Predikatie over Jesaja 40:31

B. Smytegelt

"Maar die de Heere verwachten, zullen de krachtvernieuwen, zij zullen opvaren met vleugelen, gelijk de arenden;zij zullen lopen en niet moede worden; zij zullen wandelen enniet mat worden."

Het is zeer opmerkelijk hetgeen wij lezen Jes. LVII: 15. Wantalzo zei de Hoge en Verhevene, die in de eeuwigheid woont, enDiens name heilig is; Ik wone in de hoogte, en in 't heilige; enbij dien die enes verbrijzelden en nederigen geestes is. De Heereheeft een bijzonder genoegen en welgevallen in tweeŰrleigestalten. Weet ge welke ze zijn, daar de Heere groot behagen inschept? 1. Vooreerst, in ene kleine, nederige gestalte,verslagen, verbrijzeld, gebroken. David zegt; De offeranden Godszijn een gebroken geest; een gebroken en verslagen herte en zultGij, ˘ God, niet verachten, Ps, LI: 19, up die wil Hij zien,(Jes. LXVI: 2,) De nederigen geeft hij genade, 1 Petri V: 5, maarde Heere schept wel genoegen in zo ene gestalte, maar hij zietniet gaarne dat die gestalte altijd in hen is; de Heere ziet nietgaarne dat zij altijd hun bedden doornatten met tranen, dat zijaltijd schreien en kirren als ene duive; maar

2. Ten tweede, Hij schept groot behagen in ene kloekmoedigegestalte. Als ze zo treurig zijn, dan komt de Heere gelijk bij deEmmaus-gangers; hoe ziet gij zo droevig; waarom zijn uweaangezichten zo treurig? (Luk. XXIV.) De Heere komt en zegt: Watzijt gij dan zo moedeloos, wat bezwijkt gij op de weg? En vreestniet, gij klein kuddeke, want het is uwes Vaders welbehagenulieden het koningrijk te geven. Luk. XII: 32. Komt, zegt deHeere, Ik zal u dan eens naar 't harte spreken. Ik zal tot uweziele zeggen: Ik ben uw heil! Dat de Heere zulk een behagen heeftin ene kloekmoedige gestalte, blijkt:

1. Vooreerst, uit de bestraffingen die de Heere geeft omtrentde kleinmoedigheid en moedeloosheid. Dan is 't eens: Wat zijt gijvreesachtig gij kleingelovige? Matth. XVI: 8. Dan eens: Gijkleingelovige, waarom hebt gij gewankeld, Matth. XIV: 31.

2. Ten tweede, het blijkt uit het gebod, dat Heere een behagenheeft in zulk een kloekmoedige gestalte. In Ps. XXXI zong dedichter

Zijt kloek, geeft de moed niet verloren;
Want God wil die aanschouwen,
Die op Hem vast betrouwen.

Zijt sterk, en Hij zal u hart versterken, Psalm XXVII: 14.Wentelt uwen weg op de Heere, en vertrouwt op Hem, Hij zal hetmaken, Psalm XXXVII: 5.

3. Ten derde, tot een blijk dat de Heere behagen heeft in enekloekmoedige gestalte; ziet eens in Jozua en Caleb. De Heerezwoer dat er niemand in Kanańn zou komen van de mannen, die hetland Kanańn bespied hadden, dan Jozua en Caleb, en dat om hunkloekmoedige gestalte; daar de anderen het harte des volksneerslachtig maakten, omdat zij niet volhard hadden de Heere nate volgen, zo zouden de anderen in de woestijn vallen en die tweezouden alleen in 't land komen.

