De barmhartige Samaritaan

of

Goede tijding voor u.

 

"Doch een zeker Samaritaan, reizende, kwam omtrent hem."

Lukas 10: 33.

De barmhartige Samaritaan is een meesterlijk geschetst beeld van ware weldadigheid. De Samaritaan stond in geen bloedsbetrekking tot de jood, Hij was van zuiver vreemde oorsprong. Doch toch ontfermt hij zich over zijn naaste. De Joden vloekten de lieden van Chut en wilden geen omgang met hen hebben, daar zij indringers waren in hun land. Er was dus in het voorwerp van het medelijden van de Samaritaan niets, dat zijn nationale sympathie kon opwekken, doch wel alles, dat zijn vooroordeel prikkelde; vandaar het edele in zijn weldadigheid

Het is heden mijn voornemen niet de lieflijke punten van voortreffelijkheid aan te tonen die Christus in het licht stelt, ten einde een voorbeeld te geven van hetgeen ware barmhartigheid tot stand zal brengen. Ik wens u slechts het ene feit te doen opmerken dat de weldadigheid, welke de Samaritaan jegens deze arme gewonde, half dode mens aan den dag legde, nuttig en praktisch was. Hij heeft niet tot hem gezegd: "Indien gij naar Jericho wilt lopen, dan zal ik uw wonden verbinden en er olie en wijn in gieten"; of "indien gij met mij naar Jeruzalem wilt gaan dan zal ik voorzien in hetgeen gij nodig hebt." O neen, hij kwam "omtrent hem", dat is: hij kwam, waar de gewonde was. En bemerkende dat deze hoegenaamd niets doen kon om zich zelf te helpen, begon de Samaritaan te eigener plaats en tijdstip hem hulp te verlenen. Hij stelde hem geen onmogelijke voorwaarden, geen bepalingen, die hij niet kon volbrengen, neen, hij deed alles voor de man. En hij deed het waar hij was, en zoals hij was.

Geliefden, wij weten volkomen, dat een barmhartigheid die niet genoeg onder iemands bereik gesteld is om er gebruik van te kunnen maken, in het geheel geen barmhartigheid is. Gaat eens onder de werklieden in één van onze steden. En zegt hun dat niemand van hun van honger of koude behoeft om te komen, wijl er op de top van de Mont Bernard gastvrije monniken wonen die in hun klooster een eetzaal hebben, waar alle voorbijgangers zich aan spijs, drank en warmte te goed kunnen doen. Zegt hun, dat zij niets anders behoeven te doen, dan naar de Alpen te reizen, om daar overvloed van spijs en drank te vinden. Arme zielen! Zij gevoelen, dat gij de spot met hen drijft, want de afstand is veel te groot. Gaat in één van onze achterbuurten, klimt er een zestal trappen op om in een ellendig dakkamertje te komen, dat zó vervallen is, dat gij door de dakpannen heen de sterren zien kunt. En gij vindt er een jong meisje, dat de tering heeft, wegkwijnt van armoede en gebrek. Zegt haar, zo gij durft: "Als gij naar een zeebadplaats gaat en alle dagen goed, gezond en versterkend voedsel gebruikt, dan zult gij beter worden." Gij zou dan niets doen dan haar schandelijk bespotten - zij kan zich deze dingen niet verschaffen - zij zijn buiten haar bereik. Zij kan naar geen badplaats gaan - zij zou sterven eer zij er is. Uw barmhartigheden gelijken op de barmhartigheden van de goddelozen; zij zijn wreed. Verbeeldt u Jeremia in de diepe kerker. Indien Ebed-Melech en Baruch boven aan de put staande, hem hadden toegeroepen: "Jeremia, indien gij halverwege wilt opklimmen, dan zullen wij u optrekken" terwijl er geen ladder was, noch enig ander middel, waardoor hij bij mogelijkheid zo ver kon komen; hoe wreed zou dan hun barmhartigheid niet geweest zijn! Doch neen, zij nemen enige oude, verscheurde lompen van onder de schatkamer van de koning en lieten ze met zelen af tot hem. En zeiden hem ze onder de oksels van zijn armen te leggen vanonder aan de zelen. En aldus trokken zij hem op uit de kuil. Dit was een doeltreffende barmhartigheid, doch de andere zou niets dan een huichelachtig voorwendsel geweest zijn. Mijne broeders, indien Christus de barmhartige Samaritaan aldus schetst naar het leven, als Hij hem voorstelt de arme gewonde man op praktische, nuttige wijze liefde bewijzende, is het dan niet zeer waarschijnlijk, of liever, is het dan niet geheel zeker, dat, als Christus zal komen om met de zondaren te handelen, hij hun een doeltreffende barmhartigheid zal betonen, een genade die hun werkelijk van dienst is?

Vandaar, vergunt mij het te zeggen, dat ik niet geloof dat de wijze, waarop sommigen het Evangelie willen prediken, goed is. Zij hebben geen Evangelie voor zondaars als zondaars, doch alleen voor diegenen die boven het dode peil van het zondaarsschap zijn. En met de geijkte naam van gevoelende zondaars bestempeld worden. Evenals de priester in deze gelijkenis, zien zij de arme zondaar, en zeggen: " Hij is zich niet bewust van zijn behoefte, wij kunnen hem niet uitnodigen tot Christus te komen." "Hij is dood," zeggen zij, "het dient nergens toe voor dode zielen te prediken." En zo gaan zij tegenover hen voorbij. En houden zich dicht bij de uitverkorenen en levend gemaakten, doch hebben hoegenaamd niets te zeggen aan de doden, uit vrees van Christus al te goedertieren, en zijne genade al te vrij en om niet voor te stellen. De Leviet was niet gans en al zó gehaast als de priester. De priester moest dienst doen, moest prediken. En zou te laat kunnen komen voor de dienst. En daarom kon hij zich niet ophouden om de man bij te staan. En daarenboven: hij zou zijn priesterkleed hebben kunnen bezoedelen. Of zich zelf hebben kunnen verontreinigen. En dan zou hij niet geschikt zijn geweest om op te treden voor de deftige lieden, waaruit zijn gehoor bestond. En wat de Leviet betreft: hij moest de gezangen lezen; hij was voorzanger in de kerk. En hij was wel enigszins gehaast, doch toch kon hij wel na het voor-gebed komen. En zo gaf hij zich nog even de tijd om naar hem te zien. Het is juist zoals ik weet, dat sommige leraren gezegd hebben: "Wel, gij weet, wij moeten de zondaar zijn toestand voor ogen houden en hem waarschuwen, doch wij moeten hem niet uitnodigen tot Christus te komen." Ja, vrienden, gij moet, na hem aangezien te hebben, tegenover hem voorbij gaan, want naar hetgeen gij zelf bekent, hebt gij geen goede tijding voor hem. Ik loof en dank mijn Heere en Meester, dat Hij mij een Evangelie gegeven heeft, dat ik tot dode zondaars kan brengen. Een Evangelie dat ook voor de snoodsten der snoden nuttig is. Ik dank mijn Meester dat Hij tot de zondaar niet zegt: "Kom Mij halverwege tegemoet." Doch dat Hij "omtrent hem komt." Dat is: dat Hij komt waar de zondaar is en Hem verloren, verstokt, in het verderf gestort vindende, geeft Hij hem leven en vrede, zonder er om gevraagd te zijn. Of te verwachten dat hij er zich op zal toebereiden om genade te ontvangen.

