen in schoonheid, het Lam na; nooit missen zij de dadelijke beademingen van de Geest van de heerlijkheid; nooit kunnen zij genoeg hebben van de kuise genieting van de heerlijke Vorst Immanuël, en nooit missen zij Zijn volle innigste tegenwoordigheid. Zij zuigen de honing, de stromen van de melk van eeuwige vertroostingen, en alle holle begeerten zijn gevuld, en alsof de ziel geen bodem had, zuigen zij altijd weer opnieuw, de gehele eeuwigheid door. Zo iets is hier in dit leven niet. De gekruiste Christus draagt echter aan het kruis de belofte en de volkomen verwerving van dit leven in Zijn boezem, en stelt die zondaren voor, om hen te trekken.
6. Wij zijn nog niet gekomen tot de opstanding van onze lichamen, maar dragen nog zulke klompen dood met ons om, welke tot spijze van de wormen zullen worden en er is een zaad van allerlei krankheden in onze lemen tabernakels. In de staat van volmaaktheid, wanneer het lichaam meer van nature met onsterfelijkheid bekleed zal zijn, zijn wij daarvoor even onvatbaar, als de meest frisse en de heerlijkste rozen of bloemen, waarvan wij ons kunnen indenken, dat zij altijd vers en fris en schoon bloeien in zo’n vruchtbare grond als die velden zijn, welke aan de oevers liggen van de Rivier des Levens, waaruit zij haar sappen trekken.
7. Wij zijn hier de inbreuk, of ten minste de verzoekingen van duivelen en mensen geen meester.
8. Volmaaktheid behoort tot de algemene vergadering van alle kinderen Sions; op aarde is het hemels geslacht nooit samenvergaderd, maar in plaats, land en staat gescheiden. Sommigen zijn geboren, anderen nog niet geboren; sommigen waken en anderen slapen in het stof; sommigen zijn in hun Land en anderen nog op reis daarheen.
9. In dat land van volmaaktheid is geen tempel, noch ook zijn daar kerkelijke instellingen. (Openb. 21:22; 1 Kor.13:8.)
10. Hier is geen engelen-leven zonder eten en drinken, huwen en het gewinnen van kinderen (Luk. 22:29, 30; Mark. 12:25). Leem kan, daar het aards blijft, zich niet opheffen, om boven de wolken en de zichtbare hemelen te leven, zolang niet dit verderfelijke de onverderfelijkheid zal hebben aangedaan. (1 Kor. 15.)
Wat nu de middelen betreft, om tot deze volheid te geraken, zijn ons in dit leven geen andere bekend en geopenbaard dan de Schrift en het geloof; het ene van buiten en uitwendig, het andere van binnen. Hieronder begrijp ik alle goddelijke, kerkelijke instellingen. De Familisten, met verwerping van de Schrift, welke zij een menselijke vinding, die uit inkt en letters bestaat, noemen, roepen hun volmaakten af van alle werkzaamheid, bidden en horen van het Woord, ja van het kennen, bevatten en willen, tot een zuiver, lijdelijk rusten in God, wijl God, als hun Vorm en Geest hen onmiddellijk bewerkt. De "Bright Star" zegt: (hfdst. 11 pag. 106) "De dadelijke vernietiging is een ophouden van alle werken, een verdwijnen van afbeeldsels, een nietsdoen en een rusten van alle beweging of van het doen van de uiterlijke wil van God, die in de wet en het Evangelie in de letter is uitgedrukt. (Pag. 107) Lijdelijke vernietiging is, dat de mens zelf en alle andere dingen, als mediteren, kennen, verlangen naar God, bidden en de beoefening van een heilig leven gedood en tot niet geworden zijn. Dadelijke vernietiging is, dat de mens zelf en alle andere dingen, niet alleen lijdende als in de lijdelijke, maar doende vernietigd zijn; ik meen door licht in het verstand, zowel natuurlijk als bovennatuurlijk, in welk licht hij ziet en onfeilbaar weet, dat alle dingen niets zijn en in deze kennis rust hij, het gevoel ten spijt. (Pag. 140) Het is niet best, dat men de lijdelijke vernietiging verzaakt en zich op de genietende liefde (het liefhebben van God als ons laatst genoten doel) verlaat, om zich zo door daden te begeven tot de beoefening van de dadelijke vernietiging; mits zij door de enkele herinnering haar aandeel vasthoudt. Want daar is het, (Pag. 141) dat de ziel zo verrukt, verwijd, verlicht en met God verenigd wordt. Daar smaakt zij de kuise omhelzingen, de zoete omgang en de goddelijke kussingen; daar ziet zij zich verheven, geadeld en verheerlijkt met de engelen aan de hemelse tafel; daar geniet zij de vruchten van haar doding, de schatten van haar bekering en de vertroostingen van al haar zelfverloocheningen". (Pag. 144, 145) "Wanneer de mensen zo’n bevindelijke vereniging met God verlaten en weer tot zichzelf terugkeren en zich weer tot hun eigen daden begeven, weigerende de ledigheid en armoede van de Geest, deze wil van God en alle geestelijken omgang, boven hemelse of wezenlijke verlichting te dulden, hoewel het inderdaad de waarachtige en goddelijke Wijsheid en het echte zien van God is, doen zij door hun terugkeren en hun wederkeren tot zichzelf", (dat een verlaten is van het beschouwend leven van de monniken en een terugkeren tot een werkdadig wandelen met God) "niets anders dan zich van alle zuivere en op bevinding gegronde kennis en van alle vereniging met en gedaantewisseling in God vervreemden, en zo blijven zij altijd nauw in zichzelf en in hun ingewanden, en in de banden van de oude mens." Vraagt u nu, wat dat is, de oude mens af te leggen, dan zegt u de Theologia Germanica Hfdst. 5, pag. 9 en 10:"Uzelf zijn, werking, kennis noch goedheid toe te schrijven, doch alleen aan God, de eeuwige Wijsheid, — en aldus verdwijnt de mens in het schepsel, — en dus behoort de mens ontledigd te worden van alle dingen, dat is, die zichzelf niet toe te schrijven, en hoe minder kennis het schepsel zichzelf toeschrijft, hoe volmaakter het wordt. Zo moeten wij ons ook de liefde, de wil, de begeerte en al zulke dingen voorstellen, want hoe minder de mens zich die dingen aanmatigt, hoe edeler, uitnemender en goddelijker hij wordt en hoe meer hij zich die dingen toeeigent, boe dommer, verachtelijker en onvolmaakter hij wordt. " Hfdst. 14, pag. 32 leest men: "dat een mens aan zichzelf sterft is hetzelfde, als dat men zeggen zou, dat hijzelf of zijn ik-heid zou sterven. De heilige Paulus zegt, dat men zou afleggen de oude mens met zijn werken." Pag. 34. "Indien het kon gebeuren, dat iemand zich geheel en volstrekt van zichzelf kon ontdoen, zodat hij, in ware gehoorzaamheid, buiten alle dingen leefde, zoals Christus naar Zijn mensheid, dan zou hij van zichzelf ontledigd en één met Christus zijn, en hij zou hetzelfde zijn door genade, wat Christus van nature was." Pag. 35. Dit stoet ook geschreven, dat hoe meer zelfbedoelingen en zelfzucht er zijn, hoe meer zonde en ongerechtigheid, en hoe minder er van het ene is, hoe minder ook van het andere. Dit staat ook geschreven, dat hoe meer mijn ik, dat is mijn ik-heid of zelfheid, afneemt, hoe meer God in mij afneemt. — Daarom, God is een Geest, Die alles in allen werkt, en het is gehoorzaamheid in de mensen, het goede aan God en het kwade aan zichzelf toe te schrijven, en zichzelf te zijn, of iets goeds aan te matigen is zonde." Zo neemt de Theologia Germanica de vleeswording van Christus aldus weg: (Hfdst. 22, pag. 52 en 53) "Toch zijn er wegen, om, zoals wij reeds gezegd hebben, tot het leven van Christus te geraken, wanneer en waarin God en de mens samen verenigd zijn, zodat naar waarheid gezegd kan worden en de Waarheid zelf het erkennen zal, dat de waarachtige en volmaakte God en de waarachtige en volmaakte mens één zijn, en de mens zich zodanig onderwerpt aan en plaats maakt voor God, dat de mens daar is, waar God Zelf is, en dat God daar ook tegenwoordig is, en alleen werkt en doet en iets ongedaan laat, zonder enig ik, of aan mij, of van mij, of iets dergelijks. Waar die dingen zijn en bestaan, daar is de ware Christus en nergens anders. Het is een eigenschap van God te bestaan en te zijn zonder dit of dat, zonder zelfzoeking, zelfzucht of dergelijke, doch het is een eigenschap van het schepsel, in alle dingen, welke het doet of ongedaan laat, zichzelf te zoeken en te bedoelen, alsmede die dingen, welke zijn eigen zijn, hetzij dit of dat en hier of daar." In hfdst. 39, pag. 109 en 110 staat: "Hij, die verlicht is met de eeuwige en goddelijke liefde, is een goddelijk en vergoddelijkt mens;" en in luidst. 28, pag. 71: "Zij, die door de Geest Gods geleid worden, zijn kinderen Gods en de wet niet onderworpen, welke woorden betekenen, dat hun niet geleerd moet worden, wat zij moeten doen of laten, aangezien de Geest Gods, die hun Leermeester is, hen genoegzaam zal onderwijzen. Ook moet hun niets bevolen of vermaand worden,—want Hij, die hen leert, gebiedt hen, — en zij hebben geen wet nodig, om daaruit voordeel te trekken, want zij hebben alles reeds verkregen," zo ook op pag. 70, "had Christus geen wet nodig, Hij was boven de wet en neemt de kerkelijke instellingen weg, enz." (Hfdst. 11, pag. 23.) "De ziel van Christus moest naar de hel neerdalen, voor zij naar de hemel kon varen, en hetzelfde moet ook de ziel van de mens overkomen, en dit geschiedt, wanneer hij zichzelf zo boos weet te zijn, en aanschouwt en bevindt, dat hij het rechtvaardig veronderstelt te zijn, alles te moeten lijden, ja voor eeuwig verdoemd te worden, en dat hij geen verlossing of troost wil noch kan begeren, maar de verdoemenis verdraagt, en dat niet met tegenzin en onwillig, maar dat hij de verdoemenis en de pijn liefheeft, omdat het rechtvaardig is en God het zo wil. En (pag. 25) wanneer de mens in deze hel niets begeert dan het eeuwig goed, en dat het eeuwig goed bovenmate goed is, is dit zijn vrede, zijn blijdschap, rust en volle verzadiging; — dit goed wordt van de mens, en zo is de mens in het koninkrijk der hemelen, — deze hel heeft een einde, doch deze hemel zal nimmer eindigen. — De mens, die in deze hel is, kan niet denken, dat hij ooit weer vertroost of verlost zal worden, en wanneer hij in deze hemel is, kan niets hem schaden, — ook kan hij niet geloven, dat hem leed of droefheid kan overkomen, en toch is hij na deze hel vertroost en verlost, en na deze hemel benauwd en van vertroosting verstoken. — De mens kan door zich eigen toedoen niets doen of laten, om deze hemel deelachtig te worden, of deze hel te ontgaan, —want de wind blaast waarheen hij wil, enz. en wanneer de mens in een van deze twee is, dan is het goed met hem en kan hij even veilig in de hel als in de hemel zijn; zolang de mens in dit leven is, kan hij dikwijls van de ene in de andere overgaan.
Overweegt, tot weerlegging van deze goddeloze dwaasheden en tot verdere opheldering van de waarheden, die tevoren voorgesteld zijn, de volgende stellingen tot ontvouwing van de trekkende beminnelijkheid van Christus.
I. Al de Schrift is van God ingegeven, geschikt, om de mens Gods volmaakt te maken, tot alle goed werk volmaakt toegerust (2 Tim. 3:16, 17); het enige middel, om Christus te vinden, want zij getuigt van Hem, (Joh. 5:39) en is geschreven, opdat gij geloven moogt, en opdat giij, gelovende, het leven hebt in Zijn Naam (Joh. 20:31). Al wat Christus Jezus van Zijn Vader hoorde, maakte Hij Zijn apostelen bekend (Joh. 15:15). Een van die apostelen, (Paulus) die ook het Evangelie ontvangen had, niet van vlees en bloed, maar door de openbaring van Jezus Christus (Gal. 1:12; 2 Petr. 3:15, 16; Hand. 9:1, 2 enz.), verklaarde de Efeziërs al de raad Gods (Hand. 20:27), en geloofde en predikte nochtans geen andere dingen dan deze, die in de wet of in Mozes en de profeten geschreven zijn (Hand. 24:14 en 26:22). En de majesteit, goddelijkheid, kracht, overeenstemming en leer, die boven het bereik van vlees en bloed liggen, van welke de doeleinde niet aan deze zijde maar aan de overzijde van de tijd en de dood ligt, gelijk de plaatsen in de kanttekening getuigen, tonen duidelijk aan, dat het een Boek van het Oude en het Nieuwe Testament, niemand anders kan toegeschreven worden dan God alleen.
II. De Schrift en alle kerkelijke instellingen zijn maar geschapen dingen, en niet het uiterste voorwerp van ons geloof en onze hoogste en volkomenste liefde, welke bewaard worden voor God in Jezus Christus. Ja, de volmaakste, waarvan wij lezen, Paulus, een uitverkoren vat, had behoefte aan vertroosting door Titus (2 Kor. 7:5,6). De heiligen te Rome (Rom. 1:11,12) en Petrus (Gal. 2) hadden een bestraffing nodig, en de geliefde apostel Johannes verblijdt zich en wordt getroost, als hij hoort, dat zijn kinderen in de waarheid wandelen (3 Joh.: 14). Er is behoefte aan een gebod van de wet, dat afgoderij en aanbidding van engelen verbiedt (Openb. 19:10 en Openb. 22:8, 9) en aan een Evangelisch voorschrift, te geloven en niet te vrezen (Openb. 1:17). Het uitnemendste en volmaakste lid van het Lichaam heeft raad en vermaningen nodig van het geringste lid (Rom. 12:3—8; Gal. 6:2; 1 Kor. 12:14 enz.), en alle heiligen aan wie Paulus, Petrus, Jakobus en Johannes schreven, onder wie er waren, die de zalving hadden, welke hun alle dingen leerde, moeten vele vermaningen, voorschriften en geboden uit de wet, welke zij in de Evangeliebediening ontvingen, horen en gehoorzamen. Hieruit volgt, dat de volmaakste niet, zoals de Familisten zeggen, de wet en het Evangelie en de kerkelijke instellingen te boven zijn, want anders zouden het Nieuwe Testament en al de Canonieke Zendbrieven voor alle heiligen tevergeefs geschreven zijn.
Om dit te beter te verstaan moeten wij bedenken, dat er (1) tweeërlei zaligheid van de heiligen is: de ene vormelijk, en de andere voorwerpelijk; (2) dat er een middellijk zien van God is, door instellingen en middelen, en ook een onmiddellijk; (3) dat er tweeërlei wil van God is; één, die in de Schrift geopenbaard is, of de wet van de natuur, en dat eerder het zedelijk goed is, dat God goedkeurt en dat Hij ons beveelt, dan wel de wil van God. Dit noemen de Familisten de uiterlijke of toevallige wil van God, omdat Gods wil, Zijn wezen zijnde, volkomen en zelfgenoegzaam zou geweest zijn, ook al had God nooit zodanige wil de mensen of engelen geopenbaard, ja, al had Hij nooit de wereld, of mensen, of engelen geschapen. Er is een andere wil, wezenlijk in God, welke wil niet de gewilde zaak is, doch het wezenlijk vermogen in God, om te begeren of te willen. Om nu ons punt naderbij te komen: de vormelijke zaligheid van de heiligen ligt in de daden van zien, kennen, liefhebben en genieten van God, welke aan onze zijde geschapen dingen en als zodanig een leeg niets zijn, en zo zijn zij niet wezenlijk de zaligheid van de mens, maar middelen, waardoor wij God, onze Zaligheid, genieten, en evenzo is het gebruik van alle middelen en instellingen onze zaligheid niet. Weliswaar, zegt onze Zaligmaker in Joh. 17, dat dit het eeuwige leven is, God en Zijn Zoon Jezus Christus te kennen, doch Hij bedoelt daarmee, dat dit de weg en het noodzakelijk middel tot de zaligheid en het eeuwige leven is. God in Christus en het inkomen in de uitvloeiingen van de Geest van de heerlijkheid of de volzalige ene God in drie Personen is het Voorwerp en de zaligheid van de heiligen, en daarom moeten wij Christus Zelf de voorkeur geven boven alle kussingen, gezichten en uitvloeisels van de heerlijkheid, en boven al ons zien, liefhebben en genieten van God. Wij mogen de goddelijke instellingen liefhebben en het zien van God ten hoogste waarderen, doch God Zelf en Jezus Christus moeten wij niet alleen waarderen, maar wij moeten bovenmate met Hem ingenomen zijn, aangezien de Bruidegom zoveel uitnemender is dan Zijn armringen, kostbare ketenen en ringen. In deze zin, zou ik alle instellingen, ja alle honingraten, alle appelen, alle geschapen rozen, die uit Christus ontspruiten, alle liefelijke gevolgen en uitvloeisels van de heerlijkheid, ja de gehele geschapen hemel, wel uit mijn hart en achting willen wegdoen om Christus. Christus, God Zelf, het geheel, de stof, de stam van de Boom des levens, is oneindig te waarderen boven een appel; ja boven alle geschapen appelen en bloesems en zielverlustigende bloemen, die aan de Boom groeien. Hier op aarde nu, zijn wij zalig als erfgenamen, niet als heren en bezitters en in vereniging met de uiterlijke en geopenbaarde wil van God, in geloven, vrezen en dienen van God, in Christus, in een daadwerkelijke vereniging met God, doch dit alles is slechts de weg tot de Bron, niet de Bron zelf en de vereniging met of het zien van God is middellijk, van ver, door een voorbeeld door de afbeelding, de vorm, merktekenen, en elementen, of de spiegel van Woord, sacramenten, bediening en de instellingen van horen, bidden en loven. In de hemel echter zullen wij God zien van aangezicht tot aangezicht, dat is zonder middelen of de tussenkomst van boodschappers of instellingen. Ik kan niet bepalen of ons verstand, wanneer wij de Heere in een onmiddellijk gezicht van heerlijkheid zullen zien en kennen, geschapen vormen, verstandsvoorstellingen, beelden en tekenen van het beminnelijk Wezen, van het blank en rood, aangenaam en beminnelijk gelaat van die begeerlijker Vorst, de Heere Jezus, zal opnemen; dit zo fijntjes uit te pluizen zou niet tot onze stichting zijn, doch dit is zeker, dat Christus in elk vat van de heerlijkheid zoveel van Zichzelf, Zijn tegenwoordigheid, beminnelijkheid, beeld en schoonheid zal inprenten en instorten, dat de ziel van boven tot beneden vol zal zijn. En wie weet, wat het eeuwig uithalen en het eeuwig zuigen van het verstand aan die borsten, door de verheerlijkten, is, waardoor zij uit de Honingraat van ongeschapen heerlijkheid en uit de diepe, diepe Fontein en Rivier van eindeloos leven, de stromen van blijdschap, vertroosting, liefde en genieting van Jehovah inzuigen en drinken, terwijl de ziel het kanaal is, van welke de oevers eeuwig zullen groenen met heerlijkheid? Wie weet, wat de zaligheid is, die uit het reine wezen en van het schitterend aangezicht van Hem, Die op de troon zit, voortkomt en uitvloeit, en wat dat opkomen, dat eeuwig vloeien van het tij van die Zee van onovertreffelijke zaligheid is? Ja, wie weet het! "Komt en ziet", kan hier het best beslissen. Komt en drinkt, wordt dronken en bezwijmt en wordt verzadigd van heerlijkheid, en onderzoekt niet nieuwsgierig naar de genieting van God. Christus zal, wanneer u daar komt, al die twijfelingen, tot geruststelling van uw gemoed, oplossen. Het is dan ook niet nodig, te zeggen, dat er "in dit leven een gezicht van God is, dat de hemel is, ja al de hemel, die wij ooit zullen hebben, en dat dit een zien is, zonder enig beeld of vorm of uitgedrukt merkteken van God, omdat het zuiver geestelijk en van alle werkingen van de verbeelding afgescheiden is; en dat wij daarin zuiver lijdelijk en niet werkend zijn, aangezien God de onmiddellijke glans van Zijn wezen in ons doet vloeien". Waarlijk, dit is wijs te zijn, boven hetgeen geschreven is, en vergunt mij, te betwijfelen, dat de Familisten die beelden en begripsvoorstellingen door de Geest Gods hebben. Die Geest toch is een Geest van gematigdheid, en in de geestelijkste en verrukkelijkste gezichten, welke de profeten, de mannen Gods, ontvingen, waren, naar het mij voorkomt, gezichten van vormen, afbeeldingen en zichtbare tekens, als een troon, engelen met zes vleugelen, rook, een vrouw bekleed met de Zon, enz., een pot, die tegen het noorden was, een grote wolk en een vuur daarin vervangen, — iets, als de verf van Hasmal uit het midden van het vuur, enz.; doch van een onmiddellijk gezicht, in dit leven, van God, en dat gewoon, zonder vormen en afbeeldingen, zonder Woord, Sacramenten of instellingen, weet ik niet af en ik versta dat ook niet.
III. De monnikachtige bevatting van de uitnemendheid van een peinzend leven, afgescheiden van alle verplichting tot plichten van de tweede Tafel, als uitstekend boven het beoefenend leven, is het eerste zaad geweest van het goddeloze Familisme. De schrijvers van die beide boeken, de "Theologia Germanica" en de "Bright Star", zijn openlijk verklaarde Roomsen, hoewel Mr. Randall beide aanprijst als stukken van zeldzame waarde, en als een leer bevattende, die alleen voor de volmaakten geschikt is, (alsof de Schrift niet zo’n stuk is) terwijl in de Bright Star, op pag. 19, openlijke, grove afgoderij en het aanbidden van het hout van het kruises voorkomt, en in beide boeken verschillende andere paapse grondbeginselen.
IV. Er is tweeërlei volheid van beminnelijkheid in Christus, één welke in dit leven bereikbaar is, en een andere, voor het toekomende leven weggelegd. Ik denk, dat die volle hoogte, dat hoogste toppunt van de trekkende beminnelijkheid van Christus, alle kerkelijke instellingen, de Schrift, de sacramenten en de middelen, welke wij nu gebruiken, uitsluit. Omdat monniken vanouds en de Familisten van de laatste tijd geen hemel stellen, dan alleen in dit leven, (alsof een monnikskap de eigenlijke kroon van eeuwige heerlijkheid is) en, evenals hun vaders Hymeneus en Filetus zeiden, zeggen, dat de opstanding reeds geschied is, en de onsterfelijkheid van de ziel betwijfelen, daarom moeten zij, om hun beginselen getrouw te zijn, zeggen, dat er een aantal volmaakte mensen is, die boven wet, plichten, onderwijs van mensen en bediening verheven zijn, omdat die alleen voor onvolmaakten en onwedergeborenen zijn, waartoe natuurlijk geen monniken of Familisten behoren, want die genieten God al met de genieting van de heerlijkheid. De Schrift zegt echter, dat middelen en instellingen voor dit leven zijn, en niet voor het toekomende leven. (1 Kor. 13:8) "De liefde vergaat nimmermeer: Maar hetzij profetieën, zij zullen tenietgedaan worden, hetzij talen, zij zullen ophouden, hetzij kennis, zij zal tenietgedaan worden. (vs. 9) Want wij kennen ten dele, en wij profeteren ten dele: (vs. 10) Maar wanneer het volmaakte zal gekomen zijn, dan zal hetgeen, dat ten dele is tenietgedaan worden. (vs. 12) Want nu, (in dit leven) zien wij door een spiegel in een duistere rede, maar alsdan (in het toekomende leven) [zullen wij zien] aangezicht tot aangezicht: Nu ken ik ten dele, maar alsdan zal ik kennen, gelijk ik ook gekend ben." Dat dit een tegenstelling is tussen dit en het toekomende leven, blijkt duidelijk uit 1 Joh. 3:2: "Geliefden, nu zijn wij kinderen Gods, en het is nog niet geopenbaard, wat wij zijn zullen. Maar wij weten, dat als Hij zal geopenbaard zijn, wij Hem zullen gelijk wezen, want wij zullen Hem zien, gelijk Hij is. In Openb. 21:22 wordt ons het toekomende leven ook voorgesteld als zonder instellingen. "En ik zag geen tempel in dezelve", zegt Johannes, toen hij het Nieuwe Jeruzalem zag, "want de Heere, de Almachtige God, is haar Tempel, en het Lam. Daar is ook geen onwetendheid. (Openb. 22:5) En daar zal geen nacht zijn, en zij zullen geen kaars noch licht van de zon nodig hebben, want de Heere God verlicht ze, en zij zullen als koningen heersen in alle eeuwigheid. Wat ook sommigen van een persoonlijke regering van Christus op aarde zeggen, deze woorden bewijzen, dat zolang dat leven nog in de toekomst ligt, alle wedergeborenen hier een tempel en kerkelijke instellingen nodig hebben, zolang er nacht en duisternis, en plaats voor zon en maan is. Zo wordt de duur van de kerkelijke instellingen ook aangewezen in Hoogl. 2:16 en 17. Mijn Liefste is mijn, en ik ben Zijne, Die weidt onder de leliën. Totdat die dag aankomt, en de schaduwen vlieden. Dan is er ook een nacht voor de Kerk, en een behoefte aan het maanlicht van de kerkelijke instellingen, zolang Christus door Zijn bediening verblijf houdt in de woningen van de herderen, om Zijn kudde te weiden in de sterkte des Heeren, en Zijn tegenwoordigheid te betonen aan Zijn gerechtvaardigden, die vlekkeloos en schoon als leliën zijn, door de toegerekende gerechtigheid van Christus, totdat die schoonste en allerbegeerlijkste dag van die luisterrijke en heerlijke verschijning van Christus aanbreekt. Paulus verklaart die woorden duidelijk in Efeze 4, waarin hij de duur van Christus’ regering in Zijn heiligen door de bediening van het Evangelie aantoont, en dat de heiligen, het lichaam van Christus, nog maar op weg zijn, om volmaakt en opgebouwd te worden door herders en leraars, (vs. 13) totdat wij allen zullen komen tot de enigheid des geloofs en der kennis des Zoons Gods tot een volkomen man, tot de mate van de grootte van de volheid van Christus. Dus zijn de heiligen vóór die dag niet volmaakt.
Het Lichaam van Christus is van een geringe grootte, bekwaam om te groeien; het haar van de bruid groeit, zij is niet van een volmaakte, volwassen grootte, maar als een jong meisje, nog niet geschikt voor het huwelijk met het Lam, voordat wij allen samenkomen in de enigheid des Geestes. Ik weet daarom van geen dadelijke vernietiging of verdwijning en ophouden van alle doen van de wil van God, die in wet en Evangelie geopenbaard is, namelijk van bidden, horen, overdenken, liefhebben, begeren en verlangen naar Christus, totdat die dag aankomt en de schaduwen vlieden. Ik moet bekennen, dat ik dan geen gelegenheid zal hebben, om het Boek van Oude en Nieuwe Testament te lezen, of de prediking, de sacramenten of andere instellingen bij te wonen, omdat ik geen spiegel of beeld van Christus, geen boodschap van predikanten zal nodig hebben, wanneer ik Hemzelf zal zien en genieten.
Allen, die God tot hun Vader hebben, en behoefte hebben aan dagelijks brood, en een lichaam van leem omdragen, hebben te bidden om vergeving van zonde, om niet in verzoeking geleid te worden, en tegen een zondig nalaten van plichten; allen voor wie het bloed van Jezus gestort is, moeten de dood des Heeren verkondigen, totdat Hij komt. Welk aflaten is dat dan van de plichten van de wet, van liefde, van de Geest en van Christus? Waar is die geheiligde vernietiging, waarvan men droomt? De Schrift kent die niet.
V. Er is een volheid van beminnelijkheid in Christus, die, door recht en bezit, in dit leven in ons begonnen is, doch die nooit volmaakt zal zijn voor het toekomende leven, waarin de volgende dingen gevonden worden: vereniging, genieting; rust; voldoening; gevoel; leven en werkzaamheid in Christus; en een liefhebben van en een getroost zijn van de ziel in Christus, van welke dingen wij iets zullen zeggen, om de trekking van Christus nader voor te stellen.
VI. Christus’ nodiging, om tot Hem te komen, en wel voordat wij Hem kunnen nodigen, spreekt van vereniging.
Het is zo’n vereniging als het geloof kan teweegbrengen, welke niet opklimt tot de hoogte van gezicht en onmiddellijke genieting, want het is een vereniging van zulken, die, ten opzichte van een volkomen tegenwoordigheid, van elkaar verwijderd zijn. (2 Kor. 5:6) Wij weten, dat wij inwonende in het lichaam, uitwonen van de Heere. (Joh. 16:7) Doch Ik zeg u de waarheid, het is u nut, dat ik weg ga. (Luk. 19:12) Hij zeide dan: "Een zeker welgeboren man reisde in een ver gelegen land, om voor zichzelf een koninkrijk te ontvangen en dan weder te keren. Nochtans is het de vereniging van zulken, die zo dicht bij elkaar zijn als het huis en gast, of als twee vrienden, die samen aan één tafel zitten. (Ef. 3:17; Joh. 14: 23; Openb. 3:21.)
Het is een vereniging van genieting, want Christus wordt in dit leven in zekere mate genoten, echter zo, dat de genieting ten dele en niet volkomen, niet in haar volle mate is, zoals dat in het toekomende leven zijn zal. Daarom is het een genieting zowel van rust als van beweging: van rust ten opzichte van de tegenwoordige genieting; van beweging ten opzichte van de voortgang in de weg tot een volkomen genieting; evenals iemand, die op reis is, werkdadig liefheeft, en thuis zijnde in een liefde van vereniging en genieting deelt. Zo is de ziel met brood verzadigd, zodat zij niet meer hongert, (Jes. 55:2) maar zich in vettigheid verlustigt, en niet meer dorst, uit een tegenwoordig gevoel van voldoening en voldaanheid in het water des levens (Joh. 4:14), en tegelijk is de ziel in zoverre niet verzadigd en haar dorst niet gelest, maar zij hongert en dorst naar een meer volkomen vereniging en naar onmiddellijke genieting, in welk opzicht de ziel zowel uit is, op weg en zich bewegende, om meer van Christus te hebben, als thuis en rustende, aangezien zij uitsluitenderwijze, niet insluitenderwijze, ten volle verzadigd is, want deze verzadiging sluit uit en doet teniet alle keus van een andere liefhebber dan Christus, en weigert elke overlegging, Christus met enige andere liefhebber te vergelijken, aangezien zij Hem acht te zijn en waardeert als Die de banier draagt boven tienduizend, en vast besloten is, nooit haar begeerten te doen uitgaan naar een andere man of liefste dan Christus. (Hoogl. 3:4) Toen ik maar een weinigje van de wachters weggegaan was, vond ik Hem, Die mijn ziel lief heeft; ik hield Hem vast en liet Hem niet gaan, totdat ik Hem in mijns moeders huis gebracht had en in de binnenste kamer van degene, die mij gebaard heeft. Dat men Jezus vindt en vasthoudt geeft te kennen, dat er verzadiging en rust in het genieten van Hem gelegen is; doch het doel van de bruid, hand aan hand met Hem te reizen naar het Jeruzalem, dat boven is, welk is onzer aller moeder, (dat naar mijn bevatting, het zij met bescheidenheid gezegd, door de bruid, met haar moeders huis bedoeld wordt) bewijst klaar, dat zij niet volmaakt, doch nog voortgaande is, en niet aan het einde van haar reis, voordat zij met Christus in het paleis van de Prinsendochter, de bruid, de vrouw van het Lam, is aangekomen (Openb. 21:10—12). Hieruit kunnen wij zien, hoe waar het is, dat de begeerten verzwolgen zijn in de boezem van de oneindige Jezus Christus, evenals een beekje verzwolgen wordt, wanneer het in de oceaan uitloopt, en hoe toch de begeerten blijven. Zij zijn in Christus verslonden, want de ziel is nu thuis, tot rust gekomen en volmaakt in Christus; de begeerten zijn niet langer rusteloos en door smart bevangen. Waar deze hemel op aarde begonnen is, is David rustig in zijn gemoed en breekt hij uit in lofzeggingen, dat de Heere hem raad gegeven heeft, God Zelf tot zijn deel te kiezen (Ps. 16:5—7); zo liefelijk en schoon is die erfenis. Nu is de begeerte van de ziel niet meer uitgaande naar een afwezige Christus, maar de dorst is in Christus gelest; de ziel dorst niet meer (Joh. 4:14). Toch blijft de begeerte zich, zowel in de aangename voldoening als in de lust van de heiligen, verlustigen in het tegenwoordig genot en ook in verlangen naar het hoogste toppunt en de hoogste mate van vereniging. Evenals iemand, die drinkt, wiens dorst half gelest is in de begonnen voldoening en wiens dorst toch nog aanwezig is in een lust en een verder verlangen, om ter volkomen afkoeling en verfrissing, tot verzadiging toe te drinken.
VII. Toch kan men niet anders zeggen, dan, dat het hier een begonnen verzadiging is. (Joh. 4:14) De genieting van Christus is een dronk van het om niet gegeven water des levens. (Openb. 22:17) Die dorst heeft, kome, en die wil, neme het water des levens om niet. (Joh. 7:37) En op de laatste dag, ziende de grote dag van het feest, stond Jezus en riep, zeggende: "Zo iemand dorst, die kome tot Mij en drinke".
Niet alleen een dronk wordt aangeboden, maar een bron, een fontein; (Ps. 36:10) want bij U is de fontein des levens. Een fontein is meer dan een dronk, omdat het geheel meer is dan een deel.
Elke dorstige kan geen fontein binnen in zich hebben, maar toch hier is het zo: (Joh. 4:14) maar het water, dat Ik hem zal geven, zal in hem worden een fontein van water, springende tot in het eeuwige leven.
De Schrift stijgt nog hoger, ja tot een rivier en een overvloed van vettigheid. (Ps. 36:9) Zij zullen dronken worden van [Eng. overvloediglijk verzadigd worden met] de vettigheid van Uw huis, [Hebr. jirvin] zij zullen dronken worden van de vettigheid van Uw huis. Het is een rivier van zuivere olie en vettigheid, welke de ziel doet overlopen van blijdschap; Gij drenkt ze uit de beek [Eng. rivier] Uwer wellusten. Een rivier, waarvan elke druppel blijdschap is en een bron van enkel wellusten, moet een zee van verlustiging zijn. Genade echter moet de ziel tot een bekwaam vat bereiden, wanneer niet alleen een fontein, maar een gehele rivier, ja rivieren des levens in de ziel zullen zijn. Zo spreekt Christus: (Joh, 7:38). "Die in Mij gelooft, gelijkerwijs de Schrift zegt, stromen [Eng. rivieren] des levenden waters zullen uit zijn buik vloeien."
En opdat er niets aan de uitdrukking zou ontbreken: "De vrede en de gerechtigheid van de gelovigen zijn als de golven van de zee" (Jes. 48:18) De zee is meer dan een rivier, zij is de plaats, waarin alle fonteinen en rivieren uitlopen en vergaderd worden.
VIII. Er moet, in de genieting van Christus, veel gevoel van God zijn, omdat het geloven in Hem, hoewel Hij niet gezien wordt, (zoals wij Hem hopen te zien) een onuitsprekelijke en heerlijke vreugde veroorzaakt (1 Petr. 1:8). Zo komt een vloed, een stroom van blijdschap en heerlijkheid, een rijk deel van een aanstaande hemel, reeds vooruit over de erfgenamen van de hemel. (Ps. 63:6) Mijn ziel zou als met smeer en vettigheid verzadigd worden; een overvloedig feestmaal van vet vol merg geeft een groot feest en een rijk voorziene en heerlijk toegerichte tafel te kennen, zoals die toegericht is op de bruiloft van een grote Koningszoon.
IX. Dit is geen ophouden van alle werkzaamheden van de ziel, omdat er een werkzaam leven in Christus is. (2 Kor. 3:18) En wij allen met ongedekt aangezicht de heerlijkheid des Heeren als in een spiegel aanschouwende, worden naar hetzelfde beeld in gedaante veranderd, van heerlijkheid tot heerlijkheid, als door des Heeren Geest."
Het deksel, dat door de bediening van de wet is, welke wel verdonkeren maar niet verlichten kan, is in het Evangelie weggenomen en in de glans van de Evangeliedag zien wij met ongedekt aangezicht God geopenbaard in Christus.
Wij zien, aanschouwen en genieten heerlijkheid; de hemel schiet de glansrijke stralen van God in Christus in de ziel.
Dit is een veranderde heerlijkheid. Edelgesteenten stralen licht uit in de nachtelijke duisternis, maar breng ze in de zon, en de stralen en het licht van de zon zullen ze zodanig veranderen, dat zij met veel heerlijker luister en stralenpracht schitteren. Wij, de onuitsprekelijke luister en de hemelse glans van goddelijke majesteit in de Middelaar, Christus, ziende, worden naar de schoonheid van heiligheid, die in de Heere Jezus is, veranderd. Het Evangelie-licht maakt ons heilig, gelijk Hij heilig is. Er is schoonheid in de vederen van een duif, maar wanneer de zon erop schijnt en ze verlicht, glanzen zij, als waren het zilveren en gouden vederen, doch het is alleen in schijn; rode en witte rozen zijn van zichzelf uitnemend schoon, maar zet ze tussen u en de zon, en zij zijn nog veel schoner; de oostenhemel is van zichzelf meer een donkere, ijle, vormloze lucht, die nauwelijks te zien is, doch wanneer de zon opgaat en op die hemel schijnt, ontstaat en vormt zich het schoonst en heerlijkst rood en azuur, dat denkbaar is, want geen belichaamd schepsel verspreidt schoner en lieflijker luister, en heeft schoner kleur dan het morgenrood en het purper van de hemels. Zo nu schept de heerlijke Zon der gerechtigheid, Christus, wanneer Hij in het ochtend-daglicht van het Evangelie op de heiligen schijnt, het beeld van de heerlijkheid Gods in de ziel en verandert hen, voor het oog van Christus, in een luister en een schoonheid, die schoner is, dan de zon of de rode rnorgenhemel. De zon kan, door op enig schepsel neer te zien, dat schepsel niet in een andere zon veranderen, maar als Christus Zijn bruid aanschouwt, en zij Hem, in de stralen en de glans van het Evangelie-licht, met het oog van de kennis en van het geloof aanschouwt, wordt zij veranderd naar het heerlijk beeld van Christus. (Hoogl. 6:10). Wie is zij, die daar uitziet als de dageraad, als Aurora, de eerstgeborene van de nieuwe dag, wanneer de zon haar gouden stralen schiet, schoon gelijk de maan, zuiver als de zon.
Wij leven en bewegen ons in Christus, en worden veranderd van heerlijkheid tot heerlijkheid; het is maar een doorgaande verandering bij trappen. Noch het koninkrijk van de hemel en van de heerlijkheid, noch de hel, zijn dan ook in dit leven, zoals die dromers zeggen. De toestand van zaligheid, waarin Lazarus overgaat, en die van ellende, welke, na hun dood en begrafenis, het deel wordt van de rijke man, (Luk. 16:22—25) leren ons juist het tegenovergestelde.
Er is zo’n kloof tussen de hemel en de hel, dat er geen overbrugging, noch enigerlei gemeenschap tussen beide mogelijk is, (Luk. 16:26) zoals de Familisten zich inbeelden.
Dat de heiligen zouden moeten geloven, dat zij nooit verlost kunnen worden van, noch vertroost worden in de hel, waarmee zij in dit leven gepijnigd worden, niettegenstaande God hen in hun meest benauwde nachten verlossing en vertroosting beloofd heeft, is in strijd met het geloof en de levendige hoop van de heiligen, en is zondig ongeloof. En de mens, die in de zonde is, kan in een hel van zonde niet even veilig zijn als in de hemel.
De hel is een staat van tegen God te zondigen en Hem te lasteren, doch niets te begeren dan het eeuwig goed, en te begrijpen, dat het eeuwig goed bovenmate goed is, is geen staat van zondigen, maar van zaligheid en heiligheid, en kan daarom geen hel zijn.
Deze twee staten, het eeuwige vuur, dat voor de duivel en zijn engelen bereid is en het eeuwige leven, dat voor de gezegenden van de Vader bereid is, kunnen niet samengaan (Matth. 25).
Doch om tot ons punt terug te keren: indien het leven de hoogste volmaaktheid van ons zijn is, dan moet de gelovige in Christus, een verstandsleven in Christus bezitten en voor God leven, Hem zien, kennen en genieten. Hoewel nu het genieten van Christus de hoogste mate van zelfverloochening is, en die mens zichzelf, dat is, zijn zondig en vleselijk ik, zijn zelfzucht en zelfheid, in Christus verliest, toch verliest hij niet, maar hij vindt zijn onzondig geschapen zelf, zichzelf volmaakt, met dat hoog en bovennatuurlijk sieraad van "Christus in hem levende," in Christus terug. Het is dan ook zeker waar, dat het zelf, evenals alle geschapen dingen zijn, geheel afhankelijk van God is, evenals de stralen van de zon, die maar uitvloeiingen, gevolgen en uitgangen van de zon zijn, geen wezen hebben dan in de zon. Weliswaar hangen de schepselen in hun bestaan en werken meer van God af, dan voorvallen van hun onderwerp afhangen, doch het is niets minder dan godslastering, tegen alle rede en gezond verstand indruisende en een omkeren van Gods Schrift, te zeggen, dat God wezenlijk alle dingen is; dat God mens is; dat God de Geest en de Vorm is, Die in alles werkt; dat een heilig mens "God in het vlees", in Christus de Godmens is; dat Christus, de Middelaar, niets is dan God vermenselijkt en de mens vergoddelijkt; en dat Christus door het geloof in een gelovige wonende en de inwoning van de Heilige Geest, niets is dan God geopenbaard in het vlees van ieder mens. Dit werpt vele geloofsartikelen omver, doch de Familisten bekommeren er zich niet over of zij brutaalweg de gehele Schrift omkeren. Dan toch is Christus geen waarachtig Mens, geboren uit het zaad van David en God te prijzen tot in eeuwigheid, in één Persoon.
Van alle schepselen en geschapen wezens kan, wanneer zij bij God, het eerste zelfbestaand Wezen, de oneindige God vergeleken worden, vergelijkenderwijze gezegd worden dat zij geen wezens zijn. Zo is onze geschapen ikheid niets, namelijk, niets in waardigheid en uitnemendheid naast God, of niets op de manier van een wezen, dat uit zichzelf wezenlijk bestaat, zoals God is in genere entis per essentiam, en toch is de mens in bestaanswijze een wezen, krachtens deelgenootschap, in genere entis per participationem. De mens is, bij God vergeleken, een gering, waardeloos, armzalig nietje, een wegdruipende, wegsmeltende, verdwijnende nul. Ja de liefelijkste instellingen zijn, omdat haar liefelijkheid maar een geschapene is, nauw verwant aan niets, en, bij God vergeleken, blote schaduwen die de onsterfelijke ziel niet kunnen dragen, en zij zijn niets, aan de ijdelheid onderworpen, welke alle schepselen gemeen hebben. Zo zegt de Schrift, dat ieder mens, in zijn beste staat, enkel ijdelheid is. (Ps. 39:6) Ziet, Gij hebt mijn dagen een handbreed gesteld, en mijn leeftijd is als niets voor U; immers is een ieder mens, hoe vast hij staat, enkel ijdelheid. (Jes. 40:17) Alle volkeren zijn als niets voor Hem, en worden bij Hem geacht minder dan niet en ijdelheid. Toch kan een heiden zeggen en denken en door de rede bewijzen, dat de ikheid en de mens en de gehele wereld, in vergelijking met de oneindige God, minder zijn dan niets, vergeleken bij alle dingen, dan een druppel water, vergeleken bij de zee, of de schaduw bij het lichaam, of een stuivers-fakkel bij het licht van een zon als tien duizend miljoen zonnen en toch even ver van zelfverloochening en van het afleggen van de oude mens en het doden van de begeerlijkheden van het vlees af zijn, als het licht van de duisternis. Het is een ongegrond beweren, dat het de eigenschap van het schepsel is, zichzelf, en het zijn, en dit of dat, en hier en daar te zoeken en te willen, evenals het de eigenschap van God is, zonder dit of dat, zonder zelfzoeking, zelfzucht of iets dergelijks te zijn. Elk geschapen iets toch, zelfs wormen, kikvorsen, bomen, zulke schepselen, die schepselen gewinnen, zoals zij zelf zijn, hebben zo’n gepast en natuurlijk belang in te bestaan, dat zij, zonder zonde van of afwijking van wet of regel, of enig leidend of besturend natuurbeginsel, zichzelf, hun eigen bestaan begeren. En aangezien zij in zichzelf niet kunnen blijven voortbestaan, begeren zij het bestaan, hun soort in stand te houden door voortplanting, en zullen zolang zij kunnen de strijd volhouden tegen alle tegenstanders en vijanden, om hun zijn te bewaren, hoewel het slechts van God ontleend is, en ik kan niet inzien, dat zij, in zo te handelen, zondigen; ook was de voorwaardelijke begeerte van Christus, te leven en de dood te ontgaan, in het minst niet in strijd met zuivere zelfverloochening.
De Heere zoekt Zichzelf en Zijn Eigen eer, en Hij heeft alles gewrocht om Zijns Zelfs wil, ja ook de goddeloze tot de dag des kwaads (Spr. 16:4). Dat is een zeer heilige en reine handeling, welke God aan Zichzelf toeschrijft: (Jes. 43:21) Dit volk heb Ik Mij geformeerd, zij zullen Mijn lof vertellen.
In alle inzijn in Christus is een voortdurende levenswerkzaamheid door geloven, zich verheugen en rusten in God. Zo zegt Filippus: (Joh. 14:8) Heere, toon ons de Vader en het is ons genoeg. Hier zoekt het leven een zielverzadigende vereniging met het Leven, want alleen het leven is een genoegzaam voorwerp voor het leven. Levende dingen zoeken geen dode dingen als zodanig, om hen gelukkig te maken, indien de rede hen recht doet handelen. In God, zoals Hij geopenbaard is in Jezus Christus, vinden de heilige een zielsvoldoening voor zichzelf, en het zien van God in Christus, hetzij in dit, of in het toekomend leven, is een levensdaad, want de ziel leeft in de oceaan, in de zee en in de boezem van een schone, eeuwige waarheid. Maar is zij daar werkzaam? Ja, en de Schrift drukt haar werkzaamheid uit door God zien en uit de Fontein des levens drinken. De ziel, die zo in Christus is, drinkt liefde in en zuigt de borsten van de zielverheugende uitlatingen van Christus, en Christus haalt wederkerig daden van bewondering en verwondering uit, en geniet die, doordat Hij het aangezicht van de ziel beademt met de liefelijkheid van Zijn uitnemendheid. (Hoogl. 2:8.) Dat is de stem mijns Liefsten, ziet Hem, Hij komt, springende op de bergen, huppelende op de heuvelen. Ziet, is een woord, dat verwondering uitdrukt. (1 Joh. 3:1.) Ziet hoe grote liefde ons de Vader gegeven heeft. Niet alleen de liefde, maar de aard van de liefde van de Vader in Christus en de wijze, waarop Hij die betoont, is een wonder van de wereld. (2 Thess. 1:10.) Christus zal, wanneer Hij zal gekomen zijn, wonderbaar worden in allen, die geloven.
Wanneer wij de trekkende beminnelijkheid van Christus zien en genieten, stort Hij, als de Fontein en Bron des levens, goddelijk licht en overvloed van liefde, vers uit de Bron van hemelse liefde, in onze verstandsliefde en in de flikkeringen en uitstralingen van ons verstand, en de ziel doet haar mond wijd open en drinkt de stromen van Christus’ nectar, de honing en de melk, Zijn vertroostingen en liefdesuitlatingen in. In Zijn licht het licht ziende en in Zijn liefde liefde gevoelende, maakt Hij ons licht en onze liefde, als het ware, mede-eeuwig door ontleende eeuwigheid, en wij gaan voort te blinken door geleend licht en te vlammen door geleende kolen van de liefde, van de uitstralingen van Christus’ glansrijk aangezicht. Gelijk van Christus geschreven staat, dat Hij Zijn kudde onder de leliën weidt, in die hof van Christus, Zijn gemeente, welke de gewone weide is voor de lammeren van de kudde, zo ook weidt en voedt Hij de zielen van de heiligen, die Hem genieten, met het merg, de vettigheid en de lekkernijen van het licht en de liefde, die uit Zijn aangezicht stralen, evenals de olie de vlam van de lamp voedt, doch met dit onderscheid, dat de olie in de lamp door het branden verbruikt wordt, maar dat de lekkernijen van Christus, waarop Hij ons onthaalt, door ons eten niet verminderen.
X. Er is in dit genieten van Christus een leven en getroost zijn in Christus, tot verzadiging toe.
De liefde maakt de benen van de ziel sterk en haar vleugelen snel in het jagen naar vereniging met Christus. De liefde legt haar hand aan de diepste grond van de begeerte en trekt de liefhebber met sterke koorden tot zich. Wij hebben gehoord van. de nodiging van Christus: "Komt tot Mij;" doch veronderstelt, dat Christus nooit Zijn liefde, in zo’n liefdes uitdrukking —"komt tot Mij" — ontdekt had. Christus Zelf is een zo trekkend voorwerp, dat Zijn schoonheid, de reuk van Zijn klederen, Zijn mirreberg en wierookheuvel, de zee en de rivieren des heils en die uitgestrekte, wijde hemel van de verlossing, innerlijk en uit zichzelf roepende, trekkende en bekorende voorwerpen zien; hoewel goud stom is en niet kan spreker, toch roept zijn schoonheid en het voordeel, dat er in gelegen is, het te bezitten, uit: "Komt tot mij, u armen, en wordt rijk."
De vleugelen van de liefde bewegen zich liefelijk. "Doe Mij open, Mijn zuster enz. Mijn hoofd is vervuld met dauw en Mijn haarlokken met nachtdruppen". Geen stom en zwijgend geweld is zo krachtig, zo doordringend als de liefde van Christus.
Wanneer de ziel enigermate deze liefde van Christus begrijpt, wordt de ziel vervuld tot al de volheid Gods (Ef. 3:19). Daaruit moet volgen, dat alle geschapen voorwerpen, wegens hun kleinheid en geringheid en wegens de uitgestrekte en wijde ruimte van de ziel, die, met God en de volheid van Christus vervuld zijnde, tot haar wijdste ruimte en omtrek uitgebreid is, niet meer bij die ziel in aanmerking komen. Het is daarmee als met een man, die boven in een kasteel is, van welke de top zich hoger dan de derde hemelstreek of tot nabij de sfeer van de maan verheft, en vandaar neerziet op de schoonste en liefelijkste weiden of op een hof vol rozen en bloemen van alle zachte kleuren en heerlijke geuren; hij zou in die alle geen liefelijkheid zien, ja de aangenaamheid, de kleur en de geur van die alle zou nooit zijn zintuigen kunnen bereiken, omdat hij er zover boven staat. Zo is ook de ziel, die met de liefde van Christus vervuld is, hoog boven alle geschapen liefhebbers, en zij zijn zover beneden het oog van de ziel, dat hun beminnelijkheid niet kan opklimmen binnen het bereik van de hoge en wijde ruimte van een vergeestelijkte ziel. Het licht van een stuiver kaars, die in een donkere nacht wordt neergezet in een huis, dat enige mijlen lang en breed en hoog is, zal niet in staat zijn dat gehele huis te verlichten en de daarin aanwezige lucht licht en doorzichtig te maken, zoals het licht van de zon dat doet.
De heerlijkheid van Christus’ schoonheid verandert de ziel, die haar ziet en liefheeft, in een stuk goddelijke heerlijkheid, als door des Heeren Geest (2 Kor. 3:18). Daarom ziet de ziel Christus zo van nabij in Zijn liefdesomhelzingen, als Hij teder Zijn linkerhand onder haar hoofd legt en haar met Zijn rechterhand omhelst, dat zij noch zichzelf, noch een andere liefhebber kan zien. Zij ziet niets dan Christus’ schoonheid; hoort niets dan de stem des Liefsten; smaakt niets dan Zijn liedeappelen en Zijn flessen wijn; ruikt niets dan Zijn nardus en kostbare oliën, zodat de ziel bekleed is met Christus en Zijn liefde, en het niet kan laten, wederkerig Hem haar liefde te betonen. Christus laat Zich zodanig uit in Zijn liefelijkheid en voortreffelijkheid, dat de ziel door Christus Jezus met geweld gegrepen en toch liefelijk en krachtig in het wijnhuis van de Koning getrokken en gevoerd wordt (Hoogl. 2:4), zo krank van en overwonnen door liefde (Hoogl. 2:5 en 5:8); zo door liefde geketend en gedrongen (2 Kor. 5:14); zo gewond door pijlen van liefde, dat dood, graf, hel, engelen, tegenwoordige of toekomende dingen, die wonden niet kunnen verzachten, wegnemen, verbinden of genezen (Ps. 45:6; Openb. 6:1, 2; Hoogl. 8:6, 7; Rom. 8:38, 39). Ja de ziel moet zich, als een bruid onder de macht van haar man, overgeven en haars vaders huis verlaten en zichzelf verliezen in een zo diepe oceaan van liefdesverlustigingen, sterker dan wijn (Ps. 45:11; Hoogl. 5:1 en 1:2), dat zij als versmolten en ontbonden in Christus bezwijmt (Hoogl. 5:6), en in die bezwijming nodig heeft, ondersteund te worden met de flessen wijn en versterkt te worden met de appelen van Zijn vertroostingen (Hoogl. 2:4, 5).
Jezus Christus kan niet anders dan teer, liefderijk en ontfermend handelen met Zijn liefste. Christus moet de Zijnen trekken (Joh. 6:44); liefelijk lokken (Hos. 2:18; Jes. 40:1); bij de armen nemen (Eng. Vert.), en hun leren gaan, evenals een moeder haar kindje, dat nog niet alleen lopen kan; ja Hij draagt hen in Zijn armen en troetelt hen op Zijn knieën (Jes. 46:3, 4; Ex. 19:4). Zij worden op Christus verwarmende vleugelen gedragen, evenals de jonge arenden op de vlerken van hun moeder (Deut. 32:11; Hij neemt hen in Zijn schoot en kweekt hen op met de warmte en levenshitte van Zijn eigen hart, (Jes. 40:11); die goede Herder draagt hen op Zijn schouderen (Luk. 15:5) en toch zijn zij nader aan Christus als een armband aan Christus’ armen is. Zo draagt Christus Zijn Kerk, als een lint, een liefdeteken Jer. 22:24; Hoogl. 8:6), met letters van bloed in Zijn vlees ingedrukt, gezegeld en in Zijn handpalmen gegraveerd. (Jes. 49:16). Ja, zij zijn Hem nog nader dan een zegel, op Zijn hart gezet; zij zijn Hem zo dierbaar, dat zij een plaats ontvangen in Zijn ingewanden en in Zijn hart (Hoogl. 8:6); zij blijven in Christus (1 Joh. 4:13), en blijven in God, en God is liefde, en zo blijven zij in de liefde van Christus (1 Joh. 4:16), en worden gekust met de kussen van Christus’ mond (Hoogl. 1:2) en liggen tussen Christus’ rechter- en linkerarm (Hoogl. 2:6). Doch dit trekt de ziel niet van de plichten af, maar het vuurt haar aan tot de plichten, om Christus wil, die zij zo vurig liefheeft. Deze genietingen zijn ook niet onbestaanbaar met zondige zwakheden.
Gelijk de liefde zich snel tot de ziel begeeft, als een ree of een welp van de herten, want dat is Christus’ tred, wanneer Hij tot Zijn gemeente komt (Hoogl. 2), zo ook bewerkt de liefde de ziel natuurlijk, om de waardigheid en voortreffelijkheid van Christus, de Liefste, te begrijpen, omdat zij daar zelf prijs op stelt. De liefde is niet onredelijk als iemand, die woedend of krankzinnig is, maar zij is zichzelf meester. Daarom moeten de verborgenheid van Christus, de diepten en verborgenheden van de schatten van Zijn liefde en wijsheid voor de ziel worden opengelegd. De ziel ziet nieuwe goudmijnen, nieuw ontdekte juwelen, waarvan zij niet wist, dat zij bestonden, in Christus ontsloten en ontvouwd. Hier is de inkomst van de stralen van ontoegankelijk licht, de aderen van de onnaspeurlijke rijkdommen van Christus, evenals of men elk ogenblik een nieuwe hemel, een nieuwe schat van liefde zag, de diepe grondeloze bodem van een oceaan van verlustigingen en rivieren van wellusten. Het hart van Christus wordt ontsloten, nieuwe uitlatingen en ingevingen van de liefde, die de kennis te boven gaat worden geopenbaard. Geen oog heeft gezien, geen oor heeft gehoord, en het is in het hart van de mens niet opgekomen, wat God bereid heeft dien, die Hem liefhebben (1 Kor. 2:9), en toch wordt het in dit leven enigermate geopenbaard.
Het is zeer opmerkelijk, hoe de ziel in het liefhebben van Christus van Zichzelf niet is, en hoe Christus in betrekking tot Zijn liefhebben ook van Zichzelf niet is, doch hoe elk zichzelf aan de andere overgeeft, en hoe aan beide zijden het recht van eigendom en aandeel aan zichzelf, als het ware, ophoudt. (Hos. 3:3) En ik zeide tot haar: Gij zult vele dagen na (Eng. voor) mij blijven zitten, gij zult niet hoereren, noch een andere man geworden, en ik ook na u (Eng. zo zal ik ook voor u zijn). Zo spreekt ook het huwelijks-genade-verbond: Ik zal Uw God zijn, en u zult Mijn volk zijn.; en de bruid zegt: "Mijn Liefste is mijn, en ik ben Zijne." (Hoogl. 2:16). Weliswaar houdt Christus niet op Zijns zelfs, of een vrij God te zijn, wanneer Hij de onze wordt, maar Hij gedraagt zich zo alsof Hij niet van Zichzelf was, door met ons in nauwe betrekking te komen en ambten op Zich te nemen, die Hem verbinden. Zo is Hij voor ons een Zaligmaker; een Gezalfde, een Verlosser, een Koning, een priester, een Profeet, een Herder, een Man, een Losser, een Vriend, een Hoofd, een Leidsman, en een Hoofd van het volk. De ziel, die Christus geniet, bezit Christus en niet zichzelf; zij bemint Christus, niet zichzelf; zij leeft in Christus, niet in zichzelf; zij geniet Christus, niet zichzelf; zij troost zich in Christus, niet in zichzelf; zij aanschouwt Christus en Zijn schoonheid, niet zichzelf, noch haar eigen schoonheid, zodat verstand, wil, liefde, verlangen, hoop, blijdschap, gezicht, verwondering, verlustiging, alle voor Christus zijn en niet voor zichzelf. Dit alles bevestigt verder het punt, dat wij behandelen, dat Christus en die gekruisigd, door het geloof aangegrepen, een begeerlijke en trekkende Liefhebber is.
"Allen" (Eng. Vert. "alle mensen.) – Ik zal ze allen tot Mij trekken
Het derde artikel in de leer van Christus’ trekking is: de partijen, die tot Christus getrokken worden, welke hier genoemd worden, [Gr. pantes] alle mensen.
Er bestaat een belangrijk geschil tussen ons en hen, die algemene verzoening en algemene genade voorstaan, evenals nu vele Anabaptisten in Engeland, wat met "alle mensen" bedoeld wordt, waarin wij moeten aanmerken:
1. De stand van het geschil.
2. Het gevoelen van de tegenpartij.
3. Ons gevoelen.
4. Het vereffenen van de door de tegenpartij bijgebrachte plaatsen.
5. De beantwoording van het voornaamste geschilpunt, welk geloof vereist wordt van allen, die binnen de zichtbare kerk zijn.
6. De gebruiken van de leer.
Over elk punt slechts een kort woord.
1. De stand van het geschil.
Het geschil gaat over, (1) Gods voornemen, mensen zalig te maken. (2) Het verkiezen van sommigen tot de zaligheid, en niet anderen. (3) Gods voornemen in het zenden van Christus, om voor sommigen te sterven en niet voor anderen.
Het eerste punt wordt algemene genade genoemd, het tweede punt voorwaardelijke genade of, wat mij geheel hetzelfde is, algemene verkiezing tot heerlijkheid, en dus, geen verkiezing. Het derde punt is het geschil over de algemeenheid van Christus’ dood of een ingebeelde algemene verzoening, welke door Christus voor alle mensen gedaan is. Ik. kan die drie punten niet alle in bijzonderheden verhandelen.
(1) God maakt alle mensen tot Christus’ schuldenaars, in zo ver, dat het ontferming is, dat zij leven, of gelegenheid hebben God te zoeken, wat ook de natuurlijke of bovennatuurlijke middelen daartoe zijn. Aangezien God, wegens de zonde van Adam, door een gelijke rechtvaardigheid, de wereld en alle mensen kon verdelgd hebben, zijn alle dienstknechten, wegens hoogverraad van het hoofd tegen de Koning van de hemel en van de aarde, aan de ijdelheid onderworpen, doch in Christus zijn er twee verzachtingen. De ene is, dat de dienstknechten niet verdelgd worden om de zonde van het hoofd. De andere, dat evenals de Heere voldoening heeft ontvangen voor de breuk, door de zonde veroorzaakt, zo ook de kranke dienstknechten, die onder de ijdelheid zuchten, verlost zullen worden van die dienstbaarheid, aan welke zij onderworpen zijn wegens de zonde van de mens (Rom. 8:20—22). Dit is de reden, dat wij nu, hoewel wij van nature alle recht verbeurd hebben, door een genadedaad van de Middelaar, het Hoofd als inwoner kunnen ontvangen, omdat Christus de wet en akte van verbeurdverklaring heeft weggenomen.
Er leeft niemand op aarde of hij is Christus, hoewel velen Hem niet kennen, alles verschuldigd voor de algemene bijstand van de voorzienigheid, en de ervaringen leren door de natuur iets meer van God kennen.
Het geluid van Christus, door God geopenbaard in het Evangelie, is in de bediening van de apostelen bekend gemaakt en tot de einden van de wereld en tot de volkeren uitgegaan (Ps. 19:4; Rom. 10:18). Sommigen zeggen echter dat die woorden: "Hebben zij het niet gehoord," betrekking hebben op (vs. 14) het horen van het Evangelie of het bekendmaken van de blijde boodschap van het Evangelie aan elk en een ieder mens, en op dat horen doelen. Ik antwoord: De tegenpartij zegt, dat het betrekking heeft op het horen van God, zoals Hij Zich in de middelen ter zaligheid openbaart, doch dan is de vraag nog, of die middelen de prediking van het Evangelie zijn of de prediking van diezelfde God Die in het Evangelie geopenbaard is en de zaligheid door Hem, zoals Hij Zich als Schepper openbaart en door zon maan en sterren gepredikt wordt. Indien nu de zon, de sterren en de hemelen vertellen, in deze zin, Gods eer, en verkondigen Zijn lof en de zaligheid door Christus aan elk en een ieder volk, en aan elk persoon zonder uitzondering, niet alleen, toen Paulus dit aan de Romeinen schreef, maar ook toen David de 19e Psalm maakte; welk verschil is er dan tussen de Joden, aan wie God Zijn getuigenissen bekend maakte, en de heidenen wie God zo’n openbaring niet deed? (Ps. 147: 19, 20; Deut. 4:33, 34; Deut. 5:25, 26; Ps 78:1, 2 enz.; Ps. 81:4, 5). Als dit geluid het Evangelie is, dat gepredikt wordt aan zovelen als de zon aanschouwen, en altijd, wanneer zij de zon zien, dan moeten op die tijd zon en maan gezonden apostelen en predikanten geweest zijn, en dat nog zijn, door de woorden en bediening van welken elk en een ieder mens, die de zon ziet, zowel toen als nu en tot de tweede komst van Christus toe, verplicht zijn, God in Christus te aanbidden, en te geloven, want het geloof is uit het gehoor, en zon, sterren, nacht en dag prediken dan Christus. Met het horen van het Evangelie toch, in vs. 18 moet dan het zelfde horen verstaan worden, waarvan in vs. 14 en 15 gesproken wordt, want met het ene wordt een horen van het Evangelie, door de dienst van de apostelen bedoeld, hetwelk geloof en zaligheid werkt, en met het andere een horen van zon en sterren, sprekende in het boek van de schepping. Doch dit laatste werkt geen geloof en zaligheid, zoals ook de tegenpartij moet toegeven.
De apostel zou dan zijn eigen tegenwerping, in vs. 18, niet beantwoorden met: "Indien allen, zowel Joden als heidenen, het Evangelie niet gehoord hebben, is het onmogelijk, dat zij kunnen geloven, want het geloof is uit het gehoor van het Evangelie, uit de mond van hen die van God gezonden zijn, en indien zij niet horen, is het in hen te verontschuldigen, dat zij niet geloven in Christus van Wie zij nooit gehoord hebben." De apostel zou dan moeten antwoorden: "Ja, doch zij hebben het Evangelie gehoord." Waarom? Wel! Zij hebben tot aan de einden van de aarde, door zon en sterren, Christus en de zaligheid door Hem horen prediken, want dit is zeker, dat David in de letterlijke en oorspronkelijke zin van de 19e Psalm over zulke stomme predikers spreekt. Zo’n antwoord echter is geen antwoord, want zon en sterren zijn niet door God gezonden, om de zaligheid door Christus te prediken.
Het geloof is niet uit het gehoor van de prediking van Christus door de redeloze schepselen.
Niet van de stomme en levenloze schepselen, maar van de profeten en de apostelen staat geschreven, dat op de bergen liefelijk zijn de voeten van degenen, die vrede verkondigen, zoals ook de verzen 14, 15 en 16 behelzen, die aangehaald zijn uit Jes. 52:7 en Nah. 1:15. De oorspronkelijke zin van de woorden in vs. 18 is echter slechte een blote zinspeling in Schriftstijl op de woorden van David in Ps. 19. Het is geen aanhaling nog verklaring van die woorden, doch een gebruik maken van de taal van de Schrift, in de vergelijking van het Evangelie bij de zon en het geluid van de prediking van het Evangelie bij het geluid van de heerlijkheid van de Schepper zoals die verkondigd wordt in de werken van hemel en aarde, om daardoor aan te tonen hoe ruim de prediking van het Evangelie onder het Nieuwe Testament is, namelijk, dat het niet, als vanouds, alleen aan het Joodse volk gepredikt wordt, maar aan alle naties, aan de Joden en aan een onverstandig volk, door welk de Heere de Joden tot jaloersheid zou verwekken, zoals duidelijk blijkt uit vs. 19 en 20.