Ziet dat in de Bruid; Ik zal nu opstaan, en in de stad omgaan,in de wijken en in de straten, ik zal Hem zoeken die mijne zieleliefheeft, Hoogl. III:2. Zo komt de profeet Jesaja hier in onzentekst, en hij toont de kloekmoedige gestalte van Gods volk, wantzij zullen de kracht vernieuwen, zij zullen opvaren metvleugelen, gelijk de arenden; zij zullen lopen, en niet moedeworden; zij zullen wandelen, en niet mat worden. De Profeet toonthier ook, dat de Heere geen welgevallen heeft in zo een treurigenstaat; komt, beurt u wat op, zegt Hij. Hij had getoond dat zijnaar Babel moesten; wel, zei Hij, zijt ge hier zo moedeloos enneerslachtig, nu gij nog in het land zijt! wat zult gij dan doenin de verheffing der Jordaan? Zij mochten zeggen: wel, hoe,wanneer zal de Messias komen, het gaat geweldig buiten onzegissing; wel, Profeet, moeten wij nog naar Babel; wie zal erstaande blijven in zo een storm? De Heere komt zijn moedeloosvolk tegemoet; Hij gordt zijn knecht aan en zegt: Kom, Profeet,gij zijt nu lang genoeg een zoon des donders geweest, kom, weesnu eens een boodschapper van goede tijdingen, wees nu eens eenEvangelie-prediker. Zie vs. 1: Troost, troost mijn volk, zalulieder God zeggen, Spreekt naar het hart van Jeruzalem; en roepthaar toe, dat haar strijdt vervuld is. Wel, de Profeet wilzeggen: het zal niet altijd duren; daar zal eens een einde komenaan uw strijd, gij zult eindelijk overwinnen, ja, zegt deProfeet, gij zult dubbel ontvangen. Wel, zij mochten vragen: wel,Profeet, wat zullen wij ontvangen? wel, zei hij, ge zult datgrote geschenk krijgen, de Heere Jezus Christus, die alleongerechtigheden op ÚÚn dag zal wegnemen Ja maar, Profeet,zouden zij zeggen, waaraan zullen wij het weten als de Christuskomt? wel, zegt hij, de Voorloper zal eerst komen, die stemme desroependen in de woestijn, die Elias zal eerst komen. Maar hetharte mocht al weer ontzinken; zij mochten eens zeggen: welProfeet wij zijn zo zwak! Ja, zegt hij, wij zijn allen als gras,maar is 't gras haast verdord, het schiet weer spoedig uit. Zo is't ook. Zijt ge zwak, kunt ge niet bestaan voor de macht dervijanden, wei, daar zal nog een ander geslacht uit u voortkomen.Ja, zijt gij als gras, de vijanden zijn 't ook, want: Alle vleesis gras, en alle zijne goedertierenheid als ene bloem des velds,Jes. XL: 6.

In 't 9e vers toont hij de waarheid Gods.

In 't 10e vers troost hij met Gods macht.

In 't 11e vers toont hij de liefde Gods omtrent zijn volk, hoedat Hij het draagt als een herder. Ja maar, zeggen zij, devijanden zijn zou wijs en arglistig, ons harte ontzinkt ons! Deprofeet ondersteunt hen weer, hij zegt: wel, zijn de vijandenwijs, de Heere vangt de wijzen in hun wijsheid, Wel zegt deProfeet, waar is er een Koning die geen raadslieden van nodeheeft? Wel, beziet de Heere, wie heeft ooit zijn raadsmangeweest; wie heeft Hem raad gegeven; wie heeft de. Heere ooitverstand gegeven. Zij willen al wederom neerslachtig zijn; zijzeiden: maar man Gods, de vijanden hebben zo vele goden. Wel,zegt de Profeet, wat voor goden zijn 't? Het is een stuk hout,het werk van mensenhanden! Wel. zegt hij, kent gij dan uw Godniet dat Hij meerder is dan de afgoden? Ziet hoe groot de Heereis! Hij is het die daar zit boven de kloot der aarde, enderzelver inwoners zijn als sprinkhanen; Hij is het die dehemelen uitspant als een dunnen doek, vs. 22, ja Hij die alledingen geschapen heeft! En hebt gij niet gehoord, dat de eeuwigeGod, de Heere, de Schepper der einden der aarde, noch moede, nochmat en wordt? vs, 28. Ziet de volkeren zijn geacht als eendruppel van enen emmer, en als een stofje van de weegschaal, vs.15. Ja, die God, zegt de Profeet, geeft de moeden kracht, en Hijvermenigvuldigt de sterkte dien die gene krachten en heeft. Dejonge zullen moede en mat worden, en de jongelingen zullengewisseIijk vallen. Maar die de Heere verwachten zullen de krachtvernieuwen, zij zullen opvaren met vleugelen, gelijk de arenden;zij zullen lopen, en niet moede worden; zij zullen wandelen enniet mat worden, vs. 29-31

Wij hebben laatst gesproken over de woorden van Habakuk: ZoHij vertoeft, verbeid Hem, want Hij zal gewisselijk komen, Hij enzal niet achterblijven; zo dachten wij nu over dezen tekst teprediken, waarin ons voorkomen:

I. Vooreerst, de personen, die 't zijn die de Heereverwachten. II. Ten tweede, hun mismoedige gestalte.

III. Ten derde, hun kloekmoedige gestalte; zij zouden dekrachten vernieuwen, zij zouden de moed weer hervatten.

IV. Ten vierde, zij zouden daar blijken van geven, zij zoudenopvaren, voorts, zij zouden Lopen, verder, zij zouden wandelen,en dat zonder moede noch mat worden.