  1. De zondaar HEEFT GEEN ZEDELIJKE EIGENSCHAP DIE HEM RECHT GEEFT OP DE ZALIGHEID, doch Christus komt waar hij is.

Indien het mij mogelijk is, dan zou ik over deze zaak wensen te spreken niet met betrekking tot de scharen die buiten zijn, doch die hier tegenwoordig zijn. Ik spreek niet van hen en van dezen, doch van u en van mij. Ik wens te zeggen tot elke zondaar: "Gij bevindt u in een toestand, waarin in zedelijke zin niets is dat u geschikt maakt om zalig te worden, doch Jezus ontmoet u ter plaatse waar gij nu bent."

  1. Herinnert u, ten eerste, dat, toen het Evangelie voor het eerst in de wereld gezonden was, zij, tot wie het gezonden was, blijkbaar zonder enige zedelijke geschiktheid waren om het te ontvangen. Hebt gij ooit het eerste hoofdstuk van Paulus' brief aan de Romeinen gelezen? Het is een van die ontzaglijke plaatsen in de Schrift welke niet bestemd zijn om in de bijeenkomsten te worden gelezen, doch om in het verborgene van onze eigen binnenkamers te worden overdacht. De apostel schetst het beeld van de zeden en gewoonten van de heidenwereld. Een beeld, zó ontzettend dat de ongelovigen zouden gezegd hebben dat Paulus zeker overdreven heeft, indien onze zendelingen ons niet mededeelden, dat het nog te dezer ure de nauwkeurige fotografie is van het leven in Hindostan. Het heidendom in de dagen van Paulus was zó ontzettend slecht dat het volstrekt onmogelijk zou zijn een zonde te bedenken, waarin de mensen niet gevallen waren. En toch zei de apostel: "Wij keren ons tot de heidenen." En heeft de Heere Jezus zelf bevolen: "Gaat heen in de gehele wereld, predikt het Evangelie aan alle creaturen." Hoe! Ook aan mensen, wier kleinste zonde bestaat in overspel en hoererij. Aan dieven en moordenaars, aan moordenaars van vader of moeder? Ja, gaat heen, predikt het Evangelie aan hen! Het feit dat de wereld tot aan de hals gedompeld was in het slijk van afschuwelijke goddeloosheid, terwijl haar toch het Evangelie gebracht moest worden, is het duidelijk bewijs dat Christus naar geen zedelijke geschiktheid uitziet, geen gerechtigheid verwacht in de mens, vóórdat het Evangelie hem kan baten. Hij zendt het Woord tot de dronkaard, de vloeker, de hoer, de snoodsten van de snoden. Want het Evangelie van Christus is bestemd om de zodanigen te verlossen.
  2. Herinnert u daarna dat de beschrijving die de Bijbel geeft van hen, voor wie Christus in de wereld kwam om ze te verlossen, ten duidelijkste bewijst dat Hij tot de zondaar komt, waar hij is. Hoe beschrijft de Bijbel hen die Christus is komen verlossen? Als mensen? Neen mijne broeders. Christus is niet gekomen om de mensen als mensen te verlossen, doch als zondaars. Als gevoelende zondaars? - Neen, zij worden voorgesteld als "dood door de misdaden en de zonden." Doch! Naar de wet en het getuigenis! Laat mij enkele plaatsen uit de Schrift voor u lezen. En mocht gij, terwijl ik lees, in staat zijn te zeggen: "Daar is hoop voor mij." Ten eerste, zij die Christus is komen verlossen, worden in 1 Timotheus 1: 15 en in vele andere plaatsen aangeduid als "zondaren." "Dit is een getrouw woord en alle aanneming waardig, dat Christus Jezus in de wereld gekomen is, om de zondaren zalig te maken, van welke ik de voornaamste ben." "De zondaren," zonder enig bijvoeglijk naamwoord om ze nader aan te duiden. Geen ontwaakte zondaars, geen boetvaardige, berouwvolle zondaars, doch zondaars als zondaars. "Gewis," zegt iemand, "ik ben dus niet uitgesloten." In Romeinen 5: 6 lezen wij: "Want Christus, als wij nog krachteloos waren, is te zijner tijd... gestorven." Voor wie? Voor hen die enigerlei begeerte hadden naar God? Enigerlei eerbied voor zijn naam? Neen, "voor de goddelozen." Nu betekent een goddeloze iemand die zonder God is. Iemand die niet om God geeft. Wiens "gedachten zijn dat er geen God is." En bijgevolg is hij niet wat de mensen een gevoelend zondaar noemen. De goddelozen zijn "als het kaf dat de wind heen drijft". En ook dezen zijn de personen voor wie Christus op aarde is gekomen om ze te verlossen. In hetzelfde hoofdstuk vindt gij in het tiende vers van hen gewag gemaakt als van "vijanden" - "indien wij, vijanden zijnde, met God verzoend zijn door de dood van zijn Zoon." Wat zegt gij hiervan? Zij worden niet aangeduid als vrienden. In één zin heeft Christus zijn leven gesteld voor zijn vrienden. "Doch God bevestigt zijn liefde jegens ons dat Christus voor ons gestorven is als wij nog zondaars waren." Vijanden van God zijn de voorwerpen geweest van zijn genade, zodat Christus in die vijandschap inkomt en de mens ontmoet, waar hij is.
  3. In Efeze 2: 1 lezen wij van hen als "dood door de misdaden en de zonden." - "En u heeft Hij mede levend gemaakt, daar gij dood waart door de misdaden en de zonden." Christus vraagt de zondaar dus niet dat hij zich zelf levend zal maken. Het Evangelie moet niet slechts gepredikt worden aan hen, die enige goede begrippen, enige goede begeerten, een sprankje van het hemelse leven in zich hebben. Doch aan de doden als doden. Tot de doden komt Christus en ontmoet hen in hun graf van de zonde. En wederom (Efeze 2: 3,): zij zijn "kinderen des toorns." "Wij waren van nature kinderen des toorns, gelijk ook de anderen." Doch tot dezulken kwam het Evangelie. Kunt gij iets goeds, iets hoopgevends bespeuren in een kind des toorns? Indien dit zijn naam en karakter is, dan vraag ik u hem aan te zien van het hoofd tot de voeten: kunt gij een plekje goed, ook maar zo groot als de punt van een speld in die mens ontdekken? Toch zijn het de zodanigen die Christus is komen verlossen. En wederom: er wordt van hen gesproken als van "vervloekten." "Ach," zegt een zondaar, "ik heb mij zelf dikwijls voor Gods aangezicht vervloekt en Hem gevraagd mij te vervloeken." Welnu, Christus is voor de vervloekten gestorven (Gal. 3: 13). "Christus heeft ons verlost van de vloek der wet, een vloek geworden zijnde voor ons." Dat is: voor ons die onder de vloek waren. En wederom: zij worden aangeduid met het verschrikkelijke woord "verloren". Zij zijn verloren voor alle hoop, zelfs hun eigen vrienden geven de hoop voor hen op. "De Zoon des mensen is gekomen om te zoeken en zalig te maken dat verloren was." (Lukas 19: 10.) Indien ik deze Schriftuurplaatsen versta dan betekenen zij eenvoudig dit: dat in hen die Christus is komen verlossen hoegenaamd geen goed is dat mee zou kunnen werken tot hun verlossing en dat Christus hen niet aanziet om iets goeds in hen te vinden. Ik verstout mij te zeggen dat de enige geschiktheid om gereinigd te worden is, dat men onrein is. De enige geschiktheid om de Zaligmaker te kunnen ontvangen is verloren te zijn. De enige hoedanigheid in welke wij tot Jezus kunnen komen is in de hoedanigheid van zondaars, verloren, dood en onder de vloek.