Die stem, bedoeld in de woorden: [Gr. ho phohongos auton] "hun geluid is over de gehele aarde uitgegaan," is de stem van de twaalf apostelen van het Lams, die het Evangelie aan allerlei volkeren, aan Joden en heidenen predikten, en zij is niet de stem van de schepselen, van hemel en aarde, maar het is alleen een zinspeling op die stem uit Ps. 19. Anders toch hebben de woorden geen zin, want de apostel betoogt, dat het Evangelie gepredikt, de belofte van zaligheid verkondigd is aan allen, die de Naam des Heeren aanroepen, vs. 12. Of het Joden of Grieken, dat is heidenen zijn, zij moeten geloven, anders kunnen zij niet bidden, en zij moeten noodzakelijk horen, anders kunnen zij niet geloven, en zij kunnen niet horen, tenzij God hen zendt, die hun prediken. God nu heeft beiden, Joden en heidenen, zoals de profeten Jesaja en Nahum voorzegd hebben, predikers, van welken de voeten liefelijk zijn, gezonden (vs. 13, 14 en 15), meer zij hebben niet allen gehoorzaamd (vs. 16, 17 en 18). Doch men mocht zeggen: "Zij hebben niet allen het Evangelie horen prediken, dan moet dit toch zeker de heidenen verontschuldigen, dat zij niet geloven, want hoe kunnen zij geloven (vs. 14) wanneer zij nooit van Christus gehoord hebben." Het is een redelijke verontschuldiging, als de heiden zegt: "Ik kan niet zondigen in het Evangelie niet te geloven", ja ook Christus spreekt hen vrij van de zonde van ongeloof, in Joh. 15:22, zeggende: "Indien Ik niet gekomen ware en tot hen gesproken had", en zij dus geen Boodschapper van de hemel gehad hadden, "zij hadden geen zonde", dat is, zij zouden vrij geweest zijn van de Evangelie-zonde van ongeloof, "maar nu hebben zij geen voorwendsel voor hun zonde." Nu kunnen zij niet zeggen: "Heere, wij kunnen geen Evangelie geloven, dat nooit tot ons gesproken, noch ooit door ons gehoord is." Doch het is zeker, dat de Joden die schepselen en werken Gods gehoord hebben, welke Zijn eer vertellen (Ps. 19). Indien zij Christus voorwerpelijk prediken, zoals Amyraldus en andere Arminianen zich inbeelden, dan zou het niet horen en niet gehoorzamen van het dus gepredikte Evangelie hun zonde geweest zijn, al hadden Christus of Zijn apostelen nooit het Evangelie verkondigd, dat in strijd is met het woord van Christus (Joh. 15:22) en met dat van Paulus: "Hoe zullen zij in Hem geloven, van welke zij niet gehoord hebben", door de prediking van een gezonden dienaar, die voorwerpelijk en met een hoorbare stem het Evangelie moet prediken. Doch laat ons tot de stand van het geschil terugkeren.
Zoveel is aan allen, zelfs aan hen, die nooit van Christus hoorden, van God geopenbaard, dat alle verontschuldiging uitgesloten is, omdat zij weten, dat zij willens en wetens God, als God, niet verheerlijken. (Rom. 1:19—21) Allen, die in de zichtbare Kerk zijn, hebben middelen, die in hun soort genoegzaam zijn, in genere mediorum externorum, om hen zalig te maken.
Evenals niemand door het licht van de natuur kan worden zaliggemaakt, en nooit iemand het daartoe gebruikt heeft of heeft kunnen gebruiken, om het aan te leggen tot genoegzame voorbereiding, om de boodschap van het Evangelie aan te nemen, dat hun door daartoe gezonden mensen of engelen gepredikt of door enigerlei ingeving, welke de zin van het Evangelie, of dingen, die in het Evangelie bekend gemaakt worden, tot hun kennis wordt gebracht, zo ook kunnen zij niet zaliggemaakt worden door een andere naam onder de hemel, dan de Naam van Christus; dat is door Christus, Die in het Evangelie genoemd, gepredikt en geopenbaard wordt. (Hand. 4: 10—12; Joh. 14:6; Hebr. 11:6; Joh. 5:40; 1 Joh. 5:12) Die de Zoon heeft, die heeft het leven. die de Zoon niet heeft, die heeft het leven niet.
Het geschil loopt hierover: (1) of God in zoverre wel of niet wil, begeert en voorneemt, dat elk en een ieder binnen en buiten de zichtbare Kerk, Tartaren en Indianen, die nooit, zelfs bij geruchte, van Christus gehoord hebben, niet uitgezonderd, zullen zalig worden, dat Hij hun genoegzame middelen en bijstand van een gewone en algemene genade geeft, welke de Heere, indien zij die goed willen gebruiken, zal belonen, bevorderen en vermeerderen, hetzij uit welvoeglijkheid of een overeenstemmende gesteldheid van goedheid, of uit billijkheid, of volgens een vrije belofte of enigerlei verplichting, zodat Hij hun het Evangelie zendt en een grotere mate van zaligmakende en innerlijke genade verleent, waardoor zij, indien zij dat willen, zullen bekeerd worden tot het geloof in Christus en zalig worden. Dit stellen de Arminianen en wij ontkennen het.
(2) Of de Heere van eeuwigheid (latere Arminianen stellen een verkiezing in de tijd) volstrekt, zonder enige voorziening, of voorwetenschap, of voorkennis van goede werken, geloof, volharding in geloof en goede werken, of van staat, reden, oorzaak, verdienste, geschiktheid in sommige bepaalde personen, die personen en niet andere, heeft voorverordineerd en uitverkoren tot heerlijkheid en het eeuwige leven; alsmede al de middelen tot dat einde leidende, en dat uit louter vrije genade, omdat Hij het wil; met andere woorden, of niet de Heere een bepaald, volkomen, afdoend en onherroepelijk besluit genomen heeft, om sommige bepaalde personen zalig te maken, omdat Hij voorziet, dat zij de geest geven en sterven in geloof en een heilige wandel.
De Arminianen stellen, dat des Heeren besluit van de verkiezing van mensen tot heerlijkheid algemeen, voorwaardelijk, onvolkomen en veranderlijk is, omdat Hij voorziet dat zij hun loop in het geloof voleindigd hebben, en dat Hij dan beslissend en onherroepelijk een vast besluit doet uitgaan, om die en geen anderen zalig te maken. Wij ontkennen zulke losse besluiten in de Almachtige, en geloven, dat Hij, uit vrije genade, sommigen volstrekt, zonder enige vereiste in hen, of zonder enig opzicht op enigerlei voorgezien goed in hen, meer dan in anderen, verkiest, omdat Hij zich ontfermt, diens Hij wil, en verhardt die Hij wil (Rom. 9:17, 18).
Ook loopt het geschil hierover, of, naar dit algemeen, onbepaald, herroepelijk en voorwaardelijk welbehagen en voornemen Gods, om allen en een ieder zalig te maken, de Vader Zijn Zoon geeft, en de Zoon voor allen en een ieder sterft of niet; of Hij volstrekt voorneemt voor elk en een ieder mens de weg te openen, om door smeking vergeving van zonden te verkrijgen, en in het bijzonder verzoening teweeg te brengen voor de erfzonde en alle zonden tegen het verbond der werken; en de zaligheid en de ontsluiting van de poorten van de hemel te verwerven voor allen, zowel die in als die buiten de zichtbare Kerk zijn, zodat God Zijn toorn over al die zonden heeft afgelegd, en allen kunnen zalig gemaakt en met God verzoend worden, alsmede, dat niettegenstaande het pleit van de goddelijke rechtvaardigheid tegen de mensen, elk en een ieder, overeenkomstig het voornemen Gods, in Zijn bloed kan gezaligd worden, zo zij maar in Christus geloven, gelijk zij dat mogen en kunnen. Dit ontkennen wij en de Arminianen stellen dit vast.
2. Het gevoelen van de Arminianen. De Arminianen stellen zes algemeenheden.
(1) Zij zeggen, dat God elk en een ieder mens, van welke geaardheid ook, evengelijk en algemeen welwillend gezind is, ja Ezau, Farao en Judas, zowel als Jakob, Mozes en Petrus, om hen allen zalig te maken, zodat deze liefde niet nauwgezet en volstrekt beperkt is tot zekere bepaalde personen, die Hij liefheeft en tot de zaligheid heeft uitverkoren.
(2) Dat er voor elk en iegelijk een algemene prijs, een algemeen rantsoen door Christus, in Zijn sterven aan het kruis, is opgebracht en een algemene verzoening en verlossing door Christus’ bloed is verworven, waardoor elk en een ieder, Farao, Judas, Kaïn, alle heidenen, Tartaren en wie ook, die nooit van Christus hoorden, zalig gemaakt en verzoend kunnen worden, en waardoor God voor hen vergevensgezind en te verbidden geworden is, zodat zij, hoewel zij in de eerste Adam verloren liggen, weer een nieuwe kans op de hemel hebben; dat de Heere in Christus’ dood een algemeen, voorafgaand en inleidend voornemen heeft, alle mensen, zonder onderscheid, zalig te maken; ja, dat de vrucht van Christus’ dood en het gevolg ervan stand zullen houden, al zouden alle mensenkinderen eeuwig verloren gaan en niet één persoon behouden worden.
(3) Evenals er een algemeen verlies voor allen geweest is, zo is er een tweede verbond van vrije genade met ieder van Adams kinderen gemaakt, met beloften van vrije genade, een nieuw hart, gerechtigheid en het eeuwige leven, op schone voorwaarden, indien de vrije wil, in het stuk van zaligheid en verdoemenis, zijn rol goed speelt. Alsof niet Christus de beste Leermeester van de vrije wil zou zijn!
(4) Elk en een ieder mens wordt in dit verbond opgenomen in de nieuwe staat van verzoening, genade en gunst, en van rechtvaardiging van elke breuk van de wet of het eerste verbond; allen, zowel jong als oud, zijn eenmaal geheel verlost van verdoemenis en toorn; alle heidenen zijn door Christus verzoend en gerechtvaardigd in Zijn bloed, en alle zonden zijn nu zonden tegen het genadeverbond; Christus en alle mensenkinderen beginnen nu met een nieuwe rekening.
Hoewel het schip gebroken en alle mensen in de zee terecht gekomen zijn en daar moeten sterven, toch zijn zij zo buiten boord geraakt, dat Christus, de Borg van een beter verbond, tot het grote Schip gesteld is, waar de schipbreukelingen, indien het heer Vrijewil behaagt, heen mogen zwemmen en zo ten tweede male veilig aan land komen.
Zo zijn er dus twee verlossingen in Christus, twee rechtvaardigmakingen uit genade.
Nochtans worden, noch de tijding van dit nieuwe verbond, dat met alle mensen gemaakt is, noch deze staat van verzoening of rechtvaardigmaking ooit aan het duizendste deel van de mensen geopenbaard, en hoewel iedereen onder deze wet van het geloof en dit verbond der genade is, toch is deze verplichtende en bovennatuurlijke wet nooit bekend gemaakt aan miljoenen mensen, die zij tot gehoorzaamheid verplicht, zover dat zij door goede vlijt en het gebruik maken van de gewone giften van de natuur, of liever, door het loon en de verdienste van mensen buiten Christus, en doordat de vrije wil zijn best doet, over het gepredikte Evangelie en Christus een overwinning behalen.
5. Elk en een ieder van moeders kinderen en van de kinderen van Adam wordt geroepen en genodigd, ja, zo zeggen zij, volgens onze tekst, trekt Christus alle mensen, ook al willen zij niet getrokken worden en de enige oorzaak van verkiezing en verwerping, of zaligheid en verdoemenis ligt in ‘s mensen vrije wil.
6. Elk en een ieder wordt voorzien van alle uitwendige middelen van de zaligheid, van voldoende genade en van een besliste onpartijdigheid en macht in de vrije wil, de trekking van Christus met ja of neen te beantwoorden, en door een vlijtige gebruikmaking en een zorgvuldig beheer van de gewone gaven, of van hetgeen in de natuur is overgebleven en van hun nieuwe voldoende genade (konden zij er ons de naam maar van noemen) een meerdere mate van genade te verwerven, omdat zij de prediking van het Evangelie en de genade van de bekering veroveren. Nochtans zijn zij zo, (al doet Christus nog zo Zijn best) dat zij, indien de vrije wil zijn eigen vrijheid wil gebruiken, allen bekeerd kunnen worden, of dat allen verloren kunnen gaan; dat allen kunnen volharden in de genade en zalig worden, zodat niemand verdoemd wordt, of dat allen geheel en finaal van de genade afvallen, zodat niemand volhardt en zo allen eeuwig verloren zijn en dat, niettegenstaande des Heeren eeuwige besluiten van verkiezing en verwerping, de dood van Christus, de kracht van vrije genade, de voorbidding van Christus ter rechterhand Gods en de onveranderlijke liefde van God, want deze alle kunnen niets doen, om de volstrekte en onafhankelijke, vrije wil van de mens te beletten, die weg uit te geen, welke hij verkiest.
Hier tegenover stellen wij:
I. Verkiezing is het besluit, dat uit vrije genade, zekere, bepaalde mensen afzondert tot heerlijkheid.
1. De uitverkoren en getrokken mensen zijn bij name aangewezen. Jakob en niet Ezau, en dat vóór de kinderen iets goeds of kwaads gedaan hadden, hoewel Ezau de oudste was. Izaäk moet de zoon van de beloften zijn, niet Ismaël. Vader en moeder waren uit vrije genade en dat te meer, waar voor Abraham en Sara de natuurlijke tijd, om een zaad te gewinnen, voorbij was. Het zijn Petrus en Johannes, en niet Judas, de zoon der verderfenis. Abraham, die met zijn huis de afgoden diende aan gene zijde van de rivier, wordt eruit gehaald en geen ander. De Heere heeft lust tot de Joden gehad, omdat Hij hen liefhad (Deut. 7:7), toen hun vader een Amoriet was en hun moeder een Hethitische, en zij vertreden lagen in hun bloed (Ezech. 16:3—7), en niet de overige Kanaänieten. De stam van Juda is de koninklijke stam, en niet een van de andere stammen. De geringe Jefta wordt genomen en niet een van de andere zonen van dat gezin. Geen andere van de zeven zonen dan de verachte herder, de roodachtige jongen, die achter de lammeren loopt te zingen, David, die, niet in tel zijnde, door allen vergeten is.
2. Zij worden als met de vinger aangewezen; met naam en toenaam genoemd. (Ps. 87:5) En van Sion zal gezegd worden, die en die [Hebr. ish ve-ish] (mens en mens) is aldoor geboren. (Jes. 49:1) De Heere heeft mij geroepen van de buik, van mijns moeders ingewand heeft Hij mijn naam gemeld. Gij zijt (of de Profeet van het hoofd, of een lid, of wat ook, sprak, is een en hetzelfde) door de mond van God, van eeuwigheid bij uw naam genoemd, Jan, Anna enz. (Jes. 43:1) O Israël, vrees niet, want Ik heb u verlost, Ik heb u bij uw naam geroepen, u zijt Mijne. Zo wijst de Heere ze als met de vinger aan. (Jes. 49:12) [Hebr. hinnehelleh] Ziet, deze zullen van ver komen; en ziet, die van het noorden (Noorderland-mensen) en van de zee (eilanders) of van het westen (Westerland-mensen), want zo kan het gelezen worden, en genen uit het land Sinim. (Ezech. 36: 20) Deze zijn het volk des Heeren. (Hebr. 40:13) Deze allen [Gr. outoi pantes] zijn in het geloof gestorven; zij zijn hoofdelijk genoemd en vermeld. (Openb. 14: 4) [Gr. outoi] deze komt driemaal in één vers voor. Deze zijn het, die met vrouwen niet bevlekt zijn. —Deze zijn het, die het Lam volgen, waar het ook heengaat. Deze zijn gekocht uit de mensen.
3. Zij worden omschreven bij hun land. (Jes. 19:18) op die dag zullen er vijf steden in Egypteland zijn, sprekende de spraak Kanaäns. (vs. 24) op die dag zal Israël de derde wezen met de Egyptenaren en met de Assyriërs, een zegen in het midden van het land. (vs. 25) Want de Heere der heirscharen zal ze zegenen, zeggende: "Gezegend zij Mijn volk de Egyptenaars, en de Assyriërs, het werk Mijner handen." (Zef. 3:10) Van de zijden der rivieren van de Moren zullen Mijn ernstige aanbidders, met de dochter Mijner verstrooiden, Mijn offerande brengen.
4. Hun namen zijn persoonlijk ingeschreven in het Boek des levens des Lams. (Luk. 10:29; Openb. 13:8 en 20:15.) Evenals burgers van een vermaard lichaam, of senators, die het bestuur over een stad hebben, in het registerboek van de koning of van de stad ingeschreven zijn, zo zijn zij, die in witte klederen gekleed het Lam volgen, in het publiek register van de hemel, in het hart Gods, ingeschreven als leden van de hemelse vergadering.
5. Het was geen koop in het blinde, die Christus sloot, Hij wist, wat Hij gaf, en Hij wist, wat Hij kreeg. Christus telde een bepaalde, afgepaste losprijs neer, evenals een getelde som geld, waarvan elke penning gerekend en neergelegd is, en Hij wist, wie de Zijnen waren en wie en hoe velen, bij name genoemd, Hij kocht; het is geen toeval, dat de ene in plaats van de andere binnenkomt. (Joh. 10:14) Ik ben de goede Herder. Hoe wordt dat bevestigd? Hij draagt bijzondere zorg voor de gehele kudde, doordat Hij weet hoeveel en wie de Zijnen zijn. Het is een bewijs dat Hij een goede Herder is, dat Hij weet wie niet van Zijn schapen is, en het weet als er een ziek, of verloren, of afgedwaald is. Nu, Hij zegt: "Ik ken de Mijnen en wordt van de Mijnen gekend." Ik ken ze en zij kennen Mij. Hierop heeft ook voorzeker betrekking: (2 Tim. 2:19) "Het vaste fondament Gods staat, hebbende deze zegel, de Heere kent degenen, die Zijnen zijn." De schapen voor welke Christus sterft (Joh. 10) zijn gewis de schapen voor welke Hij Zijn leven stelt (vs. 10) en sterft, en die, (1) welke het leven hebben en overvloed hebben (vs. 10). (2) Zij zijn de schapen, die gekend zijn in de eeuwige voorverordinering des Heeren en die Christus kent in de tijd. (3) Het zijn degenen, die Hij voorheeft toe te brengen, opdat het een kudde en een Herder zij. Het zijn Zijn schapen, voor welke Hij heengaat; die Hem volgen en Zijn stem kennen (vs. 4) en die een vreemde geenszins zullen volgen (vs. 5). Het zijn die, welke geen vreemde zullen dulden (vs. 5), maar (vs. 27) de stem van Christus horen en kennen, van Hem gekend zijn en Christus volgen. (6) Het zijn zulke schapen, die begiftigd zijn met het eeuwige leven en die niet zullen verloren gaan en die niet kunnen afvallen, evenmin als er iemand kan zijn, die meerder is dan de Vader, die ze uit de hand van Christus zou kunnen rukken (vs. 28, 29). Dat zij toch zullen blijven staan en niet uit de hand van de Vaders gerukt zullen worden, ligt aan de grootheid en macht van Christus’ Vader. "Niemand zal ze uit Mijn hand rukken," zegt Christus. Waarom niet? Mijn Vader, die ze Mij gegeven heeft, is meerder dan allen. Dan zou hij, die een van de schapen uit Christus’ hand zou rukken, meerder moeten zijn dan de Vader van Christus. En waar is hij, die meerder is dan de Vader? Noch in de hemel, noch in de hel. Nu voor die schapen is Christus gestorven.
6. Hij stierf voor die schapen, die onfeilbaar zullen geloven, want Hij zegt in vs. 26: "Gijlieden gelooft niet." Waarom niet? Want gij zijt niet van Mijn schapen. Dus, zij zouden zeker geloven, indien zij van die schapen waren, waar Christus voor stierf.
Men werpt ons tegen: Ik zal nooit geloven, dat dit antwoord kan bestaan. David toch en Job zeggen: "Gij, Heere, hebt mij in de buik geformeerd;’ en de Kerk zegt: (Jes. 64) "Gij zijt de Pottenbakker en wij het leem," maar daar zal nooit uit volgen, dat God niemand anders geschapen heeft dan David en Job en Zijn uitverkoren Kerk; evenzo gaat ook hier de gevolgtrekking niet door: "Christus stierf voor Zijn schapen, dus Hij stierf voor niemand anders dan voor Zijn schapen".
(1) Ik antwoord, dat het sterven voor zondaren een werk is van zuivere genade, dat alleen sommigen geschonken wordt, gelijk alle teksten, die ooit Roomsen, Jezuïeten of Arminianen bijbrengen, altijd degenen voor wie Christus stierf, beperken tot zekere, bepaalde personen, tot gelovigen, tot de schapen van Christus, tot hen voor wie Christus een Voorspraak is aan de rechterhand Gods, enz. Er is geen tekst in de Schrift, in Oude noch Nieuw Testament, waarin de personen, van wie men beweert, dat hun algemene genade en verlossing in Christus’ bloed geschonken is, niet beperkt moeten worden alleen tot de uitverkorenen en gelovigen. Ik zonder alleen deze plaatsen uit, waarin melding gemaakt wordt van dezulke, die alleen in belijdenis verlost zijn, zoals bewezen kan worden. Daarom is dit antwoord van de Arminianen petito principii en een voor bewezen houden van hetgeen zij niet bewijzen kunnen.
Zij zouden ook op dezelfde grond, omdat de Schrift zegt, dat God de mens op aarde schiep en voor mensen en voor de wereld stierf, het besluit kunnen trekken: daar God niet alleen mensen, maar ook engelen, dieren, vogels, vissen, bomen, zon en maan schiep, zo is Christus niet alleen voor mensen, maar ook voor engelen, duivelen, vogels, vissen en bomen, ja ook voor wormen, voor kruipend gedierte en voor ieder schepsel gestorven. Indien wij toch het vrije besluit Gods aanzien, dan zijn de duivelen even geschikt, om door Christus verlost te worden als de mensen, indien God dat van eeuwigheid voorgenomen had, en ten opzichte van hetzelfde besluit kunnen de verworpenen door eigen kracht, evenmin zichzelf zaligmaken en geloven, als stenen zich in kinderen Abrahams kunnen veranderen, indien niet God hen boven hun natuur opheft en Almacht het uitwerkt.
(2) Er zijn sommige, bepaalde personen verpand, of als pand in Christus’ hand gelegd (2 Tim. 1:12). Nu, allen zijn dat niet, doch alleen zekere, bepaalde personen. (3) Zij, die de Heere ten leven heeft uitverkoren, zijn door de Vader aan Christus gegeven. (Joh. 10:26; Joh. 6:37; Joh. 17:2, 6, 8, 9, 12, 24) en die allen worden ten uiterste dage opgewekt en zalig gemaakt (Joh. 6: 37, 39), en Christus kan er niet één van verliezen. (Joh. 17:9). Ja, Hij kan er niets van verliezen, geen ziel noch lichaam, ja, geen schenkel, noch een stukje van een oor van Zijn schapen, gelijk Hij in Amos 3 spreekt. Zo zegt Christus in Joh. 6:39, ja, ook in 1 Kor. 15:23, 24, dat ieder mens zal opgewekt worden in zijn orde en dat daarna het einde zal zijn, wanneer Hij het koninkrijk aan God en de Vader zal overgegeven hebben. Hij geeft over, die Hij overwonnen heeft, geen jongeling noch de verachtste jonge dochter wordt gemist of is verkeerd geteld. Wij voeden dikwijls ongegronde jaloersheden jegens Christus: "o Hij heeft mij vergeten," doch dat geeft te kennen, dat Christus niet getrouw is in Zijn werk en dat de Vader zoveel duizenden aan Zijn bewaring toevertrouwde en dat Hij de grootste helft verloren heeft. Door de Vader aan Christus gegeven te zijn moet insluiten, dat Christus die gegevenen heeft aangenomen en gestorven is voor hen, die Hem zo van de Vader gegeven zijn. Van een andere wijze van geven dan, of door verkiezing van eeuwigheid, of door hen in de tijd bekwaam te maken, om dadelijk te geloven, weet niemand, doch in elk geval worden alle gegevenen (Joh. 6:39) ten uiterste dage opgewekt, en zo moeten alle verlosten of van eeuwigheid zijn uitverkoren, of wel in de tijd geloven en ten uiterste dage worden opgewekt, en dan kan niemand verlost worden, die niet uitverkoren en zalig gemaakt is.
Dr. Moore spreekt in zijn algemene verzoening, pag. 4 en 5, "over tweeërlei verzoening of verlossing, welke Christus in Zijn lichaam, voor mensen, bij God bewerkte. Dit is volmaakt en volkomen uitgevoerd, zodat de Vader in de Zoon Zijn welbehagen heeft (Matth. 3:17) en dit is door bloedstorting teweeggebracht. Er is, zegt hij, een verzoening, verlossing en zaligheid, welke Christus, door de Geest, in de mensen, bij God teweegbrengt, en dat door wassen en besprengen met bloed." Zijn bewijzen zullen wij later horen.
De Belgische Arminianen verklaren de zaak aldus, volgens Remonst. Script. Sinod. ar. 2. Zij zeggen: "De voorafgaande verlossing en verzoening is de bevrediging van de beledigde partij, of zo’n daad of lijden, waardoor de beledigde partij in zoverre voldoening ontvangen heeft, dat Hij gewillig is in gunst en genade tot de belediger terug te keren, en dat het gevolg van deze verzoening is, dat de gunst van God weer verkregen is, dat is, dat de mens in zo’n staat hersteld is, waarin God, zonder krenking van Zijn wraakvorderende rechtvaardigheid en overeenkomstig de genegenheid van Zijn barmhartigheid, Zijn weldaden opnieuw kan en wil bewijzen, en met mensen handelen over Zijn zaligheid, en de voorwaarden, waarop Hij die geven wil, volgens de weg of de wijze welke God goeddunkt, hetzij door een werkverbond; of door een genadeverbond; of door geloof in God of geloof in een engel te gebieden; juist zoals het Hem goeddunkt. En de genegenheid om mensen zalig te maken, welke in God is uit een natuurlijke aandrift, om barmhartig te zijn, breekt als het ware, nu het beletsel is weggenomen, door de voldoening welke Zijn rechtvaardigheid ontvangen heeft, volgens Zijn wet uit, in een volkomen en volledig voornemen van Gods wil, om zalig te maken." Wanneer nu Christus de voorafgaande verlossing volledig uitgewerkt en deze door Zijn dood verkregen heeft, dan kan het echter, zeggen zij, nog zo uitvallen, dat niet één mens zalig wordt.
Wij ontkennen niet deze onderscheiding van een verworven zaligheid, of de verworven verlossing en de toegepaste verlossing, want ook onze Godgeleerden erkennen, dat Christus een Zaligmaker is van verdienste en toepassing, zodat de delen van de onderscheiding verschillend zijn, maar wij ontkennen, dat zij gescheiden zijn; ja, wij ontkennen de onderscheiding, in de Arminiaanse zin:
Omdat Christus, als Verlosser, een betrekkelijk Persoon is, is er een volkomen verlossing in Christus, doch niet voor Christus, maar opdat Hij die verlossing aan Zijn arme broederen zou schenken. Er is een verworven zaligheid in Christus, niet om die als een schat van zilver bij Zichzelf weg te leggen en door het niet gebruiken te laten roesten, maar Christus heeft zoveel hemels en zaligheden, zoveel genade en genadige verlossingen weg te geven, als Hij verworven heeft, en Hij heeft die alle uitgedeeld; Hij is geen schatmeester, die het pensioen van genade en heerlijkheid, dat de Vader en Koning van de Kerk aan Zijn volk heeft toegekend, aan de zondaren onthield. Wat Christus met Zijn bloed kocht, dat deelde Hij uit, en zo bewijzen de plaatsen door Mr. Moor, de Arminiaan, bijgebracht, juist het tegendeel van wat hij beweert, (Joh. 4:42). Hij is de Zaligmaker niet van Zichzelf, om God zalig te maken, en de gerechtigheid en de wet te verlossen, maar de Zaligmaker van de wereld, van arme zondaren, niet alleen van de Joden, maar ook van de Samaritanen en de heidenen. (Jes. 49:6) Ik heb U ook gegeven tot een licht der heidenen, om Mijn heil te zijn tot aan het einde der aarde. Dit is de verborgenheid, die van alle eeuwen is verborgen geweest, dat Christus onder de heidenen zou verkondigd worden (Ef. 3:8, 9) Dit nu is geen magazijn met een schat van verlossing, die besloten moet blijven binnen het hart en de ingewanden van Christus, maar het is de verborgenheid van het Nieuwe Verbond, welke bekend gemaakt zal worden aan de wereld van heidenen, als erfgenamen van dezelfde belofte. Christus verwierf deze erfenis niet om die voor Zichzelf te houden, of zoals Mr. Moor wil, dat Christus (1 Joh. 2) een verzoening is voor de zonden van de gehele wereld, door verzoening van God voor de mensen te verwerven. Hierin is hij ver mis, want die plaats spreekt duidelijk van verzoening voor deze gehele wereld, de Nieuwtestamentische wereld, als ik het zo mag uitdrukken, of van Christus’ nieuwe verovering van de wereld van de heidenen. Zo is Christus de Zaligmaker en de Verlosser van de wereld van de heidenen, in tegenstelling met Mozes en de richters, die heilanden en verlossers van het volk Israëls waren, dat maar een plekje en een gering stukje van de wereld was, in vergelijking van de grote wereld van Christus. God verloste door Mozes Israël, maar nooit de wereld. Zo is Christus ook een verzoening voor de zonden van de gehele wereld, in tegenstelling van de verzoenende offeranden van Aäron en de Levitische priesters, (want daarop zinspeelt hij) die alleen verzoeningen waren voor de zonden van een deeltje van de wereld. Evenals toch de Levitische offeranden alleen in geloof aan de ware God van Israël geofferd werden en anders niet beter waren, dan dat men in een offerande een hond de hals brak, dat een gruwel was, zo waren zij voorbeelden van die Offerande, Die voor de uitverkoren wereld zou geofferd worden, dat is voor een gehele wereld van Joden en heidenen, in vergelijking van het kleine Judea. En volgens welke Schrift is een verzoening voor de zonden van de wereld, welke anders niet is, dan dat Christus een nieuwe macht verkrijgt, om met mensen te onderhandelen, op welke voorwaarden, langs deze of die weg, om geloof, of om goede werken, het Hem het best dunkt de zonden te vergeven, een verlossing van de mensen? Of hoe is het een wegnemen van de zonden van de wereld, een eeuwige verlossing, een lijden van alles, wat de mensen hadden moeten lijden, een dragen van onze zonden op het hout en als een Borg voldoen van de schulden van bankroetiers?
Tegenwerping. Indien Christus de zaligheid niet voor mij verworven heeft, hoe kan ik dan daarin zondigen, dat ik niet op Christus steun om iets, dat een schaduw is, want een zaligheid, die niet voor mij verworven is, is in het geheel geen zaligheid, maar een zuiver niets.
Antwoord. (1) Deze tegenwerping zou krachtig zijn, indien u ten eerste moest geloven, dat voor u, bij name, een zaligheid verworven is, doch zoiets hebt u niet ten eerste en onmiddellijk te geloven, maar alleen, dat Christus machtig is, volkomen zalig te maken allen die tot Hem komen, dat is, allen die geloven, en u, indien u gelooft.
(2) Een zaligheid, door Christus verworven, zonder een krachtig voornemen Gods, die aan elk en een ieder toe te passen, is niet minder een schaduw en een zuiver niets, dan dat de zaligheid voor elk en een ieder verworven is; en dit is evenzeer in het nadeel van de Arminianen als van ons. De zaligheid nu is zeker verworven met een krachtig voornemen in God, die alleen toe te passen aan hen die zalig zullen worden, dat is aan het kleinste deel van de mensen.
(3) Dit zou mij noodzaken, ten eerste het verborgen en krachtdadig welbehagen van God, om mij, bij name, zalig te maken, te geloven, reeds voor ik het Evangelie geloof, dat Jezus Christus gekomen is, om alle gelovigen zalig te maken, dat niet volgens de Evangelie-orde van te geloven is. Dit verwekt in mijn gemoed jaloersheden tegen Christus, of Hij wel uit liefde tot mij stierf en geeft mij voedsel, om te twijfelen of Hij Zijn dood wel aan mij wil toepassen, wanneer ik niet eerst begin met Hem lief te hebben en Christus vrijwillig toe te passen. Zo zou Christus mij slechts onrijpe verlangens te kennen geven, dat Hij mij wil zaligmaken, doch ik zou, omtrent Hem, Zijn verlangens en halve liefde tot mij, door het geloof moeten toepassen, en zo zou de wezenlijkste goedgunstigheid niet aan de zijde van Christus, maar aan mijn zijde beginnen.
Doch zegt mij, volgens welke Schrift een blote macht, om te rechtvaardigen, de zonde te vergeven en zondaren te wassen en te besprengen, en welke bestaan kan met het eeuwig verloren gaan van alle mensen, zoals Moor met de Arminianen op pag. 5 zegt, een eeuwige, volmaakte verlossing, een volmaakte voldoening aan de rechtvaardigheid en aan de wet van God is? Zijn dan niet de zonden van de wereld weggenomen, terwijl zij toch blijven? Heeft Christus niet de zonden van de gehele wereld gedragen, terwijl het toch zo kan uitvallen, dat de gehele wereld haar eigen zonden moet dragen en niemand zalig wordt, ja dat, gelijk het zo is, het grootste deel van de mensen zijn eigen ongerechtigheden draagt, in diezelfde zonden sterft, die Christus werden toegerekend, en de vloeken van de wet ondergaat, welke Christus voor hen ondergaan heeft?
Ja, Mr. Moor zegt, dat dit, dat God de wereld met Zichzelf verzoend heeft, hun zonden hun niet toerekenende, de verzoening bij God is, in het lichaam van Christus, van alle kinderen Adams, hoewel Paulus en David beiden zeggen, dat zij welgelukzalig zijn, aan wie de Heere de zonde niet toerekent. Moor zegt, dat een gehele wereld, aan welke God de zonde niet toerekent, onder de vloek van de tweede dood kan blijven liggen. Het verzoenen van de wereld met God, waarvan Paulus spreekt in 2 Kor. 5, te houden voor de verzoening van Christus, in Zijn lichaam, met God, zoals Mr. Moor doet, is een wonderlijke godgeleerdheid, want het is een verzoenen van God met de mens, in plaat van een verzoenen van de mens met God, en kan niet bedoeld zijn als enkel een verzoening van God in het lichaam van Christus, of als een enkel verkrijgen van verlossing zonder toepassing:
(1) Omdat het bloed van Christus vergeleken wordt bij het bloed van stieren en bokken, dat geofferd werd, om de mensen met God en niet, om God met de mensen te verzoenen.
(2) Omdat van dat bloed gezegd wordt, dat het het geweten heiligt en van dode werken reinigt, om de levende God te dienen, dat niet van God kan gezegd worden, maar duidelijk vaststelt, dat Christus, zichzelf aan God door de eeuwige Geest onstraffelijk opgeofferd hebbende, hen, voor wie Hij Zich opofferde, niet eeuwig kan laten verloren gaan, zoals Moor op pag. 5 zegt, maar dat hun gewetens door dit bloed gereinigd worden van dode werken, om de levende God te dienen.
1 Petr. 2:24 bewijst ook niet, dat Christus, op het hout, de zonden droeg van velen, die niet werkelijk door Zijn dood worden zaliggemaakt. Deze plaats zegt juist het tegendeel en niets dat er op lijkt, dat te Heere de ongerechtigheden van elk mens op Christus gelegd heeft.
Petrus beperkt het tot de gelovigen, uitverkoren naar de voorkennis van God de Vader, in de heiligmaking des Geestes, — wedergeboren tot een levende hoop — die in de kracht Gods bewaard worden, door het geloof, tot de zaligheid (1 Petr. 1:2—5). Het heeft er geen zweem van, dat Christus van alle kinderen van Adam of van al de heidenen spreekt, als hij zegt, dat Christus onze zonden gedragen heeft. Welke toch zijn die? De zonden van hen, die geroepen zijn, geduldig te verdragen als zij weldoen, aan wie een voorbeeld van geduldig lijden is nagelaten, opdat zij Christus zouden navolgen, Die, wanneer Hij gescholden werd, niet weder schold. Nu dan, is dit het geduldig verdragen van Indianen en Tartaren, naar het voorbeeld van Christus, aan wie zelfs de Naam van Christus nooit op enigerlei wijze ter oren kwam, zodat zij een gedachte van Hem zouden kunnen vormen?
Zij, welken hun zonden Christus in Zijn lichaam op het hout gedragen heeft, zijn degenen, die door Christus’ striemen genezen zijn, die bekeerd zijn tot de Herder en Opziener van hun zielen, die van de zonden afgestorven zijn door de dood van Christus, Die hun zonden gedragen heeft, opdat zij der gerechtigheid leven zouden (vs. 24, 25). Deze zijn de allen, waarvan Jesaja spreekt, als hij zegt: (Jes. 53:6) "De Heere heeft onzer aller ongerechtigheid op Hem doen aanlopen", dat is, als wij de Arminianen geloven mogen, van geheel Moab, Ammon, Egypte, al de Filistijnen, Chaldeeën, Moren, ja van alle kinderen Adams, die nooit van Christus hoorden. Het duizendste deel toch van Adams kinderen heeft nooit van Christus gehoord, en dan zijn zij niet verplicht in Hem te geloven, van Wie zij nooit gehoord hebben, ook is het hun zonde niet, dat zij niet in Hem geloven (Rom. 10:14; Joh. 15:22); dan zijn zij ook niet verplicht, omdat zij door Christus’ dood aan de zonden afgestorven zijn, voor de gerechtigheid te leven, want zij hebben nooit van de dood van Christus gehoord. Nog veel minder zijn alle kinderen van Adam door Christus’ striemen genezen, en bekeerd tot de Herder en Opziener van de zielen, noch was de kastijding van al de heidenen, vrede door Christus.
Jesaja verklaart wie die allen [Hebr. kol) zijn, van welken de ongerechtigheden op Christus gelegd zijn (vs. 18), "om de overtreding Mijns volks is de plaag op Hem geweest en (vs. 123 Hij veler zonden gedragen heeft". Zo ook Matth. 20:28 en 26:28, "Het bloed, dat voor velen vergoten wordt, en Hij heeft voor zondaren gebeden." Wat? Wordt Hij geslagen voor alle heidenen? Is Hij voor alle kinderen Adams als Hogepriester ingegaan in het Heilige van de Heilige, om te bidden en een Voorspraak te zijn voor zulken als Cicero, Regulus, Scipio, Cato, Farao, Kaïn, Judas en Juliaan? Indien Hij hun ongerechtigheden gedragen heeft, dan moet Hij ook hun afval en hun volharden in het ongeloof gedragen hebben. Of is Hij een Voorbidder voor een ieder van de mensenkinderen? (1 Joh. 1:2 vergeleken met 1 Joh. 1:6—10 en Hebr. 9). Hij verschijnt voor ons, (vs. 24) voor degenen, die besprengd zijn (vs. 13—17) en die Hem ten andere male verwachten (vs. 28). Hij bidt voor degenen, die door Hem tot God komen (Hebr. 7:25), en die een grote Priester over het Huis Gods hebben (Hebr. 10:20—22). Al deze en vele andere plaatsen tonen duidelijk het tegendeel. De verlossing, die in Jezus Christus is (Rom. 3:24) is geen verlossing, die in Christus opgesloten had kunnen blijven, om God met Hem te verzoenen, en die bestaan kon met het tenslotte geheel en volkomen verloren gaan van alle mensen.
Wij zijn door deze verlossing gerechtvaardigd en niet door de werken van de wet.
(vs. 25) God stelt deze Verlosser, Christus, voor tot een verzoening door het geloof in Zijn bloed.
Opdat Christus zou blijken de Rechtvaardiger van de goddeloze te zijn; (vs. 26, 27) alle roem zou worden uitgesloten door de wet van het geloof, en God zou blijken de God beiden van Joden en heidenen te zijn (vs. 30, 31). Het was dus nooit Gods voornemen, een verzoening op te sluiten binnen de Vader en de Zoon, en onze hemel aan zo’n dood en koud toeval over te laten, als het beleid van de onpartijdige vrije wil is, zodat het, als het de mens behaagde, zo kon uitvallen, dat de Borg, Christus, gestorven is en nochtans al Zijn arme bankroete vrienden eeuwig zouden moeten sterven en ook de tweede dood ondergaan.
De Arminianen verdraaien het Evangelie in de treurigste en bloedigste koop, die ooit gesloten is, en nochtans maken de nieuwe, Engelse Arminianen het nog erger dan hun vaderen, want zij zeggen, dat die noch het Evangelie van de genade, noch Christus prediken, die hun algemene verzoening niet nog grover prediken dan ooit de Arminianen deden, want die durfden nooit zeggen, dat Christus plaatsvervangend & loco omnium & singulorem, sed tantum in bonum eorum stierf; Hij stierf, zeiden zij, niet voor de persoon en in de plaats van het gehele menselijk geslacht, maar alleen hun ten goede, zoals Socinus hun onderwees. Mr. Moor zegt echter rechtuit, pag. 3, dat, hoewel de Arminianen niet durfden zeggen, dat Christus voor allen en niet alleen voor de gelovigen stierf en opstond, en als Hogepriester en Voorspraak pleit, Hij wel degelijk voor allen uit de doden opstond, en ons van al onze zonden vrijspreekt (pag. 4).
2 Kor. 5:14, 15 bewijst ook geen verzoening van allen in God, zoals Mr. Moor droomt.
De allen voor wie Christus gestorven is, bedoeld in die woorden: "Indien één voor allen gestorven is, zij dan allen gestorven zijn", moeten om generlei reden in aantal gelijk zijn aan allen, die in de eerste Adam gestorven zijn. De tekst geeft ook niet de minste reden, om "allen", die werkelijk in Christus levend gemaakt zijn en niet meer voor zichzelf zouden leven, maar voor Christus, in aantal gelijk te stellen met allen, die in Adam gestorven zijn.
God toch gaf Christus niet, om voor de heidenen te sterven, die nooit van Christus zouden horen, opdat zij voor Christus zouden leven.
Deze woorden: "nochtans kennen wij Hem, Christus, nu niet meer naar het vlees," geven te kennen: wij kennen Hem nu niet meer voor het uitwendig voorrecht van Joodse waardigheid, besnijdenis, of een tijdelijk koninkrijk, voor welke vleselijk waardigheden de apostelen te eniger tijd Christus wel kenden en welke dingen zij toen in Hem verwachtten, maar, wil hij zeggen, dit is nu weggenomen, want Christus is voor allen gestorven, voor Joden en heidenen, zonder opzicht op enig zodanig onderscheid, want Christus gaf Zijn leven, zowel voor de heidenen als voor de Joden.
Het Griekse woord huper, voor allen, is een krachtig woord, dat des Heeren krachtdadig voornemen te kennen geeft, doch als de verklaring van Mr. Moor vaststaat, dan is er geen krachtdadig voornemen in Christus, om elk en een ieder zalig te maken.
Ook 1 Tim. 2:4, 6 geeft geen verzoening te kennen, welke niet aan personen wordt toegepast, want dat Hij zichzelf gegeven heeft tot een rantsoen voor allen, verklaart ook duidelijk, dat Hij deel en eigendom heeft aan hen, voor wie Hij Zich tot een rantsoen gaf, evenals Luk. 22:20 en Matth. 20:28 en 26:28, "voor velen." Zo geeft het Griekse huper peri anti in alle Griekse schrijvers zo’n aandeel te kennen. (Joh. 6:51; Joh. 10:11 en Rom. 5:8.)
1e Tegenwerping. Doch het zou dan een beuzelachtige redenering zijn, dat wij voor allen moeten bidden, want hoe kunnen wij met de zekerheid van het geloof voor allen bidden, tenzij wij weten, dat God de zaligheid van allen wil? Dat moet dan wel een twijfelend geloof en dus in het geheel geen geloof zijn.
Antwoord. Welke zekerheid van het geloof hebben de Arminianen dan, om voor allen, of voor het twintigste, of het honderdste deel van het menselijk geslacht te bidden, ziende, dat God niet wil, dat Nero, vervolgers, afvalligen, mensen, die het Evangelie hardnekkig tegenstaan, zoals Paulus er een was voor zijn bekering, buiten onze gebeden worden gesloten? Daarom ontkennen wij dit, "dat Christus Zich gegeven heeft voor zovelen, als waarvoor wij moeten bidden en wij moeten voor allen zonder onderscheid bidden." De stelling en de gemaakte veronderstelling zijn beide vals. Onze gebeden voor mensen hangen ook niet af van de zekerheid van Gods besluit van de verkiezing van mensen tot heerlijkheid, dat Gods verborgen wil is, die ons, voor wie het Boek des levens des Lams niet geopend is, niet bekend is, maar van de geopenbaarde wil van God, welke ons beveelt voor allen te bidden, die de zonde tot de dood niet begaan hebben, doch voorwaardelijk en met een bijzonder voorbehoud van des Heeren besluiten van verkiezing en verwerping. Dit is in kracht, alleen voor de uitverkorenen te bidden. Ook machtigt het Woord van God, de regel van mijn gebeden, mij niet voor iets anders te bidden. Er is ook geen belofte, voorschrift of gebruik in de Schrift, om voor elk en een ieder van het menselijk geslacht te bidden. Daarom werp ik het argument aldus terug: wij moeten denken, dat God wil, dat er zovelen zalig worden en dat Zijn Zoon Zichzelf tot een rantsoen gegeven heeft voor zovelen, als waarvoor wij gemachtigd worden te bidden, dat zij mogen zalig worden, doch dat wij geen machtiging hebben voor elk en een ieder te bidden, dat zij mogen zalig worden, maar alleen voor de uitverkorenen. Dus God wil dat die alleen zullen zalig worden en dat Zijn Zoon zich alleen voor hen tot een rantsoen zal geven.
2e Tegenwerping. Het oordeel van de liefde is geen grond voor onze gebeden. U hebt geen liefde om te geloven, dat elk en een ieder zal zalig worden, dus ook geen geloof of zekerheid in die gebeden.
Antwoord. Ik kan een oordeel van de liefde over deze of die mens hebben, waaruit ik voor hem bid, doch dit oordeel is een beweegreden van mijn liefde, geen grondslag voor mijn geloof. Mijn geloof is gegrond op een woord van voorschrift, om voorwaardelijk om de zaligheid van allen te bidden, doch niet volstrekt om de zaligheid van iemand, behalve alleen voor mijzelf.
3e Tegenwerping. God wil, dat er zovelen zalig zullen worden, als er tot kennis van de waarheid zullen komen; nu Hij wil, dat allen tot de kennis van de waarheid komen.
Antwoord. Dit argument spreekt sterk voor ons. De apostel spreekt van de waarheid van het Evangelie; Christus wil echter niet, dat het Evangelie gepredikt wordt aan de Samaritanen (Matth. 10:10), aan die van Bithynië en aan duizenden anderen. Er zijn duizenden, die het Evangelie horen, welken hun hart Hij niet wil openen, omdat dat Zijn wil is, (Matth. 11:28; Rom. 9:17) en er zijn velen, die Hij verblindt en rechterlijk verhardt (Matth. 13:14; Joh. 12: 37, 38; Jes. 6:9, 10; Hand. 28:24—27).
4e Tegenwerping. Het is alles even onzeker, hetzij u voor overheden als zodanig, of voor gewone mensen als zodanig bidt, en onzeker of u voor deze of die stand bidt.
Antwoord. Het is zeker, dat wij voor koningen, onderdanen, mannen, vrouwen, Joden en heidenen moeten bidden, met voorbehoud van de besluiten des Heeren, volgens Zijn soevereine vrijheid.
Tegenwerping. Indien wij maar voor sommigen moeten bidden, omdat God alleen de zaligheid van sommigen wil; dan moest Hij gezegd hebben, dat wij voor niemand moeten bidden, want dat verreweg de grootste deel van de wereld verloren gaat.
Antwoord. Dit is een bedillen van hetgeen de Heilige Geest zegt, niet van ons. Op dezelfde grond kan een heelmeester in een stad, niet de geneesheer van alle zieken genoemd worden, noch een professor een leraar in de wijsbegeerte voor allen, die in de stad wonen, omdat velen in de stad aan de pest sterven, en wel het twintigste deel van de inwoners onkundig blijft in de wijsbegeerte. Indien God wil, dat allen zalig worden, die Hij tevoren ten leven verordineerd heeft, dan is het recht uitgedrukt dat Hij wil, dat allen zalig worden en in die zin moeten wij bidden, dat allen zalig mogen worden.
Hieruit volgt, dat God wil, dat verreweg het grootste deel van de wereld zal verdoemd worden. Dus moest Hij, volgens de Arminianen, zeggen: God wil niet, dat iemand zal zalig worden, noch, dat iemand tot de kennis van de waarheid komt, maar dat allen zullen verdoemd worden. Omdat zij zeggen, dat er in de Almachtige een voorafgaande, natuurlijke genegenheid en begeerte is, dat de gerechtigheid in mensen en engelen voldoening zal ontvangen, welke genegenheid in orde van de natuur voorafgaat aan Gods volkomen, beslissende en weloverwogen wil, om allen te verdoemen, die tot het einde toe weerspannig zijn; evenals er een natuurlijke, voorafgaande wil in God is, om allen te roepen, tot bekering te nodigen en Christus aan te bieden en de zaligheid van elk en een ieder te willen, dat vroeger is dan, en voorafgaat aan Zijn beslissend, volkomen en onherroepelijk besluit van de verkiezing tot heerlijkheid, waarin opgenomen zijn allen van wie God voorziet, dat zij in het geloof in Christus zullen sterven; —zo kan ook op dezelfde grond zeer wel gezegd worden, dat God de verdoemenis van elk en een ieder en de zaligheid en bekering van niet één van het menselijk geslacht wil, en dat Christus in Zijn sterven geen natuurlijk voornemen had, om iemand te verlossen of zalig te maken, doch alleen een voorwaardelijke en natuurlijke begeerte, dat de gerechtigheid geopenbaard zou worden in het rechtvaardig verderf van allen. Dit is toch zeker, dat alle natuurlijke genegenheden en begeerten van God tot rechtvaardigheid, Hem even natuurlijk eigen en dus even algemeen tot het schepsel uitgestrekt zijn, als Zijn begeerten en voorafgaande natuurlijke genegenheden tot barmhartigheid.
5e Tegenwerping. De zin van het woord "allen" blijkt duidelijk te zien op Adam en allen. die door voortteling van hem afstammen.
(1) Het woord mensen wordt gebruikt voor Adam en al zijn nakomelingen. (Hebr. 9:27.)
(2) Dikwijls worden, in de volste zin, niet wedergeborenen of geheel verworpenen, mensen genoemd. (Job 40:11, 12; Ps. 12:2; 4:3; 53:3.)
(3) De gelovigen worden mensen genoemd (Hand. 1:11; 1 Kor. 3:21, 22), in betrekking tot hartstochten (Hand. 14:15), van een vleselijke wandel (1 Kor. 3:3), en nochtans worden zij soms meer, namelijk kinderen Gods (Joh. 1:12; 1 Joh 3:1), heiligen (1 Kor. 1:1), broederen, gelovigen (Ef. 1:1) en Christenen (Hand. 11:26) genoemd. Sommigen, die hun harten verhard hebben, worden mensen genoemd, doch soms ook iets meer, namelijk verworpenen (Jer. 6:28, 30), het zaad van de slang (Gen. 3:15), kinderen Belials (Deut. 1:3), kinderen van de duivel (Joh. 8:4) en met nadruk (Ps. 9:18) de goddelozen. (Mr. Moor’s "Algemene verzoening. " Hfdst. 11 pag. 55 en 56.)
Antwoord. In deze spraakkunstige onderscheidingen toont Mr. Moor hoe zwak zijn zaak staat en hoe onzeker hij is aangaande de woorden "mensen. en "allen". In Hebr. 9:27 staat geschreven, dat het alle mensen gezet is te sterven en de Heilige Geest geeft in de daarop volgende woorden duidelijk te kennen, dat Christus stierf voor alle mensen, die sterven (vs. 28): Alzo ook Christus eenmaal geofferd zijnde, om de zonden van velen weg te nemen, hij zegt nu niet "alle mensen". Let op de verwisseling van woorden.
Wij ontkennen niet dat "alle mensen" in de Schrift ook wel betekent allen, die door voortteling van de eerste Adam "afstammen, doch, dat het dit hier betekent, moet eerst bewezen worden.
Wat Mr. Moor bedoelt met sommigen, die niet geheel verworpen zijn, weet ik niet, tenzij hij een daaraan beantwoordend geheel en volkomen besluit van verwerping en dus ook van verkiezing in God stelt, en bovendien een half, onvolkomen besluit, zoals de Arminianen. De Schrift kent zo’n besluit niet, dat trouwens alle zekerheid van zaligheid, volharding, blijdschap, vertroosting, onderpand van de Geest en verzegeling van de Geest zou wegnemen.
Wij beweren niet, dat hier met alle mensen alleen gelovigen en wedergeborenen bedoeld worden, en zo vecht hij met zijn eigen schaduw.
Hij stemt toe, dat de gelovigen mensen genoemd worden, en ik hoop te bewijzen, dat de uitverkorenen en gelovigen "allen’ en "alle vlees" en "ons allen" enz. genoemd worden. Al is het waar, dat de gelovigen mensen genoemd worden, wegens hun menselijke hartstochten en vleselijke wandel, en sommigen meerder, namelijk kinderen Gods, heiligen, gelovige Christenen, daarom volgt daaruit nog niet, dat zij hier kinderen Gods of heiligen genoemd moesten worden, want Christus stierf niet voor hen als heiligen, maar als mensen en ten leven verkoren zondaren. Anders zou Paulus niet zeggen: (Ef. 2:1) God heeft u mede levend gemaakt, daar gij dood waart door de zonden enz", want degenen, die door God levendgemaakt worden, zijn iets meer dan dood door de zonde, zij zijn na hun bekering ook uitverkoren heiligen, nieuwe schepselen, enz.
6e Tegenwerping. Met "allen" worden hier (1 Tim. 2:6) opzettelijk, uitdrukkelijk, in de eerste plaats en voornamelijk, natuurlijke mensen, kinderen Adams, zondaren, ongelovigen bedoeld, want in deze zin sluit allen ten eerste alle mensen in, onder welke er sommigen zijn, die zodanig, niet beter noch slechter dan zulken zijn, voordat zij uit God geboren zijn (Ef. 2:1—3; Tit. 3:3; Rom. 3:9, 20).
Antwoord. Wij ontkennen niet, dat "allen" ook onwedergeboren mensen insluit, doch Mr. Moor bewijst idem per idem, hetzelfde met hetzelfde. Hij zegt: "Met ‘allen moeten alle Adamskinderen bedoeld worden; en waarom? Omdat ‘allen’ allen, ten eerste alle mensen, insluit". Het is waar: "allen" sluit allen in, doch niet alle mensen afzonderlijk, elk en een ieder zonder uitzondering.
Ik ontken, dat "allen" allen als onwedergeboren insluit; het wordt bedoeld van alle onwedergeboren mensen, zoals zij onder het welbehagen van Gods verkiezing van de genade liggen, en in Zijn oog aangemerkt worden als voorwerpen van bijzondere gunst en genade. Ook maakt de Heere geen mensen levend, aangemerkt als dood door de zonde (Ef. 2:1), als onwijs en ongehoorzaam (Tit. 3:3), of als onder de zonde zijnde (Rom. 2:9), want dan moest Hij allen, die dood door de zonde, onwijs, ongehoorzaam en onder de zonde zijn, levend maken, en dit zou ten bewijs strekken, dat Hij alle Adamskinderen bekeert en zaligmaakt. De Heere echter maakt dode zondaren levend, zoals zij onder Zijn vrije keuze van de verkiezing tot heerlijkheid liggen.
7e Tegenwerping. Christus stierf, om voor hen, zoals zij zondaren zijn, verzoening te doen.
Antwoord. Dit ontkennen wij. Christus stierf voor hen als zondaren, doch als binnen het gebied en onder de bedekking van de schone en aangename schaduw van de eeuwige, verkiezende liefde. Indien toch Christus voor zondaren stierf, dan stierf Hij voor alle zondaren, ook voor hen, die tot het einde toe hardnekkig blijven, want deze vallen met de eerste onder de verdubbeling van zondaren als zondaren.
8e Tegenwerping. Nergens staat geschreven, dat Christus voor de goeden, voor rechtvaardigen, voor gelovigen stierf, noch wanneer zij dat waren, noch zoals zij dat waren, maar voor de onrechtvaardigen, voor goddelozen, voor Zijn vijanden. (Rom. 5:6, 8; 1 Petr. 3:18; Gal. 1:14.)
Antwoord. Christus stierf noch voor zondaren als rechtvaardig zijnde, evenals Jakob nooit om zijn vrouw als vrouw, noch om zijn vrouw als een zondige vrouw diende, datur tertium. Dit is een onvolkomen benoeming. Christus stierf voor de goddelozen, de onrechtvaardigen, Zijn vijanden, als vrijwillig verkoren, om rechtvaardig en vrienden van Christus gemaakt te worden, evenals Jakob om een vrouw diende, namelijk om Rachel, die hij vrij verkoos boven Lea, om haar tot zijn vrouw te nemen, niet toen zij zijn vrouw was, noch zoals zij zijn vrouw was. Evenals de Schrift zegt, dat Christus voor de goddelozen, voor de onrechtvaardigen, voor Zijn vijanden gestorven is, zo ook zegt zij, dat Hij stierf voor Zijn vrienden (Joh. 15:13), Zijn schapen (Joh. 10:11), Zijn geliefde gemeente en bruid (Ef. 5:25, 26). De aangehaalde plaatsen uit Rom. 5, Gal. 1:4, 1 Petr. 3:18, zijn alle bepaald tot hen voor wie Christus stierf. Zo stierf Hij (Rom. 5) voor ons, die gerechtvaardigd zijnde uit het geloof, vrede bij God hebben en de toeleiding door het geloof; die roemen in de verdrukkingen en ons verblijden in hoop. (Gal. 1:4.) Hij heeft Zichzelf voor ons, de gemeenten van Galatië, gegeven, welke Paulus genade en vrede toebidt. Zo worden zij in 1 Petr. 3:18 omschreven als degenen, die Christus tot God zou brengen en in geen Schriftplaats, ook niet in 1 Tim. 1:15, staat geschreven, dat Christus voor zondaren als zondaren stierf, doch alleen, dat het zondaren waren. Daaruit is dan ook nooit de Arminiaanse conclusie te bewijzen, dat Hij voor alle zondaren stierf.
9e Tegenwerping. (Moor. pag. 57) Hij zegt niet: bid voor sommigen van alle soorten, maar "voor alle mensen;" Hij noemt maar één soort.
Antwoord. Dat Hij slechts één soort noemt, geeft ons te kennen, dat wij geen soort in onze gebeden moeten uitsluiten, aangezien deze ene soort vervolgers waren, die ogenschijnlijk niet een plaats in onze gebeden meesten hebben.
Moor. Wij moeten niet bidden voor hen, van wie wij weten, dat zij tegen de Heilige Geest zondigen, omdat zij de offerande en het rantsoen van Christus’ bloed verwerpen; voor die blijft geen slachtoffer over en zo worden zij uitgedaan uit het hoopvol Boek des levens, en nu, van God verworpen zijnde, worden zij afgescheiden van alle mensen, waar zij vroeger onder behoorden. (Jer. 16:5; 1 Joh. 5:16.)
Antwoord. Christus heeft in Zijn lichaam, op het hout, die zonde van verwerping van de offerande van Christus, gedragen, of Hij heeft ze niet gedragen. Zegt men het eerste, dan is Christus voor hen gestorven en wij moeten voor hen bidden, en bovendien moeten zij die tegen de Heilige Geest zondigen, als zodanig, in de hoogste trap, onder de verdubbeling komen van Gods vijanden, de goddeloze zondaren, van de ongehoorzamen, van hen, die dood zijn door de misdaden en de zonden, en zo moet Christus in Zijn sterven die zonde voor hen gedragen hebben; of, er is een zonde van sommigen van de kinderen Adams, die Christus even weinig in Zijn lichaam op het hout gedragen heeft, als de zonde van de duivelen, hetgeen die zonde als wezenlijk onvergeeflijk moest doen aanmerken, zelfs in betrekking tot het bloed van Christus, wat de Arminianen niet kunnen toestaan.
Een uitdoen uit het Boek des levens en een verwerping in de tijd, welke Mr. Moor hier vaststelt, is de hoogste smaadheid, welke men de onveranderlijke liefde en genade van God kan aandoen en grove Arminianerij.
10e Tegenwerping. (Moor. pag. 58.) Omtrent het bidden voor hun broederen kon geen twijfel bestaan, maar die ging over het bidden voor tegenstanders en vervolgers. De apostel zegt, dat het goed is, aldus voor alle mensen te bidden, in overeenstemming met Matth. 5:44, 48.
Antwoord. De zaak, die in twijfel getrokken werd, was of voor alle soorten mensen, Nero en anderen, gebeden moest worden. Nu kan uit Matth. 5, waarin geschreven staat, dat wij, met onderwerping aan Gods besluit en in navolging van God, die Zijn zon doet opgaan over de onrechtvaardigen, voor onze vijanden moeten bidden en hen zegenen, niet het besluit getrokken worden, dat wij onbepaald voor elk en een ieder moeten bidden, zoals de Arminianen dromen, die stellen, dat Christus onbepaald voor allen gestorven is.
11e Tegenwerping. De beweegredenen, om voor alle mensen te bidden, zijn alleen uit Gods welbehagen in mensen en uit hetgeen Christus gedaan heeft, om ons vrij te kopen, evenals in Matth. 5:44, 45. Beweegredenen, om voor gelovigen te bidden, zijn liefelijker, wegens hun oprechtheid voor God, hun geloof in Christus, liefde tot de heiligen en gemeenschap van het Evangelie.
Antwoord. Het punt in kwestie wordt hiermee niet uitgemaakt. Wij zeggen niet, dat wij alleen om de zaligheid van de gelovigen moeten bidden, en dat Christus voor niemand anders gestorven is, dan voor hen, die reeds geloven, doch, dat wij moeten bidden voor allerlei mensen, gelovigen en ongelovigen, evenals Christus voor duizenden van beide soorten gestorven is, maar altijd volgens de orde van het geloof en de verkiezing tot heerlijkheid.
Het is een godslasterlijke vergelijking, te zeggen, dat het genadig welbehagen van God, mensen tot heerlijkheid te verkiezen, en de hoogste en weergaloze liefde van Christus, (Joh. 3:16; Joh. 15:13; Ef. 5:25 - 27; Hand. 20:28; Tit. 3:3, 4) slechts een gewone beweegreden is, om ons te nopen voor alle mensen te bidden, en dat gelijk te stellen met zulke tijdelijke zegeningen als een schijnende zon en regen gevende wolken, welke God doet komen over lasteraars, afvalligen en kruisigers van de Heere Jezus. (Ps. 73:1, 2, enz.; Jer. 12:1, 2, Job 21:1—6.) Ja, dat Christus Zich gegeven heeft, om voor zondaren te sterven, is een bewijsgrond, welke bewijst dat Hij ons veel meer alle andere dingen wil schenken; (Rom. 8:32) ja, gerechtigheid, geloof, liefde en alle genadegiften. Daarom kan er geen liefelijker beweegreden zijn, om ons te bewegen voorwaardelijk voor alle mensen te bidden, welke beter regel is dan die van onze liefde, volgens welke wij het tegenovergestelde zouden moeten oordelen. Zelfs al zijn het vervolgers, dan kunnen zij nog binnen de omtrek en de liefelijke kring van Gods vrije liefde en het hoogste welbehagen en de grootste liefde van verkiezing en verlossing zijn, (Rom. 9:11—13; Ef. 11:9; Joh. 15:13; Joh. 3:16; Gal. 11:20) en wij moeten voor hen bidden onder die verdubbeling en dat begrip van de vrije liefde Gods en van verlossing, naar de rijkdom van Zijn genade, en onder geen andere aanmerking. Dat is vrij wat liefelijker beweegreden als inhangende oprechtheid, geloof of liefde, die in ons kunnen zijn.
12e Tegenwerping. Wij moeten bidden zonder toorn, (vs. 8) welke wij licht onderhevig zijn, wanneer wij bidden voor hen, die ons dwarsbomen en vervolgen, en niet wanneer wij voor gelovigen bidden.
Antwoord. Non concluditur negatum; dus: wij moeten voor elk en een ieder bidden, omdat wij voor zulken als Nero nauwelijks zonder toorn of wrok bidden kunnen.
Hij kent zijn eigen hart niet, die niet weet dat hij, indien gelovigen hem beledigen, wat heden ten dage dikwijls gebeurt, tot toorn verzocht wordt, wanneer hij voor hem zal bidden.
(1 Tim. 11:8) Alle gebeden in het algemeen moeten zonder toorn en met heilige handen gedaan worden, en niet alleen de gebeden voor vervolgers.
13e Tegenwerping. De zaak, waarom gebeden wordt, is dat wij een stil en gerust leven mogen leiden, opdat het Evangelie zijn loop hebbe en verheerlijkt worde. (2 Thess. 3:1; Joh. 17:22, 23.) De zaken waarom wij voor de gelovigen moeten bidden staan hoger, namelijk, vermeerdering van liefde, oprechtheid, vervulling met vruchten van de gerechtigheid enz. (Filip. 1:9—11.)
Antwoord. Dit alles bewijst, wat deze plaats alleen wil bewijzen, dat wij voor overheden moeten bidden, onder wie wij vrede en het Evangelie genieten; niet, dat wij voor gelovigen, en ook niet, dat wij voor alle Adamskinderen moeten bidden, zoals de volgende woorden (pag. 59) bewijzen.
14e Tegenwerping. (Moor. pag. 59) Hier is grond, om het Evangelie aan alle mensen, aan alle creaturen te prediken, (Matth. 28:20; Mark. 16:15) en in hoeverre aan alle mensen; (Joh. 16:12; 1 Kor. 3:12; Hebr. 5:12) zelfs al haten en vervolgen zij ons.
Antwoord. Indien "alle creaturen" geen uitdrukking is, waarin het geheel voor een deel genomen is, dan moet dit ons machtigen, voor duivelen te bidden.