I. Wat het eerste aangaat, hier hebt ge dan de personen. Hetzijn die de Heere verwachten.

1. Vooreerst, de Heere! 't is een groot Persoon naar wienskomst zij wachten; 't is die Heere, dien zij zochten, Mal. III:1, 't is de Heere uit de hemel, 1 Cor. XV: 47.

Hij was een nuttig Persoon. Hij was een nodig Persoon, wantniemand kon bestaan, wie kon er tot God genaken als deze die Borgwerd; want Hij is 't die verlossing heeft te weeg gebracht, (Luc.1.) Als zij nu de Persoon verwachten, zo moest er noodzakelijkene komst zijn. De Heere Jezus werd verwacht door de komst in hetvlees als Hij geboren werd

Die komst werd al wat uitgesteld; die was beloofd, en tussende belofte en de vervulling liepen wel 3 Ó 4000 jaren. Eva mochtal zeggen: Ik hebbe enen man van de Heere verkregen, Gen, IV: 1;Abraham mocht verlangd hebben dien dag te zien; de ganse Kerkmocht zeggen: Och dat gij mij als een broeder waart, zuigende deborsten mijner moeder! dat ik u op de straat vonde ik zoude ukussen, Hoogl. VIII: 1, Die. komst waren zij dan verwachtende.

De tweede komst, welke is, dat de Heere komt met devertroostinge zijns Geestes tot ene verlatene ziele, die komstwerd ook wel wat uitgesteld, zodat zij mochten zeggen: Van derjeugd aan ben ik bedrukt en doodbrakende, Ps. LXXXVIII: 16,gelijk een Heman, ja, een mens kan 60 Ó 70 jaar heengaan zondertroost, die komst wordt ook uitgesteld.

De derde komst ten laatsten dage op de wolken, daar waren zijook op wachtende; die komst stelt de Heere zo lang uit, dat dezielen onder de altaar roepen en zeggen: Hoe lange, o Heilige enwaarachtige Heerser, en oordeelt en wreekt Gij ons bloed niet vandegene die op aarde wonen, Openb. VI: 10. Ja, zo lange verbeidtde Heere die toekomst, dat de ganse kerk roept en zucht: kom tochhaastelijk! Openb. XXII: 20, zodat het ganse schepsel 't zamenzucht, en 't zamen als in barensnood is tot nu toe; verwachtendede openbaring der kinderen Gods, Rom. VIll.

Wat is nu dat verwachten?

1. Vooreerst, zij staroogt op de beloften. De Heere heeft dattoch beloofd ten aanzien van de eerste komst. Dat is al beloofdin 't Paradijs, zegt ze, (Gen. III.) Ja, Heere, zegt ze, Gij hebtbeloofd, dat Ge mij niet begeven zult, noch verlaten.

Ten aanzien van de tweede komst naar de verstroosting desgeestes, ziet zij biddend uit of het de Heere niet behaagt haarte verlossen uit hare noden en benauwheden; zij bidt dan wel eensmet David: Voert mij uit mijne noden, Ps, XXV: 17.

Ten aanzien van uwe derde komst, dan hebt Gij ook beloofd, datGij op de wolken zult komen. Al die beloften geloof ik, zegt ze,dat ze zo zijn zullen. Dat is te verwachten.

2. Ten tweede, de ziele gaat al de hinderpalen wegdoen die dekomst verhinderen zouden; want zij weet, dat zo lang de boelen inhuis zijn, de echte man niet komen zal, Hos. V: 15.