  4. Doch nu ten derde: uit het werk der genade zelf blijkt het overduidelijk dat de Heere van de zondaar niet verwacht iets te doen, of iets te zijn om Hem te ontmoeten. Doch dat Hij tot hem komt waar hij is. Zie, o zondaar! Christus sterft op Golgotha. Een last van zonde is op zijn schouders en op zijn hart. In de ontzettendste benauwdheid der ziel roept Hij uit onder de verlating van zijn God. Voor wie stierf Hij? Voor de onschuldige? Waarom voor de onschuldigen? Wat zoenoffer hadden zij van node? Voor hen, in wie nog enig goed was? Waartoe al die doodsbenauwdheden voor de zodanigen? Gewis, voor hen kan wel een mindere prijs volstaan! Doch omdat Christus vanwege de zonde is gestorven geloof ik dat zij, voor wie hij stierf, als zondaars en niet anders dan als zondaars beschouwd moeten worden. Daar Hij zulk een ontzettende losprijs betaald heeft, maak ik hieruit op, dat zij een ontzettende schuld op zich hadden geladen en dat Hij stierf voor hen die niets hadden om te betalen. Doch Christus is opgestaan, opgestaan ter onzer rechtvaardigmaking. Ter rechtvaardigmaking voor wie? Van hen die reeds in en door zich zelf rechtvaardig waren gemaakt? Ach! Dat zou dan wezen een gans onnodig werk te doen. Neen, mijn broeders, doch voor hen die geen rechtvaardigmaking van zich zelf bezaten, ja zelfs geen schaduw daarvan, doch die vanwege hun eigen werken volkomen en volstrekt veroordeeld waren. En met het oor des geloofs hoor ik Hem daarenboven ook pleiten voor de eeuwige troon. Voor wie pleit Hij? Voor hen die zelf iets hebben om op te pleiten? Dat zou dan onnodig wezen. Geeft iemand zijn geld aan de rijken? Geeft iemand aalmoezen aan hen, die ze niet nodig hebben? Indien de mensen zelf iets hebben om op te pleiten, waarom pleit Christus dan voor hen? Neen, mijne broeders, Hij pleit voor degenen, die hoegenaamd niets bezitten dat zij als argument kunnen gebruiken om kracht bij te zetten aan hun gebeden. Doch Christus is opgevaren en heeft gaven genomen. Voor wie? Voor hen die een beloning verdienden? Neen, voorwaar! Laten dezen ze zelf nemen. Doch Hij heeft gaven genomen om uit te delen onder de mensen, "ja ook de wederhorigen, om bij u te wonen, o HEERE God." Doch Hij geeft de Heilige Geest. Aan wie? Aan hen die sterk zijn, en goed, en alles zelf kunnen doen? O mijne broeders, dat ware dan een overtollig werk! Neen, Hij geeft de Heilige Geest aan hen die machteloos, zwak en dood zijn. Hij geeft de Heilige Werker aan hen die onheilig zijn en vol van zonde. Hij stort de alvermogende invloed in hen die slaven waren van het kwaad. Broeders, het werk van Christus veronderstelt een verloren, ten ondergang gebracht wederhorig zondaar. En daarom zeg ik, dat Christus de mens ontmoet, waar hij is.
  5. Meer nog, want ik wens dit punt tot klaarheid te brengen voordat ik er van afstap. De goddelijke hoedanigheid van Gods genade bewijst dat Hij de zondaar ontmoet, waar hij is. Indien God slechts aan kleine zondaars vergeving schenkt dan is Hij ook klein in zijn genade. Indien de Heere niet iets meer doet dan de mensen kunnen denken, dan hebben wij al te veel beweging gemaakt met het Evangelie. En het kruis bovenmate verheerlijkt. Tenzij in de genade van God iets buitengewoons is kan ik een Schriftuurplaats als deze: "Gelijk de hemelen hoger zijn dan de aarde, alzo zijn mijn wegen hoger dan uw wegen en mijn gedachten dan ulieder gedachten" niet begrijpen. Ik verstout mij te zeggen, broeders, dat velen van ons gedachten hebben van onze vijanden te vergeven. Het is soms ons zalig lot geweest wel te doen aan hen, die ons haten. Welaan, indien God goddelijk wil wezen in zijn genade - en daar houd ik mij van overtuigd - dan moet Hij iets meer doen dan dit. Hij moet niet slechts zijn vijanden vergeven, doch die vijanden moeten dan zó wreed en verschrikkelijk van aard zijn dat geen mens hun vergeving zou schenken. Doch hoe zou men dit kunnen zeggen, indien de Heere slechts aan die zondaren vergeving schonk die hun zonden gevoelen en betreuren? Neen, het verbazingwekkende hiervan is dat Hij hen door zijn genade roept, terwijl zij nog vijanden zijn, ja wat meer is dat Hij hun zonden uitdelgt, hen verandert in vrienden. En de zondaar aldus ontmoet waar hij is.