Uit het verhaal van de Handelingen blijkt duidelijk, dat de apostelen dit bevel niet naar de letter hebben opgevolgd, zoals Mr. Moor het aandringt. Er zijn vele volkeren en duizenden mensen aan wie de apostelen het Evangelie nooit predikten, noch aan hun vaderen, noch aan hun zonen.
Gods besluit is voor hen geen bevel, het Evangelie te prediken, indien niet God hun door een wonder de gave van de talen schenkt, en dit bewijst krachtig het tegendeel. De Heere heeft nog nooit tot elk en een ieder van de kinderen Adams de middelen tot de kennis van de waarheid gezonden, en dan kan Hij ook niet willen, dat elk Adamskind zalig wordt, en Christus is niet voor elk en een ieder schepsel gestorven, en Hij heeft dan ook niet bevolen, het Evangelie aan elk en een ieder schepsel te prediken, doch alleen aan alle creaturen, dat is aan alle volkeren, Joden en heidenen, nu de middelmuur des afscheidsels gebroken is.
15e Tegenwerping. (Moor. pag. 60, 61.) Hij toont: (1) de wil van God aangaande de Middelaar, om allen zalig te maken en te verlossen; (2) allen tot de kennis van de waarheid te brengen; (3) door deze kennis is in zoverre voor alle mensen de zonde weggenomen, de dood en vijandschap tenietgedaan en de vrede teweeggebracht, dat God alles in de handen van Christus gegeven heeft en Hem tot een Heere en Rechter over allen gesteld heeft. (4) Het andere gedeelte van Gods wil, namelijk het prediken van het Evangelie aan allen, verricht Jezus Christus en zal Hij te rechter tijd aan allen volbrengen. (5) Het Evangelie mag aan allen gepredikt worden (1 Tim. 2:7). (6) Gebeden worden voor allen gedaan (vs. 1—4); en hier is niets meer dan Christus aan alle mensen doet.
Antwoord. Het zijn schone stellingen, doch met geen woord wordt bewezen, dat het Gods wil is omtrent elk en een ieder Adamskind. Hij veronderstelt, dat dit alles een uitgemaakte zaak is, omdat hij het zegt, niet omdat de tekst het zegt, daarom blijven wij ontkennen, wat hij niet bewijst.
Op pag. 67 haalt Mr. Moor uit Joh. 1:29 aan: Ziet het Lam Gods, Dat de zonde van de wereld wegneemt.
Antwoord. Het woord wereld betekent de volkeren en de heidenen, uit welke, beiden Joden en heidenen, de gelovigen zijn uitverkoren. (Joh. 3:16) Alzo lief heeft God de wereld gehad. (Rom. 11:12) Indien hun val de rijkdom van de wereld is, (vs. 15) indien hun verwerping de verzoening is van de wereld, dat is, van de heidenen en bijzonder van Joden en heidenen. (Matth. 24:14) En dit Evangelie des Koninkrijks zal in de gehele wereld gepredikt worden, tot een getuigenis allen volkeren, dat is Joden en heidenen. Een persoonlijk getuigenis toch, voor elk mens persoonlijk, kan het niet zijn, tenzij elk mens het persoonlijk hoort. (Rom. 10:4) Hoe zullen zij in Hem geloven, van Wie zij niet gehoord hebben? (Joh. 15:22; Rom. 2:12.) Zo is het woord "wereld" voor alle volkeren genomen in Mark. 14:9, alsmede in Mark. 16:15.
Het wegnemen van de zonde is de werkelijke, vrije, volkomen vergeving van de zonde, evenals de zonden van Juda (Jer. 50:20) zullen gezocht en niet gevonden worden. (2 Sam. 24:10) David, het volk geteld hebbende, bidt: o, Heere, neem toch de misdaad Uws knechts weg." Laat een Arminiaan volgens zijn geweten antwoorden: Bad David hier om niets meer, dan waarom Judas, Kaïn en alle mensen moeten bidden, van wie velen nooit, zoals David hier doet, gelovig kunnen bidden? Zoekt hij niet de krachtdadige vergeving van die zonde, dat hij het volk geteld had? (Job 7:21) En waarom vergeeft Gij niet mijn overtreding en doet mijn ongerechtigheid niet weg? (Jes. 27:9) En dit is de gehele vrucht, dat Hij deszelfs zonde zal wegdoen. Dit kan niet het gebeurlijk en vruchteloos wegdoen van de zonde zijn, dat de gehele wereld gemeen is, maar het is dat wegnemen, dat de kerk eigen is en dat teweeggebracht wordt onder bijzondere verdrukking van de Kerk. (Rom. 11:27) Dit is hun een verbond van Mij, als Ik hun zonde zal wegnemen. Deze woorden worden niet vervuld, voordat geheel Israël, beiden Joden en heidenen, zalig gemaakt en de Joden bekeerd zullen zijn. Maar de Arminianen zeggen: "AI worden de Joden nooit bekeerd en al wordt er nooit iemand uit Israël zalig, dan neemt nochtans het Lam Gods de zonden der wereld weg." Zo staat in Jesaja 6:7 geschreven: "Uw misdaad is van u geweken en uw zonde is verzoend." Dit is geen halve vergeving, zoals Jesaja had, voordat de Heere zijn lippen aanroerde. (1 Joh. 3:5) En gij weet, dat Hij geopenbaard is, opdat Hij onze zonden zou wegnemen. Johannes spreekt van de wegneming van de zonden van ons, van Johannes en de heiligen, die de Vader met zo’n wonderlijke liefde lief heeft, dat zij kinderen Gods genaamd zouden worden; ons, die de wereld niet kent; (vs. 2) ons, die Christus gelijk zullen wezen, wanneer Hij zal geopenbaard zijn. De Arminianen zijn verplicht, ons overeenkomstige teksten te geven, waarin de verlossing van elk en een ieder mens en de blote macht en begeerte van Christus, om een vriend van alle mensen te zijn en een verbond van genade of van werken, naar het Hem belieft, te maken, het wegnemen van de zonde van de wereld genaamd wordt, terwijl het nochtans mogelijk is, dat de gehele wereld in haar zonden sterft en niemand zalig wordt. Voor ons is het wegnemen van de zonden van de wereld, de volkomen vergeving van haar zonden; vergeving van de zonden door Zijn bloed (Ef. 7:1; Kol. 1:14); uitdelging van overtredingen (Jes. 43:25) als een wolk (Jes. 44:22); een niet gedenken van de zonde (Jes. 43:25; Jer. 31:34). Het is zo’n wegnemen van de zonde, als in het genadeverbond aan het huis Juda, aan de Kerk onder de Messias, die het Evangelie hoort, beloofd is (Jer. 31:34; Hebr. 8:8—12; Rom. 40:26, 27; Jes. 59:20). Dit is het wegnemen van de zonden van de wereld, van een nieuwe wereld, in welker binnenste de Heere Zijn wet schrijft; met wie Hij een eeuwig verbond maakt, dat Hij Zich niet van achter hen zal afkeren (Jer. 31:33—37), en aan wie de Heere Zijn Geest geeft, en in de mond van welken Hij Zijn woorden legt en in de mond van haar zaad en in de mond van het zaad haars zaads (Jes. 59:20, 21). Het wegnemen van de zonden, zoals de Arminianen dat leren, is een wegnemen van de zonden van elk en een ieder van het zaad van Adam, van zulken, die nooit van een verbond, van het Woord, van de Geest, van een zaad, een heilig zaad en van een nieuw hart hoorden. Eindelijk, het wegnemen van de zonden van de wereld is een wegnemen ervan, zover het oosten is van het westen (Ps. 103:12), geschonken aan hen, die de Heere vrezen; over wie Zich de Heere ontfermt, gelijk zich een vader ontfermt over de kinderen; het is een dempen van onze ongerechtigheden, een werpen van al onze zonden in de diepten van de zee (Mich. 7:19, 20); een genade, welke alleen het overblijfsel van Zijn erfenis geschonken wordt. Het wegnemen van de zonden, dat de Arminianen stellen, is een vergeving, die zich tot de gehele wereld uitstrekt, doch laat hen voor hun gevoelen bewijzen uit de Schrift bijbrengen, zoals wij doen.
15e Tegenwerping. (Remonstr. in Scrip. Synod.) Al is verzoening voor elk en een ieder verworven, daarom is het nog niet noodzakelijk, dat zij aan elk en een ieder gepredikt wordt, maar het is alleen nodig, dat God gewillig is, dat zij aan allen gepredikt wordt. God is echter vrij, voor Hij aan allen de verworven verzoening wil aanbieden, als vereiste te stellen, dat vooraf zodanige gehoorzaamheid bewezen wordt en zulke plichten gedaan worden, op de verrichting waarvan Hij de verkondiging van het Evangelie kan laten volgen, of op de niet-verrichting waarvan Hij onwillig zijn kan, hun het Evangelie bekend te maken. Ja, al is verzoening voor allen verworven, toch is God vrij, de weldaden van de dood van Christus mee te delen, op zulke voorwaarden, als het Hem belieft. En Christus, zegt Mr. Moor, stierf om, zoals wij reeds vroeger hoorden, heerschappij over alles te verkrijgen, en macht om de gelovigen zalig te maken, en hen te vernielen, die niet willen, dat Hij Koning over hen zal zijn.
Antwoord. 1. In dit leerstuk is deze redenering losgelaten: God heeft bevolen elk en een ieder te prediken: dus — Christus is voor elk en een ieder gestorven. Want (1) de gevolgtrekking is, volgens de Arminiaanse leer, volstrekt waar: Christus is voor elk en een ieder gestorven; zonder enigerlei voorwaarden voor te schrijven aan hen, voor wie Hij stierf. Hij zegt niet: "Mijn Zoon stierf om verzoening voor allen te verwerven, op voorwaarde, dat allen geloven of enige andere plicht verrichten", maar, hetzij zij geloven, of niet geloven, de prijs is betaald, en de zaligheid is voor allen zonder uitzondering verworven. Doch het voorafgaande is niet waar, dan onder voorwaarde. God wil niet, dat het Evangelie aan allen gepredikt wordt, doch aan zulken, die aan zodanige voorwaarden voldoen.
2. Indien zij niet aan de voorwaarden voldoen, moest Christus gezegd hebben: "Predikt het Evangelie niet aan alle naties, niet aan alle creaturen, doch alleen aan hen, die u geschikte hoorders van het Evangelie bevindt te zijn, en die zulke daden van gehoorzaamheid verricht hebben, als Ik vereis." Het Evangelie toch, bevat zowel voorwaardelijke bedreigingen als voorwaardelijke beloften: Die gelooft zal zalig worden, die niet gelooft zal verdoemd worden. De Arminianen tonen ons echter nooit aan, waar, in Oud of Nieuw Testament, aan onze vrije wil wordt overgelaten, of ons het Woord van de genade zal gepredikt worden of niet: "Doet dit u Ammonieten, u Indianen, en de blijde boodschap zal ook tot u komen; indien u dit echter niet doet, zult u nooit het Evangelie horen." De Arminianen zeggen, dat God Zijn genade en Zijn Evangelie, beide genti minus dignos et indigniori negat, tot het onwaardige volk zendt, en beide ontzegt aan die het meer waardig zijn.
3. De Arminianen zeggen in Script. Synod. Dordr. pag. 6. "Lex non lata, aut non intellecta, cum intelligi non possit, non obligat," dat is, "een wet, die niet gemaakt is of niet verstaan wordt, legt geen verplichting op, wanneer zij niet verstaan kan worden." Dan kan God de zaligheid en de weldaad van een verkondigd Evangelie de Indianen niet onthouden, omdat beide in Christus verworven zijn, ook al hoorden zij nooit van Christus, zoals honderden volkeren nooit, zelfs bij gerucht, van Christus en het Evangelie gehoord hebben of er een gedachte over kunnen vormen.
4. Hoe kan God met dezelfde natuurlijke en halve wil evengelijk willen, dat allen zalig worden, wanneer Hij volstrekt, zonder verdienste of voorwaarde, aan sommigen de middelen tot zaligheid wil schenken, en die aan verreweg het grootste gedeelte van de mensen, wegens het niet volbrengen van een onmogelijke voorwaarde, onthoudt, omdat die hun niet bekend is, noch zijn kan?
5. Volgens de Arminiaanse leer is de erfzonde geen zonde, en brengt zij niemand onder toorn en verdoemenis. God begint met alle mensen een nieuwe rekening, namelijk de rekening van het genadeverbond. God is op zo’n wijze met alle stervelingen verzoend, en onderhandelt met hen in zulk een weg van vrije genade, dat Hij niemand voor een nieuwe verbreking wil straffen, tenzij die dadelijk begaan is door iemand, die tot onderscheid van jaren gekomen is en daarom verplicht is, in Christus te geloven, (pag. 285, 286, 287, Dordr. Scrip. Synod.) Nochtans heeft God besloten, aan miljoenen mensen, die meer recht hebben, deze verborgenheden van de genade te horen, dan duizenden voor de oren van welken zij geopenbaard zijn, voor zij onderscheid weten tussen hun rechter- en hun linkerhand, nooit zo’n genadige handeling bekend te maken. Dit was, zeggen de Arminianen, Gods beschikking (Matth. 11) over Kapernaüm, Tyrus en Sidon. Het zal echter blijken, dat de Arminianen de voorwetenschap en voorkennis Gods loochenen.
6. De leer van de dood van onze Heere Jezus moet echter troosteloos en allerafschuwelijkst zijn, indien Christus alleen stierf, om een Heere te zijn, zo’n Heere, Die macht heeft, zonder krenking van de wraak vorderende gerechtigheid, mensen, volgens een nieuwe overeenkomst, hetzij van genade of van werken, zalig te maken en Zijn vijanden, die deze nieuwe overeenkomst niet willen aannemen, te vernielen, echter zodanig, dat terwijl Christus gestorven is en de zonden van allen heeft weggenomen, en Heere en Koning gemaakt is over levenden en doden, alle mensen vrijwillig alle verbonden, welke Christus maakt of kan maken, kunnen verwerpen, en eeuwig omkomen en verloren zijn.
Want (1) Christus’ koninklijke heerschappij, welke Hij door de dood verkregen heeft, is geen vrije-wil-macht of een mogelijkheid, waardoor Hij op zulke en zulke voorwaarden kan doden of zaligmaken, hoewel ook allen kunnen verloren gaan, doch Christus is, door Zijn dood, een Heere van levenden en doden geworden (Rom. 14:9) opdat Hij een Rechter zou zijn over allen, echter zodanig, dat wij onszelf niet zouden leven en sterven, maar opdat wij, hetzij dat wij leven, hetzij dat wij sterven, van Christus zouden zijn. Al veranderen de toestanden, nochtans veranderen wij in beide niet van Heere; wij moeten des Heeren zijn (vs. 7, 8.). Christus is weer levend geworden, nadat Hij gestorven is, opdat Hij de Man van Zijn vrouw, de kerk, zou zijn, voor wie Hij uit liefde stierf.
(2) Op diezelfde voorwaarden, waarop Christus door Zijn dood een Heere geworden is en heerschappij ontving, werd Hij ook een Vorst over Zijn kerk, want Heere, Vorst en Koning zijn alle één en hetzelfde. Doch de Heere maakt David, dat is, Jezus, de Zoon Davids, een Vorst over Zijn volk, niet met macht bekleed, om Zijn kudde zalig te maken of te vernielen, zodat de gehele kudde voor eeuwig kan verloren zijn. Neen. Hij zegt: (Ezech. 34:22). Daarom zal Ik Mijn schapen verlossen, dat zij niet meer tot een roof zullen zijn. (vs. 23). En Ik zal een enige Herder over hen verwekken, en Hij zal hen weiden, namelijk Mijn Knecht David, Die zal hen weiden, en Die zal hun tot een Herder zijn. (vs. 24). En Ik, de Heere, zal hen tot een God zijn, en Mijn Knecht David zal Vorst zijn in het midden van hen, Ik, de Heere, heb het gesproken. (vs. 25). En Ik zal een verbond des vredes met hen maken. Is nu Christus, door het broed van het eeuwige verbond, uit de dood teruggebracht en een Herder van de zielen geworden, opdat Hij macht zou hebben, de gehele kudde te vernielen? Ezechiël zegt: om hen te weiden; de apostel zegt: om de heiligen te volmaken in alle goede werken, werkende in hen (werkelijk en krachtdadig) hetgeen voor Hem welbehaaglijk is (Hebr 13:20, 21). Weliswaar heeft Christus door Zijn dood een Middelaarsmacht verkregen, om al Zijn weerspannige vijanden met een ijzeren roede te vermorzelen als een pottenbakkersvat, doch dit is een macht, om die vijanden te vermorzelen, die het Evangelie gehoord hebben, en niet willen, dat Christus in Zijn Evangelie-regering over hen regeert, maar niet, om al Zijn vijanden te vermorzelen, die nooit van het Evangelie gehoord hebben, en dus niet volgens het Evangelie schuldig zijn aan het zondigen tegen de Heere Jezus, als Middelaar, want aan die zonde kunnen zij niet schuldig zijn (Rom. 10:14; Joh. 15:22). Hij had en heeft macht als God, evengelijk met de Vader, om al degenen, die zonder wet gezondigd hebben, te oordelen en te straffen. Het is niet door verdienste, niet door Zijn dood verdiend, dat Jezus Christus gekroond is, opdat Hij zulke vijanden zou vernielen, die niet in staat zijn, tegen Zijn Middelaarskroon te zondigen, te meer, aangezien Hij als God macht heeft, hen als Zijn vijanden te vernielen, ook al zou Hij nooit Middelaar geweest zijn.
Ja, in Hand. 5:30, 31, staat geschreven: "deze Jezus, Die gij omgebracht hebt, hangende Hem aan het hout, heeft God door Zijn rechterhand verhoogd tot een Vorst en Zaligmaker," niet, om al Zijn onderdanen te vernielen krachtens voorgeziene rebellie, waartoe zij door de verdorvenheid van de natuur geneigd zijn, maar opdat Hij door Zijn Geest de verdorven natuur in hen tot onderwerping zou brengen, om Israël te geven bekering en vergeving van zonden.
(3) Naar hetzelfde recht, volgens welk Christus een Koning en Heere gemaakt is, is Hij ook het Hoofd des lichaams, namelijk der Kerk geworden, want (Ef. 1:20-23) God heeft Christus, als Hij Hem uit de dood heeft opgewekt, de Gemeente gegeven tot een Hoofd boven alle dingen. Nu is Hij niet tot een Hoofd des lichaams geworden, opdat Hij, zoals de Arminianen moeten zeggen, alle of tenminste de meesten van Zijn leden zou vernielen, maar Hij is daartoe tot een Hoofd gegeven, opdat het gehele lichaam, door Zijn Geest bekwaam samengevoegd, zou opwassen in de liefde (Ef. 4:16) en opdat alle leden het leven en de Geest uit Hem zouden ontvangen.
(4) Naar hetzelfde recht, krachtens welk Hij een Heere gemaakt is, is Hij ook Koning, Regeerder en Leidsman van het volk geworden. De macht toch van regering en heerschappij is niets anders dan koninklijke macht. Nu is Hij niet op zulke voorwaarden Koning geworden, dat Hij al Zijn onderdanen zou kunnen vernielen (want alle mensen zijn volgens de Arminianen Zijn onderdanen), maar Hij is Koning gemaakt (Ps. 72:11), opdat alle heidenen Hem zullen dienen; om de nooddruftige te redden, die daar roept, mitsgaders de ellendige, en die geen helper heeft. Hij zal de arme en nooddruftige verschonen, en de zielen van de nooddruftigen verlossen. Hij zal hun zielen van list en geweld bevrijden en hun bloed zal dierbaar zijn in Zijn ogen. Hij zal, Koning zijnde, regeren en voorspoedig zijn; (Jer. 23:5—8) en in Zijn dagen zal Juda verlost worden en Israël zeker wonen. God richtte een hoorn der zaligheid op in het huis Davids (Luk. 1) en zette zo Christus op de troon, opdat Hij barmhartigheid deed aan onze vaderen en gedachtig ware aan Zijn heilig verbond, opdat wij Hem dienen zouden in heiligheid en gerechtigheid. Volgens de Arminianen echter is Hij op de troon van David gezet, om wraak te oefenen over al Zijn onderdanen en hen allen te vernielen, indien zij allen rebelleren, en alsdan niet één van Juda en Israël zalig te maken. Het zou toch kunnen gebeuren, dat Hij een Koning was zonder één onderdaan, omdat al Zijn onderdanen in de hel geworpen kunnen worden. Ja, Hij zal voortkomen uit de wortel Isaï, een koninklijke Spruit uit het huis van koning David, niet om de oorlogen tussen de Heere en alle mensenkinderen te laten voortduren, maar opdat de wolf met het lam zal verkeren en de luipaard bij de geitenbok neerliggen, en het kalf en de jonge leeuw en het mestvee tezamen, en een klein jongske zal ze drijven, want de aarde zal vol kennis des Heeren zijn, gelijk de wateren de bodem van de zee bedekken. (Jes. 11). Christus is gegeven tot een Gids en Leidsman van het volk, ongetwijfeld Zijn kudde ten goede, want Hij zal de lammeren in Zijn armen vergaderen (Jes. 40:11). Zij zullen niet hongeren, noch dorsten, en de hitte en de zon zal ze niet steken, want haar Ontfermer zal ze leiden, en Hij zal ze aan de springaders der wateren zachtjes leiden (Jes. 49:10). "Zaligheid" is op de kroon van Christus gegraveerd, doch volgens Arminiaans begrip moet Christus, krachtens Zijn ambt, een vernieler zijn, een Heere, Die als Jezus en Zaligmaker zijn volk vermorzelt.
(5) Wat is meer in strijd met het wezenlijk oogmerk van Christus’ dood, dan dat Hij, met Zijn sterven, niets anders zou bereiken dan een mogelijkheid van verzoening, een mogelijke zaligheid, een verzachten van het hart van God, waardoor de gerechtigheid alleen gaat terzijde staan en een deur geopend wordt, waardoor God, als het Hem behaagt, gewillig kan zijn, de zaligheid, door deze of gene wet, door een verbond, hetzij der werken of der genade, of langs een middenweg, of door geloof in een engel of in een heilig mens te vorderen, verkrijgbaar te stellen, en die mogelijke zaligheid, deze werkelijke of halve verzoening bestaanbaar te doen zijn met de eeuwige verdoemenis van de gehele wereld, terwijl het rechte, natuurlijke oogmerk van de dood van Christus is, dat (Joh. 10:10) Zijn schapen het leven en overvloed zullen hebben? Hij leed toch, Hij, de Rechtvaardige, voor de onrechtvaardigen, opdat Hij ons tot God zou brengen (1 Petr. 3:18) en in dat dadelijk lijden (om zo te zeggen) in dat gegeseld, verwond en gedood worden, was de straf, die ons de vrede aanbrengt, op Hem. (Jes. 53:5) Dit kan niet zo’n "mogelijke hemel", een "vogel in de lucht", een "het kan zijn", even na als een "het kan ook niet zijn" wezen, welke bestaan kunnen met een onvermijdelijke hel. Christus zou dan gestorven zijn op een armzalig, hopeloos misschien, en een wisselvallige gebeurlijkheid, welke even spoedig de hel zou kunnen vullen met de verdoemde zielen van de gehele wereld, als genade het Paradijs met verlosten.
(6) Nergens staat geschreven, dat Zijn komst in de wereld zo’n Arminiaans doel heeft als een mogelijk zalig worden, of een verworven zaligheid, die duizenden nooit, ja, die misschien niet één in de wereld ooit zal genieten, maar dat Hij kwam, om te zoeken, en werkelijk en met het bepaalde doel, om zalig te maken, dat verloren was (Luk. 19:10); om zondaren zalig te maken (1 Tim. 1:15) en Paulus zalig te maken, die de voornaamste was; niet tot toorn, maar tot verkrijging van de zaligheid door onze Heere Jezus Christus (1 Thess. 5:9).
(7) Dan zou Hij daartoe niet gestorven zijn, dat wij niet onszelf maar der gerechtigheid leven zouden (1 Petr. 2:24), en opdat Hij ons trekken zou uit deze tegenwoordige, boze wereld (Gal. 1:4), om verlost te worden uit onze ijdele wandeling (1 Petr. 1:18). Hij heeft zichzelf voor ons gegeven, opdat Hij ons verlossen zou van alle ongerechtigheid, en zichzelf een eigen volk zou reinigen, ijverig in goede werken (Tit. 2:14), opdat wij God zouden verheerlijken in ons lichaam en in onze geest, welke beide Godes zijn (1 Kor. 6:20), en opdat Hij Zichzelf zou heerlijk voorstellen een gemeente, die geen vlek of rimpel heeft, of iets dergelijks, maar dat zij zou heilig zijn en onberispelijk (Ef. 5:27). De Arminianen zeggen echter, dat Christus het oorspronkelijk en natuurlijk doel van Zijn dood kan bereiken, al zouden al de verlosten zichzelf leven, en nooit van de tegenwoordige, boze wereld, noch van hun ijdele wandeling verlost worden, en zichzelf leven en sterven en naar hun begeerlijkheden wandelen.
(8) Op diezelfde grond, waarop Christus een Heere geworden is, is Hij ook een Man van de kerk geworden, want de man is als man het hoofd van de vrouw. Het eigenlijke doel nu, en dus ook de bepaalde handelingen van deze Man, die door het huwelijks-verbond van vrije genade aan ons verbonden is, moet vrije liefde tot Zijn bruid zijn, gelijk Paulus dat verklaart (Ef. 5:253, en de eigen vrucht en het doel van het huwelijk is, dat de bruid deel zal hebben aan de gerechtigheid, heerlijkheid, geest, wijsheid en heiligmaking, en aan het koninkrijk en de troon van de Man en Heere, maar niet om Zijn bruid te veroordelen en te verderven.
(9) Het is een redeloze mening, dat Christus, nadat Hij gestorven is, nog vrijheid heeft, te beschikken op welke voorwaarden, hetzij wet of Evangelie, genade of werken, Hij ons wil zaligmaken en verheerlijken. Hij is toch als Borg van het genadeverbond gestorven (Hebr. 7:2) en heeft Zijn uiterste wil en Zijn testament gemaakt, en die door Zijn dood, als onze Vriend, van kracht gemaakt en Hij heeft de belofte van een eeuwige erfenis aan Zijn vrienden nagelaten (Hebr. 9:15), en zo is Hij gestorven als de Middelaar van het Nieuwe Testament, en heeft het verbond met Zijn bloed verzegeld, dat daarom het bloed des eeuwigen verbonds genaamd wordt (Hebr. 13:20; Zach. 9:11). Daarom is ook het eerste Testament niet zonder bloed ingewijd, (Hebr. 9:18—21) en is Christus als Priester, door Zijn bloed in de hemel ingegaan, (vs. 23, 243 om nu te verschijnen voor het aangezicht Gods voor ons. Dit Arminiaans gevoelen werpt het gehele Evangelie omver, dat een bloed-koop is tussen de Vader en de Zoon, Christus. Christus stervende en Zijn volk rechtvaardigende, hun ongerechtigheden vergevende, en hen mede-erfgenamen met Hem makende van hetzelfde verbond en koninkrijk, is de Hoofdpersoon in dit verdrag van vrije genade. Nu is het onmogelijk, dat dit de vrucht van Christus’ dood kan zijn, dat Hij een ander genadeverbond kan maken en een Evangelieweg naar de hemel, of welke andere weg ook, kan instellen, aangezien God, alleen krachtens het Evangelieverbond, Christus een lichaam heeft toebereid en met Hem het contract gemaakt heeft, dat Hij Zijn ziel zou stellen tot een schuldoffer, terwijl God Hem, indien Hij wilde sterven, beloofde, dat Hij een zaad zou zien en dat het welbehagen des Heeren door Zijn hand gelukkiglijk zou voortgaan; dat Zijn ziel zou verzadigd worden; dat Hij er velen zou rechtvaardigen en voor velen zou bidden (Jes. 53:10—13). Is het nu mogelijk, dat allen voor eeuwig kunnen verloren gaan, en dat het Christus vrijstaat, na Zijn dood, zo’n verbond te maken, krachtens welke het mogelijk is, dat geen mens zalig wordt, dan zou Christus Zijn werk doen en geen loon ontvangen, noch een zaad hebben, noch Zijn volk rechtvaardigen, noch een gewillig volk hebben, om Hem te dienen. Ja, dan zou Christus, als onze Priester op aarde, in de offerande van Zijn lichaams, Zijn bloed gestort hebben, en toch niet in de hemel, in het Heilige der heiligen ingaan, om daar als onze Hogepriester voor ons te bidden.
(10) Alle ambten en betrekkingen van Christus en alle troostvolle beloften van het Evangelie worden dan omvergeworpen, want het ligt dan aan de vrije wil van de mens, of Christus de Koning, het Hoofd en de Man van de Gemeente zal zijn of niet. Het is toch duidelijk, dat Christus een Evangelie-Koning is. Indien nu met Zijn dood kan bestaan, dat het zijn eigenlijk doel en zijn volkomen uitwerking bereikt in een bloot mogelijke verzoening en in een zaligheid voor Zijn volk, welke alleen bestaat in een "het kan zijn" of "het kan ook niet zijn", dan is Christus een Evangelie-Koning zonder een koninkrijk van de genade, welks vruchten zijn, rechtvaardigheid en vrede en blijdschap door de Heilige Geest (Rom. 14:17). Hij is dan wel een Koning, maar Juda zal in Zijn dagen nooit verlost worden, in Zijn Koninkrijk zal geen rechtvaardigheid, vrede noch blijdschap zijn; Hij is dan wel een Verlosser en Zaligmaker, maar Zijn volk zal eeuwig verloren zijn, en in slavernij en ellende en in hun zonden sterven; Hij is dan wel een Zaligmaker, maar Hij maakt Zijn volk niet zalig van hun zonden; Hij is de uiterste Hoeksteen, maar er worden geen levende stenen op Hem gebouwd; Hij is een Hoofd, maar heeft geen levend lichaam, dat door Zijn Geest is levend gemaakt, geen lichaam, dat de volheid van Christus is; Hij is een Man, maar het wezenlijke van Zijn mannelijke kracht en van de macht over Zijn vrouw bestaat hierin, dat Hij macht heeft, Zijn bruid voor eeuwig te verderven; dan is Hij een Man, die Zijn Eigen vlees haat; Hij is dan wel een Herder, en ook een goede Herder, die Zijn leven aflegt voor Zijn schapen, maar de brullende leeuw verscheurt Zijn gehele kudde; Hij draagt Zijn lammeren dan niet in Zijn schoot, Hij weidt hen niet in de sterkte des Heeren, Hij doet hen niet veilig neerliggen, Hij leidt hen niet aan levende wateren, maar zij moeten eeuwig van honger en gebrek omkomen; Hij is de Wijnstok, doch niemand draagt in Hem veel vrucht; Hij is een eeuwig Priester, doch de zonden van allen, voor wie Hij offert, blijven voor eeuwig voor het aangezicht des Heeren in de hemel; Hij is het beloofde Zaad, en Hij triomfeert, door de dood, over duivelen, overheden en machten, doch de kop van de slang is niet vermorzeld, Satan is niet buitengeworpen; Satan regeert en heerst nog in alle mensenkinderen; hij heeft dan veel aan Christus, want de wereld van uitverkorenen en verworpenen, alle kinderen Adams leven en sterven in hun zonden, en zullen eeuwig met de duivel en zijn engelen gepijnigd worden; het eeuwig leven en het koninkrijk der hemelen zijn vruchteloos aangeboden en zijn nutteloos verworven voor de verlosten, die voor de troon staan en het Lam lofzingen; Hij is de Heere, die Zijn huis, Zijn gemeente, bouwt, doch Hij heeft geen Kerk, geen gemeente, dan die, welke geen Kerk kan genoemd worden. Ik ken geen artikel van het Evangelie, dat niet in tegenspraak is met deze nieuwe en goddeloze leer van algemene verzoening.
(11) In Christus geloven is, volgens hen, geloven, dat almacht Judas, Farao en elk sterfelijk mens kan zalig maken, indien zij in Christus geloven. Doch Christus heeft voor geen sterfelijk mens voldoende genade verworven, omdat, altijd volgens de Arminianen, in de verwerving van het eeuwig leven voor de gehele wereld niet begrepen is, dat ook.geloof, bekering of genade, om te geloven of zich te bekeren, verworven is, en God had, ook na de dood van Christus, kunnen volstaan met niets van ons te vereisen dan, ons te onthouder van het eten van de vrucht van zekere boom, en daarop het eeuwig leven in Christus kunnen beloven.
(12) Hoe kan de voldoening door Christus aan enig mens worden toegerekend, als het alleen een mogelijke zaligheid of een macht om zalig te maken is, die bestaan kan en ook bestaat, met de verdoemenis van miljoenen voor wie Christus gestorven is?
(13) Christus had, zeggen zij, met Zijn sterven, niet de heiligmaking, noch het geven van de Geest, noch de eeuwige heerlijkheid van enig mens, meer op het oog, dan die van een ander, van Petrus of Mozes niet meer dan van Kaïn of Judas, hoewel Hij gezegd heeft: (Joh. 17:19) "Ik heilig Mijzelf voor hen, en, (vs. 24) Vader, Ik wil, dat waar Ik ben, ook die bij Mij zijn, die Gij Mij gegeven hebt, opdat zij Mijn heerlijkheid mogen aanschouwen, die Gij Mij gegeven hebt, en, (vs. 9) Ik bid niet voor de wereld, maar voor degenen, die Gij Mij gegeven hebt."
(14) Christus is gestorven en toch moet Hij, volgens de Arminianen, geen Testament maken en geen bepaalde erfgenamen aanwijzen, maar de nalatenschap van de gestorvene moet door de vrije wil verkregen worden, zodat zij is voor hen, die haar willen hebben.
(15) Christus heeft door Zijn dood verkregen, dat, zullen mensen zalig worden, evengoed de wet of het geloof in een engel zou kunnen gepredikt worden, als het Evangelie.
Gebruik. De gehele leer, die tegenover het leerstuk van de algemene verzoening staat, verhoogt Christus ten zeerste, want daardoor moet de Heere Jezus, als Middelaar en als onze Hogepriester wezenlijk genade zijn en is Hij wezenlijk een Afgezant van de Genade. Het is Christus natuurlijk Eigen, zalig te maken; de zaligheid behoort tot Christus als Christus. Geniet Hem als Zaligmaker en u kunt niet verloren gaan. Weest met Hem als Man verenigd en Hij kan niet anders dan Zijn bruid liefhebben en zaligmaken. Onderwerpt u aan Hem als Koning en u moet met Hem deel hebben aan Zijn troon. Nooit was Zijn koninklijke kroon voor iets anders bestemd, dan dat de glans van de edelgesteenten in die kroon, het aangezicht en de zielen van Zijn verlosten zou bestralen. Christus kwam niet, om te verderven, maar om het verlorene te zoeken en zalig te maken. Verenigt u met Christus door het geloof en door de Geest van de Heere Jezus en Hij zal u, om zo te zeggen, zalig maken, of u wilt of niet. U klaagt over verdorvenheid en Hij is een Koning over het lichaam van de zonde en een Priester, om begeerlijkheden op te offeren. Christus te prediken als gestorven, om elk en een ieder van het menselijk geslacht te verlossen, terwijl miljoenen verlosten voor eeuwig verloren gaan, is Christus aan het volk te ontstelen, evenals dieven in de dagen van Jeremia het Woord des Heeren stalen; men maakt daardoor van de Heere Jezus een even zwak en krachteloos Priester als ooit een van de zonen van Aäron was, wiens bloed hun zonden evenmin kan wegnemen als het bloed van stieren en bokken dat doen kan; het is de vrije wil op de troon zetten en de genade van Christus onttronen en de Heere Jezus en Zijn bloed te schande maken. Hoewel deze vijanden van het kruis van Christus nu onder de naam van "de godvruchtige partij" bij menigten gevonden worden, was het toch een goede opmerking van die geleerde en begenadigde dienaar van Christus Dr. Ames, die wel met Arminianen sprak, dat hij nooit in de gesprekken van die mensen, die in de leer verklaarde vijanden van de genade van Christus zijn, een bewijs van de genade van Christus vinden kon.
Wat nu de woorden "allen" en "de wereld" en "alle volkeren" betreft, kan uit de wil van Christus, zoals de Schrift die bekend maakt, duidelijk bewezen worden, dat, indien algemene verzoening en verlossing uit deze taalgebruiken te bewijzen is, dan even krachtig bewezen kan worden, (1) De bekering van elk sterfelijk mens tot het zaligmakend geloof; (2) de eeuwige zaligheid van alle mensen, en (3) het eeuwig verloren gaan van alle mensen, dat even ongerijmd als godslasterlijk is. Indien het welbehagen Gods niet kan uitgestrekt worden tot het doel en tot de krachtdadige en alleenzaligmakende middelen, die tot dat doel leiden, hetwelk de zaligheid en het zaligmakend geloof is, dan kan het ook met geen schijn van reden meer tot het een middel, om elk en een ieder zalig te maken. worden uitgestrekt, dan tot het andere.
1. Er is een algemene bekering en zaligmakende verlichting, welke in de tekst "een trekken van allen" genoemd wordt. En Ik, zo wanneer Ik aan het kruis zal verhoogd zijn, zal ze allen tot Mij trekken. Hier is een trekken van allen, en dus een krachtdadige bekering, doch niet, zoals Mr. De zegt, van elk en een ieder mens.
(1) Omdat dit trekken geschiedt door de kracht van Christus, Die aan het kruis (vs. 33) verhoogd is, en door de Heilige Geest, Die door Christus gegeven is (Joh. 7:39; 14:16, 17; 15:26, 27; 16:7, 13, 14). Het kan echter geen Evangelie-waarheid zijn, dat Christus door Zijn verhoging aan het kruis en door Zijn dood, elk en een ieder mens, dus duizenden en miljoenen van de kinderen Adams, die nooit een letter of het minste geklank van het Evangelie of van Zijn verhoging aan het kruis hoorden, trekt, want het trekken door de dood van Christus moet voorzeker geschieden door de voorstelling van de schoonheid en beminnelijkheid van de gekruiste Christus, waarvan duizenden nooit gehoord hebben.
(2) Dit trekken moet geheel hetzelfde zijn met de trekking, welke daadwerkelijk een nalopen (Hoogl. 1:4) van Christus tot gevolg heeft, zoals ook in Joh. 6:44 geschreven staat. Wanneer nu Christus zegt: "Niemand kan tot Mij komen, tenzij hij getrokken wordt," dan toont hij daarmee duidelijk aan, dat de trekking van de Vader een bijzonder voorrecht van sommigen is, dat niet allen gemeen is, zoals ook bovendien die twee andere uitdrukkingen "van God geleerd zijn" en "die het van de Vader gehoord en geleerd heeft" duidelijk uitwijzen.
(3) Omdat allen, die getrokken zijn, ten uiterste dage, door Christus, hun Leven en Hoofd zullen worden opgewekt.
(4) De tegenpartij kan onmogelijk enigerlei trekking door of tot Christus, welke aan allen mensenkinderen gemeen is, aantonen.
Zo ook die woorden: Geheel Israël zal de Heere kennen, zoals wij die vinden in Hebr. 8:10,11. Want dit is het verbond, dat Ik met het huis Israëls maken zal na die dagen, zegt de Heere, Ik zal Mijn wetten in hun verstand geven, en in hun harten zal Ik die inschrijven, en Ik zal hun tot een God zijn, en zij zullen Mij tot een volk zijn. En zij zullen niet leren een ieder zijn naaste, en een ieder zijn broeder, [Gr. hoti pantes eidesousi me] want zij zullen Mij allen kennen van de kleine onder hen tot de grote onder hen. Wanneer was dit verbond gemaakt? Onder de Messias, toen zowel de Joden, aan wie de apostel schreef, als de heidenen na die dagen inkwamen. De Arminianen kunnen niet loochenen, dat het geven van de wetten in het verstand en het inschrijven daarvan in hun harten en dit kennen van de Heere, niet door de bediening van mensen maar door de inwendige onderwijzing van de Geest, zaligmakende bekering moet zijn. Er is niet meer reden, om, in het stuk van bekering, te verklaren, dat met de woorden Israël, geheel Israël, beiden Joden en heidenen, allen van elke soort, en (tenzij zij tot onze algemeenheid van de uitverkorenen de toevlucht nemen) maar weinigen bedoeld worden dan in het stuk van de verlossing door Christus, waar toch geschreven staat, (1 Tim. 2), dat Christus Zichzelf gegeven heeft tot een rantsoen voor allen. Het is toch hun vaste leer, dat alle kinderen Adams, de velen zijn voor wie Christus stierf, en die aan te merken als de partijen met wie het verbond gemaakt is. Zo staat in hetzelfde verbond geschreven: (Joh. 6:45) "Zij zullen allen van God geleerd zijn", [Gr. kai esontai pantas] evenals Jeremia zegt: (hfdst. 31:34) [Hebr. ki kulam enz.l "Want zij zullen Mij allen kennen, - want Ik zal hun ongerechtigheid vergeven, en hun zonden niet meer gedenken." Tenzij de Arminianen een algemeenheid van de verlosten van God toestaan, wanneer zij voor een algemene verlossing strijden, en daarvoor, dat elk en een ieder mens, in Christus opgenomen is in het genadeverbond, (want zij verklaren "allen" voor die in de zichtbare Kerk zijn) dan kunnen wij met evenveel reden taalkundig uit [Heb. kol en Gr. pantes] "allen" een algemene wedergeboorte en een algemene rechtvaardigmaking van allen bewijzen, als zij een algemene verlossing. Zo worden duidelijk met de belofte in Jes. 54:11, welke dezelfde.is als die in Rom. 11:26, dat geheel Israël zal zalig worden, Joden en heidenen bedoeld, wanneer de volheid van de heidenen zal ingaan. Dus zo zouden wij hier dan een algemene zaligheid hebben.
Dan moeten ook door de prediking van Johannes de Doper, al zijn hoorders bekeerd zijn, en waarom? Evenals, volgens de verklaring van de Arminianen, de "velen" voor wie Christus gestorven is, (Matth. 20:28) alle mensen zonder onderscheid zijn, (1 Tim. 2:6; Hebr. 2:9; 1 Joh. 2:1) zo zijn zij verschuldigd ons dezelfde vrijheid te gunnen. Volgens Arminiaanse uitlegkunde, moeten die woorden: (Mal. 4) "Hij zal het hart der vaderen tot de kinderen weder brengen" en (Luk. 1:16): "Hij zal velen van de kinderen Israëls bekeren tot de Heere hun God", betekenen, dat allen, die Johannes hoorden prediken, bekeerd zijn, in tegenspraak met Luk. 7:29, 30, waar geschreven staat, dat Farizeeën en Wetgeleerden niet bekeerd werden. Ja, in Jes. 40 staat geschreven: "Alle dalen zullen verhoogd worden, en alle bergen en heuvelen zullen vernederd worden, en wat krom is, dat zal recht, en wat hobbelachtig is, dat zal tot een vallei gemaakt worden, en de heerlijkheid des Heeren zal geopenbaard worden, en alle vlees tegelijk zal zien, dat het de mond des Heeren gesproken heeft. In Matth. 3, evenals in Mark. 2:3 en Joh. 1:23, wordt dit verklaard als te zien op de prediking van bekering, en op de komst van het koninkrijk Gods, door de bediening van Johannes de Doper. Het verhogen van de dalen en het rechtmaken van hetgeen krom is, is zonder twijfel het vernederen van de trotse en het verhogen van de nederige en de bekering van de ongehoorzame Wie kan echter zeggen, dat door de prediking van Johannes, of zelfs door die van Christus, alle bergen zijn vernederd geworden, of dat het Evangelie aan elk en een ieder mens gepredikt is, of dat het hart van elke zoon tot de vader bekeerd is, of dat alle vlees de zaligheid Gods gezien of genoten heeft? Dan moeten zij tot onze verklaring overkomen, want wij kunnen zeggen, dat het zien van de zaligheid Gods niet minder dan het zaligmaken van allen is, wat de Arminianen niet kunnen zeggen. Mr. Den zegt: dat het zien of aanschouwen van God (Luk. 3:6) daarin geschiedt, "dat zij God kennende Hem als God niet hebben verheerlijkt (Rom. 1:21); en dat het hun niet goedgedacht heeft, God in erkentenis te houden"; en zoals er staat, (Eng. Vert. van Joh. 15:25) zij hebben beiden Mij en Mijn Vader gezien en gehaat; en "ziende, zien zij niet," doch zegt hij, het moet niet van een zaligmakende kennis verstaan worden.
Antwoord. 1. Dit is in strijd met de bedoeling van de profeet Jesaja en van de evangelisten, die op het oog hebben, de vruchten van de Evangeliebediening van Johannes de Doper voor te stellen, welke zoals Maleachi zegt, de bekering van de zielen en de vernedering van de hoogmoedigen en de bekering van de kinderen Israëls tot de Heere, hun God was, en welke bestond in voor Christus heen te gaan in de geest en de kracht van Elia, om te bekeren de harten van de vaderen tot de kinderen, en de ongehoorzamen tot de voorzichtigheid van de rechtvaardigen, om de Heere te bereiden een toegerust volk (Luk. 1:16, 17). Dit is een duidelijke verklaring van het vlak maken voor Christus van elke trotse berg, en van het toerusten van zielen voor de Messias. Dit is wat anders als het leren van zo’n kennis van Christus, welke de afgodische heidenen van God, als Schepper, of de blinde en hardnekkige Farizeeën van Christus en Zijn Vader hadden, die zij beide, zagen en haatten. (Joh. 15 en Rom. 1:21). Zulk een zien van de zaligheid is noch bekering, noch de toebereiding van een volk voor Christus.
2. De uitdrukking "God en de zaligheid Gods zien", welke een krachtige vrucht van het Evangelie uitdrukt, is in haar laagste betekenis, in de Schrift, altijd iets, dat natuurlijke mensen, godloochenaars en Farizeeën missen. Het betekent een daadwerkelijke kennis Gods en een genieten van God, als bijvoorbeeld: (Job 19:26) Ik zal God aanschouwen. (Ps. 106:5) Opdat ik aanschouwe (of geniete) het goede Uwer uitverkorenen. (Jes. 33:17). Uw ogen zullen de Koning zien in Zijn schoonheid. (Jes. 52: 1) Alle einden van de aarde zullen zien het heil onzes Gods. (Matth. 5:8). Zalig zijn de reinen van hart, want zij zullen God zien. (Joh. 3:3). Tenzij dat iemand wederom geboren worde, hij kan het koninkrijk Gods niet zien. (Hand. 22:14). Toen zeide Ananias tot Paulus: de God van onze vaderen heeft u tevoren verordineerd, om Zijn wil te kennen, en de Rechtvaardige te zien. (Hebr. 12:14). Jaagt de heiligmaking na, zonder welke niemand de Heere zien zal. Indien echter Mr. Den en anderen willen betwisten, dat dit zien van het heil of de zaligheid Gods de openbaring is van de letterlijke kennis van Christus, die zaligmakende zaak, welke de volkeren door de dienst van Johannes en door de komst van de Messias geschonken is, dan moeten zij ons toestemmen, dat het in grote mate een stijlfiguur is, waarin het geheel voor een deel genomen wordt, als er geschreven staat: "En alle vlees zal de zaligheid Gods zien," aangezien er toch duizenden zijn, die in het land van de schaduwen des doods leven en sterven, die nooit het minste proefje van de letterlijke kennis van Christus of van Zijn Naam ontvangen. (Ps. 29: 9) "In Zijn tempel zegt Hem een iegelijk eer." Niet iedereen, maar alleen die bekeerd zijn, kunnen de eer en heerlijkheid Gods in de tempel des Heeren zaligmakend uitspreken; er zijn er anders velen, die in Zijn tempel tot Zijn oneer spreken en handelen. (Jer. 7:4, 10, 11; Ezech. 23:38, 39.) Zo lezen wij in Hand. 2: 4:"Zij werden allen vervuld met de Heilige Geest," en (vs. 17) "En het zal zijn in de laatste dagen, zegt God, Ik zal uitstorten van Mijn Geest op alle vlees." Het is duidelijk, dat dit een profetie is van alle vlees in de Kerk, want zo volgt: "en uw zonen en uw dochters zullen profeteren, enz." Alle vlees heeft echter nooit geprofeteerd, noch is de Heilige Geest uitgestort op Ananias en Safira. In Rom. 4 wordt Abraham onze vader genoemd, en hij is een geestelijk vader door het geloof van hen, die uit het geloof van Abraham zijn. De Arminianen willen ons echter niet toestaan, dat wij "ons allen" in het stuk van de verlossing van ons allen, uitleggen als te zien op de uitverkorenen van God en de gelovigen, maar zij willen dat toepassen op elk en een ieder binnen de zichtbare Kerk. (Joh. 1:16) En uit Zijn volheid hebben wij allen ontvangen, ook genade voor genade. Tenzij de woorden worden beperkt, kan men er met evenveel grond uit opmaken, dat allen in Christus zaligmakende genade ontvangen hebben, als dat er een algemene verlossing is. De Arminianen toch hebben grond, om dit bewijs uit de woorden te halen: Wij alle, onder wie Christus gewoond heeft, hebben genade ontvangen, want wij allen hebben Zijn heerlijkheid aanschouwd, als des Eniggeborenen van de Vader, (vs. 14) (dit aanschouwen is het zien van het zaligmakend geloof, dat niet aan elk Adamskind in het bijzonder geschonken wordt,) en Hij woonde persoonlijk in het vlees en in de natuur van alle kinderen Adams. Zo staat in 1 Kor. 12:13 geschreven: "Want ook wij allen zijn door één Geest tot één lichaam gedoopt, hetzij Joden, hetzij Grieken, hetzij dienstknechten, hetzij vrijen, en wij zijn allen tot één Geest gedrenkt " [Gr. he meis pantes.] Hoe kunnen de Arminianen omkomen aan het stellen van een geestelijke gemeenschap van alle Joden en heidenen, in beide sacramenten, in het zichtbare lichaam van Christus, tenzij zij "allen" [Gr. pantes] beperken, evenals wij doen? Zo ook 2 Kor. 3:18; En wij allen [ Gr. he meis de pantes] met ongedekten aangezichte de heerlijkheid des Heeren als in een spiegel aanschouwende, worden naar het beeld in gedaante veranderd, van heerlijkheid tot heerlijkheid, als van des Heeren Geest. Paulus spreekt hier van allen, die onder het Evangelie, en onder de heerlijke bediening van de Geest leven, in tegenstelling met de toestand van de kinderen Israëls, die onder de wet waren, welke een bediening des doods was, (vs. 6—8) van welken de zinnen verblind waren door het deksel, dat in het lezen van Oude Testament, op de harten van dat hardnekkig volk lag en nog ligt; welk deksel weggenomen is in Christus, waardoor wij allen, die onder het Evangelie leven, nu als in het voorportaal van de hemel zijnde, de Geest hebben en vrijgemaakt zijn, en de heerlijkheid Gods aanschouwen, en tot dezelfde heerlijkheid veranderd worden, waardoor ons aller aangezichten blinken door de stralen en de verlichting van de heerlijkheid van het Evangelie in het aangezicht Gods, op veel heerlijker wijze dan het aangezicht van Mozes blonk, toen hij van de berg afkwam, met een heerlijkheid die teniet gedaan zou worden, terwijl deze heerlijkheid eeuwig is, (vs. 9—12 vergeleken met vs. 17, 18). Laten nu de Arminianen zelf zeggen, of zij menen, dat elk en een ieder, die het Evangelie hoort, deel heeft aan dit aanschouwen van God in het koninkrijk van de genade. (Ef. 4) Christus opgevaren zijnde heeft Zijn Kerk met een bediening begiftigd, (vs. 13) totdat wij allen zullen komen tot de enigheid van het geloof en van de kennis des Zoons Gods, tot een volkomen man, tot de mate van de grootte van de volheid van Christus. Wanneer wij echter, om niet mee te doen met de volstrekte algemeenheid van de verlossing van elk en een ieder, zeggen, dat "allen", als er geschreven staat, "dat Hij voor allen gestorven is", en "dat Christus Zichzelf gegeven heeft tot een rantsoen voor allen", overeenkomstig de bedoeling, bepaald moet worden tot, wat aan de tekst voorafgaat, en wat er op volgt, dan wil men ons niet aanhoren. Mr. Moor zegt, dat wij de Heilige Geest onwaarheid doen spreken, omdat wij zeggen, dat "alle mensen" "sommige mensen" betekent, en toch moeten zij, of, evenals wij, dezelfde beperking stellen en een algemeenheid van bekeerde en zalig gemaakte mensen erkennen, en dus "allen" in de betekenis van "sommigen" verklaren, of zij kunnen de algemene zaligheid van alle mensen niet meer ontgaan, dan wij de algemene verlossing van elk mens in het bijzonder afwijzen. Zo moeten zij ook zeggen, dat het getal van de volmaakte heiligen, die tot de volheid van genade en heerlijkheid en tot een volkomen man in Christus komen, gelijk is aan het getal, dat deel uitmaakt van dat zichtbare lichaam, de Kerk, dat begiftigd is met apostelen, evangelisten, profeten, herders en leraars. De Arminianen leggen toch al dergelijke plaatsen uit van het lichaam, van het gehele lichaam van de zichtbare Kerk, dat uitwendig geroepen is. Doch dit is allerongerijmdst, dat allen zalig zullen worden, tot wie apostelen en herders gezonden zijn, om het Evangelie te prediken, dus moet "allen’ noodzakelijk alleen tot de uitverkoren beperkt worden.
Zo luidt Luk. 16:16: "Het koninkrijk Gods wordt verkondigd, [Gr. kain pas eis auten biazetai] Dit betekent niet, zoals Mr. Den zegt, dat iedereen door gebod en Evangelie-vermaning gedrongen wordt, zich te bekeren, want (1) hoort elk mens, van de dagen van Johannes de Doper af, het Evangelie niet (Matth. 10:5). (2) In Matth. 11:12 worden zij die het koninkrijk der hemelen geweld aandoen klaar aangeduid door een bedrijvend werkwoord [Gr. arpazou sin auten] nemen het met geweld. Neemt nu elk en een ieder Adamskind de hemel met geweld? Neen. Nu, dan moet door dit "allen" een algemene vergadering van bekeerde en zaliggemaakte personen verstaan worden. 1 Thess. 5:5. Gij zijt allen [Gr. pantes humeis] kinderen des lichts en kinderen des daags; wij zijn niet des nachts, noch der duisternis. Deze "allen" die kinderen des daags genoemd worden, worden gesteld, tegenover hen, die in de voorgaande verzen kinderen der duisternis heten, wie de laatste dag plotseling overvalt evenals de weeën een vrouw. Die "allen" zijn de kinderen des lichts, die in de volgende verzen vermaand worden, nuchter te zijn en te waken; die God niet gesteld heeft tot toorn, maar tot verkrijging van de zaligheid door onze Heere Jezus Christus. Volgens de Arminiaanse redenering zijn die "allen" de zichtbare Kerk van Thessalonica, dus, er waren onder hen geen kinderen der duisternis, welk zeggen ongerijmd is, en zelfs door de Arminianen moet ontkend worden.
Christus tot de menigte sprekende, zegt: (Matth. 23:8) "Gij zijt allen broeders"; nu, dan moeten zij broeders zijn door wedergeboorte, want zo volgt: Gij zult niemand uw Vader noemen op de aarde.
(Filip. 1:7) Gij zijt allen mijn genade mede deelachtig. Hij spreekt hier van hen, in wie Christus het goede werk begonnen heeft, en dat Hij voleindigen zal tot op de dag van Jezus Christus (vs. 6). "Dit waren, zeggen de Arminianen, alle zichtbare heiligen te Filippi." Nu, dan was ook elk en iegelijk van hen bekeerd.
(1 Kor. 11:3.) Christus is het Hoofd [Gr. pantos andros] eens iegelijken mans. Van elke man zonder uitzondering? Neen. Zij, van wie Hij het Hoofd is, zijn Zijn lichaam, de Kerk, dat uit Hem leeft, dat door de Geest aan Hem verbonden is, en welks leden onderling door geestelijke banden aan elkaar en (Ef. 1:22, 23) aan Christus’ volheid verbonden zijn (Ef. 4:16; Kol. 1:18).
(Gen. 21:6) Al die het hoort zal met mij lachen. Sara bedoelt het lachen van het geloof. Nu, dan moeten allen, die horen, dat Sara in haar ouderdom van Izak zwanger was, evenals Sara in Christus geloven.
(Ps. 65:3) Gij hoort het gebed; tot U zal alle vlees komen. "Het vlees", moet een overdrachtelijke spreekwijze zijn. Indien er toch in het rededeeltje [Hebr. kol] geen overdrachtelijke spreekwijze is, dan moet alle vlees, en moeten alle mensen hun gebeden tot God opzenden, dat in tegenspraak is met de bevinding en de Schrift. (Ps. 14:4; Ps 53:5; Jer. 10:25).
(Ps. 72:11) Alle heidenen [Hebr. kol gojim] zullen Hem dienen. Hiermede wordt Christus bedoeld, en het kan niet letterlijk waar zijn, wanneer er velen zijn, die niet willen, dat Hij Koning over hen is. (Ps. 2:3; Luk. 19:14; Ps. 110:1.)
(Ps. 22:28) Alle einden der aarde zullen het gedenken en zich tot de Heere bekeren, en alle geslachten der heidenen zullen voor Uw aangezicht aanbidden. Het is duidelijk, dat hier gesproken wordt van een geestelijke bekering uit God. vs. 29: "want het koninkrijk is des Heeren, en Hij heerst onder de heidenen", en uit vs. 31: "Het zaad zal Hem dienen; het zal de Heere aangeschreven worden tot in geslachten." Wanneer dit "alles" nu niet beperkt moet worden, hoe zullen de Arminianen dan kunnen vermijden, te moeten zeggen, dat elke heiden zich zal bekeren en tot het heilige zaad behoort, tot Zijn rechtvaardigen, die zich aan Hem hebben overgegeven. Het is toch zeker, dat de uitdrukking "alle volkeren" in Jes. 40:17 ook gebruikt wordt voor elk mens, hoofd voor hoofd.
(Ps. 86:9) Al de heidenen [Hebr kol gojim] Heere, die Gij gemaakt hebt, zullen komen en zullen zich voor Uw aanschijn nederbuigen, en Uw Naam eren.
Jes. 66:23) "En het zal geschieden, dat van de ene nieuwe maan tot de andere, en van de ene Sabbat tot de andere, alle vlees komen zal, om aan te bidden voor mijn aangezicht," zegt de Heere. Laten de Arminianen zelf zeggen of alle vlees, dat van Sabbath tot Sabbath, onder het Nieuwe Testament, komt, om God te aanbidden, hier zo uitgebreid moet genomen worden, als in Jes. 60:6, waar dezelfde uitdrukking wordt gebezigd: "Alle vlees [Hebr. kol basar] is gras". Het is toch zeker, dat de laatste uitdrukking, alle kinderen Adams, zonder uitzondering, ook de kinderen ingesloten, omvat, maar dat de eerste uitdrukking zo’n uitgestrekte zin niet heeft.
(Gen. 12:3) "In u zullen alle geslachten des aardrijks gezegend worden ". (Gen. 22:18) Indien de bedoeling is, dat elk en een ieder geslacht, zonder uitzondering, in Christus gezegend wordt, dan zal ik de gevolgtrekking maken, dat alle geslachten van de aarde, zonder uitzondering, door het geloof in Christus gerechtvaardigd zijn, (Gal. 3:10-14) en dat de volkeren van de aarde, zonder uitzondering, als erfgenamen van de belofte, een sterke vertroosting zullen hebben, als die de toevlucht genomen hebben, om de voorgestelde hoop vast te houden, welke zij hebben als een anker der ziel, hetwelk zeker en vast is en ingaat in het binnenste des voorhangsels, waar de Voorloper, Christus, voor ons is ingegaan. Zo toch wordt de belofte aan die volkeren door de apostel verklaard in Hebr. 6:13-20. (Jes. 27:6) "Israël zal bloeien en groeien, en zij zullen de wereld met inkomsten vervullen." Maar zal er dan ook niemand op aarde zijn, buiten het bloeiende Israël Gods?
(Rom. 11:26) En alzo zal geheel Israël zalig worden, gelijk geschreven is: De Verlosser zal uit Sion komen, enz. Die hier door Paulus geheel Israël genoemd worden, noemt Jesaja: (59: 20, 21) Jakob en zijn zaad, en het zaad zijns zaads. (vs. 19) Dan zullen zij de Naam des Heeren vrezen van de nedergang, en Zijn heerlijkheid van de opgang der zon. (Mal. 1:11) Maar van de opgang der zon tot haar ondergang zal Mijn Naam groot zijn onder de heidenen, en aan alle plaatsen zal Mijn Naam reukwerk toegebracht worden, en een rein spijsoffer, want Mijn Naam zal groot zijn onder de heidenen, zegt de Heere der heirscharen. Indien van het oosten tot het westen, en in alle plaatsen van de heidenen, de mensen de Naam des Heeren vrezen, dan moeten zeker alle inwoners van de aarde tussen de opgang en de ondergang van de zon tot Christus bekeerd worden, en Christus gebeden en dankzeggingen opofferen, en Hem geestelijk dienen, wanneer de woorden niet beperkt worden. Het grootste gedeelte van de mensen van het oosten tot het westen is het Evangelie vijandig. Wat zouden de Arminianen victorie kraaien, indien er zoveel bewijzen werden bijgebracht voor algemene verlossing, als wij hier gedaan hebben voor algemene wedergeboorte en bekering van allen; en dan natuurlijk zonder die beperking van de woorden "allen" en "velen", door te zeggen, dat die woorden overdrachtelijk gebezigd worden, dat het geheel voor een deel genomen wordt. Of moeten misschien de "allen van Christus" en de algemeenheid van de bekering van allen bedoeld zijn?
(Joh. 1:9) Dat was het waarachtige Licht, hetwelk verlicht een iegelijk mens komende in de wereld. Wat? Zelfs kinderen, die in de wereld komen, en alle Adamskinderen. Dat kan in generlei zin waar zijn, of het licht van het Evangelie moet er mee bedoeld worden; hoewel dat ook de gehele wereld nog niet bereikt heeft. Doch in vs. 10 lezen wij: "de wereld heeft Hem niet gekend", en in vs. 6 en 7: "Er was een mens van God gezonden, wiens naam was Johannes. Deze kwam tot een getuigenis, om van het Licht te getuigen, opdat zij allen door hem geloven zouden." Kan enig godgeleerde leren, dat God op het oog had, dat elk en een ieder sterfelijk mens door hem, dat is door de bediening van Johannes, die morgenster, die ondergaan en verdwijnen zou, als Christus, de Zon der gerechtigheid, op zou gaan, geloven zou?
(1 Joh. 2:27) Gij hebt niet nodig, dat iemand u leert; maar dezelve zalving, die gij van Hem ontvangen hebt, leert u van alle dingen. Waarom zou dan een kleiner aantal mensen, die Geest van de heilige zalving deelachtig zijn, dan de gehele wereld, voor wie Christus een verzoening is, en alle zichtbare heiligen aan wie Johannes schreef? (1 Joh. 1:2; 2:1,2; 4:9) God heeft Zijn eniggeboren Zoon in de wereld gezonden, opdat wij zouden leven door Hem. Wij behoeven ook niet telkens weer onze toevlucht te nemen tot die verklaring, dat Christus voor allen, dat is, voor alle soorten mensen gestorven is. "Allen" toch, wordt gewoonlijk in de Schrift gebezigd voor "velen", als bijv. Deut. 1:21; Ps. 71: 18; Jer. 15:10; 19:9; 20:7; 23:30; 49:17; Ezech. 16:27; Ex. 33:10; Kol. 1:28; Jes. 61:9; Gen. 41:57; Mark. 14:4; Joh. 3:26; Hand. 17:31; Mark. 1:47; 2 Kor. 3:2; Luk. 24:47; 4:15; Jes. 2:2, 3. Ik kan evengoed zeggen, dat Christus voor geen mens gestorven is, omdat de Schrift de goddelozen ook algemeen beschrijft. (Jer. 6:28; 9:2; Mich. 1:7; 1 Joh. 2:15, 16; 1 Joh. 5:19).
Dat verkiezing en verlossing zich beslist in dezelfde sfeer en in dezelfde kring bewegen, als de vrije liefde Gods, is mij duidelijk uit Joh. 3:16, waarop de Arminianen zozeer vertrouwen, want de liefde Gods, om de mensen zalig te maken, door de dood van Christus, is juist de liefde van de verkiezing tot heerlijkheid van die bepaalde personen, welke de Heere genade geeft, om te geloven, omdat zij tot het eeuwige leven verordineerd zijn. De [Gr. hosoi] "zovelen", en het aantal gelovigen, en dat van de uitverkorenen ten leven, zijn gelijk. (Hand. 13:48; Joh. 10:26; Rom. 8:29, 30).
1. Die liefde kan geen algemene, vermengde, voorafgaande, voorwaardelijke liefde zijn, welke de gehele wereld wordt aangeboden, onder voorwaarde, dat men gelooft. Die Schriftplaats toch ontslaat duizenden van de zonde van ongeloof in die liefde, indien Christus niet tot hen komt en spreekt (Joh. 15:22); en Paulus zegt: (Rom. 10:14) "Hoe zullen zij in Hem geloven, van welke zij niet gehoord hebben?’ Nu, de wereld, welke God liefheeft, (Joh. 3:16) is verplicht te geloven.
2. Die liefde, welke de oorzaak van Christus’ dood is, (Joh. 15:13) is de grootste liefde, die er is. Het is zo’n gevende liefde, waardoor God Zijn Zoon geeft, dat Hij niet anders handelen kan, dan met Hem ook Zijn Heilige Geest, het geloof en de zaligheid, ja alle dingen schenken (Rom. 8:32). Doch die voorwaardelijke, algemene liefde is de grootste liefde niet, want de Heere draagt elk mens niet de grootste liefde toe, noch geeft Hij ieder mens geloof en zaligheid. Ja, die liefde Gods, betoond in het zenden van Zijn Zoon, om voor ons te sterven, te kennen en te geloven, is aan de gelovige eigen, (1 Joh. 4:9, 10, 16). Wij hebben gekend en geloofd de liefde, die God tot ons heeft. God is liefde en die in die liefde blijft, (het is een edel, vorstelijk paleis, om in te wonen) die blijft in God, en God in hem. Dit kan niet gezegd worden van die liefde, welke God de verworpenen, ja zelfs de gevallen engelen toedraagt, want dat toch zeggen de Arminianen, dat God hen met zo’n liefde heeft liefgehad. "Die liefde tot de duivelen is echter al lang geleden opgedroogd, zeggen zij, ook die tot Farao, Judas en Kaïn, die nu in de hel zijn; doch die liefde is nu voorbij."