3. Ten derde, het verwachten bestaat ook in verlangen. Uwekomst zal mij zo aangenaam zijn, zegt ze; de komst van de Heerein 't vlees zal mij aangenaam zijn; Och dat Gij mij als eenBroeder waart, zuigende de borsten mijner moeder! dat ik U op destraat vonde, ik zoude U kussen, Hoogl, VIII: 1. Ja, de komst totmijne ziele kome haastelijk! Mijn Liefste, daar komt Hij, zegtze, (Hoogl. III) In de komst ten oordeel, dan verwachten zij Hemvolkomen. Als wij U zullen zien komen, wij zullen naar bovenvliegen, wij zullen onze hoofden opheffen naar boven, want dan isonze verlossing nabij, 4. Ten vierde, de Heere te verwachten: Welzegt ze, is 't dat Gij uwe komst nog wat uitstelt, Ik wil dientijd verduren, met lijdzaamheid afwachten. En is 't dat ikverdrietig worde, wel, Heere, zegt ze, ik ben een groot beest bijU, door het ongeloof.

Hoe waart gij gesteld onder dit verwachten? Wel, zegge zij, ikwerd moede en mat. Zij waren gelijk een reiziger, die eindelijkmoe wordt, als hij al lang gestaroogd heeft naar de plaats diehij verwacht. Zij worden dan moe en mat naar 't lichaam, zijvervallen, zij worden mager, zij zouden het eten wel vergeten;mengen as met hun brood en tranen zijn hun spijze, Ps. CII. Zijworden moede, hun hoop begint hun te ontvallen. Wat zou ik verderhopen, zegt ze, mijne hoop en verwachting is vergaan; 't is metmij uit, zegt zij, daar zal niets van komen. Ik kan niet langerwachten, zouden zij wel zeggen. Daar rollen desperate enonbezonnen woorden uit de mond. Ja, wil hen nog iemand troosten,hij zou wel zeggen: gaat maar weg, gij zijt mij nietigevertroosters, dat zal ik nooit zien. De droefheid gaat de mate teboven; zij zegt: En noemt mij niet Naomi, noemt mij Mara, want deAlmachtige heeft mij grote bitterheid aangedaan, Ruth I: 20. Inde blijdschap zijn ze moede, die is hun als vreemd. In de liefdeworden ze koel; die vermindert.

II. Wel, kinderen Gods, Welk volk, dat de Heere verwacht,mocht men wel. vragen, heeft reden dat het zo moede en mat wordt?Wel, antwoordde hij:

1. Vooreerst, omdat de Heere zijne komst uitstelt. Hijvertoeft te komen. Wel, wij hoopten dat Hij was degene dieIsraŰl verlossen zoude. Doch ook benevens dit alles is heden dederde dag van dat deze dingen geschied zijn. Luc. XXIV:21. was detaal der Emmausgangers. Zo zegt die ziele ook: Mijne ogen zijnbezweken van verlangen naar U heil, Ps. CXIX: 123, wanneer zultGij mij troosten. Zij moet zeggen: Want ik ben geworden als eenlederen zak in de rook, vs. 83.

2. Ten tweede, wilt ge weten de reden waarom zij moe en matworden? 't Is geen wonder. want de Heere stelt zich menigmaal alsvreemd aan; Gij zijt veranderd in enen wreden tegen mij, door desterkte uwer hand wederstaat Hij mij hatelijk, Job XXX: 21.

3. Ten derde, wilt ge nog ene reden weten? Wel, zij zien dergoddelozen weg voorspoedig. zij vragen met Jeremia; waarom is dergoddelozen weg voorspoedig? Jer, XII: 1. De trouwelozen wordengebouwd. Ja, zo was Asaf gesteld; hij zegt: Mijne voeten warenbijna uitgeweken, mijne treden waren bijkans uitgeschoten. Wantik was nijdig op de dwaze, ziende des goddelozen vrede. Tot datik in Gods heiligdommen inging, en op haar einde merkte. Ps,LXXIII: 2, 3, 17.

4. Ten vierde, zouden zij niet moe en mat worden. Want deduivel doet er ook zijn best toe; hij speelt er ook zijn rolonder, hij zoekt hen te ziften; 't geloof uit te blussen. Gelijkhij bij Petrus deed. Hij is hun somtijds als een scherpen doornin 't vlees, hij geeft hun vuistslagen, ja, hij verhindert henwel hun plichten uit te voeren. Gelijk Paulus eens klaagde dat deSatan hen verhinderd had.