5. Door de geest, het kenmerkend karakter van het Evangelie, wordt elke veronderstelling uitgesloten dat God iets in de mens vereist om hem te kunnen verlossen en zalig maken. (Lees dit svp 2 keer). Indien de zaligheid aan iemand op de een of andere voorwaarde wordt aangeboden dan hebben zij, die deze voorwaarde nakomen, recht op de zegen. Dat is het oude werkverbond. De substantie van het wettisch verbond is: "Doe dit, en Ik zal u belonen." Als de mens dit dan gedaan heeft, verdient hij wat hem beloofd werd. En, let wel: al maakt gij die voorwaarde nu nog zo gemakkelijk, zo lang het een voorwaarde is, is God door zijn eigen Woord gehouden en verplicht de mens, zo hij de voorwaarde is nagekomen, te geven wat hij verdiend heeft. Dit is werk, doch geen genade. Het is het betalen van een schuld, niet het betonen van een gunst. Doch in zoverre het Evangelie van het begin tot het eind vrije gunst is ben ik er volstrekt zeker van dat God de zondaar niets vraagt. Geen goede wensen, geen begeerten, geen goede gevoelens. Voordat hij tot Christus mag komen. Neen, opdat de rebel wete dat alles uit genade is, wordt hem bevolen te komen zoals hij is, niets met zich brengende, doch alles ontvangende van God die overvloedig is in genade. En daarom de zondaar ontmoet waar hij is.

Ik zeg dus tot de zondaar: waar gij heden ook mag wezen. Indien gij zonder enige deugd bent en indien gij vol bent van alle kwaad. Indien er geen goede punten zijn in uw karakter, doch alles wat slecht is tegenover de mens en tegenover God. Indien gij al de misdaden had gepleegd die op de lijst vermeld staan. Indien gij uw lichaam had verwoest en uw ziel had verdoemd, toch heeft Christus gezegd: "Die tot mij komt zal ik geenszins uitwerpen." En indien gij tot Hem komt dan kan Hij u niet méér uitwerpen dan indien gij de deugdzaamste, eerbaarste en de meest vrome mens ter wereld geweest waart. Geloof heden in de barmhartigheid van God in Christus, steun en betrouw op Hem. En gij bent behouden tot roem en prijs van de genade die u ontmoet, waar gij bent. En u zalig maakt van uw zonde.

II.

Ten tweede. Er zijn onder het verloren geslacht van Adam zeer velen die zeggen> DAT ZIJ ZONDER ENIGE VERSTANDELIJKE GAVEN ZIJN die hen geschikt maakt om verlossing te ontvangen.

Dit voeren zij aan tot hun verontschuldiging: - "Ik ben niet geleerd. Reeds als knaap moest ik mijn eigen brood verdienen, zodat ik geen week op school ben geweest. Ik ben geheel onwetend. Ik kan niet eens lezen. En indien iemand mij vroeg een gebed te doen, ik zou het niet kunnen. Ik heb er geen verstand van." Welnu, gij ziet dat Jezus u ontmoet waar gij bent. En hoe doet Hij dit? Wel, ten eerste: de daad der verlossing vereist geen verstandsgave in u. Het is het geloof dat het eeuwige leven aangrijpt. Zelfs een kind, hoe weinig ontwikkeld het ook zij, kan geloven wat men het zegt. Het kind kan niet redeneren, kan niet redetwisten, weet niet van haarkloverijen, kan geen moeilijk punt in de theologie ontdekken, doch het kan geloven wat men het zegt. Het geloof vereist zo weinig verstandelijk vermogen, zo weinig helderheid van verstand dat er velen geweest zijn die ten opzichte van andere dingen idioot waren, doch door de daad van het geloof in Christus wijs werden gemaakt tot zaligheid. Gij herinnert u de eigen woorden van onze Heere: "Ik dank U, Vader! Heere des hemels en der aarde! Dat Gij deze dingen voor de wijzen en verstandigen verborgen hebt, en hebt deze aan de kinderkens geopenbaard." Doch dit had nooit kunnen geschieden, indien de daad, welke ons in gemeenschap brengt met Christus, niet de geringste daad was geweest van het menselijk kunnen. Namelijk van eenvoudig op Christus te betrouwen als gevolg van ons geloven, hetgeen ons op goed en waarachtig getuigenis gezegd wordt.