3. Zo dromen zij, dat de liefde in God evenals de zomerbeekjes is, die in tijden van droogte uitdrogen, maar de waarheid is, dat de Arminiaanse algemene liefde Gods, een flauwe begeerte en wens is, dat elk en een ieder van mensen en engelen zalig mag worden en dat hun daartoe middelen gegeven worden, waarvan (1) de Heere weet, dat die hen al dieper in de hel zullen doen zinken en hun eeuwige ketenen slechts zwaarder en heter zullen maken. Het is beter, dat Hij hen niet liefheeft, dan met zo’n liefde. (2) Dat het zulke middelen zijn, waardoor zal blijken, dat de vrije wil, zonder God, of enige bepaling of overbuiging naar de ene of andere kant, kan en zal overwinnen en heerschappij voeren, hetzij tot bekering, of tot weerspannigheid, of tot volslagen opstand tegen God, of tot zaligheid, of tot verdoemenis, en dat het dus in de macht en heerschappij van de vrije wil zal staan, wie, krachtens eeuwige verkiezing, in het Boek des Levens zullen worden ingeschreven, zodat de vrije wil, maker, oorzaak en meester van de besluiten van verkiezing en verwerping blijkt te zijn. Laat toch God doen, wat Hij kan, en de almacht of liefelijkheid van de genade alles doen, wat mogelijk is, het staat in de macht van de vrije wil, de balans vrijwillig en beslist te doen overslaan, om Christus te willen en aan te nemen, om de Koning der ere open te doen en bekeerd te worden, of die naar de andere kant te doen overslaan. De Arminianen gaan in hun laatste verdediging, met de verkiezing niet verder dan tot de tijd, (caepta est in tempore electio, contra quam creditum est, etc.) en zij zeggen, dat God, in de verkiezing en verwerping van eeuwigheid, in Zijn algemeen besluit niet meer doet ter verkiezing van Jakob of Petrus, dan van Farao, Ezau of Judas, maar dat Hij onbepaald allen verkiest, die geloven zullen. Het eeuwig besluit van God doet echter niets, om de veronderstelling te wettigen, dat Petrus, Johannes, Farao, Judas, Ezau, zullen geloven of niet geloven; Zijn middelen, het Evangelie, Zijn inwendige genade, (zulke genade als de Arminianen kunnen toestaan) doen niets meer en kunnen ook niets meer doen, om de wil naar de ene of andere kant, tot geloven of niet geloven, te doen overgaan. Dan toch, zeggen zij, zou Hij tegenstrijdigheden kunnen werken, of maken, dat vrije wil en vrijwillige gehoorzaamheid geen vrije wil of gehoorzaamheid meer zijn, want, zo zeggen zij, het is strijdig met de natuur van de vrije wil, dat die door God zou bepaald worden. Gehoorzaamheid, zoals die nu vereist wordt van ons, die onder geboden, bedreigingen en beloften liggen, zou dan, zeggen zij, in het geheel geen gehoorzaamheid zijn, indien de Heere de wil zou bepalen. Gods laatste besluit, om die ten leven te verkiezen, van wie Hij voorziet, dat zij in het geloof sterven en dus ten einde toe zullen volharden, en die te verwerpen, van wie Hij voorziet, dat zij zich tegen het Evangelie zullen blijven verzetten, is dan ook niet een schriftuurlijk besluit van verkiezing of verwerping, want God heeft daarin niet de minste vrijheid, deze mens te verkiezen, en die niet, maar alle mensen verkiezen dan God. God heeft dan alleen, buiten enigerlei vrij besluit van God om, van tevoren gezien, wie volstandig zullen zijn in het geloven en wie niet zullen geloven, zodat het getal van de uitverkoren, engelen of mensen, van de vrije wil van de schepselen afhangt en niet van de vrijheid van Hem, Die alle dingen formeert. Zodat wij dan God verkiezen en niet God ons. Dan ligt ook niemand binnen de kring van verkiezing of verwerping, dan zij, die het Evangelie horen, en dus worden alle heidenen, buiten enigerlei besluit of de wil van God om, bij toeval zalig of verdoemd. Of het moet zijn, dat zij niet vatbaar zijn voor zaligheid of verdoemenis, hetgeen zowel met de Schrift als met de ondervinding in strijd is, want vreselijke, tijdelijke oordelen en grote uitwendige zegeningen vallen ook de heidenen, die nooit van Christus gehoord hebben, ten deel en dat niet buiten de raad van Gods wil, indien er ten minste een voorzienigheid is, volgens welke de wereld geregeerd wordt.
God, zeggen zij, doet niets meer in de verkiezing van Petrus dan van Judas, noch is er meer betoning van genade en barmhartigheid in de verkiezing van de ene, dan in de andere, doch zoals voorzien is, of de vrije wil goed of verkeerd handelen zal, zo volgen ook de eeuwige besluiten van verkiezing en verwerping. Dan is het ook onmogelijk, dat er zo iets is als die genade en dat vrije welbehagen Gods, dat Hij Zich ontfermt, diens Hij wil, of omdat Hij het wil, en dat Hij verhardt, die Hij wil.
4. De Schrift spreekt nergens van enigerlei liefde Gods in Christus tot de mens, dan van de zodanige, welke krachtdadig zalig maakt. Elke andere liefde is praatliefde, geen wezenlijke. Daarom is het bijbrengen van deze ene plaats, zonder gezag van het Woord, petitio principii, een voor waar aannemen van hetgeen nog bewezen moet worden. De liefde toch, welke in Ezech. 16:8, de tijd van de minnen genoemd wordt, is een liefde, welke allen zaligmaakt, die onder het volk van God zalig gemaakt worden, en daarmede kan niet verstaan worden zo’n liefde, welke God de heidenen en de Kanaänieten toedraagt, want zij maakt onderscheid tussen Gods volk en de gehele wereld, zoals duidelijk blijkt uit de volgende plaatsen. (Deut. 7:7; Ps. 147:19, 20; Jes. 51:1—3; Jes. 52: 3, 4; Ps. 132:13; Ps. 135:4; Zach. 3:2; 1 Kon. 11:13; 2 Kron. 6:6; Jes. 41:8, 9; Deut. 14:2; Jes. 43:20; Dan. 11:15; 1 Kron. 16:13; Ezech. 20:5; Hand. 13:17.) U zult in de gehele Schrift nergens vinden, dat de liefde Gods in Christus bestaan kan met verwerping of verdoemenis, doch integendeel, dat het de liefde van Christus tot Zijn vrouw is, voor wie Hij Zichzelf geeft; die Hij heiligt en wast, en die Hij God zonder vlek of rimpel voorstelt; de liefde van een Man (Ef. 5:25, 26). Het is een zaligmakende liefde, (Tit. 3:4—6) door het bad van de wedergeboorte en vernieuwing van de Heilige Geest; een grote liefde, waarom Hij ons levend maakt met Christus, ons uit genade zaligt, en ons mede opwekt, en ons mede zet in de hemel, in Christus Jezus (Ef. 2:4, 5). Het is een liefde, welke veroorzaakt, dat wij gewassen worden en dat wij gemaakt worden koningen en priesters Gode en Zijn Vader (Openb. 1:5, 6); een liefde tot Paulus in het bijzonder, welke het leven in Paulus werkt, (Gal. 2:20) welke hem doet getuigen: "Ik leef, doch niet meer ik, maar Christus leeft in mij; en hetgeen ik nu in het vlees leef, dat leef ik door het geloof des Zoons Gods, die mij liefgehad heeft, en Zichzelf voor mij overgegeven heeft. Het is de liefde van God, onze Vader, Die ons liefgehad heeft, (2 Thess. 2:16) en gegeven heeft een eeuwige vertroosting en goede hoop in genade. (Jer. 31:3) Het is een eeuwige liefde, een liefde (Ef. 1:3, 4) van voor de grondlegging van de wereld, voor wij (Rom. 9:11) iets goeds of kwaads gedaan hadden. Het is geen liefde, die vergaan kan door een voortdurende bejegening met haat; geen liefde, die elk ogenblik door de haat tot verwerping kan vervangen worden, of welke wij weer kunnen verliezen; neen, het is een liefde, waardoor wij de eer ontvangen, kinderen Gods te zijn (1 Joh. 3:1). Het is een zaligmakende en een ontfermende liefde (Jes. 63:9); een liefde, waarin Hij (Zef. 3:17) rust, of zwijgt; een liefde, welke voortduurt tot het einde (Joh. 13:1); een liefde. (Rom. 8:37) welke ons meer dan overwinnaars maakt. Het is een afscheidende liefde, werke de geliefden Gods van alle anderen onderscheidt (Ps. 87:2; Ps. (146:8); terwijl toch krachtens die Arminiaanse, algemene, voorafgaande en voorwaardelijke liefde Gods, de gehele wereld zo de geliefden van God moesten zijn, als in het Hooglied, Christus, de bruid voor Zijn geliefde, Zijn Liefste erkent. Het is een liefde, (Ps. 63:4) welke beter is dan het leven, het is het huwelijksgoed, dat Christus (Hos. 2:19) Zijn bruid schenkt. De Schrift spreekt dan ook nergens van een voorwaardelijke liefde, welke de Heere heidenen, verworpenen en alle mensen en engelen zou toedragen.
5 De Heere heeft hen, die Hij zo liefheeft, verlost van verloren te moeten gaan, Hij heeft hen verlost van de zonde en van heidenen te zijn, door hen te trekken uit deze tegenwoordige wereld (Gal. 1:4). Zij zijn, door het bloed van het onbestraffelijke en onbevlekte Lam, verlost uit hun ijdele wandel, die hun van de vaderen overgeleverd is (1 Petr. 1:18, 19); ja zij zijn gekocht, om leden van Christus en tempelen van de Heilige Geest te zijn en de hoererij te vlieden (1 Kor. 6:15,18,19, 20). Christus heeft Zelf hun zonden in Zijn lichaam, op het hout gedragen, opdat zij der gerechtigheid leven zouden. Nu zijn niet alle mensen, heidenen en Turken, zo duur gekocht, en van afgoderij, godslastering, het doden van hun kinderen tot een offer aan hun goden, en uit de heidense wereld verlost. (1) Zij leven in die zonden, alsof zij God daarin dienen. Het Evangelie heeft hun ook nooit dergelijke zonden verboden, want zij hebben het nooit gehoord. (2) Zij kunnen niet op een nieuwe Arminiaanse rekening, de oude vereffend zijnde, gaan zondigen, want hun zonden zijn geen zonden tegen het Evangelie, maar tegen de wet, die in hun harten geschreven is. (3) Dan zijn alle verworpenen vice reproborum, duur gekocht voor een prijs, evengoed alsof zij de prijs hebben opgebracht, om hen van zonde en ongeloof te verlosser, je zelfs van de zonde van zich tegen het Evangelie tot het einde toe te verharden. Indien dat tenminste een zonde is, ja, het is de zonde van de zonden, dan moet Christus die op het hout gedragen hebben (1 Petr. 2:24); het Lam Gods (Joh. 1:29) moet die wegnemen. Of het zou moeten zijn, dat ongeloof zonder bloedstorting kan vergeven worden (Hebr. 10). Let wel, hier is het rantsoen betaald, maar de gevangenen zijn nooit losgelaten, want de verworpenen (Joh. 8:21) sterven in hun zonden. Er zijn er zelfs, die zeggen, dat er een losprijs voor die zonden tegen het Evangelie, welke de verworpenen begaan, betaald is, onder voorwaarde, dat zij geloven.
Antwoord. Dit wil dus zeggen: zij zijn vrijgemaakt van volslagen onboetvaardigheid, indien zij bevrijd worden van volharding in onboetvaardigheid. Is dit een verstandige koop? (2) Waar wordt in het gehele Woord verzekerd, dat Christus Zijn leven voor Zijn schapen voorwaardelijk heeft afgelegd; dat Hij voorzag, dat zij Zijn schapen zouden zijn, mits zij zouden geloven en zich bekeren? Dit nu kon Hij niet doen, want Christus is na rijpe overweging en Zijns Vaders eeuwige raad, door dezen, volstrekt gratis, om niet gestorven. Hij is niet gestorven voor hen, van wie Hij voorzag, dat zij de voorwaarde nooit vervallen zouden, nunquam posit a conditione, nunquam poniter conditionatum.
6. Christus kocht met Zijn bloed, het bloed des eeuwige verbonds, al de juwelen van het verbond, alles wat tot het leven en de godzaligheid behoort (2 Petr. 1:3; Ef. 1:3) en alle geestelijke zegeningen; een nieuw hart en een nieuwe geest (Ezech. 36:26; Jer. 31:33-36; Ezech. 11:19, 20). Hij kocht alles, wat ons van God geschonken wordt, dus moet Hij ook het geloof verworven hebben (Filip. 1:29; Joh. 6:29). Indien Hij verhoogd is tot een Vorst, om bekering en vergeving van de zonden te geven, dan is Hij dat ook, om geloof te geven, want dat is een bovennatuurlijke genade, en uit deze fontein ontvangen wij genade voor genade (Joh. 1:14). Nu dit wordt allen mensen niet gegeven.
7. Al deze genaden zijn particulier, persoonlijk. (1) Verkiezing tot heerlijkheid is persoonlijk: (Matth. 22:14) "Weinigen zijn uitverkoren". (Joh. 10:26, 29; Ef. 1:4; Rom. 9:11). De belofte is persoonlijk aan de kinderen der belofte (Rom. 8:9), alleen aan Christus en Zijn zaad gedaan (Gal. 4:16-18; Gal. 4:22, 23 enz.). De roeping is persoonlijk (Jes. 55:1, 2; Matth. 11:27, 28; Hand. 2:39). Het verbond is particulier, en omvat alleen het huis Juda, de uitverkorenen, hen, die niet kunnen afvallen (Jer. 31: 34, 35 enz. Jer. 32: 39, 40; Jes. 54:10; Jes. 59:19, 20). De Borg van het verbond, Christus, (Hebr. 7:22) beloofde Koning te zullen zijn over het Huis Davids, alleen over Zijn volk. Het voornemen Gods betreft alleen (Rom. 11:1) een volk, dat Hij tevoren gekend heeft. De kring, de uitgestrektheid van de genade kan dan niet zo groot zijn, dat die allen omvat, noch ook kan die verlossing algemeen zijn, die aan voorwaarden gebonden is.
De Arminianen stellen, dat de verkiezing voorwaarde is, doch zij zeggen, dat zij niet algemeen is; verder is, zeggen zij, de verheerlijking voorwaardelijk, de rechtvaardigmaking voorwaardelijk, op voorwaarde van het geloof, maar omdat de voorwaarde er nooit is en alle mensen het geloof niet hebben, daarom is verheerlijking en rechtvaardigmaking particulier, en moet op dezelfde grond ook de verlossing particulier zijn. Geen anderen zijn werkelijk verlost dan de gelovigen, zodat werkelijke verheerlijking (het besluit om te verheerlijken is iets anders, en is volstrekt) en verkiezing tot heerlijkheid dezelfde maat hebben, de een is niet uitgestrekter dan de andere (Rom. 8:29, 30). Hoe kan dan de verlossing, die een schalm is, welke die twee aan elkaar verbindt, van wijder strekking zijn, zodat zij allen zou omvatten? (1 Thess. 5:9) Gods raad toch heeft bepaald, dat Christus onze Verlosser zijn zal, en Hij heeft ons aan Christus gegeven.
8. Deze twee zaken, "Christus verlost allen" en "Christus neemt voor, allen te verlossen", indien zij geloven, staat of de verlossing, of het voornemen Gods om te verlossen, in de weg. Wordt het eerste gezegd, dan is de verlossing van allen geen verlossing, zo zij niet geloven, (en allen geloven niet), en zegt men het laatste, dan moet God heen en weer geslingerd worden en Zijn voornemen in miljoenen zielen opschorten, en Hij kan niet vaststaan om Zijn voornemens uit te voeren, zolang zij niet geloven, terwijl Hij ziet, dat zij nooit geloven zullen, want Hij weet, wat in de mens is en verstaat van verre zijn gedachten.
Ja, zoals ik elders gezegd heb, zijn de beloften van het Evangelie, in betrekking tot God, eigenlijk gezegd niet voorwaardelijk, omdat zowel de voorwaarde als de zaak, welke aan de voorwaarde verbonden is, van Zijn volstrekte wil en van Zijn vrije genadegift afhangen. Indien een vader zijn kind een erfenis belooft, onder voorwaarde, dat het kind hem dertigduizend gulden zal betalen, en alleen de vader het kind die dertigduizend gulden kan geven en ook geeft, dan kunnen wij niet zeggen, dat iets, waaraan zulke voorwaarden verbonden zijn, een koop is, die tussen vader en kind gesloten is. Vooral, indien wij ons de zaak voorstellen, zoals die tussen God en het schepsel staat, dat de Vader de wil van zijn kind onwederstandelijke kan overbuigen en dat ook doet, om zijn toestemming te geven en in de overeenkomst te bewilligen. Hier is, in betrekking tot de Vader, geen sprake van voorwaarde, maar Hij doet alles geheel vrij. Geloven is een voorwaarde, en het eeuwige leven is conditionatum, iets waaraan een belofte verbonden is, maar het hangt af van de volstrekte, vrije en onwederstandelijke wil van de Heere. Er is hier geen eigenlijk zo genoemde voorwaarde die of de wil opgelegd wordt, of die de werking Gods naar buiten bepaalt.
9. Daarom zijn de beloften van het Evangelie onbeperkt, niet algemeen, en naar des Heeren voornemen en bedoeling alleen voor de uitverkorenen en in het minst niet voor de verworpenen. Wanneer toch God zegt: "Indien Judas, Kaïn, Farao, geloven, zullen zij zalig worden", en het des Heeren voornemen is, hun de genade, om te geloven, zonder welke zij onmogelijk geloven kunnen, te onthouden, dan is de belofte in Gods voornemen niet aan hen gedaan. Hij, die zo wil, wat Hij onder een voorwaarde belooft, welke Hij, die zo wil, alleen doen en werken kan, en die nochtans de voorwaarde niet wil doen of werken, wil inderdaad niet, dat die persoon het beloofde zal ontvangen. Indien Johannes Petrus zendt, om in zijn tuin te werken, onder voorwaarde, dat hij hem, indien hij werkt, een talent per dag zal betalen, en dat tegelijkertijd alleen Johannes Petrus sterke armen en benen en een krachtig lichaam daartoe kan schenken en hem alleen kan overhalen, om het werk te willen doen, doch tevens weigert, hem kracht te geven en zijn toestemming in te winnen, om het werk te willen doen, dan is het zeker nooit zijn wil geweest, hem een talent voor het werk te geven, noch zijn voornemen, dat hij het werk doen zou. Hieruit bewijs ik, dat het in strijd met de wijsheid Gods is, dat Hij zal voornemen en willen, dat de verworpene verlost, dat hem vergeving van zonden geschonken en dat hij zalig zal worden, onder een voorwaarde, die Hijzelf alleen door Zijn genade kan werken, en die Hij niet volstrekt en onweerstaanbaar werken wil. De Schrift nu redeneert aldus, dat dit of dat niet geschied is, opdat de Schrift en het besluit en de wil Gods vervuld zouden worden. Zo konden om die reden Christus’ beenderen niet gebroken worden. Zo ook zegt de Schrift, dat dit of dat geschied is, opdat de wil en het besluit Gods zouden vervuld worden, zodat het eenvoudig de wil Gods is, dat hetgeen noodt gedaan wordt, nooit gedaan worden zal, en dat het eenvoudig Gods wil is, dat hetgeen geschiedt, geschieden moet. Ik bedoel hier, of Zijn toelatende, of Zijn goedkeurende wil. Waar nu God Zijn wil openbaart, wat de plicht van de verworpenen is, al doen zij die nooit, daar bewijst dit, dat dit niet eenvoudig de wil van God is. Daarom is de voluntio signi, geopenbaarde wil, waarin God openbaart, wat onze plicht is en wat wij behoren te doen, doch niet wat Zijn besluit is of wat Hij wil of behoort te doen, niet eigenlijk Gods wil, maar alleen figuurlijk, want geboden, beloften en bedreigingen in Gods geopenbaarde wil, bewijzen niet de wil en de bedoeling, het besluit of het voornemen Gods, welke eigenlijk Zijn wil zijn.
10. Het is in strijd met de wijsheid Gods, de werkelijke verlossing en zaligheid van alle mensen voor te nemen, en dan niet zulke voorwaarden, welke Hij alleen kan werken, welke alleen in Zijn macht zijn en zonder welke het schepsel niet verlost en zalig kan worden, te willen werken en ook te werken, doch Hij wil het geloof niet in allen werken en werkt het ook niet in allen. Nu, dan heeft Hij ook nooit voorgenomen, alle mensen te verlossen en zalig te maken.
Daarom, wat ook de dartele en wulpse rede kan tegenwerpen tegen de volstrekte verwerping, de volstrekte verlossing en de persoonlijke verzoening van enkele weinigen, het is evengelijk in strijd met het gevoelen van de tegenpartij, als met het onze. Zij zeggen smadelijk:
1e "Dat God het eeuwig verderf van het onschuldige zondeloze en grootste deel van de mensen voorneemt".
2e "Ontferming, tere barmhartigheid, wordt volgens uw persoonlijke, volstrekte verlossing slechts aan weinigen, bewezen, en alle anderen van de verloren wereld worden aan eeuwige ondergang overgegeven, niettegenstaande de oneindige en grenzeloze liefde en goedertierenheid tot de mensen in God."
Wij antwoorden, dat deze liefde en goedertierenheid Gods voor de dartele rede even krachtig in strijd zijn met voorwaardelijke en algemene verlossing of met Gods voorwaardelijke en algemene wil, om alle mensen zalig te maken. Stelt eens, dat een vader voorziet, dat, indien hij twintig zonen gewint, achttien van hen in een stroom van vuur zullen geworpen worden, om levend te verbranden, en dat zij daar tien duizend jaren, altijd stervende, zullen gepijnigd worden, zonder de dood te kunnen vinden, om een einde te maken aan hun ellende, doch dat zij ook koningen kunnen worden, begiftigd met grote rijkdom en eer, onder voorwaarde van hen in hun jonge jaren zo en zo op te voeden, en dat de vader dat gemakkelijk met een woord kan uitwerken; dat hij echter vrijwillig die kinderen gewint en dat hij die voorwaarde, om hen allen tot koningen te maken, in hen kan werken, doch dat hij dit, weloverwogen, niet doen wil, maar zo op de wil van die kinderen werkt, dat hij weet, dat het merendeel van hen beslist tien duizend jaren in dat hevige vuur zal gepijnigd worden; wie kan dan zeggen, dat deze vader, quantum in se, zo ver als hij dat kan, al zijn kinderen van een tienduizend jarige pijniging verlost heeft? Wie kan dan zeggen, dat die vader het leven en de eer van die achttien kinderen voorgenomen en gewild heeft, waar hij toch, zonder zelf enige smart te ondergaan, zeer gemakkelijk de voorwaarde in hen kon werken, die hij ook in andere gewerkt had, doch dat niet wilde doen? Indien er daarom een verborgenheid in het Evangelie moet zijn, en de wegen en gedachten van de Heere zoveel hoger moeten zijn dan de onze, als de hemelen hoger zijn dan de aarde, indien de Heere voorzien heeft, dat het merendeel van de mensen en vele legioenen engelen met ketenen van de duisternis gebonden voor eeuwig in een poel van vuur en sulfer zullen worden geworpen, dan zal (1) de ijdele rede zeggen: "Waarom heeft Hij hen dan geschapen, als Hij voorzien heeft, dat hun ellende zo beklaaglijk zou zijn, en hoe kan Hij dan ernstig en vurig met gebeden, smekingen, wensen, bedreigingen, geboden en beloften hun eeuwige zaligheid begeren? (2) Indien Hij hun kon verhinderd hebben, te zondigen, zoals Hij zonder twijfel kon, zonder Adams vrije wil te benadelen en zonder de natuur van de vrije gehoorzaamheid, in betrekking tot de bedreiging met kwaad, en de belofte van goed en het leven, te onderdrukken, zo blijkt uit de engelen, die allen onder een wet waren, en waarvan Hij sommigen uit vrije genade bewaarde voor zondigen, en toeliet, dat anderen in eeuwige ellende vielen; indien Hij hun kon verhinderd hebben, te zondigen, waarom heeft Hij hen dan geschapen en een wet gegeven, waarvan Hij wist, dat zij die zouden verbreken, en dat zij zich in eeuwige ellende zouden storten? (3) Wanneer hetzelfde Evangelie aan sommigen, ja, aan een grote menigte binnen de zichtbare Kerk gepredikt wordt, en het des Heeren wil was, dat allen zouden zalig worden, en Hij Zijn Zoon gaf om allen te verlossen, was er dan niet een eeuwige en volstrekte wil, welke geheel ongelijk en verschillend was ten opzichte van sommigen en van anderen, wanneer Hij met sommigen zo’n weg hield, dat Hij hun het Evangelie liet prediken, van wie Hij zag, dat zij eeuwig, onverhinderd en onvermijdelijk daardoor zouden zalig worden, en met anderen een geheel tegenovergestelde weg volgde, waarvan Hij voorzag, dat die vruchteloos, zonder uitwerking en krachteloos zou zijn en hun oordeel zou verzwaren. Kan Hij nu zowel de verlossing en zaligheid willen van hen, die Hij vruchteloos tot gehoorzaamheid aanzet, als van hen, die Hij krachtdadig tot gehoorzaamheid beweegt? Corvinus zegt hierover: "Hij wil van allen, ex aquo, evengelijk, dat zij zullen zalig worden, wat betreft Zijn verlangen en Zijn genegenheid tot allen, maar Hij wil niet van allen evengelijk, dat zij zullen zalig worden, ex parte boni voliti, ten opzichte van de gewilde zaak, want Hij wil, dat het Evangelie aan sommigen gepredikt wordt, en Hij geeft hun, die het Evangelie horen, meer genade, ja, actu secundo, meerdere krachtig werkende genade, en Hij onthoudt die beide aan andere natiën en volken. Deze onderscheiding in aanmerking genomen, dan wil Hij, en wil Hij niet, evengelijk, ex aequo, de zaligheid van allen. Doch hier is het, petitio principii; de ongelijkheid van gunsten aan personen en natiën geschonken, bewijst volgens de Schrift een ongelijkheid van het welbehagen in God, gelijk Ps. 147:12, 20 zegt, dat Hij Jakob Zijn woorden bekend maakte, en Israël Zijn inzettingen en Zijn rechten, en dat Hij zo aan geen ander volk gedaan heeft. Bijna elke bladzijde van het Oude Testament, en des Heeren Geest, en alle godgeleerden bewijzen, dat de Heere Israël verkoren heeft, en dat, als Zijn uitverkoren volk, met een hogere en meer bijzondere liefde heeft liefgehad en zalig gemaakt, dan Hij de andere volkeren liefhad, (Deut. 7:7; Ps. 132:12-14; Ps. 135: 3,4) omdat Hij hun de middelen van de zaligheid, Zijn woorden en inzettingen, schonk, welke Hij de andere volkeren onthield. Nu, dan waren die volkeren Zijn beminden en uitverkorenen niet.
Die wil van God, voluntis signi genaamd, de geopenbaarde wil van God, welke door geboden, beloften en bedreigingen voorgesteld wordt, drukt ons niet het besluit, het doel en het voornemen Gods uit, dat Hij wil, dat hetgeen Hij gebiedt geschieden zal, doch alleen, dat Hij het geboden, als zijnde rechtvaardig en goed, goedkeurt, of het geschiedt of niet; wat er ook gebeurt. Nu, dan is Gods geopenbaarde wil vormelijk niet anders dan Zijn goedkeuring van de zedelijke goedheid en gehoorzaamheid van de uitverkorenen en verworpenen, hetzij zij gehoorzamen of niet.
11. Zij, voor wie Christus, als Priester, Zijn lichaam geofferd heeft, zijn het, voor wie Hij als Priester ook tussentreedt en bidt. Die twee kunnen niet gescheiden worden. Hij bidt niet voor allen, niet voor de wereld. (Joh. 17:9) "Ik bid voor hen; Ik bid niet voor de wereld".
12. Voor hen, voor wie Christus een Priester is, om Zijn lichaam te offeren, is Hij ook een Koning, om hen koningen te maken, en een Profeet, om hen te leren, maar Hij is geen Koning en Profeet voor iemand, behalve voor Zijn volk, Zijn koninkrijk, Zijn overwonnenen, Zijn discipelen, Zijn zaad, Zijn kinderen en onderdanen.
13. Voor hen, voor wie Christus gestorven is, is er geen verdoemenis (Rom. 8:33, 34) Die zijn uitverkoren, en geen beschuldiging kan tegen hen worden ingebracht, maar de verworpenen liggen onder het oordeel en onder schuld.
14. God wil, dat zij, die Hij wil zaligmaken en die Hij verlost heeft, ook de middelen van de genade zullen ontvangen. Hij wilde echter niet, dat het Evangelie aan de heidenen, (Matth. 10:5) noch in Azië en in Bithynië (Hand. 16:6, 7) gepredikt werd.
15. Al degenen, voor wie Christus gestorven is, zijn door Zijn dood gerechtvaardigd en verzoend, en zullen veel meer behouden worden door Zijn leven, Rom. 5:9, 10; Joh. 1:7. God eist een schuld niet tweemaal. Indien Christus het lijden verdragen heeft, toen Hij aan het kruis stierf, voor alle uitverkorenen persoonlijk, voor Zijn vrienden (Joh. 15:13), voor Zijn schapen (Joh. 10:11), voor Zijn gemeente (Ef. 5:25), voor velen (Matth. 20:28), voor Zijn vijanden (Rom. 5:10), voor de goddelozen en onrechtvaardigen (Petr. 3:18), voor Zijn broederen (Hebr. 2:1 Joh. 3:16), en niet alleen hun ten goede, zodat allen, voor wie Christus gestorven is, eeuwig hadden kunnen verloren gaan, dan kunnen zij niet voor eeuwig sterven, want dan zou Christus eerst hun schuld betaald hebben, en zouden zij, om diezelfde schuld, nog eens eeuwig moeten betalen in de hel. Dan zou Christus ook een Verlosser, Koning, Priester, Man, Zaligmaker en Hoofd kunnen zijn, zonder verlosten of onderdanen, zonder een Israël, waarvoor Hij bidt en Zijn ziel opoffert, zonder vrouw, zonder een zalig gemaakt volk, zonder leden en zonder gemeente.
Schriftuurplaatsen, welke algemene verzoening schijnen te begunstigen, verdedigd.
Ter vereffening van de door de tegenpartij bijgebrachte plaatsen, zullen wij 1e overwegen of de plaats Joh. 3:16 iets tegen ons bewijst. 2e Of, dat er gezegd wordt, dat "allen" en "de gehele wereld" verlost zijn, afdoend tegen ons is. 3e Zullen wij enkele desbetreffende plaatsen overwegen.
1. Het Griekse woord kosmos, wereld, moet een figuurlijke spreekwijze zijn, waarin het geheel voor het deel genomen wordt, anders omvat het in zijn ruimte ook de engelen (Hand. 17:21; Rom. 3:6; 1 Kor. 4:2; Joh. 17:5). Nu is het zeker, dat God de engelen, goede en kwade, niet zo liefgehad heeft, dat Hij Zijn eniggeboren Zoon voor hen gegeven heeft, (Hebr. 2:16) daarom moet het soms een groot deel van de wereld betekenen, zoals (Joh. 12:19) "de gehele wereld ligt in het boze ". De tegenpartij geeft toe, dat het woord "wereld" hier niet "alle mensen, zonder onderscheid," betekent. Ik ontken niet, dat het die betekenis heeft in: (Rom. 3:19) "en de gehele wereld voor God verdoemelijk zij." De Arminianen nemen echter een zware taak, duram provictam, op zich, als zij willen bewijzen, dat het dat hier betekent.
(1) Het woord [Gr. houto] "alzo lief heeft God de wereld gehad., geeft de hoogste liefde Gods te kennen, welke er ooit geweest is, de liefde Gods tot de engelen te boven gaande (Hebr. 2:17). Dan zou God de allesovertreffende liefde, dat is, zo’n liefde, dat er geen grotere is (Joh. 15:13), zo’n liefde als ons geopenbaard is, en de geliefde apostel Johannes en al de heiligen, (1 Joh. 4:9) ook aan Kaïn, Judas en al de heidenen moeten toedragen, en Gods liefde in het geven van Zijn Zoon zou wel onderscheid maken tussen mensen en engelen, maar niet tussen de ene mens en de andere. Paulus zegt het tegendeel, (Gal. 2:20) en als Hij zegt: "die Mij liefgehad heeft, en Zichzelf voor mij overgegeven heeft", moet hij dan daarmee niet meer zeggen, dan Judas, Farao en alle verloren heidenen, die nooit van Christus hoorden, kunnen en mogen zeggen? Gelove het wie wil, maar het klinkt niet als de liefde van Christus.
(2) Zij stellen twee soorten liefde in het sterven van Christus voor mensen, om zo twee verlossingen te onderscheiden: een algemene, gebeurlijke of halve verlossing, waarin het leven verworven is, doch nooit wordt toegepast, welke bestaanbaar is met het eeuwig verderf van het grootste deel van de mensen, en een andere bijzondere verlossing, waardoor mensen van de zonde verlost worden, welke aan weinigen gepredikt en aan een nog veel kleiner aantal wordt toegepast.
(3) Zo stellen zij ook twee verzoeningen, twee niet-toerekeningen van de zonde, de ene uit 2 Kor. 5, de andere uit Rom. 4, en zo ook twee rechtvaardigmakingen, de ene uit Rom. 5, en tweeërlei zaligheid, en twee behoudenissen of verlossingen van toorn en van de vloek van de wet.
(4) Deze gevende liefde, waarmee God, (Rom. 8:22) volgens het Evangelie, ook alle andere dingen moet schenken, moet, volgens hen, de heidenen geschonken worden, die nooit van zoiets hoorden.
(5) God moet dan met dit voornemen het eeuwig leven van alle heidenen, en het geloof als middel, ten doel hebben, want dat is duidelijk het voornemen Gods met die wereld, die Hij liefheeft, en toch verbiedt God Paulus en Zijn apostelen in Hand. 16:6, 7 en Matth. 10:5, hun het Woord van het geloof te prediken, en Hij beschikt de dingen zo, dat het hun eenvoudig onmogelijk is, het Woord van het geloof en van deze hoogste liefde en zeldzaamste gift, en van deze Verlosser, die Hij gegeven heeft, te horen.
(6) Daarom moet men door "de wereld" de uitverkorenen uit Joden en heidenen verstaan, die overal in het Nieuwe Testament gesteld worden tegenover de kleine gemeente van Judea; de Evangelie-wereld, de wereld van de Messias, die zoveel groter is dan de kleine wereld van Mozes. Ja, "alle volkeren" (Matth. 28:19), "alle creaturen" (Mark. 16:15), "de gehele wereld", (Kol. 1:5, 7) "de wereld, die het Evangelie hoort", bijna alle volkeren, daarmee kan niet elk mens, hoofd voor hoofd, bedoeld worden, zoals zij zouden willen, dat "de wereld, welke God liefheeft", alle mensen, hoofd voor hoofd, insluit.
Tegenwerping. "Maar, [Gr. pas] dat "een iegelijk die gelooft enz.—; die woorden beperken en verengen de wereld en verdelen die in gelovigen en niet gelovigen, doch volgens uw verklaring geloven sommigen van de uitverkoren wereld en worden zalig, terwijl weer anderen niet geloven en verloren gaan, hetwelk ongerijmd is; daarom moeten door "de wereld" allen zowel uitverkorenen als verworpenen, verstaan worden.
Antwoord. Ik ontken dat [Gr. pas] "een ieder" hier een distributief of verdelend rededeel is. Wanneer Hij [Gr, hostis of hoste] gezegd had, als in Gal. 5:4 en 1 Kor. 11:27, dan zou dit enige schijn van reden hebben, maar ik ontken, dat [Gr. pas of pantes] "allen" hier meer beperkend moet zijn dan in 2 Thess. 2:11, 12: "Daarom zal hun God zenden een kracht der dwaling, dat zij de leugen zouden geloven, opdat [Gr. hina pantes] zij allen veroordeeld worden, die de waarheid niet geloofd hebben, maar een welbehagen hebben gehad in de ongerechtigheid. Het volgt niet, dat [Gr. pantes] hier "allen" die te waarheid niet geloofd hebben, maar een welbehagen hebben gehad in de ongerechtigheid, een kleiner aantal zouden zijn, dan zij aan wie een kracht van de dwaling gezonden is. Ja het getal van beiden is juist gelijk.
Zo ook Joh. 5:22: "de Vader oordeelt niemand, maar heeft al het oordeel de Zoon gegeven, (vs. 23) [Gr. hina pantes] opdat zij allen de Zoon eren gelijk zij de Vader eren, Die Hem gezonden heeft." Ik kan hierin geen grond vinden, dat sommigen de Vader zouden kunnen eren, en van de doden opgewekt en levend gemaakt worden, (vs. 21) die de Zoon niet eren. Daarom moet het niet vertaald worden: "Alzo lief heeft God de wereld gehad, enz. —, opdat een iegelijk die in Hem gelooft niet verderve"; maar, wat veel meer met de grondtekst overeenkomt, "Alzo lief heeft God de wereld gehad, opdat elkeen, in Hem gelovende, niet verderve", zoals het in een menigte plaatsen vertaald is, door renusquisque, non quicunque. Daarom is het geloof hier niet zozeer ad modum conditionis", als een voorwaarde, dan wel als ad modum medii, als een middel aangemerkt, om deze wereld, welke God liefheeft, tot de heerlijkheid te brengen; op dezelfde manier, als dat u van iemand zoudt zeggen: "hij heeft de geleerdheid zo lief, dat alle geleerden hem lief zijn". Zo heeft God Zijn uitverkoren wereld zo lief, dat Hij Zijn Zoon gegeven heeft, om voor hen te sterven, (deze liefde is eeuwig) opdat deze allen, op hun tijd gelovende, nooit zullen verloren gaan, maar het eeuwige leven hebben. De Arminianen kunnen ook het woord "wereld" niet voor elk mens, hoofd voor hoofd, nemen, want zij sluiten allen uit die jong sterven en dus nog onvatbaar zich voor het geloof. Zij zeggen, dat deze woorden, in Joh. 3:16, Gods bijzonder besluit van verkiezing en verwerping bevatten; dat God besloten heeft, allen zalig te maken die geloven en dat God besloten heeft, dat allen die geloven niet zullen verderven. Nu sluiten zij van de verkiezing en verwerping alle heidenen uit en al hun kinderen en alle andere kinderen en hen, die nooit het Evangelie gehoord hebben, zodat zij wel mogen toezien, want het staat te vrezen, dat zij hier "de wereld" even eng maken als wij.
Al zeggen de Arminianen dat het woord "wereld" in de Schrift nooit alleen de uitverkorenen betekent, wat zou dat? Laat mij hen beantwoorden.
(1) Het is zeker, dat hun wereld van uitverkorenen en verworpenen, waar het beste deel van de mensen, alle kinderen en allen, die nooit het Evangelie gehoord hebben, buitengesloten is, niet in de Schrift te vinden is, dat die van zo’n wereld niet spreekt.
(2) Het is een vaststellen van hetgeen nog bewezen meet worden, want (Joh. 1:29) de wereld, van welken het Lam Gods de zonden wegneemt; de verzoende wereld, aan welke de Heere de zonde niet toerekent, [Gr. me logizomenos autois ta porapto nata auton] (het is hetzelfde woord, waarmede uitgedrukt wordt, wat aan Abrahams geloof wordt toegeschreven (Rom. 4:3—5) en waarvan David spreekt (Ps. 32:2; Rom. 4:6), namelijk de toerekening tot rechtvaardigheid en het geloof tot rechtvaardigheid, datgene, waarin de zaligheid door Christus bestaat (Rom. 4:8—11); is de enige, gelovende, uitverkoren wereld, de geliefde wereld (Joh. 3:16), de wereld, die behouden wordt (vs. 17), de wereld, waarvan Christus de Zaligmaker is (Joh. 4:42), de wereld, aan welke Christus het leven geeft (Joh, 6:33) en voor welker leven Hij Zijn leven geeft (vs. 55), de wereld, waarvan Abraham, doch veelmeer Christus, een Erfgenaam is (Rom. 11:15); deze allen zijn de uitverkoren, de gelovende, de verloste wereld. Dit kunnen zij niet weerleggen.
De andere grond voor ons antwoord op al de tegengestelde plaatsen is, dat het Hebreeuwse woord kol en het Griekse woord pantes, "Christus stierf voor "allen", nooit, voor "allen", nooit noch volgens enige Schriftuurplaats, noch volgens de leer van de tegenpartij, elk en een ieder mens betekent. Alle godgeleerden zeggen, dat het moet verklaard worden overeenkomstig het onderwerp, dat behandeld wordt; secundum materiam substratum.
Hierom stellen wij de volgende regels.
1e Regel. "Allen" betekent dikwijls "het merendeel". (Marl. 14:64) [Gr. pantes] En zij allen veroordeelden Hem des doods schuldig te zijn, (Matth. 26:59) [Gr. holon] de gehele grote raad, nochtans (Luk. 23:51) bewilligde Jozef van Arimathea niet in Zijn dood. (Luk. 17:27) En de zondvloed kwam en verdierf ze allen [Gr. hapantes], nochtans werden acht personen behouden. (Jer. 13:19) Het gehele Juda [Hebr. kullah] is weggevoerd. [Hebr. kol]. "Allen" is dikwijls hetzelfde als "velen". Al de schapen van Kedar (Jes. 60:7) zullen tot u verzameld worden, [Hebr. kol] dat is velen. (Gen. 41:57) En alle landen, of alle land, [Hebr. vekol] kwamen in Egypte; terwijl de zaak duidelijk een uitzondering toelaat en andere Schriftplaatsen het ook zo verklaren. Dan moet ook voorzeker het sterven van Christus voor allen zo verklaard worden, dat Hij Zich gegeven heeft tot een rantsoen voor velen (Matth. 20:28 vergeleken met 1 Tim. 2: 6). Zo zegt men in de rechtsgeleerdheid, dat door allen gedaan wordt, wat het merendeel doet. De wil van de mensen beperkt niet wat God spreekt, doch laat de tekst zelf naarstig overwogen worden.
(Exod. 9:6) "Al het vee van de Egyptenaren stierf", namelijk dat in het veld was. Christus gaf Zichzelf tot een rantsoen voor allen, namelijk, die vatbaar gemaakt worden voor een rantsoen. De Arminianen zeggen, dat Christus Zich voor de volslagen verstokten, voor hen die tegen de Heilige Geest zondigen, voor de kinderen van de heidenen of voor jong gestorven kinderen, niet tot een rantsoen kan gegeven hebben. (Exod. 32:26) "Toen verzamelden zich tot hem al de zonen van Levi." Toen kwamen niet allen zonder uitzondering, want velen hadden zich bij Aäron gevoegd, vers 29) in zijn afgoderij. (Deut. 33:9). Zo ook Matth. 3:5) "Toen is tot hem uitgegaan Jeruzalem en geheel Judea en het gehele land rondom de Jordaan. Als wij nu deze betekenis van het woord "allen" tot ons gebruik toepassen, dan kan, als er geschreven staat, dat Christus Zichzelf gegeven heeft tot een rantsoen voor Allen, Zijn sterven voor allen niet verder uitgebreid worden dan het zaligmaken van allen, het geloven van alle vlees en het in Christus gezegend zijn van alle volkeren. (Gen. 18:18) [Hebr. kol gojei] "Alle volkeren van de aarde zullen in Hem gezegend worden." (Gen. 22:18) In uw Zaad zullen gezegend worden alle volken der aarde. Nu kan de gehele wereld, voor welke (1 Joh. 2:1) Christus een verzoening is, niet verder uitgestrekt worden dan in de belofte en het kan geen draaglijker zin hebben, te zeggen, dat alle mensen, hoofd voor hoofd, van alle volken, werkelijk in Christus gezegend zijn, meer dan allen, die in het verbond der genade zijn, verlost, verzoend en in gunst aangenomen zijn. Daarom hebben de Arminianen even goede reden, uit het Hebr. kol en het Gr. pantes te stellen, dat allen werkelijk gezaligd zijn, als dat allen verlost of vrijgekocht zijn. De hel zal dan leeg zijn en nergens toe dienen als om voor algemene verlossing te strijden. Zo zegt een goddeloos pamflet, dat onlangs gedrukt is, dat de gehele schepping Gods, mensen en engelen, verlost zijn en tenslotte in Christus zullen zalig worden. Nu kunnen wij onloochenbaar bewijzen, dat niet alle volkeren en alle mensen, die van Abraham afstammen, in Christus gezegend zijn, want de Schrift zegt: (Rom. 9:7, 8) "Noch omdat zij Abrahams zaad zijn, zijn zij allen kinderen, maar in Izaäk zal u het zaad genoemd worden. Dat is niet de kinderen des vleses, die zijn kinderen Gods, maar de kinderen der belofte worden voor het zaad gerekend". Het geestelijk zaad, dat Christus heeft, is niet van zo’n wijd begrip, dat het alle volken van de aarde omvat. (Jes. 53: 10) "Hij zal Zijn zaad zien." Christus ondertrouwt Zich niet met het vervloekte zaad. Vele volken, die gedurende vele geslachten nooit van Christus gehoord hebben, zijn onder de wet en onder de vloek, maar, zeggen zij, de volken, alle volken, zijn gezegend quantum ad Deum, in Gods voornemen, in het genadeverbond, dat God met alle volkeren gemaakt heeft, indien zij Christus willen omhelzen en aannemen, maar dat zij niet dadelijk gezegend en ten volle verlost zijn en in Christus zalig gemaakt worden, is hun eigen schuld.
Antwoord. De Schrift verklaart de Schrift beter dan de Arminianen doen, en de apostel (Hebr. 6) verklaart ons, dat "al de volken der aarde" (vs. 17) de erfgenamen van de belofte zijn, die de toevlucht genomen hebben, om de voorgestelde hoop vast te houden, die in hoop het anker van de ziel uitgeworpen hebben binnen het voorhangsel, en Jezus tot hun Voorloper hebben (vs. 18—20).
Hij verklaart de zegen van Abraham en zijn zaad niet als een voorwaardelijk en veraf zijnd voornemen Gods, maar als Gods werkelijk zegenen van Abraham en zijn geestelijk zaad, dat de Heere zou vermenigvuldigen (vs. 14). Het is ook nooit vervuld in al de volken van de aarde. Zij zijn nooit allen erfgenamen van de belofte geworden. Onze verklaring wordt dus gehandhaafd, en dienovereenkomstig worden de belofte, de eed en het verbond Gods vervuld, dat niet het geval is volgens de Arminiaanse verklaring.
Paulus verklaart het zo, (Gal. 3:16) dat Abrahams zaad Christus en Zijn zaad is, en (Rom. 40:26) dat alzo geheel Israël zal zalig worden. Het was het Israël, voor welk, krachtens eed en belofte, het verbond was. De Verlosser zal uit Zion komen, en zal de goddeloosheden afwenden van Jakob. (vs. 27) "En dit is hun een verbond van Mij, als Ik hun zonden zal wegnemen."
(Hand. 4:33) "Daar was grote genade over hen allen", en nochtans niet over Ananias en Safira die deel uitmaakten van dat zichtbaar aantal.
(Jes. 40:5) "En de heerlijkheid des Heeren zal geopenbaard worden, en alle vlees tegelijk zal zien, dat het de mond des Heeren gesproken heeft". (Ps. 86:9) "Al de heidenen, Heere, die Gij gemaakt hebt, zullen komen en zullen zich voor Uw aanschijn neerbuigen, en Uw Naam eren." Dit wordt verklaard: (Jes. 2:2) "Tot de berg des Huizes des Heeren zullen alle heidenen toevloeien". Hoe? Alle heidenen zonder onderscheid? Neen, (vs 3) vele volken zullen heengaan en zeggen: Komt, laat ons opgaan tot de Berg des Heeren, tot de Huize des Gods Jakobs.
(Hagg. 2:8) En zij zullen komen tot de Wens aller heidenen. Verlangden dan alle heidenen, quantum in se, zoveel in hen was, naar Christus? Niets daarvan.
2e Regel. Allen, die ervaren zijn in de grondtalen, en alle godgeleerden, zeggen, dat het rededeel "allen" pro singulis generum, vel pro generibus singulorum, genomen is, dat is voor alle soorten, en voor de soorten van allen, hoewel generlei soorten volstrekt uitgesloten worden.
(1) Het woord "allen" wordt, in materia necessaria, in noodzakelijke zaken, genomen voor elk en een ieder, zoals bijv. God heeft uit één bloede het gehele geslacht der mensen, (Hand. 17:26) Eng. Vert. alle volkeren, gemaakt; (Hand. 1:24) Gij Kenner der harten van allen; (Rom. 3:12) allen zijn zij afgeweken; (Rom. 5:12) allen hebben gezondigd; (2 Kor. 5:10; 1 Tim. 4:10; Jak. 1:5; Filip. 2:10, 11).
(2) Allen wordt soms, zonder uitsluiting van bepaalde personen, zo in gebeurlijke zaken gebezigd. (Matth. 26:33) Al werden zij ook allen aan U geërgerd. (Luk. 6: 26; Openb. 4:26).
(3) Wanneer "allen" gebezigd wordt in betrekking tot Gods werken voor mensen of in mensen, in het bijzonder van werken uit loutere genade in tegenstelling met werken van mensen, dan wordt, zoals Mr. Moor zich inbeeldt, het woord "allen" niet in de uitgebreidste zin genomen. Zo kan onze tekst: "En Ik, zo wanneer Ik van de aarde zal verhoogd zijn, zal ze allen tot Mij trekken", niet alle mensen, zonder onderscheid, bedoelen. (1) Omdat hier een duidelijke beperking is tot de roeping van menigten onder het koninkrijk van de Messias na Zijn dood, en het dus beslist in tegenspraak is met een algemene trekking in de tijd van het Oude Testament. (2) Christus trekt niet allen tot Zich door het Evangelie, omdat duizenden niet van Hem horen, namelijk niet in werkelijkheid, want wij lezen nergens, dat de aan het kruis verhoogde Christus door de werken van de natuur roept of trekt. Zo zegent God alle volkeren, doch niet elk en ieder. God maakt geheel Israël zalig en wendt de goddeloosheden af van Jakob en vergeeft de zonden van Israël, en toch zijn het alleen de gelovigen, die zalig worden en vergeving van zonden ontvangen. Doch zal Mr. Moor nu zeggen: "God maakt allen zalig, en Hij vergeeft de zonden aan elk mens in Israël?"
3e Regel. Daarom is er een derde regel, dat, "velen" gebezigd wordt voor al de uitverkorenen, zoals (Matth. 20:28): "Hij heeft Zijn ziel gegeven tot een rantsoen voor velen." (Mark. 14:24) "Dat is Mijn bloed, het bloed des Nieuwe Testaments, hetwelk voor velen vergoten wordt." (Rom. 5:15) "Indien door de misdaad van één velen gestorven zijn, dat is, allen gestorven zijn. Zo wordt er gesproken over (Joh. 10:11) de schapen van Christus; (Joh. 40:52) de kinderen Gods, die verstrooid waren; (Matth. 1:21) Zijn volk; (Hebr. 2:12) Zijn broederen. Zij, voor wie Hij stierf, moeten niet begrepen zijn in het getal van degenen, die niet Zijn schapen, Zijn broederen, Zijn volk, de kinderen Gods zijn. Zo ook wanneer er melding gemaakt wordt van een bijzonder voorrecht, dat aan vrienden geschonken is, die Christus tot vrienden maakt (Joh. 15:13), hoewel hun dat voorrecht wordt geschonken, wanneer zij, in betrekking tot hun tegenwoordige onwaardigheid, (Rom. 5:10) vijanden, (1 Tim. 1:15) zondaren, (1 Petr. 3:18) onrechtvaardig, en (Luk. 19:10) verloren zijn. Dit wordt duidelijk gemaakt door de noodzakelijkheid, dit voorrecht van verlossing en vrijkoping uit vrije genade deelachtig te zijn, zoals: (Gen. 12:3) "In u zullen alle geslachten des aardrijks gezegend worden." Paulus verklaart dit exclusief, uitzonderend (Gal. 3:16) "In uw zaad alleen." Zo ook: (Deut. 10:20) De Heere uw God zult gij vrezen, Hem zult gij dienen. Christus verklaart dit (Luk. 4:8) exclusief: "Gij zult de Heere uw God aanbidden, en Hem alleen dienen", omdat het Gods voorrecht is, door God vrijgekocht en verlost te zijn. (Deut. 21:8; 7:8; Exod. 15:15; Luk. 1:68; Gal. 3:13; 1 Petr. 1:18; Openb. 5:9; 14:4; Jes. 1:24; 44:23; 35:10; 51:10; Jer. 31:11). De partij zelf erkent, dat de manier van Christus’ sterven in betrekking tot de toepassing exclusief of uitzonderend is, gelijk klaar blijkt uit de volgende teksten. (Luk. 2:11; 1:68—70; 2:30, 31; Hebr. 2:17; Rom. 8:34; Openb. 5:9).
4e Regel. Inzake onze verlossing, is, in het bijzonder volgens het Nieuwe Testament en volgens de profetieën van het Oude Testament, betreffende hetzelfde onderwerp, Christus voor allen gestorven, pro generibus singulorum, voor mensen uit alle volkeren, voor sommigen van alle soorten. God toch spreekt zo over onze zaligheid bijv. in Joël 3:28, waarvan wij de vervulling vinden in Hand. 2:17: "En het zal zijn in de laatste dagen, zegt God, Ik zal uitstorten van Mijn Geest op alle vlees, dat is, mensen uit alle volkeren, Parters en Meders en Elamieten, en die inwoners zijn van Mesopotamie, en Judea, en Cappadocie, enz", en van beiden seksen, zonen en dochters (vs. 17); van elke leeftijd, jongen en ouden; van alle standen, dienstknechten en dienstmaagden. (vs. 5) En daar waren Joden te Jeruzalem wonende, godvruchtige mannen van alle volken, van degenen die onder de hemel zijn. Ook dit sluit nog niet elk volk zonder onderscheid in. Erasmus zou aan zulken, die geen hyperbool of vergrotende uitdrukking in de Schrift willen toegeven, vragen, of er ook Engelsen en Schotten onder waren. (Luk. 11:42) Gij vertient alle moeskruid, dat is, allerlei moeskruid. (Matth. 4: 23) Christus genas alle ziekten en alle kwalen. (Gen. 2: 16) Van alle boom dezes hofs zult gij vrijelijk eten. [Hebr. mikol] (Gen. 24:10) Al het goed zijns heren was in zijn hand. [Hebr. vekol-tov]. Nu, zo wil God, dat allen zalig worden, en zo is Christus de Middelaar van alle mensen (1 Tim. 2), dat niet verstaan moet worden van alle mensen, hoofd voor hoofd, maar van koningen en van geringen, van alle standen van mensen. Het Griekse woord pantes wordt driemaal in de tekst gebezigd.
(1) Nergens dan alleen in deze tekst wordt ons bevolen, voor alle mensen te bidden, maar het staat te betwijfelen, of voor de eeuwige zaligheid van alle mensen, zonder uitzondering, gebeden moet worden. Men zal in het Woord geen bevel vinden, in volstrekte zin te bidden, dat het gehele menselijk geslacht zalig mag worden, want God heeft in Zijn Woord geopenbaard, dat er bij Hem besluiten van verkiezing en verwerping zijn, en
(2) Hij heeft uitdrukkelijk verboden, te bidden voor de zaligheid (1 Joh. 5:16) van hen, die zondigen tot de dood. Welk geloof zouden wij dan kunnen oefenen, voor de zodanigen te bidden. Alleen onder dat begrip mogen wij bidden voor de zaligheid van hen, die in hoogheid gezeten zijn, voor de vrede van Babylon, voor de vrede van heidense vorsten, omdat er ook onder hen zijn, die deel van de kerk uitmaken.
(3) God wil in geen andere zin, dat alle mensen zalig worden, dan dat Hij wil, dat allen tot de kennis der waarheid, dat is, van het Evangelie, komen. Hoe Hij nu wil, dat alle mensen, zonder uitzondering, tot de kennis van het Evangelie komen, sedert deze natuurlijke, voorafgaande en voorwaardelijke wil, waarvan de Arminianen spreken, in God was, om allen, de gevallen engelen en de heidenen in de tijd van het Oude Testament, zalig te maken, toen de wet Gods en Zijn wil betreffende de zaligheid door de Messias, Die komen zou, alleen de Joden geopenbaard was (Deut. 7:7; Ps. 147:19, 20), moeten de Arminianen maar weten. Dit is zeker, dat het Evangelie niet voor alle mensen is en dat het ook nooit aan elk redelijk schepsel gepredikt is, en toch wil Hij, volgens hen, dat alle mensen tot de kennis van het Evangelie komen. Nu, wij weten niet, hoe God, die, zoals zij zeggen, deze natuurlijke wil eeuwig in Zich heeft, wil, dat de heidenen tot de kennis van het Evangelie komen, tenzij Hij apostelen, met de miraculeuze gaven van de talen begiftigd, tot hen zendt, om in hun eigen taal te prediken.
(4) Hij haalt, in de koningen en allen, die in hoogheid gezeten zijn, ook al zijn het heidenen, een voorbeeld aan van een soort van de "allen", waarvan hij in vs. l spreekt. Dankzeggingen moeten hier dan evengoed voor elk en een ieder geboden zijn, als gebeden, zelfs voor Juliaan, en de grootste gesels en de bloedigste schorpioenen, die de Kerk de zwaarste slagen hebben toegebracht. Wij hebben waarlijk geen geloof, om dit in betrekking tot hun zaligheid te geloven.
(5) Paulus moet hier spreken van de krachtdadige wil van de Heere. Die hij zaligmaakt, en van wie Hij wil, dat zij het Evangelie horen en zalig worden, die moeten zalig worden. Zo zegt de apostel in 2 Petr. 3:9: "De Heere is lankmoedig [Gr. eis hemas me boulominos tinas apolesthai alla pantas] over ons, niet willende, dat enige (van ons, over wie Hij lankmoedig is) verloren gaan, maar dat zij allen (tot wie Hij deze lankmoedigheid uitstrekt) tot bekering komen. Hij wijst de reden aan, waarom de dag van het oordeel niet zo haastig komt, maar zo uitgesteld wordt, dat zinnelijke mensen er mee spotten, namelijk, omdat God wacht, totdat alle uitverkorenen ingezameld zijn. Indien de Heere die dag zou verhaasten, zouden zij verloren gaan en niet tot de kennis van de waarheid komen. Zo lezen wij ook (in Matth. 24:22) dat, niet om de verworpenen, maar om der uitverkorenen wil, die dagen zullen verkort worden. Zo is Paulus, (1 Tim. 2:7) in betrekking tot dit rantsoen, gesteld, een Leraar der heidenen in geloof en waarheid. Dit moeten wel de heidenen zijn, die geloven en tot de kennis van de waarheid komen. Paulus heeft dit getuigenis dan ook niet tot alle heidenen gebracht. Nochtans zeggen de Arminianen, dat God wil, dat alle doden en heidenen verlost en zalig worden, terwijl Paulus ook het gerust en godzalig leven tot de Kerk, zichzelf inbegrepen, bepaalt, zeggende: [Gr. hina diagomen] "opdat wij enz". (6) Hij geeft deze reden: "Want daar is één God". Hoeveel rangen er ook zijn in de Christelijke Kerk, er is maar één God. De Koning en allen, die in hoogheid zijn, hebben niet, krachtens hun ambt, één God, en de armen een andere God; de Joden hebben niet een andere God dan de heidenen (vs. 7) aan wie ik predik, en de man heeft niet een andere God dan de vrouw. Deze drie rangen, koningen, overheden en die onder hen staan, Joden, heidenen, mannen en vrouwen, worden in de tekst genoemd. Indien deze armzalige redenering van Mr. Moor steek houdt: "omdat er één God is, en omdat hij [Gr. anthropeu] mensen noemt, daarom wil God allen zaligmaken", en het rantsoen moet zich even wijd en ruim uitstrekken als de reden: "God is een God voor elkeen, en elk mens is een mens". Dit zou bewijzen, dat zij, die God lasteren en de zonde tot de dood begaan, dat die van Bithynië en Samaria, en alle heidenen, daar de Heere niet naar omzag, en die Hij niet tot bekering nodigde, ophielden mensen te zijn, en dat God niet tot hen in betrekking stond, als tot het werk Zijner handen. Het is toch zeker, dat God niet met elk mens in het bijzonder in verbond is, want duizenden, die mensen zijn, zijn buiten het verbond. Ik vraag, of in het Oude Testament, van die algemene wil van God, dat alle mensen zalig zullen worden en van dat rantsoen voor allen, ook met een enkel woord gerept wordt, dan alleen, in de profetieën, hoe het onder het Nieuwe Testament zou zijn. Nooit. Was er niet één God en één Middelaar onder het Oude Testament zowel als onder het Nieuw? Natuurlijke en algemene wensen en begeerten, om mensen als mensen zalig te maken, en om mensen zalig te maken, omdat Hij een God is, komen in God niet op en komen bij Hem niet voor. Dit is echter zeker, dat Gods wil, welke Zijn gebod genoemd wordt en in het Evangelie geopenbaard is, wijder is onder het Evangelie dan voor de tijd van de Messias. Anders zou God niet op andere wijze gewild hebben, dat alle mensen onder de Joden, van welken Hij de Verbonds God was, zouden zalig worden, dan Hij wilde, dat alle heidenen, hoofd voor hoofd zalig zouden worden, dat aan alle kanten in tegenspraak is met het Oude- en het Nieuwe Testament, want in de tijd van het Oude Testament wilde God niet, dat Moab, Ammon, Tyrus, Sidon, de Filistijnen en de Egyptenaren, tot de kennis van de waarheid en van het Evangelie zouden komen. (2 Sam. 7:23; Deut. 4:34; Ps. 147:19).
(7) God wil niet meer, dat elk mens zal zalig worden en tot het geloof komen, indien allen willen geloven, dat Hij wil, dat allen zullen verdoemd worden, indien zij niet geloven en het Evangelie afwijzen. De ene wil is even algemeen als de andere.
(8) Het zou niet rechtvaardig zijn, dat het rantsoen voor allen zou betaald zijn, en de gevangenen nochtans eeuwig in de gevangenis zouden blijven. Dat is tegen de wet (Exod. 21: 30 en 30:12, 15). Ja, de vrijgekochten des Heeren (Jes. 35:9, 10) zullen tot Sion komen en eeuwige blijdschap verkrijgen, (Jes. 51:10, 11) vreugde en blijdschap zullen zij aangrijpen, treuring en zuchting zullen wegvlieden. (Hos. 13:14; 1 Kor. 15:54) Zij zijn verlost van het geweld van de hel. Laat hen in Oude en Nieuwe Testament zoeken, of ooit iemand, die door de Heere vrijgekocht en van het geweld van de hel verlost is, in de buitenste duisternis geworpen is, waar wening zal zijn en knarsing der tanden. Neen, zij zijn verlost van alle ongerechtigheid en gereinigd als het eigen volk van Jezus Christus. (Tit. 2:14; 1 Petr. 1:18; Gal. 1:4; 1 Petr. 2:24).
(9) Dit rantsoen moest op de rechte tijd bekend gemaakt worden, en het werd in deze laatste tijden (1 Petr. 1:20, 21) geopenbaard [Gr. di hemas tous de autu piste uontas] om uwentwil (de uitverkorenen van God) die door Hem geloofden.
5e Regel. Het woord "allen" [Hebr. kol of Gr. pantes] wordt onloochenbaar alleen verklaard door "allen, die zalig worden", en is beperkend. Zeker geneesheer genas de gehele stad, dat wil zeggen, niemand werd genezen dan door hem.
(Exod. 18:14) Jethro zegt tot Mozes: "Wat ding is dit, dat u het volk doet? Waarom zit u zelf alleen [Hebr. vekol-hagnam nitsav] en al het volk staat voor u van de morgen tot de avond? (Om gericht te worden). Het doel van Jethro is, Mozes te veroordelen, dat hij te veel van zijn geest vergt, in alleen de gehele last te dragen (Num. 11:14) van het richten van het volk. Zijn woorden kunnen niet bedoelen, dat het gehele volk, zonder uitzondering, tot hem kwam, om raad te vragen; dat zou onmogelijk geweest zijn, maar dat er geen andere rechter was, dan Mozes. De zin is duidelijk: allen, die gericht werden, werden door niemand anders gericht dan alleen door Mozes.
(Openb. 13:8) "En allen, die op de aarde wonen, zullen het Beest aanbidden", dat wil zeggen, allen, die tot Paapse afgoderij verleid worden door de beestige zogenaamde plaatsvervanger van Christus en diens leden.
(Joh. 11:48) "Indien wij Hem alzo laten geworden, zij zullen allen in Hem geloven", dat is, niemand zal ons meer geloven, noch ons volgen, en al die verleide mensen zullen door Hem verleid worden.