5. Ten vijfde, zij worden moe en mat En geen wonder I want deHeere stelt somtijds hun zonden in 't licht van hun aangezicht;zij zien ze als bergen voor zich; zo dat zij moeten zeggen: Ikben bekommerd van wege mijne zonden, Ps. XXXVIII: 19. Zij zijnhun als een zware last, hun te zwaar om te dragen.

6. Eindelijk wilt gij ene zesde reden hebben en dat nog hetallersmartelijkste is? De Heere verbergt zijn aangezicht. Menmoet zeggen: Och of ik ware gelijk in de vorige maanden; gelijkin de dagen, doe God mij bewaarde Doe Hij zijne lamp deedschijnen over mijn hoofd, en ik bij zijn licht de duisternisdoorwandelde. Gelijk als ik was in de dagen mijner jonkheid, doeGods verborgenheid over mijne tente was, Job XXIX: 2-4 Maar, manGods, blijven zij altijd zo moede en mat? ˘ Neen, zegt hij, deHeere verwisselt zijne hand en naarmate van dat, zo verandert ookhun gestalte. Zij zullen de kracht vernieuwen! 't is degelijkenis van de arend, een schonen, groten vogel, vol vanvederen, met een ver ziend gezicht, hoog zwevende en vliegende;ja, als hij oud wordt, zo krijgt hij wel weer jonge en nieuwekrachten. Daarvan zegt de dichter van Ps. CIII, uwe jeugdvernieuwt als eens arends. Ziet, deze gelijkenis alleen nemenwij, want de Geest gaat ons zo voor.

III. Weet ge nu wanneer Gods kinderen de krachten vernieuwen?

1. Vooreerst, het is als ze beginnen alle angsten en vrezenuit hun harte weg te drijven. Zij beginnen te zeggen: wel, mijneziele, wat reden hebt ge om zo moede te zijn? Hebt ge welgegronde redenen zegt ze om zo te denken, om zo onbezonnen tespreken? wel heeft de Heere ooit geveild in zijne toezegging?Heeft Hij niet gezegd dat die Hem zoekt hem vinden zal. Hebt gij,of iemand, ooit onrecht aan de Heere gevonden? Is Hij u, ofiemand van al zijne kinderen ooit geweest ene dorre woestijn ofene huilende wildernis? Wel; heeft hij ooit iemand bedrogen?

2. Ten tweede, weet ge wanneer zij de krachten vernieuwen. ˘Die ziele begint dan zo geen gehoor te geven aan de vijanden!Tegen de duivel zegt ze: gaat achter mij Satan, gij verzint nietde dingen die des geestes Gods zijn. Tegen het harte zegt ze:wel, ik wil niet meer met vlees en bloed te rade gaan, Wereld, zoiemand uw vriend is, hij is een vijand Gods! Dat is de krachtenvernieuwen. Zij geeft de vijanden zo geen gehoor.

3. Ten derde, weet gij wanneer zij de krachten vernieuwt? Danpleit zij niet meer voor zichzelf, gelijk te voren; zij beginttegenstand te bieden; zij zegt met Job, als zijne huisvrouw zei:Houdt gij nog vast aan uwe oprechtigheid? zegent God, en sterft,Job 11: 9. Wel zei hij, gij spreekt als een der zottinnen, vs 10.Zo spreekt de ziele ook en biedt tegenstand.

4. Ten vierde, de Ziele, die de krachten vernieuwt, begintzichzelf op te beuren en aan te moedigen. Zij zegt: Wat buigt giju neder, ˘ mijne ziele, en wat zijt gij onrustig in mij? Hooptop God, want ik zal Hem nog Loven, l-Iij is de menigvuldigeverlossing mijns aangezichts, en mijn God, Ps, XLII: 12. Zijwordt beschaamd over haar vorig gedrag, gelijk Job: Met hetgehoor der oor heb ik u gehoord, maar nu ziet U mijn oog. Daaromverfoeie ik mij, en ik heb berouw in stof en as, Job. XLlI: 5. 6.

5. Ten vijfde, weet ge wanneer zij de krachten vernieuwen? DeZiele gaat dan als met een nieuwen moed aan de plichten Ik wilweer bidden, lezen, horen, zegt zij, gelijk Nehemia. Mij zettezich om te vasten en te bidden, en gelijk DaniŰl, die baddriemaal daags. Zo zegt David: Ik love u zevemaal 's daags overde rechten uwer gerechtigheid, Ps, CXIX: 164; 's middags, 'smorgens en 's avonds zult gij mijne stemme horen. Ja, die Zielebegint de beloften Gods op te rapen, die zij al lang hadweggeworpen. Ik begin hoop te krijgen, zegt ze. Job was 't alkwijt en evenwel zei hij nog: Ziet zo Hij mij dode, zoude ik niethopen, Job XIII: 15. Daar staat Paulus, greep een moed; zo doetdie ziele ook. Voor uwe voeten zal ik blijven: liggen, zegt ge,ik zal 't. wagen, ik kan naar sterven.