Doch voorts: gedenkt aan de buitengewone eenvoudigheid van hetgeen geloofd wordt. Is er iets ter wereld dat eenvoudiger is dan de leer der verzoening? Wij verdienen te sterven, Christus sterft voor ons. Wij hebben schulden, Christus betaalt ze voor ons. Is dit zelfs voor de meest haveloze school niet eenvoudig genoeg? Het is zo duidelijk dat velen van onze zeer geleerde doktoren in de theologie het uit de Bijbel proberen te schrappen. Zij denken: "Indien dit de pit en het merg van alles is, dan kan ieder ongeleerde wel theoloog zijn." En daarom slaan zij er tegen achteruit. Wat is de leer der Unitariërs (tegenstanders van de leer der Drie-eenheid) anders dan een zich ergeren aan de eenvoudigheid van het kruis? Het waren Unitariërs die bij het kruis stonden, toen Christus stierf. "Dat hij nu afkome van het kruis," zeiden zij, "en wij zullen hem geloven." Dat is van toen aan altijd het karakter van de Unitariërs geweest. Zij willen Jezus overal ontvangen behalve op zijn kruis. Doch hangende aan het kruis, stervende in de plaats van de mens is Hij zó gewoon en zó alledaags dat deze grote mannen zich liever naar de filosofie en het ijdele bedenken van de mensen zullen wenden dan datgene aan te grijpen, hetwelk de gewoonste, eenvoudigste mensen even goed kunnen begrijpen als zij.

Doch meer: om elk verstandelijk gebrek in de mens te hulp te komen, is de in zich zelf reeds zo eenvoudige waarheid in de Bijbel onder zulke eenvoudige beelden voorgesteld dat niemand zeggen kan dat hij het niet verstaat. Hoe eenvoudig is het beeld van de koperen slang, opgericht voor de ogen van de door slangen gebeten Israëlieten, terwijl hun bevolen wordt er op te zien om in het leven te blijven. Wie begrijpt niet dat een blik op Christus, die sterft voor en in de plaats van de mensen, hen zal doen leven? "Zo iemand dorst, die kome tot mij en drinke." Wie begrijpt het beeld niet van een fontein, vloeiende in de straten, opdat iedere voorbijganger die dorst heeft, er zijn lippen onder kan houden om te drinken? "Ziet het Lam Gods." Wie verstaat het offer niet? Hier is een lam, geslacht voor de zonde van Israël. En evenzo sterft Christus voor de zonde van hen die in Hem geloven. De daad van het geloof is eenvoudig, de beelden verduidelijken het. En zo is dan hij die het Evangelie van Christus niet verstaat, niet te verontschuldigen.

En om het alles te kronen: aan u, waarde hoorders, heeft Christus overvloed van leraren geschonken. Daar zit een man naast u die van uw eigen stand en roeping is. Zo gij het Evangelie niet verstaat, zal hij het u verklaren. Hier zijn velen van ons die maar al te blij zouden zijn de steen van uw graf af te wentelen. Hier zijn kinderen Gods die zelf door vrijmachtige genade verlost en behouden zijn. Indien gij de weg wezenlijk niet weet, zo stoot slechts de persoon die naast u zit even aan. En zeg tot hem: "Kunt gij mij nog duidelijker zeggen wat ik doen moet om zalig te worden?" Welnu, dit is waarlijk u te hulp te komen, u te ontmoeten. Laat uw verstand nu nog zo klein wezen, dit is tot u afdalen, al bevindt gij u ook op de laagste trap van de menselijke ontwikkeling. Jezus Christus komt tot u, waar gij bent.

III.

Doch nu hoor ik iemand zeggen: "Ik ben wanhopig, want IK KAN NOCH IN MIJZELF, NOCH BUITEN MIJZELF EEN REDE VINDEN, WAAROM GOD AAN ZODANIG IEMAND ALS IK BEN, VERGEVING ZOU SCHENKEN."

Gij bent alzo in een hopeloze toestand. Of ten minste, gij ziet geen hoop. De Heere komt tot u, waar gij bent, door de reden van uw verlossing en zaligheid geheel en al in Hem zelf te stellen. Zal ik u op enige Schriftwoorden wijzen die u volkomen zullen voldoen? "Ik, Ik ben het die uw overtredingen uitdelg." Waarom? Om mijnentwil." Om uwentwil kan Hij niet vergeven, dat ziet gij duidelijk genoeg in; en gij gevoelt ook dat Hij u om de wil van iemand anders niet vergeven kan. Doch om "mijnentwil," zegt Hij, "opdat Ik Mij verheerlijke." Niet in u, doch in zijn eigen groot hart vindt Hij de beweegreden dat Hij zijn eigen barmhartigheid groot zal maken. Om zijnentwil zal Hij het doen. Of neemt een andere tekst: "Om mijns naams wil zal ik mijn toorn langer uitstellen, opdat Ik u niet afhouwe." Hier is het wederom om zijns naams wil, alsof Hij wist dat Hij geen andere beweegreden zou kunnen vinden. En zo neemt Hij het dan gans en al op zich. Hij vergeeft ten einde zijn eigen naam te eren en te verheerlijken. Zondaar, gij kunt niet zeggen dat dit op uw toestand niet past, want al waart gij ook de grootste booswicht die ooit Gods aarde ten vloek was en de lucht verontreinigde, waarin gij ademt. Toch kan Hij u om zijns naams wil verlossen en zalig maken. Er is plaats voor u om te hopen, want hoe groter zondaar gij bent, hoe meer eer en heerlijkheid voor Hem, zo Hij u verlost. En indien de zaligheid geschonken wordt om geen andere reden, dan die gelegen is in Hem zelf, dan is er toch een reden, om u, ja zelfs u te verlossen.