(Joh. 3:26) De discipelen van Johannes, wat naijverig zijnde, dat Christus al het water aan huns meesters molen onttrok, zeiden: "Ziet die doopt, en zij komen allen tot Hem." Zij wilden zeggen: "Er is tegenwoordig niemand meer, tot wie iemand komt of die volgelingen heeft, dan Jezus alleen." Dat Christus in deze zin de Zaligmaker van alle mensen zou zijn, dat Hij de zaligheid aan allen zou kunnen onthouden; dat al de vrijgekochten door Zijn handen zouden gaan, is niets anders, dan wat Petrus zegt, (Hand. 4:12) dat er geen andere Naam onder de hemel gegeven is, door welke wij moeten zalig worden, en (14: 6) dat er niemand tot de Vader komt, dan door Hem, zodat allen, die tot God komen, alleen door Hem komen. Christus is Erfgenaam van de zegeningen, en (Hand. 3:25) in Hem zullen alle geslachten der aarde gezegend worden. Doch dan volgt, volgens redeneertrant, evenzeer, dat alle mensen verheerlijkt zijn, als, dat alle mensen verlost zijn. (Joh. 1:16) Uit Zijn volheid ontvangen wij allen, [Gr. pantes] allen, die ontvangen, ontvangen uit Hem. Dat Christus de natuur, welke aan allen gemeen is, aangenomen heeft, is hierop gegrond, dat geen mens zou zalig gemaakt worden, dan door een mens. Daarom zeggen de Arminianen: "Zover als de menselijke natuur zich uitstrek", zover strekt zich ook het rantsoen uit, en, zegt Mr. Moor, dezelfde natuur is aan alle kinderen Adams gemeen, allen, hoofd voor hoofd, gelijk de mensen door tegenstelling onderscheiden zijn van de engelen. (Hebr. 2:9, 16)". Er is echter een groot verschil tussen de geschiktheid en gepastheid daarvan, dat een mens en niet een engel voor een mens zou sterven, en het voornemen en welbehagen Gods, dat Christus de menselijke natuur zou aannemen, om voor de mensen te sterven en niet voor de engelen (Hebr. 2:16) en, waarom Hij voor deze mens, voor Petrus of Johannes sterft, en niet voor die mens, voor Farao of Judas. De reden van het eerste was de oneindige wijsheid Gods, die er een gepastheid voor de rechtvaardigheid in zag, dat de natuur, welke zondigt, ook voor de zonde zou lijden. Of Christus, Wiens ziel een geestelijke natuur heeft evenals de engelen, ook geschikt zou geweest zijn, om voor hen als Zaligmaker te lijden, hetgeen men mogelijk zou kunnen achten, is een andere kwestie. De reden van het laatste echter is alleen de genade van God. Wie kon aan Christus een loon of een prijs geven, om voor Hem te sterven, en dat werkdadig en zaligmakend, door Hem en niet een ander met geloof te begiftigen. Alle Jezuïeten, Arminianen, Roomsen en Socinianen zullen, indien zij daartoe geprikkeld worden, tenzij zij toestemmen, dat er een fontein-wil is, een wil, die onveranderlijk in God als de Fontein zijn oorsprong heeft, waarin alles, wat mensen en engelen betreft, opgelost is, dit niet kunnen vereffenen, dat er geschreven staat: "Zo ontfermt Hij Zich dan, diens Hij wil, en verhardt, die Hij wil", en "Wie heeft Hem eerst gegeven, en het zal Hem wedervergolden worden?" Zij kunnen met evenveel recht, omdat Christus aan de rechterhand Gods, in de menselijke natuur, die aan alle kinderen Adams gemeen is, verheerlijkt is, de gevolgtrekking maken, dat alle mensen (Kol. 3:1, 2) met Christus opgewekt zijn, en dat alle mensen (Ef. 2:6) medegezet zijn in de hemel in Christus Jezus, en dat zo ook alle mensen met Christus verheerlijkt moeten worden. Want evenals Christus gestorven is in een natuur, welke aan alle mensen gemeen is, zo is Hij ook in diezelfde natuur opgestaan, naar de hemel gevaren en verheerlijkt aan de rechterhand Gods. Doch de waarheid is, dat Christus die natuur aangenomen heeft, welke alle mensen gemeen is, maar als het Zaad Abrahams (Hebr. 2:16), als het vlees en bloed van de kinderen (vs. 14), van Zijn broederen, niet naar het vlees, maar naar de Geest, die wedergeboren zijn of zullen worden.
Het is waar, Jezus is (Hebr. 2:9) een weinig minder dan de engelen geworden, doch ik vertrouw, dat de vergelijking niet met alle engelen is, want Hij is nooit een weinig minder geworden dan alle engelen, ook de kwade engelen. Ook heeft Hij nooit voor iedereen, dat is voor elk en een ieder van de kinderen Adams, de dood gesmaakt.
Wij weten van geen genade, die aan alle kinderen Adams zo gemeen is, als de natuur. Wel stelt de Schrift, dat de natuur, toorn, zonde en dood aan allen gemeen is (Rom. 3:9-15; Job. 14:4; Ps. 51:7; Ef. 2:1-3; Hebr. 9:27), doch aangaande genade, het Woord des verbonds, een genadeverbond, verzoening uit genade, genade bij God, rechtvaardigmaking; die dingen kennen wij niet als aan alle kinderen Adams gemeen, want dan moesten allen evenzeer als bondelingen, gerechtvaardigden, verzoenden, als met de grootste liefde beminden (Joh. 15:13), als vrijgekochten, als verlosten door het bloed van Christus, als een volk, dat in de Geliefde nabijgebracht en uitverkoren is tot een Eigen volk Gods, geboren worden, als dat zij geboren worden als erfgenamen des toorns. Dat sommige zonden tegen het eerste verbond in Christus zijn weggenomen (1 Joh. 1:8), of dat sommige half en niet geheel verlost zijn in het bloed van Christus, zijn dingen, ons onbekend.
Dat Christus de dood voor allen gesmaakt heeft en dat dit evengoed is, alsof allen persoonlijk, niet alleen een teugje van die beker van de dood geproefd hebben, maar die tot de bodem toe hebben leeggedronken, en dat nochtans het merendeel de dood nog eens tot de bodem zal moeten uitdrinken, is geen Evangelie-waarheid. Dan is ook de redenering van de apostel (Hebr. 2) van geen gewicht, om Christus te verhogen, gelijk hij ten doel heeft, wanneer hij zou bedoelen, dat Christus de dood gesmaakt heeft voor allen, in de zin van elk en een ieder, niettegenstaande velen nooit het zaligmakend geloof deelachtig worden of enige vrucht van Zijn dood genieten, maar eeuwig omkomen. Het is toch duidelijk, dat deze allen, [Gr. pantes] voor wie Hij gestorven is, de vele kinderen zijn, die Hij werkelijk tot de heerlijkheid leiden zal; (vs. 10) zij, die één met Hem zijn, als Christus die heiligt, en zij, die geheiligd worden (vs. 11); Zijn broederen, die Hij Zich niet schaamt zo te noemen; de gemeente (vs. 12); de kinderen, die God Hem gegeven heeft, (vs. 13,14) het vlees en bloed van welken Hij deelachtig is; zij voor wie Hij, door de dood, welke Hij voor allen gesmaakt heeft, te niet doen zou, degene, die het geweld des doods had, dat is de duivel. Indien nu de duivel heerst in de kinderen der ongehoorzaamheid (Ef. 2:2); indien zij uit de vader, de duivel, zijn (Joh. 8:44) en onder zijn strik gevangen zijn tot zijn wil (2 Tim. 2:26); laten dan de Arminianen eens uitmaken, hoe Christus, door, gelijk zij zich verbeelden, voor hen de dood te smaken (Hebr. 2:9), voor hen, door de dood, de duivel (vs. 14) teniet gedaan heeft; zijn werken (1 Joh. 3:8) verbroken heeft; over de duivelen (Kol. 2: 15) getriomfeerd heeft; de duivel geoordeeld (Joh. 12:31 en 14:30) en buitengeworpen heeft.
Deze "allen" zijn toch (Hebr. 2:15) verlost van de dienstbaarheid des doods; zij zijn het (vs. 16) zaad Abrahams; Zijn broederen (vs. 17), wie Hij in alles gelijk geworden is, uitgenomen de zonde; Zijn volk; de verzochten (vs. 18), die Christus te hulp komt. Ik daag elke godgeleerde uit, dit hoofdstuk verstaanbaar te maken, volgens de Arminiaanse uitlegging van "het smaken des doods voor alle mensen".
Volgens de Arminiaanse uitlegging van Rom. 5, moet de tweede Adam het afleggen tegen de eerste Adam, en is de vergelijking van die twee, zowel in Rom. 5 als 1 Kor. 15, als de benen van een kreupele Door de misdaad van de eerste Adam zijn velen gestorven. Wie zijn die velen? Iedereen van het menselijk geslacht: die de natuurlijke erfgenamen zijn, voortgekomen uit de lendenen van de eerste Adam. Wie zijn dan de "velen. [Gr. polloi] die de overvloed van de genade van God ontvangen hebben, vs. 15? De tweede Adam is voorzeker geen dorre boom, geen gesnedene. De Schrift zegt, (Jes. 53:10) dat Hij een zaad heeft, (Hebr. 2:10) vele kinderen, (Jes. 8:18; Hebr. 2:13) kinderen, die Hem de Heere gegeven heeft, die tot tekenen en wonderen in Israël zijn, een zaad, dat een verbond met God heeft, het geestelijk zaad Davids, (Ps. 89:29-38) dat nooit zal afvallen. Gelijk dan al de kinderen en erfgenamen van de eerste Adam door zijn misdaad gestorven zijn, zo ook is aan al het geestelijk zaad, al de erfgenamen van Christus, genade deelachtig geworden (vs. 15). Het is er ver van af, dat de genade overvloedig is over al de erfgenamen van de eerste Adam. Gelijk dan door de eerste Adam niemand gestorven is, dan die als natuurlijke erfgenamen van hem afstammen, zo ook verkrijgt niemand door de tweede Adam de genadegift des levens, dan die Zijn geestelijke erfgenamen zijn. Stelt een vereniging krachtens geboorte tussen de eerste Adam en al de zijnen, en tussen de tweede Adam en al de Zijnen, en strekt de vergelijking niet verder uit dan Paulus dit doet, en laat de Arminianen zich verheugen over het voordeel, dat zij uit deze redenering trekken.
2. Vs. 16. De zonde en het oordeel tot verdoemenis zijn niet alleen voorgenomen, maar door de eerste Adam wezenlijk en krachtdadig over allen gekomen, want allen, die leven, zijn door de misdaad van de eerste Adam onder de zonde en werkelijke veroordeling gekomen, maar de genadegift is uit vele misdaden tot rechtvaardigmaking. Nu, dan komt de rechtvaardigmaking, niet een, die alleen maar voorgenomen is en misschien nooit ons deel wordt, maar de wezenlijke; niet een gebeurlijke of voorwaardelijke, die alleen werkelijk is, indien onze voorvaderen het verbond niet verworpen hebben, meer de krachtdadige, werkelijke, rechtvaardigmaking, over al de erfgenamen en het zaad van de tweede Adam.
3. Paulus vergelijkt, in vs. 15, de misdaad van één [Gr. tu henos], de eerste zonde van Adam, die over allen gekomen is, met de rechtvaardigmaking [Gr ek pollon paraptomaton] van vele misdaden. De rechtvaardigmaking, waarover hier gesproken wordt, welke wij in de tweede Adam hebben, is niet de vergeving van de erfzonde en van de verbreking van het eerste verbond, zodat wij pas beginnen te zondigen en God opnieuw met ons begint te rekenen, maar de rechtvaardigmaking is hier van vele misdaden, en het bloed van Jezus reinigt ons van alle zonden (1 Joh. 1:7). Deze rechtvaardigmaking is de onze niet van de baarmoeder af, zoals de misdaad van Adam, want: (1) Waar zijn er twee rechtvaardigmakingen door het bloed van Christus? (2) Waar spreekt de Schrift van een rechtvaardigheid van allen en elkeen, van een rechtvaardigmaking in het bloed van Christus, krachtens natuur en van de buik af, en dat van Turken en alle heidenen en hun zaad en alle kinderen?
4. Vs. 17. Door de misdaad van één mens kreeg een wrede koning, de dood, de koning van de verschrikking, die een zwarte scepter heeft, heerschappij over alle mensen, zonder uitzondering. Hier stemmen wij toe, dat er een algemene koning is, de eerste en de tweede dood. Evenals wanneer een overwinnaar een land verovert, hij daar een onderkoning, een plaatsvervanger voor zich aanstelt. Het andere deel van de vergelijking en het tegenbeeld is: "veel meer zullen degenen, die de overvloed der genade en der gave van de rechtvaardigheid ontvangen, (als koningen) in het (eeuwige) leven heersen, door die Ene [namelijk] Jezus Christus". De erfgenamen en kinderen van de tweede Adam, zijn niet het gehele nageslacht van Adam, zodat allen van die sterfelijke stam zouden verlost, verzoend en zaliggemaakt zijn, maar [Gr. hoi lambanontes ten perisseian tes charitos] het zijn alleen diegenen, die de overvloed van de genade en van de gave van de rechtvaardigheid ontvangen. Ik beroep mij op het geweten van de Arminianen, of Turken, Joden, Tartaren en alle heidenen, en alle kinderen overeenkomen met die beschrijving [Gr. lambanontes], en zich in de dadelijkheid onder de milde druppen van de tweede Adam bevinden, en de overvloed van de genade en van de gave van de rechtvaardigheid ontvangen. Hun algemene rechtvaardigheid is wel wat mager en schraal en voor vermeerdering vatbaar. (2) Indien zij die voorwaardelijk ontvangen, zo zij geloven, dan is zij niet algemeen. (3) Dan zijn zij niet [Gr. lambanontes]; allen zijn geen gelovigen van nature, allen zijn hierdoor niet werkelijk binnen het nieuwe verbond; zij hebben maar van ver een kans, een daarheen geworpen overvloed van genade. Paulus echter verklaart hierdoor, dat de heerlijkheid zowel algemeen is als de genade, en dat allen geboren erfgenamen van de hemel moeten zijn, want hij zegt van de erfgenamen van de tweede Adam [Gr. basileusousin en zo-è]: Hier zijn koningen voor een koning. Er was een algemene tiran, de dood, over alle mensen gesteld, maar hier worden de erfgenamen van de tweede Adam gemaakt tot koningen over het leven en de heerlijkheid door Jezus Christus (vs. 18). Wordt nu echter gezegd, dat het leven voorwaardelijk beloofd wordt, indien zij geloven, overweeg dan zelf, of niet de tweede Adam zwakker is dan de eerste. De eerste heeft de dood, onafwijsbaar, wezenlijk, beslist over al de zijnen doen komen, en de tweede kan het leven niet aan het duizendste gedeelte van de Zijnen overdragen. En aangezien Hij nu, indien tenminste alle sterfelijke mensen Zijn erfgenamen zijn, met verreweg het grootste deel van Zijn erfgenamen Zijn doel mist, kan Hij, indien het de vrije wil goeddunkt, met allen Zijn doel missen.
(4) Arminius, tegen Perkinsius, zegt: "Constare potuit integer fructus mnortis. etc." "De vrucht van de dood van de tweede Adam zou volkomen standhouden, ook al werd het gehele menselijk geslacht verdoemd". Indien dit een gebeurlijke rechtvaardigmaking is, is het goed, dat het niet de rechtvaardigmaking is, welke Paulus beschrijft in Rom. 8: "Die Hij gerechtvaardigd heeft, deze heeft Hij ook verheerlijkt." De Schrift spreekt ook nergens van zo’n rechtvaardigmaking, maar van een zodanige, welke de gerechtvaardigde partij zaligmaakt, (Rom. 4:6, 7) waarmee geloof gepaard gaat (Rom. 3:26; Rom. 5:1), en die (1 Joh. 1:7) ons reinigt van alle zonden.
(5) Vs. 10. "Veel meer zullen, die verzoend zijn, behouden worden." Zij toch zijn vrienden, geen vijanden, (vijanden en verzoenden worden in de tekst tegenover elkaar gesteld) en dan kunnen zij geen vreemdelingen zijn of veraf staan. Zij zijn gebouwd op het fundament van de apostelen en profeten, die vijanden geweest zijnde, nu verzoend zijn (Ef. 2; Kol. 1:19, 20) en alzo veelmeer behouden zullen worden door het leven van Christus. Doch elk mens, hoofd voor hoofd, zal niet veel meer behouden worden door Zijn leven. (6) Er is een "allen" van veroordeelden en een "allen" van gerechtvaardigden. Laat nu elk, die gezond verstand heeft, oordelen, of het niet recht en billijk is, de erfgenamen, de kinderen, het zaad, van de eerste en tweede Adam met elkaar te vergelijken, en behandel dan die twee "allen" op dezelfde wijze en ziet dan, wat de Arminianen erbij winnen. Want, wanneer men, aan de ene zijde allen, die in de lendenen van de eerste Adam waren, vergelijkt met allen aan de andere zijde, die in de lendenen van de tweede Adam zijn, en deze laatste nochtans niet aanmerkt als in de tweede Adam, maar als vreemdelingen bij Christus, als zulken, die buiten Christus zijn, als vijanden, kinderen van de dienstbare, vreemdelingen van Christus, zonder God en Christus in de wereld, dan zijn de twee zijden ongelijk, en dit is niet naar de mening des Geestes. Of men moest ons een tweede geboorte, een bovennatuurlijke gemeenschap van rechtvaardigmaking, vrije genade, kindschap en verlossing uit genade tussen Christus en het gehele menselijk geslacht, Joden en heidenen, kunnen aantonen. Ik vrees voor alle Arminianen in Europa, dat zij lang in hun Boek zullen moeten zoeken, om er in te vinden, wat er niet in staat.
1 Kor. 15 is even gemakkelijk te beantwoorden, want in die tekst staat niet, dat een even groot aantal als in de eerste Adam is gestorven, in de tweede Adam is levend gemaakt, [Gr. pantes] "allen" geeft geen gelijkheid in aantal te kennen. Gelijk de erfgenamen van de eerste Adam de dood van hem geërfd hebben, zo ook hebben de erfgenamen van de tweede Adam het leven door Hem. "Allen" ziet in beide gevallen, op de soort, niet op het aantal, want de "allen", die door Christus levend gemaakt zijn, zijn dezelfden, die in Christus ontslapen zijn, (vs. 18) die niet verloren zijn; het zijn de allen, van welken het geloof niet ijdel is, die niet in hun zonden zijn (vs. 17); die "allen", die niet alleen in dit leven op Christus zijn hopende, (vs. 19) maar ook voor het toekomende leven; diegenen, die, gelijk de Eersteling gestorven is, met Christus gestorven zijn, want Christus en al de Zijnen zijn als de tarwe, welke van een korenveld komende, (vs. 23) in een schuur ingezameld worden. Zij zijn levendgemaakt door dezelfde Geest, waardoor Christus levendgemaakt is, maar een ieder in zijn orde, eerst wordt het Hoofd levendgemaakt. Indien de zin van hetgeen Paulus hier schrijft is, dat Christus als het Hoofd en de Verlosser, "allen" zowel de verworpenen als de uitverkorenen, opwekt, dan moeten ook de verworpenen een deel zijn van dat veld, waarvan Christus de eerste Schoof is; anders vloeit de tekst niet. Het was hier echter, voor het doel dat Paulus voornamelijk op het oog had, voldoende, de opstanding van de doden te bewijzen.
"De wereld" en "de gehele wereld", in 1 Joh. 2:1, 2 is de wereld, die een Voorspraak in de hemel heeft, want zo staat er: indien iemand gezondigd heeft, wij hebben een Voorspraak, Die een verzoening is, niet alleen voor ons, Joden, aan wie ik schrijf, maar voor de zonden van de gehele wereld, beiden Joden en heidenen. De verzoening toch en de voorspraak zijn even wijd van begrip en van dezelfde omvang, anders zou de gehele redenering waardeloos zijn. De voorspraak nu van onze Hogepriester, in het Heiligdom, aan de rechterhand Gods, is alleen voor Gods volk, (Hebr. 9:24) voor ons, (evenals de hogepriester alleen de ongerechtigheid van het volk Israëls droeg, van welken de namen op zijn borst gegraveerd waren,) voor degenen, voor wie Hij een eeuwige verlossing heeft teweeggebracht, om door het bloed van de besprenging het geweten te reinigen van dode werken, om de levende God te dienen (vs. 12, 13, 14); voor hen, wie Hij, in Zijn Testament, vrede en de belofte van de eeuwige erve vermaakt heeft (vs. 15—17); voor degenen, die naar de tweede komst van Christus tot zaligheid uitzien; voor hen, voor het geloof van welken Hij bidt (Luk. 22:31—33), en voor wie Hij de Vader bidt, dat Hij hun de Heilige Geest zendt (Joh. 14:16, 17 en 16:7). Voor al deze is Christus, onze Hogepriester, een Voorspraak.
Het is duidelijk, dat de personen in de tekst niet zo kunnen verwisseld worden, dat wij zouden lezen: "indien wij zondigen, wij hebben een verzoening; indien wij de zonden belijden, het bloed van Jezus zal ons van alle zonden reinigen." Door de zonden van de gehele wereld, verstaat hij de zonden van allen, die, hetzij Joden of heidenen, geloofden of zullen geloven (Rom. 40:15; 2 Kor. 5:19; Joh. 1:29 en 3:16), de gehele wereld, welke God liefheeft, van welke de zonde vergeven is, die verzoend is, welke zonde niet toegerekend wordt en die dus zalig en gerechtvaardigd is (Ps. 32:1—4). Als de apostel opklimt, waar hij zegt: "en niet alleen voor de onze, enz." dan is zijn doel niet, daarmee te kennen te geven, dat de verzoening van een verdere strekking is dan de voorspraak, de belijdenis van zonden en te kennen, dat wij Hem gekend hebben, dat is, petitio principii, want Johannes trekt geen besluit, tot vertroosting, uit de voorspraak van Christus, welke onloochenbaar alleen en bijzonder eigen is aan hen, die gemeenschap hebben met de Vader en de Zoon, in het Woord des levens geloofd hebben en van al hun zonden gereinigd zijn, uit een algemene verzoening, die ook gemeen is aan hen, die eeuwig verdoemd zijn en van welken de vrucht volkomen zal standhouden, ook al werd de gehele wereld eeuwig verdoemd. Het zou maar een nietige vertroosting zijn voor zwakken, die dagelijks zondigen en die leugenaars zijn, wanneer zij zouden zeggen, dat zij geen zonde hebben, te moeten horen, dat er in de hemel geen betere balsem voor hun zonde is, dan zulk een, waarmee zij niet minder eeuwig kunnen verloren gaan, dan Farao, Kaïn en Judas. Het zou hun beter zijn, die te missen, dan die te hebben.
(2 Petr. 2: 1) Sommige valse leraars zullen de Heere verloochenen, Die hen gekocht heeft. Dit moet niet zo verstaan worden, alsof Christus die van hun ijdele wandel (1 Petr. 1:8) en van de tegenwoordige boze wereld (Gal. 1: 4) zou verlost hebben, want dan zou Hij ze van afval en uit de macht van verdoemelijke ketterijen verlost hebben, dat Hij niet gedaan heeft, doch zij waren, naar hun eigen belijdenis, gekocht, en zo overtuigt de apostel hen des te krachtiger, dat zij beleden leraars en herders te zijn, die gezonden waren, om het verlorene te zoeken, maar dat zij in werkelijkheid wolven waren, die de kudde verscheurden.
Zij waren ketterse leraars, die verderfelijke ketterijen bedektelijk invoerden, zodat zij beleden, dat zij Christenen waren en dat Christus hun Heere was. Indien zij toch uiterlijke en openlijke vijanden waren geweest, zouden zij geen ketterijen hebben kunnen invoeren.
Zij deden het bedektelijk en heimelijk, als die iets anders leerden en deden, dan zij beleden. Zij beleden, dat de Heere hun Verlosser was, Die hen gekocht had, hoewel het duidelijk is, dat zij huichelaars waren; [Gr. parisaxousi haireseis] "zij zullen" tegelijkertijd "verderfelijke ketterijen" zijdelings, "bedektelijk invoeren", door welke de weg der waarheid zal gelasterd worden. De vijanden zullen kwaadspreken van het Evangelie, omdat die mensen de Verlosser belijden, als die hen kocht, terwijl zij nochtans gierigaards zijn. Zij kopen en verkopen u (Gr. plastois logios] met versierde, opgemaakte, schone woorden: O, wat een Verlosser, Die ons kocht, onze Zaligmaker! O, wonder van vrije genade! O, wie zal die vrije verlossing uitspreken! Juist zoals nu de Vrijgeesten doen, die nochtans de heiligmaking en Christus, die hen, volgens hun belijdenis, gekocht heeft, verloochenen. Het is de gewone stijl van de Schrift, mensen te benoemen overeenkomstig hetgeen zij zeggen en belijden. Zo noemt de Schrift profeten (Jer. 23), die wolven zijn, omdat zij zich profeten noemen. Christus noemde Judas "vriend", omdat hij, hoewel hij in werkelijkheid een vijand was, zich als een vriend voordeed. Zo worden de Farizeeën door de Heilige Geest betiteld (Matth. 9:12, 13) als mensen, die gezond en rechtvaardig waren en geen bekering (Luk. 15:7) en geen Medicijnmeester nodig hadden (Mark. 2:17), omdat zij in hun ijdele inbeelding zichzelf zo beschouwden, niet omdat zij wezenlijk zo waren. Zegt misschien iemand, dat Christus die in dat oplicht gekocht heeft, dat Hij door Zijn dood de heerschappij heeft verkregen over uitverkorenen en verworpenen, opdat alle knie, mensen en engelen, zich voor Hem zou buigen (Rom. 14:8, 9 enz.; Jes. 45:23; Filip. 2: 9—11; Joh. 5:27; Hand. 17:31), zodat er onderscheid is tussen het kopen door verovering en het kopen, waardoor iemand uit zijn ijdele wandel verlost wordt, dan ben ik van gedachte, dat dit zeggen, dat Christus door Zijn dood heerschappij verkregen heeft, een waarheid in zich bevat, doch ik betwijfel zeer, of de Schrift in die zin zegt, dat Christus de verworpenen door Zijn bloed gekocht heeft, want dan heeft Hij zo, door Zijn bloed, engelen, duivelen, alle dingen, alle knie gekocht, die in de hemel en die op de aarde en die onder de aarde zijn, want Hij heeft deze heerschappij door Zijn dood en Zijn opstanding verkregen (Rom. 14).
(1 Tim. 4:10) God is een Behouder van alle mensen. Dit wordt niet van Christus, als Middelaar gezegd, maar van de levende God, de Behouder, de Verlosser aller mensen (Ps. 106:8, 10; Matth. 8:25; Neh. 9:27; Ps. 36:7). Het Hebr. woord jaschang wordt hier gebruikt, en de levende God wordt hier onbepaald genomen als een God, in de drie Personen, maar God in Christus is bijzonder de Behouder van de gelovigen.
Andere plaatsen, die bijgebracht worden voor algemene genade en afval van de heiligen, ga ik hier voorbij.
Het vijfde punt betreft het geloof, dat van uitverkorenen en verworpenen in de zichtbare Kerk vereist wordt. Laat ons voor wij dit nader verklaren, eerst dit een noodzakelijke leerstuk, dat het punt zeer zal ophelderen, overwegen, dat indien Christus allen tot Zich trekt:
Hij een bijzondere bereidwilligheid en grote lust moet hebben, zondaren zalig te maken, als Hij allerlei soort mensen zo krachtig en ernstig tot Zich trekt.
1. De beloften en het welbehagen van Christus zijn niet besloten of weggesloten, evenals betreffende de geopenbaarde verwerping van enigerlei soort van mensen. Christus is niet Iemand, Die alles aan Zich wil trekken; nooit heeft Hij lust gehad om alleen over de genade te kunnen beschikken. Hij stelt Zijn wil in stellige, aangename bewoordingen ter neer. (Joh. 6:39). "Dit is de wil des Vaders, Die Mij gezonden heeft, dat al wat Hij Mij gegeven heeft, Ik daaruit niets verlies, maar het opwek ten uiterste dage". (Joh. 5:24). "Voorwaar, voorwaar, zeg Ik u, die Mijn Woord hoort, en gelooft Hem Die Mij gezonden heeft, heeft het eeuwige leven, en komt niet in de verdoemenis".
2. Christus heeft zoveel lust, om zalig te maken, dat (1) Hij niet maar iemand zond, doch dat Hij, de Koning, in Eigen Persoon kwam. (1 Tim. 50:15; Luk. 19:10) "De Zoon des mensen is gekomen, om te zoeken en zalig te maken, enz." (2) Hij riep niet van ver, maar Hij kwam nabij, om te trekken; Hij kwam, om ons zalig te maken, zo nabij, dat Hij ons bereiken kon. (3) Wanneer tot gevangenen in een diepe put een touw wordt neergelaten, dat niet binnen hun bereik komt, zodat hun armen te kort zijn, om het aan te grijpen, dan kunnen de gevangenen er niet door geholpen worden, daarom is Hij tot onder ons afgedaald, onder al onze zwakheden, om Zijn schouderen onder de verloren schapen te zetten. (Luk. 15:5). De liefde moet zich inspannen en laag bukken, om zalig te maken.
3. De bereidwilligheid van Christus wordt, de vrijheid des Heeren in verkiezing en verwerping voorbehouden, in zulke ruime bewoordingen voorgesteld, als maar mogelijk is, en dat in zulke veelomvattende uitdrukkingen, dat niemand zou behoeven te klagen: "O, ik ben een dorre boom", omdat wij zo geneigd zijn geweldige twisten op te werpen tegen het Lam Gods, alsof Hij ons niet lief zou hebben. Het is ook een antwoord aan hen, die natuurlijk klagen over de volstrekte verkiezing, aangezien de zwaksten het eerste klaar zijn, om twijfel te voeden.
Tegenwerping. 1. "Ik ben zondig en zondig krank, en ik verdenk de Medicijnmeester".
Antwoord. De Medicijnmeester is gekomen, om Zijn kracht te betonen aan de kranken. (Matth. 9:12, 13) Die ziek zijn naar het lichaam, zijn dikwijls krank van geest, en de hartstochten van de ziel rijzen dikwijls op met de kwade gesteldheid van het lichaam. Zieken zijn spoedig boos en jaloers. Christus zegt, dat Hij een teer hart omdraagt over een kranken zondaar.
Tegenwerping. 2. "Maar ik heb weinig genade en goedheid."
Antwoord. Kunt u, zegt Christus, minder hebben dan een riet? Het is zoveel minder dan een boom of een ceder; Ik zal geen rietje verbreken. Van een gebroken riet is niets meer te verwachten, het kan geen goed meer doen; een rietje is zwak, meer een gebroken riet, dat is zo, kan nooit groeien. Maar neen, Hij kan het gekrookte riet niet verbreken, doch Hij giet olie uit aan de wortel van het gebroken riet, Hij maakt het weer groen en fris en doet het weer bloeien. Het vuur of licht van een vlaswiekje moet veel minder zijn dan dat van een stuk hout, doch Hij zal geen water werpen op een vlaswiekje, dat vlam gevat heeft, ja, ook niet op een rokend vlaswiekje.
Tegenwerping. 3. "Een gebroken been in een levend mens kan gespalkt en genezen worden, maar het hart is, ultimum moriens, het laatste van het leven; als dat gebroken is, dan is de mens heengegaan; hij sterft, wanneer de laatste levenszetel, het hart, gebroken is." Nu, Christus zegt: "Hij kan verbinden de gebrokenen van hart." (Jes. 61:1; Ps. 147:3).
Tegenwerping. 4. "Als een mens dood en begraven is, vaarwel dan, het is afgelopen, hij is er niet meer. Sommigen vrezen, dat zij niets hebben dan een dode belijdenis."
Antwoord. Dat is zo, maar Christus (2 Kor. 1:9; Joh. 5:25) wekt de doden op en Hij maakt dorre beenderen levend. De Schrift stelt de beloften voor aan de zichtbare heiligen. (2 Kor. 7:1) Kunt u een plaats innemen onder de menigte van zichtbare heiligen? Aan allen, die zich in het wijde Evangelie-net en het zichtbare hof van Christus bevinden, wordt gepredikt, dat een ieder die gelooft, zalig zal worden. Joh. 3:16; Rom. 10:9; Joh.5: 24).
Zegt u, dat u zich niet onder de zichtbare belijders kunt rekenen; dat u maar een tollenaar en zondaar bent en dat u buiten de lijn van Christus’ ontferming schijnt te liggen, dan is dit (1 Tim. 1:15) een getrouw woord en aller aanneming waardig, dat Christus Jezus in de wereld gekomen is, om zondaren zalig te maken. Wat u ook bent, het ongeloof vervreemdt een zondaar al ver genoeg van Christus, doch dit geeft u recht, hierop te pleiten, dat u van het geslacht van de zondaren bent. Christus is gekomen, om zondaren te roepen en zondaren zalig te maken, en u kunt toch niet loochenen, dat u een zondaar bent.
Kunt u zich in het gezelschap voegen van die "wij", die het met God en Zijn volk houden, dan is er aanmoediging voor u, om Christus niet te verwerpen, maar begerig naar Hem uit te zien en een hoopje te koesteren, dat u misschien één van de Zijnen bent. De Evangelie-taal is schoon en liefelijk. Bent u niet onder een "ons", om daaruit hoop te putten. Hierom is de liefde Gods tot "ons" geopenbaard, dat God Zijn eniggeboren Zoon gezonden heeft in de wereld, opdat "wij" zouden leven door Hem.
De Schrift werpt u nog een langer touw toe, opdat u Christus zoudt kunnen bereiken. Bent u niet een mens? Indien u geen zondaar, geen zichtbare heilige, geen gekrookt rietje bent; u bent toch van het menselijk geslacht. Het Evangelie wil niet, dat u zoudt wanhopen of vreemde en verwijderende gedachten van Christus zoudt voeden en herbergen. (Tit. 3:4) Maar wanneer de goedertierenheid van God, onze Zaligmaker, en Zijn liefde tot de mensen verschenen is, heeft Hij ons zalig gemaakt. (1 Tim. 2:3) God, onze Zaligmaker, wil, dat [Gr. pantas anthropous sothenai] alle mensen zalig worden.
Die het verst van Christus afstaan, moeten schepselen zijn, die niets zijn dan stukjes van de wereld. Nu, de naam "wereld" is een woord, dat meer vervreemding en groter afstand te kennen geeft dan de naam "mens" of "zondaren." Er is geen woord, dat meer de grote afstand aanduidt, want de gevallen engelen zijn nog leden en burgers van de wereld. Daarom wordt het Evangelie aan de wereld gepredikt en Christus wordt in het Evangelie voorgesteld als Een, Die de wereld liefheeft. Alsof Hij een Zaligmaker van de gehele wereld was, neemt Hij de zonden van de wereld weg (Joh. 1:29). Alzo heeft Hij de wereld lief (Joh. 3:16). Hij geeft Zijn vlees voor het leven van de wereld (Joh. 6:51).
Laat ons aangaande dit taalgebruik van de Heilige Geest, in het voorbijgaan, tot besluit, de wijsheid Gods overwegen, in het stellen van de woorden van het Evangelie. Men kan niet zeggen, dat God in Christus, Zijn Geliefde, de gehele wereld, het gehele menselijk geslacht, elk mens, hoofd voor hoofd, heeft liefgehad. Nochtans, deze grondslag leggende, dat God de verborgenheden van de verkiezing en verwerping voor Zichzelf houdt, tot het Hem behangt die, op Zijn Eigen tijd, te openbaren, heeft de Heere het Evangelie-aanbod in Christus in zulke onbepaalde bewoordingen en zo algemeen gesteld, hoewel zonder enige dubbelhartigheid, liegen of dubbelzinnigheid, aangezien Zijn welbehagen de regel is van Zijn doen en spreken.
Slechts zelden ontsluit de Heere de mensen de verkiezing en verwerping, voordat zij, door genade of overeenkomstig Zijn rechtvaardigheid, de een of de andere, in hun eigen wegen ontdekken, en daarom doet Hij de aanbieding van Christus, zodat niemand het Evangelie kan bedillen of tegen Christus kan pleiten.
Het Evangelie vermeldt maar zelden, wie de uitverkorenen en wie de verworpenen zijn, nochtans geeft het Evangelie geen grond, aan de ene zijde tot vermetelheid, of aan de andere zijde voor wanhoop. Immers, al bent u geen gelovige, noch een zwak rietje, noch een heilige, u bent toch een zondaar, of indien ook dat niet, u bent in elk geval een mens, of indien u dat nog ontkent, u bent er toch één van de wereld. Hoewel nu uit bevestigenderwijze vast te stellen: "Ik ben een zondaar, ik ben een mens, ik ben er een van de wereld., nog niet volgt: "dus ik ben uitverkoren tot heerlijkheid, of, ik ben een vrijgekochte des Heren", zo blijft ontkennenderwijze, wat de verwerping betreft, toch vaststaan: "Ik ben een zondaar, ik ben van de wereld, ik ben een mens", meer volgt daaruit ook niet: "dus ik ben een verworpene, en daarom moet ik de belofte, en Christus, die in het Evangelie wordt aangeboden, afwijzen." Wel volgt daaruit: "Ik moet wegens de zonde vernederd zijn en in Christus geloven." Er is voor alle uitverkorenen ruimte genoeg gegeven, dat zij geen recht hebben, zich ver van Christus te houden, en de anderen komen toch nooit en weigeren gewillig, zich tot Hem te wenden. Ook hebben de verworpenen, al zijn zij niet uitverkoren, geen grond, om over de besluiten Gods op onderstellingen te twisten; zij zijn toch geroepen, alsof zij uitverkoren waren en zij hebben een even billijk geopenbaard bevel, om in Christus te geloven, als de uitverkorenen. Zij zijn mensen, zondaren van de wereld, aan wie Christus wordt aangeboden. Waarom weigeren zij Hem dan op een ongeopenbaarde grond?
4. De vierde grond van Christus’ bereidwilligheid, om alle mensen te trekken, is, dat Christus, in de bedeling van vrije genade, Zich uitstrekt tot zondaren, tot de voornaamsten van de zondaren. Genade gaat zover zij kan; zij kan niet verder gaan dan de hel en de verdoemenis. (Luk. 19:10) De Zoon des mensen is gekomen, om te zoeken en zalig te maken, wat verloren was. Het is alsof Christus wil zeggen: "Is iemand een zondaar, (en wie is dit niet) een verloren zondaar, zie en aanschouw, ik ben voor die mens een Zaligmaker." Christus daalde, in de vrijheid van Zijn genade, zo laag af als de hel, om Zacheüs zalig te maken, als hij diep gezonken was in het kwaaddoen, om te verderven. Maria Magdalena was zover op weg naar de hel, dat zij van zeven duivelen bezeten was. De genade in Christus ging zo ver, dat zij van zeven duivelen verloste. Manasse, alsof hij het er op gezet had, de hel niet mis te lopen, gaat zover, dat hij zijn ziel en zaligheid verpandt, guichelarij pleegt en op vogelgeschrei achtgeeft en allerlei afgrijselijke afgoderij bedrijft, zodat daardoor stromen bloed vloeien in de straten van Jeruzalem, en ontferming in God daalt tot de hel af, om hem zalig te maken. Paulus waagde zich zo dicht aan de mond van de oven, dat hij de Kerk van God verwoestte en [Gr. lumainein] (Hand. 8:3) hopen doden in de Kerk maakte en zijn ademhaling een blazen van dreiging, dat is, van rijpe plannen tot bloedvergieting, was, zodat met elk woord, dat hij sprak, het moorden van de heiligen uit zijn mond uitging, doch de vrije genade van Christus zit hem na op de hielen en loopt hem voorbij. Christus’ genade kwam als het ware, een stap lager dan Paulus en maakte hem zalig. (1 Tim. 1:14) "Doch de genade van onze Heeren, zegt hij, is zeer overvloedig geweest, met geloof en liefde, die daar is in Christus Jezus." (Jer. 3:1) Gij nu, hebt met vele boeleerders gehoereerd, keer nochtans weer tot Mij, spreekt de Heere. Het is hier, alsof de rijke genade van Christus en onze uiterste goddeloosheid wedijveren, wie het diepst in de hel zal afdalen; de laatste, om te verderven, de eerste, om zalig te maken. Hier daagt Christus; als het ware, de zondaar uit, goddelozer te zijn, dan Hij genadig zijn kan.
5. Christus zendt, in het Evangelie, als een groot Veroveraar, een geschrift rond, dat door Zijn Hoogheid Zelf getekend is: Die wil kome tot Mij, en worde behouden; zover de genadewil kan gaan, zover gaat ook de bereidwilligheid van de overwinnende Vorst. (Openb. 22:17) Het is opmerkenswaardig, hoe zwanger van genade die Evangelische nodiging is: (Jes. 55:1) "O alle u dorstigen, (het Hebr. woord Hui is helaas of ach) komt tot de wateren, en gij, die geen geld hebt, komt, koopt en eet." Het is alsof de Heere bedroefd is en zegt: "Wee Mijner, helaas, dat dorstige zielen van dorst moeten omkomen, dat zij niet tot Christus, het Water des levens, willen komen en gratis, om niet, drinken, en leven". De uitroep [Hebr. Hui] "O", is een kenmerk van droefheid, evenals "ach" of "wee", alle gij dorstigen. (Jes. 1:4) (Eng vert.) Ach, zondig volk, of wee, [Hebr. hui] het zondige volk. (vs. 24) (Eng. Vert.) Ach, Ik zal mij vertroosten, of helaas, [Hebr. hui] (Onze overz.) O wee, Ik zal Mij vertroosten van Mijn wederpartijders. (Jer. 22:18) "Zij zullen Jojakim niet beklagen. Och, mijn broeder, of, och zuster!" – Het drukt twee zaken uit. (1) Onstuimigheid en een ernstig, ongeveinsd en vurig verlangen, dat wij zouden doen, wat wij verplicht zijn, en de aaneenschakeling van deze twee dingen, welke God ernstig begeert, namelijk, dat wij tot Christus zullen komen en dat wij zalig worden. Deze zedelijke band tussen geloof en zaligheid begeert God met Zijn wil van goedkeuring, welbehagen en zedelijke geneigdheid, zonder enige de minste veinzing of geveinsheid: en aangezien de Arminianen zeggen, dat wij nagebootste, geveinsde en huichelachtige begeerten in God stellen, lasteren en vitten zij ten zeerste, zoals trouwens hun gewoonte is. (2) De andere zaak, welke in deze nodigingen wordt uitgedrukt, is een soort van afkeer, smart of droefheid, (het is een uitdrukking welke aan de mensen ontleend is, want de Heere kan niet teleurgesteld worden in hetgeen Hij wil, ook kan er in Hem geen droefheid zijn, dat die niet gedaan wordt,) of een ernstige, niet willende en hatende weerzin, daartegen, dat de gehoorzaamheid van het schepsel en het eeuwige leven, waarover Hij krachtig Zijn goedkeuring heeft te kennen gegeven, niet zouden volgen. God bemint het geloven van Jeruzalem en deszelfs kinderen, Hij hecht daaraan Zijn goedkeuring, als een zedelijke plicht, evenals de hen lust heeft, haar kuikens te verwarmen en te voeden, en Hij haat hun opstandige ongehoorzaamheid en hun weigeren, om bijeen vergaard te worden met een uiterste en ongeveinsde, afkeurende en hatende afkeer. Doch deze nodigingen, welke wij Zijn geopenbaarde wil noemen, waarmee Hij zegt, voorneemt en wil, dat allen, aan wie Hij de aanbieding doet, zullen gehoorzamen en zalig worden, hebben niets met het eeuwig voornemen of besluit Gods te maken. Het dient aangemerkt te worden, dat de geopenbaarde wil van God, voluntas signi genoemd, welke aan allen wordt voorgesteld, niet formeel vertoont, dat God in Zijn eeuwige raad voorneemt, besluit of ten doel heeft, dat iemand, hetzij uitverkoren of verworpen, werkelijk gehoorzamen zal. Het is formeel alleen de uitdrukking, waarmee Hij te kennen geeft, dat Hij lust heeft in die zedelijke- en plichts-vereniging van de gehoorzaamheid van het schepsel en de vergelding van loon, maar het geeft in het minst niet het voornemen of besluit Gods te kennen, dat iemand zal gehoorzamen, of dat allen zullen gehoorzamen, of dat niemand gehoorzamen zal. Wat de Arminianen zeggen van Christus’ voornemen, om voor allen te sterven en van het algemeen voornemen des Heeren, om elk en een ieder zalig te maken, namelijk, dat deze begeerten in God kunnen zijn, zonder dat iemand zalig wordt, en allen eeuwig kunnen verloren gaan, maakt van deze begeerten Gods iets, dat onredelijk, onwijs en waardeloos is. Daarentegen zeggen wij op goede gronden van Gods bereidwilligheid, voluntas signi geheten, dat die wil zijn volkomen en volslagen doel en einde zou kunnen bereiken, al zou geen mens noch engel gehoorzamen, indien niet met deze wil van God een andere wil en een eeuwig besluit en voornemen in God gepaard ging, om uit vrije genade in Zijn uitverkorenen te werken, wat de Heere in Zijn goedkeurende wil verlangt, en een ander besluit, waarin de Heere voorneemt, Zijn zaligmakende genade aan anderen, naar Zijn volstrekte vrijheid, te onthouden, die, aan de hardheid van hun harten overgelaten, vrijwillig ongehoorzaam zijn en de enige oorzaak zijn van hun verdoemenis. De Arminianen ontkennen, dat er twee zulke besluiten in God zijn, en willen alleen van zulke besluiten weten, van welke de uitvoering geheel van de vrije wil van mensen en engelen afhangt, zodat het zou kunnen zijn, dat al de besluiten Gods door mensen en engelen werden teniet gedaan en Hij daarin teleurgesteld kon worden. Alsof het arme, kortzichtige schepsel, en niet de soevereine Schepper, ze gemaakt heeft, en alsof de arme mens, in het uitvoeren van die raad, de heer en werkmeester van deze besluiten is. Wij verwerpen hun algemene voornemens en besluiten, om allen te verlossen en zalig te maken, waarvan zij zich ijdellijk inbeelden, dat die in God zijn, als strijdig (1) met Zijn wil, welke onwederstandelijk is, en zijn doel niet kan missen; (2) met Zijn onveranderlijkheid, welke niet genoodzaakt kan worden, een tweede haven aan te doen, omdat Hij de eerste niet kan binnenvallen; (3) met Zijn almacht, die niet kan weerstaan worden; (4) met Zijn gelukzaligheid, die niet kan derven, wat Zijn ziel begeert; (5) met Zijn wijsheid, om niet met zulke middelen een doel, dat Hij beoogt en met Zijn ziel begeert, aan te vatten, waarvan Hij voorziet, dat zij geheel vruchteloos zullen zijn en dat Hij daardoor nooit Zijn doel zal bereiken, en niet zulke middelen te gebruiken, waarvan Hij weet, dat zij onfeilbaar aan Zijn doel kunnen en zullen beantwoorden.
Deze begeerte van goedkeuring sluit overvloedig en voldoende de mond van degenen, die zich aan het Woord stoten, waartoe zij ook gezet zijn, en geeft voldoende de gewilligheid van Christus te kennen, om zondaren zalig te maken. Hij geeft in ontleende bewoordingen uitdrukking aan zijn begeerten (Deut. 5:29) "Och, dat zij zo’n hart hadden, om Mij te vrezen, en Mijn geboden te onderhouden!" (Ps. 81:14) "Och, dat Mijn volk naar Mij gehoord had, dat Israël in Mijn wegen gewandeld had!" Deze wens, zoals die betrekking heeft op het ongehoorzame Israël, is een beeld of overdrachtelijke spreekwijze, welke aan mensen ontleend is, maar toont anders hoe aangenaam voor God de plicht is, en welke verplichting op het schepsel rust. Hij geeft verder Zijn begeerte te kennen door vermaningen: (Ezech. 18:31) "Waarom zoudt gij sterven, o Huis Israëls? (vs. 32) Want Ik heb geen lust aan de dood des stervenden." En ook door Zijn roepen tot zondaren. (Spr. 1:20) "De opperste Wijsheid roept overluid daarbuiten, Zij verheft haar stem op de straten. Het Hebr. woord rinnah, geeft een krachtig en luid geroep te kennen, hetzij uit blijdschap (Ps. 81:3) of uit droefheid (Klaagl. 2:19), en dit drukt de begeerte van Christus uit, om zondaren zalig te maken.
6. Laat ons, om de grond en het getuigenis van Christus’ gewilligheid, om zondaren te trekken en zalig te maken na te gaan, de woorden van onze tekst slechts overwegen: "Ik zal ze allen tot Mij trekken". Het is alsof Hij wil zeggen: "Ik zal geen volk, noch enig mens, op grond van zijn nationaliteit uitsluiten. Het eerste verbond liet een grote uitzondering toe. Wat, is God een God van de Joden alleen? Is het aandeel van alle volkeren aan de hemel en de zaligheid afgesneden, behalve alleen in dat nietige hoekje en deeltje van de aarde, in dat gering kleine Judea?" Dit maakte, dat het Evangelie veracht en aan droevige, grove laster onderworpen was. Als het zo gelegen is, dan moet Christus wel nauw van ingewanden en karig, schriel en bekrompen in vrije genade zijn. O neen, Christus heeft ontferming over allen. "Ik zal ze allen tot Mij trekken", dat is, menigten van Joden en heidenen. Dat Christus, door Zijn dood, alle mensen, zonder uitzondering, trekt, is in strijd met de Schrift en de ervaring, doch Hij heeft een "allen", die Hij trekt. (Tit. 2:11) De zaligmakende genade van God is verschenen aan alle mensen [Gr. pasas anthropois]. Welke genade? De onderwijzende genade van God, welke ons onderwijst, te verwachten de zalige hoop en verschijning van de heerlijkheid van de grote God en van onze Zaligmaker, Jezus Christus. Het is zeker, dat dit het gepredikte Evangelie is. Nu is het geklank van het Evangelie, volgens de Schrift en de bevinding, wat ook de Arminianen toestemmen, in het minst niet aan alle kinderen Adams verschenen, dus moet Christus wel een ander "allen", een grote, talrijke menigte hebben, die Hij trekt en zaligmaakt; en dit zegt ons, dat Hij gewillig is, dat allen zalig worden en dat Zijn uitverkorenen zullen geloven. (Openb. 5:11) En ik zag, en ik hoorde een stem van vele engelen rondom de troon, en de dieren, en de ouderlingen, en hun getal was tienduizend maal tienduizenden en duizendmaal duizenden, zeggende met een grote stem "Het Lam is waardig." (Openb. 7: 9) Na deze zag ik, en ziet, een grote schare, die niemand tellen kon, uit alle natie, en geslachten, en volken, en talen, staande voor de troon en voor het Lam, bekleed zijnde met lange witte klederen, en palmtakken waren in hun handen. Weliswaar heeft Christus in burgerlijke vergaderingen en in gerechtshoven maar een klein aantal, doch Hij heeft een groot en talrijk zaad, en wanneer zij samenvergaderd zijn, zullen zij een schone, geliefde wereld zijn. In het Hebreeuws zijn "velen" en "groot" dikwijls een en hetzelfde. Evenals een robijn met duizend en een saffier met duizenden gewone stenen in waarde gelijk staat, zo heeft een heilige meer waarde dan tienduizend goddelozen, en dan moeten zij allen tezamen, een "allen", een "wereld", een "gehele wereld" van verlosten, van verborgenen (Ps. 83:4), van ‘s Heeren juwelen (Eng. Vert. Mal. 3:17: Te dien dage, wanneer Ik Mijn juwelen verzamelen zal) en van Christus’ kostelijken uitmaken. Zij zijn de bloem, de keur van het menselijk geslacht.
Christus is gewillig, alle bedenkingen, welke het ongeloof in het hart van de mens doet oprijzen, weg te nemen. Als:
1e "Kan God uit een vrouw geboren worden, niet om de engelen, maar om mensen zalig te maken?"
Gelooft het, zegt de Geest des Heeren, met een soort van eed, (Hebr. 2: 16) waarlijk Hij neemt de engelen niet aan, maar Hij neemt het zaad Abrahams aan. Struikelt er niet over, dat Christus Zijn liefde aan mensen en niet aan die van nature zoveel heerlijker schepselen, aan engelen, aan gevallen engelen betoont. Het is, om onze twijfelingen weg te nemen, dat van God verklaard wordt, dat Hij als een belovend God het verbond met een eed bevestigt. Christus is een met eden Verbondene. (Hebr. 6: 13) Als God Abraham de belofte deed, omdat Hij bij niemand, die meerder was, had te zweren, zo zwoer Hij bij Zichzelf. Het volk belasterde de Heere, dat Hij lust had, hen in hun ongerechtigheden te laten versmachten, dat Hij hen strafte, zonder dat zij schuldig waren. Zij zeiden: "De vaders hebben onrijpe druiven gegeten en de tanden der kinderen zijn stomp geworden." De Heere beantwoordt die laster in Ezech. 18 en 33, met: Zo waarachtig als Ik leef, Ik heb geen lust (zoals u lasterend en godslasterlijk beweert) in de dood des goddelozen; maar daarin heb Ik lust, dat de goddeloze zich bekere en leeft; Ik heb geen lust, onschuldigen, die niet gezondigd hebben, te straffen.
Een tweede bedenking is:
Of het hart van Christus wel vervuld is met een vurig voornemen of verlangen, om de mens zalig te maken; en of het voornemen, om zalig te maken, niet een voornemen is van gisteren.
Neen, zegt Christus, het is niet pas van gisteren, maar het is van eeuwigheid bij Mij. (Spr. 8) Voor de Heere zee en land schiep, (vs. 30) was Ik een Voedsterling bij Hem (als een Zoon bij Hem opgevoed). Ik was dagelijks (toen er dag noch nacht was) Zijn vermakingen, te aller tijd voor Zijn aangezicht spelende, spelende in de wereld Zijns aardrijks; en Mijn vermakingen zijn met der mensen kinderen. Twee woorden drukken de oude, eeuwige liefde van Christus tot mensen uit, (1) Zijn vermakingen zijn met de mensenkinderen. Evenals de vermakingen van Zijn Vader van eeuwigheid met Christus zijn, zo onthaalt Christus Zichzelf op Zijn gedachten van liefde tot, van vermaak in, en van vrije genade aan mensen. Hierin zijn voorzeker Farao, Judas en het gehele geslacht van de goddelozen niet begrepen en het is zeker niet zo’n liefde waardoor Christus Zich, indien het de vrije wil behaagde, nooit in een Adamskind zou verlustigen.
"Ik was," zegt Christus, "te aller tijd voor Zijn aangezicht spelende, spelende in de wereld Zijns aardrijks." Het Hebr. woord schahak is hetzelfde, dat in 2 Sam. 6:21, het dansen van David voor de Ark uitdrukt en in 1 Sam. 18:7, dat de vrouwen spelende elkaar antwoordden. Het is de juiste oplossing, van hetgeen iemand nieuwsgierig aan Augustinus vroeg, namelijk, wat de Heere deed voor de wereld er was en waarop deze ten antwoord gaf, dat Hij zich vermaakte in Zijn Zoon Christus en dat de gedachten over de Heere Jezus Hem in die lange, eindeloze eeuw verlustigden. Zij huppelden en brachten de tijd door met lieven van en verlangen naar de gemeenschap met verloren mensen. Zolang God God was, o, grenzeloze duur! was de Heere Jezus, in zekere zin, Zich vermakende in en verlangende naar het aanbreken van de dag van de schepping en naar Zijn tweede komst ten oordeel, de huwelijksdag van vereniging met zondaren. Christus was, als het ware, van eeuwigheid zwanger van oneindige liefde tot mensen en in de tijd, de volheid des tijds, vertoonde zich haar bloesem en kwam de vrucht voor de dag, in een verheven uitdrukking van liefde. De mannelijke Zoon, de liefde van Christus, werd geboren en kwam tot het licht, (Gal. 4:4; Tit. 3:4) toen de liefde van Christus rijp was, om de zaligheid-om-niet te baren. Eer, ere zij de Baarmoeder en de Vrucht!
Een derde bedenking is:
"Is het wel mogelijk, aangezien zondaren Christus zo slecht bejegend en Hem als Zijn vijanden getergd hebben, dat Hij, ziende hoe onverdienstelijk wij zijn, in de tijd, van harte voor mensen sterven en in ernst Zichzelf aan allen aanbieden kan? Het is te verstaan, dat God Zich ontfermt over het werk Zijner handen, maar niet, dat Hij zich over zondaren ontfermt."
Antwoord. Het is waar, dat het Evangelie in strijd is met de natuur en dat er geen artikel is, dat de vleselijk wijsheid meer dwarsboomt en overdwarst, dan dat van de toegerekende gerechtigheid. Het overdwarst de zedelijke wijsbegeerte zozeer, dat het veel gemakkelijker is, het opwekken van doden of het droog worden van de Rode zee te geloven, dan het Evangelie. Het Evangelie wordt geloofd om de wonderen, niet als oorzaken van, maar als beweegredenen tot het geloof en niet de wonderen om het Evangelie. Nu, indien wij eerst het Evangelie geloven om de wonderen, dan geloven wij natuurlijk eerder de wonderen, het vaneen scheiden van de Rode Zee en het opwekken van de doden, dan dat wij kunnen geloven, dat Christus gekomen is, om voor zondaren te sterven.
2. Overweegt met wat een krachtige bereidwilligheid Christus gestorven is. (Luk. 9:51) "En het geschiedde, als de dagen Zijner opneming vervuld werden, zo richtte Hij Zijn aangezicht, om naar Jeruzalem te reizen." Hij stelde Zijn aangezicht vast; Hij vervrijmoedigde Zich, naar Jeruzalem te gaan, om te lijden; Hij versnelde Zijn tred; Hij haastte zich, door krachtig liefdesvuur gedrongen, om Zijn bloed uit te geven. (Luk. 12:50). Ik moet met een doop gedoopt worden en hoe wordt Ik geperst, [Gr. kai pos synechomai] (of zoals het woord in Luk. 19:43 gebruikt wordt, "hoe wordt Ik geboeid of belegerd") totdat het volbracht zij.
3. Waarom zou Christus liegen en Zich anders voordoen, dan het was? Waren Zijn sterven, bloed zweten, bloed storten, pijn, droefheid en schande, niets dan een schone uitstalling op de markt, om het volk in te pakken? (Jes. 53:4) "[Hebr. achen] Waarlijk, Hij heeft onze smarten gedragen."
4. Zijn aanbod moet echt zijn, want (Joh. 7:37) Hij sprak met vurigheid. "[Gr. eisteke kai ekraxe] Jezus stond in de tempel en riep, zeggende: "Zo iemand dorst, die kome tot Mij en drinke." Hier is een dierbare Bron voor alle dorstige zielen, geheel om niet. Christus dorst en verlangt, dat dorstige zondaren zullen komen, om gratis te drinken.
"Doch ik twijfel of Hij mij in het bijzonder welwillend gezind is; zijn de beloften aan mij gedaan? Heeft Hij mij liefgehad eer de wereld was? Bedoelde de dood van Christus de zaligheid wel voor mij?"
Deze twijfeling brengt ons vanzelf tot het vijfde punt, (opdat ik mij haaste, om tot de gebruiken te komen) namelijk, welk soort geloof het is, dat God eist van allen, die in de zichtbare Kerk zijn, om het gemis waarvan de verworpenen veroordeeld zijn.
I. Het zaligmakend geloof, dat van allen in de zichtbare Kerk vereist wordt, is niet, zoals de Antinomianen dat verstaan, de bevatting van de eeuwige verkiezende liefde Gods tot heerlijkheid van allen, aan wie geboden wordt te geloven. Saltmarsh zegt ons in een onkundige, verwarde verhandeling: "Geloven is enkel het werk van het evangelie, — dat is, dat u daarvan overreed wordt, dat Christus voor de zonden en voor uw zonden gekruisigd is — zodat de zaligheid niet iets is van ons werken en doen, want het is door Christus bij de Vader gedaan, — al ons werk is geen werk ter zaligheid, maar met de zaligheid ontvangen wij alles, niets doende, om meer te ontvangen, doch doende, omdat wij zoveel ontvangen en omdat wij zaliggemaakt zijn en nochtans moeten wij zoveel werken, alsof wij moesten zaliggemaakt worden, door hetgeen wij doen, omdat wij, door hetgeen reeds voor ons gedaan en het onze is, zoveel moesten doen, alsof wij het ontvangen, om hetgeen wij zelf gedaan hebben." "Zo is hier, zegt Saltmarsh, kort werk: "Gelooft en wordt zalig" .... (pag. 193, 194) "Deze gronden zijn er nog, waarom het zaligmaken zo spoedig gebeurd is. (1) Omdat het tevoren als door Christus gedaan is, maar door u niet eerder dan nu geloofd is. (2) Omdat het de Evangelische bedeling is, de zaligheid in Christus te verzekeren en over te dragen aar een ieder, die het wil geloven. (3) Aan onze zijde is anders niet nodig, om de zaligheid te werken en ons die te waarborgen, dan overreed te zijn, dat Jezus Christus voor ons gestorven is, omdat Christus geleden heeft en God bevredigd of voldaan is; lijden toch en voldoening is het grote werk van de zaligheid." Als hij (pag. 199—202) op zich neemt de geschillen met de Arminianen, omtrent de uitgestrektheid van de vrije genade, te beslissen, nl. of Christus voor allen gestorven is, (in welke zaak ik het waag, zijn onschuld te verdedigen, dat hij er zich niet aan schuldig gemaakt heeft, te diep op de kwestie in te gaan) wil hij aan de Gereformeerde Kerken van Protestante godgeleerden toeschrijven, dat wij dit als een redelijke weg van de rechtvaardigheid stellen: "dat God zuiver willekeurig de mensen verdoemen wil, omdat Hij dat wil, zodanig, dat God iedereen onder een staat van verlossing en een vermogen ter zaligheid gesteld heeft, en dat de mensen niet verdoemd worden door hun eigen wil, maar door Gods wil." Deze mening is door de Arminianen toegedicht aan dat Apostolisch licht van de Kerk van Christus, die uitstekende godgeleerde Calvijn, en Saltmarsh wil hen blijkbaar steunen, opdat men hem met anderen, als een ster van niet onbelangrijke grootte aan het uitspansel, zou beschouwen.
"Doch, zo zegt hij, (pag. 202, 203) de andere weg is, dat Christus alleen voor de Zijnen stierf, maar aan allen wordt aangeboden, opdat de Zijnen, die onder die allen zijn, zouden geloven en dat, hoewel Hij niet voor allen gestorven is, nochtans niemand wordt uitgesloten (dit is, volgens zijn zeggen, dat allen, aan wie Christus gepredikt wordt, hetzij uitverkorenen of verworpenen, overreed moeten worden, dat Christus voor hen in het bijzonder gestorven is) en toch niemand wordt aangenomen dan zij, die geloven, en niemand gelooft dan zij, aan wie het geschonken wordt." En verder nog enige van zijn droombeelden aangaande deze geschillen aangetoond hebbende, sluit hij met een waarheid, welke ik zonder moeite geloven kan, zeggende: "Zo heb ik dan, hoewel met veel zwakheid, de verborgenheid ontsloten." Wel zwakjes, doch gewillig en vermetel!
(1) Het geloof is echter formeel niet een zodanige overreding, "dat iemand overreed wordt, dat God iedereen met een eeuwige liefde liefheeft, en dat iedereen in Christus uitverkoren en verlost is", want dat zou het gehele Evangelie in een leugen veranderen en Christus stelt niemand onder de verplichting, een leugen te geloven. Nu wordt allen bevolen, in de Zoon van God te geloven, maar God heeft niet beiden uitverkorenen en verworpenen, van welke beide soorten er zich in het net des Koninkrijks bevinden, lief met een eeuwige liefde en Christus is niet voor die allen gestorven/
(2) Het is zuivere vermetelheid en geen geloof, wanneer alle huichelaars, vleselijke mensen, slaven van hun begeerlijkheden, afgodendienaars en gierigaards, zo blijvende en nooit door enigerlei wetswerk verbroken zijnde onmiddellijk zouden geloven, dat Christus hun Zaligmaker is en voor hen gestorven is, en dat de Vader hen, eer de wereld: was, tot de zaligheid heeft liefgehad Het is waar, dat iemand, voordat hij gelooft, geen vergeving ontvangt en een goddeloos, schuldig zondaar is, maar dat zo iemand, voor hij gelooft, (ik spreek van de orde van de natuur) onverbroken en onveranderd is, is even onmogelijk. als dat een doorn vijgen zou kunnen voortbrengen, want dan zou hij geloven zonder een nieuw hart te hebben, dat het enige beginsel van het geloof is.
(3) Het is een veel edelmoediger mening, al bevat zij geen waarheid, dat Christus voor alle mensen gestorven is, dan te stellen, dat Hij alleen voor de uitverkorenen gestorven is, en nochtans, gelijk de Antinomianen doen, de mensen, tegen beter weten in, voor te houden, dat zij moeten geloven, dat Hij voor allen gestorven is, die verplicht zijn, te geloven.
(4) Die niet gelooft, maakt God tot een leugenaar. Nu, dan moet ook, hetgeen geloofd moet worden, een Evangelische waarheid zijn.
(5) Het geloof verbindt allen, die in de zichtbare Kerk zijn, tezamen gevoegd te zijn in de liefde, en dat tot allen rijkdom van de volle verzekerdheid des verstands, tot kennis van de verborgenheid Gods, en des Vaders, en van Christus (Kol. 2:1, 2); overtuigd te zijn, dat niets ons kan scheiden van de liefde Gods in Christus (Rom. 8: 37-39); ten volle verzekerd te zijn, (Hebr. 10) zonder weifeling of vermindering en zonder in te buigen als een aangestoten muur. Het is toch zeker, dat allen in de zichtbare Kerk, die, hetzij verworpenen of uitverkorenen, het gebod ontvangen, om te geloven, niet verplicht zijn, ten volle verzekerd te zijn, dat zij in Christus tot de zaligheid uitverkoren en door Zijn bloed verlost zijn.
II. Het voorwerp van het zaligmakend geloof, dat van allen, die in de zichtbare Kerk zijn, vereist wordt, is, (1) Christus’ getrouwheid in het zaligmaken van de gelovigen. (Hebr. 10:23) (Eng. Vert.) "Laat ons de belijdenis van ons geloof zonder wankelen vasthouden," hetgeen de apostel onderschraagt met een argument, waarop het zaligmakend geloof moet leunen, "want die het beroofd heeft is getrouw." En Paulus dringt (in 1 Kor. 1:9) hetzelfde aan: "God is getrouw, door welke gij geroepen zijt, tot de gemeenschap Zijns Zoons Jezus Christus, onze Heere."
Wij lezen, noch in het Oude-, noch in het Nieuwe Testament, dat het besluit of het voornemen Gods, om bepaalde personen zalig te maken en te verlossen, het voorwerp is van dat zaligmakend geloof, dat in het Evangelie vereist wordt. Het tweede voorwerp toch van dit geloof is de waarheid en goedheid van die moeder-belofte van het Evangelie, (Joh. 3:16 en 5:25) dat Evangeliegetuigenis, (1 Joh. 5:10-12) dat die gelooft het eeuwige leven heeft en dat Jezus Christus in de wereld gekomen is, om zondaren zalig te maken (1 Tim. 1:15), om te zoeken en zalig te maken wat verloren was (Luk. 19:10). Dat Hij gekomen is, om mij in het bijzonder zalig te maken, wordt door het verlicht verstand verstaan, niet door het geloof, want de verkiezing van mijn persoon, bij name, tot heerlijkheid en het voornemen des Heeren, om voor mij te sterven, is noch belofte, noch voorschrift, noch bedreiging, welke de bestanddelen van het Evangelie zijn. Indien het een verhaal is, dat ik geloven moet, het is goed, toon mij dan verhalen van bepaalde mensen, welk ik nu geloven moet, uitgezonderd dat van de Antichrist en van de tweede komst van Jezus Christus, om de wereld te oordelen. De verkiezing tot heerlijkheid wordt niet voorgesteld als een belofte: "Doe dit, en gij zult tot heerlijkheid uitverkoren worden", noch wordt het tegenovergestelde als een bedreiging voorgesteld: "Indien gij niet gelooft, zult gij verworpen worden. "De Heere gebiedt mij ook niet, in Christus tot zaligheid uitverkoren te zijn van voor de grondlegging der wereld, noch ook gebiedt Hij alle mensen in de zichtbare Kerk, te geloven, dat zij uitverkoren zijn tot zaligheid of dat enig uitverkorene iets, als geopenbaard, geloven moet, dat niet geopenbaard is. Wanneer het Hem behaagt, een uitverkorene de witte keursteen met de nieuwe naam te geven en hem geloof te schenken, waardoor hij Christus tot zijn deel kiest, dan, en eerder niet, moet hij geloven, of liever, door geestelijk verstand verstaan, dat hij van eeuwigheid tot de zaligheid is uitverkoren. De verkiezing is dus noch een gebod, noch een belofte, maar een waarheid van Gods genadige wil en welbehagen, welke in Gods hart verborgen is, tot het Hem belieft, die uit haar vruchten te openbaren.