6. Ten zesde, dan vernieuwt zij de krachten, als gij zo alleste boven komt, dan zijt gij als met een verse olie overgoten. Datis in de grijzen ouderdom nog vruchten te dragen, vet en groen tezijn, Dat is: Op u heb ik gesteund van de buik aan, van mijnsmoeders ingewand aan zijt Gij mijn uithelper, Ps LXXI: 6.

Ziet, dat is nu de krachten vernieuwen, gelijk de arend alsmet vleugelen der arenden. De arend is een flukse vogel, vol vanvederen, hij vliegt naar boven, hij belacht het gedruis derschutteren. Zo is ook de Ziele en dat volk dat de Heere verwacht;zij vliegt als uit al de vijanden uit al de zondige gedachten.David zegt: Och dat mij iemand vleugelen als ener duive gave, Ps.LV: 7. maar dit zijn vleugelen der arenden. Welke zijn harevleugelen? Hare overdenkingen, meditatiŰn, zuchtend, smekingen,begeerten, verlangens, pogingen.

Wat is nu dat opvliegen naar boven?

1. Vooreerst, zij begint te zeggen, wel mijne Ziele, ge zijtwachtende op de Heere en ge wordt moede en mat! Wel, komt zieteens wie het beloofd heeft. Is,'t niet een onveranderlijke God,die onveranderlijk is in zijne wegen, in zijn raad, in zijnebeloften? wel mijne Ziel, zegt ze, hebt ge met zo eenonveranderlijke God te doen, wie is er dan in staat, om dieneeuwigen raad, om de verkiezing te niete te doen of teveranderen? waarin zegt Paulus, God willende de erfgenamen derbeloftenis overvloedelijker bewijzen de onveranderlijkheid zijnesraads, is met een eed daar tussen gekomen: Opdat wij door tweeonveranderlijke dingen, in welke het onmogelijk is dat God liege,een sterke vertroosting zouden hebben, Heb. VI:17, 18. Daar zijndie dierbare beloften, zegt ze, wie zal dat al veranderen?

2. Ten tweede, zij vliegen als naar boven tot voor de troon.Zij zegt: Heere, zijn daar ook zulke Zielen voor uw troon, die zomoedeloos geweest zijn als ik? Daar vind ze er ook; daar vindt zeeen Mozes, een Elias, die zo verdrietig was, dat hij zei: Het isgenoeg, neemt nu, Heere, mijne ziele: want ik ben ben niet beterdan mijne vaderen, I Kon. X1X: 4. En ik alleen ben overgebleven,en zij zoeken mijne ziel, om die weg te nemen vs. 14. Daar vindtze een Abraham, een Heman, Asa en meer andere heiligen, die allenin de zelfden staat geweest zijn als ik.

3. Ten derde, dat vliegen naar boven geeft dit te kennen. Daarzweeft zij naar boven en zegt: Heere, wel, als men in zo enegestalte sterft, zou er dan nog genade te wachten zijn? ˘ Ja,daarom geloven wij dat de Heere nooit de gestalte zijner kinderenin zijn woord aangetekend heeft op hun sterf bedde; maar het isaltijd; zij zijn gestorven in de geloof ontslapen, (Hebr. XI.)Maar nooit vinden wij de gestalte op het doodsbed aangetekend, endat omdat Gods kinderen niet nooit zouden wanhopen. Dan vliegt zenaar boven en zegt: ˘ wat schoon plaatsje is dat! Daar zijn geenwolken meer, daar is geen duisternis of zonde! ˘ Was ik daar,zegt ze, Mijne nieren verlangen zeer in mijne schoot, Job X1X:27. Want ik verwacht de stad die fondamenten heeft, welkerkunstenaar en bouwmeester God is, Hebr. X1: 10. Op die stratenzal ik wandelen, Dewijl wij niet en aanmerken de dingen die tienziet, maar de dingen die men niet en ziet. Want de dingen die menziet zijn tijdelijk, maar de dingen die men niet en ziet zijneeuwig, 2 Cor. VI: 18.