Herinnert u, dat Hij u zijn eigen doel voor ogen stelt om u te tonen, dat, zo gij geen reden vindt in u zelf, dit geen hinderpaal voor Hem is om u te verlossen. Wat is Gods bedoeling met de verlossing van de mensen? Wat zal er het gevolg van wezen, als Hij hen naar de hemel brengt? Wel, dat zij zijn naam voor eeuwig zullen loven en danken. En zingen: "Hem, die ons heeft liefgehad, en ons van onze zonden gewassen heeft in zijn bloed, zij de heerlijkheid." Gij bent juist die mens. Indien gij verlost en naar de hemel gebracht wordt, zult gij zijn genade dan niet loven? "Ja," zei eens een oud man die lang in de zonde had geleefd, "indien Hij mij naar de hemel brengt, dan zal Hij er nooit het einde van horen, want dan zal ik Hem gedurende de ganse eeuwigheid loven." Wel, ziet gij niet dat gij juist de man bent die aan Gods bedoeling zult beantwoorden. Immers, wie zal zo veel liefhebben als hij, aan wie veel vergeven is. En wie zal zo met luider stem loven als hij, wiens machtige zonden overwonnen werden door de machtige liefde, en goedheid, en genade van God? Gij kunt niet zeggen, dat dit u niet baat, want hier is een drijfveer en een reden, al kunt gij er in u zelf geen vinden.

Hier is nog een reden, waarom God u zal verlossen, het is zijn eigen Woord, het woord van Hem, die niet liegen kan. Wederom wijs ik u op die tekst, want er is hier wellicht een hart dat in staat is er het anker in uit te werpen - "Die tot Mij komt zal ik geenszins uitwerpen." "Doch als ik kom," zegt gij, "zie ik geen enkele reden, waarom Hij mij zou verlossen." Ik antwoord: er is een reden, en wel in Zijne eigen belofte. God kan niet liegen. Gij komt; Hij zal u niet uitwerpen. Hij zegt: "Ik zal geenszins uitwerpen." Doch gij zegt; "Hij zou dit om deze of die reden wél doen." Dit nu is in volkomen tegenspraak met elkaar. Die twee kunnen niet samengaan. Indien er iets nodig is voor een ziel om te komen, en gij komt zonder hetzelve, zo is daar toch de belofte. En daar die belofte geen perken heeft, zo pleit er dan op. En dan zal de Heere niet weigeren zijn eigen Woord te eren. Indien Hij u kan uitwerpen, omdat gij de ene of andere onmisbare hoedanigheid mist, dan is zijn Woord niet waar. Wie gij ook wel zijn mag, en wat gij ook niet zijn mag, en wat gij ook Zijn mag indien gij gelooft in Jezus Christus, dan is er een reden in elke eigenschap van God, waarom gij behouden zou worden. Zijn waarheid roept: "Behoud hem, want Gij hebt gezegd, dat Gij het doen zult." Zijn macht zegt: "Behoud hem, opdat de vijand uw macht niet loochent." Gods wijsheid pleit: "Behoud hem, opdat de mensen niet twijfelen aan uw oordeel." Zijne liefde zegt: "Behoud hem." Al zijn hoedanigheden zeggen: "Behoud hem". Ja zelfs de gerechtigheid roept: "Behoud hem, want indien wij onze zonden belijden, Hij is getrouw en rechtvaardig, dat Hij ons de zonden vergeve."

Ik tracht in diepe wateren te vissen om sommigen van u te vangen die lang aan het net ontkomen bent. Ik weet, dat gij, als ik de vrije en volle uitnodiging tot u heb gebracht, gezegd hebt: "Ach! Daar kan ik niet mee bedoeld zijn." Gij bent zonder geloof in Christus, omdat gij denkt, dat gij er niet toe geschikt bent. Ik zal heden rein zijn van uw bloed. Ik zal u tonen dat er geen geschiktheid nodig is dat u bevolen wordt thans, en zoals gij bent, in de Heere Jezus Christus te geloven. Want het Evangelie van Jezus Christus komt tot u, komt tot u, waar gij bent. Zonder zedelijke of verstandelijke bekwaamheid of geschiktheid, zonder enigerlei reden waarom Hij u zal verlossen, komt Hij tot u als zodanig. En zegt u op Hem te betrouwen.

IV.

En nu ten vierde. "O," zegt iemand, "doch ik heb GEEN MOED. Ik durf niet in Christus geloven, ik ben zo sidderend, zo beschroomd, dat ik, wanneer ik hoor dat anderen op Christus betrouwen, denk, dat dit vermetele aanmatiging is. Ik wenste wel evenzo te doen, doch ik kan niet. Ik ben mij zo sterk bewust van mijn zonde, dat ik niet durf. Neen, o neen! Ik durf niet, want indien ik op Christus ging betrouwen en mij ging verheugen in de vergeving van mijn zonde dan zou dit wezen, alsof ik de gerechtigheid Gods beledigde." Zeer goed, doch door zeer tedere uitnodigingen komt Christus tot u, waar gij bent. "O alle gij dorstigen! Komt tot de wateren. En gij die geen geld hebt, komt, koopt en eet, ja komt, koopt zonder geld, en zonder prijs, wijn en melk." "Komt herwaarts tot mij, allen, die vermoeid en belast bent, en ik zal u rust geven." "De Geest en de bruid zeggen: kom! En die het hoort, zegge: kom! En die dorst heeft, kome; en die wil, neme het water des levens om niet." Hoe liefelijk stelt Hij het u voor. Ik weet niet waar meer uitlokkende woorden te vinden zijn dan die de Zaligmaker gebruikt. Wilt gij niet komen, als Christus u wenkt, als Hij u met tranen in de ogen toeroept om tot Hem te komen. Hoe! Is een uitnodiging van Hem u te gering? Doch wetende, dat gij op zijn uitnodiging geen acht zou slaan, heeft Hij haar in de vorm gekleed van een gebod. "Dit is zijn gebod, dat wij geloven in de naam van zijn Zoon Jezus Christus." "Geloof in de Heere Jezus Christus en gij zult zalig worden." "Die geloofd zal hebben, en gedoopt zal zijn, zal zalig worden; doch die niet zal geloofd hebben, zal verdoemd worden." Hij wist, dat gij zult zeggen; ach, ik ben niet geschikt om de uitnodiging aan te nemen." "Wel", zegt Hij, Ik zal de mens gebieden het te doen." Het is gelijk een arme hongerige man die brood voor zich heeft staan. En zegt; "Ach, het zou vermetel van mij zijn te durven eten." Doch de koning zegt: "Eet, man, of ik zal u straffen" Welk een edelmoedig gebod, zelfs in de bedreiging is nog geen toorn. Het is gelijk een moeder, die, wanneer haar kind de dood nabij is, en alleen door het gebruik van zekere medicijn herstellen kan. En het kind die medicijn niet wil innemen, het kind met straf dreigt. Die moeder dreigt slechts uit liefde, ten einde het kind te behouden. Zo heeft de Heere ook bedreigingen toegevoegd aan zijn geboden. Want een streng woord zal soms een ziel naar Christus heen drijven, waar een zacht woord haar niet tot Hem zou trekken. De vrees voor de hel doet de mensen wel eens heen vluchten naar Jezus. De vermoeide vleugel deed de arme duif heen vliegen naar de ark. En de bliksemen van Gods gerechtigheid hebben geen ander doel dan u heen te doen vlieden naar Christus, de Heere.