Er kan in de wereld niet zo’n dubbelhartigheid zijn, als waarvan de Arminianen God betichten. Zij laten toch de Heere aldus spreken, gelijk men zich kan indenken, dat een koning tot twintigduizend gevangenen spreekt: "Ik heb een welbehagen, een plan, een hartelijk voornemen en een ernstige begeerte, u allen, hoofd voor hoofd, tot vrije prinsen te maken. Ik verlang van u en verzoek, bid en smeek u daarom, dat u daartoe dit genade-besluit wilt ondertekenen, doch Ik alleen kan uw hand besturen in het schrijven, u ogen geven, om te zien, en u een gewillig hart schenken, om uw toestemming te geven tot uw zaligheid, en indien u weigert, het genade-besluit te tekenen, zult u eeuwig gepijnigd worden in een poel van vuur en sulfer. Nog eens: "Ik heb een gelijk welbehagen in Mijn rechtvaardigheid, en heb voorgenomen, het ontwerp zo uit te voeren, dat zestienduizend van u die weldaad van de hulp van Mijn hand of ook maar van een vinger, om uw hand in het schrijven te besturen, niet zullen ontvangen, noch enigerlei krachtige beweging, om op uw wil te werken, om uw toestemming te verkrijgen, het besluit te ondertekenen, ja, integendeel, hoewel Ik uit alles te boven gaande grote en vrije liefde, wil, voorneem, besluit en ten doel heb, dat u allen prinsen der heerlijkheid zult zijn, nochtans is Mijn voornemen, dat deze zestienduizend, van welken de behoudenis en zaligheid Ik ten hoogste begeer, wegens hun voorgaande rebellie, welke Ik, en Ik alleen, met gelijke begeerte van Mijn Geest kon hebben weggenomen, nooit zullen bewogen worden, hun toestemming te geven aan dit genade-besluit." Heeft dit wel veel van een welbehagen in mensen? Moet men niet eerder zeggen, dat deze Vorst het verderf van deze zestienduizend wil en dat Hij hun eer.en hun geluk niet begeert?
III. Dit is de verborgenheid van het Evangelie, waarin ik mijn onwetendheid moet belijden, en dat de gedachten des Heeren niet onze gedachten en Zijn wegen niet onze wegen zijn,—dat Hij, door de prediking van het Evangelie, duizendmaal duizenden in de zichtbare Kerk, willen zij zalig worden, tot de plicht verbindt, om Christus getrouw achteraan te kleven en met het hart in Hem te rusten door het geloof en dat de Heere, die het alleen doen kan, nochtans nooit heeft voorgenomen, hun harten, tot dat hartelijk vertrouwen in Christus,. door het geloof, te bewerken en nooit wegneming of vergeving van zonden voor hen heeft verworven.
Vraagt iemand, hoe Christus hen naar recht kan oordelen en veroordelen voor hun niet geloven van de vergeving en zaligheid in Zijn bloed, wanneer toch, noch vergeving, noch zaligheid in Zijn bloed, voor hen verworven zijn, noch het voornemen bij Hem is, hun het geloof te schenken, dan zeggen wij, dat wij het nochtans voor de Heere kunnen opnemen. Wij stellen ons het besluit Gods voor als getuigende van diepe wijsheid en list en als een strik, die voor ons gespannen is, echter zo, dat de Heere niet als ligt te loeren op onze ondergang en dat Hij daarmede geen verborgen voornemen bevordert, om met het Evangelie mensen te verderven. Indien Christus in de geboden beloften of bedreigingen van het Evangelie zou zeggen: "Ik besluit, bedoel en neem Mij voor, alle mensen te verlossen, doch Mijn doel is, het voornemen zo uit te werken, dat het merendeel van de mensen onvermijdelijk zal verloren gaan", dan zou dit een list zijn; doch het Evangelie, als Evangelie, openbaart geen besluit of voornemen Gods, aangaande de zaligheid of verdoemenis van mensen, krachtens een voornemen van eeuwigheid. Waarlijk, het Evangelie, als gehoorzaamd of niet gehoorzaamd, openbaart wel Gods voornemens en besluiten, doch het Evangelie op zichzelf openbaart niets, dan dat de Heere Zijn goedkeuring hecht aan en behagen schept en lust heeft in het lieflijk verband, dat er tussen het geloof en de zaligheid is, en in de rechtvaardige aaneenschakeling van ongeloof, ongehoorzaamheid en eeuwige verdoemenis. Zo openbaart het Evangelie wel de plichten, maar niet, welke personen zaliggemaakt of verdoemd zullen worden, maar het werk des Heeren door het evangelie of de uitwerking van het Evangelie, dat geheel iets anders is, openbaart wie de personen zijn.
De moeilijkheid ligt nu hierin, hoe de Heere de verworpenen kan gebieden, het leven en de zaligheid in Christus te geloven, terwijl er leven noch zaligheid voor hen voorgenomen, noch verworven is.
Hierop antwoord ik: God gaf alle engelen, die in de waarheid geschapen zijn, een wet, luidende: Indien gij in de waarheid blijft, zult gij eeuwig zalig zijn. Men kan niet zeggen, dat de engelen, die gevallen zijn, toen moesten geloven, dat God voorgenomen en besloten had, dat zij eeuwig zalig zouden zijn, en dat zij krachtdadige genade zouden ontvangen, waardoor zij met hun mede-engelen, die niet gevallen zijn in de waarheid zouden blijven. Gods gebod en belofte openbaarden zo’n voornemen Gods niet.
Zo zeide de Heere tot Adam en al zijn zaad: "Indien u de wet volmaakt houdt, zult u het eeuwige leven hebben," overeenkomstig het woord: "Doe dat en gij zult leven". Echter moest Adam toen, veel minder zij, die nu onder de wet zijn, niet geloven, dat God hen van eeuwigheid tot het eeuwige leven, langs wettische weg verkregen, verordineerd had of dat ooit iemand uit de werken van de wet zou gerechtvaardigd worden.
De Arminianen zeggen ons, dat menigten in de zichtbare Kerk rechterlijk verblind en verhard zijn, die niet kunnen geloven en die de Heere tot het verderf bestemd heeft. Toch wordt hun het Woord gepredikt en zij horen de beloften en bevelen van het Evangelie. Moeten die mensen geloven, dat God van eeuwigheid heeft voorgenomen, hen zalig te maken en hun genade te schenken, om te geloven? Ik oordeel van niet. Zij leren toch, dat Christus, voor de ongelovige en hardnekkige wereld als zodanig, nooit bidt, noch voorgenomen heeft voor hen te sterven, noch haar zaligheid heeft besloten. En wanneer de mensen geen recht hebben, de woorden van Gods Geest een zin te geven overeenkomstig hun verbeelding, waar wordt hun dan geleerd het woord "wereld" wanneer het in hun kraam te pas komt, voor het gehele menselijke geslacht, en wanneer het hen niet dienen kan, voor het kleinste deel van de mensen te verklaren, en dan nog, of alleen in de zichtbare kerk, of ook daarbuiten? In beide toch beslaat de wereld van Satans ongehoorzamen verreweg de grootste plaats, want de gehele wereld, zegt Johannes, ligt in het boze. Laat men ook bedenken, dat, wanneer de Arminianen zeggen, dat het Lam Gods de zonden van de wereld, dat is volgens hen, van alle mensen, wegneemt, zij bedoelen, dat Christus de zonden van de rebellige wereld niet wegneemt, noch daarvoor Zijn bloed stort. Nu, dan moet de rebellie, de weerbarstigheid en de ontrouw jegens Christus van de wereld, zonder bloedstorting vergeven worden, en indien Christus al de zonden van de wereld voorwaardelijk, en geen ervan volstrekt, op het kruis gedragen heeft, dan moet ons geloven de enige naastbijzijnde oorzaak van de voldoening voor de zonden zijn. Doch wat dan, indien Christus aan het kruis, voor de volslagen onboetvaardigheid en de volharding in het ongeloof van de rebellige wereld, voorwaardelijk voldaan heeft, zo zij geloven en niet rebellig zijn. De Arminianen moesten liever rechtuit zeggen, dat Christus voor de rebellige en weerspannige wereld gestorven is en dat Hij voor de weerspannige wereld, als zodanig, bidt, doch voorwaardelijk. Want Hij bidt en sterft, volgens hen, voor de niet rebellige wereld van alle stervelingen, niet volstrekt maar voorwaardelijk, zo zij in Christus geloven; dus, indien zij niet geloven, zijn noch de gebeden, noch de dood van Christus voor hen van meer kracht dan voor de duivelen.
Hieraan kunnen wij nog toevoegen, dat de Heere, met verworpenen te gebieden, in Christus ter zaligheid te rusten, hoewel geen zaligheid voor hen verworven is, daarin oprecht en openhartig met hen handelt, want, ten eerste, Hij gebiedt hun niet, te geloven, dat God voorgenomen heeft hen door de dood van Zijn Zoon zalig te maken, ook zegt Hij hun nergens iets dergelijks, maar Hij gebiedt hun alleen, op Christus als een algenoegzame Zaligmaker te bebouwen. Ten tweede: God gebiedt alle verworpenen, en dat overeenkomstig hun eigen opvatting, te geloven, dat Christus met Zijn dood hun zaligheid, rechtvaardigmaking en bekering bedoeld heeft en nochtans, terwijl God krachtdadige wegen houdt, nl. zulke, waarvan Hij voorziet, dat zij de rechtvaardigmaking, bekering en verheerlijking van sommigen uit zullen werken, zijn het zulke wegen, waarvan Hij weet, dat zij niets zullen uitwerken tot de zaligheid, rechtvaardigmaking en bekering, van de verworpenen. Toch gebiedt Hij de laatste te geloven, dat Hij hun zaligheid en bekering met niet minder vurigheid van ernstige genegenheid besluit en voorneemt, dan dat Hij de zaligheid en bekering voorneemt van allen, die verheerlijkt zullen worden. Dit zouden wij in mensen zeker dubbelhartigheid noemen, doch de Schrift zegt, dat God waarheid is (Deut. 32) en dat de Heere niet kan liegen.
Tegenwerping. Indien een rijke herbergier in zijn land een waterput zou graven voor alle reizigers, die dorstig en ongesteld bij hem in kwamen, en dat het water uit de put krachtig was tot genezing en tot lessing van de dorst, en hij alle reizigers uitnodigde, te komen drinken en genezen te worden, onder voorwaarde, dat zij zouden geloven, dat de kracht van het water zodanig was, en dat hij nochtans beslist en onherroepelijk zou besloten en voorgenomen hebben, dat een tiende deel van de genodigden nooit zou genezen worden, dan zou die herbergier niet oprecht met hen handelen. Zo ook laat u God met zondaren handelen in de nodiging van het Evangelie. Hij doet in het nodigen van kranke zondaren, om tot Christus te komen en uit Hem, de Fontein des levens, het leven en de zaligheid te drinken, alles, wat bij mensen, die spreken zoals zij denken, hun oprecht voornemen te kennen geeft, maar Hij neemt Zich niet voor, datgene te doen, waartoe Hij nodigt.
Antwoord. Men moet de gelijkenis voorstellen, zoals het behoort, en zij zal meer bewijzen tegen de Arminianen dan tegen ons. Zegt, dat deze waard heerschappij heeft over het hart en de wil, zoals dat bij de Heere is, (Spr. 21:1; Ps. 119:36, 37; Hebr. 13:20, 21; Matth. 6: 13) en dat hij, zonder het hart te dwingen, in alle reizigers een gevoel van hun krankheid, en genade, om werkelijk te komen en te drinken, in het hart kan werken en ook werkt, doch, dat hij met de zielen van slechts enkelen zo handelt, dat hij maakt, dat zij tot de wateren komen, en drinken en gezond worden, en dat hij de wil van verreweg de meesten onder zulke middelen brengt en zodanig bewerkt, dat zij nooit zullen komen en nooit hun krankheid zullen gevoelen, en dat hij hen nochtans nodigt, tot de wateren te komen en te drinken. Het is duidelijk dat deze waard nooit de gezondheid van alle reizigers bedoelde, maar alleen van die enkelen, die komen en drinken. Ook wijzen de uitnodigingen van mensen onder zekere voorwaarde, welke de genodigden verplicht zijn te verrichten, doch dat zij nooit doen, en welke de nodiger alleen uit genade in de genodigden kan werken, doch nooit in hen werkt, omdat hij daartoe niet verplicht is, niet op zo’n voornemen.
Laat het verder overwogen worden, (1) dat God hier niet op iemands verderf ligt te loeren. (2) God is niet verplicht, Zijn eeuwige voornemens omtrent de zaligheid en verdoemenis van de mensen te openbaren, dan in zo’n weg en op zo’n wijze als Hem het best dunkt. (3) God zegt nergens in het gehele Evangelie, dat Hij van eeuwigheid besloten heeft, alle mensen zalig te maken, indien zij willen, en hun de vrije teugel te laten, opdat zij geheel naar vrije verkiezing over hemel of hel zouden kunnen beschikken. (4) Het Evangelie zou ook niet met zo’n wijsheid gesteld zijn, indien de Heere de namen van alle uitverkorenen en verworpenen in de wereld, elk afzonderlijk, had ternedergesteld, en de zaligheid op voorwaarde van gehoorzaamheid en geloof aan slechts enkelen had aangeboden; dat zou ongetwijfeld in de harten van duizenden harde gedachten van Christus verwekt hebben.
IV. Het derde voorwerp van het geloof is de genoegzaamheid en de macht van Christus, om zalig te maken.
De Schrift leert ons, dat het voorwerp van het komen, dat is van het geloven, (Joh. 5:40; Joh. 6:35; Matth. 11:24) de bekwaamheid en macht van Christus is, (Hebr. 7:25) om volkomen zalig te maken degenen, die door Hem tot God gaan, alzo Hij altijd leeft, om voor hen te bidden. Alles, waartoe de Schrift ons aanzet, wat wij zaligmakend moeten geloven, dat moeten wij van nature geneigd zijn, niet te geloven, en om het niet geloven daarvan zijn de verworpenen veroordeeld, niet omdat zij des Heeren voornemen, om allen zalig te maken, of Zijn besluiten van verkiezing en verwerping niet geloven. De Schrift dringt aan, dat het geloof in de macht van barmhartigheid ligt. (Rom. 4:21) Abraham heeft niet getwijfeld, maar is gesterkt geweest in het geloof, gevende God de eer, ten volle verzekerd zijnde, dat hetgeen beloofd was, Hij ook machtig was te doen. Abraham nu wordt geprezen, omdat hij zaligmakend en tot zijn rechtvaardigmaking, de macht Gods, volgens de Evangelie-belofte, geloofde, dat God machtig was, hem, naar Zijn barmhartigheid, op zijn oude dag, de zoon van de belofte te geven. Anders is eenvoudig te geloven, dat God machtig is, ene moeder, die de natuurlijke tijd van kinderen te krijgen gepasseerd is, een kind te geven, niets dan het wonderen-geloof, dat op zichzelf niet zaligmakend is, en in de werkers van de ongerechtigheid kan voorkomen (Matth. 7:21, 22). Deze macht is dus de macht, om zalig te maken, tezamen met de barmhartigheid en de welwillendheid van Christus.
De Schrift stelt aan ons geloof de macht Gods voor, de Joden in Christus weer in te enten (Rom. 11:23); een zwakgelovige vast te stellen (Rom. 14:4); de heiligen van struikelen te bewaren (Jud. 10:24) en hen onstraffelijk te stellen voor Zijn heerlijkheid in vreugde.
Het goede land was een voorbeeld (Hebr. 4:1) van de hemelse rust, en sommigen (Hebr. 3:19) hebben niet kunnen ingaan vanwege hun ongeloof. Hoe, welk ongeloof? De geschiedenis toont ons aan, (Ps. 95:7; Num. 14:9; Num. 13:28) dat zij twijfelden aan de macht van God en dat zij het verslag van de ongelovige verspieders geloofden, die zeiden: "Het is een sterk volk, dat in dat land woont, en de steden zijn vast en zeer groot, en ook hebben wij daar Enaks-kinderen gezien," terwijl Jozua en Kaleb zeiden: "Zij zijn ons brood, wij behoeven hun kracht niet te vrezen." Het ging er dus over, of God machtig was, hun dat goede land te geven. De mensen gaan dus niet in de hemelse rust in, omdat zij niet geloven, dat Jezus volkomen kan zaligmaken degenen, die door Hem tot God gaan. (Hebr. 7:25).
De Schrift maakt er evenveel werk van, om de algenoegzaamheid, macht en volkomenheid van Christus, onze Zaligmaker, om zalig te maken te bewijzen, als om Zijn goedertierenheid en welwillendheid om zalig te maken aan te tonen. Zo arbeidt de apostel in de brief aan de Hebreeën krachtig, om de Godheid van Christus, Zijn uitnemendheid boven de engelen, en dat die Hem moeten aanbidden te bewijzen; alsmede Zijn waardigheid en grootheid boven Mozes en alle sterfelijke en stervende Priesters; de kracht van Zijn bloed, boven dat van alle stieren en bokken, om het geweten te reinigen van dode werken; de zonde uit te delgen; Zijn volk te heiligen; een weg, een verse en levende weg tot het heiligdom te openen door Zijn bloed, opdat wij met volle verzekerdheid tot God mogen toegaan; dat Hij met één offerande, die nooit weer herhaald behoeft te worden, gedaan heeft, wat duizenden telkens herhaalde offeranden niet konden uitwerken; dat Hij geen Priester is, die door de dood wordt weggenomen, maar dat hij altijd leeft, om aan de rechterhand des Vaders voor ons te bidden. En waartoe anders is dit alles, dan opdat wij de algenoegzaamheid van Christus, om zalig te maken, zouden geloven en omdat wij zulke geringe gedachten van Christus hebben, dat wij menen, dat Hij maar een mens is, of minder dan een engel, of maar een gewoon priester, die ten opzichte van de vergeving van de zonden, door zijn bloed niet meer kan uitrichten, dan priesters, die door de dood worden weggenomen, door het bloed van beesten konden uitwerken; en dat Hij gestorven is en nu, als wij zondigen, geen voorspraak aan de rechterhand Gods voor ons zijn kan, en dat de verlossing, welke Hij teweeggebracht heeft, niet eeuwig is. Ja, dit alles getuigt ons, dat het zaligmakend geloof op Christus als God betrouwt, als op Hem, Die machtig en in elk opzicht volkomen genoegzaam is, om zalig te maken, hoewel zondaren in de formele daad van het geloof niet Zijn welbehagen, besluit en voornemen, om hen bij name zalig te maken, geloven.
Naar mijn gedachten hebben zij, die hoge en kostelijke gedachten van de genade, goedertierenheid, volkomenheid en genoegzaamheid van Christus hebben, om zalig te maken, allen, die geloven en betrouwend op Christus steunen, als op een Zaligmaker, die tot het werk van de verlossing verzegeld is, al kennen zij Gods voornemen niet, ten opzichte van hun eigen zaligheid in het bijzonder, zo’n geloof als het Evangelie vermeldt, en geloven die zaligmakend, dat Christus gekomen is, om zondaren zalig te maken; om te zoeken en zalig te maken, wat verloren was; dat Christus de Zoon des levenden Gods, de Zaligmaker van de mensen is. Geen duivel, noch tijdgelovige, noch huichelaar kan hiertoe komen.
1e Tegenwerping. "Maar ik geloof niet, dat ik in het bijzonder verlost ben, en zonder dat ben ik een vreemdeling van Christus. Duivelen en verworpenen kunnen toch ook de algemene beloften van het Evangelie geloven."
Antwoord. Het is waar, dat u in die daad niet formeel gelooft, dat u in het bijzonder verlost bent, doch in werkelijkheid en bij zuivere gevolgtrekking gelooft u wel, dat u in het bijzonder verlost bent, en bent u dus geen vreemdeling van Christus.
Het is waar. dat de duivelen en de verworpenen de algemene beloften, als waarheden, verstandelijk kunnen toestemmen, maar ik ontken, dat zij er, als goed en als in elk opzicht waardig omhelsd te worden, op betrouwen kunnen; of dat zij met hun hart en hun genegenheden het gewicht en de last van hun ziel aan deze algemene beloften kunnen toebetrouwen; of dat hun zielen iets van de honing en de zoetigheid van Christus in deze beloften zullen proeven, zoals dat bij die zielen is, die vertrouwend op Christus in die beloften rusten.
2e Tegenwerping. "Veronderstelt, dat ik een schip weet, en dat er een aanbieding is, met dat schip allen naar een land des levens te voeren, waar de mensen nooit ziek zijn, nooit sterven, waar het altijd zomer en altijd dag is, waar altijd vrede en overvloed is, en dat onder voorwaarde, dat ik de bereidwilligheid van de kapitein zal geloven, om mij naar dat land over te voeren. Indien ik zijn welwillendheid tot mijn persoon niet weet, dan heb ik geen grond, te geloven, dat ik ooit dat goede land genieten zal. Nu, zo is het hier ook, indien ik niets weet van Christus’ welbehagen tot mij, hoe kan ik dan geloven, dat Hij mij in het hemels Kanaän zal brengen?"
Antwoord. U veronderstelt, wat juist het punt in kwestie is, dat overreed te zijn van de bereidwilligheid van Christus, de Eigenaar van het schip, u in het bijzonder over te brengen, de voorwaarde is, waarop Hij dat doen moet, doch dat moet nog bewezen worden. Er is geen andere voorwaarde dan, dat u zich verlaat op Zijn welwillendheid, om allen over te voeren, die zo op Hem betrouwen; dat is alles.
3e Tegenwerping. "Maar ik kan niet geloven."
Antwoord. U moet juist geloven, dat u uit uzelf en door eigen kracht niet kunt geloven. U bent er niet verder om van Christus af, dat u zo onbekwaam bent in uzelf.
4e Tegenwerping. "Het is troostelijk, dat Christus, de Heelmeester, gekomen is, om de zieken gezond te maken; doch wat helpt dat mij, die niet ziek is, noch, zover ik weet, tot het getal behoor van die zieken, voor welke Christus gekomen is, om die gezond te maken!"
Antwoord. Het is zo, dat baat u niets, dat Christus gekomen is, om de zieken gezond te maken. Het is echter zeker, dat u de kwaal van de zonde onderhevig bent, en u hebt niets nodig, dan dat de Geest u door de wet uw verloren staat doet zien en dat u het Evangelie-aanbod overweegt en dat vergelijkt met uw staat, maar, dat u twijfelt, of u een van die zieken bent, waartoe Christus gekomen is, om die te genezen, is geen gewettigde twijfeling, en dat is niet van God, want wie dat zijn, en of u een van die bent of niet, is een verborgenheid van de verborgen raad van de verkiezing tot heerlijkheid. Er staat tegenover, dat u ook niet zeker weet, dat u er niet een van bent, dat u er buitengesloten bent, en dat is voor u voldoende, om Christus bereidwillig te achten, ook al zou Hij van de hemel spreken, dat u geen kind bent.
5e Tegenwerping. "Ik zal nooit grond van verzekering hebben, Christus’ bereidwilligheid te geloven, noch hoop of bemoediging kunnen putten uit het Evangelie, het verbond of de beloften, indien Christus slechts voor sommigen uitverkorenen, die volstrekt tot heerlijkheid verkoren zijn, gestorven is, want zoals u het voorstelt moet alles op twijfelachtige, hopeloze, droevige en troosteloze gronden vastgesteld worden, als volgt:
"Zij voor wie Christus Zijn leven heeft afgelegd en die grond van verzekering, van hoop en van vertroosting in de dood van Christus en in de Evangelie-beloften hebben, zijn niet alle mensen en alle zondaren, maar alleen een paar handvollen bij name genoemde uitverkorenen, zoals Abraham, David, Petrus, Maria, Hanna, enz., niet één meer, en geen anderen. "
"Doch ik ben één van die paar handvollen die bij name uitverkoren zijn, ik ben van dat getal van Abraham, David, Petrus, Maria, Hanna enz.; daarom heb ik grond van verzekering, van hoop en van vertroosting in de dood van Christus en in de beloften van het Evangelie."
"Nu, het voorstel is zwakjes, en niet moedgevend, en een zeer hopeloos veld voor allen, die in de zichtbare Kerk zijn, en de aanneming, dat het zo is, is voor het merendeel van de mensen blijkbaar vals, omdat velen geroepen, maar weinigen uitverkoren zijn, en zo zal de sluitrede het grootste deel van de mensen aanleiding geven tot een veld van troosteloos en hopeloos ongeloof en twijfelen, ja tot wanhoop, terwijl daarentegen de leer van het welbehagen van de Heere, om alle mensen zalig te maken en allen te verlossen en in Christus met allen een verbond te maken, alle grond van ongeloof en twijfel voor een ieder opruimt en aan allen een grond van geloof, hoop en vertroosting in het Evangelie en van vrede geeft."
Antwoord. 1e Wij zullen overwegen welke zekerheid en verzekering van het geloof de Arminianen aan alle mensen uit het Evangelie verschaffen.
2e Wat de Schrift zegt van de verzekering, hoop en vertroosting van alle mensen, en:
3e De redenering kort beantwoorden.
Wat het eerste betreft, dat de Arminianen hun sluitrede van de verzekering, de hoop en de troost uit de dood van Christus even uitgestrekt maken, als de dood van Christus is, maakt, dat zij de vertroosting en de hoop van het Evangelie tot de heidenen, die nooit van deze vertroosting hoorden, moeten uitstrekken. Laat ons nagaan in hoeverre dit mogelijk is.
Fred. Spanhemius, Professor te Leiden, een zeer geleerd en uitmuntend godgeleerde, toont uit de zaak zelf en uit de belijdenis van Amayraldus, een Arminiaan, dat de apostelen in zo’n kort tijdsbestek onmogelijk de gehele wereld hebben kunnen doorgaan, ja, dat zij vele bijzondere volkeren moeten zijn voorbijgegaan, die nooit het geklank van het Evangelie gehoord hebben. De Arminianen geven ons toe, dat dit geschiedde, arcana Dei dispensatione, door de verborgen en onnaspeurlijke voorzienigheid Gods. Indien zij de waarheid wilden spreken, moesten zij zeggen: "door des Heeren volstrekt, hoogst, onafhankelijk en onnaspeurlijk welbehagen in Zijn besluiten van volstrekte verkiezing en verwerping." Verder toont hij, dat zij niet te verontschuldigen zijn, maar dat zij vrij zijn van de schuld van ongeloof en dat zij, die nooit van het Evangelie gehoord hebben, geen hoop uit de vertroosting of uit de grond van de vertroosting van de beloften van het Evangelie hebben; ja, zelfs die niet allen, die het Evangelie hoorden, evenals die van Athene, (Hand. 17) die oordeelden, dat Paulus een klapper was, en Festus, die hem voor een razende hield, en de Grieken, die de prediking van het Evangelie dwaasheid achtten (1 Kor. 1) en dus het evangelie moeten gehoord hebben, doch die niet zozeer veroordeeld zijn wegens hun twijfelen aan de genoegzaamheid van Christus’ dood, aangezien zij geloofden, dat Christus een valse profeet was, als om hun niet horen naar mensen, die door God gezonden waren, naar Christus en de apostelen, die in de kracht Gods spraken en begiftigd waren met de macht om wonderen te doen.
Doch welke verzekering, hoop en vertroosting van zaligheid geven de Arminianen? Zekere Thomas Moore heeft een boek geschreven, getiteld: "De algemeenheid van Gods vrije genade in Christus aan de mensen, opdat allen mogen vertroost en bemoedigd en een ieder mag bevestigd en verzekerd worden van de verzoening en de dood van Christus voor het gehele menselijk geslacht en zo voor zichzelf in het bijzonder." Hoort nu, wat Arminius en Mr. Moore zeggen: "Troost, troost Mijn volk, zegt de Heere, vertroost en bemoedigt met de blijdschap van de Heilige Geest, met de levende hoop van het eeuwige leven, met de vertroostingen van de Schrift, Scipio, Aristoteles, Cato, Regulus, Seneca, alle Turken en heidenen; hen, die de duivelen, de zon en de maan aanbidden; hen, die geen hoop hebben, die zonder God en zonder Christus in de wereld zijn; roept hun toe, dat zij verzekerd kunnen zijn, dat Christus voor hen gestorven is, voor hen bidt en tussentreedt; dat Hij hun zaligheid op goede voorwaarden voorneemt en wil, evenzeer als de zaligheid van Zijn uitverkoren volk."
1. Doch het voorwerp van dit geloof, deze hoop en deze vertroosting, kan, al zou een ieder mens het geloven, bestaan met een zekerheid van de eeuwige verdoemenis, niet minder dan die, onder welke de heidenen, de verworpenen en de veroordeelde duivelen liggen. Het zaligmakend geloof nu neemt elke mogelijkheid, om verdoemd te worden, weg, (Joh. 3:16; 5:25; 11:26; 1 Tim. 1:15, 16; Gal. 2:10) doch duizenden geloven, ja, de verdoemde duivelen, die de letter van het Evangelie toestemmen en getuigenis gegeven hebben, dat Jezus de Zoon van de levende God is, geloven, volgens het oordeel van de Arminianen, dat Christus voor het gehele menselijk geslacht gestorven is. Hieruit volgt dus, dat alle verworpenen dit geloof en deze verzekering, vertroosting en hoop, kunnen hebben.
Het zaligmakend geloof, dat vrede, rechtvaardigmaking en verheuging in de verdrukking teweegbrengt, reinigt het hart, maar het brengt mij in het minst niet nader aan de vrede, dat ik geloof, dat Christus’ voornemen is, alle mensen te verlossen, zalig te maken en te rechtvaardigen, op voorwaarde, dat zij geloven, want dit laat altijd een holligheid in het hart. Christus’ voornemen toch is, of allen krachtdadig zalig te maken, of de zaak zonder Zijn krachtige werking, aan de goede leiding van de vrije wil over te laten, hetgeen het gehele menselijk geslacht deed verloren gaan. Het eerste nu kan aan geen levend schepsel bekend zijn; de Arminianen twijfelen zelfs, of God Zelf het wel weet. Arminius zegt: "Deum posse excidere sine suo, quia non semper intendit finem secundum praescientiam," "God kan falen en Zijn oogmerk missen, omdat Hij, in het bijzonder in zaken, die, geheel vrij, kunnen gebeuren of niet, het doel niet voorneemt overeenkomstig Zijn voorkennis." Ziet hier dan de Arminiaanse moedgeving, hoop en vertroosting: "Het is Gods voornemen, mij in Christus te verlossen en zalig te maken, maar ach, Hij doet dat, evenals de blinde met zijn stok gooit of zijn pijl afschiet; hij draait met Zijn ogen en trekt aan de pees, en het kan zijn, dat hij het wit treft, maar hij loopt meer kans, dat Hij mis schiet.
Nog eens, het is niet waar, dat God het voornemen heeft, allen krachtdadig zalig te maken. Daarom zeggen Bellarminus en Arminius, dat de Heere hierin handelt als de staatkundigen, die twee pijlen op hun boog hebben, want God, zeggen zij, ziet uit naar twee oogmerken, en Hij bedoelt of de gehoorzaamheid, bekering en zaligheid van allen, of, indien Hem die ontgaat, heeft Hij een andere pijl op Zijn boog en is Zijn doel de bekendmaking van de heerlijkheid van Zijn rechtvaardigheid. Indien de vrije wil het eerste voornemen van God overdwarst en dwarsboomt, en dit het laatste voornemen is, dan moeten alle mensen geloven, dat God geen voornemen heeft, hen krachtdadig te bekeren en zalig te maken. Maar ach, wat is dat een koude troost en een twijfelachtige, gewaagde en veraf zijnde hoop. De arme mens zit hier tussen hoop, om zalig te worden, (indien het geluk hem dient of dat het hem met de vrije wil meeloopt,) en vrees, om eeuwig driemaal zo ellendig te zijn, dan wanneer God hem nooit enige goedwilligheid had toegedragen, namelijk indien de vrije wil de verkeerde weg uitgaat, zoals dat bij verreweg de meeste mensen het geval is. De Arminianen toch, zeggen niet, dat volgens hun leer van slingerende en gewaagde goede begeerten en twijfelachtige voornemens, om alle mensen zalig te maken, een mens meer zalig wordt, dan volgens onze leer van des Heeren allerwijste, vaststaande, rechtmatige, onveranderlijke en volstrekte besluiten. Zij doen dus niets anders, dan het gehele menselijk geslacht een niets bevattende, ledige lepel voor de mond houden, wanneer zij het aldus op de zaligheid willen doen hopen.
2. Zodoende, als God twee oogmerken ten doel heeft, namelijk, of de zaligheid, of de verdoemenis van allen, brengt Hij de mensen wel zoveel vrees en wanhoop, als bemoediging en hoop toe, en bedoelt en wil Hij het verderf van alle mensen wel zo krachtig en met veel meer succes, dan Hij hun zaligheid wil. Alleen kunnen de mensen deze vertroosting, die oostenwind-hoop mee naar de hel nemen en daarop leven, dat God in de eerste plaats, voorafgaand en voornamelijk hun zaligheid wil, doch dat Hij in de tweede plaats, met meerdere zekerheid dat die droevige zaak hun zal overkomen, in Zijne rechtvaardigheid, hun verdoemenis en het eeuwig verderf van verreweg de meeste mensen wil. Dit is nu de troost en de schone hoop van de Arminianen, welke het leerstuk van de Arminiaanse, algemene genade zo mild aan allen meedeelt. Moge het hun wel bekomen!
3. Zij staan er niet voor, te stellen, dat God tussen twee einden wordt heen en weer geslingerd; of dit, of dat, of rechtvaardigheid, of barmhartigheid. Barmhartigheid is de haven, welke God begeert binnen te zeilen, om allen naar de hemel te voeren, maar omdat Hij wind en tij niet meester is en de vrije wil uit het oosten waait, wanneer God een schone westenwind verwacht, is de Heere genoodzaakt van koers te veranderen, evenals een zeeman moet doen, wie de wind tegenloopt, met zijn schip in de sombere haven van wraakvorderende gerechtigheid te landen en zo’n reis te maken, die tegen Zijn wil indruist, (wat zal men zeggen van het noodlot, dat de vrije wil zo onfortuinlijk is) en verreweg de meeste mensen als schipbreukelingen in de eeuwige verdoemenis zal werpen. Tenzij God de vrije wil aan banden legt en de natuur vernietigt van die gehoorzaamheid, welke aan bedreigingen en loon onderhevig is, kan Hij, al wil Hij nog zo graag, de zaak niet goedmaken. Hier hebt u nu, goedgunstige lezer, de Arminiaanse hoop en vertroosting, als u maar luisteren wilt naar de Arminianen, die nu opgestaan zijn, om alle mensenkinderen in deze treurige dagen te vertroosten!
Het zaligmakend geloof grijpt de zaligheid, gerechtigheid en eeuwige verlossing als zijn eigen erfenis aan, want het geloof is een bovennatuurlijke genade, welke krachtens haar natuur een bijzondere aanspraak op Christus maakt, evenals het natuurlijk instinct van een lam zich tot de moeder uitstrekt. Het is het recht van eigendom, daar het geloof naar jaagt. Laat de bevinding spreken, of er niet een bijzondere gloed in het hart van een gelovige is op het zien van Christus. Nu, ik moet bekennen, dat het geloven van een algemene zaligheid, die in de lucht hangt, de hemel van Turken en Arminianen en de gerechtigheid en verlossing van heidenen, van Seneca en dergelijken, ver is van zo’n recht van eigendom.
4. Het zaligmakend geloof is de eerste dageraad, de morgenhemel, het eerste daglicht van de verschijning van de verkiezing tot heerlijkheid (Hand. 13:48). De mens heeft nooit een schone kans op de hemel, noch kan hij de geopenbaarde, eeuwige liefde aangrijpen, voordat hij gelooft, omdat het geloven van de arme mens die daad is, waarin hij God tot zijn Deel kiest, en daarom kan het niet de goedkeuring zijn van een gemeengoed, dat aan alle mensen, heidenen, Joden, Turken en allen gelovigen gemeenschappelijk is. Het geloof doet hun zeggen: "Ik heb een rantsoen gevonden; ik heb een Parel van grote waarde gevonden; ik heb geen andere keus meer te doen; ik heb mij ten volle aan Christus verbonden; of Christus Zich van eeuwigheid aan mij verbonden, of Hij mij van eeuwigheid heeft liefgehad, kan ik niet verdedigen, maar dit staat vast, dat ik Hem in de tijd gekozen hebt.
Wat nu het tweede betreft: De Schrift spreekt ons van een hoop van de rechtvaardigheid (Gal. 5:5), welke wij door de Geest uit het geloof verwachten en (Kol. 1:5) van de hoop, die de heiligen in de hemelen weggelegd is, en dat Christus in de heiligen (vs. 27) de hoop van de heerlijkheid is, en (Tit. 2:13) van de hoop van de verschijning van Christus, Die ons leven is, welke hoop (1 Joh. 4:3) veroorzaakt, dat een mens zichzelf reinigt en heilig is, en van een roemen (Rom. 5:2 en 12:12) of (Eng. Vert.) zich verblijden in de hoop van de heerlijkheid Gods, de hoop van de belofte, (Hand. 26:7) tot dewelke de twaalf geslachten Israëls, gedurende nacht en dag God dienende, hopen te komen, en van een levende hoop (1 Petr. 1:3) tot welke wij wedergeboren zijn door de opstanding van Jezus uit de doden, en van de hoop (Rom. 15:4), welke wij door lijdzaamheid en vertroosting van de Schriften hebben, en van de hoop, welke niet beperkt is tot de enge kring en het gebied van de tijd (1 Kor. 15:19) en van dit vergankelijk leven; die hoop (Rom. 5:4) welke de bevinding werkt. Nu, hetzij wij de hoop aanmerken als het voorwerp van de hoop, de gehoopte zaak of als het bovennatuurlijk of genadig vermogen, om te hopen, in geen van beide die opzichten hebben Seneca, Regulus, Joden, Turken en heidenen en allen, die nooit het gerucht van Christus gehoord hebben, enige hoop uit de Schrift. Paulus beschrijft hun staat en die van de Efezïers (Ef. 2:12) aldus: "Dat u in die tijd was zonder Christus, vervreemd van het burgerschap Israëls, en vreemdelingen van de verbonden der beloften, geen hoop hebbende, en zonder God in de wereld." En van de genade van de hoop zegt de Schrift, (Hebr. 6:19, 20) dat het een anker is, dat in de hemel uitgeworpen wordt, door hen, die op leven en dood de toevlucht tot Christus genomen hebben; dat het (Gal. 5:5) een vrucht van de Geest is; dat die haar deelachtig is zichzelf reinigt (1 Joh. 3:3) en dat het een levende hoop (1 Petr. 1:3, 4, 5) en een vrucht van de voorverordinering en de besprenging des bloeds van Jezus is. Zo’n hoop, welke de Arminianen aan heidenen, Turken en verworpenen toekennen, die geloven, dat Christus voor alle mensen gestorven is, alsmede aan hen, die eeuwig verloren gaan, willen wij hun graag laten houden, en als zij zeggen, dat onze leer van bijzondere verlossing grond geeft tot wanhoop, omdat zij met die hoop in strijd is, dan stemmen wij dat toe, doch laten de Arminianen dit op hun eigen wijze beantwoorden. God, zeggen zij, moet dus tot het grootste gedeelte van de Christenwereld spreken: "Hebt goede moed, hoopt op de zaligheid in Christus, vertroost u hiermee, dat Christus voor allen zonder onderscheid gestorven is, weest ten volle verzekerd en gelooft, dat er een volkomen rantsoen voor u opgebracht is en dat zaligheid en gerechtigheid in Christus’ bloed voor u verworven zijn. Ik heb echter besloten zodanig op de wil van verreweg de meesten van u te werken, dat u aan die verlossing en aan die verworven zaligheid niet meer deel zult hebben dan de verdoemde duivelen, terwijl u daarentegen zeker in Christus’ bloed gezaligd zoudt zijn, indien Ik u getrokken had, zoals Ik anderen gedaan heb, die van nature even zondig waren, als u bent". Veel meer dergelijke dingen zou ik kunnen zeggen van dat droombeeld van de midden-kennis of midden-wetenschap van God. De Arminianen beroven de Almachtige van alle genade, medelijden, ontferming en macht, om zalig te maken. Er is toch, volgens hun leer, geen ander Evangelie dan dit, waarin God aldus moet spreken: "Ik heb uit genade en ontferming allen, die geloven zullen, tot de zaligheid uitverkoren en heb Mijn Zoon gegeven, om Zijn leven en Zijn bloed te geven tot een rantsoen voor alle mensen. Ik wilde, begeerde en verlangde wel, dat alle mensen met Mij in de eeuwige heerlijkheid waren en dat Mijn wraakvorderende gerechtigheid nooit aan mensen of engelen bevindelijk was bekend geworden, en dat dood, hel en zonde nooit in de wereld geweest waren, doch verreweg de meeste mensen zouden zondigen en hardnekkig en tot het einde toe, Mijn algemene, zich tot allen uitstrekkende genade en Mijn bijzondere en evangelische roeping weerstaan, en dat zouden zij doen, voordat er enige daad van Mijn kennis, van Mijn vrij besluit, van Mijn krachtige genade of van Mijn barmhartigheid was. Ik kan hun wil niet onafwijkbaar tot volstandige gehoorzaamheid overbuigen, noch kan Ik hen door zedelijke overreding zo krachtig trekken tot standvastig geloof en tot volharding, zonder te handelen in strijd met hetgeen in een Wetgever welgevoegelijk en betamelijk is, namelijk, zonder de natuur van die vrije gehoorzaamheid te vernietigen, welke onder de liefelijke bedruipingen van een vrije vergelding van loon ligt, en welke door veel zwoegen en onder de aandrijving en het gevaar van eeuwige straffen te ondergaan, moet verkregen worden. Dit nu wil Ik niet doen, hoewel Ik, in alle dingen die vrijwillig gedaan worden, zoals het overbrengen van koninkrijken van de ene vorst op de andere, of, de vijanden tegen een land te laten optrekken, doe, wat Ik wil, en Mijn raad zal bestaan en niet kan herroepen worden. (Dan. 4:35; Jes. 14:24—27 en 46:10, 11; Ps. 115:3; Ps. 135:6). Doch inzake de zaligheid of verdoemenis of het bekeren van de harten, en de vrijwillige handelingen van mensen en engelen, waarbij Mijn eer ten hoogste betrokken is, kan Ik niet anders dan al de pijlen van Mijn besluiten op de boog van die onvaste, toevallige onverschilligheid van de op en neer gaande vrije wil van mensen en engelen leggen, en daar ben Ik geboeid, zodat Ik Mij wel naar de vrije wil moet schikken, en in alle dingen goede en kwade, amen moet zeggen op, wat de geschapen vrije wil doet. Ik kan uit de overvloed van Mijn rijke genade en vrije ontferming, hoewel Ik het ernstig en vurig begeer, niet één persoon meer zaligmaken dan er zalig worden, en niet één meer verdoemen dan er verdoemd worden, noch kan Ik een mens meer in het Boek des levens schrijven, om die de vruchten van de dood van de Zoon Mijner liefde deelachtig te maken, buiten hen, die volgens de regel van de natuur, zonder enigerlei werking van Mijn middenwetenschap, of van Mijn voorwaardelijk vrij besluit, of van Mijn trekkende genade ten einde toe zullen geloven, daarom ben Ik, evenals een koopman, die tegen zijn wil zijn goederen in de zee werpt, om zijn leven te redden, omdat de winden en stormen zijn begeerten overheersen, genoodzaakt, tegen Mijn natuurlijke begeerte en de genadige, vriendelijke neiging tot ontferming in, een andere koers te volgen, en te besluiten en te ordineren dat allen, die, ook voor de werkingen van Mijn midden-wetenschap, Mijn vrij besluit en Mijn rechtvaardigen wil, Mijn roeping volstandig zouden weerstaan, eeuwig zullen verloren gaan, en te willen, dat Farao niet op het eerste of tweede gebod, Mijn volk te laten trekken, zou gehoorzamen. Daarom wil Ik ook met een tot volgen gedwongen wil de zonde toelaten, dood en hel en het eeuwig verderf van het merendeel van de mensen, die in de wereld zullen zijn, daarstellen, tot de bekendmaking van Mijn wraakvorderende gerechtigheid, omdat Ik de inkomst van de zonde in de wereld niet kon verhinderen en de vrije wil, als vrije wil, niet kon bedwingen, indien Mijn bedeling van het eerste verbond, dat Ik met Adam in het Paradijs gemaakt heb, zou kunnen bestaan. Hierop was ik genoodzaakt een tweede haven aan te doen en van een andere wind gebruik te maken, evenals een zeeman, die door een te sterke tegenwind afgedreven is van de haven, welke hij eerst begeerde binnen te lopen, en Mijn Zoon Jezus Christus in de wereld te zenden, om voor zondaren te sterven, omdat Ik niet beter doen kon, en Hem, uit liefde tot de zaligheid van allen, op een of andere wijze aan allen aan te bieden, hoewel Ik voorzag, dat Mijn begeerte en Mijn natuurlijke goedertierenheid langs deze weg veel meer zou overdwarst en gedwarsboomd worden, omdat Mijn gevolglijke wil, noodgedwongen noodzakelijk voor het grootste deel van de mensen, nu duizenden van hen Christus moeten verwerpen, door het licht van de natuur en de algemene, genoegzame genade, welke aan allen gegeven is, tegen te staan, een veel hetere hel bereiden moet, terwijl, indien de vrije wil dat licht en die genade goed gebruiken zou, dat hun meer genade en het voordeel van het gepredikte Evangelie zou toebrengen. Doch Ik voorzie, dat een veel zwaarder plaag van verharding van het hart en veel groter helse pijnen dan deze het oordeel zijn zullen over hen, die in de zichtbare Kerk zijnde Mijn roeping weerstaan, of die dezelve eens gehoorzaamd hebbende, (en indien zij gewild hadden, krachtens de vrijheid van de onafhankelijke, vrije wil, daarin hadden kunnen volharden) nochtans, niettegenstaande de beloften van het eeuwig verbond, de invloed van Christus’ altijddurende voorbidding en de inwoning van de Heilige Geest, die eeuwige Fontein des levens, enz. ten volle en finaal kunnen afvallen, en afvalligen worden. Al hun hoop op het eeuwige leven, hun zekerheid van de heerlijkheid, hun blijdschap, hun vertroosting en hun troost uit enigerlei recht op het eeuwige leven en de staat van aanneming tot kinderen, is dan ook niet gegrondvest op Mijn macht, om hen te bewaren, noch op Mijn eeuwig verbond, noch op de voorbidding van Mijn Zoon. Ik kan niet meer doen dan ik kan, daarom kunnen, als dat hun behaagt, en het is velen maar al te aangenaam, allen, naar hun vrije wil, afvallen en eeuwig verloren gaan, en laten Mijn Zoon, een Weduwnaar zonder vrouw, een Hoofd zonder leden en een Koning zonder onderdanen blijven."
Willen de Arminianen zo mild of verkwistend zijn met de vertroostingen Gods, die voor het volk van de Heere zijn, (Jes. 40:1; 49:14) zijnde het eigen werk van de Heilige Geest, de Trooster, (Joh. 14:15; 15:26; 16:7), de vertroostingen van Christus (Filip. 2:1), de eeuwige, de sterke vertroostingen (2 Thess. 2: 16; Hebr. 6:18), waardoor de harten vertroost worden (Kol. 2:2) en waarmee de apostelen en de heiligen vertroost zich (2 Kor. 1:4, 6, 7), komende van de God aller vertroosting, van de Heere, Die Zion vertroost (2 Kor. 1:3; Jes 51:3, 12), als een zegen, welke de Heere hun, die treuren, beloofd heeft (Matth. 5:4), dan gunnen wij Mr. Moore en de anderen Arminianen, dat zij die mogen genieten, doch wat ons betreft, wij stemmen niet toe, dat verzekering, moed, hoop of vertroostingen in Christus of in Zijn dood, het deel zijn van iemand anders dan van de wedergeborenen en de gelovigen. Dit maakt de leer van de algemene verlossing voor ons nog meer verdacht, dat zij niet van God zijn kan, dat zij aan allen, zelfs aan honden en zwijnen, de Heilige Geest en de dierbare voorrechten van de heiligen toekent. Daarom, ten derde, antwoorden wij, dat zij het voorstel voor waar aannemen, doch niet wij. Laat hetgeen als waar wordt aangenomen zijn: "Maar ik geloof", en het voorstel aldus gewijzigd worden: Zij, voor wie Christus Zijn leven heeft afgelegd, zijn enkele, uitverkoren gelovigen; nu ben ik uitverkoren en een gelovige, dus, enz.—Dan stemmen wij allen toe, indien de aanneming of veronderstelling maar vast staat.
1. Ik heb echter geen verzekering, hoop noch bemoediging, om in een algemeen welbehagen te rusten, dat God in alle mensen, in Judas, Farao en Kaïn, niet minder dan in mij heeft. Ik ben toch van precies dezelfde stof als zij, en van nature een erfgenaam des toorns, evengoed als zij dat waren.
2. Dat veraf zijnd welbehagen Gods, dat allen zullen zalig worden en gehoorzamen, had God van eeuwigheid zowel in de engelen, die gevallen zijn, als in mij. Welk een koude troost! Het werkt ook niets meer tot mijn werkelijke zaligheid uit, dan tot die van Judas, de verrader. Het stelt geen raderen, geen oorzaken, geen krachtdadige middelen te werk, om mij de krachtige toepassing van de verworven verlossing meer deelachtig te maken, dan die allen, die nu godslastering uitspuwen tegen eeuwige rechtvaardigheid, en in vurige ketenen van toorn, deze Heere en Zijn algemeen welbehagen, om hen zalig te maken, vloeken.
Doch het fontein-welbehagen van God, dat de uitverkorenen zullen zaligworden, loopt door een ander kanaal van vrije genade, dat onderscheid maakt tussen mensen en mensen, tussen Jakob en Ezau, en vestigt het hart van God en de barmhartige ingewanden van Christus van eeuwigheid, en wat de uitvoering van dit welbehagen betreft, in de tijd, op deze mens en niet op die, zonder loon, geld of prijs. (1) Omdat engelen en mensen nooit kunnen beantwoorden, wat in Rom. 9:13-15 staat geschreven: "Jakob heb Ik liefgehad en Ezau heb Ik gehaat, en dat, als de kinderen nog niet geboren waren, nog iets goeds of kwaads gedaan hadden " daarom is de natuurlijke Arminiaanse tegenwerping dezelfde van onze Arminianen heden ten dage, dat het onrechtvaardigheid moet zijn, de mensen volstrekt te haten en te verwerpen, wanneer zij nog niet geboren zijn en nog geen goed of kwaad gedaan hebben. Paulus antwoordt, dat dit geenszins volgt, dat er onrechtvaardigheid bij God is, omdat alles (vs. 15) door de wil van God besloten is, omdat het Zijn wil is. Want Hij zegt tot Mozes: Ik zal Mij ontfermen, diens Ik Mij ontferm, en Ik zal barmhartig zijn, dien Ik barmhartig ben." Hieruit trekt hij het besluit, dat het onderscheid, dat tussen Jakob en Ezau gemaakt wordt, niet op zulke losse schroeven staat, als hun lopen en willen, en hun zwoegen en jagen in hun best te doen, zijn. Het gaat er hier niet over of Jakob minder en Ezau meer deed, maar alleen over Gods vrije goedheid. en ontferming. Al het verschil tussen de ene mens en de andere is, dat God Zich ontfermt, omdat Hij het wil, niet omdat de mensen het willen. Nu haalt Paulus op de Arminiaanse tegenwerping, dat dit niet bedoeld wordt van de verkiezing en verwerping, maar van de tijdelijke weldaden welke Jakob en niet Ezau geschonken werden, het voorbeeld aan van Farao, een wrede godloochenaar en dwingeland, die nooit rechtvaardigmaking uit de werken der wet zocht, en hij toont de reden aan, waarom Farao niet die ontferming bewezen werd, welke anderen deelachtig werden. "Ik, zegt de Heere, heb Farao in zijn aangezicht gezegd: (vs. 17) Tot ditzelfde heb Ik u verwekt, opdat Ik in u Mijn kracht bewijzen zou en opdat Mijn Naam, dat is, de heerlijkheid Mijner rechtvaardigheid, verkondigd worde op de gehele aarde, aan de gehele wereld, die van u zal horen. Dan keert hij terug tot des Heeren vrijmachtige wil en Zijn onverschuldigde en volstrekte vrijheid, om onderscheid te maken tussen mensen en mensen. Waarom heeft Hij zich over deze mens ontfermd en niet over die? Indien er zo’n denkbeeld, als een algemeen welbehagen in Farao of Ezau, bij God geweest was, moest de apostel hier enigerlei volstrekte wil in God, om onderscheid te maken tussen de ene mens en de andere, ontkend hebben. De Arminianen kunnen de Geest des Heeren en de apostel onderwijzen, dat zij moeten zeggen, dat Hij een evengelijk, algemeen welbehagen en verlangen heeft, allen zalig te maken, Ezau, zowel als Jakob; Ismaël zowel als Izaäk, de zoon van de belofte; Farao, zowel als Mozes of iemand anders. Er blijven dan echter nog twee grote twijfelingen over, namelijk: Hoe heeft Hij dan Ezau kunnen haten, toen hij nog niet geboren was, noch iets goeds of kwaads gedaan had? Laat alle Arminianen op aarde daar een antwoord op geven.
Doch de twijfeling is nog niet weggenomen, hoe dat is, dat God Jakob liefheeft, zaligspreekt en zich zijner ontfermt, en Ezau haat, hoewel die noch goed, noch kwaad gedaan had. De Arminianen antwoorden, dat God in een voorafgaand, algemeen welbehagen Ezau waarlijk liefhad, evenzeer als Jakob; Farao zowel als een andere. Doch de oorzaak van de scheiding ligt hierin, dat Jakob wil en loopt, en dat Ezau goddeloos is, en Farao en anderen hem gelijk, bloeddorstige tirannen zijn. God ontfermt Zich echter met een volgende en gevolglijke wil over Jakob, omdat die wil en loopt. Dit nu is God tegenspreken, daarom moeten wij verdragen, dat mensen, verdorven zijnde van verstand, de waarheid tegenstaande, opgestaan zijnde, om algemene verzoening te verdedigen, ook ons tegenstaan. Paulus schrijft dan ook de ontferming, welke die mens bewezen wordt, niet aan die mens toe, als hij zegt: [Gr. thelei] "Hij wil." "Zo ontfermt Hij Zich dan diens Hij wil, en verhardt die Hij wil." Het is onmogelijk, dat bekering eerder voor Petrus genade en stof van lof tot prijs van de heerlijkheid van ‘s Heeren genade zal zijn, dan voor Judas, wanneer niet de genade van God onderscheid maakt tussen Petrus en Judas, door de ene en niet de ander krachtdadig te bewegen tot het geloof. Alle menselijk vernuft kan niet tegenspreken, dat ik in mijn eigen vrije wil mag roemen, dat ik, en niet een ander, krachtig verlost en zaliggemaakt ben, (tenzij genade onderscheid gemaakt heeft tussen mij en een ander) indien Hij gelijk welbehagen had, mij, en Judas, en de gehele wereld zalig te maken, doch het overslaan van de balans, in de ene van de ander te onderscheiden, aan de vrije wil heeft overgelaten, zodat de vrije wil van het schepsel gevolglijk de oorzaak is, dat de wil van God omtrent de ene en de andere onderscheiden is.
3. Die God, Die Zijn toorn wil bewijzen en Zijn macht bekendmaken, en met veel lankmoedigheid verdragen heeft de vaten des toorns tot het verderf toebereid, opdat Hij zou bekendmaken de rijkdom Zijner heerlijkheid over de vaten der barmhartigheid, die Hij tevoren bereid heeft tot heerlijkheid (Rom 9:21, 13), wil ook, omdat Hij dat wil, deze twee oogmerken, gelijkmatig openbaren; in sommigen de heerlijkheid van Zijn macht, rechtvaardigheid en lankmoedigheid; in anderen de heerlijkheid van genade en barmhartigheid, beide alleen, omdat het Zijn wil is. Ik heb ook nooit kunnen inzien, waarom God die twee grote staatsontwerpen van rechtvaardigheid en barmhartigheid op zo’n wijze zou uitwerken, dat Hij meer zou overhellen, om het ontwerp van de barmhartigheid, dan dat van de rechtvaardigheid bekend te maken en ten uitvoer te brengen, daar Hij toch die beide heerlijke doeleinden, naar de vrijheid van hoge en diepe vrijmacht, geheel vrijwillig heeft voorgenomen. Aangezien nu het bereiken van Zijn vrijwillig voorgenomen doel, om in sommigen uit de engelen en uit de mensen Zijn barmhartigheid te openbaren, op een verheven wijze de heerlijkheid van de rechtvaardigheid openbaar maakt, zo ook maakt het bereiken van het doel, waartoe Hij voorgenomen heeft de uitverkorenen vrije genade te bewijzen, Jezus Christus uitermate dierbaar, zodat wij het bloed van het verbonds, de rijkdommen van vrije genade, welke Hij ons, die Hij geheel vrij heeft uitverkoren, bewezen heeft, terwijl Hij anderen, die evengoed zijn als wij, eeuwig laat verloren gaan, op hoge prijs moeten stellen. Evenmin als de Arminianen kunnen loochenen, dat de Heere het zo had kunnen beramen, dat allen, die zaligworden en die de Heere, Die in de hemel op Zijn troon zit, zullen loven, eeuwig hadden kunnen verdoemd worden, om eeuwig in de hel de heiligen, rechtvaardige Rechter van de wereld te lasteren, aangezien Hij een omwenteling van alle dingen in de hemel en op aarde kan teweegbrengen, om een voorzienigheid tot stand te brengen, tegenovergesteld aan die, welke nu is, zo ook kunnen zij evenmin loochenen, dat er een heerlijke vrijmacht, een wel overwogen en vastgestelde vrije wil in God is, voordat iemand van de uitverkorenen en verworpenen in zo’n stand van de voorzienigheid geplaatst was, waarin Hij voorzag, dat allen, die zalig of verdoemd worden, zalig of verdoemd zouden worden, en dat deze wil de eerste fontein-oorzaak van de verkiezing en de verwerping is.
4. Als Paulus in Rom. 11 aantoont, dat God ze allen onder de ongehoorzaamheid besloten heeft, opdat Hij ze allen zou barmhartig zijn, en een reden aantoont, waarom het de Heere behaagde, Zijn oude volk voor een tijd te verwerpen, en de heidenen, de wilde olijfboom, in hun plaats in te enten, dan roept hij uit: "O diepte!" enz. Hij kan geen andere reden vinden dan grondeloze en onnaspeurlijke vrijheid van genade en vrije Godsbedeling over sommigen en niet over anderen. Ik moet bekennen, dat het niet zo’n diepte zou geweest zijn, indien de Heere van eeuwigheid allen evengelijk ter zaligheid had liefgehad, wanneer Hij, door het willen en lopen, of door het niet-willen en niet-lopen van het schepsel, tot latere, wijzere en rijpere gedachten en een gevolglijke wil gebracht was, om zalig te maken of niet zalig te maken, naar het mensen en engelen in het hoge en onpartijdige Hof van hun vrije wil zou goeddunken. Dan zou er geen andere diepte in geweest zijn, dan wanneer aardse rechters belonen, die goed doen, en straffen, die kwaaddoen, of wanneer een heer van een wijngaard loon uitbetaalt aan hen, die arbeiden, en niets betaalt aan hen, die ledig staan en niets doen. Dit is de wet van de natuur en van de volkeren en geen diepte; het is slechts een belonen door God overeenkomstig hun werken, en een betonen van barmhartigheid aan hen, die medewerken met en goed gebruik maken van Gods voorafgaande wil, en een niet betonen van barmhartigheid aan hen, die daarmee niet medewerken, maar door de onbeperkte macht van de geheel vrije vrije-wil daar tegen ingaan. De grote en onnaspeurlijke diepte ligt echter hierin, hoe God de grote ontwerpen van de bekendmaking van de heerlijkheid van vergevende barmhartigheid en van straffende rechtvaardigheid zou uitvoeren, aangezien er sommige personen en volkeren zouden zijn, eerst, zoals vanouds, de Joden en niet de heidenen aangenomen, en toen de heidenen in Christus aangenomen en de Joden verworpen. Nog eens, de doden, die begiftigd waren met de rijkdom van de wereld van de uitverkorenen, beide van Joden en heidenen, die uitverkoren zijn en het Evangelie zullen gehoorzamen en geroepen zullen worden zonder enig opzicht op werken, enkel uit genade (Rom. 11:5, 6, 7), als de kinderen nog niet geboren waren, noch iets goeds of kwaads gedaan hadden (Rom. 9: 11); zij, die Christus het naaste waren en meer werkten tot verkrijging van gerechtigheid en het leven dan de heidenen en andere vreemdelingen van Christus, (Rom. 9:30-33; Rom. 10:1-4; Rom. 40:1-8 enz.) verworpen, terwijl de Heere anderen, die van nature niet beter zijn dan zij, barmhartig zijn wil. God nu is in deze beide, ten eerste, vrij in Zijn genade; ten tweede, rechtvaardig in Zijn oordelen, hoewel Hij noch verkiest, noch roept, krachtens werken; ten derde, het schepsel, dat verdoemd wordt, is ten hoogste schuldig; ten vierde, de Heere is zowel rechtvaardig streng, als genadig barmhartig; ten vijfde, niemand heeft reden, om te klagen of met God te twisten, en toch kon God alles heel anders beschikt hebben; ten zesde, de eerste oorzaak van deze onderscheiden bedeling van volkeren en personen is de diepe, hoge, soevereine, zuivere, heilige, onafhankelijke wil van de grote Pottenbakker en Formeerder van alle dingen, die Zich ontfermt diens Hij wil en verhardt die Hij wil. Dit is een peilloze diepte. Geen schepsel, engel, noch mens, kan zich zo gedragen tegenover zijn medeschepselen, en tevens vrij, rechtvaardig, heilig en wijs zijn. Wel mag een schepsel met zijn medeschepsel handelen overeenkomstig de regelen en de gebaande weg van een voorafgaande en gevolglijke wil. Zo mag een koning handelen met zijn volk; een vader met zijn kinderen een bevelhebber met zijn soldaten; "de Heere van een wijngaard. met Zijn gehuurde dienstknechten; deze allen mogen hun goedheid, en ontferming, hun beloningen en straffen, regelen in een weg overeenkomend met het gebruik en het naarstig aanleggen van de vrije wil, of met het verzet, de onrechtvaardigheid, goddeloosheid en traagheid van degenen, die onder hen staan. Doch geen meester noch heer kan arbeiders in zijn wijngaard aanstellen, die allen vermanen, bidden en smeken, te arbeiden, en hun loon beloven, en nochtans aan het merendeel van hun de macht onthouden, armen en benen te gebruiken, of vrijwillig hun toestemming te geven, om te arbeiden, en zijn werking in het merendeel van hun in te houden, zodat zij gewillig tot vrijwillige ongehoorzaamheid zullen gebracht worden, om dan, zoals het hier is, de lijdelijke voorwerpen te zijn van wrekende gerechtigheid, naar de bepaalde raad van de Heere van deze wijngaard; omdat Hij, krachtens Zijn volstrekte soevereiniteit zo met het merendeel wil handelen, en met het kleinste deel van de arbeiders juist een tegenovergestelde weg wil houden, omdat Hij voorgenomen heeft, de heerlijkheid van Zijn genade aan hen bekend te maken. Als hier geen onnaspeurlijke diepte is, dan wist Paulus er niets van, en dit stelt mijn hart gerust en beantwoordt alles, wat de rede tot voordeel van de algemene verzoening kan bijbrengen.
Het 1e gebruik, dat ik beoog, is, dat geen leer Christus aan de ziel zo dierbaar maakt, als deze van de bijzondere verlossing en van de onderscheid makende, vrije genade. (Ps. 147:12) O Jeruzalem, roem de Heere! Een van de vele gronden daartoe is, (vs. 19) dat Hij Jakob Zijn woorden bekend maakt, Israël Zijn inzettingen en Zijn rechten, (vs. 20) en dat Hij zo aan geen volk gedaan heeft. Hij spreekt niet van de mate, alsof God andere volken genade van dezelfde natuur, doch in mindere mate zou geopenbaard hebben, want hij zegt: "en Zijn rechten die kennen zij niet." Dit vervulde hem zo met een levendig gevoel van de ontferming Gods in de betoning van deze onderscheid makende genade, dat hij er aan toevoegt: Hallelujah! Of, Loof de Heere! Christus acht dit de keur van de genade, de genade van de genade, en Hij dankt er Zijn Vader voor. (Matth. 11:25) Ik dank U, Vader, Heere des hemels en der aarde, dat Gij deze dingen voor de wijzen en verstandigen verborgen hebt, en hebt dezelve de kinderkens geopenbaard. Aangezien de Arminianen zeggen, dat de hoogmoed van de eigenwijzen en de nederigheid van de kinderkens de oorzaken zijn, waarom tussen die beiden onderscheid gemaakt wordt, en de vrije wil dus met de Vader delen moet in de lof van de openbaring van de heerlijkheid van het Evangelie en van de ontdekking van de uitnemendheid van Christus aan kinderkens, meer dan aan verstandigen, en een letterlijke openbaring ongetwijfeld aan alle kinderkens en verstandigen, aan de trotse Farizeeën en de nederige zondaren gemeen was, verheft Christus de uitnemendheid, de keur van de genade, de bloesem van de vrije liefde, daarin, dat niet de vrije wil van nederigen en trotsen oorzaak is van het onderscheid tussen mensen en mensen, maar alleen het welbehagen Gods. (vs. 28) Niemand kent de Vader dan de Zoon, en die het de Zoon wil openbaren.