IV. Nu ons vierde stuk. Nu geven zij nog verder blijken van 'tvernieuwen hunner krachten, want zij lopen.

Wat geeft dit te kennen?

1. Vooreerst, de ziele zegt: ik wil lopen de tijd van mijnleven, zo lang, of zo kort, Heere, als Gij mijn pad zult stellenHet pad van mijn leven wil ik met blijdschap lopen, en is 'tHeere, zegt zij, dat: Gij mijne begeerte mij niet belieft tegeven in dit leven, laat het zijn na dit leven! De Heere zei eenstegen DaniŰl: sluit dat gezicht toe en verzegelt het, maar gij,ga henen tot uw einde, want gij zult rusten en in uw lot opstaanin 't laatste der dagen. Zo zegt de Ziele ook: Heere, is 't datGij mijne begeerte mij niet en geeft in dit leven, laat het zijnna dit leven! Zo was Jacob; hij was wel begerig naar de komstChristi, maar evenwel hij wou 't pad en de tijd zijns levens teneinde lopen: hij mocht zeggen; Op uwe zaligheid wachte ik, Heere,in dit leven door het geloof, na dit leven in het volle bezit.

2. Ten tweede, het lopen geeft dit te kennen. Ik wil, zegt deziele, lopen op 't pad van uwe Voorzienigheid. hetzij bitter ofzoet, ik wil mij aan U overgeven; leidt mij naar uwen raad!

3. Ten derde, de ziele wil in de wegen Gods blijven, daar wilze op lopen; van dat pad wil ik niet af, zegt ze. Zo zegt David:Ik zal de weg uwer geboden lopen, Ps. CXIX: 32. En gelijk de Kerkkon getuigen: Dit alles is ons overgekomen, nochtans en hebbenwij uwer niet vergeten, nochte valselijk gehandeld tegen uwverbond. Ons hart en is niet achterwaarts gekeerd; noch onze ganggeweken van uw pad. Hoewel Gij ons verplettert hebt in ene plaatsder draken, Ps. XLIV:18-20. Dat is nu het bewijs van vernieuwdekrachten dat zij lopen.

Maar indien dat al te driftig was, hoofd wel eens; zijbeginnen te wandelen, wat is dat te zeggen?

1 Ten eerste, 't is te zeggen: die hete driften worden watgekoeld, zij worden wat bedaarder, als een gespeend kind, Ps.CXXXI:1, zo zei Hiskia: ik zal nu al zoetjes voort treden. Jer.XXXVIII:15. Het geeft te kennen; het genoegen en 't plezier datde ziele heeft op dien weg, gelijk een wandelaar. 't Is hareverlustiging, 't is al hare uitspanningen.

Eindelijk, zij zouden lopen en wandelen zonder moede of mat teworden. Zij zijn als een kind dat eens gebrand is, het vreest hetvuur. Zo is ook een Christen, denk eens, zo hij de afwisselendegestalten te boven komt, of hij wel weer moe en mat zou worden!Ziet daar geliefden zˇˇ waren zij wachtende op de komstChristi. Zˇˇ is ene verlatene ziele wachtende op de komst vande Heere, zˇˇ zijn wij nog wachtende op het oordeel.

Geliefde Toehoorders, gunt ons nog een woord en daarmedeeindig ik.