Nog eens, geliefden. Mijn Meester komt uw gebrek aan moed op lieflijke wijze te hulp door vele anderen tot zich te brengen, zodat gij hun voorbeeld kunt navolgen. Gelijk vogelaars somtijds lokvogels gebruiken, zo heeft ook mijn Meester lokvogels, om anderen tot Hem te lokken. Andere zondaren zijn zalig geworden, Anderen die op Hem hebben betrouwd, zijn door Hem gereinigd. Daar was Lot. Ach! Hij had zich schuldig gemaakt aan dronkenschap en bloedschande. En toch was hij een heilige Gods. David, de overspeler en moordenaar van Uria, was toch gewassen en witter gemaakt dan sneeuw." Manasse, de bloeddorstige vervolger die Jesaja in tweeën heeft laten zagen, was toch "gevangen genomen onder de doornen." En God heeft zich over hem ontfermd. Wat zal ik zeggen van Saulus van Tarsen, de vervolger van Gods volk? Van de moordenaar die om zijn misdaden aan het kruis is gestorven. En die toch beiden behouden werden? Zondaar, indien dezen u niet aanmoedigen te komen, wat zou dan uw schroom kunnen overwinnen? "Doch," zegt iemand, "mijn toestand hebt gij nog niet beschreven. Ik ben een verschrikkelijk snood zondaar!" Welnu, ik zal uw toestand dan nu bespreken. Hoor het Woord des Heeren in 1 Corinthe 6: 9 - "Noch hoereerders, noch afgodendienaars, noch overspelers, noch ontuchtigen, noch die bij mannen liggen, noch dieven, noch gierigaards, noch dronkaards, geen lasteraars, geen rovers zullen het koninkrijk Gods beërven. En dit waart gij sommigen; doch gij bent afgewassen, doch gij bent geheiligd, doch gij bent gerechtvaardigd in de naam van de Heere Jezus en door de Geest van onze God." Wat ontzettende schilderingen, mijn broeders! Sommigen er van zijn zó verschrikkelijk dat wij, na de beschrijving er van gelezen te hebben, die zonden wensen te vergeten. En toch! En toch! Eer zij uw almachtige genade, o God! Dezulken hebt Gij verlost. En dezulken kunt Gij nog heden verlossen. O beschroomd zondaar, kunt gij na dit gelezen te hebben nu nog niet op Jezus vertrouwen? Hoor wederom het Woord des Heeren (Titus 3: 3-5). Want ook wij waren eertijds onwijs, ongehoorzaam dwalende, menigerlei begeerlijkheden en wellusten dienende, in boosheid en nijdigheid levende, hatelijk zijnde, en elkander hatende. Doch wanneer de goedertierenheid van God, onze Zaligmaker, en zijn liefde tot de mensen verschenen is, heeft Hij ons zalig gemaakt, niet uit de werken der rechtvaardigheid, die wij gedaan hadden, doch naar zijn barmhartigheid. Door het bad der wedergeboorte en vernieuwing van de Heilige Geest." Welaan, gij hatelijke zondaars. En gij die vol bent van boosheid en nijdigheid. Hier is de poort open, zelfs voor u. Want de goedertierenheid en liefde van God jegens de mens wordt geopenbaard in Christus. Luistert naar nog een woord uit de schrift, want Gods woorden zijn meer dan de mijne. En ik hoop dat sommigen van u er door getrokken zullen worden (Efeze 2: 1-3): "U heeft Hij mede levend gemaakt, daar gij dood waart door de misdaden en de zonden; in welke gij eertijds gewandeld hebt, naar de eeuw dezer wereld, naar de overste van de macht der lucht, van de geest die nu werkt in de kinderen der ongehoorzaamheid; onder dewelke ook wij allen eertijds verkeerd hebben in de begeerlijkheden van ons vlees, doende de wil van het vlees en der gedachten. En wij waren van nature kinderen des toorns, gelijk ook de anderen. Doch God, die rijk is in barmhartigheid, door zijn grote liefde, waarmee Hij ons liefgehad heeft, ook toen wij dood waren door de misdaden, heeft ons levend gemaakt met Christus (uit genade bent gij zalig geworden). En heeft ons mede opgewekt, en heeft ons mede gezet in de hemel in Christus Jezus." Waarvoor? Opdat Hij zou betonen in de toekomende eeuwen de uitnemende rijkdom van zijn genade door de goedertierenheid over ons in Christus Jezus." Nog één Schriftuurplaats en dan zal ik verder uw aandacht niet vermoeien. O, dat deze laatste Schriftwoorden sommigen van u mochten vertroosten! Het is Paulus, die spreekt: "ik Die tevoren een Godslasteraar was, en een vervolger, en een verdrukker; doch mij is barmhartigheid geschied, dewijl ik het onwetende gedaan heb in mijn ongelovigheid. Doch de genade van onze Heere is zeer overvloedig geweest, met geloof en liefde die er is in Christus Jezus. Dit is een getrouw woord." Zie hoe hij dit nu voorstelt als zijn eigen ervaring. "En aller aanneming waardig, dat Christus Jezus in de wereld gekomen is, om de zondaren zalig te maken, van welke ik de voornaamste ben." "Ach," zegt iemand, "doch Hij zal niemand meer willen zalig maken." Laat mij voortgaan. "Maar daarom is mij barmhartigheid geschied, opdat Jezus Christus in mij, die de voornaamste ben, al Zijn lankmoedigheid zou betonen, tot een voorbeeld degenen, die in Hem geloven zullen ten eeuwigen leven." Zodat, indien gij betrouwt, gelijk Paulus betrouwd heeft, gij, als Paulus, verlost en zalig zult worden, want zijn bekering en verlossing zijn een voorbeeld voor allen, die in de Heere Jezus Christus zullen geloven ten eeuwige leven. En aldus, o zondaar, hoe beschroomd gij ook bent, hier komt Jezus tot u waar gij bent.