2. Wat aan allen gemeen is, zal nooit een indruk van verwondering en van dankbare bewondering achterlaten. "Ik" en "wij" zijn opgeblazen, hoge en trotse dingen, en de Geest Gods prijst de genade ten zeerste daarin, dat zij op bepaalde personen valt en niet op anderen. (1 Kor. 15:9) Ik [Gr. ego] ben de minste van de apostelen — (vs. 10) doch door de genade van God ben ik, dat ik ben, en Zijn genade [Gr. eis eme] die aan mij bewezen is, is niet ijdel geweest, maar ik heb overvloediger gearbeid dan zij allen [Gr. houk ego de] doch niet ik, meer de genade van God, [Gr. he en emoi] die met mij is. (Tit. 3:3) Want ook wij [Gr. kai hemeis] waren eertijds onwijs, ongehoorzaam, dwalende, enz. (vs. 4) maar wanneer de goedertierenheid Gods onzes Zaligmakers en Zijn liefde tot de mensen, verschenen is, (vs. 5) heeft Hij ons zalig gemaakt [Gr. esosen hemas]. (1 Tim. 1:15) Ik [Gr. ego] ben de voornaamste der zondaren, (vs. 16) maar daarom is mij barmhartigheid geschied, [Gr. hina en pro o] opdat Jezus Christus in mij Zijn lankmoedigheid zou betonen. [Gal. 2:20] Ik ben met Christus gekruist, en ik leef [Gr. ouk eti ego] doch niet meer ik, maar Christus leeft in mij [Gr. en emoi] en hetgeen ik nu in het vlees leef, dat leef ik door het geloof des Zoons Gods, Die mij liefgehad heeft, en Zichzelf voor mij overgegeven heeft {Gr. me huper emu]. (Efeze 2:1) En u lGr. kai humas] heeft Hij mede levendgemaakt, daar gij dood waart door de misdaden en de zonden, (vs. 4) door Zijn grote liefde, waarmee Hij ons [Gr. hemas] liefgehad heeft. (vs. 5) Ook toen wij dood waren door de misdaden, heeft Hij ons levendgemaakt [Gr. hemas] met Christus. (vs. 13) Maar nu in Christus Jezus, gij die eertijds verre waart, zijt nabij geworden door het bloed van Christus. Dat mijn vader en mijn moeder, mijn broeder en mijn zuster, mijn buurman en mijn vriend, worden voorbijgegaan en dat ik genomen wordt, is een gunst, welke Christus zeer dierbaar maakt.
3. Van allen, die in ons land, van allen, die in Europa wonen, van het gehele geslacht Adams, van allen, die ooit een levende ziel ontvingen, hetzij zij geboren of niet geboren zijn, ging de Heere zoveel duizenden en miljoenen voorbij, en het lot van vrije genade viel juist op mij bij name, en op ons, en op duizenden, die toch niet minder geschikt waren, om gekozen te worden, dan ik, viel het niet. Welke gedachten zult u hebben van het lot van vrije liefde, dat op u gevallen is, van dat God God is af, wanneer Christus zulk een last, zo’n verheven gewicht van onmetelijke liefde op u zal leggen! Dan zult u denken: "O, hoe kon dat mij te beurt vellen, met Christus aan te zitten in de hemel! Dat lichaam, dat dan versierd, bekleed en dubbel geborduurd zal zijn met zuivere en onvermengde heerlijkheid, is juist van dezelfde klomp leem gemaakt als het lichaam van Kaïn of Judas, die nu branden en verzonken zijn in die zwarte en sombere poel van vuur en sulfer. De Heere zegt: (Ezech. 18:4) "Ziet, alle zielen zijn Mijne", en wanneer uw ziel beladen zal zijn met heerlijkheid, en duizenden zielen godslasteringen zullen uitbraken tegen de Majesteit van God, uit een gevoel van de pijn van de knagende worm, die niet sterft, en u overweegt, dat de ziel van Judas in uw plaats had kunnen zijn en dat uw ziel in die plaats van de pijniging had kunnen zijn, waar hij nu in is; is het dan wonder, dat Johannes uitroept: "Ziet hoe grote liefde!"
4. Welk een overvloed van uitgestrekte en krachtige liefde voor ieder, die in ‘t verbond opgenomen is. Een enkele David heeft behoefte aan (Ps. 106:45) de veelheid Zijner goedertierenheden, (Ps. 130:7) veel verlossing en (Ps. 51:3) de grootheid Zijner barmhartigheden (Ps. 69:14, 17). Het is niet maar één liefde, doch liefden, vele liefden (Ezech. 16:8; Hoogl. 1:2). Hij geeft een mens veel zaligheden, alsof één hemel en één kroon der heerlijkheid nog niet genoeg zijn. Hij is rijk in barmhartigheid, (Efeze 2:4) en Hij heeft ons levend gemaakt, toen wij dood waren door de misdaden, [Gr. dia pollen agapen] door Zijn grote liefde. Aan iedere uitverkorene wordt een bijzondere daad van liefde en van verzoening bewezen. Kunt u met een pen cijfers schrijven, van het oosten tot het westen, en dan weer van voren aan beginnen en zo die cijfers tot cirkelvormige lijnen vermenigvuldigen, om de hemel der hemelen te benaderen? Het zou de arm van engelen vermoeien, de vermenigvuldigde liefden van Christus uit te schrijven. De liefde van Christus wil er velen aan zich verbinden. Hoeveel miljoenen uitverkorene engelen en mensen zijn er, en elk van hun moet een hemel van liefde tot zijn deel hebben. Christus acht, dat het niet te veel is, dat de liefde van de eerstgeboorte hun aller deel is; dat zij allen eerstgeborenen zijn. (Kol. 1:20) Het is des Vaders welbehagen geweest, dat Hij, door Christus, alle dingen, die in de hemelen en die op de aarde zijn, met Zichzelf zou verzoenen. Alle engelen zich onderdanen van Christus en Hij is hun Hoofd (Kol. 2:10). Dan moet Christus twee ogen, ja, zeven ogen hebben, om voor iedereen te zien, en twee voeten voor elke Engel, om er mee te gaan. Het moet wel een ontzaglijke heirschare en ontelbare troepen zijn, die het gezin van Christus uitmaken!
Wie zou dan de som van alle schulden van vrije genade, die engelen en mensen Christus schuldig zijn, kunnen optellen, en wanneer zullen zij betaald worden? Hoewel de zonden zullen voldaan zijn, zullen toch de schulden van onverdiende liefde tot in alle eeuwigheid blijven open staan. O, hoe onnaspeurlijk is de rijkdom van de genade van Christus! Weet u, o engelen, o verheerlijkte geesten, waar de rand en waar de bodem is van vrije genade? Toch kan geen zondaar het met minder genade doen, dan hij heeft; hij heeft alles nodig, hij heeft geen olie over, om zijn naaste te lenen (Matth. 25). Onze diepgaande krankheden en ingekankerde wonden, kunnen met niet minder toe, om ze te genezen, dan met oneindige liefde en met vrije genade, die alle verstand te boven gaan. Het was een grote wond, welke een pleister vereiste, zo lang en zo breed, als de oneindige Jezus Christus is.
Paulus buigt zijn knieën voor het Hoofd van al het geslacht in de hemelen en op de aarde, voor deze daad van genade, dat Christus Zijn liefde in de schaal legt. (Ef. 3:18) "Ik bid, zegt hij, dat gij de liefde Gods ten volle mag begrijpen, of achterhalen."
Wat worden er velen aan het werk gezet, om die liefde te bevatten; alsof hij wil zeggen, dat één mens niet in staat zou zich, dat te doen. Nochtans bid ik, dat gij met al de heiligen moogt begrijpen, welke de breedte is: zij is breder dan de zee en de aarde; en welke de lengte is: zij is langer dan de afstand tussen het oosten en het westen. Al kon u de afstand meten tussen het uiterste van de bovenste cirkels van de hemel der hemelen, dan is haar diepte en hoogte meer dan van het middelpunt van de aarde, tot aan de kring van de maan en verder de ganse kringloop van de zeven planeten door, tot aan de kringloop van de sterren en van de hoogste hemelen. Wie zou de middellijn of de omtrek van een zo grote liefde kunnen begrijpen? Liefde is een element, waar alle uitverkoren mensen en engelen in zwemmen. De oevers van de rivier verheffen zich tot boven de cirkel van de zon, tot het hoogste punt van de hoogste hemelen.
Christus’ liefde in het Evangelie voert, als een machtig veroveraar alles mee, wat leeft. Zijn zaad is wegens de menigte als de dauwdruppelen, die uit de baarmoeder des dageraads voortkomen (Ps. 110), en het is de dauw van de jeugd van Christus, want Christus verzamelt, als een sterk en krachtig jongeling, die vol kracht is en nooit door ouderdom vervalt, het heir van de heidenen als de schapen van Kedar.
5. Christus’ liefde werkt meer uit dan de hel en de duivelen doen. Kunt u de zon verzegelen, zodat zij niet kan opgaan, of kunt u het opkomen van de zee verhinderen, of de winden onder een wet brengen, dat zij niet kunnen waaien? Veel minder kunt u de woestijn van Christus verhinderen, te bloeien als een roos, of de wind van Zijn genade, te blazen, of Zijn liefde, buiten haar oevers te treden of met vleugelen van de arenden te vliegen. O wat een macht is de liefde van Christus, welke de zonde van de wereld draagt! Zij werkt, evenals het vuur, meer krachtens natuur dan krachtens wil. Niemand kan het hart van Christus inbinden of Zijn ingewanden beteugelen. Hij moet werken, tot Hij ze allen in de hemel heeft, die Hij liefheeft.
2e Gebruik. Dit leert ons, geen liefde in God te erkennen, welke niet krachtig werkzaam is in het schepsel wel te doen. Er is bij God geen lippen-liefde, geen onbekookte betuiging, dat Hij het goede voor het schepsel begeert, terwijl Hij het niet vervult. Wij kennen slechts drie soorten liefde tot het schepsel in God, en deze zijn alle als een vruchtbare baarmoeder. De baarmoeder van de goddelijke liefde is nooit onvruchtbaar en brengt nooit een misdracht voort. Hij heeft alles lief, wat Hij gemaakt heeft, in zoverre Hij alles een aanzijn gegeven heeft en alles bewaart, om er te zijn, zolang het Hem behaagt. Zijn begeerte is, dat er zon, maan, sterren, aarde, hemel, zee, wolken en lucht zijn zullen. Hij heeft ze uit de baarmoeder van de liefde en uit goedheid geschapen, en Hij houdt ze in wezen; Hij kan niets haten, dat Hij gemaakt heeft. Volgens de Arminianen echter, begeerde Hij, dat vele dingen een bestaan zouden hebben in hun beginsel en in hun oorzaken, zonder zich ooit naar buiten te openbaren. Zo begeerde Hij, zeggen zij, voor de val, dat de aarde vruchtbaarder zou zijn, dan zij nu is, zodat Hij, tegen Zijn wil en Zijn welbehagen in de schepselen in, faalt in die natuurlijke liefde, welke Hij de schepselen toedraagt. De Arminianen zeggen, dat Hij, hoewel die er alle zouden komen, nochtans kon begeerd hebben, dat er nooit dood, noch ziekte, noch ouderdom, noch onvruchtbaarheid van de aarde, noch verderf zouden zijn. Doch hoewel deze dingen hun oorzaken hebben, krachtens de regel van rechtvaardigheid, in de zonden van de mensen, toch hebben wij geen reden, te zeggen, dat God in Zijn liefde faalt, want dat Hij dit of dat goed voor het schepsel begeerde en verlangde, maar dat de dingen misgelopen zijn; dat Zijn liefde was als die van een vrouw, die van vele kinderen zwanger was, doch die allen in de baarmoeder gestorven zijn; dat God zo het bestaan van vele dingen wilde en verlangde, doch dat die er niet konden zijn, omdat de liefde Gods als een baarmoeder was, die een misdracht voortbracht. Dat er zo’n liefde in God is, kunnen wij niet erkennen.
Er is een andere liefde en barmhartigheid in God, krachtens welke Hij alle mensen en engelen, zelfs Zijn vijanden liefheeft. Daardoor doet Hij Zijn zon opgaan, zowel over de onrechtvaardige als over de rechtvaardige, en laat Hij dauw en regen vallen op de boomgaard en de akker van de man des bloeds en bedrogs aan wie de Heere een gruwel heeft, zoals Christus ons leert in Matth. 5:43—48. God wordt niet teleurgesteld in deze Zijn liefde, neen, Hij wil het eeuwig bestaan van verdoemde engelen en mensen. Hij zendt het Evangelie tot vele verworpenen en nodigt hen, zich te bekeren, en met veel lankmoedigheid en verdraagzaamheid laat Hij toe, dat stukken weerspannig leem de mate van hun ongerechtigheid vervullen, doch de algemene liefde des Heeren mist niets van wat Hij voor hen wil zijn.
Er is ook een liefde in God van bijzondere verkiezing tot heerlijkheid, welke niet minder in elk opzicht aan het doel beantwoordt. Het werk van de verlossing is voorspoedig in de handen van Christus, tot volkomen voldoening van Zijn ziel; het zaligmaken van zondaren (alle eer zij het Lam) gaat door de handen van Christus gelukkig en voorspoedig voort, om de arbeid Zijner ziel (Jes. 53:10, 11) zal Hij het zien en verzadigd worden. Christus kan niet in het wild schieten en Zijn doel missen. Niets komt mij begeerlijker voor dan in de koets van Christus te mogen zitten, welke geplaveid is met liefde (Hoogl. 3). Als ik verzekerd mag zijn, dat ik mij binnen de cirkel en omtrek van die liefde van de verkiezing bevind, dan behoef ik niet bevreesd te zijn, dat de koets zal breken, of van haar wielen lopen. Christus’ koets kan door de Rode Zee gaan, al vloeien haar wateren niet weg. Hij schiet liefdepijlen en mist nooit; Hij rijdt door de hel en het graf, en Hij overwint dode zondaren en maakt hen Zijn levende gevangenen. Deze liefde is van nature werkzaam. Hiskia zegt in zijn lied: (Jes. 38:17) "Ziet, in vrede is mij de bitterheid bitter geweest, maar Gij hebt mijn ziel liefelijk omhelsd, dat zij in de groeve der vertering niet kwame, (het Hebreeuws zegt eigenlijk: Gij hebt mijn ziel liefgehad uit de put des verderfs) want Gij hebt al mijn zonden echter uw rug geworpen". Hij spreekt van de liefde Gods, alsof het een mens was met vlees en een, armen, handen en voeten, die in de put afdaalde en zijn ziel uit de put optrok. Zo heeft de liefde van Christus ons uit de hel geliefd, of, zo liefgehad, dat de hel tot de hel vlood, en dat de dood in het graf verzonk; Hij heeft de zonde weggeliefd, en ons uit de armen van de duivel uitgeliefd. Christus’ liefde is een achtervolgende en veroverende liefde. Ik voor mij, ik zal nooit geloven, dat deze verlossende liefde, op een afstand van zoveel honderden mijlen, aan de oever van de rivier en aan de rand van de poel van vuur en sulfer, van ver staat te roepen, begerende, dat alle mensen aan land zullen komen, en dat Hij op zoveel honderden mijlen afstand woorden van melk, wijn en honing, uit het Evangelie, tot hen richt, roepende, dat Christus alle mensen ter zaligheid liefheeft, en dat Hij ernstig verlangt en begeert, (als wensen de mensen kon zalig maken,) dat allen even welgezind waren tot hun zaligheid, want dat dan allen konden zalig worden, ja, dat er geen hel zou zijn, hoewel Hij echter het topje van Zijn pink niet in hun hart wil steken, om hun wil te neigen en over te buigen. En zo staat Christus tot de gehele wereld, die in haar zonde verloren gaat, te roepen: "Ik heb Mijn bloed voor u allen gestort en wens u de zaligheid toe, doch, wanneer u niet wilt komen en in Mij geloven, dan is Mijn voornemen, de lijn van Arminiaanse welvoeglijkheid en Jezuïetische gepastheid niet te overschrijden, en kan Ik uw harten niet komen trekken, door krachtdadig uw wil te besturen. Ik weet wel, dat u niet bekwaam bent uit uzelf iets goeds te denken, en dat u dood bent door de zonden, maar als u zalig wilt worden, doe dan zelf het grootste deel van het werk, dat is, pas uzelf door uw vrije wil de verlossing toe, gelijk Ik het andere kleinste deel, namelijk de verwerving van de zaligheid, of de mogelijkheid, verzoend en zalig gemaakt te worden, voor u gedaan heb. Het is Mijn hartenwens, dat u, en dat iedereen zalig wordt, maar Ik wil u de zaligheid niet thuis bezorgen, Ik laat het aan uw eigen vrije wil over. Verkies vuur of water, hemel of hel, volg de weg in welke uw hart u zal leiden; Ik laat het hierbij." O, zo’n liefde als dit is, kan mij niet zaligmaken! Indien de jonge erfgenaam daartoe wijsheid had, moest hij bidden, dat de wijze Voogd het staan of vallen van het huis niet aan zijn onervaren verstand en aan zijn onrijpe, breekbare en veranderlijke vrije wil wilde overlaten. Wij zullen onze kronen neerwerpen aan de voeten van Hem, Die op de troon zit, omdat Hij ons verlost heeft uit alle natiën, en geslachten, en volken en talen, en andere volken in hun goddeloze wegen laat omkomen. In de hemel zullen zulke Arminiaanse gedachten, als ik nu door de verdorvenheid van mijn natuur onderworpen ben, niet in mij opkomen. Dan zal ik het lied van de verlossing-om-niet, niet verdelen tussen het Lam en de vrije wil, en de vrije wil het grootste deel geven. Mijn ziel kome niet in de verborgen raad van hen, die Christus dus zwartmaken, en die schone, vlekkeloze en uitmuntende genade van God beschamen.
3e Gebruik. Hier is een uitnemende grond van bemoediging voor de uitverkorenen, om te geloven. Ook is de vrees voor de verwerping van eeuwigheid geen grond, om niet te geloven.
1e Tegenwerping. "Ik vrees, dat ik een verworpene ben."
Antwoord. Wilt u weten hoe noodzakelijk die zaligmakende Zaligmaker Jezus Christus een verworpene is, werp dan uw ziel onvoorwaardelijk op Christus. Daarmede zult u, als u dat doet, de kwestie beantwoord hebben en uw vrees, dat u een verworpene bent, zal weggenomen zijn, want een verworpene kan niet geloven.
2e Tegenwerping. "Doch mijn zonden en mijn onwaardigheid wijzen er meer op, dat ik een verworpene ben, dan dat God mij van eeuwigheid zou liefgehad hebben."
Antwoord. In het minst niet; of het moest zijn, dat de Heere u uw verwerping geopenbaard heeft. Zondig leem, alleen de grote Pottenbakker kan het leem reinigen en van u een vat ter ere maken.
3e Tegenwerping. "Gelijk het geloof en droefheid over de zonde de eerste ontsluiting van de verkiezing tot heerlijkheid zijn, zo is het voortgaan in de zonde, de eerste morgenschemering van de verwerping, en dat is mijn zonde."
Antwoord. Een hardnekkig tot het einde toe volharden in de zonde is een teken van verwerping, doch, laat het zo zijn, want ik houd er niet van, geestelijke wonden te verzachten of te verkleinen, dat u hardnekkig in de zonde voortgegaan bent, dan is uw plicht, in een gevoel van uw behoefte aan Christus, tot Hem te komen. Christus heeft er over te beschikken, en u mag zeggen: "Heere, ik ben het wel waard, dat ik een verworpene ben, maar er zijn zoveel duizenden, die het er niet beter hebben afgebracht dan ik, en die toch de lof van vrije genade voor de troon zingen; wees ook mij, onwaardige, genadig."
4e Tegenwerping. Doch indien mijn zonde mij een bewijs van mijn verwerping is, dan is het een schrale troost, dat ik tot Christus mag gaan en geloven, want het is zeker, dat ik Christus hardnekkig tegengestaan er Zijn roeping weerstaan heb."
Antwoord. Hoewel wij niemands zonden moeten verkleinen, toch mag een medicijnmeester wel zeggen, dat een kwaal niet zo erg is als men meent, en zo mogen ook wij zeggen, dat het een zware ziekte zijn moet, welke de kunde van Christus te boven gaat. Ook zal het zelden, of, zover ik heb kunnen nagaan, nooit voorkomen, dat iemand, die hardnekkig in de zonde voortgaat, met wijd uitgestrekte verlangens en begeerte kan bezet zijn, Christus te genieten, doordat hij zijn behoefte aan Christus ziet en kent.
5e Tegenwerping. Doch welke vertroostende bemoediging zou ik hebben, om in Christus te geloven, aangezien mijn hardnekkigheid verder gegaan is, dan bij iemand anders?
Antwoord. Er is geen bemoediging, welke voldoende is tot vertroosting van een onbekeerde. In onbekeerden kan geen even krachtig werk zijn als in bekeerden, daarom moet u zichzelf niet bij anderen afmeten. Hij moet wel ver achter zijn, die niet kan volgen.
6e Tegenwerping. Ja maar, ik vind niets in mij, dat mij voor Christus kan geschikt maken.
Antwoord. Iets, dat ons voor Christus voldoende gepast en geschikt maakt, is het loon, dat wij van nature in onszelf zoeken. De Antinomianen lasteren ons niet weinig, omdat wij leren, dat hardnekkige zondaren niet onmiddellijk, zo hardnekkig en trots als zij zijn, in Christus moeten geloven, niet omdat het hun plicht niet is, te geloven, maar omdat het geloven krachtens de natuur onbestaanbaar is in die personen, die geloven moeten. Geloven toch is het uitgaan van een zondaar uit zichzelf tot Christus, en een trots, hardnekkig, vijandig, onverbroken zondaar, die op generlei wijze vernederd is, blijft in zichzelf. Het zij ver van ons, dat wij iemand zouden vermanen, van ver te blijven staan en niet tot Christus te gaan, omdat hij niet voldoende voorbereid is, om tot Hem te komen of omdat hij de Koning geen geschenk heeft aan te bieden. Kom maar, gelijk u verzocht wordt, kus de Zoon, maar vrees en buig u voor Hem neer. Het geloof is iets zeer nederigs. Dat een zondaar verdienste loondienst, geheel of ten halve, koopgeld of iets gelijkwaardigs, aan Christus zou moeten geven, voor of nadat hij tot Christus komt, ontkennen wij ten sterkste.
7e Tegenwerping. Maar ik heb zulke geringe gedachten van Christus, en ben bevreesd, dat Hij mij zal verwerpen; hoe kan ik dan geringe gedachten van mijzelf en hebben en vernederd zijn, voordat ik geloof.
Antwoord. Niemand van ons zal dat leren, dat zaligmakende vernedering het geloof voorafgaat. Het is een zaak, verbroken en omgeploegd, en een andere, vernederd en geëgd te zijn. De wet moet de rotsachtige grond opbreken, eer u gelooft, doch Christus moet de kluiten verbreken, en de ziel eggen en week maken. Ware vernedering volgt op het geloof.
8e Tegenwerping. Maar ik vind in mijzelf lage gedachten van Christus, welke ten sterkste met het geloof in strijd zijn. Ik kan niet denken, dat Christus een zo zachtmoedig Lam is, dat Hij een wolf, een tijger of een luipaard aan Zijn boezem zal leggen.
Antwoord. Er is niemand, die geen te geringe gedachten van Christus heeft, voordat hij tot Hem kan komen, doch het Evangelie is in zijn geheel en in zijn delen een geneesmiddel. Christus heeft een genezende tong. Een medicijn staat in betrekking tot ziekte. Christus zou nooit tot ongelovigen gezegd hebben: (Joh. 6:37) "Die tot Mij komt, zal Ik geenszins uitwerpen", als niet de mens van nature zulke gedachten van Christus had, dat Hij ruw en zonderling en heerszuchtig is, en dat Hij er zover vanaf is, zachtmoedig te zijn, dat Hij duizenden arme zondaren, die tot Hem komen, uitwerpt. Daarom is Christus’ tong, als Hij zo spreekt, goede medicijn. Wij hebben allen jaloerse en zonderlinge gedachten van Christus. Men kan de ziekte kennen uit het geneesmiddel, contraria contrariis curantur. Zondaren, die vermoeid en belast zijn, denken, dat Christus ruw en niet zachtmoedig is, daarom zegt Christus: "Komt herwaarts tot Mij, allen die vermoeid en belast ziijt, en Ik zal u rust geven". Wij menen van nature dat Hij een Herder is, die een knuppel heeft, om ons te slaan, als wij niet op onze eigen voeten gaan kunnen. Daarom zegt de Heere (Jes. 40:11), dat dit niet zo is, dat Hij niet slaan zal, die niet op hun eigen voeten gaan kunnen, maar dat Hij de lammeren in Zijn armen vergaderen zal, en dat Hij de zogenden zachtkens zal leiden. Ja, indien de bekeerden en zwakken niet zulke verdenkingen voedden: "O, Christus staat zo hoog, en is zo heerszuchtig, dat Hij ons verbreken zal, als wij niet zo sterk zijn als anderen", dan zou niet van Hem voorzegd zijn: (Jes. 42:3) "Het gekrookte riet zal Hij niet verbreken, en de rokende vlaswiek, die zal Hij niet uitblussen." Nu, u kunt geen dierbare gedachten van Christus hebben, voordat u tot Hem komt, en zonder geld, een nieuw hart en nieuwe gedachten van Hem koopt.
9e Tegenwerping. "Maar het is vruchteloos en onmogelijk, te geloven, indien ik uitgesloten ben buiten het getal van hen, voor wie Christus gestorven is, want dan zou ik, omdat Christus Zijn bloed niet voor mij gestort heeft, vergeving van de zonden zonder bloedstorting moeten geloven".
Antwoord. U moet zo’n veronderstelling niet uitspreken, dat u niet behoort tot het getal van hen, voor wie Christus gestorven is, of dat u wel in dat getal bent ingesloten, want geen van beide is u geopenbaard, en de verborgen dingen zijn voor de Heere. Laat het u genoeg zijn, (1) dat u niet uitgesloten bent krachtens iets, dat u geopenbaard is; (2) dat u een schuldig zondaar bent en Christus nodig hebt; (3) dat u bevolen is, te geloven. Veronderstel eens, dat het zo was, dat Christus Zijn bloed niet voor u gestort had, dan zou het toch niet ongerijmder zijn, dat u verplicht bent in Christus, als een algenoegzame Zaligmaker, tot vergeving van zonden, te geloven, (al zou vergeving in het bloed van Christus niet voor u verworven zijn) dan dat u verplicht zoudt zijn, te geloven, dat Christus u onfeilbaar wil zaligmaken, ook wanneer Hij u beslissend verworpen heeft, krachtens voorgeziene volharding in onboetvaardigheid, dus dat Hij besloten heeft, het geloven niet in u te werken en dus ook de genade, om te geloven, niet voor u verworven heeft, terwijl Hij ziet, dat het voor u, zonder die genade, onmogelijk is, te geloven. Laat de Arminianen de ene twijfeling beantwoorden en wij zullen het de andere doen. Zij toch laten God zeggen, dat Hij de zaligheid van de verworpenen wil, terwijl de waarheid is, dat Hij die niet wil, want het is protestatio facto contrario, dat is, een wil, welke in strijd met Zijn bedeling over hen, en dus geen wil is, doch wij erkennen, dat God in Zijn beloften, geboden en bevelen zeer oprecht is, en dat de beloften alleen de kinderen van de belofte, niet de verworpenen, toebehoren.
10e Tegenwerping. "Maar het is onmogelijk, dat ik droefheid over de zonde zal hebben, of dat ik mij zal bekeren, voor dat ik in Christus geloof."
Antwoord. Wij leren niet, dat u zich eerst moet bekeren en dan geloven, of dat u eerst moet geloven en u dan bekeren. Onze leer is, dat er enige wettische droefheid en verbrijzeling van geest en wanhoop aan zichzelf aan het geloof voorafgaat, en dat er dan geloofsdaden en Evangelische bekering volgen, als wij door het geloof Hem zien, die wij met onze zonden doorstoken hebben en daarom over Hem rouwklagen. (Zach. 12:10). Wel mogen uw nooddruft, uw volslagen gebrek en uw zondigheid een spoorslag zijn, om u tot Christus uit te drijven, onder aanmerking, dat Christus gelegenheid vindt in uw zwarte zonden, om Zijn schone genade te verhogen. (Rom. 3:5, 20, 24, 25).
4e Gebruik. Indien Christus een welbehagen heeft, alle mensen te trekken, ach, zal Hij dan alle mensen, zo’n belangrijk aantal uit alle standen trekken, en zal Hij mij niet trekken? Heere Jezus, wat hebt Gij toch tegen mij? Als er staatsambten geschonken worden, en lijfrenten en pensioenen worden toegekend, zijn er altijd ontevredenen; dan is het: die man is meer bevoorrecht dan ik. Het zou goed zijn, dat er meer geestelijke ontevredenheid, met misnoegdheid over onze eigen rebellie gevonden werd en wat minder benijden van anderen. O, dat Christus, Die allen trekt, ook Mij wilde trekken, en dat Hij, Die er zovelen liefheeft, vanwege Zijn liefde mij wilde doen spreken: "Waar is uw Liefste heengegaan, o gij schoonste onder de vrouwen? Waarheen heeft uw Liefste het aangezicht gewend, opdat wij Hem met u zoeken? Veronderstel, dat er een goudmijn in Indië is, waar een ieder met een schip mag komen, om dat met goud te laden, en dat er menigten rijk geworden zijn, die daarheen gegaan zijn, doch dat het u nooit zo aangetrokken heeft, dat u er een reis heen gemaakt hebt, moet u het dan niet uzelf wijten, dat u nog arm bent, terwijl menigten rijk geworden zijn? Heeft Christus niet dikwijls, terwijl Zijn hoofd vervuld was met dauw, en Zijn haarlokken met nachtdruppen, aan de deur van uw ziel geklopt, en liet u Hem niet liever op de straten bezwijmen, dan dat u Hem wilde opendoen, om bij u te overnachten, hoewel u wel een achterdeur open liet, om uw boelen, die u liefhad, in te laten? Schaam u wegens uw verachten van die vrije liefde. Verachte liefde verandert in een vlam van Evangelie-wraak. Een Evangelie-hel is een hetere oven dan een wets-hel.
5e Gebruik. Laat niemand zichzelf een hel spinnen uit de wol van ongeloofs wanhoop. Indien Christus zo gewillig is, al de Zijnen te verlossen en te trekken, en de hel zo kan nabij komen, dat Hij tot zeven duivelen gaat, heb dan edele en ruime gedachten van de genoegzaamheid van Jezus, om zalig te maken. Overweeg en spreek bij uzelf met gevoel en met tere liefde tot Christus: Het gehele geslacht van verlosten, dat nu in witte klederen voor de troon staat en nu zo schoon, en zuiver, en vlekkeloos is, was eens, toen het op aarde was, zo zwart als een moor, evenals ik nu ben. Sommigen waren stallen van onreinheid voor de Satan en nu zijn zij kuise maagden, die met vrouwen niet bevlekt zijn, die voor het Lam staan. De monden, die eertijds God lasterden, zingen nu het nieuwe lied des Lams en van Mozes, de knecht des Heeren.
Wat een liefde is dit, dat er een kloof in de steenrots is, waar raven van de hel, als duiven van de hemel, mogen heenvliegen, en dat er een binnenste kamer van liefde in het hart van Christus is, voor stukken zondig leem!
De schone Heere Jezus kan de zwarte dochter van Farao beminnen. Het heeft Hem goedgedacht, dat Zijn hart vertederd zou zijn, vol liefde en mededogen, over een verloren Amoriet, een vuile Hethiet. Zijn hart breekt, als Hij de naakte vondeling ziet, die, op de vlakte des velds geworpen, in zijn bloed ligt te sterven. Christus kan liefhebben, wanneer ieder ander walgt. Het is groot, dat Hij een zondaar kan liefhebben, en u bent een zondaar; Hij heeft uw naam niet uitgedelgd uit het Nieuwe Testament. Denk u in, dat u Hem hoorde zeggen: "Zondaar, kom tot Mij; verloren mens, sta Mij toe, dat Ik u liefheb en dat Ik Mijnen liefde-vleugel over u uitbreid." Geef hem hartelijk, met een "Ach Heere" uw toestemming, en vat Hem op Zijn woord.
6e Gebruik. Rust nooit, voor u op zo’n punt van de weg naar de hemel bent, als een afvallige nooit zal bereiken. Wij zijn te spoedig tevreden over onze godsvrucht, en gaan geen stap verder dan zij, die een duivel uitgeworpen hebben, en tot wie de volgende dag zeven andere duivelen ingaan, en van welken hun laatste erger wordt dan hun eerste. Zulken zijn in belijdenis verlost, gekocht en gewassen, en bij zichzelf rechtvaardig, doch die niet meer hebben moeten afvallen. Die in het oog van de mensen een schaap, en in het hart een zeug is, zal tot het slijk terugkeren. Gun u geen rust, voordat u gewillig bent, alles te verkopen en de Parel te kopen; voordat u tot enige wezenlijke en persoonlijke doding gekomen bent, namelijk, tot een onderwerping van uw begeerlijkheden, tot een tenonderbrenging van het lichaam van de zonde, tot een hartelijk sterven aan de wereld, daarom, omdat uw Heere voor u gestorven is en de oude mens gekruisigd heeft. Ik bedoel geen zedelijke doding, zoals die van de Antinomianen, dat u gelooft, dat Christus uw begeerlijkheden voor u gekruisigd heeft, alsof u, zult u zalig worden, tot geen persoonlijke doding, door het gebod van de letter van de wet en van het Evangelie, verplicht bent. Denk nooit, dat u verlost bent, zolang u niet verlost bent van het wandelen in de wegen van deze tegenwoordige boze wereld, van alle ongerechtigheid, van uw ijdele wandeling. Schep geen adem, rust niet, voor u dat bereikt hebt, gelijk u toch niet graag weer afkerig van hart wilt worden.
7e Gebruik. Te geloven, dat men verlost is, doet de mensen Christus als hun Koning kronen, en zij voor wie Christus tot verlossing geworden is, moeten toestemmen en belijden, dat Christus een volkomen Zaligmaker, de Koning Zijner Kerk is. Zij, die afkerig zijn van het juk van Zijn regering en nog een koning boven Christus willen aanstellen, een overheidspersoon, die ambtelijk, niet door het Woord, maar krachtens het burgerlijke recht regeert, getuigen daarmede, dat zij onwillig zijn, dat Christus, bij hun leven, hun Heere is, aangezien zij niet willen, dat Hij Heere in Zijn Kerk en in Zijn kerkelijke instellingen is. Het grote geschil, dat God met ons heeft, is het verwaarlozen van de religie, het niet bouwen van de tempel, het toenemen van godslasteringen en ketterijen en vrees, dat Christus over ons regeren zal.
vs. 32. En Ik, zo wanneer Ik van de aarde zal verhoogd zijn, zal ze allen tot Mij trekken.
Het vierde aanmerkelijke punt in het trekken is de terminus ad quem, de Persoon tot Wie allen getrokken worden. "Het is, zegt Christus, [Gr. pros hemauton] tot Mij." Dit is geen woord, dat weggelaten had kunnen worden. Gelijk er in het Evangelie niets teveel staat, niets, dat overtollig is, zo ook is Christus niet iemand, die wel achtergehouden kon worden. Christus is altijd nummer Één, Hij moet altijd de Eerste zijn. Neem Christus uit het Evangelie weg, en er blijven niets dan woorden over, neem Hem uit het verlossingswerk weg, en het is maar een ijdele schaduw. Ja, neem Christus uit de hemel weg, en ik zal er niet naar uitzien, daar te mogen komen. Dit is een edel en goddelijk "tot Mij"; Ik zal ze allen tot Mij trekken.
1. Het is voor ons niet hetzelfde, wat wij verlaten. Indien wij de aarde verlaten, die is slechte een lemen voetbank, een vergankelijk, verdwijnend toneel, een huis van de smart, ons vergankelijk medeschepsel; verlaten wij de zonde, dan verlaten wij de hel, de worm, die niet sterft; in de baarmoeder van de zonde is wraak en eeuwige toorn; vader en moeder en alle afgoden van een ingebeelde zaligheid te verlaten is niets, maar tot Wie wij gaan zullen, tot Christus of niet tot Hem, of wij tot Hem gaan, Die God, de zelfstandige en eeuwige verlustiging Gods is, o, dat is iets van het hoogste belang.
2. Dit "tot Mij", dat uit de mond van Jezus Christus komt, is alles en alles; het is de hemel, de heerlijkheid, de zaligheid, het nieuwe Paradijs, de nieuwe Stad, het nieuwe leven, de nieuwe uitverkoren, dierbare Steen, Welke in Sion gelegd is, de nieuwe heerlijkheid, het nieuwe Koninkrijk. In dit "tot Mij" ligt meer nadruk, meer scherpte en kern van woorden en zaken, dan in de gehele Schrift, dan in de gehele aarde en de hemel, en in alle mogelijke en denkbare hemelen. Waarom is Israël losgelaten? Hoor de reden: (Ps. 81:12) "Israël heeft Mijner niet gewild." Waarom drinken zij bedorven wateren, uit bakken van de hel? Hier ligt de oorzaak: (Jer. 2:13) "Ontzet u hierover, gij hemelen," Waarover? Mijn volk heeft twee boosheden gedaan, (en ach, deze twee, het zijn er honderden en miljoenen), Mij, de Springader des levenden waters, hebben zij verlaten. Roept niet Christus het gehele Evangelie door: Wie wil Mij hebben? Wie wil Mij aannemen? Is niet dit de Evangelie-twist: (Joh. 5:40) "Gij wilt tot Mij niet komen, opdat gij het leven moogt hebben?" Het is geen spel, in de zonde te sterven; het is een droevige val, in de hel te vallen. (Joh. 8:21) Jezus dan zeide wederom tot hen: "Ik ga heen, en gij zult Mij zoeken, en in uw zonden zult gij sterven; daar Ik heenga kunt gijlieden niet komen."
3. Waar u ook op ziet, buiten Hem zal niets u kunnen zaligmaken, doch een blik op Hem zal u in het bezit stellen van een eeuwige zaligheid. (Jes. 45:22) "Wendt u naar Mij toe, (Eng. Vert. Ziet op Mij) wordt behouder, alle gij einden der aarde, want Ik ben God, en niemand meer; komt, en de hemel is uwe, voor één blik, voor één oogopslag. En wanneer de verwoesting komt, zodat de Kerk zal zijn als twee of drie beziën, die overgebleven zijn in de top des opperste twijgs, en al het overige verwoest zal zijn; wat zal het overblijfsel dan redden? (Jes. 17:7) Op die dag zal de mens zien naar Dien, Die Hem gemaakt heeft. En wanneer Jeruzalem verlost wordt, en de Geest der genaden en der gebeden over het huis Davids wordt uitgestort, (Zach. 12:10) dan zullen zij Mij aanschouwen, Die zij doorstoken hebben, en zij zullen over Hem rouwklagen, als met de rouwklage over een enige zoon.
(4) Bent u arm en naakt, Christus zegt: "gij vermagerde en hongerige, gij, die brood gebrek hebt, en zwoegt, en uw geld uitgeeft, (Jes. 55:2) hoor aandachtiglijk naar Mij, en eet het goede, en laat uw ziel in vettigheid zich verlustigen. (vs. 3) Neig uw oor en kom tot Mij, hoor en uw ziel zal leven, want Ik zal met u een eeuwig verbond maken en u geven de gewisse weldadigheden Davids. Dan sterft de ziel een zieledood; zij is mager, zij eet drek, zij heeft geen brood, terwijl zij tot Christus komt. (Openb. 3: 18) Ik raad u, dat gij van Mij koopt. O, deze edele "Mij", deze schone, vermaarde en heerlijke "Mij". Ik raad u, dat gij van Mij koopt, (en niet van anderen, die maar bedriegende marskramers zijn) goud beproefd komende uit het vuur. Alles is voor goud te koop, en dat wordt niet gekocht; maar dit is geen gewone Koopman. Koop van Mij witte klederen, dat u mag bekleed worden. Doch het kan zijn, dat u een last te dragen hebt, waaronder uw rug en uw benen bezwijken. Hoort Hem u nodigen: Komt herwaarts tot Mij, allen, die vermoeid en belast zijt, en Ik zal u rust geven. En omdat allen naar het een of ander geluk dorsten, en aller begeerten naar de ene of andere hemel hunkeren, staat Jezus te Jeruzalem met luider stem te roepen, gewillig zijnde, zalig te maken: "Zo iemand dorst, die kome tot Mij en drinke." (Joh. 7:37; Joh. 11:26) En een ieder, die leeft en in Mij gelooft, zal niet sterven in van de eeuwigheid.
(5) Wat is er grote reden, naar dat woord te horen: (Hoogl. 5:2) "Doe Mij open, Mijn zuster, Mijn vriendin, Mijn duive, Mijn volmaakte," en hoe liefelijk is de stem van de Wijsheid: (Spr. 7:14) "Nu dan, kinderen, hoort naar Mij, en luistert naar de redenen Mijns monds. " (Jes. 49:1) Hoort naar Mij, gij eilanden, zo spreekt Hij tot Zijn verlosten; (Jes. 48:16) "Nadert gijlieden tot Mij."
(6) Niets is dan ook gepaster als dat Zijn eed bestaan zal, dat alle knie, welke niet voor Hem wil buigen, zal verbroken worden. (Jes. 45:23) Ik heb gezworen bij Mijzelf. (Rom. 14:11) Want daar is geschreven: "Ik leef, zegt de Heere, voor Mij zal alle knie buigen, en alle tong zal God belijden."
(7) Welke grotere eer kan er zijn, dan zo’n verbond, waarin Christus tot Zijn bruid spreekt: (Hos. 3:3; Eng. Vert.) En Ik zeide tot haar: Gij zult vele dagen voor Mij blijven, gij zult niet hoereren, noch een andere man geworden en Ik zal voor u zijn. (Hos. 2:18) En Ik zal u Mij ondertrouwen in eeuwigheid, ja, Ik zal u Mij ondertrouwen en (vs. 19) Ik zal u Mij ondertrouwen in geloof.
(8) In Hem is een vaste grond voor het geloof en vertrouwen. (Luk. 10:22) "Alle dingen zijn Mij van Mijn Vader overgegeven." (Matth. 28:18) "Mij is gegeven alle macht in hemel en op aarde." Er is veel aan Christus toevertrouwd. (Joh. 17:6) "Zij waren Uw en Gij hebt Mij dezelve gegeven." (Hebr. 2:13) "Ziet daar, Ik en de kinderen, die Mij God gegeven heeft." (Luk. 22:29) "Mijn Vader heeft Mij het Koninkrijk verordineerd."
Dit "tot Mij" heeft nog groter scherpte en volheid door de zielinnemende en trekkende uitdrukkingen van Christus. Wij worden tot Christus getrokken, als tot een Vriend. Tot Christus te naderen, wordt uitgedrukt door tot Hem te komen.
1. Wij komen tot Hem als tot ons huis; de mens, die tot Christus komt, is in het huis van een Vriend; Christus zal Hem niet uitwerpen (Joh. 6:39). De mens mag hetgeen waarmee hij belast en beladen is van zich afwerpen, en zichzelf en zijn last op Hem wentelen en zo rust vinden voor zijn ziel. Zo iemand staat noch loopt, maar zit neer onder de schaduw van de Boom des levens. (Hoogl. 2:3) Ik heb grote lust in Zijn schaduw en zit er onder, en Zijn vrucht is mijn gehemelte zoet. En hoe neemt Christus de ziel in? O, allerinnemendst! (vs. 4) Hij voert mij in het wijnhuis. Wat denkt u van een huis der vreugde? Elke steen, elke balk, elke dakpan, elke muur en vloer is de met blijdschap vervullende vertroosting van de Heilige Geest. Wat nog verder? Liefde is Zijn banier over mij, de vlag en het vaandel van deze Overste, is de liefde van Christus. Wat een liefderust is hier! (vs. 6) Zijn linkerhand zij onder mijn hoofd en Zijn rechterhand omhelze mij. Welk een liefde-bed moet dat zijn, in een hoek, in een kring, omsloten te liggen tussen de twee eeuwige armen! De linkerhand is het dichtst bij het hart, zo’n ziel moet dus met hoofd en hart aan de borst en het hart van Jezus Christus liggen en van boven en van onderen zijn tot peluw, tot dekking en tot gordijnen, armen van eeuwige liefde. Een huis, dat van binnen en van buiten geheel opgetrokken is van eeuwige blijdschap en vertroostingen, is onvergelijkelijk. Nu, van zo’n kamer van een koning, van zo’n banier en zulke gordijnen, als de liefde is, van zo’n bed als de omhelzingen van Christus zijn, hoort men nergens elders.
2. Het leven is de liefelijkste bloem van alles, wat een bestaan heeft; het is een innemend iets. (1 Joh. 5:12) Nu, die de Zoon heeft, heeft het leven; allen, die buiten Christus zijn, zijn dode mensen. Zo komen wij tot Christus als tot ons leven. (1 Petr. 2:4) Tot welke komende, als tot een levende Steen, van de mensen en wel verworpen (doch wat hindert dat), maar bij God uitverkoren en dierbaar. Waar, behalve hier, lezen wij van een Steen met leven, met zo’n edel leven, dat een met een hoog verstand begaafd leven, ja, het leven Gods is? O dood, kom tot uw leven, dat met Christus verborgen is in God (Kol. 3:3). Hier is een ademende, levende Steen, en wel een uitverkorene, van hoge waarde. Indien alle gekroonde hoofden, van Adam af, totdat deze wereld zal vergaan, zichzelf, hun rijk en al hun edelgesteenten verkochten, zouden zij zich nog niet één dag in de heerlijkheid van de hemel kunnen kopen. Doch veronderstel, dat zij de aarde en de hemelen konden verkopen, en dat zij zon, maan en sterren als hun erfenis van roerend goed konden verpanden, en dat zij die alle miljoenen malen konden verkopen, dan zouden zij er nog ver vanaf zijn, iets te hebben, dat in vergelijking kon komen, om die uitverkoren, dierbare Steen te kopen, die uit de berg Sion gehouwen is. (Job 28:13) De mens weet de waarde van de wijsheid van deze Wijsheid niet, (vs. 18) de Ramoth en Gabisch (Eng. Vert. koraal of parels) zal niet gedacht worden, want de trek (Eng. Vert. prijs) van de wijsheid is meerder dan van de robijnen. (vs. 19) Men kan de Topaas van Morenland haar niet gelijk waarderen, en bij het fijn, louter goud kan zij niet geschat worden. Op deze markt, zo kostbaar is deze Steen, helpt geen praten of bieden, want het is de Steen, die leeft, die de hemel uitademt, die God is, de hemel oneindig ver overtreffende.
3. "Tot Mij", zegt Christus, omdat niemand zo voortreffelijk is, dat hij in vergelijking komt bij Hem, Die alleen God aan de zondaar kan geven. Joh. 14:6) Niemand komt tot de Vader dan door Mij. Het moet een onvergelijkelijk voorrecht zich, door Jezus Christus tot God te komen. God, God is Alles in allen. Ik kan niet zaligmakend tot iemand getrokken worden, dan tot Hem, Die God aan mij kan openbaren. Christus is de Boezem en het Hart Gods, de enige verse en levende Weg, en de Deur Die tot God leidt, Alle schepselen, engelen, mensen en heiligen zijn vreemdelingen bij God. Het zelfstandige, wezenlijke, levende, met verstand begaafde Beeld Gods, God zijnde, kan alleen God openbaren. Christus zeide tot Filippus: (Joh. 14:9). "Die Mij gezien heeft, die heeft de Vader gezien." Ontsluit Christus en u omsluit God; geniet Christus en u geniet God; kom in tot Christus en u komt in tot een nieuwe Wereld, tot een nieuw Alles, tot een nieuwe, oneindige Oceaan, u valt in het hart van Hem, Die God is.
4. "Tot Mij" als tot alle volmaaktheid en volkomenheid van volheid’ Terwijl u tot Christus komt, is alles als voorbijgaande stromen en schaduwen en als een ledigheid; het arme niets is dan een ijdele grond voor een zondaar.
(1) (Joh. 1:16) Uit Zijn volheid hebben wij allen ontvangen, ook genade voor genade; dit is de volheid van een Bron, de volheid Gods. In Christus (Kol. 2:9) is de volheid zelf. Het is geen gaande en komende volheid. Er is een volheid in de zee, maar die is eb en vloed onderhevig; er is een volheid in de maan, maar die is afnemende en toenemende; er is een volheid in het schepsel, maar het is een op en neer gaande, doch in Christus woont een volheid. Het is bij Christus nieuwe maan en volle maan, dageraad en middag, alles tegelijk. Alle volheid woont in Christus. In Absalom was een volheid van schoonheid, doch niet van waarheid en oprechtheid; in Salomo was een volheid van wijsheid, maar geen volheid van standvastigheid, hij gaf zijn hart over aan vermaak en dwaasheid; in Achitofel was een volheid van staatkunde, doch geen volheid van heiligheid en trouw aan zijn vorst, neen, maar een volheid van dwaasheid, om zich te verhangen; er was een volheid van sterkte in Simson, maar geen volheid van geloof en zuiverheid en dapperheid van gemoed, hij was sterk van lichaam, maar zwak en machteloos van gemoed, zodat hij door een vrouw overwonnen werd. Er is een leemte, een holte, een ledigheid in elk schepsel. De volheid van een engel, komt een zuiver niets zeer nabij. Een engel kan tot niets terugkeren en is van nature vatbaar voor dwaasheid, doch in Christus is alle volheid. Evenals elke volheid niet alle volheid is, zo is iedere volheid niet de volheid van de Godheid, en dan wil dit "tot Mij" zeggen, dat de uitverkorenen tot Christus, als de uitgezochtste, de zeldzaamste aller volheden getrokken worden.
(2) Christus is onder alle uitgezochte dingen en in alle betrekkingen de voornaamste, de eerste, de luisterrijkste en heerlijkste. Onder de koningen is Hij (Openb. 1:5) de Overste van de koningen der aarde; (Openb. 19:16) de Koning der koningen, de Heere der heren. Onder de profeten, is Hij de Profeet, Die verwekt is uit het midden van de broederen, (Deut. 18:18). Onder de priesters, is Hij de hoogste en de grootste, (Hebr. 3:1; 7: 17) de eeuwige Priester, naar de ordening Melchizedeks. Onder de goden staat Hij alleen (1 Tim. 1:17) als de alleen wijze God. Onder de engelen is Hij de Engel van het aangezicht (of van de zelfstandige tegenwoordigheid), des Heeren, de Archangel, het Hoofd van de engelen (Jes. 63:9; 1 Thess. 4:16; Kol. 2:10). Onder de schone dingen is Hij de Bloem van Jesse, de Roos van Saron, de Lelie der dalen, veel schoner dan de mensenkinderen (Jes. 11:1; Hoogl. 2:1; Ps. 45:2). In geen lippen is zo’n genade geschapen, ja, in geen aangezicht is ongeschapen genade, dan alleen in het Zijne. Onder de herders (1 Petr. 5:4) is Hij de Overste Herder. Onder de legerscharen is Hij de Banierdrager, (Hoogl. 5:10) die de banier draagt boven tienduizend. Onder de schepselen (Kol. 1:15) is Hij de Eerstgeborene aller creaturen. Onder de erfgenamen (Hebr. 1:2) is Hij de Erfgenaam van alles. Onder hen, die dood waren en weer levend zijn geworden, en de vrucht, welke uit de dood ontspruit, is Christus (Kol. 1:18; 1 Kor. 15:20) de Eerstgeborene uit de doden, en de Eersteling van degenen die ontslapen zijn. Onder de zonen is Hij Gods eerstgeboren Zoon; (Hebr. 1:6; 1 Joh. 4:9) Zijn eniggeboren Zoon. Onder de heilanden is er niemand onder de hemel, die een heiland, een zaligmaker, genoemd kan worden, dan Hij alleen, (Hand. 4:12) ook is de zaligheid in geen andere; Hij is de eerste onder de broederen. (Rom. 8:29) de Eerstgeborene onder vele broederen. In één woord, Hij is de meest Uitgelezene, de Voornaamste van de kudde, de Keur, de eerste Heerlijkheid, de Banierdrager van de hemel, het Hart, de Roos, de voornaamste Verlustiging van de hemel, de Uitgelezenste van hemel en aarde, de Weergaloze, de Voornaamste van alle liefsten. Sommigen hebben de ene voortreffelijkheid, anderen weer een andere. Abraham was voortreffelijk in het geloof; Mozes daarin, dat hij Christus verkoos boven alle schatten van Egypte; David in zijn oprechtheid, zijnde een man naar Gods hart, doch Christus heeft alle voortreffelijkheid van genade in zich verenigd. Sommigen zijn goden, die nochtans zullen sterven als een mens, doch Christus de Vorst des levens is dood geweest, maar kan niet meer sterven. Sommigen zijn wijs, maar Hij is de Wijsheid zelf. Sommigen zich schoon, doch Christus is de Schoonheid en het Afschijnsel van des Vaders heerlijkheid. Wij zijn zo geneigd, geringe en lage gedachten van Jezus Christus te hebben en Hem te onderschatten.
(3) Wij zouden een engelentong moeten hebben, daartoe onmiddellijk in de hemel door God geschapen en door de oneindige kunst van de Almacht geformeerd, om boven andere tongen de lof van Christus uit te spreken, en de pen zou door God gevormd, en de inkt van het water des levens gemaakt moeten zijn, en het papier zou schoner dan het lichaam van de zon, en het hart zo rein als van de zuivere en onzondige engelen moeten zijn, als men een Boek zou willen schrijven van de voortreffelijkheid en de allesovertreffende uitnemendheid van Jezus Christus. Alle woorden, zelfs die door de profeten en de apostelen geuit zijn, kunnen Christus niet beschrijven. Denkt u in, dat engelen en mensen en miljoenen geschapen hemelen, meerder dan die nu zijn, een Tempel en een hoge zetel of troon der eer zouden bouwen, zich verheffende van de aarde tot de hoogste omtrek van de hemel der hemelen, ja, miljoenen mijlen boven die hoogste hemel; en dat tot het bouwen geen ceder- of almuggimhout gebruikt werd, maar hout, gegroeid aan de oevers van de rivier van het water des levens, dat door de straten van het Nieuwe Jeruzalem vloeit, en dat de binnenzijde niet bekleed werd met goud van Ofir, gezuiverd zeven maal, maar met een nieuw soort goud, dat gevonden was boven de zon en de sterren, het goud van Ofir vele malen te boven gaande; en dat de stenen niet van marmer of saffier of robijnen waren, noch dat die uit de uitnemendste bodem, welke men zich denken kan, waren uitgegraven, maar dat zij veel zuiverder waren dan de enkelvoudige natuur die kan opleveren; denkt u in, dat elke steen een ster of een deeltje van de zon was, en dat het gehele samenstel van het huis de heerlijkheid van Salomo’s tempel zo ver overtrof als alle edelgesteenten de drek van de straten in heerlijkheid overtreffen; en dat Jezus Christus op die hoogste zetel van de eer in deze tempel ging zitten, gelijk Hij in Salomo’s tempel woonde, dan zou die stoel toch maar een geschapen schaduw, te laag en te gering voor Hem, zijn. Dit komt nog niet toe aan dat, wat de Heere door de apostel uitdrukt, als hij aantoont hoe verheven en hoog Christus is: (Filip. 2:9,) Daarom heeft Hem ook God uitermate verhoogd, Hij zegt niet [Gr. ho Theos auton hupsose] dat God Christus verhoogd heeft, maar, God heeft Hem [huperupsose] over verhoogd, meer dan verheven, en heeft Hem [Gr. honoma to huper pan onoma] een Naam, welke boven allen naam is, gegeven, dat is wezenlijke eer, boven alle uitdrukking, boven alle bevatting. Indien zo’n tempel of Majesteitszetel genoemd mocht worden, dat zou niet boven allen naam zijn, noch een heerlijkheid boven alle heerlijkheid, welke genoemd kan worden, hetzij in deze wereld, hetzij in de toekomende.
"Tot Mij." Bekering is de trekking van een zondaar tot Christus, het is een bovennatuurlijke reis; het is geen gewone weg waarlangs men tot deze eeuwige wijsheid Gods komt, gelijk geschreven is: (Job 28:7). De roofvogel heeft het pad niet gekend en het oog van de kraal heeft het niet gezien. (vs 20) Waar is de plaats des verstands? (vs 21) want zij is verholen voor de ogen aller levenden, en voor het gevogelte van de hemel is zij verborgen. (vs 22) Het verderf en de dood zeggen: Haar gerucht hebben wij met onze oren gehoord. Waar is zij dan? De donkere kaars van het licht van de natuur kan haar niet ontdekken. (vs 23) God verstaat haar weg, en Hij weet haar plaats. (Spr. 15:24) De weg des levens is naar boven. De weg van het leven van alle voortreffelijke levens is een hoge en verheven weg; een ieder kent die niet.
Christus zegt, bij wijze van uitsluiting, dat geen ziel zich tot Hem wendt, dan alleen door een sterke hand en drang. Nooit komt iemand tot Christus op zijn eigen lemen voeten, of door de kracht van zijn vrije wil. (Joh. 6:44) "Niemand kan tot Mij komen, tenzij de Vader, Die Mij gezonden heeft, hem trekke".
Omtrent hen, die tot Christus komen, geschieden zeer uitgebreide handelingen Gods, aangezien er een overdracht of overgift van hen, door de Vader aan de Zoon, moet plaatsgrijpen. (vs 39) "AI wat Mij de Vader geeft, zal tot Mij komen". Het overdragen of overgeven van een ziel, door de Vader aan Christus, is geen afstand van eigendomsrecht, zodat die mens niet meer de Vader toebehoort, of niet langer onder het opzicht of de leiding van de Vader is, maar alleen onder de Zoon staat.
De Familisten leren, dat er onderscheiden tijden van de werking van de verschillende Personen van de Drie-eenheid zijn, zodat men kan zeggen, dat de ziel zolang onder de bewerking van de Vader en niet van de Zoon, en zolang onder de bewerking van de Zoons en niet van de Geest is.
Wij weten niet van zulke onderscheiden posten naar de hemel, noch van zo’n van de ene in de andere hand overgaan. De heiligen hebben vele wendingen in hun weg naar de hemel, doch de drie Personen zijn op dezelfde tijd samen werkzaam, om de doden uit hun graven te doen uitkomen. (Joh. 6:39, 44, 45; Joh. 5:24, 25) In een dode zondaar, die levend gemaakt wordt, zijn het de drie Personen, Die de ogen van de blinde openen en de verloren zondaar bekeren. (Matth. 11:25—27; Ef. 1:17, 18; Matth. 16:17; Joh. 12:32; 2 Kor. 3:14—17; Joh. 14:23; Joh. 16:7—10; Joh. 14:16; Ef. 2:1—4; 1 Joh. 11:27; 1 Joh. 5:6, 7). Genade, barmhartigheid en vrede komen op dezelfde tijd tot de zeven Gemeenten, van de drie Personen, van Hem, Die is, en Die was, en Die komen zal, en van de zeven Geesten Die voor Zijn troon zijn, en van Jezus Christus, Die de getrouwe Getuige is, enz. (2 Kor. 13:13; Openb. 1:4, 5). De Vader geeft de uitverkorenen zo aan de Zoon, dat ik niet graag zou willen, dat ik dan niet meer onder de zorg en het opzicht van de Vader was. De Vader draagt hen over, en doet hen tevens in de ingewanden Zijner liefde en in de waarheid blijven (Joh. 17:2, 10, 11). Zo lezen wij van de onderwijzing van de Vader, en van hun horen en leren van de Vader. (Joh. 6:45) Er is geschreven in de profeten: "En zij zullen allen van God geleerd zijn. Een ieder dan, die het van de Vader gehoord en geleerd heeft, die komt tot Mij.
Ter gebruikmaking van deze leer zal ik over drie zaken handelen.
1e Hoe zij zondigen, die zich tegen de rechterhand van de Vader verzetten.
2e Wat de vrije wil en zedelijke braafheid kunnen doen, of hoe waardeloos zij zijn, om gemeenschap met God te bewerkstelligen.
3e Men moet hen weerleggen, die menen, dat wij niet bidden, noch iets doen moeten, noch dat wij onze zaligheid moeten uitwerken met vrees en beven, dan alleen wanneer de Heere door zaligmakende genade in ons werkt en onwederstandelijk trekt.
Opdat deze algemene Evangelie-zonde te duidelijker in al haar vuilheid mag openbaar worden, zullen wij overwegen: (1) Wat er in Christus is, Die trekt. (2) Wat er in de genade is, waardoor zondaren getrokken worden.
1. Christus de Trekker. Er zijn veel trekkers, die ons aanzoeken. De wereld is de staart van de grote, rode draak, "en zijn staart trok het derde deel van de sterren van de hemel, en wierp die op de aarde". (Openb. 12:4). Heerlijke belijders, die als sterren aan de hemel fonkelen, worden afgetrokken, zodat zij de vuile wereld navolgen. Zou er meer macht in de staart van de Satan zijn, om de sterren van de hemel te trekken, dan er schoonheid en liefelijkheid in het aangezicht van Christus is, om harten te bekoren? (Deut. 30:17) De harten van sommigen wenden zich af en worden gedreven, zich voor anderen goden te buigen en die te dienen, doch dat zijn maar bastaardgoden. Christus heeft een waarachtige, wezenlijke Godheid in Zich. Waarom toch wilt u niet getrokken worden door de reuk van Zijn kostbare oliën? (Hand. 5:37) Judas Galileus stond op, en maakte veel volks afvallig achter zich, en zij zijn verstrooid geworden. (Jak. 1:14) Een ieder mens, die verzocht wordt, (en wie wordt er niet verzocht?) wordt door zijn eigen begeerlijkheid afgetrokken, en dat is een moeder, die zwanger is van de dood en de hel. Veronderstelde goedheid is een hengel, of een groot net, waardoor miljoenen zielen naar het eeuwig verderf getrokken worden. Elk mens heeft een ziel-trekker bij zich; duivelen en valse leraars trekken en verwelkomen de zielen. O, laat Christus u aantrekken! Hij is de Roos zonder doornen; de Zon zonder wolken; de Schoonheid van de Godheid zonder vlek. Hij trekt het hart van Zijn Vader, om Hem lief te hebben en Zich in Hem te verlustigen. De liefde van Christus en de kunst van vrije genade zijn goed, om zielen te trekken. Geen trekker van zielen is bij Hem te vergelijken. Ach, onze harten zijn zo zwaar als de hel; veronderstelt, dat de hel zo groot is als tien werelden, geheel van zand, of ijzer, of van de zwaarste steensoort, die er in de wereld is. Ja, alles, wat men zich kan verbeelden, dat aanspraak maakt op beminnelijkheid, is leugen, doch Christus is waarachtig. Elk stukje schoon leem is de hel; Christus is de hemel. Elke schoonheid is zwartheid; Hij is geheel beminnelijk. (Eng. Vert. Hoogl. 5:16).
2. Om zielen zedelijkerwijze te trekken is er niets, dat Christus in het Evangelie evenaart. David wordt door de Heere een Zanger genoemd, liefelijk in Psalmen Israëls; wanneer Christus tot het hart spreekt, zingt Hij als de hemel en als de heerlijkheid van een nieuwe, ongeziene wereld. (Deut. 33:16) Jozef was van de Heere gezegend, om de goedgunstigheid Desgenen, Die in het braambos woonde; het is in Christus alleraanlokkelijkst, dat Hij de Vogel in het bos, de Paradijsvogel, de Tortelduif in ons land (Hoogl. 2:12) is, die de liefelijke Evangeliezangen zingt, en de Psalmen van goede boodschap uit Sion, vrede, vrede van de hemel, de gebrokenen van hart, de treurigen in Sion. Het gehele Evangelie is een lied der liefde van Christus, Die uit liefde gestorven is, om Zich in zondaren van leem te verheugen en die bij Zich in de hemel te hebben. Zijn dat geen liefdesliederen van de Vogel, Wiens nest in het braambos was? "Zo iemand dorst, zegt Christus, die kome tot Mij en drinke, en die wil, neme het water des levens om niet". Indien dit niet tot Christus kan trekken, wat zal het dan doen? Geen wet, vloeken, noch beloningen kunnen trekken. Christus speelt een bron van verblijdend nieuws op de fluit, doch slechts weinigen dansen (Matth, 11:16).
3. Hoe lager die hoge liefde afdaalt, hoe liefelijker en krachtiger zij trekt, en hoe groter de schuld is, dat men er niet door aangetrokken wordt. Christus verliet Zijn Goddelijke heerlijkheid en ontledigde Zichzelf voor ons, zodat Hij een worm werd en geen man (Ps. 22:6), de onwaardigste onder de mensen, (Jes. 54:3), (het woord betekent, dat het betwijfeld werd, of Hij wel tot het getal van de mensen behoorde) en Hij woonde in het braambos. Hij bouwde Zijn nest niet temidden van de cederen, maar in het braambos. [Hebr. Seneh] een kreupelbos, komt overeen met Sina of een woestijn of wildernis in Arabië. Christus neemt het zeer kwalijk en weent er over, (Matth. 23:37; Luk. 19:42) dat, waar Hij als een hen in het braambos afkomt, en Zijn grote vleugelen, veel groter dan die van de arenden, uitbreidt, opdat zondaren in Jeruzalem zich als Zijn jongen daaronder zouden begeven, om door de warmte van Zijn eigen hart gekoesterd te worden, zij niet getrokken willen worden. Wanneer Hij in de tijd van de ballingschap (Zach. 1) verschijnt, om Zijn volk uit hun gevangenschap te verlossen, en velen niet verlost willen worden, wordt Hij gezien (vs. 8) staande tussen de mirten, die in de diepte waren. Het is zo, de mirteboom steekt ver boven de doorn en distel uit, Jes. 55:13) doch het is hetzelfde, als dat Christus in het braambos woont en tot de geringste planten afdaalt, want de mirte is meer kreupelhout dan een boom, en groeit in dalen en woestijnen en aan het strand. Christus is een jonge, lage Plant en een Wortel uit een dorre aarde. Er ligt iets uitdagende in, dat niemand de prediking van Hem geloofd heeft, en dat slechts weinigen door de Heere Jezus, die Gods arm is, getrokken worden; terwijl alle sterkte Gods en de trekkende macht van de genade in Christus is, in die Christus, Die in Zijn liefde zo laag tot ons afdaalde. Het is een grote schuld, zulke laag nederbukkende liefde te weigeren. De zaligheid zelf kan niet zaligmaken, wanneer die liefde niet kan zaligmaken, welke zich tot de hel, de dood, de schande en het graf vernedert. U denkt er licht over, dat u viermaal per week een liefdeslied van het Evangelie ongebruikt laat voorbijgaan, maar u weet niet wat een schuld u daardoor op u laadt.