Wij zijn hier allen voor Gods aangezicht., Verwachten wij ookde Heere toehoorders? Hoe velen zijn er onder ons, die liever inplaats van Hem te verwachten, Hem bespotten zouden? Zouden er inons land zulken ontbreken, die zouden zeggen, gelijk in Ps, XXIIvoorkomt: hij heeft het op de Heere gewenteld, dat Hij Hem nuuithelpe, dat Hij Hem redde, dewijl Hij lust aan Hem, heeft!Zouden er in onze stad zulken ontbreken gelijk die spotters, daarPetrus van getuigt, dat zij opstaan zouden in de laatste dagen enspottende vragen zouden: Waar is de belofte zijner toekomst? 2Petri III: 4. zouden er in deze gemeente zulken ontbreken, diezeggen, gelijk die dienstknecht zei: Mijne Heere vertoeft tekomen, en zoude beginnen zijne mededienstknechten te slaan, en teeten en.te drinken met de dronkaards, Matth XXIV: 48, 49. Wel,mens omdat het oordeel niet haastelijk en komt over de boze daad,daarom is 't harte des mensen vol om kwaad te doen. Spot niet metde vromen, noch met het Woord, want Hij zal zekerlijk komen! Is't zondaar, dat de Heere nog wat vertoeft, Hij zal voorzekerkomen! Wel, blijft Hij nog wat achter, weet dit, 't is niet bovende gezette en bepaalde tijd; Hij zal komen met dood en helle;gelooft het toch, zondaar! Zo men eens zei: eet die spijze, maargij zult er een geheel jaar ziek te bed van liggen, zoudt ge hetwel willen eten? En nu zegt de Heere: doet de zonde maar voor ditkort stondeke; van 't bedrijf der zonde zult gij ene ganseeeuwigheid smart lijden! Zondaar, denk niet, dat de pijn ligt zalzijn. Neemt eens, als ge jicht, brand, steen of graveel hebt, ˘,het neemt al uw vermaak weg! Denkt, wat zal 't dan zijn, eeuwigonder de toorn Gods te leggen! De Heere is toch overal; waar wiltge vlieden voor zijne hand? Hij zal u toch zekerlijk vinden! Watzult ge bedekken voor de alwetende God; wat kunt ge doen tegen deAlmachtige?

Ach, zondaar, mocht dit woord u beroeren, hetwelk wij wensen:

1. Ten eerste, denkt eens, is 't wel redelijk, dat gij zijnelankmoedigheid veracht?

2. Ten tweede, gaat liever in 't eenzame, en zegt liever: mijnRechter zal ik om genade bidden! En ga niet in 't gericht metuwen knecht, Ps. CXLII: 2. Slaat dien weg in.

Maar gij, kinderen Gods, die ook moe en mat zijt, wel, wijzeggen:

1. Vooreerst, wacht en verbeidt de Heere. Heeft Hij niet naaru gewacht; heeft Hij niet menigmaal aan de deur van uw hertestaan kloppen, opdat gij hem in zoudt laten (Openb. III,)

2. Ten tweede, met wachten verliest ge immers niet; met moe enmat worden wint ge niet. Ja, rekent het uw geluk dat ge wachtenmoogt. De Heere heeft u immers geen tijd gesteld? Hoe lang? Wel,verbeidt de tijd, al was 't 38 jaar.

3. Ten derde, wacht; immers 't is billijk. Komt, vernieuwt uwekrachten weer I Uwe handen hangen slap; ge bidt zo eens terloops, ja, dikwijls met verstrooide gedachten. Komt, ziet eensvan 't begin van uw werk af. Zal de zonde, de verberginge, dedonkerheid, de strijd, zal dat Gods raad te niet doen, ofveranderen? Komt vliegt naar boven; Ziet Gods verbond! Hij toorntmaar een klein weinigje, maar Zijne goedertierenheden zijneeuwig! Loopt de tijd van uw leven ten einde; loopt het pad vanGods voorzienigheid; Wandelt in de wegen des Heeren, laat het uweblijdschap zijn. Gij hebt misschien al genoeg ondervonden, algenoeg gezien Haast is wellicht de tijd ten einde, dat gij uituwe moedeloosheid zult verlost worden, en de Heere zultaanschouwen in zijne genade en volheid, hem dankende voor al dewegen die hij met u gehouden heeft, dan zult ge eens rechtopvliegen met die arendsvleugelen, dan zult gij niet meer moedeof mat worden, niet meer zuchten en schreien over de verbergingenen verlatingen des Heeren vanwege de zonde. Wordt de Akkerman welmoedeloos, schoon dat hij zaait, daar hij niet weet of hij zolang leven zal tot dat hij de vruchten ziet? En iemand die eenhuis bouwt, wordt hij moedeloos, omdat hij niet weet of hij 'tbewonen zal? Is 't voor hem niet, 't is voor een ander. Moet erdan nog licht komen over land of kerk, is 't in uw levenstijdniet, laat het zijn over uwe nakomelingen. Hij die te komenstaat, zal komen, want zonder troost zij niet sterven! Wacht zo.Gij zult hem zien komen op de wolken, en de krone derheerlijkheid beŰrven.

Amen.

Gepredikt te Middelburg, op Zondagavond de 22 Januari 1713.