O, ik wenste wel een woord te kunnen spreken dat u, wenenden en bedrukten, er toe kon brengen op Jezus te zien. O, laat de duivel u niet in de verzoeking brengen om te geloven dat gij te zondig bent. "Waarom hij ook volkomen kan zalig maken degenen, die door hem tot God gaan." Geschiktheid is niet nodig, kom slechts tot Hem. Gij bent onrein. En gij gevoelt uw onreinheid niet, zoals gij haar moest gevoelen - en dat maakt u nog altijd meer onrein. Zo kom dan, en wees rein. Gij bent zondig. En dit is uw grootste zonde, dat gij uw zonde niet betreurt, zoals gij moest. Doch kom tot Hem en vraag Hem uw onboetvaardigheid te vergeven. Komt, zoals gij bent. Indien Hij iemand van u uitwerpt, dan zal ik daar eeuwig de blaam van dragen. Indien Hij iemand van u die op Hem betrouwt, verstoot, zo noemt mij ten dage der opstanding een vals profeet. Doch ik sta er u borg voor met mijn leven, ik sta er u borg voor met het deel, dat mijn eigen ziel hieraan heeft - dat, wie tot Hem komt, Hij geenszins zal uitwerpen.

V.

Ik hoor nog een klacht. "Ik ben KRACHTELOOS," zegt iemand." Zal Jezus komen, waar ik ben?" Ja, o zondaar, juist daar, waar gij bent. Gij zegt, dat gij niet kunt geloven dat dit uw groot struikelblok is. Zo komt God u dan te hulp in uw onmacht, in uw onbekwaamheid.

Ten eerste: Hij komt u tegen met zijn beloften. Ziel, gij kunt niet geloven. Doch als God die niet liegen kan, belooft, wilt gij, kunt gij dan nog niet geloven? Ik denk waarlijk, dat Gods beloften - zo gewis, zo onwrikbaar - deze uw onmacht moeten overwinnen. "Die tot mij komt, zal ik geenszins uitwerpen." Kunt gij nu niet geloven? Wel, die belofte moet waar zijn! Doch alsof Hij wist, dat dit nog niet genoeg was, heeft Hij het met een eed bevestigd - en nooit werd ontzaglijker en plechtiger een eed afgelegd - "zo waarachtig als Ik leef, spreekt de Heere HEERE, zo Ik lust heb in de dood van de goddelozen! Doch daarin heb Ik lust, dat de goddeloze zich bekere van zijn weg en leve. Bekeert u, bekeert u van uw boze wegen, want waarom zou gij sterven, o huis Israëls." Kunt gij nu niet geloven? Hoe! Wilt gij twijfelen aan God, als Hij het zweert, zodat gij dan God niet slechts tot een leugenaar maakt, doch - o ik huiver terwijl ik het zeg - meent gij dat God zijn eed kan verbreken? Verre zij het van u aldus God te lasteren! Gedenk: die God niet gelooft, heeft Hem tot een leugenaar gemaakt, dewijl hij niet geloofd heeft het getuigenis, dat God getuigd heeft van zijn Zoon. Doe dit niet. Gij kunt voorzeker wel geloven, als belofte en eed u tot geloof noodzaken. Doch meer: alsof Hij wist, dat ook dit nog niet genoeg was, heeft Hij u zijn Geest gegeven. "Indien dan gij, die boos bent, weet uw kinderen goede gaven te geven, hoeveel te meer zal de hemelse Vader de Heilige Geest geven aan dengenen, die Hem bidden." Gewis, hiermede moet gij kunnen geloven. "Doch," zegt iemand, "ik zal het beproeven." Neen, neen, beproef het niet; dat is het niet wat God u beveelt te doen. Er wordt geen beproeven verlangd. Zondaar, geloof Christus. "Doch" zegt iemand, "ik zal er over denken." Denk er niet over, doe het, doe het thans, want dit is Gods Evangelie. Er zijn er onder u die daar staan in deze gangpaden of neerzitten op hun plaatsen, van wie ik het in mijn ziel gevoel dat nooit meer een uitnodiging tot hen zal komen. En indien de uitnodiging van heden verworpen wordt dan gevoel ik de plechtige overtuiging in mijn ziel - ik geloof dat zij van de Heilige Geest is - dat gij nooit meer een getrouwe prediking zult horen. Doch dat gij onboetvaardig naar de hel zult gaan, tenzij gij thans op Jezus vertrouwt. Ik spreek niet als mens; ik spreek als gezant van God tot uw zielen. En in de naam van God gebied ik u: vertrouwt op Jezus, vertrouwt thans op Jezus. Het is op uw eigen gevaar, dat gij de stem afwijst die van de hemel spreekt. Want "die niet zal geloofd hebben zal verdoemd worden." Hoe zult gij ontvlieden, indien gij op zo grote zaligheid geen acht geeft? Als dit doordringt tot uw hart, als dit zich stelt op uw weg, ach! Hoe zult gij dan ontvlieden, indien gij er geen acht op slaat? Met tranen nodig ik u. En zo ik kon, zou ik u dwingen in te gaan. Waarom wilt gij niet? O indien gij verloren wilt gaan, indien gij vast besloten bent om u door geen genade of goedertierenheid te laten lokken, en door geen waarschuwingen te laten bewegen, wat ketenen van de wraak moet gij dan niet verduren, gij, die deze banden der liefde versmaadt. Gij hebt de diepste hel verdiend, want gij minacht de genietingen hierboven. God verlosse u. Hij zal u verlossen, zo gij in Jezus gelooft. God helpe u om thans op Hem te betrouwen, om Jezus wil, Amen.

Overgenomen uit zijn boek:

"De gelijkenissen van de Heiland"

van C.H.Spurgeon.