Hoe groter de zaligheid is, tot welke u getrokken wordt, hoe groter de zonde is, dat u er geen acht op geeft. Indien Christus u trok tot de tastelijke berg, tot het brandende vuur, tot de vloeken van de wet, tot het vreselijk gezicht van de vurige gramschap Gods, dan zou men zeggen, dat het minder zonde was, Hem af te wijzen, maar Hij trekt u (Hebr. 12:22) tot de berg Sion en de stad des levenden Gods, tot het hemelse Jeruzalem en de vele duizenden der engelen, tot de algemene vergadering en de Gemeente der eerstgeborenen, die in de hemelen opgeschreven zijn, en tot God, de Rechter over allen, en de geesten van de volmaakte rechtvaardigen, en tot de Middelaar des Nieuwe Testaments, Jezus, en het bloed der besprenging. Hij voegt er nog aan toe: "Ziet toe, dat gij Dien, Die spreekt, niet verwerpt"; Hij is een Spreker van de hemel. Het is maar een Huis, een Gezin dat op aarde en in de hemel is; zij verschillen alleen daarin, dat zij broederen zijn van verschillende leeftijd. Paulus (Rom. 16:7) laat zijn groet overbrengen aan Andronicus en Junia, die, zegt hij, ook vóór mij in Christus geweest zijn. Zij ontvangen meer eer, die voor ons in heerlijkheid zijn. Evenals de eerstgeborenen in de natuur en in genade, zo ook ontvangen de eerstgeborenen van de heerlijkheid meer eer dan wij, en toch zijn zij allen een huis. Wij moesten niet wenen om de dood van onze vrienden, want zij ontvangen een kroon en eer. Zo is dan, tot Christus getrokken te worden, tot de hemel getrokken te worden. Hij verdient voor eeuwig te wenen en zijn tanden te knersen in de hel, die rechtuit weigert tot de hemel getrokken te worden.
Er is nog een andere grond, waarop aan te tonen is, welk een hooggaande terging het is, de Evangelie-trekking van Christus’ arm tegen te staan, dat de weg is, om de werking van de genade te weerstaan. Uitleggers zeggen over de tekst, dat het trekken van Christus, wanneer Hij aan het kruis verhoogd is, een duidelijke zinspeling is op de wijze, waarop Christus gekruisigd is, waarbij Hij met uitgestrekte armen Zijn borst als aanbiedt, en Zijn hart en boezem opent, en uitroept: "Wie wil in Mijn hart komen wonen? Nog eens: Gunsten, welke door een grote vriend, stervende, hartelijk worden aangeboden, behoren niet geweigerd te worden. Nu was het bittere hout van het kruis Christus’ doodsbed, waarop Hij Zijn uiterste wil maakte. Toen Christus stierf, deed Hij, wat geen andere stervende vriend doet: Hij liet Zijn hart vol tere liefde aan Zijn lieve vrienden na; in Zijn sterven was Zijn hart nog bezig, zondaren te lokken en tot Hem te trekken. Wat een zonde moet het dan zijn, Zijn liefde met haat en versmading te beantwoorden!
Genade beweegt zich in een cirkel van leven; de bron en de fontein is het hart van Christus, waarin zij ook weer weerkaatst. Hij houdt niet op met uitgestrekte armen krachtig te trekken, omdat Hij wil, dat Zijn vrienden, Zijn Gemeente, tot Zijn hart inkomen.
De werking van vrije genade is onderwerpend en overwinnend, zij is krachtig, om beslag op onze liefde te leggen. Wanneer u Christus ziet sterven, en u ziet Hem huppelen van blijdschap in Zijn sterven voor u; wanneer u ziet, hoe Hij een beker zware toorn, dood en hel, opnam, en u ziet Hem glimlachen, en hoort Hem zingen en zuchten, terwijl Hij de hel en de dood voor u uitdrinkt, — dat verbindt u aan Hem met nauwe banden van liefde. Welke ijzeren ingewanden moet hij hebben. die de beker tegen Zijn aangezicht stuk slaat, welke Hij aan Zijn mond gezet heeft; die Zijn liefde veracht! Genade aan het hart toegepast maakt het vindingrijk, vrij en dankbaar. Hoe kan de zondaar zijn liefde onttrekken, zonder zich schuldig te maken aan de grootste zonde, welke ooit door duivelen begaan is? Want die kunnen Christus’ trekkende liefde niet weerstaan. O wat een zoetheid van de sterkste, hartinnemende liefde, Christus te zien met betraande ogen; Zijn aangezicht bemodderd van wenen; Zijn gelaat verdorven meer dan van iemand van de mensenkinderen. (Jes. 52:14), en Zijn lichaam geheel bebloed, en nochtans met een uitdrukking om Zijn gelaat van welbehagen en blijdschap en lust, om de wil van God te doen en te lijden (Ps. 40:7—9; Hebr. 10:5—7). Nu, wanneer Christus verteert van liefde, en Hij krank is van tere goedertierenheid, dan die liefde te doven door ze te weerstaan, is, uitgezonderd de verachting van de Heilige Geest, de grootst mogelijke Evangelie-zonde.
Een derde grond van de uiterste verzwaring van alle zonde, dat de trekking van Christus tegengestaan wordt, ontleen ik aan het oordeel, en de plaag, en de Evangelie-wraak over hen, die Christus trekt, en die niet getrokken willen worden. Dit is de grote zonde van onze tijd. Deze breng ik tot twee hoofdzaken.
1e Dit verachten van Christus in het Evangelie, dat nu heerst in het koninkrijk en in de eeuw waarin wij leven, komt de zonde tegen de Heilige Geest zeer nabij. Hoe meer toch de mensen overtuigd en verlicht zijn, hoe nader zij aan deze zonde zijn, wanneer zij niet tot Christus getrokken worden (Hebr. 6:4, 5; 10:26, 27). Moeten wij niet slecht denken over zulken, die van vele Evangelie-waarheden overtuigd zijn en die nochtans tegenstaan? Komt Christus’ liefde hun niet zeer nabij, terwijl zij die ontvlieden? Nu, een zonde als de zonde tegen de Heilige Geest is, zo nabij te komen en zo dicht bij haar grenzen te vertoeven, kan de mensen op het verlies van hun ziel te staan komen, hun een oven van kwelling en pijn bezorgen, welke het naast grenst aan die, welke het deel zal zijn van hen, die tegen de Heilige Geest zondigen.
2e De tijdelijke plaag, welke de eeuwige het meest nabij komt, is het oordeel Gods over de Joden, die Christus afwezen en weerstonden. Hetzelfde, wat gezegd wordt aangaande het laatste oordeel, wordt ook gezegd in betrekking tot het oordeel van de verwoesting van Jeruzalem voor hun verwerping van Christus. Het heeft toch overeenkomst met de hel, dat de moeders zullen wensen, dat hun kinderen nooit geboren waren, en dat zij, evenals de verdoemden in de dag van het oordeel, zullen bidden: ‘Bergen, valt op ons, en, heuvelen bedekt ons." (Luk. 23:29, 30).
2e Gebruik. Indien Christus allen tot Zich trekt, dan zijn zij ver mis, die menen, dat de vrije wil en zedelijke braafheid de mensen in de hemel kunnen brengen. Er zijn geen zedelijke mensen in de hemel, die zuivere zedenprekers op aarde waren, en die niets van de Evangelie-trekking en van een bovennatuurlijk werk in zich hadden. Burgerlijke heiligen kunnen nooit, omdat zij beschaafde mensen zijn, verheerlijkte heiligen worden; duizenden bedriegen zich hiermede; zij menen, dat hun lamp voldoende licht geeft, om de deur van de kamer van de Bruidegom te vinden. Houdt de volgende zaken voor kenmerken, dat de mensen zich bedriegen.
1e Zulke mensen zullen hard roepen en schreeuwen over overspel, evenals hij, die Abrams vrouw van hem afnam. Een Kaïn zal wanhopig worden, omdat hij zijn broeder doodsloeg, maar had hij ooit met Evangelie-zonden te doen? Werd het geweten van Judas wakker geschud wegens datgene, dat de bijzondere veroordelende Evangelie-zonde, en de oorzaak van de verdoemenis en van het sterven in de zonde, is (Joh. 3:36; 16:9; 8:24)? Neen, maar omdat hij zijn Meester verraden had. Het is het licht van de Geest, waarbij geestelijke zonden geestelijk gezien worden.
2e Een blote belijdenis te hebben heeft veel van het Paradijs en van de regenboog. Zij is groot in de ogen van hem, die ze heeft, en de schoonste wegens de verscheidenheid van kleuren. Het is echter een zelfverwoesting, en voert miljoenen zielen naar de hel zonder geraas of gedruis; het is een rechterlijke handeling van Christus over de huichelaar; het is als het leggen van een kruitmijn binnen een pistoolschot afstand van een belegerde ziel, welke Christus, wanneer alles in vaste slaap is, doet ontbranden, alles verwoestende. Een Evangelie-mijn maakt meer dan gewoon geweld in de ziel, zij roept:.Doe open, doe open voor Christus". Menigvuldig vasten en Christus naar de kroon staan zijn vreselijke dingen.
3e Zulken hebben nooit een zieke nacht gehad uit droefheid, dat zij Christus misten. De Evangeliebelijdenis is een licht, waarbij men kan zien, dat men zondigt; een kaars, om te doen zien, hoe men op listige wijze naar de hel gaat en in smart neerligt. Maar ach, welke vertroosting is er in gelegen, dat ik onopgemerkt, tersluik, en met mijn rug naar de put, naar de hel ga. Het is een schrale troost, dat men maandelijks vastende en biddende en de dankdagen vermenigvuldigende, naar het eeuwig verderf gaat, en bovendien Christus Zijn koninklijke kroon ontrooft, en de zonden navolgt van prelaten, die God vroeger heeft uitgeworpen, die roof plegen en ongerechtigheid doen, Christus nieuwe wetten opleggen, en planten planten, welke God uitgeroeid wil hebben. De wijze van omkomen is een treurig ongeval met dodelijke afloop. O, wat zijn dat liefelijke krankheden, dat men hartkloppingen heeft van liefde, een zwakke pols heeft en een bleek vermagerd zondaar is, die loopt te sterven van verdriet over de afwezigheid van Christus, terwijl niemand weet, wat er schort, dan de Geest en de Heelmeester. Laat de liefde tot een afwezige Christus in de ziel van de mens een diepe rivier zijn, wat moet het aangenaam zijn, in die rivier te verdrinken en honderd doden per dag te sterven, omdat Hij, Die de ziel liefheeft, weggegaan is. O wachters, weet u niet, waar Hij is? O dochteren Jeruzalems, zegt Hem, dat ik krank ben van liefde! O herders, waar is de woning van Christus, waar woont Hij? Wat is een blote belijdenis, hierbij vergeleken? Een schaduw, een stro, niets en ijdelheid.
4e Hoe bedrieglijk is het, de vrije wil tot de grote afgod te stellen en een woning in de hemel te huren op de inkomsten en het loon van verdienste! Kan men zich inbeelden, dat de liefde van Christus te verdienen is? Zoveel als er door verdienste bij zou zijn, zoveel zou er aan vrije liefde aan ontbreken. Hoe zou het hart van God kunnen worden ingewonnen door verdienste van een mens! Genade is de bloem, en de vrijheid van de genade als de schone bloesem van de bloem. Deze vrijheid is zo innemend, dat zij het hart aan ketenen en banden legt. Indien er enige goede verdienste in de mens was, om daarmee genade te kopen, dan zou dat een koord zijn van een enkelvoudige, dunne draad.
3e Gebruik. Zoals wij reeds gezien hebben, trekt Christus alle mensen zo tot Zich, dat de wil geen geweld wordt aangedaan, en daarom is een gruwelijke dwaling van de Vrijgeesten, die iemand, die getrokken wordt, als een stok en een blok en als zuiver lijdelijk voorstellen, zoals de volgende stellingen van de Vrijgeesten en Familisten uitwijzen.
1. In de zaligmakende en genadige bekering van een zondaar worden de vermogens van de ziel en hun werkingen in de dingen, die bij God te doen zijn, vernietigd, zodat zij ophouden te werken.
2. In plaats van deze komt de Heilige Geest, en neemt de plaats in en doet al het werk van die natuurlijke vermogens, evenals de vermogens van de menselijke natuur van Christus werken.
3. Met het nieuwe schepsel of de nieuwe mens, waarvan de Schrift melding maakt, wordt niet de genade, maar Christus bedoeld.
4. Christus werkt in de wedergeborenen als in zulken, die leven, of, de wedergeborenen zijn na de bekering geheel dood, om iets geestelijks te doen.
5. Er is geen inhangende gerechtigheid in de heiligen en er is geen genade, of er zijn geen genaden in de zielen van de gelovigen, maar de genade is Christus Zelf, Die in ons werkt, die in alle bovennatuurlijke werken volstrekt lijdelijk zijn.
6. Geloof, bekering, nieuwe gehoorzaamheid, zijn gaven, geen genaden, — al de uitverkorenen zijn zalig gemaakt en ontvangen het Koninkrijk, zoals kindertjes de erfenis van hun vader ontvangen, geheel lijdelijk. Mr. Towne zegt, dat wij in de heiligmaking, zowel als in de rechtvaardigmaking, zuiver lijdelijk zijn, en dat wij in het geheel niets kunnen doen. (Verdediging van de genade. Pag. 11, 68.)
7. De Geest werkt niet in de huichelaars door gaven en genaden, doch Hij werkt in Gods kinderen onmiddellijk.
8. Wij mogen niet om gaven en genaden, maar alleen om Christus bidden.
9. De kracht van de dood van Christus is, alle werkzaamheid van de genaden in Zijn leden te doden, opdat Hij alles in allen werke.
10. Al het werk, dat een gelovige doet, is, te zondigen.
11. Wij zijn niet verplicht er in onze huisgezinnen, of in het verborgen, een vaste regel van bidden op na te houden, wanneer niet de Geest ons daartoe opwekt.
12. Indien Christus mij wil laten zondigen, dat is Zijn zaak, het betreft Zijn eer.
13. Het nieuwe hart en het wandelen in de weg van Gods geboden zijn geen voorwaarden van het genadeverbond. Waar staat één woord geschreven, waarin God tot de mens spreekt: "Dit zult gij doen?" Indien God de mens die dingen had opgelegd, dan waren het waarlijk voorwaarden. God neemt echter alles op Zich, en waar zijn dan de voorwaarden aan de zijde van de mens? Indien er een voorwaarde is, dan moet Hij, Die voor alle dingen in het verbond borg spreekt, noodzakelijk in gebreke zijn. Indien de Heere geen rein hart in ons werkt en ons niet in de weg Zijner geboden doet wandelen, dan is het des Heeren schuld, (absit blasphemia), wanneer wij tegen het verbond zondigen.
14. De zaligheid van de mens is enkel lijdelijk, en niet dadelijk in zijn heilige en onberispelijke wandel.
Opdat deze dwalingen meer volkomen ontdekt mogen worden, zullen wij naar aanleiding van die verklaringen onderzoeken, hoe wij werkzaam zijn in de werken van de genade.
I. Op het eerste ogenblik van onze bekering, actus primus conversionis genaamd, zijn wij zuiver lijdelijk.
1. Omdat de instorting van het nieuwe hart (Ezech. 36:26), en de uitgieting van de Geest der genade en der gebeden over het huis Davids (Zach. 12:10), en van de Geest op de dorstige (Jes. 44:3) een scheppingswerk (Ef. 2:10; Ps. 51: 12), een levend maken uit de dood is (Ef. 2:1—4; Joh. 5:25; 2 Kor. 4:6). De woestijn werkt hier niet mee, om daarin rozen uit de aarde te doen voortkomen.
2. Het gevolg van de indirecte oorzaak wordt niet geheel ontkend, meer het wordt geheel aan een andere oorzaak toegeschreven. Indien Petrus en Johannes samen, met vereende krachten, een schip trekken, dan kan men niet zeggen, dat de ene het schip trok, en de andere niet; doch Christus heeft gezegd, dat vlees en bloed niets van Christus openbaart, dat alleen Zijn Vader dat doet (Matth. 16:17; 11:25—27; Jak. 1:18; Joh. 1:18). Dan kan ook noch bloed, noch de wil des mans, enige dadelijke invloed uitoefenen op de eerste formering van de nieuwe geboorte, noch kan leem in de eer van de wedergeboorte delen met de God aller genade, Die alle dingen nieuw maakt.
II. De ziel of haar vermogens worden in de bekering niet vernietigd. De wil, welke Petrus had, toen hij jong was, was dezelfde als toen hij bekeerd was, doch, toen was die vernieuwd (Joh. 21:18). De heiligen, aan wie Petrus schrijft, (1 Petr. 4:3, 4) moeten niet tot dezelfde uitgieting van de overdadigheid lopen, zoals tevoren, toen zij de wil van de heidenen volbrachten. Paulus en Titus waren dezelfde mensen, toen zij ongehoorzaam waren en menigerlei wellusten dienden, (Tit. 3:1—4) als toen zij bekeerd, en dus gewassen, wedergeboren en gerechtvaardigde erfgenamen waren. Paulus was dezelfde mens, toen hij een vervolger als toen hij een apostel was, doch genade werkte een verandering (1 Kor. 15:9). Hetzelfde gemoed en dezelfde geest blijven in wezen, maar men wordt vernieuwd (Rom. 12:2; Ef. 4:23) in de geest zijns gemoeds. Het is hetzelfde hart, maar (2 Kor. 3:15, 16) het wordt tot de Heere bekeerd. Christus neemt het schuim en de droesem, en het valse metaal weg, en Hij formeert de mens tot een nieuw vat der barmhartigheid.
III. De Persoon van de Heilige Geest wordt niet met de ziel van een gelovige verenigd, noch worden hier twee personen verenigd of tot één Geest gemaakt, door vereniging van Persoon met persoon, maar er wordt gezegd, dat de Persoon tot de heiligen komt, en bij hen blijft, (Joh. 14:16, 17) en in hen is, en dat God de Geest Zijns Zoons heeft uitgezonden in onze harten, die roept, Abba, Vader, niet dat de Heilige Geest, in Eigen Persoon, wezenlijk en onmiddellijk in ons gelooft, bidt, liefheeft, berouw heeft, enz., terwijl wij, zoals de Vrijgeesten leren, zuiver lijdelijk zijn in verstand, wil, genegenheden en geheugen. Doch de Heilige Geest komt tot de heiligen en woont of blijft in hen, in de geestelijke gaven en de zaligmakende genaden en de bovennatuurlijke hoedanigheden, welke door de Heilige Geest, als bovennatuurlijke hebbelijkheden in ons geschapen, bewerkt, opgewekt en bewogen worden, om te werken met de levenskracht van ons verstand, onze wil en onze genegenheden.
Ik bewijs het eerste deel aldus: Omdat zo’n vereniging van de Persoon van de Heilige Geest met ons, als onmiddellijk in ons gelovende, liefhebbende, zich verheugende en biddende, dat godslasterlijk vergoddelijken en vergoden van de heiligen zou zijn, zodat geloven, liefhebben, bidden, niet ons werk, maar de onmiddellijke handeling van de Heilige Geest zouden zijn, en dus, of het flauwe geloven, of het koude, vertraagde liefhebben en bidden van de heiligen, of hun niet-geloven en het zondig nalaten van de daden van geloof en liefde, en hun niet bidden en zich niet verheugen, de heiligen dan evenmin kunnen worden toegerekend alsof die hun zondige gebreken en overtredingen zouden zijn, (want die moeten dan op rekening van de Heilige Geest gesteld worden), als dat men het verbrijzelen van een schip aan het schip zelf zou toerekenen, en niet aan de onachtzame, moedwillige stuurman, die het schip opzettelijk op een rots liet lopen. Het is echter niet redelijk, dat wij niet de stuurman, maar het schip de schuld geven, want dat het schip verloren gaat, is alleen en eigenlijk de schuld van de man, die het schip stuurde, omdat het schip slechts. onnozel en onschuldig hout is. Welke zonde zou er dan in de heiligen kunnen zijn, in deze bovennatuurlijke daden, indien de Heilige Geest onmiddellijk, in Eigen Persoon, het roer houdt en alleen, zonder ons, die daden in ons werkt? Wij kunnen met evenveel recht zeggen, dat de winkel, waarin iemand werkt, het schilderij gemaakt heeft, wat een grote leugen is, omdat de kunstenaar, die de winkel heeft, het doet, als dat wij mogen zeggen, dat de heiligen bidden, geloven, zich verheugen, indien het waar is, dat de Heilige Geest al.die dingen in hen, onmiddellijk, als in een winkel, doet.
2. Dat de Heere Johannes de Doper van zijns moeders lijf af, en de apostelen en Stefanus met de Heilige Geest vervuld heeft, zou op diezelfde grond betekenen, dat zij met de Persoon van de Heilige Geest vervuld waren, en dat Die, zonder enige werking van hen, door Zijn onmiddellijke werking in hen, predikte, bad, en een hemelse vrijmoedige belijdenis van Christus voor de mensen deed. Zo zou er geen verschil zijn tussen de ark en de tempel van Jeruzalem, die met de onmiddellijke tegenwoordigheid Gods vervuld waren, in de openbaring van de heerlijkheid des Heeren daarin, en deze heiligen, die vol van God waren, in deze werken van vrije genade. Ik zal nooit geloven, dat men mag zeggen, dat de Persoon van God met de Ark, de Tempel, de apostelen of de martelaren verenigd is. De gehele vereniging bestaat in de uitwerkingen en de openbaringen van de genaden, of de tekenen van de goddelijke tegenwoordigheid, welke schepselen zijn. die met de tijd rijzen en dalen.
3. Die voortreffelijke en levende Ark, het allerheerlijkste en verwonderlijkste, wat de hemel bevat, de Heere Jezus, is God en Mens, de twee naturen in één Persoon verenigd. Zowel het Woord van God, dat getuigt, dat Hij, dat Heilige, Dat uit de maagd Maria geboren is, (Luk. 1:35) de Zoon van God is, en dat dezelfde Hij, die Persoon, Die naar het vlees uit de Joden geworden is, God is, boven al te prijzen in der eeuwigheid (Rom. 9:5; Hebr. 7:3; Matth. 16:13, 16), als het derde, algemene Concilie, dat van Efeze genaamd, en daarna het Concilie van Chalcedon (vonnis 4 en 5) bewijzen duidelijk, dat Christus niet, zoals Nestorius zich verbeeldde, twee Personen zijn kan, maar dat Hij één Persoon is. Paulus vervulde het Evangelie, van Jeruzalem aan tot Hlyricum toe, een afstand van ongeveer duizend mijlen. Ik weet wel, niet hij, maar (1 Kor. 15:9, 10) de genade van God, die met hem was; niet hij, maar de Heere. Zeker, maar de vraag is nu, of Paulus en de Heilige Geest, in al die werken van genade twee personen zijnde, door vereniging één geest werden, zoals sommige dromers beweren, omdat beiden het werk deden. Ik geloof van neen. God en de wolken deden Manna over Israël regenen. O maar de Vader van Christus gaf het Manna (Joh. 6). Nu is de kwestie of de Persoon van God met de wolken, of met werke tweede oorzaak ook, waardoor het Manna voortgebracht is, verenigd was. Zo maakt de Heere arm en rijk, Hij doodt en maakt levend, Hij maakt de sneeuw en de vorst; Hij geeft mooi weer, droogte of regen; Hij doet de zon opgaan en ondergaan; Hij doet dat alles in Eigen Persoon, Vader, Zoon en Geest. Hij, Hij alleen, heeft de hemel, de aarde, de zee, de wereld en alle schepselen gemaakt. Het Griekse woord Auto, (Hand. 17:25) en het Hebreeuwse woord Hu (Ps. 33:9) bewijzen, dat Hij een Persoon is, Die alle dingen doet. Wij kunnen echter niet zeggen, dat de Persoon van God met de wolken en met schepen, met de zee, de zon en de hemelen, met mensen, die in de strijd zijn, en met mensen, die verlossen en doden, verenigd is, en dat God persoonlijk alle schepselen vervult. God is alleen in de onmetelijkheid van Zijn natuur in al deze dingen, en overal met Zijn werking. Zo is de Heilige Geest bij de heiligen en Hij blijft in hen, niet door de vereniging van Zijn Persoon met hen, of door de onmetelijkheid van Zijn wezen, waarin Hij, zoals David zegt, overal is. (Ps. 139:7) Waar zou ik heengaan voor Uw Geest? Zo toch is Hij in de hemel, in de hel en in de zee. Doch Hij blijft of woont in de heiligen ten opzichte van hun werken, bewerkingen, gaven en genaden van de Heilige Geest.
1e Omdat de Heilige Geest in hen is, daarom hebben zij de vruchten des Geestes in zich, (Gal. 5:22) zoals liefde, blijdschap, vrede, lankmoedigheid, goedertierenheid, goedheid, geloof, enz. Nu, deze dingen zijn niet de Heilige Geest, Die eeuwig is, die de ongeschapen God is, maar zij zijn in de tijd, niet uit de macht van het onderwerp, maar uit zuiver niets, geschapen. Eer God genade voortbrengt zijn wij zo knoesterig en rotsachtig en zo het tegenovergestelde van genade, dat hij een nieuw tweede scheppingswerk moet doen (Efeze 2:10; Kol. 2:10; Ps. 51:12). Hier wordt hetzelfde woord gebezigd, dat (Gen. 1:1) voor de schepping van hemel en aarde gebruikt wordt. Het is hiermee niet, als met de herstelling van een ingestort huis, waartoe hetzelfde houtwerk en dezelfde stenen weer gebruikt kunnen worden, of als met de herstelling van de vervallen natuur, wanneer iemand, van een koorts genezen, weer gezond wordt. Genade is een zeldzaam en wonderlijk stuk werk.
(2.) Er staat geschreven, (2 Petr. 3:18) dat wij opwassen in de genade en (Ef. 4:16) dat wij door genade wasdom van het lichaam verkrijgen tot de opbouwing ervan in de liefde en (vs. 13) tot de mate van de grootte van de volheid van Christus, en dat wij (2 Petr. 1:6, 6, 7) genade bij genade voegen, en tot de volmaaktheid voortvaren (Hebr. 6:1; Filip. 3:12). Doch de Persoon van de Heilige Geest is niet vatbaar voor groei of toeneming, zoals het morgenlicht of de nieuwe maan, welke in volmaaktheid groeien en toenemen, want Hij is God boven alle te prijzen in der eeuwigheid.
(3). Indien er een vereniging van de Persoon van de Heilige Geest, met de ziel is, en niet een inwoning door genaden, dan moet de gelovige, als gelovige, of door het ongeschapen en eeuwig leven van de Heilige Geest, of door een geschapen leven, leven. Creatum vel increatum dividunt omne ens irnmediate, sicut finitum & infitum. Het eerste is uitgesloten. Geen mens, ook niet de mens Christus, kan in enige hoedanigheid zo boven zichzelf verheven worden, dat hij geen deel heeft aan het oneindige leven Gods. Hoe de mensheid van Christus deel heeft aan de persoonlijke zelfstandigheid van de Godheid, is mij onbegrijpelijk, tenzij dat het niet is door zo’n vereniging, als waardoor mijn bijzondere natuur deel is van een geschapen persoonlijkheid, en het dus eerder door aanneming is, dan door vereniging. Indien er echter een vereniging is van de Persoon van de Heilige Geest met onze zielen, dan kan die niet begrepen worden, ook maakt de Schrift er geen melding van. Indien de heiligen het leven Gods leven, dan moet dat door geschapen genaden zijn, en zo verstaan wij het.
(4). De Persoon van de Heilige Geest kan, onmiddellijk in de heiligen werkende, zonder hen, of zonder enige dadelijke levensinvloed van de natuurlijke vermogens, niet aan zonde schuldig zijn. David en Christus worden in dit opzicht van zonde vrijgesproken: "Van hetgeen ik niet wist, beschuldigen zij mij", (Eng. overzetting van Ps. 35:11b) dat wil zeggen, van dingen, die ik nooit gedaan heb, van misdaden, waar ik nooit de hand in gehad heb. Nu worden wij in het Woord aansprakelijk gesteld voor al de verzuimen van heilige plichten, maar de Heilige Geest kan daarover niet berispt worden, want Die blaast wanneer en waarheen Hij wil en is onder geen wet in Zijn werkingen van vrije genade. Dan kan Hij, Die niet beschuldigd kan worden als Hij niet werkt, niet als een Geest, Persoon met persoon, verenigd zijn met hem, die rechtvaardig beschuldigd wordt, als hij niet werkt.
IV. Hieruit moet klaarblijkelijk volgen, dat er in de heiligen een geschapen genade is, welke noch Christus, noch de Heilige Geest in persoon is. Wanneer iemand reden meent te hebben, zich een vereniging te verbeelden van de Persoon van Christus of de Heilige Geest in de heiligen, dan hebben zij dezelfde reden, om te zeggen, dat alle drie de Personen in alle bovennatuurlijke werkingen met de persoon van de gelovige verenigd zijn. Want de Schrift zegt, dat de Vader de mensen tot de Zoon trekt (Joh. 6:44); dat Christus de Vader openbaart en de mensen trekt (Joh. 1:18; 12:32) en dat de Heilige Geest de diepten Gods openbaart (1 Kor. 2:10). Nu, alle drie de Personen doen dit, maar alle drie de Personen zijn niet met de gelovigen in persoon verenigd; deze verborgenheid zou nog groter zijn dan die van God geopenbaard in het vlees, en daarvan spreekt de Schrift niet.
Indien Christus al de genade van de gelovigen is, dan moeten geloof in Christus en de liefde van Christus, Christus zijn.
Dan zou een gelovige, die een nieuw hart en een nieuwe geest heeft, verChristust of vergoddelijkt zijn en God vlees worden in elke gelovige. Hoeveel Christussen zouden er dan wel zijn? Dan zou het nieuwe hart, dat de ene heilige gegeven is, en de genade, welke Paulus geschonken is, hetzelfde nieuwe hart zijn, dat Petrus gegeven is, terwijl God ieder mens genade gegeven heeft naar zijn mate, en er is verscheidenheid van de gaven, maar het is één Geest (2 Petr. 3:15; Filip. 1:9; Ef. 3:3-5;1 Kor. 12:3-6; Ef. 4:16).
V. Men kan in een viervoudige zin van de genade van God en van onze vrije wil zeggen, dat zij in dezelfde genadewerken samenwerken.
1. Wanneer de vrije wil, door de genade en door de trekking van de Heere, anders niet ontvangt, dan alleen letterlijk onderricht. Zo zegt Pelagius, dat indien door onze naarstigheid een hebbelijkheid van de kennis van de letter van het Woord verkregen is, dit alleen nodig is, om des te gemakkelijker te geloven, want, zo zegt hij, ik kan geloven, zonder de prediking van het Evangelie, door het lezen, maar gemakkelijker door schoon en krachtig prediken, en wanneer het prediken door genade geholpen en bijgestaan wordt, doch nochtans ook zonder genade, maar dan met groter moeilijkheid. Zo kan ik een reis te voet doen, maar gemakkelijker te paard, dus is een paard voor die reis juist niet noodzakelijk. Zo kan een schip gemakkelijker en vlugger varen, omdat het zeilen voert, maar het kan ook zonder zeilen, met behulp van riemen varen, doch dat gaat moeilijker, Dus kunnen wij, volgens hem, ook zonder Christus en Zijne genade, door inspanning van de natuur en door de naarstigheid van de vrije wil, naar de hemel varen, al kunnen wij de reis met de zeilen van de genade gemakkelijker en vlugger doen.
Nu, dat is onze mening niet, dat Christus trekt, wanneer de blote letter van het Evangelie maar verkondigd wordt, en de doden heel lief alleen met het geklank van lettergrepen en woorden verzocht worden, te leven, en redenaars met gulden woorden de blinden bidden, te zien, en de kreupelen overreden, te wandelen. Het zal lang duren, voordat woorden in een ziel zullen uitwerken, dat de dorre beenderen leven en de gebroken oogzenuwen gehecht zullen worden, of, levenskracht en leven aan ogen en enkelen zullen meedelen.
2. Men kan zich, zoals Bellarminus en de overige Jezuïeten met de Arminianen leren, indenken, dat genade en de vrije wil twee samenwerkende oorzaken zijn, waarbij de ene niet van de andere afhankelijk is; evenals twee personen die een steen vervoeren of een last dragen, waarbij de één de ander niet helpt, maar beiden hun onafhankelijke kracht tot een gemeen gevolg verenigen. Bellarminus en Grevinchovius bewijzen met dergelijke vergelijkingen, dat wij de hemel kunnen bestormen door de kracht van de vrije wil zonder van Christus afhankelijk te zijn. Hierin worden drie onwaarheden geleerd: (1) Dat genade de vrije wil niet bepaalt: Dit te zeggen, is vernietigend voor de voorzienigheid. Indien God niet alle tweede oorzaken bepaalt, dan is Hij geen Meester van alle gebeurtenissen en bestuurt Hij niet door Zijne voorzienigheid alle dingen, die gebeuren, zowel goede als kwade. (2) Dat genade niet in alle dingen, welke de zaligheid betreffen, de eerste is, en dat de Heere niet het willen en het werken in ons werkt, indien wij niet zonder enige voorafgaande afhankelijkheid van de invloed van de genade van God willen werken; wij werken, zeggen zij, evenzeer het willen en het werken in ons, als de Heere, en dan zal de Heere onze wil volgen en die niet leiden. (3) Genade deelt de wil geen bijstand mee, om die te bewegen en te bekrachtigen, om goed te doen, te geloven, zich te bekeren, God lief te hebben en te hopen, zoals Grevinchovius zegt, maar de wil en de genade werken gezamenlijk tot één en hetzelfde gevolg, waarin (4) de vrije wil met Christus de buit deelt. Waartoe zullen wij dan zeggen: "Het Lam dat ons verlost heeft, is waardig", indien de vrije wil in de toepassing van de verlossing hetzelfde aandeel heeft als de genade van Christus?
2. De derde zin is, dat men, met een bloot uiterlijke naamgeving zegt, dat de vrije wil gelooft, zich bekeert en God liefheeft, omdat die de drager is van die genade, welke wezenlijk en alleen al die bovennatuurlijke daden verricht. Zodat de genade dus alles doet, en de vrije wil volstrekt lijdelijk is, en dan ook geen ondergeschikte en dadelijke levensinvloed in die verrichtingen meedeelt. Eveneens alsof wij zeggen, dat de medicijnfles de wond heelt, omdat de olie in de fles de genezing werkt, terwijl toch het glas werkelijk niets aan de genezing doet, of, dat de ezel rijk maakt, omdat die het goud draagt, dat iemand rijk maakt. Dit gevoelen van de Antinomianen maakt ons tot stokken en blokken op de weg naar de hemel, en dit gevoelen dichten de Jezuïeten, in het bijzonder Martinez de Repalda, vals aan Luther en Calvijn toe; ook het Concilie van Trente, dat met dezelfde leugengeest bezield is, doet dat.
4. De vierde zin is, dat de genade en de vrije wil zo werken, dat de genade de voornaamste, de eerste bezielende fonteinoorzaak is.
Het is toch een nieuwe bovennatuurlijke gesteldheid en hebbelijkheid in de ziel, (Joh. 14:23; 1 Joh. 2: 27; 1 Joh. 3:9; Joh. 4:3; Jes. 44:3, 4; Ezech 36:20, 27; Deut 30:6) een goede schat of voorraad van genade (Matth. 12:35; Lux 6:45), welke de wil werkdadig tot die handelingen bepaalt, en liefelijk daartoe overhaalt en opwekt, echter zo, dat de vrije wil vrijwillig werkt en een oorspronkelijke, wezenlijke en ondergeschikte invloed uitoefent, en in dit alles niet, zoals de Antinomianen dromen, zuiver lijdelijk is. (Ps. 119:32) Ik zal de weg Uwer geboden lopen, als Gij mijn hart verwijd zult hebben. (Joh. 14:12) Die in Mij gelooft, de werken, die Ik doe, zal hij ook doen, en zal meerder doen dan deze. (Matth. 12:50) Want zo wie de wil Mijns Vaders doet, die in de hemelen is, dezelve is Mijn broeder, enz. (1 Kor. 9: 24) Loopt alzo, dat gij die moogt verkrijgen. (Openb. 2:2) Ik weet uw werken en uw arbeid (1 Thess 1: 3) Zonder ophouden gedenkende het werk uws geloofs en de arbeid der liefde, en de verdraagzaamheid der hoop.
Wij zijn in bovennatuurlijke werken niet dood en geheel als een blok. (Rom. 6:11) Wij zijn Gode levende in Christus Jezus. (Ef. 2:1) Hij heeft ons levendgemaakt, (Openb. 2:3) Gij hebt om Mijns Naams wil gearbeid, en zijt niet moe geworden. (1 Kor. 15:58) Zijt standvastig, onbeweeglijk, altijd overvloedig zijnde in het werk des Heeren. Er is werkzaamheid in het begeren van de Geest tegen het vlees (Gal. 5:17; Rom. 7:15). Ook bestaat de zaligheid van de heiligen niet alleen in hetgeen zij lijdelijk ontvangen, hoewel gerechtvaardigd te zijn en Christus’ gerechtigheid te ontvangen, de zaligheid is, waar alle andere zaligheid uit voortvloeit (Ps. 32:1; Rom. 4:1. 7; Gal. 3:13), maar de Schrift spreekt ook van een ware en vaste zaligheid in hetgeen zij doen. (Ps. 119:1) Welgelukzalig zijn de oprechten van wandel, (Jes. 56: 2) Welgelukzalig is de mens, die zulks doet. (Jak. 1:12) Zalig is de man, die verzoeking verdraagt. (Ps. 119:2) Welgelukzalig zijn zij, die Zijn getuigenissen onderhouden. (Ps. 106:3) Welgelukzalig zijn zij, die het recht onderhouden. (Openb. 22:14) Zalig zijn zij, die Zijn geboden doen. (Matth. 5) Zalig zijn die treuren, die hongeren en dorsten, enz. Nu, dan moet een deel van de zaligheid in de heiligmaking bestaan, zowel als in de rechtvaardigmaking, hoewel het laatste de oorzaak en het andere het gevolg is.
VI. Dat de Heere de voorwaarde van het verbond der de genade, namelijk het geloof, door Zijn krachtdadige genade in ons werkt, maakt ons niet vrij van zonde, als wij niet geloven, noch laadt God schuld op Zich, zoals Crispe zich inbeeldt, wanneer Hij het geloven niet in ons werkt. Laat mij hier in ‘t voorbijgaan de argumenten van Dr. Crispe opruimen, volgens welke hij zich verbeeldt, dat er in het genadeverbond in het geheel geen voorwaarde is.
Arg. 1. (Crispe, leerrede 6, pag. 160) Het verbond zou niet eeuwig zijn, indien het afhankelijk was van een voorwaarde van geloof, welke door ons verricht moet worden, want wij falen dagelijks in hetgeen wij verrichten, en zodra de voorwaarde verbroken is, is ook het verbond vernietigd en verbroken.
Antwoord. Wij zeggen niet, dat het genadeverbond van een voorwaarde in ons afhankelijk is. Afhankelijkheid sluit een oorzakelijkheid in, in datgene, waarvan iets afhankelijk is. Wij zeggen niet, dat iets in ons, hetzij geloof, of iets anders, de oorzaak van het genadeverbond en van deszelfs vervulling is. Een oorzaak is één zaak, en een voorwaarde, welke het gevolg is van genade, is een andere zaak. Voor de eeuwigdurendheid van het verbond is het geen vereiste, dat de voorwaarde altijd in werking is.
(1) Indien u ter elfder of ter twaalfde ure tot Christus komt, dan belooft de natuur van dit verbond u, dat u welkom zult zijn.
(2) Persoonlijke gebreken en daden van ongeloof zijn zeer wel bestaanbaar met de hebbelijkheid en de voorraad van het geloof, welke altijd in hem blijven, die uit God geboren is, ook is de geloofsdaad niet aan een bepaalde tijd gebonden.
(3) Nu geeft dit verbond hun, die in dit verbond zijn, een tweevoudig voorrecht. 1e Indien iemand onder de wet maar een haarbreed van de weg afwijkt, dan wordt de deur van het Paradijs voor hem dichtgegrendeld, en hij kan er nooit meer inkomen; hij moet een andere ingang zoeken. Voor zo iemand is het met die weg naar de hemel afgedaan; de wet wil van geen berouw of bekering weten, doch het verbond der genade met een zondaar gemaakt zijnde, verbeurt men door een misstap of door een daad van ongeloof de barmhartigheid van dit verbond niet. Christus zegt: "indien u valt, dan mag u weer opstaan; indien u zondigt, er is een Voorspraak, en het bloed is er van een eeuwig verbond." Het verbond staat stil, om plaats te maken voor herhaalde genade, voor een doorlopende en onafgebroken draad van vrije genade en barmhartigheid, de gehele weg langs, zodat uw voet nooit het spoor van hernieuwde vergeving kan verlaten, zolang totdat u in de hemel bent. Hoewel het kind Gods niet behoort te zondigen, nochtans kan hij de eeuwigheid van het verbond niet verzondigen, of een eeuwige Priester uit de hemel zondigen. 2e De wet eist een bepaalde mate van gehoorzaamheid, ja, de hoogste trap, met geheel uw ziel, en met al uw kracht; het minste wat er aan ontbreekt maakt, dat men de zaligheid verbeurt. Doch het genadeverbond legt een zwakke ziel geen taak op. Christus is geen Pijniger; Hij doet Zich om dat beeld te gebruiken, niet voor als iemand, die een ander iets afperst, zeggende: "u moet een sterk geloof hebben, of het is in het geheel niets." Hij schoeit niet elke arme zondaar naar de leest van Abrahams voet. Velen, die rokende vlaswiekjes en gekrookte rietjes hier op aarde waren, zijn nu voor de troon, als machtige, hoge, slanke, groene cederbomen, geplant aan de oever van de rivier des levens. Laat Adam de eerste zijn, die naar de hemel ging, wat zou het, al zou ik de laatste zijn, die binnengelaten wordt in de geringste van die woningen; als ik de troon maar zien kan en Hem, Die daarop zit, dat is mij genoeg.
Arg. 2. (van Dr. Crispe.) "God heeft alles voor Zijn rekening genomen, wat met de uitvoering van het verbond in betrekking staat. Geen mens ligt onder enige band of enige verplichting, wat de vervulling van het verbond of het deelhebben aan weldaden ervan betreft. (Hebr. 8:10; Ezech. 36: 25, 26; Jer. 31.) De Heere belooft alles te doen, en het nieuwe hart is maar een uitvloeisel uit het verbond. Waar staat in dit gehele verbond één woord, waarin God tot de mens spreekt: "Dit moet u doen?" Indien God de mens die voorwaarden gesteld had, dan waren het inderdaad voorwaarden, doch waar blijven de voorwaarden aan de zijde van de mens, wanneer God alles op Zich neemt? Met uw verlof, veronderstelt, dat er iets zou ontbreken in de uitvoering van dit verbond, waar zou dan de schuld liggen? Moet de fout of het gebrek dan niet liggen bij Hem, Die verbonden is tot alles, wat dit verbond behelst, en Die gezegd heeft, dat Hij het doen zal? Indien er een voorwaarde is, en er zou iets aan die voorwaarde ontbreken, dan moet Hij noodzakelijk in gebreke zijn, Die de uitvoering van alles, wat het verbond inhoudt op Zich genomen heeft.— God zegt niet: Reinigt u, schrijft de wet Gods in uw hart, maakt u bekwaam, om in Mijn inzettingen te wandelen, en wanneer u die dingen doet, dan zal Ik uw God zijn, en met u een verbond maken."
Antwoord 1. Wij hebben nooit geleerd, dat onszelf een nieuw hart te maken een voorwaarde is, welke vooraf vereist wordt, voordat de Heere het Nieuwe Verbond met ons kan maken, zoals deze man de Protestanten Godgeleerden ten laste legt, maar dat het een noodzakelijke voorwaarde of vereiste is in de verbondmakende partij, namelijk een conditio federatorum, non federis, zo’n vereiste zonder hetwelk het onmogelijk is, de andere voorwaarde te vervullen, namelijk, te geloven en zo het verbond aan te grijpen. Het is duidelijk, dat de Antinomianen menen, dat het nieuwe hart geen inhangende genade in ons is, doch dat Christus de genade onmiddellijk in ons als in stenen werkt en dat het nieuwe hart de rechtvaardigmaking, buiten ons, alleen in Christus, is. Laat Crispe aantonen, waar ons het maken van een nieuw hart geboden wordt als een gevolg en uitvloeisel van het verbond. Zeker, het nieuwe hart, ons gewassen worden met rein water, hetzij het aan het genadeverbond voorafgaat of daarvan een gevolg is, is een belofte, welke God op Zich genomen heeft, om niet, uit loutere genade, in ons te werken. (Ezech. 36:26) Ik zal u een nieuw hart geven. Zo ook: (Jer. 32:39, 40; 31:33; Ezech. 40:19, 20; Jes. 54:13; Joh. 6:45; Ezech. 36:32) Ik doe het niet om uwentwil, spreekt de Heere HEERE, het zij u bekend. Schaamt u en wordt schaamrood van uw wegen, u Huis Israëls. (vs. 22) Ik doe het niet om uwentwil, u Huis Israëls, maar om Mijn heilige Naam, die gijlieden ontheiligd hebt onder de heidenen, waarheen gij gekomen zijt. Crispe zegt, dat onder het Oude Testament vele wettische wassingen en offeranden aan het verbond toegevoegd waren, terwijl het Nieuwe Verbond onder het Nieuwe Testament in elk opzicht vrije genade is. Hij is ver mis. Zulke voorwaarden als wij stellen, welke door genade in ons gewerkt worden, nemen geen tittel of jota van de vrijheid van de genade weg, en hoewel er onder het Nieuwe Testament "major gratia" een grotere mate van genade is, nochtans is er niet "magis gratia" meer van het wezen van vrije genade in het ene. dan in het andere. Alles was voor hen vrije genade, evenals voor ons. Waarom trad de Heere in een nauwer verbond met de Joden, dan met andere volkeren? (Deut. 8:7, 8) De Heere heeft lust tot u gehad, omdat Hij u liefhad. Waren de inwoners van Jeruzalem (Ezech. 16) heiliger, dan die van Efeze? (Ef. 2) Neen, hun geboorten waren uit het land van de Kanaänieten, hun vader was een Amoriet en hun moeder een Hethitische. (Ezech. 16:5) Gij zijt geworpen geweest op het vlakke des velds, om de walglijkheid uwer ziel, ten dage toen gij geboren waart, (vs. 6) Als Ik bij u voorbijging, zo zag Ik u vertreden zijnde in uw bloed en Ik zeide tot u in uw bloede: "Leef". En opdat het dieper indruk zou maken en dieper in het hart zou inzinken, dat het genade was, herhaalt Hij het nog eens: "Ja, Ik zeide tot u in uw bloede: "Leef." Zal nu Crispe zeggen, dat hier geen vrije genade beschreven wordt, die zo ver van koping, of loon, of verdienste is als iets in de wereld? Of zal hij zeggen, dat God wilde zeggen: Ten eerste, wast uzelf met heilig water en doet Mij offerande en verricht Mij al die wettische voorwaarden, omdat u van geboorte Amorieten en Hethieten bent, en als u dat gedaan hebt, zal Ik met u een verbond maken; wanneer u uw werk gedaan hebt, zal Ik u uw loon uitbetalen en uw God zijn?
2. Dit argument is ten zeerste in strijd met elke en Evangelie-plicht, met de gehele strekking van de heiligmaking. God moet zodoende de oorzaak, de enige oorzaak van al onze zonden van doen en laten onder het verbond der genade zijn, omdat Hij belooft het willen en het werken in ons te werken en ons genade te schenken, ons van de zonde te onthouden, maar (zoals de Antinomianen leren) Zijn Woord niet gestand doet: Dit argument bewijst mij onweerlegbaar, dat het het gevoelen van de Antinomianen is, dat geen gerechtvaardigd persoon kan zondigen, maar dat het Gods schuld en niet de hunne is, dat zij het goede laten of het kwade doen, en dat de gerechtvaardigden in hun gehele weg van heiligmaking niets dan blokken zijn; dat zij in alle zonden die zij doen lijdelijk zijn; dat God wat zorgvuldiger op Zijn eer moest toezien en niet moest toelaten, dat zij zondigen. Hierin bewandelen zij en de oude Vrijgeesten één weg. Stelt eens, dat het nieuwe hart, dat het willen en het werken en standvastig in de genade van God volharden, geen voorwaarden van het verbond zijn (hoewel het klaar en duidelijk is, dat in de Heere Jezus te geloven, een voorwaarde van de rechtvaardigheid van het geloof is, gelijk het doen de voorwaarde is van de rechtvaardigheid, die uit de wet is, Rom. 10:3-8; Gal. 4:22-28); stelt, dat zich bekeren, bidden, God liefhebben en Hem dienen, niet uit God is, krachtens de verbintenis van het Nieuwe Verbond, dan is nochtans Gods belofte, Zijn enkel Woord, als Hij zegt, dat Hij die en die dingen doen zal, een even sterke band als Zijn verbond en eed, als Hij weet, dat die dingen, waarvan Hij zegt, dat Hij die doen zal, onmogelijk gedaan kunnen worden, zo niet Hij ze, uit Zijn loutere genade, in ons werkt. Nu de Heere belooft duidelijk, (Hand. 5:31) dat Hij bekering, (Zach. 12:10) droefheid over de zonde, de Geest der genade en der gebeden, (Deut. 30:6; Ezech. 36: 36) een besneden hart, om de Heere lief te hebben en te dienen, (Jer. 32:40, 41; Jes. 54:10; 59: 20, 21; Ps. 1:3; Joh. 4:14; 10:28; Filip. 1:6; Ef. 5: 26, 27; 1 Joh. 2:1) en volharding in de genade geven zal. Laat mij met de eigen woorden van Crispe antwoorden: "Wiens fout of wiens schuld is het, dat het Woord of de belofte Gods niet vervuld wordt? God neemt door belofte, ja door Zijn enkel Woord, op Zich, te volbrengen wat Hij belooft en Hij zegt, dat Hij dit alles, ja het willen en het werken, in ons zal werken, dus indien het niet geschiedt, kan het niet de schuld van de mens, maar moet het (ik verafschuw, het te schrijven of uit te spreken) de schuld des Heeren zijn.
3. God neemt alles op zich, in genera causae gratiosos Libberimae, independentis, primae, non obligatae ad agendum ex ullae lege, in de soort van oorzaak, welke door loutere genade, vrij en onafhankelijk werkt, zonder enigerlei wet boven Zich welke hem verplicht, anders met het Zijne te doen, aan Hij vrij wil, besluit en belooft. De mensen handelen vleselijk, in Gods besluit, dat geheel vrij is, af te scheiden van Zijn belofte, welke even vrij is als Zijn besluit. Maar daaruit volgt nog volstrekt niet, wat Arminianen en Jezuïeten ons tegenwerpen, dat dan mensen, die niet geloven, bidden of heilig wandelen, daarom niet schuldig zijn, al zijn zij onder een wet, die gehoorzaamd moet worden, want zondige onbekwaamheid, om te gehoorzamen, ontslaat niemand van de verplichting tot gehoorzaamheid. Het is dan ook ten hoogste godslasterlijk, te zeggen, dat God, omdat Hij in het verbond op Zich genomen heeft, te maken, dat wij, zoals Hij (Ezech. 36:27) belooft, in Zijn inzettingen zullen wandelen, en (Jer. 32:39, 40) Hem zullen vrezen, daarom in gebreke zou zijn, en wij vrij van alle schuld zouden zijn, wanneer wij allen in vele struikelen (Jak. 111:2) en in deze of die zonde God niet vrezen, gelijk dat mogelijk is en opgemaakt kan worden uit Jozefs aanspraak tot zijn broeders, waarin hij zeide, dat hij hen niet zou verongelijken, want dat hij God vreesde, en uit Jobs woord, dat hij het recht van zijn knecht niet durfde versmaden, omdat hij God vreesde. Nochtans belooft God, dat Hij Jozef, Job en alle uitverkorenen in de weg van zijn inzettingen zal bewaren, dat zij niet ganselijk van Hem zullen afvallen. God heeft nooit door belofte, verbond, eed of woord gesproken, dat Hij Zijn uitverkorenen voor deze of die bijzondere overtreding of daad van ongeloof tegen het verbond der genade zal bewaren.
4. Zonde tegen het Evangelie, of welke zonde ook, in een gelovige, moet hem rechtvaardig worden toegerekend, omdat hij door de Evangelie-wet verbonden is, nergens in te zondigen. Het Evangelie staat wel vergeving van zonde toe, maar is geen vrijstelling, om te zondigen. Het kan op generlei wijze aan God worden toegerekend, omdat, indien een gelovige in een bijzondere zonde of ongeloofsdaad tegen het genadeverbond valt, de Heere noch door verbond, noch door belofte, ooit besloten of op Zich genomen heeft, hem door krachtdadige genade voor het vallen in die zonde te bewaren. Dan toch zou de Heere hem zeker bewaard hebben, gelijk Hij Petrus en alle uitverkorenen, die krachtdadig geroepen zijn, bewaard heeft, dat hun geloof onder krachtige verzoekingen niet is opgehouden. Ook is de geloofsdaad, welke in die bijzondere val gemist wordt, niet zo’n voorwaarde van het verbond, als Christus beloofd heeft te zullen werken, noch is het de noodzakelijke voorwaarde van het genadeverbond, of zo’n voorwaarde welke gemist wordende het eeuwig genadeverbond krachteloos maakt of vernietigt.
5. Het is duidelijk merkbaar, dat de Antinomianen met dat gevoelen behept zijn, dat God, als de eerste Oorzaak van ons ongeloof, onze stenen harten en onze wandel in onze vleselijk wegen, in gebreke moet zijn, omdat Hij beloofd heeft, ons geloof, een vlezen hart en in Zijn wegen wandelen, te geven, evenals de oude Vrijgeesten zeiden, dat God de eerste en voornaamste Oorzaak van de zonde is, en dat God alle dingen, zowel goede als kwade, doet en dat het schepsel niets doet. Zo schrijft Calvijn in zijn Institutie, adversus Libertinos, hoofdst. 14 in opus pag. 446: "Mr. Archer zegt rechtuit, dat God de Auteur van de zonde is." Waar is het einde van de dwalingen, als God ons verlaat! Het is waar, dat de verbintenis, ja, de gehele verbintenis, om een nieuw hart te geven en de Geest van de genade en van de gebeden uit te storten, op de Heere rust, Die beloofd heeft, dat te doen, (Deut. 30:6; Ezech. 11:19, 20; 36:26, 27; Jer. 31: 33 - 36) doch nochtans zo, dat op ons de verplichting van goddelijke bevelen rust, het onze te doen. (Ezech. 18:31) "Maakt u een nieuw hart, en een nieuwe geest, want waarom zoudt gij sterven, o Huis Israëls? (Jer. 4:4) Besnijdt u de Heere, en doet weg de voorhuiden uws harten. (Ef. 4:23) Wordt vernieuwd in de geest uws gemoeds. (Rom. 12:2; 13:14; 1 Thess. 5:17) Bidt zonder ophouden. (Ps. 50:15) Roept mij aan. (Matth. 26:41) Waakt en bidt." Daarom kan alle verbintenis en verplichting, van welke aard ook, ons niet geheel vrijmaken van zondige verzuimen, noch kan God daartoe verplicht zijn. Evangelische geboden gaan gepaard met genade, om te gehoorzamen, en genade verbindt ons ook tot gehoorzaamheid.
6. Het is een goddeloze en onkundige misvatting in Crispe, dat hij geen andere bevatting van het verbond maakt, dan dat het die liefde Gods tot de mens is, waarmee Hij de mens liefhad, voordat de kinderen iets goeds of kwaads gedaan hadden (Rom. 9:11). Die liefde is eeuwig en staat niet in betrekking tot het geloof als tot een voorwaarde; die is niet het verbond zelf, maar zij is de oorzaak van het verbond. Voor de liefde van de verkiezing wordt aan onze zijde geen liefde, werk of geloofsdaad, ja, geen Middelaar noch bloedstorting vereist, want God heeft ons vóór al die dingen liefgehad met een eeuwige liefde. Hoewel het verbond, als een besluit Gods, eeuwig is, gelijk alle werken van de schepping en van de goddelijke voorzienigheid, welke in de tijd gebeuren en een begin en einde hebben, in die zin eeuwig zijn, dat God van eeuwigheid besloten heeft, dat zij in de tijd geschieden zouden, nochtans is het formeel niet eeuwig, omdat het aan Adam na de val gepredikt is, en er aan de zijde van de heiligen geloof vereist wordt, om aan het verbond vast te houden (Jes. 56:4) en het voor hen in het bijzonder een verbond des vredes te maken. Geloof is de voorwaarde van het verbond. Christus is er de Middelaar, en het bloed van Christus is er het zegel van. De Geest moet het in ons hart inschrijven. Maar de liefde van de verkiezing is een geheel vrije, volkomen liefde, vóór er geloof, bloedstorting of een Middelaar is.
Tegenwerping. Wij worden, zegt Crispe, niet zaliggemaakt, noch gerechtvaardigd, noch in het verbond opgenomen, door het geloof als een werk, want dan zouden wij niet uit genade zaliggemaakt zijn, en genade zou geen genade zijn, doch wij zijn door het geloof gerechtvaardigd, dat is, doordat Christus rechtvaardig maakt, hetwelk het geloof weet, overeenkomstig dat woord: "door Zijn kennis zal Mijn Knecht, de Rechtvaardige, velen rechtvaardig maken," en daarom is het geloof geen voorwaarde van dit verbond.
Antwoord. Het tegendeel volgt er eerder uit, (1) als wij daarop zien, dat Crispe zegt, dat niemand onder de hemel zalig gemaakt kan zijn, voordat hij geloofd heeft, en dat hij niet in het verbond opgenomen worden door het geloof. Noch wij, noch de Schrift spreken zo. In het verbond opgenomen worden geschiedt, voordat wij kunnen geloven, doch wij grijpen Christus en de gerechtigheid door het geloof aan, niet als door een werk, maar als een noodzakelijke voorwaarde, welke van ons vereist wordt. Ik laat het aan de overweging van de godvruchtigen over, of in Hem te geloven, Die de goddelozen rechtvaardigt, geen voorwaarde is, (ik denk niet, dat het een rechtvaardigmakend werk is), maar alleen, dat ik geloof en weet, dat Christus mij gerechtvaardigd heeft, eer ik geloofde; van eeuwigheid, zoals sommigen zeggen; toen ik in de baarmoeder ontvangen was, zoals Dr. Crispe zegt, en of de bedreiging: "die niet gelooft is reeds veroordeeld", betekent, dat hij, die niet gelooft, dat hij niet veroordeeld is, reeds veroordeeld is. Wie kan zulke beuzelarijen geloven?
(2) Geloven is een aannemen van Christus (Joh. 1:12). Christus woont door het geloof in het hart (Ef. 3:17). Nu, dan moet, volgens Dr. Crispe, geloven zijn, dat ik weet, dat Christus in mij was, voordat ik geloofde, en dat ik Hem van eeuwigheid, of van mijn ontvangenis af, aangenomen heb.
(3) Geloven maakt mij tot een kind Gods, dat niet uit den bloede, noch uit de wil des vleses geboren is, (Joh. 1:12, 13; Gal. 3:26) en door het geloof ontvangen wij de Geest. Dan moet dit, volgens Dr. Crispe, niets anders zijn, dan dat ik door het licht van het geloof weet, dat ik van tevoren een kind was en de Geest ontvangen had, voordat ik geloofde. Kunt u iets ongerijmders bedenken?
(4) Door het geloof leef ik niet, maar Christus leeft in mij, en ik ben gekruisigd en gestorven. Dat zou dan moeten betekenen, dat ik door het geloof weet, dat ik het leven Gods leefde en aan de wereld gekruisigd was, voordat ik geloofde, toen ik nog dood in de zonden was.
(5) Omdat geloven iets meer is dan een blote daad van het verstand, want het is een vertrouwend aankleven van, een vertrouwen op, een berusting in, een hartsvertrouwen in en een steunen op Christus, of een wentelen van onszelf op God tot zaligheid, zoals duidelijk is in de oorspronkelijke, heilige taal van de Schrift (Ps. 18:19; Jes. 26:3; Ps. 112:8; Jes. 10:21; Mich. 3:11; Ps. 22:2, 55:23; 1 Petr. 5:7; Hoogl. 8:5; Joh. 1:12), is het een te schraal begrip over het geloof, dat men er niets van maakt dan een kennen van hetgeen er tevoren wezenlijk was. Hartsaankleving toch is geen daad van het verstand, en niet zozeer een daad van kennis als wel van de wil en de genegenheden, waarin formeel geen daad van kennis is, hoewel het een daad van kennis vooronderstelt.
(6) Dan moeten de goddelozen, volgens dat gevoelen, in hun zonden zijn, niet gerechtvaardigd zijn in Zijn bloed, omdat zij niet willen weten, dat Christus voor hen in het bijzonder gestorven is en hun zonden aan het kruis gedragen heeft en hen lang tevoren gerechtvaardigd en hun de zonde vergeven heeft, terwijl men met dit alles te geloven slechts een leugen in zijn rechterhand houdt. Doch laat ons tot ons punt terugkeren.
VII. Hoe de Heere het willen en het werken, de macht en de daad in ons werkt, en wij toch schuldig zijn in ons nalaten van het goede of in onze zondige en zorgeloze manier van werken met de genade van God, is een zo geheimzinnig duister punt, dat ik niet durf ondernemen, dat te verklaren. Ik hoop, dat het volgende de lezer enig licht mag geven.
1. Genade, vrije genade, is het grote hoofdrad, dat hart, zinnen, handen en voeten in beweging brengt, en dat niet alleen, maar de boom, het beginsel, de bloem, het zaad en de vrucht, zijn noodzakelijk van vrije genade afhankelijk, en ten derde, de staat en toestand is meer dan beginsel, of zaad, of vrucht. Een erfgenaam van de heerlijkheid te zijn, is meer dan een beginsel van bovennatuurlijke gave, en meer dan een gewone daad, die boven de natuur gaat. Genade moet het beginsel van genade voorzien; genade moet op het beginsel inwerken en dat levend maken, om voort te brengen, en het beheer van de genade maakt natuurlijke mensen tot burgers van de hemel, tot kinderen Gods, tot erfgenamen des levens (Joh. 1:12, 13; Gal. 4:4, 5).
2. Dit moet vaststaan, dat er niets uit een genadebeginsel door de leden verricht wordt of het Hoofd, Christus, is er zo in betrokken; dat, evenals in het natuurlijk lichaam de vinger en de teen zich niet kunnen bewegen, zonder dat de beweging van het leven en het hoofd uitgaat, zo ook het mystieke lichaam, of een van zijn gewrichten of leden in zijn bovennatuurlijke genadeloop niet werken of zich bewegen kan, of elke afzonderlijke werking van de genade moet daarvan eer geven aan het mystieke Hoofd, Wiens vooraf bepaalde invloed het schip in beweging brengt en voortstuwt. Christus is niet alleen het Kompas en de Morgenster, waarnaar de geestelijke bewegingen geregeld worden, en waarnaar hand en vinger voet en alles zich richten, door het gezichtsvermogen, dat zijn zetel in het Hoofd heeft, aangezien die geen gezichtsvermogen in zichzelf hebben. De heiligen bewegen zich in deze werkingen bij het licht, dat in de twee ogen, of in de zeven ogen en lampen is, die in het Hoofd, Christus, zijn, maar ook de wezenlijke werkingen van de genade worden, in hun natuurlijk zowel als in hun zedelijk gebied, door Christus gevormd en in werking gebracht. Het is niet zo’n groot wonder, hoewel het een wonder is, dat een zeer groot schip, dat uit vele stukken droog en levenloos hout bestaat, zich in zoveel richtingen, met zoveel bochten en wendingen, zo regelmatig, duizenden mijlen ver, langs kusten en landen, met verschillende winden, naar een bepaalde haven beweegt, wanneer dat samenstel van hout door de kunde en de rede van een man bewogen en bestuurd wordt, die het roer in handen houdt. Zo is er een [Gr. logos], "een rede, een wijsheid in Hem, Die ons wijsheid geworden is, om de heiligen, in hun hemelwaartse bewegingen, met zoveel bochten en wendingen, in tegenwinden van verzoekingen, verdrukkingen en onderscheiden zielsbedelingen van zoet en zuur, van afwezigheid en tegenwoordigheid, van gaan en komen van Christus, tot zo’n bepaald huis als de hemel is, te bewerken en te besturen, want de Vader heeft het aan de Stuurman, Christus, Zijn Zoon, te danken, dat het gebroken schip en al Zijn arme vrienden veilig aan land gekomen zijn, door de bekwaamheid, die uit Christus is, en ons komt daarvoor niet meer lof en dank toe, dan het dode hout.
"Opdat wij zouden zijn [Gr. eis to einai hemas] tot prijs Zijner heerlijkheid" (Ef. 1:12). Alsof ons lijdelijk zijn, (het is een ontleende uitdrukking, want wij zijn in het werk medewerkers met en onder Christus) bestemd zou zijn tot prijs van de heerlijkheid van Zijn genade. Wij worden zo getrokken, dat Christus de Hoogste, de Voorzitter, de eerste Oorzaak, en God is in de tweede en de nieuwe wereld van de genade, zoals God, de Schepper dat is in alle dingen op het gebied van de natuur. (Joh. 15:5) Zonder Mij, als uw Wijnstok, in Wie u groeit en in Wie u vrucht draagt, en in Wie u elke bloesem van het leven en elke appel voortbrengt, kunt u niets doen, (Filip. 2:13) want het is God, Die in u werkt beide het willen en het werken naar Zijn welbehagen. (2 Kor. 13:3) Omdat u zoekt een proeve van Christus, die in mij spreekt, welke in u niet zwak is, maar krachtig is onder u. Hieruit blijkt, dat elk woord, dat Paulus sprak door Christus in Hem niet formeel gesproken werd, alsof Paulus daarin zuiver lijdelijk was, maar krachtdadig. Want ik zou niet durven iets zeggen, (Rom. 15:18) dat Christus door mij niet gewrocht heeft, tot gehoorzaamheid van de heidenen, met woorden en werken. (Jes. 27:3) Ik, de Heere, behoed de Kerk, de Wijngaard van rode wijn; elk ogenblik zal Ik hem bevochtigen; opdat de vijand hem ni